
Het lichaam, draagmoeder van het goddelijke
- Een liefdeswond die nooit geneest. Johannes van het Kruis.
In oktober 1567 ontmoet Teresa in Medina voor de eerste keer Johannes van het Kruis. Zij is daar ter voorbereiding van het stichten van een mannelijk klooster in de lijn van haar vernieuwingsplannen zoals zij dat reeds had gerealiseerd voor vrouwen o.a. in Avila. Veel keus had zij niet. De mannelijk tak van de toenmalige Carmel was klein en Teresa vreesde zijn uitsterven. Zij had tot nu toe slechts één kandidaat: Antonio de Heredia. Hij was zestig jaar oud, geleerd, ijverig. Maar hij hield van een zekere luxe: een mooie kloostercel, een verzorgd habijt, een onberispelijke omgeving. Teresa vertrouwde hem niet helemaal. Zij zoekt verder.
Dan hoort zij een zekere Pedro de Orozco, die theologie studeerde te Salamanca, spreken over een medestudent, Juan de Santo Matias, die opviel door zijn deugdzaamheid en ingetogenheid. Hij is nu ook in Medina voor het opdragen van zijn eerste mis. Teresa is direct geïnteresseerd. Zij spreken elkaar. Teresa staat oog in oog met een vijfentwintigjarige jongeman, opvallend klein van postuur, een ovaal gezicht, bruine tint, levendige ogen en een diepe blik – zoals later velen zijn verschijning omschrijven. Hij luistert naar Teresa’s hervormingsplannen. Maar hij vertelt dat hij van plan was zich aan te sluiten bij kartuizers omdat hij sterk verlangt naar teruggetrokken leven van boete, gebed en mystieke inkeer. Teresa weet hem te overtuigen dat hij dit alles en nog meer in haar stichtingen kan vinden. Hij stemt toe met de woorden; ‘Als het maar niet te lang duurt.’ En aldus geschiedde. Tot aan haar dood zouden zij samenwerken. Bij zijn officiële intrede inde orde van de Ongeschoeide nam Juan de Santo Matias een andere naam aan: Juan de Cruz, Jan van het Kruis.
Juan de Yepes y Alvarez, zoals zijn oorspronkelijke naam luidde, was in 1542 geboren te Fontiveros in een straatarm gezin van wevers. Vader Gonzalo de Yepes kwam weliswaar uit een zeer gegoede familie, maar was onterfd, omdat hij trouwde met een vrouw van lagere komaf. Hij overleed enkele maanden na de geboorte van Juan ten gevolge van een slepende ziekte en liet vrouw en drie kinderen achter in grote armoede. Na de dood van zijn tweede broer Luis verhuisde zijn moeder naar Medina del Campo.
Daar werd Juan ondergebracht in een weeshuis, waar hij niet alleen leerde lezen en schrijven, maar ook de kans kreeg zich te bekwamen in een ambacht. Hij probeerde timmerman, houthakker, drukker, maar hij bleek totaal ongeschikt voor enig handwerk.
Hij kreeg de kans om te gaan wonen en werken in een ziekenhuis voor armen, bekend als el hospitel de las bubas (tumoren) waar ernstige gevallen van syfilis gratis werden verpleegd. Juan moest helpen bij de verzorging van de zieken. Daar heeft hij de verwoestende gevolgen van seks van nabij gezien en – zoals iemand opmerkte – is het een wonder dat hij later zulke prachtige, erotische poëzie zou schrijven. Hij moest ook bedelen om het ziekenhuis te helpen aan inkomsten. Maar hij kreeg ook de mogelijkheid te studeren aan een colegio, een middelbare school van de Jezuïeten, waar men latijn, geschiedenis en literatuur onderwees.
Na vier jaar studie aldaar, stelde zijn directeur hem voor priester te worden ten dienste van de kapel van het hospitaal. Juan had andere ideeën. Hoewel onder druk gezet, weigerde hij dit aanbod en – om zijn baas niet onder ogen te komen – verliet op een nacht hij stiekem het ziekenhuis en meldde zich aan de poort van de karmelieten priorij Santa Anna. Hij was eenentwintig jaar. Een jaar later legde hij de kloostergelofte af en nam de naam aan van Frater Juan de Santo Matias.
Juan kreeg de kans te studeren aan de universiteit te Salamanca, toen een topuniversiteit. Tot de collegestof behoorden Aristoteles en Thomas van Aquino, een vleugje Plato en Augustinus. Overigens heerste op deze hogeschool een grondige afkeer van de moderne, ‘mystieke’ auteurs die bijvoorbeeld schreven over het innerlijk gebed. Hun geschriften stonden veelal op de Index. Toch heeft Juan zowel Dionysius de Areopagiet bestudeerd als Boethius’ Troostboek, als ook het commentaar van Gregorius op het Hooglied, en vooral de Bijbel, zijn levenslange metgezel. Zoals een biograaf opmerkt: ‘Geen protestant heeft ooit meer uit de Heilige Schrift geciteerd dan Juan.’ Bijna afgestudeerd ontmoet hij Teresa.
