Basilius van Seleusië : Andreas bracht zijn broer bij Jezus

Basilius van Seleusië (?-ca. 468), bisschop Sermon ter ere van de heilige Andreus, 3-4

 

basil_of_seleucia.jpg

Basilius van Seleucië

“Andreas bracht zijn broer bij Jezus”

 

Andreas had dit woord van Mozes gehoord: “Uit uw eigen broeders zal de Heer uw God een profeet laten opstaan zoals ik, naar wie u moet luisteren” (Dt 18,15). Maar hij hoorde ook Johannes de Doper roepen: “Daar is het Lam van God” (Joh 1,29) Toen hij Hem zag, ging hij spontaan naar Hem toe. Hij herkende de profeet die aangekondigd werd door de profetie, en hij leidde zijn broer aan de hand mee naar Degene die hij had gevonden. Hij toonde Petrus de schat die hij niet kende: “We hebben de Messias gevonden, Degene naar wie we verlangden. Wij hebben op zijn komst gewacht, laten we Hem nu aanschouwen. We hebben Hem gevonden over wie de luide stem van de profeten ons aanspoorde om op Hem te wachten. Deze tijd heeft Degene meegebracht die de genade had verkondigd, Degene die de liefde wenste te zien”. Andreas ging zijn broer Simon opzoeken om met hem de schat van zijn aanschouwen te delen. Hij leidde Petrus naar de Heer. Wat een verbazingwekkend wonder! Andreas was nog geen leerling en hij werd al leider van mensen. Door te onderrichten begon hij te begrijpen en verkreeg hij de waardigheid van een apostel: “Wij hebben de Messias gevonden. Na zoveel nachten die we slapeloos aan de oevers van de Jordaan hebben doorgebracht, hebben we eindelijk het doel van ons verlangen gevonden”. Petrus volgde die roep meteen op. Hij was de broer van Andreas en hij is vol ijver en met opengesperde oren doorgegaan… Later toen Petrus een bijzondere leiding kreeg, had hij dat te danken aan wat Andreas had gezaaid. Maar de lofzang die tot de één wordt gericht weerklinkt eveneens op de ander. Want het goede van de één behoort aan de ander, en de één verheerlijkt zich met het goede van de ander.

www.dagelijksevangelie.org

Gregorius de Grote : Hebt u mijn zielsbeminde gezien ?

H. Gregorius de Grote (ca. 540-604), paus en kerkleraar Homilie over het Evangelie, 25,1-2.4-5 ; PL 76, 1189-1193 

Gregorius de grote8.jpg

 “Hebt u mijn zielsbeminde gezien?”

 

Hoe grote liefde woonde er in het hart van die vrouw: terwijl zelfs de leerlingen naar huis gingen, bleef zij, onwrikbaar, bij het graf van de Heer. Zij bleef zoeken naar Hem die zij niet gevonden had. Zij zocht onder tranen. Door het vuur van de liefde tot Hem ontstoken, brandde zij van verlangen naar Hem die zij weggenomen waande. Zo kwam het dat alleen zij Hem toen mocht zien, omdat zij gebleven was om Hem te zoeken. De kracht van het goede werk bestaat immers in de volharding. De stem van de Waarheid zegt: “Wie ten einde toe volhardt, zal gered worden” (Mt.10, 22)… Door het wachten waren haar verlangens gegroeid en zo konden zij vasthouden wat zij hadden gevonden. Heilige verlangens groeien door het wachten, maar als zij ten gevolge van het wachten verzwakken, zijn het geen echte verlangens geweest. Van deze liefde heeft iedereen gegloeid die tot de waarheid heeft kunnen komen. Daarom zegt David: “Mijn ziel heeft dorst naar God die leeft; zal ik Hem ooit bereiken en zijn aanschijn zien?” (Ps.42,3). Daarom ook zegt de kerk in het Hooglied: “Ik ben gewond door de liefde” en ook: “Ik ben ziek van liefde” (Hoogl. 2,5).”Vrouw, waarom schreit u? Wie zoekt u?” Men vraagt haar naar de oorzaak van haar smart. Zo wordt haar verlangen nog groter. Want, wanneer zij de naam noemt van Hem die zij zoekt, zal zij nog meer gloeien van liefde. Jezus zegt tot haar: “Maria!” Eerst spreekt Hij haar aan met het algemene woord ‘vrouw’ en zij herkent Hem niet. Maar dan noemt Hij haar bij haar naam. Het is alsof Hij duidelijk zegt: “Herken Hem door wie je gekend wordt: Ik ken je niet in het algemeen, zoals Ik de anderen ken. Ik ken je op een heel bijzondere wijze.” Omdat Maria bij haar naam genoemd wordt, herkent zij degene die spreekt, en noemt Hem onmiddellijk “Rabboeni”, dat wil zeggen: ‘Leraar’. Want Hij was het die zij buiten zocht, terwijl Hij in haar binnenste aanwezig was en zelf haar leerde Hem te zoeken.

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Cyrillus van Jeruzalem : Vergroot ons geloof

 


Izaak de Syriër (7e eeuw), monnik nabij Mossoel
Ascetische uiteenzetting, 1ste serie, nr. 2

 

isaac the syrian.jpg

 

 

De verdwaalde schapen


 Heer Jezus Christus onze God, ik heb geen hart dat moeite doet om U te gaan zoeken, noch om berouw te hebben, noch vol van tederheid, ik heb niets wat kinderen tot hun erfdeel leidt. Meester, ik heb geen tranen om te bidden. Mijn geest is verduisterd door de dingen van dit leven en heeft niet de kracht om naar U uit te reiken in zijn verdriet. Mijn hart is koud tijdens de beproevingen, en de liefdestranen voor U kunnen zich niet verwarmen. Maar U, Heer Jezus Christus mijn God, schatkist van het goede, geef mij volledig berouw en een hart vol liefdesverdriet, opdat ik met heel mijn ziel naar U op zoek ga, want zonder U zal ik van al het goede verstoken zijn; o goede God, geef mij Uw genade. Dat de Vader die U, buiten de tijd in de eeuwigheid, heeft verwekt in zijn schoot, in mij de vormen van Uw beeld moge vernieuwen.

      Ik heb U verlaten; verlaat mij niet. Ik ben van U weg gegaan; ga naar mij op zoek. Leid mij naar Uw weidegronden; reken mij tot de schapen van Uw uitgekozen kudde. Voed mij samen met hen met het groene gras van Uw goddelijke mysteriën, waarvan het zuivere hart het verblijf is. Dat hart, dat in de schittering van Uw openbaringen, troost en zoetheid bevat, van hen die in de kwellingen en de beledigingen, moeite gedaan hebben voor U. Zouden wij een dergelijke heerlijkheid waardig mogen zijn, door uw genade en uw liefde voor de mens, U onze Redder Jezus Christus, in de eeuwen der eeuwen, Amen.


 

H. Gregorius van Nazianze : “Zie, mijn Dienaar, die Ik heb uitverkoren”

H. Gregorius van Nazianze (330-390), bisschop en kerkleraar
Homilie nr 44 voor Pasen; PG 36, 633 

 

 

 

 

Gregor_von_Nazianz_der_Juengere741.jpg

“Zie, mijn Dienaar, die Ik heb uitverkoren”

 

      Gods Zoon zelf, het Woord, bestond voordat de tijd een aanvang nam, de onzichtbare, de onbegrijpelijke, de onstoffelijke, het begin van het begin, het licht uit het licht, de bron van het leven en de onsterfelijkheid; de afdruk van het goddelijk oerbeeld, het onuitwisbaar zegel, het weergaloos beeld en het laatste Woord van de Vader. (Heb 1,3) Hij treedt nu zijn eigen beeld tegemoet (Gn 1,27) omkleedt zich met een menselijk lichaam omwille van de mens, neemt een geest en ziel aan omwille van mijn ziel om aan ons gelijk te worden en ons te reinigen. In alles wordt Hij mens, behalve in de zonde. …Hij die anderen hun rijkdom schenkt, wordt arm, maar Hij neemt de armoede van mijn lichaam aan om mij met zijn godheid te verrijken. Hij die de volheid is, ontledigt zich, Hij ontdoet zich voor een korte tijd van zijn eigen heerlijkheid om mij te laten delen in zijn overvloed.

      Wat een overstelpende goedheid! Wat een mysterie omwille van mij! Ik droeg het beeld van God, maar ik heb het verloren. Nu neemt Hij mijn mens-zijn aan om dat beeld te redden en aan mijn mens-zijn onsterfelijkheid te verlenen. Hij treedt met ons opnieuw in een gemeenschap, en wel een die de eerste ver overtreft. Zo moest door de menswording van God de mens worden geheiligd en God zelf wilde ons bevrijden door met kracht de tiran te overwinnen. Hij wilde ons tot zich terugbrengen door de bemiddeling van zijn Zoon die dit heeft volbracht tot eer van zijn Vader, aan wie Hij zich in alles gehoorzaam heeft getoond. 

