C.S. Lewis: God houdt van ons, en daarom schenkt Hij ons het lijden….

C.S. Lewis schreef:

“God houdt van ons, en daarom schenkt Hij ons het lijden. Door het lijden laten we los wat ons aan de speeltjes van deze wereld bindt, en ontdekken we dat ons ware goed in een andere wereld ligt. We zijn als steenblokken, waaruit de beeldhouwer de vorm van mensen houwt. De slagen van zijn beitel – die ons zo pijn doen – zijn juist wat ons tot perfectie vormt. Het lijden in deze wereld is geen bewijs van het falen van Gods liefde; het is die liefde in werking. Want geloof mij, deze wereld die ons zo tastbaar lijkt, is slechts de schaduwwereld. Het echte leven moet nog beginnen.”

++++++++++++++

 De tekst van C.S. Lewis raakt aan fundamentele thema’s over het menselijk bestaan, lijden en geloof. Hier zijn een paar lagen van betekenis die erin verweven zijn:

1. Lijden als liefdevolle vorming Lewis stelt dat lijden niet zomaar een ongeluk of straf is, maar een middel waarmee God ons vormt. Zoals een beeldhouwer ruwe steen bewerkt tot een meesterwerk, zo bewerkt God ons door pijn en verlies. Het idee is dat het ons helpt los te komen van wereldse verlangens, zodat we openstaan voor iets groters en eeuwigs.

2. De wereld als schaduw van de werkelijkheid Hij noemt deze wereld een “schaduwwereld,” waarmee hij bedoelt dat onze aardse ervaring niet het uiteindelijke doel is. Wat écht belangrijk is – onze bestemming, onze vervulling – ligt in een andere, goddelijke werkelijkheid die we slechts vaag kunnen vermoeden. Dit klinkt door in zijn bredere filosofie, zoals in zijn boek The Great Divorce.

3. Lijden is geen bewijs tegen Gods liefde Veel mensen worstelen met de vraag: “Als God liefdevol is, waarom lijden we dan?” Lewis draait die gedachte juist om: het lijden is een uiting van liefde, omdat het ons helpt groeien, verdiepen en uiteindelijk thuiskomen bij God. 

4. Spirituele oefening in overgave Het beeld van overgave – “je speeltjes loslaten” – is niet bedoeld als afstand doen van vreugde, maar als een oefening in vertrouwen. Het gaat om het erkennen dat ware vrede en betekenis niet uit comfort of controle komen, maar uit het je toevertrouwen aan iets dat groter is dan jezelf.

—————

 

St.Franciscus van Assisi: God kon niemand minder gekwalificeerd, of meer een zondaar, dan ikzelf hebben gekozen…..

“God kon niemand minder gekwalificeerd, of meer een zondaar, dan ikzelf hebben gekozen. En dus, voor dit prachtige werk dat Hij door ons wil uitvoeren, heeft Hij mij uitgekozen – want God kiest altijd de zwakken en de absurde, en degenen die voor niets tellen.”

 – St. Franciscus van Assisi

++++++++++++-

Een krachtige reflexie over nederigheid en roeping.

De boodschap van Franciscus van Assisi gaat diep:

 

Franciscus  benadrukt dat het niet gaat om je perfectie, status of verdiensten—maar juist om je openheid, je kwetsbaarheid, en je bereidheid om dienstbaar te zijn, ondanks je gebreken.

Je zou deze boodschap op jouw leven kunnen toepassen door:

Oog te hebben voor je unieke roeping. Misschien voel jij je soms “niet goed genoeg” voor bepaalde doelen, dromen, of verantwoordelijkheden. Deze boodschap laat zien dat dát gevoel precies is wat jou open maakt voor iets groters.

Door jezelf niet als “de meest geschikte” persoon te zien, sta je meer open voor samenwerking, groei en inspiratie.

Kracht vinden in kwetsbaarheid:

Als jij ooit hebt gefaald, geworsteld, of jezelf als ‘onbelangrijk’ hebt beschouwd, is dat juist de plek vanwaar transformatie kan ontstaan.

Het is een uitnodiging om zonder maskers in het leven te staan, met eerlijkheid over wie je bent.

Anderen op een nieuwe manier benaderen:

Misschien helpt deze gedachte je om anderen niet te beoordelen op hun prestaties, maar op hun menselijkheid.

Je zou kunnen merken dat door ruimte te geven aan ‘de zwakken’ of ‘de absurden’, je een gemeenschap opbouwt die diepgaand en helend is.

Je hoeft niet groots te zijn om grootse dingen te doen. Je hoeft niet volmaakt te zijn om liefdevol te zijn. En soms ben jij—juist jij—de juiste persoon, precies omdat je weet hoe het voelt om te struikelen.

—————-

 

St Augustinus: Er zijn veel andere dingen die mij het beste in de schoot van de Kerk kunnen houden…

“Er zijn veel andere dingen die mij het beste in de schoot van de Kerk kunnen houden… De opvolging van priesters, vanaf de zetel van de apostel Petrus, aan wie de Heer, na zijn opstanding, de opdracht gaf om zijn schapen te hoeden [Johannes 21:15–17], tot aan het huidige episcopaat, houdt mij hier.”

— Sint Augustinus van Hippo De doop van Augustinus door Sint Ambrosius van Milaan

++++++++++++++

Enkele kernzinnen uitgelegd :

“De opvolging van priesters, vanaf de zetel van de apostel Petrus…”

Betekenis:

Dit verwijst naar het idee van apostolische successie—het geloof dat er een ononderbroken lijn van leiderschap is binnen de Kerk, beginnend bij Petrus (door Jezus zelf aangesteld) tot aan de hedendaagse bisschoppen en priesters.

Waarom dit belangrijk is:

Voor Augustinus was deze continuïteit een bewijs van de legitimiteit en stabiliteit van de Kerk. Het verbindt het heden met het goddelijke begin.

“…aan wie de Heer, na zijn opstanding, de opdracht gaf om zijn schapen te hoeden…”

Betekenis:

Dit verwijst naar Johannes 21:15–17, waar Jezus aan Petrus zegt: “Weid mijn schapen.” Het symboliseert de opdracht van spirituele zorg en leiderschap.

Waarom dit relevant is:

Augustinus ziet hierin een goddelijke mandaat—een directe overgave van verantwoordelijkheden door Jezus aan Petrus en diens opvolgers.

“…tot aan het huidige episcopaat…”

Betekenis:

Hiermee bedoelt hij het huidige bestuur van bisschoppen binnen de Kerk.

Waarom dit telt: Hij stelt dat deze leiders nog steeds de geestelijke autoriteit dragen die oorspronkelijk door Christus gegeven werd.

Kortom, Augustinus zegt hier in essentie: “Wat mij bij de Kerk houdt, is niet alleen geloof, maar ook haar historische en goddelijke legitimiteit.”

—————–

St.Augustinus: Gebed – Alleen voor jou, in jou, door jou……

Alleen voor jou, in jou, door jou.

Door de heilige Augustinus (354-430), vader en kerkleraar

Heer Jezus,

laat mij mijzelf kennen en U kennen en niets

verlangen dan alleen U.

Laat me mezelf haten en U liefhebben.

Laat mij alles doen, ter wille van U.

Laat mij mijzelf vernederen en U verhogen.

Laat mij aan niets denken, behalve aan U.

Laat mij aan mijzelf sterven en in U leven.

Laat mij aanvaarden, wat er ook gebeurt, als van U.

Laat mij mijzelf verbannen en U

volgen en altijd verlangen U te volgen.

Laat mij voor mijzelf wegvluchten en mijn toevlucht tot U zoeken,

opdat ik het verdien om door U verdedigd te worden.

Laat me voor mezelf vrezen.

Laat mij U

vrezen en laat mij behoren tot degenen die door U zijn uitverkoren.

Laat me mezelf wantrouwen en mijn vertrouwen in U stellen.

