Clemens van Alexandrië : De nieuwe wet staat in het hart van de mensen geschreven

 

H. Clemens van Alexandrië (150- ca 215), theoloog De Pedagoog, III 89, 94, 98-99

De nieuwe wet staat in het hart van de mensen geschreven

 

Wij hebben de tien geboden, die door Mozes zijn gegeven… en alles wat het lezen van heilige boeken ons aanraadt, waarvan Jesaja ons heeft overgebracht: “Was u, reinig u, haal uw boze daden uit mijn ogen weg. Leer om het goede te doen, zoek wat rechtvaardig is; verdedig de onderdrukte, de weduwe en de wees, kom toch en laat ons samen spreken, zegt de Heer” (Jes 1,16v)… Maar we hebben ook de wetten van het Woord, het Woord van God, de woorden die bemoedigen die niet door de vinger van de Heer op stenen tafelen zijn geschreven (Ex 24,12), maar in het hart van mensen is geschreven (2Kor 3,3)… Deze twee wetten hebben het Woord gediend voor de opvoeding van de mensheid, eerst dclement_alexandria.jpgoor de mond van Mozes, vervolgens door die van de apostelen… Maar we hebben een meester nodig om deze heilige woorden uit te leggen…; Hij zal ons de woorden van God onderrichten. De kerk is onze school; onze enige Meester is de Bruidegom, de goede wil van de goede Vader, de oorspronkelijke wijsheid, de heiligheid van de kennis. “Hij is de verzoening voor onze zonden”, zegt Johannes (1Joh 2,2), Hij geneest onze lichamen en onze zielen, de hele mens, Hij, Jezus, die niet alleen de verzoening voor onze zonden is, maar ook voor die van de hele wereld. Hieraan kunnen we weten dat we Hem kennen: dat is door ons aan de geboden te houden” (v.3)… “Wie zegt dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zo te wandelen als Hij, Jezus, gewandeld heeft” (v.6). Wij zijn de leerlingen van deze gelukzalige opvoeding, laten we het mooie gelaat van de Kerk voltooien en laten we ons als kinderen naar deze moeder vol goedheid haasten. Laten we luisteren naar het Woord van God; laten we de zalige gidsende voorschriften van deze Leraar, verheerlijken en Hij zal ons als kinderen van God heiligen. Wij zullen hemelbewoners zijn, als we leerlingen van deze Leraar zijn op aarde, en daarboven zullen we alles begrijpen wat Hij ons leert over de Vader.

www.dagelijksevangelie.org

citaat van André Louf

citaat van André Louf

André Louf (1929-2010) was jarenlang abt van de trappistenabdij van de Catsberg, in Noord-Frankrijk. In 1998 trok hij zich als kluizenaar terug in Zuid-Frankrijk. Hij wijdde er zich niet alleen aan het gebed en de beschouwing, maar vertaalde ook talloze werken van grote geestelijke schrijvers naar het Frans. In 2008 schreef hij een klein boekje “Initiation à la vie spirituelle” [Initiatie in het geestelijk leven], waarin hij op een toegankelijke manier enkele constanten in de ontwikkeling van het geestelijk leven beschrijft. Het geestelijk leven heeft zich doorheen twintig eeuwen christendom op vele verschillende manieren ontwikkeld, telkens afgestemd op de cultuur en het levensgevoel van een bepaalde tijd. Zo hebben er zich binnen de christelijke spiritualiteit verschillende tradities afgetekend. Bovendien, aldus dom Louf, past de heilige Geest zich wonderlijk aan aan de eigenheid van elke mens. Zo beschouwd zijn er dus evenveel spirituele parcours als er mensen zijn. En toch kan men achter deze grote verscheidenheid qua vorm en beleving van de christelijke spiritualiteit een aantal constanten onderscheiden. Over die constanten gaat het boekje “Initiation à la vie spirituelle”. André Louf ziet als eerste constante in het geestelijk leven het contact met het Woord van God. Leven als christen is een levenswijze die niet alleen geboren wordt uit het Woord van God, maar er ook constant moet door gevoed worden. Wie bidt met het Woord van God in de Schrift, die leert afdalen in zijn innerlijkheid. Over dit afdalen in de innerlijke mens schrijft André Louf het volgende:

Dit afdalen in de innerlijke mens is de eerste ervaring van iedereen die waarachtig probeert te bidden. Het is de meest fundamentele ervaring, de oerervaring, waaraan men altijd met ontroering en dankbaarheid terugdenkt. Maar tegelijk is deze ervaring nog maar een begin. Want naarmate het leven van de Geest zich ontplooit in het hart van wie bidt met de Schrift, zal deze zonder ophouden nieuwe betekenissen vinden in het Woord, dat immers “een oceaan van zin en betekenis” is (Origenes). Deze betekenis kan je echter niet op verstandelijke wijze formuleren; ze kan alleen gesmaakt worden met wat de Vaders “het verhemelte van het hart” noemen. De betekenis die de Schrift krijgt, vermenigvuldigt en ontwikkelt zich altijd gelijk opgaand met het geestelijk leven van de lezer, en dat tot op het punt waarop de Schrift zelfs het draagvlak wordt van de meest verheven mystieke ervaringen. Dit thema werd wondermooi uitgewerkt door Johannes Cassianus, en later opgenomen door Gregorius de Grote. Eeuwenlang hebben alle christelijke Kerken de Schrift zo gelezen, namelijk als een methode en een parcours van de spirituele ervaring, de mystieke ervaring incluis, ook al werd deze manier van lezen niet altijd even duidelijk geformuleerd. Laten we er een getuigenis uit de Oosterse Kerk bijhalen, zelfs een van de meest Oosterse die er zijn: Isaac van Ninive (8e eeuw), die niet in het Latijn of Grieks, maar in het Syrisch schrijft. Bij alle Schriftteksten die je onder ogen krijgt, dien je na te gaan wat de diepere betekenis ervan is, om je er diep in onder te dompelen en de intuïties te peilen in de geschriften van die verlichte mensen. Zij die door Gods genade ertoe gebracht worden zelf verlicht te worden, bemerken in de Schrift altijd iets als een geestelijke lichtstraal die doorheen de neergeschreven woorden schijnt. Die lichtstraal stelt hen in staat een onderscheid te maken tussen woorden die op een gewone manier gezegd zijn en andere die belangrijk zijn voor de verlichting van de ziel. Als iemand de Schriftwoorden, die een bijzondere betekenis bevatten, op een gewone, doordeweekse manier leest, dan maakt hij van zijn hart ook iets gewoons. Hij ontneemt zijn hart dan die heilige kracht die hem een zoete smaak kan bezorgen, door middel van intuïties uit de Schrift die de ziel in verbijstering halt doen houden. De ziel die deel krijgt aan de heilige Geest en die het Schriftwoord beluistert waarin een geestelijke kracht schuilgaat, die zal deze krachtbron vurig voor zichzelf willen vasthouden. Niet iedereen is echter voldoende wakker en waakzaam om zich te verwonderen over wat de Schrift op een geestelijke manier zegt en over de grote kracht die daarin schuilt. Deze auteur onderscheidt in de Schrift enerzijds “woorden die op een gewone manier gezegd zijn”, die niet tot het hart of de geest spreken, en anderzijds datgene “wat de Schrift op een geestelijke manier zegt”, en dat rechtstreeks tot de ziel van de lezer is gericht. We mogen dit onderscheid niet begrijpen alsof de Schrift zowel betekenisvolle als minder betekenisvolle woorden zou bevatten. Het gaat er eerder om dat niet elk woord uit de Schrift evenveel betekenis heeft voor elke individuele lezer. Isaac van Ninive legt hier het accent op de subjectieve houding van de lezer: er zijn woorden en verzen uit de Bijbel die de lezer koud en onverschillig laten, en andere die hem in vuur en vlam zetten door de vurigheid van Gods liefde. Het is van groot belang niet zomaar voorbij te gaan aan deze verzen uit de Schrift die “vol van betekenis” zijn, en de geestelijke intuïties die ze bevatten niet te laten ontsnappen. Wanneer iemand in de Schrift leest en de verborgen betekenis ervan probeert te vatten, dan groeit zijn begrip naargelang zijn Schriftlezing vordert. Stap voor stap wordt de lezer naar een staat van geestelijke verwondering gebracht. Wanneer hij deze staat eenmaal bereikt heeft, weet hij zich helemaal ondergedompeld in God: Zo komt hij ertoe zichzelf en zijn menselijke natuur te vergeten, want hij wordt als een dolblije mens die geen enkele gedachte aan het heden meer heeft. Over alles wat Gods grootheid aangaat, denkt hij met een bijzondere toeleg na, terwijl hij zegt “Eer aan zijn goddelijkheid!” of “Eer aan zijn wondere werken!”. Wie zo in beslag genomen is door Gods wonderwerken en onophoudelijk met verstomming geslagen wordt, leeft in een soort geestelijke dronkenschap, als leefde hij nu reeds het leven van na de verrijzenis. Het is duidelijk dat voor Isaac van Ninive de Schriftlezing niet alleen de bron van het gebed is, maar dat de ziel van daaruit ook opgetild wordt tot de hoogten van de mystieke ervaring.

ANDRÉ LOUF, Initiation à la vie spirituelle, Parole et Silence, 2008, p. 43-46

 

 

 

Johannes Chrysostomos : zie het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegneemt

H. Johannes Chrysostomus (ca. 345-407), priester in Antiochië, daarna bisschop van Constantinopel, kerkleraar Homilie over het Evangelie van Johannes nr. 18

 

 

Chrysostomos onbekend 3.jpg

“Zie het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegneemt”

 

“Zie het Lam van God”, zegt Johannes de Doper. Jezus spreekt niet, Johannes de Voorloper, zegt alles. Bij ons bestaat er ook de gewoonte van de bruidegom om op deze wijze te handelen: hij zegt nog niets tegen de bruid, maar hij toont zich en houdt zich stil. Anderen kondigen hem aan en stellen hem voor aan zijn bruid. Als ze verschijnt, neemt de bruidegom haar niet zelf mee, maar ontvangt haar uit de handen van een ander. Maar nadat hij haar zo van een ander heeft ontvangen, verbindt hij zich zo sterk met haar, dat ze zich degenen die ze verliet om hem te volgen, niet meer herinnert. Dat is wat er gebeurt ten aanzien van Jezus Christus. Hij is gekomen om met de menselijke natuur te trouwen; Hij heeft zelf niets gezegd, Hij heeft zichzelf slechts laten voorstellen. Johannes, de vriend van de Bruidegom (Joh 3,29), heeft Zijn hand in die van de Bruid gelegd – met andere woorden, het hart van de mensen die hij overtuigd heeft door zijn prediking. Dan heeft Jezus Christus ze ontvangen en ze vervuld met zoveel goeds, dat ze niet teruggekomen zijn bij degene die ze bij Hem hadden gebracht … Johannes is de enige die Hem als aanwezig onder het volk kan tonen; want hij alleen was aanwezig bij de bruiloft met de kerk, hij ontvangt de titel “vriend van de Bruidegom”. Hij heeft alles gedaan en alles inbegrepen; toen hij zijn blik op de Messias liet vallen, zei hij: “Zie het Lam van God”. Hij toonde zo dat hij niet alleen door de stem getuigde, maar ook door de ogen. Hij bewonderde de Zoon van God en door Hem te aanschouwen, sprong zijn hart op van vreugde. Hij opende niet zijn mond om eerst te prediken: hij bewonderde Hem in de verbazing. Zo liet hij de gave kennen die Jezus in de wereld kwam brengen, naar de betekenis van het woord “lam”. Johannes zei niet: “Hij moet wegnemen”, of “Hij heeft weggenomen”, maar “Hij die de zonde van de wereld wegneemt”: niet alleen op het moment van zijn Lijden, maar onophoudelijk. Hij offert slechts eenmaal zijn offer voor de zonden van de wereld, maar door deze offergave zuivert Hij voor altijd het geweten van de zondige mensen.

Bron : www.dagelijksevangelie.org

H. Clemens van Alexandrië : “De Wijsheid van God vindt haar rechtvaardigheid”: God roept ons op tot bekering

H. Clemens van Alexandrië (150-ca. 215), theoloog De Protreptiek, 9, 87-88 ; SC 2

 

ClemensVonAlexandrien.jpg

 

 

“De Wijsheid van God vindt haar rechtvaardigheid”: God roept ons op tot bekering

Niemand werd zo geraakt door de oproepen van de andere heiligen als door die van de Heer zelf, met al zijn liefde voor de mensen, want Hij heeft geen andere bezigheid dan die van het redden van de mens. Hij roept dus op om de mensen aan te sporen om zich te laten redden: “Het Koninkrijk der hemelen is nabij” (Mc 1,15). Hij probeert de mensen die bij Hem komen te bekeren. Op diezelfde wijze maakt de apostel van de Heer… zich tot vertolker van de stem van God: “De Heer is nabij. Leef niet in de duisternis, zodat de dag u als een dief zou verrassen” (cf Ph 4,5; 1Th 5,4). Maar u die zo weinig vrees voelt, of liever, bent u zo ongelovig dat u noch in de Heer zelf, noch in Paulus gelooft, vooral wanneer hij om Christus vastgebonden is? (Fil 1,13) “Proef en geniet: hoe zoet is de Heer” (Ps 34,9). Het geloof zal u inleiden, de ervaring zal het u leren, de Schrift, als een pedagoog, zal u gidsen. Ze zegt tegen u: “Kom, kinderen, luister naar mij: in ontzag voor de Heer zal ik jullie onderwijzen”. En dan voegt ze, als iemand gelooft, eraan toe: “Is er iemand die het leven bemint en gelukkige dagen wil genieten?” (Ps 34,12-13) Wij zijn het, de aanbidders van het goede, de navolgers van de goeden. –Luister dan, “u die ver weg bent”, luister, “u die nabij bent” (Jes 57, 19). Het Woord is voor niemand verborgen; het is het gemeenschappelijke licht. Het straalt voor alle mensen; voor Hem bestaat er geen vreemdeling. Laten we ons haasten naar de redding, naar de nieuwe geboorte. Laten we ons haasten, wij die in zo grote getale zijn, om ons te verenigen als een kudde (Joh 10,16), laten we de eenheid navolgen door de ene Christus te volgen. Zo zal de vereniging van veel stemmen, als hun wanklanken en hun versnippering aan de goddelijke harmonie onderworpen zullen zijn, een enige symfonie vormen. En het koor dat aan de meester, het Woord, gehoorzaamt, zal slechts rust vinden in de waarheid zelf, wanneer hij zal kunnen zeggen: “Abba, Vader” (Mc 14,36).

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Augustinus : over de barmhartigheid

Over de barmhartigheid

Augustinus

 

 

augustine_of_cantebury 27 mei.jpg

Elke liefde veronderstelt een zekere welwillendheid tegenover hen die we beminnen. Ook de lichamelijke liefde, die we eerder genegenheid noemen.(Het woord ‘liefde’ wordt in onze cultuur immers gewoonlijk voorbehouden om een verheven liefde aan te duiden. Hoewel voor mij alle woorden om liefde aan te duiden gelijkwaardig zijn, aangezien de Heilige Schrift ze door elkaar gebruikt)(Deze passage is door de vertaler een beetje ingekort weergegeven, omdat ze in het Nederlands onvertaalbaar is. Het latijn kent namelijk drie verschillende woorden voor ‘liefde’ : caritas, dilectio en amor. DSommige christelijke schrijvers vóór Augustinus hebben getracht een zeker onderscheid tussen deze verschillende termen aan te brengen. Augustinus verwerpt echter dit onderscheid en wel op grond van het gebruik ervan in de H.Schrift) .Want wij mogen en kunnen de mens niet beminnen zoals een gastronoom verklaart van gebraden lijsters te houden. Waarom niet ? Omdat de gastronoom er alleen maar op uit is te doden en op te eten. Als hij zegt dat hij van gebraden lijsters houdt, dan houdt hij niet van de lijsters zelf, want die laat hij niet in leven doch vernietigt hij. Van eten houden we slechts om het te verbruiken en zelf weer op kracht te komen. Maar van mensen mogen we nooit houden als van gebruiksgoederen. Neen, vriendschap is een zaak van welwillendheid; vriendschap is iets willen geven aan hen die we beminnen. En als men dan niets heeft om te geven ? Dat is niet erg, de welwillendheid alleen is genoeg voor iemand die bemint.

Het heeft geen zin te verlangen dat er ongelukkige mensen zouden zijn om zich barmhartig over hen te kunnen buigen. Gij geeft brood aan iemand die honger heeft, maar het zou veel beter zijn dat niemand honger leed en gij aan niemand iets hoefde te geven. Gij geeft kleren aan iemand die er geen heeft, maar het zou veel beter zijn dat iedereen kleren bezat en er geen armoede bestond. Gij begraaft doden, maar het zou veel beter zijn dat iedereen het leven bezat, en dat niemand meer hoefde te sterven. Gij tracht mensen die het oneens zijn met elkaar, te verzoenen; maar het zou veel beter zijn te leven in die eeuwige vrede van Jeruzalem waarin geen onenigheid meer bestaat. Al de hulp die we geven wordt opgeroepen door nood. Neem de ongelukkigen weg uit deze wereld en alle werken van barmhartigheid worden overbodig.

Maar als er in deze wereld geen barmhartigheid meer nodig is, betekent dit dan nhiet noodzakelijk het einde van de weldoende gloed van de liefde ? Helemaal niet, Uw liefde zal meer authentiek zijn, als ze uitgaat naar een gelukkig mens aan wie ge niets hoeft te geven; zij zal zuiverder en oprechter zijn. Want als gij geeft aan een ongelukkig mens, dreigt het gevaar dat gij over hem wilt heersen en hij, die de beweegreden was van uw weldaad, u onderdanig moet zijn. Hij verkeert in nood, gij geeft hem iets. Omdat gij de gevende partij zijt, lijkt gij beter en meer mens te zijn dan hij aan wie gij geeft. Wens dat ieder mens uw gelijke is, zodat wij allen op gelijke wijze afhankelijk zijn van die Ene, aan wie wij niets kunnen geven.

