Augustinus: Vanaf nu, Heer, bent U de enige die ik liefheb….

1.Heilige Augustinus – Soliloquia

Vanaf nu, Heer, bent U de enige die ik liefheb,

U de enige die ik aanhang,

U de enige die ik zoek,

U de enige die ik bereid ben te dienen,

want alleen U regeert rechtvaardig.

Ik verlang ernaar mij te onderwerpen aan Uw bevelen;

beveel, ik smeek U, wat U maar wilt,

maar genees mij, open mijn oren,

zodat ik Uw woorden kan horen.

Ontvang mij als een vluchteling,

o meest liefhebbende Vader.

Ik heb te lang geleden;

te lang ben ik onderworpen geweest

aan Uw vijanden en aan het spel van de leugens.

Ontvang mij als een dienaar van U

die afstand wil nemen

van al deze ijdele dingen.

Ik voel dat het voor mij noodzakelijk is

om naar U terug te keren;

ik klop — open voor mij de deur;

leer mij hoe ik bij U kan komen.

Het is tot U dat ik wil gaan,

geef mij dus de middelen

om tot U te komen.

***

(Opmerking: De verwijzing “Lc. 4,38-44” op de afbeelding

behoort waarschijnlijk tot de liturgische lezingen van de dag waarop deze kaart

werd uitgegeven, niet tot de tekst zelf.)

++++

2. Commentaar:

De innerlijke ommekeer

Dit gebed staat midden in Augustinus’ grote overgang: van een verdeeld, rusteloos hart naar een hart dat één richting kent. De herhaling “U de enige” is geen retoriek, maar een existentiële schreeuw. Hij heeft alles geprobeerd — filosofieën, ambities, relaties — en niets kon zijn honger stillen. Hier spreekt een mens die eindelijk heeft ontdekt waar zijn hart thuishoort.

De vluchteling:

Augustinus noemt zichzelf een “vluchteling”. Dat is opvallend: hij vlucht niet voor God, maar naar God. Hij erkent dat hij jarenlang heeft geleefd in “het spel van de leugens”: de illusies van intellectuele trots, de verleidingen van status, de misleidingen van het manicheïsme. Hij ziet zijn verleden niet met haat, maar met helderheid.

Genade als beweging:

Augustinus weet dat hij niet uit eigen kracht kan terugkeren. Hij vraagt God om genezing, om geopende oren, om de middelen om tot Hem te komen. Dit is typisch Augustijns: de mens beweegt naar God toe omdat God eerst naar de mens toe beweegt. Genade is geen abstract begrip, maar een concrete kracht die het hart optilt.:

De deur die opengaat:

“Ik klop — open voor mij de deur.”

Hier klinkt het evangelie van de verloren zoon, maar ook de diepe mystiek van Augustinus: God is niet ver, maar de mens moet leren zien dat Hij nabij is. De deur is niet gesloten; het hart is gesloten. En God is de enige die het kan openen.

De weg naar binnen:

“Leer mij hoe ik bij U kan komen.”

Voor Augustinus is de weg naar God altijd een weg naar binnen. Niet naar een innerlijk isolement, maar naar de plaats waar God al aanwezig is. Het gebed is een vraag om innerlijke oriëntatie: een kompas dat weer naar het Licht wijst.

++++

3. Gebed:

Heer,

zoals Augustinus komen ook wij tot U

met een hart dat soms verdwaalt

in schijn, in haast, in de zachte leugens

die ons van U wegtrekken.

Genees ons,

open onze oren voor Uw stille stem

die ons roept in de diepte van ons bestaan.

Breek de muren die wij om onszelf hebben gebouwd,

de muren van angst, trots en vermoeidheid.

Ontvang ons opnieuw,

zoals een Vader die nooit moe wordt

zijn kinderen thuis te zien komen.

Geef ons de genade om te kloppen,

en de moed om te wachten

tot Uw deur opengaat.

Leer ons de weg naar U,

de weg naar binnen,

waar Uw licht al brandt

en waar onze onrust eindelijk rust vindt.

Heer,

geef ons de middelen om tot U te komen:

een helder hart,

een luisterend oor,

een eenvoudige wil

die U alleen zoekt.

Amen.

******************

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie