St.John Cassianus : Wanneer we een zekere mate van heiligheid hebben bereikt, moeten we altijd de woorden van de apostel herhalen…..

SHOULD

“Wanneer we een zekere mate van heiligheid hebben bereikt, moeten we altijd de woorden van de apostel herhalen: “Toch niet ik, maar de genade Gods, die met mij was” (1 Kor. 15:10), evenals wat de Heer zei: “Zonder Mij kunt u niets doen” (Joh. 15:5).

We moeten ook in gedachten houden wat de profeet zei: “Als de Heer het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen zij die eraan bouwen” (Ps. 127:1), en ten slotte: “Het hangt niet af van de wil of inspanning van de mens, maar van Gods barmhartigheid” (Rom. 9:16). Zelfs als iemand ijverig, serieus en vastberaden is, kan hij, zolang hij gebonden is aan vlees en bloed, de perfectie niet naderen, behalve door de barmhartigheid en genade van Christus.

Jakobus zelf zegt dat “elke goede gave van boven is” (Jac. 1:17), terwijl de apostel Paulus vraagt: “Wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? Nu, indien gij het ontvangen hebt, waarom roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?’ (1 Kor. 4:7). Welk recht heeft de mens dan om trots te zijn, alsof hij volmaaktheid door zijn eigen inspanningen zou kunnen bereiken?”

Thomas Merton : Over “VRIJHEID”

TOMAS

Thomas Merton over “Vrijheid”

 

(Het volledige artikel ) :

“Personen, gebeurtenissen en situaties alleen beschouwen in het licht van hun effect op mezelf is leven op de drempel van de hel. Zelfzucht is gedoemd tot frustratie, gecentreerd als het is op een leugen. Om uitsluitend voor mezelf te leven, moet ik alle dingen zich laten buigen naar mijn wil alsof ik een god was. Maar dit is onmogelijk. Is er een overtuigender indicatie van mijn schepsel-zijn dan de ontoereikendheid van mijn eigen wil? Want ik kan het universum niet aan mij laten gehoorzamen. Ik kan andere mensen niet laten conformeren aan mijn eigen grillen en fantasieën. Ik kan zelfs mijn eigen lichaam niet aan mij laten gehoorzamen. Wanneer ik het plezier geef, bedriegt het mijn verwachting en laat het mij pijn lijden. Wanneer ik mezelf geef wat ik als vrijheid beschouw, bedrieg ik mezelf en ontdek ik dat ik de gevangene ben van mijn eigen blindheid en zelfzucht en ontoereikendheid. Het is waar, de vrijheid van mijn wil is iets groots. Maar deze vrijheid is geen absolute zelfredzaamheid. Als de essentie van vrijheid slechts de daad van keuze was, dan zou het loutere feit van het maken van keuzes onze vrijheid vervolmaken. Maar hier zijn twee moeilijkheden. Ten eerste moeten onze keuzes echt vrij zijn, dat wil zeggen, ze moeten ons vervolmaken in ons eigen wezen. Ze moeten ons vervolmaken in onze relatie tot andere vrije wezens. We moeten de keuzes maken die ons in staat stellen de diepste capaciteiten van ons ware zelf te vervullen. Hieruit vloeit de tweede moeilijkheid voort: we nemen te gemakkelijk aan dat we ons echte zelf, en dat onze keuzes echt de keuzes zijn die we willen maken, terwijl onze daden van vrije keuze (hoewel ongetwijfeld moreel toerekenbaar) grotendeels worden gedicteerd door psychologische dwangmatigheden, voortvloeiend uit onze buitensporige ideeën over ons eigen belang. Onze keuzes worden te vaak gedicteerd door ons valse zelf. Daarom vind ik in mezelf niet de kracht om gelukkig te zijn door alleen maar te doen wat ik leuk vind. Integendeel, als ik niets doe behalve wat mijn eigen fantasie bevalt, zal ik bijna de hele tijd ellendig zijn. Dit zou nooit zo zijn als mijn wil niet was geschapen om zijn eigen vrijheid te gebruiken in de liefde voor anderen. Mijn vrije wil consolideert en perfectioneert zijn eigen autonomie door zijn actie vrij te coördineren met de wil van een ander. Er is iets in de aard van mijn vrijheid zelf dat mij neigt om lief te hebben, goed te doen, mezelf aan anderen te wijden. Ik heb een instinct dat me vertelt dat ik minder vrij ben als ik alleen voor mezelf leef. De reden hiervoor is dat ik niet volledig onafhankelijk kan zijn. Omdat ik niet zelfvoorzienend ben, ben ik afhankelijk van iemand anders voor mijn vervulling. Mijn vrijheid is niet volledig vrij als ik aan zichzelf word overgelaten. Dat wordt het wanneer het in de juiste relatie wordt gebracht met de vrijheid van een ander. Tegelijkertijd is mijn instinct om onafhankelijk te zijn geenszins slecht. Mijn vrijheid wordt niet vervolmaakt door onderwerping aan een tiran. Onderwerping is geen doel op zich. Het is juist dat mijn natuur in opstand komt tegen onderwerping. Waarom zou mijn wil vrij geschapen zijn als ik mijn vrijheid nooit zou gebruiken? Als mijn wil bedoeld is om zijn vrijheid te vervolmaken door een andere wil te dienen, betekent dat niet dat hij zijn vervolmaking zal vinden door elke andere wil te dienen. In feite is er maar één wil in wiens dienst ik vervolmaking en vrijheid kan vinden. Mijn vrijheid blindelings geven aan een wezen dat gelijk is aan of inferieur is aan mij, is mezelf degraderen en mijn vrijheid weggooien. Ik kan alleen volkomen vrij worden door de wil van God te dienen. Als ik in feite andere mensen gehoorzaam en hen dien, zal ik dat niet alleen omwille van hen doen, maar omdat hun wil het sacrament is van de wil van God. Gehoorzaamheid aan de mens heeft geen betekenis tenzij het primair gehoorzaamheid aan God is. Hieruit vloeien vele gevolgen voort. Waar geen geloof in God is, kan er geen echte orde zijn; daarom is gehoorzaamheid waar geen geloof is, zinloos. Het kan alleen aan anderen worden opgelegd als een kwestie van opportunisme. Als er geen God is, is geen enkele regering logisch, behalve tirannie. En in feite neigen staten die het idee van God verwerpen, naar tirannie of naar morele chaos. In beide gevallen is het einde wanorde, omdat tirannie zelf een wanorde is. Het onvolwassen geweten is niet zijn eigen meester. Het is slechts de afgevaardigde van het geweten van een ander persoon, of van een groep, of van een partij, of van een sociale klasse, of van een natie, of van een ras. Daarom neemt het zelf geen echte morele beslissingen, het papegaait eenvoudigweg de beslissingen van anderen na. Het velt zelf geen oordelen, het “conformeert” zich slechts aan de partijlijn. Het heeft niet echt motieven of bedoelingen van zichzelf. Of als het dat wel heeft, dan verwoest het ze door ze te verdraaien en te rationaliseren om ze te laten passen bij de bedoelingen van een ander. Dat is geen morele vrijheid. Het maakt ware liefde onmogelijk. Want als ik echt en vrij wil liefhebben, moet ik in staat zijn om iets te geven dat echt van mij is aan een ander. Als mijn hart niet eerst van mij is, hoe kan ik het dan aan een ander geven? Het is niet van mij om te geven! Vrije wil wordt ons niet gegeven als vuurwerk dat in de lucht wordt geschoten. Er zijn mensen die lijken te denken dat hun daden vrijer zijn naarmate ze geen doel hebben, alsof een rationeel doel een soort beperking oplegt aan onze vrijheid. Dat is alsof je zegt dat je rijker bent als je geld uit het raam gooit dan als je het uitgeeft. Omdat geld is wat het is, ontken ik niet dat je alle lof verdient als je er je sigaretten mee aansteekt. Dat zou laten zien dat je een diep, puur besef hebt van de ontologische waarde van de dollar. Niettemin, als dat alles is wat u kunt bedenken om met geld te doen, zult u niet lang genieten van de voordelen die het nog steeds kan opleveren. Het kan waar zijn dat een rijke man het zich beter kan veroorloven om geld uit het raam te gooien dan een arme man, maar noch het uitgeven noch het verspillen van geld is wat een man rijk maakt. Hij is rijk door wat hij heeft, en zijn rijkdommen zijn waardevol voor hem om wat hij ermee kan doen. Wat vrijheid betreft, volgens deze analogie, wordt het niet groter door het te verspillen of uit te geven, maar het wordt ons gegeven als een talent om mee te handelen tot de komst van Christus. Bij deze handel doen we afstand van wat van ons is, alleen om het met rente terug te krijgen. We vernietigen of gooien het niet weg. We wijden het aan een doel, en deze toewijding maakt ons vrijer dan we daarvoor waren. Thomas Merton,Hij is rijk door wat hij heeft, en zijn rijkdommen zijn waardevol voor hem om wat hij ermee kan doen. Wat betreft vrijheid, volgens deze analogie, wordt het niet groter door het te verspillen of uit te geven, maar het wordt ons gegeven als een talent om mee te handelen tot de komst van Christus. Bij deze handel doen we afstand van wat van ons is, alleen om het met rente terug te krijgen. We vernietigen het niet en gooien het niet weg. We wijden het aan een doel, en deze toewijding maakt ons vrijer dan we daarvoor waren. “Thomas Merton, Hij is rijk door wat hij heeft, en zijn rijkdommen zijn waardevol voor hem om wat hij ermee kan doen. Wat betreft vrijheid, volgens deze analogie, wordt het niet groter door het te verspillen of uit te geven, maar het wordt ons gegeven als een talent om mee te handelen tot de komst van Christus. Bij deze handel doen we afstand van wat van ons is, alleen om het met rente terug te krijgen. We vernietigen het niet en gooien het niet weg. We wijden het aan een doel, en deze toewijding maakt ons vrijer dan we daarvoor waren.”

 

Thomas Merton, Niemand is een eiland

Bron : https://www.chuckdegroat.net/chuck-degroat-blog/2012/01/20/thomas-merton-on-freedom

Thomas Merton : Het is waar, de vrijheid van mijn wil is een groot goed. Maar deze vrijheid is geen absolute zelfvoorziening……

PERFECTION

(Dit is een samenvatting van bovenstaand artikel)

Het is waar, de vrijheid van mijn wil is een groot goed. Maar deze vrijheid is geen absolute zelfvoorziening. Als de essentie van vrijheid slechts het maken van keuzes zou zijn, dan zou alleen al het maken van keuzes onze vrijheid vervolmaken….. Ik vind in mezelf niet de kracht om gelukkig te zijn door alleen maar te doen wat ik wil. Integendeel, als ik niets doe behalve wat mijn eigen fantasie behaagt, zal ik bijna de hele tijd ongelukkig zijn….. Mijn vrije wil consolideert en perfectioneert zijn eigen autonomie door zijn actie vrijelijk te coördineren met de wil van een ander. Er is iets in de aard van mijn vrijheid dat me ertoe aanzet lief te hebben, goed te doen, mezelf aan anderen toe te wijden. Ik heb een instinct dat me vertelt dat ik minder vrij ben als ik alleen voor mezelf leef….. er is maar één wil in wiens dienst ik perfectie en vrijheid kan vinden. Mijn vrijheid blindelings geven aan een wezen dat gelijk of inferieur is aan mijzelf is mijzelf degraderen en mijn vrijheid weggooien. Blindelings mijn vrijheid geven aan een wezen gelijk aan of inferieur aan mezelf is mezelf onteren en mijn vrijheid weggooien. Ik kan alleen vrij zijn door de wil van God te dienen. Als ik in feite andere mensen gehoorzaam en dien, dan doe ik dat niet omwille van hen alleen, maar omdat hun wil het sacrament is van de wil van God. Gehoorzaamheid aan mensen heeft geen betekenis tenzij het in de eerste plaats gehoorzaamheid aan God is.

Thomas Merton (Trappist)

Kahlil Gibran : Over vreugde en verdriet….

GIBA

Kahlil Gibran, auteur van De Profeet

geboren op

 6 januari 1883 in Bsharri, Libanon

Over vreugde en verdriet

Kalhil Gibran (Uit ‘De Profeet’)

 

Toen zei een vrouw: Vertel ons over vreugde en verdriet.

En hij antwoordde:

Jouw vreugde is jouw ontmaskerde verdriet.

