Uitgelicht

Akathistoshymne tot de Moeder Gods

******

Voor de tekst : zie de zijkolom

*************************

Deze lofzang tot de Moeder Gods : Om beluisterd te worden gedurende gans de Meimaand-Mariamaand.

Danken wij hiervoor de Moeder van God Luisteren we met aandacht naar de Akatistoshymne !!!!

DE SITE IS WEER ACTIEF………….

Johannes van het Kruis: Wat verlang je als beloning voor je arbeid?….

1.Domine, pati et continuare pro te. 

Heer, te mogen lijden en volharden voor U.

Of als gebedszin in conjunctief:

Domine, pati et continuem pro te. 

Heer, laat mij lijden en volharden voor U.

2. Joannes quid vis pro laboribus?

Vertaling

(Johannes, wat wilt gij voor uw inspanningen?) 

(of: Wat verlang je als beloning voor je arbeid?)

(Deze zin is volledig correct Latijn.)

++++

Gebed:

Heer,

leer mij te dragen wat Gij mij toevertrouwt.

Laat mij lijden zonder verbittering,

volharden zonder te verslappen,

en alles aanbieden aan Uw liefde.

Gij kent mijn arbeid, mijn zwakheid, mijn verlangen.

Vraag mij slechts wat U wilt,

en geef mij een hart dat antwoordt

met eenvoud, trouw en vrede.

Heer Jezus,

wees mijn kracht in de moeite,

mijn rust in de strijd,

mijn loon in elke arbeid.

Amen.

++++

In Latijn:

Domine,

doce me portare quod mihi committis.

Fac me pati sine amaritudine,

perseverare sine lassitudine,

et omnia caritati Tuae offerre.

Tu nosti laborem meum, infirmitatem meam, desiderium meum.

Pete a me quod vis,

et da mihi cor quod respondet

simpliciter, fideliter, pacifice.

Domine Iesu,

esto fortitudo mea in labore,

requies mea in certamine,

merces mea in omni opere.

Amen.

****************

St. Augustinus: Wat Augustinus hier beschrijft, is geen morele kramp of ascetische zelfhaat, maar een innerlijke verschuiving van verlangen.

“Hoe zoet was het, ineens, om verlost te zijn van die vruchteloze genoegens waarvan ik ooit bang was ze te verliezen!”Augustinus

Commentaar:

Deze korte zin uit Confessiones ademt de kern van Augustinus’ bekering: de ontdekking dat ware vreugde niet ontstaat door het vasthouden aan tijdelijke genoegens, maar juist door het loslaten ervan.

Wat Augustinus hier beschrijft, is geen morele kramp of ascetische zelfhaat, maar een innerlijke verschuiving van verlangen. Hij had jarenlang gedacht dat zijn vroegere genoegens hem gelukkig maakten — en vooral dat hij zonder hen niets zou overhouden. Maar op het moment dat Gods genade zijn hart raakte, ervoer hij iets onverwachts: het loslaten bleek geen verlies, maar bevrijding.

De “vruchteloze genoegens” zijn niet per se slechte dingen op zichzelf; ze zijn vruchteloos omdat ze geen blijvende vervulling schenken. Ze beloven veel, maar laten de ziel leeg achter. De zoetheid die Augustinus ervaart, is de smaak van een nieuw verlangen: een vreugde die niet afhankelijk is van omstandigheden, maar geworteld is in God zelf.

In deze zin horen we de zachte omkering van het hart:

  • van angst naar vrijheid
  • van gehechtheid naar overgave
  • van illusie naar waarheid
  • van leegte naar vervulling

Het is de ervaring die elke zoeker herkent: dat de weg naar God niet begint met verlies, maar met een onverwachte zoetheid.

++++

Gebed:

Heer, U kent mijn hart en de dingen waaraan ik mij vastklamp, de genoegens die mij afleiden, de angsten die mij verhinderen los te laten.

Schenk mij de genade die Augustinus ontving: dat ik mag ontdekken dat uw vreugde zoeter is dan alles wat ik zelf probeer vast te houden.

Bevrijd mij van wat geen vrucht draagt, en open mijn hart voor de stille, diepe vreugde die alleen van U komt.

Laat mij proeven hoe goed het is om in U mijn rust te vinden.

Amen.

******************

Augustinus: Deze korte gebedstekst draagt de kern van Augustinus’ spiritualiteit in zich….

***********

“O God, U kennen is leven.

U dienen is vrijheid.

U prijzen is de vreugde en de blijdschap van de ziel.

Bewaar mij door de kracht van Uw genade, hier en overal,

nu en te allen tijde, voor altijd.

Amen.”

— Augustinus van Hippo

++++

Commentaar:

Deze korte gebedstekst draagt de kern van Augustinus’ spiritualiteit in zich: een beweging van het hart naar God toe, waarin kennen, dienen en prijzen geen losse handelingen zijn, maar één enkele dynamiek van liefde.

“U kennen is leven.” 

Voor Augustinus is kennis nooit louter intellectueel. God kennen betekent: geraakt worden, innerlijk ontwaken, leven ontvangen. Het is de omkering van zijn beroemde bekentenis: “Onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U.” God kennen is de rust die het hart eindelijk ademt.

“U dienen is vrijheid.” 

Dit is typisch Augustinus: ware vrijheid is niet autonomie, maar liefde. Niet doen wat je wilt, maar willen wat goed is. Dienen is geen knechtschap, maar het terugvinden van de oorspronkelijke harmonie tussen wil en waarheid.

“U prijzen is de vreugde van de ziel.” 

De ziel vindt haar vreugde niet in bezit, prestatie of erkenning, maar in het richten op God. Prijs is de taal van de ziel die haar oorsprong herkent.

“Bewaar mij door de kracht van Uw genade.” 

Augustinus eindigt waar hij altijd eindigt: bij de genade. Niet onze kracht, maar Gods nabijheid draagt ons “hier en overal, nu en altijd”. Het is een gebed van overgave, vertrouwen en diepe afhankelijkheid.

Deze tekst is een miniatuur van Augustijnse spiritualiteit: eenvoudig, helder, maar met een diepte die blijft resoneren.

++++

Gebed:

Heer,

Gij die het leven zijt dat mijn hart zoekt,

open mijn ogen om U te kennen

en mijn wil om U te dienen in ware vrijheid.

Laat mijn ziel haar vreugde vinden in Uw lof,

zoals een kind dat thuiskomt in de armen van zijn Vader.

Bewaar mij door Uw genade,

in de stilte en in de storm,

in mijn werk en in mijn rust,

in dit moment en in alle tijden die komen.

Wees mijn licht, mijn vrede, mijn vreugde.

Amen.

********************

Trots versus Nederigheid:

PRIDE VS. HUMILITY — TROTS VS. NEDERIGHEID

Trots houdt ervan om te praten, genietend van elke zelfverheffende vorm van zelfexpressie. 

Nederigheid stelt vragen en houdt van dialoog.

Trots is tevreden met wat het al weet. 

Nederigheid heeft nog nooit iemand ontmoet van wie het niets kon leren.

Trots gaat ervan uit dat ik alles al begrijp wat ik moet weten. 

Nederigheid gaat ervan uit dat er altijd meer te leren valt over alles.

Trots gaat ervan uit dat ik geen hulp nodig heb. 

Nederigheid gaat ervan uit dat ik anderen nodig heb.

Trots beoordeelt anderen zondig door te veronderstellen dat zij negatief of onbehulpzaam zullen reageren als ik mij open. 

Nederigheid is liever open en kwetsbaar dan gesloten en onafhankelijk.

Trots gebruikt een gesprek als zendtijd. 

Nederigheid gebruikt een gesprek met een echtgenoot/echtgenote om nieuwe werelden te verkennen.

Trots heeft geen echtgenoot/echtgenote nodig, alleen een publiek. 

Nederigheid investeert energie en moeite in luisteren.

Trots ontkent wat het evangelie openbaart over onze diep zondige toestand (Spr. 10:19; Gal. 5:17). 

Nederigheid behandelt een echtgenoot/echtgenote als een medereiziger op de weg naar bijbelse wijsheid.

(Geen tekst aan de kant van trots) 

Nederigheid die tot intimiteit leidt, toont belangstelling voor de echtgenoot/echtgenote als een gave van God.

(Geen tekst aan de kant van trots) 

Nederigheid gelooft wat het evangelie zegt over onze wanhopige nood aan God en zijn genade—zowel na onze redding als ervoor.

++++

Commentaar — Een contemplatieve duiding:

Deze tekst legt een diepe geestelijke waarheid bloot: trots is een vorm van innerlijke verharding, terwijl nederigheid een vorm van innerlijke openheid is.

Trots sluit de mens op in zichzelf.

Het maakt het hart smal, defensief, zelfgenoegzaam.

Het verhindert groei, ontmoeting, liefde en zelfs genade.

Nederigheid daarentegen opent het hart naar God en naar de ander.

Het is niet zwak, maar wijs.

Niet klein, maar vrij.

Niet onzeker, maar gegrond in waarheid.

De tekst legt een bijzondere nadruk op relaties—vooral het huwelijk—maar de geestelijke dynamiek geldt voor elke menselijke ontmoeting:

Trots maakt van de ander een bedreiging of een publiek.

Nederigheid maakt van de ander een geschenk en een leraar.

In de christelijke traditie is nederigheid nooit vernedering, maar waarheidsliefde:

de waarheid over God, over onszelf, over onze afhankelijkheid, over onze roeping tot liefde.

Trots zegt: “Ik ben genoeg.” 

Nederigheid zegt: “God is genoeg.”

En precies daar ontstaat vrede.

++++

Gebed — Om de weg van nederigheid te leren gaan

Heer Jezus,

Gij die zachtmoedig en nederig van hart zijt,

leer mij de weg van de ware nederigheid.

Bevrijd mij van de trots die mij afsluit,

van het spreken dat niet luistert,

van het weten dat niet leert,

van het oordelen dat niet liefheeft.

Open mijn hart voor de ander

als een gave van Uw hand,

een medereiziger op de weg naar Uw licht.

Geef mij de moed om kwetsbaar te zijn,

de wijsheid om te luisteren,

de vreugde om te dienen,

en de nederigheid om Uw genade te ontvangen

elke dag opnieuw.

Maak mijn hart ruim, zacht en beschikbaar,

zodat Uw liefde er vrij doorheen kan stromen.

Amen.

*****************

C.S.Lewis: Geloof me, deze wereld die ons zo werkelijk lijkt is niet meer dan een schaduw….

++++

CSLewis: God houdt van ons, en daarom geeft Hij ons het geschenk van het lijden.

Door het lijden laten we onze greep los op de speelgoedjes van deze wereld,

en leren we dat ons ware goed in een andere wereld ligt.

We zijn als blokken steen, waaruit de beeldhouwer de vorm van een mens houwt.

De slagen van zijn beitel, die ons zo pijn doen,

zijn juist wat ons volmaakt maakt.

Het lijden in deze wereld is niet het falen van Gods liefde voor ons;

het ís die liefde in actie.

Want geloof me: deze wereld, die ons zo werkelijk lijkt,

is niet meer dan de schaduwwereld.

Het echte leven is nog niet begonnen.”

— C.S. Lewis

++++

Commentaar:

Deze passage van C.S. Lewis behoort tot zijn meest indringende beschouwingen over het mysterie van het lijden. Hij spreekt niet als iemand die lijden romantiseert, maar als iemand die het doorleefd heeft en het probeert te verstaan in het licht van Gods liefde.

1. Lijden als loslaten

Lewis noemt het lijden een “geschenk”—niet omdat het prettig is, maar omdat het ons bevrijdt van onze gehechtheid aan wat hij “de speelgoedjes van deze wereld” noemt. Het is een spirituele pedagogie: het leert ons onderscheiden wat werkelijk blijft en wat slechts tijdelijk glanst.

2. De beeldhouwer en de beitel

Het beeld van de steen en de beeldhouwer is klassiek en krachtig.

Wij ervaren de slagen als pijn, maar God ziet de vorm die nog verborgen ligt.

Lijden wordt zo niet zinloos, maar doelgericht: het onthult wie wij werkelijk zijn.

3. Liefde die niet altijd zacht is

Lewis durft te zeggen dat lijden niet het ontbreken van Gods liefde is, maar juist haar werking.

Dat is een theologisch gewaagde uitspraak, maar ze sluit aan bij de christelijke traditie:

Gods liefde is niet alleen troostend, maar ook transformerend.

4. De schaduwwereld

De term “shadowlands” verwijst naar Plato’s grot, maar ook naar de christelijke hoop:

dit leven is niet het eindpunt, maar de voorhof van het ware leven.

Het lijden van nu krijgt betekenis in het licht van de eeuwigheid.

++++

Gebed:

Heer,

Gij die ons vormt met de zachte hand van een Vader

en met de vaste hand van een Kunstenaar,

leer ons U te vertrouwen wanneer de beitel neerkomt.

Laat ons in de pijn niet alleen de wond voelen,

maar ook het werk dat Gij in ons verricht.

Bevrijd ons van wat ons bindt aan het tijdelijke,

en richt ons hart op het ware leven dat nog moet komen.

Geef ons de moed om te geloven

dat zelfs in het lijden Uw liefde werkzaam is.

Maak ons, door Uw genade,

tot het beeld dat Gij vanaf het begin in ons hebt gezien.

Amen.

******************

“Wat betekent de term Theotokos?….

Wat betekent de term THEOTOKOS?

“Wat betekent de term Theotokos?

De term Theotokos werd al gebruikt in het devotionele en liturgische leven van de Kerk nog vóór het Derde Oecumenische Concilie. Hij verwijst naar Maria, de Moeder van Jezus, als ‘God-barende’ en ‘Zij die God ter wereld brengt’.

De term benadrukt ook dat haar Zoon, Jezus, zowel volledig God als volledig mens is, op hetzelfde moment.

—Fr. Matthew”**

++++

Commentaar:

Het woord Theotokos is een van de meest tedere én theologisch geladen titels van Maria. Het is geen poëtische eretitel, maar een belijdenis van het hart van het christelijk geloof: in Jezus Christus is God zelf mens geworden.