In dergelijke zaken kent de hoogmoedige mens geen maat en daardoor wordt hij ook op een bepaalde manier hebzuchtig, aangezien ‘de geldzucht de oorsprong is van alle kwaad’ ( 1 Tim. 6,10). Er is ook gezegd dat ‘de hoogmoed het begin is van elke zonde’ (Sir.10,15) SZoms vragen we ons, hoe deze twee uitspraken met elkaar te verenigen zijn : ‘De geldzucht is de oorsprong van het kwaad’ en ‘ De hoogmoed is het begin van elke zonde’. Als de hoogmoed het begin is van elke zonde, dan is zij ook de oorsprong van alle kwaad, want in de hoogmoed ligt hebzucht opgesloten. Dit blijkt hieruit dat de hoogmoed geen maat kent. En wat is hebzucht ? Ook hebzucht bestaat juist juist daarin : verder willen gaan dan nodig is. Door hoogmoed is Adam ten val gekomen, want ‘de hoogmoed is nhet begin van elke zonde’. Daar was ook hebzucht mee gemoeid, want wie is meer hebzuchtig dan een mens voor wie God nog niet voldoende is.

We lezen dat de mens gemaakt is naar het beeld en de gelijkenis van God. Van deze mens zei God : ‘Hij heerse over de vissen van de zee, de vogels in de lucht en alle dieren die zich over de aarde voortbewegen’ ( Gen.1,26). Hij zei niet : heerse over de mens ! Hij gaf de mens wel macht over de natuur : over de vissen, de vogels en de dieren die over de aarde kruipen. Waarom heeft de mens van nature een zekere macht over deze dieren ? Die macht bezit hij door het feit dat hij geschapen is naar Gods beeld. De mens is beeld van God door zijn verstand, door zijn geest, door zijn innerlijkheid : doordat hij de waarheid begrijpt, onderscheid kan maken tussen recht en onrecht, weet door wie hij geschapen is, en zijn schepper ken verstaan en loven. Wie zich verstandig gedraagt, bezit dit inzicht.

Uit : Eenheid en liefde : Augustinus preken over de eerste brief van Johannes. Uitg. Augustijns historisch instituut Heverlee-Leuven. Vertaald door Prof.dr.T.J.van Bavel. pp. 133-135

Johannes Chrysostomos : Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat van Hem gezegd werd

H. Johannes Chrysostomus (ca. 345-407), priester in Antiochië, daarna bisschop van Constantinopel, kerkleraar Homilie voor kerstmis; PG 56, 392

 

chrysostom16 modern amerikaans [1600x1200].jpg

“Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat van Hem gezegd werd”

 

Wat kan ik zeggen over dit mysterie? Ik zie een arbeider, een voederbak, een kind, doeken, het baren door een maagd die al het benodigde ontbreekt, allemaal tekenen van nederigheid, de hele last van de armoede. Hebt u ooit de rijkdom in zo’n penarie zien zitten? Hoe arm heeft degene die rijk was zich toch voor ons gemaakt (2Kor 8,9) tot op het punt dat Hij, bij een tekort aan een wieg en dekens, moest slapen in een harde voederbak? … Ach, enorme rijkdom onder de verschijning van armoede! Hij slaapt in een voederbak en Hij laat het universum wankelen. Hij is strak in doeken gewikkeld en breekt de boeien van de zonde. Terwijl Hij geen woord uit kan brengen, onderricht Hij de magiërs, opdat ze een andere weg terug gaan nemen. Het mysterie gaat het woord te boven! Zie de baby gewikkeld in doeken, gelegen in een kribbe; daar is ook Maria die tegelijk maagd en moeder is; en daar is Jozef die men zijn vader noemt. Hij is met Maria getrouwd, maar de heilige Geest heeft Maria met zijn schaduw overdekt. Daarom was Jozef bang, hij wist niet hoe hij het kind moest noemen… In zijn angst werd hem door een engel een boodschap gebracht: “Vrees niet, Jozef, het kind dat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest” (Mt 1,20)… Waarom is de Verlosser uit een maagd geboren? Vroeger liet Eva die maagd was, zich verleiden en baarde de oorzaak van onze dood; Maria, die de Goede Boodschap van de engel had ontvangen, baarde het Woord dat vlees geworden was en dat ons het eeuwige leven brengt

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Augustinus : vele profeten en koningen verlangden te zien wat u ziet

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en Kerkleraar. Overwegingen over de psalmen, psalm 119, nr 20

 

 

Augustinus6.jpg

 

 

“Vele profeten en koningen verlangden te zien wat u ziet”

 

      “Heer, mijn ziel smacht naar uw redding” (Ps 119,81), dat wil zeggen In haar verwachting. Zalige zwakheid die het verlangen toont van iets wat nog niet ontvangen is, maar vurig begeerd wordt. Op wie slaan die woorden behalve op de oorsprong van de mensheid, tot aan het einde der eeuwen, “een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige volk” (1P 2,9), op elk mens dat, ieder in zijn eeuw, leefde, leeft of zal leven in het verlangen naar Christus?       De getuige van deze verwachting, is de oude man Simeon, die bij het ontvangen van het kind in zijn armen, uitroept: “Nu, Meester, laat U, zoals U gezegd hebt, uw knecht in vrede gaan; want mijn ogen hebben uw heil gezien” (Lc 2,29-30). Want hij had van God de belofte ontvangen dat hij de dood niet zou smaken voordat hij Christus de Heer zou hebben gezien. Het verlangen van deze oude man – dat moeten we geloven- is die van alle heiligen in de tijd die daaraan vooraf ging. Daarom zei de Heer tegen zijn leerlingen: “Vele profeten en koningen hadden willen zien wat jullie zien, maar zij hebben het niet gezien en willen horen wat jullie horen, maar zij hebben het niet gehoord”.       Alle mensen moeten dan ook gerekend worden bij hen die zingen: “Mijn ziel bezweek bij het zien van uw heil”. Nooit is het verlangen van de heiligen in die tijd tot rust gekomen, en nooit zal hij rust vinden in het Lichaam van Christus, in zijn Kerk, tot aan het einde van de wereld totdat “het Verlangen van alle volken”, beloofd door de profeet, komt (Hag 2,8 Vulg)… Het verlangen waarover we spreken komt van wie men liefheeft volgens de apostel Paulus als “de verschijning van Christus”. Dit verlangen zegt: “Wanneer Christus, die uw leven is, verschijnt, zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid” (Kol 3,4). De Kerk in zijn eerste tijd, voor het baren van de Maagd, zag degenen die naar de komst van Christus in het lichaam verlangden, als heiligen. Vandaag de dag zien ze anderen als heilig, namelijk zij  die verlangen naar de verschijning van Christus in zijn heerlijkheid. Sinds het begin van de wereld tot aan het einde der tijden, is dat verlangen van de Kerk er onafgebroken.

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Isaak de Syriër : zeg dan : wij zijn onnutte knechten

Isaak de Syriër (7e eeuw) monnik nabij Mossoel Overweging, 1e serie, nr. 5

 

isaac de syriër.jpg

“Zeg dan: Wij zijn onnutte knechten”

 

      De ogen van de Heer kijken naar de nederigen, opdat ze zich verheugen. Maar het gelaat van de Heer keert zich af van de trotsen, om ze te vernederen. De nederige ontvangt altijd medeleven van God… Maak je klein in alles tegenover de mensen en je zult hoger verheven worden dan de prinsen van deze wereld. Loop vooruit op alle wezens, omhels ze, verlaag je voor hen, en je zult meer geëerd worden dan hen die goud aanbieden… Daal lager af dan jezelf en je zult de heerlijkheid van God in je zien. Want daar ontspruit de nederigheid, daar verspreidt zich de heerlijkheid van God… Als je nederig in je hart bent, dan zal God je daar opheffen in zijn heerlijkheid…       Hou niet van eer, dan zul je niet onteerd worden. De eer vlucht voor degene die het naloopt. Maar de eer achtervolgt degene die het ontvlucht, en hij verklaart zijn nederigheid aan alle mensen. Als je jezelf minacht, om zo niet geëerd te worden, dan zal God Zich zal aan je tonen. Als je jezelf beschuldigt uit liefde voor de waarheid, dan zal God toestaan dat je bij de schepselen wordt geloofd. Ze zullen de deur naar de heerlijkheid van je Schepper openen en ze zullen je loven. Want je bent werkelijk zijn beeld en gelijkenis (Gn 1,26).

Bron :www. dagelijksevangelie.org

Augustinus : Weer bekleed worden met het bruiloftskleed

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en Kerkleraar. Sermon 90 ; PL 38, 559v

Weer bekleed worden met het bruiloftskleed

 Augustine_Hippo_small.jpg

Wat is toch het bruiloftskleed waar het Evangelie over spreekt? Zeker is dat kleed iets dat alleen de goeden bezitten, zij die aan het feestmaal moeten deelnemen… Zouden het de sacramenten zijn? de doop? Zonder de doop, zal niemand tot bij God komen, maar er zijn er die de doop ontvangen en niet tot God komen… Misschien is het het altaar of dat wat men op het altaar ontvangt? Maar door het Lichaam van de Heer te ontvangen, eten en drinken sommigen hun eigen veroordeling (1Kor 11,29). Wat is het dan? het vasten? De boosdoeners vasten ook. Het kerkbezoek? De boosdoeners gaan net als de anderen naar de kerk… Wat is dan het bruiloftskleed? De apostel Paulus zegt ons: “De voorschriften hebben geen ander doel dan de liefde, die in een zuiver hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof, wordt geboren” (1Tim 1,5). Dat is het bruiloftskleed. Het gaat niet om zomaar een liefde, want vaak ziet men oneerlijke mensen anderen liefhebben…, maar men ziet bij hen niet deze liefde “die in een zuiver hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof, wordt geboren”; welnu die liefde is het bruiloftskleed. “Al ware het dat ik alle talen van de mensen en van de engelen sprak, zegt de apostel Paulus, als ik de liefde niet had, was ik slechts een klinkende gong, of een schelle cimbaal… Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen- had ik de liefde niet, dan ware ik niets” (1Kor 13,1-2)… Had ik dat alles, maar zonder Christus, zegt hij, dan “ware ik niets”… Hoeveel bezittingen zijn nutteloos, als er één bezit mist! Als ik geen liefde had, kon ik al mijn bezit uitdelen, de naam van Christus getuigen tot aan mijn bloedvergieten toe (1Kor 13,3), het zou nergens toe dienen, want ik zou zo kunnen handelen uit liefde voor mijn eer… “Als ik de liefde niet heb, dan zou het mij niet baten.” Dat is het bruiloftskleed. Onderzoek uzelf: als u het hebt, kom dan met vertrouwen het feestmaal van de Heer.

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Clemens van Alexandrië : De tollenaars en zondaressen zullen eerder in het Rijk God binnengaan dan u

H. Clemens van Alexandrië (150-ca 215), theoloog Homilie “Welke rijke zal gered worden”, 39-40

 

ClemensVonAlexandrien.jpg

 

“De tollenaars en zondaressen zullen eerder in het rijk Gods binnengaan dan u”

 

De deuren van het Rijk Gods worden geopend voor wie zich oprecht en met heel zijn hart tot God richt, en de Vader ontvangt met vreugde een mens die werkelijk berouw heeft. Wat is het teken van waarlijk berouw? Niet terugvallen in zijn oude fouten en de zonden die u in doodsgevaar brengen met wortel en al uit uw hart trekken. Als ze dan uitgewist zijn, zal God weer in u komen wonen. Want, zoals de Schrift zegt, een zondaar die zich bekeert en berouw toont, geeft aan de Vader en aan de engelen een enorme, onvergelijkelijke vreugde (Lc 15,10). Hierom heeft de Heer uitgeroepen: “Ik wil geen offers, maar barmhartigheid” (Hos 6,6; Mt 9,13). “Ik wil niet de dood van een zondaar, maar dat hij zich bekeert” (Ez 33,11). “Als uw zonden als scharlaken zijn, ze zullen wit worden als sneeuw; als ze donkerder dan de nacht zijn, zal Ik ze wassen, en ze worden als witte wol” (Jes 1,18). Alleen God kan de zonden vergeven en de fouten niet aanrekenen, terwijl de Heer Jezus ons verhoort door elke dag onze broeders en zusters te vergeven als ze berouw hebben. En als wij, die slecht zijn, goede dingen aan anderen weten te geven (Mt 7,11), hoeveel te meer zal “de Vader vol van tederheid” (2Kor 1,3) dat dan doen? De Vader van alle troost, die goed is, vol van barmhartigheid, van compassie, en van nature geduldig is, wacht op hen die zich bekeren. En de werkelijke bekering veronderstelt dat men stopt met zondigen en dat men niet meer achterom kijkt… Laten we dus bitter spijt hebben over onze fouten uit het verleden en bidden we tot de Vader dat Hij ze vergeet. Hij kan, in zijn barmhartigheid, afstand doen van wat was en onze slechte daden uit het verleden door de dauw van de Heilige Geest, uitwissen.

