Augustinus : Want zo imiteert trots verhevenheid; terwijl Gij alleen God zijt, verheven boven alles……

Ambitie, wat zoekt het, anders dan eer en glorie? terwijl Gij alleen boven alles geëerd en glorieus voor altijd bent. De wreedheid van de groten zou graag gevreesd worden; maar wie is te vrezen dan God alleen, uit wiens macht wat kan worden ontworsteld of teruggetrokken? wanneer, of waar, of waarheen, of door wie? De tederheden van de losbandigen zouden graag liefde worden genoemd: toch is niets tederder dan Uw liefdadigheid; noch wordt iets gezonder bemind dan dat Uw waarheid, helder en mooi boven alles. Nieuwsgierigheid doet denken aan een verlangen naar kennis; terwijl Gij oppermachtig alles weet. Ja, onwetendheid en dwaasheid zelf worden gehuld onder de naam van eenvoud en onschadelijkheid; omdat er niets meer enkelvoudig wordt gevonden dan U: en wat minder schadelijk, aangezien het Zijn eigen werken zijn die de zondaar schaden? Ja, luiheid zou graag rusten; maar welke stabiele rust is er behalve de Heer? Weelde doet zich voor als overvloed en overvloed; maar Gij zijt de volheid en nooit aflatende overvloed van onvergankelijke genoegens. Verkwisting vertegenwoordigt een schaduw van vrijgevigheid: maar Gij zijt de meest overvloedige Gever van alle goed. Hebzucht zou veel dingen willen bezitten; en Gij bezit alle dingen. Afgunst strijdt om uitmuntendheid: wat is voortreffelijker dan Gij? Woede zoekt wraak: wie wreekt rechtvaardiger dan Gij? Vrees schrikt van dingen die ongewoon en plotseling zijn, die geliefde dingen in gevaar brengen en vooruitdenkt voor hun veiligheid; maar voor U wat ongewoon of plotseling, of wie scheidt van U wat Gij liefhebt? Of waar anders dan bij U is onwankelbare veiligheid? Verdriet kwijnt weg naar verloren dingen, het genot van zijn verlangens; omdat het niets van zich wil laten afnemen, zoals niets van U kan worden afgenomen.

HEILIGE AUGUSTINUS

Belijdenissen

Augustinus : Wij weten dat Gods genade niet aan alle mensen wordt gegeven…

“Wij weten dat Gods genade

niet aan alle mensen wordt gegeven. Aan

hen aan wie het wordt gegeven,

wordt het niet gegeven overeenkomstig

de verdiensten van de werken, noch

overeenkomstig de verdiensten van

de wil, maar door vrije genade.

Aan hen aan wie het niet wordt gegeven,

weten wij dat het vanwege

Gods rechtvaardig oordeel is

dat het niet wordt gegeven.”

 

AUGUSTINUS

Louis de Montfort :God de Vader gaf zijn enige Zoon alleen door Maria aan de wereld…..

God de Vader gaf zijn enige Zoon alleen door Maria aan de wereld. Welke verlangens de patriarchen ook gekoesterd mogen hebben, welke smeekbeden de profeten en heiligen van de Oude Wet ook 4000 jaar lang mogen hebben gehad om die schat te verkrijgen, het was Maria alleen die het verdiende en genade vond bij God door de kracht van haar gebeden en de vervolmaking van haar deugden. “De wereld is onwaardig,” zei Sint Augustinus, “om de Zoon van God rechtstreeks uit de handen van de Vader te ontvangen, dus gaf hij zijn Zoon aan Maria, zodat de wereld hem van haar kon ontvangen.”

De Zoon van God werd mens voor onze redding, maar alleen in Maria en door Maria. God de Heilige Geest vormde Jezus Christus in Maria, maar alleen nadat Hij haar toestemming had gevraagd via een van de belangrijkste ministers van zijn hof.

St Louis de Montfort – True devotion…

John Vianney : Op de weg van het kruis, zie je, mijn kinderen,is alleen de eerste stap pijnlijk….