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

 

Gregorius van Nyssa : Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zondar herder

H. Gregorius van Nyssa (ca. 335-395), monnik en bisschop
Homilie over het Hooglied; PG 44, 801

 

Gregorius van Nyssa77.jpg

 

 

“Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder”

 

Waar weidt U uw kudde, goede Herder die heel de kudde op uw schouders draagt? Want heel de menselijke natuur is dat ene schaap, dat U op uw schouders genomen hebt. Toon me de groene wei, laat me het water van de rust kennen, leid me naar het voedzaam gras, roep me bij mijn naam, opdat ik uw stem hoor, ik die uw schaap ben, en geef me door uw stem het eeuwig leven.

“Ja, zeg het mij, mijn Zielsbeminde. Zo noem ik U, omdat uw naam boven alle namen is en door geen enkel redelijk schepsel uitgesproken of begrepen kan worden. Die naam duidt op uw goedheid en getuigt van mijn gevoelens voor U. Hoe zou ik U niet beminnen, die mij zo bemind hebt, – en dat terwijl ik helemaal zwart was -, dat U uw leven gaf voor de schapen die U hoedde? Men kan geen grotere liefde uitdenken dan die waardoor U uw leven gaf voor mijn heil”.

“Maak me dan bekend ‘waar Je je kudde weidt’, zegt de bruid, dan kan ik de weide van het heil vinden en door de hemelse spijs gevoed worden, waarvan gezegd is dat niemand het leven binnen kan gaan als hij er niet van eet. Dan zal ik naar U, die de bron bent, toelopen en met volle teugen drinken van het goddelijk water dat U doet ontspringen voor degenen die dorst hebben. Sinds de lans de ader geopend heeft, vloeit het water voortdurend uit uw zijde, en degene die ervan drinkt, wordt een bron van water dat opborrelt tot eeuwig leven”

(Bijbelse referenties: Hoogl 1,7; Lc 15,5; Ps 23; Joh 10,3; Hoogl 1,7; Fil 2,9; Hoogl. 1,5; Joh 10,11; 15,13; 19,34; 4,14)

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org 

Augustinus : Jezus als de Weg

Augustinus :

Jezus als de Weg

 

Augustine_Hippo_small.jpg

Het is onze opgave te lopen, maar dan op de weg te lopen. Wie de goede weg niet heeft, mist zijn doel; of erger nog, hij mat zich nutteloos af. Want hoe meer iemand zich inspant zonder de goede weg te hebben, des te verder dwaalt hij af. Welk is de weg die wij gaan ? Christus heeft gezegd : ‘Ik ben de Weg’. Wat is het vaderland waarnaar wij op weg zijn ? Christus heeft gezegd : ‘Ik ban de Waarheid’ . Ga langs Christus, ga naar Christus en vind uw rust in Hem. Om langs Hem te kunnen gaan, is Hij tot ons gekomen. Wij waren ver van Hem aan het ronddolen. Dat we ver van Hem aan het ronddolen waren, is eigenlijk nog te weinig gezegd : we konden ons van uitputting nauwelijks nog bewegen. Daarom kwam de geneesheer tot de zieken, kwam de weg tot de dolenden. Laten we ons door Hem redden, laten we langs Christus gaan.

Dat is geloven dat Jezus de Christus is. Zo geloven christenen die niet alleen in naam christen zijn, maar het ook zijn door hun daden en leven. Zo geloven de demonen niet, want volgens de schrift geloven de demonen ook dat God bestaat en ze beven van angst. Het geloof van de demonen kon niet verder komen dan de vaststelling ‘We weten wie gij zijt : de Zoon van God’. Wat de demonen zeiden, zei Petrus eveneens. Toen Jezus zijn leerlingen vroeg, wie Hij was en wat de mensen van Hem dachten, antwoordden ze : ‘Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten’ Toen vroeg Jezus : ‘En gij, wie zegt gij dat Ik ben ?’ En Petrus antwoordde : ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God’. Toen mocht Petrus van de Heer horen : ‘Gelukkig zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is”. Zie wat een lof dit geloof bewezen wordt : ‘Gij zijt Petrus en op deze rots zal ik mijn Kerk bouwen’. Wat betekenen de woorden ‘op deze rots zal ik mijn Kerk bouwen ?’ ‘Op deze rots’ betekent : op het geloof, dat zojuist beleden werd met de woorden ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God’. ‘Op deze rots’ zegt Jezus, ‘zal ik mijn Kerk bouwen’ Wat een eer.