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Johannes Chrysostomos : De apostelen zijn getuigen van de verrezen Christus

  H. Johannes Chrysostomus (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar Homilie over de eerste brief aan de Korinthiërs, 4, 3 ; PG 61,34 (vert. brevier)

 

chrysostom22American stained glass (XX c.), [1600x1200].jpg

De apostelen zijn getuigen van de verrezen Christus

 

Paulus zei: “De zwakheid van God is sterker dan de mensen.” (1Kor 1,25). Daaruit blijkt eveneens dat de prediking goddelijk is. Hoe konden twaalf ongeletterde mensen eraan denken zoiets te ondernemen? Ze hadden altijd op het water geleefd en in afgelegen streken en nauwelijks een stad of een marktplein betreden. Hoe konden ze eraan denken tegen heel de wereld ten strijde te trekken? Ze waren bang en kleinmoedig. Dat getuigt de evangelist zonder te trachten hun tekorten te verbergen, wat wel het beste bewijs is van de waarheid. Wat zei hij over hen? Dat ze vluchtten toen Christus gevangen genomen was, hoewel ze talloze wonderen hadden gezien; en dat hun leider Hem verloochende. Toen Christus nog leefde waren ze niet in staat om de aanvallen van de vijanden konden verdragen. Hoe dan te verklaren dat ze … tegen heel de wereld ten strijde trokken, nadat Hij gestorven was? …Hadden ze toen bij zichzelf niet moeten zeggen: “Wat betekent dat? Hij was niet in staat zichzelf te redden. Zou Hij ons kunnen beschermen? Toen Hij leefde, kon Hij zichzelf niet verdedigen. Zou Hij, nu Hij dood is, ons de hand kunnen reiken? Tijdens zijn leven heeft Hij geen enkel volk onderworpen, en wij zouden door zijn woord heel de wereld moeten winnen…” Vast en zeker, ze zouden het niet gewaagd hebben, als ze Hem niet verrezen hadden gezien en een overtuigend bewijs hadden gekregen van zijn macht.

bron : www.dagelijksevangele.net

Symeon de Nieuwe Theoloog :Hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen

Symeon de Nieuwe Theoloog (ca 949-1022), Griekse monnik Aanroeping van de heilige Geest, inleiding op de hymnen, SC 156

Simeon de nieuwe theoloog2.jpg“Hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen”

Kom, waarlijk licht. Kom, eeuwig leven. Kom, verborgen mysterie. Kom, schat zonder naam. Kom, onuitsprekelijke werkelijkheid. Kom, onbegrijpelijke persoon. Kom, oneindig geluk. Kom, niet ondergaand licht. Kom, onfeilbare verwachting van allen die gered moeten worden. Kom, ontwaken van allen die slapen, Kom, opstanding uit de doden. Kom, Machtige, die altijd doet en opnieuw doet en alles transformeert door uw wil alleen… Kom, U die altijd onbeweeglijk blijft en toch op ieder moment helemaal in beweging bent om bij ons te komen, gelegen tussen de doden, U die boven alles in de hemelen bent… Kom, U die naar mijn ellendige ziel verlangde en verlangt. U de Enige, kom, want U ziet dat ik alleen ben… Kom, U die in mij verlangen bent geworden, dat me naar U doet verlangen, U die de absoluut ontoegankelijke bent. Kom, mijn adem en mijn leven. Kom, troost van mijn arme ziel. Kom, mijn vreugde, mijn heerlijkheid, mijn oneindige blijdschap.
Ik dank U dat U tot één geest met mij bent geworden (Rom 8,16), zonder verwarring, zonder verandering, zonder omvorming, U de God boven alles, en om voor mij alles in allen te zijn geworden (1Kor 15,28)… Ik dank U dat U voor mij een licht zonder ondergang bent geworden, zon zonder daling, want U hebt geen plaats waar U Uzelf kunt verbergen, U die vervuld bent met het universum van uw heerlijkheid. Nee, nooit aan niemand hebt U Uzelf verborgen, maar wij zijn het die ons altijd voor U verbergen, door te weigeren om tot U te gaan…
Kom toch, Meester, zet vandaag uw tent op in mij (Joh 1,14); maak voortdurend uw huis en verblijf in mij, uw dienaar, onafgescheiden tot aan het einde, U die zeer goed bent. En dat ik me, bij mijn heengaan uit deze wereld, ook in U terugvindt, O zeer Goede, en met U heers, God die boven alles bent.

www.dagelijksevangelie.org

Johannes Chrysostomos : Het lijden van Christus en de daarop volgende verheerlijking

H. Johannes Chrysostomus (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar 
Homilie “Vader, als het mogelijk is”; PG 51, 34-35 

 “Het lijden van Christus en de daarop volgende verheerlijking” (1P 1,11)

 

Bij het naderen van zijn dood, riep de Verlosser uit: “Vader, het uur is gekomen, verheerlijk uw Zoon” (Joh 17,1). Welnu, zijn heerlijkheid was zijn kruis. WaaromPaneel van een deesis,15e eeuw,Kerk van de Kruisverheffing, Drogobytch, Lviv region, Ukraïne.JPG zou Hij dan proberen om te vermijden wat Hij eerder had gevraagd? Dat zijn heerlijkheid het kruis zij, het Evangelie leert het ons door te zeggen: “De Geest was er namelijk nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was” (Joh 7,39). Dit is de betekenis van dat woord: de genade was nog niet gegeven, omdat Christus nog niet op het kruis was verheven om God en de mensen te verzoenen. Het was immers het kruis dat de mensen met God heeft verzoend, dat van de aarde een hemel heeft gemaakt, dat mensen met de engelen heeft verenigd. Het kruis heeft de burcht van de dood omvergeworpen, de macht van de duivel vernietigd, de aarde bevrijd van de dwaling, de fundamenten van de Kerk gelegd. Het kruis is de wil van de Vader, de heerlijkheid van de Zoon en de vreugde van de heilige Geest. Het kruis is de trots van Paulus: “Ik denk er niet aan om mij op iets anders te beroemen dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus” (Gal 6,14).