Op de weg van het Kruis, zie je, mijn kinderen,
Alleen de eerste stap is pijnlijk.
Ons grootste kruis is het kruis van ….
We hebben niet de moed om ons kruis te dragen, en we
vergissen ons heel erg;
Want wat we ook doen,
het kruis houdt ons stevig vast – we kunnen er niet aan ontsnappen.
Wat hebben we dan te verliezen?
Waarom houden we niet van ons kruis en
ze gebruiken om ons naar de hemel te brengen?

Johannes Vianney

Augustinus : Fragment uit de Confessiones (of Belijdenissen )….

EERSTE BOEK

4.2 tot 4.5

Inleiding : Augustinus vangt zijn werk aan met een lofprijzing Gods. In het eerste boek spreekt hij over zijn kinderjaren en de tijd, die hij op school doorbracht; hij belijdt de zonden, die hij in deze tijd bedreef.

4.2 Hij wil God prijzen, door Hemzelf daartoe opgewekt. Groot zijt Gij, o Heere, en zeer te prijzen; groot is Uw kracht en Uw verstand is geen getal. En de mens wil U prijzen, de mens, een deel Uwer schepping; ja de mens, ofschoon hij zijn sterfelijkheid in zich omdraagt en de getuigenis van zijn zonde en de getuigenis, dat Gij de hovaardige weerstaat: toch wil de mens, een deel Uwer schepping, U prijzen. Gij wekt hem er toe op, dat het zijn lust is U te loven, want Gij hebt ons geschapen tot U en ons hart is onrustig, totdat het rust vindt in U. Laat mij, Heere, weten en inzien, wat voorafgaat: U aan te roepen ofU te prijzen, en of U te kennen voorafgaat, of U aan te roepen. Maar wie roept U aan, wanneer hij U niet kent? Want in zijn onwetendheid kan hij in plaats van het een wezen een ander aanroepen. Of wordt Gij veeleer aangeroepen, opdat Gij gekend wordt? Hoe zullen zij dan hem aanroepen, in welke zij niet geloofd hebben? Of hoe geloven zij, zonder die hun predikt? (Rom. 10:14) En zij zullen de Heere prijzen, die Hem zoeken. Want wie Hem zoeken, vinden Hem en wie Hem vinden, zullen Hem prijzen. Laat me U zoeken, Heere, terwijl ik U aanroep en U aanroepen, terwijl ik in U geloof; want U bent ons verkondigd. U roept aan, o Heere, mijn geloof, dat Gij mij geschonken hebt, dat Gij in mij hebt gewekt door de menswording van Uw Zoon, door de dienst van Uw verkondiger.

4.3 God, die hij aanroept, is in hem, en hij in God. En hoe zal ik mijn God aanroepen, mijn God en mijn Heer, daar ik Hem immers in mij roep, wanneer ik Hem aanroep? En welke plaats is in mij, dat mijn God daarheen in mij zou komen? Dat mijn God daarheen zou komen in mij, God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft? Ja, Heere mijn God, is er iets in mij, dat U zou kunnen bevatten? Kunnen dan de hemel en de aarde, die Gij gemaakt hebt en in welke Gij mij gemaakt hebt, U bevatten? Of kan daarom al wat is, U bevatten, omdat zonder U niet zijn zou, wat is? En daar nu ook ik ben, waartoe vraag ik dan, dat Gij komt in mij, die niet zijn zou, wanneer Gij niet in mij waart? Want ik ben toch niet de hel,3 en toch bent Gij ook daar. Want bedde ik mij in de hel, U bent daar. (Ps. 139:8) Ik zou dus niet zijn, mijn God, ik zou geheel niet zijn, wanneer Gij niet in mij waart. Of is het zo, dat ik niet zijn zou, indien ik niet was in U, uit wie alles is, door wie alles is en in wie alles is? Ja ook zo is het,

2 De korte inhoud van ieder hoofdstuk en de subkopjes zijn door de vertaler ingevoegd 3 Volgens andere lezing: ‘in de hel’.

