Dit is een privé blog van Kris Biesbroeck Licentiaat Filosofie/Theologie. De site behandelt zoveel mogelijke informatie over de Katholieke Kerk, Bijbel, Kerkvaders, Augustinus , St.Jan van het Kruis enz.. CONTACT : KRISBIESBROECK@GMAIL.COM
De leer van Christus laat duidelijk zien dat het doel van het aardse leven niet de eindeloze verlenging ervan is, noch het vergaren van rijkdom, kennis of macht. Het tijdelijke leven is slechts een springplank naar eeuwig leven, naar de nieuwe geboorte van mens in het Koninkrijk van God.
Laat niets je verontrusten, laat niets je beangstigen: Wie God heeft ontbreekt niets. God alleen is genoeg….
Verschrik niet; Alle dingen gaan voorbij, God verandert nooit, Geduld bereikt alles waar het naar streeft, Hij die God heeft, ontdekt dat hem niets ontbreekt: God alleen is voldoende
Gij die weet wat in mensen omgaat aan hoop en twijfel, drift, plezier, onzekerheid. Gij die ons denken peilt en ieder woord naar waarheid schat en wat onzegbaar onmiddellijk verstaat.
Gij toetst ons hart en gij zijt groter dan ons hart. Op elk van ons houdt Gij uw oog gericht. En niemand, of hij heeft een naam bij U. En niemand valt of hij valt in uw handen en niemand leeft of hij leeft naar U toe.
Maar nooit heeft iemand U gezien. In dit heelal zijt Gij onhoorbaar. En diep in de aarde klinkt uw stem niet. En ook uit de hoogte niet. En niemand die de dood is ingegaan keerde ooit terug om ons van U te groeten.
Aan U zijn wij gehecht. Naar U genoemd. Gij alleen weet wat dat betekent. Wij niet. Wij gaan de wereld door met dichte ogen.
Maar soms herinneren wij ons een naam, een oud verhaal dat ons is doorverteld, over een mens die vol was van uw kracht, Jezus van Nazareth, een zoon van Abraham. In hem zou uw genade zijn verschenen, uw mildheid en uw trouw. In hem zou voorgoed aan het licht gekomen zijn hoe Gij bestaat: weerloos en zelveloos, dienaar van mensen.
Hij was zoals wij zouden willen zijn: een mens van God, een vriend, een herder, die niet te eigen bate heeft geleefd en niet vergeefs, onvruchtbaar is gestorven.
Die in de laatste nacht dat hij nog leefde het brood gebroken heeft en uitgedeeld en heeft gezegd: Neemt, eet, dit is mijn lichaam – zo zult gij doen tot mijn gedachtenis. Toen nam hij ook de beker en zei: Dit is het nieuw verbond, dit is mijn bloed, dat wordt vergoten tot vergeving van uw zonden. Als je uit deze beker drinkt, denk dan aan mij.
Tot zijn gedachtenis nemen wij daarom dit brood en breken het voor elkaar, om goed te weten wat ons te wachten staat als wij leven hem achterna.
Als Gij hem hebt gered van de dood, God, als hij, dood en begraven, toch leeft bij U, red dan ook ons en houd ons in leven, haal ook ons door de dood heen, nu. En maak ons nieuw, want waarom hij wel, en waarom wij niet –wij zijn toch ook mensen.
