15e zondag na Pinksteren : “Het gebod van de liefde”

15e zondag na Pinksteren

“Van het grote gebod”

 

 

liefde_2.png

 

  LEZINGEN

EPISTEL : 2 Kor. 4,6-15

Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft zijn licht laten schijnen in ons hart om de kennis te laten stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Jezus Christus. Vol goede moed bij tegenslag Maar wij dragen deze schat in aarden potten, en zo blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. Van* alle kanten worden wij belaagd maar we zitten niet in het nauw; we zijn radeloos maar niet ten einde raad; we worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; neergeveld maar niet gedood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbaart. Voortdurend worden wij tijdens ons leven aan de dood uitgeleverd omwille van Jezus, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk bestaan openbaart. Zo is de dood aan het werk in ons, en het leven in u. Maar wij bezitten die geest van geloof waarover geschreven staat: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij. Want wij weten dat Hij die de Heer Jezus heeft opgewekt*, ook ons met Jezus ten leven zal wekken en ons naar zich toe zal voeren, samen met u. Want alles gebeurt voor u, opdat de genade onder steeds meer mensen verbreid raakt en zij de dankbaarheid doet toenemen, tot eer van God.

EVANGELIELEZING : Mattheüs 22,35–46

en een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem op de proef te stellen: ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ Jezus zei hem: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.’ Jezus’ tegenvraag over de Messias Terwijl de farizeeën bij elkaar waren, vroeg Jezus hun: ‘Wat denkt u van de Messias ? Van wie is Hij de zoon?’ Ze zeiden Hem: ‘Van David .’ Hij zei: ‘Hoe kan David, geïnspireerd door de Geest, Hem dan Heer noemen, als hij zegt: De Heer heeft gezegd tot mijn Heer: Ga zitten aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd? Als David Hem Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?’ Niemand kon Hem daarop een antwoord geven, en niemand durfde Hem van die dag af nog iets te vragen. 

feest van de Kruisverheffing

Feest van de Kruisverheffing

 

kruisverheffing 22.jpg

 

Eerste lezing

1 Korintiërs 1,18-2,16

 

De ware wijsheid

De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God. Er staat namelijk geschreven: ‘Ik zal de wijsheid van de wijzen vernietigen, het verstand van de verstandigen zal ik tenietdoen.’ Waar is de wijze, waar de schriftgeleerde, waar de redenaar van deze wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet in dwaasheid veranderd? Want zoals God in zijn wijsheid bepaalde, heeft de wereld hem niet door haar wijsheid gekend, en hij heeft besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van onze verkondiging. De Joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid, maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas. Maar voor wie geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, is Christus Gods kracht en wijsheid,

EVANGELIE

Johannes 19,6-20,25-35

 Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ Toen zei Pilatus: ‘Neem hem dan maar mee en kruisig hem zelf, want ik zie niet waaraan hij schuldig is.’ De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven, omdat hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’ Toen Pilatus dat hoorde werd hij erg bang. Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: ‘Waar komt u vandaan?’ Maar Jezus gaf geen antwoord. ‘Waarom zegt u niets tegen mij?’ vroeg Pilatus. ‘Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te laten of u te kruisigen?’ Jezus antwoordde: ‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’ Vanaf dat moment wilde Pilatus hem vrijlaten. Maar de Joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’ Pilatus hoorde dat, liet Jezus naar buiten brengen en nam plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata. Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden: ‘Hier is hij, uw koning.’ Meteen schreeuwden ze: ‘Weg met hem, weg met hem, aan het kruis met hem!’ Pilatus vroeg: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’ Maar de hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’

Toen droeg Pilatus hem aan hen over om hem te laten kruisigen.

Jezus gekruisigd en begraven

Zij voerden Jezus weg; hij droeg zelf het kruis naar de zogeheten Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgota. Daar kruisigden ze hem, met twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden. Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op ‘Jezus uit Nazaret, koning van de Joden’. Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen. De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden”.’ ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven,’ was het antwoord van Pilatus.

Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn gewaad.’ Dat is wat de soldaten deden.

Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala. Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’ en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.

Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei hij: ‘Ik heb dorst.’ Er stond daar een vat zure wijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond. Nadat Jezus ervan gedronken had zei hij: ‘Het is volbracht.’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.

Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen. Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die van de ander. Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn benen niet. Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit. Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft

Betekenis en ontstaan van het feest van de Kruisverheffing

De Heilige Kruisverheffing is een feest in de liturgie van de Katholieke en de Orthodoxe Kerk dat op 14 september wordt gevierd. De oorsprong van dit feest ligt in de jaarlijkse viering van de kerkwijding van de basiliek van het Heilig Graf in Jeruzalem, die samenviel met de vondst van het Heilig Kruis door Sint-Helena. De wijding vond plaats op 13 september 335. Deze basiliek staat volgens de overlevering op de plaats waar Christus tussen kruisdood en verrijzenis lag opgebaard. Gedurende het jaarlijkse kerkwijdingsfeest werd het kruis aan het volk getoond. Volgens de traditie heeft aan dit kruis Jezus geleden. Het kruis is volgens de traditie gevonden door Helena, moeder van Constantijn de Grote, die rond 324 naar Jeruzalem pelgrimeerde. Daar liet zij uitgravingen doen, waarbij ook de grafkelder ontdekt zou zijn. Voor het eerst wordt hierover bericht in 325 door Eusebius van Caesarea. Uit de 4e eeuw stammen ook de verslagen van bisschop Cyrillus van Jeruzalem, Ambrosius van Milaan, Socrates Scholasticus en Theodoretus van Cyrrhus. Uit het jaar 383 is een verslag van de religieuze Egeria bewaard, die een bedevaart naar Jeruzalem maakte. Op de plaats van de gevonden grafkelder, achter Golgotha, liet Helena de basiliek van het Heilig Graf bouwen. Het kruis werd door Helena gedeeld; een deel bleef in Jeruzalem en twee andere delen schonk zij aan Constantinopel en Rome. De vondst van het heilig kruis leidde vooral vanaf de kruistochten tot een onstuitbare verspreiding van kruis-relieken en daarmee ook tot verspreiding van het feest van de Kruisverheffing. Bovendien heeft de verspreiding van de Cisterciënzers en Trappisten over Europa een rol gespeeld, aangezien in hun spiritualiteit de Kruisverheffing van bijzonder belang is. Het tonen van het kruis als teken van verlossing door Christus, verspreidde zich zo door de hele Kerk. Viering in de Oosters-orthodoxe Kerken Het feest van de Kruisverheffing is één van twaalf grote feesten binnen de Oosterse orthodoxie. Het wordt echter niet in alle kerken op dezelfde dag gevierd. De zogenaamde “Oosters-orthodoxe Kerken – nieuwe stijl” vieren het feest zoals de rooms-katholieken op 14 september, de “Oosters-orthodoxe Kerken – oude stijl” 13 dagen later namelijk op 27 september. Dit laatste is het geval voor de Kerken van Jeruzalem, Rusland en Servië.

9e zondag na Pinksteren : Petrus zinkt

9e zondag na Pinksteren

“Petrus zinkt”

 

petrus zinkt - Armeens muzeum Isfahan.jpg

Lezingen :

1 Kor,1,10-18:

Verdeeldheid in de gemeente      Maar in de naam van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters, doe ik een beroep op u: wees allen eensgezindlaat er geen verdeeldheid onder u zijn; wees volkomen één van zin en één van gevoelen.  Ik heb namelijk van Chloë’s huisgenoten gehoord, broeders en zusters, dat er onenigheid onder u heerst.  Ik* bedoel dit: Ieder van u schijnt zijn eigen leus te hebben: ‘Ik ben van Paulus.’ ‘Ik van Apollos*.’ ‘Ik van Kefas*.’ ‘Ik van Christus*.’ Is Christus dan in stukken verdeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd? Of bent u gedoopt in de naam van Paulus?  God zij dank dat ik niemand van u gedoopt heb, behalve dan Crispus en Gajus. Dus niemand kan zeggen dat u in mijn naam gedoopt bent.  O ja, ik heb ook nog het gezin van Stefanas gedoopt; verder zou ik niet weten dat ik iemand gedoopt heb. Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen; en dat niet met geleerde* woorden, want dan had het kruis van Christus zijn kracht verloren.
De wijsheid van de wereld      Want de boodschap van het kruis is dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor hen die gered worden, voor ons, is het een kracht Gods.