Door Maria Theotokos te noemen, zegt de Kerk niet eerst iets over Maria, maar over Christus:

dat Hij waarachtig God is, niet slechts een geïnspireerde profeet;

dat Hij waarachtig mens is, geboren uit een vrouw, deel van onze geschiedenis, onze kwetsbaarheid, onze adem;

dat de menswording geen schijn was, maar een echte geboorte, een echte omhelzing van ons vlees.

Maria wordt zo het levende kruispunt waar de eeuwigheid de tijd binnenkomt. Haar ja-woord wordt de deur waardoor de onmetelijke God zich laat dragen, voeden, wiegen.

De titel Theotokos beschermt het mysterie van Christus tegen elke poging om Hem te reduceren tot minder dan God of minder dan mens. Zij bewaart de volheid van het Evangelie: God komt ons nabij in een Kind, gedragen door een moeder.

++++

Gebed:

Heilige Maria, Theotokos,

Gij die God hebt gedragen in uw armen,

leer ons de nederige openheid van uw hart.

Wanneer wij het mysterie van Christus te klein maken,

open dan opnieuw in ons de ruimte voor Zijn goddelijke grootheid.

Wanneer wij Zijn nabijheid vergeten,

herinner ons eraan dat Hij mens werd om ons te redden.

Moeder van de Menswording,

breng ons naar uw Zoon,

zoals gij Hem ooit naar de wereld hebt gebracht.

Laat ons in uw stilte, uw vertrouwen, uw overgave

iets proeven van het licht dat Gij hebt gezien

in het Kind dat Gij droegt.

Heilige Theotokos,

bid voor ons,

opdat Christus in ons geboren mag worden,

vandaag en alle dagen.

Amen.

++++

Uitgebreide meditatie over de iconografie van de Theotokos

1. De gouden achtergrond — het licht dat geen schaduw kent

In Byzantijnse iconen is goud nooit decoratie.

Het is onvergankelijk licht, het licht van Gods eigen aanwezigheid.

Wanneer Maria en het Kind tegen een gouden achtergrond staan, betekent dat:

zij leven in Gods sfeer

zij worden niet verlicht van buitenaf, maar dragen het licht van binnenuit

de toeschouwer wordt uitgenodigd om in datzelfde licht te gaan staan

Het goud zegt: hier is geen tijd, geen verval, alleen het eeuwige nu van God.

2. De houding van Maria — de Moeder die wijst naar de Zoon

In de meeste Theotokos-iconen houdt Maria het Kind niet alleen vast, maar presenteert Hem.

Haar lichaam is licht naar Hem toe gedraaid, haar hand wijst naar Hem als naar een bron.

Dit is de iconografische taal van de Kerk:

Maria is nooit het eindpunt. Zij is de wegwijzer.

Haar hele houding zegt:

“Zie Hem. Luister naar Hem. Hij is het Licht, niet ik.”

3. De blik van Maria — zacht, maar ernstig

Maria kijkt zelden naar het Kind.

Ze kijkt meestal naar ons.

Dat is geen afstand, maar een theologische keuze:

zij ziet de wereld waarin haar Zoon zal leven, lijden, sterven en verrijzen.

In haar blik ligt:

tederheid

mededogen

een stille kennis van het kruis

een uitnodiging tot vertrouwen

Het is de blik van een moeder die weet dat liefde kwetsbaar maakt, maar toch liefheeft.

4. Het Kind — niet klein, maar wijs

Het Kind Jezus in iconen lijkt vaak ouder dan een baby.

Dat is geen gebrek aan realisme, maar een bewuste symboliek:

Hij is het eeuwige Woord

Hij is wijsheid in menselijke vorm

Hij is zowel kwetsbaar als almachtig

Zijn rechterhand zegent, zijn linkerhand houdt vaak een rol of boek vast:

Hij is de Leraar, zelfs als Kind.

5. De Griekse letters — een belijdenis in symbolen

Aan weerszijden van Maria staan de letters:

ΜΡ ΘΥ — Meter Theou, “Moeder van God”

Bij Jezus: IC XC — Iēsous Christos, “Jezus Christus”

Deze afkortingen zijn geen labels, maar belijdenissen.

Ze beschermen het mysterie van de menswording tegen elke verwatering.

6. De titel Theotokos — het hart van het mysterie

De titel Theotokos zegt niet eerst iets over Maria, maar over Christus:

dat Hij werkelijk God is

dat Hij werkelijk mens is

dat Zijn geboorte geen symboliek is, maar vlees en bloed

Maria is de brug tussen hemel en aarde,

de poort waardoor God onze wereld binnenkomt,

de aarde waarin het Woord wortel schiet.

++++

Contemplatieve beschouwing:

Wanneer we naar een Theotokos-icoon kijken, kijken we niet naar een afbeelding,

maar naar een theologie in kleur.

We zien:

de tederheid van een moeder

de majesteit van God

de kwetsbaarheid van een kind

de eeuwigheid die zich laat dragen door menselijke armen

De icoon nodigt ons uit om hetzelfde te doen als Maria:

Christus dragen, tonen, bewaren, doorgeven.

Gebed bij de icoon van de Theotokos

Heilige Moeder van God,

Gij die het onmetelijke hebt gedragen

in de stilte van uw schoot,

leer ons de eenvoud van uw ja-woord.

Wanneer ons hart te klein lijkt

voor Gods aanwezigheid,

open het dan met uw zachtmoedigheid.

Wanneer wij het mysterie van Christus

niet meer durven vertrouwen,

herinner ons dan aan uw blik,

die ons uitnodigt tot overgave.

Theotokos,

Moeder van het Licht,

Moeder van de Menswording,

breng ons naar uw Zoon,

zoals gij Hem ooit naar de wereld hebt gebracht.

Laat in ons

iets geboren worden

van Zijn vrede,

Zijn wijsheid,

Zijn liefde.

Amen.

**************************************

Cyprian van Carthago: In de woorden van de heilige Cyprianus van Carthago: Je kunt God niet tot Vader hebben als je de Kerk niet tot Moeder hebt….

In de woorden van de heilige Cyprianus van Carthago: Je kunt God niet tot Vader hebben als je de Kerk niet tot Moeder hebt.

De Kerk, als een moeder… …is bedroefd wanneer haar kinderen ver van haar wegblijven. …geeft je leven. …bidt voor je redding, zelfs wanneer jij dat niet verlangt. …wacht op je thuiskomst. …heeft hoge verwachtingen van je gedrag. …zegt: kleed je netjes aan, en kam je haar. …roept je naar binnen met een klok. …voedt je, zelfs wanneer je zegt dat je geen honger hebt. …is dankbaar voor jou. …berispt je precies wanneer je het nodig hebt. …omhelst je precies wanneer je het nodig hebt. …dwingt je om klusjes te doen. …zegt je niet noodzakelijk wat je wílt horen, maar wat je móét horen. …troost je wanneer je pijn hebt. …duwt je vooruit wanneer je te comfortabel wordt. …luistert naar je problemen. …zegt dat je lief moet spelen en moet delen met je broeders en zusters. …verzorgt je wanneer je ziek bent. …is een vaste hand in je beproevingen. …verheugt zich in je vreugden en je geluk. …laat je nemen zonder dat je ooit iets teruggeeft. …geeft nooit op jou op. …bemint al haar kinderen gelijk, al niet noodzakelijk op dezelfde manier. …houdt altijd van je, wat er ook gebeurt.

FMS

++++

Commentaar:

Deze tekst ademt de geest van de vroege Kerkvaders, vooral Cyprianus, die de Kerk niet zag als een abstract instituut maar als een levend lichaam, een moederlijke werkelijkheid waarin Christus zelf woont en werkt.

1. De Kerk als moederlijke aanwezigheid

De opsomming van moederlijke handelingen — voeden, troosten, corrigeren, wachten, bidden — maakt zichtbaar dat de Kerk geen koude structuur is, maar een warm huis, een thuis van genade. Het is een uitnodiging om de Kerk niet te zien als een verzameling regels, maar als een persoonlijke, liefhebbende aanwezigheid.

2. Liefde die corrigeert én omhelst

De tekst durft iets wat onze tijd vaak moeilijk vindt: moederlijke liefde omvat zowel tederheid als correctie. De Kerk is niet alleen een schuilplaats, maar ook een vormende kracht. Ze wil dat haar kinderen groeien, rijpen, heilig worden.

3. De Kerk als geduldige wachtende

“Ze wacht op je thuiskomst.” Dit is de echo van de parabel van de verloren zoon. De Kerk staat niet met de vinger te wijzen, maar met open armen. Ze is een moeder die nooit opgeeft, zelfs wanneer haar kinderen haar vergeten.

4. Een liefde die niet symmetrisch is

“Ze laat je nemen zonder dat je ooit iets teruggeeft.” Dit is pure genade. De Kerk geeft omdat Christus geeft — overvloedig, onvoorwaardelijk, zonder berekening.

5. Een moeder die allen liefheeft, maar niet identiek

“Gelijk, maar niet hetzelfde.” Dit is een subtiele, diepe waarheid: ieder kind wordt anders bemind, omdat ieder kind anders is. De Kerk kent de unieke weg van elke ziel.

++++

Gebed:

Heer Jezus Christus, Gij die ons hebt toevertrouwd aan de liefdevolle zorg van uw heilige Kerk, leer ons haar te zien zoals Gij haar ziet: als een moeder die draagt, voedt, corrigeert en omhelst.

Laat ons niet weglopen van haar stem, maar haar klank herkennen als de zachte roep van uw hart. Wanneer wij zwerven, roep ons terug. Wanneer wij moe zijn, laat haar ons troosten. Wanneer wij koppig zijn, laat haar ons vormen. Wanneer wij vreugde kennen, laat haar met ons meevieren.

Heilige Moeder Kerk, leid ons naar Christus, verzamel ons onder uw mantel, en houd ons dicht bij het hart van de Vader.

Amen.

************************

St.cyril van Alexandrië:“Hij die de Communie ontvangt, wordt geheiligd en vergoddelijkt in ziel en lichaam”….

“Hij die de Communie ontvangt, wordt geheiligd en vergoddelijkt in ziel en lichaam, zoals water dat boven het vuur wordt gezet en begint te koken.

De Communie werkt als gist die in het deeg wordt gemengd, zodat het het hele deeg doordringt en doet rijzen.

En zoals je door twee kaarsen samen te smelten één stuk was krijgt, zo – denk ik – wordt degene die het Lichaam en Bloed van Jezus ontvangt met Hem verenigd door deze Communie.

De ziel ontdekt dat zij in Christus is, en Christus in haar.”

— Sint Cyrillus van Alexandrië:

++++

Commentaar:

Cyrillus gebruikt drie krachtige beelden die elk een ander aspect van de Eucharistie openbaren:

1. Water dat kookt

Water blijft water, maar het wordt veranderd door het vuur.

Zo blijft de mens mens, maar wordt hij doordrongen van goddelijk leven.

De Eucharistie is geen symbolische herinnering; zij is een werkzame aanraking van Gods vuur.

2. Gist in het deeg

Gist werkt van binnenuit, stil, verborgen, maar onstuitbaar.

Zo werkt Christus in de ziel van wie Hem ontvangt:

niet altijd voelbaar, maar altijd vormend, rijpend, vernieuwend.

De Communie is een innerlijke transformatie die het hele bestaan doortrekt.

3. Twee kaarsen die samensmelten

Dit is misschien het meest tedere beeld:

Communie is geen ontmoeting op afstand,

maar een eenwording, een versmelting van levens.

Niet dat de mens ophoudt mens te zijn,

maar dat Christus en de ziel elkaar bewonen.

Cyrillus’ mystiek is eenvoudig en radicaal:

de Eucharistie is vergoddelijking – niet in trots, maar in overgave.

De mens wordt door Christus opgenomen in Zijn licht,

zoals was in de vlam.

++++

Gebed:

Heer Jezus Christus,

Gij die Uzelf geeft als brood voor het leven van de wereld,

raak mijn ziel aan met Uw vuur.

Laat mijn hart koken van Uw liefde,

zoals water dat door het vuur wordt omgevormd.

Doordring mij als gist het deeg,

zodat heel mijn leven wordt geheven

door Uw stille, heilige werking.

Smelt mijn zwakheid samen met Uw kracht,

mijn duisternis met Uw licht,

mijn hart met Uw Hart.

Laat mij wonen in U,

en Gij in mij,

zodat mijn leven een levende Communie wordt

met Uw goddelijke aanwezigheid.

Amen.

*******************

Heilige Teresa van Avila: De figuur van Teresa van Ávila is een van de meest lichtende in de christelijke mystiek…..

St. Teresa van Ávila

1.Zij werd geboren in Ávila, Spanje, in 1515. Zij stierf op 15 oktober 1582, op 67‑jarige leeftijd.

2.Zij is de eerste vrouw die tot Leraar van de Kerk werd uitgeroepen.

3.Zij trad op haar achttiende in bij de religieuzen, en op haar vijfenveertigste begon zij met de hervorming van haar eigen Karmelietenorde.

4.De heilige Johannes van het Kruis was haar vriend en geestelijk leidsman.

5.Zij schreef vele werken van grote theologische waarde. Haar beroemdste gedicht draagt de titel “Nada te turbe” (“Laat niets je verontrusten”).

6.Zij werd heilig verklaard in 1622 en in 1970 door paus Paulus VI uitgeroepen tot Leraar van de Kerk.

++++

Commentaar:

De figuur van Teresa van Ávila is een van de meest lichtende in de christelijke mystiek. Haar leven toont een zeldzame combinatie van vurige innerlijkheid en praktische daadkracht. Ze was geen wereldvreemde visionaire, maar een vrouw die kloosters stichtte, hervormingen doorvoerde, weerstand trotseerde en tegelijk een diep innerlijk gebedsleven ontwikkelde dat tot op vandaag mensen raakt.

Haar vriendschap met Johannes van het Kruis is een van de mooiste voorbeelden van geestelijke verbondenheid in de Kerk: twee mystici die elkaar aanscherpen, bemoedigen en naar God toe trekken.