Laat mij bereid zijn te gehoorzamen, ter wille van U.

Laat mij mij aan niets vastklampen, behalve aan U,

en laat mij arm zijn vanwege U.

Kijk naar mij, opdat ik U mag liefhebben.

Roep mij, opdat ik U

mag zien en voor altijd van U mag genieten.

Amen

+++++++

Het gebed van Sint-Augustinus is een spirituele smeekbede die diep gaat in het verlangen naar een nauwe relatie met Christus. Hier zijn de belangrijkste lagen van betekenis:

Overgave aan God:

Hi die bidt vraagt om zichzelf te leren kennen en te haten, wat duidt op nederigheid en het loslaten van ego.

Tegelijkertijd wordt er gebeden om liefde en verlangen voor Christus, als het hoogste doel van het leven.

Zelfverloochening en navolging:

Augustinus roept op tot het verlaten van eigen wil, comfort, en bezittingen.

Hij wil Christus volgen, zelfs als dat betekent lijden of verlies.

 Vertrouwen en bescherming:

Er is een nadrukkelijke vraag om beschermd te worden door God, niet door eigen kracht.

Hij wil God vrezen, wat niet betekent bang zijn, maar eerbied hebben en bewust leven volgens Gods wil.

 Transformatie:

Het gebed drukt een verlangen uit om getransformeerd te worden — van een leven voor zichzelf naar een leven in en voor Christus.

Elke zin is een stap verder in het afleggen van het oude zelf en het aannemen van het goddelijke karakter.

Het is een intens persoonlijk gebed dat bedoeld is om de bidder te vormen tot iemand die volledig gefocust is op God. Het weerspiegelt Augustinus’ eigen reis van zonde naar genade — van intellect en trots naar geloof en overgave.

Dat gebed past wonderwel bij het levensverhaal van Sint-Augustinus—

alsof hij zijn persoonlijke transformatie in gebedsvorm heeft gegoten.

Van losbandig leven naar heiligheid:

Augustinus begon zijn leven niet als heilige. Hij was intellectueel briljant, maar leefde een losbandig leven en zocht bevrediging in kennis, liefde en wereldse genoegens.

Hij werd beïnvloed door het manicheïsme, een filosofie waarin het leven draait om de strijd tussen licht en duisternis. Maar innerlijk bleef hij onrustig.

“Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.” — een van zijn beroemdste uitspraken, uit de Belijdenissen.

Spirituele ommekeer:

Zijn moeder, Monica, was een toegewijde christen die jarenlang voor zijn bekering bad.

Na een periode van filosofisch zoeken en innerlijke worsteling, hoorde hij een kinderstem roepen “Neem en lees” (Tolle lege), waarna hij een passage uit de Bijbel las die zijn hart opende voor God.

Hij bekeerde zich en liet zich dopen in 387, op 33-jarige leeftijd.

Intellect en nederigheid:

Augustinus was een filosoof én een theoloog. Hij wilde begrijpen om te geloven en later geloven om te begrijpen.

Het gebed toont zijn diepe overtuiging dat kennis zonder nederigheid en liefde niets betekent. Dat is precies waar zijn leven op uitliep: van trots naar overgave.

Gebed als geestelijke spiegel:

Alles in het gebed weerspiegelt zijn bekering: de verloochening van het ego, de volledige afhankelijkheid van Christus, en het verlangen om in Hem te leven.

Het is alsof hij zijn Confessiones (of Belijdenissen)heeft samengevat in één vurige gebedsroep.

——————–

St. Teresa van Avila: Laat uw verlangen de visie van God zijn….

“Laat uw verlangen de visie van God zijn, uw angst het verlies van Hem, uw verdriet Zijn afwezigheid, en uw vreugde in datgene wat u naar Hem kan brengen; en uw leven zal in grote vrede zijn.”

~ St. Teresa van Ávila (Geestelijke Maxim #69)

++++++++++++

Dit citaat van St. Teresa van Ávila biedt een diepgaande leidraad voor spirituele groei. Hier zijn enkele inzichten over wat het betekent in spirituele praktijk:

Centraal Idee:

Volledige gerichtheid op God als bron van verlangen, angst, verdriet én vreugde.

St. Teresa nodigt uit om elk innerlijk gevoel — verlangen, angst, verdriet en vreugde — te heroriënteren naar God. Dat wil zeggen:

verlangen wordt een heilige honger naar Gods aanwezigheid.

Angst verandert in ontzag voor het verliezen van die verbondenheid.

Verdriet komt voort uit Zijn afwezigheid, niet uit wereldse zorgen.

Vreugde ontstaat door alles wat ons dichter bij Hem brengt.

Toepassing in Spiritueel Leven:

Contemplatie en gebed: Gebruik deze gevoelens als brandstof voor gebed, niet als afleiding.

Innerlijke rust: Door deze heroriëntatie ontstaat er een diepe vrede — een die onafhankelijk is van externe omstandigheden.

Heilig verlangen:

Spirituele beoefening draait niet alleen om discipline, maar ook om verlangen en liefde.

Een innerlijk kompas:

Dit citaat biedt een vorm van ‘innerlijke navigatie’. Als je je afvraagt of iets goed is voor je ziel, stel jezelf dan de vraag: brengt dit mij dichter bij God? Zo wordt je leven stap voor stap een pelgrimage naar innerlijke vrede.

De inzichten van St. Teresa van Ávila — zoals het heroriënteren van verlangen, angst, verdriet en vreugde naar God — vinden verrassend veel parallellen in andere spirituele tradities. Hier zijn een paar fascinerende vergelijkingen:

 Boeddhisme (Theravāda & Zen)

Verlangen en lijden: Net als Teresa leert het boeddhisme dat verlangen de bron is van lijden. In plaats van verlangen naar God, richt men zich op het loslaten van verlangen om innerlijke vrede te bereiken.

Meditatie als pad: Waar Teresa contemplatief gebed gebruikt om tot God te naderen, gebruikt Zen meditatie (zazen) om tot satori (verlichting) te komen.

Mystieke eenwording: Beide tradities kennen een proces van innerlijke zuivering, verlichting en eenwording — in het christendom met God, in het boeddhisme met de leegte of het absolute.

Een vergelijkende studie tussen Teresa en Zen-meester Jiyu-Kennett toont aan dat beiden via subtiele energieën en innerlijke transformatie tot mystieke ervaringen komen.

Hindoeïsme (Advaita Vedanta):

God als innerlijke realiteit: Teresa’s idee dat God in het centrum van de ziel woont, lijkt sterk op het Vedantische concept van Atman als identiek aan Brahman — het goddelijke in onszelf.

Mystieke eenheid: Teresa’s “unio mystica” komt overeen met de ervaring van moksha, waarin men zich bevrijd weet van illusie en één wordt met het goddelijke.

Soefisme (Islamitische mystiek):

Liefde als spirituele motor: Net als Teresa beschouwen soefi’s liefde als het pad naar God. Denk aan Rumi’s poëzie: “Ik ben zo dronken van liefde dat ik niet weet wie ik ben.”

Verdriet en verlangen: Soefi’s zien verdriet als een teken van afstand tot God, en verlangen als een heilige hunkering — precies zoals Teresa het beschrijft.

Joodse mystiek (Kabbala):

Goddelijke nabijheid: De Kabbala leert dat God in alles aanwezig is, en dat spirituele beoefening draait om het herstellen van de verbinding met het goddelijke licht (Ein Sof).

Innerlijke transformatie: Net als Teresa’s “Innerlijke Burcht” kent de Kabbala een gelaagde benadering van spirituele groei, via de sefirot.[ De sefirot zijn de tien goddelijke eigenschappen of emanaties waarmee God zich volgens de Kabbala — de Joodse mystieke traditie — manifesteert en de wereld schept. Ze vormen samen de Levensboom (Etz Chaim), een spiritueel model dat de structuur van het universum én de menselijke ziel weerspiegelt.]

