




H. Gregorius de Grote (ca. 540-604)
paus en kerkleraar
Homilie over het Evangeliën, nr 16, 5 (vert. Evangelizo.org)

We beginnen vandaag met de heilige Veertigdagentijd, en wij moeten aandachtig onderzoeken waarom de onthouding gedurende veertig dagen wordt gehouden. Mozes, heeft veertig dagen gevast om de Wet voor de tweede maal te ontvangen (Ex 24,28). Elia heeft veertig dagen niet gegeten in de woestijn (1 Kon 19,8). De Schepper van de mensen Zelf, die onder de mensen kwam, nam geen enkel voedsel tot Zich gedurende veertig dagen (Mt 4,2). Laten wij dan ook moeite doen, voor zover dat het ons mogelijk is, om ons lichaam te beteugelen door de onthouding in deze jaarlijkse periode van veertig dagen…, om “een levende hostie” (Rm 12,1) te worden zoals Paulus zegt. De mens is een offer dat tegelijk levend en geofferd is (cf Ap 5,6) omdat we, zonder dit leven te verlaten, toch moeten sterven aan de verlangens van deze wereld.
Lees verder “Gregorius de Grote -Homilie over de evangelieën”


H. Leo de Grote (? – ca 461)
paus en Kerkleraar
Brief 28 aan Flavius, 3-4 ; PL 54, 763-767

Paus Leo de Grote
Gods majesteit heeft onze nietswaardigheid aangenomen, zijn kracht onze zwakheid, zijn eeuwigheid onze sterfelijkheid. En om de schuld te delgen die op ons menselijk bestaan drukt, heeft de onkwetsbare natuur zich verenigd met onze aan lijden onderworpen natuur. Dit heeft tot gevolg gehad dat één en dezelfde Middelaar tussen God en de mensen, de mens Jezus Christus, enerzijds wel, maar anderzijds niet kon sterven, hetgeen aan onze genezing ten goede kwam.
Lees verder “Leo de Grote : Allen die Hem aanraakten werden gered”
H. Augustinus (354-430)
bisschop van Hippo (Noord Afrika) en kerkleraar
Overweging over de psalmen, psalm 109 (vert. brevier)

God heeft een tijd vastgesteld om zijn beloften te doen, en een tijd om die beloften in vervulling te laten gaan. De tijd van de beloften gaat van de profeten tot Johannes de Doper; de tijd van de vervulling, van Johannes de Doper tot het einde der eeuwen. Getrouw is God die zichzelf tot onze schuldenaar maakte, niet door wat dan ook van ons te ontvangen, maar door zulke grote goederen te beloven. Beloven was nog niet genoeg. Hij heeft zichzelf schriftelijk willen verplichten door als het ware een schuldbekentenis te tekenen ter bekrachtiging van zijn beloften, zodat wij in het boek der beloften het verloop van de vervulling kunnen volgen. De tijd van de profetieën was de voorspelling van de beloften, zoals we al dikwijls gezegd hebben.

paus en Kerkleraar
3e sermon voor Kerstmis; SC 22 bis (vert. © Evangelizo.org)

De incarnatie van het Woord van God betreft het verleden als ook de toekomst; in geen enkele tijd, hoe onbeduidend ze ook was, werd het heil voor de mensen ooit onthouden. Wat de apostelen gepredikt hebben, hadden de profeten al aangekondigd, en men kan niet zeggen dat wat altijd al geloofd werd, te laat vervuld werd. Anders dan het heilswerk heeft God in zijn wijsheid en goedheid ons het meest geschikte gegeven om te antwoorden op zijn roep…, dankzij deze oude en veelvuldige verkondigingen.
Het is dus niet waar dat God voorzien heeft in menselijke zaken door zijn plan te veranderen en om bewogen te worden door een verlate barmhartigheid: vanaf de schepping van de wereld, heeft Hij voor allen een en dezelfde weg naar het heil uitgevaardigd. De genade van God waardoor alle heiligen altijd gerechtvaardigd werden, is immers steeds groter geworden en is niet pas begonnen toen Christus geboren werd. Dat mysterie van een grote liefde die nu de gehele wereld heeft vervuld, was reeds even krachtig in de tekenen die het voorafgingen; zij die er in geloofd hebben toen Hij beloofd werd, zijn niet minder gezegend dan zij die Hem ontvangen hebben toen Hij gegeven werd.
Lees verder “Leo de Grote : Gezegend zij de God en Vader van Jezus Christus”
priester, vertaler van de Bijbel, Kerkleraar
Commentaar op Matteüs III, 13-16 ; SC 242 (vert. Evangelizo.org)