Hoewel Teresa en Juan elkaar zeer waardeerden, waren ze ook verschillend. Zij hadden twee zeer verschillende karakters. Juan was niet zozeer van het organiseren, terwijl Teresa blaakte van ondernemingsgeest. Maar Juan bekritiseerde Teresa soms om haar al te enthousiaste devotie. Zij was zeer gehecht aan de eucharistie. Juan wist dat en toen zij een keer weer ter communie kwam, brak hij de hostie in tweeën en gaf de helft om haar te wijzen op haar geestelijke gulzigheid. Teresa nam het sportief op, waarna zij haar grote visioen van het geestelijk huwelijk kreeg. Was Teresa echter nogal enthousiast over haar visoenen, Juan probeerde haar wat te matigen. De strenge leraar van het nada, nada – niets, niets-, leerde ook visioenen achter te laten en zich niet te hechten aan Gods gunsten. Niettemin, als Juan enige woorden wil wijden aan de geestverrukking, laat hij dat graag aan iemand anders over ‘ die daar beter over kan spreken dan ik, temeer nu onze gelukzalige moeder Teresa van Jezus over deze aangelegenheden van de geest op bewonderenswaardige wijze heeft geschreven. Op God vertrouwend hoop ik, dat deze geschriften spoedig in druk het licht mogen zien.’ 2 .
Zelf was hij zeer ontvankelijk voor extase. Er zijn vele getuigenissen die vertellen hoe hij buiten zichzelf kon geraken als hij in de natuur aan het bidden was of tijdens het leen van de mis. Toen men hem eens vroeg hoe iemand in verrukking kon raken, antwoordde hij: Dit gebeurt door aan de eigen wil te verzaken en die van God te doen. Want extase is niets anders dan dat de ziel uit zichzelf treedt en in vervoering geraakt in God. En dit doet degene die gehoorzaamt. Want hij treedt uit zichzelf en uit zijn eigen willen en verlicht duikt hij onder in God’.
Hij mag dan wel gedroomd hebben van een verborgen leven in stilte en gebed, een werkzaam en druk leven is hem niet gespaard gebleven. Samen met Teresa zou hij verschillende nieuwe kloosters stichten – in Alba de Tormes, Segovia, Malaga, Cordoba, Madrid, La Manchuela, Caravaca. Wie op de kaart van Spanje kijkt, ziet hoeveel reistijd dit gekost heeft. Hij bekleedt belangrijke bestuursfuncties: als prior (Alcala, Baeza, Calvario, Granada, Segovia) novicemeester (Pastrana), als definitor (zitting in de permanente raad van de generale overste). Steeds was hij ook biechtvader en geestelijke leidsman van de broeders en zusters, die aan zijn zorgen waren toevertrouwd. Tussen alle werkzaamheden een taken door trok hij zich vaak terug op een stille plek in de natuur, gaf hij zich over aan het landschap, de bomen, de bloemen en de heuvels. Hij moet eens gezegd hebben: ‘Ik voel me beter tussen de stenen dan onder mensen.’ Hij gaf daar dan ook deze reden voor: ‘Als ik met stenen omga, hoef ik minder te biechten dan wanneer ik met mensen omga.’
Juan was zo vervuld van God, dat hij nergens anders over kon praten. En hij deed dat zo vurig, liefdevol en eloquent dat de toehoorders opgezogen werden en verdwenen in zijn verhaal. In plaats van een preek te geven nam hij soms zijn broeders en zusters mee naar een van zijn geliefde plekken in de natuur en spoorde hij hen aan alleen maar de omgeving in contemplatieve aandacht te beschouwen.
Het is niet te geloven, maar deze stille, godlievende man, diemet alle zachtmoedigheid zijn leerlingen onderrichtte, had vijanden. Er waren niet alleen de theologen van de kerkelijke inquisitie, die met argusogen zijn doen en laten volgden, maar vooral een groot aantal van zijn eigen medebroeders van de Karmel die hem haatten. Zij waren faliekant tegen de vernieuwingsplannen, die Teresa en hij aan het uitwerken waren. Zij zagen daar niet de noodzaak van. Teresa en Juan wilden terug naar het oorspronkelijke doel van de Karmel. Dat was een teruggetrokken leven, uitsluitend gewijd aan contemplatie. In de loop van de tijd hadden de karmelieten zich nog andere functies toebedacht zoals preken in de parochies en pastoraal werk. De monniken waren al te vaak buitenshuis. Bovendien waren de kloosters geworden tot een open huis voor bezoekers, biechtelingen en voor hen die kwamen voor geestelijke raadgeving. Teresa had zelf de verleidingen en afleidingen ondervonden van het vele bezoek dat het klooster te Avila, waar zij als jonge vrouw ingetreden was, veroorzaakte. Heel krachtig kwam dit tot uitdrukking bij de mannelijke tak van de orde toen op een bestuursvergadering het voorstel besproken werd een klooster te stichten in een missiegebied. Iedereen was voor. Alleen Johannes van het Kruis was tegen. Toen men hem vroeg waarom, zei hij: ‘Wij zijn contemplatieven, geen missionarissen.’