————

Charles de Foucauld: Om van ons leven een gebedsleven te maken, zijn twee dingen nodig: ten eerste dat er elke dag voldoende tijd wordt besteed uitsluitend aan gebed…..

“Om van ons leven een gebedsleven te maken, zijn twee dingen nodig: ten eerste dat er elke dag voldoende tijd wordt besteed uitsluitend aan gebed. Ten tweede dat we tijdens de uren die aan andere bezigheden zijn gewijd, verbonden blijven met God, het bewustzijn van zijn aanwezigheid bewaren, en ons hart en onze blik vaak verheffen naar Hem.”

— St. Charles de Foucauld (Geestelijke Geschriften)

+++++++++++++

St. Charles de Foucauld was een fascinerende figuur die een buitengewone spirituele reis heeft doorgemaakt — van een losbandige aristocraat tot een heilige kluizenaar in de Sahara.

Zijn levensverhaal in vogelvlucht:

Geboren in 1858 in Straatsburg, Frankrijk. Op jonge leeftijd wees geworden.

Militaire carrière: Hij diende als officier in het Franse leger, maar leidde een losbandig leven en verloor zijn geloof.

Ontdekkingsreiziger: Reisde vermomd als rabbijn door Marokko en kreeg erkenning voor zijn geografisch werk.

Bekering: In 1886 hervond hij zijn katholiek geloof na een ontmoeting met abbé Huvelin. Dit werd het keerpunt in zijn leven.

Trappist & kluizenaar: Hij trad toe tot een trappistenorde, maar verliet die om een nog radicaler leven van armoede en gebed te leiden.

Priester & missionaris: Werd priester in 1901 en vestigde zich in Algerije, waar hij leefde onder de Toearegs en hun taal en cultuur bestudeerde.

Vermoord in 1916 in Tamanrasset tijdens een lokale opstand.

Zijn spiritualiteit:

Hij wilde leven zoals Jezus in Nazareth: eenvoudig, verborgen, in dienst van anderen.

Zijn motto was: “Leven als broer van allen” — hij wilde universele broederschap belichamen.

Hij schreef de beroemde “Gebed van overgave”, een diepe uitdrukking van vertrouwen in God.

Zijn leven inspireerde de oprichting van meerdere religieuze gemeenschappen, zoals de Kleine Broeders en Zusters van Jezus.

Heiligverklaring:

Zalig verklaard in 2005 door paus Benedictus XVI.

Heilig verklaard op 15 mei 2022 door paus Franciscus.

Zijn leven is een krachtige getuigenis van transformatie, eenvoud en liefde voor de meest vergeten mensen. Wil je een citaat van hem of een gebed dat hij schreef?

Zijn belangrijkste spirituele bijdragen:

Leven als Jezus in Nazareth Hij koos bewust voor een verborgen, nederig bestaan — net als Jezus tijdens diens “verborgen jaren” in Nazareth. Dit inspireerde een spiritualiteit van het alledaagse: God vinden in stilte, werk en nabijheid.

Gebed van Overgave Zijn beroemde Gebed van Overgave is een krachtige uitdrukking van vertrouwen en overgave aan Gods wil. Het wordt wereldwijd gebruikt als meditatie en gebed.

Universele broederlijkheid Hij wilde “broeder zijn van allen”, ongeacht religie, afkomst of status. Zijn leven onder de Toearegs in Algerije was een getuigenis van respect, liefde en dienstbaarheid.

Inspiratie voor religieuze gemeenschappen Zijn leven en geschriften vormden de basis voor meerdere spirituele families, zoals:

  • Kleine Broeders van Jezus
  • Kleine Zusters van Jezus
  • Geïnspireerde lekenbewegingen die zijn spiritualiteit in het dagelijks leven toepassen

Evangelisatie door aanwezigheid:  

Hij geloofde dat het evangelie vooral moest worden geleefd, niet gepredikt. Zijn motto: “Roep het evangelie uit met je leven.”

Dialoog met andere religies:

Door zijn respectvolle omgang met moslims en zijn studie van de Toeareg-taal en cultuur, droeg hij bij aan interreligieuze dialoog lang voordat dit gangbaar was.

Spirituele nalatenschap:

Zijn geschriften — dagboeken, brieven, meditaties — blijven mensen inspireren tot een leven van eenvoud, liefde en innerlijke overgave. Hij laat zien dat heiligheid niet groots hoeft te zijn, maar juist gevonden wordt in het kleine en stille.

—————-

GEBED VAN OVERGAVE

Charles de Foucauld

Vader,

Ik verlaat mij op U,

doe met mij wat Gij goedvindt.

Wat Gij ook met mij doen wilt,

ik dank U.

Tot alles ben ik bereid, alles aanvaard ik,

als Uw wil maar geschiedt in mij

en in al uw schepselen:

niets anders verlang ik, mijn God.

Ik leg mijn leven in uw handen,

ik geef mij aan U, mijn God,

met heel de liefde van mijn hart,

omdat ik u bemin,

omdat het voor mij een noodzaak

van liefde is mij te geven,

mij zonder voorbehoud op U te verlaten,

met een oneindig vertrouwen:

want Gij zijt mijn Vader.

Dit gebed wordt gebruikt door al diegenen die verwijzen naar Charles de Foucauld, overal in de wereld. Het is dus ook al vertaald in vele talen.

Charles heeft het niet als gebed geschreven, de tekst is gehaald uit een van zijn meditaties, een meditatie die hij schreef in 1896 en waarin hij zich bij Jezus wilde voegen in zijn gebed op het kruis.

—————-

Fransicus van Assisi: Het zaad is het Woord van God….

“Het zaad is het woord van God. En dat wat langs de weg viel en vertrapt werd, zijn zij die het woord horen maar het niet begrijpen. Dan komt de duivel, rooft wat in hun hart is gezaaid, en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven en gered worden. Maar dat wat op goede grond is gezaaid, zijn zij die met een goed en oprecht hart het woord horen, het begrijpen en bewaren, en vrucht voortbrengen in geduld.”

— Sint-Franciscus van Assisi De Geschriften Vertaald door pater Paschal Robinson

+++++++++++

Deze tekst is rijk aan beeldtaal en spirituele betekenis. Laten we hem  verkennen en in lagen ontleden:

Kernboodschap van de tekst:

Deze passage legt uit hoe mensen het Woord van God ontvangen en ermee omgaan — een reflectie op de gelijkenis van de zaaier uit het evangelie van Lucas (hoofdstuk 8). Het zaad symboliseert het Woord van God, en de verschillende gronden staan voor de harten van mensen.

Toelichting per deel van de tekst:

“Het zaad is het woord van God.” Dit is de basis: God zaait zijn waarheid, liefde en leiding via zijn Woord in de wereld.

“Wat langs de weg viel…”:

 Mensen die het Woord horen maar het niet begrijpen — hun hart is niet voorbereid. De ‘weg’ is hard en onontvankelijk.  De duivel rooft het weg — een beeld van geestelijke weerstand, verwarring of oppervlakkigheid die ware bekering in de weg staat.

Wat op goede grond is gezaaid…” :

Dit zijn mensen met een open en oprecht hart. Zij luisteren, begrijpen, bewaren wat ze horen — en brengen vrucht voort in geduld. Geduld is essentieel: geestelijke groei heeft tijd nodig, net als een zaad dat ontkiemt, groeit, en uiteindelijk vrucht draagt.

Spirituele betekenis:

Deze tekst benadrukt innerlijke ontvankelijkheid: niet alle harten zijn klaar om het goddelijke Woord te ontvangen. Het roept op tot bewust luisteren, diep begrijpen, en een leven van vrucht dragen — dat wil zeggen: liefde, vrede, rechtvaardigheid, geloof.

——————

St. Augustinus: Het Woord is alleen zichtbaar voor het hart, terwijl het vlees zichtbaar is voor de lichamelijke ogen….