Het gedicht Nada te turbe is de samenvatting van haar hele weg: een radicale overgave aan God, die alle angst, onrust en onzekerheid overstijgt. Teresa leert ons dat ware vrede niet komt door omstandigheden te beheersen, maar door ons hart te laten rusten in de Ene die nooit verandert.

Haar titel Leraar van de Kerk is niet slechts een eerbetoon, maar een erkenning dat haar woorden een blijvende wegwijzer zijn voor de ziel die verlangt naar innerlijke vrijheid, eenvoud en een liefde die alles draagt.

++++

 Gebed:

Heilige Teresa van Ávila,

vrouw van vuur en vrede,

leer ons de weg van het stille hart.

Wanneer onze gedachten onrustig worden,

fluister ons dan jouw woorden toe:

Laat niets je verontrusten, laat niets je beangstigen.

Wanneer wij vastlopen in ons eigen willen,

leid ons dan naar de innerlijke ruimte

waar God genoeg is.

Geef ons iets van jouw moed

om te hervormen wat verstard is,

in onszelf en in de wereld.

Geef ons iets van jouw tederheid

om te luisteren naar de zachte stem van de Geest.

Moge jouw vriendschap met Johannes van het Kruis

ons inspireren tot heilige verbondenheid,

tot relaties die ons dichter bij God brengen.

Heilige Teresa,

bid voor ons,

opdat wij, net als jij,

mensen worden die rust brengen,

die liefhebben zonder angst,

en die God zoeken in alles.

Amen.

************************

Augustinus: Maar mijn zonde was dit: dat ik plezier, schoonheid en waarheid niet in Hem zocht….

“Maar mijn zonde was dit:

dat ik plezier, schoonheid en waarheid zocht

niet in Hem,

maar in mijzelf en in Zijn andere schepselen.

En die zoektocht bracht mij niet naar vervulling,

maar naar pijn, verwarring en dwaling.”

— Augustinus

++++

Commentaar:

Deze korte maar krachtige uitspraak van Augustinus raakt aan de kern van zijn hele bekeringservaring. Het is een spirituele diagnose die tegelijk eerlijk, scherp en teder is.

1. De omkering van verlangen

Augustinus erkent dat zijn zonde niet simpelweg bestond uit verkeerde daden, maar uit een verkeerde richting van verlangen. Hij zocht wat alleen God kan geven — vreugde, schoonheid, waarheid — maar dan buiten God, in zichzelf en in de schepping.

2. De schepping is goed, maar niet God

Augustinus ziet de schepselen niet als slecht, maar als onvoldoende wanneer ze tot ultieme bron worden gemaakt. De schepping is een venster, geen eindpunt. Wanneer de mens het venster behandelt alsof het het licht zelf is, ontstaat verwarring.

3. De innerlijke misleiding

“Niet in Hem maar in mijzelf” — dit is de meest subtiele vorm van dwaling. De mens die zichzelf tot maatstaf maakt, raakt onvermijdelijk verstrikt in zijn eigen beperktheid. Augustinus noemt dit elders superbia, de hoogmoed die het hart afsluit voor genade.

4. De vrucht van een verkeerde zoektocht

De drie woorden — pijn, verwarring, dwaling — vormen een neerwaartse spiraal.

Pijn is het gevolg van een verlangen dat zijn doel mist.

Verwarring ontstaat wanneer de mens niet meer weet waar het ware goed te vinden is.

Dwaling is het eindpunt: het hart dat ronddoolt zonder richting.

5. De impliciete hoop

Hoewel de tekst donker klinkt, is ze doortrokken van hoop: Augustinus ziet zijn dwaling omdat hij gevonden is. De erkenning van de verkeerde zoektocht is al het begin van de juiste.

++++

Gebed

Heer, mijn God,

Gij die de bron zijt van alle vreugde,

alle schoonheid,

alle waarheid,

keer mijn hart om

van alles wat mij van U wegtrekt.

Wanneer ik zoek in mijzelf

wat alleen in U te vinden is,

open dan mijn ogen

voor de leegte van mijn eigen wegen.

Wanneer ik mij vastklamp aan Uw schepselen

alsof zij U kunnen vervangen,

leid mij dan zacht terug

naar de Bron waaruit zij voortkomen.

Bevrijd mij van de pijn

die ontstaat wanneer mijn verlangen dwaalt,

van de verwarring

die mijn innerlijk verduistert,

van de dwaling

die mij van Uw licht verwijdert.

Trek mij naar U toe,

Gij die mijn hart hebt gemaakt,

opdat ik vind wat ik zoek

in U alleen.

Amen.

********************

Teresa van Avila: “Hoe dichter men tot God nadert, hoe eenvoudiger men wordt.”….

“Hoe dichter men tot God nadert, hoe eenvoudiger men wordt.”

— Heilige Teresa van Ávila

++++

Commentaar:

Teresa van Ávila spreekt hier een van de kernwetten van de geestelijke weg uit: nabijheid aan God vereenvoudigt. Niet omdat het leven minder complex wordt, maar omdat het hart minder verdeeld raakt.

Wanneer iemand dichter bij God komt, vallen de overbodige lagen weg:

de drang om zichzelf te bewijzen

de angst om tekort te schieten

de behoefte aan controle

de vele innerlijke stemmen die tegen elkaar in spreken

Wat overblijft is éénvoud: een hart dat één is, gericht op één Liefde, één Bron, één Doel.

Voor Teresa is eenvoud geen naïviteit, maar een vrucht van rijpheid. Het is het stille weten dat God genoeg is. In die eenvoud wordt de ziel transparant, doorzichtig voor Gods licht.

++++

Gebed:

Heer,

leer mij de eenvoud die uit U geboren wordt.

Neem weg wat mij verdeelt,

wat mij onrustig maakt,

wat mij van U afleidt.

Maak mijn hart helder en eenvoudig,

zoals het hart van Uw heilige Teresa,

zodat ik U kan zoeken zonder omwegen

en U kan liefhebben zonder voorbehoud.

Laat Uw nabijheid mij vereenvoudigen,

tot ik rust vind in U alleen.

Amen.

*********************************

Teresa van Avila: o.a. uit het kasteel van de ziel….

THERESIA VAN AVILA

Theresia van Avila – o.a. uit het kasteel van de ziel

 Búscate en Mí – Zoek jezelf in mij

Ziel, zoeken moet je jezelf in Mij,

en Mij moet je zoeken in jezelf.

Zo heeft, o ziel, de liefde

jouw beeld in Mij kunnen prenten,

dat geen wijs schilder,

met al zijn meesterschap,

dat beeld zou kunnen maken.

Jij werd uit liefde geschapen,

mooi, knap en zo diep

in mijn binnenste getekend,

dat, als jij jezelf verliest, mijn lief,

ziel, jij jezelf moet zoeken in Mij.

Ik weet, als jij je ooit zou vinden

getekend in mijn hart

en zo naar het leven uitgebeeld,

dat het je verheugen zou, bij het zien van jezelf,

je zo prachtig getekend te zien.

En mocht je soms niet weten

waar je Mij zult vinden,

dwaal dan niet van hier naar ginds,

maar, als je Mij vinden wilt,

moet je Mij in jezelf zoeken.

Want jij bent mijn onderdak,

jij bent mijn thuis en verblijf,

en daarom klop ik altijd bij jou aan,

wanneer ik vind in jouw gedachten

de deur gesloten.

Buiten jezelf hoef je Mij niet te zoeken,

want om Mij te vinden

zal het genoeg zijn Mij alleen maar te roepen;

Ik zal dan zonder talmen naar jou toegaan

en Mij moet je zoeken in jezelf.

Teksten uit de Innerlijke Burcht of het Kasteel van de Ziel Eerste verblijf:

I 1. Toen ik vandaag de Heer smeekte in mijn plaats te spreken, omdat ik niet juist wist wat gezegd en ook niet wist hoe te beginnen aan wat me uit gehoorzaamheid gevraagd werd, kwam me voor de geest, wat van bij de aanvang als grondslag voor dit werk zal dienen. Namelijk : onze ziel beschouwen als een burcht, helemaal gemaakt uit slechts één diamant of uit een heel helder kristal. Het omvat veel vertrekken, net zoals er veel woningen zijn in de hemel[1]. Want, wel overwogen, zusters, de ziel van een rechtvaardige is niets anders dan een paradijs, waar Hij, naar zijn woord, behagen in schept[2]. Hoe ons dan de verblijfplaats voorstellen, waar zo’n machtig, wijs en zuiver koning die alle goed in Zich bezit, zijn genoegen vindt ? Ik zie niets waarmee de grote schoonheid en de ruime ontvankelijkheid van de ziel zich laat vergelijken. Werkelijk, ons verstand, hoe scherp ook, kan daar nauwelijks bij, evenmin als het in staat is God te kennen. Zelf zegt Hij dat Hij ons schiep naar zijn beeld en gelijkenis[3].

Nu, als dat zo is, en het is een feit, waarom ons dan vermoeien en de schoonheid van die burcht willen begrijpen? Er is geen reden toe. Tussen haar en God bestaat precies het verschil dat er is tussen de Schepper en het schepsel ; door Hem immers werd ze geschapen. Dat Zijne Majesteit zegt, de ziel naar zijn beeld geschapen te hebben, volstaat dan ook om te beseffen hoe moeilijk wij haar grote waardigheid en schoonheid kunnen vatten.

 2. Het is erg spijtig en beschamend dat we door eigen fout onszelf niet kennen en niet weten wie we zijn. Veronderstel dat iemand aan wie je vraagt wie hij is, zichzelf niet kent en niet weet wie zijn vader, zijn moeder of zijn vaderland zijn. Zou zo iemand niet getuigen van grote onwetendheid, mijn dochters ? Iets dergelijks toch is al te dom. Maar onze domheid is onvergelijkelijk veel groter, zo we niet trachten onszelf te kennen. Zo we ons tot het lichamelijke beperken en, slechts vaag beseffen dat we een ziel bezitten omdat we er iets over hoorden en het geloof het ons zegt. Aan het goede dat die ziel bevat, aan Wie haar bewoont en aan haar grote waarde, denken we maar zelden. Daarom ook doen we zo weinig ons best om haar in schoonheid te bewaren. We geven de voorkeur aan de grove zetting van de diamant of de omwalling van deze burcht. Dat is: aan ons lichaam[4].

 3. Bedenken we dus dat er in deze burcht een groot aantal verblijven zijn, boven, beneden en ter zijde, zoals ik reeds zei. In het centrum, te midden van allen, bevindt zich het voornaamste. Daar voltrekken zich de meest geheime dingen tussen God en de ziel.

 5. Keren we dus terug naar onze mooie en prachtige burcht. We moeten kijken hoe er binnen te geraken.

Het is net of ik een dwaasheid zeg. Het is immers duidelijk dat de ziel de burcht niet hoeft binnen te gaan, daar ze de burcht zelf is. Het lijkt al even dwaas, als tegen iemand die zich in een plaats bevindt te zeggen dat hij er moet binnentreden. Maar, begrijp me wel, er zijn verschillende manieren om er te ,zijn’. Velen bevinden zich op het plein van de burcht, daar waar de wachters zich ophouden. Ze stellen geen belang in het naar binnen gaan[5]. Ze beseffen niet wat er in die kostbare plaats te vinden is, ook niet wie er woont en evenmin hoeveel zalen er zijn. Waarschijnlijk heb je al ooit bemerkt hoe sommige gebedenboeken de ziel aanraden in zichzelf te keren[6]. Daarover gaat het precies.

 6. Een groot geleerde zei me onlangs, dat wie niet bidt te vergelijken valt met een verlamd of gebrekkig lichaam[7]. Het heeft handen en voeten maar is niet in staat ze te richten. Zo bestaan er zielen, in die mate ziek en gewend bij het uiterlijke te vertoeven, dat er niet aan te verhelpen valt. Ze kunnen blijkbaar niet in zichzelf keren. Ze zijn zodanig gewoon alleen maar om te gaan met het ongedierte en de beesten[8] rondom de burcht, dat ze er reeds erg op gelijken. Ook al zijn ze van nature zeer rijk, bekwaam om met niemand minder dan met God te praten, er is geen oplossing voor. Gaan deze zielen geen moeite doen hun grote ellende te leren kennen en te verhelpen, dan zullen ze in zoutzuilen veranderen door het hoofd niet naar zichzelf te keren. Zo verging het de vrouw van Lot door om te zien[9].

II 8. Keren we terug naar onze burcht met zijn vele verblijven. Stel je niet het ene verblijf achter het andere voor, als op een rij, maar richt je blik op het centrum. Daar is de plaats, het paleis, waar de koning zich bevindt. Stel je de kleine palmboom voor[10]. Verscheidene lagen schors omringen het eetbare en al het smakelijke dat hij bevat. Zo is het ook hier. Talrijke zalen liggen rond en boven die ene. De dingen van de ziel kunnen altijd ruim, wijd en groots beschouwd worden, zonder gevaar voor overdrijving. De ziel is tot veel meer in staat dan wij kunnen denken en de zon binnen het paleis straalt tot in alle verblijven door. Het is erg belangrijk dat ieder die zich veel of weinig toelegt op het gebed geenszins in het nauw gedreven of onderdrukt wordt. Laat de ziel vrij verkeren in deze verblijven, van boven naar beneden en naar opzij, want God schonk haar zo’n grote waardigheid. Ze hoeft zich niet ertoe te dwingen lang in één plaats te blijven. Tenzij het om de zelfkennis gaat! Want — probeer me te begrijpen — die is zo nodig, zelfs voor degenen onder jullie die de Heer heeft binnengeleid in het verblijf waar Hij zich bevindt, dat je nooit iets beters kunt doen, dan jezelf leren kennen, hoe hoog je ook verheven bent. Trouwens, je zou niet anders kunnen, ook al zou je het willen. De nederigheid immers werkt steeds zoals de bij die de honing maakt in de korf, zoniet gaat alles verloren. Maar, bedenk, de bij laat niet na naar buiten te gaan om uit de bloemen te puren. Dat doet ook de ziel die zichzelf leert kennen. Neem het van me aan en vlieg zo nu en dan eens uit om Gods grootheid en majesteit te beschouwen. Op die manier, vrijer van het ongedierte dat binnenkomt in de eerste verblijven — die verblijven van de zelfkennis — zul je je laaghartigheid beter zien dan in jezelf. God is de ziel heel erg barmhartig, ik zei het reeds, wanneer Hij haar de zelfkennis bijbrengt. Maar, zoals men zegt, wie het grote aankan, kan ook het mindere aan. En geloof me, we zullen met Gods kracht, een deugd veel beter gaan beoefenen, dan wanneer we aan ons stukje grond gebonden blijven.

