
Mattheüs 7:7
Het Goede dat goed maakt, is God. Want niemand kan de mens goed maken behalve Hij die eeuwig Goed is. Daarom: opdat jij goed mag worden, roep God aan. Maar er is nog een ander goed waardoor je goed kunt doen, en dat is alles wat je bezit. Er is goud, er is zilver; ze zijn goed — niet op een wijze die jou goed kan maken, maar waardoor jij goed kunt doen.
Je hebt goud en zilver, en je verlangt naar meer goud en zilver. Je bezit het, en je verlangt het te bezitten; je bent tegelijk vol en dorstig. Dit is een ziekte, geen rijkdom. Wanneer mensen aan waterzucht lijden, zijn ze vol water en toch altijd dorstig. Ze zijn vol water, en toch dorsten ze naar water. Hoe kun je dan vreugde vinden in rijkdom, als je daardoor deze ziekelijke dorst hebt?
Goud heb je dus, het is goed; maar je hebt niet datgene waardoor je goed kunt worden, alleen datgene waardoor je goed kunt doen. Vraag je: Welk goed kan ik doen met goud? Heb je niet gehoord in de Psalm: “Hij heeft uitgedeeld, hij heeft gegeven aan de armen, zijn gerechtigheid blijft voor eeuwig.” Dit is goed, dit is het goede waardoor jij goed wordt: gerechtigheid.
Als je het goede hebt waardoor je goed wordt, doe dan goed met dat goede dat jou niet goed kan maken. Je hebt geld, deel het vrijgevig uit. Door het vrijgevig uit te delen, vermeerder je gerechtigheid. Want: hij heeft uitgedeeld, heeft verspreid, heeft gegeven aan de armen; zijn gerechtigheid blijft voor eeuwig.
Zie wat vermindert en wat toeneemt. Je geld vermindert, je gerechtigheid neemt toe. Dat wat vermindert, zou je toch spoedig verliezen; dat wat vermindert, zou je spoedig achterlaten. Maar dat wat toeneemt, zul je voor altijd bezitten.
Augustinus, Preek 10 over het Nieuwe Testament, paragraaf 6, ca. 395 n.Chr.
++++
Commentaar – zachte duiding:
Augustinus raakt hier een diepe snaar: het onderscheid tussen het goede dat wij bezitten en het Goede dat ons vormt.
Goud en zilver zijn “goed” omdat ze kunnen dienen tot liefde, tot rechtvaardigheid, tot zorg voor de armen.
Maar ze zijn niet het soort goed dat de mens innerlijk verandert.
Alleen God — het eeuwige Goede — kan het hart zuiveren, richten, genezen.
Augustinus gebruikt het beeld van waterzucht: een lichaam dat vol water is, maar toch dorst. Zo is de mens die rijkdom verzamelt zonder innerlijke vrijheid: hij bezit veel, maar verlangt nog meer. De dorst wordt niet gestild, maar gevoed.
De paradox is prachtig: Wat je weggeeft, verlies je niet. Wat je bewaart, verlies je uiteindelijk. Wat je deelt, wordt eeuwig.
Gerechtigheid — het hart dat zich opent naar de ander — is het enige bezit dat niet sterft.
In deze tekst klinkt een zachte uitnodiging:
Laat je rijkdom, hoe klein of groot ook, een kanaal worden van Gods goedheid. Laat je hart het eerste geschenk zijn dat je uitdeelt.
++++
Gebed:
Heer, eeuwige Goedheid,
Gij die alleen het hart kunt zuiveren en richten,
open in mij de ruimte waar uw licht kan wonen.
Bevrijd mij van de dorst die nooit verzadigt,
van het verlangen dat mij bindt aan wat voorbijgaat.
Leer mij te zien wat werkelijk blijft:
de liefde die gedeeld wordt,
de gerechtigheid die groeit,
de mildheid die uw gelaat weerspiegelt.
Neem mijn handen, mijn tijd, mijn middelen,
en maak ze tot instrumenten van uw vrede.
Laat wat ik weggeef, niet verdwijnen,
maar veranderen in een vrucht die eeuwig draagt.
Maak mij goed, Heer,
opdat ik goed kan doen.
Amen.
**************

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.