25 Heer; ook zo. Waarheen roep ik U dan, daar ik in U ben? Of vanwaar zou Gijkomen in mij? Want waar zou ik gaan buiten hemel en aarde, dat vandaar in mij zou komen mijn God, die gezegd heeft: “Ik vervul hemel en aarde?” (Jer. 23:24)

4.4 God is overal, maar niets kan Hem geheel bevatten. Bevatten U dan hemel en aarde, daar U ze vervult? Of vervult U ze, maar slecht met een deel van Uw wezen, omdat ze U niet bevatten kunnen? En waarheen doet U stromen dat deel van Uw wezen, dat hemel en aarde, wanneer ze van U vervuld zijn, niet bevatten kunnen? Of hebt U niet van node, dat U door iets wordt bevat, Gij, die alles bevat, daar U al, wat U vervult, vervult door het te bevatten? Want geen vaten, die vol zijn van U, geven U vastheid, omdat, ook al zouden zij breken, U niet wordt uitgestort. En wanneer Gij Uitgestort wordt over ons, dan ligt niet U terneer, maar ons richt U op, en niet U wordt verstrooid; maar ons verzamelt U. Maar alle dingen, die U vervult, die alle vervult U met geheel Uw wezen. Of omdat alle dingen niet geheel Uw wezen kunnen bevatten, bevatten ze daarom een deel van U en bevat alles tegelijkertijd hetzelfde deel? Of bevat ieder ding een bijzonder deel, de grotere dingen een groter en de kleinere een kleiner? Bestaat er dus een deel van U, dat groter en een ander deel, dat kleiner is? Of bent U overal geheel en bevat geen enkel ding U in Uw geheel?

4.5 Gods majesteit en volmaaktheid. Wat is dan mijn God? Wat, vraag ik, anders dan God, de Heere? Want wie is de Heere, behalve de Heere? Of wie is God, behalve onze God? (Vgl. Ps. 18:32) O U allerhoogste, beste, machtigste, almachtigste, barmhartige en rechtvaardigste, meest verborgene en toch alomtegenwoordige, schoonste en sterkste, standvastige en toch ongrijpbare, onveranderlijke en alles veranderend, nimmer nieuw, nimmer oud, alles vernieuwend; die de hovaardige doet verouderen en ze weten het niet; altijd werkend, altijd rustig, vergaderend en toch nietnooddruftig, dragend en vervullend en beschermend, scheppend en voedend en voleindigend, zoekend, hoewel U niets ontbreekt. U bemint, maar zonder hartstocht, U ijvert, maar bent kommerloos, het berouwt U en U bent zonder smart, U toornt en bent ongeschokt, Uw werken verandert Gij, maar U verandert niet Uw raadsbesluit; U neemt aan, wat U vindt, maar nooit verloren hebt; U bent nooit iets behoevende, maar verheugt U in gewin, nooit gierig, maar toch eist U woeker. Meer dan het verschuldigde wordt U betaald, zodat U tot schuldenaar wordt, en toch wie bezit iets, dat niet het Uw is? U betaalt schulden, hoewel Gen. niemand iets schuldig bent, U scheldt kwijt, zonder dat U verliest. En wat betekenen onze woorden, mijn God, mijn leven, mijn heilige verheugenis; of wat zegt men, wanneer men spreekt van U? En toch wee degenen, die zwijgen van U, waar zij, rijk aan woorden, gelijk stommen zijn.

Bron : https://theologienet.nl/Auustinus-belijdenissen. pdf

[Vertaling uit hetLatijn :Dr.A.Sizoo

Uitgever : Naamloze Venorschap W.D.Weinemz, Delft]

Augustinus : Aangezien Maria waardig werd bevonden om vlees te geven aan het Goddelijk Woord….

“Aangezien Maria waardig werd bevonden om vlees te geven aan het Goddelijk Woord en zo de prijs van onze verlossing te betalen, opdat wij verlost zouden worden van de eeuwige dood, is zij duidelijk machtiger dan alle anderen om ons te helpen het eeuwige leven te verwerven.”

– St. Augustinus

Origines : “Toen zei hij tegen een ander: ‘En jij, hoeveel ben je verschuldigd?’ Hij antwoordde: ‘Honderd kors tarwe.’ Hij zei tegen hem: ‘Hier is je promesse, schrijf er een voor tachtig.'” – Lukas 16:7…..

“Toen zei hij tegen een ander: ‘En jij, hoeveel ben je verschuldigd?’ Hij antwoordde: ‘Honderd kors tarwe.’ Hij zei tegen hem: ‘Hier is je promesse, schrijf er een voor tachtig.'” – Lukas 16:7

 “Wat het Evangelie van “de onrechtvaardige rentmeester” zegt, is ook een beeld van deze zaak. Hij zegt tegen de schuldenaar [van honderd maten tarwe]: Neem uw rekening, ga zitten en schrijf er tachtig op” en de andere

dingen die daarmee verband houden.

U ziet dat hij tegen elke man zei: “Neem uw rekening.”

Hieruit blijkt duidelijk, dat de ‘documenten van de zonde’ van ons zijn, maar dat God ‘documenten van gerechtigheid’ schrijft.

De apostel zegt: “Want u bent een brief, niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God; niet in stenen tafelen, maar in de vleselijke tafelen van het hart.” Jullie hebben in jezelf ‘documenten van God’ en ‘documenten van de Heilige Geest’.

Indien gij overtreedt, schrijft gijzelf in uzelf het handschrift van de zonde.

Merk op, dat op elk moment, wanneer u het kruis van Christus en de genade van de doop bent genaderd, uw handschrift aan het kruis wordt bevestigd en in de fontein van de doop wordt uitgewist.

Herschrijf later niet wat is uitgewist, of repareer wat is vernietigd. Bewaar alleen de documenten van God in jezelf. Laat alleen de Schrift van de Heilige Geest in u blijven.”

– Origenes Adamantius (c 185-253) Priester, theoloog, exegist, schrijver, apologeet, vader (Homilieën over Genesis, 13

 

St.Ambrosius :”Ik zeg u, sluit u af met oneerlijke rijkdom, zodat u, wanneer het mislukt, in eeuwige woningen zult worden verwelkomd.” … Lukas 16:9….

“Ik zeg u, sluit u af met oneerlijke rijkdom, zodat u, wanneer het mislukt, in eeuwige woningen zult worden verwelkomd.” … Lukas 16:9

“Een dienaar kan geen twee heren dienen.” Niet dat er twee zijn – er is maar één Meester – want zelfs als er mensen zijn die geld dienen, heeft het geen inherent recht om een meester te zijn; Zij zijn zelf degenen die het juk van deze slavernij op zich nemen. In feite heeft geld geen rechtmatig gezag, maar vormt het een onrechtvaardige slavernij. Daarom zegt Jezus: “Maak vrienden voor u met bedrieglijk geld”, zodat wij door vrijgevigheid jegens de armen de gunst van engelen en heiligen zullen winnen.

De rentmeester wordt niet verweten. Hierdoor leren we dat we geen meesters zijn, maar eerder rentmeesters van andermans rijkdom. Hij werd geprezen, ook al had hij ongelijk, omdat hij, door in naam van zijn meester aan anderen te betalen, steun voor zichzelf verwierf.

En hoe terecht sprak Jezus over “bedrieglijke rijkdom”, omdat de liefde voor het geld onze begeerten zo verleidt met haar verschillende verleidingen, dat wij erin toestemmen haar slaven te worden. Daarom zei Hij: “Als je niet betrouwbaar bent met wat van een ander is, wie zal je dan geven wat van jou is?” Rijkdom is ons vreemd omdat ze buiten onze natuur bestaan; ze worden niet met ons geboren, ze volgen ons niet in de dood. Maar Christus, integendeel, behoort ons toe omdat Hij het Leven is… Laten we dus geen slaven worden van uiterlijke goederen, want Christus is de enige die we als onze Heer moeten erkennen.”

– De heilige Ambrosius (340-397), bisschop van Milaan en Vader en Leraar van de Kerk (Commentaar op het evangelie van Lucas, 7, 244s; SC 52

St.Cyrillus van Alexabrië : “Kort daarna reisde hij aar een stad genaamd Naim, en zijn discipelen en een grote menigte vergezelden hem.” – Lukas 7:11…..

“Kort daarna reisde hij aar een stad genaamd Naim, en zijn discipelen en een grote menigte vergezelden hem.” – Lukas 7:11

Wat is krachtiger dan het Woord van God? Waarom heeft Hij dan niet het wonder verricht door alleen een woord, maar ook de baar aangeraakt? Het was, mijn geliefden, dat u zou leren dat het Heilige Lichaam van Christus productief is voor de redding van de mens. Het vlees van het Almachtige Woord is het Lichaam van het leven en was bekleed met Zijn Macht. Bedenk dat ijzer, wanneer het in contact wordt gebracht met vuur, het effect van vuur teweegbrengt en zijn functies vervult. Het vlees van Christus heeft ook de kracht om leven te geven en vernietigt de invloed van dood en verdorvenheid, omdat het het vlees van het Woord is, dat leven geeft aan allen. Moge onze Heer Jezus Christus ons ook aanraken, opdat Hij ons, verlossend van boze werken, zelfs van vleselijke lusten, moge verenigen met de vergaderingen van de heiligen.

– De heilige Cyrillus van Alexandrië (376-444), aartsbisschop van Alexandrië, grootvader en kerkleraar (Commentaar op Lucas, homilie 36

St.Jeronimos : De Schrift is ondiep genoeg voor een baby om te komen drinken zonder angst om te verdrinken……

De Schrift is ondiep genoeg voor een baby

om te komen drinken zonder angst om te

verdrinken en

diep genoeg voor theologen om in te

zwemmen zonder

ooit de bodem aan te raken.

St Jerom

St.Bonaventura : Doorboort, o allerzoetste Heer Jezus, mijn diepste ziel met de meest vreugdevolle en heilzame wond van Uw liefde….

(Hieronder staat het gebed in zijn geheel….):

Doorboort, o allerzoetste Heer Jezus, mijn diepste ziel met de

meest vreugdevolle en heilzame wond van Uw liefde, en met ware,

kalme en allerheiligste apostolische naastenliefde, dat mijn ziel altijd mag

wegkwijnen en smelten met volledige liefde en verlangen naar U,

dat zij mag verlangen naar U en naar Uw voorhoven, dat zij mag verlangen om

opgelost te worden en bij U te zijn. Geef dat mijn ziel mag

hongeren naar U, het Brood der Engelen, de verkwikking van

heilige zielen, ons dagelijks en bovennatuurlijk brood, met

alle zoetheid en geur en elke verrukkelijke smaak.

Moge mijn hart altijd hongeren naar en zich voeden met U, naar Wie de engelen verlangen te kijken, en moge mijn diepste ziel vervuld zijn met de zoetheid van Uw geur; moge het altijd dorsten naar U, de fontein van het leven, de fontein van wijsheid en kennis, de fontein van eeuwig licht, de stroom van plezier, devolheid van het huis van God; moge het U altijd omringen, U altijd zoeken, U altijd vinden, altijd naar U toe rennen, altijd bij U opkomen, altijd over U mediteren , altijd over U spreken en altijd alles doen ter ere van Uw naam en ter ere van Uw naam, met nederigheid en discretie, met liefde en vreugde, met gemak en genegenheid, en met volharding tot het einde. En Gij alleen zijt altijd mijn hoop, mijn volledige vertrouwen, mijn rijkdom, mijn vreugde, mijn genoegen, mijn vreugde, mijn rust en kalmte, mijn vrede, mijn zoetheid, mijn voedsel, mijn verkwikking, mijn toevluchtsoord, mijn hulp, mijn wijsheid, mijn deel, mijn bezit, mijn schat. Mogen mijn geest en mijn hart altijd vast en stevig zijn en onwrikbaar geworteld.

Amen.

St Augustinus : Het hele menselijke ras, was net als deze vrouw, naar de grond gebogen…….

“Het hele menselijke ras, net als deze vrouw, was gebogen en naar de grond gebogen. Iemand begrijpt deze vijanden al. Hij roept tegen hen en zegt tegen God: “Ze hebben mijn ziel gebogen.” De duivel en zijn engelen hebben de zielen van mannen en vrouwen naar de grond gebogen. Hij heeft ze naar voren gebogen om zich te richten op tijdelijke en aardse dingen en heeft hen ervan weerhouden de dingen te zoeken die boven zijn.

Omdat dat is wat de Heer zegt over de vrouw die Satan achttien jaar lang had gebonden, was het nu tijd voor haar om op de sabbatdag uit haar slavernij te worden bevrijd.

Geheel onterecht bekritiseerden ze Hem omdat Hij haar rechtzette. Wie waren dit, behalve mensen die over zichzelf gebogen waren? Omdat ze de dingen die God had geboden helemaal niet begrepen, beschouwden ze ze met aardse harten.

Ze vierden het sacrament van de sabbat op een letterlijke, materiële manier en merkten de spirituele betekenis ervan niet op.”

… Sint Augustinus (354-430) Vader en Dokter (Preek 162)

John Henri Newton : Ik heb een plaats in Gods raadsbesluiten…..

“Ik heb een plaats in Gods raadsbesluiten,

in Gods wereld, die niemand anders heeft,

of ik nu rijk of arm ben,

veracht of gewaardeerd door de mens,

God kent mij en noemt mij bij mijn naam.

God heeft mij geschapen om Hem

een bepaalde dienst te bewijzen.

Hij heeft mij een werk toevertrouwd dat Hij niet aan een ander heeft toevertrouwd.

 

Ik heb mijn missie – ik zal het misschien nooit weten in dit leven, maar het zal me in het volgende leven

worden verteld.

Op de een of andere manier ben ik nodig voor Zijn doeleinden,

net zo noodzakelijk in mijn plaats als een Aartsengel in de Zijne –

als ik inderdaad faal, kan Hij een ander doen opstaan,

zoals Hij de stenen kinderen van Abraham zou kunnen maken.

Toch heb ik deel aan dit grote werk,

ik ben een schakel in een keten,

een band van verbinding tussen personen.

Hij heeft mij niet voor niets geschapen.

Ik zal goed doen, ik zal Zijn werk doen,

ik zal een engel des vredes zijn,

een prediker van de waarheid op mijn eigen plaats,

zonder het te willen,

als ik Zijn geboden

maar onderhoud en Hem dien in mijn roeping.

 

Daarom zal ik Hem vertrouwen.

Wat ik ook ben, waar ik ook ben, ik kan nooit weggegooid worden.

Als ik ziek ben, kan mijn ziekte Hem dienen,

in verbijstering, mijn verbijstering kan Hem dienen,

als ik in verdriet ben, kan mijn verdriet Hem dienen.

Mijn ziekte, of verbijstering, of verdriet

kunnen noodzakelijke oorzaken zijn van een groot einde,

dat ons geheel te boven gaat.

Hij doet niets tevergeefs –

Hij kan mijn leven verlengen, Hij kan het verkorten;

Hij weet waar Hij over gaat.

Hij kan mijn vrienden wegnemen,

Hij kan me onder vreemden werpen,

Hij kan me een verlaten gevoel geven,

mijn moed laten zinken, de toekomst voor me

verbergen – toch weet Hij waar Hij over gaat.” Ik heb een plaats in Gods Raadsbesluiten

 – BL John Henry Newman

Theresia van Lisieux : Thérèse (van Lisieux) zei tegen haar zus Celine, die boos was over haar eigen fouten…

“Thérèse (van Lisieux) zei tegen haar zus Celine, die boos was over haar eigen fouten: “Als je bereid bent de beproeving dat je jezelf onwelgevallig bent, sereen te doorstaan, dan zul je een aangename toevluchtsoord voor Jezus zijn.”

