Augustinus – Citaten…..

Vector vintage elegant divider or separator, swirl or corner decorative ornament. Floral line filigree design element. Flourish curl for invitation or menu page illustration

Vervolg citaten van St.Augustinus ….

CELUI

Hij die zichzelf verliest in zijn passie verliest minder dan hij die zijn passie verliest”.

-Augustinus

 

De wereld is een boek. Wie niet reist, leest enkel één bladzijde.
― Augustinus

Er zijn mensen, die vol geduld sterven, maar er zijn ook gehoorzame mensen, die met geduld blijven leven.
― Augustinus

Geloof is aannemen wat wij niet zien, en de beloning voor geloof is zien wat wij aannemen.
― Augustinus

Heb lief en doe wat je wilt.
Origineel:
Ama et fac quod vis.
― Augustinus

Geduld is de metgezel van wijsheid.
― Augustinus

Als je van het Evangelie overneemt wat je bevalt, dan geloof je meer aan jezelf dan aan het Evangelie.
― Augustinus

Met liefde voor de mensen en haat voor hun zonden.
Origineel:
Cum dilectione hominum et odio vitiorum
― Augustinus

De doden zijn niet afwezig, zij zijn alleen onzichtbaar.
― Augustinus

God heeft zout in onze monden gelegd, opdat wij naar Hem zouden dorsten.
Bron: Het verhaal van het christendom
― Augustinus

U heeft ons voor Uzelf geschapen, o Heer, en rusteloos is ons hart tot het rust vindt in U.
― Augustinus

Als Christus duizend maal geboren zou zijn in de stal, maar niet in ons hart, dan was Zijn geboorte overbodig.
― Augustinus

Begrafenissen zijn eerder een troost voor de levenden dan dat ze de doden tot iets dienen.
Origineel:
Curatio funeris, conditio sepulturae, pompa exsequiarum, magis sunt vivorum solatia, quam subsidia mortuorum.
Bron: Civitate Dei 1, 12
― Augustinus

De mens ziet zichzelf nooit zoals hij is, maar slechts de weg, die voor hem ligt, en ook deze slechts op korte afstand. Als hij verder vooruit wil zien komt hij op dwaalwegen.
― Augustinus

Ik geloof, omdat het tegen mijn verstand ingaat.
Origineel:
Credo quia absurdum.
― Augustinus

In elke bewondering steekt een huiveren.
― Augustinus

Waar geen afgunst is, heerst eendracht in verscheidenheid.
― Augustinus

Ga niet uit je zelf vandaan; richt je naar het binnenste, want in de innerlijke mens huist de waarheid.
― Augustinus

De deugd is het juiste gebruik van de vrije wil.
― Augustinus

Het is roemrijker de oorlog te doden met het woord dan met het zwaard, de vrede te winnen met de vrede dan door de oorlog.
― Augustinus

Alleen de waarheid wint, maar de overwinning van de waarheid is de liefde.
― Augustinus
-++24

Als wij doen wat wij behoren te doen, verdienen wij geen lof omdat het onze plicht is.
― Augustinus

Als jongeman bad ik tot God: ‘Geef me kuisheid en matigheid. Maar nu nog even niet.’
Bron: Belijdenissen VIII
― Augustinus

De aalmoes is slechts een teruggeven.
― Augustinus

Ik zag met het oog van mijn ziel het Licht dat nooit verandert. Wie de Waarheid kent, kent dat Licht, en wie het kent, kent de eeuwigheid.
― Augustinus

Wat de tijd is? Als niemand het mij vraagt, weet ik het; als ik het wil uitleggen, weet ik het niet.
― Augustinus

Het begrip is het loon des geloofs. Zoek daarom niet te begrijpen om te geloven, maar geloof om te begrijpen.
― Augustinus

Er bestaat geen groter aalmoes, dan van harte zijn naaste te vergeven.
― Augustinus

Hoevelen die binnen de kerk zijn, zijn daar buiten, en hoevelen die er buiten zijn, zijn binnen.
― Augustinus

Gij hebt ons gezocht opdat wij U zouden zoeken.
― Augustinus

Het aardrijk is vol barmhartigheid, omdat het vol ellende en pijn is, maar in het hemelrijk is geen barmhartigheid, want daar is geen pijn.
― Augustinus

Vergissen is menselijk. Volharden is des duivels.
― Augustinus

Geen booswicht die zichzelf niet het eerst kwaad doet.
― Augustinus

Niemand kan men kennen, tenzij door vriendschap.
― Augustinus

Op het versmaden van ijdele roem beroemt men zich vaak met nog groter ijdelheid.
Bron: De Confessiones 10, 38, 63
― Augustinus

Waarheid komt niet tot ons uit de duisternis, maar uit de zon.
― Augustinus

Wij maken van onze gebreken een ladder, wanneer wij er op trappen.
― Augustinus

Alleen de liefhebbende deelneming biedt het middel de mensen te verstaan.
― Augustinus

Werken is bidden.
― Augustinus

Als Rome gesproken heeft, is de zaak afgedaan.
Origineel:
Roma locuta, causa finita.
― Augustinus

De zonde is zijn eigen straf.
― Augustinus

Niemand vermag een ander tot de hoogte te verheffen, waarop hij zelf staat, wanneer hij niet een stuk weegs tot de standplaats der anderen neerdaalt.
― Augustinus

Het geluk bestaat in de vervulling van onze begeerten en in het hebben van alleen geoorloofde begeerten.
― Augustinus

 

Enkele citaten van Augustinus – Italiaans/Nederlands…

CLXIX

“God, die jou zonder jou heeft geschapen,
kan je niet redden zonder jou”
Sint Augustinus
(Preek CLXIX 13)

(en et citaat verder in preek CLXIX,13 : En zeker niet omdat Hij het vermogen
niet heeft – Hij is almachtig !- maar omdt
het liefde is, onze vrijheid volledig respecteert.
God stelt ziczelf voor, dringt zichzelf
nooit op)

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

DENTRO10

Jij was in mij
en ik was buiten.
Daar was ik op zoek naar jou. Misvormd,
wierp ik me op de prachtige
vormen van jouw
schepsels van jou.
Jij was bij me, maar ik
was niet bij U.

St.Augustinus

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

QUELLO

“Wat juist is, blijft
goed, zelfs als niemand het doet.
Wat verkeerd is, blijft
fout, zelfs als iedereen het doet.

Sint Augustinus

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

PROVE

Sint Augustinus – Kleine zinnen Grote waarheden

“Wanneer ik de ziel van een
persoon tegenover
mij, niet goed ken,
geef ik er de voorkeur aan
eerst goed na te denken 
liever dan te beschuldigen zonder
bewijs.”

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

CONTRO

“Luister niet naar je ouders
als ze je een bevel geven
tegen het vaderland.
Maar luister niet naar je vaderland
als het je een bevel tegen God geeft!”

Augustinus (Preken, IX, 8)

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

NON

Niet iedereen die
toegeeflijk met ons is,
is een vriend, noch iemand die
die ons kwetst is
een vijand. Nuttiger zijn
de wonden gemaakt
door een vriend dan
kussen gegeven door een vijand.

Augustinus

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

dottrina

“Laten we ons daarom zelfs
van de ketters bedienen
niet om hun hun dwalingen, maar om meer
en waakzamer en sluwer de
katholieke leer te verdedigen tegen hun valkuilen,
zelfs als we niet in staat zijn om
hen terug te leiden naar verlossing.”

Augustinus van Hippo
uit het boek – ware religie

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

VUOI

Wil je stijgen? Begin met dalen.
Ontwerp je een toren die
de wolken doorboort? Leg eerst
de fundamenten van nederigheid.

Heilige Augustinus

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

dochters

Hope heeft twee prachtige

dochters. Hun namen zijn woede en moed;

woede over de manier waarop

dingen zijn en moed om ze te veranderen.

Sint Augustinus

Bekering kan, net als de weg van het opstijgen naar God, geen einde kennen…….

AWARE

Bekering kan, net als de weg van het opstijgen naar God, geen einde kennen. “Bekering”, zegt St. Isaac de Syriër, “is te allen tijde en voor alle personen passend. Zowel voor zondaars als voor de rechtvaardigen die op zoek zijn naar verlossing. Er zijn geen grenzen aan perfectie, want zelfs de perfectie van het meest perfecte is niets anders dan onvolmaaktheid. Daarom kunnen tot het moment van de dood noch de tijd, noch de werken van bekering ooit voltooid zijn… hoe volmaakter iemand wordt, hoe meer hij zich bewust is van zijn eigen onvolmaaktheid.’