Evangelie :

Matth.14,14-22 :

 Toen Hij van boord ging, zag Hij een grote menigte. Hij had zeer met hen te doen en genas hun zieken. Toen het avond werd, kwamen zijn leerlingen Hem zeggen: ‘Dit is een eenzame plaats en het is al laat geworden. Stuur de mensen weg, dan kunnen ze zelf in de dorpen eten gaan kopen.’ Maar Jezus zei: ‘Ze hoeven niet weg te gaan. Jullie moeten hun te eten geven.’  Zij zeiden Hem: ‘Wij hebben hier niets anders dan vijf broden en twee vissen.’ Hij zei: ‘Breng die hier.’ Hij verzocht de mensen op het gras te gaan zitten, nam die vijf broden en twee vissen, keek op naar de hemel, sprak de zegenbede uit, Hij brak de broden en gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan de mensen.  Allemaal hadden ze volop te eten. Ze haalden de brokken op die over waren, twaalf korven vol. [Afgezien van vrouwen en kinderen waren het zo’n vijfduizend man die gegeten hadden.
Tegenwind op het meer       Meteen hierna dwong Hij de leerlingen om aan boord te gaan en alvast voor Hem uit over te steken; dan zou Hij intussen de mensen wegsturen.

dienst van de paasnacht

Dienst van de Paasnacht

 

 

Verrijzenis groot2.jpg

 

 

LEZINGEN : Handelingen : 1,1-8

Jezus’ laatste opdracht en hemelvaart Mijn  eerste boek, Teofilus, ging over alles wat Jezus heeft gedaan en geleerd, vanaf het begin tot de dag waarop Hij in de hemel werd opgenomen, nadat Hij aan de apostelen die Hij had uitgekozen, door de heilige Geest zijn opdracht had gegeven. Aan hen heeft Hij veertig dagen lang herhaaldelijk bewezen dat Hij na zijn lijden weer in leven was. Hij vertoonde zich aan hen en sprak over het koninkrijk van God. Toen Hij bij hen was, drukte Hij hun op het hart: ‘Ga niet uit Jeruzalem weg, maar blijf wachten op de belofte van de Vader die jullie van Mij hebben gehoord; immers, Johannes doopte met water, maar jullie zullen gedoopt worden in heilige Geest, binnen enkele dagen.’ Degenen die daar samengekomen waren, stelden Hem toen de vraag: ‘Heer, herstelt U in deze tijd het koninkrijk voor Israël?’ Maar Hij zei tegen hen: ‘Het komt jullie niet toe de tijden of momenten te kennen die de Vader in zijn volmacht heeft vastgesteld; maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en mijn getuigen zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, en tot het uiteinde van de aarde.

EVANGELIE : Johannes 1,1-17

Het Woord is mens geworden In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.      Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. Het Woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet. Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen. Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.      Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep: ‘Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer dan ik, want hij was er vóór mij!”‘ Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt. De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen.

2e zondag van de vasten : Zondag van de heilige H. Gregorios Palamas

2e zondag van de vasten

Zondag van de heilige H. Gregorios Palamas

 

 

palamas5.jpg

 

Heilige Gregorius Palamas

 

 

….Gij zult grotere dingen zien…. Voorwaar, voorwaar ik zeg u, gij zult de hemel open zien en de engelen Gods opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen….(1e zondag)

Hieraan worden wij herinnerd bij de lezing uit de Hebreeënbrief op de tweede zondag van de vasten.

……Daarom moeten wij temeer aandacht schenken aan hetgeen we gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven…hoe zullen wijn dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil.

In de evangelie lezing op de tweede zondag wordt die inzet en dat verlangen verbeeld door de lamme die bij Christus gebracht wordt door het dak:

…en daar Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de verlamde : uw zonden worden u vergeven.

Lezingen :

Hebr.1,10-2,3

  En:  In het begin, Heer, hebt U de aarde gegrondvest,  en de hemel is het werk van uw handen.  Zij zullen vergaan, U echter blijft.  Alle zullen ze verslijten als kleren,  U zult ze opvouwen als een mantel,  als een kledingstuk zullen zij verwisseld worden.  U echter bent dezelfde  en uw jaren nemen geen einde.  Tot welke engel heeft Hij ooit gezegd:  Ga zitten aan mijn rechterhand,  totdat Ik uw vijanden als een voetbank voor uw voeten heb gelegd?  Wat zijn zij anders dan dienende geesten, uitgezonden ten behoeve van hen die de redding zullen erven? Trouw aan de boodschap 2.Daarom moeten wij des te meer aandacht schenken aan wat wij gehoord hebben, om niet uit de koers te raken. Want als het door engelen gesproken woord zo’n gezag had dat elke overtreding of ongehoorzaamheid haar rechtmatige vergelding ontving,  hoe zullen wij dan ontkomen, wanneer wij een zo grote redding verwaarlozen, die eerst verkondigd is door de Heer, en getrouw aan ons is doorgegeven door hen die Hem gehoord hebben;

Evangelie :

Marcus,2,1-12

Toenemende tegenstand  Toen Hij enkele dagen later weer in Kafarnaüm kwam, hoorde men dat Hij thuis was.  Er liepen zoveel mensen te hoop dat ze zelfs niet meer bij de deur konden komen, en Hij sprak hen toe. ] Ze kwamen een verlamde bij Hem brengen, door vier man gedragen.  Omdat ze de man niet bij Hem konden krijgen vanwege de menigte, haalden ze de dakbedekking weg boven zijn hoofd, en toen ze een opening gemaakt hadden, lieten ze het bed waar de verlamde op lag, zakken.  Bij het zien van hun vertrouwen zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’  Nu zaten daar een paar schriftgeleerden die hun bedenkingen hadden:  ‘Hoe kan die man zoiets zeggen? Hij lastert God. Wie anders dan de enige God kan zonden vergeven?’  Jezus doorzag meteen dat ze deze bezwaren hadden en zei tegen hen: ‘Waarom hebt u eigenlijk bezwaren?  Wat is eenvoudiger? Tegen de verlamde zeggen: “Uw zonden worden vergeven”, of zeggen: “Sta op en pak uw bed en loop?”  Maar opdat u weet dat de Mensenzoon bevoegd is om op aarde zonden te vergeven ‘, zei Hij, nu tegen de verlamde:  ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’  En hij stond op, pakte meteen zijn bed en ging weg voor het oog van iedereen, zodat ze allemaal verrukt waren en God verheerlijkten. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien’, zeiden ze.

zondag van het laatste oordeel

Zondag van het laatste oordeel

 

 laatste_oordeel1.jpg

 

 

1 Kor.8,8-9,2

Eten van offervlees

 

Wat nu het offervlees betreft: ‘Wij allen bezitten de gave van de kennis’, maar kennis alleen leidt tot eigenwaan; het is de liefde die opbouwt.  Als iemand kennis meent te bezitten, weet hij nog niet op de juiste wijze te kennen.  Maar wie God liefheeft, die wordt door Hem gekend.  Wat dus het eten van offervlees betreft: wij weten dat er in de hele wereld geen afgod bestaat en dat er geen God is behalve de Ene.  Want ook al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op aarde – en in deze zin zijn er vele goden en heren –  toch is er voor ons maar één God, de Vader, uit wie alles voortkomt en voor wie wij bestemd zijn, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles er is, en door wie wij leven.       Maar niet allen bezitten die kennis. Sommige mensen waren tot voor kort nog zo gewend aan afgoderij, dat ze vlees dat aan goden is geofferd, nog altijd als zodanig beschouwen; en hun geweten, zwak als het is, wordt erdoor besmet als zij het eten. Voedsel brengt ons niet dichter bij God; wij verliezen er niets bij als wij het niet eten, en als wij het wel eten, worden wij er niet beter van.  Maar zorg ervoor dat uw vrijheid van handelen de zwakken geen aanstoot geeft. Als zo iemand u, die daar geestelijk boven staat, in een afgodstempel aan een maaltijd ziet deelnemen, zal hij er dan, met zijn zwakke geweten, niet toe aangezet worden om ook offervlees te gaan eten?  Dan gaat ten gevolge van uw beter inzicht de zwakke verloren, een broeder voor wie Christus is gestorven.  Door zo te zondigen tegen de broeders, en hun angstvallige geweten te kwetsen, zondigt u tegen Christus. Daarom, als mijn voedsel aanstoot geeft aan mijn broeder, zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, want ik wil mijn broeder geen aanstoot geven.

Het voorbeeld van Paulus Ben ik geen vrij man? Ben ik geen apostel en heb ik Jezus onze Heer niet gezien? En u bent toch mijn werk in de Heer?  Al ben ik voor anderen geen apostel, voor u toch zeker wel; want u bent in de Heer het waarmerk van mijn apostelschap.

 

Lees verder “zondag van het laatste oordeel”

30e zondag na pinksteren : Kom volg mij

30e zondag na Pinksteren

“VOLG MIJ”

 

volg mij.jpg

 

LEZINGEN

Col.3,12-16

[12] Bekleed u, als Gods heilige en geliefde uitverkorenen, met tedere ontferming, goedheid, nederigheid, zachtheid en geduld. [13] Verdraag elkaar en vergeef elkaar als de een tegen de ander een grief heeft. Zoals de Heer u vergeven heeft, zo moet ook u vergeven. [14] Voeg bij dit alles de liefde, die de band van de volmaaktheid is. [15] En laat de vrede van Christus heersen in uw hart; daartoe bent u immers geroepen, als ledematen van één lichaam. En wees dankbaar. [16] Laat het woord van Christus in volle rijkdom onder u wonen. Leer en vermaan elkaar met alle wijsheid. Zing voor God met een dankbaar hart psalmen, hymnen en geestelijke liederen.

 

EVANGELIE : Lucas 18,18-27

Gesprek met een rijke      [18] Een aanzienlijk man stelde Hem deze vraag: ‘Goede meester, wat* moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?’ [19] Jezus zei tegen hem: ‘Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed, alleen God. [20] De geboden kent u: geen echtbreuk plegen, niet doden, niet stelen, niet vals getuigen, en uw vader en uw moeder eren.’ [21] ‘Aan dat alles heb ik mij van jongs af gehouden’, zei de man. [22] ‘Dan rest u nog één ding’, zei Jezus tegen hem. ‘Verkoop alles wat u hebt, deel het uit aan de armen, en u hebt een schat in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.’ [23] Toen hij dit hoorde werd hij diep bedroefd, want hij was buitengewoon rijk. [24] Toen Jezus zag dat hij diep bedroefd werd, zei Hij: ‘Wat is het voor mensen met geld toch moeilijk om het koninkrijk van God binnen te komen. [25] Een kameel komt gemakkelijker door het oog van een naald dan een rijke in het koninkrijk van God.’ [26] ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ vroegen de toehoorders. [27] Hij zei: ‘Wat menselijk gezien onmogelijk is, is mogelijk dankzij God.

akathist tot de Moeder Gods in het FRANS

Acathiste à la Mère de Dieu

 

 

Un « acathiste » est une hymne que l’on écoute debout. L’Acathiste à la Mère de Dieu, le premier et le plus connu des acathistes, est typiquement célébré aux matines du samedi de la cinquième semaine du grand Carême. Chez les Grecs, les stances de l’acathiste sont distribuées sur les quatre premiers vendredis de Carême. L’acathiste doit son origine au siège de Constantinople en 626, lorsque le patriarche Serge, en l’absence de l’empereur Héraclius, organisa la défense de la cité et consacra la ville à la Mère De Dieu. Le contexte historique est présenté en plus de détail à la page Fêtes et icônes de la Mère de Dieu.

 

Un ange, parmi ceux qui se tiennent devant la Gloire du Seigneur, fut envoyé dire à la Mère de Dieu : ” Réjouis-toi ! Il incline les cieux et descend, Celui qui vient demeurer en toi dans toute sa plénitude. Je le vois dans ton sein prendre chair à ma salutation ! ” Avec allégresse, l’ange l’acclame :

Réjouis-toi en qui resplendit la joie du Salut
Réjouis-toi en qui s’éteint la sombre malédiction
Réjouis-toi en qui Adam est relevé de sa chute
Réjouis-toi en qui Ève est libérée de ses larmes

Réjouis-toi Montagne dont la hauteur
dépasse la pensée des hommes
Réjouis-toi Abîme à la profondeur insondable même aux anges
Réjouis-toi tu deviens le Trône du Roi
Réjouis-toi tu portes en ton sein Celui qui porte tout

Réjouis-toi Étoile qui annonce le Lever du Soleil
Réjouis-toi tu accueilles en ta chair ton enfant et ton Dieu
Réjouis-toi tu es la première de la Création Nouvelle
Réjouis-toi en toi nous adorons l’Artisan de l’univers

Réjouis-toi Épouse inépousée !

La Toute-Sainte répondit à l’ange Gabriel avec confiance : ” Voilà une parole inattendue, qui paraît incompréhensible à mon âme, car tu m’annonces que je vais enfanter, moi qui suis vierge. “

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Pour comprendre ce mystère qui dépasse toute connaissance, la Vierge dit au Serviteur de Dieu : ” Comment, dis-moi, me sera-t-il passible de donner naissance à un fils alors que je ne connais pas d’homme ? ” Plein de respect, l’ange l’acclame :

Réjouis-toi tu nous ouvres au secret du Dessein de Dieu
Réjouis-toi tu nous mènes à la confiance dans le silence
Réjouis-toi tu es la première des merveilles du Christ Sauveur
Réjouis-toi tu récapitules la richesse de sa Parole

Réjouis-toi Échelle en qui Dieu descend sur la terre
Réjouis-toi Pont qui unit la terre au ciel
Réjouis-toi Merveille inépuisable pour les anges
Réjouis-roi Blessure inguérissable pour l’adversaire

Réjouis-roi ineffable Mère de la Lumière
Réjouis-toi tu as gardé en ton coeur le Mystère
Réjouis-toi en qui est dépassé le savoir des savants
Réjouis-toi en qui est illuminée la foi des croyants

Réjouis-toi Épouse inépousée !