En dezelfde bron waaruit jouw lach opwelt, werd vaak gevuld met jouw tranen.

En hoe kan het ook anders?

Hoe dieper het verdriet in je wezen dringt, hoe meer vreugde je kunt bevatten.

Is de beker waarin uw wijn zit niet dezelfde beker die in de oven van de pottenbakker is gebakken?

En is de luit die uw geest kalmeert niet hetzelfde hout dat met messen werd uitgehold?

Wanneer u blij bent, kijk dan diep in uw hart en u zult ontdekken dat alleen datgene wat u verdriet bezorgde, u nu vreugde geeft.

Wanneer u verdrietig bent, kijk dan nog eens in uw hart en u zult zien dat u werkelijk huilt om datgene waar u vreugde in had.

Sommigen van jullie zeggen: “Vreugde is groter dan verdriet,” en anderen zeggen: “Nee, verdriet is groter.”

Maar Ik zeg u: ze zijn onafscheidelijk.

Samen komen ze, en als de een alleen met jou aan boord zit, bedenk dan dat de ander op jouw bed slaapt.

Waarlijk, jullie hangen als een weegschaal tussen jullie verdriet en jullie vreugde.

Alleen als je leeg bent, sta je stil en ben je in evenwicht.

Wanneer de schatbewaarder u optilt om zijn goud en zilver te wegen, moet uw vreugde of verdriet stijgen of dalen.

 

Dit gedicht is in het publieke domein. Gepubliceerd in Poem-a-Day op 10 februari 2019, door de Academy of American Poets.

St.Simeon de Nieuwe theoloog [949-1022] : Het is goed om in Christus te geloven, want zonder geloof in Christus is het voor niemand mogelijk om gered te worden…..

KINGDOM

“Het is goed om in Christus te geloven, want zonder geloof in Christus is het voor niemand mogelijk om gered te worden. Men moet ook onderwezen worden in het woord van de waarheid en het begrijpen en de essentie ervan begrijpen. Maar men moet ook het Doopsel ontvangen in de naam van de Heilige en Levengevende Drie-eenheid, om de ziel tot leven te brengen.

Het is goed om de Doop te ontvangen en daardoor een nieuw geestelijk leven te krijgen. Maar het is noodzakelijk dat dit mystieke leven, of deze geestelijke verlichting in de geest, ook bewust wordt gevoeld.

Het is goed om de mentale verlichting in de geest te ontvangen met gevoel; maar men moet ook de werken van het licht manifesteren.

Het is goed om de werken van het licht te doen, maar men moet zich ook kleden in de nederigheid en zachtmoedigheid van Christus, om volmaakt op Christus te lijken.

Hij die dit bereikt en zachtmoedig en nederig van hart wordt, alsof dit zijn natuurlijke gesteldheid is, zal ongetwijfeld het Koninkrijk der Hemelen en de vreugde van Zijn Heer binnengaan.”

Sint Symeon de Nieuwe Theoloog

 

St Symeon de Nieuwe Theoloog : Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij….

GIVEN

“Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!” – Lukas 18:39

 

‘Mijn vriend, je hebt geleerd dat het Koninkrijk der Hemelen in jou is, als je dat wilt, en dat elke zegen van de eeuwigheid in je handen ligt. Haast u dus om deze zegeningen die voor u zijn opgeslagen te zien, te grijpen en te winnen… Roep tot God; buig je voor Hem neer.

Net als de blinde uit de oudheid zou ook jij moeten zeggen: “Heb medelijden met mij, Zoon van God, en open de ogen van mijn ziel, opdat ik dat Licht van de wereld mag zien dat U bent, o mijn God, en evenzo een kind van dat goddelijke licht mag worden. O goede en edelmoedige, zend de Heilige Geest, de Trooster, ja, op mij om mij alles te leren over U, alles over wat van U is, God van het universum. Woon ook in mij, zoals Gij hebt gezegd, opdat ik op mijn beurt waardig zou worden om in U te wonen. Laat mij weten hoe ik in U kan binnengaan en weet dat ik U in mij bezit. O Gij, Onzichtbare, verwaardigt mij gestalte te krijgen, opdat ik, bij het zien van Uw ontoegankelijke Schoonheid, Uw beeld mag dragen, o U die in de hemelen woont en ik alle zichtbare dingen mag vergeten. Verleen mij de glorie die de Vader U heeft gegeven, o barmhartige, opdat ik, gelijkend op U zoals al Uw dienaren, door genade mag delen in Uw Goddelijk Leven en voortdurend bij U mag blijven, nu en altijd, tot in alle eeuwigheid!”

– De heilige Simeon de nieuwe theoloog (949-1022), Griekse monnik (Ethica 5).

Heilige Justinus : We kunnen zien dat de almachtige God zachtmoedig en barmhartig is…..

HACE

De volheid van het geloof..

 “We kunnen zien dat de almachtige God zachtmoedig en barmhartig is, hij laat de zon schijnen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, en laat het regenen over de heiligen en de goddelozen”

(Dialoog met Trypho 96). De heilige Justinus de Martelaar

Thomas Merton : Mijn God, ik heb geen idee waar ik heenga….

e1afcc2a02249d6d64b854c67c86130c
KRIST123

3b3aef3db7777f27259efd78e921758c

Mijn Heer God,

ik heb geen idee waar ik heen ga.

Ik zie de weg voor me niet.

Ik kan niet zeker weten waar hij zal eindigen.

Ik ken mezelf ook niet echt,

en het feit dat ik denk dat ik uw wil volg,

betekent niet dat ik dat ook daadwerkelijk doe.

Maar ik geloof dat het verlangen om u te behagen

u in feite behaagt.

En ik hoop dat ik dat verlangen heb in alles wat ik doe.

Ik hoop dat ik nooit iets zal doen zonder dat verlangen.

En ik weet dat als ik dit doe, U mij op de juiste weg zult leiden,

al weet ik er niets van.

Daarom zal ik altijd op u vertrouwen, al

lijk ik verloren en in de schaduw van de dood.

Ik zal niet bang zijn, want U bent altijd bij mij

en U zult mij nooit alleen laten in de gevaren die ik onder ogen moet zien.