Isaak de Syriër (gestorven ca 700)

Dostojevsky – Karamazov : Broeders vrees de zonden van de mens niet….

creation

Broeders, vrees de zonden van de mens niet. Heb de mens ook in zijn zonde lief, want zulke liefde lijkt op Gods liefde, de hoogst mogelijke vorm van liefde op aarde. Heb Gods schepping lief, heb elk atoom ervan apart lief, en heb het ook als geheel lief; heb elk groen blad lief, elke straal van Gods licht; heb de dieren en de planten lief en heb elk levenloos object lief. Als je van alle dingen gaat houden, zul je Gods mysterie dat in alle dingen besloten ligt, waarnemen; als je het eenmaal hebt waargenomen, zul je het elke dag beter en beter begrijpen. En uiteindelijk zul je de hele wereld liefhebben met een totale, universele universele liefde.

Elder Zosima, The Brothers Karamazov

Wijsheid heeft een duidelijke profetie over de Zoon van God (uit ‘de stad van God)……

Hij “roemt dat Hij God als Zijn Vader heeft”, en “Laten we hem veroordelen tot de meest schandelijke dood” worden geciteerd door St. Augustinus, die zegt dat deze profetie van het lijden van de Heer uit het boek Wijsheid een deel van de reden is dat het in de christelijke maar niet in de joodse canon staat

WISDOM

Wijsheid heeft een duidelijke profetie over de Zoon van God
Want inderdaad worden Zijn goddeloze moordenaars als volgt geciteerd: “Laten we op de loer liggen voor de rechtvaardigen, want hij is onaangenaam voor ons en in strijd met onze werken; en hij verwijt ons onze overtredingen van de wet, en maakt bezwaar tegen onze schande de overtredingen van onze opvoeding. Hij belijdt de kennis van God te hebben, en hij noemt zichzelf de Zoon van God. Hij is gemaakt om onze gedachten terecht te wijzen. Hij is zo treurig als hij zelfs maar ziet; want zijn leven is anders dan dat van andere mannen en zijn manieren zijn anders. Wij worden door hem beschouwd als vervalsingen; en hij onthoudt zich van onze wegen als van vuiligheid. Hij prijst het laatste doel van de rechtvaardigen; en roemt dat hij God als zijn Vader heeft. Laten we daarom eens kijken of zijn woorden waar zijn; en laten we proberen wat er met hem zal gebeuren, en we zullen weten wat het einde van hem zal zijn. Want als de rechtvaardige de Zoon van God is, zal Hij voor hem op zich nemen en hem bevrijden uit de hand van degenen die tegen hem zijn. Laten we hem met smaad en marteling op de vraag stellen, zodat we zijn eerbied mogen kennen en zijn geduld kunnen bewijzen. Laten we hem veroordelen tot de meest schandelijke dood; want door Zijn eigen woorden zal Hij gerespecteerd worden. Deze dingen hadden zij zich voorgesteld, en zij vergisten zich; want hun eigen boosaardigheid heeft hen geheel verblind.”

Augustinus : “De Stad van God” (the City of God)

St.Augustinus : Over het Onze Vader Matth.6,9…

4bc99df8b4097a057a3d649e08746e5c

Augustinus : Preek 6 over het Nieuwe Testament

Over het Onze Vader in Matteüs 6:9

PORTABLE

1. Om te laten zien dat de tijden waarin het zou moeten gebeuren dat alle naties in Christus zouden geloven , door de profeten waren voorspeld, legde de gezegende apostel dit getuigenis af waar geschreven staat: En het zal zo zijn dat iedereen die een beroep zal doen op de naam van de Heer, zullen gered worden. Want voorheen werd de naam van de Heer die hemel en aarde maakte alleen onder de Israëlieten aangeroepen ; de rest van de naties riep stomme en dove afgoden aan , door wie ze niet werden gehoord, of door duivels, door wie ze werden gehoord tot hun schade. Maar toen de volheid van de tijd aanbrak, ging het voorzegde in vervulling: en het zal zo zijn dat iedereen die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered. Bovendien, omdat de Joden , zelfs degenen die in Christus geloofden , het Evangelie aan de heidenen misgunden , en zeiden dat het Evangelie niet gepredikt mocht worden aan hen die niet besneden waren ; omdat de apostel Paulus tegen hen dit getuigenis aanvoerde: En het zal zo zijn dat een ieder die de Naam van de Heer aanroept, zalig zal worden; voegde hij er onmiddellijk aan toe, om degenen die niet bereid waren dat het Evangelie aan de heidenen gepredikt zou worden , te overtuigen van de woorden: Maar hoe zullen zij Hem aanroepen, in Wie zij niet geloofd hebben ? Of hoe zullen zij in Hem geloven van Wie zij niet gehoord hebben? Of hoe zullen zij horen zonder prediker? Of hoe zullen zij prediken tenzij zij gezonden worden? Omdat hij toen zei: hoe zullen zij Hem aanroepen in Wie zij niet geloofd hebben ? je hebt niet eerst het Onze Vader geleerd, en daarna de Geloofsbelijdenis; maar eerst de geloofsbelijdenis, waar u kunt weten wat u moet geloven , en daarna het gebed, waar u kunt weten wie u moet aanroepen. De geloofsbelijdenis heeft dan betrekking op het geloof , het Onze Vader op het gebed ; omdat hij het is die gelooft , die gehoord wordt als hij roept.

2. Maar velen vragen wat ze niet zouden moeten vragen, omdat ze niet weten wat voor hen opportuun is. Hij die bidt moet daarom op zijn hoede zijn voor twee dingen; dat hij niet vraagt ​​wat hij niet zou moeten doen; en dat hij niet vraagt ​​van wie hij niet zou moeten vragen. Van de duivel , van afgoden , van boze geesten mag niets gevraagd worden. Van de Heer onze God Jezus Christus , God de Vader der Profeten, Apostelen en Martelaren, van de Vader van onze Heer Jezus Christus , van God die de hemel en de aarde heeft gemaakt, de zee en alles daarin, van Hem moeten wij vragen wat we ook maar kunnen vragen. Maar we moeten oppassen dat we niet van Hem vragen wat we niet zouden moeten vragen. Als u het aan stomme en dove afgoden vraagt, omdat wij om leven zouden moeten vragen , wat heeft u daar dan aan? Dus als u van God de Vader , die in de hemel is, de dood van uw vijanden wenst, wat heeft u daar dan aan? Hebt u in de Psalm, waarin het verdoemelijke einde van de verrader Judas wordt voorspeld, niet gehoord of gelezen hoe de profetie over hem sprak: Laat zijn gebed in zonde veranderen ? Als u dan opstaat en om kwaad over uw vijanden bidt, zal uw gebed in zonde veranderen .

3. Je hebt in de Heilige Psalmen gelezen hoe hij die daarin spreekt, naar het schijnt, vele vloeken over zijn vijanden uitspreekt. En zeker, zou je kunnen zeggen, hij die in de Psalmen spreekt, is een rechtvaardig man; Waarom wenst hij dan zo kwaad over zijn vijanden? Hij wil het niet, maar hij voorziet het. Het is een profetie van iemand die toekomstige dingen vertelt, geen gelofte van vervloeking; want de profeten wisten door de Geest wie het kwade moest overkomen, en wie het goede; en door profetie spraken zij alsof zij wensten wat zij wel hadden voorzien. Maar hoe kun je weten of hij voor wie je vandaag kwaad vraagt , morgen misschien niet een betere man is dan jij? Maar je zult zeggen: ik weet dat hij een slechte man is . Wel: je moet weten dat jij ook slecht bent . Ook al neem je het misschien op je om vanuit het hart van iemand anders te oordelen over wat je niet weet ; maar wat uzelf betreft, u weet dat u slecht bent . Hoort u de apostel niet zeggen: Wie stond voor een godslasteraar, een vervolger en een onrechtvaardige; maar ik heb barmhartigheid verkregen, omdat ik het onwetend en in ongeloof deed? Toen de apostel Paulus de christenen vervolgde , hen vastbond waar hij ze ook tegenkwam, en ze naar de hogepriesters trok om ondervraagd en gestraft te worden, wat denkt u, broeders, dat de Kerk tegen hem of voor hem heeft gebeden ? Zeker, de Kerk van God , die instructies had geleerd van haar Heer, die zei , terwijl Hij aan het kruis hing: Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen, bad zo voor Paulus (of liever nog voor Saul), dat dat mocht gebeuren. in hem gewerkt worden, wat gewerkt werd. Want daarin zegt hij: Maar ik was van gezicht onbekend bij de kerken van Judea die in Christus zijn: alleen zij hoorden dat hij die ons in het verleden vervolgde , nu het geloof predikt dat hij ooit vernietigde; en zij verheerlijkten God in mij; Waarom verheerlijkten zij God , maar omdat zij dit aan God vroegen , voordat het gebeurde?