Dit lied onder de loep genomen door Gerard Swüste:
De tekst van Gij die weet staat in Zien – soms even uit 1972. Het tafelgebed heeft een roemruchte geschiedenis: het werd gezongen op de eerste bijeenkomst van de 8-mei-beweging in 1985 waar kritische katholieken bij elkaar kwamen om voorafgaand aan het bezoek van de paus aan Nederland het ‘andere gezicht’ van de r.k. kerk van Nederland te laten zien. Bovenstaand tafelgebed was voor velen ook een ander geluid. Het schoot bij de bisschoppen danig in het verkeerde keelgat. Niet alleen vanwege de tekst, maar vooral omdat de hele gemeente mocht meezingen, zelfs bij de instellingswoorden en dat was in hun ogen een rechtstreekse aantasting van het priesterschap. Maar laten we ons concentreren op de tekst. De eerste woorden zijn ‘Gij die weet’. En daar staat tegenover het ‘maar’ in het derde couplet. Gij weet van in mensen omgaat, Gij kent ons, Gij toetst ons hart. Het is in de lijn van Psalm 139: Gij peilt ons hart en Gij kent ons. En daar staat couplet 3 tegenover: Gij weet alles, maar… niemand heeft u ooit gezien. Uw stem horen we niet, niet diep in de aarde en ook uit de hoogte niet. Even tussen haakjes: dat laatste is een prachtige woordspeling: wij horen uw stem niet vanuit de hemel, maar het is ook niet een stem die tot ons spreekt vanuit de hoogte, vanuit een machtspositie, een stem die ons kleineert. En niemand die gestorven is, is teruggekeerd met de boodschap ‘hartelijke groet van God’.
In die eerste coupletten wordt de tegenstelling neergezet die door het hele tafelgebed loopt. ‘Gij weet’ maar …‘wij gaan de wereld door met dichte ogen’. Daar gaat wel aan vooraf dat wij ‘aan U gehecht zijn, naar U genoemd’. Maar, letterlijk, God mag weten wat dat precies betekent.
Dan komt er een tweede ‘maar’. Wij weten weliswaar niets, maar…soms herinneren we ons een naam, een oud verhaal. Het verhaal van Jezus van Nazareth. Het is opmerkelijk hoe dat verhaal in dit tafelgebed wordt ingevoegd. Met ‘soms’, een ‘oud verhaal dat ons is doorverteld’. Het verhaal is natuurlijk meer dan bekend, velen horen het bij wijze van spreken een leven lang bijna elke zondag. Het is alsof deze zinnen ons eraan herinneren dat we het verhaal bijna uit ons hoofd kennen, maar dat het toch steeds weer echt tot ons moet doordringen. We kennen het wel, maar eigenlijk weten we het niet. Het is steeds weer nieuw, verrassend, misschien ook wel schokkend.
Dat is het verhaal van Jezus van Nazareth. In de loop van jaren is de toevoeging ‘een jodenman’ veranderd in ‘een zoon van Abraham’, waarschijnlijk omdat dat iets eerbiediger klinkt naar de joodse mensen toe.
‘In hem zou uw genade zijn verschenen…in hem zou aan het licht gekomen zijn..’ . Er staat uitdrukkelijk twee maal ‘zou’. Het is nog steeds: Gij weet en wij niet, wij vermoeden hoogstens. Dat ‘aan het licht gekomen’ is ook een mooie woordspeling. Er staat dat in Jezus duidelijk is geworden hoe God bestaat, (beeld en gelijkenis), maar intussen is het ook Jezus zelf die zich het licht van de wereld noemt. En hoe bestaat God dan? Net zoals we in Jezus hebben kunnen zien, zingt het lied: weerloos, zelveloos, dienaar. Dat ‘zelveloos’ komen we in Van Dale niet tegen, maar het is duidelijk: zichzelf wegcijferend, het tegenovergestelde van egocentrisch.
‘Hij was zoals wij zouden willen zijn’: hij is dus een voorbeeld, wij willen een voorbeeld aan hem nemen. Vriend zijn, herder zijn, niet te eigen bate leven. En bij hem was het dan ook zo, dat hij niet vergeefs, onvruchtbaar is gestorven. Dat zouden wij ook willen.
