Kallistos Ware : Jezus Christus

GOD  EN  MENS

Kallistos Ware

DEEL  3

JEZUS CHRISTUS

christus22222

De menswording is een daad van welwillendheid(filantropie) van God uit, van zijn liefdevolle zorg voor de mens. Enkele oosterse schrijvers hebben geopperd, dat zelfs, indien de mens niet gevallen was, God in zijn oneindige goedheid voor de mens toch mens zou zijn geworden.. De incarnatie moet begrepen worden  als een onderdeel van de eeuwige  bedoelingen van God, en niet enkel als een antwoord op de val. Dit is onder andere het standpunt van Maxim de Belijder en van Isaac de Syriër. Ook sommige westerse  schrijvers hebben dit standpunt verdedigd : o.a Dun Scotus (1265-1308).

Door de val van de mens is de incarnatie niet alleen een act van liefde, maar van redding.

Christus heeft, door in zichzelf de goddelijkheid en de menselijkheid te verenigen, opnieuw de weg geopend voor de eenheid met God. In zijn eigen persoon heeft Christus  ons getoond wat de werkelijke gelijkheid met God inhoudt, en dit door zijn reddend en bevrijdend offer. Hij heeft ons getoond hoe wij deze gelijkheid met God kunnen bereiken. Christus, de tweede Adam is op aarde gekomen en heeft de gevolgen van de ongehoorzaamheid van de eerste Adam teniet gedaan.

De voornaamste argumenten in verband met de orthodoxe leer over de menswording zijn uiteengezet in hoofdstuk II : waarlijk God en waarlijk mens, één persoon met twee naturen, zonder scheiding noch verwarring; een enkele persoon met twee willen en twee energieën.

Waarlijk God en waarlijk mens : zoal bisschop Theofaan de kluizenaar het heeft gezegd : ‘ Achter de sluier van het vlees van Christus  ontdekken de Christenen de Drie-ene God.’. Deze woorden bevatten misschien wel het meest wezenlijke van de orthodoxe leer over Christus : de onweerstaanbare betekenis van Zijn  goddelijke glorie.

Deze goddelijke glorie  heeft zich vooral op twee momenten in  het leven van Christus gemanifesteerd.: bij de Transfiguratie op de berg Tabor, wanneer het ongeschapen goddelijk licht zichtbaar is geworden doorheen het omhulsel van het vlees; en zijn verrijzenis, wanneer het graf zich onder de kracht van het goddelijke heeft geopend, en de triomferende Christus uit het graf is opgestaan. Deze twee gebeurtenissen hebben een centrale plaats in de orthodoxe liturgie. De Transfiguratie is één van de negen grote feesten van de byzantijnse kalender, en wordt met meer luister gevierd dan in de westerse kerk. Wij hebben reeds over het belang van het ongeschapen licht van de Tabor gesproken waar het ging over de orthodoxe leer van het mystiek gebed. Wat de Verrijzenis betreft : het ganse leven van de Kerk is ervan doordrongen.

‘Doorheen de wisselvalligheden van zijn bestaan, heeft de griekse Kerk altijd iets bewaard van de oorspronkelijke geest uit het begin van het Christendom. Wij  treffen er nog altijd in de (‘dit het gevolg van westerse invloed. De confesion Orthodoxe van Pierre de Moghila, is zoals men kan verwachten, sterk Augustiniaans ; van de andere kant, de confesion van Dosithée is er totaal van vrijgemaakt..’) liturgie, die zuivere vreugde van de Verrijzenis van de Heer. Wij vinden hiervan nog vele getuigenissen in de eerste Christelijke geschriften.'(32).

‘Deze band met de Verrijzenis van Christus bundelt  alle grondbeginselen en  theologische werkelijkheden harmonieus samen'(33)

Toch mag men niet beweren, dat door de grote verering voor de Transfiguratie van Christus en Zijn Verrijzenis , de orthodoxie te weinig aandacht zou schenken aan Zijn menselijkheid..

Een orthodox is diep verbonden met de plaatsen in het Heilige Land, waar Christus heeft geleefd en gestorven. Wij kunnen niet voorbijgaan aan de diepe godsvrucht waarmee eenvoudige russen de plaatsen vereren waar Christus heeft geleefd en onderwezen heeft en is gestorven . De vreugde van de Verrijzenis  vermindert geenszins de betekenis van het kruis.

De kruisiging is niet minder aanwezig in de orthodoxe kerken dan in de andere., en de verering van het kruis is zelfs meer uitgesproken in de byzantijnse eredienst van in de latijnse.

Wij moeten de algemene opvatting weerleggen, dat men in de orthodoxe Kerk  hoofdzakelijk aandacht zou  schenken aan de Verrijzenis  en dat er parallel hiermee, in de westers Kerk meer aandacht wordt geschonken aan de verering van het kruis.Indien men over een tegenstelling wil spreken dan zou men kunnen zeggen dat hun uitgangspunt hetzelfde is, maar dat hun denken over het kruis  een weinig verschillend is van elkaar.

De orthodoxe leer over de kruisiging vinden wij mooi beschreven in de hymnen van Goede Vrijdag.

Hij die omgord is met licht

verschijnt naakt op het oordeel.

Op zijn wang heeft Hij de slagen ontvangen

van handen die Hij gevormd heeft

De uitgelaten menigte sloeg

de koning van de glorie aan het kruis

Op Goede Vrijdag denkt de orthodoxe Kerk niet alleen aan het lijden van Christus maar wel aan de tegenstelling tussen de zichtbare vernedering en de werkelijke glorie. De orthodoxe Kerk ziet niet alleen  het menselijk lijden van Christus, maar de lijdende God..

Vandaag is aan het kruis gehangen

Hij die de aarde bedekt heeft midden de wateren.

Een doornenkroon op het hoofd

van Hem die de koning der engelen is.

Hij is bedekt met een mantel van spotternij

Hij die de hemelen heeft omhuld met wolken.

Achter de sluier van de bloedende en lijdende Christus, heeft de orthodoxie altijd de Drieene God ontdekt. Zelfs Golgotha is een théofanie. Zelf op goede Vrijdag laat de Kerk ons een  sprankel vreugde horen van de Verrijzenis :

Wij aanbidden  Uw lijden, o Christus :

Toon ons uw glorievolle Verrijzenis

Ik loof Uw lijden.

Ik loof uw dood en Uw Verrijzenis,

uitroepende : Heer, ere zij U.

Men kan de kruisiging niet scheiden van de Verrijzenis ; zij zijn in één enkele actie gegrond. De calvarie moet altijd gezien worden in het licht van het lege graf. ; het kruis is het  zegeteken. Wanneer de orthodoxie denkt aan de gekruisigde Christus, dan denkt zij niet enkel aan haar lijden en haar troosteloosheid, maar ze ziet de Christus die overwint, Christus de Koning die reeds overwint op het hout en regeert :

‘De Heer is in de wereld gekomen en heeft onder ons gewoond,om de tirannie van de duivel te vernietigen en de mens te bevrijden. Op het kruis, heeft hij alle tegenstrijdige krachten overwonnen, wanneer de zon verduisterde en de aarde beefde, wanneer de graven zich openden en de lichamen van de heiligen opstonden. Door de dood heeft hij de dood overwonnen en hen die de macht hadden te doden heeft hij teniet gedaan’(34)

Christus is onze glorierijke Koning, niet ondanks de kruisiging, maar dank zij haar : ‘Ik noem Hem Koning, omdat ik Hem gekruisigd zie'(35).

Dit is de geest waarin de orthodoxe christenen de dood van Christus op het kruis beschouwen. Tussen hen en de middeleeuwse en post-middeleeuwse Westerse christenen is er natuurlijk een grote gelijkenis ; nochtans zijn er verschillende zaken in de Westerse zienswijze die de orthodoxen vreemd lijken : Het lijkt hen alsof het Westen de neiging heeft  te geïsoleerd te denken over de kruisiging, door ze abrupt te scheiden van de Verrijzenis. Daardoor stelt de

lijdende mensheid van Christus zich in de plaats van de visie van de lijdende God : de westerse gelovige die het kruis bemediteert  voelt te dikwijls  een nogal afwijkende sympathie voor de Man  van smarten, veeleer dan de zegevierende en triomferende Koning te aanbidden.

De grote latijnse hymne van Venantius Fortunatus (530-609), Pange Lingua, die het kruis groet als zegeteken, is helemaal in de lijn van de orthodoxe gedachte :

Bezing, mijn ziel, het triomferende einde

van de glorieuze strijd ;

Nu boven het kruis, onze trofee,

weerklinkt de glorievolle zang

Zeg hoe  Christus, de Redder van de Wereld

als slachtoffer, de glorie heeft gewonnen.

Het Vexilla Regis, eveneens van Fortunatus, staat eveneens dicht bij de orthodoxe visie :

Alles is vervuld zoals David heeft gezegd

In de vervulde profetieën.

Onder de volkeren, heeft  hij gezegd,

heeft God op het kruishout geregeerd en getriomfeerd.

Maar wat de orthodoxen niet delen, zijn de gevoelens uitgedrukt naar het einde van de Middeleeuwen toe, zoals bijvoorbeeld in het Stabat Mater :

Zij ziet Jezus in smart

voor de zonden van Zijn volk.

En onderworpen aan geseling

ziet zij haar teder kind

stervende in diepe droefheid, overgeleverd aan de dood,

hoort zij Hem zijn laatste adem uitblazen.

Het is betekeningsvol dat in de loop van de zestig lijnen van deze hymne, er geen enkele verwijzing is te vinden naar de Verrijzenis.

Daar waar de orthodoxie voornamelijk de Christus overwinnaar ziet, zien de Middeleeuwen en de post-Middeleeuwen  op de eerste plaats Christus als  het slachtoffer. De orthodoxen interpreteren de kruisiging essentieel als de triomferende overwinning over de machten van het kwaad ; maar het westen, en dit voornamelijk sedert Anselmus van Canterbury (rond 1033-1109). hebben de neiging om te denken aan het kruis in juridische en strafrechtelijke termen en als een verzoenende of plaatsvervangende daad, die de woede van de Vader verzacht..

Nochtans moeten wij de vergelijkingen niet overdrijven : sommige oosterse schrijvers hebben evenals  de westerse schrijvers de nadruk gelegd op het strafrechtelijk en juridisch aspect van de kruisiging, en de westerse schrijvers, evanals de oosterse hebben nooit opgehouden om in de Grote Vrijdag de overwinning van Christus te zien.. De laatste jaren ziet men in het westen  een vernieuwde belangstelling voor de Chritus Victor, in de theologie, in de spiritualiteit en in de kunst ; het is een vernieuwing welke de orthodoxen met vreugde vaststellen.

  Uit het boek : «l’Orthodoxie – L Eglise des sept conciles» pp.285-319.Kallistos ware

Vertaling : Kris Biesbroeck

God en de mens – deel 2

GOD EN DE MENS

Kallistos Ware

DEEL 2

DE MENS : ZIJN SCHEPPING, ZIJN ROEPING, ZIJN VAL

 

‘Gij hebt ons gemaakt voor u en onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in u’.( 14)

De mens is geschapen om gemeenschap te hebben met God. Dit is de eerste en essentiële factor van de Christelijke leer met betrekking tot de mens. De mens echter , alhoewel geschapen om Gods vriend te zijn, heeft deze fundamentele roeping voortdurend genegeerd. Dit is de tweede  factor binnen de Christelijke antropologie.

De mens is geschapen om in communio te treden met God. In de taal van  de Kerk: God heeft  Adam geschapen naar zijn eigen beeld en gelijkenis , en heeft hem geplaatst in het Paradijs (15) . De mens echter heeft deze gemeenschap met God verworpen. In de taal van de Kerk : Adam is gevallen, en zijn val heeft gans de mensheid meegesleurd.

De schepping van de mens. God zegt : ‘Laat ons de mens maken naar ons beeld en gelijkenis’

(Genesis, I, 26). God spreekt in het meervoud ‘laat ons’. De griekse Vaders hebben het voortdurend herhaald : de schepping is een daad van de drie personen van de Drie-eenheid.

Daarom mogen wij nooit in het beeld en de gelijkenis met God, het Trinitaire beeld en gelijkenis uit het oog verliezen.Wij zullen het vitale belang hiervan zien.

Beeld en gelijkenis. Volgens de meeste Griekse Vaders  duiden beeld en gelijkenis niet exact hetzelfde aan.. ‘De uitdrukking naar ons beeld, schrijft Johannes van Damascus, ‘duidt op de rationaliteit en vrijheid, terwijl de uitdrukking naar onze gelijkenis onze gelijkwording met God aanduidt door de deugd’ (16).

Het beeld , of de icoon van God  zoals de grieken zeggen  duidt op de vrije wil van de mens, zijn rede, zijn moreel gevoel en zijn verantwoordelijkheid. In feite komt het neer op alles wat de mens onderscheidt van het dier. Maar ‘beeld’ wil nog veel meer zeggen, het zegt ook dat wij van het ‘geslacht’ zijn van God (Hand.XVII,28), van Zijn  verwantschap.Tussen Hem en ons is er een punt van contact,een wezenlijke gelijkheid. De afgrond tussen de schepper en zijn schepsel is niet onoverkomelijk. Juist omdat wij gemaakt zijn naar Zijn beeld kunnen we God kennen en in gemeenschap met Hem treden.. En wanneer de mens gebruik maakt van zijn mogelijkheid om in gemeenschap met God te treden, dan zal hij worden zoals Hij, hij zal een goddelijke gelijkvormigheid verwerven. Of zoals Johannes van Damascus het uitdrukt  : hij zal opgenomen worden in God door zijn deugden.. Deze gelijkheid bewerken staat gelijk

met  de ‘deïficatie’, een tweede god worden, een God door de genade. ‘Ik heb u gezegd : gij zijt goden, zonen van de Allerhoogste'(psalm LXXXI,6)(17).

In het beeld zijn de mogelijkheden vervat die God aan elke mens heeft gegeven vanaf zijn geboorte. De gelijkenis daarentegen is geen gratis gave die de mens heeft gekregen vanaf het begin van zijn bestaan. Het is een doel dat de mens moet nastreven. Het is iets wat slechts geleidelijkaan kan bereikt worden. Hoe zondig de mens ook is, hij kan het beeld-zijn niet verliezen, maar de gelijkenis hangt af van onze morele keuzes, van onze manier van leven, en kan dus door onze zonde worden tenietgedaan.

Zo is de mens als een volmaakt wezen geschapen, niet als dusdanig, maar hij heeft de mogelijkheid om er naartoe te groeien. Doordat het beeld-zijn een gratis gave is, is de mens geroepen om de gelijkenis te verwezenlijken door zijn eigen inzet. Hierbij natuurlijk geholpen door Gods genade. Zo hebben het verschillende griekse Vaders uitgedrukt : de eerste staat van Adam was er een van onschuld en eenvoud.’Hij was als een kind waarvan het inzicht nog niet volmaakt was’ aldus de Heilige Ireneüs'( 18). Hij moest nog groeien om de volmaaktheid te bereiken’. God heeft Adam op het juiste pad gezet, maar de weg was lang om het uiteindelijke doel te bereiken.

Deze bedenking over Adam voor de val verschilt in zekere mate met de opvatting van de Heilige Augustinus, en die aanvaard is door het Westen.

Volgens de Heilige Augustinus was de mens in het paradijs zich vanaf het begin sterk bewust en verstandig. Zijn volmaaktheid was geenszins potentieel, maar volkomen gerealiseerd. De dynamische opvatting van Ireneüs staat dichter bij de moderne theorieën over de evolutietheorie dan de statische opvatting van Augustinus. Maar, aangezien beiden spreken als theoloog, en niet als wetenschappers, kunnen de wetenschappelijke hypothesen hun visies niet ondersteunen noch tegenspreken.

Het westen heeft dikwijls het beeld van God geassocieerd met de menselijke intelligentie. Veel orthodoxen ondersteunen hetzelfde idee, anderen daarentegen zeggen dat, omdat de mens een geheel is, het beeld van God de ganse persoon omvat, ziel én lichaam samen. ‘Wanneer men zegt dat God de mens heeft geschapen naar zijn beeld’,aldus Gregorius Palamas, ‘betekent het woord mens niet de ziel alleen, of het lichaam alleen, maar de twee samen'(19). Het feit dat de mens een lichaam heeft , maakt hem daarom niet ondergeschikt, maar verhevener dan de engelen.

Het is waar, dat de engelen pure geesten zijn, terwijl de mens een mengeling is van het materiële en het intellectuele, maar dit toont alleen aan dat de mens vollediger is dan de engelen en rijker aan mogelijkheden.De mens is een microcosmos, een brug en het punt van ontmoeting met de ganse schepping van God. Het beeld van God in de mens heeft een zeer belangrijke plaats in het orthodoxe religieuze denken.

De mens is een levende theologie. En omdat de mens een ikoon is van God, kan hij God vinden door in zijn eigen hart te kijken, door ‘in zichzelf te keren’. ‘Het Koninkrijk Gods is midden onder U (Lucas XVII,21). ‘Ken jezelf’ zegt de heilige Antonius van Egypte. ‘Diegene die zichzelf kent, kent God'(20). ‘Als je zuiver bent’, zegt de heilige Isaac de Syriër (einde VIIe eeuw),’dan is de hemel van U; gij zult in uzelf de engelen en de Heer der engelen zien'(21). En zoals men heeft gezegd van Sint Pacomius : ‘In de zuiverheid van zijn hart heeft hij God gezien, de onzichtbare, als in een spiegel'(22).

Omdat hij een ikoon is van God, is elke mens, zelfs de meest zondige, oneindig kostbaar in de ogen van God. ‘Diegene die zijn broeder heeft gezien, heeft God gezien’ (23), heeft Clémens van Alexandrië (+ 215) ooit gezegd. En Evagrius leert ons : ‘Na God moeten we elke mens beschouwen als God zelf'(24). Dit respect voor de menselijke persoon is uitgedrukt in de orthodoxe liturgie, wanneer de priester niet alleen de ikonen, maar alle leden van de gemeenschap bewierookt. Hij groet hiermee het beeld van God in elke mens.’De beste ikoon van God, is de mens’ (25).

Genade en vrije wil.

Door het feit, zoals wij hebben gezien, dat de mens geschapen is naar de gelijkenis met God, heeft de mens een eigen wil. God wilde zonen en geen slaven. De orthodoxe  kerk verwerpt elke leer die een aanslag pleegt op de vrije wil van de mens. Om de relatie uit te drukken tussen de genade van God en de menselijke vrijheid, gebruikt de orthodoxie de term ‘medewerking’ (coöperatie) of synergie (synergeia).Volgens de woorden van Paulus : ‘Wij zijn medewerkers (Synergoi) van God (I Cor.,III,9). De mens kan de volle gemeenschap met God niet bereiken, tenzij met Zijn hulp. Maar het vraagt ook de actieve medewerking van de mens zelf. Alhoewel datgene wat God doet oneindig belangrijker is dan dat wat de mens kan doen, toch moet de mens evenzeer zijn bijdrage leveren aan het gemeenschappelijke werk.

‘De verheffing van de mens in Christus en zijn vereniging met God vereist een noodzakelijke samenwerking van deze twee ongelijke krachten : de goddelijke genade en de menselijke wil'(26). De moeder van God is het voorbeeld bij uitstek van deze synergie .

Sedert Sint Augustinus en het pélagianisme heeft het Westen deze kwestie van de genade en de vrije wil op een enigszins andere manier  uitgelegd. Velen  die opgeleid zijn in de Augustijnse traditie, vooral de Calvinisten, hebben heel wat bedenkingen bij de orthodoxe visie op de synergie. Hecht de orthodoxe visie niet te veel belang aan de mens  en té weinig aan God ? – Nochtans is de orthodoxe leer heel duidelijk : ‘ Zie, ik sta aan de deur en Ik klop. indien iemand mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen'(Apoc.,III,20).

God klopt, maar wacht tot de mens opendoet. Hij ‘breekt’ niet. Gods genade nodigt uit, maar dwingt niemand. In de termen van Johannes Chrystonomos luidt het : ‘God dwingt niemand met  kracht, geweld. Hij wil het heil van allen, maar dwingt niemand'(27). ‘Het is aan God om Zijn genade te verlenen’ zegt  de heilige Cyrillus van Jeruzalem (+386).’onze taak is het deze te aanvaarden en te bewaren'(28).  Omdat de mens Gods genade heeft  ontvangen en bewaard  mag men daarom nog niet stellen dat men verdiensten heeft verdiend. Gods gaven zijn altijd ‘gratis’, de mens heeft geen enkel recht  tegenover zijn schepper.Maar omdat de mens het heil niet kan ‘verdienen’, moet hij eraan werken, want zoals geschreven staat ‘Indien het geloof niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood’ (Jacobus,II,17).

De val : de erfzonde.

God heeft Adam een vrije wil gegeven, dit wil zeggen, de mogelijkheid om te kiezen tussen goed en kwaad. Het hangt van Adam af  om zijn roeping aan te nemen of te weigeren. Hij heeft geweigerd. In plaats van voort te gaan op de weg die God hem had aangetoond, is hij een andere weg ingeslagen, hij is ongehoorzaam geworden. De val van Adam bestaat hoofdzakelijk in zijn ongehoorzaamheid aan Gods wil. Hij heeft zijn zijn eigen wil gesteld tegenover Gods wil, hij is gescheiden geworden van God. Het resultaat hiervan was, dat er een nieuwe bestaansvorm in de wereld is gekomen : deze van ziekte en dood. Door zich van God af te keren, die de onsterfelijkheid en het leven is, is de mens binnengetreden in een situatie die tegenstrijdig is met zijn natuur, en waarvan de monsterachtige omstandigheden onherroepelijk hebben geleid tot desintegratie en fysische dood..De gevolgen van Adam’s ongehoorzaamheid hebben zich uitgespreid over al zijn nakomelingen.Wij zijn mekaars ledematen, herhaalt Paulus voortdurend; als een lid lijdt, lijdt gans het lichaam. Omwille van deze mysterieuze  eenheid van het menselijk geslacht is niet alleen Adam onderworpen aan de dood, maar de ganse mensheid. De gevolgen van de val zijn niet alleen fysisch, maar ook moreel. Door het gescheiden zijn van God, zijn Adam en zijn nakomelingen gekomen onder de macht van kwaad en zonde. Iedere mens wordt geboren in een wereld waarin het kwade overheerst, een wereld waarin  het kwade gemakkelijker te doen is dan het goede. De menselijke wil is verzwakt door wat de grieken noemen ‘begeerte’, en de Latijnen ‘concupicentia’. Wij zijn allen onderworpen aan deze geestelijke aspecten van de erfzonde.

Tot hier komen zowel de rooms katholieken als de klassieke protestanten  overeen.

Maar vanaf dit moment zijn de meningen verdeeld. De orthodoxie heeft vanaf het begin geen al te groot idee gehad van de menselijke volmaaktheid voor de val, in tegenstelling tot het westen.. De orthodoxie is ook minder streng dan het westen wat betreft de gevolgen van de val. Adam is niet gevallen van een verheven hoogte van kennis en volmaaktheid, maar van een toestand van  oorspronkelijke eenvoud. Wij moeten dus zijn fout niet al te streng beoordelen. Zeker, als gevolg van de val is de geest van de mens  zodanig vertroebeld, en zijn wil is zodanig verminderd, dat hij niet meer kan hopen op een gelijkheid met God. De orthodoxie denkt echter dat  de val de mens niet  geheel heeft  afgesloten van Gods genade, maar gelooft dat de genade, in plaats van te handelen van binnenuit, zoals voor de val, nu handelt van buitenuit..De orthodoxie deelt het standpunt van Calvin niet, voor wie de mens, na de val, totaal verdorven is en onbekwaam tot één goede bedoeling. De orthodoxie is zeker niet akkoord met Augustinus, wanneer hij schrijft dat de mens onder de’verschrikkelijke noodzaak’ is van te zondigen, en dat de natuur van de mens ‘wordt gedomineerd door de zonde waarin hij is gevallen en waardoor hij zijn vrijheid heeft verloren'(29).. Het beeld van God is vertroebeld door de zonde, maar zij is nooit vernietigd ; volgens de woorden van een hymne die wordt gezongen tijdens een orthodoxe begrafenis : ‘ Ik ben het beeld van Uw onuitsprekelijke glorie, zelfs al draag ik in mij de wonden van de zonde’. En omdat hij altijd het beeld van God in zich draagt, bewaart de mens ook zijn vrije wil, zelfs al  wordt die wil beperkt door de zonde. Zelfs na de val heeft God ‘aan de mens de mogelijkheid om te willen – Hem te willen gehoorzamen of niet’ niet ontnomen’ (30). Trouw aan de idee van de synergie, verwerpt de orthodoxie elke interpretatie van de val die geen plaats zou laten aan de menselijke vrijheid. De meeste van de orthodoxe theologen verwerpen ook de idee van erfzonde (reatus), onder andere door Augustinus naar voor gebracht , en nog altijd aanvaard door de rooms katholieke Kerk. Algemeen gesproken komt het orthodoxe standpunt hierop neer dat de mens automatisch erfgenaam is geworden van de verdorvenheid en sterfelijkheid van Adam., maar niet van zijn zonde : hij is slechts schuldig in de mate dat hij met zijn vrije wil Adam nabootst. Veel westerse christenen denken dat de mens onbekwaam is om ook maar iets te doen dat aangenaam is voor God, want hij kan niets doen dat niet besmet is door de zonde. Er is geschreven in het 13e van de 39 artikelen van de anglikaanse Kerk : ‘ De werken voor de rechtvaardiging zijn niet aangenaam voor God, want ze hebben een zondige natuur…’

Dit is een hypothese welke een orthodox huivert om te formuleren. En nooit zal een orthodox denken (zoals Augustinus en veel andere westerlingen) dat de pasgeborenen die sterven zonder gedoopt te zijn, en dit door de wil van een rechtvaardige God, zullen overgeleverd worden aan de eeuwige vlammen van de hel(31).

De verscheurde mensheid is minder somber voorgesteld vanuit orthodox standpunt, dan uit het standpunt van Augustinus of Calvijn. Maar de orthodoxie, vasthoudend aan het argument, dat de mens na de zondeval volledig zijn vr
ije wil behoudt, en bekwaam is het goede te doen, is nochtans akkoord met het westen in het gemeenschappelijk geloof dat de zonde een koof heeft teweeggebracht tussen de mens  en God, en dat de mens deze kloof niet op eigen krachten kan dempen. De zonde blokkeert de weg naar de eenheid met God. En daar de mens niet meer naar God kon gaan, is God tot de mens gekomen.

Uit het boek : «l’Orthodoxie – L Eglise des sept conciles» pp.285-319.

Vertaling : Kris Biesbroeck

Kallistos Ware : God en Mens Deel 1 : De Drie-Ene God

                   GOD  EN  DE    MENS

Kallistos Ware

 

 +

‘In zijn liefde zonder grenzen, is God geworden wat wij zijn, opdat wij zouden worden als Hij’ Heilige Ireneus(+202)

 

DEEL 1

 DE DRIE-ENE GOD

Ons sociaal programma, zegt de Russische filosoof Fedorov, is bescheven in het dogma van de Drie-eenheid. De Orthodoxie gelooft met stelligheid dat de leer over de Drie-eenheid geen ‘geleerde theologie’ is, gereserveerd voor geleerden, maar dat zij een daadwerkelijke belang heeft voor elke Christen. De Bijbel leert ons dat de mens  geschapen is naar het beeld  van God. Voor de Christen is God  Drie-eenheid : het is dus alleen in het licht van  het dogma van de Drie-eenheid dat de mens zichzelf kan begrijpen, en kan inzien wat God wil dat hij is als mens. Ons privaat leven, onze persoonlijke relaties en al onze inspanningen die wij leveren voor het instandhouden van een Christelijke maatschappij, hangen af van de juistheid van deze theologie over de Drie-eenheid. ‘Er is  geen andere keuze mogelijk dan tussen de Drie-eenheid en de hel'(1).  Zoals een Anglikaans schrijver heeft gezegd :’ Deze leer vat een nieuwe manier van denken samen over wie God is, en het is door de kracht  van die leer dat mensen zijn opgestaan om de grieks-romeinse wereld te gaan bekeren. Zij heeft een bevrijdende revolutie ontketend in het menselijk denken'(2).

Wij hebben reeds, bij het begin van dit boek de basiselementen aangegeven van de Orthodoxe leer in verband met God. Wij willen hiervan  opnieuw een korte samenvatting  geven.

 1. God is volstrekt transcendent.

‘Geen enkel geschapen ding heeft, en zal nooit de minste gemeenschap hebben met de hoogste natuur, het zal zelfs nooit in de nabijheid ervan kunnen komen'(3). Het is via de ‘negatieve weg’ of ‘apophatische theologie’ dat de Orthodoxie deze absolute transcendentie van God bewaart. De positieve of  cataphatische theologie moet altijd vanuit een negatieve taal getoetst  en beoordeeld worden. Onze uitspraken in verband met God : Hij is goed, wijs, rechtvaardig enz.. zijn juist voor datgene wat van Hem voortkomt, maar ze zijn niet in staat om de werkelijke natuur van de godheid aan te duiden.’Deze uitspraken’, zegt Johannes van Damascus ‘openbaren ons niet de natuur, maar alleen datgene wat daarbuiten is. Het is duidelijk, dat er een God is, maar wat hij is in essentie en in zijn  natuur, gaat ons bevattingsvermogen en verstand te boven’.(4).

2.God, alhoewel transcendent, is toch niet gescheiden van de wereld die Hij gemaakt heeft.

God is boven en buiten zijn schepping, nochtans is Hij er ook innerlijk aanwezig.In een veelgebruikt Orthodox gebed wordt gezegd :’Gij zijt overal aanwezig en vervult de gehele aarde’. De Orthodoxie maakt dus een onderscheid tussen de essentie van God en zijn energieën. Aldus wordt tegelijkertijd de goddelijke transcendentie en immanentie bewaard.

De essentie van God is onkenbaar, maar in zijn energieën komt Hij tot ons. De energieën van God , die God zelf zijn, verzadigen de ganse schepping en we kennen ze onder de vorm van  de goddelijke genade of het goddelijk licht. Onze God is een God die verborgen is, maar  ook een God die handelend aanwezig is, een historische God die rechtstreeks in bepaalde situaties tussenkomt.

3. God is persoonlijk, dit wil zeggen trinitair.

 Deze handelende God is niet eenvoudigweg een God van energieën, maar een persoonlijke God. Wanneer een mens participeert aan de goddelijke energieën, dan wordt hij niet gegrepen door een  ongewisse en anonieme kracht, maar wordt hij daarentegen geconfronteerd met een persoon, en dit van aangezicht tot aangezicht. Meer nog, God is geen alleenzijnde persoon, beperkt tot een ‘enig’ zijn, maar een Drieeenheid van drie personen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Elk van die drie bevinden zich in de twee andere omwille van een eeuwigdurende liefdesband. God is niet alleen eenheid, maar gemeenschap

4. Onze God is een geïncarneerde God

God heeft zich niet slechts door zijn energieën geopenbaard aan de mens, maar ook in zijn eigen persoon. De tweede persoon van de Drieeenheid ‘ware God uit de ware God’ is mens geworden : En het woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond'(Joh.1,14). Er bestaat geen inniger band tussen God en Zijn schepping. God zelf is één van zijn schepsels geworden.

Diegenen die opgegroeid zijn in een andere traditie, hebben het dikwijls moeilijk om de vastberadenheid van de orthodoxen in verband met de apophatische theologie en het verschil tussen essensie en energieën te begrijpen. Maar buiten  deze twee punten hebben de orthodoxen dezelfde leerstellingen over God  als de overgrote meerderheid van hen die zich Christenen noemen..Monofysieten en lutheranen, nestorianen en rooms katholieken, calvinisten, anglikanen en orthodoxen, allen aanbidden zij één God in Drie Personen, en belijden zij dat Christus de mensgeworden Zoon van God is Er is nochtans één punt van onenigheid tussen Oost en West in verband met de leer van de Drie-ene God : het is de  kwestie van het filioque.  Wij hebben reeds vroeger gezien hoe dit woord in het verleden van beslissende invloed is geweest op de ongelukkige scheiding  tussen Oost en West. Maar, behalve het historisch belang van het filioque, wat is  haar belang voor de theologie ? Heel wat mensen, ook orthodoxen, hebben de neiging om het geschil als een duister, technisch dispuut te beschouwen, en zijn geneigd om het als  geheel onbetekenend

te verwerpen. Vanuit traditioneel orthodox standpunt is er echter maar één antwoord  mogelijk : de zaak is zeker duister en technisch, zoals trouwens alles wat betrekking heeft op de triniteitsleer,maar het is echter niet zonder belang. Het geloof in de Drie-eenheid is het hart van het  christelijk geloof,. Een klein verschil in opvatting hierover  heeft zonder twijfel gevolgen op alle aspecten van het leven en het christelijk denken.

Proberen we nu  even enkele punten te verduidelijken rond het probleem van het filioque.

Wat volgt heeft slechts de bedoeling een inleiding te zijn hierop. De punten in het geschil zijn dermate complex ,dat wij, bij gebrek aan ruimte, ons verplicht voelen de argumenten te vereenvoudigen. Wij moeten er volledigheidhalve aan toevoegen dat er in de Middeleeuwen

westerse schrijvers zijn geweest die niet helemaal akkoord waren met de scholastieke interpretatie over de Drie-eenheid, en die dichter stonden bij de orthodoxe benadering.

Eén essentie in drie personen. God is één, en God is drie : de Heilige Drie-eenheid is het mysterie van de eenheid in verscheidenheid en van de verscheidenheid in de eenheid.Vader, Zoon en Heilige Geest zijn ‘één in essentie'(homoousios), elk van de drie onderscheidt zich echter van de twee andere door persoonlijke kenmerken.’Het goddelijke is ondeelbaar in zijn verdelingen'(6), want de personen zijn verenigd zonder verwarring, onderscheiden en toch niet verdeeld'(7); ‘onderscheid en vereniging zijn beiden ook  tegenstrijdig'(8).

Maar, indien elke persoon is onderscheiden, wie houdt de Drieeenheid dan samen ?. Op dit punt antwoordt de orthodoxe Kerk, en in dit verband de Capadocische Vaders volgend, dat er een God is, omdat er een Vader is. In theologische termen  betekent dit, dat de Vader de

‘oorzaak’ en de bron is van de godheid. Hij is het principe (archè) van  eenheid van de drie; en het is in deze zin dat de orthodoxie spreekt van de ‘monarchie’ van de Vader. De oorsprong van de twee andere personen gaat terug op de Vader en het zijn hun relaties met Hem die de ene en de andere kenmerken. De Vader is de bron van de eenheid, geboren uit niets, voortgekomen uit niets; de Zoon is eeuwig geboren uit de Vader (voor alle eeuwigheid, in de termen van het credo); de Heilige Geest komt eeuwig voort uit de Vader.

Het is op dit punt dat er onenigheid is ontstaan  met de rooms katholieke theologie. Volgens de romeinse theologie komt de Heilige Geest eeuwig voort uit de Vader en de Zoon ; bijgevolg, houdt de Vader op de enige bron van de godheid te zijn, aangezien de Zoon ook de bron is. Door deze zienswijze houdt de Vader op de enige bron van eenheid te zijn binnen de Drieeenheid. Rome vindt de bron van eenheid binnen de substantie of de essentie die gemeenschappelijk is aan de drie personen. Voor de Orthodoxie is het principe van eenheid van God persoonlijk; dat is het niet voor de rooms katholieken.

Maar wat is nu de betekenis van de term ‘voortkomen’? Indien dit niet goed duidelijk is gemaakt kan niets verder worden uitgelegd. De Kerk gelooft dat Christus twee geboorten heeft ondergaan : de ene is van eeuwigheid, de andere op een bepaald gegeven moment in de geschiedenis. Hij is geboren uit de Vader ‘van alle eeuwigheid’, en hij is geboren uit de Maagd Maria ten tijde van Herodus, koning van Judea, en van Augustus, keizer van Rome.

In diezelfde zin moeten wij een onderscheid maken tussen het eeuwig voortkomen van de Heilige Geest en zijn tijdelijke opdracht, de gave van de Heilige Geest aan de wereld : de eerste betreft de relaties die eeuwig bestaan in de godheid, de tweede is een relatie van God met Zijn schepping. Wanneer het westen  zegt dat de Heilige Geest voortkomt uit de Vader en de Zoon en wanneer de orthodoxie zegt dat Hij voortkomt uit de Vader alleen, dan refereert men niet naar de uiterlijke activiteit van de Drie-eenheid tegenover de schepping, maar spreekt men van zekere eeuwige relaties, die bestaan binnen de godheid, relaties die bestonden voor de wereld werd geschapen.. Maar alhoewel de orthodoxen niet akkoord zijn met het westen over de eeuwige voortkoming van de Heilige Geest, aanvaarden zij volledig de zending van de Geest . Hij is in de wereld gezonden door de Zoon. Hij is in waarheid ‘de Geest van de Zoon’Het standpunt van de orthodoxie is gebaseerd op de woorden  van Christus:’Wanneer de Trooster komt, die ik u zenden zal van de Vader, de Geest der waarheid, die van de Vader uitgaat, zal deze van Mij getuigen'(Joh. XV,26).

 Christus zendt de Geest, maar de Geest komt voort uit de Vader : dit is het wat de Bijbel ons zegt, en dit is de leer van de orthodoxie. Wat de orthodoxie niet leert is, en wat de Bijbel nooit heeft gezegd is, dat de Geest voortkomt uit de Zoon.

Het standpunt van het Westen is, dat de Geest eeuwig voortkomt uit de Vader en de Zoon. En tegen het westen heeft de heilige Photius bevestigd : de Geest komt van eeuwigheid voort uit de Vader alleen en Hij heeft van de Zoon een tijdelijke zending ontvangen. Maar de byzantijnse schrijvers van de XIIIe en de XIVe eeuw – voornamelijk Gregorius van Cyprus, patriarch van Constantinopel van 1283 tot 1289, en Gregorius Palamas – zijn nog verder gegaan dan Photius om te trachten de kloof te overbruggen tussen Oost en West. Daar waar Photius alleen sprak over tijdelijke relaties tussen de Zoon en de Geest, spraken zij van een eeuwige relatie. Nochtans, op het meest essentiële punt kwamen zij overeen met Photius : de Geest is geopenbaard door de Zoon, maar Hij komt niet voort uit de Zoon. De Vader is de enige oorsprong, de enige bron en oorzaak van de godheid. Dit zijn, kort samengevat, de twee standpunten van beide Kerken.

Bekijken we nu even de bedenkingen die de orthodoxie stelt in verband met de westerse opvattingen. Het filioque leidt tot di-théisme of nog : semi-sabellianisme (9). Indien de Zoon, juist zoals  de Vader  de archè en de bron van de godheid is, bestaan er dan geen twee onafhankelijke bronnen, twee verschillende principes binnen de Triniteit ?  Dit is de vraag die de orthodoxen stellen. Blijkbaar niet , want dit zou betekenen   dat er twee goden zouden zijn. Als  reactie hierop hebben de concilies  van Lyon (1274) en Florence (1438-1439) gedefinieerd dat de Heilige Geest voortkomt uit de Vader en de Zoon ‘als uit een zelfde principe’, tanquam ex (ou ab) uno principio’. Vanuit orthodox standpunt  echter blijft dit onaanvaardbaar : het di-theisme is wel vermeden,maar de personen van de Vader en de Zoon zijn versmolten en zonder onderscheid. De Capadociërs beschouwden de ‘monarchie’ als datgene  wat  specifiek kenmerkend is voor de Vader : Hij alleen, binnen de Drie-eenheid, is het principe of arche. Maar de westerse theologie verleent deze kenmerken zowel aan de Zoon als aan de Vader.Op deze manier grijpt er een versmelting plaats van de twee ‘personen’ tot één enkele. En wat is dit anders dan ‘ Sabelius die opnieuw geboren is of een zeker  semi-pelagiaans monster ?’, zoals de Heilige Photius het zegt (10).

Laten we nu even van naderbij  de beschuldiging van semi-pelagianisme onder ogen nemen.

De orthodoxe leer over de Drie-eenheid heeft een eenheidsprincipe die persoonlijk is, maar het westen daarentegen vindt het eenheidsprincipe in de essentie van God.  Voor de orthodoxen

overschaduwd door de gemeenschappelijke natuur. Men denkt niet meer over God in concrete en persoonlijke termen, maar als een essentie binnen dewelke zich  verschillende relaties onderscheiden. Deze manier van denken vindt haar hoogtepunt bij Thomas van Aquino. Hij gaat zelfs de personen identificeren met hun relaties : personae sunt ipsae relationes (11)

Voor de orthodoxe denkers geeft dit maar een pover idee van de persoonlijkheid. De relaties, zeggen zij, zijn de personen niet; zij zijn de persoonlijke kenmerken van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Gregorius van Palamas zegt het zo : ‘De hypostatische karakteristieken zijn niet de hypostase zelf, maar zij kenmerken de hypostase'(12). De relaties tussen de personen doen in geen enkele mate afbreuk aan het mysterie van elk der personen. Door zodanig de nadruk te leggen op de essentie en niet op de personen maakt de scholastieke theologie van God een abstract idee, Hij wordt een
ver verwijderd, onpersoonlijk zijn, waarvan het bestaan bewezen kan worden met metafysische argumenten. Hij wordt de God der filosofen en is niet langer de God van Abraham, Isaak en Jacob. De orthodoxen daarentegen zijn minder dan de latijnen geinteresseerd  in filosofische bewijzen  voor het bestaan van God. Een directe , levendige ontmoeting met een persoonlijke, concrete God is veel belangrijker dan filosofische argumentatie over het bestaan van God.

Om al deze redenen beschouwen de orthodoxen het filioque als gevaarlijk en ketters : het vermengt de personen en het vernietigt  het delicate evenwicht tussen de eenheid en de verscheidenheid binnen de godheid.Het legt het accent op de ondeelbaarheid en niet op het trinitaire aspect. God wordt gezien als een abstracte idee en té weinig als een concrete persoonlijkheid. Meer nog : het  filioque geeft aan vele orthodoxen de indruk dat in het westers denken de Heilige Geest ondergeschikt is aan de Zoon, zoniet in theorie, dan toch in de praktijk. Het Westen schenkt té weinig aandacht aan de rol van de Heilige Geest in de wereld, de Kerk en in  het dagelijks leven van elke mens.

De orthodoxe schrijvers beweren bovendien dat de twee gevolgen van het filioque , de ondergeschiktheid van  de Geest en de extreme benadrukking van  de eenheid van God  hebben geleid tot een afwijking in de rooms- katholieke leer over de Kerk. Het westen heeft het belang van de rol van de Heilige Geest geminimaliseerd. Het ziet de Kerk té veel als een werelds instituut met tijdelijke wereldse macht. En zoals de westerse leer de eenheid van God te veel heeft geaccentueerd ten nadele van de verscheidenheid, zo heeft ook de eenheid van de Kerk getriomfeerd boven de verscheidenheid. Het gevolg daarvan is  een buitensporige centralisatie van het gezag en een té sterke benadrukking van het pauselijk gezag.

Deze twee wijzen van denken met betrekking tot God, gaan samen met twee verschillende wijzen van denken over de Kerk. Het filioque en de pauselijke aanspraken, deze twee diepe oorzaken van het schisma tussen Oost en West, hebben wel degelijk een verband met elkaar (13).

 Uit het boek : «l’Orthodoxie – L Eglise des sept conciles» pp.285-319.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

Enkele liturgische bijzonderheden…..

ENKELE   LITURGISCHE BIJZONDERHEDEN BIJ DE GRIEKEN EN DE RUSSEN EN HUN BETEKENIS

 

Aartsbisschop Basile Krivochène

 

_____________________________________________________________________

   Deze uiteenzetting heeft niet tot doel om de historische evolutie na te gaan van de liturgische vormgeving, het ontstaan van hun bijzonderheden bij de Grieken en de Russen, het belang van de verschillende ‘typika’ (1) in dit proces,hun wederzijdse beïnvloeding enz… Ik ben geen liturgist om het op een systematische manier te doen. Ik zal mij dus beperken tot een aantal vooral persoonlijke opmerkingen en verkenningen over de manier van celebreren van de liturgie en de diensten , enerzijds in de Griekse kerken en anderzijds bij de Russen. En wanneer ik spreek over de Griekse kerken, dan vergeet ik nooit de Athos-berg welke de hervorming van Constantinopel van 1838 niet heeft aanvaard, maar trouw is gebleven aan de vroegere typika. Wat mij vooral interesseert in deze studie, zijn niet die of die verschillen in de tekst of verschillen wat betreft de ordo’s van de religieuze ceremonieën, maar ook en vooral de betekenis en het belang welke éénzelfde woord of éénzelfde liturgisch moment kan hebben in het spirituele bewustzijn van de gelovigen, in hun religieuze belevingen, zelfs als deze verschillende houdingen nogal eens gefundeerd zijn op misverstanden.En om deze handelswijzen van volksdevotie te begrijpen en te evalueren, kunnen deze ‘liturgische  afwijkingen’ ook hun nut hebben.

   Lees verder “Enkele liturgische bijzonderheden…..”

Het sacrament van het berouw en de Biecht

HET SACRAMENT VAN HET BEROUW EN DE BIECHT

 

confession

Pastorale bijeenkomst over dit thema te Parijs

 

 Een pastorale bijeenkomst van de clerus van het aartsbisdom van de russische parochies in West Europa (oecumenisch patriarchaat)) werd gehouden in het instituut Sint Serge, de 25e mei, 2006 onder het voorzitterschap van Aartsbisschop Gabriël, die dit diocees leidt.

De bijeenkomst had als thema : “Het sacrament van berouw en de praktijk van de biecht”.  In totaal waren er een zestigtal priesters, diakens, leken, leden van de  aartsbisschoppelijke raad, professoren en studenten van het instituut Sint Serge, alsook afgevaardigden van het servisch bisdom en het roemeens bisdom in Frankrijk aanwezig. Zij waren voor deze gelegenheid speciaal uitgenodigd, om deel te nemen aan deze dag van gebed, bezinning en uitwisseling van ideeën. De bijeenkomst werd geopend in de Kerk van  Sint-Serge met een eucharistische liturgie, voorgegaan door aartsbisschop Gebriël. Op het einde van de dag heeft Michel SOLLOGOUB, secretaris van de aartsbisschoppelijke raad en professor aan de universiteit van Parijs I – Panthéon informatie gegeven over het leven van het aartsbisdom. Hij heeft kennis gegeven van een aantal bijzondere, recente gebeurtenissen, die voor hem wijzen op zoveel “tekenen van vitaliteit”. ( inwijding van nieuwe kerken, de aanwezigheid van nieuwe bedienaars, de ontwikkeling van de electronische communicatie, het inrichten van een catechese voor de nieuwe emigranten uit Oost Europa). Hij is ook ingegaan op de meer “bedroevende problemen” , zoals de poging van het patriarchaat van Moscou en van de Russische Federatie om zich meester te maken van de kerken van Biarritz en van Nice.

  Na de liturgie, in de loop van de morgenzitting, werden drie onderrichtngen gegeven aan de deelnemers. André LOSSKY, professor aan het instituut Sint Serge heeft een uiteenzetting gegeven over : “De biecht : enkele historische kenmerken en hun betekenis voor vandaag”. Hij onderscheidt drie periodes in de praktijk van het berouw in de kerk. Hij heeft eraan herinnerd dat er in de beginperiode van  de Kerk , na zware fouten, geen terugkeer mogelijk was tot de communie . Men moet wachten tot de 3e-4e eeuw, tot de patristieke getuigenissen een bewustwording  kenbaar maken van een mogelijk berouw door middel van een persoonlijke inwendige biecht. De tweede periode, vanaf de 6e eeuw, wordt gekenmerkt door de verschijning van de ascetische codexen van monastieke oorsprong, genoemd “Nomocanons”. Deze canons hadden een dubbele invloed, de één positief, in de mate dat zij er niet alleen in bestonden de zware fouten te herkennen, maar “een instrument werden voor het zoeken naar volmaaktheid of onze opgang naar God”, het andere , negatief , in de mate waarin men  nogal vlug de regels welke de straffen voorschreven in functie van de zwaarte van de fouten, op een “legalistische”wijze werden toegepast. De derde periode, vanaf het begin van de 17e eeuw, is in Rusland althans gekenmerkt door het introduceren van een latijnse absolutie-formule, volgens dewelke de biechtvader spreekt in de eerste persoon. Dit versterkt nog het juridisch karakter van de biecht. Als conclusie heeft André LOSSKY nog onderlijnd dat, onder de “positieve invloed” van de Nomocanons, de biecht moet worden opgevat als een “therapeutische act” die als functie heeft : de ” reïntegratie in de Kerk” van hem die door de zonde van God was verwijderd. Het gaat dus om een ‘daadwerkelijke ervaring van de oneindige barmhartigheid van God , doeltreffend en concreet , weg van elke vorm van juridisme” aldus de spreker..

  In de tweede onderrichting, heeft Vader Nicolas OROLINE, professor aan het instituut Sint Serge een reflexie gegeven over “drie symptomen van een diepe crisis” van de biecht. Hij heeft vooreerste de noodzakelijkheid onderlijnd om het misverstand uit de weg te ruimen tussen de band die vandaag de dag ipso facto bestaat tussen biecht en communie. De regelmatige communie is verbonden met het koninklijk priesterschap, ontvangen door alle gedoopten, er is geen enkel verschil tussen clerici en leken. “Onder westerse invloed denken té veel mensen dat alleen de priester elke zondag mag communiceren zonder voorafgaande biecht”, aldus de spreker, terwijl de clerici in werkelijkheid niets anders doen dan de praktijk van de oude Kerk bestendigen. ” Men kan er zich vandaag de dag alleen maar in verheugen, dat meer een meer gelovigen de frequente communie beoefenen”. Maar dit heeft het verergeren van een  “een gevoel van onbehagen betreffende de biecht”, als paradoxaal  logisch  gevolg. Volgens Vader Ozoline, wordt dit fenomeen verklaard door twee strekkingen.

De eerste strekking heeft te maken met een zuiver “juridische ” benadering, waar de biecht wordt opgevat als een opsomming van overtredingen, en de absolutie als een “magische formule”, die zou werken “zelfs onafhankelijk van de gesteldheid van de penitent”. De tweede benadering is van “psychoanalitische” orde, zij herleidt de biecht of tot een “analyse”, of tot een “spiritueel gesprek”. In beide gevallen, is de biecht beroofd van haar betekenis, want, in het sacrament van het berouw, is de priester geen “voorspreker”, maar “een getuige en een bemiddelaar bij God”.

  Vader Nicolas Ozoline is vervolgens ingegaan op het fenomeen van de “mladostertsy” ( russische term om zeer jonge priesters aan te duiden die zich ten onrechte de rol van bekwame geestelijke vaders aanmatigen), een verschijnsel welke hij heeft gedefinieerd als een poging van sommige jonge priesters, om een macht over de biechtelingen uit te oefenen. Het gaat hier om een wijd verspreide ontsporing in Rusland sinds de val van het communisme en die officieel is veroordeeld door de patriarch van Moscou ALEXIS II en door de heilige synode. Hij heeft nochtans geconstateerd dat deze afwijking  “inherent is  aan het systeem”, want in de actuele russische Kerk zijn de jonge priesters, vanaf het begin van hun ambt “gedwongen om te biechten zonder pastorale of spirituele ervaring”. Dit was niet zo in het oude Rusland (vóór de 18e eeuw), evenmin is dit het geval in de actuele praktijk van de orthodoxe Kerken van Griekenland en het Nabije-Oosten, waar nog altijd de instelling bestaat van de “pneumatikoi” (in het russisch “doukhovniki”), de “biechtvader, vertrouwensman”. Dit zijn priesters welke een bijzondere zegen van de bisschop hebben ontvangen om biecht te horen. “Ik zou willen pleiten voor  de geleidelijke terugkeer naar het systeem van de “doukhovniki”  binnen ons aartsbisdom”, was zijn conclusie, eraan toevoegend : “Het zou ook een dienst betekenen aan hen die in Rusland zich daarvoor inzetten, en dit met vele moeilijkheden; want vanaf het moment dat men spreekt van veranderingen, zijn er oppervlakkig reacties van wantrouwen en verwerping”.

  De derde overweging werd  gegeven door Vader Michel FORTOUNATTO, vroeger priester te Londen, nu op rust in de buurt van Vichy (Allier). Hij h
ad het over de “Spirituele en theologische betekenis van het berouw” Hij heeft vooreerst de nadruk gelegd op de “dynamiek van het berouw” die zich plaatst “tussen zonde en vergeving”. Het gaat dus om een beslissend moment, of juister gezegd over een moment van daadwerkelijke “bekering”. Het berouw is een  ontologisch fenomeen waar het gevallen schepsel zoekt om genezing en om het goddelijk beeld in hem te hervinden”. Vertrekkende vanuit talrijke citaten van de Kerkvaders, maar ook van de Heilige Silouan de Athoniet (20e eeuw), heeft hij getoond hoe het appèl van de berouwvolle mens zich manifesteert, Gods trouw in acht nemend. :“God vergeeft ons en geneest ons door zijn eindeloze liefde”. Het berouw is “een tweede genade, gegeven na de doop” (Heilige Isaak de Syriër), waardoor de gevallen mens zich transformeert, van “een staat van verval” naar “een staat van onverstoorbaarheid”. Vader Michel Fortounato heeft onderlijnd, dat het berouw geen geïsoleerde daad is die gepaard gaat met de biecht . Zij moet “aanwezig zijn in alle etappes op de geestelijke weg”. De Heilige Isaak de Syriër  parafraserend, zou men kunnen zeggen dat “wij berouw nodig hebben gedurende de vierentwintig uren van de dag”.

  De onderrichtingen hebben  de gelegenheid gegeven tot een debat over onderwerpen zoals :het onderscheid tussen het sacrament van het berouw en de openheid van gedachten, het onderscheid tussen de priester biechtvader en de geestelijke leider, de noodzaak van een spirituele rijpheid om biechtvader te zijn maar ook om priester te zijn, de betekenis van het gewijde ambt en de charisma’s binnen de Kerk , de plaats van de biecht als een kerkelijke daad in het kader van de parochie en vooral van de zondagse liturgie, plaats van samenkomst bij uitstek…. De namiddagzitting was gewijd aan ateliers rond reflexie en discussies over verschillende thema’s : “De praktische vormen van de biecht”, “Biecht en eucharistische communie”, “biecht van de jongeren” enz..

Vrij vertaald uit SOP 310 – Juli/Augustus 2006

door Kris B

Klein spiritueel compas voor onze tijd

 

Klein spiritueel kompas voor onze tijd

Een boek van Olivier Clément

 Kruis444

« West Europa zit gewrongen tussen de keuze van het niets en de heiligheid, tussen de dwaasheid en de Drie-enheid… Datgene wat in de zogenaamde christelijke maatschappijen kon blijven voortbestaan stort ineen of verinnerlijkt zich. Een ganse jeugd groeit op, begerig naar een eenvoudig geloof, eenvoudig uitgedrukt….» Hoe kan men ten volle zijn roeping van leek in navolging van Christus «in Christus» op zich nemen ? De zorg voor de armen, de dialoog met andere religies en christelijke belijdenissen ?  En vooral, een ander kijk op de dingen, een welwillendheid van het hart…. « Alleen het christendom dat diep en grootmoedig is kan het kompas vormen die ons moet toestaan te zeilen op de oceaan van deze moeilijke en gecompliceerde wereld », aldus Olivier Clément in de klein boekje dat verschenen is bij uitgeverij Desclée de Brouwer, onder de titel «Klein spiritueel kompas voor onze tijd  (Petite boussole spirituelle pour notre temps) (144 pp., 15 €). Het voorwoord is van Andréa RICCARDI, stichter van de Sint Egidiusgemeenschap te Rome. Het werk brengt meerdere essais samen die tot stand zijn gekomen in het kader van deze gemeenschap. Wij geven hieruit enkele goede bladzijden.

De verwereldlijking, is de werkelijkheid waarin we ondergedompeld zijn. De seculiere maatschappij is in zekere zin onze leefomgeving, de lucht die wij inademen, zelfs wanneer wij slapen. Christen zijn vandaag vertrekt vanuit deze vaststelling.

Elke leek ( van het grieks laikos) is lid van de laos, het volk, in ons geval, van het volk van God. Als gedoopte, gezalfd in de Geest (Chrisma), is hij «koning, priester en profeet». Koning, om zijn bestemming te trachten te ordenen in de diepste betekenis van het woord; priester, om als offergave te zijn voor de mensen en de dingen van de wereld; profeet, om zich in te schrijven in het uitzicht op het meer, het andere, in het dagelijks leven van de mensen, en daardoor hun de toekomst te openen.

Er kunnen geen professionelen zijn van het christendom. Men heeft dit wel zo geloofd in de loop van de eeuwen christendom, met de leidende rol die aan  de clerus werd gegeven, en deze van inspiratie en voorbeeld gegeven aan de monniken.

Vandaag nochtans bemerkt men in ons land dat de clerus geen geprivilegieerde oligarchie meer is maar dat ze samengesteld is uit mensen die moeten gedefinieerd worden als dienaars, onder, veeleer dan boven de anderen . Wat het monnikendom betreft, het vormt nog altijd zoals de heilige Johannes Chrysostomos het uitdrukte, een « heilige afwijking », noodzakelijk geworden door de lauwheid van de christelijke wereld. In de 13e eeuw bijvoorbeeld, wanneer gans de Oosterse wereld was gedoopt, betekende zich bekeren monnik worden. Vandaag betekent dit eerder : trachten christen te worden, ’t is te zeggen, zich ernstig engageren in de Kerk, in dienst van Christus, en dus, in de kracht van de Verrijzenis, in dienst van de anderen.

Tussen de verwereldlijking en de liturgie,

Een verrassende vruchtbaarheid.

De afstand tussen leken en monniken, negatief voor de eerste, is vandaag een afstand geworden tussen atheïsten, agnostici, gnostiekers (is voor niemand nog negatief) en Christenen die hun christen zijn proberen te beleven.

Een christelijke leek is dus volledig verantwoordelijk ( met alle anderen «een stem in het koor»» zoals Siniavski het zei) voor de Kerk en haar uitstraling. Het is dus goed, zelfs al is het moeilijk, dat hij ondergedompeld  wordt in de seculariteit, waaraan hij deelheeft, hoe weinig het ook is, om de vernietigende neigingen af te wenden en de kiemen van het ware leven in zich te verdiepen.

Gedurende vele jaren, ik heb geschiedenis gedoceerd in een groot lyceum van Parijs. Ik heb nooit getracht om mijn leerlingen te bekeren (ik was ertoe gehouden door mijn plicht als leek), maar ik heb wel getracht om hen wakker te schudden, om hen vragen te stellen, hen op weg te zetten. Hun wegen benaderden dikwijls de mijne, soms ook waren ze verder ervan verwijderd.  Er zijn beroepen waar dit onrechtstreekse getuigenis bijna niet mogelijk is; maar men kan het altijd te kennen geven in de arbeidsrelaties. De liturgie wordt, hoe dan ook, het centrum van ons leven; het gebed, die haar interioriseert en haar doet verder beleven, geeft ons de kracht om niet te vervallen in ontmoediging, bitterheid, en dikwijls om een gebaar te stellen, om een woord te spreken, dat de goede richting oppert.

Er is geen recept, het is het feit zelf van te leven tussen de verwereldlijking en de liturgie die aan ons bestaan een onverwachte vruchtbaarheid kan geven. Er zijn ook, in Sant’Egidio bijvoorbeeld, systematische engagementen in de seculariteit om dit getuigenis uit te dragen. Ik heb dat ook meegemaakt, al werkende en naast mijn professionele activiteiten,  om kleine orthodoxe gemeenschappen die in Frankrijk zelf ontstaan zijn te helpen versterken en om hen te richten op een getuigenis en een samen delen. En ik heb het gevoel dat mijn leerlingen geïnteresseerd waren in mijn lessen, juist omdat zij in mij andere bekommernissen voelden, een openheid op een andere dimensie van het bestaan.

De Bijbel doet ons houden van de actualiteit en de geschiedenis

De Bijbel maakt ons niet vreemd aan de geschiedenis . Hij is integendeel een belangrijke onuitputtelijke bron voor alles wat menselijk is. Hij is de bron van de onbewingbare belangstelling van een mensheid in haar verzuchting naar de volheid en de god-menselijkheid.

Het is Friedrich Hegel die het dagblad in onze theologische problematiek heeft binnengebracht. Voor hem realiseert de Geest, het goddelijke zich in de geschiedenis. Een geschiedenis waarvan het dagblad het symbool is. De lezing van het dagblad, zei hij, vervangt vandaag de dag het morgengebed ( men zou kunnen zeggen dat vandaag de televisie het avond gebed heeft vervangen..) Vervolgens hebben de theologen geprobeerd de zaken te regelen door te zeggen dat een christen de Bijbel in de ene hand moeten houden en het dagblad in de andere.

Men zou in de eerste plaats kunnen leren om de bijbel kritisch te laten bestuderen door de geschiedenis en de geschiedenis door de Bijbel ! De Bijbel kritisch laten bestuderen door de geschiedenis is het ontzaglijk werk van de exegese die de menselijke dimensie van de openbaring bestudeert, de oorsprong van de teksten in hun psychosociologische structuren van een bepaald tijdperk. IN de structuren en niet  de teksten die voorgebracht zijn DOOR de structuren : want de ultieme betekenis, het goddelijke deel , om aan het licht te brengen dat  de traditie niets anders is dan de Heilige Geest die aan het werk is in het Lichaam van Christus, dat ontsnapt altijd aan de geschiedenis ( en dus aan de exegese). Het is niet voor niets dat de laatste editie van La Bible de Jérusalem in voetnoot interpretatiesleutels aanreikt die dikwijls ontleen zijn aan de Kerkvaders.

De ultieme betekenis komt toe aan het spirituele

Het zijn in de grond dezelfde overwegingen die wij terugvinden wanneer het gaat over een kritische studie van de geschiedenis door de Bijbel. Men moet eerst en vooral de geschiedenis op de meest  eerlijkste manier bestuderen, door elke ideologische verklaring uit te sluiten.  Bijvoorbeeld de onderbouw en de bovenbouw van de marxistische vulgaat, in de mate dat alle structuren niet ophouden de één over de andere te domineren. Het is een benadering die bruikbaar kan zijn (economisch, sociaal, psychologisch, religieus), zonder dat één ervan, door middel van een gewetensvolle analyse,de pretentie zou hebben het laatste woord te hebben. Voor mij is hét model in dit domein de historische en religieuze anthropologie van Alphonse Dupront.

Ook hier is de ultieme betekenis, de «mèta-historie» zoals Nicolas Berdaev het gezegd heeft :  tegelijk een globale visie en een overschrijding ervan. Een eschatologische verlichting in het weigeren van  elke «ont-menselijking» door het millenarisme of het messianisme.

Maar men moet antwoorden en niet vluchten. Bemin God  met gans uw wezen, zegt Jezus, en de naaste als uzelf. En deze twee geboden kunnen niet gescheiden worden. De mens en vooreerst de armste, is het sacrament van God voor de mens, zegt de parabel van het laatste Oordeel, hoofdstuk 25 van het evangelie volgens Mattheüs. Iedere keer dat je concreet goed doet aan de kleinsten, heb je het aan Mij gedaan. Men kan «beschouwen» zonder zijn naaste te dienen : God zien in het gelaat van de andere, in het arme en naakte gelaat, zo broos (Emanuel Levinas). Indien er tijdens uw gebed een bedelaar een bol soep komt vragen, twijfel niet, stop uw gebed  en maak een bol soep klaar en geef het hem, heeft een Mystieker ooit gezegd (Meester Eckhart, ik geloof).

En wederkerig : geen dienst van de naaste zonder innerlijke openheid op een ander licht. Alleen dit kan uitputting, vermoeidheid en bitterheid vermijden. Alleen dit kan aan de verbeelding onverwachte initiatieven tot stand brengen die dikwijls door anderen als onmogelijk werden bestempeld….

Een theologie van de vriendschap

Er is in onze samenleving een grote aansporing om aan onszelf te denken. En alleen hieraan. Het is de enige mantra die haar lokroep niet vermindert, zelfs in de grote veranderingen die wij nu moeten ondergaan, deze van de denkbeeldige wereld, van de waanzin van de grote steden, op het einde van het optimisme die volgt op 11 september 2001.

De christelijke broederschap kan alleen maar afstand nemen van een gejaagde, individualistische maatschappij. Het veronderstelt tijd en een zekere graad van communio. Het veronderstelt stil te staan dicht bij de ander. De vriendschap is hier een fundamentele dimensie. In het Oud Testament, is «zijn zonder vriend» verwand met « zijn zonder God ». De mens in een liberale maatschappij heeft slechts zelden vrienden : hij heeft relaties, kennissen , waarvan hij gebruik maakt voor eigen belang. Men vindt anderzijds in het Oude Testament, voornamelijk in het boek Ecclesiasticus  en in het boek der Spreuken een gelijkaardige opvatting van vriendschap : De vriend is een steun, een verdediging, maar weldra wordt alles gedragen door een spirituele opvatting van vriendschap. De horizontale lijn, gericht op het nut, wordt afgesneden door de verticale lijn die de transcendentie aanduidt. Zo is een vriend helpen « een offerande aan de Heer » (spr.14,11), « Een broer die gesterkt wordt door een andere broer is sterk als een vesting » (Spreuken 18,19). De vriendschap tussen David en jonathan staat boven elke utilitaire conceptie : « de ziel van Jonathan hecht zich aan de ziel van David, en Jonathan beminde hem zoals zichzelf» (1 Sam.18,1). Een tragisch element verschijnt, als een vooruitlopen op het kruis .

Jezus realiseert in zich de éénheid van alle mensen. Deze eenheid drukt zich uit in verschillende gradaties van bewustzijn en intensiteit om uiteindelijk uit te monden in de persoonlijke vriendschappen van Christus, vooral met Martha, Maria en Lazarus. Het is betekenisvol, dat de enige volwassene die hij van de dood heeft gered, één van zijn persoonlijke vrienden was, Lazarus. Op de drempel van Zijn lijden, noemt hij de apostelen zijn «vrienden». « Wanneer twee of drie in Mijn Naam verenigd zijn, ben Ik in hun midden» (Matth.18,20).

De vriendschap verschijnt als een voorrecht van de christelijke gemeenschap. Dat wat ook het persoonlijk karakter en niet enkel het gemeenschappijke van de vriendschap van Christus onderlijnt, is, dat Hij Zijn apostelen twee aan twee uitzendt. (…)

De kracht van het gebed

Het is wonderlijk om te zien met welk gemak velen onder ons zich verstoken voelen van het noodzakelijke. Het gaat hier niet om voedsel, maar van het gebed die ons helpt om onszelf terug te vinden, om afstand te nemen en ons dichter te brengen tot het leven en de relaties met anderen in het persoonlijk en gemeenschappelijk gebed. Het is een bron van energie die nooit uitgeput kan geraken.

Het gebed opent de mens op God en opent dus de geschiedenis op God. Tegelijk staat het ons toe om volledig zichzelf te zijn, want in het diepst van zijn wezen is hij in relatie met God, deze God waarvan hij het beeld is. Zo wordt het gebed niet uit ons geboren, maar het is ons gegeven. De Heilige Geest, zegt sint Paulus, bidt in onze harten murmelend «Abba, Vader» (Gal.4,6); Rom.8,15). Zeker «wij weten niet wat we moeten vragen om te bidden zoals het hoort», maar de Geest «komt onze zwakheden te hulp» (Rom.8,26).

Het gebed is altijd dicht bij mij. In een zekere zin is mijn bestaan zelf gebed, maar op een onbewuste manier. Op momenten van crisis, op hoogtepunten of bij een intense stilte kan het gebed opwellen uit het hart. De kerkelijke discipline, het avond en morgengebed, de zondaagse Liturgie, zelfs indien ze beleefd wordt in een zekere dorheid, dragen bij om ons hart te ontlasten van verstrooidheden en zorgen die ons onttrekken aan onze kostbare schat. De meditatie, bij voorkeur uit de Heilige Schrift, kan ons doen openstaan voor de adem van de Geest ( het volstaat om te weerstaan aan de bekoring om voldoening te vinden in zichzelf, in een soort kinderlijke eenwording…) Het gemeenschappelijk gebed, gedragen door de zang, indien zij ten minste niet vervalt in ritualisme of  in de cultus van de schoonheid, is ook een belangrijke weg. Wij zijn geroepen om te worden wat wij in het diepste van onszelf zijn :  «levende gebeden» (André Louf).

Zeker, in onze huidige cultuur is het moeilijk om tot bezinning te komen. Maar wij kunnen elke dag, ’s avonds, met de deur gesloten, telefoon afgehaakt, enkele minuten stilte in acht nemen. Wij moeten onze relatie met de tijd losser beleven om meer en meer tijd vrij te maken voor verwondering, om «de eucharistie te beleven in alle dingen», zoals de heilige Paulus het ons heeft gevraagd. (…)

De liturgie is de vurige gloed van Christus die ons vrij maakt

Wij leven in een overdonderend lawaai en zijn soms niet in staat tot een waarachtig woord over onszelf en de anderen, over de schepping. Er is ook een verdovende stilte, maar zij bevindt zich juist in het innerlijke leven. Ook hiervan moet men zich bevrijden.

Het christelijk leven wordt ervaren en voedt zich door de liturgie.  Het griekse woord betekent «het werk van het volk». Zij is immers de communio die God ons geeft in de mate dat wij ze in ons opnemen door Zijn Woord te horen, door het brood in ons op te nemen die Zijn Lichaam is geworden.  In het hart van elke liturgische ontplooiing  bevindt zich de eucharistie, en dit woord drukt onze dankbaarheid uit : eucharistô in het grieks betekent ook nog vandaag eenvoudigweg : dank u.

Zo is de liturgie fundamenteel het celebreren van de verrezen Christus die de Heilige Geest in ons tegenwoordig stelt. Elke officie, hoe kort ze ook mag zijn, is een zonnestraal van Pasen. Wij aanvaarden het in vriendschap en verzoening, het vereist een «vredeskus». De liturgie is noodzakelijk persoonlijk en noodzakelijk gemeenschappelijk, over de grenzen van elke passiviteit en eenzaamheid heen. Zij offert onze zorgen en ons lijden, zij biedt ons de grote zon die God is aan, en maakt ons vredig en geneest ons. Ze geeft ons ook de sterkte – hoe weinig het ook mag zijn – om te bedaren en te genezen. (…)

De wereld is geschapen om eucharistie te worden. (…) Er is in het hart van de dingen een stille celebratie. Het is aan de mens om er op in te gaan. God vraagt in Genesis om de levenden een «naam te geven ». Want de mens is tegelijk van de hemel en van de aarde.  En God heeft de wereld aan de mens gegeven opdat de twee, God en mens, van de wereld één groot liturgisch gedicht zouden maken (…)

Christus is niet alleen het hoofd, aldus een byzantijns mystieker uit de 14e eeuw, Nicolas Cabasilas, maar hij is ook het hart van de Kerk. Door de eucharistie wordt Hij ons hart. In dit hart, waar het vuur voortaan brandt, is het van belang dat de intelligentie van het hoofd en de vervoering  van de eros zich transformeren in  de smeltkroes van Christus. Dan opent zich, wat de oude asceten noemden het «oog van het hart», het «oog van het vuur», en dit oog, deze kijk openbaart in de menselijke relaties evenals in de relatie tussen de mens en het universum uiterst kleine dingen die nochtans oneindige eucharistische mogelijkheden inhouden.« Brengt dankzegging voor alles» ’t is te zeggen verwezenlijkt eucharistie, zegt de apostel (1 Thess.5,18). Het is wellicht de beste definitie van het christelijk leven.

Een grote nood aan het Evangelie

Er is een grote nood aan het Evangelie in onze maatschappijen. Hoe meer het het patrimonium is geworden van een minderheid, hoe meer we er nood aan hebben, niet als een beknopt handboek van tegengestelde waarheden, maar veel meer als een taal die de absolute liefde van de vader uitdrukt voor de zoon die gans zijn bezit had verkwanseld en zonder enig bezit overbleef.

In de geseculariseerde en ontwikkelde maatschappij ontwikkelen zich tegelijkertijd fenomenen die in contradictie schijnen te zijn met elkaar, maar die sterk met elkaar verbonden zijn :  een gekleurde onverschilligheid  en een zekere vijandschap tegenover het christianisme (…); een verwarrende ideologische handel die het succes van het geld, het verlangen en het vermaak ophemelen (…);  ongebreidelde ideologieën die het accent leggen op de éros en de cosmos, op wetenschappelijk gefundeerde meditaties (…). het gemeenschappelijk punt is het zoeken naar een geheel van gevoelstoestanden, wellicht het hoogtepunt van narcisme; de groeiende oppositie tussen het rijke Noorden en het arme Zuiden. (…)

In deze context kan het getuigenis van het Evangelie slechts gaan via het bewustzijn, de vrijheid. Ook via een strijd voor een betere herverdeling van de bronnen van de planeet. Via het voorbeeld en het leven (…)

Gaan naar een nieuwe heiligheid

Wij moeten gaan naar een nieuwe heiligheid, open zowel op de Geest als op gans de complexiteit van het sociale, culturele en kosmisch leven. Maar in dit kader eist het getuigenis ook een grondige verandering van zijn inhoud. Wij maken een fundamentele wijziging mee in het beleven van het christendom.  Een vernieuwd nadenken over het kwaad dient zich aan, over de God van de kénose, over de notie zelf van almacht – en dus over de hel (…)-, over de geschiedenis en de eschatologie, over de eros en over de cosmos, over de persoon en de communio, en dit in het licht van de Drie-eenheid die tegelijk volheid van de eenheid en volheid van de verscheidenheid is. Er moet eveneens een nieuwe bezinning komen over de techniek : want niet alles wat mogelijk is, is ook wenselijk.

De christelijke monniken van Oost en west kunnen ons veel zeggen. Zij kennen de wegen naar de «plaats van het hart», maar zij plaatsen de innerlijkheid altijd in het perspectief van de communio en de kennis in het perspectief van de liefde. De innerlijkheid heft het mysterie van de ander niet op maar openbaart het. Het gezicht en het oneindige zijn gedeeltelijk verbonden. Men moet dus, naar mijn mening, het moderne humanisme onderzoeken en tegelijk de nabijheid van het mysterie in de innerlijkheid levend houden, zoals de kosmische symbolen. Er is geen oppositie tussen deze twee bewegingen van het hart en de geest, zelfs indien wij in het Westen gewoon zijn een soort van natuurlijk scheiding te zien tussen de ruimte van God en de ruimte van de mens alsof het mogelijk was om er een scheidingslijn door te trekken. Maar indien de scheidingswand die er bestaat tussen de eisen om God te ontmoeten door de mens te miskennen of de mens te begrijpen door abstractie te maken van God, afgebroken wordt, zal men ontdekken dat de kosmos en de geschiedenis de enige mogelijke plaatsen en de taal zijn voor hun ontmoeting (…)

Uit SOP 334 – Januari 2009

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

Nicolas Lossky : Eucharistische gestvrijheid

EUCHARISTISCHE GASTVRIJHEID

 

Vader Nicolas Lossky

 

Laatste avondmaal ethiopisch

In de inter-confessionele context waarin we leven, wordt dikwijls de vraag gesteld waarom er niet zuiver en eenvoudig vrijheid wordt gelaten op het domein van de deelname aan de Eucharistie. Men weet dat de orthodoxen, die toch deelnemen aan de oecumenische Beweging, en dit sedert het begin van de XXe eeuw, zich hebben verzet tegen wat men moemt de ‘eucharistische gastvrijheid’.  Met uitzondering van een aantal gevallen waar de bisschop of zijn afgevaardigde die de celebratie uitvoert, om pastorale redenen, die deel uitmaken van zijn verantwoordelijkheid tegenover God, toch sommige niet-orthodoxen toelaat tot de communie. De regel wil dat alleen  leden  van de orthodoxe Kerk die niet geëxcommuniceerd zijn toegelaten worden. De uitzonderlijke gevallen waarvan sprake zijn het gevolg van wat de orthodoxen de ‘economia’ noemen, een begrip dat dikwijls verkeerd begrepen wordt. Het gaat hier niet om een  ‘afschaffing’ van een regel, maar om een ‘ niet toepassen’ ervan en dit in specifieke gevallen die voortkomen uit pastorale noodzaak. De regel blijft bestaan. Het is dus van belang om te onderzoeken waarom de orthodoxe Kerk slechts orthodoxen toelaat tot de communie.

De eerste reden  houdt verband met de orthodoxe opvatting van de eucharistie – een opvatting welke de orthodoxen trouwens delen met de katholieken. De eucharistie vertegenwoordigt de ultieme uitdrukking van de eenheid van de Kerk. Zij is de Kerk. Dit impliceert een totale eenheid in de belijdenis van het geloof, voor alles het geloof in de goddelijke Drieeenheid dat zich aan ons geopenbaard heeft in de menswording van Jezus Christus, de God-mens die ‘één is van de Heilige Drieeenheid’. Deze eenheid in de trinitaire geloofsbelijdenis impliceert een juiste ecclesiologie, wat de heilige Paulus uitdrukt als hij schrijft aan de Kerken, bijvoorbeeld ‘tot de Kerk van God te Korintië…'(1Kor.1,2 en 2 Kor.1,1). ‘Kerk van God’ betekent hier wat een weinig later Ignatius van Antiochië zal noemen ‘katholieke Kerk’, niet in de betekenis van ‘universeel’, maar wél de Kerk die de volheid van het geloof belijdt, die de volheid van de Openbaring (kath’olou = volgens alles)ontvangt. Men herinnert zich dat de heilige Ignatius deze uitdrukking gebruikt in verband met het Godsvolk, verzameld rond de bisschop, dat tegelijk universeel is, omdat het in communio is met alle eucharistische  bijeenkomsten ‘die overal de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen’ (1 Kor.1,2).

 De orthodoxe ecclesiologie veronderstelt dus een band tussen het volk van God en de bisschop die voorgaat maar die in zijn hoedanigheid van voorganger niet ophoudt deel uit te maken van dit Godsvolk.

 Dit brengt ons tot een ander aspect van de orthodoxe ecclesiologie, een aspect die ons beter zal toelaten, zelfs als onze christelijke broeders en zusters het er niet mee eens zijn, de zeer belangrijke reden van de orthodoxe  aarzeling ten overstaan van de eucharistische gastvrijheid te begrijpen. De verzameling van het Godsvolk, voorgezeten door de bisschop, is een vergadering die verenigd is in geloof en waar allen mede-verantwoordelijkheid dragen voor dit geloof. Er zijn in de Kerk geen passieve leden. Er zijn  in de orthodoxe ecclesiologie geen begrippen als ‘de lerende Kerk’ en de ‘onderwezene Kerk’. Allen zijn verenigd in een communio die zich aldus uitdrukt (zoals in de Goddelijke Liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos) : ‘Laat ons elkander beminnen, om in eenheid te belijden : de Vader, de Zoon en de heilige Geest, Drieeenheid, die éénwezenlijk en ondeelbaar is’. Het gevolg is, dat de verzameling van gelovigen en de clerus geroepen zijn om gericht te zijn naar de eenheid in verscheidenheid (of  naar de verscheidenheid in de eenheid), waarvan het mysterie van de absolute eenheid in de verscheidenheid niet minder absoluut is dan deze van de Heilige Drieeenheid, twee absoluut-heden, wat filosofisch gezien een absurditeit is, een ‘tegenstrijdigheid’ zoals de heilige Gregorius van Nazianze het zegt. Hij wordt dan ook voor niets ‘de Theoloog’ genoemd.

 Indien de eucharistische bijeenkomst geroepen is tot de eenheid in verscheidenheid naar het beeld van de Heilige Drieeenheid, dan impliceert de orthodoxe ecclesiologie, maar dan begrepen als een theologie en niet als een beschrijving van een organisatie of eenvoudigweg een institutie, dat elk lid niet simpelweg een lid is van een Kerkvergadering ; elk lid is dusdanig verbonden met de anderen in Jezus Christus dat hijzelf ‘Kerk’ is. Hieruit vloeit voort, dat waar hij communiceert, het de Kerk is die communiceert. De communie kan dus niet gezien worden als een individuele daad. Als ik in een katholieke, anglikaanse of protestantse Kerk ga communiceren, en dit in het licht van wat boven gezegd is, dan stem ik in met die Kerk. Anderzijds, als men mij zegt dat het slechts een uitzondering is, een ‘profetische’daad, dan vergeet men dat niet ik alleen communiceer maar de ganse kerkelijke gemeenschap waaraan ik deelheb communiceert met mij, want in de Kerk zijn wij geroepen om de staat van individualisme te overstijgen, om een persoon te worden, dit wil zeggen ,een ‘zijn-in-communio’, zoals metropoliet Jean van Pergame (Zizioulas) het uitdrukt. Hij laat geen gelegenheid voorbijgaan om er aan te herinneren dat er binnen de Kerk gaan plaats is voor individualisme.

 Tot besluit kan men zeggen dat, indien men in de orthodoxe Kerk de praktijk van de eucharistische gastvrijheid systematisch en zonder discriminatie zou toepassen krachtens het zo dikwijls geciteerde  principe volgens hetwelke het de Heer is die uitnodigt en  leidt, dit zou betekenen, indien men aanvaard wat gezegd is, dat ieder die men de communie zou geven, of hij het wilt of niet, ingelijft  wordt in de orthodoxe Kerk. Maar men zou niet toelaten dat deze persoon elders te communie gaat.

Vrij vertaald uit ‘Contacts’

No 210 – 2005 door Kris B.

 

Izaak de Syriër : Ascetische overweging

H. Izaak de Syriër (7e eeuw), monnik nabij Mossoel

Ascetische overweging

 

Isaac_le_Syrien_2B_russes_des_USA

 

“Zeer vroeg in de morgen stond Jezus op, en ging heen; Hij begaf zich naar een eenzame plaats”

       Niets maakt een ziel zo zuiver en vreugdevol, verlicht de ziel en verwijdert slechte gedachten, als het waken dat doet. Daarom hebben onze vaderen volhard in dat zware werk van waken en ze hebben als regel aanvaard om ’s nachts wakker te blijven gedurende hun ascetische leven. Ze deden dat in het bijzonder omdat ze onze Heer met zijn levend Woord ons op verschillende plaatsen ertoe hoorden uitnodigen: “Wees waakzaam en bid onophoudelijk” (Lc 21,36) ; “Blijf wakker en bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken” (Mt 26,41) ; “Bid zonder ophouden”(1 Tes 5,17).

      En Hij vond het niet genoeg om ons alleen maar met zijn woorden te waarschuwen. Hij heeft ons ook persoonlijk het voorbeeld gegeven door de praktijk van het gebed boven alle andere dingen te verkiezen. Daarom isoleerde Hij zich voordurend om te bidden, en dat niet op willekeurige wijze, maar door de nacht als tijd daarvoor te kiezen en de woestijn als plaats, opdat ook wij in staat werden om in eenzaamheid te bidden, door de menigte en het lawaai te mijden.

      Daarom hebben onze vaderen dit hoge onderricht over het gebed ontvangen, alsof het van Christus zelf kwam. En ze hebben ervoor gekozen om te waken in gebed, op de wijze van de apostel Paulus, om vóór alles voortdurend in de nabijheid van God te kunnen verblijven door het onophoudelijke gebed… Niets van buiten bereikt hen, want daardoor zou de zuiverheid van hun intellect kunnen veranderen, hetgeen hun waken zou kunnen verstoren. Daarom vervult het waken hen met vreugde en is dit het licht van de ziel.

 Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

 

Gregorius Palamas : Over de heilige iconen

De Heilige Gregorius Palamas : Over de heilige iconen.

 Palamas H 25

Je zal u geen afbeelding maken, noch van iets in de hemel hierboven, noch van iets op de aarde beneden of in de zee’ (Ex.20,4), in deze betekenis dat we ze niet mogen aanbidden en verheerlijken als goden. Want allen zijn schepselen van de ene God, geschapen door hem in de Heilige Geest door Zijn Zoon en Logos van God in deze laatste tijden vlees geworden uit een maagd. Hij is op aarde verschenen en werd deelgenoot van mensen. Hij heeft voor de bevrijding van de mensen geleden, is gestorven en verrezen. Hij is neergedaald met zijn lichaam in de hemelen, en « zit neer aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge »(Hebr.1,3). Hij zal wederkomen met Zijn Lichaam om levenden en doden te oordelen. Uit liefde voor Hem zal je een icoon maken, voor Hem die mens is geworden voor ons, en door Zijn icoon zal je hem in herinnering brengen en Hem aanbidden. Door de icoon zal  uw verstand op een verheven wijze het eerbiedwaardige Lichaam van de Verlosser erkennen.

Op dezelfde wijze zal je ook iconen maken van heiligen en ze vereren, niet als goden – want dit is verboden – maar omwille van onze gehechtheid, onze innerlijke genegenheid en het buitengewoon eerbewijs dat je voelt voor de heiligen. Ons verstand zal doorheen hun icoon hogerop wordt gebracht. Het was in deze geest dat Mozes iconen maakte van de Cherubijnen binnenin het Heiligste der Heiligen( Ex.25,40). Het Heilige der Heiligen zelf was het beeld van de hemelse werkelijkheid (Ex.25,40; Hebr.8,5), terwijl de heilige plaats een beeld was van de gehele wereld. Mozes noemde deze dingen heilig, hij aanbad niet datgene wat geschapen was, maar door het geschapene verheerlijkte hij God, de Schepper van de wereld.  Je moet de iconen van Christus of de heiligen niet aanbidden, maar doorheen de iconen zal je Hem vereren die in de beginnen ons heeft geschapen naar Zijn eigen gelijkenis, en die vervolgens in Zijn onuitsprekelijk medelijden er heeft in toegestemd om aan de mensen gelijk te worden en erdoor te worden gedefinieerd .

Je zal niet alleen de icoon van Christus vereren, maar ook  de gelijkenis met Zijn Kruis. Want het kruis is Christus’ groot teken en de triomf van de overwinning op de duivel en al zijn vijandige krachten. Om deze reden huiveren en vluchten ze wanneer ze de afbeelding van het Kruis zien. Eerder dan het Kruis was de afbeelding verheerlijkt door de profeten en heeft grote wonderen voortgebracht, en wanneer Hij die op het kruis hing, onze Heer Jezus Christus terugkomt om de doden en de levenden te oordelen zal dit groot en verschrikkelijk teken Hem voorgaan, vol van kracht en glorie (Matt.24,30).

Verheerlijk dus het kruis nu, opdat je dapper ernaar mag opkijken en erdoor mag verheerlijkt worden. En je moet de iconen van de heiligen vereren, want de heiligen zijn met de Heer gekruisigd, en je moet voor de verering het kruisteken maken. Zo breng je hun communio met het lijden van Christus in herinnering. Op dezelfde wijze moet je ook hun heilige schrijnen en gelijk welk reliek van het beenderen vereren, want Gods genade is niet gescheiden van deze dingen, zoals ook de goddelijkheid niet gescheiden was van Christus eerbiedwaardige lichaam in de tijd van Zijn leven-gevende dood. Door dit te doen en door hen te verheerlijken die God hebben verheerlijkt – want door hun leven toonden ze zichzelf  volmaakt in hun liefde voor God –  kan ook jijzelf tesamen met hen verheerlijkt worden door God. En met David zal je zingen : «Ik heb Uw vrienden in ere gehouden, o Heer’ (Psalm 139,17 – LXX).

 Van : ‘http://www.monachos.net/library/Gregory_palamas%

 Uit het Engels vertaald door Kris Biesbroeck

Goddelijke Liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos : volledige nederlandstalige tekst

GODDELIJKE LITURGIE VAN DE HEILIGE JOHANNES CHRYSOSTOMOS IN HET NEDERLANDS

Vertaling Archimandriet Adriaan

 (Volledige tekst. Om af te printen :tekst selecteren -knippen en plakken in Word en dan afprinten)

 laatste avondmaal

De voorbereiding op proskomedie

1. Gebeden van de Priester en Diaken voor de iconostase.

Verering van de iconen en van het altaar.

2. Priester en Diaken bekleden zich met de liturgische gewaden – Handwassing.

3. VOORBEREIDING VAN DER OFFERGAVEN : PROTHESIS (op de prothesis = klein zijaltaar)

a. van het ‘Lam’, d.i. een vierkant stuk brood dat uit het offerbrood gesneden wordt, en het stempel draagt :

IC  XC    Jezus Christus

NI-KA    Overwint

De priester legt dit op de discos (pateen)

b. Van de kelk : de Diaken (of priester) giet wijn en water in de kelk.

c. van de gedachtenis deeltjes :

De Priester snijdt uit het overige brood kleine stukjes die hij rond het Lam op de discos legt, ter gedachtenis van :    –  De Moeder Gods en de Heiligen,

           –  De levenden en de       

           –  de overledenen                                

d. De offergaven worden bedekt en bewierookt.

e. De Priester zegt het GEBED VAN DE PROTHESIS

4. Bewieroking van altaar, kerk en volk (psalm 50).

5. Laatste voorbereidingsgebeden van de celebranten.

BEGIN VAN DE GODDELIJKE LITURGIE

D. Zegen Meester

P. maakt met het Evangelieboek een kruis over het antimension en zingt :

«Gezegend zij het Koninkrijk van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen.

VREDESLITANIE

D. Laat ons de Heer in vrede bidden.

K. Kyrie eleison

D. Om de hemelse vrede en de redding van onze zielen, bidden wij de Heer.

K Kyrie eleison (na elk vers)

D. Om vrede voor de gehele wereld, het welzijn van de heilige Kerken Gods, en om de EENHEID van allen; bidden wij de Heer.

Voor dit heilige Godshuis, en voor hen die er met geloof, eerbied en vreze Gods binnentreden; bidden wij de Heer.

Voor onze Patriarch N., voor Metropoliet N., voor onze Aartsbisschop N., voor de eerbiedwaardige priesters, het diaconaat  in Christus, voor geheel de geestelijkheid, en voor gans het volk; bidden wij de Heer.

Voor onze Koning N., voor onze Koningin N., en voor de Regering van dit land; bidden wij de Heer.

Voor deze stad, en voor alle steden en dorpen van ons gehele land, en voor alle gelovigen die er wonen; bidden wij de Heer.

Voor goed weer en overvloed van de vruchten der aarde, en om vredige tijden; bidden wij de Heer.

Voor de reizigers op zee, te land en in de lucht; voor de zieken en lijdenden; voor de gevangenen en hun redding; bidden wij de Heer.

Om bevrijding uit alle verdrukking, toorn, gevaar en nood; bidden wij de Heer.

Help en red ons, wees barmhartig en bescherm ons, o God, door Uw genade.

Onze alheilige, ongeschonden,hooggezegende,roemrijke Koningin, Gods Moeder en altijd Maagd Maria, met alle Heiligen gedenkend, bevelen wij aan Christus God onszelf, elkaar en geheel ons leven aan.

K. Aan U o Heer

P. Bidt intussen zacht :

Heer onze God, Wiens macht niet te vergelijken is, en Wiens heerlijkheid onbegrijpelijk is; Wiens barmhartigheid geen grenzen kent, en Wiens liefde tot de mensen onuitsprekelijk is. Gij, Heer, zie goedertierend neer op ons en dit heilig Huis. Schenk ons, en hen die met ons meebidden, Uw rijke barmhartigheid en medelijden.

…en hij roept : Want U komt toe alle heerlijkheid, eer en aanbidding : Vader, Zoon en heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen.

D. Gaat onder het zingen bij de Christusicoon staan.

EERSTE ANTIFOON

K. Mijn ziel love de Heer, geloofd zijt Gij o Heer.

Mijn ziel, love de Heer en dat-alles-wat-in-mij-is, love Zijn heilige Naam.

Mijn ziel, zegen de Heer, vergeet-toch-al-zijn weldaden niet.

De Heer, vergeeft en geneest, vol-ontferming-en-harmhartig is de Heer.

Mijn ziel, love de Heer en dat alles-wat-in-mij-is, love Zijn heilige Naam, geloofd zijt Gij, o Heer.

(Op grote feesten zijn er eigen Antifonen, zoals voorgeschreven)

L. Zingt de verzen.

K. DOOR DE GEBEDEN VAN DE HEILIGE MOEDER GODS,HEILAND, O RED ONS.

1e KLEINE LITANIE

D. Nogmaals en nogmaals, laat ons de Heer in vrede bidden.

K. Kyrie eleison

D. Help en red ons, wees barmhartig en bescherm ons, o God door Uw genade.

K. Kyrie eleison

D. Onze alheilige, ongeschonden, hooggezegende, roemrijke Koningin, Godsmoeder en altijd-maagd Maria met alle heiligen gedenkend, bevelen wij aan Christus God onszelf, elkaar en geheel ons leven aan.

K. Aan U o Heer.

P. Heer onze God, red uw volk en zegen uw erfdeel. Bewaar de volheid van Uw Kerk. Heilige hen die de schoonheid van Uw Huis liefhebben. Verheerlijk hen daarvoor met Uw goddelijke kracht, en verlaat ons niet die op U hopen.

Want van U is de macht en aan U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid : Vader, Zoon en Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

AMEN.

2e ANTIFOON

K. Eer aan de Vader, en aan de Zoon, en aan de Heilige Geest.

Mijn ziel, zegen de Heer, ik wil de Heer loven in heel mijn leven, de psalm zingen voor God, zolang ik besta. Stel uw vertrouwen niet op vorsten, op mensenzonen bij wie geen heil is. Zijn geest zal hem verlaten : hij keert terug tot de aarde waaruit hij genomen was; en op diezelfde dag gaan al zijn plannen ten gronde. Zalig hij, wiens Helper de God is van Jacob, die zijn vertrouwen stelt op de Heer zijn God. Die hemel, aarde en zee heeft gemaakt, met al wat zich daarin bevindt. Hij behoedt de waarheid in eeuwigheid. Hij verschaft recht aan wie onrecht lijden. Aan hongeren geeft Hij voedsel, de Heer verlost de geboeiden. De Heer schenkt het gezicht aan de blinden : de Heer richt de gebrokenen op. De Heer bemint de rechtvaardigen, de Heer behoedt de vreemden. Hij is de steun van wees en weduwe, maar Hij vernietigt de weg van de zondaar. De Heer zal heersen in eeuwigheid : uw God, Sion, van geslacht tot geslacht.

(Hier ook is er eigen Antifoon op grote feesten, zoals voorgeschreven)

L. Zingt de verzen.

K. VERLOS ONS ZOON VAN GOD…..WIJ DIE U BEZINGEN ALLELUIA

K. Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

* ENIGGEBOREN Zoon en Woord van God, die onsterfelijk zijt, en het op U genomen hebt voor onze verlossing vlees te worden uit de Heilige Moeder van God en altijd maagd Maria. En zonder te veranderen mens geworden zijt : die gekruisigd zijt, Christus God, en de dood door Uw dood hebt overwonnen. Gij die als één van de Heilige drie-eenheid samen verheerlijkt wordt met de Vader en de Heilige Geest – VERLOS ONS –

2e KLEINE LITANIE

D. Nogmaals en nogmaals, laat ons de Heer in vrede bidden.

K. Kyrie eleison

D. Help en red ons, wees barmhartig en bescherm ons, o God, door Uw genade.

K. Kyrie eleison

D. Onze alheilige, ongeschonden,hooggezegende, roemrijke Koningin, Gods Moeder en altijd maagd Maria met alle heiligen gedenkend, bevelen wij aan Christus God onszelf, elkaar en heel de wereld aan.

K. Aan U o Heer

P. Gij hebt ons deze gemeenschappelijke, eenstemmige smeekbeden geschonken, en beloofd om de gebeden te verhoren van twee of drie, die eenstemmig bidden in Uw Naam. Verhoor nu ook het smeken van Uw dienaren zoals het hun nuttig is. Schenk ons in deze voorbijgaande tijd de kennis der waarheid, en in de toekomstige het eeuwig leven.

Want Gij zijt een goede en menslievende God, en tot U zenden wij onze lof : Vader, Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen.

3e ANTIFOON

ZALIGSPREKINGEN

In Uw Koninkrijk * denk toch aan ons o Heer.

Zalig zij die arm zijn van geest * want hun behoort het Rijk der hemelen.

Zalig zij die treuren * want zij zullen getroost worden.

Zalig zij die zachtmoedig zijn * want zij zullen de aarde bezitten.

Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid * want zij zullen verzadigd worden.

Zalig zij die barmhartig zijn * want hun zal geschieden barmhartigheid.

Zalig zij die zuiver zijn van hart * want zij zullen God zien.

Zalig zij die vrede stichten * want zij zullen kinderen Gods worden genoemd.

Zalig zij die vervolgd worden om de gerechtigheid * want het Rijk der hemelen behoort hun toe.

Zalig zijt gij, wanneer ge zult gesmaad en vervolgd worden en wanneer men valselijk allerlei kwaad van U zal zeggen om mijnentwil.

Verheugt en verblijdt U, want groot is uw beloning in de Hemel.

(Onder de Zaligsprekingen gebeurt de : )

KLEINE INTOCHT

P/D. maken drie buigingen voor het altaar. P. geeft Evangelie aan D. Zij gaan om het Altaar heen door de noorderdeur naar buiten, voorafgegaan door het licht. Voor de H. Deuren blijven zij staan en buigen het hoofd. Zij bidden stil :

D. Bidden wij de Heer.

P. Meester, Heer onze God, die in de hemelen legioenen hebt opgesteld van Engelen en Aartsengelen voor de Liturgie van Uw heerlijkheid; geef dat met onze intocht ook de Intocht der heilige Engelen geschiede, die samen met ons dienen en Uw goedheid verheerlijken. Want alle lof, eer en aanbidding komt toe aan U : Vader, Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

D. Amen. Zegen, Vader, de heilige intocht.

P. + Gezegend zij de intocht van Uw heiligen; immer, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

(D. laat P. het Evangelie kussen; gaat na de zaligsprekingen voor de P.in de Poort staan, heft het H. Evangelie omhoog en roept : )

D. WIJSHEID STAAT OP.

P/D. (buigen en gaan het altaar in. D. legt het H. Evangelie op het altaar-op normale zondagen zingt het koor : ).

K. Kom laten wij Christus aanbidden en buigen voor Hem. Red ons o Zoon van God, Gij die uit de doden verrezen zijt, wij die u bezingen. Alleluia.

K. Troparion en kondakion (variabel).

K. Troparion van de H. Apostel Andreas (of een andere patroonheilige van de Kerk)

Gij zijt de eerstgeroepene der Apostelen en de broeder van Petrus. Bid daarom Heilige Andreas tot de meester van het heelal, om aan de wereld vrede te schenken en aan onze zielen de grote genade.

D. Bidden wij de Heer.

K. Kyrie eleison

TRISAGIONGEBED

P. Heilige God, die temidden der Heiligen rust : de Serafijnen zingen U het driemaal heilig toe; de Cherubijnen verheerlijken U en alle Hemelse Krachten aanbidden U.

Gij hebt het heelal vanuit het niets tot het zijn gebracht.

Gij hebt de mens geschapen naar Uw icoon en gelijkenis, en hem met Uw veelzijdige gaven gesierd.

Gij schenkt wijsheid en begrip aan allen die erom vragen. Zelfs de zondaars verstoot Gij niet, maar Gij hebt de boete ingesteld voor hun zaligheid.

Gij hebt ons, Uw onwaardige en geringe dienaren, waardig geacht om op dit ogenblik voor de heerlijkheid van Uw heilig Altaar te staan, en de U verschuldigde aanbidding en lofprijzing op te dragen.

Meester, aanvaard ook uit de mond van ons, zondaars, de hymne van het Trisagion en bezoek ons in Uw goedheid.

Vergeef ons alle bewuste en onbewuste zonden.

Heilig onze zielen en lichamen, en geef ons om U te dienen in heiligheid en rechtvaardigheid voor Uw aanschijn, alle dagen van ons leven.

(P. zegent D. en roept :  )

Want heilig zijt Gij, onze God, en tot U zenden wij onze lof : Vader, Zoon en Heilige Geest; nu en altijd….

D. En in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen

TRISAGION

K. Heilige God, Heilige sterk, Heilig Onsterfelijk, ontferm U over ons (3X).

Eer aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Heilig onsterfelijk, ontferm U over ons.

Heilige God, Heilige sterk, Heilige Onsterfelijke, ontferm U over ons.

(In de Paasweek, op de Theofanie en op Doopfeesten : )

Gij allen die in Christus zijt gedoopt, gij hebt Christus aangedaan. Alleluia

(Op de feesten van het Heilig Kruis 🙂

 Uw heilig Kruis, vereren wij, o Meester; en Uw heilige Verrijzenis loven wij.

P/D maken intussen drie buigingen voor het Altaar.

D. Beveel, Vader.

P. Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren.

P/D gaan naar de troon achter het Altaar :

D. Zegen, Vader, de verheven Troon.

P. Zegent de Troon :

+ Gezegend Gij die zijt op de Troon der heerlijkheid van Uw koninkrijk, en Die zetelt op de Cherubijnen; immer, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

D. Gaat weer voor de deuren en roept :

LAAT ONS AANDACHTIG ZIJN.

P. + VREDE AAN ALLEN.

L./K. en met Uw geest.

D. WIJSHEID

L. PROKIMEN, toon….

 APOSTELLEZING

D WIJSHEID

L. Lezing uit de Brief van de heilige Apostel….. (aan de…)

D. Laat ons aandachtig zijn.

L Broeders…..

P. Vrede zij u, die gelezen hebt.

L. En met uw geest.

D. «zegt zacht» : wijsheid.

K. Alleluia, alleluia, alleluia.

L. Alleluia-verzen van de dag….

EVANGELIEGEBED (wordt intussen stil gezegd).

P. Laat stralen in onze harten, menslievende Meester, het onvergankelijk Licht van Uw goddelijke kennis. Plant in ons de vreze Uwer Zaligmakende geboden, zodat wij de begeerten van het vlees overwinnen, en een geestelijke levenswijze leiden, met gedachten en daden volgens Uw welbehagen.

Want Gij zijt de Verlichter van onze zielen en lichamen, Christus God, en tot U zenden wij onze lof, evenals tot Uw beginloze Vader, en Uw alheilige, goed en levendmakende Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

D. houdt het Evangelie vast, buigt naar de P :

Zegen Vader, de verkondiger van het Heilig Evangelie volgens de H. Apostel en Evangelist….

P. + Door de gebeden van de heilige, roemrijke Apostel en Evangelist…geve God u, om met heilige kracht het Evangeliewoord te verkondigen van Zijn welbeminde Zoon, onze Heer Jezus Christus.

D. Amen.

D. Wijsheid. Staat op. Laat ons luisteren naar het heilig Evangelie….

K. Ere zij U, o Heer, Ere zij U

D. (geeft in de Poort het Evangelie aan de priester – blijft voor de deuren voor de litanie.)

DRINGENDE LITANIE

D. Zeggen wij allen met geheel onze ziel, zeggen wij uit geheel ons hart :

K. Kyrie eleison

D. Almachtige Heer, God onzer Vaderen, wij smeken U : luister en wees barmhartig.

K. Kyrie eleison

D. God, wees ons barmhartig volgens Uw grote barmhartigheid; wij smeken U : luister en wees barmhartig.

K. Kyrie eleison, Kyrie eleison, Kyrie eleison ( zo ook na de volgende)

D. Ook bidden wij voor de vrome Orthodoxe Christenen.

Ook bidden wij voor onze Oecumensiche Patriarch N., voor Metropoliet.,en voor onze Aartsbisschop N.

Ook bidden wij voor onze Koning N., en onze Koningin N., voor de regering van dit land, en voor allen die er wonen.

Ook bidden wij voor alle Orthodoxe Patriarchen, Metropolieten en bisschoppen; voor de priesters en diakens; voor de monniken en monialen; en voor het gehele volk.

Ook bidden wij om bermhartigheid, leven, vrede, gezondheid, heil, bescherming, vergeving en kwijtschelding van hun zonden voor de dienaren en dienaressen Gods, leden van deze Parochie.

Ook bidden wij voor onze overledenen….en voor alle overleden broeders en zusters die ons zijn voorgegaan.

Ook bidden wij voor de weldoeners van deze heilige en eerbiedwaardige kerk; voor hen die er werken; voor hen die er zingen en voor heel het rondomstaande volk, dat van U grote en rijke barmhartigheid verwacht.

Ook bidden wij voor hen die U zoeken, voor hen die U niet zoeken, voor hen die U aanroepen zonder U te kennen en voor hen die weerstaan aan Uw genade.

P. Heer onze God, aanvaard deze dringende smeking van Uw dienaren en dienaressen. Wees ons barmhartig naar de volheid van Uw barmhartigheid. Zend uw genade neer over ons en over heel Uw volk, dat van U grote en overvloedige barmhartigheid verwacht.

Want Gij zijt een barmhartige en menslievende God, en tot U zenden wij onze lof : Vader, Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen.

LITANIE DER OVERLEDENEN   (Facultatief) (D. neemt wierook 🙂

D. Gelovigen, laat ons nogmaals en nogmaals de Heer in vrede bidden.

K Kyrie eleison

Help en red ons, wees barmhartig en bescherm ons, God door Uw genade.

K. Kyrie eleison

D. wijsheid.

P. Wij danken U, Heer God der krachten, dat Gij ons ook nu waardig hebt geacht om te staan voor Uw heilig Altaar, en neder te vallen voor Uw barmhartigheid : wegens onze zonden en dwalingen van het volk. God, neem ons smeken aan. Maak ons waardig om U deze smeekbeden en dit onbloedig Offer op te dragen voor geheel Uw volk.

Stel ons, die Gij voor deze Dienst hebt aangesteld, in de kracht van Uw Heilige Geest, in staat om altijd en overal U aan te roepen, zonder verworpen te worden

Of aanstoot te geven, maar met een zuiver geweten. Verhoor ons en wees ons genadig in de overvloed van Uw goedheid.

Want U komt toe alle heerlijkheid, eer en aanbidding : Vader, Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

 K. Amen.

TWEEDE LITANIE DER GELOVIGEN

D. Nogmaals en nogmaals, laat ons de Heer in vrede bidden.

K. Kyrie eleison.

D. Help en red ons, wees barmhartig, en bescherm ons, God door Uw genade.

K. Kyrie eleison

D. Wijsheid.

P. Steeds opnieuw vallen wij voor U neer, en bidden U, goede en menslievende God, om neer te zien op onze smeking, en onze zielen en lichamen te reinigen van alle vleselijke en geestelijke smet.

Geef ons om zonder blaam of veroordeling voor Uw heilig Altaar te staan. God schenk ook aan hen die met ons meebidden, vooruitgang in leven, geloof en geestelijk inzicht.

Geef hun, om U altijd met ontzag en liefde te dienen, om zonder blaam of veroordeling aan Uw heilige Mysteriën deel te nemen, en om Uw hemels Koninkrijk waardig te worden.

Opdat wij, door Uw macht altijd beschermd, tot U onze lof opzenden : Vader, Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen.

CHERUBIJNENZANG (1e deel)

 Wij, die in dit mysterie verzinnebeelden de Cherubijnen, verzinnebeelden de Cherubijnen. En die zingen d’hymne driemaal heilig aan de levenschenkende Drie-eenheid, aan de Levenschenkende Drie-eenheid. Stellen wij, stellen wij terzijde alle zorgen van deze wereld, alle zorgen van deze wereld.

Of…Wij die in het Mysterie verzinnebeelden de Cherubijnen en die de hymne zingen, d’hymne driemaal heilig, aan de Levenschenkende Drie-eenheid. Laat ons ter zijde stellen, alle zorgen van deze wereld.

(D. gaat in het heiligdom, bewierookt het Altaar, het Heiligdom, de Iconostase en het volk.)

GEBED VOOR DE GROTE INTOCHT (gebogen)

P. Niemand die gebonden is door  vleselijke begeerte en genot, is waardig om zo dicht tot U te naderen en voor U de heilige Liturgie te vieren, Koning der heerlijkheid. Want dienst doen voor U is groot en vreeswekkend, zelfs voor de Hemelse Krachten.

Zonder verandering of vermenging te ondergaan, zijt Gij in Uw onzegbare en onmetelijke mensenliefde Mens geworden, om onze Hogepriester te zijn. En als Meester van het heelal hebt Gij ons de Dienst van dit liturgisch en onbloedig Offer toevertrouwd.

Heer onze God, Gij alleen zijt Meester over hemel en aarde. Gij wordt gedragen op de Cherubijnentroon. Gij zijt de Heer der Serafijnen en de Koning van Israël. Gij alleen zijt heilig, en Gij woont in het Heilige.

Daarom roep ik tot U, alleen Goede, die bereid zijt om naar ons te luisteren : zie neer op mij, Uw zondige en nutteloze dienaar; reinig mijn ziel en mijn hart van slechte gedachten, en stel mij, die Gij door de kracht van Uw Heilige Geest met de genade van het priesterschap hebt bekleed, in staat hier voor Uw heilig Altaar te staan, om Uw heilig, smetteloos Lichaam en kostbaar Bloed te offeren.

Met gebogen hoofd kom ik tot U, en ik smeek U : wend uw aangezicht niet van mij af, en verstoot mij niet uit het getal van Uw dienaren. Veroorloof mij, zondige en onwaardige dienaar, U deze gaven aan te bieden.

Gij, Christus onze God, zijt het immers Die offert en geofferd wordt, Die ontvangt en ontvangen wordt. Daarom zenden wij onze lof tot U, evenals tot Uw beginloze Vader, en Uw alheilige, goede en levendmakende Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

P (zegt met opgeheven armen : )

Wij die op mystieke wijze de icoon zijn der Cherubijnen, en de levendmakende Drie-eenheid de hymne toezingen van het Trisagion; laat ons alle aardse zorgen terzijde stellen.

(buigt)

D. Om te ontvangen de Koning van het heelal, onzichtbaar begeleid door Zijn lijfwacht en Engelenkoren, Alleluia, alleluia, alleluia.

(en zij herhalen dit drie-maal)

(P/D groeten vanuit de Deuren het volk en gaan naar de Proskomidietafel. Alleen de priester wierookt en bidt : )

P. God, wees mij, zondaar, genadig.

D. Hef op, Vader.

(P Bevestigt de aër op de linkerschouder en de D, zeggend : )

Hef uw handen op naar het Heiligdom, en zegen de Heer.

(D. knielt op één knie, wierookvat aan de vinger.)

(P. Plaatst de disk op hoofd van diaken, neemt zelf de kelk, en gaat achter D. door naar de noorddeur naar buiten, lichten vooraf.)

(P/D. blijven in de HH.Deuren staan, naar het volk gekeerd.)

D. De Heer onze God, gedenke in Zijn Koninkrijk, onze Oecumenische Patriarch N., Metropoliet N., en onze Aartsbisschop N., immer, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

P. De heer onze God gedenke in Zijn Koninkrijk, onze Koning N., en onze Koningin N., de regering van dit land en allen die er wonen, immer nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

(en zij doen de verschillende gedachtenissen)

P. De Heer onze God gedenke in Zijn Koninkrijk, U allen Orthodoxe Christenen, immer nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen.

CHERUBIJNENZANG  (Tweede deel)

Om te ontvangen de Koning van het heelal, onzichtbaar begeleid door de Engelenkoren. Alleluia, alleluia, alleluia.

Of : Om de Koning te ontvangen van het heelal, onzichtbaar begeleid door de Engelenkoren, Alleluia, alleluia, alleluia.

(ondertussen : D. komt rechts naast de priester staan : )

God de Heer gedenke uw priesterschap in Zijn Koninkrijk.

P. God de Heer gedenke uw diaconaat in Zijn Koninkrijk, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

(zet de kelk rechts op het antimension)

D. knielt op één knie.

P. neemt de disk, zet die links op het antimension :

DE RECHTVAARDIGE JOZEF NAM UW ALZUIVERST LICHAAM VAN HET KRUIS.  HIJ WIKKELDE HET IN EEN ZUIVER LINNEN DOEK MET REUKWERK EN LEGDE HET IN EEN NIEUW GRAF.

P. neemt velums weg van disk en kelk :

IN HET GRAF WAART GIJ IN UW VLEES, IN DE ONDERWERELD MET UW ZIEL, MAAR ALS GOD IN HET PARADIJS MET DE ROVER. EN OP DE TROON, O CHRISTUS, MET DE VADER EN DE GEEST, VERVULT GIJ ALLES, O ONBESCHRIJFLIJKE.

Bewierookt de aër en legt deze over de gaven :

LEVENBRENGEND EN SCHONER DAN HET PARADIJS EN WAARLIJK STRALENDER DAN HET SCHOONSTE KONINGSPALEIS : ZO IS VOOR ONS, CHRISTUS,UW GRAF, DE BRON ONZER OPSTANDING.

D. Doe goed….., Vader.

P. (wierookt driemaal de Gaven :

Doe goed Heer in Uw welwillendheid aan Sion, laat de muren van Jeruzalem weer opgebouwd worden. Dan hebt Gij behagen in offers van gerechtigheid, gaven en brandoffers : dan zal men kalveren op Uw Altaar leggen.

P. (tot D.) : GEDENK MIJNER, BROEDER EN MEDELITURG.

D. God de Heer gedenke uw priesterschap in Zijn Koninkrijk.

Bid voor mij, heilige Vader.

P.  Heilige Geest moge over U komen, Kracht des Allerhoogsten moge u overschaduwen.

D. De H. Geest moge bij ons dienen alle dagen van ons leven.)

VRAGENDE LITANIE

D. Laten wij ons smeekgebed voor de Heer voleindigen.

K. Kyrie eleison.

D. Voor de hier neergelegde, kostbare Gaven, bidden wij de Heer.

Voor dit Heilig Godshuis, en voor hen die er met geloof, eerbied en vreze Gods binnentreden, bidden wij de Heer.

Om bevrijding uit alle verdrukking, toorn, gevaar en nood, bidden wij de Heer.

Help en red ons, wees barmhartig, en bescherm ons, God, door Uw genade.

Dat de gehele dag volmaakt, heilig, vredig en zonder zonde moge zijn, vragen wij de Heer.

K. O geef het Heer

Om een Engel van vrede, een getrouwe gids en behoeder van onze zielen en lichamen, vragen wij de Heer.

Om vergeving en kwijtschelding van onze zonden en fouten, vragen wij de Heer.

Om al wat goed en nuttig is voor onze zielen, en om vrede voor de gehele wereld, vragen wij de Heer.

Dat wij de tijd van het leven die ons nog overblijft in vrede en boetvaardigheid mogen voleindigen, vragen wij de Heer.

Dat het einde van ons leven christelijk, smarteloos, zonder reden tot schaamte, en vredig moge zijn; en om een goede verdediging voor de ontzagwekkende rechterstoel van Christus, vragen wij (de Heer).

Onze alheilige, ongeschonden, hooggezegende, roemrijke Koningin, Gods Moeder en altijdmaagd Maria met alle Heiligen gedenkend, bevelen wij aan Christus onszelf, elkaar en geheel ons leven aan.

K. Aan U, o Heer

P. Heer, God, Albeheerser, alleen Heilige; Gij aanvaardt het lofoffer van hen die U aanroepen met geheel hun hart. Aanvaard ook het gebed van ons, zondaars, en breng het op Uw heilig Altaar.

Stel ons in staat om U Gaven en geestelijke Offeranden op te dragen : voor onze zonden en voor de dwalingen van het volk. Doe ons genade vinden voor Uw aangezicht opdat ons Offer U behage en de Geest Uwer genade moge rusten op ons en op deze voor U neergelegde Gaven en op geheel Uw volk.

Door de barmhartigheid van Uw eengeboren Zoon met Wie Gij gezegend zijt, tezamen met al Uw alheilige, goede en lenendmakende Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen .

ZEGEN

P. + Vrede aan allen.

K. En met Uw Geest.

D. Laat ons elkander beminnen, om in éénheid te belijden :

K. De Vader, de Zoon en de heilige Geest; Drie-eenheid, die éénwezenlijk en ondeelbaar is.

(ondertussen maakt de P. drie buigingen en zegt zacht :

Ik wil U liefhebben, Heer mijn Kracht. De Heer is mijn steun, mijn Toevlucht en mijn Bevrijder.

En hij kust disk, kelk en Altaar.)

VREDESKUS

De priesters kussen elkaar op de schouders :

P. Christus is in ons midden.

P. Hij is, en zal zijn.

D. (staat voor de icoon, kust orarion, buigt en roept : )

De deuren, de deuren : laat ons in wijsheid aandachtig zijn.

(De Priester beweegt de uitgespreide aër boven de Gaven, en zingt met heel het volk de Geloofsbelijdenis.)

GELOOFSBELIJDENIS

« ik geloof in één God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, van al wat zichtbaar en onzichtbaar is. En in één Heer, Jezus Christus, eniggeboren Zoon van God, voor alle tijden geboren uit de Vader. Licht uit Licht – ware God uit de ware God – . Geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader, en door wie alles geschapen is. Hij is voor ons, mensen, en omwille van ons heil, uit de hemel neergedaald. Hij heeft het Vlees aangenomen, door de heilige Geest uit de Maagd Maria, en is mens geworden. Hij werd voor ons gekruisigd. Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus en is begraven. Hij is verrezen op de derde dag, volgens de schriften. Hij is opgevaren ten Hemel : zit aan de rechterhand van de Vader. Hij zal wederkomen in heerlijkheid – om te oordelen levenden en doden – en aan Zijn Rijk komt geen einde.

Ik geloof in de Heilige Geest – die Heer is en het leven geeft – die voortkomt uit de Vader. Die met de Vader en de Zoon tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt. Die gesproken heeft door de profeten. Ik geloof in de Ene, heilige, Katholieke en Apostolische Kerk. Ik belijd één doopsel tot vergeving van de zonden. Ik verwacht de opstanding van de doden – en het leven van het komend Rijk.

ANAFORA – INLEIDING TOT DE CANON

D. Laat ons eerbiedig staan, laat ons met vreze staan, laat ons aandachtig zijn, om het heilig Offer in vrede op te dragen.

K. Gift van vrede, een Offer van lof, van lof.

P. + De genade van onze Heer Jezus Christus, de liefde van God de Vader, en de gemeenschap van de Heilige Geest, zij met U allen.

K. En met uw Geest.

P. Heft uw harten tot de Heer.

K. Wij heffen z’omhoog tot onze Heer.

P. Laat ons de Heer de Eucharistie opdragen.

K. Het is recht en waardig, recht en waardig, te aanbidden, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Drie-eenheid, éénwezenlijk en ondeelbaar, Drie-eenheid, éénwezenlijk en ondeelbaar, en ondeelbaar !

DE EUCHARISTISCHE CANON

P. Waardig is het en recht, U de hymne te zingen, U te zegenen, U te loven, U de Eucharistie op te dragen, en U te aanbidden op elke plaats van Uw heerschappij. Want Gij zijt de onzegbare, onbegrijpelijke, onzichtbare, ondoorgrondelijke God; de onveranderlijke Zijnde : Gij, en Uw eengeboren Zoon, en Uw Heilige Geest.

Gij hebt ons uit het niets tot het zijn gebracht, en nadat wij gevallen waren, hebt Gij ons weer doen opstaan. Gij hebt onophoudelijk alles gedaan om ons in de Hemel te leiden en ons Uw komend Koninkrijk te schenken.

Voor dit alles danken wij U en Uw ééngeboren Zoon en Uw Heilige Geest : voor alle aan ons bewezen weldaden, die wij kennen en die wij niet kennen, de zichtbare en de onzichtbare.

Wij danken U ook voor deze Eucharistie, die Gij uit onze handen wilt aanvaarden, terwijl Gij toch beschikt over duizenden Aartsengelen en tienduizenden Engelen, over Cherubijnen en Serafijnen met zes vleugels en vele ogen, hoog opwiekend, het triomflied zinden, roepend, luid jubelend en zeggend :

K. Heilig, Heilig, Heilig is de heer Sabaoth. De hemel en de aarde zijn vol van Uw heerlijkheid. Hosanna, Hosanna in de Hoge. Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer.

Hosanna, Hosanna in de Hoge.

P. Met deze zalige krachten, menslievende Meester, roepen ook wij en zeggen : Heilig zijt Gij, Alheilig : Gij en Uw eengeboren Zoon, en Uw Heilige Geest. Heilig zijt Gij, Alheilig; en hoogverheven is Uw heerlijkheid.

Zozeer hebt Gij Uw wereld liefgehad, dat Gij Uw ééngeboren Zoon gegeven hebt, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga maar eeuwig leven hebben. Hij is gekomen en heeft heel die Heilseconomie voor ons voltooid.

In die nacht, waarin Hij voor ons werd overgeleverd, of veeleer, waarin Hij zich zelf overleverde voor het leven der wereld, nam Hij brood in Zijn heilige en vlekkeloos reine handen, zegende , heiligde, brak het, en gaf het aan Zijn heilige Leerlingen en Apostelen, zeggend :

(wijst naar de gaven, D ook met orarion 🙂

 

NEEMT EN EET, DIT IS MIJN LICHAAM

DAT VOOR U GEBROKEN WORDT,

TOT VERGEVING DER ZONDEN.

 

Koor zingt  zacht : Amen

P. Evenzo de Kelk na het Avondmaal, zeggende :

 

DRINKT ALLEN HIERUIT : DIT IS MIJN BLOED VAN HET NIEUW VERBOND, DAT VOOR U EN VOOR VELEN VERGOTEN WORDT TOT VERGEVING DER ZONDEN.

 

k. Amen

P. Dit verlossend gebod indachtig, stellen wij nu tegewoordig alles wat voor ons geschied is : het Kruis, het Graf, de Opstanding op de derde dag, de Hemelvaart, de Troon ter rechterzijde, en de Wederkomst in heerlijkheidn en

(D. heft met kruisgewijs over elkaar gelegde handen Kelk en disk op, zet ze voorzichtig neer en buigt eerbiedig.)

P. OFFEREN WIJ HET UWE, GENOMEN UIT HET UWE, NAMENS ALLES EN VOOR ALLES.

K. Wij prijzen U, wij loven U, wij zeggen U dank, o Heer, en wij bidden U en wij bidden U, o onze God, o onze God, o onze God.

D.  Heer, wees mij, zondaar, genadig en ontferm U mijner.

P. Heer, die op het Derde Uur Uw Heilige Geest over Uw Apostelen gezonden hebt, neem Hem niet van ons weg, Algoede, maar hernieuw Hem in ons die er U om smeken. (3 X).

EPICLESE

P. Wij offeren U deze onbloedige Logosdienst, wij roepen Uw hulp in, wij bidden en smeken U :

ZEND UW HEILIGE GEEST NEER OVER ONS EN OVER DEZE VOOR U NEERGELEGDE GAVEN.

D.( buigt het hoofd, wijst met orarion naar de Disk, en zegt STIL : )

Zegen , Vader, het heilig Brood.

P. + EN MAAK DIT BROOD HET KOSTBAAR LICHAAM VAN UW CHRISTUS.

D. Amen. Zegen, Vader, de heilige Kelk.

P + EN WAT IN DEZE KELK IS, HET KOSTBAAR BLOED VAN UW CHRISTUS.

D. : Amen, Zegen vadern beide.

P. + ZE HERSCHEPPEND DOOR UW HEILIGE GEEST.

D. Amen, Amen, Amen.

P. Opdat zij voor hen die ze ontvangen, worden tot reiniging van hun Ziel, tot vergeving der zonden, tot gemeenschap met Uw Heilige Geest, tot volheid van het Koninkrijk der Hemelen, tot vrijmoedigheid tegenover U, maar niet tot vonnis of veroordeling.

Ook offeren wij U deze Logosdienst voor hen die in het geloof ontslapen zijn : Voorvaderen, Vaderen, Patriarchen, Profeten, Apostelen, Predikers, Evangelisten, Martelaren, Belijders, Asketen, en voor elke gerechte geest, die in het geloof tot volkomenheid gekomen is.

(hij zegent het antidoron en zegt wierokend : )

 VOORAL, VOOR ONZE ALHEILIGE, ONGESCHONDEN, HOOGGEZEGENDE, ROEMRIJKE KONINGIN, GODSMOEDER EN ALTIJD – MAAGD MARIA

D. (wierookt rond Altaar en leest de diptieken.)

K. O waarlijk passend is het U zalig te prijzen o Moeder Gods.

Zaliggeprezen en ongeschonden Moeder van God.

Gij die eerbiedwaardiger zijt dan de Cherubijnen.

En onvergelijkelijk glorierijker dan de Serafijnen.

Die zonder smet, God, het woord hebt gebaard.

Gij waarlijk Moeder van God. U roemen wij.

(Op grote feesten wordt in plaats van voorgaande hymne het PRIJSLIED gezongen).

PRIJSLIED

De Engel riep tot de gezegende : Reine Maagd verheug U.

En nog eens zeg ik verheug U. Uw Zoon is opgestaan ten derde dag uit het graf.

Word verlicht, word verlicht nieuw Jeruzalem. Want de heerlijkheid des Heren is over U opgestaan. Dans nu, en juicht Sion. En gij, heilige Moeder Gods, verheug U in de opstanding van Uw Kind.

P. Ook voor de heilige Johannes, de Profeet, Voorloper en Doper; de heilige, roemrijke, alomgeprezen Apostelen;de heilige… van wie wij de gedachtenis vieren; en al Uw Heiligen. Zie op ons neer, o God, omwille van hun gebeden.

D. leest de diptieken van de overledenen.

P Gedenk allen die ontslapen zijn, in de hoop op de Opstanding tot het eeuwig Leven….. Schenk hun de rust, onze God, daar waar het licht van Uw aanschijn straalt.

Verder roepen wij tot U : gedenk Heer, alle Orthodoxe bisschoppen die het woord van Uw Waarheid recht verkondigen; alle priesters en diakens in Christus; en allen die tot Uw dienst gewijd zijn.

Deze Logosdienst offern wij U ook voor de gehele wereld; voor de heilige, Katholieke en Apostolische Kerk ; voor hen die in een rein en heilig leven volharden; en voor de regering van ons land.

Heer, schenk ons een tijd van vrede, opdat wij in die vrede stil en rustig een godsvruchtig en waardig leven mogen leiden.

Gedenk, Heer, allereerst onze Oecumenische Patriarch N., Artsbisschop van Constantinopel, Metropoliet N. en onze Aartsbisschop N. van….. Geef dat zij voor het welzijn van Uw heilige Kerken nog lang in vrede, gezond, geëerd, ongedeerd mogen leven, en het woord van Uw Waarheid recht mogen verkondigen.

D. En hen die ieder in zijn gedachten heeft.

K. En allen, en allen

P. Gedenk, Heer, de stad waar wij wonen, de steden en dorpen van ons land, en alle gelovige bewoners.

Gedenk, Heer, de reizigers op zee, te land en in de lucht; de zieken en lijdenden; de gevangenen en hun redding.

Gedenk, Heer, hen die aan de armen denken; en schenk ons allen Uw genade.

En geef ons met één mond en één hart Uw alroerlijke en hooggeprezen Naar te bezingen en te loven, van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen

ZEGEN       (diaken krijgt zegen en gaat uit het altaar)

P. + De barmhartigheid van onze grote God en zaligmaker Jezus Christus, zal altijd met u zijn.

K. En met Uw geest.

VRAGENDE LITANIE

D. Laat ons, na de gedachtenis van alle Heiligen, de Heer nogmaals en nogmaals in vrede bidden.

Voor de hier neergelegde en geheiligde, kostbare Gaven, bidden we de Heer.

Opdat onze menslievende God deze Gaven moge aanvaarden op Zijn heilig, hemels, onstoffelijk Altaar tot een welriekende geestelijke geur; en ons daarvoor Zijn goddelijke genade, en de gave van Zijn Heilige Geest moge schenken; bidden we de Heer.

Om eenheid van geloof, en gemeenschap met de Heilige Geest smekend, bevelen wij aan Christus God onszelf, elkaar, en geheel ons leven aan.

K. Aan U o Heer

P. Menslievende Meester, aan U vertrouwen wij heel ons leven toe en onze hoop. Wij roepen U aan, wij aanbidden en smeken U : maak ons waardig om met een zuiver geweten deel te hebben aan de hemelse, ontzagwekkende Mysteriën van dit gewijd en geestelijk Altaar; tot vergeving van onze zonden, en kwijtschelding van onze fouten; tot gemeenschap met de Heilige Geest; tot erfdeel van het Koninkrijk der Hemelen; tot vrijmoedigheid tegenover U; maar niet tot vonnis of veroordeling.

En maak ons waardig, Meester, dat wij vrijmoedig, zonder vrees voor het oordeel, het wagen U hemelse God en Vader aan te roepen en te zeggen :

(en de gehele gemeente zingt : )

ONZE VADER

Onze Vader die in de hemelen zijt,

geheiligd zij Uw Naam, Uw Rijk kome.

Uw wil geschiede op aarde als in de Hemel.

Geef ons heden ons dagelijks brood,

en vergeef ons onze schulden

zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren.

En leid ons niet in bekoring,

Maar verlos ons van de kwade.

P. Want van U is het Koninkrijk, de Kracht en de Heerlijkheid : Vader, Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen.

P. +vrede aan allen.

K. En met Uw Geest.

D. Buigt uw hoofd voor de Heer.

K. Voor U, o Heer.

P. U danken wij, onzichtbare Koning, die door Uw onmetelijke kracht het heelal geformeerd, en in de volheid van Uw barmhartigheid alles vanuit het niets tot het zijn hebt gebracht.

Meester, zie uit de hemel neer op hen die het hoofd buigen voor U. Want zij buigen zich niet voor vlees en bloed, maar voor U de ontzagwekkende God.

Meester, wend ten goede alles wat ons overkomt; vaar uit met de varenden, reis mee met de reizigers; genees de zieken, Geneesheer van onze zielen en lichamen;

Door de genade, de barmhartigheid en de menslievendheid van Uw eengeboren Zoon, met wie Gij gezegend zijt, evenals Uw alheilige, goede en levendmakende Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen.

P. Verhoor ons, Heer Jezus Christus onze God, uit Uw heilige woning, vanaf de glorietroon van Uw Koninkrijk; en kom ons heiligen. In de hoge zetelt Gij met de Vader op de Troon, en hier beneden zijt Gij onzichtbaar bij ons aanwezig.

Gewaardig U om met Uw machtige hand ons Uw smetteloos Lichaam te geven, evenals Uw kostbaar Bloed; en door ons aan heel het volk.

D. (komt in heiligdom, maakt met P. 3 buigingen : )

God, wees mij zondaar, genadig.

Laat ons aandachtig zijn !

OPHEFFING

P. (heft het heilig Brood op en roept : )

HET HEILIGE VOOR DE HEILIGE.

K. Eén is heilig, één is Heer? Jezus Christus in de glorie van God de Vader. Amen.

BROODBREKING

D. Breek, Vader, het heilig brood.

P. (Breekt het Lam met eerbiedige aandacht en legt de vier delen kruisgewijs op de disk : )

P. Ontleed en gedeeld wordt het Lam Gods :

Het wordt gedeeld, maar niet gescheiden;

Het wordt altijd gegeten, maar nooit verteerd;

Het heiligt allen die er aan deel hebben.

D.  Vul, Vader, de heilige Kelk.

P. (doet het IC-deelte in de Kelk : )

Volheid van de heilige Geest.

D. Amen.      (en biedt warm water aan : )

Zegen Vader, dit warme water.

P. + Gezegend zij de gloed van Uw Heiligen;

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

D. (giet het hete water kruisgewijs in de kelk : )

Gloed van geloof : vol van de Heilige Geest.

P/D (buigen naar elkaar en naar de kerk : )

Vaders, moeders, broeders en zusters,

Vergeef mij mijn zonden en fouten.

ALLEN : Dat God U vergeve, en vergeef ons ook.

P. En dat de goede en menslievende God u ook alle fouten moge vergeven.

COMMUNIE

P. (snijdt XC- deeltje volgens aantal celebranten en zegt zacht :

Nader Diaken !

D. (loopt om Altaar heen naar de linkerzijde van de priester, buigt eerbiedig, maakt van de linkerhand een troon voor de geopende rechterhand, en zegt : )

D. Vader, geef mij het kostbaar Lichaam van onze Heer en God en Verlosser Jezus Christus.

P.  Het kostbaar en heilig en vlekkeloos Lichaam van onze Heer en God en Verlosser Jezus Christus, wordt gegeven aan u diaken N., tot vergeving van uw zonden en tot eeuwig leven.

P. Het kostbaar en alheilig Lichaam van onze Heer en god en Verlosser Jezus Christus, wordt gegeven aan mij N. tot vergeving van mijn zonden, en tot eeuwig leven.

(de concelebranten jussen elkaar op de schouder en bidden gebogen : )

 

Alleen de orthodoxe gelovigen, die zich

Door gebed, onthouding en verzoek om vergeving

Voorbereid hebben, naderen tot de heilige Mysteriën

 

 

Gebed van de HEILIGE JOHANNES CHRYSOSTOMOS vóór de communie

 

Ik geloof, Heer, en belijd, dat Gij waarlijk zijt de Christus , de Zoon van de levende God, die op de wereld gekomen zijt om de zondaars te redden, wan wie ik de eerste ben.

Ook geloof ik dat dit uw Onbevlekt Lichaam is en dit Uw kostbaar Bloed.

Ik vraag U nu : ontferm U over mij en vergeef mij al mijn fouten, vrijwillige en onvrijwillige, die ik begaan heb door woord of daad, bewust of onbewust. En maak mij waardig zonder veroordeling deel te nemen aan Uw Onbevlekte Geheimen; tot vergeving van mijn zonden en tot eeuwig leven. Amen.

Maak mij heden, Zoon van God, deelgenoot van Uw mystiek Avondmaal.

Want ik zal het geheim niet zeggen aan uw vijanden, en ik zal U geen kus geven zoals Judas, maar zoals de moordenaar belijd ik U en zeg : Gedenk mij, Heer, in Uw Koninkrijk.

Menslievende Meester, Heer Jezus Christus, mijn God, maak dat deze heilige Geheimen mij niet tot veroordeling strekken door mijn onwaardigheid, maar tot genezing van ziel en lichaam.

(P. neemt intussen met communiedoek de kelk op, drinkt 3x en zegt in zichzelf : )

P. Het kostbaar en heilig Bloed van onze Heer en God en Verlosser Jezus Christus wordt gegeven aan mij onwaardige N. tot vergeving van mijn zonden en tot eeuwig leven.

(wist kelk en lippen af; kust kelk en zegt : )

Dit heeft mijn lippen aangeraakt, mijn ongerechtigheden weggenomen, en mij van mijn zonden gereinigd.

P. Nader diaken !

D. (komt rechts van de Priester, buigt het hoofd : )

Zie, ik nader tot de onsterfelijke Koning.

(P. Laat diaken 3x drinken : )

De zeer vrome diaken N. neemt deel aan het kostbaar en heilig bloed van onze Heer en God en Verlosser Jezus Christus, tot vergeving van zijn zonden en tot eeuwig leven.

P. Dit heeft uw lippen aangeraakt, uw ongerechtigheden weggenomen, en u van zonden gereinigd.

K. AAN DE HEILIGE GEEST

Koning van de Hemel, Trooster, Geest der waarheid, die overal tegenwoordig zijt.

En met wie alles vervuld is, schatkamer van alle goed,

Gever van het leven.

Kom en verblijf in ons, zuiver ons van alle smet en red onze zielen o Algoede.

COMMUNIE DER GELOVIGEN

D. Nader in vreze Gods, in geloof en met liefde.

K. Gezegend hij die komt in de Naam des Heren.

De Heer is God en Hij is ons verschenen.

(in Paastijd : )

Christus verrezen uit de doden, door zijn dood overwon Hij de dood. Aan hen die in het graf zijn heeft Hij het leven geschonken.

COMMUNIEZANG

Kom en neem het Lichaam van Christus.

Kom en drink aan d’onsterflijke bron.

(in Paastijd : )

Ontvang het Lichaam van Christus.

Drinkt aan d’onsterflijke bron.

P. De dienaar Gods N. ontvangt het kostbaar en heilig Lichaam en Bloed van onze Heer en Verlosser Jezus Christus, tot vergeving van zijn zonden en tot eeuwig leven.

P. Dit heeft uw lippen aangeraakt, uw ongerechtigheden weggenomen en u van uw zonden gereinigd.

K. Alleluia, alleluia, alleluia.

P. + God red Uw volk en zegen Uw erfdeel.

(K. op normale zondagen, wanneer geen andere tekst is voorzien)

Wij hebben het ware Licht aanschouwd. Wij hebben de Hemelse Geest ontvangen. Wij hebben het ware geloof gevonden. Wij aanbidden de ondeelbare drie-eenheid, want ’t is zij die ons heeft gered.

P. (doet de gedachtenissen van de Disk in de Kelk en dekt deze af, terwijl hij bidt : )

Heer, wis door Uw kostbaar Bloed de zonden uit van hen die wij op deze Disc hebben herdacht.

(hij dekt ook de Disk af, en bidt : )

P. Wij danken U, menslievende Meester, weldoener van onze zielen, dat Gij ons ook heden hebt laten deelnemen aan Uw hemelse, onsterfelijke Mysteriën. Maak onze weg recht; bevestig ons in Uw vreze. Bewaak ons leven; maak onze wegen veilig.

Door de gebeden van de roemrijke Moeder Gods en altijd Maagd Maria, en van alle Heiligen.

D. Verhef, Vader

P. (wierookt kelk 3x)

Verhef U boven de hemelen, God; over de gehele aarde zij Uw heerlijkheid.

(geeft disk aan de diaken, die deze voor Altaar naar Proskomidie brengt; en zegt stil : )

P. Gezegend zij onze God, immer nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

(terwijl hij de kelk naar het volk toont)

P (brengt de Kelk naar de Proskomidie, voorafgegaan door de wierokende diaken. P. wierookt de kelk; reinigt en vouwt antimension.)

K. Amen. Moge Heer onze mond, zich nu vervullen met U lof, opdat w’uw glorie zouden bezingen, want Gij liet ons thans deelnemen, aan Uw heilige, goddelijke, onsterfelijke en levendmakende Mysteries. Behoud ons in Uwe heiligheid, opdat wij de ganse dag, uw gerechtigheid zouden beleven.

Alleluia, alleluia, alleluia.

D. (orarion los; naar gewone plaats voor : )

 

SLOTLITANIE

D. Staat op. Nu wij deelgenomen hebben aan de goddelijke, heilige, vlekkeloze Mysterieën van Christus, laat ons de Heer op waardige wijze danken.

(koor zingt zacht door : )

K. Kyrie eleison. Kyrie eleison. Aan U o Heer. Aan U o Heer. Amen. Amen.

D. Help en red ons, wees barmhartig en bescherm ons, God, door Uw genade.

Smekend dat heel deze dag heilig, vredig en zonder zonde moge zijn, bevelen wij aan Christus God onszelf, elkaar en geheel ons leven aan.

P. Wij danken U menslievende meester, Weldoener van onze zielen, dat Gij ons ook heden hebt laten deelnemen aan Uw hemelse, onsterfelijke Mysteriën. Maak onze weg recht, bevestig ons in Uw vreze. Bewaak ons leven, maak onze wegen veilig.

Want Gij zijt onze heiliging, en tot U zenden wij onze lof : Vader, Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

P. Laat ons in vrede heengaan.      (naar Ambon)

K. In de Naam des Heren.

D. Laat ons de Heer bidden.

K. Kyrie eleison

GEBED ACHTER DE AMBON

Heer, Die zegent wie U zegenen, en heiligt wie op U vertrouwen; red Uw volk en zegen Uw erfdeel. Behoed de volheid van Uw Kerk. Heilig hen die de luister van Uw huis liefhebben, en verheerlijk hen door Uw goddelijke kracht. Verlaat ons niet die op U hopen. Schenk vrede aan Uw wereld, aan Uw Kerken, aan Uw priesters, aan onze regeerders, en aan geheel Uw volk.

Want elke goede gave, en iedere volmaakte gift komt van boven, en daalt tot ons neer van U, Vader van het licht. Daarom zenden wij eer, dankzegging en aanbidding op tot U : Vader, Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen. De Naam des heren weze gezegend van nu af tot in de eeuwigheid. De Naam des Heren weze geprezen van nu af tot in de eeuwigheid. De Naam des Heren weze geprezen van nu af tot in de eeuwigheid.

P/D  DANKGEBED   (Diaken nuttigt eerbiedig de kelk)µ

Christus onze God, Gij zijt de vervulling van de Wet en de Profeten. Gij hebt heel de heilseconomie van de Vader volbracht. Vervul nu ook onze harten met vreugde en geluk; immer, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen .

K. Amen.

P. (zegent het volk : )

+ De zegen des Heren en Zijn barmhartigheid kome over U, door Zijn goddelijke genade en menslievende; immer nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

K. Amen

P. (wendt zich weer naar het Altaar en zegt : )

Ere zij U, Christus God, onze Hoop, ere zij U.

K. Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen !

Kyrie eleison, Kyrie eleison, Kyrie eleison.

VADER ZEGEN ONS

SLOTZEGEN

P. + Dat Christus, onze ware God (die opgestaan is uit de doden) door de kracht van het kostbare en levendmakend Kruis; door de gebeden van Zijn al- onbevlekte Moeder; door de bijstand van de roemrijke, hemelse krachten der Engelen; door de smeekbeden van de eerbiedwaardige, roemrijke Profeet, Voorloper en Doper Johannes; van de heilige, roemrijke, alom geëerde Apostelen, van de heilige, roemrijke overwinningdragende Martelaren; van de eerbiedwaardige, Christusdragende Vaderen; van onze vader onder de Heiligen Johannes Chrysostomos, wiens Liturgie wij gevierd hebben, van de heilige Andreas, patroon van deze parochie en van de Heiligen Georgios en Serafim van Sarov en van alle heiligen, zich over ons mogen ontfermen en redden, want Hij is goed en menslievend.

K. Amen

P. Door de gebeden van onze Heilige Vaderen, Heer Jezus Christus, ontferm U over ons.

NOG VELE JAREN

Schenk, o Heer, aan Uw dienaar N. een welvarend en vredig leven, gezondheid,, heil en voorspoed in al wat hij (zij) onderneemt, en schenk hem (haar) nog vele jaren.

 

K. Nog vele jaren, nog vele jaren, nog vele jaren.

 ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

 

 

 

 

 

 

Olivier Clément : een groot Orthodox Theoloog

Prof. Olivier Clément – Een groot Orthodox theoloog

Prof. Olivier Clément – Groot Orthodox Theoloog.

 

untitled (150 x 102)

 

Op 15 januari 2009 is in de Heer ontslapen, de grote orthodoxe theoloog Olivier Clément, professor van het Orthodox Instituut Sint-Sergius en geliefd spreker over de Orthodoxe Kerk, haar spiritualiteit en uitstraling.

Olivier Clément was die grote theoloog gegroeid uit de West-Europese Orthodoxie. Voor velen werd ten onrechte, de Orthodoxe Kerk beschouwd als de Kerk van de (geografisch) Oosterse Christenheid. Men kende wel enigszins een “andere” christenheid, verschillend van die van het Westen: die van Griekenland, Rusland en de Balkanlanden. Men ontdekte de schoonheid van de Slavische polyfonische liturgische gezangen of van de byzantijnse celebraties. Men stond in bewondering voor de Iconen. Men bleef echter onwetend over het feit dat de Orthodoxie ook ingeworteld was in de meeste West-Europese landen en in alle andere werelddelen.

Sedert vele jaren was hij professor aan het ORTHODOX THEOLOGISCH INSTITUUT ST. SERGE te Parijs. Hij is auteur van talrijke boeken. Tergelegenheid van zijn 80 jaar werd hem het erediploma van “Doctor Honoris Causa” uitgereikt door de Universiteit van Connecticut (USA) en werd hem de prijs van het centrum Aletti te Rome overhandigd. Dit centrum beloont diegenen die speciaal bijgedragen hebben tot de toenadering van het Westerse en Oosterse Christendom. Dit centrum renoveerde enige tijd geleden de Oosterse geïnspireerde mozaïeken in de kapel “Redemptoris Mater”, dat het symbool is geworden van de dialoog tussen wat eens “de twee longen van de christenheid” genoemd werd.

VAN ATHEÏSTISCHEN HUIZE

Olivier Clément is geboren Fransman. Hij zag het leven in 1924 en groeide op in de schoot van een totaal ontkerstende familie uit de streek van de Languedoc (Zuid-Frankrijk). Hij kende een heidense jeugd en ervoer, zoals hij het zelf schreef, “de verscheurdheid tussen angst en bewondering voor het leven”. Op hartstochtelijke wijze zocht hij, via de verschillende wegen van het atheïsme, “een zin aan het leven te geven”.

Uit zijn boek “L’AUTRE SOLEIL – autobiographie spirituelle” – uitg. Stock 1975 – blz. 12 en vlg.) noteren wij dat men in de streek van zijn jeugd, vooral in de familie van zijn vader, van drie “godsdiensten” sprak, die de eenvoudige dorpslieden naast elkaar plaatsten: de katholieken, de protestanten en de “socialisten”. Die “socialisten” waartoe Olivier Clément behoorde, werden in die tijd aldaar gedefinieerd “door het feit dat zij nooit naar de kerk gingen, dat zijn hun kinderen niet lieten dopen, dat zij in de kerk niet trouwden en dat zij hun doden ook niet religieus lieten begraven”.

ONTDEKKING VAN DE ORTHODOXIE

Zijn bekering tot het orthodox christendom ving aan rond zijn 27ste levensjaar. Hij ontdekte DOSTOJEVSKY en werd erdoor gefascineerd.

Voordien had hij geschiedenis gestudeerd en behaalde hij in dit vak het aggregaat van het hoger onderwijs. Hij werd vrij vlug belast met een leeropdracht in de geschiedenis. Later werd hij tot professor benoemd aan het bekend lyceum Louis Le Grand te Parijs.

Over zijn ontdekking van de Orthodoxie schreef hij in het hoger geciteerd boek (blz. 144) onder meer het volgende:
“In feite is de Orthodoxie de enige christelijke confessie, die aan de moderniteit één van haar vaders gegeven heeft, nl. DOSTOJEVSKY, even belangrijk als de anderen zoals MARX, FREUD en NIETZSCHE. Belangrijker zelfs. Men moet het gezegde van BERDIAEV hernemen, waar hij het over Dostojevsky heeft, en dit parafraseren en doorgronden, namelijk: …«Dostojevsky heeft geweten wat de anderen wisten, en IETS MEER, of beter gezegd IEMAND MEER…”

OP DERTIGJARIGE LEEFTIJD GEDOOPT

“Ik werd in de Orthodoxe Kerk gedoopt”, zo schreef hij op blz. 171 van zijn voormeld boek. “Ik was dertig. Het was een doordachte en ernstige keuze. Meteen een risico en de verduidelijking van een evidentie. Een bewustvolle keuze, als men wil, alhoewel men wel het hele leven, de hele dood nodig heeft om bewust te worden van de Doopgenade, om te sterven en in Christus herboren te worden.

Het was een eerste november. Het regende. Ik stapte een lange tijd in de regen, daar ik deze pelgrimstocht te voet wou ondernemen, al was het door Parijs. De regen is een teken van vruchtbaarheid, en ik ging naar mijn eigen geboorte. Koud was het water dat over mijn wangen liep, koud en zuiver was het Doopwater. (…)

Heel wat jaren zijn nu vervlogen sedert mijn intrede in de Kerk. De Kerk stelt niet teleur, wanneer men begrepen heeft wat zij is: die voedende bodem, die grote levenskracht, die ons geschonken wordt en die wij vrijelijk in werking moeten brengen. Wanneer ik een kind was, wou ik dicht bij de zee leven. In het dorp liet mijn grootvader mij het geluid der golven horen in de holte van een schelp, om mij te troosten. De Kerk is de zee die voor altijd aan het zingen gaat in de schelp van de wereld”.

ZIJN ROEPING ALS ORTHODOX THEOLOOG

Toch is het vooral Vladimir LOSSKY, die grote orthodoxe theoloog van de Russische emigratie te Parijs, afkomstig uit Sint Petersburg, die hem de orthodoxe theologie deed ontdekken.

Herhaalde malen herlas Olivier Clément het merkwaardig boek van Vladimir Lossky: “L’essai sur la théologie mystique de l’Eglise d’Orient”, boek dat hem wist te verdiepen in de orthodoxe spiritualiteit. Nu nog spreekt Olivier Clément met de meeste lof over “zijn leermeester” Lossky.
Ook verschillende andere eminente figuren uit de wereld van de godsdienstige Russische emigratie speelden bij hem een belangrijke rol: Paul EVDOKIMOV, aartspriester Serge BOULGAKOV, Nicolas BERDIAEV, en ook Vader SOPHRONY, vroeger monnik van de H. Athosberg.

Deze Russische orthodoxen, die hij leerde kennen, waren sterk geëngageerd in de ontmoeting van de Orthodoxie met de Franse en westeuropese realiteit.

Over Lossky schreef Olivier Clément in zijn voornoemd boek (blz. 149):
De roeping van Vladimir Lossky was gebaseerd op de spirituele lezing van de hedendaagse geschiedenis. Voor hem had het lijden, misschien de doodstrijd, die de Russische Kerk periodiek doormaakte (die in deze eeuw ongetwijfeld meer martelaren gegeven heeft dan het ganse christendom tijdens zijn voorgaande geschiedenis), de samenlopende verspreiding van zoveel orthodoxen in het Westen een Profidentieel doel: de ontmoeting in de diepte tussen het Westers en het Oosters christendom. Hij zelf was de incarnatie van deze ontmoeting”.

Het is Lossky, die hem Vader Sophrony deed ontmoeten, en door hem de “wereld van de H. Athosberg” liet ontdekken.

Zijn uitstraling als SCHRIJVER, THEOLOOG en TALENTVOL SPREKER.

Zijn hogergeciteerd autobiografisch boek “L’autre soleil” bewijst overvloedig welke diepspirituele invloed de tragische gebeurtenis van de “Russische emigratie” op velen in West-Europa heeft gehad. Of men van christelijken huize is of niet – zoals Olivier Clément, die op volwassen leeftijd gedoopt werd – : steeds is en blijft de “ontmoeting” met CHRISTUS een zeer persoonlijk en uniek avontuur. Het is belangrijk even te onderlijnen hoe het kwam dat die “ontmoeting” voor hem plaats vond in de schoot van de Orthodoxe Kerk.

De Orthodoxe Kerk heeft hem verleid door haar “zin voor het Mysterie”, door de “aanwezigheid en de boodschap van de Verrezen Christus”, door de “bewustwording van de deïficatie van de mens”, door de Goddelijke Liturgie, door de Drieëenheid.

Bij die ontdekking bleef het niet. Olivier Clément verdiepte zich verder, ook al bleef hij een man, die op zeer nuchtere wijze nooit de aandacht verloor voor de problemen van de maatschappij en de wereld, waarin wij leven.

Naast zijn professionele taak in het onderwijs, schreef hij talrijke boeken, waarvan wij hierna de bijzonderste titels geven. Hij is daarbij een graag gehoorde spreker. Het is onmogelijk de talrijke voordrachten te vermelden, die hij in Frankrijk en buiten zijn land gaf. Getuigend van een diep, rotsvast geloof en van een grondige orthodoxe theologische kennis, boeit hij zijn toehoorders door zijn vlotte en poëtische zinsbouw, door zijn kritische bedenkingen en toch steeds grote openheid van geest, en door de “actuele boodschap” die hij telkens weet mee te geven. Nooit is hij “enggeestig”, ook niet tegenover andersdenkenden.Op oecumenisch vlak getuigt hij van begrip en liefde, steeds bereid om te “ontmoeten”, in het spoor van de grote Patriarch ATHENAGORAS, ter zaliger gedachtenis, die hij vaak en soms vrij lang heeft bezocht en over wie hij een van zijn merkwaardigste boeken heeft geschreven, getiteld: “DIALOGUES AVEC LE PATRIARCHE ATHENAGORAS”.

MEDESTICHTER VAN DE ORTHODOXE FRATERNITEIT IN WEST-EUROPA

Ook is Olivier Clément één der initiatiefnemers en medestichters, om niet te zeggen “DE STICHTER”, van de “Orthodoxe Fraterniteit in West-Europa”, die het “ontmoetingsinstrument” wil zijn voor alle orthodoxen zonder onderscheid van taal, traditie of jurisdictie. In feite wil de “Orthodoxe Fraterniteit” een dienst-instrument zijn tot zolang de Orthodoxie in West-Europa geen geünificeerd canoniek statuut heeft bekomen, en nog steeds “diaspora” is.

 

Prof. Olivier Clement – Orthodox Congres Gent 1983

Deze “Orthodoxe Fraterniteit” heeft reeds, dank zij het impuls van Olivier Clément, heel wat verwezenlijkt: ontdekking van het gemeenschappelijk patrimonium van de Orthodoxie, verdieping van het eucharistisch leven, aanmoedigen van begrip en vriendschap tussen alle orthodoxen in West-Europa, het nemen van initiatieven voor publicaties, catechese, liturgische zang, het oprichten van een persagentschap (SOP – Service Orthodoxe de Presse), enz. zonder de organisatie van GROTE CONGRESSEN te vergeten: Annecy 1971 – Dijon 1974 – Amiens 1977 – Avignon 1980 – Gent 1983 – Walburg (Elzas – Frankrijk) 1987 – Amiens 1990 – Blankenberge 1993 en St Laurent-sur-Sèvre 1996.
Al deze congressen waren doordrongen van zijn sterke geest. En op al deze congressen werd hij door zijn vele vrienden-medewerkers verzocht één der hoofdthema’s te behandelen. Steeds waren zijn woorden profetisch waar hij het had over “orthodox christen zijn, vandaag”.

ZIJN PUBLICATIES EN ZIJN BOEKEN

Daarbij is Olivier Clément nog sedert vele jaren de bezieler en ijverige redactiesecretaris van het hooggewaarderd Frans orthodox theologisch tijdschrift “CONTACTS”, dat driemaandelijks verschijnt en waarin hijzelf heel wat bijdragen leverde.
Hij stichtte bij de uitgeversmaatschappij DESCLÉE DE BROUWER de collectie “THEOPHANIE”, die via die weg een hele reeks boeken van orthodoxe auteurs publiceerde of herpubliceerde. Immers vaak waren belangrijke werken uitgeput. Een dringende herpublicatie drong zich op. Hij nam hiervoor het initiatief.

Hierna volgt een lijst van vele boeken die hij reeds geschreven heeft, en waarvan verschillende vertaald werden. In 1977 werd hem door het ORTHODOX THEOLOGISCH INSTITUUT van Boekarest (Roemenië) het erediploma uitgereikt van “Doctor Honoris Causa” en in 1989 door de katholieke Universiteit van Louvain-la-Neuve uit ons land.

En op 11 mei 1983 werd hem te Brussel de prijs uitgereikt van de “Scriptores Christiani” voor zijn werk “SOURCES – Les Mystiques chrétiens des Origines”.

OLIVIER CLÉMENT : THEOLOGIE-PROFESSOR

Iedereen weet dat Olivier Clément sedert vele jaren theologieprofessor is aan het Orthodox Theologisch Instituut St. Serge te Parijs, alwaar hij de vakken doceert van “Moraaltheologie” en “Geschiedenis van de Byzantijnse theologie”. Het Orthodox Theologisch Instituut St. Serge vierde in 1997 zijn 72ste verjaardag. St. Serge heeft vele priesters en theologen gevormd voor vele orthodoxe communauteiten in West-Europa. Zelfs zijn er verschillende bisschoppen langs St. Serge gekomen en kregen er hun theologische vorming, en één van zijn oud-studenten werd de huidige Patriarch IGNATIOS van Antiochië.

Daarbij is hij eveneens reeds lang professor aan het Institut Supérieur d’Etudes Oecumeniques (ISEO) te Parijs, naast andere orthodoxe theologen-professoren, nl. Aartspriester Boris BOBRINSKOY, Aartspriester André FYRILLAS en Nicolas LOSSKY.

Samen met de drie voornoemde professoren en met Vader Michel EVDOKIMOV en nog verschillende andere priesters en leken behoorde hij jarenlang tot het raadgevend orgaan van het Comité Interepiscopal Orthodoxe en France, coördinerend bisschoppelijk orgaan, voorheen onder voorzitterschap van Metropoliet MELETIOS en later van Metropoliet JEREMIE.

ZIJN OECUMENISCHE ACTIVITEIT EN ZIJN WERKING OP VELE TERREINEN

 

Prof. Olivier Clémént – Orthodox Congres Sint-Trudo Abdij te Maele (Brugge) 1972

Met verschillende andere orthodoxe theologen, onder het voorzitterschap van Bisschop JEREMIE, is Olivier Clément één der leden van de “Commission française mixte pour le dialogue theologique entre l’Eglise catholique romaine et l’Eglise orthodoxe”.

Hij is voorzitter van de vereniging “Association des Ecrivains Croyants d’Expression Française”, die haar zetel heeft te Parijs.

Hij is lid van de redactie van de tijdschriften: “L’Actualité religieuse dans le monde” (163, boulevard Malesherbes, 75859 Paris Cedex 17), en van “France Catholique” (12, rue Edmond Valentin, 75007 Paris), voor de orthodoxe bijdragen.

En wie ontmoette Olivier Clément nog niet via de radio (France Culture – orthodoxe uitzendingen om de 14 dagen, zondag morgen om 8 uur) of via de televisie (Franse televisie – éénmaal per maand, zondagmorgen om 9.30 uur), steeds opnieuw getuigenis brengend van de diepspirituele boodschap van de Orthodoxie.

In de schoot van het genootschap “APOSTOLOS ANDREAS” – contacten met de Orthodoxie” – te Gent, gaf Olivier Clément verschillende voordrachten, zodat hij hier bij ons in Vlaanderen ook geen onbekende gebleven is. Hij behandelde voor een steeds geboeid publiek volgende onderwerpen:

1969: “La connaissance de Dieu dans la Tradition orthodoxe”;
1981: “La contemplation de la nature en Dieu, dans la Tradition orthodoxe”;
1982: “La foi et la crainte de Dieu selon la tradition ascétique orthodoxe”.

Hij werd daarbij gedurende de laatste jaren nog uitgenodigd voor een voordracht in de schoot van de “Gentse Cultuurvereniging” en van het “Hoger Instituut voor Franse Cultuur” (Ecole des Hautes Etudes) te Gent.