4. Onze Heer heeft toen allereerst veel spreken stopgezet, zodat u niet een veelheid aan woorden tot God zou kunnen brengen , alsof u Hem door uw vele woorden zou willen onderwijzen. Daarom heb je, als je bidt, behoefte aan vroomheid , niet aan woordzucht. Want uw Vader weet wat u nodig heeft, voordat u het Hem vraagt. Wees dan afkerig om veel woorden te gebruiken, want Hij weet wat voor jou nodig is. Maar opdat misschien iemand hier zou zeggen: Als Hij weet wat voor ons nodig is, waarom zouden we dan ook maar een paar woorden gebruiken? Waarom zouden we überhaupt moeten bidden ? Hij kent Zichzelf; laat Hem dan geven wat Hij weet dat nodig is voor ons. Ja, maar het is Zijn wil dat u bidt , dat Hij aan uw verlangens mag geven, dat Zijn gaven niet licht gewaardeerd mogen worden; aangezien Hij dit verlangende verlangen zelf in ons heeft gevormd. De woorden die onze Heer Jezus Christus ons in Zijn gebed heeft geleerd , zijn daarom de regel en maatstaf voor onze verlangens. U mag niets anders vragen dan wat daar geschreven staat.

5. Zegt u daarom, zegt hij: Onze Vader, die in de hemel is. Waar u ziet, bent u begonnen God als uw Vader te hebben. Je zult Hem hebben als je nieuw geboren bent. Hoewel u zelfs nu nog voordat u geboren bent, door Zijn zaad bent verwekt, alsof u aan de vooravond staat van het voortbrengen in het lettertype , de baarmoeder als het ware van de Kerk . Onze Vader, die in de hemel is. Bedenk dan dat u een Vader in de hemel hebt. Bedenk dat u uit uw vader Adam tot de dood bent geboren , dat u opnieuw geboren zult worden uit God de Vader tot het leven. En wat u zegt, zeg dat in uw hart. Laat er slechts de oprechte genegenheid van het gebed zijn , en er zal een krachtig antwoord zijn van Hem die het gebed hoort . Geheiligd zijt Uw naam. Waarom vraagt ​​u dat Gods Naam geheiligd mag worden? Het is heilig . Waarom vraag je dan om dat wat al heilig is ? En als u dan vraagt ​​dat Zijn Naam geheiligd mag worden, bidt u dan niet als het ware tot Hem voor Hem, en niet voor uzelf? Nee. Begrijp het goed, en het is voor jezelf dat je het vraagt. Daarom vraag je dat wat op zichzelf altijd heilig is , in jou geheiligd mag worden. Wat wordt geheiligd? Wees heilig , wees niet veracht. Dus dan zie je dat het goede dat je wenst, je voor jezelf wenst. Want als je de Naam van God veracht , zal dat voor jezelf slecht zijn, en niet voor God.

6. Jouw koninkrijk kome. Met wie spreken wij? En zal Gods koninkrijk niet komen als we er niet om vragen? Want over dat koninkrijk spreken wij dat na het einde van de wereld zal zijn. Want God heeft altijd een koninkrijk; noch is Hij ooit zonder een koninkrijk, dat door de hele schepping wordt gediend. Maar welk koninkrijk wens jij dan? Waarvan in het Evangelie geschreven staat : Kom, jullie gezegenden van Mijn Vader, ontvang het koninkrijk dat vanaf het begin van de wereld voor jullie is voorbereid. Zie, hier is het koninkrijk waarvan wij zeggen: Uw koninkrijk kome. Wij bidden dat het in ons mag komen; wij bidden dat wij daarin gevonden mogen worden . Want dat zal zeker gebeuren; maar wat zal het u baten als u aan de linkerhand wordt aangetroffen? Daarom is het ook hier weer voor jezelf dat je het beste wenst; voor jezelf bid je. Dit is het waar je naar verlangt; dit verlangen in uw gebed , dat u zo mag leven, dat u deel mag hebben aan het koninkrijk van God , dat aan alle heiligen gegeven zal worden . Als u daarom zegt: Uw koninkrijk kome, bidt u voor uzelf, dat u goed mag leven. Laat ons deel hebben aan Uw koninkrijk: laat dat zelfs tot ons komen, dat wil zeggen tot Uw heiligen en rechtvaardigen.

7. Uw wil geschiede. Wat! Als u dit niet zegt, zal God dan niet Zijn wil doen ? Onthoud wat u in de Geloofsbelijdenis hebt herhaald: ik geloof in God de Almachtige Vader. Als Hij Almachtig is, waarom bid je dan dat Zijn wil gedaan mag worden? Wat is dit dan: Uw wil geschiede ? Moge het in mij gebeuren, zodat ik Uw wil niet kan weerstaan. Daarom bid je ook hier weer voor jezelf, en niet voor God. Want de wil van God zal in u geschieden, ook al wordt deze niet door u gedaan. Want beiden in hen tot wie Hij zal zeggen: Kom, gij gezegenden van Mijn Vader, ontvang het koninkrijk dat vanaf het begin van de wereld voor u is bereid; zal de wil van God gedaan worden, zodat de heiligen en rechtvaardigen het koninkrijk mogen ontvangen; en in hen tot wie Hij zal zeggen: Ga heen in het eeuwige vuur , bereid voor de duivel en zijn engelen , zal de wil van God worden gedaan, zodat de goddelozen tot het eeuwige vuur veroordeeld mogen worden . Dat Zijn wil door jou gedaan mag worden is iets anders. Het is dan niet zonder reden , maar dat het u goed mag gaan, dat u bidt dat Zijn wil in u gedaan mag worden. Maar of het nu goed of slecht met je gaat, het zal nog steeds in je gebeuren: maar o dat het ook door jou gedaan mag worden. Waarom zeg ik dan: Uw wil geschiede in hemel en op aarde, en zeg niet: Uw wil geschiede door hemel en aarde? Want wat door jou wordt gedaan, doet Hij Zelf in jou. Nooit wordt door jou iets gedaan wat Hij Zelf niet in jou doet. Soms doet Hij inderdaad in jou wat jij niet doet; Maar er wordt nooit iets door u gedaan als Hij het niet in u doet.

8. Maar wat is er in de hemel en op aarde, of, zoals in de hemel, zo op aarde? De engelen doen uw wil; mogen wij dat ook doen. Uw wil geschiede zoals in de hemel, zo ook op aarde. De geest is de hemel, het vlees is de aarde. Als u tegen de apostel zegt (als dat zo is, zegt u het dan): Met mijn verstand dien ik de wet van God , maar met het vlees de wet van de zonde ; de wil van God wordt gedaan in de hemel, maar nog niet op aarde. Maar wanneer het vlees in harmonie zal zijn met de geest , en de dood zal worden verzwolgen in de overwinning, zodat er geen vleselijke verlangens meer zullen overblijven waarmee de geest in conflict zal komen, wanneer de strijd op aarde voorbij zal zijn, zal de oorlog van het hart is voorbij, en wat er is gezegd, het vlees begeert tegen de Geest , en de Geest tegen het vlees; want deze zijn in strijd met elkaar; zodat je niet de dingen kunt doen die je zou willen; wanneer deze oorlog , zeg ik, voorbij zal zijn en alle begeerte zal zijn veranderd in liefdadigheid, zal er niets in het lichaam overblijven dat de geest kan tegenwerken, niets dat getemd kan worden, niets dat beteugeld moet worden, niets dat vertrapt moet worden; maar het geheel zal voortgaan door eendracht tot gerechtigheid, en de wil van God zal worden gedaan in de hemel en op aarde. Uw wil geschiede in de hemel en op aarde. Wij wensen perfectie als we hiervoor bidden . Uw wil geschiede zoals in de hemel, zo ook op aarde. In de Kerk is het geestelijke de hemel, het vleselijke de aarde. Dus Uw wil geschiede zoals in de hemel, zo ook op aarde; dat zoals het geestelijke U dient, zo het vleselijke dat hervormd is, U ook kan dienen. Uw wil geschiede zoals in de hemel, zo ook op aarde. Er zit nog een heel spirituele betekenis aan vast. Want wij worden aangespoord om voor onze vijanden te bidden . De Kerk is de hemel, de vijanden van de Kerk zijn de aarde. Wat is dan: Uw wil geschiede zoals in de hemel, zo op aarde ? Mogen onze vijanden geloven , zoals wij ook in U geloven ! Mogen zij vrienden worden en een einde maken aan hun vijandschap! Ze zijn aarde, daarom zijn ze tegen ons; Mogen zij de hemel worden, en zij zullen bij ons zijn.

9. Geef ons vandaag ons dagelijks brood. Nu wordt het duidelijk dat we voor onszelf bidden . Wanneer u zegt: Uw naam wordt geheiligd, dan is er uitleg nodig over hoe het komt dat u voor uzelf bidt, en niet voor God. Wanneer u zegt: Uw wil geschiede; Ook hier is er behoefte aan uitleg, opdat u niet denkt dat u God het goede wenst in dit gebed , dat Zijn wil mag geschieden, en niet zozeer dat u voor uzelf bidt . Wanneer u zegt: Uw koninkrijk kome; dit moet opnieuw worden uitgelegd, opdat u niet denkt dat u God het beste wenst in dit gebed dat Hij mag regeren. Maar vanaf deze plek tot aan het einde van het gebed is het duidelijk dat we voor onszelf tot God bidden . Als u zegt: Geef ons heden ons dagelijks brood, belijdt u dat u Gods bedelaar bent. Maar schaam je hier niet voor; Hoe rijk iemand ook op aarde is, hij is nog steeds Gods bedelaar. De bedelaar neemt plaats voor het huis van de rijke man; maar de rijke man zelf staat voor de deur van de grote Rijke. Er wordt een verzoek tot hem gericht, en hij doet zijn verzoek. Als hij niet in nood was, zou hij niet in gebed op de oren van God kloppen . En wat heeft de rijke man nodig? Ik durf te zeggen dat de rijke man zelfs dagelijks brood nodig heeft. Want hoe komt het dat hij overvloed van alle dingen heeft? Waar anders vandaan dan omdat God het hem gegeven heeft? Wat zou hij hebben als God Zijn hand terugtrok? Zijn er niet velen in weelde in slaap gevallen , en in bedelarij opgestaan? En dat hij dat niet wil, is te danken aan Gods barmhartigheid, niet aan zijn eigen kracht.

Lees verder “St.Augustinus : Over het Onze Vader Matth.6,9…”

Augustinus van Hippo : Toen je jonger was kleedde je jezelf……

“Blijf in Mij en Ik in jou. Zoals de rank uit zichzelf geen vrucht kan dragen,tenzij hij in de wijnstok blijft, zo kunt u dat ook niet, tenzij u in Mij blijft.”

WIJNSTOK

Augustinus

Toen je jonger was, kleedde je jezelf en ging je waarheen je wilde, maar als je oud wordt, … zal iemand anders je kleden en je leiden waarheen je niet wilt … ” (Joh. 21:18). Het was het Kruis, het Lijden, beloofde hij hem. “ Ga zelfs zover dat je mijn schapen weidt, lijd voor mijn schapen. ” Dit is wat een goede bisschop moet zijn. Als hij dat niet is, is hij geen bisschop!

… Luister nu naar dit andere getuigenis. Twee van Zijn discipelen, de broers Johannes en Jakobus, die zonen van Zebedeüs waren, waren ambitieus voor de eerste plaats, zonder rekening te houden met de anderen. … Onze Heer antwoordde hun: “ Jullie weten niet wat jullie vragen” want Hij voegde eraan toe: “ Kunnen jullie de Kelk drinken die Ik zal drinken? ” Welke beker is dit anders dan die … van het lijden?… En zij, hun zwakheid vergetend, zeiden onmiddellijk: “ Wij kunnen. ” Toen zei Hij tot hen: “ Mijn Kelk zullen jullie inderdaad drinken. Maar om aan Mijn rechter- of linkerzijde te zitten, is niet aan Mij om te geven, maar is voor hen voor wie het door Mijn Vader is bereid. ”… Op deze manier gaf Hij het bewijs van Zijn nederigheid, want in feite is alles wat de Vader bereidt ook bereid, voor de Zoon … Hij kwam in nederigheid – Hij, de Schepper, werd onder ons geschapen; Hij maakte ons, maar Hij werd voor ons gemaakt. God vóór het begin van de tijd, de mens in de tijd, Hij verloste de mens van de tijd. Deze grote Geneesheer is gekomen om onze kanker te genezen … door Zijn voorbeeld is Hij gekomen om de trots zelf te genezen.

Dit is waar we onze aandacht aan moeten geven in de Heer – laten we Zijn nederigheid overwegen, de Beker van Zijn nederigheid drinken, Hem omhelzen, Hem aanschouwen. Hoe gemakkelijk is het om verheven gedachten te hebben, gemakkelijk om plezier te scheppen in eerbewijzen, gemakkelijk om het oor te lenen aan vleiers en mensen die ons prijzen. Maar om beledigingen te verdragen, geduldig vernedering te ondergaan, te bidden voor hen die ons vervolgen (Mt 5:39.44) – dat is de Beker van de Heer, dat is het Feest van de Heer!”

 – Sint Augustinus (354-430) Vader en Doctor in de Genade (Uittreksel uit een Preek voor de Wijding van een Bisschop).

Augustinus : Laat heb ik van je gehouden, Schoonheid zo oud en zo nieuw, laat heb ik van je gehouden!….

TARDE

Laat heb ik van je gehouden, Schoonheid zo oud en zo nieuw, laat heb ik van je gehouden!

En jij was binnen in mij en ik was buiten, dus aan de buitenkant was ik op zoek naar jou; en, misvormd als ik was, wierp ik mij op deze mooie dingen die jij hebt geschapen. Jij was bij mij, maar ik was niet bij jou. Ik werd ver van je gehouden door die dingen die, als ze niet in jou waren, niet zouden bestaan. U riep en riep naar mij, en doorbrak mijn doofheid; u scheen en straalde, en genas mijn blindheid; u blies uw geur uit, en ik ademde hem in, en nu verlang ik naar u; ik proefde van u, en nu honger en dorst ik naar u; u raakte me aan, en ik verlangde naar de vrede die van u komt.

* U hebt ons voor uzelf gemaakt, Heer, en ons hart is rusteloos totdat het in u rust” (Conf. 1,1,1).Ik werd ver van je gehouden door die dingen die, als ze niet in jou waren, niet zouden bestaan.

U riep en riep naar mij, en doorbrak mijn doofheid; u scheen en straalde, en genas mijn blindheid; u blies uw geur uit, en ik ademde hem in, en nu verlang ik naar u; ik proefde van u, en nu honger en dorst ik naar u; u raakte me aan, en ik verlangde naar de vrede die van u komt.

Nou, om je te leren kennen, waar heb ik je gevonden? Voordat ik U kende, was U natuurlijk nog niet in mijn geheugen.
Waar heb ik je dan gevonden toen ik je kende, zo niet in jou, dan boven mij?
Er is geen ruimte of plaats: we gaan weg, we komen dichter bij je, maar er zijn geen afstanden.
O Waarheid, u overweldigt daarom allen, zelfs degenen die u ondervragen, en beantwoordt allen volgens de vragen: antwoord duidelijk, maar niet allen luisteren duidelijk.
Ze overleggen met je over wat ze willen, als ze niet altijd van je horen wat ze willen.
Uw beste dienaar is hij die niet zozeer van U wil horen wat hij zou willen, als wel wil wat hij van U heeft gehoord.
(Sint-Augustinus)
Bekentenissen: boek X hfdst. XXVI Muziek: Morning Mood (door Grieg) – You Tube audio collectie

Lezioni di vita, di Sant’Agostino d’Ippona || le sue citazioni che cambiano il genere umano.

Augustinus Gebed : Vertrouw op Gods hemelse belofte Mijn God……

SMEEKBEDE

Afbeelding door Simone Martini

GEBED VAN DE HEILIGE AUGUSTINUS

Vertrouw op Gods hemelse belofte Mijn God, laat mij U kennen en liefhebben,
zodat ik mijn geluk in U kan vinden.
Omdat ik dit op aarde niet volledig kan bereiken,
help mij om dagelijks te verbeteren
totdat ik het volledig kan bereiken.
Laat mij U steeds beter kennen op aarde,
zodat ik U volmaakt kan kennen in de hemel.
Laat mij U steeds meer liefhebben op aarde,
zodat ik U volmaakt kan liefhebben in de hemel.
Op die manier mag mijn vreugde groot zijn op aarde,
en volmaakt met U in de hemel.

O God van de waarheid,
geef mij het geluk van de hemel,
zodat mijn vreugde vol mag zijn in overeenstemming met Uw belofte.
Laat in de tussentijd mijn gedachten bij dat geluk stilstaan,
mijn tong erover spreken,
mijn hart ernaar smachten,
mijn mond het uitspreken,
mijn ziel ernaar hongeren,
mijn vlees ernaar dorsten,
en mijn hele wezen ernaar verlangen
totdat ik door de dood heen
in de vreugde van mijn Heer voor altijd binnenga.

Amen.

 

“ Hij maakte een zweep van touwen en joeg ze allemaal uit het tempelgebied…” – Johannes 2:15…

BODY10

“ Hij maakte een zweep van touwen en joeg ze allemaal uit het tempelgebied…” – Johannes 2:15

“De apostel Paulus zegt: “ De tempel van God, die u bent, is heilig ” (1 Kor. 3:17), dat wil zeggen – allen die in Christus geloven, geloven tot liefhebben. … Allen die zo geloven, zijn de levende stenen waaruit Gods tempel is gebouwd (1 Petr. 2:5), zij zijn als het onvergankelijke hout waarvan de Ark werd gebouwd, dat de vloed niet kon overweldigen (Gen. 6:14). Deze tempel – het volk van God, menselijke personen zelf – is de plaats waar God degenen die bidden, verhoort. Mensen die buiten deze tempel tot God bidden, kunnen hun gebeden, voor de vrede van het Jeruzalem hierboven, niet verhoord krijgen, ook al worden ze verhoord met betrekking tot bepaalde materiële dingen die God schenkt, zelfs aan heidenen. … Maar het is iets heel anders om iemands gebeden verhoord te krijgen in de kwestie van het eeuwige leven. Dit wordt alleen verleend aan hen die binnen Gods tempel bidden.

Want iemand die bidt in de Tempel van God, bidt in de vrede van de Kerk, in de eenheid van het Lichaam van Christus, aangezien het Lichaam van Christus is opgebouwd uit de menigte van gelovigen verspreid over de hele wereld. … En iemand die bidt in de vrede van de Kerk, bidt “ in geest en waarheid ” (Joh. 4:23), waarvan de vroegere Tempel slechts een symbool was.

In feite was het voor onze instructie dat onze Heer die mannen uit de tempel wierp die alleen hun eigen belang zochten en die er alleen heen gingen om te kopen en verkopen. Als die eerste tempel deze reiniging moest ondergaan, dan is het duidelijk dat ook het Lichaam van Christus, de ware Tempel, kopers en verkopers bevat onder degenen die daar bidden, dat wil zeggen mensen die alleen “ hun eigen belang zoeken en niet dat van Jezus Christus ” (Fil. 2,21). … Maar de tijd zal komen dat de Heer al die zondaars zal uitwerpen. ”

– St. Augustinus (354-430) Bisschop van Hippo, Noord-Afrika, Vader en Genadeleraar van de Kerk ( Preek over Psalm 130, nr. 1-2 )

Bron Annastpaul

 

Kierkegaard en de angst….

kierkegaard12

Søren Kierkegaard (Kopenhagen 1813-Kopenhagen 1855)

Oorzaken van hedendaagse angst

door Ab Klink

Van de bekende Deense filosoof Søren Kierkegaard is de volgende uitspraak: ‘Eén ding is er wat onze tijd mist en dat is wel te verstaan “eeuwigheid”.’ In deze woorden legt Kierkegaard (1813-1855) de kern bloot van zijn hele oeuvre. Ook uit hij in dit aforisme zijn zorg over de toekomst van Europa. Waar het in zijn dagen aan schortte en waaraan het meer en meer zal schorten is het besef van de eeuwigheid. Het tekort daaraan leidt tot geestloosheid, hedonisme, technificering van het leven, mateloze bedrijvigheid en vooral: tot angst.
***
jKierkegaard heeft veel geschreven over het fenomeen angst. Een vluchtige blik op de titels van zijn boeken laat dat zien: Vrees en beven, Het begrip angst, Ziekte tot de dood. Ook veel van zijn zogenoemde ‘stichtelijke redevoeringen’, die hij parallel aan zijn hoofdwerken liet verschijnen, gaan over ‘zorg’ en ‘angst’.

Dat Kierkegaard zich zo intensief met ‘angst’ heeft beziggehouden, heeft alles te maken met zijn eigen leven. Van jongs af aan was hij vertrouwd met ‘angst’. Zijn dagboek, dat hij op vrij jonge leeftijd begon, laat dat zien. Toen hij rond de twintig jaar was, moet hij obsessief geleden hebben aan wat wij tegenwoordig een ‘angststoornis’ zouden noemen. Het is onbekend waar het object van zijn angst in gelegen was, maar duidelijk is dat iets hem als een idee-fixe stoorde en bezighield. Het dagboek laat ook zien wat het hem deed toen hij de sleutel vond om van de obsessieve angst af te komen. Hoe hij die vond en wat die sleutel daadwerkelijk was, valt op te maken uit het slothoofdstuk van Het begrip angst en uit meerdere ‘stichtelijke redevoeringen’.

Dat Kierkegaard vertrouwd was met angst, heeft te maken met een zekere erfelijke belasting. Zijn vader leed onder zwaarmoedigheid. Kierkegaard was uiterst begaafd en fijnzinnig. De voelsprieten van zijn innerlijk waarmee hij de werkelijkheid aftastte waren buitengewoon gevoelig. Zijn opvoeding heeft dan ook in het ontwikkelen van ‘angst’ een belangrijke rol gespeeld. Later zou hij ervan zeggen dat deze tot op zekere hoogte ‘krankzinnig’ was. Hij vertelt dat zijn vader zijn toch al rijk ontwikkelde fantasie prikkelde door het nabootsen van situaties uit het gewone leven. Hij maakte fictief wandelingen, waarbij hij zijn zoon wees op dingen die ze ‘zagen’ en waarbij ze mensen ontmoetten (en groette!) die in de grote kamer waarin hij dit spel speelde natuurlijk volstrekt niet te zien waren. De zwaarmoedigheid van Kierkegaards vader hing samen met een voorval uit zijn jeugd: als jonge knaap had hij op de Jutlandse hei bittere kou geleden. In zijn radeloosheid balde hij op een onbedacht moment op een grove manier zijn vuisten naar de hemel, om daar direct grote spijt van te krijgen. Er kan nog iets anders meegespeeld hebben. Kierkegaard vertelt in een van zijn boeken over Salomo. Hij beschrijft hoe deze op een dag ongezocht zijn vader hoort bidden. Deze vertelt berouwvol wat hij gedaan heeft (met Bathseba). Sommigen vermoeden een autobiografisch aspect: de vader van Kierkegaard was na het overlijden van zijn eerste vrouw getrouwd met zijn vroegere dienstmeisje. Was er voordien al sprake van een affaire tussen beiden? Het blijft gissen.

Daarbij kwam het piëtistische klimaat waarin hij opgroeide. Daarin was het niet zomaar gezegd dat iemand werkelijk gelovig was, terwijl dit een voorwaarde is voor eeuwig behoud. Begaafd als hij was, moest hij zijn weg door het leven zien te gaan met deze ‘bagage’. En dat in een tijd van de romantiek en het opkomend hegelianisme, waarin het christelijke geloof geherdefiniëerd werd.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Kierkegaard in zijn jonge jaren geen existentieel houvast vond. Het enige verweer dat hij tegenover dit leven en de angst had, was zijn genialiteit. Die maakte dat hij geestig was, zichzelf anders kon voordoen dan hij zich voelde, met het leven spelen kon. Die maakte ook dat hij de bewegingen van de angst vanuit de innerlijke ervaringen in zijn eigen leven kon observeren en enigszins in kaart kon brengen. Inzicht in de processen van angst geeft enig soelaas – maar de oplossing bood het niet. Die vond hij ergens anders.
***
Kierkegaard hecht, ter genezing van angst, waarde aan het inzicht in hoe het ‘proces van de angst’ in de mens optreedt. Dit verbindt hem met Sigmund Freud. In Het begrip angst beschrijft hij de dialectiek van de angst als weinig anderen. In dat opzicht kan hij gelden als de eerste dieptepsycholoog.

Desalniettemin is er een groot verschil tussen Freud en Kierkegaard. In de psychotherapie, waarvan Freud de vader is, probeert de hulpverlener de ‘objecten’ waarop de angst van iemand die aan een angststoornis lijdt zich richt, te interpreteren met het oog op de angst zelf. Deze objecten vertellen iets over de bron (de oorzaak) van de angst. De psychotherapeut probeert de ‘betekenis’ van het object of de objecten waarop de angst zich richt, te achterhalen met het oog op de persoon die voor hem zit. Als hij daarin slaagt en deze ter sprake kan brengen bij de hulpaanvrager, krijgt men ‘vat’ op de bron van de angst. Deze wordt in het bewustzijn gebracht. Als gevolg daarvan neemt de angst ook af. De objecten verliezen hun angstaanjagende karakter.

Bij Kierkegaard bevinden we ons op een ander niveau. Zijn visie op de angst is niet minder diep dan die van Freud, maar hij plaatst en duidt de angst in een groter filosofisch en levensbeschouwelijk verband en wel in het kader van ethiek en geloof, van de vraagstukken van goed en kwaad en van de toekomst. Met deze ‘psychologie’ zou hij weleens meer recht aan de mens kunnen doen dan Freud. Kierkegaard benadert de angst dus niet louter psychologisch. Hij brengt deze in verband met wat hij ziet als kenmerkend voor de mens: de mens als een synthese van ziel en lichaam, van tijd en eeuwigheid.

Kierkegaard plaatst de angst in het kader van ethiek en geloof, van de vraagstukken van goed en kwaad en van de toekomst
***
De mens is volgens Kierkegaard een synthese van ziel en lichaam, tijd en eeuwigheid, noodzakelijkheid en vrijheid. Beide verhouden zich tot elkaar en in deze verhouding verhoudt de mens zich tot deze synthese. Dit zich verhouden tot deze synthese doet een mens in zijn bewustzijn. Omdat de synthese tussen ziel en lichaam een gegeven is dat door God gesteld is (de mens heeft niet zichzelf gemaakt) moet de mens zich, wil hij zich tot zichzelf verhouden, ook tot God verhouden. Dit kan op een goede manier – dan is er sprake van geloof en vrede. Het kan ook op een verkeerde manier – dan is er sprake van onrust en vertwijfeling.

Wat Kierkegaard in Ziekte tot de dood pregnant naar voren brengt, maakt hij inzichtelijk in zijn stichtelijke redevoeringen, onder meer in de toespraak ‘De bevestiging in de inwendige mens’ (1842). Daarin schetst hij een adolescent die zich rekenschap begint te geven van zijn leven. Het leven ‘vraagt van hem een verklaring’. Het kan zijn dat de jongeman alles mee heeft en dat de toekomst hem toelacht. Het kan ook zijn dat hij te kampen heeft met allerlei frustrerende situaties. De omstandigheden variëren, de vraag blijft dezelfde: hoe moet hij zijn leven zien en interpreteren? Wie nadenkt, legt zich rekenschap af van het leven, van wat hij in het leven doen moet, wat hij van het leven verwachten mag en wat het leven van hem verwachten mag. In deze vraag dient zich de ‘inwendige mens’ aan. Anders gezegd: het bewustzijn van de mens, zijn geest wordt geboren. Zijn geest moet zich rekenschap gaan afleggen van waar zijn ziel om vraagt, de existentiële vraag: Waaraan heb ik alles wat ik ontvang te danken? Wat wil het leven van mij? Waarom ben ik hier? Wat is mijn roeping? Niemand ontkomt aan die vraag. Ze dient zich aan. Ze heeft te maken met het concrete leven en toch overstijgt ze dit concrete. Want wat zich in feite afspeelt, is dat (zoals gezegd) de ziel van de mens geboren wordt in deze vraag. En de ziel is eeuwig en moet, wil ze in haar onrust tot rust komen, kunnen aanhaken bij God, die het antwoord geeft op de vragen die de ziel stelt, en een ‘verklaring’ kan geven over iemands leven – over zijn roeping en bestemming. Daarom is de vraag naar de bestemming ook een vraag naar God. God kan het getuigenis in de inwendige mens geven, zodat iemands bestemming helder wordt. Belangrijk is dat in de vraag die het leven de mens stelt (er valt dus niet aan te ontkomen) de ziel oftewel het inwendige van de mens geboren wordt, dat wil zeggen: aanklopt aan het bewustzijn, dat zich rekenschap moet geven. Deze rekenschap die het leven vraagt, kan niet gegeven worden zonder God. Als vanzelf dient de gedachte aan Hem zich aan. Deze verhouding nu tot God, wordt, waar de mens met de vraag naar de zin van het leven, zich wendt tot God, belangrijker dan al het andere – zelfs dan het leven hier. De eeuwigheid laat zich dus sterk gelden. Als de mens zich op een juiste manier tot God gaat verhouden, krijgt hij een juist zicht op zijn roeping, maar wat nog veel belangrijker is: hij heeft God gevonden en zo zijn uiteindelijke, eeuwige bestemming gevonden. Om in Kierkegaards termen te spreken: hij heeft geleerd zich absoluut tot het absolute te verhouden (de verhouding tot God is voor hem alles) en relatief tot het relatieve (de dingen van de wereld zijn betrekkelijk – van minder betekenis dan de relatie tot God).

In feite laat Kierkegaard zien wat Augustinus als volgt onder woorden bracht: ‘Wij zijn door U en tot U geschapen en onrustig is ons hart tenzij het rust vindt in U o God.’1
***
De geest van degene die geestrijk is, vraagt naar de eeuwigheid, een vraag die Plato eroos noemde. De keerzijde van deze eroos is angst. Angst komt voort uit het feit dat de mens die op de eeuwigheid is aangelegd deze niet kan vinden. De angst ‘vertelt’ de mens dat hij zijn echte houvast nog niet gevonden heeft. Ze staat de mens niet toe het in het tijdelijke te vinden.

Angst komt voort uit de wanverhouding dat de mens die aangelegd is op de eeuwigheid verloren is in de tijd. Als de mens in wie de eeuwigheid zich aandient niet luistert naar God en niet in God en zijn wil zijn vreugde vindt, staat hij met de rug naar zijn eigen geluk toe. Hij zoekt zijn heil in het tijdelijke en daarmee zondigt hij. Dat heeft effect op zijn innerlijk, dat van God vervreemdt en nog eenzamer wordt dan het al was. Het gevolg is geestloosheid of – als een mens ‘geest’ heeft – een nog groter gevoel van onbehagen en angst. De mens krijgt iets vertwijfelds. Hij verkrampt in zichzelf, zoekt het geluk op deze wereld en raakt daarin verstrikt. Als hij erkennen zou dat hij daarmee op de verkeerde weg zit, moet hij zijn schuld erkennen en God onder ogen komen als schuldige. Dat schuwt hij, iets wat de angst nog vergroot en het innerlijk ondermijnt.

Bij Kierkegaard is het niet zo dat het object van de angst per se in relatie staat tot de bron van de angst. De bron van de angst is het gemis aan eeuwigheid. Als iemand die angstig is dit niet beseft, begrijpt hij zichzelf niet in zijn angst. Hij raakt verstrikt in het labyrint van zijn innerlijk en wordt zwaarmoedig. Omdat hij zich verloren weet in de wereld en met zichzelf geen raad weet, kan de angst zich overal op richten. In de angst zit de eeuwigheidsdimensie. Maar juist daarom ontstaat er vaak een wanverhouding. De angst in de mens richt zich op iets wat vrij onbetekenend kan zijn en ontlaadt zich op dat object, met de intensiteit van de vraag naar het eeuwige geluk. De angst doet alsof het object van de angst de werkelijke bron is van de angst en vertelt de mens dat hier de eigenlijke vraag van geluk of ongeluk ligt, terwijl dat niet het geval is. Hier ligt de oorzaak van een idee fixe. Deze berust op een misverstand dat voor degene die eraan lijdt niet helder is. De angst is als een ongeleid projectiel: hij kan zich overal op richten, terwijl de bron de onrust is van de ziel en de oplossing gelegen is in God, de eeuwigheid.

In de zomer gebeurt het soms bij mooi weer dat iemand ‘elektrisch geladen’ is. Als hij in de buurt van een auto komt en deze aanraakt vindt er een ontlading plaats – een vonk schiet over en men voelt een pijnscheut. Wie dit verkeerd interpreteert, zou angstig kunnen worden voor een auto omdat deze een schok teweegbrengt. De werkelijkheid is natuurlijk anders: omdat de persoon ‘spanning’ met zich omdroeg trad deze ‘ontlading’ op. De spanning richtte zich willekeurig op deze auto. Het object had ook anders kunnen zijn. Zo is het met angst en met een idee-fixe: de angst heeft iemand om de tuin geleid. De angst zou verdwijnen als de mens de zinvraag waaraan hij vaak onbewust lijdt, tot een oplossing kon brengen door met God in aanraking te komen. Angst en vertwijfeling komen dus voort uit de discrepantie tussen tijd en eeuwigheid.
Angst en vertwijfeling komen voort uit de discrepantie tussen tijd en eeuwigheid

Maar juist zo heeft bij Kierkegaard angst een ‘functie’: angst kan een opvoedende werking hebben. Daaraan is de voorwaarde verbonden dat men de ‘opvoeding’ van de angst begrijpt. Dat kan alleen als men gelooft. Kierkegaard wijst in Het begrip angst op twee soorten angst: de angst voor het noodlot en de angst voor zonde/schuld. In het eerste geval kan men ook spreken van de angst voor mogelijkheid. Deze angst zorgt ervoor dat iemand geen zekerheid kán vinden in het raam van de tijd. Zelfs Napoleon niet. Op de dag dat hij bij Waterloo slag moest leveren tegen de geallieerden werd hij overvallen door angst: de zon ging anders op dan bij Austerlitz! De eeuwigheid maakte zich geldig ín de angst: de angst was er een symptoom van dat hij geen houvast kon vinden in de tijd en hij ging door de grond. Kierkegaard geeft een ander voorbeeld: iemand zoekt er serieus naar God te dienen. Hij hoort van een kluizenaar die twee jaar op water en brood leefde. Aan het eind ervan kwam hij in een stad en verviel alsnog in dronkenschap. Degene die het verhaal hoort, wordt gegrepen door angst: welke garantie is er dat hij niet ooit zou vallen als die ander? De angst laat hem niet meer los. Elk houvast dat hij tegenover deze mogelijkheid wil stellen, schiet tekort. Zo dwingt de angst hem zijn houvast alleen te vinden in God.