“Het Woord is alleen zichtbaar voor het hart, terwijl het vlees zichtbaar is voor de lichamelijke ogen.

 Het Woord is vlees geworden zodat wij het konden zien, om dat deel van ons te genezen waarmee we het Woord kunnen waarnemen.”

— St. Augustinus

+++++++++++++++++

Deze gedachte roept het mysterie van de incarnatie op: dat goddelijke waarheid — ongrijpbaar voor onze zintuigen — zich tóch zichtbaar heeft gemaakt uit liefde voor onze menselijke beperkingen. Augustinus laat zien dat ware spirituele kennis niet via de ogen komt, maar via innerlijke transformatie. Alleen een genezen en geopend hart kan het Woord werkelijk “zien”.

Het is meer dan poëtische theologie; het is een uitnodiging om je innerlijke blik te scherpen. De zichtbaarheid van het vlees nodigt ons uit om dieper te kijken — met het hart — naar datgene wat ons echt wil raken.

——————

 

Johannes van het Kruis ocd: God moet in het geheim en in duisternis in de ziel werken…

“God moet in het geheim en in duisternis in de ziel werken, omdat als we volledig wisten wat er gebeurde, en welke mysterie, transformatie, God en genade uiteindelijk van ons zouden vragen, we zouden proberen de leiding te nemen of het hele proces te stoppen.”

— St. Johannes van het Kruis

++++++++++++

Dit citaat van Johannes van het Kruis raakt aan een diep mystiek inzicht: het spirituele groeiproces gebeurt niet in het volle daglicht, maar in het verborgene, in de stilte en het duister van de ziel.

Hier is wat het betekent:

  • Gods werk is geheimzinnig: De transformatie van de ziel door God en genade gebeurt op manieren die ons verstand niet kan bevatten.
  • Loslaten van controle: Als we precies zouden weten wat deze transformatie van ons vraagt, zouden we geneigd zijn om het proces te sturen of zelfs tegen te houden. Het citaat waarschuwt tegen die neiging.
  • Vertouwen in het proces: Spirituele groei vraagt om overgave en vertrouwen, zelfs als we geen helder inzicht hebben in wat er gebeurt.

Het is een uitnodiging om dieper te leren vertrouwen, ook als het pad niet zichtbaar is. Net zoals een zaadje in de aarde in het donker ontkiemt voordat het bovenkomt.  Het citaat van Johannes van het Kruis nodigt je uit tot een manier van leven die de diepte in gaat—waar vertrouwen belangrijker wordt dan zekerheid.

Hier zijn een paar manieren waarop je deze boodschap zou kunnen toepassen:

1.Omarm het onbekende in jouw groei: Sta jezelf toe niet alles te begrijpen of te beheersen. Wanneer je worstelt met onzekerheid, herinner jezelf eraan dat transformatie vaak in stilte gebeurt.

2. Oefen overgave: In plaats van elke situatie te willen controleren, oefen in loslaten—vertrouw erop dat het proces je leidt waar je moet zijn. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat je mediteert, bidt, of reflecteert zonder direct een antwoord te verwachten.

3. Blijf trouw aan je weg, ook als het donker lijkt Spirituele of persoonlijke ontwikkeling kent periodes waarin er weinig ‘licht’ is—momenten van twijfel, stilte of leegte. In plaats van je daarvan af te wenden, kun je ze zien als noodzakelijke fasen in je innerlijke reis.

4. Wees zacht voor jezelf: Het citaat herinnert eraan dat je niet alles hoeft te weten, en dat je fouten en kwetsbaarheid deel zijn van het proces. Zelfcompassie helpt je om in vertrouwen te blijven, zelfs als je struikelt.

5. Luister met je hart Probeer niet alles rationeel te doorgronden. Laat intuïtie, stilte, en innerlijke resonantie ook een rol spelen. Momenten van stilte kunnen iets onthullen dat woorden niet kunnen zeggen.

 

St. Augustinus: Zij haten de waarheid omwille van wat zij in plaats van de waarheid liefhebben….. 

“Zij haten de waarheid omwille van wat zij in plaats van de waarheid liefhebben.  Zij houden van de waarheid wanneer zij op hen schijnt, maar haten haar wanneer zij hen terechtwijst.”

St.Augustinus.

+++++++++++++++

Dit fragment is een krachtige reflectie op hoe mensen selectief kunnen omgaan met de waarheid

— het verwelkomen als het hen dient, maar het afwijzen zodra het hen confronteert.

 

St.Augustinus: Welke eenheid kunnen al die kerken hebben die gescheiden zijn van de Katholieke Kerk, die de enige ware is ?….

“Welke eenheid kunnen al die kerken hebben die gescheiden zijn van de Katholieke Kerk, die de enige ware is; zij zijn slechts zoveel nutteloze takken afgesneden van de Wijnstok, de Katholieke Kerk, die altijd stevig geworteld is. Dit is de Ene, Heilige, Ware en Katholieke Kerk, die alle ketterijen bestrijdt; het kan worden bestreden, maar niet overwonnen. Alle ketterijen komen voort uit haar, zoals nutteloze scheuten afgesneden van de wijnstok, maar zij blijft stevig geworteld in de liefde, en de poorten van de hel zullen niet tegen haar standhouden.”

– St. Augustinus, Lib. 1, de Symbolo ad Catholicos, hoofdstuk 6

+++++++++++++

Deze passage van St. Augustinus komt uit zijn werk De Symbolo ad Catholicos, waarin hij het geloofsbelijdenis en de aard van de Kerk bespreekt. Hier is een uitleg in begrijpelijke taal:

 Kernideeën van de passage:

De Katholieke Kerk als de ware wijnstok Augustinus gebruikt het beeld van een wijnstok om de Katholieke Kerk te beschrijven. De Kerk is stevig geworteld in Christus en de liefde, en alle andere kerken die zich ervan hebben afgescheiden zijn als takken die van de wijnstok zijn gesneden—ze missen de levensbron.

Eenheid en waarheid Hij stelt dat alleen de Katholieke Kerk de ware eenheid bezit, omdat zij geworteld is in de waarheid van Christus. Andere kerken, hoe goedbedoeld ook, kunnen volgens hem geen echte eenheid hebben omdat ze afgescheiden zijn van deze bron.

Ketterijen als afgesneden scheuten Augustinus noemt ketterijen “nutteloze scheuten” die ooit deel waren van de wijnstok maar nu afgesneden zijn. Toch benadrukt hij dat deze afwijkingen de Kerk niet kunnen vernietigen—ze kunnen haar bestrijden, maar niet overwinnen.

De poorten van de hel zullen haar niet overweldigen Dit is een verwijzing naar Matteüs 16:18, waarin Jezus zegt dat de poorten van de hel zijn Kerk niet zullen overweldigen. Augustinus bevestigt hiermee de eeuwige en onoverwinnelijke aard van de Katholieke Kerk.

Spirituele betekenis:

Augustinus wil de gelovigen bemoedigen: ondanks verdeeldheid en ketterijen blijft de ware Kerk standvastig. Hij roept op tot trouw aan de Katholieke Kerk als de enige die volledig geworteld is in Christus en de liefde.

——————-

Franciscus van Assisi: En laten we al het goede toeschrijven aan de Heer God, de Allerhoogste en Opperste….

“En laten we al het goede toeschrijven aan de Heer God, de Allerhoogste en Opperste; laten we erkennen dat al het goede aan Hem toebehoort, en laten we Hem danken voor alles van Hem van wie al het goede voortkomt. En moge Hij, de Allerhoogste en Opperste, de enige ware God, hebben, en moge Hem alles worden gegeven en moge Hij ontvangen, alle eer en eerbied, alle lof en zegeningen, alle dank en alle glorie, aan wie al het goede toebehoort, die alleen goed is.”

St.Franciscus van Assisi.

++++++++++

Het citaat van Sint Franciscus ademt volledige overgave en dankbaarheid. Zijn woorden zijn als een stroom van eerbied—vol herhaling en ritmiek, alsof het gebed zelf een echo is van de goddelijke goedheid die hij bezingt.