 

“Het Merton-gebed” uit Gedachten in eenzaamheid

 

Maximus de Confessor: Een zekere garantie om met hoop uit te zien naar de vergoddelijking van de menselijke natuur….

NATURE

“Een zekere garantie om met hoop uit te zien naar de vergoddelijking van de menselijke natuur wordt verschaft door de incarnatie van God, die de mens tot god maakt in dezelfde mate als God zelf mens werd. Want het is duidelijk dat hij die mens werd zonder zonde (Hebreeën 4:15) de menselijke natuur zal vergoddelijken zonder deze te veranderen in de goddelijke natuur, en deze zal verheffen omwille van zichzelf in dezelfde mate als hij zichzelf verlaagd heeft omwille van de mens.”

 De mensheid moet niet God worden, maar de menselijke natuur moet verlost worden in de richting van de goddelijke natuur, de natuur die mensen altijd bedoeld waren te dragen door van nature geschapen te zijn naar de gelijkenis van God. Opnieuw is het gemeenschappelijke refrein van de vroege kerkelijke auteurs van toepassing: “God werd mens, zodat de mens als God zou worden.”

St.Ephrem de Syriër : Vastengebed en verhandeling over de liefde…..

efrem10

Vastengebed en verhandeling over de liefde

O Heer en Meester van mijn leven!
Neem van mij weg de geest van luiheid,
kleinmoedigheid, machtswellust en ijdel gepraat.

Maar schenk aan Uw dienaar liever de geest van kuisheid, nederigheid, geduld en liefde.

Ja, Heer en Koning! Geef mij mijn eigen fouten te zien en mijn broeder niet te oordelen, want Gij
zijt gezegend tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Verhandeling “Over de liefde” door St. Ephrem (+373):

Daarom, mijn geliefde broeders, laten wij niets verkiezen, laten wij niet haasten om iets meer te verkrijgen dan de liefde. Laat niemand iets tegen iemand hebben, laat niemand kwaad met kwaad vergelden. Laat de zon niet ondergaan over uw toorn, maar laten wij onze schuldenaren alles vergeven en laten wij de liefde verwelkomen, want de liefde bedekt een menigte van zonden.

Want wat voor voordeel is er, mijn kinderen, als iemand alles heeft, maar geen liefde heeft die redt? Want net zoals iemand een groot diner zou maken om de koning en de heersers uit te nodigen, en alles weelderig zou bereiden, zodat er niets zou ontbreken, maar geen zout zou hebben, zou iemand dat diner kunnen eten? Zeker niet. Maar hij zou alles wat hij had uitgegeven hebben verloren en al zijn harde werk verspild hebben, en spot over zichzelf hebben gebracht van degenen die hij had uitgenodigd. Zo is het in het huidige geval. Want wat voor voordeel is er in het zwoegen tegen de wind, zonder liefde? Want zonder liefde is elke daad, elke handeling onrein. Zelfs als iemand volledige kuisheid heeft bereikt, of vast, of waakt; of hij nu bidt of banketten geeft voor de armen; zelfs als hij eraan denkt om geschenken, of eerstelingen, of offerande aan te bieden; of hij nu kerken bouwt, of iets anders doet, zonder liefde zullen al die dingen door God als niets worden beschouwd. Want de Heer heeft er geen behagen in. Luister naar de apostel als hij zegt: ‘Als ik spreek met de tongen van engelen en mensen; als ik profetie heb en alle geheimen ken, en volledige kennis heb, zodat ik bergen kan verzetten, maar geen liefde heb, win ik niets’. Want iemand die vijandschap heeft tegen zijn broeder en denkt dat hij iets aan God offert, zal zijn alsof hij een hond offert, en zijn offer zal worden gerekend als het loon van prostitutie.

Dietrich Bonhoeffer : Verzet en overgave en over de God stoplap….

traditional-tile-murals

Dietrich

BONHOEFFER

(1906-1945)

“Bonhoeffer is de enige grote twintigste eeuwse Duitse theoloog, die men in deeenentwintigste eeuw nog de moeite van hetlezen waard zal vinden”

Dorothee Sölle

 

BON1
  1. BIOGRAFISCHE GEGEVENS1

Op 6 april 1945 stierf Dietrich Bonhoeffer in het concentratiekamp van Flossenbürg. Twee

jaar lang zat hij gevangen, de laatste zes maanden in de gevangenis van de Gestapo in Berlijn. De kamparts die de executie meemaakte, zonder te weten wie Bonhoeffer was, schreef tien jaar later: “Op de morgen van de bedoelde dag, ongeveer tussen vijf en zes, werden de gevangenen uit hun cellen gehaald en werd hun het standrechterlijk vonnis voorgelezen. Door de halfopen deur van een kamer in de barakken zag ik, voordat hij zijn gevangeniskleding uittrok, pastor Bonhoeffer neergeknield in innig gebed met zijn God. De manier van bidden, zo vol overgave en zo zeker van verhoring, van deze buitengewoon sympathieke man heeft me zeer diep aangegrepen. Ook op de terrechtstellingsplaats zelf verrichtte hij nog een kort gebed en beklom toen moedig en kalm de trap naar de galg. De dood volgde na een paar seconden. Ik heb in mijn vijftig jaren als dokter zelden een man zo vol overgave aan God zien sterven.” Er is geen graf van hem bewaard. Alleen hangt op de muur van de kerk van Flossenbürg een gedenkplaat waarop geschreven staat: ‘Dietrich

Bonhoeffer, getuige van Jezus Christus’.

 1.1. Van theoloog wordt Bonhoeffer een christen

Bonhoeffer werd te Breslau geboren op 6 februari 1906. Hij is afkomstig uit de hoge burgerij en van lutherse huize. Zijn vader is hoogleraar psychiatrie in Berlijn. Het gezin is gelovig maar niet erg praktizerend. Het geloof is geen echte persoonlijke keuze. Het behoort nu eenmaal tot de westerse beschaving. Een soort ‘cultuurchristendom’. Geen belijdend christendom, eerder vrijblijvend. Toch gaat hij theologie studeren, aanvankelijk met de bedoeling een academische carrière op te bouwen. Maar stilaan ontdekt hij hoezeer het evangelie hem persoonlijk begint te raken. Het wordt alsmaar minder vrijblijvend. Alsmaar concreter. Van theoloog wordt hij christen. In een brief van 1936 lezen we: “Toen kwam iets anders, iets dat mijn leven tot hiertoe veranderd en een andere richting gegeven heeft. Ik kwam voor het eerst in contact met de bijbel. Ik had al dikwijls gepreekt, ik had al veel van de kerk gezien, erover gesproken, – en toch was ik nog steeds geen christen geworden. Ik weet het, ik heb uit de zaak van Jezus Christus profijt voor mezelf getrokken. Ik smeek God dat dit nooit meer mag gebeuren. Ik had ook nog nooit of maar heel weinig gebeden. Ik was bij al mijn verlatenheid heel tevreden over mezelf. Daaruit heeft de bijbel mij bevrijd, en vooral de bergrede. Van toen af is alles anders geworden.”

 

1.2. Het nazisme, de kerk en de Ariërparagraaf

Op 30 januari 1933 wordt Hitler rijkskanselier van Duitsland. Het betekent een enorme verandering, ook voor de kerk, zowel de protestantse als de katholieke. Wel zegt Hitler in een redevoering op 23 maart van dat jaar : “De nationale regering ziet in de beide christelijke confessies de belangrijkste factoren voor het behoud van onze volksaard.” Op het eerste gezicht goed nieuws voor de kerken, maar feitelijk komt het hierop neer: ofwel een kerk die zich schaart achter het nationaal-socialisme ofwel geen kerk. De invoering van de Ariërparagraaf liegt er niet om: wie geen ariër is of met een niet-ariër is gehuwd, kan geen officieel ambt bekleden. Deze paragraaf geldt ook voor kerkelijke ambtsdragers. Door de invoering van deze paragraaf is Bonhoeffer van meetaf aan overtuigd van de radicale perversiteit van dat regime, ook al zal hij slechts geleidelijk zien waartoe het wérkelijk in staat is.

 

1.3. Bonhoeffer en de ‘Belijdende kerk’

Een gedeelte van de protestantse kerk schaart zich min of meer achter het nieuwe regime met zijn nieuwe orde. De enige manier om de staatsbezoldiging van predikanten en andere privileges te behouden. Maar er zijn er ook die weigeren en in het verzet gaan. Ze groeperen zich onder de naam ‘Belijdende Kerk’ (‘Bekennende Kirche’). Het is aan deze kerk dat Bonhoeffer zijn beste krachten zal wijden. Hij wordt er in 1935 verantwoordelijk voor de predikantenopleiding. Geen gemakkelijke taak, noch voor de rector, noch voor de studenten. Men gaat een onzekere toekomst tegemoet zonder privileges. Maar het zijn wel allemaal mensen die voor deze situatie kiezen. De opleiding behelst daarom ook méér dan alleen maar theologie. De toekomstige predikanten moeten niet alleen het geloof kennen; ze moeten allereerst christenen zijn. Wie is Christus voor ons nu? Wat is de kerk? Wat is een christen? Dat zijn de vragen waarrond alles draait. Het is in het seminarie van Finkenwalde

dat het boek ‘Navolging’ 2 ontstaat als antwoord op die vragen. Vanuit een lezing van de Bergrede gaat het boek over de vraag wat het concreet betekent christen te zijn in de jaren dertig in Duitsland.

Bonhoeffer is het niet altijd eens geweest met de standpunten van de Belijdende Kerk. Het sierde haar natuurlijk dat ze ook neen durfde zeggen tegen het regime. Maar was het werkelijk uit protest tegen de onmenselijkheid en perversiteit ervan of was het alleen uitprotest tegen onwettige inmenging van de staat in kerkelijke aangelegenheden? Was het echt om de joden te verdedigen of alleen maar uit zelfbehoud? Bonhoeffer vond dat ze in haar protest niet altijd waarachtig was. Hij had verder willen gaan. “Alleen wie het opneemt voor de joden heeft het recht Gregoriaans te zingen.”

1.4. De weigering van de vlucht

Vanaf 1938 wordt alles alsmaar duidelijker. Op 9 november is er de Kristallnacht. Op 20 april eist de Evangelische Kerk van haar ambtsdragers de eed van trouw aan de Führer. De Belijdende Kerk heeft de moed niet openlijk te weigeren. Dat jaar brengt voor Bonhoeffer nog een complicatie: de lichting 1906 zal onder de wapens geroepen worden. Voor hem is de dienst opnemen onder dat regime onmogelijk. Liever dan te provoceren, zoekt hij een andere oplossing. Langs bemiddeling van vrienden wordt hij uitgenodigd om gastcolleges te geven

in Amerika. Op 2 juni 1939 scheept hij in. Wat tijdens de reis een vermoeden is, wordt eenmaal in Amerika aangekomen een zekerheid. Op 20 juni besluit hij terug te keren. Een beslissing die hem uiteindelijk het leven zal kosten.

1.5 Aandeel in het verzet

Vanaf 1938 wordt alles alsmaar duidelijker. Op 9 november is er de Kristallnacht. Op 20 april eist de Evangelische Kerk van haar ambtsdragers de eed van trouw aan de Führer. De Belijdende Kerk heeft de moed niet openlijk te weigeren. Dat jaar brengt voor Bonhoeffer nog een complicatie: de lichting 1906 zal onder de wapens geroepen worden. Voor hem is de dienst opnemen onder dat regime onmogelijk. Liever dan te provoceren, zoekt hij een andere oplossing. Langs bemiddeling van vrienden wordt hij uitgenodigd om gastcolleges te geven

in Amerika. Op 2 juni 1939 scheept hij in. Wat tijdens de reis een vermoeden is, wordt eenmaal in Amerika aangekomen een zekerheid. Op 20 juni besluit hij terug te keren. Een beslissing die hem uiteindelijk het leven zal kosten.

 

1.6 ‘Verzet en overgave’

In de gevangenis schrijft Bonhoeffer brieven naar zijn ouders en naar zijn vriend Eberhard Betghe (1909-2000). Betghe was lid van de Belijdende Kerk en student bij Bonhoeffer in het predikantenseminarie. Hij huwde met Renate Schleicher, de dochter van Bonhoeffers zus. Na de oorlog heeft hij de brieven vezameld en uitgegeven onder de titel ‘Verzet en overgave’3 . Het is een pakkend menselijk document en het bevat aanzetten van echt visionaire theologische reflectie. Met deze gedachten inspireerde Bonhoeffer in de zestiger jaren heel wat moderne theologen.