Daarna volgen de zogeheten instellingswoorden: ze zijn tamelijk klassiek, ongeveer uit het oude Romeinse tafelgebed, de canon, vertaald. Want deze klassieke woorden geven precies weer wat Jezus was: aan de ene kant een mens van vlees en bloed, zoals wij, zoals wij zouden willen zijn, maar ook een mens van God die brood breekt als teken dat hij zijn lichaam en zijn leven geeft, die de beker laat rondgaan als teken dat God vergeeft wat wij verkeerd deden. Wij delen in dat gebaar ‘tot zijn gedachtenis’. ‘Gedachtenis’ is een beladen woord: we roepen op wat in het verleden is gebeurd, we doen dat nu, met het oog op onze toekomst (‘Om goed te weten wat ons te wachten staat’). Verleden, heden en toekomst komen in dit gebaar bij elkaar. Dat is de kern van Eucharistie.
Dan is er nog zoiets als een slotgebed. Meestal is dat een gebed tot de Geest. Dat wij leven in de geest van Jezus van Nazareth, dat die geest over ons komt. Hier is het: als hij, Jezus, ondanks de dood toch leeft bij U, God, red dan ook ons. Houd ons in leven. Dit is, denk ik, niet een bede waarin we aan God vragen dat er toch maar een hemel mag zijn, waar we na onze dood voor eeuwig kunnen genieten. Het lijkt mij vooral een gebed om echt te leven, om niet tijdens ons leven al dood te zijn, onvruchtbaar, levend voor onszelf. Dat is ook de dood of de doodlopende weg waar de Psalmen en de Boeken van de Wijsheid het over hebben. Niet zozeer een leven na de dood, maar een leven dat niet zit op een doodlopende weg. Dus eigenlijk is dit ook een gebed om te leven in de geest van Jezus van Nazareth.
Het einde is enigszins gewaagd: ’waarom hij wel en wij niet; wij zijn toch ook mensen!’ Maar het is ook een echt gebed. Jezus wordt daarin gezien als een mens die werkelijk geleefd heeft, die werkelijk een voorbeeld is, die werkelijk brood en wijn heeft gezegend en uitgedeeld. Hij mag dan, zoals het lied zegt ‘leven bij U’, wij kennen hem vooral als een mens zoals wij. Laat ons dan ook zo vruchtbaar mogen leven.
Nog iets over de muziek. In de oorspronkelijk partituur staan allerlei herhalingen. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat het tafelgebed werd doorgezongen tijdens het uitdelen van brood en wijn en dat aan het einde van die uitdeling het slotgebed ‘Als Gij hem hebt gered’ werd gezongen. Dat is overigens niet zo vaak in praktijk gebracht. Maar wel zijn vaak de zogeheten instellingswoorden herhaald. En dat was opzet van Bernard Huijbers. In de r.k. liturgie is de zogenoemde consecratie, het uitspreken van de instellingswoorden door de priester, een heilig moment: dan verandert brood in lichaam van Christus en wijn in bloed. Het is een moment dat men knielt, stil is, dat de misdienaars met hun bellen rinkelen en het is het hoogtepunt van de eucharistie. Bernard Huijbers wilde van die plechtstatigheid af. Er is niet één moment. God is al lang in ons midden, de hele viering al, ons hele leven al. Door de instellingswoorden te herhalen liet Bernard Huijbers dat duidelijk weten. Zo zie je: ook met muziek kun je theologie beoefenen!
LAAT ONS BIDDEN zoals Jezus ons heeft geleerd in het Evangelie van vandaag en met Sint Franciscus, die in zijn liefde voor God de genade van deze meditatie ontving:
Onze Vader: Schepper, Verlosser, Redder en Trooster.
In de hemel: In de engelen en de heiligen. U geeft hun licht, zodat zij kennis mogen hebben, want U bent licht. U ontsteekt hen, zodat zij mogen liefhebben, want U bent liefde. U leeft voortdurend in hen, zodat zij gelukkig mogen zijn, want U bent het hoogste goed, het eeuwige goed, en het is van U dat al het goede komt en zonder U is er geen goed.
Geheiligd worde uw naam. Moge onze kennis van U steeds duidelijker worden, zodat wij de omvang van Uw zegeningen, de reikwijdte van Uw beloften, de hoogte van Uw majesteit en de diepte van Uw oordelen beseffen.
Uw koninkrijk kome: opdat U door Uw genade in ons mag regeren en ons naar Uw koninkrijk mag brengen, waar wij U duidelijk zullen zien, U volmaakt zullen liefhebben, gelukkig zullen zijn in Uw gezelschap en voor eeuwig van U zullen genieten.
Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel: Dat wij U met heel ons hart mogen liefhebben door altijd aan U te denken; met heel ons verstand door onze hele intentie op U te richten en in alles Uw glorie te zoeken; en met al onze kracht door al onze energieën en genegenheden van ziel en lichaam te besteden aan de dienst van Uw liefde alleen. En mogen wij onze naaste liefhebben als onszelf, hen allen aanmoedigend om U zo goed mogelijk lief te hebben, ons verheugend over het geluk van anderen, net alsof het ons eigen geluk was en meelevend met hun ongelukken, terwijl wij niemand beledigen.
Geef ons heden ons dagelijks brood: Uw geliefde Zoon, onze Heer Jezus Christus, om ons te herinneren aan de liefde die Hij ons heeft betoond en om ons te helpen die liefde te begrijpen en te waarderen, en alles wat Hij heeft gedaan, gezegd en geleden.
En vergeef ons onze zonden: in Uw oneindige barmhartigheid en door de kracht van het lijden van Uw Zoon, onze Heer Jezus Christus, samen met de verdiensten en de voorspraak van de Heilige Maagd Maria en alle heiligen.
Zoals wij vergeven aan hen die tegen ons zondigen. En als wij niet volmaakt vergeven, laat ons dan volmaakt vergeven, zodat wij werkelijk onze vijanden liefhebben uit liefde voor U en vurig tot U voor hen bidden, zonder kwaad met kwaad te vergelden, maar alleen maar uit zijn op het dienen van iedereen in U.
Leid ons niet in verzoeking: Verborgen of duidelijk, plotseling of onvoorzien.
Maar verlos ons van het kwaad: heden, verleden of toekomst. Amen.
door Sint Ambrosius van Milaan (337-397 n.Chr.) Kerkleraar
De duivel toont tegelijkertijd zijn zwakheid en zijn slechtheid.
Hij kan niemand kwaad doen die zichzelf geen kwaad doet. Sterker nog, iemand die de hemel ontkent en de aarde kiest, rent als het ware naar een afgrond, ook al rent hij uit eigen beweging.
De duivel gaat echter aan de slag zodra hij iemand ziet die zich aan zijn geloof houdt, die bekendstaat om zijn deugdzaamheid en die goede werken doet.
Hij probeert hem ijdelheid aan te praten, zodat hij opgeblazen wordt van trots, aanmatigend, het vertrouwen in het gebed verliest en het goede dat hij doet niet aan God toeschrijft, maar alle eer aan zichzelf opeist.
“ En Jezus zei tot hen: Van wie is dit het beeld en het opschrift?” Zij zeiden: Van de keizer. Toen zei Hij tot hen: Geef daarom aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is. ” – Mattheüs 22:20-21
“ Een afdruk van Wijsheid is in ons en in al Zijn Werken geschapen. Daarom eist de ware Wijsheid die de wereld vormgaf, voor Zichzelf alles op wat Zijn Beeld draagt en zegt terecht: De Heer schiep mij in Zijn Werken. Deze woorden worden werkelijk gesproken door de wijsheid in ons, maar de Heer Zelf neemt ze hier aan als Zijn eigen. Wijsheid, Zelf is niet geschapen omdat Hij de Schepper is, maar vanwege het geschapen beeld van Zichzelf, gevonden in Zijn Werken, spreekt Hij aldus, alsof Hij over Zichzelf spreekt. Onze Heer zei: Hij die u ontvangt, ontvangt Mij en Hij kon dit zeggen omdat de afdruk van Zichzelf in ons is.
Op dezelfde manier, hoewel Wijsheid niet tot de geschapen dingen gerekend mag worden, spreekt Hij toch, omdat Zijn vorm en gelijkenis in Zijn Werken is, alsof Hij een schepsel was en zegt: De Heer schiep mij in Zijn Werken, toen Zijn doel zich voor het eerst ontvouwde. …
De gelijkenis van Wijsheid is op schepselen gestempeld, zodat de wereld daarin het Woord kan herkennen dat zijn Maker was en, door het Woord, de Vader kan leren kennen. Dit is Paulus’ leer: Wat over God gekend kan worden, is voor hen duidelijk, want God heeft het hun getoond. Sinds de schepping van de wereld is Zijn onzichtbare natuur daar, voor het verstand om waar te nemen, in dingen die gemaakt zijn. Dienovereenkomstig is het Woord geen schepsel, want de passage die begint met: De Heer schiep mij… moet worden begrepen als verwijzend naar die Wijsheid die werkelijk in ons is en waarvan gezegd wordt dat het zo is.” – St Athanasius (297-373) Bisschop van Alexandrië, Vader en Kerkleraar
“Als ik een fout maak die mij verdrietig maakt, weet ik heel goed dat de droefheid een gevolg is van mijn ontrouw, maar gelooft u dat ik daar blijf? Oh nee, ik ben niet zo dwaas! Ik haast mij om tegen God te zeggen: Mijn God, ik weet dat ik dit gevoel van droefheid heb verdiend, maar laat mij het U net zo goed aanbieden als een beproeving die U mij door liefde hebt gestuurd. Ik heb spijt van mijn zonde, maar ik ben blij dat ik dit lijden aan U kan aanbieden.”
Heilige Theresia van het Kind Jezus en het Heilig Aanschijn.
De heilige Hiëronymus (347-419) Biechtvader, Vader en Kerkleraar, Priester, Monnik, Vertaler van de Schrift in het Latijn (de Vulgaat), Theoloog, Historicus, Kluizenaar, Mystiek.
“Ik ben geboren op de weg van de waarheid: hoewel mijn jeugd zich niet bewust was van de grootheid van het voordeel, wist ik het toen de beproeving kwam.”
Efrem (of Eprhaim) de Syriër heeft ons honderden hymnen en gedichten nagelaten over het geloof dat de hele Kerk in vuur en vlam zette en inspireerde, maar weinig feiten over zijn eigen inspirerende leven.
De meeste historici leiden uit de hierboven geciteerde regels af dat Efrem in een christelijk gezin werd geboren – hoewel hij pas als volwassene werd gedoopt (de proef of oven), wat in die tijd gebruikelijk was. Verder is er weinig bekend over zijn geboorte en jeugd, hoewel velen vermoeden dat hij in het begin van de vierde eeuw in Mesopotamië werd geboren, mogelijk in Nisibis, waar hij het grootste deel van zijn volwassen leven doorbracht.
“Hij, Die twee grote lichten schiep, koos voor Zichzelf deze drie lichten, en plaatste ze in de drie donkere seizoenen van belegering die zijn geweest.”
Efrem diende als leraar, en mogelijk diaken, onder vier bisschoppen van Nisibis, Jacob, Babu, Vologeses en Abraham. De eerste drie beschrijft hij in de hierboven geciteerde hymne, geschreven toen Vologeses nog leefde. Zoals het vers zegt, leefde Efrem niet in gemakkelijke tijden in Nisibis.
“Ik ben toevallig op onkruid gestuit, mijn broeders, dat de kleur van tarwe draagt, om het goede zaad te verstikken.”
Volgens de overlevering begon Efrem hymnen te schrijven om de ketterijen die in die tijd hoogtij vierden tegen te gaan. Voor degenen die hymnen gewoon zien als het lied aan het einde van de mis dat ons ervan weerhoudt de kerk vroegtijdig te verlaten, kan het als een verrassing komen dat Ephrem en anderen de kracht van muziek herkenden en ontwikkelden om hun punten over te brengen. De overlevering vertelt ons dat Efrem de ketterse ideeën het eerst in liederen hoorde gieten en om ze tegen te gaan zijn eigen hymnen verzon hij. In de onderstaande is zijn doelwit een Syrische ketter Bardesan die de waarheid van de opstanding ontkende:
De zondvloed keerde echter het tij tegen Shapur. Toen hij probeerde binnen te vallen, vond hij zijn leger gehinderd door de wateren en de verwoesting die hij had veroorzaakt. De verdedigers van de stad, waaronder Ephrem, maakten gebruik van de chaos om de indringers in een hinderlaag te lokken en te verdrijven.
“Hij heeft ons gered zonder muur, en ons geleerd dat Hij onze muur is: Hij heeft ons gered zonder koning en ons laten weten dat Hij onze koning is: Hij heeft ons gered, in iedereen, en ons laten zien dat Hij alles is.”
Uiteindelijk verloor Nisibis echter. Toen Shapur de Romeinse keizer Jovianus versloeg, eiste hij de stad op als onderdeel van het verdrag. Jovianus gaf hem niet alleen de stad, maar stemde er ook mee in om de christenen te dwingen Nisibis te verlaten. Efrem was in die tijd waarschijnlijk een vijftiger of zestiger en was een van de vluchtelingen die in 363 de stad ontvluchtten.
Ergens in 364 vestigde hij zich als een eenzame asceet op de berg Edessa, in Edessa (wat nu Urfa is), 100 mijl ten oosten van zijn huis.
“De ziel is je bruid, het lichaam is je bruidskamer…”
In de tijd vóór monniken en kloosters wijdden veel vrome christenen, aangetrokken tot een religieus leven, zich als ihidaya (enkelvoudige en vastberaden volgelingen van Christus). Als een van hen leefde Eprhem zijn laatste jaren een ascetisch, celibatair leven.
Ketterij en gevaar volgden hem naar Edessa. De Ariaanse keizer Valens kampeerde buiten Edessa en dreigde alle christelijke inwoners te doden als ze zich niet onderwierpen. Maar Valens was degene die gedwongen werd op te geven in het aangezicht van de moed en standvastigheid van de Edessans (gesterkt door de hymnen van Efrem):
“De deuren van haar huizen liet Edessa open toen ze met de herder naar het graf ging, om te sterven, en niet van haar geloof af te wijken. Laat de stad en het fort en het gebouw en de huizen aan de koning worden overgegeven; Onze goederen en ons goud laten ons vertrekken; Wij scheiden dus niet van ons geloof!”
Volgens de overlevering was Efrem geschokt toen hij hoorde dat sommige burgers voedsel aan het hamsteren waren. Toen hij hen confronteerde, kreeg hij het eeuwenoude excuus dat ze geen eerlijke manier of eerlijk persoon konden vinden om het voedsel te verdelen. Efrem bood zich onmiddellijk aan en het is een teken van hoe gerespecteerd hij was dat niemand in staat was om deze keuze te betwisten. Hij en zijn helpers werkten ijverig om voedsel bij de behoeftigen in de stad en omgeving te krijgen.
De hongersnood eindigde het jaar daarop in een jaar van overvloedige oogst en Efrem stierf kort daarna, zoals ons wordt verteld, op hoge leeftijd. We weten niet de exacte datum of het jaar van zijn dood, maar 9 juni 373 wordt door velen geaccepteerd. Efrem vertelt in zijn stervenstestament een jeugdvisioen van zijn leven dat hij glorieus vervulde:
‘Er groeide een wijnstok op mijn tong, die toenam en tot in de hemel reikte, en hij bracht mateloos vrucht voort, evenzo bladeren zonder tal. Het breidde zich uit, het strekte zich wijd uit, het droeg vrucht: de hele schepping naderde, en hoe meer zij bijeenkwamen, hoe meer haar trossen overvloedig waren. Deze clusters waren de Homilieën; en dan blijven de Hymnen over. God was de gever ervan: glorie aan Hem voor Zijn genade! Want Hij heeft mij van Zijn welbehagen gegeven: uit de voorraadschuur van Zijn schatten.”
In zijn voetsporen:
Heeft een liedje je ooit zo ontroerd dat het je geloof of levensstijl heeft veranderd of uitgedaagd – ten goede of ten kwade? Wat vind je van de muziek die je zingt tijdens de liturgie? Leg je hele hart en ziel in de lofzangen die je vervolgens zingt. Luister naar de woorden en laat ze tot je spreken.
Gebed:
Heilige Efrem, soms gaan we lichtvaardig om met de kracht van het lied. Help ons om ons hart en onze ziel te openen voor de inspiratie van de Heilige Geest die ons door muziek wordt gegeven. Amen .
De wateren zijn gestegen en er zijn zware stormen op ons afgekomen, maar we zijn niet bang om te verdrinken, want we staan stevig op een rots. Laat de zee razen, ze kan de rots niet breken. Laat de golven stijgen, ze kunnen de boot van Jezus niet laten zinken. Wat moeten we vrezen? De dood? Leven betekent voor mij Christus, en dood is winst . Ballingschap? ‘De aarde en haar volheid behoren aan de Heer . De inbeslagname van goederen? We hebben niets in deze wereld gebracht, en we zullen er zeker niets uit nemen . Ik heb alleen minachting voor de bedreigingen van de wereld, ik vind haar zegeningen lachwekkend. Ik heb geen angst voor armoede, geen verlangen naar rijkdom. Ik ben niet bang voor de dood en ik verlang er niet naar om te leven, behalve voor uw welzijn. Ik concentreer me daarom op de huidige situatie en ik dring er bij u op aan, mijn vrienden, om vertrouwen te hebben.
Hoort u de Heer niet zeggen: Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben ik in hun midden ? Zal hij dan afwezig zijn, wanneer zoveel mensen verenigd in liefde bijeen zijn? Ik heb zijn belofte; Ik ga zeker niet op mijn eigen kracht vertrouwen! Ik heb wat hij heeft geschreven; dat is mijn staf, mijn veiligheid, mijn vredige haven. Laat de wereld in beroering zijn. Ik houd mij aan zijn belofte en lees zijn boodschap; dat is mijn beschermende muur en garnizoen. Welke boodschap? Weet dat ik altijd bij u ben, tot het einde van de wereld !
Als Christus bij mij is, wie zou ik dan vrezen? Al worden de golven en de zee en de woede van vorsten tegen mij opgehitst, ze zijn voor mij minder dan een spinnenweb. Ja, als u, mijn broeders, mij niet had tegengehouden, zou ik vandaag nog zijn vertrokken. Want ik zeg altijd: “Heer, uw wil geschiede”; niet wat deze of gene wil dat ik doe, maar wat u wilt dat ik doe. Dat is mijn sterke toren, mijn onwrikbare rots, mijn staf die nooit bezwijkt. Als God iets wil, laat het dan gebeuren! Als hij wil dat ik hier blijf, ben ik dankbaar. Maar waar hij ook wil dat ik ben, ik ben niet minder dankbaar.
Maar waar ik ben, daar ben jij ook, en waar jij bent, ben ik. Want wij zijn één lichaam, en het lichaam kan niet gescheiden worden van het hoofd, noch het hoofd van het lichaam. Afstand scheidt ons, maar liefde verenigt ons, en de dood zelf kan ons niet verdelen. Want al sterft mijn lichaam, mijn ziel zal leven en zich mijn volk herinneren.
Jullie zijn mijn medeburgers, mijn vaders, mijn broers, mijn zonen, mijn ledematen, mijn lichaam. Jullie zijn mijn licht, zoeter voor mij dan het zichtbare licht. Want wat kunnen de stralen van de zon mij schenken dat vergelijkbaar is met uw liefde? Het licht van de zon is nuttig in mijn aardse leven, maar uw liefde vormt een kroon voor mij in het hiernamaals.Ik hoop dat je geïnspireerd wordt om ALTIJD op de Heer te vertrouwen! God zegene je!