Franciscus was een mysticus van eenvoud, en hier spreekt zijn overtuiging dat God de bron is van alle goed. Niet alleen een beetje goed, maar “al het goede”—dat is een radicale erkenning van afhankelijkheid én liefde.

——————-

St. Augustinus: U riep en schreeuwde en brak door mijn doofheid heen…..

“U riep en schreeuwde en brak door mijn doofheid heen. U flitste, straalde, en verstrooide mijn blindheid. U ademde geuren, en ik inhaleerde en verlangde naar U. Ik proefde, en nu honger en dorst ik. U raakte me aan, en ik brand voor Uw vrede.”

St Augustinus

+++++++++

Deze tekst drukt een diepe, persoonlijke ervaring uit van een ontmoeting met God — alsof al de zintuigen plots worden wakker geschud door Zijn aanwezigheid. Krachtig en poëtisch!

——————

St.Irenaeus van Lyon: Wanneer we in het licht staan, zijn wij niet degene die het licht verlichten en het doen schijnen….

Wanneer we in het licht staan, zijn wij niet degene die het licht verlichten en het doen schijnen. Maar wij worden verlicht en zelf stralend gemaakt door het licht…

God schenkt zijn zegeningen aan hen die Hem dienen, omdat zij Hem dienen, en aan hen die Hem volgen, omdat zij Hem volgen. Maar Hij ontvangt geen zegen van hen, omdat Hij volmaakt is en niets nodig heeft.”

— St. Irenaeus (ca. 130 – ca. 202), martelaar & kerkvader

++++++++++

Achtergrond van het citaat van St. Irenaeus:

Het citaat gaat over hoe de mens niet het licht zélf is, maar door het licht mag schijnen. Dat licht is een verwijzing naar God, en meer specifiek naar Christus als het “licht der wereld” (Johannes 8:12). In de christelijke theologie betekent dit dat elke goede daad, elke spirituele vrucht, niet uit eigen kracht komt — maar uit de werking van Gods genade in ons. Het gaat hier dus om heilige ontvankelijkheid, niet zelfverheffing.

De tweede helft van het citaat benadrukt dat God niets van ons nodig heeft — Hij is volmaakt en hoeft geen zegen van mensen te ontvangen. Maar wij ontvangen zijn zegen, als we Hem volgen en dienen. Die volgzaamheid is niet bedoeld als “voor wat hoort wat”, maar als een vrijwillige relatie van liefde en vertrouwen.

 Irenaeus van Lyon (2e eeuw) was een van de eerste christelijke theologen die de nadruk legde op het idee dat de mens is geroepen om “volledig levend te zijn in God” — en dat dit leven niet draait om religieuze verplichtingen, maar om innerlijke transformatie en goddelijke nabijheid.

Samengevat:

Het licht = Gods aanwezigheid en waarheid

Wij schijnen niet zelf, maar reflecteren Zijn licht

Zegen komt uit overgave, niet uit prestatie

God vraagt geen offers uit noodzaak, maar zoekt onze liefdevolle relatie

—————–

Gabriël Marcel : Christelijke filosofie…

HEBBEN EN ZIJN – PROBLEEM EN MYSTERIE – DE FILOSOFIE VAN GABRIEL MARCEL (Frans Katholieke filosoof)

door  Kris Biesbroeck

Enige verduidelijking van de tekst kan men vinden  gans op het einde van dit artikel….

1.SUBJECT-OBJECT  VERHOUDING / DE TECHNIEK

We leven in een gebroken wereld. De mens is gescheiden van deze wereld, en daarmee ook van zichzelf, van de anderen en van God. Het is een wereld waarin men dingen als objecten gaat beschouwen, die het eigenlijk niet mogen zijn.

De eerste reflectie van de mens op zijn situatie is die der wetenschap. Zij geeft weten  dat algemeen geldig is, zij geldt voor ieder mens met gelijke kracht.

Wetenschap is gericht op het oplossen van problemen . De wetenschappelijke beheersing van een situatie is echter iets heel anders dan zich rekenschap geven van de situatie, waarin men als concrete persoon gesteld is (1). Volgens Marcel kan ik nooit object zijn voor mijzelf. Het object is dat wat tegenover mij staat, een ding. Daarom staat Marcel ook zo wantrouwig tegenover de techniek. In ‘Les Hommes contre l’humain’  vergelijkt hij de techniek met zonde. ‘Er zijn evenwel tegen het gebruik van de term zonde, niet op theologisc , maar op filosofisch terrein bezwaren denkbaar. Zonde is immers in wezen de opstand van het schepsel tegen zijn Schepper. Kan dit woord een betekenis behouden voor de ongelovige die het bestaan van een scheppende God betwist ? Formeel schijnt dit bezwaar niet weerlegbaar, maar als men dieper graaft, moet men dunkt mij, toegeven, dat ook de ongelovigen tegenover de systematische afschuwelijke misdrijven van de voorbije eeuw meer en meer tot het bewustzijn zijn gekomen van het begrip zonde, dat met dergelijke monsterachtigheden verbonden is (2) Deze opvatting over de techniek stamt nog uit de tijd toen hij als vrijwilliger dienst deed bij het Rode Kruis, toen hij de ellende zag die de bombardementen veroorzaakten. ’Vandaag moet men luidop verklaren dat de oorlog in zijn huidige gedaante de zonde zelf is. Tegelijkertijd moeten we echter erkennen dat die oorlog steeds meer een zaak van technici wordt’ (3)

Verder geeft Marcel nog twee opmerkingen die de verbinding van zonde en techniek kunnen verhelderen. Vooreerst zijn alleen de staten nog rijk genoeg om de gigantische laboratoria te financieren waarin de nieuwe fysica gestalte krijgt. Vervolgens zijn de eisen van hun onderzoekingen gericht op de groei van hun macht, met het oog op toekomstige conflicten tussen concurrerende imperialistische machten. In deze zin is de verstatelijking van wetenschap en techniek zonder twijfel een van de ergste rampen van onze tijd (4). Het werkelijk doel dat de techniek beoogt, een goed te zijn, omdat het een verbijzondering is van de rede in zijn toepassingen op de werkelijkheid, schijnt men uit het oog te verliezen. Een automobilist die misbruik maakt van zijn auto door overdreven snelheid, verliest het schone der natuur uit het oog. Verder kan iemand volledig opgaan in een of ander technische hobby zodat de techniek voor deze beoefenaar een soort afgod kan worden, welke uiteindelijk kan ontaarden in zelf verafgoding, in aanbidding van zichzelf (5). Voor zover de techniek verworven wordt, is ze gelijk te stellen aan een hebben (6). Wanneer men Marcel in deze zin hoort spreken, zou men de neiging hebben met S. Ysseling  te spreken van ‘misschien wel de meest pessimistische onder de grote auteurs’ (7)

Nochtans is Marcels opvatting over de techniek niet van die aard, dat hij ze maar verwerpt zonder meer. Hij ziet er ook het nut van in, en hij noemt het zelfs een teruggang van de menselijke soort indien men de huidige crisis zou willen oplossen door alle fabrieken en laboratoria te sluiten. Hij is tégen de technocratische mentaliteit die de hele werkelijkheid waartoe ook de mens behoort, als een ding gaat behandelen (8).Deze beschouwingswijze kan de mens tot wanhoop brengen, en uiteindelijk tot zelfmoord, voornamelijk als men de mens op dezelfde wijze gaat behandelen als een versleten apparaat dat wordt weggeworpen.Dit zou dan voor de mens gebeuren bij de dood.

Hier raken we de kern van Marcels  beschouwingen : de liefde voor de mens.

