
Gebed van de heilige Teresa van Ávila
Heer van alle geschapen dingen, mijn God, mijn Gelukzaligheid! Hoe lang moet ik nog wachten voordat Gij U aan mij toont? Hoe lang en vol lijden is dit leven, waarin men niet werkelijk leeft, maar aan alle kanten de uiterste verlatenheid ervaart. Hoe lang, o Heer, hoe lang zal het nog duren? Wat moet ik doen, mijn hoogste Goed? Moet ik verlangen, werkelijk smachten naar U?
Mijn God en mijn Schepper! Gij verwondt, maar Gij schenkt ook de balsem die geneest. Gij verwondt, en toch is er geen wond te zien. Gij doodt, en Gij schenkt nieuw leven. In Uw almacht, volgens Uw heilige Wil, beschikt Gij, o Heer, over alles.
Wilt Gij, mijn God, dat ik, verachtelijk schepsel dat ik ben, zulke kwelling verdraag? Zo zij het dan, mijn God, omdat Gij het wilt, want mijn wil is de Uwe. Maar, o mijn Schepper! de hevigheid van mijn pijn drijft mij ertoe uit te roepen en mijn machteloosheid te beklagen: moge het U behagen mij te verlichten.
De geketende ziel verlangt naar vrijheid, maar zij zal die niet eerder ontvangen dan wanneer het U behaagt.
Mijn ziel: laat dan de Wil van God in u geschieden. Dien de Heer, vertrouw op Zijn barmhartigheid. Dit zal uw pijn verzachten.
O mijn God! Mijn Koning! Ik kan niets, tenzij Uw machtige hand, tenzij Uw hemelse kracht, mij bijstaat.
Met Uw hulp kan ik alles.
Amen.
++++
Commentaar:
Deze tekst ademt precies die vurige, mystieke intensiteit die Teresa zo eigen is: een ziel die tegelijk hunkert, lijdt, vertrouwt en zich overgeeft.
Wat mij treft is de paradox die zij voortdurend benoemt:
- God verwondt én geneest.
- Hij doodt én wekt tot leven.
- Hij verbergt zich én trekt de ziel onweerstaanbaar naar zich toe.
Dit is de taal van iemand die de diepte van de innerlijke nacht kent — niet als straf, maar als een mysterieuze zuivering. Teresa beschrijft de ervaring dat God soms zo ver weg lijkt dat het leven zelf “geen leven” meer is. Toch blijft zij in dat duister één ding vasthouden: “Mijn wil is de Uwe.”
Dat is geen berusting uit zwakte, maar een liefdevolle overgave: een ziel die weet dat haar vrijheid het meest tot bloei komt wanneer zij rust in Gods wil.
De zin “De geketende ziel verlangt naar vrijheid, maar niet eerder dan wanneer het U behaagt” is bijzonder fijnzinnig: Teresa erkent dat ware vrijheid niet bestaat uit het ontsnappen aan lijden, maar uit het vinden van vrede in Gods tijd, Gods ritme, Gods wijze van handelen.
En dan dat slot: “Met Uw hulp kan ik alles.” Het is geen triomf, maar een zachte zekerheid: de kracht komt niet uit haarzelf, maar uit de Hand die haar draagt.
++++
GEBED:
Heer, Gij die de diepte van ons verlangen kent, kom in de stilte van ons hart. Wanneer wij U niet zien, wanneer de dagen zwaar zijn en de ziel zich gevangen voelt, wees dan het licht dat niet dooft.
Leer ons rusten in Uw wil, ook wanneer wij die niet begrijpen. Genees de wonden die niemand ziet, verlicht de last die wij niet kunnen dragen, en wek in ons opnieuw het vertrouwen dat Uw hand ons leidt.
Met Uw hulp, Heer, kan de ziel alles doorstaan en alles ontvangen. Blijf bij ons, nu en altijd.
Amen.
********************

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.