St.Cyprianus : Ook jij moet voorbereid zijn…………………..

2cb585d996a0e8274fc977b2c75867ac (1)

“Ook jij moet voorbereid zijn, want op een uur verwacht je niet dat de Mensenzoon zal komen (Lukas 12:40)”

CYP10

“ De Heer keek naar onze dagen toen Hij zei: “ Wanneer de Mensenzoon komt, zal Hij dan geloof vinden op aarde ?” (Lc 18:8) We zien dat wat Hij voorspelde, is uitgekomen. Er is geen geloof in de vrees voor God, in de wet van gerechtigheid, in liefde, in goede werken …. Datgene waar ons geweten bang voor zou zijn als het geloofde, vreest het niet omdat het helemaal niet gelooft. Als het geloofde, zou het ook opletten en als het oplet, zou het gered worden.

Daarom, geliefde broeders, laten wij ons zo veel mogelijk opwekken en de slaap van onze lusteloosheid verbreken. Laten wij waakzaam zijn om de voorschriften van de Heer te onderhouden en te doen. Laten wij zijn zoals Hij Zelf ons heeft geboden te zijn, zeggende: “ Omgordt uw lendenen en steekt uw lampen aan en weest als dienaren die wachten op de terugkeer van hun heer van een bruiloft, gereed om onmiddellijk te openen, wanneer Hij komt en klopt. Gezegend zijn die dienaren, die de Heer waakzaam vindt bij Zijn aankomst ”.

Wij moeten gekleed zijn voor het werk, opdat de dag van vertrek ons ​​niet belast en verstrikt aantreft. Laat ons licht schijnen, in goede werken en gloeien, op zo’n manier dat het ons van de nacht van deze wereld naar het daglicht van de eeuwige helderheid leidt. Laten we altijd met zorg en voorzichtigheid wachten op de plotselinge komst van de Heer, zodat wanneer hij klopt, ons geloof op de wacht kan staan ​​en van de Heer de beloning voor onze waakzaamheid kan ontvangen. Als deze geboden worden nageleefd, als deze waarschuwingen en voorschriften worden nageleefd, zullen we niet in slaap worden overvallen door het bedrog van de duivel. Maar we zullen met Christus regeren in zijn koninkrijk, als dienaren op de wacht.” – St Cyprianus (c 200-258) Bisschop van Carthago en Martelaar, Vader van de Kerk ( Verhandeling over de eenheid van de Kerk, 26-27 ).

Johannes Cassianus :  “Naar mijn mening zou het onwaardig zijn als we ons, zelfs voor een moment, zouden terugtrekken uit de contemplatie van Christus…….

Johannes23

Johannes Cassianus

“Naar mijn mening zou het onwaardig zijn als we ons, zelfs voor een moment, zouden terugtrekken uit de contemplatie van Christus. Als we Hem uit het oog verloren hebben, zelfs al is het maar voor even, laten we dan onze gedachten weer op Hem richten, waarbij we de ogen van ons hart als een heel rechte lijn richten. Want alles ligt in het innerlijke heiligdom van de ziel. Daar, nadat de duivel is verdreven en de ondeugden helemaal niet meer heersen, kan het koninkrijk van God in ons worden gevestigd, zoals de evangelist zegt: “Want amen, ik zeg u dat het koninkrijk van God in u is.” Maar in ons kan er niets anders zijn dan kennis of onwetendheid over de waarheid en de liefde, over de ondeugden of de deugden, waardoor we een koninkrijk in ons hart klaarmaken, hetzij voor de duivel, hetzij voor Christus. De apostel Paulus beschrijft ook de kenmerken van dit koninkrijk als hij zegt: ‘Want het koninkrijk van God bestaat niet uit eten en drinken, maar uit rechtvaardigheid en vrede en vreugde in de Heilige Geest.’ Dus als het Koninkrijk van God in ons is en het Koninkrijk van God zelf bestaat, gerechtigheid, vrede en vreugde, dan is iedereen die in deze dingen blijft, ongetwijfeld in het Koninkrijk van God… Laten we de ogen van onze ziel opheffen om dat koninkrijk dat eindeloze vreugde is!” –

Johannes Cassianus (Dobroedzja, ±360/370 – Massilia, ±435) was een monnik uit het vroege christendom en een van de woestijnvaders. Hij verspreidde het monachisme in het westen.

 

De maker van de mens werd mens gemaakt……

AUGUSTINUS

KEES10

De maker van de mens werd mens gemaakt zodat Hij, Heerser
van de sterren, aan de borst van zijn moeder zou kunnen voeden;
dat het Brood mag hongeren, de Bron dorsten, het Licht slapen, de Weg
moe wordt op zijn reis; dat Waarheid
beschuldigd zou kunnen worden van valse overtredingen, dat de Leraar
met zwepen zou worden geslagen, dat het Fundament
aan hout zou worden opgehangen; dat de kracht
zwak zou kunnen worden; dat de Genezer
gewond zou kunnen raken; dat het leven zou kunnen sterven.
Augustinus van Hippo

Augustinus : over nederigheid…deel 1 (nrs 1-2-3)

Augustinus

WOORD

Augustinus :

Gedachten over Gods nederigheid

Het woord nederigheid is niet erg geliefd in de moderne cultuur en gemakkelijk bron van misverstand. Daarom enkele opmerkingen ter inleiding. Nederigheid mag in het christelijk geloofsleven nooit met dwang gepaard gaan en dus niet worden opgelegd. Het gaat daarentegen om een vrijwillige activiteit uit liefde. In de Nederlandse taal ligt dat nog steeds verwoord in de zegswijze dat je je nederig kunt opstellen. Het directe gevolg van vrijwillige nederigheid is onderlinge hoofharting. Daarin ligt dan ook de actuele betekenis van nederigheid verscholen. Christenen laten zich in hun nederigheid mede inspireren door Gods nederigheid, bij uitstek vermoed en beleden in de menswording en kruisdood van Jezus Christus.

Augustinus gebruikt voor onze nederigheid het Latijnse humilitas; dat woord is ontleend aan humus en is zelfs in in onze taal bawaard. Het verwijst dan naar de donkere stoffen in de bodem van de aarde door verrotting van planten en andere organische stoffen, onmisbaar voor de vruchtbaarheid van de aarde. In zekere zin verwijst nederigheid dan ook naar een levenshouding waarin je met beide benen op de grond blijft staan, uit eerbied en respect voor de werkelijkheid om je heen. Wie zo leeft kan aldus Augustinus een vruchtbaar leven leiden.

Onderstaand fragment is afkomstig uit een preek die Augustinus hield in 406. We weten niet waar de preek gehouden is, maar wel dat Augustinus’ uitleg geeft over Joh.14,6 waarin Jezus zich als de weg naar God zijn Vader beschouwt.

1. MEDICIJN VAN NEDERIGHEID :

De mensen waren gezwollen van trots, en juist door die gezwollenheid konden ze niet terugkeren door de nauwe poort. Onze Heer, die de weg geworden is (Joh.14,6), roept : “Ga binnen door de nauwe poort.” (Mt. 7,13). Je probeert naar binnen te gaan, maar die zwelling zit je in de weg. En hoe meer dat het geval is, hoe meer schade je kunt oplopen bij die poging. WantWant de poort is zo nauw dat het pijn doet en door die pijn groeit de zwelling nog harder. En als die nog harder groeit, wanneer kun je dan naar binnen ? Je moet dus krimpen als je naar binnen wilt.

Maar hoe gaat dat , krimpen ? Door het medicijn van de nederigheid. Door het bittere maar heilzame drankje tegen zwellingen. Door het drankje van de nederigheid. Waarom moet je kleiner worden ? Je omvang belemmert je de doorgang. Je bent niet groot maar opgeblazen. Groot wil zeggen vast en stevig. Opgeblazen betekent : vol lucht. Denk niet dat je groot bent als je bent opgeblazen. Je moet dus juist krimpen om groot te worden, en sterk en stevig. Zet je zinnen niet op al die aardse onzin, loop niet te pronken met wat voorbijgaat en verdwijnt. Luister naar de Heer die zegt : “Ik ben de weg”. Alsof de een of andere blaaskaak Hem vraagt : “Kan ik hierlangs ?” antwoordt Hij : ” Ik ben de weg. Ga binnen via Mij. Alleen als je Mij bewandelt kun je door de deur. Want ik heb niet allen gezegd : “Ik ben de weg”, maar ook : “Ik ben de eur.” (Joh.10,7)
Uit Sermo 142,5

2. GOD IS AL NEDERIG !

Luister naar Paulus : “Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard; voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En in Hem heeft Hij ons toch ook al het andere geschonken ? (Rom 8,32). U wilde toch alles ? nou alstublieft ! Maar houd alles op afstand waar u van houdt en wat u afhoudt van Christus. Houd liever vast aan Hem in wie u alles kunt bezitten.

De dokter, die geen enkele behoefte heeft aan dat medicijn neemt het zelf ook in, al is dat nergens voor nodig. Dat doet Hij om de zieke moed te geven. Het is alsof Hij de tegenstribbelende patiënt toespreekt en hem van zijn angst wil bevrijden. Daarom drinkt Hij als eerste. Hij heeft het over “de beker die ik zal drinken (Mt 20,22). Ook al heb ik niets wat door dat drankje genezen hoeft te worden, ik zal het toch innemen Dan zult u niet weigeren om het in te nemen: u hebt het nodig.”

Wat denkt u, broeders en zusters, moet de mensheid nog langer ziek blijven, met dat geweldige medicijn ? God is al nederig, de mens nog steeds hoogmoedig. Die moet luisteren en leren. Jezus zegt : ” Alles is Mij door de vader in handen gegeven (Mt 11,27). Wilt u alles? Bij Mij zult u het hebben. Wilt u de Vader ? door Mij kan dat, in Mij kan dat.”
Uit Sermo 142,6

3. LANGS DE SMALLE WEG EN DOOR DE SMALLE POORT

Hij werd nederig om hoog verheven te worden. Dat deed Hij om onze zwelling te doen slinken. Gezwollen van trots wilden die twee leerlingen uit het evangelie het koninkrijk binnengaan (Mt20,20-21). Ze lieten het hun moeder vragen, omdat ze zelf niet durfden. Juist die aarzeling had hen moeten waarschuwen voor dat verzoek. Ze durfden het niet zelf te vragen : ze lieten hun oude moeder praten met de Heer, zij had haar sporen al verdiend. Ze verlangden binnen te gaan in het rijk waar je alleen maar in kunt langs de smalle weg (Mt 7,13 en lc 13,24).Maar zij waren nog gezwollen van eerzucht, en hoe meer ze zich naar binnen probeerden te wringen hoe erger de pijn. De Heer maakt hen klein en geeft hun die bittere beker tegen zwellingen te drinken waar ik het net over had.
U riep : ” Dat kan ik niet ! De Heer roept me door de smalle poort, daar kan ik niet doorheen.” Maar Hij zegt:”Kom allen naar Mij toe die afgemat en belast zijn”, Die last van u, dat is uw gezwollenheid. Hij zegt :”Kom allen naar Mij toe die afgemat en belast zijn, en ik zal u rust geven. Neem mijn juk op en kom bij Mij in de leer.” (Mt 11,28-29).

Uit Sermo 142,10)

Vervolgt…..

Bron : Uit Tussen kribbe en kruis – Gedachten over Gods nederigheid – Augustijnse beweging.nl

Wilfried Stinissen …Over de Eucharistie

EUCHARIST10

Samenvatting van het boek : Brood dat gebroken is  door Pater Wilfried Stinissen, ocd

  Door Pater Richard Conlin

 

Hier zijn 2 belangrijke inzichten die ik heb gekregen uit dit fantastische boek over de Eucharistie:

1: We worden wat we eten

“Omdat we worden wat we eten en Jezus wil dat we volledig één met Hem worden, kan Hij niets anders doen dan zichzelf voedsel maken” (12).

Dat de Eucharistie – en dus het hele christelijk leven – een maaltijd is, toont ons dat we geen leven in onszelf hebben. We moeten het ontvangen, eten. We worden wat we ontvangen. Als we weigeren Hem te ontvangen, weigeren te eten en te drinken, blijven we zonder leven” .

“Hij weet dat we worden wat we eten. Als we agape, zelfopofferende liefde eten, worden we zelf agape. Het ingenieuze van de Eucharistie is dat zij tegelijkertijd de zelfgevende liefde van God uitdrukt en dezelfde uitstortende liefde in ons opwekt. Het laat ons zien dat God “geofferd” wordt, en het verandert ons in “geofferde” mensen. Wij mogen getuigen zijn van Jezus’ “extatische” liefde, en Hij verandert ons zelf in “extatische” mensen” .

“Heiligheid is geen prestatie maar een gave. De heilige Theresia van Lisieux wist dat. “In één woord, ik verlang een heilige te zijn, maar ik voel mijn hulpeloosheid en ik smeek U, o mijn God! om Uzelf te zijn, mijn heiligheid!” In de Eucharistie eten we heiligheid” .

Verbazingwekkend! Ik had net een heel deel van een boek geschreven met de titel: “Je bent wat je eet” en dan pak ik dit boek op tijdens een stilteretraite en lees ik dit allemaal van Stinissen om mijn gedachten te ondersteunen. God is zo goed in Zijn voorzienige timing.

2: Een eucharistische ethiek

Als Jezus zegt: “Doe dit tot mijn gedachtenis”, dan is dat veel meer dan een aansporing om het eucharistisch ritueel te herhalen. Het is een oproep om dezelfde soort liefde aan anderen te tonen.

“Eén worden met de offerende Heer heeft noodzakelijkerwijs gevolgen. De mystiek van de eucharistie leidt tot een eucharistische ethiek. Wie zich afvraagt hoe hij moet handelen, vindt het antwoord in de Eucharistie. Hij is geroepen om te worden zoals Jezus, brood gebroken, “voor het leven van de wereld” (Johannes 6:51) .

“De Eucharistie laat zien dat liefde betekent dat je buiten jezelf treedt. Het wijst op de essentiële reden waarom we zijn geschapen. “Staar je niet blind op jezelf”, zegt de Eucharistie; “Heb geen medelijden met jezelf.” Eucharistisch beleven is leven voor anderen, gegeven, uitgestort, voedsel en drank zijn… De Eucharistie is een dagelijkse herinnering dat we geschapen zijn om buiten onszelf te treden” (40).

“Opoffering impliceert altijd de dood. Men bekommert zich niet langer om de egoïstische mens, maar laat hem sterven van de honger. “Als men de Eucharistie zou begrijpen, zou men sterven”, zegt de Pastoor van Ars (1786-1859); sterven, deels omdat de Eucharistie zo groots is, zo overweldigend dat we het niet kunnen verdragen en deels omdat de Eucharistie het offer van Jezus is waaraan we niet kunnen deelnemen zonder met Hem te sterven. Als Jezus zegt: “Doe dit tot mijn gedachtenis”, nodigt hij ons uit om zijn dood binnen te gaan. De Eucharistie vieren zonder bereid te zijn te sterven is een innerlijke tegenstrijdigheid” .

Jezus komt om ons te veranderen in voedsel voor de wereld. “Gevoed worden door Jezus in de Eucharistie houdt in dat we zelf voedsel worden voor anderen. Het voedsel dat Jezus geeft, is zijn eigen liefde. Het ongelooflijke van de Eucharistie is dat Gods eigen liefde ons wordt gegeven, niet als een onderwerp om over na te denken, niet als een voorbeeld om na te volgen, maar als substantieel voedsel” (46).

“Deze overdaad van God [met de Eucharistie] leert ons dat we niet gierig mogen zijn met onze liefde. We kunnen veel meer liefde geven dan we beseffen, omdat we veel meer liefde ontvangen dan we ons kunnen voorstellen. Er is geen risico dat de bron droogvalt” .

“De Eucharistie is een school van dankzegging. Daar leren we opnieuw dankbaarheid te geven, niet alleen voor het schone en verrukkelijke, maar ook voor het moeilijke, voor lijden en dood. Verenigd met Jezus danken wij voor zijn dood, die onze redding is geworden, en daardoor danken wij ook voor onze eigen dood” (73).

“Er kan nooit meer een reden zijn voor rivaliteit of afgunst, omdat we communicerende vaten zijn geworden in het Lichaam van Christus. Als ik jaloers ben op een ander omdat hij of zij meer heeft ontvangen dan ik, bewijst dat dat ik niets heb begrepen van de nieuwe fysica die heerst in de eucharistische wereld. De naam van deze nieuwe fysica is communio: niemand ontvangt iets alleen voor zichzelf; Iedereen heeft alles gemeen. Wat jij hebt, is ook van mij; wat ik heb, is ook van jou. Afgunst wordt vervangen door vreugde en dankbaarheid”.

“Wie eucharistisch leeft en denkt, bevindt zich altijd op de laatste plaats” (87).

“Hoe en wanneer is Jezus ons voorbeeld, ons ideaal? Is er een moment in het leven van Jezus waarop Hij ons op een heel bijzondere manier laat zien wie Hij is en wat Hij wil, een moment waarop Hij zijn diepste wezen uitdrukt, waarop Hij zijn hele leven samenvat en tegelijkertijd de zin van Zijn leven uitlegt? Ja, dat moment komt dat hij zegt: “Dit is mijn lichaam dat voor jou is opgegeven. Dit is mijn bloed dat voor u is vergoten.” Juist dan zegt hij ook: “Doe dit tot mijn gedachtenis.” De Eucharistie is de fundamentele norm voor ons handelen. Het eucharistisch offer van Jezus is ons ideaal, ons leidend principe, onze regel. Een regel die veel veeleisender is dan een kloosterregel, omdat hij niets in het leven onaangetast laat. Als we ons afvragen hoe we moeten handelen, is het antwoord: “Kijk naar de Eucharistie!” Daar is het christelijk leven in zijn volheid. De christelijke ethiek is een eucharistische ethiek. Jezus heeft de Eucharistie ingesteld zodat wij het offer in ons midden zullen hebben als een voortdurende bron van inspiratie en een duidelijk referentiepunt. De Eucharistie is het criterium als het gaat om het beoordelen van onze daden! Zijn ze wel of niet in overeenstemming met de Eucharistie?”.

“Niets ligt buiten de invloedrijke sfeer van de Eucharistie. Het antwoord op de vraag: “Hoe zal ik leven?” zou altijd moeten zijn: “Eucharistieus leven!” (105)

Er zijn hier zoveel krachtige citaten. Ik nodig je uit om er een paar te nemen die je echt inspireren en naar de eucharistische aanbidding te gaan om er verder over te mediteren

 

Bron : prodigalcatholic.com/2022/10/26/summary-of-bread-that-is-broken-by-fr-wilfrid-stinissen-ocd

Samenvatting van ‘de weg van het hart’ Henri Nouwen…..

3ab4af1a5debd06f3b24b5ad5a4051cf

Samenvatting van : De weg van het hart: de spiritualiteit van de woestijnvaders en -moeders door Henri Nouwen

door Pater Richard Conlin 

HENRI10

Henri Nouwen

 

In deze moeilijke tijden om christen te zijn, presenteert Nouwen de spiritualiteit van de woestijnvaders, die mannen en vrouwen die in de 4een 5eeeuw in de Egyptische woestijn leefden en een nieuw soort martelaarschap nastreefden: een wit martelaarschap van getuigen tegen de machten van het kwaad met de reddende kracht van Christus.