Vierde verblijf:

I.4. Maar ik zei je, hier te spreken over het verschil tussen voldoeningen en genietingen die in het gebed gevonden worden. Ik meen dat men voldoeningen mag noemen wat we door onze meditatie en door onze gebeden tot de Heer, uit onszelf verkrijgen. Het vloeit uit onze natuur voort. Vanzelfsprekend met de hulp van God. Bij alles toch wat ik zeg, moet je begrijpen dat we zonder Hem tot niets in staat zijn[11]. Maar de voldoening komt voort uit de deugdzame daad zelf die we stellen. Het is alsof we ze wonnen door ons werk. En we zijn terecht tevreden dat we ons erop toelegden. Maar alles wel beschouwd kunnen hier op aarde heel wat zaken gebeuren die ons dezelfde voldoeningen bezorgen. Neem bijvoorbeeld een groot fortuin dat ons plotseling ten deel valt. Of, we zien onverwacht iemand van wie we veel houden. We slagen in een belangrijke zaak, in iets groots door iedereen goedgekeurd. Zo’n voldoening kent ook de vrouw aan wie de dood van haar man, haar broer of haar zoon gemeld werd, en die ze levend weerziet. Ik zag hoe een grote voldoening tranen deed storten. Ook mij is dat enkele malen overkomen. Deze voldoeningen zijn natuurlijk en dat is, dunkt mij, ook zo bij de voldoeningen die de dingen van God in ons opwekken. Alleen zijn ze edeler van afkomst, zonder dat de andere daarom slecht zijn. Ze vertrekken vanuit onze natuur zelf en eindigen in God.

De genietingen gaan van God uit. Onze natuur smaakt en geniet ze, evenveel en veel meer nog, dan de personen waarover ik het had, ook maar kunnen genieten. 0 Jezus! Hoe graag zou ik dit kunnen verklaren! Ik meen te begrijpen dat er werkelijke verschillen zijn maar bezit de kunst niet me te doen verstaan. Moge de Heer me tegemoetkomen.

 I.5. Plotseling herinner ik me een vers dat we tijdens de priem zeggen, op het einde van de laatste psalm. Het slot van dit vers luidt : Cum dilatasti cor meum[12]. Dit zal, voor wie van deze gunsten veel ervaring heeft volstaan om het verschil tussen het een en het ander te begrijpen. Maar een bredere buitenzetten is nodig voor wie dit niet heeft. De voldoeningen waarover ik sprak verruimen het hart niet. Meestal schijnen ze het zelfs een weinig te beklemmen, al is het heel tevreden bij het zien van wat er voor God gedaan wordt. Maar angstige tranen wellen op. Ze lijken in zekere zin door hartstocht veroorzaakt. Daar ik erg traag van begrip ben weet ik niet veel over de hartstochten van de ziel en evenmin over wat voortkomt uit de zinnelijkheid van onze natuur. Misschien wordt het me ooit gegeven het te kunnen verklaren. Begreep ik het, dan zou ik die er doorheen ging, het kunnen uitleggen. Wat hebben kennis en ontwikkeling bij alles veel te betekenen.

 II. 2. Met wat ik de ‘genietingen van God’ noem — op andere plaatsen[13] gaf ik het de naam ‘gebed van rust’ — gaat het heel anders, zoals diegenen onder jullie die het door Gods genade mochten smaken, wel weten. Om dit beter te begrijpen veronderstellen we twee fonteinen te zien die elk een bekken met water vullen. Ik vind niets dat zich beter leent om sommige geestelijke zaken uit te leggen dan water, omdat ik weinig weet, en geen enkele natuurlijke aanleg me te hulp komt. En ik houd zoveel van dit element dat ik het aandachtiger dan wat ook beschouwde. Want in alles wat door zo’n grote en wijze God geschapen werd, moeten veel geheimen schuil gaan, waaruit wij hetzelfde voordeel kunnen halen als zij die het begrijpen. Ik geloof werkelijk dat in ieder klein ding door God geschapen, al is het een kleine mier, meer verborgen ligt dan wij kunnen vatten.

 II.3. Deze twee bekkens lopen op een verschillende wijze vol water. Voor het ene wordt het van ver, door meerdere leidingen, en kunstmatig aangevoerd. Het andere ligt verbonden aan de bron zelf en vult zich geruisloos. Geeft de bron overvloedig, net als die waarover we het hebben, dan zal er wanneer het bekken vol is, een grote beek uit overvloeien. Het kunstmatige is hierbij niet nodig. Al stort het bouwsel van de leidingen in, het doet er niet toe, het water borrelt voortdurend op.

Dit is dan het verschil: het water dat door de leidingen wordt aangevoerd komt, dunkt mij, overeen met de ‘voldoeningen’ die we krijgen door overweging[14]. Ze komen ons toe door de gedachten. De geschapen dingen helpen ons overwegen, dank zij de moeizame inzet van het verstand. En doordat ze in feite uit eigen werkzaamheid voortkomen is het met gedruis dat ze enig voordeel storten in de ziel, net zoals ik zei[15].

 II.4. In het andere bekken borrelt het water op uit de bron zelf, die God is. Dus, als Zijne Majesteit het wil, zodra het Hem behaagt ons een bovennatuurlijke gunst te verlenen, komt het met een onnoemlijk vredige rust zacht naar boven vanuit het diepst van onszelf. Ik weet niet van waar of hoe het komt dat deze voldoening en deze genieting zich niet, zoals de vreugden van hierbeneden, laten voelen in het hart. Ten minste aanvankelijk niet. Later toch overstromen ze alles. Dit water doorloont alle verblijven en alle vermogens en bereikt tenslotte het lichaam. Daarom zei ik dat het vertrekt vanuit God en uitmondt in onszelf. Echt, wie het ervaart zal het bemerken. Heel de uitwendige mens smaakt deze genieting en deze zoetheid.

 II.5. Al schrijvend bedacht ik daarnet hoe het aangehaalde vers : “Dilatasti cor meum”[16], zegt dat het hart zich verruimde. Het lijkt me nochtans zijn oorsprong niet te hebben in het hart maar in een nog meer innerlijk punt, als in iets heel diep. Ik denk dat het het centrum van de ziel moet zijn zoals ik het later heb ingezien en tenslotte zal zeggen[17]. Want echt, in ons zie ik geheimen die me vaak verrukken. En hoeveel meer moeten er zijn! 0 mijn Heer en mijn God, wat zijn uw heerlijkheden groot!

Wij, wij gedragen ons hierbeneden als naïeve herdertjes. We menen iets van U te begrijpen en het is stellig minder dan niets, daar er in onszelf reeds grote geheimen zijn die we niet verstaan. Minder dan niets in verhouding met het onmetelijke dat in U is. Ik zeg niet dat uw heerlijkheden die we zien, ook degene die we uit uw werken kunnen afleiden, niet groot zouden zijn.

 II.6. Om tot dat vers terug te keren. Kan het verklaren wat ik hier schrijf dan is het, naar mij dunkt, in verband met die verruiming. Want, begint dit hemels water te stromen vanuit de bron in het diepst van onszelf, waarover ik spreek, dan is het precies alsof je zou zeggen dat het heel ons innerlijk verruimt en verwijdt. Al het goede dat daaruit voortkomt zou je niet tot uitdrukking kunnen brengen. De ziel zelf kan niet vatten wat haar daar geschonken is. Zij ademt een lieflijke geur in. Laten we nu zeggen: het is net alsof er in die innerlijke diepte een komfoortje brandt waarop welriekend reukwerk geworpen wordt. Het vuur zie je niet. Je weet niet waar het zich bevindt. Maar de warmte ervan en de welriekende geur doordringen heel de ziel en, zoals ik zei, heeft zelfs het lichaam er vaak deel aan. Let wel en begrijp me goed. Je voelt de warmte niet en je ademt geen geur in. Het is iets veel fijners dan dat. Maar het kan je helpen om te begrijpen. Wie geen ervaring hebben zullen dan weten dat het zich werkelijk op die manier voordoet en dat het klaarder is voor de ziel die het ondervond, dan ik me uitdruk. Het is niet een van die dingen die jij je kunt inbeelden daar je met de grootste inspanningen niets zou bereiken. Precies dat bewijst ons hoe het geen gewone munt is maar het puurste goud van de goddelijke wijsheid.

Hier zijn, dunkt mij, de vermogens niet verenigd, maar vervuld. En als verwonderd beschouwen ze dit alles.

 II.7. Het is mogelijk dat ik, wat deze innerlijke zaken betreft, mezelf tegenspreek met wat ik elders zei. Dat is niet verwonderlijk, het kan immers best dat de Heer sedert de bijna vijftien jaar[18] dat ik ze schreef, mij meer licht gaf omtrent deze dingen dan ik toen bezat. Maar vandaag net als toen kan ik mij in alles vergissen. Liegen zou ik echter niet kunnen. Door Gods barmhartigheid zou ik liever duizendmaal dood gaan. Ik zeg wat ik begrijp.

 Vijfde verblijf

I.1. 0 zusters ! Hoe zal ik je de rijkdommen, de schatten en de genoegens van het vijfde verblijf meedelen ? Ik geloof dat het beter zou zijn, niets te zeggen over de verblijven die ik nog niet besproken heb, want ze zijn niet te beschrijven. Het verstand kan er niet bij, en vergelijkingen bieden geen hulp om ze te verklaren. Als hulp zijn de aardse dingen hiervoor te gering.

Heer, zend licht uit de hemel opdat ik iets kan meedelen aan uw dienaressen. U laat immers toe dat enkelen doorgaans deze genoegens smaken zodat ze niet gaan dwalen wanneer de duivel zich als een engel van licht voordoet. Al wat ze verlangen is U te behagen.

 I.12. In verband met wat ik over onze onmacht zeg, denk ik terug aan wat je gehoord hebt over de Bruid uit het Hooglied: “De koning heeft me in zijn wijnkelder gebracht”. Ik geloof zelfs dat ze zei : “Hij heeft me erin geplaatst”. Ze zegt niet dat zij er naartoe ging. Wel dat ze overal op zoek was naar haar beminde[19]. Ik zie in dat het hier gaat om die wijnkelder waarin de Heer ons verlangt te plaatsen, wanneer Hij wil en zoals Hij wil. Door eigen ijver toch kunnen we er niet binnen, hoeveel moeite we ons ook getroosten. Zijne Majesteit moet ons erin brengen en Zelf in het centrum van onze ziel doordringen om er beter zijn heerlijkheden te tonen. Hij wil niet dat wij daar iets toe bijdragen tenzij door de totale overgave van onze wil, en het gesloten houden van de deuren van de vermogens en de zinnen die allen in slaap zijn[20]. God toch treedt het centrum van de ziel binnen met gesloten deuren, net zoals Hij bij de apostelen binnentrad zeggend: “Vrede zij u”[21]. Zoals Hij ook het graf verliet zonder de steen te verwijderen. Verderop[22], veel meer nog in het laatste verblijf dan in dit, zul je merken hoe Zijne Majesteit wil dat de ziel Hem in haar eigen centrum geniet.

 II.2. Je hebt zeker al gehoord hoe wonderbaar de zijde ontstaat. Alleen Hij kon zoiets uitvinden. Een kiempje, niet groter dan een peperkorrel — zelf heb ik het nooit gezien maar ik weet het van horen zeggen en mocht het onjuist zijn dan ligt de fout niet bij mij — begint door de warmte te leven, zodra de eerste bladeren op de moerbeiboom komen. Tot op de dag waarop het voedsel waarvan het moet leven verschijnt, leek het dood. Het voedt zich met moerbeibladeren tot men het, groot geworden, over enkele takjes laat beschikken. Met zijn snuitje weeft de worm daar dan zelf de zijde. Hij maakt een klein nauw aansluitend omhulsel waarin hij zich opsluit. De worm die zelf groot en lelijk is sterft erin en uit dezelfde cocon komt een klein, heel bevallig wit vlindertje te voorschijn. Wie zou het kunnen geloven zonder het te zien? Het lijkt eerder op een sprookje uit vervlogen tijden. Welke bedenking kan ons overtuigen dat een ding, redeloos als een worm of een bij, zo ijverig in ons voordeel werkt? Zo bedrijvig dat het arme wormpje er het leven bij inschiet? Het volstaat voor een korte overweging, zusters, ook al zou ik je verder niets zeggen. Hier kun je de wonderwerken en de wijsheid van onze God beschouwen. Wat zouden we niet allemaal zien gebeuren indien we de eigenheid van elk ding kenden? Over deze grootheden nadenken en ons erin verheugen bruiden te zijn van zo’n wijs en machtig Koning, biedt ons veel voordeel.

 II.3. Maar keren we terug tot wat ik zei. De worm begint te leven, wanneer wij door de warmte van de heilige Geest, ons voordeel gaan doen met de algemene hulp die God aan iedereen geeft, of zodra we gebruik beginnen te maken van de middelen die Hij aan zijn Kerk heeft toevertrouwd, zoals de biecht, degelijke lezingen, onderrichtingen; door deze hulpmiddelen begint de ziel die tengevolge van nalatigheid en zonden dood is en temidden van bekoringen verblijft, te leven. Met dit alles en met goede overwegingen voedt ze zich tot ze opgegroeid is. Dat is het wat ons interesseert. Het overige is weinig belangrijk.