Uit : ‘Eenheid en liefde’ : Augustinus preken over de eerste brief van Johannes pp.163-164 .Vertaald door dr. TJ van Bavel

Cyrillus van Jeruzalem : Ik ben het brood des levens

H. Cyrillus van Jeruzalem (313-350) bisschop van Jeruzalem en kerkleraar Doopcatechese 22

cyril-of-jerusalem 2.png

 

“Ik ben het brood des levens”

 

      Als Christus zelf over het brood zegt: “Dit is mijn lichaam”, wie zou daarover dan nog kunnen aarzelen? En als Hij bevestigt: “Dit is mijn bloed”, wie zou er dan nog over twijfelen? Eerder in Cana in Galilea had Jezus water in wijn veranderd – de wijn is verwant aan het bloed. Wie zou nu nog weigeren om te geloven dat Hij wijn in bloed verandert? Hij was op een bruiloft hierbeneden uitgenodigd en Hij deed een verbazingwekkend wonder; hoe kan men dan nog weigeren wat Hij geeft aan “de vrienden van de bruidegom” (Mt 9,15), namelijk de vreugde van zijn Lichaam en zijn Bloed?       Want zijn lichaam wordt gegeven in de verschijning van brood, en zijn bloed in de verschijning van wijn; als je hebt deelgenomen aan het lichaam en bloed van Christus, dan ben je met Hem één en hetzelfde lichaam en één en hetzelfde bloed. Zo worden wij “dragers van Christus” (Christoffel). Zijn lichaam en zijn bloed verspreiden zich in onze ledematen; zo worden we deelgenoot aan de goddelijke natuur. Eerder toen Hij zich met de joden onderhield zei Christus: “Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal Ik op de laatste dag uit de dood opwekken” (Joh 6,54). Als het brood en de wijn je alleen maar natuurlijk lijken, eindig daar dan niet … Als je zintuigen je op een dwaalspoor brengen, dan stelt het geloof je gerust.       Wanneer je dus naderbij komt om Hem te ontvangen, kom dan niet respectloos naar voren, door je handen uit te spreiden, de vingers uit elkaar. Maar daar de Koning op je rechterhand gaat rusten, maak daarom voor Hem een troon met je linkerhand, en ontvang in de holte van je hand het Lichaam van Christus en antwoordt: Amen!

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Augustinus : Hij moet groter worden en ik kleiner (Joh 3,30)

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en kerkleraar Overweging over de geboorte van Johannes de Doper

“Hij moet groter worden en ik kleiner” (Joh 3,30)

 

      De geboorte van Johannes en van Jezus en vervolgens hun Lijden, laten het verschil tussen hen zien. Want Johannes wordt geboren als de dagen beginnen te korten. Christus als de dagen beginnen te lengen. Het korten van de dag is voor de één een symbool van zijn gewelddadige dood; het lengen van de dagen is voor de ander, de verheffing van het kruis.    De Heer openbaart ook een geheime betekenis … in verband met het woord van Johannes over Jezus Christus: “Hij moet groter worden en ik Augustine_Hippo_small.jpgkleiner”. De gehele menselijke gerechtigheid werd in Johannes opgebruikt. Over hem zei de Waarheid: “Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper” (Mt.11,11). Geen mens zou hem dus voorbij kunnen streven; maar hij was slechts een mens. Welnu, in onze christelijke genade wordt ons gevraagd om “de mens niet te roemen, maar de Heer” (2 Kor.10,17): de mens in zijn God, de dienaar in zijn meester. Daarom riep Johannes uit: “Hij moet groter worden en ik kleiner”. Natuurlijk is God niet verminderd of vermeerderd in zichzelf, maar bij de mensen groeit beetje bij beetje de ware ijver. De goddelijke genade groeit en de menselijke kracht vermindert tot de voltooiing die volgt in het verblijf van God, die in alle leden van Christus aanwezig is en waar alle tirannie, alle autoriteit, alle macht dood is en waar God alles in allen is (Kol.3,11).       Johannes de Evangelist zegt: “Het ware licht, dat elke mens verlicht en dat in de wereld moest komen, was er” (1,9). Johannes de Doper zegt: “Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen”. (Joh.1,16) Als het licht, dat in zichzelf altijd volkomen is, groeit in degene die erdoor verlicht is, vermindert deze mens in zichzelf door vernietiging van dat wat in hem zonder God was. Want de mens zonder God kan niets zonder te zondigen, en zijn menselijke kracht vermindert als de goddelijke genade welke de vernietiger is van de zonde, overwint. De zwakte van het schepsel eindigt in de kracht van de Schepper en de ijdelheden van onze egoïstische genegenheden smelten door de universele liefde. Terwijl Johannes de Doper ons, uit de diepte van onze ontreddering, de barmhartigheid van Jezus Christus toeroept: “Hij moet groter worden en ik kleiner”.

bron : www.dagelijksevangelie.org

Augustinus : Jullie zullen altijd de armen bij jullie hebben. Mij echter niet altijd