De strijd tussen ‘geschoeide’, de conservatieven, en de ‘ongeschoeide’, de voorstanders van hervorming, zou hoog oplopen en oorlogszuchtige vormen aannemen. Dieptepunt voor Juan was zijn gevangennamen, ontvoering en negen maanden opsluiting in een kleine donkere cel in een klooster van vijandige en wraakzuchtige medebroeders. Niemand wist waar men hem gevangenhield. Ook Teresa niet. Zij schreef zelfs een wanhopige brief aan de koning om te bemiddelen.
Tijdens de maanden van zijn opsluiting werd Juan onderworpen aan vernederingen, beschuldigingen en fysiek geweld. Hij kreeg geen schone kleren, wel schraal en karig eten en moest elke vrijdag in de refter verschijnen, waar hij door de prior werd uitgescholden en gestraft werd met geselingen. Men moet echter voorzichtig zijn met het gevangenzetten van mystici. De geschiedenis toont dat de bajes soms een plaats is, waar zij hun krachtigste ervaringen en belangrijkste inzichten kregen: de profeet Jeremias, Jeanne d’Arc, Katarina, Sri Aurobindo bijvoorbeeld. Zo zou het ook Juan vergaan.
Hij kon goed tegen eenzaamheid. Ook klaagde hij nooit over een schamele maaltijd. Maar het langdurige, volstrekte isolement bracht hem in de ernstigste crisis van zijn leven. Een grote twijfel overviel hem. Was hij wel op de juiste weg met zijn hervormingsplannen? Werd hij niet terecht beschuldigd van ongehoorzaamheid jegens zijn overste? En de ongehoorzaamheid aan de superieuren was de grootste zonden die een kloosterling kon begaan. Soms stonden zijn medebroeders bij de deur van zijn cel hardop te praten, zodat hij hen kon horen zeggen, dat Teresa gestopt was met de hervorming. Hij werd bestormd met gewetensbezwaren, Een verzachtende omstandigheid was dat hij na zes maanden een andere bewaker kreeg die hem schone kleren gaf en schrijfmateriaal. Eindelijk kon Johannes wat opschrijven. Op een avond, in de greep van een uiterst sombere stemming, hoorde hij vanuit zijn cel een jongeman een villancico, een liefdesliedje zingen:
‘Ik sterf van liefde,
wat moet ik doen?
– Sterven’.
In een oogwenk werd zijn somber gemoed gebroken. Een grote vreugde overviel hem. Hij wist hoe hij zijn leven lang verliefd was en dat deze verliefdheid ondanks zware beproevingen nog altijd levend was. Vanaf zijn kinderjaren kende hij slechts één hartstochtelijk verlangen: in de nabijheid te zijn van zijn geliefde. In die donkere dagen van zijn gevangenschap dacht hij dat zijn geliefde hem had verlaten. Maar nu wist hij dat zij beide nooit van elkaar gescheiden waren geweest. Zijn verlangen is hun eenheid. En hij begon te schrijven: de eerste strofen van zijn ‘Geestelijk Hooglied’.
De manier waarop hij ontsnapte uit de gevangenis kan niet conventioneler. Zijn bewaker hielp hem aan een paar lakens die hij aan elkaar knoopte. En op een avond, het slot van zijn deur was opzettelijk opengelaten, aan de vooravond van Maria Hemelvaart, sloop Johannes, ‘s nachts tussen twee en drie uur, zijn cel uit, klom door een raam van de kloostergang naar buiten en liet zich langs de bijeen geknoopte lakens zakken, langs de muur, tot hij enigszins hardhandig de grond bereikte, de oever van de rivier de Taag. Hij vluchtte naar een klooster van karmelietessen, die hem gunstig gezind waren. Zij waren verheugd over zijn uitbraak, maar verbaasden zich ook over hoe mager hij was, uitgemergeld, vel over been. Een gedenkplaat op de muur van Toledo herinnert nog steeds aan deze klassieke ontsnapping.