 II.4. Zoals ik bij het begin schreef brengt die worm, wanneer hij volgroeid is, zijde voort en bouwt hij het huis waarin hij zal sterven. Hier zou ik willen doen begrijpen, dat Christus dit huis is. Ik meen ergens gelezen of gehoord te hebben dat ons leven verborgen is in Christus of in God, wat hetzelfde betekent. Of, dat Christus ons leven is[23]. Staat het er zo of niet, het verandert niet veel aan mijn vergelijking.

 II.5. Hier zie je, dochters, wat we met Gods genade kunnen doen. Zijne Majesteit zelf kan onze woning zijn, zoals Hij dat is in het gebed van vereniging. En wij zijn in staat die woning op te bouwen! Wanneer ik zeg dat Hij het verblijf is, en dat wij het zelf kunnen optrekken om ons erin te vestigen, geef ik de indruk te willen zeggen dat wij aan God iets kunnen ontnemen of toevoegen. Wel ja, wij kunnen dat! Niet iets ontnemen of toevoegen aan God, maar wel iets prijsgeven van, of toevoegen aan onszelf, net zoals die wormpjes doen. Want nauwelijks hebben we gedaan waartoe we in staat waren of God zal dit kleine werk — eigenlijk is het niets — verenigen met zijn grootheid. Hij zal er zo’n grote waarde aan geven dat het loon van dit werk de Heer zelf wordt. En daar Hij het grootste deel van de onkosten op Zich nam, wil Hij dat klein beetje lijden verenigen met het grote lijden van Zijne Majesteit opdat alles één zij.

 II.6. Vlug aan het werk dan, mijn dochters! Laten we haastig dit kleine omhulsel weven, terwijl we afstand doen van onze eigenliefde, onze wil, onze gehechtheid aan wat ook op aarde. Laten we ons toeleggen op boete, gebed, versterving, gehoorzaamheid en op alles wat je dient te weten. Dan zullen we doen wat we kunnen en wat ons geleerd werd! Laat de worm dood gaan. Sterven, zoals hij dat doet wanneer het werk waarvoor hij geschapen werd, beëindigd is! En je zult merken hoe we God zien en hoe wijzelf in zijn grootheid geborgen zijn, net als het wormpje in de cocon. Bedenk dat, wanneer ik zeg ‘God zien’, het is op de wijze waarop Hij ons zijn tegenwoordigheid te kennen geeft in deze vorm van vereniging[24].

 II.7. Gaan we dan ook even na wat er met de worm gebeurt. Het was de bedoeling van wat ik tot nu toe zei. Want eenmaal in dit gebed, totaal gestorven aan de wereld, verandert hij in een kleine witte vlinder. 0 verhevenheid van God! Wat gewordt er hier van de ziel, alleen al door het feit dat ze even verenigd werd met Gods grootheid en dat ze Hem zo nabij is. Mij dunkt dat ze er niet langer dan een half uur blijft! In waarheid zeg ik je dat de ziel zichzelf niet kent. Ga maar het verschil na tussen een lelijke worm en een wit vlindertje. Zo is het hier. Ze weet niet hoe ze zo’n grote weldaad kon verdienen. Ik bedoel dat ze niet weet vanwaar haar dit toekomt. Ze beseft goed dat ze het geenszins verdient. Ze voelt zo’n verlangen om de Heer te loven dat ze in het niet zou willen verdwijnen en duizendmaal voor Hem doodgaan. Onmiddellijk zou ze zware beproevingen willen doorstaan, zonder iets anders te kunnen doen. Ze verlangt onmetelijk naar boete, naar eenzaamheid en dat allen op de wereld God zouden kennen. Daardoor ontstaat een groot verdriet bij het zien dat Hij beledigd wordt. Over dit alles spreken we in het bijzonder in het komende verblijf[25]. Want al doen deze dingen zich hier ongeveer op dezelfde manier voor als in het volgende, de uitwerkingen zijn sterk verschillend. Ik zei immers dat de ziel die God tot hier bracht, grote dingen zal zien, als ze zich inspant om vooruit te komen.

 II.8 0, moet je de onrust zien van deze kleine witte vlinder, die toch nooit in zijn leven zo kalm en rustig was! Het is waard God erom te loven! Want als hij niet weet waar zich neer te zetten, waar zich te vestigen dan is het omdat hij nooit zo’n rust heeft gekend. Hij is ontevreden over alles wat hij op aarde ziet. Vooral wanneer God hem vaak van die wijn geeft. Haast elke keer wint hij er iets bij. Voortaan telt het werk niet meer dat hij als worm verrichtte toen hij beetje bij beetje zijn omhulsel weefde. Hij heeft nu vleugels gekregen. En hoe je nog tevreden stellen met stap voor stap vooruit te gaan wanneer je kan vliegen? Al wat hij voor God kan doen lijkt hem gering naast zijn verlangen. Hij overschat niet langer het lijden van de heiligen nu hij uit ervaring de hulp kent die de Heer kan geven. God vormt de ziel zo om, dat men haar niet meer terugkent, zelfs haar voorkomen niet. Zwak als ze was waar het om boete ging ziet men haar nu sterk. Haar gehechtheid aan bloedverwanten, vrienden of goederen –  waar ze nog meer aan gebonden leek door haar inspanningen, haar voornemens en haar wil om ervan los te komen –  weerhoudt haar ziel niet langer. Het valt haar zelfs zwaar te doen wat ze moet doen, wil ze God niet beledigen. Alles vermoeit haar sedert ze het bewijs heeft dat de schepselen haar niet de echte rust kunnen geven.

 Zesde verblijf

1.1. Laten we nu, geholpen door de heilige Geest, overgaan tot het bespreken van het zesde verblijf, waar de ziel reeds gekwetst door de liefde van de Bruidegom, meer de eenzaamheid opzoekt. Voor zover haar toestand het toelaat, vermijdt ze alles wat haar daarbij kan hinderen.

De ontmoeting met haar Bruidegom[26] is haar zo in de ziel gegrift dat ze alleen nog verlangt het opnieuw te genieten. Ik heb al gezegd dat ze in dit gebed niets ziet — wat men zien kan noemen — ook niet in de verbeelding. Ik spreek van ontmoeting, omdat ik die vergelijking reeds vroeger gebruikte[27]. De ziel is voortaan vastbesloten geen andere bruidegom te nemen. Maar, de Bruidegom houdt geen rekening met haar vurig verlangen om onmiddellijk de verloving te vieren. Hij wil dit verlangen nog vuriger zien en wil dat het hoogste van alle goederen, haar iets van haar eigen goed kost. Op die manier betaalt ze een niets betekenende prijs voor zo’n onnoemlijke winst. Ik zeg je, dochters, dat de voorsmaak die ze heeft, het teken dat ze kreeg, toch erg nodig is om te kunnen lijden. 0 God bereid om te helpen ! Hoeveel in- en uitwendige beproevingen ondergaat ze tot ze binnentreedt in het zevende verblijf!

 1.2. Werkelijk, soms denk en vrees ik dat, zo je ze op voorhand zoudt kennen, het voor onze natuurlijke zwakheid uiterst moeilijk zou zijn om dit lijden aan te kunnen, om het door te maken en te beleven, hoe groot ook de goederen die worden voorgesteld. Dit is anders voor hen die het zevende verblijf bereiken, want daar is er niets meer dat de ziel afschrikt en haar belet het met heel haar wezen tegemoet te treden om God[28]. Dit komt doordat ze haast voortdurend zó met Zijne Majesteit verenigd is dat dit haar kracht geeft. Ik denk er goed aan te doen je enkele van die beproevingen, waarvan ik zeker weet dat ze voorkomen, te beschrijven. Wellicht worden niet allen langs deze weg geleid. Toch betwijfel ik heel sterk of het hun, die af en toe waarlijk hemelse zaken genieten, op de een of andere manier aan aardse beproevingen zal ontbreken.

 2.1. Het lijkt wel of we de kleine vlinder ver achterlieten[29]. Maar zo is het niet. Deze beproevingen toch dienen om hem een veel hogere vlucht te doen nemen.

Laten we nu dan ook spreken over de manier waarop de Bruidegom zich tegenover haar gedraagt. Kijken we hoe Hij het haar degelijk laat verlangen, vooraleer Zich helemaal met haar te verenigen. En wel door zo’n fijne, zelfs voor haar onmerkbare middelen dat ik me niet in staat acht, erover te spreken op een manier dat je me zult begrijpen, tenzij wie het heeft meegemaakt. Komend uit het diepst van de ziel zijn het zo’n delicate, subtiele opwellingen dat ik geen passende vergelijking kan vinden.

 2.2. Het verschilt erg veel van alles wat we hierbeneden kunnen verwerven en zelfs van het genot waarover sprake was[30]. Het gebeurt immers herhaaldelijk dat wanneer zo iemand verstrooid is en zelfs niet eens aan God denkt, hij plotseling door Zijne Majesteit wordt gewekt. Het is alsof een vallende ster voorbijschiet, een bliksem of donderslag valt, maar ze ziet geen licht of hoort geen enkel geluid. De ziel begrijpt intussen heel duidelijk dat God haar geroepen heeft. Ze verstaat het zelfs zo goed dat ze soms, vooral in het begin, siddert en klaagt hoewel niets haar deert. Ze ondervindt de gevolgen van een onnoemlijke, genotvolle verwonding, zonder nochtans te kunnen raden hoe, noch door wie ze gewond werd. Ze herkent heel duidelijk dat het iets kostbaarst is en zou van die wonde nooit meer willen genezen. Ze beklaagt zich bij haar Bruidegom, soms zelfs luidop, met liefdevolle woorden die ze niet kan weerhouden. Dit omdat ze begrijpt dat Hij aanwezig is maar Zich niet zo wil tonen dat ze van zijn gezelschap kan genieten. Het is heel erg pijnlijk maar genotvol en zacht. De ziel kan niet beletten het te voelen. Ze zou het ook niet anders verlangen. Ze put daaruit heel wat grotere voldoeningen dan in het smaakvolle, het van alle pijn vrije opgaan bij het gebed van rust.

 Zevende verblijf

1.3. Wil de Heer zich ontfermen over deze ziel, die van verlangen geleden heeft en nog lijdt, die Hij reeds geestelijk als bruid tot Zich nam, dan brengt Hij haar, voordat het geestelijk huwelijk voltrokken wordt in zijn verblijf, in het zevende. Zoals Hij een verblijf heeft in de hemel, wil Hij ook in de ziel een woning vinden waar Zijn Majesteit alleen vertoeft. Laat ons zeggen: een andere hemel. Het is voor ons zeer belangrijk, zusters, de ziel niet als een duister iets te beschouwen. Daar we haar niet zien, denken we doorgaans dat er innerlijk geen ander licht bestaat dan wat we bemerken, en dat er in onze ziel een zekere duisternis heerst. Ik geef dit toe, wanneer ze niet in staat van genade verkeert. De schuld ligt dan niet bij de Zon der gerechtigheid. Deze is in haar en geeft haar het ‘zijn’. Ze is echter niet in staat[31] het licht te ontvangen. En naar ik meen, heb ik in het eerste verblijf gezegd, wat een bepaald iemand daarover mocht begrijpen[32]. Deze ongelukkige zielen zijn als in een duistere kerker, aan handen en voeten gebonden; daardoor zijn ze niet in staat het goede, datgene wat verdienstelijk voor hen zou zijn, te doen en zijn ze blind en stom[33]. Er is reden tot medelijden. Denken we terug aan de tijd toen we ons in dezelfde toestand bevonden en aan het feit dat de Heer ook hen barmhartig kan zijn.

 1.5. Behaagt het Zijn Majesteit haar de genade van dit goddelijke huwelijk[34] te schenken dan leidt Hij haar eerst zijn verblijf binnen. Zijn Majesteit stelt Zich niet meer tevreden met de vervoeringen die Hij haar reeds leerde kennen en waarbij Hij, naar mij dunkt, Zich met haar verenigde. Ook niet met het gebed van vereniging waarover ik sprak[35] en waar de ziel niet zo duidelijk als hier in dit verblijf, de indruk kreeg uitgenodigd te worden, om binnen te treden in haar centrum, doch alleen in het hogere deel. Nu, dit heeft weinig belang. Op de een of andere manier verenigt de Heer haar met Zich. Ze wordt echter met blindheid en stomheid geslagen net als Sint Paulus bij zijn bekering[36]. Het vermogen om te beseffen wat deze gunst is en hoe ze ervan geniet, wordt haar ontnomen. Het grote genot van de ziel bestaat er immers in zich heel dicht bij God te zien. Maar, verenigde Hij zich met haar dan begrijpt ze niets meer daar ze het gebruik van al haar vermogens verloren heeft.

 1.6. Hier gebeurt het anders. Onze goede God wil haar nu de schellen van de ogen nemen. Hij wil haar iets laten zien en begrijpen van de gunst die Hij verleent, al is het op een ongewone wijze. Binnengeleid in dit verblijf, via een verstandelijk visioen, wordt haar door een zekere voorstelling van de waarheid, de allerheiligste Drie-eenheid getoond, de drie Personen, in een gloed die haar eerst voor de geest komt als een zeer heldere wolk. Het zijn drie onderscheiden Personen. En door een wondere kennis begrijpt de ziel de grote waarheid dat de drie Personen één substantie, één macht, één wijsheid en één enkele God zijn. We mogen zeggen dat de ziel hier door inzicht begrijpt wat wij door het geloof aannemen. Wat het zien betreft: het is geen zien met de ogen van het lichaam of van de ziel want het is geen visioen van de verbeelding. De drie Personen delen Zich hier aan haar mee. Zij spreken tot haar. Zij doen haar de woorden van het evangelie begrijpen waar de Heer zegt, dat Hij, de Vader en de heilige Geest zullen komen en verblijf nemen in de ziel die Hem bemint en zijn geboden onderhoudt[37].