Nouwen structureert zijn beschouwingen rond het advies dat onze Heer aan abt Arsenius gaf. In antwoord op het gebed van Arsenius: “Heer, laat mij op de weg van het heil”, zei onze Heer tot hem: “Arsenius, vlucht, zwijg, bid altijd, want dit zijn de bronnen van zondeloosheid.” Voor Nouwen vatten deze drie woorden niet alleen de spiritualiteit van de woestijn samen, maar bieden ze ons ook drie manieren om te voorkomen dat de wereld ons naar haar beeld vormt en zijn ze dus de drie wegen naar het leven in de Geest.

1: Eenzaamheid

Omdat de samenleving door de woestijnvaders werd beschouwd “als een schipbreuk waaruit elke individuele man moest zwemmen voor zijn leven”, werd vluchten uit onze samenleving beschouwd als een essentiële eerste stap.
Hoe moeilijk is dit vandaag voor ons. Onze levens worden zo gemakkelijk gevormd door deze schipbreuk van de samenleving en we willen niet vluchten omdat ons valse zelf – ons identiteitsgevoel in deze wereld – zo verstrikt is geraakt in dit alles, verslaafd aan de dwangmatige verlangens om aardig gevonden te worden, geprezen, bewonderd te worden – om voortdurend meer te verzamelen. Boos als we in dit streven worden bekritiseerd. Hebzuchtig naar meer.

“Eenzaamheid is de plaats van de grote strijd en de grote ontmoeting – de strijd tegen de dwangmatigheden van het valse zelf, en de ontmoeting met de liefhebbende God die zichzelf aanbiedt als de substantie van het nieuwe zelf” (26).

Eenzaamheid is meer dan een therapeutische plek van privacy. Het is meer dan een tankstation om onze tanks voor de dag te vullen. Het is meer dan een hoekje van onze boksring om een aantal inspirerende uitspraken te krijgen om te blijven vechten.

Eenzaamheid is vooral een plaats van bekering en transformatie. We komen oog in oog te staan met ons ware zelf – het naakte, kwetsbare, zwakke, zondige, beroofde, gebroken – zelf. En we komen oog in oog te staan met onze echte God – de liefdevolle, medelevende, tedere, barmhartige, ontzagwekkende – God.
“Alleen in de context van genade kunnen we onze zonde onder ogen zien; Alleen op de plaats van genezing durven we onze wonden te laten zien; alleen met een vastberaden aandacht voor Christus kunnen we onze vastklampende angsten opgeven en onze eigen ware aard onder ogen zien” (Nouwen, 30).

Bepaal een tijd en plaats voor deze dagelijkse ontmoeting.
Uit deze eenzaamheid komt oprecht mededogen tevoorschijn. Compassie is het resultaat van een dood voor zichzelf en een leven voor anderen – het binnengaan in hun lijden. We stoppen met het veroordelen van anderen en we betreden hun leven.

2: Stilte

Stilte is de manier om eenzaamheid te realiseren.
“Een van onze grootste problemen is dat in deze praatgrage samenleving stilte een heel angstig iets is geworden. Voor de meeste mensen zorgt stilte voor jeuk en nervositeit. Velen ervaren stilte niet als vol en rijk, maar als leeg en hol. Voor hen is de stilte als een gapende afgrond die hen kan verzwelgen. Zodra een predikant tijdens een eredienst zegt: “Laten we even stil zijn”, hebben mensen de neiging om rusteloos te worden en in beslag genomen door slechts één gedachte: “Wanneer zal dit voorbij zijn?” Opgelegde stilte leidt vaak tot vijandigheid en wrok” (59).

“Stilte van het hart is immers veel belangrijker dan stilte van de mond. Abt Poimen zei: “Een mens kan lijken te zwijgen, maar als zijn hart anderen veroordeelt, brabbelt hij onophoudelijk. Maar er kan een ander zijn die van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat praat en toch echt zwijgt.” (64).

“Stilte is in de eerste plaats een kwaliteit van het hart die leidt tot steeds groeiende naastenliefde. Op een keer zei een bezoeker tegen een kluizenaar: “Sorry dat ik je je regel heb laten overtreden.” Maar de monnik antwoordde: “Mijn regel is om de deugd van gastvrijheid te beoefenen jegens degenen die mij komen bezoeken en hen in vrede naar huis te sturen.” Naastenliefde, niet stilte, is het doel van het geestelijk leven en van het ambt. Hierover zijn alle woestijnvaders het unaniem eens” (64).
Veel te vaak zijn onze woorden overbodig, niet authentiek en oppervlakkig.

3: Gebed

“Altijd bidden – dat is het echte doel van het leven in de woestijn. Eenzaamheid en stilte kunnen nooit los worden gezien van de oproep tot onophoudelijk gebed” (69).

“De letterlijke vertaling van de woorden “bid altijd” is “kom tot rust”. Het Griekse woord voor rust is hesychia, en hesychasme is de term die verwijst naar de spiritualiteit van de woestijn… Deze rust heeft echter weinig te maken met de afwezigheid van conflict of pijn. Het is een rust in God te midden van een zeer intense dagelijkse strijd” (69-70).

Bidden is niet in de eerste plaats een activiteit van de geest (spreken met God of denken over God), waarbij God een intellectuele activiteit of onderwerp wordt dat onderzocht of geanalyseerd moet worden, maar eerder een activiteit van het hart.

“Bidden is met de geest afdalen in het hart, en daar staan voor het aangezicht van de Heer, altijd aanwezig, alziend, in jou” (Russische mysticus Theophan de kluizenaar).
Gebed is :  hart spreekt tot hart.

Het hart, in zijn volle bijbelse betekenis, is de centrale en verenigende plaats van ons persoonlijk leven – de bron van alle fysieke, emotionele, intellectuele, spirituele energieën – waarin God woont en Satan aanvalt.

“De belangrijkste taak van de atleet [dat wil zeggen, de monnik] is om in zijn hart binnen te gaan” (Macarius de Grote).

jWat betekent dit? Het gebed probeert de hele persoon vanuit zijn diepste diepten te transformeren.
“Het gebed dringt door tot in het merg van onze ziel en laat niets onberoerd” (78).

Om te allen tijde te kunnen bidden, moeten we voortdurend korte, eenvoudige gebeden opzenden. Rustige herhalingen van woorden. Dit helpt ons om ons te concentreren, om naar het hart te gaan, om een innerlijke ruimte te creëren om Gods stem te horen. Gebruik een woord uit de Schrift waar je de hele dag ’s ochtends over mediteerde. Zo kun je de hele dag door bidden. Uiteindelijk zullen de woorden op je lippen in je hart overgaan (zie pagina 85 voor het verhaal van de pelgrimsweg).

“Wanneer we door eenzaamheid, stilte en gebed zijn omgevormd tot levende getuigen van Christus, zullen we ons geen zorgen meer hoeven te maken of we het juiste zeggen of het juiste gebaar maken, want dan zal Christus zijn aanwezigheid kenbaar maken, zelfs als we ons er niet van bewust zijn” (94).

“Drie vaders gingen elk jaar op bezoek bij Antonius en twee van hen bespraken hun gedachten en het heil van hun ziel met hem, maar de derde zweeg altijd en vroeg hem niets. Na een lange tijd zei abt Antonius tegen hem: “U komt hier vaak om mij te zien, maar u vraagt mij nooit iets,” en de ander antwoordde: “Het is genoeg om u te zien, Vader.”

Bron : summary-of-the-way-of-the-heart-the-spirituality-of-the-desert-fathers-and-mothers-by-henri-nouwen/

Charles de Foucauld : De zieke ledematen van Christus liefhebben

De heer

H. Charles de Foucauld (1858-1916)
kluizenaar en missionaris in de Sahara
Over het Evangelie

De zieke ledematen van Christus liefhebben

“Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars”. (Mt 9, 13) Barmhartig zijn, je hart richten op alle ellende, die van het lichaam en nog meer die van de ziel, want ziekten van de ziel zijn oneindig veel ernstiger dan alle kwalen van het lichaam, en bedreigen het leven en geluk van een lid van Christus niet voor een paar jaar, maar voor eeuwig… We moeten ons niet concentreren op de zorg voor de vette, schone en volgzame schapen, en de schurftige schapen aan hun ellendige lot overlaten, maar alle mensen liefhebben voor God, hun Vader en Redder, en onze zorg bovenal geven aan de zieken en zondaars, omdat zij het zoveel harder nodig hebben.
Jezus geeft ons zijn hele lichaam om lief te hebben; al zijn leden verdienen evenveel liefde van ons, omdat ze allemaal van hem zijn: sommige zijn gezond, andere ziek: als we van allemaal evenveel moeten houden, eisen de zieke leden al onze zorg, duizend keer meer dan de andere: voordat we anderen zalven met parfums, laten we zorgen voor degenen die gewond, gekneusd, ziek zijn, dat wil zeggen al degenen die behoeften hebben in hun lichaam of in hun ziel, vooral de laatste, en vooral, vooral zondaars … We kunnen goed doen aan alle mensen zonder uitzondering, door onze gebeden, onze boetedoeningen, onze eigen heiliging.

Bron : Dagelijks Evangelie

Liefde zonder grenzen …..

LEV10

Liefde zonder grenzen : Je bent geliefd

door Lev Gillet

Dit is een vervolg op onze vertaling van de meditatie van vader Lev Gillet over het mysterie van de goddelijke liefde, die hij publiceerde onder het pseudoniem ‘Een monnik van de oosterse kerk’. In dit gedeelte spreekt hij over de goddelijke liefde die ieder van ons volledig en persoonlijk omarmt.

“Mijn kind,” verklaart God, “dit woord dat ik tot je spreek plaatst je in het hart van de Brandende Struik. Je staat niet langer op de drempel van het mysterie, je bent er volledig ingegaan. Je bent geliefd. Als je ze echt wilt ontvangen, kunnen deze drie woorden je leven schudden en transformeren.

“Je bent geliefd. We moeten bij het begin beginnen. In de eerste plaats moeten we mijn liefde voor de mensheid bevestigen, mijn Liefde zonder grenzen. De liefde van een persoon voor God is slechts een reactie op mijn Liefde. Ik ben de eerste die heeft liefgehad. Ik ben altijd degene die het initiatief neemt.

“Hoe kun je mij liefhebben als je niet eerst de openbaring van Liefde hebt ontvangen die ik voor je heb? Op een bepaald moment moet je de hartstochtelijke Liefde die ik je aanbied, als een schok voelen. Als het dan je verlangen is om mijn Evangelie te verkondigen, moet je eerst gewoon naar andere mensen toegaan en aan elk van hen verklaren: ‘Je bent geliefd!’ Alles vloeit voort uit dat essentiële begin.

“Wat betekent ‘liefde’, als het God is die liefheeft, God die Zelf Liefde is? Elke vorm van liefde is een beweging van het ene wezen naar het andere met het verlangen om zich met de ander te verenigen. De richtingen, vormen en variëteiten van deze beweging zijn ontelbaar. Ze bestrijken het bereik van minder dan menselijk tot meer dan menselijk. Toch is er altijd een neiging tot vereniging, naar een verlangen naar vereniging, of het nu bezitterig of opofferend is.

“Mijn Liefde voor personen is een beweging van mezelf naar hen toe, niet alleen om door hen gekend te worden of op een of andere manier door hen geïmiteerd te worden. Die beweging stelt mij in staat om mij met hen te verenigen, om mij aan hen te geven.

“Mijn Liefde, Liefde in haar onvergankelijke essentie, Liefde zonder grenzen, is nooit helemaal afwezig. God is nooit afwezig. Soms lijkt zulke Liefde nauwelijks te bestaan, ja. Het kan onopgemerkt zijn, bedekt door haat, door allerlei perversies, of door een laag instinctieve wreedheid. Toch werk ik er nog steeds doorheen. Hoe misvormd liefde ook mag zijn, ik kan het laten opstijgen tot het niveau van een bewust en totaal geschenk. Liefde heeft heel veel verschillende aspecten, dat is waar. Maar er is maar één Liefde.

“Je bent geliefd. Is er geen plek voor de meest ‘onbeduidende’ persoon in de vlam van de brandende struik? Een ziel, een persoon van wie ik hou, is echter niet onbeduidend. Je bent geliefd. Het is jij van wie ik hou. Dit is geen universele bevestiging; ik heb het hier niet over groepen mensen. Ik heb het over jou.
“Zeker, jullie zijn allemaal, collectief, mijn ‘geliefden’, die ik heb geschapen door mijn Liefde. Jullie zijn leden van één lichaam, dat mijn eigen Lichaam is. Maar nu, mijn kind, spreek ik tot één persoon: tot jou, en tot niemand anders. Ik noem je bij een naam die ik aan niemand anders heb gegeven.

“Ja, ik noem je bij een geheime naam, een die voor jou is gereserveerd vanaf alle eeuwigheid. Het is een andere naam dan die waarmee anderen je aanspreken. Het is de naam die op een witte steen is geschreven, een naam die niemand kent, behalve (als ze aandachtig zijn voor het geschenk) de persoon die het ontvangt.

“In het hart van God is aan ieder van jullie de mogelijkheid gegeven om een ​​ander facet van de unieke Diamant te ontdekken en aan anderen duidelijk te maken. Jijzelf bent dat facet. Wat het leven je ook heeft gegeven, je bent een uniek aspect, een bijzonder aspect, van de schakel die elke persoon verbindt met goddelijke Liefde. Je bent een straal van Liefde, die straalt vanuit Liefde, zelfs als die straal soms gebroken lijkt….”

 

Bron :https://www.oca.org/reflections/archimandrite-lev-gillet/love-without-limits-7-you-are-loved

Johannes van het kruis …

De bestijging van de berg Carmel :

Johannes van het kruis , één van de grootste Westerse mystiekers

KRUiSJE


TEKST
DE BERG DER VOLMAAKTHEID

Hier volgt de vertaling van Sint-Jans uitleg bij de schets die hij maakte van de Berg der Volmaaktheid.

BERG

(Schets van de berg van volmaaktheid  getekend door Johannes van het kruis)

DE BERG KARMEL
Johannes van het Kruis-
Deel: bestijging van de Karmel en donkere nacht
(Inleiding van dr. Otger Steggink)

bergje

Een latere reproductie van de berg van volmaaktheid –

Leven en leer leer van Johannes van het Kruis (1542—1591) worden getekend door een gepassioneerd zoeken naar God. Er bestaat bij hem een innerlijke synthese tussen de ervaring en de leer. Als theoloog én mysticus weet hij zich existentieel verbonden met het geestelijk omvormingsproces dat hij beschrijft. Hij probeert daarom zo concreet mogelijk de weg naar de Godsontmoeting te wijzen.. De man die bij zijn toetreding tot de hervormingsbeweging van Teresa van Avila slechts één voorwaarde stelde, namelijk dat men niet lang zou wachten ermee te beginnen, kiest ook hier de kortste en zekerste weg, die recht op het doel afgaat.

Op zijn schets van de ‘Berg der volmaaktheid’, een product van zijn tekentalent, geeft hij in enkele bondige strepen een grafisch beeld van de weg naar de top. Recht naar boven, zonder een enkele omweg of bocht, loopt het koninklijke pad.
Rechts en links van deze weg naar boven lopen nog twee andere wegen. De eerste noemt hij de weg van de geest der onvolmaaktheid, die via eer, vreugde en troost toch naar boven voert.

De tweede is een doodlopende weg: de weg van het bezit van middelen die doel worden.

‘Alles’ en “Niets” zijn de monotone rijmwoorden, het kompas, waarop gekoerst wordt.

Zonder de ervaring dat de wereld niets is, kan de eigenlijke ervaring dat God alles is niet plaats vinden. De weg die Johannes van het Kruis uitstippelt en waarop herhaaldelijk ‘niets van dat alles’ staat, begint eerst in de ruimte die ontstaat doordat de wereld niets is; het is de mogelijkheidsvoorwaarde voor het eigenlijke gebeuren: de ervaring dat God alles is.

Het gaat uiteindelijk bij hem niet om: een keuze tussen God en de wereld.
De weg van het niets en de ‘Donkere Nacht’ zijn nodig vanuit de typische geaardheid van de mens die zichzelf zoekt en begerend uitstaat naar de mensen en de dingen; hierdoor ontgaat hem de absolute werkelijkheid en waarde van alles. De mens zal uit zichzelf moeten treden. Deze Uittocht wordt bij Johannes van het Kruis dan ook het kernmotief van zijn persoonlijke avontuur met God. In deze oerbeleving van het Oude Testament heeft hij zijn eigen levensontwerp teruggelezen. Deze Uittocht verloopt ook bij hem via de omzwerving door de woestijn van de zintuiglijkheid, van het hongeren en dorsten naar het manna, dat God zelf is en de dooltocht door de nacht van de geest, waarin het licht van het geloof de lichtzuil is, de enige gids die in deze duisternis de weg wijst.
Twee nieuwe symbolen komen bij hem het Uittochtmotief nuanceren: Bestijging van de berg en Donkere Nacht. De Bestijging. roept op: de menselijke inspanning en activiteit. De Nacht spreekt over wat de mens overkomt: vervreemding van zichzelf en van anderen; eenzaamheid en onzekerheid, ongeborgenheid en duisternis.

Consequent heeft de Spaanse mysticus de Uittocht teruggezien in. zijn eigen levensavontuur. Hij wist dat dit stuk heilsgeschiedenis zich blijft voltrekken in iedere mens die zich waagt aan God en aan de mensen. Misschien kunnen wij in de Bestijging van de berg en vooral in de Donkere Nacht van de Spaanse mysticus raakpunten ontdekken met de eigen ervaring, met het worstelen naar een. nieuw godsbesef toe.

“Om te komen tot helemaal zijn, zoek niet ergens iets te zijn. “
In zijn geestelijke ‘berggids’ – het boek ‘Bestijging van de berg Karmel’ – verwijst Johannes van het Kruis uitdrukkelijk naar de ruwe schets ‘in het begin van dit boek’ van de Berg der Volmaaktheid en naar de regels die er onder geschreven staan:

“Deze regels” – zo schrijft hij – “bevatten de leer om deze berg, dit wil zeggen, de top van de vereniging, te bestijgen. Daar wordt weliswaar gesproken over het geestelijke en inwendige, maar er wordt toch ook gehandeld over de geest van onvolmaaktheid volgens het zinnelijke en uiterlijke zoals men kan zien aan de twee wegen die terzijde van het pad der volmaaktheid. getekend zijn.. .Die regels luiden aldus:

Om te komen tot alles te smaken,
wil niet smaak hebben in iets;

om te komen tot alles te bezitten,
wil niet iets bezitten in niets;

om te komen tot alles te zijn,
wil niet iets zijn in niets.

Om te komen tot wat je niet smaakt,
moet je gaan waarlangs je niet smaakt;

om te komen tot wat je niet weet,
moet je gaan waarlangs je niet weet;

om te komen tot wat je niet bezit,
moet je gaan waarlangs je niet bezit;

om te komen tot wat je niet bent,
moet je gaan waarlangs je niet bent.

Wanneer je blijft stilstaan bij iets,
laat je na je te werpen op het al ,
want om helemaal te komen tot het al,
moet je helemaal afzien in alles;
en wanneer je ertoe komt het helemaal te bezitten,
moet je het bezitten zonder iets te willen;
want, als je iets wilt bezitten in alles,
heb je niet zuiver in God je schat.
In deze naaktheid. vindt de geest zijn rust en ontspanning; want, omdat hij niets najaagt, vermoeit hem niets op de weg omhoog en drukt niets hem neer op de weg naar beneden; want hij staat in het middelpunt van zijn nederigheid;jaagt hij iets na, dan vermoeit hij juist daardoor zichzelf.

(Bestijging van de Berg Karmel, Boek I, 13, nrs. 10—13)

STROFEN VAN DE ZIEL

1. In een nacht, aardedonker,

in brand geraakt en radeloos van liefde,
– en hoe had ik geluk! –
ging ik eruit en niemand die ‘t merkte –

want mijn huis lag reeds te slapen.

2. In ‘t donker, geheel veilig
langs de geheime trap en in vermomming,
– en hoe had ik geluk! –
in ‘t donker, ongezien ook,
want alles in mijn huis lag reeds te slapen.

3. In de nacht die de kans geeft,
in het geheim,

zodat geen mens mij zien kon

en ook ikzelf niets waarnam:
ik had geen ander leidslicht
dan wat er in mijn eigen binnenste brandde.

4. Dat was het dat mij leidde
– zekerder dan het zonlicht op de middag –

daarheen waar op mij wachtte,
van Wie ik zeker zijn kon
en op een plaats waar niemand ooit zou komen.

5. O nacht die mij geleid hebt!
o nacht, mij liever dan het morgengloren!
o nacht die hebt verenigd
Beminde met beminde,
beminde, opgegaan in de Beminde!

6. Aan mijn borst, wei vol bloemen,
Hem alleen, onbetreden voorbehouden,
daar is Hij ingeslapen
en heb ik Hem geliefkoosd
en gaf de waaier van de ceders koelte.

7. De koelte van de tinnen
kwam, onderwijl ik door zijn haren heenstreek,

met haar hand, licht en rustig,
mij aan de hals verwonden
en stelde al mijn zinnen buiten werking.

8. Mijzelf liet ik, vergat ik;
ik drukte het gelaat aan mijn Beminde;
het al stond stil, ik liet mij gaan,
liet al mijn zorgen liggen:
tussen de witte leliën vergeten.

In een nacht, aardedonker

(DN 1, 1, nr.1—3)
Deze donkere nacht beginnen de zielen in te gaan, wanneer God hen weghaalt uit de staat van de beginnelingen. Dit is de staat van degenen die op de geestelijke weg nog mediteren. God begint hen dan te plaatsen in de staat van de gevorderden. Dit is al de staat van de contemplatieven. Hij doet dit opdat zij ook daar doorheen zouden gaan en de staat van de volmaakten bereiken. Dit is de staat van de goddelijke vereniging van de ziel met God.

Tot beter begrip en nadere verklaring van wat die nacht is, waar de ziel doorheen gaat, en van de reden waarom God haar daarin plaatst, is het evenwel goed hier eerst enige eigenschappen van de beginnelingen aan te stippen. (…) Dit zal voor de beginnelingen zelf nuttig zijn. Als zij daardoor de broosheid van de staat, waarin zij zich bevinden, inzien, krijgen zij moed; zij gaan dan verlangen dat God hen in deze nacht plaatst. Daarin wordt men sterker en krachtiger in de deugden. Ook voert deze nacht tot de onschatbare geneugten van de liefde tot God. (…).

Men dient te weten dat God de ziel die zich definitief tot zijn dienst bekeert, meestal geestelijk zal voeden en met geschenken overladen, zoals een liefhebbende moeder doet met een zwak kindje: zij verwarmt het aan haar borst, laat het genieten van lekkere melk en licht en zoet voedsel, draagt het op de arm en streelt het. Maar naarmate het kind groter wordt, laat de moeder dat strelen achterwege, en terwijl zij haar tere liefde verbergt, bestrijkt zij haar zoete borst met bitter aloësap. Zij neemt het kind van de arm af, zet het neer en laat het zelf lopen, opdat het de eigenschappen van een kind verliest en zich aan grotere en belangrijker dingen wijdt. Op dezelfde wijze handelt Gods genade – die liefdevolle moeder – met de ziel, zodra zij haar door nieuwe gloed en vuur om God te dienen doet herboren worden. Want zij zorgt ervoor dat de ziel in alle dingen van God de geestelijke melk zoet en smakelijk vindt zonder enige inspanning van haar kant; en ook dat zij veel genoegen vindt in de geestelijke oefeningen: God geeft haar hier immers de borst van zijn tedere liefde, als was zij een zwak kind.

Zij vindt er dus genot in, lange tijden en soms hele nachten in gebed door te brengen. Haar genoegen is de boete; haar vreugde het vasten en haar troost het ontvangen van de sacramenten en het delen in de dingen die van God zijn. Ofschoon personen, die het geestelijk leven beoefenen, zich met deze dingen op zeer doeltreffende wijze en met volharding bezighouden en ze zeer zorgzaam gebruiken en behandelen, gedragen zij zich hierin over het algemeen – geestelijk gesproken – zeer zwak en onvolmaakt. Daar dergelijke personen zich tot deze dingen en geestelijke oefeningen aangetrokken voelen door de troost en de smaak die zij erin vinden, en daar zij niet bekwaam gemaakt zijn door hun deugdoefeningen welke zware strijd kosten, kleven hun geestelijke werken vele fouten en onvolkomenheden aan. Per slot van zaken immers werkt iedereen volgens de bekwaamheid die hij heeft. Omdat deze personen geen gelegenheid hebben gehad zich een dergelijke bekwaamheid te verwerven, moeten zij noodzakelijkwijze te werk gaan als zwakke kinderen: onbekwaam. (…) De donkere nacht zuivert de ziel van al deze onbekwaamheden en loutert haar.

(DN 1, 8, nr.1—3)

Deze nacht, waarvan wij gezegd hebben dat het de beschouwing is, veroorzaakt bij de geestelijke mensen twee soorten duisternis of loutering overeenkomstig de twee niveaus van de mens, namelijk het zintuiglijk en het geestelijk niveau.
Daarom zal de ene nacht of loutering zintuiglijk zijn. Hierdoor wordt de ziel gelouterd naar haar zintuiglijkheid, doordat deze aangepast wordt aan de geest. De andere nacht is de loutering van de geest. Hier wordt de ziel gelouterd en ontbloot naar de geest, doordat deze wordt aangepast en voorbereid op de vereniging in liefde met God.

De zintuiglijke nacht is algemeen en komt bij velen voor. Dit zijn de beginnelingen. Over die nacht zullen we eerst spreken. De nacht van de geest is voor heel weinigen. Hij is voor de meer ervarenen en gevorderden. Daarover spreken wij later.

De eerste loutering of nacht is bitter en verschrikkelijk voor de zintuiglijkheid. Daarover zullen wij nu spreken. De tweede is met niets te vergelijken, want hij is afgrijselijk en ontzettend voor de geest, zoals wij later zullen zeggen.

Omdat de nacht van de zintuiglijkheid in volgorde en in feite de eerste is, zullen wij daarover in het kort op de eerste plaats iets zeggen. Omdat hij zo algemeen is, kan men daarover veel geschriften vinden. Dan zullen wij overgaan tot een meer uitdrukkelijke behandeling van de nacht van de geest, omdat daarover nog zeer weinig gezegd is, zowel mondeling als schriftelijk; en uit ervaring van deze nacht spreken er zeer weinigen.

Daar het gedrag van deze beginnelingen op de weg naar God aards is en heel dicht de eigenliefde en de eigen smaak nadert, zoals wij boven te verstaan hebben gegeven, wil God hen hoger opvoeren. Hij wil hen vanuit die aardse manier van liefhebben omhoogtrekken naar een hogere graad van liefde tot God. Hij wil hen bevrijden uit de aardse praktijk van de zintuiglijkheid en het redeneren, waardoor zij zo kleinzielig en met zoveel hindernissen, zoals wij gezegd hebben, naar God gaan zoeken. Hij wil hen gaan plaatsen in de praktijk van de geest, waardoor zij overvloediger en meer bevrijd van onvolmaaktheden met God in verbinding kunnen komen. Zij hebben al enige tijd de weg van de deugd in praktijk gebracht door te volharden in de meditatie en het gebed. Door het genoegen en de smaak die zij daarin vonden, hebben zij zich onthecht aan de dingen van de wereld en enige geestelijke kracht in God verworven. Daardoor hebben zij de verlangens naar de schepselen enigszins beteugeld en zijn zij in staat voor God een beetje last en dorheid te verduren zonder terug te vallen

Op de beste tijd, dan namelijk wanneer zij in deze geestelijke praktijken het meest genot en smaak vinden, wanneer zij de indruk hebben dat de zon der goddelijke gunsten hun het helderste tegenstraalt, dan verduistert God voor hen al dat licht en sluit de poort en toegang tot de bron van het zoete, geestelijke water, dat zij in God genoten, zo vaak en zo lang als zijzelf wilden. (…)

In plaats daarvan vinden zij het tegendeel: smakeloosheid en bitterheid in die dingen. Omdat God immers vindt dat zij al een beetje gegroeid zijn, trekt Hij hen, zoals ik gezegd heb, van de zoete borst af, opdat zij sterker zouden worden en geen wikkelkinderen blijven. Hij laat hen los uit zijn armen en doet hen op eigen benen staan. Dit geeft hun een heel nieuwe ervaring, omdat alles nu veranderd is.

(DN 1, 10, nr.6 t/m 11, nr.2)

Daarom moet de ziel er zich niet druk om maken, als zij de werking van de vermogens moet missen. Integendeel, zij moet blij zijn dat zij ze gauw verliest, omdat zij dan de activiteit van de ingestorte beschouwing, die God haar bezig is te geven, overvloediger en vreedzamer ontvangt, als de vermogens ze niet storen. Het verlies van de activiteit van de vermogens schept de ruimte voor een ontbranden en ontvlammen in liefde van de geest. Want dit brengt die donkere en geheimvolle beschouwing met zich mee; zij bevestigt het in de ziel.

Beschouwing is immers niets anders dan een geheimvolle, vreedzame en liefdevolle instorting van God, die de ziel in de geest van liefde doet ontvlammen, als men er plaats voor maakt. Zo geeft zij het te verstaan in de volgende versregel, namelijk:

In brand geraakt en radeloos van liefde.

In het begin bemerkt men dit ontvlammen in liefde gewoonlijk niet. Want wegens de onreinheid van de natuur is het nog niet begonnen zich van de ziel meester te maken. Het kan ook een gevolg zijn van het feit dat de ziel in zichzelf nog geen ruimte schept voor dit ontvlammen, omdat zij het niet begrijpt, zoals wij gezegd hebben.

Soms echter begint zij onmiddellijk zonder meer een zeker angstig verlangen naar God te voelen. Hoe meer dit toeneemt, des te meer gaat de ziel bemerken dat zij ontroerd en ontvlamd wordt in liefde tot God, zonder dat zij weet of begrijpt hoe en waarvandaan die liefde en ontroering bij haar ontstaan. Zij ziet slechts die vlam en dat ontbranden soms zozeer in zich toenemen, dat zij met liefde—angst naar God verlangt. Als David zich in deze nacht bevindt, zegt hij van zichzelf met de volgende woorden: Doordat mijn hart ontvlamde — dit wil zeggen in de liefde van de beschouwing — veranderden ook mijn nieren (Ps.72,21). Dit is: mijn verlangens naar zintuiglijke ontroeringen werden veranderd, van zintuiglijk leven werd het namelijk geestelijk leven. Dit betekent het verdorren en ophouden van al die verlangens waarover wij aan het spreken zijn. Ik echter werd, zo zegt hij, te niet gedaan en als tot niets teruggebracht en wist het niet. Want zoals wij zeiden: de ziel bemerkt, zonder te weten waarlangs zij gaat, dat zij tot niets is teruggebracht met betrekking tot alle hemelse en aardse dingen die zij gewoon was te genieten. Zij ziet slechts dat zij van liefde vervuld is, en weet niet hoe.

Omdat soms het ontvlammen in liefde sterk toeneemt in de geest, wordt haar angstig verlangen naar God in de ziel zo groot, dat zij de indruk heeft dat haar beenderen door die dorst uitdrogen, dat haar natuur kwijnt en haar warmte en kracht wegvloeien door de hevigheid van de liefdedorst. Want de ziel voelt dat de liefdedorst brandend is. Zo beschouwde en voelde David (Ps.41,3) het ook, toen hij zei: Mijn ziel dorst naar de levende God, dat wil zeggen: brandend was de dorst van mijn ziel. Omdat die dorst zo brandend was, kunnen wij zeggen dat zij sterft van dorst.

Toch valt op te merken dat de hevigheid van die dorst niet blijft duren, maar slechts met tussenpozen voorkomt, ofschoon men altijd wel enige dorst voelt.
Men moet er echter op letten, zoals ik hier in het begin al zei, dat men in de regel die liefde aanvankelijk niet voelt, maar wel de dorheid en leegte, waarover wij spreken. In plaats van die liefde welke later gaat ontbranden, is het resultaat van die dorheid en ontlediging van de ziel gewoonlijk kommer en zorg om God met een pijnlijke vrees. Hem niet te dienen. In het oog van God is het een niet weinig aangenaam offer, als Hij de geest zo bezorgd en bekommerd ziet om zijn liefde.

 

bron / https://www.sporenvangod.nl/Mystiek/Klassieke-teksten-1/Johannes-van-het-Kruis-3/

Augustinus : On the care of the dead/ Over de zorg voor de doden / nr.31-40 (slot)

AUGUST10

Wat was het heerlijk om in één keer

verlost te zijn van die vruchteloze vreugden die ik

ooit had gevreesd te verliezen en die ik

nu graag afwees! Jij hebt

ze van mij verdreven, jij die de

ware, de soevereine vreugde bent. U hebt

ze van mij verdreven en hun

plaats ingenomen, u die zoeter bent dan alle plezier. O Heer God, mijn

licht, mijn rijkdom en mijn

redding.

Augustinus

31. Wat zien de doden?

31. Neem de geschriften serieus en neem ze in hun geheel en in hun context. Je ziet dit in de praktijk van St. Augustinus. Hij verzoent het verhaal van Lazarus en de rijke man met de uitspraak van de profeet Jesaja in Jesaja 63:16. De kerkvaders memoreerden het grootste deel van de geschriften.

SAME

Kortom, Abraham stuurde Lazarus niet, en antwoordde ook dat ze hier Mozes en de Profeten hebben, die ze moesten horen, zodat ze niet tot die kwellingen zouden komen. Waar opnieuw de vraag opkomt hoe het kwam dat wat hier gebeurde, vader Abraham zelf niet wist, terwijl hij wist dat Mozes en de Profeten hier zijn, dat wil zeggen, hun boeken, door te gehoorzamen welke mensen aan de kwellingen van de hel zouden moeten ontsnappen: en wist hij, kortom, dat de rijke man in vreugde had geleefd, maar dat de arme man Lazarus in moeite en verdriet had geleefd? Ook hiervoor zegt hij tegen hem; Zoon, onthoud dat jij tijdens je leven goede dingen hebt ontvangen, maar Lazarus slechte dingen. Hij kende toen deze dingen die natuurlijk onder de levenden hadden plaatsgevonden, niet onder de doden. Het is waar, maar het kan zijn dat hij, niet terwijl de dingen tijdens hun leven deden, maar na hun dood, deze dingen leerde, door informatie van Lazarus: dat het niet vals is wat de Profeet zegt: Abraham heeft ons niet gekend. We moeten dus bekennen dat de doden inderdaad niet weten wat hier gebeurt, maar terwijl het hier gebeurt: daarna horen ze het echter van degenen die van daaruit naar hen toe gaan bij hun dood; inderdaad niet alles, maar welke dingen degenen bekend mogen maken die het ook hebben geleden om deze dingen te onthouden; en waarvan het passend is dat degenen die zij hiervan op de hoogte stellen, het horen.

++++++++++++++++++++++++

32.Wat weten de doden over de levenden?

32. De doden keren niet uit eigen kracht terug om met de levenden te interacteren, of om dingen te weten te komen over wat er met de levenden gebeurt. Dit sluit echter niet uit dat ze niet van de levenden via engelen of de Heilige Geest op de hoogte kunnen zijn, of als verschijningen via dezelfde middelen kunnen verschijnen

WHEN

Het kan ook zijn dat de doden iets horen van de engelen, die aanwezig zijn bij de dingen die hier gebeuren, en als ieder van hen het hoort, oordeelt Hij recht aan Wie alle dingen onderworpen zijn. Want als er geen engelen aanwezig konden zijn op plaatsen zowel in de levenden als in de doden, had de Heer Jezus niet gezegd: Het geschiedde ook dat de arme man stierf en door de engelen in de boezem van Abraham werd gedragen. Daarom konden zij nu hier en nu daar zijn, die van daaruit baarden wie God wilde. Het kan ook zijn dat de geesten van de doden een aantal dingen leren die hier gebeuren, welke dingen ze moeten weten, en welke personen het nodig hebben om hetzelfde te weten, niet alleen dingen uit het verleden of het heden, maar zelfs dingen uit het verleden of het heden. toekomst, door de Geest van God die ze openbaart: zoals niet alle mensen, maar de Profeten, terwijl ze hier leefden, wisten, en zelfs zij niet alle dingen, maar alleen welke dingen aan hen geopenbaard moesten worden, zoals de voorzienigheid van God oordeelde. Bovendien getuigt de goddelijke Schrift inderdaad dat sommigen uit de doden naar de levenden worden gezonden, zoals Paulus daarentegen uit de levenden in het paradijs werd opgenomen. Want Samuël, de profeet, die tijdens zijn leven aan Saul verscheen, voorspelde zelfs wat er met de koning zou gebeuren: hoewel sommigen denken dat het niet Samuël zelf was, zou dat door magische kunsten kunnen zijn opgeroepen, maar dat een of andere geest, geschikt voor zulke kwade werken, wel een rol speelde. zijn schijn: hoewel het boek Ecclesiasticus, dat Jezus, de zoon van Sirach, naar verluidt heeft geschreven, en dat op grond van enige gelijkenis in stijl wordt uitgesproken als dat van Salomo, in de lof van de kerkvaders bevat dat Samuël zelfs toen hij dood was, profeteerde.

++++++++++++++++++++++++++

33. De heiligen horen gebeden

33. Als de Doden niet direct toegang hebben tot de levenden, hoe verschenen Mozes en Elia dan aan Christus, en hoe horen heiligen gebeden en bemiddelen ze bij God, en hoe kunnen verschijningen van Heiligen worden verklaard? St. Augustinus antwoordt dat dit dingen van God zijn en door Zijn kracht plaatsvinden.

MIRACLES

Maar als dit boek wordt weggerukt uit de canon van de Hebreeën (omdat het er niet in staat), wat zullen we dan zeggen van Mozes, van wie we zeker zowel in Deuteronomium lezen dat hij gestorven is, als in het Evangelie dat hij, samen met Elias die niet gestorven is, aan de levenden verschenen is? Daarmee is ook de vraag opgelost hoe het komt dat de Martelaren, juist door de weldaden die gegeven worden aan hen die bidden, aangeven dat zij belangstelling hebben voor de zaken van de mensen, als de doden niet weten wat de levenden doen. Want niet alleen door de effecten van weldaden, maar in het aanschouwen van de mensen zelf, is het zeker, dat de Belijder Felix (wiens verblijf onder u vroom is) verscheen toen de barbaren Nola aanvielen, zoals we hebben gehoord, niet door onzekere geruchten, maar door zekere getuigen. Maar zulke dingen zijn van God tentoongesteld, veel anders dan zoals de gebruikelijke orde zichzelf heeft, aan elke soort schepselen toegewezen. Want uit het feit dat water, toen het de Heer behaagde, in een ogenblik in wijn veranderde, volgt niet dat we de waarde en de werkzaamheid van water in de juiste orde van de elementen niet moeten beschouwen als onderscheiden van de zeldzaamheid, of beter gezegd de bijzonderheid, van dat goddelijke werk; noch uit het feit dat Lazarus herrees, dat daarom iedere dode herrijst wanneer hij wil; of dat een levenloze wordt opgewekt door een levende, op dezelfde manier als een slapende door iemand die wakker is. Andere zijn de grenzen van menselijke dingen, andere de tekenen van goddelijke deugden: andere die natuurlijk zijn, andere die op wonderbaarlijke wijze geschieden: hoewel zowel aan de natuur God aanwezig is opdat het kan zijn, als aan wonderen de natuur niet ontbreekt.

+++++++++++++++++++++++++

34.De voorbede van de heiligen

34. St. Augustinus zegt dat het zeker is dat de heiligen in de hemel de levenden helpen die hen erom vragen. Hij zegt echter dat het zijn begrip te boven gaat hoe dit gebeurt, maar dat het gebeurt door de kracht van God en dat het meestal door hun relikwieën lijkt te worden bereikt. Zoals we hier zien, werden de vragen die we vaak horen over gebeden tot de heiligen ook door Sint-Augustinus gehoord. Ze zijn niets nieuws. St. Augustinus was er zeker van dat de gebeden werden gehoord en verhoord

HONOR

We moeten dus niet denken dat geïnteresseerd zijn in de zaken van de levenden in de macht ligt van iedere overledene die dat wil, alleen maar omdat voor de genezing of hulp van sommige mensen de Martelaren aanwezig moeten zijn: maar we moeten veeleer begrijpen dat het nodig is Het is door een Goddelijke kracht dat de Martelaren geïnteresseerd zijn in zaken van de levenden, juist vanwege het feit dat het voor de overledenen onmogelijk is om door hun eigen aard geïnteresseerd te zijn in zaken van de levenden. Hoewel het een vraag is die mijn begrip te boven gaat, op welke manier de martelaren hen helpen die door hen, dat is zeker, geholpen worden; of ze op zichzelf tegelijkertijd aanwezig zijn op zo verschillende plaatsen, en op zo’n grote afstand van elkaar gescheiden liggen, hetzij waar hun Gedenktekens zijn, of naast hun Gedenktekens, waar ze ook aanwezig lijken te zijn: of dat, terwijl ze zelf, op een plaats die overeenstemt met hun verdiensten, zijn verwijderd van alle gesprekken met stervelingen, en bidden toch in het algemeen voor de behoeften van hun smekelingen (zoals we bidden voor de doden, bij wie we echter niet aanwezig zijn, noch weten waar ze zijn of wat ze doen.) De Almachtige God, Die overal aanwezig is, noch met ons verbonden, noch ver van ons verwijderd, terwijl Hij de gebeden van de Martelaren hoort en verhoort, schenkt door engelachtige bedieningen overal verspreid de mensen die troost, aan wie Hij in de ellende van dit leven ziet ontmoeten elkaar om hetzelfde te bekostigen, en door Zijn Martelaren aan te raken, doet Hij waar Hij wil, wanneer Hij wil, hoe Hij wil, en vooral door hun Gedachtenisvieringen, omdat Hij weet dat dit voor ons nuttig is ter opbouw van het geloof van Christus voor Wiens belijdenis zij leden, door wonderbaarlijke en onuitsprekelijke macht en goedheid, waardoor hun verdiensten in ere werden gehouden.

+++++++++++++++++++++++++

35. Goddelijke mysteries begrijpen

35. Er zijn zaken die gewoon te hoog gegrepen zijn voor ons om te begrijpen. Dit betekent niet dat niemand het begrijpt, hoewel er velen zijn die beweren het te begrijpen, maar dat niet doen, maar sommigen begrijpen spirituele zaken op een spirituele manier door de gaven van God.

KNOWN

Een zaak is deze, te hoogstaand dat ik de macht zou hebben om het te bereiken, te diepzinnig om het te kunnen onderzoeken; en daarom, welke van deze twee het geval is, of dat misschien zowel het een als het ander het geval is, dat deze dingen soms worden gedaan door de aanwezigheid van de martelaren, en soms door engelen die de persoon van de martelaren op zich nemen, durf ik niet. definiëren; liever zou ik dit zoeken bij hen die het weten. Want men moet niet denken dat niemand deze dingen weet: (inderdaad niet hij die denkt dat hij het weet, maar het niet weet), want er zijn gaven van God, die deze aan iemand schenkt, aan die aan iemand anders, volgens de Apostel die zegt dat aan een ieder de manifestatie van de Geest wordt gegeven om er voordeel uit te halen; aan iemand wordt inderdaad, zegt hij, door de Geest een toespraak over wijsheid gegeven; naar een ander wetenschappelijk discours volgens dezelfde Geest; terwijl naar een ander geloof in dezelfde Geest; voor een ander de gave van genezingen in één Geest; tot één werking van wonderen; op één profetie; voor iemand die geesten onderscheidt; naar één soort tongen; tot één interpretatie van verhandelingen. Maar dit alles werkt één en dezelfde geest, die ieder mens afzonderlijk verdeelt, zoals Hij wil. Van al deze geestelijke gaven die de apostel heeft geleerd, weet iedereen die het onderscheiden van geesten heeft gekregen, deze dingen zoals ze bekend mogen zijn.

+++++++++++++++++++++++++

36. De gave van profetie

36. Een interessant verhaal wordt verteld door Augustinus van Johannes, een monnik uit Thebais, van wie bekend werd dat hij de geest van profetie had. Het lijkt erop dat John ook in de droom van iemand anders kon verschijnen om advies te geven. Augustinus wijst deze bewering niet af, maar schrijft het allemaal toe aan de macht van God.

woman

Wij mogen geloven dat Johannes de monnik was, die door de oudere keizer Theodosius werd geraadpleegd over het verloop van de burgeroorlog, want hij had ook de gave van profetie. Want dat niet elke persoon een aantal van die gaven heeft, maar dat één man meer dan één gave kan hebben, daar twijfel ik niet aan. Deze Johannes dan, toen eens een zekere zeer godsdienstige vrouw verlangde hem te zien, en om dit te verkrijgen door haar man hevig smeekte, weigerde inderdaad dit verzoek, omdat hij dit nooit aan vrouwen had toegestaan, maar Ga, zei hij, zeg tegen je vrouw, dat zij mij vannacht zal zien, maar in haar slaap. En zo geschiedde het; en hij gaf haar raad, wat men een gelovige, gehuwde vrouw moest geven. En zij maakte haar man bij het ontwaken bekend, dat zij een man Gods had gezien, zoals hij hem kende, en wat haar door hem was gezegd. Degene die dit van hen hoorde, meldde het aan mij, een ernstig man en een edelman, en zeer waardig om geloofd te worden. Maar als ik zelf die heilige monnik had gezien, omdat (naar men zegt) hij het geduldigst was in het aanhoren van vragen en het verstandigst in het geven van antwoorden, dan zou ik, wat onze vraag betreft, van hem hebben gevraagd of hij zelf in de slaap tot die vrouw kwam, dat wil zeggen, zijn geest in de gedaante van zijn lichaam, zoals wij dromen dat wij onszelf zien in de gedaante van ons eigen lichaam; of, terwijl hij zelf iets anders deed, of, als hij sliep, over iets anders droomde, was het of door een engel of op een andere manier dat zo’n visioen plaatsvond in de droom van de vrouw; en dat het zo zou zijn, zoals hij beloofde, wist hij zelf van tevoren door de Geest van profetie die hetzelfde openbaarde.

+++++++++++++++++++++++++

37. Van dit deel bestaat geen afbeelding ! Lees de tekst….

37. For if he was himself present to her in her dream, of course it was by miraculous grace that he was enabled so to do, not by nature; and by God’s gift, not by faculty of his own. But if, while he was doing some other thing or sleeping and occupied with other sights, the woman saw him in her sleep, then doubtless some such thing took place, as that is which we read in the Acts of the Apostles, where the Lord Jesus speaks to Ananias concerning Saul, and informs him that Saul has seen Ananias coming unto him, while Ananias himself knew not of it. The man of God would make answer to me of these things as the case might be, and then about the Martyrs I should go on to ask of him, whether they be themselves present in dreams, or in whatever other way to those who see them in what shape they will; and above all when the demons in men confess themselves tormented by the Martyrs, and ask them to spare them; or whether these things be wrought through angelic powers, to the honor and commendation of the Saints for men’s profit, while those are in supreme rest, and wholly free for other far better sights, apart from us, and praying for us.

37.Want als hij zelf bij haar aanwezig was in haar droom, dan was het natuurlijk door wonderbaarlijke genade dat hij daartoe in staat werd gesteld, niet door de natuur; en door Gods gave, niet door een eigenschap van hemzelf. Maar als de vrouw hem in haar slaap zag, terwijl hij iets anders deed of sliep en met andere dingen bezig was, dan heeft er ongetwijfeld iets dergelijks plaatsgevonden, zoals we lezen in de Handelingen der Apostelen, waar de Heer Jezus tot Ananias spreekt over Saul en hem meedeelt dat Saul Ananias tot zich heeft zien komen, terwijl Ananias er zelf niets van wist. De man Gods zou mij antwoord geven op deze dingen, zoals het geval zou kunnen zijn, en dan over de martelaren zou ik verder gaan met hem te vragen, of ze zelf aanwezig zijn in dromen, of op welke andere manier dan ook aan degenen die hen zien in welke vorm ze willen; En vooral als de demonen in de mensen bekennen dat ze gekweld worden door de Martelaren en hen vragen hen te sparen; of dat deze dingen worden gedaan door engelachtige krachten, tot eer en lof van de heiligen voor het welzijn van de mensen, terwijl zij in opperste rust zijn en geheel vrij voor andere veel betere bezienswaardigheden, afgezien van ons, en voor ons bidden.

+++++++++++++++++++++++++++

38.Ambrosius had een visioen

38. St. Augustinus was aanwezig toen St. Ambrosius de lichamen van de Martelaren Protasius en Gervasius vond die hem in een visioen waren geopenbaard. Dus hij wist dat dingen in visioenen konden worden onthuld. Augustinus pretendeert niet te begrijpen hoe dit mogelijk was, maar accepteert de waarheid ervan.

NOT

Want het gebeurde in Milaan, bij (het graf van) de heilige martelaren Protasius en Gervasius, dat de bisschop Ambrosius, destijds levend, uitdrukkelijk werd genoemd, op dezelfde manier als de doden wier namen ze aan het repeteren waren, de demonen hem bekenden en Ik smeekte hem hen te sparen, omdat hij ondertussen anderszins bezig was, en toen dit plaatsvond, zich er totaal niet van bewust. Of deze dingen inderdaad worden bewerkstelligd, soms door de aanwezigheid van de martelaren, soms door die van engelen; en of het voor ons mogelijk is, en op welke wijze mogelijk, om deze twee gevallen van elkaar te onderscheiden; of dat niemand deze dingen kan waarnemen en beoordelen, behalve hij die die gave heeft door Gods Geest, en die ieder mens afzonderlijk verdeelt zoals Hij wil: dezelfde Johannes zou, denk ik, met mij over al deze zaken spreken, zoals ik zou willen; dat ik ofwel door zijn onderwijs zou leren, en dat wat mij verteld zou worden, zou moeten weten dat het waar en zeker is; anders zou ik geloven wat ik niet wist, nadat hij mij vertelde welke dingen hij wist. Maar als hij misschien een antwoord zou geven op basis van de Heilige Schrift, en zou zeggen: Dingen die hoger zijn dan jij, zoek niet; en dingen die sterker zijn dan jij, zoek niet; maar denk altijd aan wat de Heer u heeft geboden: ook dit zou ik dankbaar moeten aanvaarden. Want het is geen geringe winst als, wanneer er dingen voor ons onduidelijk en onzeker zijn, en we ze niet kunnen begrijpen, het in ieder geval duidelijk en zeker is dat we ze niet moeten zoeken; en wat iedereen ook wil leren, waarbij hij het nuttig vindt dat hij het weet, hij moet leren dat het geen kwaad kan als hij het niet weet.

+++++++++++++++++++++++++

39.De heilige doden

39.We kunnen God smeken om genade voor de doden door offers te brengen tijdens de mis, door gebeden en door het geven van aalmoezen. Hoewel dit alleen effectief is voor degenen die wedergeboren zijn en die zuivering ondergaan, en omdat we niet precies kunnen onderscheiden wie zich in die staat bevindt, is het beter om het voor iedereen te offeren.

affection

Laten we, als dat zo is, niet denken dat de doden voor wie we zorg dragen, iets anders bereikt dan wat we door offers van het altaar, gebeden of aalmoezen plechtig smeken: hoewel niet iedereen voor wie ze zorgen. worden gedaan als ze winstgevend zijn, maar alleen voor hen door wie tijdens hun leven wordt verkregen dat ze winstgevend zouden moeten zijn. Maar omdat we niet kunnen onderscheiden wie dit zijn, is het passend om ze voor alle wedergeboren personen te doen, zodat niemand van hen voorbijgaat aan wie deze voordelen zouden kunnen en moeten bereiken. Want het is beter dat deze dingen onnodig worden gedaan aan degenen die ze niet hinderen of helpen, dan dat het hen ontbreekt die ze helpen. Maar met meer ijver doet ieder mens deze dingen voor zijn eigen naaste en dierbare vrienden, zodat zij hem eveneens door de zijnen kunnen worden aangedaan. Maar wat het begraven van het lichaam betreft, wat er ook aan wordt gegeven, het is geen hulpmiddel tot verlossing, maar een ambt van menselijkheid, overeenkomstig de genegenheid waardoor niemand ooit zijn eigen vlees haat. Daarom is het passend dat hij zoveel mogelijk zorg besteedt aan het vlees van zijn naaste, als hij er niet meer is en het niet heeft gedragen. En als zij deze dingen doen die niet in de opstanding van het vlees geloven, hoeveel te meer zijn zij dan verplicht hetzelfde te doen die wel geloven; dat een dergelijk ambt, verleend aan een lichaam dat dood is maar toch weer zal opstaan ​​en tot in de eeuwigheid zal blijven, op de een of andere manier ook een getuigenis van hetzelfde geloof kan zijn? Maar dat een persoon begraven wordt bij de gedenktekens van de Martelaren, dit denk ik tot nu toe dat dit de overledene tot dusver ten goede komt, dat terwijl hij ook wordt aanbevolen aan de bescherming van de Martelaren, de genegenheid van smeekbeden namens hem wordt vergroot.

++++++++++++++++++++++++

40. Geduld en doorzettingsvermogen

40. In de conclusie van de brief van Sint-Augustinus kunnen we een les zien. Merk op hoe de drager van de brief, Candidianus, geduldig maar volhardend was in het eraan herinneren van Augustinus om op de brief te reageren. Toch was hij ook zo liefdadig dat Augustinus zijn aanwezigheid welkom vond, en niet een last.

BEEN

Hier, op de dingen waarvan u dacht dat ze mij zouden moeten vragen, heeft u het antwoord dat ik heb kunnen geven: en als het meer dan voldoende uitgebreid is, moet u dit excuseren, want het werd gedaan uit liefde voor langer praten. met jou. Laat mij dan, voor dit boek, hoe uw liefdadigheid het zal ontvangen, weten door middel van een tweede brief: hoewel het ongetwijfeld meer welkom zal zijn omwille van de drager ervan, namelijk onze broer en mede-presbyter Candidianus, die, nadat hij Omdat ik door uw brief met hem kennis heb gemaakt, heb ik het met heel mijn hart verwelkomd, en ik wil hem niet laten vertrekken. Want in grote mate in de naastenliefde van Christus heeft hij ons door zijn aanwezigheid getroost, en om de waarheid te zeggen: het was op zijn verzoek dat ik uw bevelen heb uitgevoerd. Want met zulke grote zaken is mijn hart radeloos, als hij mij niet altijd in gedachten had gehouden en mij niet had toegestaan ​​het te vergeten, zou er zeker geen antwoord op uw vragende geest zijn gekomen.

++++++++++++++++++++++++++++

EINDE VAN DE REEKS

HER BEVAT DE VOLLEDIGE TEKST VAN AUGUSTINUS:

‘ON DE CARE OF THE DEAD / OVER DE ZORG VOOR DE DODEN’

Je kan alle 40 teksten samen terug vinden bij de Categorieën   (bij het openen van de blog bovenaan staan de Categorieën)

DOSTOEVSKY : Dan zal Christus tot ons zeggen……

DOS10

“Dan zal Christus tegen ons zeggen: ‘Kom ook jij ! Kom dronkaards! Kom zwakkelingen! Kom verdorvenen!’ En hij zal tegen ons zeggen: “Verachtelijke wezens, jullie zijn naar het beeld van het beest en jullie dragen zijn merkteken . Toch komen jullie ook!” En de wijze en verstandige zal zeggen: “Heer, waarom heet u hen welkom ? En hij zal zeggen: “O wijs en voorzichtige, ik heet ze welkom omdat geen van hen ooit zichzelf waardig heeft beoordeeld. En hij zal zijn armen uitstrekken naar ons toe, en we zullen aan zijn voeten vallen en in snikken uitbarsten, en dan zullen we alles begrijpen, alles! Heer, uw koninkrijk kome!’

FJODOR DOSTOEVSKI

Augustinus – GELUKKIG ZIJN….

