***********
“Ontvang een kind”
Ons hart zou zich steeds moeten afvragen: “Wat nog meer, Heer? Wat verlangt U van mij? Wat ontbreekt er nog? Toon mij alles wat verhindert dat uw liefde zich ten volle in mij kan ontvouwen. Toon het mij. Help mij te zien wat U mij toont. Help mij het antwoord te horen op de vraag: ‘Wat nog?’…”
Wat onze Heer vraagt, wat Hij inzag als zo buitengewoon moeilijk voor het menselijk hart, is de bekering: instemmen om ons helemaal om te keren, los te komen van die zelfgerichtheid, dat zelfbezit en die gerichtheid op onszelf die onze natuurlijke toestand zijn, zodat wij God-toebehorend, Godgericht en door God geleid worden.
Dat is wat Hij bedoelt wanneer Hij spreekt over het worden van een kleine, een kind, dat alleen in staat is het Koninkrijk te ontvangen en de mysteries van het Koninkrijk te begrijpen. Deze herschepping is uitsluitend Gods werk. Maar wij moeten zijn werk aanvaarden; wij moeten toestaan dat zijn goddelijke hand ons vastgrijpt en ons vormt naar onze ware gestalte.
En toch verzetten wij ons met al onze kracht. Hij weet dat wij pas werkelijk gelukkig kunnen zijn wanneer wij zo hervormd worden. Onze ellende komt voort uit onze zelfgerichtheid. Vreugde en vrijheid liggen in Gods bezit. “Ach, als gij toch wist wat u vrede brengt!” (Lucas 19,42).
Laten wij daarom ons hart openen voor God, opdat zijn Geest bezit van ons mag nemen en Gods droom werkelijkheid mag worden in ons leven: de droom van onze roeping — God alleen.
Zuster Ruth Burrows, O.C.D.
Commentaar:
Dit korte stukje raakt aan het hart van de christelijke mystiek. Het doet denken aan Augustinus, Johannes van het Kruis, Teresa van Ávila en ook aan Kierkegaard, die jij zo waardeert, Kris.
De vraag van het geestelijk leven is niet: “Hoe kan ik meer bereiken?” maar: “Wat houdt mij nog tegen om mij volledig aan God toe te vertrouwen?”
Wij denken vaak dat bekering betekent dat wij slechte gewoonten afleggen. Maar Ruth Burrows gaat dieper. Zij spreekt over het loslaten van het diepste centrum van ons ego: de behoefte om ons eigen leven in handen te houden. De mens wil zichzelf bezitten; God wil dat wij leren ontvangen.
Daarom plaatst Jezus het kind in het midden. Een kind leeft niet uit controle maar uit vertrouwen. Het kind verdient niets, bewijst niets, verdedigt geen eigen belangrijkheid. Het ontvangt.
De grote mystici hebben ontdekt dat heiligheid niet bestaat uit steeds meer doen voor God, maar uit steeds meer ruimte maken voor Gods werkzaamheid. Johannes van het Kruis noemt dit de “ontlediging”, Teresa spreekt over de “innerlijke overgave” en Augustinus zegt:“Onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U.”
Wanneer Ruth Burrows schrijft dat onze ellende voortkomt uit zelfgerichtheid, bedoelt zij niet dat wij slecht zijn. Zij bedoelt dat wij ons geluk zoeken in onszelf terwijl ware vreugde alleen gevonden wordt in God. De mens die zichzelf vasthoudt, blijft arm. De mens die zich laat vasthouden door God, vindt vrede.
Misschien is de vraag die deze tekst ons vandaag stelt heel eenvoudig:
“Wat nog, Heer?”
Niet om ons schuldig te maken, maar om ons hart verder te openen voor de liefde die reeds aanwezig is.
Gebed:
Heer van mijn leven,
Zo vaak houd ik vast aan mijzelf, aan mijn plannen, mijn verwachtingen, mijn zorgen en zekerheden.
Toch blijft Gij zachtjes vragen: “Wat nog? Wat mag Ik nog aanraken? Wat mag Ik nog omvormen in jou?”
Geef mij de eenvoud van een kind, dat niet leeft uit bezit, maar uit vertrouwen.
Maak mijn hart vrij van alles wat uw liefde belemmert. Leer mij ontvangen wat ik niet zelf kan maken: uw vrede, uw vreugde, uw aanwezigheid.
Wanneer ik mij verzet, wees dan geduldig met mij. Wanneer ik bang ben los te laten, houd Gij mij vast.
Moge uw Geest mij herscheppen naar het beeld dat Gij van eeuwigheid voor ogen hebt gehad.
En laat in mijn leven steeds meer werkelijkheid worden die eenvoudige roeping waartoe alle heiligen gekomen zijn:
God alleen.
Amen.
*******************