Gregorius Palamas : Ga naar mijn broeders en zusters

H. Gregorius Palamas (1296-1359), monnik, bisschop en theoloog Homilie 20 over de acht evangeliën van Paasmorgen volgens Johannes; PG 151, 265

gregory-palamas.jpg

‘Ga naar mijn broeders en zusters”

      De duisternis heerste buiten, het was nog geen dag, maar in deze graftombe was het vol met het licht van de verrijzenis. Maria had dit licht gezien door de genade van God: haar liefde voor Christus werd verlevendigd en ze kreeg het vermogen om engelen te zien… Ze zeiden toen tegen haar: “Vrouw waarom huil je? U ziet de hemel in deze graftombe of liever een hemelse tempel in plaats van een gegraven graf welke een gevangenis is… Waarom huilt u dan?”…
      Buiten was de dag nog weifelachtig, en de Heer laat niet zijn goddelijke straling verschijnen waardoor Hij herkend zou worden in het lijdende hart. Maria herkent Hem daarom niet… Toen Hij sprak en zich liet kennen…, zelfs toen, ook al zag ze Hem levend, had ze geen idee van zijn goddelijke grootheid maar richtte zich tot Hem als tot een eenvoudig mens van God … In het enthousiasme van haar hart, wil ze zich vervolgens op de knieën werpen, en zijn voeten aanraken. Maar Hij zei tegen haar: “Raak Me niet aan…, want dit lichaam dat Ik nu heb is lichter en beweeglijker dan het vuur; het kan naar de hemel opstijgen en zelfs tot bij de Vader komen in de hoogste hemel. Ik ben nog niet naar mijn Vader opgestegen, omdat Ik me nog niet heb getoond aan mijn leerlingen. Ga naar hen; het zijn mijn broeders en zusters, want wij zijn allen kinderen van één Vader” (cf Ga 3,26)…
      De Kerk waarin we ons bevinden is het symbool van die graftombe. Zij is zelfs meer dan een symbool: zij is, om het zo te zeggen, een ander Heilig Graf. Daar bevindt zich de plaats waar men het lichaam van de Meester neerlegt…; daar bevindt zich de heilige tafel. Degene die dus met heel zijn hart naar het goddelijk graf snelt, het ware verblijf van God…, zal op de wijze van de engelen, leren van de woorden uit de geïnspireerde boeken, over de goddelijkheid en de menselijkheid van het vleesgeworden Woord van God. Hij zal zo zonder enige vergissing de Heer zelf zien… Want degene die met geloof naar de mystieke tafel en naar het levensbrood erop kijkt, zal er in werkelijkheid het Woord van God zien dat voor ons vlees geworden is en onder ons is komen wonen (Joh 1,14). En hij zal waardig zijn om Hem te ontvangen, niet alleen ziet hij Hem, maar hij neemt ook deel aan zijn wezen; hij ontvangt Hem in zichzelf opdat Hij er verblijven zal.

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Johannes Chrysostomos : Bij het kruis van Jezus stond zijn moeder

H. Johannes Chrysostomus (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar Sermon over het woord “begraafplaats” en het kruis voor Goede Vrijdag, 2 ; PG 49, 396

Chrysostomos Basilios en Gr. van Nazianze.jpg

Chrysostomos, Basilios en Gregorios van Nazianze

“Bij het kruis van Jezus stond zijn moeder”

 

Zie je deze bewonderenswaardige overwinning? Zie je het slagen van het kruis? Ga ik je nu iets nog bewonderenswaardiger zeggen? Leer de wijze kennen waarop deze overwinning zich verwerkelijkt heeft en je zult nog meer verbaasd zijn. Wat de duivel deed overwinnen, is hetzelfde waarmee Christus hem heeft overheerst. Hij heeft hem verslagen met de wapens die de duivel had gebruikt. Luister hoe. Een maagd, het hout en de dood, dat zijn de symbolen van de nederlaag. De maagd dat was Eva want ze heeft zich niet verenigd met de man; het hout, dat is de boom; en de dood is de last die Adam opgelopen had. Maar zie daarentegen dat de maagd, het hout en de dood, deze symbolen van de nederlaag, symbolen van de overwinning zijn geworden. In plaats van Eva, Maria; in plaats van het hout van kennis van goed en kwaad, het kruishout; in plaats van de dood van Adam, de dood van Christus.
Zie je hoe de duivel overwonnen werd? Met de boom had hij Adam overwonnen; met het kruis zegevierde Christus over de duivel. De boom stuurde naar de hel, het kruis liet hen, die er in waren afgedaald, er uit terugkomen. Bovendien diende de boom om de mens die zich schaamde om zijn naaktheid verbergen, terwijl het kruis in de ogen van allen, een naakte mens heeft opgeheven, maar als overwinnaar…
Zie hoe het wonder van het kruis zich ten gunste van ons heeft gerealiseerd: het kruis is de trofee opgericht tegen de duivels, het getrokken zwaard tegen de zonde, het zwaard waarmee Christus de slang heeft doorboord. Het kruis is de wil van de Vader, de heerlijkheid van de eniggeboren Zoon, de vreugde van de heilige Geest, de schittering van de engelen, de zekerheid van de kerk, de trots van Paulus (Gal 6,14), de verdedigingsmuur van de uitverkorenen, het licht voor de hele wereld.

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Macarius van Egypte : Totdat het deeg in zijn geheel gegist was

Homilie toegekend aan Macarius van Egypte (?-390),monnik
Nr. 24, 4 ; PG 34, 662

Macarius_of_Egypt (de grote)1.jpg

Macarios van Egypte

“Totdat het deeg in zijn geheel gegist was”

 

 

      Als iemand het meel kneed zonder er gist in te doen, dan kun je je er van alles aan doen, het aanlengen en bewerken, het deeg zal niet omhoog komen en het zal geen dienst kunnen doen als voedsel. Maar als men er gist doorheen mengt, dan trekt dat het door het hele deeg en laat het helemaal rijzen, net als in de vergelijking die de Heer toepast op het Koninkrijk… Dat geldt ook voor het vlees: wat voor zorg men er ook aan besteedt, als men er geen zout bij doet om het te bewaren, dan zal het gaan stinken en blijft het niet meer geschikt voor consumptie. Stel je op gelijke wijze de hele mensheid voor als vlees of als deeg, en bedenk dat de goddelijke natuur van de heilige Geest het zout en het gist is, die van een andere wereld komen. Als het hemelse gist van de heilige Geest en het goede zout van de goddelijke natuur… niet in de nederige menselijke natuur worden gebracht en ermee worden vermengd, dan zal de ziel nooit de slechte geur van de zonde kwijtraken en ze zal niet oprijzen door de zwaarte en de krachteloosheid van het “oude gist” verliezen (1Kor 5,7)…

      Als de ziel alleen leunt op zijn eigen kracht en zich in staat acht om uit zichzelf zonder de hulp van de heilige Geest volledig te slagen, dan vergist ze zich in hoge mate; ze is niet geschikt voor de hemelse verblijven, niet voor het Koninkrijk… Als de zondaar God niet nadert, de wereld niet verzaakt, niet in hoop en geduld wacht op iets goeds dat vreemd is aan de eigen natuur, dat wil zeggen de kracht van de heilige Geest, als de Heer niet van boven zijn eigen goddelijk leven in deze ziel inblaast, dan zal deze mens nooit proeven van het ware leven… Daarentegen als hij de genade van de heilige Geest heeft ontvangen, als hij zich daar niet van afkeert, als hij Hem niet beledigt met zijn slordigheid en slechte daden, als hij lang standhoudt in de strijd, dan zal hij “de heilige Geest niet bedroeven” (Ef 4,30), hij zal het geluk hebben door het ontvangen van het eeuwige leven.

bron : www.Dagelijksevangelie.org

Johannes Chrysostomos : Heb geduld met mij

H. Johannes Chrysostomos (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna van Constantinopel, Kerkleraar 
Homilie over de proloog van het evangelie van Mattheus, nr. 61 

chrysostom18 modern russisch-amerikaans  detail kon.deur [1600x1200].jpg“Heb geduld met mij”

 

      Christus vraagt twee dingen van ons: om onze eigen zonden te veroordelen en om die van anderen te vergeven; het eerste doen omwille van het tweede, wat dan gemakkelijker zal zijn, want degene die aan zijn eigen zonden denkt, zal minder streng zijn voor zijn metgezel in de ellende. En niet alleen met de mond vergeven, maar diep vanuit het hart, om zo niet het zwaard tegen onszelf te keren waarmee we anderen denken te doorsteken. Welk kwaad kan een vijand je doen als het vergelijkbaar is met wat jij zelf doet door je bitsheid? 
      Zie dus hoeveel voordeel je haalt uit het nederig en met zachtheid ontvangen van een belediging. Je verdient zo ten eerste – en dat is het belangrijkst- vergeving voor je zonden. Je oefent je vervolgens in het geduld en de moed. In de derde plaats verwerf je zachtmoedigheid en liefde, want degene die niet in staat is om kwaad te worden op hen die hem onrecht aan doet, zal veel liefdevoller zijn naar hen die hem liefhebben. In de vierde plaats ontwortel je de woede volledig uit je hart, wat een onvergelijkelijk goed is. Wat zijn ziel van de woede bevrijdt, ontdoet het ook van de droefheid: hij zal zijn leven niet in smarten en angstige ijdelheden slijten. Zo pijnigen wij onszelf door anderen te haten; wij doen onszelf goed door hen lief te hebben. Overigens zullen allen je eren, zelfs je vijanden, zelfs als het demonen zijn. Beter nog door je zo te gedragen, zul je zelfs geen enkele vijand meer hebben. 

bron : www.Dagelijksevangelie.org

Ireneus van Lyon : Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven

H. Ireneüs van Lyon (ca.130-ca. 208), bisschop, theoloog en martelaar Tegen de ketterijen, IV, 37

Ireneus van Lyon 224.jpg“Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwig leven”

      God heeft de mens vrij gemaakt… opdat hij vrijwillig en zonder vrees op zijn oproep kan antwoorden. Het geweld bestaat immers niet bij God, maar Hij nodigt ons onophoudelijk uit tot het goede. Hij heeft in de mens het vermogen om keuzes te maken gelegd, zoals Hij dat bij de engelen heeft gedaan… En niet alleen op het gebied van zijn activiteit, maar ook op het gebied van het geloof heeft de Heer de vrijheid… van de mens bewaard. Hij zei immers: “Alles kan voor wie vertrouwen heeft” (Mc 9,23), en elders “Ga maar naar huis; het moge u gaan overeenkomstig uw vertrouwen” (Mt 8,13). Beide teksten tonen aan dat de mens zelf zijn doel bepaalt naar wat hij wel of niet kiest te geloven. Daarom “bezit, wie in de Zoon gelooft, eeuwig leven, maar wie niet naar de Zoon wil luisteren, zal het leven niet zien”…
      Dan zal men zeggen, zou het beter geweest zijn als God de engelen niet met de mogelijkheid geschapen had om zijn Wet te overtreden. Hij zou ook de mensen niet geschapen moeten hebben, omdat ze al snel ondankbaar naar Hem werden: immers dat is het risico dat vastzit aan hun rede, die in staat is om te onderzoeken en om te oordelen. Hij had ze in gelijkenis met de wezens zonder rede en zonder eigen leven, moeten scheppen… Maar in dat geval zou het goede geen enkele aantrekkingskracht hebben op de mensen, hun eenheid met God zou in hun ogen geen enkele waarde hebben. Het goede zou in hen geen enkel verlangen oproepen, omdat het verkregen zou zijn zonder dat ze ernaar zouden zoeken…; het goede zou in hen ingeschapen zijn, het zou vanzelf gaan… Als de mens van nature goed was en niet uit zijn wil…, zou hij niet meer begrijpen dat het goede mooi is, hij zou er niet van kunnen genieten. Wat voor een vreugde over het goede zouden zij, die er onwetend van zijn, kunnen hebben? En wat voor heerlijkheid, als ze er geen enkele moeite voor hoefden doen? Wat voor kroon, voor hen die er niet voor hoefden te vechten om die te krijgen?… Daarentegen hoe meer onze beloning afhangt van strijd, hoe kostbaarder ze is; hoe kostbaarder ze is, hoe meer we ervan houden.

www.Dagelijksevangele.org