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo( Noord Afrika) en kerkleraar
Sermon over het Evangelie van Johannes, nr 50, 6-7

 

Augustinus15.jpg

Augustinus

 

“Jullie zullen altijd de armen bij jullie hebben. Mij echter niet altijd”

 

“Maria nam een kruikje kostbare, zuivere nardusolie, zalfde de voeten van Jezus en droogde ze af met haar haren. De geur van de olie trok door het hele huis.” Dat is het historische feit, laten we naar het symbool zoeken. Wie je ook bent, als je een trouwe ziel wilt zijn, verspreidt dan met Maria een kostbaar parfum over de voeten van de Heer. Dat parfum is de gerechtigheid… Verspreid een parfum over de voeten van Jezus; volg de sporen van de Heer naar een heilig leven. Veeg zijn voeten af met je haren: als je overvloed hebt, geef het dan aan de armen en je zult zo de voeten van de Heer hebben afgedroogd… Misschien hebben de voeten van de Heer op aarde iets nodig. Zegt Hij immers niet over zijn ledematen (Ef 5,30), aan het einde van de wereld: “Alles wat je aan de kleinsten onder de mijnen hebt gedaan, dat heb je aan Mij gedaan” (Mt 25,40).

“De geur van de olie trok door het hele huis.” Dat wil zeggen de wereld werd gevuld met de goede naam van de vrouw, want de goede geur is de goede reputatie. Zij die de naam ‘christen’ laten samengaan met een oneerlijk leven, beledigen Christus…; als de naam van God gelasterd wordt door deze slechte christenen, wordt Hij daarentegen geloofd en geëerd door de goeden, “want wij zijn overal de goede geur van Christus” (2Kor 2, 14-15). In het Hooglied wordt ook gezegd: “Uitgegoten olie is uw naam” (1,3) 

 

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

 

Gregorius van Nazianze :O GIJ, ALLES VOORBIJ

GREGORIUS VAN NAZIANZE (329/30 – 390):

O GIJ, ALLES VOORBIJ

 

 

gregorius van Nazianze (2).jpg

Gregorius van Nazianze

 

 

O Gij, alles voorbij, hoe u anders noemen?

Hoe kunnen woorden u prijzen: Gij die door geen woord te zeggen zijt.

Hoe kunnen gedachten u bereiken, Gij die door geen denken te grijpen zijt.

Gij, Enige, Onuitsprekelijke, alwat gezegd wordt komt van U. Gij, Enige, Onkenbare,

al wat gekend wordt komt van U.

Al wat spreekt en al wat niet spreekt, prijst u.

Al wat denkt en al wat niet denkt, eert u. Hunkeringen overal, barensweeën overal,

alles reikhalst naar U, alles bidt tot U, terwijl al wat uw geheim doorgrondt een lied vol stilte zingt.

Bij U alleen blijft alles bewaard, op U hoopt alles,

Gij zijt het doel van alles Gij zijt één Gij zijt alles Gij zijt niemand Gij zijt geen een Gij zijt niet alles.

O Gij die alle namen draagt

Hoe zal ik U noemen?

Gij Enige Onnoembare Welke hemelgeest dringt door tot het bovenste wolkendek?

Wees mij genadig, O Gij alles voorbij. Hoe U anders bezingen? O Gij alles voorbij.

(J. Streng, Voorbij het denken. Verkenningen in de westerse mystiek, Baarn 19822, pag.62-63.)

Efrem de Syriër : Wanneer ik van de aarde omhooggeheven word……

Homilie toegekend aan H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrie

 

 

Ephraim-Syrian0005.jpg

 

 

 

“Wanneer Ik van de aarde omhooggeheven word, zal Ik iedereen naar Mij toe halen” (Joh 12,32)

 

Vandaag verschijnt het kruis, de schepping jubelt; het kruis, de weg van de verdwaalden, hoop van de christenen, prediking van de apostelen, zekerheid van het universum, fundament van de Kerk, fontein voor hen die dorst hebben… In een grote zachtmoedigheid wordt Jezus naar het Lijden geleid: Hij wordt naar het oordeel van Pilatus geleid; op het zesde uur bespot men Hem; tot aan het negende uur verdraagt Hij de pijn van de spijkers, dan maakt zijn dood een einde aan zijn Lijden. Op het twaalfde uur wordt Hij van het kruis gehaald: men zou zeggen een leeuw die slaapt… Tijdens het oordeel zwijgt de Wijsheid en het Woord zegt niets. Zijn vijanden minachten Hem en kruisigen Hem… Zij aan wie Hij gisteren nog zijn lichaam als voedsel gaf, zagen Hem van verre sterven. Petrus de eerste onder de apostelen, vluchtte het eerst. Andreas nam ook de benen, en Johannes, die aan zijn borst lag, heeft de soldaat niet verhinderd om zijn zijde met een lans te doorsteken. De Twaalf zijn gevlucht; ze hebben geen woord tegen Hem gezegd, Hij had zijn leven voor hen gegeven. Lazarus is er niet, hij werd naar het leven teruggeroepen. De blinde heeft niet gehuild om Degene die zijn ogen heeft geopend voor het licht, en de manke, die dankzij Hem kon lopen, is niet naar Hem toegesneld. Alleen de misdadiger, die aan zijn zijde werd gekruisigd, getuigt van Hem en noemt Hem zijn koning. O goede moordenaar, kostbare bloem aan de boom van het kruis, eerste vrucht van het hout van Golgotha…! De Heer regeert: de schepping is vol vreugde. Het kruis overwint, en alle naties, stammen, talen en volkeren (Ap 7,9) komen Hem aanbidden… Het kruis geeft het licht terug aan het hele universum, ze verjaagt de duisternis en verzamelt de naties… in één enige Kerk, één geloof, één doop in de liefde. Ze staat rechtop in het centrum van de wereld, vastgezet op de Calvarieberg.

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Epifanes van Salamin : “Zie uw koning komt tot u, hij is nederig en rijdt op een ezel, een ezelinnenjong” (Za 9,9)

Homilie toegekend aan Epifanes van Salamin (? – 403), bisschop 1ste homilie van Palmzondag; PG 43, 427v

 

 

Epiphanius- van Salamis kerkvader.jpg

Epifanes van Salamis

 

 

“Zie uw koning komt tot u, hij is nederig en rijdt op een ezel, een ezelinnenjong” (Za 9,9)

 

“Dochter van Sion, verheug u”, wees blij, Kerk van God; “zie uw koning komt naar u toe” (Zach 9,9). Ga Hem tegemoet, haast je om zijn heerlijkheid te schouwen. Zie de redding van de wereld: God gaat naar het kruis, en de Gewenste van de naties (Hag 2,8 Vulg) komt Sion binnen. Het licht komt; roepen we met het volk: “Hosanna Zoon van David. Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer.” De Heer God is aan ons verschenen, aan ons, wij die in de duisternis zaten en in de schaduw van de dood (Lc 1,79). Hij is verschenen, verrijzenis van hen die gevallen zijn, bevrijding van de gevangene, licht van de blinden, troost voor de geslagenen, rust voor de zwakken, bron voor de dorstigen, wreker van de vervolgden, vrijkoper van hen die verloren zijn, eenheid van de verdeelden, geneesheer van de zieken, redding voor de verdwaalden. Gisteren liet Christus Lazarus nog uit de doden verrijzen; vandaag gaat Hij zelf de dood tegemoet. Gisteren trok Hij Lazarus uit de banden die hem vastbonden; vandaag reikt Hij de handen naar hen die Hem willen vastbinden. Gisteren trok hij die man uit de duisternis; vandaag gaat Hij, voor de mensen, de diepte van de duisternis en de schaduw van de dood binnen. En de Kerk viert feest. Ze begint aan het feest der feesten, want ze ontvangt haar koning als een bruidegom, want haar koning bevindt zich midden onder haar.

Bron : dagelijksevangelie.org

Leo de grote : dan zullen zij vasten

 

H. Leo de Grote ( ?-ca.461) paus en kerkleraar 6e sermon voor de Veertigdagentijd, 1-2 ; SC 49 (vert. brevier)

Leo de grote van Rome.jpg

Leo de Grote

“Dan zullen zij vasten”

 

Dierbaren, altijd al “is de aarde vol van zijn mildheid” (Ps. 33, 5). …Nu echter de dagen terugkeren waarop de geheimen van onze verlossing hun stempel drukken en die onmiddellijk aan het paasfeest voorafgaan, wordt ons met nog meer aandrang voorgehouden, ons hierop voor te bereiden door geestelijke zuivering… Het is eigen aan het paasfeest dat heel de kerk zich verheugt over de vergeving van de zonden. Deze vindt niet alleen plaats bij hen die door het heilig doopsel worden herboren, maar ook bij hen die reeds lang gerekend worden onder het getal van Gods aangenomen kinderen. Hoewel het bad van de wedergeboorte (Tt 3,5) op de eerste plaats nieuwe mensen voortbrengt, heeft ieder toch dagelijks de taak zich te vernieuwen om bestand te zijn tegen de roest van de sterfelijkheid. En ook al maakt men grote vorderingen, er is altijd nog wel iets dat beter kan. In het algemeen moet men er daarom naar streven dat niemand op de dag van de verlossing nog behept blijkt te zijn met de gebreken van de oude mens. Daarom, dierbaren, wat elke christen te allen tijde moet doen, moet nu met des te meer zorg en godsvrucht volbracht worden. Zo moet men het apostolische voorschrift door een vasten van veertig dagen nakomen. Dit doet men niet alleen door zich in voedsel te matigen, maar vooral door zich te bevrijden van zijn zonden. Niets is echter zo nuttig als het geestelijke en heilige vasten gepaard te laten gaan met werken van barmhartigheid. Onder de ene naam van barmhartigheid bevatten deze werken vele prijzenswaardige daden van godsvrucht. Ondanks verschil in vermogen kunnen de gelovigen op die manier toch eenzelfde gezindheid hebben.

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Basilius van Caesaria : De twee geboden van de liefde

H. Basilius (ca 330-379), bisscop van Caesarea in Cappadocië, kerkleraar Grote Monastieke Regels, Vr. 1-2

 

 

Basilios de Grote aartsbisschop van Caesarea in Cappadocia.jpg

Basilius van Caesarea

 

 

De twee geboden van de liefde

 

Vraag: Wij vragen u eerst om ons te vertellen of de tien geboden van God in een bepaalde volgorde zijn gezet. Is er een eerste gebod, een tweede, een derde enzovoort?… Antwoord: De Heer zelf heeft de volgorde bepaald om de geboden te bewaren. De eerste en de grootste is die van liefde voor God en de tweede, die daaraan gelijk is, of liever de vervulling en de consequentie ervan is, betreft de liefde voor de naaste… Vraag: Wilt u voor ons eerst eens spreken over het liefhebben van God. Het is vanzelfsprekend dat men God lief moet hebben, maar hoe moet je Hem liefhebben?… Antwoord: De liefde voor God kun je niet onderrichten. Niemand heeft ons geleerd om van het licht te houden, noch om het leven lief te hebben boven alles; ook heeft niemand ons geleerd om van degenen te houden die ons op de wereld hebben gezet of ons opgevoed hebben. Zo ook, of liever gezegd des te meer is er geen uiterlijk onderricht dat ons leert om God lief te hebben. In de natuur van het levende wezen zelf – ik bedoel van de mens- is een soort van zaadje gelegd dat het principe van deze vaardigheid om lief te hebben bevat. Op de school van de geboden van God, waarbij het hoort om dat zaadje te vinden en het zorgvuldig te verzorgen, het met zorg te voeden, en het tot ontwikkeling te brengen door middel van de goddelijke genade. Ik keur jullie ijver goed, dat is onmisbaar voor het doel… Je moet weten dat deze deugd van liefde er één is, maar dat ze met haar macht alle geboden omvat: “Want wie Mij liefheeft, zal mijn woord bewaren”, zegt de Heer. (Joh 14,23) en ook: “Aan deze twee geboden hangt de hele wet en de profeten” (Mt 22,40)

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Macarios van Egypte : Het gemeenschapsleven: “U bent allen broeders”

Derde homilie toegekend aan de heilige Macarius van Egypte (?-390), monnik Derde Homilie, 1-3 ; PG 34, 467-470

 

Makarios de grote.jpg

Makarios van Egypte

 

Het gemeenschapsleven: “U bent allen broeders”

 

      Wat ze ook doen, de broeders en zusters moeten zich liefdevol en vreugdevol naar elkaar betonen. Degene die werkt zal zo spreken over degene die bidt: “De schatten die mijn broer bezit, heb ik ook, want we hebben ze gemeenschappelijk”. Van zijn kant zal degene die bidt over degene die leest zeggen: “Het profijt dat hij uit zijn lezen haalt, verrijkt ook mij”. En degene die werkt zal zeggen: “Het is in het belang van de gemeenschap dat ik deze dienst vervul”.       De veelheid aan lichaamsdelen vormen slechts één lichaam en ze ondersteunen elkaar stilzwijgend doordat een ieder zijn taak vervult. Het oog ziet voor heel het lichaam; de hand werkt voor de andere ledematen; de voet draagt allen in het lopen; één ledemaat lijdt zo gauw een ander lijdt. Zo moeten broeders en zusters zich naar elkaar gedragen (Cf Rm 12, 4-5). Degene die bidt, veroordeelt niet degene die werkt, omdat hij niet bidt. Degene die werkt veroordeelt niet degene die bidt… Wie dient, zal anderen niet veroordelen. Daarentegen zal iedereen wat hij ook doet, handelen tot meerdere eer en glorie van God (cf. 1Kor 10,31 ; 2Kor 4,15)…       Zo zullen een grote samenhang en een oprechte harmonie “banden van vrede” vormen (Ef 4,3), die hen zal verenigen en ze met transparantie en eenvoud onder de welwillende blik van God laat leven. Het belangrijkste is vanzelfsprekend de volharding in het gebed. Overigens wordt één ding behaald: ieder moet in zijn hart die schat bezitten die de levende en geestelijke aanwezigheid van de Heer is. Of hij nu werkt, bidt of leest, een ieder moet kunnen zeggen dat hij dat onvergankelijke goede bezit en dat is de heilige Geest.