Deze dialectiek van de angst doet zich ook voor met betrekking tot goed en kwaad (zonde). Het kwade heeft iets angstaanjagends. Maar de angst maakt ook dat het kwade als het ware biologeert: iemand komt tot de ontdekking dat er een geheime correspondentie is tussen hem en het zondige dat hij om zich heen ziet. Hij kan (zeker als hij geest heeft) aan zichzelf vertwijfelen, omdat hij merkt dat zijn verweer tegen het kwade tekortschiet. Het kwade is echter zo angstaanjagend dat hij erdoor gebiologeerd raakt. De angst krijgt hem te pakken. De beleving van dit moment van angst is zo angstig dat hij in zichzelf verkrampt raakt. Het moment waarop hij de angst voor het kwade ondervond, is zo angstig dat hij dat niet meer terug wenst: liever de verkramping dan de herbeleving van dat moment. Op die manier verliest hij zijn vrijheid. Dit fenomeen doet zich ook voor als men kwaad, zonde, gedaan heeft. Men raakt erin verstrikt en durft er niet meer uit te komen, omdat men dan opnieuw de angst voor de mogelijkheid om het kwaad te kúnnen doen gaat ondervinden. In vertwijfeling herinnert men zich er geen verweer tegen te hebben

Alleen Christus kan volgens Kierkegaard deze spiraal doorbreken, omdat Hij boven deze angst staat en machtiger is dan het zondige en het demonische. Het geloof helpt om de angst te doorbreken en te benutten: de angst laat geen ander houvast toe dan de macht en de liefde van Christus en in de vergeving van zonde. Zo is de angst een autodidact en tegelijk een theodidact: ‘Wie met betrekking tot de schuld, door de angst wordt opgevoed, zal pas kunnen uitrusten in de verzoening.’2

Noten
1.Aurelius Augustinus, Belijdenissen (vierde druk). Vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld. Amsterdam: Ambo, 1997, boek 1, 1, 1, p. 29.
2.Søren Kierkegaard, Der Begriff Angst. Düsseldorf: Diederichs, 1952, IV 427, 428, pp. 168 en 169.

Bron : Tijdschriftcdv.nl/inhoud/tijdschrift_artikel/CD-2015-1-141/Soren-Kierkegaard-Kopenhagen-1813-Kopenhagen-1855

 

 

 

“Het loont de moeite om zich te verdiepen in het leven en werk van deze Deense filosoof. Er zij veel parallelen te vinden tussen deze filosoof en St.Augustinus.

Er staat op deze blog een artikel dat ik geschreven heb toen ik in Leuven (1968) filosofie studeerde over het leven en de filosofie van Kierkegaard.
Je kan dit artikel/werk vinden  bij de Categorieën (bovenaan de inlogpagina) bij FILOSOFIE . Vragen en bedenkingen zijn altijd welkom !!! 

Er staat ook een LINK boven het artikel , je kan daar op klikken , en dan kom je ook automatisch op dit werkje.

Je vind er heel wat gemeenschappelijke kentrekken die we ook bij Augustinus tegenkomen.

De onrust bij Augustinus…….

KIERKEGAARD10


De onrust bij de H. Augustinus van Hippo

Door Gabriël Marcel – Frans christelijk filosoof

Wij hebben ons er rekenschap van kunnen geven dat het van een christelijk gezichtspunt uit niets slechts mogelijk, doch zonder de minste twijfel zelfs onvermijdelijk is, een innerlijke rechtvaardiging te vinden voor de onrust, beschouwd als de beweging waardoor de menselijke ziel zich losmaakt van zichzelf en in zekere zin de genade tegemoet streeft terwijl zij elk welgevallen in zichzelf en zelfs in de zichtbare wereld verwerpt. Het is natuurlijk in deze zin dat wij de woorden moeten verstaan van de beroemde aanroeping waarmee de ‘belijdenissen’ van St Augustinus beginnen : ‘Gij zijt groot o Heer, en oneindig prijzenswaardig. Groot is Uw macht en onberekenbaar Uw wijsheid , en de mens, die een nietig deeltje van Uw schepping is wil Uw lof zingen; de mens, die zijn sterfelijkheid overal met zich draagt, die met zich draagt het getuigenis het getuigenis van zijn zonde en het bewijs de Gij de hoogmoedigen weerstaat. En toch wil hij Uw lof zingen, deze mens, dit nietig deeltje van Uw schepping . Gij zijt het, die hem ertoe brengt vreugde te zoeken in het zingen van Uw lof, want Gij hebt ons voor U gemaakt, en onrustig is ons hart totdat het rust in U.’

Maar onmiddellijk daarna vraagt Augustinus zich af, of een dergelijke aanroepng wel zin heeft en of zij zelfs wel mogelijk is. ‘Is er in mij’, zo vraagt hij, ‘een plaats waar mijn God kan komen ? ‘Omdat ik zelf ben, waarom zou ik U dan vragen in mij te komen, terwijl ik er niet zou zijn als Gij niet in mij waart ?… ‘ ‘Ik zou er dus niet zijn, mijn God, ik zou er volstrekt niet zijn als Gij niet in mij waart. Of liever, ik zou er niet zijn als ik niet in U was, van wie, door wie en in wie alle dingen zijn ‘ En terstonds hopen zich de vragen opeen welke voortvloeien uit de schijnbare tegenspraak tussen de goddelijke alomtegenwoordigheid en het feit, dat ik God schijn te vragen in mij te komen, alsof Hij niet reeds in mij was.

Hier worden wij dus wel geplaatst voor een vraagstelling, welke de naam van metaphysieke of religieuze onrust verdient, want het gaat in geen enkel opzicht om gewone speculatieve nieuwsgierigheid. De gestelde vraag raakt op de allerintiemste wijze aan het leven zelf van mijn ziel.

Etienne Gilson zegt in zijn ‘Introduction a l’étude de St Augustin’ dat de grond van deze onrust in werkelijkheid gezocht moet worden in de radicale ontoereikendheid, het wezenlijk tekort waaraan de mens lijdt door zijn hoedanigheid van uit het niets geheven schepsel. ‘Daar hij in de orde van het zijn zichzelf niet genoeg is, kan hij zichzelf ook niet genoeg zijn in de orde van het kennen, noch in de orde van het doen : maar juist dit tekort, waaraan hij lijdt, richt hem op Degene die alleen in staat is hem in alles van overvloed te voorzien. Dit is de bron van de vruchtbare onrust, welke de mens onophoudelijk kwelt, doch hem tevens redt coordat ze hem, die voor God gemaakt is, slechts in God vrede en rust laat vinden.’ St Augustinus merkt in ‘De civitate Dei’ op, dat wij onze eigen wijsheid hadden kunnen voortbrengen als onze natuur door ons zelf gemaakt gemaakt was : ‘onze liefde, die uitging van ons zelf en betrokken en betrokken was op onszelf, was dan genoeg geweest om onze gelukzaligheid te verzekeren, en we geen behoefte hebben gehad aan enig goed, vreemd eid te genieten : maar omdat onze natuur aan God haar aanzijn dankt, is het voor geen twijfel vatbaar dat wij, om de waarheid te leren kennen (ut vera sapiamus) het niet zonder Zijn onderrichting kunnen stellen.’ Hem komt het ons toe ons datgene te verschaffen, wat Augustinus de ‘suavitas intima’ noemt, en wat ik het liefst zou vertalen met de woorden die innerlijke of inwendige balsen’ welke het beginsel is van onze gelukzaligheid

Het is, geloof ik, in dit verband allerbelangrijkst niet te vergeten, dat de zo kennelijke oorspronkelijkheid van Augustinus’denken enerzijds voortvloeit uit het feit dat hij bekeerling was, en dat hij er op deze wijze toe kwam, nadenkend over zijn bekering, een wonderlijk nauwkeurig besef te krijgen van de Genade, van het werk der Genade in ons. De ‘Belijdenissen’ vormen een getuigenis van zeker onovertrokken waarde aangaande dit beslissende feit van de bekering. Van rationalistisch standpunt zal deze altijd onbegrijpelijk blijven, zodat degenen die haar van buitenaf pogen te benaderen, derhalve onherroepelijk geneigd zullen zijn haar natuur te miskennen of zelfs te ontledigen. Er is geen gemene maat en er kan ook geen gemene maat zijn tussen de doorleefde ervaring van de bekeerling en de wijze, waarop iemand deze probeert te verstaan die daar geen deel aan heeft en dus geneigd is er iets anders voor in de plaats te stellen…….