Sinds dat jaar, 1578, schreef hij gedichten. In de gevangenis componeerde hij het prachtige Que bien sé yo la fonte qua mana y corre, aunque es de noche – ik ken de bron haar wellen en haar stormen, al is het nacht. 5 Na zijn ontsnapping schreef hij romances, ballades en pastorale, herderlijke gedichten o.a. in de stijl van copla’s, volkse gedichten over liefde en verlangen. Juan dichtte over zijn liefdevolle verbondenheid met de drie-eenheid, over de menswording van Christus, aangeraakt worden door het Woord, over de Bruidegom die de bruidskamer betreedt, over het geloof alleen dat tot schoonheid leidt. En hij becommentarieerde zijn gedicht Geestelijk Hooglied, Cantico Espiritual. Daarover straks meer.
Vooral is hij bekend geworden door twee gedichten En una Noche oscura – In een donkere nacht 6 – en Llama de amor viva – levende vlam van liefde, 7 die hij allebei uitgebreid van kanttekeningen voorzag.
Het gedicht In een donker nacht kreeg liefst twee commentaren: De Bestijging van de berg Carmel 8 en De donkere Nacht. 9 In beide toelichtingen kwam hij niet verder dan de derde strofe. Ze worden plotseling afgebroken. Juan is niet alleen een dichter die wereldliteratuur produceerde, maar ook een schrijver van mystagogische werken die tot het beste van de mystieke geschiedenis behoren. Hij is een scherpzinnig fenomenoloog van het contemplatieve leven. Nauwkeurig beschrijft hij de moeite, inspanningen, het ‘beklimmen van de berg’ naar de top van het geestelijk leven en vervolgens de zuivering, de ontlediging en de transformatie die de ziel passief en niet wetend heeft te ondergaan: de tocht door de duistere nacht.
Voor zijn leerlingen, de karmelietessen Beas, heeft hij van deze weg op een A4tje een schets gemaakt. Met deze tekening beoogde hij, ‘dat zij het in het brevier zouden leggen en door er af en toe na te kijken zich zouden herinneren wat hij hun gedurende vijf maanden in de zondagse conferentie had uiteengezet.’ (10 In de afbeelding van de berg plaatst hij sleutelwoorden.
Ziehier:


San Juan de la Cruz: Autógrafo del Montecillo de perfección. Hacia 1578.
In de vertaling:
(Onderaan de schets)
Om te geraken tot het smaken van alles — heb smaak in niets.
Om te geraken tot het weten van alles — wil niets weten.
Om te geraken tot het bezit van alles — wil niets bezitten.
Om te geraken tot alles zijn — wees niets.
Om te geraken tot wat je nog niet smaakt — moet je gaan langs
de weg van het niet-smaken.
Om te geraken tot wat je nog niet weet — moet je gaan langs
de weg van het niet-weten.
Om te geraken tot het bezit van wat je nog niet hebt — moet je
gaan langs de weg van het niet-bezitten.
Om te geraken tot wat je nog niet zijt — moet je gaan langs de
weg van het niet-zijn.
Als je bij iets blijft stilstaan — dan werpt je je niet met hart en ziel
op het Al.
Om geheel en al tot het Al te komen — moet je je van alles ont-
doen omwille van het Al.
Als je eenmaal helemaal tot het bezit komt van het Al — moet
je het vasthouden zonder iets anders te willen.
In deze ontbloting vindt de geest rust. Omdat hij immers niets najaagt, vermoeit hem niets op de weg naar omhoog en drukt hem niets bergafwaarts, want hij staat in het evenwicht van zijn nederigheid.
(De drie paden van de Berg, van links naar rechts_
Weg van de geest der onvolmaaktheid: Naar de hemel — dat niet; eer — dat niet; vreugde — dat niet; weten — dat niet; troost — dat niet; rust — dat niet — Hoe meer ik dit wilde hebben, des te minder hield ik in de hand.
Pad naar de berg Karmel — Geest van volmaaktheid: niets, niets, niets, niets, niets, niets en ook boven op de berg niets.
Weg van de geest der onvolmaaktheid: Naar deze aarde — ook dat niet; bezitten — ook dat niet; vreugde — ook dat niet; weten — ook dat niet; troost — ook dat niet; rust — ook dat niet — Hoe meer ik dit wilde zoeken, des te minder hield ik in de hand.
(Top van de Berg, van links naar rechts, bijschriften bij de verschillende niveaus)
Sinds ik dit niet meer wilde hebben, heb ik dit alles zonder het te willen.
Sinds ik het minder wilde, heb ik dat alles zonder het te willen. Vrede — Vreugde — Blijdschap — Genot — Wijsheid — Gerechtigheid — Sterkte — Liefde — Godsvrucht. Om eer geef ik niet — Om pijn geef ik niet.
Hier is geen weg meer, want voor de gerechte bestaat er geen wet; hij is zichzelf tot wet.
Lees verder “St.Johannes van het Kruis: Het lichaam, draagmoeder van het goddelijke….”




















Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.