
Dat hemelse vuur van de Godheid, dat christenen reeds in dit leven innerlijk in hun hart ontvangen, datzelfde vuur dat nu hun hart van binnenuit leidt, breekt bij de ontbinding van het lichaam opnieuw naar buiten. Het trekt de ledematen van het lichaam weer samen en bewerkt de verrijzenis van het uiteengevallen lichaam.
In de tijd van Nabuchodonoser was het vuur dat krachtig brandde in de oven geen goddelijk vuur, maar een schepsel. Maar die drie jongelingen, vanwege hun gerechtigheid, hadden — terwijl zij zich in het zichtbare vuur bevonden — in hun hart het goddelijke en hemelse vuur, dat in hun gedachten werkzaam was en krachtig in hen werkte. Datzelfde vuur verscheen ook buiten hen. Want het stond in hun midden en verhinderde dat het zichtbare vuur enig deel van de drie rechtvaardigen verbrandde of beschadigde.
Maar zoals de drie jongemannen, vastbesloten om rechtvaardige daden te verrichten, in zichzelf het vuur van God ontvingen en de Heer in waarheid aanbaden, zo ontvangen ook nu gelovige zielen op een innerlijke wijze dat goddelijke en hemelse vuur in dit huidige leven, en dat vuur vormt een hemels beeld in hun menselijke natuur.
— St. Macarius van Egypte, Vijftig Geestelijke Homilieën
++++
Commentaar:
Macarius spreekt hier in krachtige, bijna mystieke beelden over het vuur van de Godheid — een van zijn centrale thema’s. Voor hem is het christelijk leven niet primair morele inspanning, maar een innerlijke ontbranding door de Heilige Geest.
Drie belangrijke lijnen:
1. Het vuur is nu al aanwezig
Macarius benadrukt dat het hemelse vuur nu, in dit leven, in het hart van de gelovige wordt ontstoken. Het is geen toekomstig geschenk, maar een tegenwoordige realiteit.
Dit vuur:
leidt het hart
zuivert de gedachten
vormt het innerlijk om
maakt het lichaam tot een tempel
Het is een vroege vorm van wat later in de oosterse traditie theosis zal heten: de mens wordt door genade deelgenoot van Gods leven.
2. Het vuur is sterker dan de dood
Het beeld van de verrijzenis is opvallend: het goddelijke vuur dat nu verborgen werkt, zal bij de dood openbarsten en het lichaam opnieuw bijeenroepen.
Voor Macarius is de verrijzenis geen externe daad van God, maar een openbaring van wat reeds in de ziel brandde.
3. De drie jongelingen als icoon van het innerlijk leven
De jongelingen in de vurige oven (Dan. 3) zijn voor Macarius een mystiek beeld:
het zichtbare vuur = beproeving, lijden, wereld
het onzichtbare vuur = Gods aanwezigheid in het hart
Omdat zij het innerlijke vuur droegen, kon het uiterlijke vuur hen niet schaden.
Zo wordt de gelovige ziel een drager van een ander vuur, een vuur dat niet vernietigt maar herschept.
4. Het vuur vormt een hemels beeld
Het slot is bijzonder mooi: het goddelijke vuur “vormt een hemels beeld” in de menselijke natuur.
Dit is pure spiritualiteit van de woestijn: de mens wordt door de Geest hergevormd naar het beeld van Christus, van binnenuit, zacht maar onstuitbaar.
Gebed
Heer, God van het levende vuur,
ontsteek in mij het licht dat niet dooft.
Laat uw hemelse vlam mijn hart zuiveren,
mijn gedachten verlichten,
mijn wil sterken.
Zoals Gij de drie jongelingen hebt omringd
met het vuur van uw aanwezigheid,
zo omring ook mij met uw vrede
te midden van de ovens van dit leven.
Laat uw vuur in mij groeien
tot het mijn hele wezen doordringt,
mijn wonden heelt,
mijn zwakheid draagt,
en in mij het hemelse beeld vormt
dat Gij vanaf het begin hebt bedoeld.
Maak mij tot een woning van uw Geest,
een vlam in uw hand,
een licht voor wie in duisternis gaan.
Amen.
******************

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.