 1.7. 0 God die helpt! Hoe groot is het verschil tussen het horen en het geloven van die woorden, en op deze manier te begrijpen hoe waar ze zijn! Deze ziel staat er elke dag meer verwonderd over. Want, het komt haar voor dat de drie Personen haar nooit meer verlaten. Zoals gezegd[38], ziet zij Ze duidelijk binnen in haar ziel, in het diepste diep van haarzelf. In iets heel dieps, ze kan het niet beschrijven, daar ze niet geleerd is, voelt ze in zich dit goddelijk gezelschap.

 1.8. Je zult denken: ze moet bij dit alles wel buiten zichzelf zijn, zo in beslag genomen dat ze nergens nog weet van heeft. In feite is ze meer dan voorheen bedacht op alles wat de dienst van God betreft. Heeft ze echter geen bezigheid dan blijft ze in dit aangename gezelschap. En blijft zij niet in gebreke tegenover God dan zal Hij, dunkt mij, nooit nalaten haar klaar en duidelijk zijn tegenwoordigheid te doen ontwaren. Ze heeft het vaste vertrouwen dat God haar helemaal niet meer zal verlaten. Hij verleende haar deze gunst niet opdat zij ze zou verliezen. Terecht mag ze zo denken, zonder nochtans te vergeten hoe ze meer dan ooit erop bedacht moet zijn, Hem in niets te mishagen.

 2.3. Ik zei het je reeds[39]: niettegenstaande de vergelijkingen die ik gebruik bij gebrek aan betere, dien je te begrijpen dat er hier niet méér sprake is van het lichaam, dan wanneer het onbewoond zou zijn door de ziel. Het gaat alleen om de geest. Dit geldt nog in veel sterkere mate bij het geestelijke huwelijk. Deze geheime vereniging voltrekt zich in het diepste centrum van de ziel. Daar moet de plaats zijn waar God zelf verblijf houdt. En, naar mij dunkt, heeft Hij geen deur nodig om er binnen te treden. Er is geen deur nodig, zeg ik, omdat alles wat tot hiertoe werd aangehaald verwezenlijkt scheen te worden door middel van de zintuigen en de vermogens. Zo moet het ook geweest zijn bij die verschijning van de Mensheid van de Heer[40]. De vereniging in het geestelijke huwelijk is echter heel anders. De Heer verschijnt in het centrum van de ziel, niet door een visioen van de verbeelding maar door een verstandelijk visioen, veel subtieler dan de voorgaande[41]. Zo, zonder de deur binnen te treden, verscheen Hij aan de apostelen met de woorden : “Pax vobis” [42].

 Wat God de ziel meedeelt, in één ogenblik, is zo’n groot geheim, zo’n verheven gunst, zo’n diep gevoel van genot in de ziel dat ik niet weet waarmee het te vergelijken. Ik kan alleen maar zeggen dat de Heer haar in dat ogenblik, op een veel verhevener manier, de heerlijkheid van de hemel wil openbaren dan in elk ander visioen of geestelijk genot. Voor zover men begrijpt — en méér kan niet gezegd worden, — is de ziel hier (ik bedoel de geest van deze ziel) één met God. Om de liefde te tonen die Hij voor ons heeft wil Zijn Majesteit, die zelf ook geest is, aan sommigen laten begrijpen tot hoever deze liefde gaat, opdat we zijn grootheid zouden loven. Hij hield eraan zich zo innig met zijn schepsel te verenigen dat Hij zich niet meer van haar wil scheiden, precies zoals zij die niet meer te scheiden zijn[43].

 2.4. Bij de geestelijke verloving is het anders. Hoe vaak gaan verloofden nog uiteen. En ook de vereniging verschilt. Want al is verenigen twee dingen tot één maken, ze kunnen tenslotte nog gescheiden worden. En elk kan weer alleen komen te staan. Zoals we gewoonlijk zien, gaat deze gunst van de Heer vlug voorbij. Daarna is de ziel van dit gezelschap beroofd. Ik bedoel dat ze het niet meer zo ervaart. Bij die andere gunst[44] van de Heer is dit niet het geval omdat de ziel altijd in het centrum met haar God verenigd blijft. Laten we zeggen dat de vereniging kan vergeleken worden met twee wassen kaarsen, waarvan de uiteinden zo dicht bij elkaar gebracht worden dat hun licht maar één licht uitmaakt. Of, dat de pit, het licht en het was één geheel vormen. Deze kaarsen kan men daarna echter van elkaar scheiden en er blijven twee kaarsen. Zo kan men ook de pit van het was scheiden. Hier[45] is het echter als water dat uit de hemel in een rivier of een bron valt, waar het blijft en één geheel van water wordt. Nooit zal men het water van de rivier kunnen scheiden of het onderscheiden van het water dat uit de hemel viel. Evenmin als het water van een stroompje dat in de zee uitmondde opnieuw ervan te scheiden is. Of, als in een plaats waar twee vensters zijn waardoor het volle licht binnenvalt, versmelten de aanvankelijk afzonderlijke lichtbronnen tot één enkel licht.

 2.5. Waarschijnlijk is het dat wat Sint Paulus bedoelt, waar hij in verband met dit verheven huwelijk zegt, terwijl hij veronderstelt dat Zijn Majesteit door de vereniging de ziel naderbij komt: “Wie zich met de Heer verenigt, is met Hem één geest” [46]. Hij zegt eveneens: “Voor mij is leven Christus en sterven winst” [47]. Mij dunkt, dat de ziel hier hetzelfde mag zeggen, want hier sterft de kleine vlinder waarover we spraken, in een overmaat van vreugde, daar Christus zijn leven is.

 2.6. Mettertijd, en door wat eruit volgt onderkent men beter deze gunst. Want men begrijpt duidelijk hoe het God is die door bepaalde geheime aspiraties leven geeft aan de ziel. Soms zo hevig dat er helemaal niet aan te twijfelen valt. De ziel voelt ze heel goed aan maar ze zijn onuitspreekbaar. Dit aanvoelen is zo sterk dat het zich onhoudbaar uit in liefkozende woorden als: “O leven van mijn leven en voedsel dat mij voedt!” en andere dergelijke dingen. Want aan die goddelijke borsten waaraan God deze ziel voortdurend lijkt te voeden, ontspringen stralen melk die alle bewoners van de burcht versterken. Het lijkt wel of de Heer ze enigszins wil laten genieten van het vele dat de ziel geniet, van de geweldige stroom waarin het bronnetje verloren is gegaan. Soms welt een golf van dit water op, om hen die deze twee gehuwden lichamelijk moeten dienen, te ondersteunen[48]. En zoals iemand die er niet op bedacht is het zou voelen wanneer men hem plotseling in dit water dompelt — hij zou niet anders kunnen dan het gewaarworden — zo neemt men, en zelfs met meer zekerheid, deze werkingen waar, waarover ik spreek. Want zoals een grote golfslag, ik zei het reeds, niet uit het niets kan ontspringen, begrijpt men hier duidelijk dat in het innerlijk, iemand is die deze pijlen afschiet en leven geeft aan dit leven. Een zon waaruit een groot licht voortkomt dat vanuit het binnenste van de ziel alle vermogens overstraalt. Zoals ik zei[49] verlaat de ziel dit centrum niet en verliest ze geenszins de vrede, want Hij die ze de apostelen gaf toen ze tezamen waren[50], kan ze ook aan haar geven.

3.1. We hebben gezegd dat die kleine vlinder stierf, overvol van vreugde omdat hij rust vond en Christus in hem leeft. Kijken we hoe hij nu leeft, of hoe dit verschilt van het leven dat hij toen leidde. De uitwerkingen van dit gebed in de ziel zullen bewijzen of dat wat gezegd werd waar is. Voor zover ik het begrijp zijn het de volgende.

 3.2. Ten eerste, een vergeten van zichzelf waardoor de ziel, zoals ik zei, werkelijk niet meer schijnt te bestaan. Ze bevindt zich in een toestand waarin ze van zichzelf geen weet meer heeft. Volledig in beslag genomen om God eer te brengen, denkt ze er niet meer aan dat er voor haar een hemel, leven of eer bestaat. Blijkbaar waren de woorden van Zijn Majesteit daadkrachtig, toen Hij haar zei zorg te dragen voor zijn zaken, terwijl Hij de hare zou behartigen[51]. En zo bekommert ze zich dan ook niet meer om wat zou kunnen gebeuren. Op een ongewone manier vergeet ze alles, want ze lijkt niet meer te bestaan, zoals ik zei. In niets zou ze nog iets willen zijn, tenzij ze ziet dat ze er enigszins toe kan bijdragen de glorie en de eer van God te vermeerderen. Daarvoor zou ze van harte haar leven wagen.

 3.3. Versta dit niet zo, dochters, alsof ze geen rekening meer houdt met eten en slapen, al is dat voor haar geen kleine kwelling, evenals met het vervullen van haar plichten van staat. Hier wordt gesproken over de inwendige dingen want over de uiterlijke werkzaamheden valt weinig te zeggen. Haar lijden bestaat er eerder in, te zien hoe haar eigen krachten voortaan niets meer vermogen. Begrijpt ze dat het gaat om de dienst aan de Heer, dan zal ze voor wat ter wereld ook niets nalaten.

 3.4. Op de tweede plaats is er een groot verlangen naar lijden. Toch kan dit haar niet verontrusten zoals vroeger. Haar verlangen om Gods wil in zich in vervulling te zien gaan, is zo absoluut dat alles wat Zijn Majesteit doet haar goed lijkt. Wil Hij dat ze lijdt, zoveel te beter. Is het anders dan is ze er niet meer zo door geslagen als vroeger.

 3.5. Deze zielen ervaren ook bij vervolging een zeer groot innerlijk genot en een veel grotere vrede dan die waarvan sprake was, zonder enige vijandigheid tegenover degenen die hen benadelen of dit wensen te doen. Ze vatten daar eerder een voorliefde voor op. Zien ze hen lijden dan zijn ook zij innig bedroefd en zouden ze heel wat verdragen om ze ervan te bevrijden. Met heel hun hart bevelen zij ze God aan. En ze zouden zich erover verheugen de genaden die ze van Zijn Majesteit ontvangen te verliezen, als Hij ze over hen zou uitstorten, zodat ze de Heer niet beledigen.

 3.6. Wat me vooral verwondert, is dat zij, gezien de pijnen en de droefheid veroorzaakt door het verlangen naar de dood om van de Heer te genieten, er nu zo sterk naar verlangen Hem te dienen, te verkrijgen dat Hij verheerlijkt wordt en indien mogelijk enkele zielen te helpen. Ze wensen nu niet alleen meer geenszins te sterven, maar vele jaren in de grootste beproevingen te leven, zo ze daarmee kunnen bereiken dat de Heer, al was het maar een weinig, door hen geprezen wordt. De zekerheid dat hun ziel onmiddellijk bij het verlaten van hun lichaam God zal genieten, zou ze niet beïnvloeden, evenmin als de gedachte aan de glorie van de heiligen. Momenteel verlangen ze daar niet naar. Ze stellen hun glorie in de hulp die ze de Gekruisigde kunnen bieden. Vooral wanneer ze bemerken hoe erg Hij beledigd wordt en hoe weinig mensen, onthecht aan al het andere, werkelijk op zijn eer bedacht zijn.

 7. Het is wel zo, dat ze dit af en toe vergeet, wanneer haar verlangen om God te genieten en dit ballingsoord te verlaten weer innig opleeft. Vooral wanneer ze bemerkt hoe weinig ze Hem dient. Toch herneemt ze zich spoedig. Ze bedenkt hoe Hij voortdurend in haar tegenwoordig is en is daarmee tevreden. Ze biedt Zijne Majesteit haar wil om te leven aan, als het kostbaarste offer dat ze Hem kan brengen.

De dood vreest ze helemaal niet, niet meer dan ze een zoete vervoering zou vrezen. Het is een feit dat Hij, die haar vroeger die verlangens ingaf, gepaard aan uitzonderlijke kwellingen, haar nu deze andere geeft. Hij zij voor altijd geloofd en geprezen.

[1] Joh. 14,2.

[2] Spr.  8,31.

[3] Gen. 1,26.

[4] Teresa zal afwisselend de vergelijking met de diamant en met de burcht gebruiken. Hier neemt ze de twee beelden samen. Het accent ligt nu eens op de schoonheid, dan weer op de kracht van de ziel. Aan ieder beeld beantwoordt een typische woordenschat. Paleis, kamers, licht, koning enz. illustreren de rijkdom; poort, wachten, gevechten, vijanden roepen de burcht en de strijd op.

[5] Met het ,plein’ bedoelt Teresa de ruimte tussen de vestingmuur en de eigenlijke burcht. Symbolisch betekent dit : een leven aan de oppervlakte of aan de buitenkant van de werkelijkheid, zonder diepgang.

[6] Waarschijnlijk een allusie op de boeken van Osuna en Laredo ; Teresa kreeg haar eerste mystieke genaden bij het lezen van deze werken.

[7] Gewetensbrief 21 verwoordt een mystiek inzicht van dit thema.

[8] Symbool van laag bij de grondse bezigheden en interessen.

[9] Gen. 19.26.

[10] De ‘palmito’ die in bepaalde streken van Spanje voorkomt, is een kleine waaierpalm zonder stam en met een smakelijke vrucht die geheel onder de bladeren is verborgen. Met dit beeld van de palmboom suggereert Teresa de diepte en de verborgen rijkdom van de innerlijke burcht.

[11] Vgl. Jo. 15:5: ‘Los van mij kunt ge niets’.

[12] Ps. 118,32: ‘Omdat Gij mijn hart hebt verruimt’.

[13] Allusie op haar Autobiografie, hoofdstukken 14 . Teresa spreekt daar zonder onderscheid van ‘genietingen’ (titel hoofdst. 14) en van ‘gebed van rust’ (titel hoofdst.

15) of van ‘inkeer en rust’ (hoofdst. 15,1 en 4).

[14] Zie daarover Derde verblijf, 2,9 en verder ; Vierde verblijf, 1,4 en verder.

 [15] Vierde verblijf, 1,5-6 en 10.

[16] Ps. 118,32 (reeds geciteerd in Vierde verblijf, 1,5).