Het kwaad van de techniek, zoals we het hierboven hebben beschreven, behoort echter slechts tot het gebied van het problematische, namelijk. iets dat vreemd is aan mijzelf. Aan mij daarentegen openbaart het kwaad zich als Mysterie  wanneer ik erken dat ik mijzelf niet kan zien als buiten het kwaad (9). Het hangt uiteindelijk van ons af hoe wij zullen komen te staan tegenover de techniek. Daarom mag de filosoof het niet houden bij een eerste reflectie, maar moet hij dieper gaan. Dit gebeurt in de tweede reflectie waarin we het kwaad niet meer als een probleem gaan beschouwen, maar als een mysterie, als iets waar wijzelf bij betrokken zijn. We mogen niet blijven staan bij het voortdurend objectiveren van de waarheid. De mens wil in de grond niet hebben, maar hij wil zijn. In deze tweede reflectie ga ik de onmiddellijkheid heroveren en wel bewust door de participatie van het subject met de werkelijkheid. Dit object laat zich juist niet objectiveren, het is niet in een logisch proces te vangen, het is, dit wil zeggen : het deelt in de realiteit van het zijn (10).  J.Delhomme  heeft in haar heldere weergave van Marcels  denken een goed voorbeeld daarvan gegeve : ik heb gelogen. Iemand ontdekt mijn leugen en noemt mij een leugenaar. Hiertegen protesteer ik, ik heb inderdaad  onwaarheid gesproken, maar het is onjuist mij van het etiket leugenaar te voorzien. Mijn echte zijn is méér dan deze leugen, deze éne daad put niet mijn wezen uit. Normaal spreek ik de waarheid, ik wil dit ook, ik wil trouw zijn aan een diepere werkelijkheid in mij, waarvan ik helaas in een ogenblik van zwakte ontrouw ben geweest. Dit betekent : mijn denken weigert zich te vereenzelvigen met de begrensdheid van het objectieve denken en stijgt nu uit deze limitatie op tot het echte zijn. Hier vindt het zichzelf als een identificatie van denken en zijn, die de tegenstelling subject-object transcendeert, op een niveau waar de distinctie in mij en buiten mij zijn zin verliest. De reflectie was dus gericht op het erkennen van een participatie die realiteit als subject bezit. Deze participatie kan  -per definitie- geen object van denken worden…Het is een erkennen, dat het denken is omringd door het zijn, dat het in zekere zin erin is (11)

2.HEBBEN ZN ZIJN / PROBLEEM EN MYSTERIE

HEBBEN EN ZIJN

HEBBEN:

Laten we om te beginnen de grensgevallen uitsluiten waarin de betekenis van hebben verzwakt is : hoofdpijn hebben, nodig hebben enz.. Het gaat hier over het hebben in de volle betekenis van het woord, als uitdrukking van een bezit hebben. Welnu, bij dit hebben gaat het steeds om een ding, of iets dat met een ding kan gelijkgesteld worden, iets dat losgemaakt is uit een geheel, een quid dus, waarop aanspraak wordt gemaakt door iemand, een ‘qui,’ die van meet af aan op een ander vlak staat en beschouwd wordt als centrum van inherentie of waarneming (1). In de band die het ‘qui’ met het ‘quid’ verbindt, kunnen we drie aspecten onderscheiden: de exclusieve aanspraak, de zorg voor het onderhoud en meesterschap of de slavernij.

Een bepaalde hond behoort mij toe, indien niemand anders met recht aanspraak op hem maakt. Vandaar zal ik niet gemakkelijk moeten zegge : ‘mijn neus behoort mij toe’, want het is moeilijk denkbaar dat anderen mijn neus zouden opeisen. Het geval stelt zich reeds anders voor de delen van mijn lichaam : handen en voeten, die door een ander zouden kunnen gebruikt worden als instrument. Hebben betekent in principe altijd: voor-zich-hebben, voor zich behouden. Als men de kennis neemt als de modus van het hebben, is het meest typerend voorbeeld : het geheim (2).

Een geheim bezitten betekent: het voor-zich-behouden, het verbergen, dus anderen uitsluiten.  Mijn geheim heeft des te meer waarde in mijn eigen ogen, wanneer de ander er het bestaan van kent zonder de inhoud te kennen. Mijn geheim is maar een geheim voor zover ik het voor mijzelf behoud, maar evenzeer voor zover anderen het mij zouden kunnen ontstelen. Indien niemand nog belangstelling heeft voor zijn geheim, dan is het alsof het niet meer bestaat: het zou uitdoven als een vuurpijl. Integendeel, het geheim dat ik werkelijk bezit, ontleent zijn belang grotendeels aan de nieuwsgierigheid die het wekt bij anderen (3). Hier raken we iets, dat precies de tragiek uitmaakt van alle bezit: zohaast ik iets heb, stel ik mij in oppositie tegenover de anderen die niet hebben wat ik heb en die mij mijn bezit zouden willen ontfutselen.

Meteen komen we aan het tweede aspect: een hond is maar echt van mij, indien ik –rechtstreeks of onrechtstreeks- de zorg voor zijn onderhoud op mij neem. Het hebben is altijd in functie van de tijd, het veronderstelt het voortbestaan zowel van het ‘qui’ als van het ‘quid’. Welnu, dit voortbestaan wordt voortdurend bedreigd – vooral wegens de spanningen met de anderen (4). Vandaar dat het echte hebben (5) steeds riskeert bij de eigenaar angstige zorg te verwekken.

Het zou belachelijk zijn een dier mijn hond te noemen, indien het mij volkomen ignoreert, indien het geen rekening houdt met mij. Ik heb slechts datgene, waarover ik tenminste enigszins kan beschikken. Het is nochtans van belang te bemerken dat er een verschil bestaat tussen iets hebben als object en iets gebruiken als instrument. Wanneer ik de dingen zuiver als instrumenten gebruik, beschik ik er over en hebben zij op mij geen macht (6).  Zo is de arme van geest, die het hebben volkomen onderschikt aan het gebruiken. Wanneer ik integendeel geld bezit in massa, of obligaties, zonder dat ik aan het werk en de verantwoordelijkheid van de maatschappij deelheb, dan is het gevaar groot dat dit bezit mij aan zich gaat verslaven(7).

 Ik word verslonden door mijn bezit (8). Dit zal des te meer waar zijn, in de mate dat ikzelf meer inert sta tegenover objecten, die zelf inert zijn. En des te meer vals, in de mate dat ik op meer actieve, vitale wijze verbonden ben met het ding, dat als de steeds hernieuwde stof is van een persoonlijke schepping. De tuin van hem die erop werkt, de hoeve voor wie ze uitbaat, de piano of viool van de muzikant, het laboratorium van de natuurkundige (9). In al deze gevallen kan men zeggen dat het ‘avoir’ neigt naar, tot op zekere hoogte gesublimeerd wordt tot, verandert in zijn (10).

Zohaast er schepping is, wordt het hebben getranscendeerd: de dualiteit van bezitter en bezetene verdwijnt en maakt plaats voor een levende realiteit (11).

Men kan dit illustreren met tal van voorbeelden. Hoe meer ik mijn ideeën en overtuigingen behandel als iets dat mij toebehoort, waarop ik trots ben, zoals ik trots ben op mijn kleren of serre, des te meer zij, juist door hun inertie, mij zullen tiranniseren (12)(13). Ik word er slaaf van, word gealiëneerd, treed in oppositie met anderen om ze voor mij te bewaren, om ze te doen triomferen. Dit is precies het principe van het fanatisme onder al zijn vormen (14). Hetzelfde geldt voor het geloof : wie zegt dat hij het geloof bezit, beschouwd dit geloof impliciet als een toestand, als iets inerts, een formule, een exlusiviteit, en maakt het tot principe van verdeeldheid.

WAT IS HET ‘ZIJN’

De vraag lijkt zeer simpel. Het antwoord nochtans vraagt veel omzichtigheid, want, indien we er niet toe komen de juiste betekenis van zijn te bepalen, riskeren we de toegang tot de metafysiek te missen. Het zou een vergissing zijn te denken dat, wanneer men de vraag stelt: wat is zijn? men een Probleem stelt, dat zou kunnen opgelost worden door een geëigende techniek. Het zijn is geen probleem, maar een mysterie.