  1. GEEN GOD-STOPLAP

In de gevangenisbrieven en vooral vanaf de brief van 30 april 1944 ontwikkelt Bonhoeffer nieuwe theologische gedachten. Samengevat gaat het hem om een ‘niet-religieuze interpretatie van de bijbelse begrippen in een mondige wereld’. Kort gezegd komt het hierop neer: Bonhoeffer gaat ervan uit dat de wereld, op alle terreinen, niet meer ‘religieus’ is, maar mondig en autonoom. Deze autonome wereld heeft de werkhypothese ‘God’ niet meer nodig. In zijn deelname aan het verzet tegen Hitler heeft Bonhoeffer concrete menselijke solidariteit beleefd, ook met niet-christenen. En dit in tegenstelling tot zijn ervaringen in de Bekennende Kirche, in wie hij gaandeweg ontgoocheld was geraakt omdat zij alleen gestreden had uit zelfbehoud. Deze ervaringen en zijn ervaringen in de gevangenis hebben zijn denken grondig beïnvloed.

 

2.1 Brieven uit de gevangenis

De brief van 30 april 19444

“Beste Eberhard,

Weer een maand voorbij; gaat de tijd voor jou ook zo razend snel? Ik sta er vaak verwonderd over. Wanneer komt de maand, dat wij twee elkaar weer ontmoeten? Het is of er iedere dag iets geweldigs kan gebeuren, iets dat de wereld en ons persoonlijk leven kan veranderen. Dat voel ik zo sterk dat ik je graag vaker zou willen schrijven. Je weet immers niet hoe lang het nog kan en vooral, je wilt zolang en zoveel mogelijk delen met een ander. Eigenlijk ben ik er vast van overtuigd dat de beslissende slag op alle fronten al begonnen zal zijn, als je deze brief ontvangt. Deze weken zullen een grote innerlijke kracht van ons vragen en ik wens je toe dat je die op kunt brengen (…)

Voor jou is het nog moeilijker dan voor mij. Jij moet dit alles meemaken gescheiden van Renate en je kind. Daarom zal ik heel speciaal aan je denken en dat doe ik nu al. Wat zou het goed zijn als we deze tijd samen konden beleven en elkaar konden helpen. Maar het zal wel ‘beter’ zijn dat het niet zo is, dat we alleen deze tijd moeten doorkomen. Het valt me zwaar dat ik je op het ogenblik in niets kan helpen. Ik denk alleen aan je, iedere morgen en avond en bij de bijbellezing en nog dikwijls overdag. Je hoeft me over mij echt geen zorgen te maken ; ik maak het abnormaal goed, je zou verbaasd staan als je me kwam opzoeken. De mensen hier zeggen me telkens – en je merkt hoe het me vleit – dat er ‘zo’n rust van me uitgaat’, dat ik ‘altijd zo opgewekt ben’. Mijn eigen tegengestelde ervaringen moeten dus wel op een vergissing berusten (wat ik overigens niet echt geloof!). Hoogstens zou je verbaasd zijn over mijn theologische opvattingen en hun consequenties en wat dat betreft mis ik je erg, want ik zou niet weten met wie, buiten jou, ik zou kunnen praten om tot helder inzicht te komen. Ik kom niet los van de vraag, wat het christendom of wie Christus op dit ogenblik voor ons eigenlijk is. De tijd dat je de mensen alles kon zeggen met woorden – theologische of vrome woorden – is voorbij. Wij gaan een tijd zonder enige religie tegemoet. De mens, zoals hij op dit ogenblik is, kan eenvoudig niet langer religieus zijn. Ook degenen die eerlijk van zichzelf zeggen dat ze ‘religieus’ zijn, maken dit absoluut niet waar in hun leven ; waarschijnlijk bedoelen ze met ‘religieus’ iets heel anders. (…) Religieuze mensen spreken over God zodra hun menselijke kennis hen in de steek laat (vaak ten gevolge van denk-luiheid) of zodra menselijke krachten te kort schieten. Het is eigenlijk altijd weer de deus ex machina, die ze laten opdraven als schijnoplossing voor onoplosbare problemen, of als kracht wanneer de mens tekort schiet. Steeds weer wordt er geprofiteerd van menselijke zwakheid, steeds weer wordt er geopereerd aan de grenzen van het menselijke. Dit kan uiteraard maar standhouden, totdat de mens met eigen kracht de grenzen nog verder terugdringt en God als deus ex machina overbodig wordt. Dit praten over grenzen is voor mij een zeer bedenkelijke zaak geworden (is zelfs de dood nog een echte grens? – de mensen zijn er nauwelijks meer bang voor – en de zonde – de mensen weten nauwelijks nog wat het is). Ik heb altijd de indruk dat we hiermee angstig ruimte uitsparen voor God. Ik zou van God willen spreken, niet aan de grenzen maar in het centrum, niet bij zwakheid maar bij kracht, dus niet bij dood en schuld maar bij het leven en het goede van de mens. Aan de grenzen lijkt het mij beter te zwijgen en het onoplosbare onopgelost te laten. Geloof in de opstanding is geen oplossing van het probleem dood. Wat voor ons kenvermogen onbereikbaar is, is iets anders dan de onbereikbaarheid van God. De transcendentie van de kenleer heeft niets te maken met de transcendentie van God. Midden in het leven is God transcendent. De kerk staat niet daar waar menselijk kunnen ophoudt, niet aan de grenzen maar midden in het dorp. Dat is de geest van het Oude Testament en in deze zin lezen wij het Nieuwe Testament nog veel te weinig vanuit het Oude. Hoe ziet dit religieloze christendom eruit, welke vormen gaat het aannemen : dat zijn vragen waarover ik op dit ogenblik veel nadenk. Ik schrijf er spoedig meer over. (…) Nu moet ik werkelijk sluiten. Wat zou het prachtig zijn, als ik van jou hierover eens iets mocht horen. Datzou werkelijk zeer veel voor me betekenen, meer wellicht dan jij denken kunt. (…)

Het beste, met alles!

