
“Hij kan niet verloren gaan, de zoon van zoveel tranen.” St.Ambrosius over St.Augustinus

EEN ONRUSTIGE JEUGD
Augustinus – De belijdenissen
De erge dingen die ik in mijn jeugd heb gedaan, en de slechte invloed van mijn lichaam op mijn ziel, ik haal ze me bewust weer voor de geest. Niet omdat ik daar zoveel plezier aan beleef maar omdat ik u wil beminnen, mijn God. Het is uit liefde voor uw liefde, dat ik dat doe. Als ik mijn verfoeilijke gedrag opnieuw overdenk, dan proef ik de bittere nasmaak weer. U zult mij niet bitter smaken, denk ik, want uw zoetheid is echt. Het is een zoetheid vol geluk en zekerheid, één die mij samenraapte toen ik in stukken lag. Zolang ik mij afkeerde van u, de ene, en opging in het vele, was ik namelijk verscheurd.
Ergens in mijn jonge jaren sloeg de vlam in de pas en begon ik mij te buiten te gaan aan lage begeerten. Zo schaamde ik me er bijvoorbeeld niet voor om mezelf te verliezen in allerlei slechte contacten die het daglicht niet konden verdragen. Ik werd bleek en ik kwijnde weg voor uw ogen. Ik vond mezelf geweldig en ik hoopte dat ik dat in de ogen van de mensen ook was.
Wat was daar voor mij nu zo fijn aan? Eigenlijk wilde ik alleen maar beminnen en bemind worden. Maar ondertussen bleef het niet bij gewone geestverwantschap op het helderverlichte pas van de vriendschap. Nee, uit de modderpoel van mijn lichamelijke begeerte en uit de bruisende bron van mijn mannelijkheid stegen dikke dampen op, die donkere wolken vormden rond mijn hart. Daardoor kon ik het verschil tussen zuivere liefde en troebele lust niet meer zien. Die twee buitelden wild over elkaar heen en sleurden mij mee, op die gevaarlijke leeftijd, door een afgrond van begeerte. Ze dompelden me onder in een maalstroom van slechtheid. Uw toorn op mij werd steeds groter, maar ik was me van geen kwaad bewust. Door het gerammel van de keten van mijn sterfelijkheid, de straf voor de hoogmoed van mijn ziel, was ik doof geworden. Ik liep verder van u weg en u liet mij begaan. Ik zwol aan, stortte me op de kust, en spatte uit elkaar. Het enige wat overbleef, was schuim. En dat allemaal door mijn losbandigheid. Maar u bleef zwijgen. U, in wie ik pas zo laat vreugde ben gaan vinden, u bleef maar zwijgen, destijds, en ik liep nog verder van u weg om steeds maar weer het onvruchtbare zaad van het onheil uit te strooien in hoogmoedige verachtelijkheid en rusteloze vermoeidheid.
Belijdenissen : (2,I,1-2,II,2)
Augustinus van Hippo
Uit : Augustinus een tekstkeuze uit de belijdenissen verzameld door Dr.Carolinne White – Vertaald door Joost Neer, Wim Sleddens, en Anke Tiggelaar.
———————