Als je jezelf observeert, zul je zien hoe moeilijk het is om ‘onaangenaam’ voor jezelf te zijn, en dat dit het eerste emotionele probleem is dat je in een vreselijk slecht humeur brengt zonder zelfs maar te beseffen waar deze stemmingen vandaan komen. Dus om dit veelvoorkomende probleem op te lossen, leren zowel Francis als Thérèse je om om te beginnen de behoefte om ‘goed over jezelf te denken’ los te laten! Dat is je ego die spreekt, niet God, zouden ze zeggen. Alleen degenen die hun fundamentele egocentrisme hebben opgegeven, kunnen dit uiteraard doen.

Psychiater en schrijver Scott Peck vertelde me ooit dat het citaat van Thérèse ‘puur religieus genie’ was, omdat het de gebruikelijke houding van religie vrijwel onmogelijk maakte.”

 

Augustinus – De stad van God -: Als iemand nalaat om te berispen en fouten te vinden bij hen die verkeerd doen…..

Als iemand nalaat om te berispen en fouten te vinden bij hen die verkeerd doen 

Als iemand nalaat om te berispen en fouten te vinden bij hen die verkeerd doen, omdat hij een geschiktere gelegenheid zoekt, of omdat hij vreest dat ze erger zullen worden door zijn berisping, of dat andere zwakke personen ontmoedigd zullen worden om te proberen een goed en vroom leven te leiden, en van het geloof afgedreven zullen worden, dan lijkt de omissie van deze man niet te worden veroorzaakt door hebzucht, maar door een liefdadige overweging. Maar wat laakbaar is, is dat zij die zelf in opstand komen tegen het gedrag van de goddelozen, en op een heel andere manier leven, toch die fouten in andere mensen sparen die ze zouden moeten berispen en waarvan ze hen zouden moeten afbrengen; en hen sparen omdat ze bang zijn aanstoot te geven, opdat ze hun belangen niet zouden schaden in die dingen die goede mensen onschuldig en rechtmatig kunnen gebruiken, – hoewel ze ze hebzuchtiger gebruiken dan mensen past die vreemdelingen zijn in deze wereld, en de hoop op een hemels vaderland belijden. Want niet alleen de zwakkere broeders, die genieten van het huwelijksleven en kinderen hebben (of ernaar verlangen), en huizen en vestigingen bezitten, tot wie de apostel zich richt in de gemeenten, hen waarschuwend en onderrichtend hoe zij moeten leven, zowel de vrouwen met hun echtgenoten, en de echtgenoten met hun vrouwen, de kinderen met hun ouders, en ouders met hun kinderen, en dienstknechten met hun meesters, en meesters met hun dienstknechten, — niet alleen verkrijgen en verliezen deze zwakkere broeders met genoegen veel aardse en tijdelijke dingen, waardoor zij het niet aandurven mensen te beledigen wier verontreinigde en slechte leven hen zeer mishaagt; maar ook zij die op een hoger niveau leven, die niet verstrikt zijn in de netten van het huwelijksleven, maar karig voedsel en kleding gebruiken, denken vaak aan hun eigen veiligheid en goede naam, en onthouden zich ervan kritiek te leveren op de goddelozen, omdat zij hun listen en geweld vrezen. En hoewel ze hen niet zo vrezen dat ze ertoe worden aangezet om soortgelijke ongerechtigheden te begaan, nee, niet door welke bedreigingen of geweld dan ook; toch weigeren ze vaak om kritiek te leveren op juist die daden die ze weigeren te delen in het begaan van, terwijl ze mogelijk door kritiek te leveren hun begaan zouden kunnen verhinderen. Ze onthouden zich van inmenging, omdat ze vrezen dat, als het niet goed uitpakt, hun eigen veiligheid of reputatie beschadigd of vernietigd kan worden; niet omdat ze zien dat hun behoud en goede naam nodig zijn, dat ze in staat zouden kunnen zijn om degenen te beïnvloeden die hun instructie nodig hebben, maar eerder omdat ze zwakjes genieten van de vleierij en het respect van mensen, en bang zijn voor de oordelen van het volk, en de pijn of dood van het lichaam; dat wil zeggen, hun niet-inmenging is het resultaat van egoïsme, en niet van liefde.

HEILIGE AUGUSTINUS  : De stad van God