++++

“Maar ik, de meest ellendige jongeling, en nog ellendiger aan het begin van mijn jeugd, had zelfs kuisheid van U verlangd en gezegd:
‘GEEF MIJ KUISHEID EN ZELFBEHEERSING, MAAR NOG NIET’,
want ik was bang dat U mij van ver zou horen en mij snel zou genezen van de kwaal van de begeerte, die ik liever verzadigd zag dan uitgeroeid.”
— Augustinus van Hippo, Belijdenissen, Boek VIII, Hoofdstuk VII
++++
Commentaar:
Dit is een van de meest menselijke en herkenbare passages uit de Belijdenissen. Augustinus legt hier een pijnlijke eerlijkheid bloot: hij verlangt naar het goede, maar niet volledig. Hij wil bevrijding, maar vreest de prijs. Hij vraagt om genezing, maar houdt nog vast aan de ziekte.
Het is de spanning die elke spirituele zoeker kent:
het verlangen naar God,
en tegelijk het vasthouden aan oude gewoonten,
het weten wat bevrijdt,
maar toch kiezen voor wat bindt.
Augustinus toont dat echte bekering niet begint bij perfectie, maar bij eerlijkheid. Hij durft zijn dubbelheid uit te spreken. En precies daar kan genade binnenkomen: niet in het toneelstuk van vroomheid, maar in de rauwe waarheid van het hart.
Zijn gebed “maar nog niet” is geen spot, maar een spiegel. Het laat zien dat God ons niet liefheeft om onze volmaaktheid, maar om onze waarheid. Genezing begint wanneer we durven zeggen: “Ik wil… maar ik durf nog niet.”
++++
Gebed
Heer,
U kent mijn hart beter dan ik het zelf ken.
U ziet mijn verlangen naar het goede,
maar ook mijn angst om los te laten wat mij bindt.
Neem mijn eerlijkheid aan als een begin,
mijn dubbelheid als een open deur,
mijn halfslachtige verlangen als een eerste stap.
Genees mij niet sneller dan ik kan dragen,
maar leid mij verder dan ik durf te gaan.
Laat uw zachte licht mijn schaduw verlichten,
en maak mijn aarzelende wil tot een vrije wil.
Amen.
*********************

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.