“Toen kwam Jezus uit Galilea naar Johannes bij de Jordaan om zich door hem te laten dopen.” De Verlosser ontving de doop van Johannes om drie redenen. De eerste reden was omdat Hij, als mens geboren, alle nederige voorschriften van de wet wilde vervullen; de tweede reden om door zijn doop de doop van Johannes te bekrachtigen; en de derde reden gebeurde toen Hij het water van de Jordaan heiligde door de neerdaling van de duif om daarmee de komst van de heilige Geest te tonen in de doop van de gelovigen.
Abba Isaias (einde 4de eeuw?)
Logos 18,10
Niemand mag zich tot God richten, als hij met een ander nog niet in het reine is. God vergeeft niet zolang wij niet vergeven hebben.
Als u bemerkt dat uw hart niet zuiver is tegenover velen, vraag dan niets aan de Heer. U beledigt Hem, want hoewel zelf een zondaar en wrokkend op een mens uw gelijke, zegt u tot Hem die uw hart doorvorst: “Vergeef mij mijn zonden”. Zo iemand bidt niet met de geest, maar met de lippen, zonder begrip. Wie naar waarheid tot God wil bidden in de geest, in de heilige Geest en met een rein hart, onderzoekt zijn hart alvorens te bidden, of hij met niemand op gespannen voet leeft. En als dat het geval is, dan bedriegt hij zichzelf en niemand luistert naar hem, omdat zijn geest niet bidt, het gaat alleen maar over de gewone uren van de gebedsdienst. Wie echter zijn werk (zijn gebed) zuiver wil verrichten, zal beginnen met na te gaan hoe het staat met zijn geest. Bent u zelf – terwijl u zegt: “Wees mij barmhartig” – barmhartig voor wie u smeekt? En terwijl u zegt: “Vergeef mij”, vergeeft u zelf, armzalige? En als u zegt: “Wees mijn misstappen niet indachtig”, ziet u zelf de misstappen van uw evenmens door de vingers? En als u zegt : “Gedenk niet de boosheden, die ik vrijwillig of noodgedwongen bedreven heb”, wel, als er (bij u) dwang was, moet u van uw kant een ander ook niets aanrekenen. Als u nog niet zover bent om dat te doen, bidt u tevergeefs, God zal u niet verhoren. Heel de Schrift leert: “Vergeef mij”. En in het gebed (Onze Vader) volgens Matteüs (6,12) zei Hij eveneens: “En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaars vergeven” en in dat volgens Lucas: “Indien u de mensen hun misstappen vergeeft, zal ook uw Vader in de hemelen vergiffenis schenken” (niet Lucas, maar Mt. 6,14).
H. Augustinus (354-430)
bisschop van Hippo (Noord Afrika) en kerkleraar
Overwegingen over het Evangelie van Johannes, nr 7 (vert. Evangelizo.org)

“Johannes was daar weer; twee van zijn leerlingen waren bij hem.” Johannes was zo’n goede “vriend van de Bruidegom”, dat hij niet zijn eigen glorie zocht: hij gaf eenvoudigweg getuigenis van de waarheid (Joh 3,29.26). Zou hij erover denken om zijn leerlingen bij zich te houden en ze beletten om de Heer te volgen? Helemaal niet, hij toont hen zelfs zelf wie ze moeten volgen… Hij verklaart hen: “Waarom hechten jullie je aan mij? Ik ben het Lam van God niet. Daar is het Lam van God… Dat is Degene die de zonden van de wereld wegneemt.”



H. Petrus Chrysologus (ca 406-450) bisschop van Ravenna en kerkleraar
Sermon 152 ; PL 52, 604 (vert. © Evangelizo.org)

Waartoe leidt de jaloezie?… De misdaad van vandaag toont het ons: de angst voor een rivaal voor zijn aardse koninkrijk vervult Herodus met vrees, hij smeedt een complot om “de Koning die zojuist geboren is”, te verwijderen (Mt 2,2), de eeuwige Koning; hij bestrijdt zijn Schepper en doodt onschuldigen… Wat hebben deze kinderen verkeerd gedaan? Hun tongen waren nog stom, hun ogen hadden nog niets gezien hun oren niets gehoord, hun handen hadden niets gedaan. Zij die het leven nog niet kenden, kregen de dood… Christus leest in de toekomst en kent het geheim van hun harten, Hij beoordeelt hun gedachten en doorgrondt hun intenties (Ps 139): waarom heeft Hij hen verlaten?… Waarom zorgt de koning van de hemel, die zojuist was geboren, niet voor deze metgezellen in de onschuld? Vergeet Hij hen die de wacht houden bij zijn wieg, zodat de vijand die de Koning wilde bereiken, zijn hele leger heeft verwoest?
H. Ireneus van Lyon (ca130-ca 208)
bisschop, theoloog en martelaar.Tegen de ketterijen III, 10, 1 (vert. © Evangelizo.org)