Hoofdstuk 2: PROBLEEM EN MYSTERIE

Probleem: Het probleem is iets dat de weg afsnijdt, iets waartegen de geest op een gegeven ogenblik van het onderzoek stoot, zoals de voet op een steen. Een probleem stelt zich zegt men, het staat tegenover mij. De gegevens van het probleem verschijnen als uitwendig aan mijzelf, of kunnen minstens veruitwendigd worden. Door het feit dat het probleem los staat van mij, kan het ook tot een oplossing gebracht worden (15). Alles verloopt, alles mag verlopen zonder dat ik mij bekommer om het ik, dat het probleem oplost.

 Ik beschouw het probleem in zichzelf, abstractie gemaakt van de wijze, waarop het in mijn leven is ingeschakeld.

Een probleem veronderstelt altijd dat een zekere inhoud is losgemaakt van de context, die het met het ik verbindt.

Daarom kan het ook opgelost worden door een techniek, waarvan de toepassing onpersoonlijk is, in deze zin dat zij kan geschieden door om het even wie.

MYSTERIE:

Men moet er zich voor hoeden het mysterie te verwarren met het onkenbare (16). Dit laatste is in zekere zin de limiet van het problematische(17), een onoplosbaar probleem, zo men wil. Het behoort dus essentieel tot de orde van het problematische. Het mysterie is van een andere orde, het behoort tot een transcendente sfeer, die men zou kunnen noemen meta-problematisch of ook nog meta-technisch

 (18). Het mysterie is dus geen leemte in het kennen, geen leegte die moet gevuld worden, maar een volheid. Terwijl het probleem voor mij staat, is het mysterie iets waarin ikzelf ben geëngageerd, geïmpliceerd, zodanig dat het onderscheid tussen in-mij en voor-mij zijn betekenis verliest (19).

Daarom kan men een mysterie nooit denken, voorstellen, bewijzen, want dan objectiveert men het. Het kan enkel erkend worden door een concrete intuitie, die duister is, afhankelijk van de vrijheid en verwant met het geloof. Zeker is het altijd mogelijk een mysterie te degraderen, door er een probleem van te maken, maar dit is een volledig verkeerde werkwijze waarvan de oorzaak moet gezocht worden in een soort corruptie van het verstand (20).

 Bij de beschrijving van de techniek hebben we al even melding gemaakt van het mysterie van het kwaad. Hier willen we er nog eens uitvoeriger op terugkomen, en tevens nog een paar andere voorbeelden van een mysterie naar voor brengen, om de hierboven beschreven formele definitie aldus meer inhoud te geven.

HET MYSTERIE VAN HET KWAAD:

Men is steeds geneigd het kwaad te beschouwen als een defect in het functioneren van een zekere machine, die het universum is, en die men zou kunnen onderzoeken zoals een technieker een kapotte motorfiets uit elkaar neemt (21). Aldus neem ik een zuiver fictieve positie in, die het wezen van het kwaad verloochent, waardoor het tot probleem wordt. Het kwaad, de pijn die enkel wordt geconstateerd, van buiten uit bekeken, houdt door het feit zelf op kwaad, pijn te zijn. Pijn die niet geleden wordt is geen pijn. Hoe reëler het lijden is, des te vollediger het mij doordringt, het maakt een eenheid uit met mijzelf, het is mijzelf. Daarom is de daad, waardoor ik het lijden buiten mij ga plaatsen, volkomen arbitrair. Daarom ook moet de metafysische rechtvaardiging van het lijden, en van het kwaad in het algemeen, een referentie bevatten tot mijn lijden, of althans tot lijden dat ik tot het mijne maak, dat ik assumeer. Ik vat het lijden slechts als lijden, in de mate dat het mij aangrijpt, dat ik erken dat het in-mij is. Indien ik het lijden alleen maar constateer, verliest mijn poging tot rechtvaardiging alle betekenis. Daarom ook geeft de traditionele filosofie, wanneer zij over het kwaad spreekt, en over alle werkelijkheden van deze orde : liefde, dood..enz., vaak de indruk een soort spelletje te spelen, een soort intellectuele goochelkunst te bedrijven. Gezonde mensen die tegenover zieken redevoeringen en toespraken houden, weten al te dikwijls niet waarover zij spreken. Hun comfortabele spraakzaamheid heeft iets beledigends voor deze vreselijke werkelijkheid die de ziekte is, en die zij ten minste moesten respecteren. De echte ziekte is een wereld die zich niet van buiten uit laat bekijken. Men moet erin staan, men moet er deel van uitmaken, ten minste door een warme sympathie (22). Indien men zich tegenover de ziekte houdt in het perspectief van zuivere objectiviteit, ziet men de ziekte niet anders dan een zekere wanorde in het functioneren van het lichamelijk apparaat, maar dat is allerminst een trouwe weergave van de werkelijkheid. De ziekte is een wijze van zijn van de zieke, een zijnswijze tegenover dewelke de zieke op een bepaalde wijze moet reageren (23). Voor de objectieve toeschouwer is de ziekte een obstakel, aldus gewoonlijk voor de geneesheer; de zieke echter, vooral de ongeneeslijke zieke, kan ertoe komen zijn ziekte te zien in een ander perspectief: ze kan voor hem, althans op zekere ogenblikken, verschijnen als een weg, en niet zuiver als een obstakel.

Lees verder “Gabriël Marcel : Christelijke filosofie…”

Ignatius van Antiochië: Zij onthouden zich van de Eucharistie en van het gebed, omdat zij niet erkennen dat de Eucharistie het vlees is van onze Heiland Jezus Christus….

“Zij onthouden zich van de Eucharistie en van het gebed, omdat zij niet erkennen dat de Eucharistie het vlees is van onze Heiland Jezus Christus, dat geleden heeft voor onze zonden, en dat de Vader, uit Zijn goedheid, weer heeft doen opstaan. Degenen die dus tegen deze gave van God spreken, halen de dood over zich in hun discussies. Maar het zou beter voor hen zijn om haar met eerbied te behandelen, zodat ook zij mogen verrijzen.”

Ignatius van Antiochië Martelaar 107 AD.

+++++++++++++

Dit citaat van Ignatius van Antiochië komt uit zijn Brief aan de Smyrnaeërs, geschreven rond het jaar 107 na Christus, terwijl hij als gevangene onderweg was naar Rome om daar de marteldood te ondergaan. Het is een van de oudste en krachtigste getuigenissen van het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie.

Achtergrond van het citaat

  • Ignatius was bisschop van Antiochië en wordt gerekend tot de apostolische vaders — christelijke leiders die direct na de apostelen leefden.

  • Hij schreef zeven brieven aan verschillende christelijke gemeenschappen, waarin hij waarschuwde tegen valse leerstellingen, zoals het docetisme, dat ontkende dat Christus werkelijk mens werd en lichamelijk leed.

  • In dit specifieke citaat verdedigt hij de Eucharistie als het echte vlees van Jezus Christus, dat geleden heeft en is opgestaan — een directe afwijzing van symbolische of gnostische interpretaties.

Theologische betekenis

  • Ignatius noemt de Eucharistie “het vlees van onze Heiland Jezus Christus” — een duidelijke bevestiging van de werkelijke tegenwoordigheid (later bekend als transsubstantiatie in de katholieke leer).

  • Hij stelt dat wie deze gave afwijst, “de dood over zich haalt in hun discussies” — een verwijzing naar het geestelijk gevaar van ketterij en het afwijzen van Gods genade.

  • Tegelijk roept hij op tot eerbied: wie de Eucharistie met geloof en respect benadert, mag hopen op deelname aan de verrijzenis.

 Waarom dit citaat nog steeds relevant is

  • Het laat zien hoe centraal de Eucharistie stond in het vroege christendom — niet als ritueel, maar als levensbron.