AUGUSTINUS111

Daarom is gelukkig zijn niets anders dan niet in nood zijn, dat wil zeggen, wijs zijn. Maar als je zoekt naar wat wijsheid is, heeft de rede dit al uitgelegd en verklaard voor zover mogelijk. Want wijsheid is niets anders dan de maat van de ziel, dat wil zeggen, dat waardoor de geest bevrijd wordt, zodat zij niet te veel overloopt en niet tekortschiet in volheid. Want er is een aanloop naar luxe, tirannie, daden van trots, en andere dergelijke dingen waarbij de zielen van ongebreidelde en ongelukkige mannen denken dat ze voor zichzelf plezier en macht krijgen. Maar er is een tekort aan volheid door basis, angst, verdriet, passie en andere dingen, van welke aard dan ook, waardoor ongelukkige mensen zelfs toegeven dat ze ongelukkig zijn

Augustinus van Hippo

HIPPO1

St. Augustinus : Als je van me houdt….

Als je van me houdt, huil dan niet…

Als je van me houdt, huil dan niet! Als ik het immense mysterie van de hemel kende waar ik nu woon; als je kon zien en voelen wat ik voel en zie in deze eindeloze horizonten en in dit licht dat alles investeert en doordringt, zou je niet huilen als ik nu geabsorbeerd word door de betovering van God, door zijn uitdrukkingen van grenzeloze schoonheid. De dingen uit het verleden zijn zo klein in vergelijking met de genegenheid die ik voor u heb behouden, een tederheid waarvan u nooit hebt geweten dat we ervan hielden en die we in de loop van de tijd kenden: maar alles was toen zo vluchtig en beperkt, ik leef het in de serene en vreugdevolle verwachting van uw komst onder ons; Je denkt zo over me; in uw gevechten denk aan dit prachtige huis waar geen dood is, en waar we onze dorst samen zullen lessen in het zuiverste en meest intense transport naar de onverklaarbare bron van vreugde en liefde. Plan niet meer, ik weet echt dat je van me houdt!

Augustinus

AMI

On the care of the dead / Over de zorg voor de doden deel 21-30

AUGUSTINUS202

21.  Soms gebruikt God onze dromen

21. Sint-Augustinus geeft toe dat er soms tot ons wordt gesproken in dromen, maar niet door de kracht van de doden, maar door engelachtige operaties. Hij waarschuwt dat er voorzichtigheid moet worden betracht, aangezien er grote fouten zijn gemaakt bij degenen die kritiekloos boodschappen in dromen aanvaarden en zo van de waarheid afdwalen.

BELIEVE

Door engelachtige handelingen zou ik dan denken dat het wordt bewerkstelligd, hetzij van bovenaf toegestaan, hetzij bevolen, dat ze in dromen lijken te zeggen over het begraven van hun lichamen, terwijl zij van wie de lichamen zijn zich daar totaal niet van bewust zijn. Nu wordt dit soms nuttig gedaan; hetzij voor een soort troost voor de overlevenden, tot wie die doden behoren wier gelijkenissen aan hen verschijnen terwijl ze dromen; of dat door deze vermaningen het menselijk ras ertoe gebracht kan worden om rekening te houden met de mensheid van de begrafenis, die, hoewel het geen hulp is voor de overledenen, toch schuldige ongodsdienstigheid is in het minachten ervan. Soms worden echter, door bedrieglijke visioenen, mensen in grote dwalingen geworpen , die het verdienen om dit te ondergaan. Alsof men in een droom zou zien, wat Eneas door poëtische valsheid zou hebben gezien in de wereld beneden: en er zou voor hem de gelijkenis moeten verschijnen van een onbegraven man, die zulke woorden zou moeten spreken als Palinurus tegen hem zou hebben gesproken; en wanneer hij wakker wordt, zou hij het lichaam moeten vinden op de plaats waar hij tijdens zijn droom hoorde zeggen dat het onbegraven lag, en waar hij werd vermaand en gevraagd het te begraven toen het werd gevonden; en omdat hij vindt dat dit waar is , zou hij moeten geloven dat de doden met opzet begraven worden zodat hun zielen naar plaatsen kunnen gaan waarvan hij droomde dat de zielen van onbegraven mensen door een helse wet verboden zijn: doet hij dat niet, door dit alles te geloven? , buitengewoon afwijken van het pad van de waarheid ?

++++++++++++++++++++++++

22. Geruchten over de doden die spreken

22. Terwijl u St. Augustinus leest over een verhaal dat hij hoorde over een man die een openbaring in een droom ontving waardoor hij een onterechte schuld kon vermijden, denk dan eens aan de talloze soortgelijke verhalen die u vandaag de dag hoort. Negeren we ieders ervaring met soortgelijke dromen die betekenisloos zijn? St. Augustinus wijst op de menselijke zwakte van het accepteren van verhalen die lijken te zeggen dat de doden in dromen terugkomen om waarheden te communiceren, en het negeren van soortgelijke verhalen met levende mensen.

relieve

De menselijke zwakheid is echter zo groot dat wanneer iemand in een droom een ​​dode man ziet, hij denkt dat het de ziel is die hij ziet; maar wanneer hij op dezelfde manier over een levende man droomt, twijfelt hij er niet aan dat het de ziel is die hij ziet. is geen ziel of lichaam, maar de gelijkenis van een man die aan hem is verschenen: net alsof het niet mogelijk zou zijn met betrekking tot dode mannen, op dezelfde manier onbewust ervan, dat het niet hun ziel zou zijn, maar hun gelijkenissen die aan de slapers verschijnen. Zeker, toen we in Milaan waren, hoorden we vertellen over een bepaalde persoon van wie de betaling van een schuld werd geëist, met overlegging van de erkenning van zijn overleden vader, welke schuld de zoon onbekend was door de vader, waarop de man begon te betalen. heel bedroefd zijn, en verbaasd zijn dat zijn vader hem tijdens zijn sterven niet vertelde wat hij schuldig was toen hij ook zijn testament opmaakte. Toen verscheen zijn genoemde vader, in deze buitengewone bezorgdheid van hem, aan hem in een droom, en maakte hem bekend waar de tegenbevestiging was waardoor die erkenning werd ingetrokken. Toen de jongeman dit had gevonden en getoond, weerlegde hij niet alleen de onrechtmatige bewering van een valse schuld, maar kreeg hij ook het handschrift van zijn vader terug, dat de vader niet had teruggekregen toen het geld was betaald. Hier wordt dan verondersteld dat de ziel van een man voor zijn zoon heeft gezorgd en in zijn slaap naar hem toe is gekomen, zodat hij, door hem te leren wat hij niet wist, hem van een grote moeite zou kunnen verlossen.

++++++++++++++++++++++++

23. De doden komen niet terug om te chatten

23.In de ene droom geven de doden wijsheid, in een andere de levenden. Het enigma van de openbaring van het onderbewustzijn versus de engelachtige openbaring wordt niet goed begrepen, maar Sint-Augustinus maakt het punt dat men niet kan aannemen dat het de doden zijn die terugkeren die tot ons spreken als er voorbeelden zijn van een soortgelijk mysterie..

neither

Maar ongeveer op hetzelfde moment dat we dit hoorden, gebeurde het in Carthago dat de redenaar Eulogius, die mijn discipel in die kunst was geweest, (zoals hij ons na onze terugkeer naar Afrika het verhaal vertelde) bezig was met het geven van lezingen aan zijn discipelen over de retorische boeken van Cicero, toen hij het gedeelte van de lezing bekeek dat hij de volgende dag zou voorlezen, stuitte hij op een bepaalde passage, en omdat hij die niet kon begrijpen, kon hij nauwelijks slapen vanwege de moeite van zijn slaap. geest: in welke nacht, terwijl hij droomde, ik hem uitlegde wat hij niet begreep; nee, niet ik, maar mijn gelijkenis, terwijl ik me er niet van bewust was, en ver weg over de zee, zou het iets anders kunnen zijn, doen of dromen, en niet in het minst zorgen voor zijn zorgen. Op welke manier deze dingen tot stand komen, weet ik niet: maar op welke manier ze ook gebeuren, waarom geloven we niet dat het op dezelfde manier gebeurt dat iemand in een droom een ​​dode man ziet, als dat hij een levende man ziet? man? Beiden weten ongetwijfeld niet en geven er ook niet om wie, waar of wanneer van hun beelden droomt.

++++++++++++++++++++++++++

24. Visioenen in trance

24. We hechten vaak veel waarde aan de verslagen van mensen in trance die met de doden hebben gesproken, alsof het feit dat ze dood zijn de verslagen geloofwaardiger maakt. Echter, soortgelijke verslagen van gesprekken met de levenden, of met denkbeeldige mensen, laten zien dat geen van beide geldigheid zou moeten krijgen.

absent

Net als dromen zijn er bovendien ook visioenen van mensen die wakker zijn en hun zintuigen in de war hebben gebracht, zoals fanatieke mensen, of mensen die op een of andere manier gek zijn: want ook zij praten tegen zichzelf alsof ze tegen mensen spreken die werkelijk aanwezig zijn. , en zowel met de afwezigen als met de aanwezigen, waarvan ze de beelden waarnemen, of het nu gaat om levende of dode personen. Maar net zoals zij die leven, zijn ze zich er niet van bewust dat ze door hen worden gezien en met hen praten; want zij zijn inderdaad niet werkelijk zelf aanwezig, of houden zelf geen toespraken, maar door verstoorde zintuigen worden deze personen door zulke denkbeeldige visioenen aangezet; op dezelfde manier verschijnen ook zij die dit leven hebben verlaten, voor de aldus getroffen personen als aanwezig, terwijl zij afwezig zijn, en of iemand hen ziet in het licht van hun beeld, is zelf volkomen onbewust.
Vergelijkbaar hiermee is ook de toestand waarin mensen, terwijl hun zintuigen dieper inactief zijn dan tijdens de slaap, met soortgelijke visioenen bezig zijn. Want voor hen verschijnen ook beelden van levend en dood; maar als ze dan weer bij zinnen komen, wordt aangenomen dat de doden die ze zeggen te hebben gezien waarlijk bij hen zijn geweest, personen, afwezig en bewusteloos.

+++++++++++++++++++++++++++

25. Visioenen in trance

25. Augustinus vertelt over een vreemde gebeurtenis die hij rechtstreeks tegenkwam: een man in trance die bij het ontwaken informatie geeft die hij niet had kunnen weten. Bedenk dat Augustinus zeer sceptisch staat tegenover dromen als bron van waarheid, maar zoals we zien zeldzame gebeurtenissen niet volledig afwijst.

place

Een zekere man met de naam Curma, uit de gemeentelijke stad Tullium, die moeilijk is voor Hippo, een arm lid van de Curie, nauwelijks bekwaam om het ambt van duumvir van die plaats te vervullen, en slechts een plattelander, die ziek is, en zo zijn zintuigen waren in vervoering en lagen een aantal dagen zo goed als dood: een heel lichte ademhaling in zijn neusgaten, die bij het aanbrengen van de hand nog net voelbaar was en nauwelijks aangaf dat hij leefde, was het enige dat hem ervan weerhield voor dood begraven te worden. Hij bewoog geen ledemaat, nam niets ter ondersteuning, noch in de ogen, noch in enig ander lichamelijk gevoel was hij zich bewust van enige ergernis die hen trof. Toch zag hij veel dingen als in een droom, waarvan hij, toen hij eindelijk na een groot aantal dagen wakker werd, vertelde dat hij ze had gezien. En eerst, nadat hij zijn ogen had geopend: ‘Laat iemand naar het huis van de smid Curma gaan,’ zei hij, en kijk wat daar gebeurt. En toen iemand daarheen was gegaan, bleek dat de smid was gestorven op het moment dat de ander weer bij zinnen was gekomen, en, zou je bijna kunnen zeggen, weer tot leven kwam uit de dood. Terwijl degenen die erbij stonden gretig luisterden, vertelde hij hen hoe de ander moest worden opgepakt, terwijl hijzelf werd ontslagen; en dat hij op de plaats waar hij was teruggekeerd, had horen zeggen dat het niet Curma van de Curie was, maar Curma de smid, die opdracht had gekregen om naar die plaats van de doden te worden gebracht.

+++++++++++++++++++++++++

26 Denk goed na

26. St. Augustinus was niet alleen een man met een groot geloof, maar ook met een opmerkelijk intellect. Bij het onderzoeken van de trances en visioenen accepteert hij niet alleen wat een openbaring lijkt, maar stelt hij de rest van de visie in vraag en toont hij tegenstrijdigheden die het onwaarschijnlijk maken dat het een visie op de werkelijkheid is.

Presbyter

Welnu, in deze droomachtige visioenen van hem herkende hij onder de overledenen die hij zag behandeld overeenkomstig de verscheidenheid van hun verdiensten, ook enkelen die hij had gekend toen hij nog leefde. Dat het de personen zelf waren, zou ik misschien geloofd hebben, als hij in de loop van deze schijnbare droom van hem niet ook enkele personen had gezien die zelfs tot op dit moment in leven zijn, namelijk enkele klerken van zijn district, van wie de presbyter hem had gezegd dat hij zich door mij in Hippo moest laten dopen, wat volgens hem ook had plaatsgevonden. Dus toen had hij een presbyter gezien, klerken, mijzelf, personen, dat wil zeggen, nog niet dood, in dit visioen waarin hij daarna ook dode personen zag. Waarom kan niet gedacht worden dat hij deze laatsten op dezelfde manier heeft gezien als hij ons zag? Dat wil zeggen, zowel de ene soort, als de andere, afwezig en onbewust, en dus niet de personen zelf, maar gelijkenissen van hen net als van de plaatsen? Hij zag, namelijk, zowel een stuk grond waar die priester met de klerken was, als Hippo waar hij door mij schijnbaar gedoopt was: op welke plekken hij zeker niet was, terwijl hij er voor zichzelf leek te zijn. Want wat zich daar op dat moment afspeelde, wist hij niet; wat hij ongetwijfeld geweten zou hebben als hij er echt geweest was. De aanblikken waren daarom die, welke niet in de dingen zelf worden voorgesteld zoals zij zijn, maar in een soort beelden van de dingen worden geschaduwd.

+++++++++++++++++++++++++

27. voor dit nummer bestaat er geen afbeelding ! – de tekst :

27. In fine, after much that he saw, he narrated how he had, moreover, been led into Paradise, and how it was there said to him, when he was thence dismissed to return to his own family, Go, be baptized, if you will be in this place of the blessed. Thereupon, being admonished to be baptized by me, he said it was done already. He who was talking with him replied, Go, be truly baptized; for that you did but see in the vision. After this he recovered, went his way to Hippo. Easter was now approaching, he gave his name among the other Competents, alike with very many unknown to us; nor did he care to make known the vision to me or to any of our people. He was baptized, at the close of the holy days he returned to his own place. After the space of two years or more, I learned the whole matter; first, through a certain friend of mine and his at my own table, while we were talking about some such matters: then I took it up, and made the man in his own person tell me the story, in the presence of some honest townsmen of his attesting the same, both concerning his marvellous illness, how he lay all but dead for many days, and about that other Curma the smith, what I have mentioned above, and about all these matters; which, while he was telling me, they recalled to mind, and assured me, that they had also at that time heard them from his lips. Wherefore, just as he saw his own baptism, and myself, and Hippo, and the basilica, and the baptistery, not in the very realities, but in a sort of similitudes of the things; and so likewise certain other living persons, without consciousness on the part of the same living persons: then why not just so those dead persons also, without consciousness on the part of the same dead persons?
————————————————————
Tenslotte vertelde hij, nadat hij veel had gezien, hoe hij bovendien naar het Paradijs was geleid, en hoe daar tegen hem werd gezegd, toen hij vandaar werd weggestuurd om naar zijn eigen familie terug te keren: Ga, laat je dopen, als je dat wilt. zal op deze plaats van de gezegenden zijn. Daarop, toen hij werd aangespoord om door mij gedoopt te worden, zei hij dat het al gedaan was. Hij die met hem sprak, antwoordde: Ga, laat u waarachtig dopen; daarvoor zag je het alleen maar in het visioen. Hierna herstelde hij zich en ging naar Hippo. Pasen naderde nu, hij noemde zijn naam onder de andere Competenten, evenals velen die ons onbekend waren; noch wilde hij het visioen aan mij of iemand van ons volk bekendmaken. Hij werd gedoopt, aan het einde van de heilige dagen keerde hij terug naar zijn eigen plaats. Na een tijdsbestek van twee jaar of langer leerde ik de hele zaak kennen; eerst via een zekere vriend van mij en de zijne aan mijn eigen tafel, terwijl we over een aantal van dergelijke zaken aan het praten waren: daarna pakte ik het op en liet de man in zijn eigen persoon mij het verhaal vertellen, in aanwezigheid van enkele eerlijke stadsmensen dat hij hetzelfde getuigde, zowel over zijn wonderbaarlijke ziekte, hoe hij vele dagen vrijwel dood lag, als over die andere Curma de smid, wat ik hierboven heb genoemd, en over al deze zaken; die zij zich, terwijl hij het mij vertelde, in gedachten herinnerden en mij verzekerden dat zij het destijds ook uit zijn lippen hadden gehoord. Daarom, net zoals hij zijn eigen doopsel zag, en mijzelf, en Hippo, en de basiliek, en de doopkapel, niet in de realiteit zelf, maar in een soort van gelijkenissen van de dingen; en zo ook bepaalde andere levende personen, zonder bewustzijn van de kant van dezelfde levende personen: waarom dan niet precies die dode personen, zonder bewustzijn van de kant van dezelfde dode personen?

++++++++++++++++++++++++++++

28. Mysteries van dromen

28.Denk eens na over de reden waarom we niet zouden moeten geloven dat dromen en visioenen die de waarheid lijken te verkondigen, geen engelachtige handelingen zijn door de beschikking van God, Die zowel het goede als het kwade goed gebruikt, overeenkomstig de ondoorgrondelijke diepten van Zijn oordelen?

suffer

Waarom zouden we niet geloven dat dit engelachtige operaties zijn, door de voorzienigheid van God, die goed gebruik maakt van zowel goede als kwade dingen, in overeenstemming met de ondoorgrondelijke diepte van Zijn oordelen? Of hierdoor de geest van stervelingen wordt onderwezen, of misleid; of hij nu getroost of doodsbang is: naar ieders zal er óf een betoon van barmhartigheid, óf een wraakneming moeten plaatsvinden, door Hem voor wie de Kerk, niet zonder enige betekenis, zingt over barmhartigheid en oordeel. Laat een ieder, zoals hij wil, nemen wat ik zeg. Als de zielen van de doden deelnamen aan de zaken van de levenden, en als zijzelf het waren die, als we ze zien, in hun slaap tot ons spreken; Om over anderen nog maar te zwijgen, er is mijn eigen zelf, die mijn vrome moeder elke avond zou bezoeken, die moeder die mij over land en over zee volgde om bij mij te kunnen wonen. Het is verre van de gedachte dat ze, door een gelukkiger leven, wreed had moeten worden gemaakt, in die mate dat wanneer iets mijn hart kwelt, ze in zijn verdriet niet eens de zoon zou moeten troosten van wie ze hield met een enige liefde, die ze nooit wenste. treurig te zien. Maar wat de heilige Psalm in onze oren zingt, is zeker waar; Omdat mijn vader en mijn moeder mij in de steek hebben gelaten, maar de Heer mij heeft opgenomen. Als onze ouders ons dan in de steek hebben gelaten, hoe kunnen zij dan deelnemen aan onze zorgen en zaken? Maar als de ouders dat niet doen, wie zijn er dan nog meer onder de doden die zouden moeten weten wat we doen of wat we lijden?