[17] Zie daarover Zevende verblijf, hoofdst. 1 (titel) en par. 3.7 en 10 ; verder hoofdst. 2, par. 3 en 9.

[18] In 1562 schreef Teresa haar Autobiografie.

[19] Hoogl. 2,4 en 3,2.

[20] Teresa bedoelt daarmee dat men in deze gebedstoestand niet moet proberen na te denken ; hier past enkel ontvankelijkheid voor Gods invloed.

[21] Joh. 20,19.

[22] Zesde verblijf, 2,3.

[23] Zie Kol. 3,3-4.

[24] Zie daarover Vijfde verblijf, 1,10-11.

[25] Zie Zesde verblijf, 6,1 ; ook hoofdst. 11 terloops.

[26] Waarover sprake in het vierde hoofdstuk van het vijfde verblijf, par. 4.

[27] Vijfde verblijf, 1,9-11 en 4,3-4.

[28] Zevende verblijf, 3,4-5.

[29] Teresa sprak voor het laatst over de kleine vlinder in het begin van het vijfde verblijf, derde hoofdstuk.

[30] In het vierde verblijf (gebed van rust).

[31] Pater Gracián schrapte dit woord (capaz) en veranderde het in dispuesta (ingesteld). De eerste uitgever, pater Luis de León, schrapte op zijn beurt dit woord en verving het door de oorspronkelijke term

[32] Eerste verblijf 1,2-3. Met die ‘bepaald iemand’ bedoelt Teresa zichzelf. Zie ook Gewetensbrief 26,1.

[33] Zie ook Gewetensbrief 21.

[34] Waarover reeds sprake in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.

[35] Vijfde verblijf.

[36] Hand. 9,8. Paulus werd alleen blind!

[37] Joh. 14,23. Vergelijk met hetgeen Teresa schrijft in Gewetensbrief 13.

[38] In de vorige paragraaf.

[39] Vijfde verblijf, 4,3.

[40] Namelijk door een visioen van de verbeelding (zie paragraaf 1 van dit hoofdstuk evenals Gewetensbrief 32).

[41] Waarover sprake in vorige hoofdstukken (bijv. zesde verblijf 8).

[42] Joh. 20,19-21.

[43] Teresa schreef eerst: “zoals zij die gehuwd zijn”.

[44] Namelijk het geestelijk of mystiek huwelijk.

[45] In het geestelijke huwelijk.

[46] 1. Kor. 6,17.

[47] Fil. 1,21.

[48] Met deze beeldspraak bedoelt Teresa: de mystieke genade heeft een resonantie in de vermogens en zintuigen. Heel de mens heeft weet van dit geestelijke huwelijk.

[49] In paragraaf 4 van dit hoofdstuk

[50] Joh. 20,19-21.

[51] Allusie op de genade van het geestelijke huwelijk waarover sprake in het vorige hoofdstuk (par. 1) evenals in Gewetens-brief 32.

  Bron: https://www.sporenvangod.nl/Mystiek/Klassieke-teksten-1/Theresia-van-Avila/

Werkvertaling H. Blommestijn/Titus Brandsma Instituut

*************************

.COMMENTAAR OP DE TEKST:

“Búscate en Mí – Zoek jezelf in Mij” en de opening van het Eerste Verblijf van De Innerlijke Burcht.

Ik baseer me op de inhoud die in de zoekresultaten zichtbaar is .

Kerninzicht:

Het artikel toont twee centrale lijnen van Teresa’s mystiek:

God woont in het innerlijk van de mens — het gedicht Búscate en Mí.

De ziel is een kristallen burcht vol verblijven — de opening van De Innerlijke Burcht.

Samen vormen ze Teresa’s meest fundamentele leer: de weg naar God loopt naar binnen, niet naar buiten.

 Commentaar op het gedicht “Búscate en Mí – Zoek jezelf in Mij”:

Het gedicht is een dialoog tussen Christus en de ziel. De kernzinnen:

“Ziel, zoeken moet je jezelf in Mij, en Mij moet je zoeken in jezelf.”

“Jij bent mijn onderdak, jij bent mijn thuis en verblijf.”

“Buiten jezelf hoef je Mij niet te zoeken.” 

Wat Teresa hier leert:

1. De ziel is Gods woonplaats

Christus zegt: “Jij bent mijn onderdak.” 

Dit is een van de meest radicale uitspraken in de christelijke mystiek.

God is niet ver, niet buiten, niet boven — maar binnen.

2. Zelfkennis en Godskennis zijn één beweging

Wie zichzelf zoekt, vindt God; wie God zoekt, vindt zichzelf.

Voor Teresa is dit geen psychologische slogan, maar een mystiek principe:

de ziel draagt het beeld van God in zich.

3. De mens is geschapen uit liefde en in liefde geprent

Het gedicht zegt dat de ziel zo diep in God is “getekend” dat geen schilder dit kan evenaren.

Dit is Teresa’s manier om te zeggen:

de mens is een icoon van God.

4. Gebed is geen zoeken buiten jezelf, maar een terugkeren naar binnen

Teresa waarschuwt: dwaal niet van “hier naar ginds”.

De grootste fout van de mens is dat hij buiten zichzelf leeft.

Voor haar is innerlijk gebed een thuiskomen.

Commentaar op het Eerste Verblijf van De Innerlijke Burcht:

De pagina citeert Teresa’s beroemde beeld:

De ziel is een burcht van diamant of helder kristal.

Ze bevat vele verblijven, zoals er in de hemel vele woningen zijn.

De ziel van een rechtvaardige is een paradijs waar God behagen in schept.

Wat Teresa hier leert:

1. De ziel is van onvoorstelbare schoonheid

Teresa zegt dat ons verstand nauwelijks kan bevatten hoe mooi de ziel is.

Dit is geen romantiek: het is een theologische stelling.

De ziel weerspiegelt Gods eigen schoonheid.

2. Onze grootste ellende is dat we onszelf niet kennen

Ze noemt het “spijtig en beschamend” dat we niet weten wie we zijn.

Zelfkennis is voor haar geen psychologisch project, maar een geestelijke noodzaak.

Zonder zelfkennis kan men niet bidden.

3. De mens leeft aan de buitenkant van zijn eigen ziel

De meeste mensen blijven in de “voorhof” van de burcht.

Ze leven in afleiding, oppervlakkigheid, verstrooiing.

De weg naar God begint met naar binnen gaan.

4. God woont in het centrum van de ziel

Dit is Teresa’s grote mystieke ontdekking:

God is niet ver weg, maar in het diepste verblijf van de ziel.

De geestelijke weg is een tocht naar dat centrum.

 Hoe deze twee teksten samenhangen:

Het gedicht en het prozafragment zijn eigenlijk één mystieke leer:

Het gedicht zegt: God is in jou.

“Búscate en Mí – Zoek jezelf in Mij” en de opening van het Eerste Verblijf van De Innerlijke Burcht.

Ik baseer me op de inhoud die in de zoekresultaten zichtbaar is .

 Kerninzicht:

Het artikel toont twee centrale lijnen van Teresa’s mystiek:

God woont in het innerlijk van de mens — het gedicht Búscate en M

Het proza zegt: jij bent een burcht waarin God woont.

Het gedicht is de poëtische vorm,

de Innerlijke Burcht de systematische vorm.

Samen vormen ze Teresa’s antwoord op de vraag:

Waar vind ik God?

Niet in extases.

Niet in buitengewone ervaringen.

Niet in de wereld.

Maar in het innerlijk van de mens,

waar God al woont, wacht, klopt.

Contemplatieve toepassing voor vandaag:

Voor jouw blog en lezers is dit de kern:

De mens is niet leeg, maar bewoond.

Gebed is geen zoeken, maar vinden.

De ziel is geen probleem, maar een tempel.

God is niet ver, maar nabij — intiem nabij.

De weg naar God is een weg naar binnen, naar stilte, naar waarheid.

Teresa nodigt uit tot een innerlijke ommekeer:

van buiten naar binnen,

van verstrooiing naar aandacht,

van zoeken naar ontvangen.

GEBED:

Gebed bij Teresa van Ávila’s innerlijke weg

Heer, Gij die woont in het stille centrum van mijn ziel, breng mij terug naar binnen, naar de plaats waar Gij mij al verwacht.

Leer mij niet te dwalen in de buitenkant van het leven, maar te zakken in de diepte waar Gij uw woning hebt gemaakt. Open in mij de deur van het eerste verblijf, waar zelfkennis en Godskennis elkaar raken.

Laat mij ontdekken dat ik in U geprent ben, dat mijn wezen uw licht weerspiegelt, dat ik niet verloren hoef te zoeken wat reeds in mij aanwezig is.

Trek mij naar het stille middelpunt, waar Gij mij aanraakt zonder woorden, waar Gij mij kent zonder uitleg, waar Gij mij bemint zonder voorwaarden.

Maak mijn ziel tot een heldere burcht, doorstraald door uw aanwezigheid, zodat ik U vind in mij, en mijzelf vind in U.

Amen.

*******************

Hoogfeest van Pinksteren…

Vertaling van de tekst (Handelingen 2:1–4)

“Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren zij allen bijeen op één plaats.

Plotseling kwam er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag,

en het vervulde het hele huis waar zij zaten.

Er verschenen hun tongen, als van vuur, die zich verdeelden,

en op ieder van hen neerdaalden.

Allen werden vervuld van de Heilige Geest

en begonnen te spreken in andere talen,

zoals de Geest hun te spreken gaf.”

++++

Commentaar – De stille geboorte van de Kerk

Pinksteren is het moment waarop de Kerk niet door menselijke planning ontstaat,

maar door goddelijke adem.

De leerlingen zitten niet in actie, maar in wachten.

Hun handen zijn leeg, hun woorden zijn op, hun toekomst is onduidelijk.

En juist daar, in die ontvankelijkheid, breekt de Geest binnen:

als wind – onzichtbaar maar onweerstaanbaar;

als vuur – zuiverend, verlichtend, transformerend;

als taal – niet om te scheiden, maar om te verbinden.

++++

De Geest geeft geen nieuwe leer, maar een nieuw hart.

Geen nieuwe regels, maar nieuwe moed.

Geen nieuwe structuren, maar nieuwe woorden die anderen kunnen verstaan.

++++

Pinksteren is het omgekeerde van Babel:

waar mensen elkaar niet meer begrepen,

wordt nu verstaanbaarheid geschonken als genade.

++++

De vlam boven ieder hoofd is een beeld van diepe waarheid:

de Geest komt persoonlijk én gemeenschappelijk. 

Iedereen ontvangt een eigen vuur, maar alle vuren komen van dezelfde bron.

++++

De Kerk wordt geboren als een kring van mensen

die niet langer uit angst spreken,

maar uit liefde die hen overstroomt.

++++

Gebed – Kom, Heilige Geest

Heilige Geest,

adem van God,

kom in onze gesloten kamers,

waar angst, twijfel en vermoeidheid wonen.

Steek in ons het vuur aan

dat niet verteert maar verlicht,

dat niet verbrandt maar zuivert,

dat niet opslokt maar doet leven.

Leer ons spreken met woorden

die anderen kunnen verstaan,

woorden die genezen,

woorden die vrede brengen.

Laat uw zachte kracht

ons hart openen,

onze blik verruimen,

onze liefde verdiepen.

Maak ons tot mensen van Pinksteren:

moedig, ontvankelijk,

brandend van uw licht.

Kom, Heilige Geest,

en vernieuw het aangezicht van de aarde.

Amen.

++++++++++++++

wat is pinksteren

Pinksteren is het christelijke feest waarop de uitstorting van de Heilige Geest over de apostelen wordt herdacht — een gebeurtenis die traditioneel wordt gezien als de geboorte van de Kerk. Het valt op de vijftigste dag na Pasen; de naam komt van het Griekse pentèkostè, “vijftigste”.

Wat gebeurde er met Pinksteren?

Volgens Handelingen 2 zaten de apostelen bijeen toen er plotseling een hevige wind klonk en er vurige tongen boven hun hoofden verschenen. Ze werden vervuld van de Heilige Geest en begonnen te spreken in allerlei talen, zodat iedereen hen kon verstaan.

Dit moment markeert:

het begin van de verkondiging van het evangelie,

de innerlijke kracht die de leerlingen ontvangt,

en het ontstaan van de christelijke gemeenschap.

Theologische betekenis

De Heilige Geest wordt gezien als de goddelijke liefdesband tussen Vader en Zoon.

Pinksteren voltooit de Paastijd: Pasen viert de verrijzenis, Pinksteren de gave van de Geest die de leerlingen in staat stelt Christus’ werk voort te zetten.

Daarom wordt Pinksteren ook wel het begin van de Kerk genoemd.

Wanneer vieren we Pinksteren?

Pinksteren valt altijd op de zevende zondag na Pasen, tien dagen na Hemelvaart.

Het is de laatste dag van de Paastijd.

Tradities en gebruiken

In de middeleeuwen duurde Pinksteren soms acht dagen.

Er waren lentetradities zoals de pinksterbruid en Luilak.

Vandaag zijn er vaak markten, vieringen, processies en festivals (zoals Pinkpop).

 Samengevat

Pinksteren is het feest van:

de komst van de Heilige Geest,

de geboorte van de Kerk,

de voltooiing van de Paastijd,

de zending van de leerlingen om het evangelie te verkondigen.

+++++

DAG VAN DE HEILIGE GEEST – PINKSTEREN

In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Prtedikatie door Anthony BLOOM (metropoliet)

Vandaag vieren we het feest van de Heilige Geest. Wat weten we over Hem? Gisteren, op Trinitatiszondag, hoorden we prachtige woorden van gebed over Hem, maar laten we eens nadenken over de naam die Hem in het Evangelie wordt gegeven, die in het Engels vertaald wordt als ‘De Trooster’, in andere vertalingen als ‘De Pleitbezorger’. Hij is Degene die werkelijk de Trooster is, Degene die ons troost in onze scheiding van Christus, die ons troost die als wezen zijn, die ernaar verlangen bij Christus onze God, onze Verlosser, te zijn, en die weten dat zolang we in het vlees zijn – en dit zijn de woorden van de heilige Paulus – we van Hem gescheiden zijn. Maar opdat Hij onze Trooster, onze troost kan zijn, moeten we ons eerst bewust zijn van het feit dat we gescheiden zijn. En dit is de eerste vraag die we onszelf moeten stellen: zijn we ons daarvan bewust, of leven we in de waan dat we in God zijn en God in ons, en dat er niets meer nodig is? Hoeveel meer is er nodig!