Ik meen mij niet te vergissen als ik zeg, dat de overweging van dit onvermijdelijke verschil van inzicht een der uitgangspunten is van de existentie-filosofie, zoals die zich bij de moderne denkers heeft ontwikkeld. In deze zin heeft men niet zonder grond in St.Augustinus een voorloper kunnen zien van wat men met een barbaars en door mij persoonlijk verworpen woord existentialisme noemt.

Doen deze opmerkingen ons van ons onderwerp afdwalen ? Kennelijk is dat niet waar. Want wij moeten altijd voor ogen houden, dat onrust positieve waarde verkrijgt in het licht van een bewustzijn, dat in zichzelf de werking van de genade heeft bespeurd. Wij zullen dit natuurlijk nog eens opnieuw moeten vaststellen wanneer wij aan de bespreking van Pascal toe zijn.

Maar laten wij intussen nu reeds constateren, dat het omgekeerde niet waar is, tenminste niet waaar schijnt . Er kunnen gevallen zijn waarin de onrust als waardevol wordt gezien, zonder dat hij, die haar weldadige invloed ondergaat en erkent, zichzelf ook maar op enigerlei wijze geraakt acht door de genade. Bij St.Augustinus evenwel en bij zijn geestverwanten is dit verband onmiskenbaar.
Ik moet hieraan toevoegen,dat er rechtstreeks verband bestaat met de evangelische gedachten, die ik in een vorig hoofstuk aanhaalde, als St.Augustinus zich bijvoorbeeld in het achtste boek van zijn ‘Belijdenissen’ op de volgende wijze uitdrukt :

Goede God, hoe kan het toch komen, dat de mens zich nog meer kan verheugen over het heil van een ziel, als hij daaraan wanhoopte en hij haar verlost zag uit een groot gevaar, dan als hij altijd enige hoop omtrent haar lot is blijven koesteren en het gevaar minder ernstig was ?…. Hoe kan het toch komen, dat de ziel meer vreugde ervaart bij het vinden of herkrijgen van wat zij liefheeft, dan bij het voortdurend bezit daarvan ? Vele andere voorbeelden bevestigen dit; alles getuigt luidkeels van alle kanten : zo is het !… Iemand waarvan wij houden is ziek; zijn polsslag leert ons dat hij in gevaar verkeert; allen die zijn genezing wensen zijn tegelijk met hem ziek in hun ziel. De beterschap treedt in. Nu loopt hij rond zonder nochtans zijn oude kracht herwonnen te hebben, en reeds is er een vreugde, zoals er nooit geweest is toen hij vroeger volop sterk en gezond rondliep.’

‘Wat betekent dit, mijn Heer en mijn God ?…. Ach ja, dat Gij verheven zijt in de hoogten en diep in de afgronden ! Nooit verwijdert Gij U van ons, en toch : hoe moeilijk is het tot U te komen !?

Men ziet hier dus weer de Alles overtreffende waard van deze onrust, die de menselijke ziel er toe drijft zonder ophouden van het ene ding te gaan tot het andere (ik citeer hier weer Etienne Gilson)alsof de volledige voldoening, welke de kennis van het ene hem niet geschonken heeft, hem verschaft zou kunnen worden door de kennis van iets anders. In werkelijkheid bestaat er geen vrede, en derhalve ook geen gelukzaligheid voor ons denken, hoe lang het dit onderzoek ook voortzet, zelfs niet in de veronderstelling dat het ons slechts tot de ene waarheid na de andere zou voeren. Wat is de gelukzaligheid immers anders dan dat de ziel staat in tegenwoordigheid van een laatste waarheid, die tegelijk het enige Goed is, omdat zij God is ? Doch dit Goed dat wij begeren, dit Ware waarnaar ons verlangen uitgaat, het is reeds in zeker opzicht in ons, en door beroep te doen op een beschouwing over het geheugen tracht Augustinus ons enigzins een voorstelling te geven, van welke aard deze inwoning van God zou kunnen zijn in de mens die Hem zoekt.

Wij moeten hier de onvergetelijkie bladzijden van het tiende boek van de Belijdenissen bijnemen, waar St.Augustinus, als hij zich gesteld ziet voor het mysterie van het geheugen, geslagen wordt met een waarlijk religieuze verbazing. ‘zelfs als mijn tong zwijgt en mijn keel stil blijft, kan ik zingen naar believen, en al heb ik ook voorstellingen van kleuren, zij komen mij niet in de weg en storen mij niet terwijl ik bezig ben met die andere schat welke mijn oren mij hebben verschaft. Zo kan ik naar believen de indrukken, die de andere zintuigen mij gebracht en in mij vergaard hebben weer aan mij voorbij laten gaan. Dit alles speelt zich in mijn binnenste af, in het weidse paleis van mijn geheugen…. Groot, mijn God, is deze macht van het geheugen…. ; ja zeker, zeer groot. Het is een geweldig, een onmetelijk heiligdom. Wie is ooit tot de uithoeken ervan doorgedrongen ! Toch is het iets anders dan een vermogen van mijn geest, dat voortvloeit ui mijn natuur.

Maar ik kan mij niet volledig voorstellen wat ik ben. Is de geest dan te eng om zichzelf te kunnen bevatten ? Waar blijft dan datgene wat hij van zichzelf niet bevatten kan ? Zou dit dan buiten hem zijn en niet in hem ? Maar op welke wijze bevat hij het niet ? Deze gedachte doet mij geheel verbaasd staan, en ik voel mij met verbijstering geslagen.

Ik ben dus als het ware wezenlijk ongelijk aan mijzelve; ik ben te groot voor mij. Als hij dieper doordringt in dit mysterie komt St.Augustinus om te beginnen tot de erkentenis, dat God zelf op zekere wijze in ons geheugen aanwezig is. Dit echter zou natuurlijk ondenkbaar zijn, wanneer ons geheugen iets was dat dingen bevat. Het geheugen moet in ons meer zijn dan wijzelve, zodanig dat wij tenslotte God vinden in God. ‘In ‘De Trinitate’ komt St.Augustinus derhalve tot de uitspraak, dat de ziel, wanneer zij zich haar Heer herinnert omdat zij de Geest ontvangen heeft, dan heel goed beseft dat zij onderricht wordt door het inwendig leergezag dat Hij over haar uitoefent. Omdat God overal in Zijn totaliteit tegenwoordi is, leeft en beweegt zich de ziel in Hem, en zo kan zij zich Hem ook herinneren.

Derhalve zouden wij God dus niet liefhebben, als Hij ons niet eerst bemind had. Er bestaat geen enkele andere leer die volstrekter beheerst wordt door de gedachte dat God liefde is, en men heeft terecht wel eens gezegd dat een leer augustiniaans is, naarmate zij vollediger geneigd is haar organisch middelpunt te zoeken in de liefde.

Het is dus heel duidelijk dat de onrust hier slechts een gissingsmiddel is, of anders gezegd een zuurdesem, zonder welke de ziel zich niet werkelijk zou kunnen bekeren. Want deze zuurdesem is evenzeer het werk van God, dat de Genade verricht in de diepten bvan het schepsel.

Gabriël Marcel (1889–1973) was een filosoof, toneelcriticus, toneelschrijver en muzikant. Hij bekeerde zich in 1929 tot het katholicisme en zijn filosofie werd later beschreven als “Christelijk existentialisme” (het meest bekend in Jean-Paul Sartre’s “Existentialisme is een humanisme”), een term die hij aanvankelijk onderschreef maar later verwierp.
Dit artikel is genomen uit één van zijn boeken : ‘De mens zichzelf een vraagteken’ pp 100 tot 105.

HIPPO20

 

ENGELSE TEKST VAN DIT ARTIKEL

The unrest of Saint Augustine of Hippo

Lees verder “De onrust bij Augustinus…….”