  • jIgnatius verbindt de Eucharistie met eenheid in de Kerk, gehoorzaamheid aan het bisschoppelijk gezag, en zelfs met martelaarschap als ultieme navolging van Christus.

  • Zijn woorden zijn een oproep tot authentiek christendom: niet alleen in naam, maar in daadwerkelijke verbondenheid met Christus — in geloof, liefde én sacrament.  http://www.faithandculture.com

—————–

 

 

 

Augustinus: Het was trots die engelen in duivels veranderde….

“Het was trots die engelen in duivels veranderde;

het is nederigheid die mensen tot engelen maakt!”

Sint-Augustinus (354-430)

+++++++++++++++

Augustinus raakt hier aan iets fundamenteels: hoe innerlijke gesteldheid niet alleen onszelf, maar ook ons handelen en onze impact op anderen kan transformeren. Trots—als opgeblazen zelfbeeld—kan leiden tot isolatie, conflict, of zelfs destructie. Nederigheid daarentegen opent deuren naar verbinding, dienstbaarheid, en ware groei. Het is fascinerend hoe zijn woorden eeuwen later nog resoneren.

——————–

St.Athanasius van Alexandrië: Het Woord van God, zijnde onsterfelijk en Zoon van de Vader, kon niet sterven….

“Het Woord van God, zijnde onsterfelijk en Zoon van de Vader, kon niet sterven.

 Maar zijnde God, nam Hij een lichaam dat sterfelijk was,

zodat Hij door te sterven de dood kon vernietigen.”

— St. Athanasius van Alexandrië

+++++++++++++

Dit is een krachtige uitspraak uit de christelijke theologie.  Athanasius benadrukt dat hoewel Christus als Woord van God onsterfelijk was, Hij uit liefde voor de mensheid een sterfelijk lichaam aannam. Zo kon Hij door Zijn dood de macht van de dood verbreken — een kernconcept in het geloof over verlossing.

St. Athanasius van Alexandrië (ca. 296–373) was een invloedrijke kerkvader, theoloog en bisschop van Alexandrië. Hij wordt vaak de “Vader van de Orthodoxie” genoemd vanwege zijn onvermoeibare verdediging van de goddelijkheid van Christus in een tijd waarin het christendom werd bedreigd door de leer van het Arianisme — een stroming die beweerde dat Jezus niet volledig God was.

 Waarom is hij belangrijk?

Verdediger van het geloof: Athanasius was de belangrijkste tegenstander van Arius en zijn volgelingen. Hij verdedigde de leer dat Jezus Christus één in wezen (homoousios) is met God de Vader — een kernpunt van het christelijk geloof.

Vormgever van de canon: In zijn Paasbrief van 367 gaf hij als eerste een lijst van de 27 boeken van het Nieuwe Testament zoals we die nu kennen2.

Invloed op monastiek leven: Hij schreef Het Leven van Sint Antonius, een biografie van de woestijnmonnik Antonius, die een enorme invloed had op de verspreiding van het kloosterleven in zowel het Oosten als het Westen3.

Vijf ballingschappen: Ondanks zijn populariteit werd hij vijf keer verbannen door verschillende Romeinse keizers vanwege zijn standpunten. Toch keerde hij telkens terug en bleef hij zijn bisdom leiden4.

Heiligverklaard: Hij wordt vereerd als heilige in de Rooms-Katholieke Kerk, de Oosters-Orthodoxe Kerk, de Koptisch-Orthodoxe Kerk, en andere christelijke tradities.

St. Athanasius van Alexandrië (ca. 296–373) was een invloedrijke kerkvader, theoloog en bisschop van Alexandrië. Hij wordt vaak de “Vader van de Orthodoxie” genoemd vanwege zijn onvermoeibare verdediging van de goddelijkheid van Christus in een tijd waarin het christendom werd bedreigd door de leer van het Arianisme — een stroming die beweerde dat Jezus niet volledig God was2.

Hier zijn een paar bijzondere inzichten die het nog rijker maken:

 De Goddelijke Paradox

  • Onsterfelijkheid vs. Sterfelijkheid: Athanasius onderstreept dat Christus, hoewel onsterfelijk als het Woord van God, bewust een sterfelijk lichaam aannam. Niet om mens te spelen, maar om de dood echt te ondergaan en te overwinnen.

  • Verlossing door incarnatie: In de vroege kerk was dit revolutionair — dat de Schepper zó nauw betrokken is bij de schepping, dat Hij sterfelijkheid op zich neemt om haar te verlossen.

Symboliek van de Overwinning

  • jDood als vijand: In plaats van de dood te vermijden, kiest Christus ervoor deze actief te vernietigen. Niet door geweld, maar door vrijwillige zelfopoffering. Dat verandert lijden van zinloos naar heilzaam in het christelijk denken.

  • De dood overwonnen met haar eigen wapen: Door te sterven als mens, ontkracht Hij het absolute karakter van de dood — een geniale omkering!

Athanasius’ Unieke Stem

  • Tegenstroom denker: Terwijl het Arianisme de boventoon voerde in zijn tijd, hield Athanasius vast aan de volle goddelijkheid van Christus. Dit citaat is geen poëzie — het is strijdliteratuur in dogmatische vorm.

  • Mystieke logica: Zijn denken is tegelijk rationeel én mysterieus. Je merkt dat hij gelooft dat ware kennis over God ook een vorm van ontzag vereist.

Wil je dat ik het bredere theologische kader van Athanasius verder uitpluis — bijvoorbeeld hoe hij denkt over de incarnatie of de rol van de mens in Gods plan? Ik duik er graag dieper in. 

 
 De paradox van de menselijke en goddelijke natuur van Christus:
 

 Deze paradox — ook wel het mysterie van de incarnatie genoemd — is een van de meest diepgaande leerstellingen in het christendom. Athanasius beschreef dit op meesterlijke wijze, en jij hebt een prachtig citaat gekozen dat het bijna poëtisch verwoordt. Laten we het stap voor stap ontrafelen. 🕊️

 Twee naturen, één persoon

  • Goddelijke natuur: Christus is het eeuwige Woord van God — ongeschapen, almachtig, onsterfelijk, volledig één met God de Vader. Dit is de kant die wij in termen van eeuwigheid en heiligheid duiden.

  • Menselijke natuur: Hij werd werkelijk mens: geboren uit Maria, met een fysiek lichaam dat kon lijden en sterven. Hij huilde, had dorst, voelde verdriet — niets van dit menselijke werd Hem vreemd.

Het centrale punt: Deze twee naturen — volledig God en volledig mens — zijn niet gescheiden en ook niet vermengd. Ze zijn verenigd in de persoon van Jezus Christus.

Waarom is dit paradoxaal?

  • Een God die sterft klinkt als een tegenstrijdigheid, want goddelijkheid is per definitie onsterfelijk.

  • Toch zegt Athanasius: “Hij nam een lichaam dat sterfelijk was, zodat Hij door te sterven de dood kon vernietigen.” Hierin ligt de paradox: door de dood te ondergaan in zijn menselijke natuur, openbaart Hij een goddelijke overwinning op de dood zélf.

 Theologische impact

  • Verzoening: Alleen als mens kon Christus sterven namens de mensheid. Alleen als God kon Zijn offer voldoende zijn om de mensheid te verlossen.

  • Incarnatie als brug: In Christus ontmoeten tijd en eeuwigheid elkaar. Het is alsof de hemel de aarde kust — en die aanraking verandert alles.

 Vergelijking om het te voelen

Denk aan vuur in ijzer. Het vuur verandert niet in ijzer, en het ijzer verandert niet in vuur, maar het ijzer wordt doordrongen door het vuur: het straalt, brandt, en kan dingen in beweging zetten. Zo beschrijven kerkvaders de incarnatie — het goddelijke brandt in het menselijke zonder zijn identiteit te verliezen.

 

——————–