++++++++++++++++++++++++

29. De doden hebben geen speciale krachten

29. Sint-Augustinus haalt talloze voorbeelden uit het Oude Testament aan waarin oude heiligen of proclamaties van God lijken te bewijzen dat degenen die zijn gestorven niet langer in staat zijn te zien wat er op aarde gebeurt. De dood kan inderdaad een beloning zijn en een bevrijding van het kwaad van deze wereld.

BECAUSE

De profeet Jesaja zegt: Want Gij zijt onze Vader, want Abraham heeft ons niet gekend en Israël heeft ons niet gekend. Als zo grote patriarchen onwetend waren over wat er gebeurde met het volk dat zij verwekten, aan wie, God gelovig, het volk zelf was beloofd dat uit hun voorraad zou voortkomen; hoe worden de doden dan vermengd met zaken en daden van de levenden, hetzij om er kennis van te nemen of om hen te helpen? Hoe kunnen wij zeggen, dat zij, die gestorven zijn, voordat het kwaad kwam, dat hard op het overlijden volgde, bevoorrecht waren, indien zij ook na den dood alles gevoelen, wat in de rampzaligheid van het menschelijk leven geschiedt? Of vergissen wij ons door dit te zeggen en hen te beschouwen als rustig in ruste die het onrustige leven van de levenden bezorgd maakt? Wat is dan datgene wat God aan de godvruchtigste koning Josias beloofde als een grote weldaad, dat hij eerst zou sterven, opdat hij het kwaad niet zou zien waarvan Hij dreigde dat het tot die plaats en dat volk zou komen? Welke woorden van God zijn deze: Zo zegt de Here God van Israël: aangaande Mijn woorden, die gij gehoord en gevreesd hebt voor Mijn aangezicht, toen gij hoorde, wat Ik gesproken heb over deze plaats en over hen, die daarin wonen, dat zij verlaten en onder een vloek zou zijn; en hebt uw klederen gescheurd en geweend voor Mijn aangezicht, en Ik heb u verhoord, zegt de Here van Sabaoth; zo niet; zie, Ik zal u bij uw vaderen voegen en gij zult in vrede bij hen gevoegd worden; en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats en over hen, die daarin wonen, breng. Hij, verschrikt door Gods bevelen, had geweend en zijn klederen gescheurd, en wordt, door het verhaasten van zijn dood, zonder zorg gemaakt voor alle toekomstige kwalen, omdat hij zo in vrede zou rusten, dat hij al die dingen niet zou zien.

+++++++++++++++++++++++++++

30. De zielen van de overledenen

30. St. Augustinus stelt dat de geesten van de overledenen niet zien wat er in dit leven met mensen gebeurt. Zij zorgen echter wel voor de levenden, zoals wij voor de doden zorgen en God namens hen smeken. Dit terwijl ze de beloningen of straf ondergaan voor het leven dat ze hebben geleefd

dead

Daar zijn dan de geesten van de ontslapenen, waar zij niet zien wat er in dit leven met de mensen gebeurt. Hoe kunnen zij dan hun eigen graven zien, of hun eigen lichamen, of die nu weggeworpen of begraven liggen? Hoe nemen zij deel aan de ellende van de levenden, wanneer zij óf hun eigen kwaden ondergaan, als zij zulke verdiensten hebben opgelopen; óf in vrede rusten, zoals aan deze Josia was beloofd, waar zij geen kwaden ondergaan, hetzij door zelf te lijden, óf door medelijdend lijden met anderen, bevrijd van alle kwaden die zij door zelf of met anderen te lijden, terwijl zij hier leefden, hebben ondergaan? Sommigen zullen zeggen: Als er in de doden geen zorg is voor de levenden, hoe komt het dan dat de rijke man, die gekweld werd in de hel, vader Abraham vroeg om Lazarus naar zijn vijf broers te sturen die nog niet dood waren, en om met hen te handelen, opdat zij niet zelf ook in dezelfde plaats van kwelling zouden komen? Maar volgt hieruit, dat omdat de rijke man dit zei, hij wist wat zijn broeders deden, of wat zij op dat moment leden? Op dezelfde manier had hij zorg voor de levenden, hoewel hij helemaal niet wist wat ze deden, zoals wij zorg hebben voor de doden, hoewel we belijden dat we niet weten wat ze doen. Want als wij ons niet om de doden bekommerden, zouden wij niet, zoals wij doen, God om hen smeken.

++++++++++++++++++++++++++++

Een christen uit de tweede eeuw over de eucharistie…..

Irenaeus van Lyon

Irenaeus van Lyon

De eucharistie
Een christen uit de tweede eeuw over de eucharistie

Een tekst uit de communauteit van Taizé

Een kenner van de geschriften van de eerste christenen, vestigde er de aandacht op dat er tot in de negende eeuw geen geschrift over de eucharistie bestond. Vóór die tijd vinden we wel talrijke en belangwekkende verwijzingen naar de eucharistie, maar ze vormt zelf niet het onderwerp van een verhandeling. Voor de eerste christenen staat de eucharistie namelijk niet op zichzelf. Ze is altijd verbonden met het geheel van het geloofsmysterie, waarvan ze de synthese vormt. Als een wezenlijk punt van het geloof bestreden wordt, dan dient de eucharistie als leidraad om te laten zien wat wel of niet door de beugel kan. Zo zal Irenaeus uit Lyon in de tweede eeuw zeggen: “Onze denkwijze stemt overeen met de eucharistie, en op haar beurt bevestigt de eucharistie onze denkwijze.” Als je Irenaeus op dit spoorvolgt, kom je bij de kern van het geloof.
De goedheid van de schepping

Irenaeus, de grote bisschop van Lyon, werd geconfronteerd met geestelijke stromingen die de zichtbare wereld minachtten en dachten dat zij vanuit mislukking ontstaan was. Irenaeus zag in de eucharistie een bevestiging van de goedheid van de schepping. Volgens Irenaeus is het onmogelijk om te twijfelen aan deze goedheid, omdat, “Jezus het brood, dat uit de schepping voortkomt, nam, dankte, en zei: Dit is mijn lichaam. En zo ook de beker, die voortkomt uit de schepping waarvan wij deel uitmaken: hij verklaarde dat dit zijn bloed was…” (AH, boek IV, 17, 5) De eucharistie kan geen denkwijze bevestigen die de schepping veracht. Integendeel, ze spreekt over de waardigheid van de schepping.

De opstanding van het lichaam

Irenaeus beriep zich op de eucharistie om het geloof in de opstanding van het lichaam te onderbouwen. In de oudheid werden de christenen vanwege dit geloof bespot. Degenen die op hen neerkeken, beweerden dat alleen zij zelf een echt geestelijk leven leidden. Deze discussie brengt ons bij de kern van het geloof in Christus en van de christelijke visie op God, maar ook de visie op de mens en op het leven waartoe God ons roept om het met Hem te delen.
Om de ware inzet van deze discussie te begrijpen, moeten we weten dat de opstanding van het lichaam geen zaak is van moleculen. Paulus bevestigt op krachtige wijze de opstanding van het lichaam, maar hij beseft dat alles zal worden omgevormd: “Wat u zaait, heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is nog maar een naakte korrel.” (1 Korintiërs 15,37) Er bestaat dus een nieuw lichaam, een verheerlijkt lichaam. In die zin is er sprake van een onderbreking, maar tegelijkertijd is er ook voortzetting, want de plant of het tarwe komen voort uit het zaad.

In God is er plaats voor verschil

Ons lichaam bestaat uit onze persoon met zijn persoonlijke geschiedenis. Met Hemelvaart is Christus met zijn verheerlijkt lichaam binnengetreden in Gods eeuwigheid. Zijn aardse leven was voor hem niet iets ‘tussen haakjes’. Bezield door het geloof in de opgestane Christus, begrepen de eerste christenen dat God ieders geschiedenis wil ontvangen. In God is er plaats voor het meest persoonlijke, voor wat uniek is in ieder mens, voor alles wat verenigbaar is met de liefde. Dit geloof belijdt dat in Gods eeuwigheid het menselijke niet terzijde wordt geschoven. Ook de meest volledige vereniging met God die je je kunt voorstellen, gaat niet ten koste van het verschil. Als God ieder bij zijn naam noemt, betekent dat dat wij dit ook kunnen doen als wij bij Hem leven. Wij zullen de mensen die wij liefhadden, weerzien. Dostojewski werd gevoed door het geloof van de eerste christenen. Hij kon aan het eind van de Broeders Karamazov schrijven: “Wij zullen opstaan, en wij zullen elkaar weerzien, wij zullen elkaar vol vreugde vertellen wat er gebeurd is.” Het ontkennen van de opstanding van het lichaam, zou erop neerkomen dat we de God van het evangelie en wat Hij met ons voorheeft, misvormen. Deze God verdraagt immers niet alleen verschillen, maar Hij verlangt ernaar, Hij koestert ze en biedt ze toekomst.

Daarvan was Irenaeus overtuigd: “Hoe kunnen zij beweren dat het vlees niet in staat is Gods gave, die bestaat in het eeuwige leven, te ontvangen, terwijl het gevoed wordt door het bloed en het lichaam van Christus?” (Zie AH, boek IV, 18, 4.) In de eucharistie raakt het leven van de Opgestane niet enkel onze geest, noch komt het slechts als een idee binnen via onze oren. Dit voedsel raakt werkelijk ons lichaam. Irenaeus benadrukte dat de christenen verkondigen dat “het vlees en de Geest op harmonieuze wijze met elkaar verbonden en verenigd zijn. Het aardse brood is geen gewoon brood meer, maar eucharistie, nadat het de aanroeping van God ontvangen heeft. Het is dan samengesteld uit twee elementen, het ene aards en het andere hemels. Zo zijn ook onze lichamen die deelnemen aan de eucharistie, niet meer sterfelijk, omdat zij deelhebben aan de hoop van de opstanding.” (AH, boek IV, 18, 5)

De opdracht aan al het geschapene herkennen

De deelname aan de eucharistie wordt zo een manier om te verkondigen dat de wereld zin heeft. De gelovige herkent erin dat de schepping niet geroepen is tot het noodlot van de dood, maar tot omvorming. De eucharistie bezingt immers de overwinning van het leven. Dit neemt niet weg dat we door de dood heen moeten, maar juist daar zal de omvorming plaatsvinden. In de christen is echter al een kiem uitgezaaid. Een voorganger van Irenaeus, Ignatius van Antiochië, noemde dit, verwijzend naar de eucharistie, “een geneesmiddel van eeuwigheid”. Als we het eucharistisch lichaam van Christus en zijn leven als Opgestane ontvangen, dan laten wij ons opnemen in de ruimte waar de dood niet meer bestaat en waar de Geest een sluier oplicht van “wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, alles wat God bestemd heeft voor wie hem liefheeft” (1 Korintiërs 2,9).
Eucharistie en sociale verantwoordelijkheid

Een ander aspect van de eucharistie, dat ook bij Irenaeus al aanwezig is, wordt uitgebreid besproken door de kerkvaders in de derde en vierde eeuw: als we de eucharistie vieren, beseffen we onze sociale verantwoordelijkheid. Als wij het lichaam van Christus worden door onze deelname aan de eucharistie, als wij werkelijk leden van elkaars lichaam zijn, dan kunnen wij ons niet meer gedragen alsof de noodlijdende mensen ons niets aangaan. Zo ontstaat bij de eerste christenen de gewoonte om bij de eucharistie een gave voor de armen mee te brengen. Dit groeide uit tot de collecte. Het bewijst dat in het christendom een daadwerkelijke ervaring van mystiek altijd daden voortbrengt.

Bron : Taizé : https://www.taize.fr › nl_article2379

+++++++++++++++++++++++++

Irenaeus Against Heresies,  Book IV, 17, 5 :

5. Again, giving directions to His disciples to offer to God the first-fruits of His own, createdthings— not as if He stood in need of them, but that they might be themselves neither unfruitful nor ungrateful— He took that created thing, bread, and gave thanks, and said, This is My body. Matthew 26:26, etc. And the cup likewise, which is part of that creation to which we belong, He confessed to be His blood, and taught the new oblation of the new covenant; which the Church receiving from the apostles, offers to God throughout all the world, to Him who gives us as the means of subsistence the first-fruits of His own gifts in the New Testament, concerning which Malachi, among the twelve prophets, thus spoke beforehand: I have no pleasure in you, says the Lord Omnipotent, and I will not accept sacrifice at your hands. For from the rising of the sun, unto the going down [of the same], My name is glorified among the Gentiles, and in every place incense is offered to My name, and a pure sacrifice; for great is My name among the Gentiles, says the Lord Omnipotent; Malachi 1:10-11 — indicating in the plainest manner, by these words, that the former people [the Jews] shall indeed cease to make offerings to God, but that in every place sacrifice shall be offered to Him, and that a pure one; and His name is glorified among the Gentiles.

————————————————–

5. Opnieuw gaf Hij instructies aan Zijn discipelen om de eerstelingen van Zijn eigen, geschapen dingen aan God aan te bieden – niet alsof Hij ze nodig had, maar opdat zij zelf noch onvruchtbaar noch ondankbaar zouden zijn – nam Hij dat geschapen ding , brood, en dankte, en zei: Dit is mijn lichaam. Mattheüs 26:26, enz. En ook de beker, die deel uitmaakt van de schepping waartoe wij behoren, beleed Hij als Zijn bloed, en leerde Hij de nieuwe offerande van het nieuwe verbond; die de Kerk van de apostelen ontvangt, aan God over de hele wereld aanbiedt, aan Hem die ons als bestaansmiddelen de eerstelingen van Zijn eigen gaven in het Nieuwe Testament geeft, waarover Maleachi, onder de twaalf profeten, aldus sprak vooraf: Ik heb geen plezier in u, zegt de Almachtige Heer, en ik zal geen offers van uw hand aanvaarden. Want vanaf de opkomst van de zon tot aan de ondergang ervan wordt Mijn naam verheerlijkt onder de heidenen, en op elke plaats wordt wierook aan Mijn naam geofferd, en een zuiver offer; want groot is Mijn naam onder de heidenen, zegt de Almachtige Heer; Maleachi 1:10-11 – waarmee op de duidelijkste manier, door deze woorden, wordt aangegeven dat het vroegere volk [de Joden] inderdaad zal ophouden God offers te brengen, maar dat op elke plaats Hem offers zullen worden gebracht, en dat er een zuivere offergave zal worden gebracht. een; en Zijn naam wordt verheerlijkt onder de heidenen.

…………………………………………………………..

 Irenaeus Against Heresies, Book IV, 18,4-5 :

 

Alexander Schmemann : Priester en Theoloog

4e48c8137af70fa09d9ff4323024a72c

Voor het leven van de wereld / for the life of the world

Alexander Schmemann

“This is my body, this is my blood. Take, eat, drink.…” And generations upon generations of theologians ask the same questions. How is this possible? How does this happen? And what exactly does happen in this transformation? And when exactly? And what is the cause? No answer seems to be satisfactory. Symbol? But what is a symbol? Substance, accidents? Yet one immediately feels that something is lacking in all these theories, in which the Sacrament is reduced to the categories of time, substance, and causality, the very categories of “this world.” Something is lacking because the theologian thinks of the sacrament and forgets the liturgy. As a good scientist he first isolates the object of his study, reduces it to one moment, to one “phenomenon”—and then, proceeding from the general to the particular, from the known to the unknown, he gives a definition, which in fact raises more questions than it answers. But throughout our study the main point has been that the whole liturgy is sacramental, that is, one transforming act and one ascending movement. And the very goal of this movement of ascension is to take us out of “this world” and to make us partakers of the world to come. In this world—the one that condemned Christ and by doing so has condemned itself—no bread, no wine can become the body and blood of Christ. Nothing which is a part of it can be “sacralized.” But the liturgy of the Church is always an anaphora, a lifting up, an ascension. The Church fulfills itself in heaven in that new eon which Christ has inaugurated in His death, resurrection and ascension, and which was given to the Church on the day of Pentecost as its life, as the “end” toward which it moves. In this world Christ is crucified, His body broken, and His blood shed. And we must go out of this world, we must ascend to heaven in Christ in order to become partakers of the world to come.”
― Alexander Schmemann, For the Life of the World

Alexander Schmemann
Priester en theoloog

SCHMEMANN100

“Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed. Nemen, eten, drinken….” En generaties na generaties theologen stellen dezelfde vragen. Hoe is dit mogelijk? Hoe gebeurt dit? En wat gebeurt er precies in deze transformatie? En wanneer precies? En wat is de oorzaak? Geen enkel antwoord lijkt bevredigend. Symbool? Maar wat is een symbool? Substantie, ongelukken? Toch voelt men onmiddellijk dat er iets ontbreekt in al deze theorieën, waarin het Sacrament wordt gereduceerd tot de categorieën tijd, substantie en causaliteit, de categorieën van “deze wereld”. Er ontbreekt iets omdat de theoloog aan het avondmaal denkt en de liturgie vergeet. Als een goede wetenschapper isoleert hij eerst het object van zijn studie, reduceert het tot één moment, tot één “fenomeen” – en dan, van het algemene naar het bijzondere, van het bekende naar het onbekende, geeft hij een definitie, die in feite meer vragen oproept dan het beantwoordt. Maar gedurende onze hele studie is het belangrijkste punt geweest dat de hele liturgie sacramenteel is, dat wil zeggen, één transformerende handeling en één opgaande beweging. En het eigenlijke doel van deze beweging van ascensie is om ons uit “deze wereld” te halen en ons deel te laten nemen aan de komende wereld. In deze wereld – degene die Christus veroordeelde en daardoor zichzelf heeft veroordeeld – kan geen brood, geen wijn het lichaam en bloed van Christus worden. Niets dat er deel van uitmaakt, kan worden ‘geheiligd’. Maar de liturgie van de Kerk is altijd een anaphora, een verheffing, een hemelvaart. De Kerk vervult zichzelf in de hemel in die nieuwe aeon die Christus heeft ingewijd in Zijn dood, opstanding en hemelvaart, en die op de Pinksterdag aan de Kerk is gegeven als haar leven, als het “einde” waarnaar zij op weg is. In deze wereld wordt Christus gekruisigd, Zijn lichaam gebroken en Zijn bloed vergoten. En we moeten deze wereld verlaten, we moeten opstijgen naar de hemel in Christus om deel te nemen aan de toekomende wereld.”
― Alexander Schmemann, Voor het leven van de wereld

Augustinus : “On the Care of the Dead”/ ” Over de zorg voor de doden”.

In 40  afbeeldingen – met  Engelse teksten en Nederlandse vertaling (elke week enkele teksten.  Na de 40 teksten is het ganse artikel van Augustinus geplaatst.

Nadien kunnen deze teksten teruggevonden worden (bijeen) bij de categorieën :

AUGUSTINUS : ON THE CARE OF THE DEAD / OVER DE ZORG VOOR DE DODEN.

AUG10

Augustinus : Achtergrond informatie …..

Een rouwende moeder wilde dat haar zoon begraven zou worden in een kathedraal naast heiligen. Dit leidde tot een discussie tussen haar bisschop en Sint-Augustinus over vragen rond de zorg voor de doden, waarin de doctrines van de vroege Kerk over wat er gebeurt bij de dood en gebeden voor de doden zijn vastgelegd. 

AUGUSTINUS :  “On the Care of the Dead”/ ” Over de zorg voor de doden”  

MARTYRS

I. Achtergrondinformatie (eerste van 40 stappen)

Sint-Augustinus, Kerkleraar, is waarschijnlijk de meest invloedrijke christelijke theoloog van de vroege Kerk, van een vergelijkbare status als Sint-Thomas van Aquino. Hij werd in 354 na Christus geboren nabij Hippo in Noord-Afrika, als zoon van een christelijke moeder en een heidense vader. Nadat hij een leven had geleid waarin hij aardse genoegens nastreefde, begon hij te zoeken naar spirituele betekenis, en uiteindelijk bekeerde hij zich in 387 na Christus tot het orthodoxe christendom. In 391 werd Augustinus tot priester gewijd en in 396 tot bisschop van Hippo. Zijn jarenlange studie van retoriek en filosofie zouden hem goed van pas komen toen hij leiding gaf aan de inspanningen van de Kerk tegen de uitdagingen van zijn tijd.
St. Augustin werd een veelgevraagd theoloog en productief schrijver en verdediger van het christelijk geloof tegen de uitdagingen van zijn tijd toen het West-Romeinse rijk faalde, Rome werd geplunderd en de Kerk te maken kreeg met het donatistische schisma, het pelagianisme en andere ketterijen.
In zijn schrijven, “Over de zorg voor de doden”, reageert Augustinus op de vraag van een collega-bisschop over gebeden voor de doden en de behandeling van hun lichamen. In typische Augustinus-stijl antwoordt hij zeer grondig en behandelt hij die vraag, legt hij ook het vagevuur uit, de zorg voor de doden, of de doden met ons communiceren, visioenen van de doden, welke hulp gebeden kunnen hebben, en gaven van profetie.

++++++++++++++++++++

2.Gebeden voor de doden

I2. De eerbiedwaardige bisschop Paulinus erkent de praktijk van de Kerk om christelijke doden in gewijde grond te begraven. Verder, zegt hij, kan het niet vruchteloos zijn dat deze praktijk, samen met gebeden voor de doden, universeel is in de hele Kerk. Hij vraagt ​​de mening van Sint-Augustinus.

DODEN

Mijn eerbiedwaardige medebisschop Paulinus: Lange tijd ben ik uw heiligheid een antwoord verschuldigd op de vraag die u mij schreef in de brief die werd meegedragen door de mannen van onze meest vrome dochter Flora. U vroeg mij of iemand er baat bij had als zijn lichaam na zijn dood werd begraven bij het graf van een heilige. Een weduwe had je gesmeekt dit te doen voor haar zoon die in die regio was gestorven, en je had haar teruggeschreven om haar te troosten en haar te vertellen dat je dit had gedaan voor het lichaam van de trouwe jongeman Cynegius, haar zoon. precies zoals haar moederlijke en vrome genegenheid had gewenst. Je hebt het laten plaatsen in de basiliek van de meest gezegende biechtvader Felix. Bij die gelegenheid gebeurde het dat dezelfde mensen die uw brief aan haar brachten, u ook aan mij schreef, met dezelfde vraag, en smeekte dat ik zou antwoorden wat ik van deze kwestie dacht, zonder te verbergen wat uw eigen gedachten waren. Want jij zei dat dit in jouw ogen niet zomaar een nutteloze daad van religieuze en trouwe geesten was om voor het lichaam van de overledene te zorgen. U voegt er ook aan toe dat het niet zonder betekenis kan zijn dat de hele Kerk gewend is te bidden voor de overledenen. Daarom zou je verder kunnen vermoeden dat het een persoon na de dood helpt als zijn lichaam, door het geloof van de mensen om hem heen, wordt begraven op een plek waar de hulp van de heiligen, waar op deze manier om wordt verzocht, duidelijk zou kunnen worden gemaakt.

++++++++++++++++++++

3. Augustinus en het vagevuur

3. Augustinus beschrijft het lot van degenen die voor het oordeel staan. Wanneer allen de rechterstoel naderen, worden degenen wier levens zo slecht zijn (sterven in doodzonde) of zo goed zijn (heiligen) niet beïnvloed door het gebed van de Kerk. Hij zegt echter dat het effectief kan zijn voor degenen die zuivering nodig hebben.

Augustinus en het vagevuur

BODY

3. Maar als dit het geval is, dan begrijpt u niet, zegt u, hoe dit niet in tegenspraak kan zijn met wat de apostel zegt: “Want wij moeten allemaal voor de rechterstoel van Christus verschijnen, zodat een ieder krijgt wat hem toekomt. voor de dingen die in het lichaam worden gedaan, of ze nu goed of slecht zijn” (2 Kor. 5:10). Want deze apostolische verklaring vermaant ons dat wat we doen voordat we sterven ons na de dood ten goede zal komen, en niet wat er daarna wordt gedaan (wanneer iemand op het punt staat de vruchten te ontvangen van wat vóór de dood is gedaan. Dat is waar, maar de vraag wordt op deze manier opgelost: namelijk dat iemand een bepaald soort leven kan leiden terwijl hij in het lichaam leeft, wat dan mogelijk is om de overledenen te helpen. Het is dus afhankelijk van de dingen die door het lichaam worden gedaan dat ze door de dingen worden geholpen die vroom voor hen worden gedaan nadat ze het lichaam hebben verlaten, want er zijn er die helemaal niets kunnen helpen, hetzij omdat ze worden gedaan voor personen wier verdiensten zo slecht zijn, dat ze het niet waard zijn om door zulke dingen te worden geholpen. of anders voor personen wier verdiensten zo goed zijn dat zij dergelijke hulp niet nodig hebben. Het soort leven dat ieder in het lichaam heeft geleid, bepaalt dus of dergelijke daden die vroom namens iemand worden verricht nadat zij het lichaam hebben verlaten, kunnen plaatsvinden. Wat betreft welke verdienste dan ook die kan worden verworven: als deze in dit leven niet is verkregen, is het nutteloos om ernaar te zoeken in het volgende. Het blijkt dus dat het niet zonder betekenis is dat de Kerk, of de zorg voor vrienden, voor de overledenen zorgt voor welke vrome daden dan ook. Niettemin ‘ontvangt een ieder naar de dingen die hij in het lichaam heeft gedaan, of het nu goed of slecht is’ (2 Kor. 5:10), want de Heer zal ‘aan ieder geven naar zijn daden’ (Rom. 2 :6; Openb. 22:12). Want om ervoor te zorgen dat wat gedaan is iemand ten goede kan komen nadat hij het lichaam heeft verlaten, moest het eerst verworven worden terwijl hij in het lichaam leefde.

++++++++++++++++++++

4.Gebeden voor onze doden

4. St. Augustinus haalt verschillende bronnen aan voor de doeltreffendheid van gebeden voor mensen die na de dood zuivering nodig hebben. Eerst kijkt hij naar de boeken van de Makkabeeën. Belangrijker nog is dat de praktijk van de hele Kerk om bij het offeren van de mis te bidden voor de doden, voldoende is. Augustinus begint zijn verkenning van het belang van de begraafplaats van de doden en zegt dat eerst alle zorgen moeten worden weggenomen dat onze vijand enige macht over ons in ons lichaam heeft. Want als we niet bang moeten zijn voor degenen die dat wel doen.

CHRISTIANS

Mogelijk wordt uw vraag beantwoord door dit korte antwoord van mij. Maar let even op, want ik ben getroffen door een aantal andere overwegingen die ik denk te moeten beantwoorden. In de boeken van de Makkabeeën lezen we over offers die voor de doden werden gebracht. Maar ook al lezen we hierover nergens in de oude Geschriften, het gezag van de universele kerk, die deze gewoonte duidelijk heeft, is niet onbelangrijk; want de “aanbeveling van de doden” heeft ook een plaats onder de gebeden die de priester op zijn altaar tot de Heer God uitspreekt.
Maar of de ziel van de doden op de een of andere manier profijt heeft van de plaats waar haar lichaam ligt, vereist een zorgvuldiger onderzoek. In de eerste plaats: veroorzaakt of vergroot het de ellende van de geesten van mensen na dit leven als hun lichaam niet wordt begraven? We moeten dit niet onderzoeken door naar de publieke opinie te kijken, hoe wijdverspreid deze ook is, maar eerder in het licht van de heilige geschriften van onze religie. Want we moeten niet geloven, zoals we in Vergilius lezen, dat het de niet -begravenen verboden is de helse rivier te bevaren en over te steken. Want inderdaad. Het wordt niemand gegeven om de afschuwelijke oevers en brullende beken te passeren, totdat de botten zijn gezonken om in vrede te rusten. Wie kan zulke poëtische en fantastische ideeën inbrengen in een christelijk hart?
Want de Heer Jezus beweert dat christenen zichzelf zonder angst aan de handen van hun vijanden moeten overgeven, hun lichaam in hun macht moeten geven, en toch dat er geen haar van hun hoofd verloren zal gaan; en hij spoort hen aan niet bang te zijn voor degenen die, wanneer ze het lichaam hebben gedood, geen verder kwaad kunnen doen.

++++++++++++++++++++

5. Respecteer de waardigheid van het lichaam

5.Hoewel christenen de zorg voor de lichamen van de doden enorm waarderen, omdat ze de waardigheid van mensen respecteren die naar de gelijkenis van God zijn gemaakt, zijn we niet bang voor wat er met ons lichaam wordt gedaan. Zelfs de consumptie van lichamen door wilde dieren zal geen belemmering vormen voor de wederopstanding van onze lichamen door Christus.

BURIED

Ik denk dat ik in het eerste boek Over de Stad van God genoeg over deze kwestie heb gezegd om de tanden te stompen van degenen die, door de barbaarse verwoestingen in ons christelijke tijdperk de schuld te geven, vooral die welke Rome zelf onlangs heeft geleden, ons ook de beschuldiging dat Christus zijn eigen volk destijds niet te hulp kwam. Toen we antwoordden dat hij de zielen van de gelovigen, overeenkomstig de verdiensten van hun geloof, in zijn bescherming had genomen, beledigden ze ons door de lijken te beschrijven die onbegraven bleven. Zo heb ik dit hele onderwerp van begrafenis al in woorden als deze uiteengezet.

Maar, zeg ik, in zo’n hoop dode lichamen konden ze helemaal niet begraven worden. Toch is zelfs dit geen grote angst voor het vrome geloof, dat vasthoudt aan datgene wat voorspeld was, dat zelfs niet opgegeten worden door een beest het opnieuw opstaan ​​van lichamen kan verhinderen waarop “geen haar van hun hoofd zal vergaan” (Lukas 21). :18). Want de Waarheid zou nooit zeggen: “Wees niet bang voor degenen die het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden” (Matt. 10:28) als welke vijand dan ook zou verkiezen te doen met de lichamen van de gesneuvelden op enigerlei wijze het leven zou kunnen belemmeren. komen. Tenzij misschien iemand zo absurd is om te beweren dat zulke mensen niet gevreesd moeten worden vóór de dood, uit angst dat ze het lichaam zouden doden, maar wel gevreesd moeten worden na de dood, wanneer zij, nadat zij het lichaam hebben gedood, toestaan ​​dat het onbegraven blijft.

++++++++++++++++++++++

6. Kostbaar in de ogen van de Heer is de dood van Zijn heiligen

6.In vervolgingen en oorlogen zijn veel lichamen van Gods heiligen zonder zorg achtergelaten. Dit is wreedheid en zonde voor degenen die dit doen. Toch is voor de heiligen geen van hen ook maar in het minst gescheiden geweest van de liefde van God, die de hele schepping vervult met Zijn aanwezigheid en zorg. Merk op hoe God ter wille van ons zorg verlangt voor de lichamen van de doden, en het is een zonde om ze te ontheiligen. De ontwijding hindert echter op geen enkele wijze Gods plannen om christenen weer tot leven te wekken.

SAINTS

Als ze zo’n grote invloed kunnen hebben op dode lichamen, is het dan vals als Christus spreekt over degenen “die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen” (Lukas 12:4)? Verban de gedachte dat wat de Waarheid heeft gesproken vals is. Er wordt namelijk gezegd dat ze wel iets bereiken als ze doden, omdat er gevoel in het lichaam is terwijl het wordt gedood, maar daarna kunnen ze niets meer doen omdat er geen gevoel in het lichaam is nadat het is gedood. De lichamen van veel christenen zijn dus niet door de aarde bedekt, maar geen van hen is gescheiden van hemel en aarde, die hij geheel vult met zijn aanwezigheid. Hij weet van waaruit hij kan reanimeren wat hij heeft gecreëerd. Er wordt inderdaad in een Psalm gezegd: “Ze hebben de dode lichamen van uw dienaren als voedsel gegeven aan de vogels in de lucht, het vlees van uw heiligen aan de dieren van de aarde; zij hebben hun bloed als water rondom Jeruzalem vergoten, en er was niemand om hen te begraven” (Ps. 78:2-3 Vulg.). Maar dit wordt meer gezegd om de wreedheid van degenen die deze dingen hebben gedaan te benadrukken, dan om het ongeluk van degenen die eronder hebben geleden. Want hoe moeilijk en afschuwelijk deze dingen ook mogen lijken in de ogen van mensen, toch “kostbaar in de ogen van de Heer is de dood van zijn heiligen” (Ps. 115:6).

Dus al deze andere dingen – het beheer van de begrafenis, de omstandigheden van de begrafenis, de optocht van de begrafenisrituelen – zijn meer bedoeld om de levenden te troosten dan om verlichting te brengen aan de doden. Als een dure begrafenis de goddelozen ten goede komt, dan zal een goedkope of helemaal geen begrafenis de godvruchtigen schade berokkenen. Vanuit het perspectief van de mens zorgde een menigte familieleden voor een weelderige begrafenis voor de in het paars geklede rijke man; maar vanuit Gods perspectief werd die arme man vol zweren op een veel gedistingeerder manier bijgewoond door engelen die hem niet naar een marmeren graf droegen, maar naar de boezem van Abraham in de hoogte. Degenen voor wie wij het op ons hebben genomen om de Stad van God te verdedigen, lachen hier alleen maar om; maar ondanks dat alles minachtten zelfs hun eigen filosofen een dergelijke behandeling van de doden; en vaak gaven hele legers, terwijl ze stierven voor hun aardse land, er helemaal niet om waar ze daarna zouden liggen, of welke dieren ze zouden opeten. En de dichters spraken met applaus over deze houding en zeiden:
Hij wordt bedekt door de hemel, wiens as geen urn heeft.
Hoeveel minder zouden ze beledigingen moeten uiten over de onbegraven lichamen van christenen, aan wie hij heeft beloofd dat het vlees zelf met al zijn leden opnieuw gevormd zal worden, niet alleen uit de aarde, maar waarlijk ook uit de andere elementen, ja, uit de aarde. die meest geheime veilige haven waar de verdwenen lijken zich hebben teruggetrokken

+++++++++++++++++++++

7. Waardigheid bij begrafenis

7. Hoewel de zorg voor de lichamen van de doden een rechtvaardige zaak is, zijn enorme graven en begrafenissen dingen van trots die ons niet ten goede komen, maar de zij die goddelijk leven kunnen schaden. Heeft iemand een mooiere begrafenis gehad dan de arme man uit de gelijkenis die door engelen aan de boezem van Abraham werd geboren?

SKY

Dus al deze andere dingen – het beheer van de begrafenis, de omstandigheden van de begrafenis, de optocht van de begrafenisrituelen – zijn meer bedoeld om de levenden te troosten dan om verlichting te brengen aan de doden. Als een dure begrafenis de goddelozen ten goede komt, dan zal een goedkope of helemaal geen begrafenis de godvruchtigen schade berokkenen. Vanuit het perspectief van de mens zorgde een menigte familieleden voor een weelderige begrafenis voor de in het paars geklede rijke man; maar vanuit Gods perspectief werd die arme man vol zweren op een veel gedistingeerder manier bijgewoond door engelen die hem niet naar een marmeren graf droegen, maar naar de boezem van Abraham in de hoogte. Degenen voor wie wij het op ons hebben genomen om de Stad van God te verdedigen, lachen hier alleen maar om; maar ondanks dat alles minachtten zelfs hun eigen filosofen een dergelijke behandeling van de doden; en vaak gaven hele legers, terwijl ze stierven voor hun aardse land, er helemaal niet om waar ze daarna zouden liggen, of welke dieren ze zouden opeten. En de dichters spraken met applaus over deze houding en zeiden:
Hij wordt bedekt door de hemel, wiens as geen urn heeft.
Hoeveel minder zouden ze beledigingen moeten uiten over de onbegraven lichamen van christenen, aan wie hij heeft beloofd dat het vlees zelf met al zijn leden opnieuw gevormd zal worden, niet alleen uit de aarde, maar waarlijk ook uit de andere elementen, ja, uit de aarde. die meest geheime veilige haven waar de verdwenen lijken zich hebben teruggetrokken, zal onmiddellijk worden hersteld en weer heel worden gemaakt

++++++++++++++++++

8. Zorg voor de doden

8. Hoewel we weten dat God ons uit elke toestand kan opwekken, volgt hieruit niet dat de lichamen van de overledenen veracht en terzijde geworpen moeten worden. Onze lichamen behoren tot de aard van de mens en de zorg voor hen is altijd een plicht van vroomheid geweest, zoals blijkt uit de Schrift en Gods aanbeveling.

FOLLOW

Toch betekent dit niet dat de lichamen van de overledenen moeten worden veracht en terzijde geschoven, en vooral die van rechtvaardige en trouwe mannen, wier lichamen door hun geesten zijn gebruikt als instrumenten en instrumenten om al hun goede werken te doen. . Want net zoals hoe groter de genegenheid die iemand voor zijn ouders heeft, des te waardevoller zijn de kleding en de ring van de vader en al dergelijke dingen voor degenen die hem overleven, op dezelfde manier mogen de lichamen zelf niet worden verwaarloosd, omdat we ze dragen en nauwer met hen verbonden dan alles wat wij zelf aantrekken. Want ons lichaam is niet een sieraad of hulpmiddel dat van buitenaf wordt toegevoegd, maar behoort tot de aard van de mens. Zo werden ook in de oudheid de begrafenissen van rechtvaardige mensen met plichtsgetrouwe vroomheid geregeld, en hun begrafenissen werden gevierd en er werd voor begrafenissen gezorgd, en terwijl ze nog leefden gaven ze instructies aan hun zonen over hun begrafenis of zelfs over het verplaatsen van hun lichaam naar een andere plek. plaats. Tobias werd ook geprezen door het getuigenis van een engel voor het begraven van de doden, waardoor hij gunst bij God verwierf (Tobit 2:9). Ook de Heer zelf, toen Hij op het punt stond op de derde dag op te staan, verkondigde en prees voor het prediken van het goede werk van de vrome vrouw die een kostbaar parfum over Zijn ledematen goot en dat deed voor zijn begrafenis. En het Evangelie herdacht met lof degenen die het lichaam van Christus van het kruis namen en het zorgvuldig en met eerbiedige eer in het graf zagen wikkelen en leggen. Deze autoriteiten suggereren echter geenszins dat dode lichamen enig gevoel kunnen ervaren; maar veeleer betekenen ze dat de voorzienigheid van God (die blij is met zulke daden van vroomheid) zich ook bezighoudt met de lichamen van de doden, zodat ons geloof in de opstanding versterkt zou kunnen worden.