EEN VAN DE KERNGEDACHTEN VAN OLIVIER CLÉMENT TOT CONCLUSIE

Graag halen wij hier één der kerngedachten van Olivier Clément aan als conclusie. Hij heeft er zoveel uitgesproken en neergeschreven. De keuze was moeilijk.
“Intreden in het christelijk bestaan vereist de gelijktijdige ontdekking van mijn einddoel en van mijn dorst naar het oneindige, ook dat de mens zichzelf onmogelijk kan bevredigen, dat in hem de bron van vreugde ontbreekt, dat hij ieder ogenblik «zichzelf moet krijgen» uit de barmhartige handen van de Vader. En dit woord «Vader» houdt de afgrond van de Onkenbare in zich en het wonderlijk vertrouwen van het kind dat zijn oorsprong ontdekt” (uit: “Questions sur l’homme”, blz. 22).

Aartspriester Ignace Peckstadt

 

«

Feest van de tempelgang van onze verlosser Jezus Christus

FEEST VAN DE TEMPELGANG VAN O.H. EN

VERLOSSER JEZUS CHIRISTUS (Lichtmis)

 

 

opdracht in de tempel 3

Hebr.7,7-17

(7)en niemand kan ontkennen dat de mindere altijd gezegend wordt door de meerdere. [8] Bovendien zijn het in het ene geval sterfelijke mensen die tienden krijgen, in het andere is het iemand van wie de Schrift getuigt dat hij leeft. [9] Men zou zelfs kunnen zeggen dat Levi, die het recht heeft om tienden te heffen, zelf tienden heeft betaald in de persoon van Abraham: [10] want hij was nog in de lendenen van zijn voorvader, toen Melchisedek hem tegemoet ging.
     [
11] Wanneer de volmaaktheid was gekomen door het Levitische priesterschap – en op deze basis heeft het volk toch de wet ontvangen – waarom was het dan nog nodig dat er een andere priester zou komen, een priester op de wijze van Melchisedek en niet op de wijze van Aäron? [12] Want uit een verandering van priesterschap volgt onvermijdelijk een verandering van wet. [13] Degene* van wie hier sprake is, behoorde tot een andere stam, waarvan nog nooit iemand toegang had tot het altaar; [14] het is algemeen bekend dat onze Heer is voortgekomen uit Juda, een stam die Mozes in zijn bepalingen over de priesters niet heeft vermeld. [15] Dit wordt nog veel duidelijker, wanneer wij bedenken dat als evenbeeld van Melchisedek een nieuwe priester opstaat, [16] die niet op grond van een wettelijk vereiste afstamming priester is geworden, maar uit kracht van een onvergankelijk leven. [17] Want op Hem slaat het getuigenis: U bent priester voor eeuwig, op de wijze van Melchisedek. [18] Het bestaande voorschrift werd

 Opdracht in de tempel 32324

Evangelie :

 

Lucas 2,22-40

Jezus in de tempel. Simeon en Hanna
     [22] Toen* de tijd gekomen was dat zij zich volgens de wet van Mozes moesten reinigen, brachten ze Hem naar Jeruzalem om Hem aan te bieden aan de Heer, [23] zoals in de wet van de Heer geschreven staat: Al het mannelijke dat de moederschoot opent, zal de Heer worden toegewijd, [24] en om een offer te brengen, volgens de wet van de Heer: een koppel tortels of twee jonge duiven.
     [
25] Daar in Jeruzalem woonde een zekere Simeon; het was een rechtvaardige en vrome man; hij verwachtte de vertroosting van Israël en op hem rustte heilige Geest. [26] Door de heilige Geest was hem geopenbaard dat hij de dood niet zou zien voordat hij de Messias van de Heer had gezien. [27] Door de Geest geleid ging hij naar de tempel. Toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, [28] nam hij Hem in zijn armen en loofde God met de woorden:

 

[29]

‘Nu,Meester,laat U,zoals U gezegd  hebt,
uw knecht in vrede gaan;

 

[30]

want mijn ogen hebben uw heil gezien,

 

[31]

dat U ten aanschouwen van alle volken hebt toebereid,

 

[32]

een licht dat een openbaring zal zijn voor de heidenen
en een glorie voor uw volk Israël.’

[33] Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat er van Hem gezegd werd. [34] Simeon zegende hen en zei tegen zijn moeder Maria: ‘Deze* jongen zal velen in Israël ten val brengen of laten opstaan. Hij zal een omstreden teken zijn [35] – ook door uw ziel zal een zwaard gaan – en zo zal onthuld worden wat er in veler harten omgaat.’
     [
36] Ook was daar de profetes Hanna, een dochter van
Penuël, uit de stam Aser. Ze was hoogbejaard; na haar meisjesjaren was ze zeven jaar getrouwd geweest [
37] en daarna weduwe gebleven; nu was ze vierentachtig. Ze was altijd in de tempel en diende God dag en nacht met vasten en bidden. [38] Juist op dit moment voegde ze zich bij hen; ze loofde God en sprak over de jongen tegen allen die de bevrijding* van Jeruzalem verwachtten. [39] Toen zij alles hadden gedaan wat de wet van de Heer bepaalt, keerden ze terug naar Galilea, naar hun woonplaats Nazaret. [40] De jongen groeide op en werd steeds sterker, omdat Hij vervuld werd van wijsheid* en door God rijkelijk werd begunstigd.

 

Kopie (2) van Kopie van purpleroses

Canonische discipline in de Orthodoxe Kerk

Canonische discipline van de orthodoxe Kerk

 

Ik geloof waarlijk, zoals ik het zo dikwijls bevestig in het Credo, «in de Kerk ». Ik kan niet ontkennen dat  de teksten die de Kerk heeft geschreven in de loop van haar geschiedenis, canons genoemd, mij zowel bevallen als hinderen. Deze teksten hebben als doel om de grenzen te definiëren van het ware leven die de christen niet zomaar achter zich kan laten, zonder aan deze  vormende daad voorbij te gaan. Een daad waardoor de hemelse Vader de christen  behandelt als zijn enige Zoon, dit wil zeggen , Hij geeft hem er een vergoddelijkende gave van Zijn heilige Geest mee.

De kerkelijke Canons tonen ons de weg die wij moeten gaan opdat ons leven in de Kerk niet slechts een natuurlijke sociaal leven zou zijn, maar ook opdat wij de autonomie van onze natuurlijke individualiteit zouden overschrijden door het ontvangen van de Heilige Geest en door de ervaring van onze deïficatie (…) Maar daarvoor moeten wij twee dwalingen vermijden . De ene bestaat erin

Dat wij zouden zeggen : het verleden is voorbij bij het begin van dit derde millennium, het is hoog tijd om een aggiornamento door te voeren. Als we zo denken dan miskennen wij volledig de diachronische (= historische ontwikkeling) en synthetische (op een synthese berustend)dimensie, en dit zonder onderbreking doorheen de periode van de kerkelijke Traditie en de eenheid van de Kerk.

Indien de kerkelijke canons ons voor alles spreken over de mogelijkheden van onze vergoddelijking in het zijn-in-communio van de Kerk, dan is het ware leven waarvan zij spreken ook het ware leven voor ons, hoe ver we nu ook mogen verwijderd zijn van hun auteurs. Er is nochtans nog een tweede dwaling waar we moeten op letten : men moet de christenen nu ook niet beangstigen met de canons door hen op een fanatieke wijze te bestoken door een automatische toepassing ervan. Gaan we in deze tijd een christen excommuniceren die de kerk verlaat vóór de anaphora zonder medisch motief ?

Zal men een moordenaar die berouw heeft, de heilige communie onthouden  tot aan het einde van zijn leven, en voor zeven jaar iemand die overspel heeft gepleegd ? Voor een  goed gebruik van de canons moeten wij voor ogen houden  dat, indien in de Oudheid de heilige Kerk, nochtans zo goed, zo moederlijk, zich streng heeft opgesteld, dat het is omdat ook nog in onze dagen, zonde exstreem zwaar is en dat wij als gevolg hiervan haar als zodanig moeten behandelen, zelfs al moet dit gebeuren met minder zware straffen. Want vroeger gaf de Kerk de communie voor zeven jaar niet aan iemand die echtbreuk had gepleegd of tot het einde van zijn leven niet aan iemand die een moord had bedreven. Wij hebben ook nu nog het recht niet om ons tevreden te stellen om zo een zonde in de biecht te belijden en direct na de biecht te communiceren  » 

 

Vader André Borrély, in Orthodoxes à Marseille octobre-Novembre 2002.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

 

 

 

André Borrély : Het doopsel, betekenis en riten

HET DOOPSEL : BETEKENIS EN RITEN

Door Vader André Borrély

 

 

1. Het doopsel verandert radicaal de wijze van bestaan van de mens.

 

1.1. Het doopsel in de eniggeboren Zoon

 

Binnen de Orthodoxie is het feest van 6 januari, het feest van de Theofanie, van het doopsel van Jezus door Johannes in de Jordaan. Het is het fundament van het doopsel van de catechumenen. De wijding van het doopwater voltrekt zich door het lezen van een gedicht van de Heilige Sophronius, patriarch van Jerusalem van 634 tot 638. Het is hetzelfde gedicht dat gelezen wordt op het moment van de zegening van het water op 6 januari. En dat wat de hemelse Vader verkondigt met betrekking tot zijn Zoon, de eniggeboren zoon, op het moment van Zijn doop in de Jordaan, dat verkondigt de kerk op haar beurt bij de doop van elk nieuwgeborene. Op het moment dat Jezus uit het water opsteeg hoorde men een stem uit de hemel : ‘Gij zijt mijn welbeminde Zoon in wie ik mijn welbehagen stel’  In het spoor van Wellhausen, merkt P. Lagrange op dat er in het Oud testament geen groot verschil bestaat tussen ‘welbeminde-zoon’ en ‘énige zoon’. Door het doopsel, wordt de mens een uniek wezen in deze wereld, onvervangbaar. Als herschapen mens in de wateren van het doopsel, naar het beeld van de Trinitaire God en om op Hem te gelijken, moet de mens, evenals God, niet volgens een cataphatische, maar volgens een apophatische

benadering gezien worden. In het grieks betekent ‘kataphasis’ : bevestiging, en ‘apophasis’ : negatie. Omdat hij een persoon is die geschapen is naar het beeld van de Zoon om te gelijken op de goddelijke Drie-eenheid,  deelt de mens aan het ‘ongekend-zijn’ van de drie goddelijke Personen. Hij is in wezen mysterie, dit wil zeggen: onuitputtelijk door zijn rijkdom, onpeilbaar door zijn diepte, waarvan dus men meer met zekerheid kan zeggen wat het niet is, dan wat het wél is. Het christelijk doopsel heeft als fundamenteel doel, de wijze van bestaan van deze bepaalde nieuwe mens te omvormen, door de aanwezigheid in hem van de Drie-ene, moeilijk onder woorden te brengen, onvatbaar voor de rede, niet te herleiden, niet te vervangen God.

 

Juist door het doopsel gaat de mens van een biologische wijze van existeren naar een kerkelijke wijze van bestaan. Dit is wat de orthodoxie ‘deïficatie’ noemt waarin hij de kwintessens van het heil in Christus ziet. Voor de orthodoxie, bestaat het heil hoofdzakelijk in het feit dat de mens niet (zeker) aan de substantie van God deelheeft, maar wel aan zijn persoonlijk bestaan. Het heil is de realisatie, in de schoot van de mensheid, van het trinitaire leven, het is de uitbreiding ‘ad extra’ van de wijze van bestaan van de drie goddelijke Personen. Voor de orthodoxie is het feest van 6 januari onlosmakelijk verbonden met het feest van de doop van Christus en deze van de Heilige Drie-eenheid. Daarom spreken wij van Theophanie, liever dan van Epiphanie. Elke Theophanie is een Epiphanie, maar elke Epiphanie is niet noodzakelijk deze van de Drie-enige God. Het troparium dat de kerk voortdurend herhaalt op de dag van 6 januari onderlijnt het trinitaire karakter van het feest : ‘Toen Gij Heer, gedoopt werd in de Jordaan, werd de aanbidding der heilige Drie-eenheid geopenbaard : de Vader heeft van U getuigd, en noemde U Zijn geliefde Zoon, de geest, in de gedaante van een duif, bevestigde de waarheid van dit woord. Gij verschijnt ons, o Christus God, en hebt de wereld verlicht : Ere zij U’. Welnu tijdens de dienst van de doop, lezen wij het einde van het Evangelie volgens Mattheüs die ons zegt dat het in de naam van de Vader, en de Zoon en de Heilige Geest is dat de leerlingen werden uitgezonden door de verrezen Christus om in de wereld te getuigen aan alle natiën (Matth.28,19). En het is door drie onderdompelingen dat de celebrant de catechumenen dopen : in de Naam van de Vader, in de Naam van de Zoon en in de Naam van de Heilige Geest. Gedoopt worden wil zeggen : binnengeleid worden in de levenswekkende  act waardoor de Vader de volheid van zijn goddelijk leven meedeelt aan Zijn unieke Zoon, ’t is te zeggen : zijn Heilige Geest. En deze vergoddelijkende binnenleiding betekent voor de mens de omvorming van individu tot persoon. Het is van deze omvorming dat de Kerk droomt wanneer zij de celebrant doet zeggen, in verband met de toekomstige dopeling, in het laatste gebed van de dienst van het catechumenaat : ‘ Ontneem hem de oude mens en bekleedt hem met de nieuwe mens voor het eeuwig leven… opdat gij niet meer een kind van het vlees zult zijn, maar een zoon (dochter) van Uw Koninkrijk’ ‘Een kind van het vlees’ of ook nog ‘de oude mens’, het is de mens, levend een natuurlijk leven, biologisch, onderworpen aan alle noodwendigheden van het menselijk bestaan in zijn gevallen staat. Het is het menselijk bestaan in zijn gevallen toestand, verdierlijkt door de zwakte van de zonde, broos, zwakzinnig, vergankelijk, bederfelijk, aards.

 

1.2. Het individu en de persoon

 

De existentie van het individu, is de biologische, genetische existentie. Het verschil met de persoonlijke existentie ligt hem hierin, dat het individu niet bestaat als vrijheid, maar als noodzaak. Ik word geboren in de wereld zonder dat ik erom gevraagd heb. En dit biologisch bestaan leidt onvermijdelijk en wanhopig naar de dood. De biologische wijze van existeren is tragisch wat betreft het niet erin slagen om een persoon te worden op biologisch, natuurlijk  niveau. Het heil ons gebracht door Christus is de realisatie in de mens van de goddelijke gelijkenis. Het is het feit, dat de mens niet meer als individu bestaat, maar als een persoon.

Het christelijk doopsel betekent dat de mens als persoon ophoudt om zijn nagestreefd doel te ontlopen door wat Maurice Blondel noemt zijn ‘willende wil’ (volonté voulante’), ’t is te zeggen zijn diepe wil, dat wat de mens wil zonder dat hij het wilt en dat hij niet kan verhinderen het te willen. Het doopsel betekent dat de twee bestandsdelen van het biologisch bestaan, te weten de ‘eros’ en het ‘menselijk lichaam’, ophouden voertuigen tot de dood te zijn Het doopsel heeft als essentiële betekenis, de bepalende wijze van de menselijke existentie te veranderen. Het gaat niet om een morele verbetering, maar om een ‘anangenesis’, een her-geboorte, een herstel, van een nieuwe geboorte als persoon, van een omsmelting van het gehele menselijk plasma. Deze notie anangenese, organische  her-geboorte is uitgedrukt in de eerste brief van Petrus : ‘Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die in Zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden…. Want gij zijt wedergeboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levend en blijvend woord van God (1 Petrus 1,3 en 23). De eros en het door de zonde verdierlijkt lichaam zijn gedoopt, ’t is te zeggen dat zij  een verandering in hun wijze van bestaan niet verloochenen, maar juist een inspanning zullen doen om het te veranderen. Zij worden dan zaad van het spirituele en onvergankelijk lichaam. Een goed begrepen christelijke ascese is fundamenteel een transfiguratie en een vergeestelijking van het lichaam , en van gans het zintuiglijk menselijk leven, die het ongeschapen en goddelijk licht moet laten schijnen, zoals een kristallen vaas de zonnestralen. De doop geeft de mens de zekerheid dat de persoonlijke existentie naar het beeld en de gelijkenis met God een historische realiteit is, waarvan de mogelijkheid ons gegeven is door Christus de Redder.. Hij is de Redder in deze duidelijke zin, dat Hij aan de mensen de realiteit zelf van de peroon heeft medegedeeld. Allen zoals wij zijn, delen de menselijke natuur in stukken : wij zijn min of meer mensen, min of meer intelligent, min of meer begiftigd met verstand, min of meer deugdzaam. In Jezus van Nazareth, waarlijk God en waarlijk mens, is de volheid van de mensheid  gemanifesteerd : Ecce Homo (zie de mens). Ziedaar de waarachtige mens, de mens die volledig mens is omdat Hij volledig God is. In Jezus Christus is ons geopenbaard dat God alleen waarachtig mens is en dat wij slechts waarachtig mens kunnen worden tenzij in Jezus Christus. Zeggen dat God ons vergoddelijkt of dat Hij ons totaal vermenselijkt, of nog dat Hij ons redt of deïfieerd : het gaat hier altijd om dezelfde werkelijkheid.

Het doopsel betekent fundamenteel het verwerpen van de ketterij van Nestorius : Christus kan ons niet verlossen omdat Zijn hypostase slechts een biologische hypostase is. In Jezus Christus is er geen onderscheid tussen menselijk en goddelijk. Deze mens was volledig goddelijk in Zijn menselijkheid en volledig menselijk in zijn goddelijkheid. Jezus van nazareth is als waarachtig God en als waarachtig mens komen getuigen van de mogelijkheid voor de menselijke persoon om te ontsnappen aan de tragische toestand van de verscheurde menselijke natuur, van de fundamentele vervreemding die de dood voor de menselijke vrijheid voorstelt.. Het doopsel maakt van elke mens een perfecte mens, ’t is te zeggen, een waarachtig mens, een authentieke hypostase, vooraf geroepen voor de vrijheid en de liefde. Het doopsel verleent aan de mens een manier van bestaan op eenzelfde wijze als waarop de drie Hypostasen van de Drie-eenheid bestaan. Het doopsel betekent voor elke mens dat de christologie geen realiteit is die slechts op Jezus Christus van toepassing zou zijn. Door het doopsel is de christologie in het existentiële bereik van de mens zelf gekomen. De menselijke natuur kan worden gehypostasieerd, ’t is te zeggen : men kan het op zich nemen, onafhankelijk van de tragische noodzaak van de biologische wijze van existeren die wanhopig leidt tot de dood. Het doopsel betekent de mogelijkheid die zomaar aan de mens wordt gegeven om te gaan leven op de wijze zoals Jezus van Nazareth heeft geleefd. : door zijn bestaan te bevestigen als persoon, door niet meer te gaan steunen op de wetten van zijn verscheurde biologische natuur, maar door te steunen op een relatie met de goddelijke Drie-eenheid die fundamenteel een relatie is van vrijheid en liefde. Indien het onze Vader – spijtig genoeg té dikwijls verkeerd vertaald – het fundamentele gebed is van de Christenen, dan is het omdat het ons de essentie zelf geeft van het doopsel. Inderdaad, door het doopsel treedt de mens binnen in de algemeen eeuwige act waarin de Vader zijn Enige Zoon de volheid van zijn vaderlijk Leven meedeelt, ’t is te zeggen de Heilige Geest. Door het doopsel wordt de mens zoon van God, hij identificeert zich met de hypostase van de Zoon.

 

1.3 Het kerkelijk bestaan.

 

Het doopsel verleent aan de mens een wijze van bestaan dat geheel kerkelijk is. De kerkelijke wijze van existeren is de menselijke existentie als gedoopte en wordt gedefinieerd als een zijn-in-communio. Wanneer Jezus zegt tot Nicodemus : ‘Gij moet opnieuw geboren worden’ (Joh.3,7), dan spreekt hij hem over de mogelijkheid voor de mensen, om zo te leven dat ze zich niet zouden laten bepalen door de wetten van de biologie en het instinctief-affectieve , door de gevallen  natuur, losgemaakt van God en verdierlijkt door de zonde. Dit is een onopeisbaar geschenk van God.

 

De kerk is essentieel de plaats waar, in de geschiedenis der mensen, de niet biologische wijze van het menselijk bestaan zich realiseert. De Kerk is het god-menselijk model in de schoot waarvan de mens geboren wordt tot het Trinitaire leven, niet slechts gedurende één uur, de dag van zijn doopsel en zalving, maar voor gans de duur van zijn leven :  de dag van zijn huwelijk, of zijn priesterwijding, wanneer hij communiceert aan het Lichaam en bloed van de Verrezene, wanneer hij de ziekenzalving ontvangt of de goddelijke vergeving van zijn fouten. De celebratie van het doopsel strekt zich uit over gans zijn christelijk bestaan, in de viering van elk van de andere sacramenten. Deze laatste zijn niets anders dan god-menselijke daden door dewelke de Heilige Geest handelend in de Kerk het werk van de vergoddelijking van de mens verder zet dat begonnen is bij het doopsel. Het gaat hier nogmaals en nogmaals om de realisatie in de mens van een wijze van bestaan dat niet meer bepaald wordt door de noodzaak van een biologisch bestaan. Authentisch de realiteit van mijn doopsel beleven betekent dat mijn echte vader niet diegene is die me biologisch heeft voortgebracht, maar mijn Vader in de hemel, dat mijn waarachtige broeders, niet mijn biologische broeders zijn, maar de leden van de Kerk, dat mijn waarachtige familie niet mijn biologische familie is,maar de Kerk. In het derde Evangelie vreest Jezus niet om te bevestigen :’Zo iemand tot Mij komt, en zijn vader niet haat, zijn moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, hij kan mijn leerling niet zijn'(Lucas 14,26). De Evangelist Mattheüs drukt dezelfde eis uit in een verzachte vorm wanneer hij het heeft over diegene die zijn naasten meer bemint dan Jezus. Hetzelfde wanneer men komt te zeggen aan Jezus dat zijn moeder en zijn broeders buiten staan en Hem willen zien. Jezus antwoordt hierop : ‘Mijn moeder en mijn broeders zijn zij die het woord van God aanhoren en het in praktijk brengen’ (Lucas 8,21). Noteren wij  hierbij dat deze tekst wordt gelezen in de Byzantijnse Liturgie op het feesten van de Moeder Gods. Iemand dopen is niet zijn kerkelijk en biologisch bestaan als gelijken te stellen, het is hem de overwinning laten behalen van het eerste op het laatste.

 

1.4. Men moet het doopsel vieren in de loop van de zondagse Liturgie.

 

Waarom is het zo belangrijk om het doopsel toe te dienen in de schoot van de goddelijke Liturgie , ’t is te zeggen in de schoot van de parochiale gemeenschap ? Té veel priesters geven toe aan de druk van de familie die van het doopsel een familiale aangelegenheid willen maken, de zaterdag namiddag of de zondag namiddag, indien het al niet gebeurt ten huize van de ouders van het kind ! In de grote traditie van de Kerk doopte men altijd tijdens de liturgieën van Pasen of Pinksteren, van Kerstmis of op het feest van de Theofanie. Het is daarom dat men ook vandaag nog altijd geen ‘Heilige God, heilige Sterke, Heilig Onsterfelijke’ zingt, maar het ‘Gij allen die gedoopt zijt in Christus, Gij hebt u met Christus bekleedt’ Gelukkig is er een zeker aantal orthodoxe priesters die families uitnodigen, indien zij minstens in staat zijn  om het te begrijpen, om hun kinderen de zondag morgen ten laten dopen, wanneer de ganse parochiale gemeenschap samen is voor de eucharistische viering. In de Orthodoxie viert men slechts éénmaal de eucharistie op dezelfde dag en in dezelfde kerk. Dit opdat iedereen – burgers en proletariërs, kinderen en volwassenen  – samen hun eigen respectievelijke biologische en sociale wijzen van existeren  zouden transcenderen. Het doopsel bewerkstelligt een overwinning op het relationeel netwerk van het biologisch bestaan. Het bevrijdt de mens van elke relatie die bepaald wordt door zijn biologische identiteit. Hen liefhebben die ons door de bloedband nabij zijn, is gehoorzamen aan biologische wetten. De andere mensen liefhebben – al zijn ze van rechts of links , zwart of blank, rijk of arm – in de eucharistische communio van de Kerk, is hetzelfde als de vrijheid gelijkstellen aan het zijn zelf van de mens, het is getuigenis afleggen van het feit dat de natuur de persoon niet bepaalt, maar dat het integendeel de persoon is die de natuur de mogelijkheid biedt om vrij te existeren. Het doopsel betekent de vrijheid van de persoon ten overstaan van de natuur, ’t is te zeggen de mogelijkheid om lief te hebben zonder iemand uit te sluiten. De roeping van de gedoopte is om de eenzijdigheid, iets wat inherent is aan het biologisch bestaan, te transcenderen. Zonen worden van de Kerk door het doopsel, is essentieel de mogelijkheid verwerven lief te hebben  zonder onderscheid. De nieuwe geboorte door het doopsel in de schoot van de ‘Ecclesia mater’ maakt van de persoon een ledemaat van een relationeel netwerk welke elk exclusivisme uitsluit. In de wateren van het doopsel heeft de radicale differentiatie plaats tussen de persoonlijke hypostase en het biologisch individueel leven waarvan de horizont de dood is.

 

2. De doopriten

 

2.1. De exorcismen en de verzaking aan de Satan.

 

De overgang van de biologische en individuele existentie naar het existentieel persoonlijke en kerkelijke existeren wordt op verschillende manieren uitgedrukt in de doopviering.

Eerst en vooral hebben wij de exorcismen en de verzaking aan de Satan. De orthodoxe Kerk begrijpt de ultieme vraag van het Onze Vader – verlos ons van het kwaad – niet alsof het gaat om bevrijding van het metaphysisch kwaad, van een abstractie. De betekenis van de tekst is veeleer: Onttrek ons aan de Slechte, de Sluwe, de Boosdoener, ’t is te zeggen : de Duivel. Zijn eerste hoofdstuk samenvattend bevestigt de Apostel Johannes ons : ‘We weten dat wie uit God  is geboren, niet zondigt, maar wie uit God is geboren (dit wil zeggen Jezus) waakt over zichzelf, en de Boze ( o Ponèros : het is hetzelfde woord als wat in het Onze Vader nogal eens slecht wordt vertaald met ‘het kwade’) heeft geen vat op hem. We weten, dat we uit God zijn, maar dat de hele wereld in kwaad verkeerd’ (1 Joh. 5,18). Het gaat hier over een heel concreet iemand, een zeer reëel iemand, een goed gedefinieerd iemand. Bij de vestiging van zijn Koninkrijk is Jezus op een heuvel met iemand die Hij de vijand noemt, de Prins van deze wereld, de Satan. Het komt er anderzijds niet op neer bevrijd te worden door de Demon : door de bevrijdende menswording zijn wij van nu af aan reeds bevrijd. Wij moeten daarentegen een terugkeer vrezen in kracht van de Tegenstander, de Antichrist. De zege over de wereld, ’t is te zeggen over de zonde en de dood van het gedode maar verrezen Lam, is reeds op het essentiële vlak gerealiseerd. Dood voor de zonde, is de gedoopte met Christus verrezen, en door deze verrijzenis wordt hij een medeburger van de hemel en de tempel van de Heilige Geest. De draak van de Apocalyps is op aarde neergeworpen (Apoc.12,13), maar hij bezit een macht om de mensen op de proef te stellen.

 

Drie exorcismen zijn rechtstreeks tot Satan gericht :’Satan, ga uit van dit schepsel, en keer daar niet meer terug…ga uit en trek wag van deze, met het kruis bezegelde, nieuwgekozen strijder van Christus onze God …’ En de celebrant vraagt met nadruk aan de Heer Sabaoth, aan de God van Israël : ‘Heer Sabaoth, God van israël, Gij die alle ziekten en gebreken geneest : zie neer op Uw dienaar (…). Doorvors en onderzoek ‘hem), drijf de onreine geesten uit, en reinig het werk van Uw handen (’t is de zeggen : de catechumeen) en maak gebruik van Uw alles overgheesrende macht, en doe (hem) zgevieren over het boze in zichzelf, en over de slechte geesten’ …Vervolgens, vraagt de priester aan de catechumeen om zich naar het westen te keren, naar daar waar de zon gaat slapen en die ons dus symbolisch spreekt over de duisternissen. Dan nodigt de priester de catechumeen uit om te ‘verzaken aan de duivel, aan al zijn werken, aan al zijn engelen, aan al zijn diensten en aan al zijn luister’.

 

2.2. Het zich ontdoen van de klederen

 

De catechumeen wordt vervolgens in het baptisterium binnengeleid. ‘van zodra ge zijt binnengetreden, zegt de Heilige Cyrillos van Jerusalem, moet gij u ontdoen van uw klederen’. Ten tijde van de Kerkvaders ging het om een volstrekte naaktheid. Het afleggen van de kleren is het symbool van het zich ontdoen van de oude mens en zijn biologisch bestaan. Pseudo-Denys ziet in dit zich ontdoen van de kleren ook het zich ontdoen van gans het voorafgaande leven van de catechumeen. Door zich te ont-kleden getuigt de toekomstige christen van de ernst van zijn besluit om zijn vroegere biologische existentie uit te roeien,  ’t is te zeggen, hij doet een belofte tot de dood om zich te engageren in een gans andere wijze van existeren : de kerkelijke en persoonlijke existentie. Door zich van zijn kleren te ontdoen geeft de doopkandidaat  duidelijk aan dat hij wenst te verzaken aan al zijn passies en aan de begeerten van het vlees, en dat hij ernaar verlangt om de oorspronkelijke  onschuldige naaktheid van Adam, (dit wil zeggen van de mensheid) van vóór de val terug te verwerven. De catechumeen bevindt zich nog buiten het paradijs. Hij deelt nog altijd in de ‘ballingschap’ van Adam in het ‘Oosten van de tuin van Eden’. Zijn binnenleiding in het babtisterion betekent dat deze ballingschap een einde neemt. Het gaat er voor de catechumeen om, om de oude mens af te leggen alsof men een oud kledingstuk aflegt. Na de doop gaat hij een ander kleed krijgen : het Koninklijke kleed van onvergankelijkheid dat hem door de verrezen Christus, de nieuwe Adam, zal worden geschonken. Het kleed van licht, het Koninklijke kleed die toestaat om te verschijnen in het nieuwe Eden, in de Kerk, om zo deel te kunnen nemen aan het bruiloftfeest van het Lam, aan de goddelijke Eucharistische Liturgie, aan de goddelijke Communie. Door de zonde verloor de eerste Adam de onschuld en de oprechtheid van de naaktheid. Hij begon schaamte te krijgen en deed kleren aan. De catechumeen die  op weg is om gedoopt te worden zal een tegenovergestelde weg doorlopen. Hij ontdoet zich van zijn kleren, die noodzakelijk waren geworden na de zondeval, en naakt zal hij het lichtend en verijzenisvolle kleed ontvangen van de nieuwe Adam.

 

Merken wij hierbij ook nog op dat de nieuwe Adam, Christus, op het kruis ook volledig ontbloot werd, vernederd voor de heilige vrouwen, en vooral voor zijn moeder. De catechumeen is niet groter dan Hem, die hij toch beschouwt als zijn enige meester. Zoals Hij moet ook de catechumeen zich vernederen door zijn naaktheid, opdat hij het zou transcenderen  in het kleed der verrijzenis. De kledij van vóór het doopsel stelt de bederfelijke mens voor. Theodor van Mopsueste zegt tot de catechumeen : ‘Uw kleren moeten weggenomen worden, teken van sterfelijkheid, en door het doopsel zult gij u het kleed der onsterfelijkheid aantrekken’. Door zich uit te kleden duidt de catechumeen symbolisch aan dat hij zich van het oude kleed  van bederf en zonde, het kleed waarmee Adam werd bekleed na de zondeval wil ontdoen. Het zich ontdoen van de kleren tijdens de doop symboliseert de breuk met het verleden. Hij gaat erom, dat de gedoopte de uiterlijke tekenen van de zondige en verscheurde mensheid waarvan de wijze van bestaan biologisch is, ruilt : een bestaan gekenmerkt door de vergankelijkheid van het graf ruilen voor het schitterende kleed van de nieuwe Adam, de Verrezene, die aan de wereld een andere manier van bestaan heeft geopenbaard , het bestaan van de persoon, het zijn-in-communio, het  kerkelijk bestaan. Deze ruil is het tegenovergestelde van dat wat de eerste Adam had gedaan : hij heeft zijn onschuldige naaktheid geruild voor een ellendige bekleding. Het afleggen van de kleren van de catechumeen betekent voor hem een bevrijding : hij legt de kleren af van de oude mens opdat hij de glorie van de eerste Adam zou terugvinden, dit wil zeggen van de mensheid zoals God ze oorspronkelijk had gewild. De nieuw gedoopte zal de glorievolle naaktheid van de oorspronkelijke mensheid van voor de val, terugvinden. En indien nu tegenwoordig het moeilijk denkbaar is om aan onze catechumenen een totale naaktheid voor te stellen, naaktheid die ook onze Heer Jezus christus ten deel is gevallen, op heilige Vrijdag, dan is het alleen omdat wijzelf, onze catechumenen,onze kerkelijke gemeenschappen, maar ook alle gedoopten, niet meer dezelfde vurigheid hebben als de gemeenschappen van de eerste eeuwen. Orthodoxen, wij leven niet op het niveau van onze theologie. Wij gaan voort , samen met de onverdeelde Kerk, om dat lat hoog te leggen, maar wij komen er niet meer toe om een sprong te maken. ! En omwillen van die zwakheid, dragen onze gemeenschappen niet meer de catechumenen zoals ze gedragen werden in de tijd waarin de levenskracht van de primitieve Kerk heel intens was binnen het kerkelijk lichaam. In deze context van verval wordt de naaktheid beleefd als puur vernederend, dit wil zeggen, als de enige naaktheid van de zondige mens die ontdaan is van zijn kleed van glorie. Het komt er dus op aan, dat wij de naaktheid opnieuw zouden moeten zien als een deelname aan de vernederende naaktheid  van de nieuwe Adam op het kruis, op heilige Vrijdag. Door zich van zijn klederen te ontdoen, kan en moet de catechumeen zich bewust zijn van zijn toestand als zondaar, ‘ongelukkig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt’, om de termen te hernemen van de boodschap gericht aan de Kerk van Laodicea (Apoc.3,17) Indien de catechumeen zich zo ontdoet van zijn klederen dan is het om vrij te zijn in zijn pogen om de duivel te weerstaan en uiteindelijk zich te bekleden met de nieuwe mens, om gelijk te worden met de Verrezene, met de nieuwe Adam. Zich zo om-kleden betekent zich losmaken van de duisternissen en zich bekleden met het licht.

 

Op onze dagen, zou de Heilige Cyrillus van Jeruzalem helaas niet meer tot onze catechumenen durven zeggen wat hij tegen hen zij in zijn tijd : ‘O wonder ! Gij zijt geplaatst onder de ogen van allen, en gij hebt geen schroom. Het is, omdat gij  uzelf in waarheid het beeld van onze eerste vader Adam wilt voorhouden. Adam was naakt in het aards paradijs en schaamde zich niet’.

 

De naaktheid op de dag van het doopsel betekent dus tegelijk het afleggen van de bederfelijkheid en de vrees voor de zonde, de terugkeer naar de oorspronkelijke onschuld en de ongedwongenheid van de paradijselijke staat. De Heilige Gregorios van Nyssa schrijft in een homilie van Pasen : ‘ Voortaan zal Adam, wanneer je zijn naam noemt, geen schaamte meer hebben, hij zal zich onder het verwijt van zijn handelswijze niet meer verbergen onder de bomen van het paradijs. De belofte hervinden, dat alles duidelijk zal worden op de laatste dag’. Eenmaal dat hij de oude klederen heeft afgelegd, symbool voor de oude mens, zal de catechumeen die weldra de nieuw gedoopte zal zijn het nooit meer opnieuw moeten doen : het doopsel is onomkeerbaar.. En indien in de eerste eeuwen van de Kerk men de tendens had om het doopsel naar de leeftijd van ongeveer dertig jaar of zelfs later te verschuiven, zelf in christelijke families, dan is het omdat men dacht dat men na de doop niet meer kon zondigen. Het is over dit thema dat de eerste brief van Johannes handelt op het einde,wij hebben het reeds geciteerd : ‘We weten, dat wie uit God geboren is, niet zondigt, maar wie uit God is geboren, waakt over zichzelf, en de Boze heeft geen vat op hem’ (1 Joh.5,18). Het is om dit geloof van de Kerk mee te delen dat de nieuw gedoopte, bij het verlaten van het doopwater niet zijn oude kleren van sombere kleur aantrekt, maar witte kleren, klederen die licht uitstralen, klederen die ons spreken over de verrijzenis van de nieuwe Adam en de nieuwe tuin van Eden die hij door te verrijzen uit het doopwater heeft herschapen. Die nieuwe tuin van Eden is de Kerk.

Vervolgens komt de onderdompeling en het opstaan uit het water.

 

2.3. De drievoudige onderdompeling en oprijzen uit het water.

 

De doop-epiclese is een aanroeping van de levengevende actie van de Heilige Geest, opdat zijn energieën door de onderdompeling in het water de catechumeen zou omvormen : van de oude mens  in een verrezene. Door zijn overvloedige en chaotische aanwezigheid spreekt het water tot de mens – aan Noë en aan Jonas – over verdrinking en verstikking, over bedolven worden en dood, over zondvloed en dood. Maar tegelijk is het voor hem een bron van vruchtbaarheid en leven. Zo bieden de Nijl en de Jordaan de mogelijkheid tot hygiëne en het lessen van de dorst. Het water dat opwelt uit de rots van de woestijn verkondigt en verzinnebeeldt het water dat in overvloed zal stromen op de dag van de Messias, symbool van een nieuwe uitstorting en van een onuitputtelijke spirituele vruchtbaarheid. Welnu, de celebratie van de doop betekent en vooronderstelt dat de dagen van de Messias aangebroken zijn, want Christus is verrezen. Het opstaan uit het water betekent de vreugde om opnieuw te kunnen ademen, en dit door de Heilige Geest in te ademen. Het water verzinnebeeldt de verrijzeniskracht van de Geest. Het water omsluit de catechumeen als een graf, maar de Geest omvormt het graf tot baarmoeder. In zijn Kerkelijke Hiërarchie noemt Pseudo-Denys bewonderenswaardig het baptisterium ‘de baarmoeder van elke afstamming’. Dodelijk als het is, wordt het water levengevend en moederlijk. De gedoopte rijst op uit het water van de doopvont en dit laatste wordt een leeg graf, naar het voorbeeld van het graf van Joseph dat de myrondraagsters leeg vonden op die morgen van Pasen. Een gedoopte die tenvolle zich bewust is van zijn doopsel moet onder ogen zien dat zijn werkelijke dood zich achter hem bevindt, want hij heeft een einde genomen met zijn doopsel. Hij hoeft de biologische dood, dit van het individu dat onderworpen is aan de natuurlijke noodzaak, niet meer te vrezen. Gedurende de eerste eeuwen van de Kerkgeschiedenis noemde men de christenen : zij die niet meer de dood vrezen. Het woord dopen komt van het griekse ‘baptein’, dat duiken, wegzinken, onderdompelen betekent.  Van dit werkwoord ‘baptein’ komt een ander werkwoord voort, ‘baptizein’, dat ook dezelfde betekenis heeft van duiken, wegzinken, onderdompelen. In christelijke taal ‘dopen door onderdompeling’. De drievoudige onderdompeling/opstaan uit het water gebeurt door een volledige onderdompeling van de gedoopte in het graf van het golvende water, opdat zo het graf met Christus en de verrijzenis met hem die gedoopt wordt worden gesymboliseerd. De totale onderdompeling spreekt ons over een graflegging. In zijn commentaar van de brief aan de Romeinen, spreekt Pater Lagrange over de Russische en griekse pelgrims, dus orthodoxen, die in de tijd dat P.Lagrange in Palestina leefde (tussen 1890 en 1935), baadden in de Jordaan op de dag van de Theofanie, de 6e januari. Ze waren gekleed in linnen ochtendjassen, die ze nadien meenamen naar huis opdat ze hen als lijkwade zouden kunnen gebruiken na hun dood. Het is daarom dat de bijbeltekst die wordt gelezen in de loop van een doopselviering deze is van de brief aan de Romeinen hoofdstuk 6,3-11, waar Paulus spreekt over het christelijk doopsel : ‘Wij allen die gedoopt zij tot gemeenschap met Christus Jezus, we zijn gedoopt tot de gemeenschap met Zijn Dood. In de gemeenschap met Zijn Dood zijn we dus begraven met Hem door het Doopsel, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de glorie van de Vader uit de doden is opgewekt. Want wanneer wij met Hem zijn samengegroeid door het beeld van Zijn Dood, dan zullen ook we het ook wezen door dat van Zijn Verrijzenis. Dit weten we : onze oude mens is gekruisigd met Hem, opdat het zondige lichaam ten onder zou worden gebracht, en wij niet langer slaven van de zonde zouden zijn; want wie dood is,is vrijgemaakt van de zonde. Welnu, zijn we met Christus gestorven, dan geloven we ook, dat we met Hem zullen leven. We weten, dat Christus, opgestaan uit de doden, niet meer sterft, en dat de dood geen macht meer over Hem heeft; want Zijn sterven was een sterven voor de zonde ééns en voor al, maar Zijn leven is een leven voor God. Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God in Christus Jezus’.

‘…zich onderdompelen in de wateren van het doopsel, is zich onderdompelen in de dood van Christus. Deze drievoudige onderdompeling/opstaan uit het water wordt gevolgd door de epiclese, dit wil zeggen : de aanroeping van de Naam der drie goddelijke personen van de Heilige Drie-eenheid. De drievoudige handeling herinnert tegelijk aan het verblijf van Christus gedurende drie dagen in het graf van Jozef van Arimatea, en de drie Hypostasen van de Heilige Drie-eenheid in wiens naam de drievoudige onderdompeling/opstaan uit het water heeft plaatsgehad. In zijn uitleg van de Goddelijke Liturgie (Hoofdstuk 4) schrijft Nicolas Cabasilas : ‘Wij geven ons leven in ruil voor een ander. Welnu, ons leven geven is sterven. De Heer eist, door ons deelgenoten te maken van Zijn Verrijzenis, dat wij iets teruggeven voor deze grote gave, maar wat ? De navolging van Zijn Dood : en dit door driemaal ten verdwijnen in het doopwater als in een graf’.De dood door besprenkeling of door water alleen maar op het hoofd te laten vloeien (infusie) is slechts uit noodzaak toegestaan en dan nog in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij zieken. Het kan als dusdanig niet worden ingesteld als een algemene regel. De volledige onderdompeling (emersie) van de gedoopte in het water is van groot belang omwille van  het feit dat zij de graflegging van Christus immiteert. ‘Als in een graf, merkt de Heilige Johannes Chrysostomos op, want als wij het hoofd in het water dompelen wordt de oude mens wezenlijk begraven en bedolven, hij is in één keer gans verborgen, wanneer wij hem er terug uithalen is het de nieuwe mens die opstaat’. In zijn verhandeling Adversus Praxean, schrijft Tertullianus : ‘Zoals onze Redder drie dagen en drie nachten in de schoot van de aarde verbleef, zo bootsen de gedoopten met de drievoudige omderdompeling dit graf van de Heer na’. Hetzelfde bevestigt de Heilige Basilios : ‘ Het grote sacrament van het doopsel wordt gecelebreerd met drie onderdompelingen en door eenzelfde aantal epiclesen, opdat het symbool van de dood wordt verzinnebeeld en de gedoopten een verlichte ziel hebben door de uitstorting van de goddelijke kennis’. Zelfs in het Westen was de gewone manier van dopen deze van de onderdompeling en dit tot in de 14e eeuw. Daarvan heeft men nog het getuigenis bewaard in de vele baptisteria overal ter wereld, vooral in Italië. De 12e canon van het concilie van Neo-Caesarea ontneemt die priesters hun priesterschap, die om gezondheidsredenen het doopsel hadden aanvaard door een eenvoudige infusie. Thomas van Aquino beschouwt het doopsel door onderdompeling (emersie) ‘communior, laudabilior, tutior’ (Summa Theologica IIIa 66,7). Voor hem beeldt de onderdompeling op een meer expressieve wijze de graflegging van Christus uit, deze wijze van dopen is gemeenschappelijk en aanbevelingswaardiger (ibid. art 7.2). Het is de Engelse Theoloog Alexander of Hales (1180-1245) die als eerste de geldigheid van een doopsel zonder medische noodzaak door infusie heeft bevestigd. De mening van Alexander of Hales werd gedeeld door zijn leerling Bonaventura. De ambrosiaanse en de mozarabische riten bleven trouw aan de onderdompeling (emersie). Deze werd in Spanje gebruikt tot midden in de 18e eeuw. Op de vooravond van de Reformatie bevatte het engelse gebruik enkel de doop door onderdompeling. Nog in 1614 stelde Paus Paulus V het doopsel door onderdompeling van een kind voor als een alternatief voor de doop door infusie(water over het hoofd). Op dat moment was echter de algemene praktijk deze van de infusie (iets voor de Reformatie in de 16e eeuw).

 

Het water wast en zuivert niet alleen. Het doodt ook door te verdrinken en te stikken , maar diegene die eruit ontsnapt ervaart een zekere verrijzenis ! Het water dat het leven geeft is ook het water dat tot de dood kan leiden. Nicolas Cabasilas schrijft : ‘Het water verwoest een vorm van leven maar legt ook het andere bloot, het slokt de oude mens op en doet de nieuwe mens herrijzen’ (La vie en Christ II,9). In een artikel dat verschenen is in 1952 in ‘La Maison Dieu’ en getiteld : het symbolisme van de doopriten (Le symbolisme des rites baptismaux) Nr 32, p.6), Heeft Pater Louis Bouyer aan een rooms-katholieke autokritiek gedaan die zeer merkwaardig is. Hij schrijft : …’Er zijn bijna geen symbolen meer in onze riten zoals wij ze celebreren. Wij hebben op een ongevoelsmatige wijze het symbool vervangen door een soort abstract teken van het symbool, die voor het symbool ongeveer hetzelfde is als een pil nemen voor een maaltijd. Een echt symbool zegt méér dan alle woorden samen. Het is daarom dat Onze-Heer in de economie van de genademiddelen het symbool aan het woord heeft willen toevoegen, en dit, om te zeggen wat met het woord niet kan gezegd worden. Want het symbool is een levende act die de mens als geheel omvat, lichaam en ziel, en hem de waarheid die in een act abstract bleven doet ontdekken. Het symbool wordt als een realiteit ervaren in een concrete act. Wij zijn er daarentegen toe gekomen om met een vloed van  onmachtige woorden te trachten een zekere betekenis te geven aan schrale gebaren, woorden die ontdaan zijn van elke vorm van het reële leven. Het soort uitholling en  het doen verschrompelen van de oude doopritussen maakt dat het geen echte symbolen meer zijn, want ze zijn gedegradeerd tot het minimum dat de levendige verbeelding nog zou kunnen ontroeren… Welk verband bestaat er tussen de ervaring van een mens die enkele druppels water op het voorhoofd krijgt, die bovendien direct nadien worden afgeveegd en de ervaring van een mens die een echt bad neemt ? Indien men de dopen nog zou vieren zoals in het Oosten, waar men het kind, gans naakt, driemaal in het water dompelt tot boven het hoofd als in een echt bad, dan zouden de meest ongevoelige mensen voor de primitieve poëzie er zelfs nog iets van begrijpen. De arbeider die van een vuil en afmattend werk thuiskomt en die een goede douche gaat nemen, of zijn hoofd even onder het water steekt vooraleer hij de avond in zijn gezin of met vrienden gaat doorbrengen, weet perfect wat een propere huid kan doen. Hij gaat zich als een nieuw mens voelen nadat hij zich gewassen heeft. Maar wat kan hij spiritueel als gemeenschappelijk zien  wanneer hij in een parochie de pastoor ziet die amper drie druppels water haastig over het hoofd van het kind giet ? (pp.6-7)’. Het is ontegensprekelijk dat het verrichten van de infusie, ten koste van de  onderdompeling  het symbolisme verarmt, iets wat eigen is aan het christelijk doopsel. Het veroorzaakt een verduistering van de symbolische verwijzing naar de dood en  verrijzenis van Christus. Men kan hierbij nog opmerken dat de doop door infusie ook het symbool van de naaktheid doet verdwijnen. Gelukkig is men sedert Vaticanum II en in de nieuwe Catechismus van de katholieke Kerk bezig om het belang van de doop door onderdompeling (emersie) te herontdekken. De wens van de Orthodoxen is, dat het doopsel door onderdompeling meer en meer frequent gedaan wordt in het Westerse christendom. In de orthodoxe wereld heeft men ook dikwijls de tendens geconstateerd om over te gaan door de doop door infusie. Dit was ondermeer het geval in het noorden van Rusland, omwille van het klimaat. In de XIIe eeuw heeft bisschop Elie (1165-1186) de bewoners van Novgorod er voor gewaarschuwd dat zij zich niet mochten tevreden stellen met water op het hoofd te gieten tijdens het doopsel in plaats van de onderdompeling in het doopwater. Men kan deze waarschuwing ook terugvinden in 1274 (synode van Wladimir), en in de 14e en 15e eeuw, in de  brieven van de metropolieten Cyprianos (1390-1405) en Photius (1408-1437) aan de bewoners van Novgorod en Pskov. Maar deze praktijk was steeds slechts een marginaal fenomeen.

 

Vader André Borrély, rektor van de parochie van de heilige Ireneos te Marseille.

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

Franse tekst : http://www.orthodoxa.org/FR/orthodoxie/theologie/bapteme.htm

 

De vreemdeling

 DE VREEMDELING

 

ORTHODOX PERSPECTIEF

 

Deze uiteenzetting werd gegeven door Metropoliet Stephanos van Tallin naar aanleiding van een colloquium over migratie en integratie, georganiseerd door de raad van Christelijke Kerken van Estland.

Het bevat geen enkele originele tekst, maar is een compilatie van meerdere hedendaagse orthodoxe documenten in het Frans. Dit om aan te tonen dat er op dit vlak een algemene consensus bestaat bij orthodoxen van verschillende afkomst.

« In onze geseculariseerde beschaving waar iedereen de neiging heeft om geïsoleerd te leven met het doel om zich te beschermen tegen alle omringende onzekerheden, is het evident dat de vreemdeling slechts het object kan worden van een bijzonder wantrouwen. Zelfs al wordt hij niet met vijandschap bejegend, dan stoot hij toch op een kille onverschilligheid die hem dreigt te marginaliseren in een maatschappij die voor hem gesloten blijft.

Nochtans is de vreemdeling, de geëmigreerde de gestalte bij uitstek van de bijbelse mens, van het kind van Israël, maar ook, wat we maar al te vaak vergeten, van de christen op weg naar het Koninkrijk. De Apostel Petrus zegt het niet anders wanneer hij schrijft : Geliefden, ik vermaan u als pelgrims en vreemdelingen, u verre te houden van de vleselijke lusten die strijd voeren tegen de ziel (1 Petr.2,11). Ja, wij zijn allen vreemdelingen in deze wereld. Wij zijn allen als Abraham, die zijn land had verlaten zonder goed te weten waarheen hij zou gaan. Dit is de fundamentele act van het geloof : zich losmaken van zijn familie, om op weg te gaan naar het Koninkrijk.

Wij kennen allen de episode in de bijbel van de eik van Mamre en van de beroemde hospitaliteit van patriarch Abraham, die drie jonge vreemdelingen ontvangt. Het zijn engelen die hem in naam van God de geboorte komen melden van zijn zoon Isaac (Gen.18,1-8). Maar houden wij ook het vervolg goed voor ogen, namelijk, dat twee van dezelfde engelen  vervolgens naar Loth zouden gaan, waar ze het risico liepen om door de Sodomieten te worden gelyncht ?  en dit op het moment dat Loth hen zal voorstellen om hen zijn twee eigen dochters te geven om hen te doen afschrikken (Gen.19,9). Dit zal voor Paulus het voorwendsel zijn om te schrijven in zijn brief aan de Hebreeën : vergeet de gastvrijheid niet, want dank zij die gastvrijheid hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen (Hebr.13,2).

Het respect, de eerbetuiging die wij aan de vreemdeling en de geëmigreerden verschuldigd zijn wordt in het Nieuwe Testament nog duidelijker onderlijnd. Christus zelf drukt zijn voorliefde voor de vreemdeling uit. Herinner u de genezing van de tien melaatsen die onder hen één samaritaan telde : Hij viel op zijn aangezicht neer voor Jezus’voeten, en dankte hem : en dat was de Samaritaan. Heeft men niemand anders terug zien keren dan deze vreemdeling alleen, riep Jezus uit (Lucas 17/18). Zo was het ook met het beroemde « ik was vreemdeling en gij hebt mij opgenomen » (Matt.25,35-45) » van de parabel over het laatste oordeel. Hier zien wij het criterium waarmee we zullen beoordeeld worden. Het criterium die onze intrede in het Koninkrijk zal bepalen zal onze gedraging zijn tegenover de misdeelden, in het bijzonder de vreemdeling.

Onze eeuwige bestemming hangt dus af van onze gedraging ten overstaan van de vreemdeling, die niets anders is dan een geëmigreerde want in elke vreemdeling is Christus verborgen. Ontvang de geëmigreerde ook aan tafel, dan ontvang je Christus zelf; de vreemdeling afwijzen is Christus afwijzen, want uw eeuwig leven hangt af van uw  gastvrijheid of uw vreemdelingenhaat.

Ons engagement mag niet alleen afhangen van een bepaalde moraal, een humanistische of politieke ideologie – hoe eerbaar ze ook mogen zijn – onze houding moet uitgaan van ons geloof. Dit geeft een andere betekenis aan onze daden. In de zojuist geciteerde parabel van het laatste oordeel waar Christus zegt : wat gij aan je naaste hebt gedaan, heb je aan Mij gedaan, stelt Jezus geen categorische imperarief, maar hij vereenzelvigt zichzelf met de arme, met de kleinsten onder Zijn broeders. Door hen te dienen, dienen wij God zelf.

Natuurlijk is er een limiet aan het aantal en de frequentie waarmee wij gasten aan tafel kunnen uitnodigen, of aan het aantal emigranten dat een land kan opnemen. Het is hier niet de kwestie om het onmogelijke te vragen, zelfs al leert de geschiedenis ons dat in vele gevallen het vooral gaat over de kwaliteit van de ontvangst en het respect voor het anders zijn van de andere. Daardoor wordt een land wat het is. Wanneer paulus zegt in de brief aan de Galaten (3,28) dat er geen Jood noch Griek meer is, geen man of vrouw, dan wil hij zeggen dat de Jood en de Griek, de man en de vrouw, blijven zoals ze zijn en zich niet bevinden in een staat van fusie, noch in een dominante staat. Allen zijn geroepen om te leven in een totale gelijkheid. Ik herinner hier aan de twaalf aanbevelingen die zijn voorgesteld door de vertegenwoordigers van de Kerken van gans Europa (Anglikanen, Protestanten en Katholieken) op 8 oktober 2004 te Brussel met als titel « naar een evenwichtige benadering in de europese politiek in verband met migratie en asiel ». Wij hebben hier te maken met een zeer goed document, vatbaar om onze evangelische en theologische benadering van de materie te doen vooruitgaan op een positieve manier.

Daarentegen, wat zeker mag en zelfs moet worden veranderd, is de mentaliteit, onze houding ten overstaan van de emigrant. En anderzijds is het hetzelfde voor hem die emigreert, want hij heeft niet alleen rechten. Hij heeft ook plichten en moet rekenschap geven daar waar hij ontvangen wordt.

Dit alles omdat elk schepsel geschapen is naar het beeld van God, anders gezegd : naar het beeld van de Drie-eenheid. Omdat de mens geschapen is naar het beeld van God kan de mens zich niet autonoom ontwikkelen maar slechts in relatie met anderen. « Wij zijn, schrijft Bisschop Kallistos Ware, geroepen om op aarde de beweging naar een gedeelde liefde voort te zetten, naar de wederzijdse gave van zichzelf, de solidariteit, de dialoog en de wederkerigheid. Op die wijze existeert hij eeuwig in de Drie-eenheid ». Mijn naaste is dus mijn broeder; het is hij die ik overal tegenkom ; die ik probeer uit te nodigen, maar hij laat zich niet doen. Hoever ik ook probeer te vluchten, hij haalt mij terug in, hij is daar, hij kijkt, hij stelt vragen, hij vraagt, hij smeekt, en meestal gebeurt dit zonder woorden.

Mijn naaste is ook hij die mij niet op mijn gemak doet voelen omwille van de hevigheid van zijn wanhoop. « Ik was vreemdeling en gij hebt mij opgenomen», « De Heer beschermt de vreemdeling»…

Het thema van de vreemdeling, herhalen we het nogmaals, is constant aanwezig in de Bijbel, in de psalmen en in het Evangelie. Hoe vele malen komen we in de Bijbel het « gij zult de vreemdeling liefhebben » niet tegen ? Zesendertig maal en wellicht zesenveertig of zesenvijftig maal ? wat heeft het uiteindelijk voor belang, want het essentiële is : op elk moment bij onze naaste een levendige relatie te proberen ontdekken, opdat hij in onze ogen niet meer diegene is « die ons wil bedriegen of wil profiteren van ons », maar een persoon die door God bemind wordt, een persoon rijk door zijn geschiedenis, zijn cultuur, zijn bewustzijn, zijn geloof, iemand die wij willen ontmoeten, leren kennen en dienen.

Dit alles leidt ons tot deze actuele vraag : hoe moeten wij de vreemdeling ontvangen ?

Het gaat er om in hem iemand te zien die vragende is, iemand die nood heeft aan iets, die in een kwetsbare situatie verkeert. Iemand die de beslissing om zijn land en familie te verlaten niet lichtzinnig genomen heeft, en die  zich hier bij ons bevindt als drager van een dubbele boodschap.

De eerste boodschap is dat de geëmigreerde vreemdeling zich bevindt in een situatie van materiële armoede. Wij hebben de roeping om dit appel au serieux te nemen, want het is het appèl dat Christus tot ons richt in het Evangelie : wat gij aan de armen gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij gedaan. De tweede boodschap is, dat de vreemdeling ons uitnodigt om ons te verrijken met zijn aanwezigheid en zijn anders-zijn. Het Christendom is de religie van de relatie : relatie met God en relatie met de broeder. De andere is altijd verschillend. Dit verschil hindert ons en is soms onverdraaglijk,  maar het  kan ons ook rijker maken.  Saint-Exupéry schrijft in «Le Petit prince» : «Uw aanwezigheid maakt mij rijker». De vluchteling die in ons land aankomt kan ons rijker maken door zijn culturele verscheidenheid. Het is dus belangrijk dat wij deze gelegenheid niet laten voorbijgaan.

Vandaag, staat de mondialisering ons toe om niet alleen kapitaal, maar ook personen te verplaatsen. Het zou bijzonder onjuist zijn om de verplaatsing van kapitalen te aanvaarden zonder de vrije verplaatsing van personen, die juist omwille van hun verschillen het westen zouden kunnen helpen om een antwoord te geven op de echte vragen die zich stellen. Jacques delors zei dat Europa een ziel moet krijgen en dat Europa zich niet kan waarmaken op basis van een economische en juridische regeling. Europa moet een ziel krijgen, dat is evident. Maar dat is juist haar grote gebrek en daarvoor moet  zij zich inzetten.

Laten wij het doen, laten wij ons hart spreken, ons geweten, zoals de Barmhartige Samaritaan het gedaan heeft in het Evangelie. Laten we ons niet scheiden van hen onder onze broeders die de armsten zijn want wij weten niet op welke wegen van rechtvaardigheid, van waarheid, van vreugde en van liefde zij ons kunnen meevoeren.

Vrede, rechtvaardigheid, delen in de liefde : dit alles wordt ons duidelijk in de beproevingen die wij beleven als de meest constructieve waarden van deze mensheid die op zoek is naar meer menselijkheid. Er zijn zeker nog andere waarden in het innerlijke leven van de persoon. Maar de persoon is essentieel cummunio, zoals God communio is. Het is in deze communio dat de mens zich kan realiseren als beeld en gelijkenis van God, anders gezegd : als gedeïfieerde. En indien de mens als beeld van God, goddelijk is, dan zal hij het des te meer zijn indien hij zich te kennen geeft als beminde en beminnende.

Uit het Frans vertaald door Kris Biesbroeck

De teksten zijn genomen uit :

1. Cyrille Argenti: «N’aie pas peur»  Ed.du Cerf/Le sel de la Terre, Paris-Pully 2002,pp.288-296.

2. Revue SOP – Paris

a. n° 249/juin 2000 : Michel Evdokimov : «La trinité, force vivifiante au

         cœur de notre foi» pp.18-21

b. n° 240/juin 2000 : Tatiana Morozov : «Qui est mon prochain ?»pp.21-25.

c. n°256/mars 2001 : Thierry Verhelst : «Le sacrement du frère», pp.33-36.

d. n°265/Février 2002 : Michel Evdokimov :«Assayons de reconnaître le

Christ en tous ceux qui viennent vers nous», pp30-32.

e. n° 274/janvier 2003 : Georges Khodr : «Le dialogue suppose une osmose  créatrice à l’interieur des sociétés plurielles», pp.20-22.

 

Het Woord van god in het leven en de zending van de Kerk

Het Woord van God in het leven en de zending van de Kerk

 

Door de Oecumenische Patriarch Bartholomeüs 1e

 

 Kopie (7) van Ba(rtholomeus

Op uitnodiging van de paus van Rome Benedictus XVI heeft de Oecumenische Patriarch Bartholomeüs 1e een toespraak gehouden voor de synode van de bisschoppen van de rooms-katholieke Kerk over het algemene  thema van deze vergadering ‘Het Woord van God in de zending en het leven van de Kerk’. Deze tussenkomst had plaats in de Sixtijnse kapel na de celebratie van de vespers

 

Wij geven hier de integrale tekst van de toespraak.

 

Uwe Heiligheid ! synodale Vaders !.

Ik ervaar een gevoel van nederigheid, maar ook van vreugde om uitgenodigd te worden door Uwe Heiligheid om het woord te voeren op de 12e algemene gewone vergadering van de bisschoppensynode. Een historische ontmoeting van bisschoppen van de rooms-katholieke Kerk uit de gehele wereld, en samengekomen op éénzelfde plaats om te mediteren over het « Woord van God» en om met elkaar te beraadslagen over de ervaring en de uitdrukking van dit Woord « in het leven en de zending van de Kerk» .

Deze vriendschappelijke uitnodiging van Zijne Heiligheid aan onze nederige persoon is een teken dat vol is van zin en betekenis – wij zouden zelfs zeggen : een historische gebeurtenis op zich. Het is immers voor de eerste keer in de geschiedenis dat de gelegenheid wordt gegeven aan een oecumenische patriarch om zich te richten tot een synode van de rooms-katholieke Kerk, en dus kan mede participeren aan het leven van de zuster-Kerk op een zo hoog niveau. Wij zien daarin de vruchten van het handelen van de Heilige Geest die onze Kerken leidt om onze wederzijdse relaties nauwer en dieper te maken.. Het gaat hier om een stap in het licht van onze volle communio.

Het is wel bekend dat de orthodoxe Kerk een ecclesiologisch belangrijk belang hecht aan het synodale systeem. Samen met de primauteit vormt de synodaliteit het bestuur van de Kerk en haar organisatie. Zoals de internationale gemengde Commissie voor de theologische dialoog die tussen onze kerken gevoerd wordt, in haar document van Ravenna het heeft gezegd : de onderlinge samenhang van de synodaliteit en het primaatschap doorkruist alle niveau’s van het leven der Kerk : lokaal, regionaal en universeel. Daar wij vandaag het voorrecht hebben om ons tot uw synode te richten, groeit onze hoop om eens de dag te mogen beleven waar onze twee Kerken het volledig eens zullen zijn over de rol van het primaatschap en van de synodaliteit in het leven van de Kerk. Daaraan is  onze theologische commissie hard aan het werken.

Evangelisering en oecumenische dialoog

Het thema dat deze bisschopssynode heeft gekozen  heeft een  fundamentele betekenis, niet alleen voor de rooms-katholieke Kerk, maar ook voor allen die geroepen zijn  om in onze tijd van Christus te getuigen. De zending en de evangelisatie blijven een permanente plicht vormen voor de Kerk van alle tijden en overal. Zij maken deel uit van de natuur zelf van de Kerk omdat zij « apostolische » is, tegelijk in de zin van haar trouw aan de oorspronkelijke lering van de Apostelen, maar ook omdat zij het woord van God verkondigt in alle culturele verbanden en op elk moment. De Kerk moet dus het Woord van God herontdekken voor alle generatie en met vernieuwde kracht en overtuiging moet zij deze richten aan onze hedendaagse wereld, die in het diepste van haar hart dorst heeft naar Gods boodschap, een boodschap van vrede, hoop en liefde.

Deze plicht tot evangelisatie zou op een belangrijke wijze kunnen worden gewaardeerd en versterkt, indien alle christenen zich in een positie zouden bevinden van waaruit zij dit kunnen doen geleid door één stem en als een volledige herenigde kerk. In zijn gebed tot de Vader vóór zijn lijden heeft onze Heer klaar en duidelijk uitgedrukt dat de eenheid van de Kerk door en door verbonden is met Zijn opdracht « opdat de wereld gelove » (Joh.17,21). Het is dus gepast dat deze synode haar poorten heeft open gezet voor haar broederlijke gedelegeerden in een oecumenische geest. Zodat wij allen bewust zouden worden van onze gemeenschappelijke zending tot evangelisatie, maar ook van de problemen en moeilijkheden die aan de realisatie ervan verbonden zijn in de wereld van vandaag.

De fundamentele thema’s in het leven en de zending van de Kerk

Deze synode heeft zonder twijfel het thema van het Woord van God in de diepte en al haar aspecten bestudeerd, theologisch, praktisch en pastoraal. In onze nederige tussenkomst zullen wij ons beperken om met u enkele bedenkingen te delen over het thema van onze bijeenkomst, vertrekkend vanuit de manier waarop de orthodoxe traditie ze heeft benaderd in de loop der eeuwen en in het bijzonder vanaf de leringen van de griekse Vaders. Concreter, willen wij ons concentreren op drie aspecten van dit thema, te weten : het luisteren en de afkondiging van het Woord van God doorheen de Heilige Schriften, de contemplatie van het Woord van God in de natuur en boven alles in de schoonheid van de iconen en ten slotte, de ervaring en het aandeel van het Woord van God in de gemeenschap der heiligen en het sacramentele leven van de Kerk. Wij denken dat deze drie aspecten van groot belang zijn in het leven en de zending van de Kerk.

Wij zullen hierbij verwijzen naar een rijke patristieke traditie vanaf het begin van de 3e eeuw en die een  leer ontwikkeld heeft van de vijf spirituele zintuigen. Het Woord van God beluisteren, het Woord van God bemediteren en geraakt worden door het Woord van God zijn zovele spirituele manieren om het unieke goddelijk mysterie te ervaren. Steunend op het boek Spreuken – « Gij zult de kennis van Gods vinden »(2,5) – roept Origines van Alexandrië uit : « Deze zintuigen openbaren het zien in de contemplatie van de immateriële vormen : het gehoor voor de onderscheiding van de stem, de smaak voor het brood des levens te smaken, de reuk om de zachte spirituele parfums te waarderen, en de tastzin om het Woord van God te dragen dat begrepen wordt  door elk vermogen van de ziel ».

De spirituele zintuigen zijn op verschillende manieren beschreven – als de « vijf zintuigen van de ziel », of als de « goddelijke eigenschappen », en zelfs als « eigenschappen van het hart » of « van de geest ». Deze leer heeft de theologie van de Capadociërs  (vooral Basilios de Grote en Gregorios van Nyssa) geïnspireerd, evenals de theologie van de woestijnvaders (in het bijzonder Evagrius Ponticus en Macarios de Grote).

Het Woord van God beluisteren en verkondigen doorheen de Schrift

Tijdens elke celebratie van de liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos, bidt de celebrant « opdat wij waardig mogen zijn te luisteren naar het heilig Evangelie ». Waarom ? « wat wij hebben gehoord,en wat wij met onze  ogen hebben gezien, wat we mochten aanschouwen en onze handen mochten betasten met betrekking tot het Woord des Levens »(1 Joh.1,1) behoort op de eerste plaats en boven alles niet tot één van onze eigenschappen of een aangeboren recht dat wij zouden hebben als menselijke wezens. Het is een voorrecht en een gave die wij ontvangen als kinderen van de levende God. De christelijke Kerk is voor alles een Kerk gegrondvest op de heilige Schriften. Zelfs als de wijzen van interpreteren kunnen veranderen van de ene kerkvader tot de andere, van de ene  school tot de andere, in het Oosten of het Westen, de Schriften komen altijd tot ons als een levende realiteit en niet als dode letter.

Zo is in de context van een levendig geloof de Schrift het getuigenis van een levende geschiedenis, van de relatie tussen de levende God en een levend volk. Het Woord « dat door de profeten gesproken werd » (Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel), is gesproken met het inzicht beluisterd en gevolgd te worden. Het gaat vooreerst over een mondelinge en directe communicatie gericht tot de mensen, bestemd voor de mensen. De geschreven tekst is dus ervan afgeleid en ondergeschikt; de geschreven tekst staat altijd ten dienste van het gesproken woord. Deze wordt niet op een mechanische wijze overgebracht maar gecommuniceerd van geslacht tot geslacht als het levende woord. Door de mond van de profeet Isaïas belooft de Heer : « Want zoals regen en sneeuw uit de hemel vallen, en daar niet terugkeren, zonder de aarde te drenken (…)Zo is het ook met het woord uit mijn mond : niet ledig keert het tot mij terug » (Isaïas 55,10-11).

Meer nog : zoals de heilige Johannes Chrysostomos het uitlegt, toont het goddelijk Woord ons een diepe beschouwing over de diversiteit van de personen die het beluisteren en het ontvangen, en ook hun culturele contexten. De aanpassing van het goddelijk Woord aan de specifieke mogelijkheden en aan de bijzondere culturele context van ieder persoon toont ons de missionaire dimensie van de Kerk, geroepen om de wereld om te vormen door het Woord. In de stilte, evenals in de verkondiging, in het gebed evenzeer als in de actie, richt het goddelijk Woord zich tot de ganse wereld – « Maak alle volkeren tot mijn leerlingen » (Matt.28,19) – zonder enig voorrecht op het gebied van ras, cultuur, sexe of sociale status. Wanneer wij deze goddelijke zending volbrengen, dan kunnen we met zekerheid zeggen : « Zie ik blijf altijd bij u, tot aan het einde der wereld » (Matt. 28,20). Wij worden geroepen om het goddelijk Woord te verkondigen in alle talen : « Voor allen ben ik van alles geworden, om met alle middelen enigen te redden » (1 Kor. 9,22).

De Kerk in dienst van de sociale rechtvaardigheid

Bovendien, als leerlingen van het Woord van God moeten wij vandaag meer dan ooit een uitzicht bieden, over de grenzen van de sociale, politieke of economische orde heen, aan de noodzaak om de armoede uit te roeien, om  het evenwicht te bevorderen in een globaliserende wereld, om het fundamentalisme en het racisme te bestrijden en een religieuze tolerantie te ontwikkelen in een wereld in conflict. Door te antwoorden op de noden van de armen, de meest kwetsbaren en de marginalen van deze wereld, bepaalt de kerk haar grenzen ten overstaan van een globaliserende wereld. Alhoewel de theologische en spirituele taal verschilt van het technisch en economisch vocabularium, bezwijken de hinderpalen, die op het eerste gezicht religieuze bezorgdheden zijn ( zoals de zonde, het heil en de spiritualiteit), en de pragmatische (zoals de handel, de zaken en de politiek) voor de veelvuldige uitdagingen van de sociale rechtvaardigheid en de mondialisatie, want ze zijn niet ontoegankelijk.

Of dit nu  het leefmilieu, de vrede, de armoede of de honger, de opvoeding of de gezondheidszorg betreft, wij zien vandaag dat er hierover een grote gemeenschappelijke bezorgdheid en verantwoordelijkheid bestaat die op een bijzondere manier wordt ervaren, zowel door gelovigen als door niet gelovigen.

 Ons engagement zal niet verminderen noch ongedaan gemaakt worden omwille van de bestaande verschillen tussen disciplines of door meningsverschillen met hen die de wereld op een andere wijze voor ogen houden. Niettemin zijn de groeiende tekenen van een gemeenschappelijk engagement voor het welzijn van de mensheid en het leven van de wereld zeer bemoedigend. Deze ontmoeting van personen en instituties beloofd veel goeds voor de wereld. Dit engagement onderstreept de hoge roeping en de zending van de leerlingen en medestanders van het Woord van God, die erin moet bestaan hun politieke en/of religieuze verschillen te transcenderen om zo de zichtbare wereld om te vormen tot eer van de onzichtbare God.

Het Woord van God beschouwen

De onzichtbare is nooit zichtbaar geweest, tenzij in de schoonheid van de iconografie en de wonderwerken van de schepping. Volgens de woorden van de voorvechter van de heilige beelden, de heilige Johannes van Damascus, « als maker van hemel en aarde, was God het Woord de eerste om iconen te schilderen en voor te stellen ». Elke trek met het penseel in de iconografie – zoals elk woord in een theologische definitie, elke noot van een psalmzang of elke steen gebeiteld in een kapel of een grote kathedraal – drukt het goddelijk Woord uit in de schepping. Het is als een lofprijzing aan God doorheen elk levend wezen en alles wat ademt (cf. Psalm 150,5).

Toen de verering van de iconen terug in ere werd hersteld, interesseerde het 7e oecumenische concilie van Nicea zich niet voor de religieuze kunst : het was eenvoudigweg de bevestiging van de eerste bepalingen van de volheid van de menslijkheid van het Woord van God. Iconen zijn een zichtbare herinnering aan onze goddelijke roeping; zij nodigen ons uit, om ons te verheffen boven onze onbeduidende bezorgdheden en de dwingende vragen van deze wereld. Zij moedigen ons aan om het buitengewone te zoeken in het zeer eenvoudige, om ons te vervullen met dezelfde verwondering die ook de goddelijke verwondering in Genesis karakteriseerde : « God zag alles wat Hij gemaakt had : het was goed » (Gen.1,30-31). Het griekse woord (in de Septuagint) voor « goedheid », kallos impliceert – ethymologisch en symbolisch – een « appèl » . De iconen onderlijnen de fundamentele zending van de kerk die erin bestaat dat alle personen en alle dingen geschapen en geroepen zijn om ‘goed’ en ‘mooi’ te zijn.

De schoonheid van de iconen en van de natuur

De iconen doen ons de dingen op een andere manier zien, een andere manier ook om de realiteit te beleven, een andere manier om de conflicten op te lossen. Wij worden uitgenodigd om te aanvaarden wat de hymnologie van de zondag van Pasen noemt « een andere wijze van leven ». Want wij hebben een arrogante en misprijzende houding gehad tegenover de natuurlijke schepping. Wij hebben geweigerd om het Woord van God in de oceanen van onze planeet te zien, in de bomen van onze continenten, en in  de dieren die onze aarde bevolken. Wij die « deelgenoten willen worden aan de goddelijke natuur »(2 Petrus 1,4), hebben verzaakt aan onze eigen natuur die ons oproept om ons voldoende te buigen over het Woord in de schepping. Hoe kunnen wij de grote gevolgen van het goddelijk Woord dat vlees geworden is negeren ? Waarom hebben wij niet gemerkt dat de geschapen natuur in het verlengde ligt van het lichaam van Christus ?

De  oosterse theologen stellen altijd de kosmische dimensies in het licht van de goddelijke incarnatie. Het geïncarneerde Woord is wezenlijk in de schepping, ontsproten door een goddelijke tussenkomst. De heilige Maximos de Belijder legt de nadruk op het feit dat het Woord van God in alle dingen aanwezig is (cf. Koll.3,11), de goddelijke logos verblijft in het centrum van de wereld, aldus  zijn eerste en ultieme doel mysterievol openbarend (1 Petrus 1,20). Dit mysterie wordt bechreven door Athanasius van Alexandrië. « De Logos wordt door geen enkel ding duidelijk naar voor gebracht  maar hij bevat alles. Hij is in alles en tegelijk is hij buiten elk ding (…)de eerst-geborene van de ganse wereld onder al zijn aspecten ». De ganse wereld is een proloog op het Evangelie van Johannes. En wanneer de Kerk de breedste dimensies van het Woord van God, de kosmische, niet herkent, en haar bezorgdheden beperkt tot de zuiver spirituele, dan verwaarloost zij haar voortdurende zending om aan God te vragen haar om te vormen – altijd en overal – , « in al de plaatsen waar zij zich bevindt » – in de verontreinigde Kosmos.

Het is niet  verbazingwekkend dat de zondag van Pasen, wanneer de paas- celebratie haar hoogtepunt bereikt, de orthodoxe christenen zingen : « Nu is alles vervuld van het goddelijk licht : de hemel, de aarde en alles op aarde. Dat de gehele schepping zich verheuge ». Elke authentische, « ernstige ecologie », is dus onverbreekbaar verbonden met de dieper liggende theologie : «zelfs een steen, schrijft Basilios de Grote, draagt het zegel van het Woord van God. Dat is waar voor een mier, een bij en een mug, de kleinste schepselen. Want hij ontvouwd de wijde oceanen en stelt de oneindige zeeën ten toon; en hij schept de holle angel van de bij». Basilios herinnert ons hier niet slechts aan de geringe rol van de mens in de wijdse en schitterende schepping van God, hij onderlijnt alleen onze centrale rol in het heilsplan van God voor de ganse wereld.

Het Woord van God aanvoelen en delen

Het woord van God «treedt buiten zichzelf in een eeuwigdurende extase’»(Denys de Areopagiet), zoekende met passie om « in ons te wonen » (Joh.1,14), opdat de wereld het leven in overvloed zou hebben (Joh.10,10). De barmhartigheid van God is wijdverbreid en verdeeld « om de voorwerpen van zijn weldaden te vermenidvuldigen » (Gregorios de Theoloog). God neemt al onze zwakheden op zich, « Hij die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij, behoudens de zonde » (Hebr.4,15), om ons datgene te offeren wat van God is en om van ons goden te maken door de genade.«Voor U is Hij arm geworden, terwijl Hij rijk was, om U door Zijn armoede te verrijken » zegt de apostel Paulus (2 Kor.8,9), aan wie dit jaar juist werd toegewijd. Zo is het Woord van God : wij brengen het glorie en eer.

Het woord van God incarneert zich tenvolle in de schepping, vooral doorheen het sacrament van de eucharistie.  Het is dáár dat het woord vlees wordt en ons niet alleen toestaat het te horen en te zien, maar ook om het aan te raken met onze eigen handen, zoals de heilige Johannes het zegt (1 Joh.1,1), en van Hem een deel van ons lichaam en ons bloed te maken, volgens de woorden van de heilige Johannes Chrysostomos.

In de Heilige eucharistie is het beluisterde woord zowel gezien als gedeeld («koinonia»). Het is geen toeval indien in de eerste eucharistische documenten, zoals bijvoorbeeld in de Apocalyps en de Didachè, de eucharistie geassocieerd wordt aan de profetie, en de bisschoppen die haar celebreerden werden beschouwd als de opvolgers van de profeten (bijvoorbeeld, het martelaarschap van Polycarpus). De eucharistie werd reeds beschreven door Paulus (1 Kor.11) als de «verkondiger» van de dood van Christus en Zijn tweede komst. Het doel van de Schrift is fundamenteel de verkondiging van het Koninkrijk en de aankondiging van de eschatologische dingen. De eucharistie geeft ons een voorsmaak van het Koninkrijk en zij is, in deze betekenis, de verkondiging van het Woord bij uitstek. In de eucharistie worden het Woord en het sacrament slechts één realiteit. Het Woord houdt op «woorden» te zijn en wordt een persoon , die alle menselijke wezens en de gehele schepping incarneert.

De gemeenschap van de heiligen

en de sacramenten van het leven

Doorheen het leven van de Kerk, weerspiegelt zich de « kenose » (de leer dat Christus Zijn goddelijke gestalte heeft afgelegd om mens te worden) en de communio met het woord van God in de levens van de heiligen als de voelbare menselijke ervaring van het woord van God in onze samenleving. Op die wijze, transformeert zich het woord van God in het lichaam van de gekruisigde en verheerlijkten Christus.  Daaruit volgt dat de heiligen een organische relatie vormen met de hemel en de aarde, met God en met de ganse schepping. In de ascetische strijd, verzoend de heilige het Woord en de wereld. Door het berouw en de zuivering, is de heilige vervuld – zoals Abba Isaac de Syriêr- van medelijden voor elk schepsel, wat overeenkomt met de nederigheid en de uiterste volmaaktheid.

Het is daarom dat de heilige met vurigheid en een onvoorwaardelijke en onweerstaanbaar aanzien bemint. Doorheen de heiligen kennen wij het Woord zelf van God, omdat – zoals de heilige Gregorios Palamas het bevestigt – « God en zijn heiligen dezelfde glorie en dezelfde  glans delen ». In de discrete aanwezigheid van een heilige leren wij hoe de theologie en de actie samenvallen. In de medelijdende liefde van de heilige, ervaren wij God « onze Vader » en de barmhartigheid van God  als « onwankelbaar blijvend »(Psalm 135,70). De heilige wordt verteerd door het vuur van Gods liefde : daarom deelt de heilige de genade mee en kan hij niet de minste manipulatie of misbruik in de maatschappij of de natuur aanvaarden. De heilige doet eenvoudigweg dat wat « goed en juist » is (Liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos), door de mensheid altijd haar  waardigheid te geven en door de schepping te eren. « Zijn woorden hebben de kracht van de daad en zijn stilte de macht van een redevoering » (heilige Ignatios van Antiochië).

En in de gemeenschap der heiligen is iedereen geroepen om « als vuur te worden » (Apophtegmen van de woestijnvaders), om zo de wereld te raken door de mystieke kracht van het Woord van God. Dit op zo een wijze dat – zoals Christus aan het Kruis – de wereld ook zou kunnen zeggen : « Iemand heeft mij geraakt ! » (cf. Matt.9,20).Het  kwade kan slechts uitgeroeid worden door de heiligheid, en niet door hardheid. En de heiligheid brengt in de maatschappij een zaadkorrel die geneest en ons omvormt. Verrijkt door het leven der sacramenten en de zuiverheid van het gebed, kunnen wij dieper doordringen in het mysterie van het Woord van God.  Het is zoals met de tektonische platen van de aardkorst : de diepste lagen moeten slechts enkele millimeter bewegen om de oppervlakte van onze planeet doorheen te schudden. Maar opdat dergelijke spirituele revolutie zou plaatsvinden, moeten wij eerst de ervaring hebben van een radicale ommekeer « een metanoia » – een bekering van onze  gedragingen, gewoontes en daden – want zo gebruiken wij het Woord van God slecht of misbruiken wij de gaven van God en de schepping van God.

De bekering van de harten en het sacrament van de broeder

Zo een bekering is zeker onmogelijk zonder de goddelijke genade ; men bereikt ze niet door de grootst mogelijke inspanning te leveren of met de menselijke wil. « Voor de mensen is het onmogelijk, maar voor God is alles mogelijk »(Matt.19,26). De spirituele verandering heeft plaats wanneer onze lichamen en onze zielen gegrift zijn op het levende Woord van God, wanneer onze cellen de levendige bloedstroom bevatten die voorkomt van de sacramenten, wanneer we openstaan om alles met allen te delen. Zoals ons de heilige Johannes Chrysostomos eraan herinnert, kan  het sacrament van « onze naaste » niet gescheiden worden  van het sacrament van het « altaar ». Ongelukkiglijk zijn wij de roeping om te delen vergeten, samen met de verplichting die er uit voortvloeit. De sociale ongerechtigheid en de onwettelijkheid, de armoede in de wereld en de oorlog, de vervuiling en de ontaarding van ons leefmilieu vloeien voort uit onze onbekwaamheid of ons tekort aan wil om te delen. Als wij zeggen dat wij het sacrament van het altaar bezitten, dan kunnen wij niet verzaken aan het sacrament van onze naaste, of het vergeten, want het vertegenwoordigt een fundamentele voorwaarde voor de realisatie van het Woord van God in de wereld, in het leven en in de zending van de Kerk.

Dierbare broeders in Christus, wij hebben de leer van de kerkvaders onderzocht naar hun spirituele betekenis door de kracht te analyseren van het beluisteren en het uitspreken van het Woord van God in de Schriften, om het Woord van God te zien in de iconen en in de natuur, alsook om het Woord van God aan te voelen in de heiligen en de sacramenten. Welnu, opdat wij trouw zouden blijven aan het leven en de zending van de Kerk, moeten wij persoonlijk getransformeerd worden door dit Woord. De Kerk moet als een moeder zijn, die gedragen wordt door wat zij eet, maar die, tezelfdertijd, voedt doorheen het voedsel. Zonder voedsel kunnen wij het niet volhouden. Wanneer de wereld de vreugde van de verrijzenis van Christus niet deelt, dan is dat een aanslag op onze rechtschapenheid en ons engagement om het Woord van God te beleven. Voor de celebratie van elke liturgische liturgie, bidden de orthodoxe christenen dat dit Woord zou « gebroken en geconsumeerd, uitgedeeld en gedeeld» worden in de communie. En  «wij weten allen,dat wij gegaan zijn door de dood naar het leven, omdat wij onze broeders » en zusters liefhebben (1 Joh.3,14).

«De wereld transfigureren in het licht van de verrijzenis »

De uitdaging waarmee wij worden geconfronteerd is de onderscheiding van het Woord van God ten overstaan van het kwaad, de transfiguratie van de minste detail en van alle dingen van deze wereld in het licht van de Verrijzenis. De overwinning is reeds aanwezig in het diepste van de Kerk, elke keer dat wij de ervaring mogen ondervinden van de genade van de verzoening en de communio. Dat ieder van ons strijde – in zijn het diepste van zijn hart en in de wereld – om de kracht van het Kruis te herkennen, dan beginnen wij het feit te erkennen dat elke daad van rechtvaardigheid, elke vonk van schoonheid, elk woord van waarheid gelijdelijkaan de schors van het kwaad kan wegnemen. Over de grenzen heen van onze zwakke inspanningen, hebben we nochtans de verzekering van de Geest die « onze zwakheden tegemoet komt » (Rom.8,26), en aan onze kant blijft om ons te verdedigen en te «versterken » (Joh.14,16). Dit, door ons « om te vormen , zoals de heilige Symeon de Nieuwe Theoloog het zo kernachtig uitdrukt over alles wat het Woord van God ons zegt over het Rijk Gods : parel, mosterdzaadje, gist, water, vuur, brood, leven en mystieke bruiloftskamer ».

Zo is de kracht en de genade van de Heilige Geest, die wij bij wijze van conclusie aanroepen tijdens deze tussenkomst, aan Uwe heiligheid onze dankbaarheid uitdrukkend, als ook aan iedereen van jullie hier aanwezig, met onze zegen : Koning van de hemel, Trooster, Geest der Waarheid, Gij die overal tegenwoordig zijt en allen vervult, schatkamer van alle goeds schenker van het leven, kom en verblijf in ons, zuiver ons van alle smet en redt onze zielen. Gij die  goedheid zijt en  de samenleving liefhebt. Amen.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

Nectarios van Aegina : Hymne aan de goddelijke liefde

DE HEILIGE NECTARIOS VAN AEGINA

 

HYMNE AAN DE GODDELIJKE LIEFDE

Nektarios van Egina
 

 De goddelijke eros(wij gebruiken het woord eros in de betekenis van de Vaders. Het is de werkzame, dynamische liefde, die de ziel dwingt om uit zichzelf te treden, naar God toe) is de volmaakte liefde voor God, die zich uit als een onverzadigbaar verlangen van het goddelijke. De goddelijke eros wordt in het gezuiverde hart geboren of woont in de goddelijke genade.

 De eros voor God is een goddelijke gave. Het wordt aan de onschuldige ziel gegeven door de goddelijke genade die haar bezoekt en zich aan haar openbaart.

 De goddelijke eros richt zich tot niemand zonder een goddelijke openbaring. De ziel die de openbaring niet heeft ontvangen, is niet onder invloed van de genade en blijft ongevoelig voor de goddelijke liefde.

 De geliefden van het goddelijke voelen zich gestuwd naar de goddelijke liefde door Gods genade, geopenbaard aan de ziel, en die handelt in het gezuiverde hart. Het is de ziel die hen heeft getrokken naar God toe.

 Diegene die aangegrepen wordt door God is eerst zelf door God bemind. Het is pas daarna dat hij het goddelijke bemint.

 De geliefde van het goddelijke is vooreerst bemind door God, vervolgens heeft hij de Hemelse Vader bemind.

 Het hart van hem die de Heer liefheeft sluimert nooit; hij waakt omwille van de intensiteit van zijn liefde.

 Indien de mens slaapt uit de noodzaak van zijn  natuur, dan waakt het hart voor de lofprijzing van God.

 De gekwetste ziel door de goddelijke eros zoekt niets meer buiten het hoogste Goed, zij keert zich van alles af, gevoelt voor alles een onverschilligheid.

 De ziel die aangegrepen is door God verheugt zich over de woorden van God en brengt zijn tijd in Zijn tabernakels door.

 Zij verheft haar stem om de wonderdaden van God te verkondigen, en wanneer zij staande blijft, spreekt zij over Zijn glorie en Zijn majesteit.

Zij bezingt God en looft hem zonder ophouden.

 Zij dient Hem met ijver.

 De goddelijke eros maakt zich meester van gans deze ziel, verandert ze en maakt ze zich eigen.

 De ziel, verliefd op God, heeft het goddelijke gekend en deze kennis heeft zijn goddelijk eros doen ontvlammen.

 De ziel, verliefd op God, is zeer gelukkig, want zij heeft de goddelijke raadsman ontmoet die haar verlangens heeft vervuld.

 Elk verlangen, elke genegenheid, elk vervoering die vreemd is aan de goddelijke liefde werpt zij ver van zich als verachtelijk en haar onwaardig.

 O met hoeveel liefde voor het goddelijke, richt de ziel die gedragen wordt door de liefde van God, de liefde voor God ten hemel ! Deze liefde die is als een kleine wolk maakt zich meester over de ziel en voert haar naar de eeuwige, nooit opdrogende bron van liefde, en vervult haar met het eeuwige licht.

 De ziel die gegrepen is door de goddelijke eros, verheugt zich ten allen tijde. Zij is vreugdevol, zij springt op van vreugde, zij danst, want zij voelt zich geborgen in de liefde van de Heer, als op een rustig water.

 Niets van wat in deze wereld bedroefd maakt kan haar rust en haar vrede komen verstoren, geen droefheid kan haar vreugde en vrolijkheid wegnemen

 De liefde voert de ziel van de goddelijke beminde naar de hemel. Verbaast ziet zij zichzelf gescheiden van de lichamelijke zintuigen, van haar lichaam zelf. Door zich volledig aan God over te geven, vergeet zij zichzelf.

 De goddelijke eros bezorgt haar de vertrouwelijkheid met God; de vertrouwelijkheid geeft haar durf, de durf de smaak en de smaak de honger.

 De ziel die geraakt wordt door de goddelijke eros kan niet meer aan andere dingen denken, noch iets anders verlangen.

 Zij zucht onophoudelijk en zegt : «Heer, wanneer zal ik naar U toe komen en wanneer zal ik je aangezicht zien ? Mijn ziel verlangt naar U toe te gaan zoals een hinde verlangt naar stromend water ».

 Zo is de goddelijke eros die van de ziel een gevangene maakt.

O liefde, echt en blijvend !

O liefde, gelijkenis met het goddelijk beeld !

O liefde zachte vreugde van mijn  ziel !

O liefde goddelijke volheid van mijn hart !

O liefde, onophoudelijke bezinning van mijn geest !

 Gij bezit altijd mijn ziel, gij omringt haar met vriendelijkheid en warmte.

 Gij maakt haar levengevend en richt haar op tot de goddelijke liefde

 Gij vervult mijn hart en doet het branden van goddelijke liefde, Gij wekt mijn verlangen voor de Hoogste Raadsman op.

 Door uw levengevende kracht versterkt gij de kracht van mijn ziel; gij maakt haar bekwaam om aan de goddelijke liefde de dienst op te dragen die haar toekomt.

 Gij maakt U meester van mijn geest en bevrijd hem van aardse bindingen.

Gij bevrijdt hem opdat hij zonder hindernissen zou opstijgen naar de goddelijke liefde in de hemelen.

Gij zijt de kostbaarste schat voor de gelovigen, de meest eerbare gave van de goddelijke charisma’s.

Gij zijt de goddelijke schittering van mijn ziel en mijn hart.

Gij zijt die de getrouwen maakt tot zonen van God.

Gij zijt het sieraad van de gelovigen en gij eert uw vrienden.

Gij zijt het enige eeuwigdurende goed, want gij zijt eeuwig.

Gij zijt het kleed van schoonheid van de vrienden van God, die zich zo gekleed tonen aan de goddelijke liefde.

Gij zijt de heerlijke geneugten, want gij zijt de vrucht van de heilige Geest.

Gij leidt de geheiligde gelovigen binnen in het Koninkrijk der Hemelen.

Gij zijt het zachte parfum van de gelovigen.

 Door U communiceren de gelovigen in het paradijs van de weldaden.

Door U richt het licht van de spirituele zon zich op in de ziel.

Door U openen zich de spirituele ogen van de gelovigen.

Door U nemen de gelovigen deel aan de goddelijke glorie en het eeuwig leven.

Door U ontstaat in ons het verlangen naar de hemelen.

 

Gij zijt het die het koninkrijk van God vestigt op aarde.

Gij zijt het die de vrede verbreid over de mensen.

Gij zijt het die maakt dat de wereld gelijkt op de hemel.

Gij zijt het die de mensen met de engelen verenigt.

Gij zijt het die onze harmonieuze gezangen doet opstijgen tot God.

Gij zijt het die in alles de overwinnaar bent.

Gij zijt het die boven alle dingen staat.

Gij zijt het die in werkelijkheid over het universum regeert

Gij zijt het die met wijsheid de wereld richt.

Gij zijt het die alles draagt en bewaart.

 

GIJ valt nooit !

 

O liefde, volheid van mijn hart !

O liefde, teder beeld van Jezus de zeer tedere.

O liefde, heilig zinnebeeld van de leerlingen van de Heer.

O liefde, symbool van Jezus de tedere.

Zegen mijn hart door uw verlangen.

Vervul het met weldaden, goedheid en vrolijkheid.

Maak van mijn hart de woonplaats van de zeer Heilige Geest.

Ontbrand het geheel met uw goddelijk vuur, opdat mijn armzalige passies

zouden verteerd worden, dat ze geheiligd worden door uw onophoudelijke lofprijzing.

 Vervul mijn hart met de zachtheid van uw liefde, opdat ik alleen nog Jezus de zeer tedere zou liefhebben, Christus onze Heer. En dat ik voor Hem de hymne zonder einde zou zingen met gans mijn ziel, met gans mijn hart, met al mijn krachten en met gans mijn geest. Amen !

 

Vertaling : Kris Biesbroeck.