Bron : www.dagelijksevangelie.org

Gregorius van Nyssa : Leven volgens God

H. Gregorius van Nyssa (ca. 335-395), monnik en bisschop Sermon 1 over de liefde voor de armen: PG 46, 463-466

Gregorius van Nyssa77.jpg

Gregorius van Nyssa

Leven volgens God

 

     Wij worden door elk woord van de goddelijke Schrift uitgenodigd om de Heer na te volgen. Hij heeft ons geschapen door zijn welwillendheid en zie, wij keren alles tot ons eigen nut, wij gebruiken alles voor ons eigen gemak. Wij verschaffen ons goederen voor ons eigen leven en wij reserveren het restant voor onze erfgenamen. Er wordt helemaal niet gekeken naar mensen die zich in ellende bevinden. Voor de armen heeft men geen enkele zorg. O, onbarmhartige harten!       Iemand ziet dat zijn naaste een tekort aan brood heeft en aan middelen om onmisbare voeding aan te schaffen, en in plaats van hem zijn hulp aan te bieden, om hem uit de ellende te trekken, kijkt hij naar hem, zoals men een plant observeert die aan het verdrogen is bij gebrek aan water. En toch heeft deze mens meer dan voldoende rijkdom en zou hij in staat zijn om met zijn middelen veel hulp te bieden. Zo kan ook de capaciteit van één enkele bron vele velden in de wijde omtrek water geven, zo is ook de weelde van een enkel huis in staat om veel armen uit de ellende te halen -tenminste als de zuinigheid en de gierigheid van een mens er geen hindernis opwerpt-; hij kan veel doen, en lijkt op een rots die in een beekje valt en de waterstroom verandert.       Laten we niet alleen naar het vlees leven, maar volgens God.

Bron : www.dagelijksevangelie.org

EfraIm de Syriër : God dichtbij en veraf

EFRAÏM DE SYRIËR (ca. 306 – 373):

Efraim_syyrialainen02.jpg

GOD DICHTBIJ ÉN VERAF

 

Op wonderlijke wijze bent U overal dicht bij ons;

U werkt in ons, Heer, en U blijft verborgen.

U bent daar in de hoogte en de hoogte voelt U niet;

U bent daar in de diepte en de diepte kan U niet omvatten.

  U bent ongrijpbaar als wij U zoeken.

   U bent dichtbij én veraf.

Wie kan U bereiken?

Ons denken en onze zintuigen    raken U niet:

alleen in geloof, liefde en gebed

komen wij U nader.

Gregorius van Nazianze : O Gij , alles voorbij

GREGORIUS VAN NAZIANZE (329/30 – 390):

O GIJ, ALLES VOORBIJ

 

 

Gregorios van Nazianze.jpgO Gij, alles voorbij, hoe u anders noemen? Hoe kunnen woorden u prijzen:

Gij die door geen woord te zeggen zijt. Hoe kunnen gedachten u bereiken,

Gij die door geen denken te grijpen zijt.

Gij, Enige, Onuitsprekelijke, alwat gezegd wordt komt van U.

Gij, Enige, Onkenbare, alwat gekend wordt komt van U.

Alwat spreekt en alwat niet spreekt, prijst u.

Alwat denkt en alwat niet denkt, eert u.

Hunkeringen overal, barensweeën overal, alles reikhalst naar U,

alles bidt tot U, terwijl al wat uw geheim doorgrondt een lied vol stilte zingt.

Bij U alleen blijft alles bewaard, op U hoopt alles,

Gij zijt het doel van alles

Gij zijt één Gij zijt alles Gij zijt niemand

Gij zijt geen een Gij zijt niet alles.

O Gij die alle namen draagt Hoe zal ik U noemen?

Gij Enige Onnoembare

Welke hemelgeest dringt door tot het bovenste wolkendek?

Wees mij genadig,

O Gij alles voorbij.

Hoe U anders bezingen?

 

Gevonden in: J. Streng, Voorbij het denken. Verkenningen in de westerse mystiek, Baarn 19822, pag.62-63.