Over Johannes de Doper lezen we in Lucas: “Hij zal groot zijn in de ogen van de Heer… en hij zal velen uit het volk van Israël tot de Heer, hun God, brengen. Als bode zal hij voor God uitgaan met de geest en de kracht van Elia … om zo het volk gereed te maken voor de Heer” (Joh 1,15-17). Voor wie heeft hij een volk gereed gemaakt, en voor welke Heer was hij groot? Ongetwijfeld voor Hem die gezegd heeft dat Johannes “meer was dan een profeet” (Mt 11,9.11). Want hij bereidde een volk voor, door van te voren aan zijn mededienaren de komst van de Heer te verkondigen en door hen op te roepen tot bekering, opdat, als de Heer aanwezig zou zijn, ze dan allen klaar zouden zijn om zijn vergeving te ontvangen, om terug te komen bij Hem van wie ze vervreemd waren door hun zonde…
H. Beda de Eerbiedwaardige (ca 673-735)
monnik, kerkleraar CCL 122, 32-36 (vert. © Evangelizo.org)CCL 122, 32-36
Homilie voor het Vigilie van Kerstmis, 5

“De Heer zal u zelf een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen” (Jes 7,14). De naam van de Redder “God met ons”, die gegeven werd door de profeet, betekent de twee naturen van zijn unieke persoon. Hij die immers God is, geboren uit de Vader voor alle tijden, is zelf Immanuel op het einde der tijden, dat wil zeggen God met ons. Hij is het geworden in de schoot van zijn moeder, omdat Hij het gewaagd heeft om de kwetsbaarheid van onze natuur te aanvaarden in de eenheid van zijn persoon, want “het Woord is vleesgeworden en heeft onder ons gewoond” (Joh 1,14). Dat wil zeggen dat Hij op een bewonderenswaardige wijze is begonnen om te zijn wat wij zijn, zonder op te houden te zijn wat Hij was, door onze natuur op te nemen op een wijze waarop Hij wat Hij was niet verloor…
De naam Christus is een titel van koninklijke en priesterlijke waardigheid. Want de priesters en de koningen, onder de oude Wet, werden christussen genoemd door het chrisma. Deze zalf van heilige olie verbeeldde Hem die in de wereld kwam als ware koning en priester, “met vreugdeolie gezalfd, als geen van uw gelijken” (Ps 45,8). Door deze zalving of chrisma, worden Christus in eigen persoon en zij die deelnemen aan dezelfde zalving, dat wil zeggen de geestelijke genade, ‘christenen’ genoemd. Door het feit dat Hij de Verlosser is, kan Christus ons verlossen van de zonden; door het feit dat Hij priester is, kan Hij ons verzoenen met God de Vader; door het feit dat Hij koning is, waagt Hij het om ons het eeuwige Rijk van zijn Vader te geven.
H. Leo de Grote (? – ca 461), paus en Kerkleraar
Eerste sermon voor Kerstmis; PL 59,190

Onze Redder is vandaag geboren, dierbare broeders en zusters: laten we ons verheugen! Droefheid is niet gepast op de dag waarop het Leven geboren wordt. Deze dag vernietigt de vrees voor de dood en vervult ons met vreugde door de belofte van de eeuwigheid. Niemand wordt uitgesloten van deze blijdschap; één en hetzelfde motief van vreugde is voor allen gelijk. Want onze Heer, die de zonde en de dood kwam vernietigen…, is gekomen om alle mensen te bevrijden. Dat de heilige jubelt, want hij nadert de overwinning. Dat de zondaar zich verheugt, want hij is uitgenodigd voor vergeving. Dat de heiden moed mag krijgen, want hij is tot het leven geroepen. Wanneer immers de volheid van de tijd is gekomen, welke vastgesteld is door de onpeilbare diepte van het goddelijk plan, heeft de Zoon van God onze menselijke natuur aangenomen om deze te verzoenen met zijn Schepper…
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.