La puissance du Très-Haut reposa sur l’Inépousée et comme un jardin au beau fruit, elle porta le Salut pour tous ceux qui désirent le cueillir.

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Portant le Seigneur dans son sein, Marie partit en hâte chez Élisabeth. Lorsqu’il reconnut la salutation de Marie, l’enfant se réjouit aussitôt, bondissant d’allégresse comme pour chanter à la Mère de Dieu :

Réjouis-toi Jeune pousse au Bourgeon immortel
Réjouis-toi Jardin au Fruit qui donne Vie
Réjouis-toi en qui a germé le Seigneur notre Ami
Réjouis-toi tu as conçu le Semeur de notre vie

Réjouis-toi Champ où germe la Miséricorde en abondance
Réjouis-toi Table qui offre la Réconciliation en plénitude
Réjouis-toi tu prépares l’Espérance du Peuple en marche
Réjouis-toi tu fais jaillir la Nourriture d’Éternité

Réjouis-roi Parfum d’une offrande qui plaît à Dieu
Réjouis-toi en qui tout l’univers est réconcilié
Réjouis-toi Lieu de la bienveillance de Dieu pour les pécheurs
Réjouis-toi notre assurance auprès de Dieu

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Joseph le Sage se troubla, secoué par une tempête de pensées contradictoires. Il te vit inépousée et te soupçonna d’un amour caché, toi l’Irréprochable. Mais, apprenant que ce qui avait été engendré en toi venait de l’Esprit-Saint, il s’écria :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Quand les bergers entendirent les anges chanter la venue du Christ en notre chair, ils ont couru contempler leur Pasteur reposant sur le sein de Marie en Agneau Immaculé. Ils exultèrent en chantant :

Réjouis-toi Mère de l’Agneau et du Pasteur
Réjouis-toi Maison des brebis rassemblées
Réjouis-toi Protection contre le loup qui disperse
Réjouis-toi en ta chair s’ouvre la Porte qui conduit au Père

Réjouis-toi en qui les cieux se réjouissent avec la terre
Réjouis-toi en qui la terre exulte avec les cieux
Réjouis-toi tu donnes l’assurance à la parole des Apôtres
Réjouis-toi tu donnes la force au témoignage des Martyrs

Réjouis-toi inébranlable soutien de notre foi
Réjouis-toi tu sais la splendeur de la grâce
Réjouis-toi en qui l’Enfer est dépouillé
Réjouis-toi en qui nous sommes revêtus de gloire

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Les Mages ont vu l’astre qui conduit à Dieu. Marchant à sa clarté comme on saisit un flambeau, ils ont trouvé la Lumière véritable. Tout proches de Celui que personne n’a jamais vu, ils acclament sa Mère :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Ceux qui savent lire les signes des astres ont reconnu dans les bras de la Vierge le Créateur des hommes ; dans les traits de Celui qui a pris condition d’esclave ils ont adoré leur Maître. Avec empressement ils l’honorèrent de leurs présents en chantant à la Toute-Bénie :

Réjouis-toi Mère de l’Astre sans déclin
Réjouis-toi Reflet de la clarté de Dieu
Réjouis-toi en qui s’éteint la brûlure du mensonge
Réjouis-toi en qui s’illumine pour nous la Trinité d’Amour

Réjouis-toi en qui l’inhumaine puissance est défaite
Réjouis-toi tu nous montres le Christ Seigneur Ami des hommes
Réjouis-toi en qui les idoles païennes sont renversées
Réjouis-toi tu nous donnes d’être libérés des oeuvres mauvaises

Réjouis-toi en qui s’éteint l’idolâtrie du feu païen
Réjouis-toi en qui nous sommes affranchis du feu des passions
Réjouis-toi tu conduis les croyants vers le Christ Sagesse
Réjouis-toi Allégresse de toutes les générations

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Les Mages s’en retournèrent à Babylone en témoins, porteurs de Dieu. Là ils annoncèrent la Bonne Nouvelle et accomplirent les Écritures en te proclamant devant tous comme Messie. Hérode resta seul, livré à sa sottise, incapable d’entrer dans la louange :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Ô Sauveur, tu as porté en Égypte l’éclat de la vérité et tu en as chassé les ténèbres du mensonge. Les idoles du pays de l’esclavage se sont placées sous ta puissance et ceux que tu as ainsi délivrés du péché se tournent vers la Mère de Dieu pour lui chanter :

Réjouis-toi en qui l’homme est relevé
Réjouis-toi en qui les démons sont défaits
Réjouis-toi tu foules au pied le maître du mensonge
Réjouis-toi tu démasques le piège des idoles

Réjouis-toi Mer où trouve sa perte 1e Pharaon
qui se tient dans l’esclavage du péché
Réjouis-toi Rocher d’où jaillit la Source
qui abreuve les assoiffés
Réjouis-toi Colonne du Feu
qui illumine notre marche dans la nuit
Réjouis-toi Manteau aussi vaste
que 1a Nuée pour ceux qui sont sans recours

Réjouis-toi tu portes le vrai Pain du ciel
qui remplace la manne
Réjouis-toi Servante du Festin
où nous avons part aux réalités du ciel
Réjouis-toi Belle terre de la foi où s’accomplit la Promesse
Réjouis-toi Pays ruisselant de lait et de miel

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Lorsque Siméon fut au seuil de la mort, Seigneur, tu lui fus présenté comme un enfant mais il reconnut en toi la perfection de la Divinité. Plein d’admiration pour ton Être qui n’a pas de fin, il chanta :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Le Créateur a fait une Oeuvre Nouvelle lorsqu’il se rendit visible à nos yeux. Il a pris chair dans le sein d’une vierge en la gardant dans son intégrité, pour qu’à la vue de cette merveille nous chantions :

Réjouis-toi Fleur de l’Être inaltérable de Dieu
Réjouis-toi Couronne de son amour virginal
Réjouis-toi Figure qui resplendit
de la Résurrection du Seigneur
Réjouis-toi tu partages avec les anges la clarté du Royaume

Réjouis-toi Arbre dont le Fruit splendide nourrit les croyants
Réjouis-toi Feuillage dont l’ombre procure
la fraîcheur aux multitudes
Réjouis-toi tu enfantes la rançon des captifs
Réjouis-toi tu portes dans ta chair le Guide des égarés

Réjouis-toi notre Avocate auprès du Juge juste et bon
Réjouis-roi en qui arrive le pardon pour la multitude
Réjouis-toi Tunique d’espérance pour ceux qui sont nus
Réjouis-toi Amour plus fort que tout désir

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Quand nous contemplons cet enfantement inhabituel nous devenons étrangers à notre monde habituel et notre esprit se tourne vers les réalités d’en haut. Car le Très-Haut s’est révélé aux hommes dans l’abaissement pour élever ceux qui croient en lui.

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Le Verbe que rien ne contient a pris chair dans notre condition humaine sans cesser d’être Dieu. En venant habiter le monde d’en-bas, il n’a pas quitté pour autant les réalités d’en-haut, mais il est descendu tout entier dans le sein d’une Vierge qu’il a habitée de sa divinité :

Réjouis-toi Temple du Dieu de toute immensité
Réjouis-toi Porche du Mystère enfoui depuis les siècles
Réjouis-toi incroyable nouvelle pour les incroyants
Réjouis-toi Bonne Nouvelle pour les croyants

Réjouis-toi Vaisseau choisi où vient à nous
Celui qui surpasse les Chérubins
Réjouis-toi Demeure très sainte de Celui
qui siège au-dessus des Séraphins
Réjouis-toi en qui les contraires sont conduits vers l’Unité
Réjouis-toi en qui se joignent la virginité et la maternité

Réjouis-toi en qui la transgression reçoit le pardon
Réjouis-toi en qui le Paradis s’ouvre à nouveau
Réjouis-toi Clef du Royaume du Christ
Réjouis-toi Espérance des biens éternels

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Tous les anges du ciel ont été frappés de stupeur devant la prodigieuse oeuvre de ton Incarnation, Seigneur, car toi le Dieu que nul n’a jamais vu, tu t’es rendu visible à tous et tu as demeuré parmi nous. Tous nous t’acclamons :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Devant toi, ô Mère de Dieu, les orateurs bavards sont muets comme des poissons, incapables de dire comment tu as pu enfanter et demeurer vierge. Remplis d’étonnement, nous contemplons en toi le Mystère de la Foi :

Réjouis-toi Trône de la sagesse éternelle
Réjouis-toi Écrin du dessein bienveillant de Dieu
Réjouis-toi tu conduis les philosophes
aux limites de leur sagesse
Réjouis-toi tu mènes les savants aux frontières du raisonnement

Réjouis-toi devant qui les esprits subtils deviennent hésitants
Réjouis-toi devant qui les littérateurs perdent leurs mots
Réjouis-toi devant qui se défont
les raisonnements les plus serrés
Réjouis-toi car tu montres Celui
dont la Parole agit avec puissance

Réjouis-toi en qui nous sommes tirés de l’abîme de l’ignorance
Réjouis-toi en qui nous accédons à la plénitude
du Mystère de Dieu
Réjouis-toi Planche de salut pour ceux
qui aspirent à la pleine vie
Réjouis-toi Havre de paix pour ceux
qui se débattent dans les remous de leur vie

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Dans sa volonté de sauver toute sa création, le Créateur de l’univers a choisi d’y venir lui-même. Pour refaire en nous son image à sa ressemblance divine, il est devenu l’Agneau, lui notre Dieu et notre Pasteur.

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

En toi Vierge Marie, Mère de Dieu, trouvent refuge ceux qui ont fait choix de virginité et qui se tournent vers toi. Car le Créateur du ciel et de la terre t’a façonnée, ô Immaculée, en venant demeurer dans ton sein. Tous, il nous apprend à t’acclamer :

Réjouis-toi Mémorial de 1a virginité
Réjouis-toi Porte du Salut
Réjouis-toi premier fruit du Royaume Nouveau
Réjouis-toi en qui resplendit la merveille du don gratuit

Réjouis-toi en qui sont régénérés les esprits accablés
Réjouis-toi en qui sont fortifiés ceux que leur passé a blessé
Réjouis-toi car tu enfantes Celui qui nous délivre du Séducteur
Réjouis-toi car tu nous donnes la Source de la chasteté

Réjouis-toi Chambre nuptiale où Dieu épouse notre humanité
Réjouis-toi tu confies au Dieu d’amour
ceux qui se donnent à lui
Réjouis-toi Nourriture du Seigneur pour ceux
qui ont pris le chemin de virginité
Réjouis-toi tu conduis les croyants à l’intimité avec l’Époux

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Toutes nos hymnes de louange sont impuissantes à chanter, Seigneur, la profusion de ta miséricorde infinie. Seraient-elles aussi nombreuses que le sable de la mer, jamais elles ne parviendraient à égaler la richesse du don que tu nous as fait.

Alléluia, alléluia,, alléluia !

 

Nous contemplons dans la Vierge sainte le flambeau qui a porté la Lumière dans les ténèbres. Embrasée par la flamme du Verbe de Dieu qu’elle accueille dans sa chair, elle conduit tout homme à la connaissance de Dieu, illuminant l’intelligence de sa Splendeur. Joyeusement nous l’acclamons :

Réjouis-toi Aurore du Soleil levant
Réjouis-toi Flambeau qui porte la Lumière véritable
Réjouis-toi Éclat de Celui qui illumine notre coeur
Réjouis-toi devant toi l’Ennemi est frappé de terreur

Réjouis-toi Porte de la Lumière étincelante
Réjouis-toi Source d’une Eau jaillissant en Vie éternelle
Réjouis-toi Image vivante de la piscine du baptême
Réjouis-toi en qui nous sommes lavés de la souillure du péché

Réjouis-toi Bassin où nous est donné un esprit renouvelé
Réjouis-toi Coupe où nous puisons la Joie
Réjouis-toi en qui nous respirons le parfum du Christ
Réjouis-toi Source intarissable d’allégresse

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Il a voulu faire grâce des anciennes dettes à tous les hommes. De lui-même il est venu habiter chez les siens, parmi ceux qui vivaient loin de sa Grâce et déchirant leurs billets de créance, il entendit de toutes les bouches sortir cette acclamation :

Alléluia, alléluia, alléluia !

 

Nos voulons, ô Mère de Dieu, chanter ton enfantement, te louer comme le Temple vivant que le Seigneur a sanctifié et glorifié en demeurant dans ton sein, lui qui tient tout dans sa Main :

Réjouis-toi Tabernacle du Dieu vivant
Réjouis-toi Sanctuaire qui contient le Seul Saint
Réjouis-toi Arche de la Nouvelle Alliance dorée par l’Esprit
Réjouis-toi Trésor inépuisable de la Vie

Réjouis-toi Diadème de grand prix pour les gouvernants
Réjouis-toi Gloire vénérable des prêtres de Dieu
Réjouis-toi Solide Tour qui garde l’Église
Réjouis-toi Rempart inébranlable de la Cité

Réjouis-toi en qui surgit le Trophée de notre victoire
Réjouis-toi en qui sonne la déroute de notre Ennemi
Réjouis-toi Guérison de mon corps
Réjouis-toi Salut de mon âme

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Ô Mère bénie entre toutes, toi qui as enfanté le Verbe de Dieu, le Seul Saint, reçois l’offrande de notre prière. Garde-nous de tout malheur et de toute menace, nous qui te chantons d’un même coeur :

Alléluia, alléluia, alléluia !