De hartelijkste groeten, je Dietrich”

Uit een brief van 29 mei 19445

“…Het boek van Weizsäcker over het wereldbeeld van de fysica houdt me nog erg bezig. Het is me weer eens duidelijk geworden dat we God niet mogen gebruiken om de lacunes in onze kennis aan te vullen, want dan wordt God teruggedrongen naarmate de wetenschap vooruitgaat en die vooruitgang is niet te stuiten. Dan is God constant op de terugtocht. In wat we kennen moeten we God vinden, niet in wat we niet kennen. God wil begrepen worden in de opgeloste, niet in de open vragen? Dit geldt voor de verhouding God-wetenschap. Maar evengoed voor de algemeen menselijke vragen van dood, lijden en schuld. We hebben op het ogenblik menselijke antwoorden op deze vragen, we hoeven niet terug te vallen op God. Ook zonder God komen de mensen klaar met deze vragen en dit is altijd zo geweest. Het is eenvoudig niet waar dat alleen het christendom hier een oplossing heeft. De christelijke antwoorden zijn niet meer of minder overtuigend dan eventuele andere oplossingen. Ook hier is God geen stoplap. Hij moet erkend worden midden in het leven en niet pas aan de grenzen van ons kennen, als we sterk en gezond zijn en niet pas als we lijden, als we handelen en niet pas als we zondigen. Dit is gefundeerd op Gods openbaring in Jezus Christus. Hij is het centrum van het leven en kwam beslist niet om vragen te beantwoorden. Gezien vanuit het centrum vallen bepaalde vragen eenvoudig weg en ook het antwoord op die vragen (ik denk aan het oordeel over Jobs vrienden). In Christuszijn geen ‘christelijke problemen’. Genoeg hierover; ik werd juist weer eens gestoord.”

 

Uit een brief van 16 juli 19446

“… We kunnen niet redelijk zijn, als we niet erkennen dat we in de wereld moeten leven, ‘etsi deus non daretur’. En dat erkennen wij voor God! God zelf dwingt ons dit te erkennen. Zo brengt onze mondigheid ons tot de waarachtige kennis van onze situatie tegenover God. God doet ons weten dat wij moeten leven als diegenen, die hun leven inrichten zonder God. De God, die met ons is, is de God die ons verlaat (Mc 15,347) ! De God die ons in de wereld doet leven zonder de werkhypothese God, is de God voor wiens aanschijn wij staan. Voor en met God leven wij zonder God. God laat zich uit de wereld terugdringen tot op het kruis, God is zwak en machteloos in de wereld en juist zo en alleen zo is Hij met ons en helpt Hij ons. In Mt 8,178 staat overduidelijk dat Christus ons niet helpt krachtens zijn almacht, maar krachtens zijn zwakheid, zijn lijden! Hier ligt het wezenlijke verschil met alle religies. Het religieuze in de mens verwijst hem in zijn nood naar Gods macht in de wereld, God is de deus ex machina. De bijbel verwijst de mens naar Gods onmacht en lijden; alleen de lijdende God kan helpen. In zoverre kan men zeggen dat de geschetste ontwikkeling tot mondigheid, die afrekent met een verkeerde voorstelling van God, de blik vrijmaakt voor de God van de bijbel, die door zijn machteloosheid in de wereld macht en ruimte krijgt.”

Brief van 21 juli 19449

“Beste Eberhard,

Vandaag alleen een korte groet. Ik denk dat je in gedachten zo vaak hier bij ons bent, dat ieder levensteken welkom is, ook al komt er een keer geen theologie in voor. De theologische gedachten houden me constant bezig, maar soms komen er ook uren dat je eenvoudig leeft en gelooft zonder te reflecteren. (…) Ik heb de laatste jaren steeds meer de diepe aardsheid van het christendom leren doorgronden. De christen is geen homo religiosus maar gewoon een mens, zoals Jezus mens was. Niet de vlakke, banale aardsheid van rationalisten, bedrijvigen, gemakzuchtigen of wellustelingen maar de diepe, gedisciplineerde aardsheid, doortrokken van het besef van dood en opstanding. (…) Ik moet denken aan een gesprek met een jonge Franse predikant, dertien jaar geleden inAmerika. We hadden ons eenvoudig de vraag gesteld wat we eigenlijk wilden met ons leven. Hij zei: ik zou een heilige willen worden (en ik acht het niet onmogelijk dat hij het geworden is). Dat maakte indruk op me. Toch kwam ik met een andere mening en zei ongeveer: ik zou willen leren geloven. Lange tijd heb ik niet beseft hoe diep deze tegenstelling is. Mijn ‘Navolging’ schreef ik als afsluiting van die periode. Ik zie op dit ogenblik duidelijk de gevaren van dat boek, maar blijf er desondanks achterstaan. Later heb ik ervaren en ik ervaar het tot op dit moment, dat je pas leert geloven als je midden in de aardsheid van dit leven staat; (…) als je aards leeft, dus met alle taken en problemen, successen en mislukkingen, met alle ervaringen en twijfels; want dan geef je je helemaal over aan God, dan neem je niet meer je eigen lijden, maar Gods lijden in de wereld au sérieux, dan waak je met Christus in Ghetsemane. Dat is, meen ik, geloof ik, dat is ‘metanoia’; zo word je een mens, een christen. Hoe zou je bij successen overmoedig of bij mislukkingen wanhopig kunnen worden als je in het aardse leven het lijden van God mee lijdt? Jij begrijpt wat ik bedoel, al zeg ik het kort. Ik ben dankbaar dat ik dit heb mogen inzien en ik weet dat ik tot dit inzicht alleen kon komen langs de weg die ik in feite gegaan ben. Daarom ben ik dankbaar aan het verleden en het heden. Je verwondert je misschien over zo’n persoonlijke brief. Maar als ik zoiets wil uitspreken, wieheb ik dan behalve jou? Misschien komt het nog eens zo ver, dat ik er ook met Maria10 overkan praten; dat hoop ik. Maar nu kan ik haar er nog niet mee belasten. (…)

Het beste, blijf gezond en verlies niet de hoop dat wij elkaar spoedig zullen terugzien. Ik denk

steeds aan je in dankbaarheid en trouw.

Je Dietrich”

2.2 Interpretatie11

2.2.1. Niet-religieuze interpretatie van het christendom in een mondig geworden wereld

Om deze gedachten van Bonhoeffer goed te begrijpen moet men rekening houden met de omstandigheden waarin ze zijn ontstaan: het gaat om brieven aan een vriend, niet om een wetenschappelijk werk bestemd om gepubliceerd te worden. Bonhoeffer speelde trouwens met de idee om na zijn gevangenschap een nieuw wetenschappelijk werk te schrijven over wat het betekent christen te zijn in een mondig geworden wereld. Die studie is er helaas nietgekomen

Mondigheid’ betekent bij Bonhoeffer autonomie: de wereld staat niet meer onder de ‘voogdij’ van God. De mondige wereld is een wereld die van oordeel is dat hij zich wat ,zijn lot en bestemming betreft, niet hoeft te verlaten op iemand anders en die in feite ook steeds beter greep krijgt op de ‘geheimen van de natuur’. De mondige mens heeft geleerd om in alle belangrijke vragen met zichzelf klaar te komen, zonder de werkhypothese ‘God’ ter hulp te roepen. Deze autonomie heeft niet alleen betrekking op de wetenschappelijke en technische vragen en problemen, maar ook op de grote levensvragen van de mens.

Lees verder “Dietrich Bonhoeffer : Verzet en overgave en over de God stoplap….”

Dietrich Bonhoeffer :Men is verontrust over het feit dat redelijke mensen noch de diepte van het kwaad…..

BLIND8

Men is verontrust over het feit dat redelijke mensen noch de diepte van het kwaad, noch de diepte van het heilige kunnen bevatten…. Ze zijn zo blind in hun verlangen om recht te doen aan beide kanten dat ze klem komen te zitten tussen de twee classificerende krachten en uiteindelijk niets bereiken……Het nieuws dat God mens is geworden treft het hart van een tijdperk waarin de goeden en de slechten ofwel minachting voor de mens ofwel de verafgoding van de mens als de hoogst bereikbare wijsheid beschouwen.

Dietrich Bonhoeffer

st.Cyprianus van Carthago : God is één en Christus één en Zijn Kerk één en het Geloof één en het volk één, allen samengevoegd door de band van eendracht tot een solide eenheid van lichaam….

LOSES

“God is één en Christus één en Zijn Kerk één en het Geloof één en het volk één, allen samengevoegd door de band van eendracht tot een solide eenheid van lichaam. De eenheid kan niet uit elkaar worden gescheurd, noch kan het ene lichaam worden gescheiden door een verdeling van zijn structuur, noch in stukken worden gescheurd door het scheuren van zijn ingewanden. Wie zich verwijdert van de wortel van het ouderlijk lichaam zal niet in staat zijn om gescheiden te ademen en te leven. Door te verlaten verliest men de substantie van gezondheid.”

Sint Cyprianus van Carthago

De eenheid van de Kerk

St Basilius : De aarde is van de Heer en alles wat erop leeft……

EARTH

De aarde is van de Heer en alles wat erop leeft.

God, vergroot in ons het gevoel van verbondenheid met alle levende wezens, onze kleine broeders, aan wie U deze aarde als hun gemeenschappelijk thuis hebt gegeven.

Laten we beseffen dat zij niet alleen voor ons leven, maar voor zichzelf en voor U, en dat zij de zoetheid van het leven liefhebben, net als wij, en dat zij U beter dienen in hun plaats dan wij in de onze.

Amen

Julian of Norwich : Wees een tuinier, graaf een greppel……

WATER9

Wees een tuinier.

Graaf een greppel,

zwoeg en zweet

en keer de aarde om

en zoek de diepte

en geef de planten op tijd water.

Zet deze arbeid voort

en laat zoete overstromingen stromen

en edele en overvloedige vruchten

ontkiemen.

Neem dit voedsel en deze drank

en draag het naar God

als uw ware aanbidding.

Julian of Norwich

St.Gregorius van Nazianze : “God aanvaardt onze verlangens alsof ze van grote waarde zijn……

FRIVOLOUS

“God aanvaardt onze verlangens alsof ze van grote waarde zijn. Hij verlangt er vurig naar dat wij Hem begeren en liefhebben. Hij aanvaardt onze verzoeken om voordelen alsof wij Hem een ​​gunst bewijzen. Zijn vreugde in het geven is groter dan de onze in het ontvangen. Laten wij dus niet apathisch zijn in ons vragen, noch te nauwe grenzen stellen aan onze verzoeken; noch om frivole dingen vragen die Gods grootheid niet waardig zijn”. – Sint Gregorius van Nazianze

St. Gregorius van Nazianze [ geboren 329]

Joys Killer : Bomen… (gedicht)

TREES1

Bomen

Door Joyce Kilmer

BOOM

Ik denk dat ik het nooit zal zien

Een gedicht, mooi als een boom.

 Een boom wiens hongerige mond wordt gevuld

Tegen de zoete vloeiende borst van de aarde;

Een boom die de hele dag naar God kijkt,

En heft haar bladerrijke armen op om te bidden;

Een boom die in de zomer kan dragen

Een nest roodborstjes in haar haar;

Op wiens boezem sneeuw heeft gelegen;

Die nauw met regen leeft.

Gedichten worden gemaakt door dwazen zoals ik,

Maar alleen God kan een boom maken.

KILLER

BOOM

BLOWING

“Jezus is daar, slapend als in vroegere dagen, in de boot van de vissers van Galilea. Hij slaapt… en je ziet Hem niet, want de nacht is gevallen op de boot… Je hoort de stem van Jezus niet. De wind waait… je hoort het; je ziet duisternis… en Jezus slaapt altijd. Maar als Hij maar even wakker zou worden, zou Hij alleen maar de wind en de zee hoeven te bevelen, en er zou een grote stilte zijn… en je ziel zou getroost worden.

Maar Jezus zou ook niet meer slapen, en Hij is zo moe! De apostelen gaven Hem geen kussen. Het Evangelie geeft ons dit detail. Maar in het kleine bootje van Zijn geliefde echtgenote vindt de Heer een ander kussen, veel zachter, jouw hart. Daar vergeet Hij alles, Hij is thuis. Het is geen steen die Zijn goddelijk hoofd ondersteunt, het is het hart van een kind, het hart van een echtgenote. Oh, hoe gelukkig is Jezus!”

Heilige Theresia van het Kind Jezus van het Heilig Aanschijn

TERESA100