Bron : Johannes Chrysostomos : For me live means Christ and death is gain
“Uw opgebouwde overtredingen overtreffen de veelheid van Gods barmhartigheden niet; uw wonden overtreffen de vaardigheid van de Grote Geneesheer niet.”
Geef uzelf alleen over in geloof: vertel de arts uw kwaal: zeg ook zoals David: ik zei: ik zal mijn zonde aan de Heer belijden: en hetzelfde zal in uw geval worden gedaan, en onmiddellijk daarop zegt Hij: en jij vergeeft de goddeloosheid van mijn hart.
Want de tijd van de vruchten zal zeker komen, of hij wil of niet, op de vastgestelde tijd; en het zal anders worden bekeken door hem die zich van te voren heeft verzekerd van de overvloed van gewassen, en door hem in de vruchten-tijd zonder enige voorbereiding worden gevonden. Zelfs zo denk ik dat het iemands plicht is, nu de verkondiging duidelijk is gemaakt aan allen dat de tijd van verandering zal komen, om zich niet bezig te houden met tijden (want Hij zei dat “het niet aan ons is om de tijden en de seizoenen te kennen”), noch om berekeningen na te streven waardoor hij er zeker van zal zijn om de hoop van de opstanding in de ziel te slepen; maar om zijn vertrouwen in de dingen die verwacht worden te maken als een steun om op te leunen, en om voor zichzelf, door een goed gesprek, de genade te kopen die zal komen.
In mij is duisternis, Maar bij U is licht; Ik ben eenzaam, maar U verlaat mij niet; Ik ben zwak van hart, maar bij U is hulp; Ik ben rusteloos, maar bij U is vrede. In mij is bitterheid, maar bij U is geduld; Ik begrijp Uw wegen niet, Maar U weet de weg voor mij.” “Heer Jezus Christus, U was arm En in nood, een gevangene en verlaten zoals ik ben. U kent alle problemen van de mens; U blijft bij mij Wanneer alle mensen mij in de steek laten; U herinnert zich en zoekt mij; Het is Uw wil dat ik U ken En mij tot U wend. Heer, ik hoor Uw roep en volg; Help mij.
Als we onszelf eerlijk afvragen welke persoon in ons leven het meest voor ons betekent, komen we er vaak achter dat het degenen zijn die, in plaats van advies, oplossingen of genezingen te geven, ervoor hebben gekozen om onze pijn te delen en onze wonden aan te raken met een warme en tedere hand. De vriend die stil kan zijn met ons in een moment van wanhoop of verwarring, die bij ons kan blijven in een uur van verdriet en rouw, die het niet weten, niet genezen, niet helen kan verdragen en met ons de realiteit van onze machteloosheid onder ogen kan zien, dat is een vriend die om ons geeft.
Henri Nouwen
“Uit eenzaamheid: Drie meditaties over het christelijk leven”. Boek van Henri Nouwen, 1974
“Geduld vraagt ons om het moment ten volle te beleven, om volledig aanwezig te zijn in het moment, om het hier en nu te proeven, om te zijn waar we zijn. Als we ongeduldig zijn, proberen we weg te komen van waar we zijn. We gedragen ons alsof het echte werk morgen, later en ergens anders zal gebeuren. Laten we geduldig zijn en vertrouwen dat de schat die we zoeken verborgen is in de grond waarop we staan.”
― Henri JM Nouwen, Brood voor de reis: een dagboek van wijsheid en geloof
“We kunnen niet lijden met de armen als we niet bereid zijn om de personen en systemen die armoede veroorzaken hiermee te confronteren. We kunnen de gevangenen niet bevrijden als we niet bereid zijn om degenen die de sleutels dragen te confronteren. We kunnen onze solidariteit niet belijden met degenen die onderdrukt worden als we niet bereid zijn om de onderdrukker te confronteren. Mededogen zonder confrontatie vervaagt snel tot vruchteloos sentimenteel medelijden.”
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.