
“Wij zeggen: ‘Geheiligd zij Uw Naam’; niet omdat wij vragen dat God door onze gebeden geheiligd zou worden, maar omdat wij van Hem afsmeken dat Zijn Naam in ons geheiligd mag worden. Want door wie wordt God geheiligd, aangezien Hijzelf heiligt? Welnu, omdat Hij zegt: ‘Wees heilig, omdat Ik heilig ben,’ vragen en smeken wij dat wij, die in het doopsel geheiligd zijn, mogen volharden in datgene wat wij begonnen zijn te zijn.”
— St. Augustinus, Verhandeling over de Gave van Volharding, 428 n.Chr.
++++
Commentaar:
Augustinus legt hier een subtiele maar diepe waarheid bloot: God heeft geen heiliging nodig — wij wel. Wanneer wij bidden “Geheiligd zij Uw Naam”, vragen wij niet dat God verandert, maar dat wij veranderen.
Het gebed is dus een innerlijke beweging:
- een verlangen dat Gods heiligheid in ons zichtbaar wordt;
- een erkenning dat wij uit onszelf niet heilig zijn;
- een smeekbede om volharding, omdat heiligheid geen momentopname is maar een weg.
Augustinus verbindt dit met het doopsel: wij zijn al geheiligd, maar die gave moet bewaard, gevoed en geleefd worden. Heiligheid is geen prestatie maar een antwoord — een antwoord op Gods uitnodiging om steeds meer te worden wie wij in Christus al zijn.
In dit licht wordt het gebed “Geheiligd zij Uw Naam” een dagelijkse hernieuwing van onze roeping:
Heer, maak mij tot een doorzichtige drager van Uw licht.
++++
Gebed
Heilige God,
Uw Naam is heilig,
en toch vraagt U mij om heilig te zijn zoals U heilig bent.
Laat Uw Naam in mij geheiligd worden:
in mijn gedachten,
in mijn woorden,
in mijn daden,
in mijn zwakheid en mijn verlangen.
Bewaar in mij de genade van het doopsel,
en geef mij de volharding
om te blijven groeien in het leven dat U begonnen bent in mij.
Heer, laat mijn hart Uw heiligheid weerspiegelen,
zodat wie mij ontmoet, iets van U mag zien.
Amen.
*****************

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.