+++++++++++++++++++++

9. Werken van barmhartigheid

9. Als de zorg voor de lichamen van de getrouw overledenen een plicht voor God is, die een beloning waard is, hoeveel te meer dan de plicht en de beloning die voortvloeien uit de zorg voor de armen en behoeftigen. Het geven van aalmoezen, het verlichten van honger en lijden, is genade voor de gever en substantie voor de ontvanger

CLOTHING

Hieruit kunnen we ook met voordeel leren dat de beloning voor het geven van aalmoezen aan degenen die leven en hun zintuigen hebben, groot moet zijn, als God zelfs de dingen die we met plicht en toewijding doen voor de levenloze lichamen van mensen niet over het hoofd ziet. Er zijn inderdaad ook andere dingen die de heilige aartsvaders ons, door het spreken van de profetische Geest, wilden laten begrijpen over het begraven of verwijderen van hun lichamen. Maar dit is niet de plaats om deze zaken grondig te bespreken, en dus moet wat we hier hebben gezegd volstaan. Maar als goede mensen een mannelijke moed aan de dag leggen om een ​​tekort aan dingen die nodig zijn om in leven te blijven, zoals voedsel en kleding, te dragen en te verdragen, ongeacht hoe zwaar een aandoening daarmee gepaard gaat, en ze niet breken, noch drijft een dergelijke ontbering vroomheid uit hun geest halen, maar door het in praktijk te brengen worden ze des te vruchtbaarder. Hoeveel te meer kan een gebrek aan zorg, die normaal gebruikt wordt bij begrafenissen en het begraven van de lichamen van overledenen, er niet in slagen de doden ellendig te maken, aangezien nu ze rusten uit in de verborgen woonplaats van de vromen! En dus, toen deze dingen ook niet werden uitgevoerd voor de dode lichamen van christenen tijdens die verwoesting van de grote stad of van andere steden,de levenden die het zich niet konden veroorloven om deze dingen te doen, hadden geen schuld, noch resulteerde het in pijn voor de doden die ze niet konden voelen. Dit is mijn mening over de motieven en wijze van begraven. Ik heb dit uit een ander boek van mij overgenomen, omdat het makkelijker was om het opnieuw te vertellen dan om hetzelfde materiaal op een andere manier uit te drukken.

+++++++++++++++++++

10. Plaats van begrafenis

10. Waar we onze dierbaren begraven, helpt de doden niet, maar kan een teken zijn van iets goeds, namelijk onze genegenheid voor de stoffelijke resten van onze vrienden. Het kan echter ook een herinnering zijn om te bidden voor de rust van de zielen van onze geliefden en de heiligen te vragen voor hen tot God te bidden.

CALLED

Als dit waar is, dan is ook het voorzien in een begraafplaats voor lichamen bij de heiligenmonumenten een teken van een goede en menselijke instelling tegenover de stoffelijke resten van iemands vrienden. Want als er een heiligheid schuilt in het verzorgen van een begrafenis, moet er ook een heiligheid zijn in het letten op de plaats waar de begrafenis plaatsvindt. Maar hoewel het wenselijk is dat er zoveel troost is voor de overlevenden, waardoor ze hun vrome houding ten opzichte van hun geliefden kunnen tonen, zie ik niet in welke hulp dit voor de doden kan zijn, behalve op deze manier: dat bij het herdenken van de plaats in waarin de lichamen van degenen van wie ze houden zijn neergelegd, zouden ze met hun gebeden de overledenen kunnen aanbevelen aan diezelfde heiligen alsof ze beschermheren waren die op zich namen hen bij de Heer te helpen. Dat zouden ze nog steeds kunnen doen, ook al zouden ze niet op zulke plaatsen begraven kunnen worden. Maar deze graven van de doden die beroemd zijn geworden, worden gedenktekens of monumenten genoemd , omdat ze herinneren aan degenen die door de dood uit de ogen van de levenden zijn verdwenen, en door ze voor de geest te halen, zijn ze niet door vergeetachtigheid uit de harten van mensen verdwenen. Voor beiden laat de term gedenkteken dit heel duidelijk zien, en monument is datgene wat de geest instrueert, dat wil zeggen vermaant. Dit is de reden waarom wat wij een gedenkteken of monument noemen, door de Grieken een μνημεῖον wordt genoemd.
(Want in hun taal wordt het geheugen zelf, waarmee we dingen onthouden, μνήμη genoemd. Wanneer een geest zich daarom herinnert waar het lichaam van een zeer dierbare vriend begraven ligt, en daarbij de plaats zichzelf in zijn gedachten voorstelt als een plaats die eerbiedig is gemaakt door de naam van een martelaar, dan beveelt een dergelijke gemoedstoestand die ziel aan die plaats aan. martelaar door zijn gedachtenis en gebed. En wanneer de overledenen zulke dingen zien gedaan door de trouwe christenen die hen zeer dierbaar waren, kan men er niet aan twijfelen dat het degenen ten goede komt die, terwijl ze in het lichaam leefden, het verdienden dat zulke dingen hen na dit leven ten goede zouden komen. Maar zelfs als, vanwege het gebrek aan mogelijkheden, een of andere noodzaak het niet toestaat dat lichamen worden begraven, of op zulke plaatsen worden begraven, mag men de gebeden voor de zielen van de doden nog steeds niet verwaarlozen. Want in haar algemene gebed verbindt de Kerk zich ertoe zulke smeekbeden te doen voor alle overledenen in onze christelijke en katholieke gemeenschap, zelfs zonder hun naam te noemen. Dus degenen die geen ouders, zonen, familieleden of vrienden hebben, hebben nog steeds die ene vrome moeder die alle christenen gemeen hebben, die deze daden voor hen uitvoert. Maar hoe heilig de plaatsen ook zijn waar levenloze lichamen worden neergelegd, ik denk dat hun ziel er in het geheel niet van zal profiteren zonder zulke gebeden voor de doden en als ze niet met het juiste geloof en vroomheid worden uitgesproken.)

++++++++++++++++++++

Ignace d’Hert : Geloven met of zonder God……….

VOETLICHTDHERTELINGEN

Geloven met of zonder God

Ignace d’Hert o.p.

 

IGNACE 10

 

Ik heb het in de volgende beschouwingen niet rechtstreeks over godsgeloof, en ook niet over Jezus of het evangelie. Ik focus op wat ik voor mezelf als geloof beschouw. Op welke manier beleef ik mijn geloof, of wat voor mij geloven betekent? Dat is uiteraard zeer onvolledig, maar alleen voor mezelf een eerste reflectie.

Ik wil vooraf volgende bedenkingen meegeven.

Als het gaat over geloof of ongeloof kom ik bij mezelf niet direct bij een of ander godsbeeld uit. Ik ben al jaren aan het sukkelen met die thematiek van god en godsbeelden zonder bevredigend antwoord te vinden, en toch beschouw ik mezelf als een gelovig mens. Maar ik kan me best indenken dat sommigen zich afvragen hoe dat kan “zonder godsgeloof”. Ik vraag het me ook af. En meteen zit ik weer in de problemen. Want de combinatie van die twee woorden “zonder godsgeloof” is bijzonder intrigerend.

Het is duidelijk dat er niet één model van geloven is. Ik ervaar het alvast bij mezelf. Er zijn een aantal beelden uit mijn jeugd waarvan sommige zijn blijven hangen. Beelden waar ik nu niets meer kan. Het is dan ook geen ramp vast te stellen dat er inderdaad verschillende manieren van geloven zijn, zonder dat ze elkaar per se uitsluiten. Gelukkig maar. In vroegere tijden (zoals mijn jeugd) zou dit wellicht onrust hebben veroorzaakt, vandaag is het eerder een geruststelling of zelfs een troost.

Ik wil focussen op de vraag wat geloof of ongeloof te maken hebben met het dagelijks leven: hoe ze mijn leven oriënteren, ondersteunen of belemmeren en als ballast ervaren worden. Ik denk dat de basiswaarden die als onmisbaar beschouwd worden voor een menswaardig leven en samenleven moeten sporen met de visies die eigen zijn aan geloof of ongeloof. Welke attitudes vind ik belangrijk voor mezelf om als een “goede” mens met een open geest door het leven te gaan. Misschien brengen ze me in de buurt van geloof of ongeloof, of van beide.

  1. Ontvankelijkheid

Ontvankelijkheid is een onmisbare grondhouding die in heel het leven een belangrijke rol speelt. Het woord ontvankelijkheid zegt: openheid naar iets of iemand buiten mezelf. Openheid wijst naar het andere, de andere, naar zoveel dingen die van buiten af naar me toe komen. Ontvankelijkheid noem ik de houding die daarvoor open staat. Het is een houding van “open handen”, die bereid is te luisteren en de boodschap die van “buiten” komt toe te laten. Deze houding leeft van het besef dat ik veel te ontvangen heb. Het is een houding die concreet wordt in het besef dat mijn leven een gave is. Ik heb het gekregen. Dat is op zich al iets bijzonder. Ik vind het belangrijk om daar af en toe bij stil te staan. Het bewustzijn hiervan verdient die aandacht. Ontvankelijkheid betekent ook dankbaarheid van deze gave. Ik heb daar zelf geen verdienste aan. Want “Alles wat ik heb, heb ik van een ander” zingt Herman van Veen. Al mijn talenten heb ik gekregen. Niet verworven. Bijgevolg is bescheidenheid hier op zijn plaats.

Zelfaanvaarding is belangrijk. Het is een vorm van ontvankelijkheid. Ik ben wie ik ben. En het is goed zo. Ik heb mijn lichaam niet zelf gekozen, evenmin als mijn intellectuele of affectieve kwaliteiten. Zoals ieder mens heb ik mijn kwaliteiten en talenten, mijn beperkingen en begrenzingen. Ik moet daar leren mee leven. En dat is een opgave. Het helpt om momenten van bezinning in te bouwen om dit besef levend te houden. Wellicht is een zeker ritme daar behulpzaam bij. Zoals mensen op zondag naar een viering komen.

Ontvankelijkheid is van groot belang voor de relaties in mijn leven. Fundamenteel zijn de vriendschap en de liefde die ik mag ervaren en die ik ook zelf kan geven. Dat is een onbetaalbaar cadeau. Ik ben daar zonder meer afhankelijk van om mijn leven op een zinvolle manier vorm te geven. Het samen leven met dierbare anderen geeft een unieke warmte aan het leven. Ik mag dankbaar zijn om die nabijheid die rust en vrede betekent.

  1. Eindigheid van het bestaan

Regelmatig dringt zich de vraag op hoe ik omga met de eindigheid van het bestaan? Ooit was er van ons nog geen sprake en er komt een moment dat we van het toneel verdwenen zijn. “Er is een tijd van komen en een tijd van gaan” zegt Prediker, enkele eeuwen reeds voor onze tijdrekening. Ik mag me er dan bewust van zijn dat er ook aan mijn leven een einde komt. Ik heb reeds afscheid moeten nemen van mensen die mij bijzonder dierbaar waren en wiens heengaan pijn en verdriet betekende. Maar toch zijn ook zij na enige tijd naar de achtergrond vergleden. Nooit helemaal, maar toch. Zo zal het ook met mezelf zijn. Ik vind het niet eenvoudig om dat te aanvaarden. Ik heb het enkele keren meegemaakt bij een sterfbed dat de woorden van Prediker bewust geciteerd werden door de stervende. Ik vond het bewonderenswaardig. Ik bewonder het dat iemand in gelatenheid afscheid neemt. In aanvaarding. In vrede. Voor ons levende wezens, geldt alleen nog de “tijd van gaan”. Mensen die een zekere leeftijd hebben bereikt blikken wel eens terug op wat geweest is. Er is soms diepe dankbaarheid. Soms niet.

Eindigheid betreft ook de geschiedenis waarin we staan. Wat we vandaag als waardevol ervaren is dat niet noodzakelijk voor een volgende generatie. Vooral in deze tijd lijkt het alsof veranderingen elkaar bijzonder snel opvolgen. Dat is natuurlijk altijd al zo geweest. Het besef van de radicale contingentie van ons bestaan en ook van het hele wereldgebeuren roept indringende vragen op. Vragen naar de zin van alles. Zoals we met vreugde het nieuwe leven begroeten als een wonder, zo worden we ook geconfronteerd met de vergankelijkheid van alles en iedereen.

En toch blijken we te geloven dat het in de geschiedenis ergens over gaat. Dat er iets op het spel staat. De vraag is of er een gerichtheid is in de geschiedenis, een einddoel waar we naartoe gaan. We zeggen het bij een uitvaart. We hopen dat de gestorvene “thuis” mag komen. Dat er een grote hand is die haar/hem opvangt. Dat is geen goedkoop zoethoudertje. Juist integendeel. Het besef van een einddoel kan juist een motief zijn om nu reeds alle kansen die ons te beurt vallen ook ten goede maken. Ik geloof dat we, hoe bescheiden ook, waar of wanneer we ook leven, een verschil kunnen maken. Hoe klein ook, maar een verschil. Zelfs al wordt het niet of nauwelijks opgemerkt. Of het al dan niet gezien wordt doet er niet toe, wél dat het gebeurt, dat het iemand ten goede komt.

  1. Een ondoorgrondelijke mengeling van leven en dood

Het leven is een ondoorgrondelijke mengeling van leven en dood, goed en kwaad, liefde en leed, vreugde en verdriet. We worden uitgedaagd keuzes te maken. We doen het vaak met een zekere aarzeling. Het besef niet alles in handen te hebben is nu eenmaal eigen aan ons mens zijn. Het vergt een overgave die nooit zuiver rationeel is. Hier herken ik heel wat Bijbelse verhalen die het hebben over mensen die zich voor een beslissende keuze geplaatst weten. Vooral figuren uit het eerste testament zijn vaak heel spreken. Mozes die zich uitgedaagd weet om naar de farao te gaan en het volk weg te leiden uit Egypte. “Ik kan niet goed spreken” probeert hij de opdracht van zich af te wentelen. Of de keuze waar de joodse gemeenschap voor geplaatst wordt wanneer ze aan het einde van hun woestijntocht met het zicht op het beloofde land door Mozes voor de keuze gesteld worden. “Leven en dood houd ik u voor, kies dan het leven.”

Het zijn beelden waarin ik het besef van verantwoordelijkheid herken waar ik me ook zelf voor geplaatst weet. In mijn doen en laten ervaar ik iets als een innerlijke stem. Het doet me denken aan de profeet Elia, de grote profeet die droomde van een sterke god om de vijanden te verslaan. Hij had het verkeerd voor. God is niet te vinden in de storm, niet in de aardbeving, niet in het vuur, maar in het gefluister van een zachte bries. Zoiets is herkenbaar. Geen gedonder van een dictator die ons verplichtingen oplegt maar de aandrang van een zachte fluistering. Zo blijven ook wij standvastig in ons verzet tegen onrecht, aan onze inzet voor vrede hier en wereldwijd. We kunnen de oren en ogen sluiten voor de wereld rondom ons, maar ik geloof meer in het luisteren naar de stemmen die ons zachtjes influisteren wat ons geweten ons te doen geeft.

  1. Hoe daaraan concreet gestalte geven?

jOp welke concrete manier kan een dergelijke houding in mijn leven gestalte krijgen. Veel heel gewone zaken spelen daarin een rol. Ik heb het geluk me thuis te voelen in de sfeer, het leven en de werkzaamheden in de Dominicaanse familie. Volgehouden studie is een belangrijke weg van verdieping geweest en is dat tot op vandaag. De vrijheid van het kritisch denken is zowel bevrijding geweest als het soms ook onzekerheid met zich mee bracht. Want we hadden toch “de” waarheid meegekregen?! Ik voelde me opgelucht door de eerste inzichten die me hielpen afstand te nemen van het rijke roomse leven en van de theologie die haar ondersteunde. Die theologie stond bij nader toezien vooral in functie van de kerk. Excuus: van het kerkinstituut. Dat er zoiets bestaat als de vrijheid van denken in een religieuze context is een bevrijdend perspectief geweest. Het gaat niet om “het” geloof. Het gaat evenmin om “de” leer van de kerk alsof deze vanuit de openbaring “uit de hemel” zou zijn neergedaald.

Gaandeweg heb ik de relativiteit van het “geopenbaard geloof” weten te plaatsen. Het is ook steeds duidelijker geworden hoezeer culturele en historische elementen hun stempel hebben gedrukt op de manier waarop geloven werd voorgesteld. Dat is geen relativisme, alsof geloven geen inhoud zou hebben. Het gaat wél om zin voor relativiteit, die onderscheid maakt tussen het wezenlijke en de tijdgebonden inkleding waarin het verschijnt. Deze spanning respecteren is een bijzondere verantwoordelijkheid. Het kan nooit gaan om de formules als zodanig. Het gaat om de werkelijkheid waarop ze ons willen oriënteren. Interpretatie is daarom een heel bijzondere opdracht binnen welke gemeenschap ook. Een duidelijk voorbeeld is onze kerkelijke geloofsbelijdenis. Het gaat om een tekst uit afkomstig is uit de vierde, vijfde eeuw. De toenmalige bisschoppen stonden in concilie verzameld voor een belangrijke uitdaging. Hoe kunnen we trouw zijn aan de diepe waarheid die het geloof in Jezus betekent? De meningen waren verdeeld en een consensus bleek allesbehalve voor de hand te liggen. De kerkleiders konden maar niet tot eenzelfde geloofsbelijdenis komen. Dan is deze maar opgelegd door de keizer. Niet omdat de keizer zo’n schitterende theoloog was. Hij was wel begaan met de eenheid van zijn rijk. En hij zag al die kerkelijke vechthanen als een mogelijke bedreiging.

Merkwaardig toch hoe vast gehouden wordt aan een formule die onveranderd (en dus blijkbaar onveranderlijk) gehandhaafd blijft. Waar het over gaat zal de meeste kerkgangers wel ontgaan. Op die manier verliest de christelijke geloofsovertuiging zijn bevrijdende kracht en zijn geloofwaardigheid. Mensen hebben zich eeuwenlang geschikt in de levensstijl die werd opgelegd door de gezagsdragers in de kerk. Het is pas met het tweede Vaticaans concilie dat deze onmondigheid plaats maakte voor een persoonlijke invulling die de eigen ervaring recht doet.

Ignace D’hert o.p.
19/03/2024