Hij is ook Degene Die ons, als Trooster, kracht geeft: kracht om te leven ondanks de scheiding, kracht om standvastig te blijven en de wil van God te doen, de geboden van God te vervullen. Hij is Degene Die ons zielskracht, vastberadenheid en de kracht om te handelen kan geven. Maar dit, nogmaals, alleen als we ons tot Hem wenden en zeggen: Kom! Kom en woon in ons! Reinig ons! Wees niet alleen onze Trooster, maar ook onze kracht.

Ten slotte is Hij Degene Die ons nu al de vreugde schenkt van het besef hoe dichtbij we zijn, ondanks de schijnbaar oneindige afstand tussen God en ons; Degene Die, in onuitsprekelijke verzuchtingen, vanuit de diepte van ons wezen tot God spreekt; Degene Die, omdat wij Christus’ eigen volk zijn, Zijn broeders en zusters in de mensheid – en dit zijn Zijn eigen woorden – dat wij kinderen van de Vader zijn. De vreugde hiervan, het wonder hiervan, de waardigheid hiervan! En inderdaad, ook de verantwoordelijkheid die hiermee gepaard gaat…

Als we denken aan onze wereld, die in grote mate vreemd is aan God, dan is de Geest reeds het begin van het eeuwige leven. Zijn aanwezigheid is een doorslaggevend feit. Hij beukt tegen de rotsen als de zee, Hij breekt weerstand. Hij is de vreugde van de eeuwigheid die aan onze deur klopt, Zichzelf in ons leven opdringt, ons herinnert aan God onze Vader, aan Christus onze Verlosser en aan onze grootheid en waardigheid voor God, en ons laat zien dat alles mogelijk is in de kracht van Christus Die ons ondersteunt. Laten we dit feest daarom verantwoordelijk en dankbaar vieren. En moge de Geest van God, die in vurige tongen over de apostelen kwam, ook tot ons komen – misschien als een vuur dat ons doet gloeien en ons maakt als een brandende struik, of ons aanraakt als de zachte, stille stem die de profeet hoorde in de woestijn, waar God was, in Zijn stille nederigheid, in Zijn overgave aan ons, in Zijn liefde voor ons. Amen

AAN ALLEN EEN ZALIGE HOOGDAG VAN PINKSTEREN

******************************

Charles de Foucauld zei dat gebed ‘denken aan God is, terwijl je Hem liefhebt’.”

Charles de Foucauld zei dat gebed ‘denken aan God is, terwijl je Hem liefhebt’.”

++++

Commentaar:

Deze korte zin van Charles de Foucauld raakt aan de kern van zijn spiritualiteit: eenvoud, nabijheid en liefde. Voor hem was gebed geen techniek, geen reeks woorden, geen prestatie. Het was een houding van het hart

“Denken aan God” verwijst niet naar een intellectuele oefening, maar naar een innerlijke gerichtheid: je bewust worden van Zijn aanwezigheid in het gewone, het alledaagse.

“Hem liefhebben” is de beweging van het hart die daarop volgt: een stille overgave, een zachte tederheid, een vertrouwend rusten in God.

Bij Foucauld is gebed dus niet iets dat je doet, maar iets dat je bent: een geliefd kind dat zich laat beminnen. Zijn woorden nodigen uit tot een vorm van gebed die altijd mogelijk is — in stilte, in werk, in vermoeidheid, in vreugde, in de woestijn van het leven.

++++

Gebed:

Heer Jezus,

leer mij bidden zoals Charles de Foucauld het begreep:

eenvoudig, stil, zonder omwegen.

Laat mijn gedachten naar U uitgaan,

niet uit plicht, maar uit liefde.

Maak mijn hart zacht, ontvankelijk,

zodat ik U kan beminnen in alles wat ik doe

en in iedereen die ik ontmoet.

Wees mijn licht, mijn rust, mijn nabijheid.

Amen.

********************

Augustinus: Houd in je hand de lantaarn van het Geloof…..

“Houd in je hand de lantaarn van het Geloof; en laat de vlam van de Liefde daaruit schijnen, om je te tonen wat je moet doen en wat je moet vermijden.”H. Augustinus

Commentaar:

Augustinus gebruikt hier een beeld dat tegelijk eenvoudig en diepzinnig is: het geloof als een lantaarn die je draagt, en de liefde als de vlam die erin brandt.

Een lantaarn zonder vlam is nutteloos: het is slechts een omhulsel. Zo is geloof zonder liefde koud, theoretisch, zonder richting. Maar een vlam zonder lantaarn is kwetsbaar: ze kan doven door de eerste windvlaag. Zo is liefde zonder geloof vaak vluchtig, niet geworteld, niet gedragen door een diepere waarheid.

Augustinus zegt eigenlijk:

  • Geloof geeft structuur, richting, vorm.
  • Liefde geeft warmte, licht, beweging.

En samen tonen ze je twee dingen:

  1. Wat je moet doen — de weg van het goede, het ware, het schone.
  2. Wat je moet vermijden — alles wat het licht dooft: hoogmoed, bitterheid, onverschilligheid, zelfzucht.

Het is een spirituele pedagogie in miniatuur: niet door angst, niet door regels, maar door licht.

Het licht van de liefde maakt zichtbaar wat waar is. Het geloof bewaart dat licht en draagt het door de nacht.

Gebed:

Heer, geef dat ik de lantaarn van het geloof steeds in mijn handen houd, ook wanneer de weg donker is en mijn stappen onzeker zijn.

Laat de vlam van uw liefde in mij branden — zacht, helder, onuitblusbaar — zodat zij mij toont wat goed is om te doen en wat ik moet laten.

Bewaar mijn hart in uw licht, opdat ik zelf een kleine lantaarn word voor wie naast mij loopt. Amen.

*******************

St.Bonaventura: De schat van alle heerlijkheid bestaat in Christus….

“De schat van alle heerlijkheid bestaat in Christus… Want Hijzelf is die schat, Hij wiens rijkdom tot in de diepte reikt en die de ondoorgrondelijke grenzen van Zijn glorie heeft vastgesteld. En daarom beveelt Hij ons om naar deze schat toe te lopen… Deze schat is verborgen onder de sluier van brood en wijn, opdat jij het verdienstelijke geloof zou bezitten.”

H. Bonaventura

Commentaar:

Bonaventura spreekt hier als een mysticus die de Eucharistie niet ziet als een symbool, maar als een verborgen brandpunt van goddelijke heerlijkheid.

Drie lijnen vallen op:

1. Christus is niet de gever van de schat — Hij ís de schat.

De rijkdom van God is geen verzameling gaven, maar een Persoon. Wie Christus ontvangt, ontvangt alles: licht, wijsheid, vrede, vergeving, toekomst.

2. De diepte van Zijn glorie is ondoorgrondelijk.

Bonaventura herinnert ons eraan dat Gods heerlijkheid niet te meten is. Ze heeft geen randen, geen bodem, geen plafond. Ze is een oceaan waarin de ziel mag leren ademen.

3. De Eucharistie is een sluier én een uitnodiging.

Brood en wijn verbergen — en onthullen — tegelijk. Ze verbergen de glorie, zodat wij in geloof kunnen naderen. Ze onthullen de glorie, zodra het hart zich opent voor het mysterie.

Voor Bonaventura is de Eucharistie dus een poort: een nederige vorm waarin de oneindige God zich laat aanraken.

Gebed:

Heer Jezus Christus, Gij die de levende Schat zijt, verborgen onder het eenvoudige teken van brood en wijn, open mijn hart voor Uw stille heerlijkheid.

Leer mij naderen met geloof, niet vertrouwend op wat ik zie, maar op Uw woord dat nooit bedriegt.

Laat Uw verborgen glorie mijn ziel verlichten, mijn wonden aanraken, mijn dorst stillen.

Maak mij arm genoeg om U te ontvangen, en rijk genoeg om U te herkennen in de nederige gedaanten van Uw liefde.

Amen.

Macarius van Egypte: Macarius spreekt hier in krachtige, bijna mystieke beelden over het vuur van de Godheid — een van zijn centrale thema’s.

Dat hemelse vuur van de Godheid, dat christenen reeds in dit leven innerlijk in hun hart ontvangen, datzelfde vuur dat nu hun hart van binnenuit leidt, breekt bij de ontbinding van het lichaam opnieuw naar buiten. Het trekt de ledematen van het lichaam weer samen en bewerkt de verrijzenis van het uiteengevallen lichaam.

In de tijd van Nabuchodonoser was het vuur dat krachtig brandde in de oven geen goddelijk vuur, maar een schepsel. Maar die drie jongelingen, vanwege hun gerechtigheid, hadden — terwijl zij zich in het zichtbare vuur bevonden — in hun hart het goddelijke en hemelse vuur, dat in hun gedachten werkzaam was en krachtig in hen werkte. Datzelfde vuur verscheen ook buiten hen. Want het stond in hun midden en verhinderde dat het zichtbare vuur enig deel van de drie rechtvaardigen verbrandde of beschadigde.

Maar zoals de drie jongemannen, vastbesloten om rechtvaardige daden te verrichten, in zichzelf het vuur van God ontvingen en de Heer in waarheid aanbaden, zo ontvangen ook nu gelovige zielen op een innerlijke wijze dat goddelijke en hemelse vuur in dit huidige leven, en dat vuur vormt een hemels beeld in hun menselijke natuur.

— St. Macarius van Egypte, Vijftig Geestelijke Homilieën

++++

Commentaar:

Macarius spreekt hier in krachtige, bijna mystieke beelden over het vuur van de Godheid — een van zijn centrale thema’s. Voor hem is het christelijk leven niet primair morele inspanning, maar een innerlijke ontbranding door de Heilige Geest.

Drie belangrijke lijnen:

1. Het vuur is nu al aanwezig

Macarius benadrukt dat het hemelse vuur nu, in dit leven, in het hart van de gelovige wordt ontstoken. Het is geen toekomstig geschenk, maar een tegenwoordige realiteit.

Dit vuur:

leidt het hart

zuivert de gedachten

vormt het innerlijk om

maakt het lichaam tot een tempel

Het is een vroege vorm van wat later in de oosterse traditie theosis zal heten: de mens wordt door genade deelgenoot van Gods leven.

2. Het vuur is sterker dan de dood

Het beeld van de verrijzenis is opvallend: het goddelijke vuur dat nu verborgen werkt, zal bij de dood openbarsten en het lichaam opnieuw bijeenroepen.

Voor Macarius is de verrijzenis geen externe daad van God, maar een openbaring van wat reeds in de ziel brandde.

3. De drie jongelingen als icoon van het innerlijk leven

De jongelingen in de vurige oven (Dan. 3) zijn voor Macarius een mystiek beeld:

het zichtbare vuur = beproeving, lijden, wereld

het onzichtbare vuur = Gods aanwezigheid in het hart

Omdat zij het innerlijke vuur droegen, kon het uiterlijke vuur hen niet schaden.

Zo wordt de gelovige ziel een drager van een ander vuur, een vuur dat niet vernietigt maar herschept.

4. Het vuur vormt een hemels beeld

Het slot is bijzonder mooi: het goddelijke vuur “vormt een hemels beeld” in de menselijke natuur.

Dit is pure spiritualiteit van de woestijn: de mens wordt door de Geest hergevormd naar het beeld van Christus, van binnenuit, zacht maar onstuitbaar.

Gebed

Heer, God van het levende vuur, 

ontsteek in mij het licht dat niet dooft.

Laat uw hemelse vlam mijn hart zuiveren,

mijn gedachten verlichten,

mijn wil sterken.

Zoals Gij de drie jongelingen hebt omringd

met het vuur van uw aanwezigheid,

zo omring ook mij met uw vrede

te midden van de ovens van dit leven.

Laat uw vuur in mij groeien

tot het mijn hele wezen doordringt,

mijn wonden heelt,

mijn zwakheid draagt,

en in mij het hemelse beeld vormt

dat Gij vanaf het begin hebt bedoeld.

Maak mij tot een woning van uw Geest,

een vlam in uw hand,

een licht voor wie in duisternis gaan.

Amen.

******************

St.Teresia van Lisieux: Wat er in het leven toe doet , zijn niet de grote daden maar de grote liefde….

“Wat er in het leven toe doet, zijn niet de grote daden, maar de grote liefde.” — Heilige Theresia van Lisieux

++++

Commentaar:

Deze korte zin draagt de volledige geest van Theresia’s kleine weg. Zij geloofde dat heiligheid niet bestaat uit spectaculaire prestaties, maar uit de innerlijke houding waarmee wij de meest eenvoudige dingen doen.

Voor Theresia is liefde geen gevoel, maar een keuze: een zachte, verborgen trouw in het alledaagse. Een glimlach die moeite kost, een klein offer dat niemand ziet, een woord van bemoediging dat iemand optilt — dit zijn de plaatsen waar God woont.

Haar inzicht bevrijdt: je hoeft niet groots te zijn om betekenisvol te leven. Je hoeft alleen maar lief te hebben in het moment dat je gegeven wordt. In die nederige liefde wordt het gewone heilig, en het kleine wordt oneindig.

++++

Gebed:

Heer Jezus, Gij die ons hebt geleerd dat de grootste onder ons degene is die liefheeft, geef mij het eenvoudige hart van Theresia.

Leer mij niet te zoeken naar grootheid, maar naar trouw in het kleine. Laat mijn woorden zacht zijn, mijn daden eenvoudig, mijn hart beschikbaar voor wie ik ontmoet.

Vul mijn dagelijkse leven met Uw liefde, opdat ik, in alles wat klein en verborgen is, Uw licht mag dragen.

Amen.

*****************************