Augustinus legt hier de kern van zijn bekering bloot: niet een morele misstap, maar een verkeerde gerichtheid van het hart.

“Maar mijn zonde was deze: dat ik plezier, schoonheid en waarheid zocht, niet in Hem, maar in mijzelf en in Zijn andere schepselen. En die zoektocht leidde mij in plaats daarvan naar pijn, verwarring en dwaling.” 

— Sint‑Augustinus

Commentaar:

Augustinus legt hier de kern van zijn bekering bloot: niet een morele misstap, maar een verkeerde gerichtheid van het hart.

Zijn zonde was niet dat hij verlangde naar schoonheid, waarheid of vreugde — die verlangens zijn immers door God zelf in de mens gelegd — maar dat hij ze zocht buiten de Bron waaruit ze voortkomen.

Wanneer de mens zijn blik naar binnen keert zonder God, of naar de schepping zonder de Schepper, dan wordt het verlangen een doolhof. Wat bedoeld was als wegwijzer naar God, wordt dan een afgod die ons leeg achterlaat.

Augustinus beschrijft drie gevolgen:

Pijn — omdat niets geschapts het gewicht van ons verlangen kan dragen.

Verwarring — omdat we de tekenen verwarren met de Werkelijkheid.

Dwaling — omdat het hart zonder God zijn kompas verliest.

Toch klinkt in deze woorden ook hoop: het verlangen zelf was niet verkeerd. Het moest alleen opnieuw geordend worden — van beneden naar boven, van schepsel naar Schepper.

++++

++++

Gebed

Heer,

U bent de Bron van alle schoonheid, waarheid en vreugde.

Toch dwaal ik zo vaak af naar mijzelf, naar wat ik kan voelen, maken, bezitten of begrijpen.

Leer mij opnieuw te verlangen zoals Augustinus leerde:

met een hart dat niet blijft hangen in de schepselen,

maar door alles heen naar U wordt getrokken.

Zuiver mijn zoeken,

richt mijn verlangen,

en laat mij in U vinden

wat geen schepsel ooit kan geven:

vrede, helderheid en waarheid.

Amen.

**********************

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie