De icoon van de Kruisiging

DE ICOON VAN DE KRUISIGING

 

kruisiging 5

 

“Het gekruisigde Lam voor de schepping van de wereld” treedt de geschiedenis binnen om gekruisigd te worden door Pontius Pilatus, te Jerusalem. De enige, zonder vlek of zonde, komt in de zondige wereld. De vijandschap, de ontologische haat van de Verderver jegens de Heilige, de Zuivere, de Onschuldige, bereikt een zodanige densiteit dat het kruis evident en onverbiddelijk wordt, : ” De Zoon der mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaars” (Matth.26,45), in de handen ook van de “god van deze wereld”….

In zijn menswording, heeft  het Woord de volle menselijkheid op zich genomen, iedereen kan er zich in terugvinden. De eerste en de tweede Adam vormen de twee polen, twee centra die samen bestaan in de ganse mensheid en in elke mens. “Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn” (Matth.6,21).Iedereen kan vrij zijn bestaan bepalen. Het objectief en universeel fundament van het heil behelst gans het menselijk geslacht, maar het heil uit zich effectief in de persoonlijke vrijheid van elke mens afzonderlijk, en dit is het immense drama van God zelf. “God kan alles, uitgenomen de mens dwingen om Hem lief te hebben” zegt het beroemde spreekwoord van de  Kerkvaders.

De Zoon van God toont zich ten overstaan van zijn Vader als “Zoon des Mensen”. De tweede Adam identificeert zich met de eerste en zinkt  op Gethsemani weg in de dodelijke nacht van de angst : “Nu is mijn ziel ontroerd….maar daarvoor ben Ik op dit uur ben gekomen!”(Joh.12,27)  Christus wordt tot subject van de vrijwillig geaccepteerde zonde. Ecce homo, en elders : “Het is niet meer ik die leef, maar Christus die leeft in mij”, de menselijke “ikken” van de twee Adams vallen samen, identificeren zich. Het is de “dwaze liefde” (manikon eros volgens de uitdrukking van Nicolas Cabasilas) van de God-Mens, zijn liefde-beperking voor zijn verscheurde broeder.

De Vader reikt de kelk van de menselijke zonde naar Zijn Zoon, verplicht Hem de siddering, de angst van zijn menselijke essentie te overstijgen, niet voor het fysische lijden maar voor de verpletterende last van  de universele Zonde, voor de mysterieuze en geduchte doorgang door de poorten van de dood. Zijn roep om “de kelk te verwijderen” werd niet door de Vader verhoord, Zijn menselijke vrijheid moest het kruis aanvaarden.

“De Vader is de Liefde die kruisigt, de Zoon is de gekruisigde liefde, De Heilige Geest is de onoverwinnelijke kracht van het kruis” heeft de Metropoliet van Moscou  Philaret gezegd. In zekere zin is de kruisiging gemeenschappelijk aan de drie Personen van de Drie-eenheid, elk op zijn eigen wijze nemen ze deel aan het mysterie die de icoon van de Drie-eenheid van Roublev ons toont , sidderend, stil, mysterievol. Anthropomorfisme  dat het Theopaschisme ( Dat in Christus God ook zelf geleden heeft) zal inleiden in de onveranderlijke eeuwigheid van God ? Zeker niet. De Vaders hebben de tegenspraak van God zelf goed gezien. God is méér dan het Absolute want Hij is het absolute zelf en het Andere zelf : de God-Mens, en de naam van God zijn relatief in de wereld. Hoe kan God terzelfder tijd absoluut zijn en relatief, God van de Geschiedenis en God  in de geschiedenis, het is het mysterie van Zijn Liefde die zijn eigen transcendentie transcendeert en vereerd moet worden, door de stilte, door het huiveren…. Het lijden van de menselijke natuur van Christus wordt ervaren in Zijn Hypostase en bezit dus zijn gelijkenis in de Trinitaire eenheid van God. Gans de eucharistische canon met de épiclese gericht tot de Drie-eenheid is het werk van de Drie-eenheid.

“De Heilige Geest is de vreugde waar de Drie gemeenschappelijk voldoening vinden”. Maar de kreet die weergalmt op het kruis : “Vader, waarom heb je mij verlaten”, wil zeggen dat de Geest de Zoon en de Vader niet meer verenigt, de “Gever van het leven” laat zijn Zoon in de steek zoals de Vader hem heeft in de steek gelaten. De Heilige Geest wordt het onuitwisbaar Lijden waar de Drie zich verenigen. De Vader ontdoet zich van de Zoon en de Zoon gaat als in een moment van eeuwigheid naar het oneindig goddelijke van de eenzaamheid. De Heilige Geest, wederzijdse liefde van de Vader en de Zoon, offer zich, maakt zich op zijn manier het Kruis eigen om te worden : “de onoverwinnelijke kracht van het Kruis”…

De wonderlijke icoon van Roublev toont de Hogepriester die het offer offert, gesymboliseerd door de kelk op het altaar van de Drie-eenheid, want “Zodanig heeft God de wereld liefgehad, dat Hij Zijn enige Zoon heeft geschonken…”

Hoe kan de mens de Liefde begrijpen die evenredig is aan God ? Voor Christus betekent het kruis opnemen binnengeleid te worden in het binnenste van zichzelf, uit medelijden, de Zonde van de wereld als zijn eigen… Het Kruis heeft de onpeilbare diepte  van de onschuld en de afgrond van de duisternissen doen uitmonden in de kreet : Abba Vader….

In de kenose zwijgt de goddelijkheid en de mensheid roept. God neemt het antwoord op zijn eigen gerechtigheid op zich, Hij aanvaardt de ultieme consequentie van zijn scheppingsdaad. De Liefde neemt de zonde van de wereld op zich om allen te kunnen vergeven….

“De prins van deze wereld komt, en hij heeft niets aan mij”(Joh 14,30). “De Vader heeft mij lief, omdat ik mijn leven geef…Niemand neemt mij het af, maar ik geef het uit mijzelf…Ik heb dit bevel van mij Vader gekregen (Joh.10,18). Op sommige iconen ziet men “de man van smarten” in zich verheerlijkend al het lijden van de wereld, de Elkomenos, die zelf de ladder beklimt op het kruis….”Maar dit is uw uur en de macht van de duisternis” (Luc.22,53). Het is een buitensporig geweld en moord, in volle vrijheid geaccepteerd.

God vraagt aan Abraham het offer van zijn zoon zonder enige garantie.  Zonder de totale aanvaarding geplaatst buiten elke garantie, zal het geloof van Abraham zijn uiteindelijke waarheid niet bereiken, zijn doodstrijd. De zo frappante tekst uit de Brief aan de Hebreeën (11,31-39) beschrijft het buitengewoon tragisch noodlot van de profeten. Er is een ganse theologie van het mislukken en van teleurstelling, maar ondanks dit openbaren zich de grootste verwezenlijkingen: “Bijgevolg, God  had blijkbaar iets beters voor ogen”…beter dan een duidelijk zichtbaar  succes. Het bestaan van de profeten geeft ons een voorafbeelding en identificeert zich met het tragisch bestaan van God in de wereld. “Het geofferde Lam vanaf de schepping der wereld” werd opgehangen boven de afgrond ” zonder gedaante noch gestalte”, wat ook zou kunnen betekenen : verstoken van elke garantie. De optimistische theodicees (die pogen aan te tonen dat er een God kan bestaan die het kwaad toelaat .nvdv) construeren altijd het rechtlijnig en rationalistisch systeem van de vrienden van Job. Welnu, de menselijke vrijheid, “de tweede vrijheid” zoals de Vaders het zeggen, moet, om waar te zijn, ’t is te zeggen naar het goddelijk beeld, onvoorspelbaar zijn , zelfs voor God, zodanig dat door dergelijke vrije beslissing er een sluier geworpen wordt op zijn Alwetendheid, de sluier van de kenose. God verlaat het hoogtepunt van zijn stilte en riskeert de waa
nzinnige inzet die zijn liefde bevestigt. Op het Kruis heeft  God tegen God de kant van de mens gekozen. Hij offert zijn Zoon zonder dat ook maar één engel zijn dood tegenhoudt, en bij wijze van garantie : “wanneer de Zoon zal terugkeren, zal hij het geloof op aarde vinden” (Lucas 18,8) ?…

Het levengevend Kruis is het enige antwoord op het proces van het atheïsme op de heerschappij van het kwaad. Er is  plaats om aan God de meest paradoxale notie  te geven, deze van de zwakheid, wat betekent : het heil door de zelfstandige liefde : “God toont zich en verklaart zijn liefde, en bid dat men hem die liefde terugschenkt…verstoten wacht hij aan de poort…Voor al het goede dat hij ons aandeed, vraagt hij slechts als tegenprestatie onze liefde, in ruil voor onze liefde, neemt hij onze schuld weg (Nicolas Cabasilas, La vie en Jesus-Christ, VI)

Ten overstaan van het lijden,  tegenover elke vorm van kwaad, is het enige treffende antwoord  dat we kunnen geven namelijk, dat “God zwak is” en dat hij niets anders kan dan lijden met ons. Zwak, zeker, niet in zijn almacht, maar in zijn gekruisigde Liefde….

Op het Kruis heeft Christus de sterfelijkheid zelf op zich genomen. De macht van de dood ligt in haar autonomie, maar Christus geeft zijn dood aan de Vader, en daarom is het dat in Christus het de dood is die sterft : “door de dood heeft hij de dood overwonnen”. Vanaf dat moment sterft geen mens meer alleen, Christus sterft met hem om met hem te verrijzen. (Vader serge Boulgakov, in zijn Sophiologie van de dood, beschrijft zijn aangrijpend getuigenis van deze co-dood, van deze dood met Christus).

Rond de XIe eeuw ziet men op de iconen te Byzantium, Christus gekleed met een tuniek met korte mouwen, levendig, de ogen geopend en zich licht draaiend naar rechts op het kruis. Het is een erfenis die ons overgeleverd is vanuit Palestina, Syrië en Cappadocië, en het stelt de naakte en dode Christus voor, het hoofd licht gedraaid en het lichaam licht gebogen. Later is het lichaam is naakt, uitgenomen een wit linnen die  de heup bedekt. De elegantie van de plooien, versterken de schoonheid van de vormgeving.  De gesloten ogen duiden op de werkelijke dood, en terzelfder tijd is het hoofd gebogen naar de Theotokos. Dit duidt veeleer op een diepe slaap, wat de dogmatische waarheid illustreert nl. de onvergankelijkheid van het lichaam in de dood : “Het leven is ingeslapen en de hel  beeft van hevige schrik” (Dienst van heilige Zaterdag, sticheron toon 2).(Dikwijls ziet men ook een bloedstraal die een teken is van “blijvend leven” : “Water en bloed stroomden warm uit het Lichaam van de Heer, zelfs na zijn dood”, zegt ons het Concilie van Quinisecte in haar 32e canon. Van deze leer stamt de rite van het Zeon in de byzantijnse liturgie, men voegt een weinig warm water bij het lichaam van Christus, dat levend , warm, gepneumatiseerd bloed is.)

De gekruisigde in het Oosten stelt nooit het vleselijk realisme, uitgeput door de dood voor, noch het dolorisme (leer over het nut van smart en pijn. Nvdv)van de doodstrijd.  Dood en gerustgesteld, heeft hij niets verloren van zijn Koninklijke waardigheid en hij behoudt altijd zijn heerlijkheid, zoals de heilige Johannes Chrysostomos zegt : ” Ik zie de gekruisigde en ik noem Hem Koning”.

Het kruis heeft drie dwarsbalken. De onderste dwarsbalk, onder de voeten van de Heer, is licht gebogen. Dit scabellum pedum (Hand.2,35; Psalm 109) links naar onder gebogen wijst  op het noodlot dat de linkse moordenaar te wachten staat. De andere kant wijst naar boven en verwijst ons naar het noodlot van de rechtse moordenaar. Het troparium van het Negende uur vergelijkt het Kruis met een weegschaal. “Weegschaal van gerechtigheid” en doorbraak van de eeuwigheid : het Kruis is in het midden als de mysterieuze bemiddelaar tussen Koninkrijk en hel.

De icoon van de kruisiging toont ons in haar vertikale lijn het descensus (neerdalen) en het ascensum (het opstijgen)van het woord. “Christus aan het Kruis, zegt Jacques de Saroug (hom.over het visioen van Jacob) houdt zich vast aan de aarde als op een ladder die rijk is aan treden”. Het Kruis is “de levensboom die geplant is op Calvarie “(dienst van de Kruisverheffing), de plaats van grote “cosmische strijd”. De handelingen van Andreas verduidelijken : “een deel is geplant in de aarde opdat de dingen van de aarde en in de hel zouden verenigd worden met de hemelse dingen”. Het is daarom dat op de iconen de voet van het kruis weggezakt is in een donkere grot waar het hoofd van Adam begraven ligt, Golgotha is “de schedelplaats” (Joh.19,17). Deze symbolische detail toont het hoofd van de eerste Adam, en met hem de ganse mensheid,  besproeid door het bloed van Christus.

De architecturale achtergrond toont ons de muren van Jerusalem. Christus heeft geleden buiten de muren van de stad Jeruzalem en de gelovigen moeten hem volgen: “want wij hebbeen hier beneden geen vaste stad” (Hebr.13,11-14). Bovenaan wordt de hemel helder afgelijnd, het onderstreept volgens Athanasios en de heilige Johannes Chrysostomos de cosmische poort van het Kruis die de lucht reinigt van de demonische machten.

De doodsbleke kleur van het lichaam drijft hem in de diepte en als contrast staat het reliëf van het sombere Kruis van het lijden. Het Kruis is stevig geplaatst in de grond, terwijl het opgehangen lichaam een nobele boog vormt die het licht , zwak en als lucht maakt. Het lichaam buigt naar de Maagd toe die zich altijd rechts van het Kruis houdt en ze schijnt naar haar Zoon te willen toesnellen. Haar rechterhand vormt een kruis, haar linkerhand, door zijn immobilisme, onderlijnt de beweging van de rechts, de vingers zijn dicht bij de keel om haar emoties af te breken die veroorzaakt worden door een onuitsprekelijke smart. Alleen zo gaat met haar beide handen de tragische stem van de stilte voorbij. De Moeder kan zich niet bewegen, zij is versteven van droefheid, haar ziel is door het zwaard doorboord. Met haar sombere kledij maakt zij zich los van het bleke en als onwezenlijk lichaam van haar zoon.

Johannes, die heldere kledij aan heeft, bevindt zich links en een beetje verder van het Kruis. Zijn hand volgt het licht gebogen hoofd en schijnt zijn gedachten te richten op de Heer. Hij kijkt voor zich uit, zijn blik is verloren of naar binnen gekeerd, contemplatief bemediteert hij het mysterie van de passie.

De Redder aan het kruis is niet enkel een dode Christus, het is de Kyrios, Meester van zijn eigen dood en Heer van zijn  leven. Hij heeft geen enkele verandering ondergaan door het feit van zijn lijden. Hij blijft het Woord, het eeuwige Leven die zich aan de dood overlevert en haar overstijgt. “Toen gij gekruisigd waart, o Christus, sidderde de ganse schepping van afkeer voor deze aanblik en de fundamenten der aarde beefden voor uw almacht”.

De God-Mens verschijnt in zijn dubbele en onscheidbare dimensie : met God bovenaan en de mensheid onderaan. Engelen zweven boven het kruis, het is de hemel, en de personnages aan de voet van het kruis, een heilige vrouw en de centurion Longin, waren de mensheid.

Door de icoon te be-mediteren denkt men aan de mooie overdenking van Nicolas cabasilas : ” Het is in functie van Christus dat het menselijk hart is geschapen, deze immense kist die groot genoeg is om God zelf te bevatten… het oog is geschapen voor h
et licht, de oren voor de geluiden, alle dingen voor hun doel en het verlangen van de ziel om zich te verheffen tot Christus” (Nicolas cabasilas : La vie en Jesus Christ, p79).

Uit :  Paul Evdokimos : L’art de l’icone – theologie de la beauté, p.257-263

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

 

Olivier Clement : De orthodoxe Kerk

DE ORTHODOXE KERK

Olivier Clément

Deel 3 (Slot)

10.- De grote beproeving (van 1917 tot 1988).

In de 20e eeuw is het geweld van het atheïsme eerst op de Russische Kerk zijn nefaste uitwerking gehad. Van 1918 tot 1941 heeft ze één van de ergste vervolgingen doorgemaakt welke de christelijke wereld heeft gekend, met tientallen miljoenen martelaren (processen en executies van 1922-1923, verwoesting van het landelijk christendom , van priesters van de dorpen in 1928-1934, de grote stalinistische zuiveringen van 1937-1938) De radicale scheiding van Kerk en Staat en van de school werd ondernomen in het perspectief van de ‘ondergang van de religie’. Het werd gezien als iets onvermijdelijk  voor de officiële ideologie. Monasteria en seminaries werden dus gesloten, elke vorm van catechese verboden. Het dekreet van 2 april 1929 weigerde aan ‘religieuze verenigingen’ elke vorm van intellectuele, culturele, sociale en caritatieve activiteit. Men stond enkel, tegenover de ‘antireligieuze propaganda’ deze van de religieuze ‘cultus’ toe. Deze stellingname werd hernomen door de opeenvolgende Constituties van 1936 en 1977. Na de dood van patriarch Tikhon (1925), kon geen enkele patriarch meer gekozen worden. Het regime bevoordeelde echter een progressief schisma : de ‘levende Kerk’ genaamd, die aan het regime toegewijd was, en deze realiseerde de voorziene hervormingen gedaan in de voorbereidende preconciliaire werkzaamheden. Daardoor zette zij deze hervormingen blijvend in gevaar. (het gebruik van het russisch, bijvoorbeeld).

Alles veranderde met de tweede wereldoorlog. De trouw, het patriottisme, het prestige bij de bevolking van de traditionele Kerk, de noodzaak om alle krachten van het land bijeen te brengen, ook deze om te beantwoorden aan de heropening van vele kerken in bepaalde bezette zones, leidden tot de ‘normalisatie’ van 4 september 1943. Het patriarchaat werd opnieuw ingesteld, vele bisschoppen en priesters kwamen uit de deportatie terug, een beperkte vorm van kerkelijk onderwijs om priesters te vormen werd opnieuw toegestaan , het schisma van links werd ongedaan gemaakt. Na de dood van Stalin, van 1953 tot 1959 kende de Russische Kerk een korte lente. Men telde in 1959, 22.000 parochies (54.000 in 1917) bediend door 30.000 priesters, ongeveer 80 monasteria, 8 seminaries en 3 theologische academiën.

Van 1960 tot 1964, komt gedurende de laatste periode van de regering van Kroutchtchev een nieuwe golf van niet-bloedige maar ‘verstikkende’ vervolgingen tot stand om deze vernieuwingen te breken. In 1961 verliest een priester de leiding van zijn parochie, omdat ze zogezegd toekomt aan een ‘executief lekeorgaan’, waarvan sommige zijn ingesteld door de burgerlijke autoriteiten. De ‘ raad voor religieuze zaken bij  de Raad van ministers van de ussr’ controleert de patriarch en zijn synode. De lokale gevolmachtigden controleerden de priesters. Het aantal open Kerken wordt zo gereduceerd tot ongeveer 7000.

Sedert 1945 hebben alle Kerken van Zuid-Oost Europa (buiten die van Griekenland) dezelfde vervolgingen gekend.

11.- Sedert de val van het communisme

Met de val van het communisme kent de orthodoxe Kerk in gans Oost-Europa voor het eerst opnieuw de vrijheid.

Sedert juni 1988, met het ‘Millenium’ van het Russische christendom, dat waardig gevierd werd. Het Russische episcopaat heeft een concilie gehouden die de canonische orde heeft hersteld, eerst en vooral in de parochies. De wet van oktober 1990 heeft de vrijheid van geweten ingevoerd, en de volle mogelijkheid voor de Kerk om zich te organiseren en uit te drukken, dit in een context van een leke-staat. Het aantal parochies is gestegen tot ongeveer 17.000 en men merkt ook een krachtige stijging van het monastieke leven : men telt vandaag de dag ongeveer 450 monasteria, vele monniken en monialen zijn jong en komen dikwijls uit het hoger onderwijs.

De reactie tegen het sluiten van compromissen met het oude regime door het episcopaat, heeft kleine schisma’s veroorzaakt ( de ‘Russische vrije Kerk’, filiaal van een zeer reactionaire  jurisdictie uit de emigratie, telt slechts een vijftigtal parochies), dikwijls zijn deze scheidingen nog niet helemaal opgelost, zoals in Bulgarije. In Roemenië is er in 1990 onrust ontstaan over een soort van restauratie binnen de kerk zoals binnen de Staat, maar jonge bisschoppen die gevormd zijn in West Europa zullen wellicht een nieuwe adem brengen. De talrijke en open christelijke intellectuelen stichten organisaties, tijdschriften worden uitgegeven in nieuwe uitgeverijen. In Rusland werden een dertigtal seminaries en ‘theologische colleges’ om priesters op te leiden geopend door de Kerk. De vrije filosofische en theologische instituten, waar ook leken, voornamelijk vrouwen kunnen studeren,  vermenigvuldigden zich (vijf in Moscou, vier in St.Petersburg).Parochies en ‘fraterniteiten’ ontwikkelen een intense caritatieve en sociale activiteit, dit is welkom in een vervallen maatschappij.

Een zwak punt is echter dat slechts 55 % van de Russen gedoopt zijn, en het praktiseren gaat niet boven de 1,5%. De Russische Kerk ( en het is ongeveer hetzelfde in Roemenië en de Balkan) kiest eerder voor de moderniteit, maakt zich ook zorgen over het proselytisme van westerse religies en stelt zich het probleem van het nationalisme. De moderniteit « a l’americaine » brengt drugs, geweld cultus van het geld en seksuele permissiviteit mee. Amerikaanse en Japanse sekten, rijk en actief, organiseren « opwekkings bijeenkomsten », en verkondigen via de televisie. Katholieken, vooral Polen zijn niet altijd even discreet geweest. In de Baltische staten en in Ukraïne trachten de nationalisten, ondanks de autonomie hen toegekend door Moscou, om autocephale kerken op te richten.

Tegenover zovele bedreigingen, twijfelen de Russen tussen een gesacraliseerd traditionalisme, een bijna magisch ritualisme en een reactie van het zich terugplooien op zichzelf  volgend op deze van het soviet tijdperk, en de eis  van evangelisatie en vernieuwing. Het conflict concretiseert  zich op twee fundamentele punten : de liturgische taal, want bijna niemand verstaat het slavisch nog, en de oecumenische relaties. Ongeveer tot in 1996 probeerde de patriarch het evenwicht te bewaren tussen deze twee tendensen , sedertdien worden de vernieuwers eenzijdig getroffen met maatregelen, excommunicaties bij de vleet ( bv. Kotchetkov, die het russisch gebruikte in de liturgie en een uitgebreid catechumenaat organiseerde voor volwassenen, samen met twaalf medewerkers of de iconograaf Zenon, die gecommuniceerd had met katholieke vrienden…) Boeken van grote theologen uit de diaspora werden verbrand, alsook die van Vader Alexander Men, van joodse afkomst en een groot getuige van het Evangelie in de intellectuele middens van het soviet tijdperk. Hij werd vermoord in september 1990 en men heeft nooit geweten door wie. De verbranding van de boeken van Men, Schmemann en Meyendorff in mei 1998 te Ekatarininbourg, op bevel van de bisschop van de plaats heeft een immens schandaal teweeggebracht en het intellectuele leven van de Kerk neigt ertoe zich in de zijlijn op te stellen.

De politieke
achtergrond van deze evolutie is complex maar onbetwistbaar. Enerzijds zoekt de patriarch meer en meer de steun van de staat op, en hij heeft heel sterk de eindstemming van de herfst 1997 beïnvloedt van  een wet in verband met religieuze verenigingen, die de Orthodoxie begunstigde ten nadele van de andere christelijke belijdenissen. Anderzijds probeert het nationalistische uiterst rechts, anti-westers en antisemitisch om het patriarchaat in hun kamp te krijgen, om zichzelf zo een populaire grondslag te kunnen geven. In werkelijkheid schijnen deze milieus minoritair en de Kerk verliest zelf zo in de maatschappij het prestige die het had gedurende de perestroika.

De wegen van de vernieuwing zijn ook zeer klein in Zuid-Oost Europa, waar de privileges van het oude regime er in geslaagd zijn zich staande te houden doorheen het Marxisme of het nationalisme. De nostalgie, een erfenis van Byzantium, een soort messianisme; de lange dominatie door multinationale Staten, islamitische en vervolgens communistische, hebben de opkomst van moderne staten vertraagd en zelfs verergerd.

De Orthodoxie die de taal en de cultuur van haar volkeren heeft bewaard, wordt door hen gevoeld als een als het ware etnisch toebehoren en niet als een persoonlijk geloof. In het uiterste geval is zij, door een bijzondere vorm van secularisatie, het instrument geworden van het nationalisme. Eén geval is hiervan bijzonder kenmerkend : dit van Servië.

De Serven hebben met geweld een oorlog gevoerd voor nationale eenheid. De buitensporigheden van de « ethnische zuiveringen » ( die zij ook hebben moeten ondergaan) getuigen van een dubbele wraaklust : tegen de Katholieke Kroaten, die tijdens de tweede wereldoorlog ongeveer 700.000 orthodoxe Serven hebben afgeslacht; en tegen de Moslims die de Serven gedurende tien eeuwen hebben gedomineerd en uitgebuit. In het begin van 1992 echter, heeft het regime gebroken met het regime die duidelijk bestond uit crypto-communisten. Vervolgens heeft de Servische Kerk, echter de eenheid van het Servische volk van Belgrado te Pale bevestigend, toch voortdurend een oproep gedaan voor vrede en zij heeft een gematigde positie ingenomen in de crisis rond Kosovo. Patriarch Paul heeft zelfs bevestigt, dat hij geen groot noch klein Servië wil, indien dit ten koste is van misdaad.

De orthodoxe gedachte heeft nochtans vrucht gedragen in dit Europa van het Zuid-Oosten : gisteren, met de grote dogmatische synthese van de Serv Justin Popovic en vooral met de roemeen Dumitru Staniloaë, realisator van grote werken, van een monumentale Philokalia. Vandaag met de Griekse vernieuwing van de grote patristieke traditie, herdacht in een existentieel perspectief : zo ontwikkelde metropoliet Johannes van Pergamo (Jean Zizioulas) een personalisme en een christelijke écologie, gegrondvest op het thema van de communio. De berg Athos, waar de intellectuelen in aantal toenamen, waaronder enkele Westerlingen, telt vandaag meer dan 1500 monniken en, door een waarachtige innerlijke hervorming, ontwikkelden ze een strict communautair leven tegen het individualisme en dikwijls tegen de apathie van de « idiorytmie » (volgens dewelke elke monnik leeft volgens zijn eigen rythme).

In het Midden-Oosten, is het Patriarchaat van Antiochië vernieuwd door de MJO (Orthodoxe jongerenbeweging), waarvan de actie vandaag vooral apostolisch en sociaal is. Deze beweging bracht veel bisschoppen voort waaronder de meest markante van de hedendaagse orthodoxie : zoals patriarch Iggnatios IV (Hazim) en metropoliet Georges Khodr’ en zijn antiochische orthodoxen die zich ingezet hebben voor een dialoog met de Islam.

De twee dromen van een « ontwaken (Nadha) » van het arabisch zijn van de leken, vervolgens van een  socialistische revolutie die niet minder laïc is rondom de Palestijnen, zijn ingestort. Er blijft alleen nog de weg van de « zachtheid » en van de evangelische « vrede », ten koste van het martelaarschap indien dit nodig is. Tijdens de oorlog in Libanon hebben de orthodoxen geen militie gehad, zij hebben onophoudelijk opgeroepen tot verzoening.

De orthodoxe Kerken en de « oude » Oosterse kerken, de «monofysieten » (Armeniërs, Jacobieten, Kopten, Ethiopiërs en  zij uit Zuid Indië) hebben hun eenheid van geloof geproclameerd in 1989 en 1990. Maar de uitwerking van deze unie wordt vandaag afgeremd door heel wat behoudsgezinden en het wantrouwen aan weerszijden.

De patriarch van Constantinopel, Bartholomeüs 1e, verkozen in 1992, een man van groot geloof en van een grote cultuur, probeert de orthodoxe Kerken bijeen te brengen voor een duidelijk en open getuigenis. Hij verzamelt van tijd tot tijd de primaten van de autocephale Kerken voor een consultatieve « synaxe ». Er groeit echter een geweldige spanning tussen Constantinopel en Moscou ( naar aanleiding van het statuut van de orthodoxe Kerk van Estland en in Ukraïne). De laatste tijd echter kwam er weer meer toenadering tussen de twee patriarchaten, oa. Dank zij de onlangs overleden patriarch Alexis II van Moscou die veel welwillendheid aan de dag heeft gelegd.

Eén van de grote spirituele gebeurtenissen van de XXe eeuw is zonder twijfel de ontmoeting van de Orthodoxie met het Westen, dank zij de orthodoxe diaspora, rusland en grieken vooral, maar ook roemenen, serven en mensen uit Antiochië. Het is te Parijs dat de Russische religieuze filosofie haar laatste vruchten heeft gedragen. Het is voor een groot deel te Parijs dat ion de jaren 40 tot 60 de grote neo-patristieke en neo- palamitische synthese werd gerealiseerd (Georges Florofsky, Vladimir Lossky, Myrrha Lot-Borodine, Basil Krivochéine, aangevuld voor de theologie van de iconen door Léonide Ouspensky).

Verder heeft men de westerse orthodoxiën, nu eens door « naturalisatie » de nakomelingen van de emigranten en van westerlingen die zich spontaan tot de Orthodoxie bekeerden. In Noord-Amerika heeft het patriarchaat van Moscou (zonder akkoord met Constantinopel ) in 1970 de « autokephalie » toegekend aan een belangrijke fractie, russisch en Ukraïens van de orthodoxe diaspora.

Dank zij het preconciliaire proces, zijn de verschillende autokephale Kerken in 1993 overeengekomen om de nog verdeelde Diaspora op een betere manier te organiseren in een veelheid van origineel ethnische« jurisdicties », maar die meer en meer multinationaal zijn door hun inworteling in het Westen.  In elk land zal een bisschoppenvergadering opgericht worden die voorgezeten zal worden ex officio  door de vertegenwoordiger van Constantinopel. In Frankrijk, bestaat sedert 1967 een « interepiscopale commissie », een waarachtige « vergadering van bisschoppen ». In 1997 is deze verrijkt met meerdere commissies waar priesters en leken deel van uitmaken. Franstalige parochies van de byzantijnse ritus beginnen zich overal te vestigen, vooral in de Parijse regio en in de streek van Marseille. De orthodoxe fraterniteit probeert de vriendschap te stimuleren  tussen jongeren van diverse origine en ook een betere kennis van hun geloof. Ook min of meer geïsoleerde groepen beginnen zich te vormen, dikwijls marginaal en ietwat sektair. Hierover valt dikwijls moeilijk een oordeel te vellen. De zending, in de enge zin van het woord, onderbroken door de Russische revolutie, is voor een groot deel he
rnomen in Korea en vooral in zwart Afrika.

12. – Waar zijn de orthodoxen ?

Vandaag kan de geografische situatie van de Orthodoxie op de wereldbol aangeduid worden met een soort van kruis. De verticale arm is geworteld in de plaatsen van de bijbelse openbaring en van het originele christendom, met de Arabische orthodoxen van de « apostolische » patriarchaten van Antiochië en Jeruzalem  (ongeveer 3 miljoen). Vervolgens hebben wij de  ongeveer 10 miljoen Kopten, « pre-chaldonische » orthodoxen uit Egypte. Meer in het noorden, op de plaatsen zelf waar Paulus heeft gepredikt, is er de sterke Griekse Orthodoxie (ongeveer 11 miljoen gedoopten van de autocephale Kerken van Griekenland en Cyprus, van de autonome Kerk van Kreta en het « oecumenisch » patriarchaat van Constantinopel, primus inter pares). De vertikale arm van het kruis gaat vervolgens langs de « latijnse » Orthodoxie van Roemenië ( ongeveer 20 miljoen gedoopten)  en de Orthodoxie in de Caucasus van Georgië (3 miljoen), om zich verder uit te spreiden over de Slavische Kerken : Servië en Bosnië (10 miljoen), Macedonië (1 miljoen), Bulgarije (9 miljoen), Slovakije (100.000), Polen (1 miljoen), Wit-Rusland (6 miljoen), en vooral Ukraïne (30 miljoen) en Rusland (100.miljoen). De baltische Orthodoxie (Finland, Estkand) telt ongeveer 100.000 gedoopten.

In het zuiden omvat de verticale arm de griekse diaspora en de zeer levendige missies in zwart Afrika en Madagascar ( ongeveer 500.000 gedoopten), plus de «prechaldoniërs »  van Egypte (10 miljoen) en van Ethiopië (30 miljoen).

De oosterse arm van het kruis geeft de historische weg aan van de Russische missionering : doorheen hoog Azië, tot aan de uitgezaaide Kerken in China, Japan, de Aloueten-eilanden en Alaska. Voor de achtergebleven gemeenschappen en door de griekse Kerk voorzichtig weer tot leven geroepen, en deze van Noord Amerika zijn moeilijk cijfers te geven.

De westerse tak, trouwens een krachtdadige groep, komt overeen met de grote migraties van de  twintigste eeuw, hetzij omwille van economische motieven ( de exodus van Slaven en van mensen uit de streek rond de middellandse zee naar het westerse halfrond), hetzij om politieke redenen ( communistische revoluties, de ineenstorting van  grieks Azië, de Italiaanse veroveringen, de oorlog in Libanon). Men vind ongeveer 2 miljoen orthodoxen in west Europa, waarvan ongeveer 300.000 in Frankrijk ( plus 300.000 Armeniërs (prechadoniërs), 7 miljoen in Noord Amerika, 2 miljoen in Centraal en Zuid Amerika, waaraan we er nog eens één miljoen moeten bijtellen in Australië.

Deze tekst bevat de tekst van het eerste hoofsstuk van het boek van Olivier Clément : « l’Orthodoxie » uit de reeks Que sais-je.

 Vertaling : Kris Biesbroeck

 

De orthodoxe Kerk (deel 2)

DE ORTHODOXE KERK

Olivier Clément

 

Deel 2

 

 

7. – Na de val van Constantinopel : De eeuwen van het in zichzelf gekeerd zijn(16e – 18e eeuw)   

De val van Constantinopel (1453) en de verovering van de Balkan door de Turken maken van Rusland – die zopas het Mongoolse juk heeft afgelegd – het ‘missionaire’ centrum van de Orthodoxie en men vertrouwd haar, wat wij zouden kunnen noemen de diakonale taak van de Kerk, toe (waarvan het spirituele brandpunt de ‘monastieke republiek van de Athos’ is).

Met het weer opnemen door de Russische Kerk van haar missionaire rol , komt de missionering in volle bloei bij de bevolking van het Russische gele ras van  Noord-Aziê. De orthodoxe missionarissen bereiken Kamtchatka in 1705, Peking in 1714, de Aleoeten Eilanden en Alaska op het einde van de 18e eeuw. Zij stichtten de Japanse orthodoxe Kerk bij het begin van de 20e eeuw.

In vergelijking met het Westen kende de Orthodoxie een lange tijd van teruggetrokkenheid, van defensieve houding.

De theologische gedachte wordt polemisch en laat zich aantasten door de problematiek zelf van haar tegenstanders (zo de metropoliet van Kiev, Pierre Moghila (1632-1647), dit, om meer te weerstaan aan de Contra-Reformatie, men latiniseert het theologisch onderwijs (die zo zal blijven in Rusland gedurende gans  de 18e eeuw). Het impact van de westerse controverses (een patriarch van Constantinopel, Cyrillus Loukaris, publiceert in 1629 een calvinistische geloofsbelijdenis) verplicht de Orthodoxie om haar ecclesiologische posities te verduidelijken : ondanks haar verzwakte positie, slaagt zij erin dank zij een groot bisschop: de patriarch van Jeruzalem Dositheos, die veroorzaakt een zekere patristieke herbronning ( in Roemenië, waar men christelijke boeken mag drukken). De concilies van de 17e eeuw (Iassy,1642 – Jeruzalem, 1672 : de belijdenis van Dositheas) onderlijnen de sacramentele structuur van de kerkelijke institutie.

De bekoring van deze tijd blijft  een erfenis van Byzantium, deze van de sacrale gemeenschap en het nationaal messianisme. Deze bekoring is vooral sterk in Rusland waar zich tezelfdertijd de thema’s ontwikkelden van het ‘Derde Rome’ en van het ‘Derde Keizerrijk’, en waar zich in 1589, met de instelling van het patriarchaat van Moscou ( toegelaten en gezegend door de moederkerk, Constantinopel) de ‘symfonie’ van de Basileus en de Patriarch zich herstelde. Ondanks het evangelisch verzet van de ‘dwazen in Christus’ en de eremieten van over de Wolga, verstarde het ‘heilig Rusand’ in het ritualisme, met een gevoeligheid van het Oude Testament die de nadruk legt op de letter, op de wet, en die het Russische Rijk bijna vereenzelfdigde met het messiaanse Rijk.

De onhandige en brutale actie van patriarch Nikon in de 17e, eeuw betekende voor de Russische Kerk zowel veel goed als kwaad voor de orthodoxe universaliteit ( de liturgische teksten werden herzien vanuit de griekse boeken), en overwint, zij het niet altijd, in de psychologie van de gelovigen, dan toch minstens in het bewustzijn van de Kerk, de bekoring van een magisch christianisme en een sacrale samenleving. De concilies van Moscou van 1666-1667, waaraan de patriarchen van Antiochië en Alexandrië deelnamen, veroordeelden de oud-gelovigen , aanhangers van het messiaanse Rijk van de ‘Witte Tsar’, van een ritualistische ecclésiologiedie geen enkele plaats laat voor de scheppende vrijheid van de mens…

Ernstig verzwakt door dit drama, kon de Russische Kerk zich niet verdedigen tegen de secularisatie die werd uitgevoerd door Peter de Grote. In 1721, hief hij het patriarchaat van Moscou op, en zette aan het hoofd van de Russische Kerk een Synode, waar de echte machthebbers aan deelnamen met een vertegenwoordiger van de staat (leek), de ‘procureur generaal van de Heilige Synode’ : de Kerk voelde zich onderworpen zoals ze nog nooit geweest was in Byzantium of het oude Rusland.

De 18e eeuw is dus een tragische periode voor de orthodoxe Kerk. Te Constantinopel zijn de patriarchen, in de greep van instabiliteit en de corruptie van de ottomaanse politiek, niet meer dan marionetten (48 volgden elkaar op in drie en zeventig jaar). In Rusland, waar de icoon en de sacrale muziek ‘ver-ilaliaansten’, de invloed van de ‘verlichting’ brengt Catharina II ertoe om het aantal aanwervingen voor de monasteria nauwlettend te beperken en om hun goederen te seculariseren (1764).

De renaissance komt op een keerpunt in de 18e en 19e eeuw : door het ‘hesychastisch’ gebed en door de universele orthodoxie. Een monnik van de Athos, de heilige Nicodemus de Hagioriet, en de bisschop van Korintië Macarios stellen een monumentaal werk samen de Philocalie, gepubliceerd in 1782 te Venetië ( men noemt de Philocalie ‘liefde voor de schoonheid’, een bloemlezing van spirituele teksten).  Op het moment dat de geest van de Encyclopedie triomfeert binnen de europese elites is dit een waarachtige encyclopedie van de aanbidding, een existentiële  terugkeer naar de Vaders van de woestijn. Vertaald door een inwoner van Ukraïne in Moldavië, Païssios Velitchkovsky, gaat de Slavische en vervolgens de Russische Philocalia, de spirituele renaissance van de Kerk in de 19e eeuw structureren.

Zij vond in Rusland een door de Kerk voorbereid terrein.  Geplaagd centreerde ze zich op het ‘enig noodzakelijke’ ( met in het bijzonder een intense beweging van vrouwelijke godsvrucht : bijeenkomst van leken, vervolgens van gemeenschappen). Op het kruispunt van deze locale herbronning en van de ‘philocalische’ beweging staat een grote ‘getransfigureerde’ op van de moderne Orthodoxie, de heilige Seraphim van sarov, profeet voor allen, monniken en leken, van de ‘verwerving van de Heilige Geest’. De monasteria hervormen zich en laten  openlijk ruimte voor het profetisch ministerie van de startsi (‘ouderen’) die met de leken de schat van het hysychasme delen. Zij beginnen de afgrond te vullen die de hervormingen van Peter de Grote had gegraven tussen de Kerk en de intellectuelen.

8.- Het probleem van de uniaten

In 1596, op het concilie van Brest (Litovsk), hebben bijna alle Ukraïnse bisschoppen zich terug bij Rome aangesloten. Zij mochten hun riten en gebruiken behouden, maar aanvaardden, met de formules van florence, de Katholieke opvatting over het primaatschap en de voortkomst van de Heilige Geest. Het prestige van de cultuur der Jezuïeten, het verlangen om zich van Constantinopel, dat té dicht bij was en wiens controle men hinderlijk vond, los te maken, en om zich van Rusland, toen een vijand te verwijderen. Het was vooral de droom om een politiek statuut te kunnen bekomen dat analoog was met dat van het latijnse episcopaat. Alles verklaart deze gang van zaken. Eerst verrast, moedigden de Poolse koning en het pausdom de geünieerde Kerk aan . Zij hebben op een moment de orthodoxen hard vervolgd. Deze laatsten,  hebben zich gegroepeerd in  confr&eacute
;rieën van leken. Bij het begin van de 17e eeuw zijn  de Polen, profiterend van de ‘Tijd van Verwarring’ die heerste in Rusland na het verdwijnen van de dynastie, Rusland binnengevallen en probeerden het land gans te doen overgaan naar het uniatisme. De weerstand van het volk, opgehitst door de Russische Kerk, dwong hen om dit op te geven. Desondanks cohabiteren twee Kerken van de Byzantijnse ritus in UkraÏne : de orthodoxe Kerk en de Kerk van de ‘uniaten’ of ‘grieks katholieken’. Deze laatste Kerk breidde zich in de 19e eeuw tot in 1918 uit in west Ukraïne dat onder de Oostenrijkse overheersing stond. Ze werd opgeheven in 1946 op bevel van Stalin, zij werd in ere hersteld met de Perestroïka.

Een gelijkaardige evolutie heeft zich in Transylvaniê voltrokken, dat bevolkt was met een meerderheid van Roemenen maar geïntegreerd in Hongarije tot 1918. In 1700 heeft het orthodox episcopaat de Unie aanvaard, om het Roemeense volk van Transylvanië te beschermen steunende op Wenen en Rome….

In de 19e eeuw heeft deze grieks-katholieke Kerk een belangrijke rol gespeeld om de Roemeense cultuur haar latijnse wortels te helpen terugvinden (School van Ardeal). Opgeheven in 1948 heropgericht sedert 1989.

In het Midden-Oosten tenslotte, bij het begin van de 18e eeuw : een rivaliteit voor de troon van Antiochië, de actie van Katholieke machten, voornamelijk Frankrijk, de culturele en economische kracht van het katholicisme hebben de weg geopend voor de vorming van een grieks-katolieke Kerk. Deze Kerk heeft gedurende het 2e Vaticaans Concilie gepoogd om de rol te spelen van ‘brug-Kerk’ en haar theologen hebben op de meest authentische wijze de stem van het Oosten vertolkt.

Algemeen gezien echter werd het fenomeen van de uniaten door de orthodoxen aangevoeld als een agressie, een misleiding en een loochening van hun kerk-zijn. De renaissance van de grieks-katholieke Kerk in Ukraïne na de val van het communisme heeft intense spanningen veroorzaakt tussen orthodoxen en katholieken. In West Ukraïne en in Sowakije hebben de grieks katholieken hetzij met geweld – in Ukraïne – hetzij door een beslissing van de Staat – in Slowakije – bijna alle alle cultusplaatsen hernomen, de orthodoxen bleven ontwapend achter. In Transylvanië daarentegen waar de gelovigen tamelijk passief zijn deed de Kerk en de Roemeense staat geen recht aan de eisen van de uniaten, die ze hielden voor een zeer kleine minderheid en agressief. Het conflict duur nog altijd voort en breid zich nog steeds uit. Een relatief akkoord  werd echter bereikt in october 1998.

Sedert een twaalftal jaren, heeft er een dialoog plaats tussen de orthodoxie en het Katholicisme over dit probleem. In juni 1993 is de grote gemengde commissie katholiek-orthodox, die samengekomen was aan de universiteit van Balamand, in het noorden van Libanon, tot een akkoord gekomen : het uniatisme en het proselytisme werden er verworpen door katholieken en de orthodoxen hadden er zich er toe geëngageerd om tijdelijk de reeds bestaande grieks-katholieke Kerken te respecteren. Maar het lijkt er op dat de toepassing van dit akkoord zowel van de ene als van de andere kant grote moeilijkheden ontmoet.

9.- De 19e eeuw (tot 1917).

In de Balkan, die geleidelijkaan bevrijd werden van de Turken vormden (of hervormden) zich autocephale Kerken. De patriarch van Constantinopel gaf ertoe de toestemming of erkende, deze omvorming van dochter-Kerken tot zuster-Kerken, niet altijd zonder moeilijkheden noch ze te veronachtzamen,

Echter, wanneer de Bulgaren, vanuit een nationalistische houding, een kerk eisen, niet vanuit territoriaal, maar vanuit nationaal standpunt en waarvan de Bulgaren uit Constantinopel zouden deel van uitmaken, heeft het concilie van 1872, voorgezeten in deze stad door patriarch Anthimos VI streng deze vorm van ‘phyletisme’ dit wil zeggen ‘nationale rivaliteiten, twisten onder volkeren binnen de Kerk van Christus’ veroordeeld. Een gouden regel die de orthodoxe visie van de diversiteit zou moeten tot evenwicht brengen, maar ze is zelden in de realiteit toegepast.

De kritische westerse geest, ontvangen zonder voorbereiding noch gezond verstand, zou het orthodoxe geloof hebben kunnen ruïneren indien men er niet vanuit de ‘philocalische’ renaissance op voorbereid was. In Rusland trekken de startsi van Optina vele intellectuelen aan, en Griekenland kent een analoge uitstraling van de gerontes (= ouderen) tot in de literaire middens van de hoofdstad ( beweging genaamd de colyvades : de spirituelen hadden geprotesteerd tegen de celebratie de zondag, dag van de verrijzenis, van een rouwdienst, deze van de colyves, het eten bij een rouwdienst). De Russische hierarchie, die grote mystiekers kende (Theofaan de Kluizenaar, Ignatius Briantchanunoff) werd sterker, en de metropoliet van Moscou Philaret (1821-1867), een diepe theoloog die in zijn prediking de bijbelse en patristieke fundamenten van de Orthodoxie terugvindt komt naar voor als een de facto patriarch. De bijeenroeping van een concilie om het patriarchaat van Moscou in ere te herstellen werd vanaf 1904 beslist door de Synode : alleen de twijfels van Nicolaas II vertraagde dit tot aan de liberale revolutie van maart 1917.

De missie vergrootte haar krachtdadigheid, zowel op het wetenschappelijk als op het spirituele plan. Te Kazan werden de bijbelse en liturgische teksten vertaald in tientallen dialecten die in centraal en het verre -Azië gesproken worden. Groot werk is geleverd in China, Korea en Japan.

Samengevat, de ontmoeting met het Westen, geducht voor het folkloristisch geloof, veroorzaakt een krachtig reveil van de griekse gedachte, een bewustwording van de boodschap en de dienst van de Orthodoxie. In 1848, als antwoord op een appel van Pius XI, publiceren de oosterse patriarchen een plechtige encycliek om de paus te smeken om het dogma van de onfeilbaarheid niet in te voeren, dit om te verduidelijken dat de Waarheid wordt bewaard door het ganse lichaam van de Kerk. Deze encycliek vond een grote weerklank in Rusland.

Indien verschillende ‘slavofielen’ het volk van God verwarren met de cultuur van het Russische volk, indien zij willen democratiseren door té veel ecclesiologie, twee grote leke-theologen, Khomiakov en Kirievski ontwikkelen de orthodoxe notie van katholiciteit (sobernost) als vrije communio.

Een Gogol, een Dostojevsky onderzoeken de diepte van het moderne Atheïsme en tonen ons – dikwijls in het licht van de startsi – een vernieuwd christendom in de smeltkroes van angst en twijfel.

Vervolgens, bij het begin van de 20e eeuw, was er het grote avontuur, verward maar profetisch, van de Russische religieuse filosofie. Haar aanhangers zijn vrijwillig gehecht aan Christus na de tragische ervaring met het atheïsme. Velen komen uit het marxisme. Hun gedachten zijn dikwijls gekenmerkt door een zwaarwegende duitse gnosis en is waardevol door haar ‘afbakeningen’, haar eisen : de ganse moderne realiteit verkennen door een vernieuwde Orthodoxie,  een christelijke cosmologie uitwerken of beter een cosmische ecclesiologie rond de notie van Sophia, de Wijsheid van God, alomtegenwoordig (Soloviev, Florensky, Boulgakov),  een kennis
ondersteunen in het perspectief van een existentialisme en een christelijk personalisme (de Troubetskoï, Berdiaev). Een dikwijls tevergeefse inspanning, altijd stimulerend, en die de Russische gedachte, eenmaal bevrijd, begin te hernemen, maar dan in de marge van de kerkelijke institutie.

10.- De grote beproeving (van 1917 tot 1988).

In de 20e eeuw is het geweld van het atheïsme eerst op de Russische Kerk zijn nefaste uitwerking gehad. Van 1918 tot 1941 heeft ze één van de ergste vervolgingen doorgemaakt welke de christelijke wereld heeft gekend, met tientallen miljoenen martelaren (processen en executies van 1922-1923, verwoesting van het landelijk christendom , van priesters van de dorpen in 1928-1934, de grote stalinistische zuiveringen van 1937-1938) De radicale scheiding van Kerk en Staat en van de school werd ondernomen in het perspectief van de ‘ondergang van de religie’. Het werd gezien als iets onvermijdelijk  voor de officiële ideologie. Monasteria en seminaries werden dus gesloten, elke vorm van catechese verboden. Het dekreet van 2 april 1929 weigerde aan ‘religieuze verenigingen’ elke vorm van intellectuele, culturele, sociale en caritatieve activiteit. Men stond enkel, tegenover de ‘antireligieuze propaganda’ deze van de religieuze ‘cultus’ toe. Deze stellingname werd hernomen door de opeenvolgende Constituties van 1936 en 1977. Na de dood van patriarch Tikhon (1925), kon geen enkele patriarch meer gekozen worden. Het regime bevoordeelde echter een progressief schisma : de ‘levende Kerk’ genaamd, die aan het regime toegewijd was, en deze realiseerde de voorziene hervormingen gedaan in de voorbereidende preconciliaire werkzaamheden. Daardoor zette zij deze hervormingen blijvend in gevaar. (het gebruik van het russisch, bijvoorbeeld).

Alles veranderde met de tweede wereldoorlog. De trouw, het patriottisme, het prestige bij de bevolking van de traditionele Kerk, de noodzaak om alle krachten van het land bijeen te brengen, ook deze om te beantwoorden aan de heropening van vele kerken in bepaalde bezette zones, leidden tot de ‘normalisatie’ van 4 september 1943. Het patriarchaat werd opnieuw ingesteld, vele bisschoppen en priesters kwamen uit de deportatie terug, een beperkte vorm van kerkelijk onderwijs om priesters te vormen werd opnieuw toegestaan , het schisma van links werd ongedaan gemaakt. Na de dood van Stalin, van 1953 tot 1959 kende de Russische Kerk een korte lente. Men telde in 1959, 22.000 parochies (54.000 in 1917) bediend door 30.000 priesters, ongeveer 80 monasteria, 8 seminaries en 3 theologische academiën.

Van 1960 tot 1964, komt gedurende de laatste periode van de regering van Kroutchtchev een nieuwe golf van niet-bloedige maar ‘verstikkende’ vervolgingen tot stand om deze vernieuwingen te breken. In 1961 verliest een priester de leiding van zijn parochie, omdat ze zogezegd toekomt aan een ‘executief lekeorgaan’, waarvan sommige zijn ingesteld door de burgerlijke autoriteiten. De ‘ raad voor religieuze zaken bij  de Raad van ministers van de ussr’ controleert de patriarch en zijn synode. De lokale gevolmachtigden controleerden de priesters. Het aantal open Kerken wordt zo gereduceerd tot ongeveer 7000.

Sedert 1945 hebben alle Kerken van Zuid-Oost Europa (buiten die van Griekenland) dezelfde vervolgingen gekend.

Vertaling van het eerste hoofdstuk van het boekje van Olivier Clément : L’Orthodoxie

door Kris Biesbroeck

 

De Orthodoxe Kerk – deel 1

DE ORTHODOXE KERK

 Olivier Clément

 DEEL  1

Inleiding

Met het Rooms Katholicime en de Kerken voortgekomen uit de Hervorming, is de orthodoxe Kerk één van de  drie grootste uitderukkingsvormen van het historisch christendom. Zij telt ongeveer 200 miljoen gedoopten. In oost Europa moest zij lange tijd gebukt gaan onder de barbaarse omstandigheden van een totalitair regime. Sedert de grote politieke of economische emigraties van onze tijd is zij ook in het Westen aanwezig. Zij is er nochtans minder goed bekend.

Daarom hebben wij getracht, zonder het vuur en de zwakheden uit de geschiedenis te vergeten, om te gaan naar het essentiële. Dit doen we door te vertrekken vanuit het binnenste zelf. Om de levendige éénheid van de Orthodoxie naar waarde te schatten, zijn we kort gebleven in wat betreft de theologische fundering die haar eigen is, om vervolgens aan te tonen hoe deze zelfde realiteit de kerk structureert en haar plaats bepaalt in de heiligheid. Wat zou, op het spiritueel domein, een kennis voor ons betekenen die ons niet het gevoel zou geven van een innerlijke vooruitgang ? Dit is ten minste het doel van de korte bijdrage die wij hier willen geven.

Eerste hoofdstuk

 CHRONOLOGIE

1. – De orthodoxe Kerk in de lijn van de primitieve Kerk

 ‘Apostolisch’, de orthodoxe Kerk situeert zich in de ononderbroken continuïteitVan de primitieve Kerk.

Onder de kenmerken die eigen zijn aan het Oosten, zijn er verschillende  die de historicus treffen: de paasvreugde van de Verrijzenis, de overwinning op de dood en de hel, gemeenschappelijk voor alle christenen, is nooit verduisterd geweest in de Orthodoxie door een overdreven aandacht voor goede vrijdag. De Handelingen der Apostelen verheerlijken de werkdadigheid van de Naam van Jezus : de aanroeping van deze Naam vormt de kern van de orthodoxe spiritualiteit. Voor de heilige Johannes welt het licht en het leven op uit de sacramenten : een Cabasilas in de 16e eeuw, een Johannes van Kronstadt onderlijnen dat het ‘leven in Christus’ ons het bewustzijn geeft en de ervaring van deze sacramentele genade… De locale eucharistische gemeenschap manifesteert ons de gansheid van de Kerk (‘de Kerk van God te Rome…te Korintië’ schrijft Paulus):  dit is ook vandaag nog het fundament van de orthodoxe ecclesiologie. Alle locale kerken  drukken in het concilie hun gemeenschappelijk getuigenis uit : de Orthodoxie ziet in het ‘concilie’ van Jeruzalem (Hand.15,5-29) het prototype van haar denkbeeld van getuigenis en dienst in de Kerk… De ‘charisma’s’ van de Geest zijn overvloedig aanwezig in de apostolische tijden : de Orthodoxie heeft altijd een waarachtige profetische ambt gekend, luisterrijk of verborgen.      

2. – De zeven Oecumenische concilies

Met de bekering van het romeinse Keizerrijk (4e eeuw), en de veralgemeende christianisering van de wereld rond de middellandse zee, de ontmoeting met de griekse filosofen verplicht de Kerk om de ‘intellectuele inhoud’ van het mysterie waarvan zij leeft te verduidelijken. De griekse Vaders hebben niet geprobeerd om een synthese samen te stellen tussen de openbaring en de filosofie : met een onafhankelijke souvereiniteit hebben zij de techniek en de filosofische woordenschat gebruikt uit hun tijd, zonder zich op te sluiten in één bepaald systeem (alles evenzeer, en alles ook even weinig stoïcijns en aristotelisch als platonisch…) In een altijd concreet perspectief, soteriologisch, hebben zij deze christelijke gedaanteverandering van de denkbeelden welke Byzantium ons zal nalaten met ijver verdedigd. Het Semitisch aards  genie van Antiochië matigt het meer symbolische genie dat Alexandrië is. De grote ascese van de woestijn schrijft de theologie voor aan de contemplatie en, met Macarius de Grote ( of de onbekende die onder die naam schuilgaat) hervindt de bijbelse eenheid van de mens zich in het ‘hart’ – dit tegen het griekse dualisme.

Het is in deze tijd, in het kader van het christelijk Keizerrijk en op initiatief van de keizers zelf die bezorgd waren om de eenheid van het geloof van hun onderdanen te bewaren, dat in het mediteraan Oosten de zogenaamde 7 Oecumenische ( komt van oecuméné . de bewoonde wereld –  gelijk met het Keizerrijk) concilies zijn tot stand gekomen. De orthodoxe Kerk heeft vóór en na nog andere concilies gekend, waarvan hun beslissingen de Kerk hebben verrijkt. Nochtans kent zij aan de 7 oecumenische concilies een bijzondere betekenis toe, omdat ze de christologische boodschap van de Kerk hebben verduidelijkt, het mysterie van Christus waarlijk God en waarlijk mens, de spil van gans het christelijk geloof.

Het concilie van Chalcedonië (451), hoogtepunt van de christologie, belijdt Christus ‘waarlijk God en waarlijk mens’ ‘die zich doet kennen in twee naturen zonder vermenging, zonder verandering, ondeelbeer, onscheidbaar, op deze wijze dat…de eigenschappen van elke natuur slechts het meest intens zijn wanneer ze verenigt blijven in één enkele persoon of hypostase…’.

De oecumenische concilies hebben ook de lokale kerken gegroepeerd rond enkele ervan, die een rol spelen als centra van overeenstemming : zo staat de bisschop metropoliet in voor de bisschopswijding van zijn provincie, en de patriarch voor de wijding van metropolieten. Er kwamen vijf patriarchaten tot

stand          : Rome, Constantinopel, Alexandrië, Antiochië, Jeruzalem ( de ‘Pentarchie’). Rome had de rol van ereprimaat en had een grote morele autoriteit, maar haar juridische macht herleidde zich in het Oosten tot een beperkt juridisch appèl

3. – Het schisma tussen de Westerse en de Oosterse christenheid.        

Tussen de 11e en de 13e eeuw, scheidden de wegen van het Westen en het Oosten zich geleidelijk.

De diepste reden, die alleen de duur van de scheiding verklaren, zijn theologisch. Er is vooreerst het probleem van de voortkomst van de Heilige Geest.   

Het Credo van Nicea-Constantinopel, hernam de woorden van Christus (Johannes 16,26),         dat de heilige Geest ‘voortkomt uit de Vader’. In een conceptuele context dat verschilt van die uit het Oosten, en die we zullen vermelden ter gelegenheid van onze uiteenzetting van de trinitaire theologie, zal het Westen vanaf de 3e-4e eeuw verklaren dat de Heilige Geest voortkomt : ‘…uit de Vader en de Zoon’ a Patre Filioque .  Laat gekend in Byzantium, werd deze formule streng verworpen in de 9e eeuw door patriarch Photius die bevestigt : ‘De
Geest komt uit de Vader alleen voort’.

Een andere essentiële oorzaak van het schisma is de wil van de pausen om de morele primauteit, een aanwezigheid in liefde, (heilige Ignatius van Antiochië) in de schoot van de locale kerken om te vormen tot een rechtstreekse juridische macht  over deze kerken, tot misprijzen van de traditionele rechten van de bisschoppen, de metropolieten, de patriarchen. In de 11e eeuw zal de gregoriaanse hervorming, die het pausdom wilde bevrijden van de duitse keizers en de kerk van de feodaliteit, een poging ondernemen om de bisschoppen rechtstreeks onder het gezag van de paus te onderwerpen (en de koningen : theorie van de ‘twee zwaarden’), en de onfeilbaarheid van het hoogste kerkelijk gezag van Rome opeisen (onfeilbaarheid die nochtans maar zal worden gedogmatiseerd in 1870).

De hervormers omringden reeds paus Leo IXe wanneer hij in 1054 een missie naar Constantinopel zond. De voornaamste legaat, kardinaal Humberto,  was een vurig hervormer die overal de wil van Rome wilde opleggen. Tegenover de terughoudendheid van de patriarch van Constantinopel, Michaël Caerularius, legde Humbert op 15 juli 1054 een excommunicatiebulle neer op het altaar van de kerk van de Heilige-Sophia. Daarin veroordeelde hij onder andere de Grieken om het Filioque uit het Credo te hebben weggelaten en het huwelijk van priesters te hebben toegestaan !

In 1204 heeft het onherstelbare zich voltrokken : de 4e kruistocht week af naar Constantinopel, de stad werd ingenomen, de kerken geprofaneerd, de iconen stukgeslagen, de relieken werden geworpen in verachtelijke plaatsen, een prostituee  zong obscene liederen op de patriarchale troon.

Paus Innocent II keurde de gewelddaden van de kruisvaarders af, maar bevestigde de benoeming van een venetiaans patriarch te Constantinopel. De Byzantijnen ontdekten op een brutale wijze de latijnse ecclesiologie : Rome had dezelfde criteria niet meer van de waarheid als het Oosten.

4. – Grootheid van Byzantium

Zoals in de 7e eeuw had de Islam de oude patriarchaten van het Nabije Oosten overstroomd, zonder ze echter te verwoesten. Constantinopel werd voor eeuwen het centrum van het orthodoxe leven : een smeltkroes van een opmerkelijke christelijke cultuur, die voor de mensen de ‘ hemel op aarde’ wilde openen door de iconen en de liturgie. Terwijl de gewijde kunst zich had bevrijd van het naturalisme, bloeide er een immense liturgische  poëzie op, die van de ‘byzantijnse ritus’ – in feite niet rechtstreeks – de enige ritus van de Orthodoxie zal maken : een ontmoeting van het semitische genie en het griekse genie waarvan de meesters twee Syriërs waren, Romanos le Melode (6e eeuw) en de heilige Johannes van Damascus (8e eeuw)die de synthese van de grote patristieke eeuwen opstelde en ze hervormde tot een lofprijzing door bewonderenswaardige ‘Canons’ samen te stellen (gedichten tussen de bijbelse gezangen van de metten).

De grote byzantijnse theologie slaagde erin om de woordenschat van het hellenisme om te vormen in het licht van de Openbaring. Tegen de periodieke ‘renaissances’ van het antieke rationalisme en van de neo-platonische gnose, onderlijnde de Kerk altijd duidelijker de eenheid van de mens en een opvatting van de kennis als een persoonlijk ontmoeting en deelneming, in de Heilige Geest, aan de getransfigureerde mensheid van Christus en waaraan wij deelhebben in de sacramenten. Op de christologische periode van de oecumenische Concilies volgde als het ware een pneumatologische periode.

De leer van de Heilige-Geest werd verduidelijkt – met betrekking tot de Drie-eenheid en de mens – als was zij deze van Christus in de voorgaande periode : de Geest komt voort ‘uit de Vader alleen’ (heilige Photius, 9e eeuw), maar zijn eeuwige ‘manifestatie’ voltrekt zich door de Zoon waarin hij rust (Gregorius van Cyprus en het concilie van 1285).

Tenslotte de Concilies van Constantinopel van 1341 en 1351, gewijd aan het onderricht van Gregorius Palamas, verduidelijken het ‘onderscheid-gelijkheid’ van de verborgen God, radicaal, onkenbaar, en zijn ‘energieën’ in dewelke hij zich volledig participeerbaar stelt voor de gehele mens, zowel het lichaam als de ziel. Byzantium anderzijds, heeft onderlijnd, dat het christelijk leven onlosmakelijk profetische vrijheid (heilige Symeon de Nieuwe Theoloog, 11e eeuw) en gemeenschappelijke  en sacramentele deelname is aan de tegenwoordigheid van de Verrezene (‘La vie en Christ’ van Nicolas Cabasilas, 14e eeuw)

5. – Problemen van de ‘symfonie’

Alleen de iconoclastische keizers van de 8e eeuw hebben formeel  aanspraak willen maken van de cumul van de twee machten (‘Ik ben keizer en priester’, heeft Leo II gezegd). Welnu, de weerstand van de Kerk hiertegen werd actief, belijdend – niet door een revolte, maar door het martelaarschap. Niet door clerikalen, noch door geleerden, maar door waarachtige profeten van de komende wereld. De monniken wekten het getuigenis van het volk op en riepen : ‘Het komt niet aan het keizerrijk toe om beslissingen te nemen op het gebied van geloof’

Het bloed van de martelaren zegevierde. Het keizerrijk kwam gans getransformeerd uit het drama tevoorschijn, bevrijd van het caesaropapisme. Dan bloeide het ideaal van de ‘symfonie’ open : de twee machten (vertegenwoordigd door de Keizer en de Patriarch) moeten elkaar in evenwicht houden, zich harmoniseren, elk in zijn domein, komende van God; De Staat is de verblijfplaats, het ‘hotel’ van de Kerk. Feitelijk haalde de keizer het op de Patriarch, maar de uiteindelijke onafhankelijkheid van de Kerk werd gewaarborgd door de monniken, vooral deze van de Athos :’een bi-polaire structuur’, zei H.-I. Marrou.

Dit heimwee van de ‘symfonie’ van de Kerk en de Staat maakt het de bischoppen van vandaag moeilijk om over hun relatie met de Staat na te denken in een post-christelijke context. Het is alleen in de hedendaagse Diaspora en op de synode van Moscou in augustus 2000 dat de noodzakelijke onafhankelijkheid van de Kerk werd geproclameerd.

6.- De byzantijnse missie en het nieuwe orthodoxe universum

Byzantium ten sotte heeft een immens missionair werk vervuld. Het heeft Oost Europa bekeerd (en geciviliseerd), van de Kaukasus tot de Karpaten en de poolcirkel. De beslissende toename deed zich in de 9e en de 10e eeuw voor : terwijl Georgië (bekeerd in de 5e eeuw door de heilige Nina) een nieuw leven kende door zijn contact met Constantinopel, de landen van de Kaukasus werden geëvangeliseerd, de heiligen Cyrillus en Methodius vertaalden de Bijbel en de liturgie voor de Bulgaren. Zo gaven zij aan de Slaven een geschreven taal, het slavisch, die tot op de dag van vandaag hun liturgische taal is. Bulgaren en Serven werden gedoopt in de 9e eeuw, de Roemenen hadden het christendom leren kennen vanaf de eerste eeuwen, terwijl de Rus van Kiev en van Novgorod (van waaruit Rusland, Ukraïne en Wit-Rusland) zich begonnen  te evangeliseren (of veeleer ‘geliturgiseerd’ zoals men heeft gezegd) in 988. Byzantium organiseerde de nieuwe kerken en metropolitaten die geleidelijkaan ged
ecentraliseerd werden, maar waarvan de metropoliet werd geconsacreerd door de patriarch van Constantinopel. Echter, Bulgaren en Serven hebben elke keer dat zij voldoende machtig waren om zich te verzetten tegen het Keizerrijk (lees : de keizerlijke waardigheid te eisen) bereikten de kerkelijke onafhankelijkheid of ‘autocéphalie’ (met een ‘eerste locale  bisschop’, verkozen door zijn gelijken).

Rusland, in tegenstelling met west Europa en Byzantium, bewaarders van diverse titels van het oude humanisme, is voor bijna alles schatplichtig aan het christendom. Het is vooral met de vernieriging van de Rus van Kiev door de Mongolen en het in zichzelf gekeerd zijn in de wouden van het Noord-Oosten (de metropoliet verloor zijn zetel in Moscou) dat de Kerk de bewaakster van de nationale ziel werd. In de 14e eeuw herstelt Sergius van Radonesj het monnikendom in een geest van evangelische dienstbaarheid. Hij verzoende de feodalen, zegende de grote prins van Moscou Dimitri op de vooravond van de bevrijdingsstrijd van Koulikovo (1380). De monasteria vermenigvuldigden zich (beweging van de poustiniki : zij die in de woestijn gaan wonen), ontgonnen de bossen, trokken mensen aan die zij evangeliseerden. Elk monasterie werd een centrum van christelijke cultuur : de orthodoxe iconografie kende toen het toppunt met hun abstracte grootheid – de verborgen structuren van hun getransfigureerd gezicht – van een theofaan de Griek, en het vreugdevolle licht, vloeiend , van een heilige Anderj Roeblov. De Russische Kerk van haar kant, werd missionair, bekeerde vele Mongolen en Finse stammen van het Noorden. In de 14e eeuw, vertaalde de heilige Stefanos van Perm de Schrift en de liturgie in het ziriaans en werd de eerste bisschop van Perm, hoofdstad van het land van Zyziane.

De Byzantijnse theologie en spiritualiteit hield niet op dit nieuwe orthodoxe universum te voeden. De renaissance van de hesychastische spiritualiteit, waarvan de heilige Gregorius Palamas de woordvoerder was, veroverde gans het orthodoxe universum. Het bracht een brede liturgische hervorming met zich mee en een ontwaken  van het persoonlijk gebed; grote monastieke en culturele centra ontstonden aldus in Moldavië, en het ‘zuivere gebed’ straalde op in ‘boven Volga’, in de ermitages van de noordelijkke bossen rond een heilige Nil Sorsky….

Zo heeft Byzantium, voordat ze zou bezwijken aan de aanvallen van de Turken, het licht van de orthodoxe wereld uitgezaaid. Het laatste Byzantium, dit van de Paleologen, losgerukt aan de zekerheid en ten prooi aan de hoogmoed van een ongelukkige geschiedenis, mediteert met een ‘gelukzalige droefheid’ over de vernedering van de Pantocrator, welke Nicolas Cabasilas noemt een ‘bedelaar van de liefde’. Vandaag blijft er niets meer over van de byzantijnse beschaving in haar profane vormen : steden en paleizen zijn verdwenen… Alleen bestaan nog de kerken en, op hun muren, de Christus elkoméno,’uitgejouwd’,vernederd, nochtans vrijwillig gaande naar de foltering en heimelijk         triomferend, heimelijk getransfigureerd.

Vertaling van het eerste hoofdstuk van het boekje van Olivier Clément : L’Orthodoxie

door Kris Biesbroeck

Icoon van de Moeder Gods van Vladimir

ICOON VAN DE MOEDER GODS VAN VLADIMIR

Moeder Gods vladimir 2214

Kenmerkend voor deze ikoon is de innigheid tussen moeder en kind, waarbij het kind vragend de ogen opslaat naar zijn moeder – en de moeder nadenkend voor zich uitkijkt. Bijgeschreven staat (in griekse letters) de afkorting voor ‘Moeder Gods’ en ‘Jezus Christus’.

Deze afbeelding van Maria met het kind Jezus gaat volgens de legende terug op een ‘portret’ gemaakt door de evangelist Lucas. De icoon, die als voorbeeld heeft gediend voor de hier getoonde icoon, geldt als de oudste afbeelding van dit type. Lange tijd is men ervan uitgegaan dat deze ‘Vladimirskaya’ dateert uit de 12de eeuw; en dat die ooit is vervaardigd in Constantinopel. Maar meer waarschijnlijk is het, dat dit alleen geldt voor delen van de kleding. Het overgrote deel zou in de 16de eeuw zijn geschilderd (of overgeschilderd).

De Moeder Gods verwijst naar de “grote moeder”, de moeder van alle leven, Moeder Aarde, die lijdt onder onrecht en de machten van het kwaad die dit leven aantasten en bedreigen.

De Moeder Gods verwijst ook naar de solidariteit met de lijdende mensheid: zij is het die voor de troon van Christus pleit voor het behoud en de redding van alles wat verloren dreigt te gaan.

Zo representeert de Moeder Gods ook de kerk: zij draagt in haar armen het kostbare Christusgeheim; en tegelijkertijd ontleent zij haar betekenis aan dit goddelijk kind, dat ons het mysterie heeft laten zien van een God die niet onbewogen is en veraf, maar bewogen en ons ‘genadig nabij’; van een God die troost en bevrijdt, en die ons verzoent met het bestaan door zijn geest; van een God dus, die vernieuwt en uitzicht geeft op toekomst.

De icoon nodigt ons uit tot meditatie: over wat ons is geschonken in het ‘Woord van God’ in deze wereld, en in de geloofsgemeenschap die daarop steunt.
De icoon nodigt ook uit tot meditatie over onze eigen levensopdracht: wat doen wijzelf met alles wat dreigt geschonden te worden of verloren te gaan? Hoe koesteren wij de bronnen van leven.

Bron : Kerkwinkel koinonia

 

De icoon van Christus Pantocrator

DE ICOON VAN CHRISTUS VERLOSSER

Christus pantocrator (Koinonia)

 

De ikoon laat de verheerlijkte Christus zien: de koning van het Al, die troont in de hemel. De troon is weliswaar niet te zien, maar – dat het hier gaat om Christus, die als richter-koning is teruggekomen voor het laatste oordeel – dat blijkt uit de tekst die te lezen is in de opengeslagen bijbel: “Komt, gezegenden van mijn Vader: beërft het koninkrijk dat u bereid is”. (Mattheus 26:34).

Ook naast zijn hoofd van de Christus staan griekse letters. We lezen daar: Jezus Christus, de Verlosser. Bij het woord ‘verlosser’ denken we misschien in eerste instantie aan de kruisdood van Jezus: toch vinden we de gedachte, dat Jezus de mensheid heeft verlost door zijn dood aan het kruis eigenlijk alleen bij de apostel Paulus. In de talrijke redevoeringen in het boek Handelingen (geschreven door de evangelist Lucas) komt deze verlossingtheologie niet voor. En al evenmin bij de andere evangelisten. Bij hen ligt de nadruk op het leven van Jezus, en de heilsbetekenis daarvan: op de tekenen en de wonderen die Jezus heeft verricht, en die laten zien dat hij macht heeft over het kwaad; op zijn bewogenheid, wanneer hij ziet hoe de “schare” zonder herder is; op zijn liefdevolle zorg voor zieken en maatschappelijke randfiguren; en op het gezag waarmee hij mensen hun zonden vergeeft.

De tekst op de ikoon verbindt deze gedachten met elkaar. Het zijn woorden die ontleend zijn aan de zgn. “eschatologische rede” (rede over de laatste dingen). Verondersteld is dat Jezus bij zijn wederkomst deze redevoering uitspreekt:
“Komt gezegenden van mijn Vader en beërft het koninkrijk van mijn Vader, dat u is bereid vanaf de grondlegging van de wereld”. Om het diakonale aspect van deze tekst te kunnen herkennen moeten we de tekst nog even verder lezen. De motivatie, die volgt op deze uitspraak, bestaat uit zes regels, die worden ingeleid met het woordje ‘want’:

want
ik ben hongerig geweest en gij hebt mij te eten gegeven
ik ben dorstig geweest en gij hebt mij te drinken gegeven
ik was vreemdeling en gij hebt mij geherbergd
naakt en gij hebt mij gekleed
ik ben ziek geweest en gij hebt mij bezocht
ik was in de gevangeenis en gij zijt tot mij gekomen.

Hieruit blijkt dat het dus in feite niet zozeer gaat om een eindgericht als wel de gevolgen van ons practische handelen. Eeuwenlang is door uitleggers van deze tekst benadrukt dat we mogen leven uit de verwachting dat er ooit, aan het einde van de tijden, een hemels heilsrijk zal zijn. Maar daar is het Mattheus niet om te doen: in aansluiting bij de Joodse traditie (die nauwelijks spreekt over een bestaan na de dood) legt hij de nadruk op het heil in deze wereld. In West Europa zijn we pas sedert de Verlichting gaan begrijpen, dat we verantwoordelijk zijn voor de wereld die we achterlaten voor ons nageslacht; en dat we dus, in het beste geval, mogen hopen op een betere wereld voor onze kinderen en kleinkinderen.

De tekst op de ikoon verwijst niet naar een verre toekomst en een andere wereld: de tekst verwijst naar de zegen, die mensen voor elkaar kunnen zijn, wanneer ze zich bewust zijn van hun levensopdracht en wanneer ze zich – in overeenstemming daarmee – gedragen als erfgenamen van het ultieme heil waartoe de mens ‘vanaf den beginne’ is bestemd.

 Bron : Kerkwinkel Koinonia – met toestemming

Icoon van johannes de Doper

ICOON VAN JOHANNES DE VOORLOPER

Johannes de Doper (op te nemen)
 

Jij, wie ben jij?” (Συ τις ει; Joh.1:19). Dat was de vraag waarmee Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten op Johannes afstuurden om hem te vragen wie hij was. Men verwachtte de Messias. Maar daarover is Johannes duidelijk: hij is het niet. Zou hij dan misschien Elia zijn? Maar de profeet: nee, dat is hij al evenmin. En zo blijft de vraag min of meer onbeantwoord.

Het Messiasbegrip stamt uit de traditie van het volk, dat vele duistere tijden heeft gekend. Steeds waren er dan weer mensen, die zich afvroegen wat er nodig zou zijn om een messiaanse tijd te laten aanbreken: een wereld, waarin mensen waardig en in vrede met elkaar zouden kunnen leven. Ook in het Nieuwe Testament vinden we uiteenlopende gedachten over deze kwestie. Sommigen verwachtten een profetische gestalte, die het lot zou kunnen keren: een soort Elia – de kampioen in het bestrijden van afgodenvereerders. Anderen verwachtten het heil van een politieke gestalte, een nieuwe David, of een tweede Mozes. En volgens nog weer anderen was het wachten op een hogepriester, een Aäron die de cultus zou hervormen. Maar er waren er ook die dachten aan een voleinding: zij spreken over het einde van de tijd, over het moment waarop de rekening wordt opgemaakt. Pas na een definitieve vergelding kan er iets nieuws komen, een nieuwe aarde. Johannes de Doper roept mensen op om zich te bekeren. Maar wie is hij dan?

“Jij, wie ben jij?” De Oosterse kerk heeft deze Johannes verbonden met het gebed: steeds zien we hem samen met de Moeder Gods afgebeeld, waarbij zij staan rond de troon van de verhoogde Christus. Deze compositie, bekend als de ‘deësis’ (= gebed), heeft een vaste plaats heeft gekregen op de ikonostase.

Vaak wordt gesuggereerd dat de Moeder Gods en Johannes de Doper een voorspraak zijn voor deze wereld: dat zij smeken om barmhartigheid. Maar dat is misleidend: wij associëren de voorspraak gewoonlijk met woorden waarmee gebeden wordt voor de nood van de wereld. Maar volgens de ortodoxe theologie gaat het bij het bidden niet in de eerste plaats om de inhoud. Veel essentiëler is een openheid voor het heilige; een respect voor ‘wie er was vóór wij er waren, en er zal zijn als wij er niet meer zijn’; voor Hem die oorsprong, grond en bestemming is van ons bestaan. Die openheid is louterend. De Moeder Gods en Johannes zijn in hun openheid voor het heil voorbeeldig. Antwoordde Maria de engel niet met de woorden ‘mij geschiede naar uw woord’? Wat zou ervoor nodig zijn om je deze houding eigen te maken?

Elk bidden veronderstelt die houding. Paulus schrijft erover in zijn brief aan de gemeente in Rome: “Wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen; de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten” (Romeinen 8:26). De Geest huist niet in ons ‘ik’, maar neemt ons op in de heilige gemeenschap waar de mens zich opent voor het goddelijk GIJ, zich laat aanspreken door de Stem van de Levende; de Stem, die opklinkt in het gebeuren sedert de schepping.

“Jij, wie ben jij?’ Johannes, die doopt met water, brengt daarmee mensen samen in de gemeenschap rond Gods troon: om daar de liturgie te voltrekken. Zo is Johannes een voorganger: degene die voorop gaat en binnen leidt in het mysterie van Gods koninkrijk.

Bron : Kerkwinkel Koinonia – met toestemming

Augustinus : Eenheid en Liefde – deel 2

AUGUSTINUS

 Augustinus 555

Eenheid  en liefde

 2e deel

Uit zijn preken over de eerste brief van Johannes

 4.

Misschien vraagt iemand van u zich ongerust af waarom Johannes zo nadrukkelijk en uitsluitend insisteert op de liefde voor de medemens : “Wie zijn broeder liefheeft”(1 joh. 2,10). En “Dit is zijn gebod, dat wij elkaar liefhebben” (1 Joh.3,23). Aanhoudend heeft hij het over de liefde tot de mens. De liefde tot God, dat wil zeggen de liefde waarmee wij God beminnen, komt niet zo dikwijls ter sprake, hoewel men niet kan zeggen dat hij er helemaal stilzwijgend aan voorbijgaat. Maar in praktisch  heel zijn brief spreekt hij niet over de liefde tot de vijand. Terwijl hij uit alle kracht de liefde verkondigt en op het hart drukt, zegt hij nergens dat wij onze vijanden moeten beminnen; hij zegt altijd dat wij onze broeders moeten beminnen.

Bij de lezing van het evangelie zojuist hebt gij evenwel gehoord : “Als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan ? Doen ook de zondaars dat niet ?” (Matth.5,46). Hoe kan de Apostel Johannes de broederlijke liefde voorstellen als een hoogtepunt van volmaaktheid, waar Christus zelf zegt dat het niet voldoende is zijn broeder te beminnen, maar dat onze liefde zich ook moet uitstrekken tot onze vijanden ?. Zijn liefde uitstrekken tot zijn vijanden wil niet zeggen : zijn broeder overslaan. De liefde is als vuur; het begint met wat het dichtstbij ligt en loopt dan verder.

Uw broeder is u meer nabij dan de eerste de beste mens. Van de andere kant is u meer gelegen aan een onbekende die niets tegen u heeft, dan aan een vijand die tegen u is. Strek uw liefde uit tot uw naasten, alhoewel ge hier eigenlijk niet kunt spreken van “uitstrekken”, want indien ge mensen bemint die met u één geworden zijn, bemint ge om zo te zeggen uzelf. Strek uw liefde uit tot onbekenden, die u nooit enig kwaad gedaan hebben. Ga nog verder en tracht uw vijand te beminnen. Er bestaat geen twijfel over dat de Heer dat van u verlangt. Waarom spreekt Johannes dan niet over deze liefde tot de vijand ?

5.

Elke liefde veronderstelt een zekere welwillendheid tegenover hen die we beminnen. Ook de lichamelijke liefde, die we eerder genegenheid noemen (Het woord “liefde” wordt in onze cultuur immers gewoonlijk voorbehouden om een meer verheven liefde aan te duiden. Hoewel voor mij alle woorden om de liefde aan te duiden gelijkwaardig zijn, aangezien de H. Schrift ze door elkaar gebruikt). Want wij mogen en kunnen de mens niet beminnen zoals een gastronoom verklaart van gebraden lijsters te houden. Waarom niet ? Omdat de gastronoom er alleen maar op uit is te doden en op te eten. Als hij zegt dat hij van gebraden lijsters houdt, dan houdt hij niet van de lijsters zelf, want die laat hij niet in leven, doch vernietigt hij. Van eten houden we slechts om het te verbruiken en zelf weer op kracht te komen. Maar van mensen mogen we nooit houden als van verbruiksgoederen. Neen, vriendschap is een zaak van welwillendheid ; vriendschap is iets willen geven aan hen die we beminnen. En als men dan niets heeft om te geven ? Dat is niet erg, de welwillendheid alleen is genoeg voor iemand die bemint.

Het heeft geen zin te verlangen dar er ongelukkige mensen zouden zijn om zich barmhartig over hen te kunnen buigen. Gij geeft brood aan iemand die honger heeft, maar het zou veel beter zijn dat niemand honger leed en gij aan niemand iets hoefde te geven. Gij geeft kleren aan iemand die er geen heeft, maar het zou veel beter zijn dat iedereen kleren bezat en er geen armoede bestond. Gij begraaft doden, maar het zou veel beter zijn dat iedereen het leven bezat, en dat niemand meer hoefde te sterven. Gij tracht mensen die het oneens zijn met elkaar, te verzoenen ; maar het zou veel beter zijn te leven in die eeuwige vrede van Jeruzalem waarin geen onenigheid meer bestaat. Al de hulp die wij geven wordt opgeroepen door nood. Neem de ongelukkigen weg uit deze wereld en alle werken van barmhartigheid worden overbodig.

Maar als er in deze wereld geen barmhartigheid meer nodig is, betekent dit dan niet noodzakelijk het einde van de weldoende gloed van de liefde ? Helemaal niet. Uw liefde zal meer authentiek zijn, als zij uitgaat naar een gelukkig mens aan wie ge niets hoeft te geven ; zij zal zuiverder en oprechter zijn. Want als gij geeft aan een ongelukkig mens, dreigt het gevaar dat gij over hem wilt heersen en hij, die de beweegreden was van uw weldaad, u onderdanig moet zijn. Hij verkeert in nood, gij geeft hem iets. Omdat gij de gevende partij zijt, lijkt gij beter en meer te zijn dan hij aan wie ge geeft. Wens dat iedere mens uw gelijke is, zodat wij allen op gelijke wijze afhankelijk zijn van die Ene, aan wie wij niets kunnen geven.

6.

In dergelijke zaken kent de hoogmoedige mens geen maat en daardoor wordt hij ook op een bepaalde manier hebzuchtig, aangezien “de geldzucht  de oorsprong is van alle kwaad” (1 Tim.6,10). Er is ook gezegd dat “de hoogmoed het begin is van elke zonde”(Sir.10,15). Soms vragen wij ons af, hoe deze twee uitspraken met elkaar te verenigen zijn : “De geldzucht is de oorsprong van alle kwaad” en “De hoogmoed is het begin van elke zonde”. Als de hoogmoed het begin is van elke zonde, dan is zij ook de oorsprong van alle kwaad. De hebzucht is ongetwijfeld eveneens de oorsprong van alle kwaad, want in de hoogmoed ligt hebzucht opgesloten. Dit blijkt hieruit dat de hoogmoed geen maat kent. En wat is hebzucht? Ook hebzucht bestaat juist daarin : verder willen gaan dan nodig is. Door hoogmoed is Adam ten val gekomen, want “de hoogmoed is het begin van elke zonde”. Daar was ook hebzucht mee gemoeid, want wie is meer hebzuchtig dan een mens voor wie God nog niet voldoende is ?.

We lezen hoe de mens gemaakt is naar het beeld en de gelijkenis van God. Van deze mens zei God : “Hij heerse over de vissen van de zee, de vogels in de lucht en alle dieren die zich over de aarde voortbewegen”(Gen.1,26). Hij zei niet : hij heerse over de mens ! Hij gaf de mens wel macht over de natuur : over de vissen, de vogels en de dieren die over de aarde kruipen. Waarom heeft de mens van nature een zekere macht over deze dieren ? Die macht bezit hij door het feit dat hij geschapen is naar Gods beeld, De mens is beeld van God door zijn verstand, door zijn geest, door zijn innerlijkheid ; doordat hij de waarheid begrijpt, onderscheid kan maken tussen recht en onrecht, weet door wie hij geschapen is, en zijn schepper kan verstaan en leven. Wie zich verstandig gedraagt, bezit dit inzicht.

Daarom roept de Schrift tot de velen, die het beeld van God in zich door slechte begeerten verwoesten en de vlam van hun begrip door perverse zeden als het ware doven : “Word niet gelijk aan paarden of muilezels zonder verstand”(Ps.31,9) Hetgeen hierop neerkomt : Ik heb u gesteld boven paarden en muilezels. Ik heb u gemaakt naar mijn beeld, Ik heb u macht gegeven op al het andere. Waarin bestaat die macht ? Hierin dat de bee
sten geen verstandelijke geest bezitten. De mens echter kan met zijn verstand de waarheid vatten en begrijpen wat boven hem uitstijgt. Onderwerp u aan Hem die boven u uitstijgt, en alles waarover gij als meerdere gesteld zijt, zal u onderworpen blijven. Omdat de mens echter door de zonde God verlaten heeft aan wie hij onderworpen moest zijn, wordt hijzelf de mindere van de wezens waar hij boven moest staan.

7.

Let op de volgorde : God, mens, dier. God boven u, het dier onder u. Erken Hem die boven u staat, om zelf erkend te worden door wat beneden u staat. Toen Daniël God erkende, erkenden de leeuwen hem als hun meerdere (Dan.6,22). Als ge echter Hem die boven u staat niet erkent of veracht, dan wordt ge afhankelijk van het lagere. Heeft God de hoogmoed van de Egyptenaren niet klein gekregen door middel van kikvorsen en muggen ?(Exodus 8) God had daarvoor ook leeuwen kunnen gebruiken, maar een leeuw gebruikt men om een moedige en sterke mens af te schrikken. Daarvoor waren de Egyptenaren te hoogmoedig en hoe hoogmoediger ze waren met des te geringere onbenulliger dingen moest hun hoogmoedige houding gebroken worden. Maar de leeuwen hadden ontzag voor Daniël omdat hij ontzag had voor God.

En de martelaren dan ? zij moesten vechten met wilde beesten en zijn door hun tanden verscheurd. Dat was toch niet omdat zij God niet erkenden ! Of waren de drie mannen in de vuuroven wel dienaren van God en de Makkabeën niet ? Het vuur week voor de drie mannen die God trouw bleven en verbrandde hen noch hun kleren (Dan.3,50). Maar het vuur spaarde de makkabeën niet. Neen, zusters en broeders, het vuur heeft ook de Makkabeën gespaard (2 Makk.7). Maar in hun geval was er een beproeving nodig en God liet die toe, naar het Schriftwoord : “God beproeft elk kind dat Hij als het zijne erkent” (Hebr.12,6). Ge denkt toch niet dat het staal de borst van de Heer zou doorboord hebben, als Hij het niet toegelaten had; of dat Hij op het kruishout zou gehangen hebben, als Hij het niet toegelaten had ; of dat Hij op het kruishout zou gehangen hebben, als Hij het zelf niet gewild had ? Heeft zijn schepsel Christus niet erkend of wilde Christus aan zijn gelovigen een voorbeeld van geduld geven ?

Zo bevrijdt God sommige mensen op tastbare wijze, anderen niet. Maar alle mensen maakt hij geestelijk vrij. Geestelijk laat Hij geen enkele mens in de steek. Uiterlijk lijkt God sommige mensen te verlaten, terwijl Hij anderen uiterlijk redt. Hij heeft sommigen ongetwijfeld gered om ons te tonen dat Hij redden kan. Hij gaf een bewijs dat Hij het kan. In het geval dat Hij geen redding brengt, moet ge veronderstellen dat Hij een diepere bedoeling heeft, niet dat Hij machteloos is.

Zusters en broeders, wanneer wij ontsnapt zijn aan alle strikken van dit sterfelijk leven, wanneer de tijd van beproeving voorbij is, wanneer de stroom van deze tijd heeft opgehouden te vloeien, wanneer wij omkleed zullen zijn met ons eerste feestgewaad : de onsterfelijkheid die wij door de zonde verloren, wanneer dit bederfelijke omkleed zal zijn  met onbederfelijkheid, dat wil zeggen ons vlees onbederfelijk zal zijn geworden en dit sterfelijke onsterfelijk, dan zal elk schepsel de volmaakte kinderen van God erkennen. Dan is het niet meer nodig beproefd of geslagen te worden. Alles zal ons onderworpen zijn als wij ons hier onderwerpen aan God.

Uit : Eenheid en liefde : Augustinus preken over de eerste brief van Johannes, pp132-136

Vertaling : Prof. Dr. TJ van Bavel

Augustinus : Eenheid en liefde

AUGUSTINUS

 

EENHEID EN  LIEFDE

Augustinus 335
 

Deel 1

 

(Preken over de eerste brief van Johannes)

 

1.

Liefde is een aangenaam woord, maar nog aangenamer is de werkelijkheid ervan. Wij kunnen niet altijd over de liefde spreken. Want wij hebben veel te doen en verschillende bezigheden eisen ons op en versnipperen ons leven. Hoewel er geen betere bezigheid is voor onze tong, is het onmogelijk altijd over de liefde te spreken. Maar al kunnen wij er niet altijd over spreken, we kunnen wel altijd van de liefde leven. In deze viering hebben wij het alleluia gezongen;  wij kunnen daar echter niet altijd mee bezig blijven. We zingen het ook niet altijd één uur aan een stuk, maar slechts enkele minuten; dan zijn we weer bezig met iets anders. Alleluia betekent, zoals ge weet, “Loof de Heer”.

Het is niet mogelijk de Heer onafgebroken met de mond te loven, maar Hem loven met onze levenswijze is altijd mogelijk. Werken van barmhartigheid, gevoelens van liefde, daden van Godsverering, ongerepte zuiverheid en bescheiden matigheid, moeten we zonder onderbreking in praktijk brengen. Daarom moeten we steeds trouw zijn : zowel in het openbaar als thuis, zowel voor het oog van de mensen als in onze slaapkamer, zowel in ons spreken als in ons zwijgen, zowel bij ons werk als in onze vrije tijd. Deze deugden worden immers met het hart beleefd.

Wie zou in staat zijn alle deugden op te noemen ? Ze zijn als het leger van de bevelhebber, die in uw geest woont. Zoals een bevelhebber door zijn leger laat uitvoeren wat hij verlangt, zo gebruikt de Heer Jezus Christus, vanaf het ogenblik dat Hij in het innerlijke van de mens woont, dat wil zeggen in onze geest door het geloof, deze deugden  als zijn dienaren. Deze deugden zijn niet waar te nemen met onze ogen. Toch worden ze geprezen als men erover spreekt. Maar ze zouden niet geprezen worden, als men er niet van hield; en men zou er niet van houden, als men ze helemaal niet kon waarnemen. Dus moeten ze op een of andere wijze waargenomen worden, zij het dan niet met de ogen. Inderdaad, ze worden waargenomen met de innerlijke blik van het hart.

Door deze onzichtbare deugden wordt ons lichaam op tastbare wijze in beweging gezet. Bijvoorbeeld onze voeten om te gaan. Waarheen ? Naar waar de goede wil, die de bevelhebber Christus dient ze beweegt. Onze handen om iets te doen. Wat te doen ? Wat de liefde, die ons wordt ingegeven door de heilige Geest, van ons vraagt. De uiterlijke handelingen gebeuren zichtbaar,maar Hij die ze van binnenuit beveelt, is onzichtbaar. Wie de persoon is die in het hart beveelt, weet nagenoeg alleen Hij die beveelt, en degene die daaraan innerlijk gehoor geeft.

2.

Zusters en broeders, gij hebt daarjuist in het evangelie gehoord ( tenminste indien gij niet alleen uitwendig gehoord, maar ook met uw hart geluisterd hebt) : “Pas op ; beoefen uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de aandacht te trekken” (Matth.6,1). Wil Jezus daarmee zeggen dat wij al het goede dat wij doen, verborgen moeten houden voor de mensen uit vrees gezien te worden ? Als wij bang zijn  gezien te worden, zullen wij nooit navolgers vinden. Het is noodzakelijk dat men gezien wordt.

Maar dit betekent niet dat wij iets moeten doen louter om gezien te worden. Daarin mag het hoogtepunt van onze vreugde of het eindpunt van onze voldoening niet gelegen zijn. We mogen nooit denken dat we de uiteindelijke werking van een goede daad bereikt hebben, wanneer we gezien en geprezen worden. Dit laatste heeft niets te betekenen. Acht uzelf gering wanneer gij geprezen wordt. Doe het goede dus niet voor uw eigen roem, maar voor de roem van Hem die u in staat stelt iets goeds te doen. De mogelijkheid om kwaad te doen hebt gij uit uzelf; de mogelijkheid om goed te doen hebt ge van God.

Zie daarentegen hoe de perverse mens de zaken op hun kop zet. Het goede dat hij doet, wil hij aan zichzelf toeschrijven; voor het kwaad dat hij verricht, geeft hij de schuld aan God. We moeten deze verdraaide redenering, die de zaken helemaal op hun kop zet, het bovenste beneden en het onderste boven, weer recht zetten. Wilt ge God onder plaatsen en uzelf boven ? Ge zult er niet beter van worden, maar naar beneden storten, omdat God altijd boven is. Hetzelfde geldt wanneer ge het goede aan uzelf toeschrijft en het kwade aan God. Wilt ge de waarheid spreken, zeg dan veeleer : het kwaad komt van mij en het goed van Hem; al wat ik aan goeds doe, dank ik aan Hem; al het kwaad dat ik doe, komt uit mezelf voort. Deze belijdenis maakt ons hart sterk en vormt de basis van de liefde.  Indien we onze daden zouden moeten verbergen voor het oog van de mensen, wat moeten we dan aanvangen met de woorden van de Heer uit de bergrede : ” Zo moeten uw goede werken een licht stralen voor de mensen”(Matth.5,16) En hierbij laat Hij het niet, want Hij voegt eraan toe : “Opdat zij uw Vader, die in de hemel is erom eren” (Matth.5,16). En Paulus verklaart : “De Christengemeenten van Judea kenden mij niet persoonlijk. Zij wisten alleen van horen zeggen : hij die ons vroeger vervolgde, verkondigt nu het geloof dat hij eens wilde uitroeien. En zij verheerlijkten God om mij”(Gal.1,22-24). Ge ziet hier hoe Paulus, in zijn bekendheid, niet zijn eigen eer zoekt, maar de eer van God. Wat zijn eigen persoon betreft, bekent hijzelf (wij zijn het niet die hem daarvoor uitmaken) dat hij een verwoester van de Kerk is, een fanatieke en afgunstige vervolger.

Paulus heeft gaarne dat zijn fouten ter sprake komen. Daardoor draagt hij bij tot de eer van God, die hem van zo’n zware ziekte genas. Want de hand van de geneesheer sneed het grote gezwel open en genas het. De stem van de hemel wierp de vervolger op de grond en maakte een verkondiger van hem; zij doodde Saulus en wekte Paulus tot leven (vgl Hand.9). Saül was de vervolger van David (1 Sam.19) Paulus droeg aanvankelijk, toen hij de christenen nog vervolgde, dezelfde naam. Later is hij van Saulus een Paulus geworden (Hand.13,9).

Wat betekent de naam Paulus ? De kleine , de bescheidene. Toen hij nog Saulus was, was hij hoogmoedig en arrogant. Als Paulus werd hij nederig en bescheiden. In onze taal betekent “klein” hetzelfde als “bescheiden”.  Dat Paulus werkelijk bescheiden was, blijkt uit zijn woorden “ik ben de minste der apostelen” (1 Kor.15,9) en “Ik, de allerminste van alle gelovigen”(Ef.3,8). Onder de apostelen was hij niet meer dan de zoom van het kleed van Christus. Maar de kerk uit de heidenen raakte de zoom van Christus’kleed aan en genas, zoals de vrouw uit het evangelie die aan vloeiingen leed (Matth.9,20-22).

3

Dit wil ik u maar zeggen, zusters en broeders : naargelang de tijd van uur of dag stelt gij verschillende handelingen. Ge kunt niet altijd spreken, niet altijd zwijgen, niet altijd eten, niet altijd vasten, niet altijd armen te eten geven,
niet altijd naakten kleden, niet altijd zieken bezoeken, niet altijd ruzies bijleggen, niet altijd doden begraven. Nu eens doet ge dit, dan weer dat. Als ge met iets begint, moet ge er vroeg of laat weer mee ophouden. Maar het princiep dat tot deze handelingen drijft, mag geen begin en geen einde kennen. De inbnerlijke liefde mag geen onderbreking kennen, terwijl de uiterlijke daden van liefde al naargelang de omstandigheden gesteld moeten worden. Zoals er geschreven staat “moet de broederlijke liefde blijvend aanwezig zijn (Hebr.13,1).

 Uit : eenheid in liefde : Augustinus’preken over de eerste brief van Johannes. pp.129132

Vertaald door Prof. Dr. TJ. Van Bavel

Khodr Georges metropoltiet : Eucharistie en bevrijding

Eucharistie en bevrijding

Metropoliet Georges (Khodr)

        

Khodr Georges mont Libanon

Metropoliet Georges Khodr van de Berg Libanon

Bestaat er een verband of relatie tussen de eucharistie en de sociopolitiek – of het zoeken naar de vrijheid  ? Dit is de vraag waarover metropoliet  Georges van de Berg-Libanon heeft nagedacht tijdens een conferentie die hij gegeven heeft aan de academie voor theologische studies van Volos in Griekenland. Georges Khodr is predikant, acteur van vele boeken en artikels en één van de stichters van de Beweging van Orthodoxe jongeren (MJO) en één van de belangrijkste voorstander van de vernieuwing die de Orthodoxe kerk van Libanon en Syrië de laatste vijftig jaar hebben gekend Vele jaren doceerde hij aan de Libanese Universiteit te Beyrouth islamologie en Arabische cultuur. Hij doceerde ook pastorale theologie aan de universiteit van balamand. De kroniek die hij elke zaterdag schrijft in het dagblad An-Nahar en gepubliceerd te Beyrouth wordt breed verspreidt in de Arabische wereld. Het is een getuigenis en het slaat bruggen tussen het christelijk getuigenis en de dialoog met de islam. Het heeft een grote invloed op de intellectuele milieus van Libanon en in vele landen van het Midden- Oosten.

Wij zijn veraf van de tijd waarop men sprak over de “vruchten van de communie” op het persoonlijk vlak : groei van godsvrucht, zuivering, toen het centrum van het sacrament het individu was in zoverre men aan de liturgie meedoet,en wanneer men op grote donderdag naar de kerk kwam zonder zich zorgen te maken over de liturgie… Met de opkomst van de liturgische theologie begrijpen we meer het communautaire aspect van de liturgie, het doel van dit sacrament is geworden :  de opbouw van de gemeenschap als Lichaam van Christus. In de liturgie wordt het volk van God gevormd, de heilige natie; zoals de anaphora van de heilige Basilios zegt.

De liturgische bijeenkomst doet ons Lichaam van Christus en bruidegom van de Heer worden

“Heer, redt uw volk en zegen Uw erfdeel”. Deze zegening op het einde van de liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos zoals ook in deze van de heilige Basilios de Grote, betekent dat de verspreide gelovigen gedurende de week ,nu, op een geheel bijzondere wijze, verzameld zijn als volk van God, of, om een ander beeld te gebruiken, als bruidegom van de heer.

Het bloed van Christus dat eens voor allen is vergoten voltooit in de celebratie deze goddelijke bruiloften. Het lichaam van de Heer waaraan alle gelovigen deelnemen, stelt een einde aan hun verscheidenheid en hun tegenstellingen, het doet hen Zijn lichaam worden, het neemt hen op in Zijn Lichaam, die zetelt aan de rechterhand van de Vader. Het is de nederdaling van de Heilige Geest op de bijeenkomst en het opnemen van de bijeenkomst in de Geest. Deze opvatting brengt ons niets nieuws over wat de apostel Paulus heeft gezegd : “Want er is slechts één brood, als velen maken we slechts één lichaam uit, want allen nemen wij deel aan een uniek brood” (1 Kor.10,17).

In de doop wordt één persoon ontvangen, en wanneer hij het baptisterium verlaat, want zo was het in de oude Kerk en zo zingen wij het nog altijd in de liturgie van grote Zaterdag, voegt hij zich bij de gemeenschap omdat hij “met Christus bekleed” is. “Gij allen die in Christus zijt gedoopt , gij hebt u met Christus bekleedt”. Hij is op een diepere en meer zichtbare wijze geïntegreerd in de ganse Kerk en in de eucharistische communie.

Het delen van de goederen en het breken van het brood zijn intiem met elkaar verbonden

Wat ik kom te zeggen wordt door de Handelingen der Apostelen bevestigd : “Zij bleven getrouw aan het onderricht der Apostelen en de broederlijke gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden” (2,42). Het onderwerp van deze vier elementen die het leven uitmaakte van de gelovigen, is de bijeenkomst zelf, en indien de uitdrukking “broederlijke gemeenschap” de gemeenschap van goederen uitdrukt, dan is het ook evident dat de uitdrukking “Breken van het brood” de eucharistische ritus uitdrukt. Wij vinden hier duidelijk dat het delen van de goederen en het breken van het brood innerlijk met elkaar verbonden zijn. Delen van het gewone brood en het hemelse brood voltrokken zich binnen de bijeenkomst en door de bedienaar van de bijeenkomst.

Wij hebben geen enkele aanduiding in de geschiedenis die ons zegt dat zij die voor een zekere periode verwijderd zijn van de kelk worden verzoend door het sacrament van de boete. Alles wijst erop dat alleen een beslissing van de bisschop hen opnieuw kan toestaan om te communiceren, ’t is te zeggen : hun terugkeer in de gemeenschap der heiligen. De christen heeft dus twee statuten : deze van een zondaar die uitgesloten wordt van de communie, en deze van een bekeerde die opnieuw in de gemeenschap wordt opgenomen. Ik begrijp de gedragingen niet al te goed van het merendeel van de autocephale kerken, of van een groot aantal gelovigen die zich tevreden stellen om alleen maar naar de kelk te kijken zonder ertoe te naderen, alsof zij zich zelf uitsluiten uit de eenheid van de gelovigen, alsof zij terugkeren tot de status van catechumeen.

Verder begrijp ik niet dat de caritatieve actie van de Kerk door leken wordt ondernomen die zelden communiceren, en dat tot gevolg heeft dat men zijn brioeders liefheeft in het delen van materiële goederen onafhankelijk van het hemels brood waarvan men zich de toegang ervan ontzegt,tenzij,  eventueel met Pasen. De caritatieve actie wordt zo een louter sociale actie in plaats van een uitdrukking te zijn van de broederlijke liefde die gevoed wordt door de kelk. Anderzijds laat men bij het negeren van de kelk  verstaan dat het Lichaam en het Bloed van Christus  enkel het deel is van de celebrerende priester. Op die wijze  bevestigt men impliciet de scheiding van gewijde en niet gewijde personen.

De realisatie van de nieuwe mensheid

De gelovigen die getransformeerd zijn door het sacrament waken samen om de tweede komst te ontvangen. Wij zeggen het op het einde van de Liturgie. De Parousie waarop wij ons richten realiseert de nieuwe mensheid, ’t is te zeggen deze waarin de Heilige Geest woont, zoals de heilige Maximos de Belijder het uitdrukt. Onze liefde voor de niet-christenen roept voor hen de Geest op. Het is daar dat zich de ontmoeting van alle mensen in Christus bewerkstelligt, en die de definitieve gemeenschap vormt… De Vader roept wie Hij wil in de Geest. Zij zullen samen “bruid zijn zonder  vlek noch rimpel”(Ef.5,27).

Wij staan hier voor een onuitsprekelijk mysterie : elke geredde persoon is een “bruidegom”. Maar de mensheid die verenigd is in het aanschijn van de Vader zal volledig in de liefde zijn die hen verenigt als “bruidegom”. Het is het mysterie van het verschil en het onderscheid van verrezen en opgenomen zijnden in het Koninkrijk. Er is een hemelse Eucharistie waarvan Jezus spreekt, zonder teken. Liefde heeft geen nood aan ee
n teken. Maar de realiteit die het draagt maakt de gemeenscha

“De overgang de eucharistie naar bevrijding wordt ingegeven door de eucharistie zelf“.

De overgang van de eucharistie naar de bevrijding wordt ingegeven door de eucharistie zelf. Voor de heilige Johannes Chrysostomos, is er een waarachtig altaar waarop de gelovigen het geestelijk offer moeten offeren van het aalmoes en de barmhartigheid…. “Dit altaar is erger dan datgene die zich in deze bepaalde kerk  bevindt. Laat ons niet te luid roepen. Dit altaar hier is heilig omwille van het offer dat er komt ; dit van het aalmoes is méér, want het is gemaakt door dit slachtoffer zelf. Het eerste is heilig, omdat het gemaakt is van steen en geheiligd is door het contact met het Lichaam van Christus. Het andere altaar is heilig omdat het het Lichaam zelf van Christus is. Het is dus vereringswaardiger dan het ander, mijn broeder, wees op uw hoede.

“Dit altaar kan je gedekt vinden in de straatjes en pleinen en op elke uur kan je er een offer brengen, want ook daar is het de plaats voor offers. En zoals de priester, staande aan het altaar, de heilige Geest aanroept, zo ook aanroept gij de Geest, zoals deze olie verspreidt in overvloed” (Hom.82 in Matth;PG 58,744. (…)

“De Kerk houdt van de wereld, maar toch blijft zij vrij ten overstaan van alles”

De kerk handelt niet alleen in het heiligdom, want er bestaat geen scheidingsmuur tussen het altaar en de cosmos. De Eucharistie blijft het teken des tijds die de Tweede wederkomst voorbereidt en die handelt buiten de tempel. Denk aan de anaphora die, zich tot God richtend zegt : wij aanbidden U “in alle plaatsen van uw heerschappij”. Het licht van God is ook te vinden in de niet christelijke creativiteit, en op alle domeinen van de gedachte en de kunst, en overal waar de rechtvaardigheid wordt gepredikt.

Het is in de Kerk dat wij de betekenis van de dingen en van alle daadwerkelijke en mooie veranderingen die de mensen ondernemen, leren kennen. De kerk houdt van de wereld, terwijl ze er terzelfdertijd toch vrij tegenover blijft. Zij kan ook in alle culturen aanwezig zijn, hun innerlijkheid waarnemen, maar zij blijft vrij met betrekking tot elke menselijke schepping. De kerk is zelfs vrij van haar eigen sociologische realiteit, vrij ten opzichte van de volkeren die er leven, zoals zij ook vrij is ten overstaan van haar culturele structuren. Het is deze vrijheid die van de Kerk ” een heilige natie, een priesterlijk koningrijk” maakt.

De sleutel tot de vernieuwing : de Kerk bevrijden van de “Christenen die het alleen zijn bij naam”

Er bestaat vandaag, onder verschillende vormen, een  sociologische vorm van orthodox christendom en een gelovige orthodoxie, biddend, eucharistisch, eschatologisch. Deelnemen aan de sacramenten zonder zich zorgen te maken voor wat ze betekenen is een vorm van hen “onwaardig” te ontvangen, zoals de apostel  zegt in de eerste brief aan de Korintiërs (11,27). Helaas praktiseert de orthodoxe kerk niet meer de excommunicatie, en het kaf en het koren blijven in hetzelfde kamp tot op de dag van het laatste oordeel.

Welnu, de Kerk bevrijden van zekere christenen maakt een essentieel deel uit van het canonisch recht,  dat als verouderd wordt aanzien door de kerkelijke overheden. Zichtbaar zullen wij geoordeeld worden naar de liefde.  Vanaf het moment dat de liefde wordt beoefend in het samen delen, leidt het naar het Christelijk broederschap tussen de orthodoxen van naam en diegenen die openstaan voor het inzicht in het mysterie.

“De uiteindelijke bevrijding is deze van de ganse cosmos”

De bevrijding van de Kerk van binnenuit, blijft de sleutel tot haar vernieuwing. Als men dit sociologisch lichaam “meer eucharistisch” kan maken door haar te bevrijden van elke nationalistische, culturele, tijdelijke  onderdanigheid, in het bewustzijn dat, ondanks en zelfs binnen onze historische banden, wij de Kerk dragen . De heiligheid, zelfs al wordt ze ons in de geschiedenis van de mensen toegeworpen, is slechts haar bestaan en de kracht van haar apostolaat aan God zelf te danken.

De Kerk heeft in haar geschiedenis periodes van verval gekend. Daarom zal de Heilige Geest, wanneer hij midden deze chaotische diversiteit,”de kleine rest” tegenkomt, deze bewaren, levendig maken, verlichten, opdat aan het volk van God het elan zou getoond worden waartoe het in staat is, welke de sociologische situatie transformeert in een brandend braambos.

De uiteindelijke bevrijding is deze van de ganse cosmos. Deze transformatie van de cosmos wordt door de heilige Simeon de Nieuwe Theoloog “nieuwe geboorte” genoemd.  Het komt hier op neer, dat “onze  lichamen en het geheel van de schepping- alle elementen die er deel van uitmaken – met ons deel zullen hebben aan  de schittering van het hiernamaals”. Het is omdat de wereld spiritueel  zal worden, denkt Symeon, dat dit absoluut niet te begrijpen en niet definieerbaar zal zijn voor ons.

Wat ge neemt, bezit je, wat je geeft bevrijdt je”

In afwachting van de Parousie (de Tweede wederkomst van Christus), is gans het leven van de mens verbonden aan het eten, de kleding, aan de woning en vertrekkend van het geld. Aan wie behoren deze dingen toe ? De schrift zegt ” de ganse wereld hoort toe aan de Heer”. Dit stelt de vraag naar de persoonlijke eigendom. De romeins katholieke gedachte zegt dat de eigendom een sociale functie heeft. Dit impliceert de notie van gemeenschappelijk goed. In het Oosten, is de grootste doctor van de eigendom de heilige Basilios, gevolgd door de heilige Johannes Chrysostomos, door de heilige Augustinus en enkele anderen. Ondanks enkele studies die in het Westen werden ondernomen om van Basilios de exegeet te maken van de eigendom als sociale functie, kent men deze verklaring :  “Zeg mij aan wie gij toebehoort en van wie hebt gij dit in eigendom hebt gekregen voor de rest van uw leven ?” En hij vervolgt :  ” Wie is de mens die genoemd wordt als de dief van de gemeenschap ? Is het niet diegene die voor zichzelf houdt wat aan allen toekomt ? Het brood dat gij bewaart is de eigendom van de hongerigen, en de kledij die gij in uw kast legt is de eigendom van de naakten.”

 Vele passages van de heilige Basilios gaan in deze richting.  Datgene wat wij geciteerd hebben betekent dat de eigendom enkel aan God toekomt, en in de handen van mensen is het slechts als eenvoudige zaakvoerder.

Wat ook de bron van geld mag zijn (erfenis, industriële productie of wat ook), gij zijt er slechts de zaakvoerder van. De schrift zegt dat gij eerst en vooral om uw naaste bekommerd moet zijn, maar evident altijd in een geest van zaakwaarnemer. Aan hun zijde maken alle mensen deel uit van de familie van de Vader. Wij hebben niet meer in het Nieuwe testament de verplichting tot het betalen van tienden, want de liefde heeft geen grenzen en is niet onderworpen aan het mathematisch aspect van de dingen. Datgene wat gij neemt bezit gij. Datgene wat gij geeft maakt je vrij. Dit wordt door de psalmist zo uitgedrukt :        

“Hij beoefent de vrijgevigheid,
hij geeft aan de armen; zijn rechtvaardigheid blijft voor eeuwig” (112,9).

“Christus onderwerpt Caesar aan God”

Wat in verband met de bevrijding in de politiek ? De vraag is extreem complex, des te meer daar in de politieke manipulatie van mensen, de oprechtheid in de politieke strijd uiterst zelden voorkomt. Het is het vasthouden aan de macht, de overwinning ten alle prijze dat overheerst. Ik weet niet wie onder de mensen van de macht of zij die naar ambities streven plaats geven aan God. De mens die geëngageerd is in de strijd kan een overtuigd christen zijn, geëngageerd, maar dikwijls behoort hij toe aan twee sferen tegelijk, deze van God en deze van de wereld, zonder enige communicatie tussen beide. Wanneer de Heer zegt : “Geeft aan Caesar wat aan Caesar toekomt en aan God wat aan God toekomt” (Matth.22,21), dan worden deze twee domeinen niet gescheiden. Hij onderwerpt Caesar aan God.

Geen enkele staat is een welzijnsstaat. De grote mogendheden bekennen dikwijls dat zij zich mengen in dit of dat deel van de wereld omwille van hun eigenbelang. De macht blijft, méér dan het geld zelfs, de grote hebzucht. Overigens zijn vele staten bekend als politiestaten, dus actoren van geweld. Wie kan hen tegenhouden van het geweld en hun mensen in vrijheid laten leven ? (…)

Structuren van geweld binnen een land : een macht die de burgers ontmenselijkt”

Er is in de griekse patrologische traditie geen enkele rechtvaardiging van de oorlog, omdat de oorlog, dood betekent. Misschien kan men de notie van een defensieve oorlog aanvaarden. Ik  zal hier niet verder op ingaan. Ik begrijp dat men wil leven in vrijheid en zijn medeburgers verdedigen.

Het is waar dat buiten de vijanden van binnenuit, er autoritaire subversieve maatschappijen bestaan. Er zijn structuren van geweld binnen een land zelf. Men moet hiertegen protesteren. Maar ik vind niets binnen onze leer die het bloed rechtvaardigt.

De vreedzame revolutie tegen de oppressie is begrijpelijk. Daar, waar alles onzeker is. Men moet proberen om de natie om te vormen in een communiële gemeenschap. De onderdrukking overwinnen kan het fundament zijn van een getuigenis die het vuur van de Geest binnenbrengt in een situatie van dood.

De goddelijke stad, alhoewel aards, is de Kerk

In afwachting van het hemels Jerusalem waar onze éénheid zal voltrokken worden, in een totale helderheid, in tijden van vrede, leven wij hier in de stad van God, alhoewel aards, de Kerk. Hier zoals daar zijn wij reële mensen, verengd maar niet vermengd naar het beeld van het verenigd Lichaam, gevormd vanuit het hoofd dat Christus is. De griekse stad was gevormd door vrije mensen die gebonden waren door de macht gebaseerd op rechtvaardigheid, zelf gevormd door de macht die komt van de logos (een goed geordende gedachte). Welnu alles wat niet logicos is ( eenvormig aan deze gedachte) is chaos en kan de eenheid niet bezegelen.

In de visie van de apostel Paulus waren Grieken en Barbaren één, omdat ze zo loyaal mogelijk waren aan hun eigen instituties, zij wensten van geen andere autoriteit af te hangen dan aan deze van de Stad. Zij leefden in de grieks-romeinse stad volgens haar leefregel die voor allen gelijk was. Zij onderscheidden zich enkel door hun zuiverheid van leven, zoals het epistel van Diogenes het later zal zeggen.

In werkelijkheid vormden zij een onzichtbare gemeenschap  die deze was van de Eucharistie. Zij waren één op het plan van de diepgang. Zij onderscheidden zich op deze wijze van de platoonse stad hierin,  alhoewel zij geweld toelieten, zoals vrije bezorgde mensen het doen, zij deden het als zwakke mensen, slaven ( mannen en vrouwen), maar innerlijk gesterkt door de visie van een Mens die hun het heil had gegeven door zijn zwakheid, en de zege door zijn vergoten bloed.

De voorsmaak van het Koninkrijk in de zondagse bijeenkomst

Zij putten hun kracht – en niet hun macht – door de eerste dag van de week samen te komen en door zich te transformeren in Zijn Lichaam en Zijn Bloed waardoor zij één werden door zich te bevrijden van hun zonden en hun passies. Het is God, en niet het concept van macht van de Stad, die hen nieuw maakte binnenin de polis (de aardse stad). Het was niet Athene noch Sparta, noch het aardse Jerusalem dat het model was waarin zij zich probeerden te vormen, maar zij deden het volgens het model van een stad die reeds bestuurd werd door Hem die gestorven is op het kruis en die de tekenen in zich droeg van Zijn dood op het Kruis en die de stigmata droeg van Zijn dood op Zijn verrezen Lichaam, Hem, voor wie de glorie spreekt en zich meedeelde doorheen de pijnen van ons leven.

De zwakken, de armen, de ontwapenden, de ongeletterden zijn samen rond deze kelk die het bloed bevat van een God die hen sterk maakt en getuigen tegenover de rijkdom en de macht van de wereld. Zij zijn op weg naar de Heer die komt. Indien het Maranatha  (1 kor.16,22) word gelezen als een bevestiging van het gebeuren op calvarie, maar niet als een aanroeping van hem die moet komen (“Heer,kom”), dan zijn wij bezig met te bevestigen dat wij het hemels Jerusalem zullen vormen met het Koninkrijk dat komt. Maar nu reeds hebben wij de voorsmaak van  dit Koninkrijk in de zondagse bijeenkomst.

Het Koninkrijk nu voorbereiden ,

Maar de Tweede wederkomst blijft een absoluut mysterie.

Is er een relatie tussen de sociopolitieke, culturele bevrijding en de komst van het Koninkrijk ?

Vader Serge Boulgacov denkt dat het eschatologisch feit wordt voorbereid door de geschiedenis. “De eschatologie, zegt hij, veronderstelt een breuk; het is daarin dat de idee bestaat van het einde”. Hij denkt eveneens dat de wereld moet  rijp worden voor het einde. Er is een werk van Christus in de wereld…. Men kan niet, denkt hij, ” blijven stilstaan bij de verschillende momenten van de tragedie van Christus, bij de destabilisatie en de universele corrupties”. Het persoonlijk heil staat ingeschreven in het algemeen oeuvre van de mensheid , die bestaat in het vestigen van het koninkrijk van Christus in de wereld. De Tweede wederkomst wordt een  god-menselijke daad.

Men moet zeker het Koninkrijk voorbereiden in de tijd waarin wij leven, in de communicerende gemeenschap, in het sacrament dat wij beleven buiten de tijd, maar de schrift zegt dat de uiteindelijke vrijheid aan de mens zal worden gegeven door de Heer die komt, een gemeenschappelijk werk van de mens en de drie-eenheid.

Het uiteindelijk goddelijke is niet de ontmoeting van de opgaande mens en de neerdalende God. De tweede wederkomst blijft een absoluut mysterie, maar de mens moet zijn energie ontplooien om het plan van God te kennen, de tekenen des tijds  ontcijferen. Alleen God openbaart zich in Zijn kracht en Zijn liefde door de mens voor te bereiden om het licht te ontvangen.

Dit betekent dus niet dat  men God kan verwac
hten zonder zelf een inspanning daartoe te doen, het zou de heerschappij zijn van de ongeïnteresseerdheid. Het is door de scheppende energie dat men God kan zien indien deze energie een vorm van zuiverheid van hart is. De mystieke bruiloften zijn door God geofferd in de voorbereiding van het hart van de mensheid die lijdt en werkt (…) Eucharistie en vrijheid hebben ditzelfde centrum, de Heer van de glorie.

 

 

Uit SOP 337

April 2009

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

 

 

De icoon en de liturgie

De icoon en de liturgie

aartsengelen synaxis15
 

De architecturale vormen van een tempel, de fresco’s, de iconen, de objecten van de cultus, zijn niet er enkel als een soort objecten van een museum , maar zoals de ledematen van een lichaam leven zij hun eigen mysterievol leven. Zij zijn geïntegreerd in het liturgische mysterie. Het is zelf essentieel en men kan een icoon nooit begrijpen buiten deze integratie. In de huizen van de gelovigen wordt de icoon geplaatst op een hoogte en belangrijk punt van de plaats: zij leidt het gezicht naar omhoog en naar het enig noodzakelijke. De biddende contemplatie doordringt om zo te zeggen de icoon en houdt op bij de levendige werkelijkheid die zij uitbeeldt. In haar liturgische traditie, symbiose van de betekenis en de aanwezigheid, heiligt zij de tijd en de plaatsen, van een neutrale plaats  maakt ze een ‘huiskerk’, het leven van een gelovige, een biddend leven, een innerlijke altijddurende liturgie. Een bezoeker die binnenkomt buigt voor de icoon, be-mediteert de blik van God en groet daarna de heer des huizes. Men begint met God te loven, de eer aan de mensen komt nadien.  De icoon is nooit een decoratie, de icoon centreert gans het huis op de uitstraling van het hiernamaals.

Op dezelfde wijze zullen allen die een orthodoxe kerk binnengaan getroffen worden door een heftige sensatie van onophoudelijk leven. Zelfs buiten de erediensten is alles in de afwachting van de heilige mysteriën, alles is bezield en gericht op Hem die komt om zich als voedsel te geven.

Tijdens een dienst,  zullen de liturgische teksten gaan rond het gecelebreerde gebeuren en het becommentariëren. Het liturgisch mysterie stelt de icoon van het feest aanwezig en maakt het levendig. En vooreerst, de icoon doet in de liturgie zelf  een iconografische functie, een toneelmatig uitbeelding  zien van gans de economie van het heil.

Tijdens de cherubijnenzang : “Wij die op mystieke wijze verbeelden de cherubijnen en die zingen aan de levendmakende drie-eenheid”,  dan overstijgen wij het aardse en nemen we op een mysterievolle wijze deel aan de eeuwige liturgie gecelebreerd door Christus zelf in de hemel. De icoon van de synaxe toont ons de vergadering der engelen, met vele ogen en met vele vleugels. Op de icoon van de eeuwige liturgie, omringen zij de celebrant hogepriester Christus, opdat, “zoals ook het Evangelie van de glorie van Christus, de icoon van God, schittert in de ogen van de gelovige”(Dom J.Dirks, Les saintes icones, p44).

 De gelovigen stellen op mysterievolle wijze de engelen voor, zij zijn levende iconen, “anglophanieën”, menselijke plaats van de engelen, van aanbidding en gebed. Hic et nunc, is alles deelname, offerande, aanwezigheid en eucharistie : “Wij offeren u het uwe” en “wij prijzen u” In deze grandioze symfonie, zal elke gelovige zijn oudere metgezellen zien,patriarchen, apostelen, martelaren,heiligen, als werkelijk aanwezig zijnden, en het is met hen dat hij deelneemt aan het Mysterie;  als mede liturg van de engelen zingt hij : ” In uw heilige iconen, beschouwen wij de hemelse tabernakelen en wij juichen van een zeer zuivere vreugde….”

 Paul evdokimov : L’art de l’icone : theologie de la beauté, p 151-152

Vertaling : Kris biesbroeck

 

Het bijbels fundament van de icoon

Het bijbels fundament van de icoon

cherubijnen13

De Wet van het oude testament verbiedt afbeeldingen want zij zouden de zuiverheid van de cultus tot de onzichtbare God in gevaar brengen. Alleen de decoratieve kunst van de geometrische vormen vertalen het bewustzijn van de Oneindige. Bij de moslims versterkt de niet-figuratieve, arabeske, veelhoekigeKunst dezelfde notie van een radicale transcendentie van God.

De afstand vergroot op gevaarlijke wijze door het feit dat de mens zich  afgekeerd heeft van zijn oorspronkelijke gelijkenis met God en verduisterd wordt door zijn verscheidenheid. Daarentegen, heeft het engelen – plan haar natuur van ‘tweede licht’ intact weten te bewaren,als een zuivere verzamelplaats van het goddelijk licht,door het feit dat de gebeeldhouwde afbeelding van engelen door God zelf werd bevolen. De hemelse wereld van geesten, bestemd om de mens te dienen vindt , om haar zending te vervullen, haar artistieke uitdrukkingsvorm, haar menselijke vorm op de ark van het verbond. Het Oude testament staat ons toe om het gebeeldhouwd icoon van de Cherubijnen te gebruiken. Deze werden geplaatst in het tabernakel. Hun aanwezigheid op deze plaats drukt de bemiddeling van de liturgen uit, maar dient op geen enkele wijze gezien te worden als een vorm van kunst. Hierin schuilt reeds de ganse filosofie van de religieuze kunst.

Zo was ook, voor de Menswording, en dit  uit vrees voor afgodenverering, elke vorm van het hemelse beperkt tot de wereld van de engelen. Maar men moet goed begrijpen, en dit om niet terug te vallen onder de wet, dat deze beperking alleen maar de uitdrukking  is van een wachten, een profetie op de komst van de icoon in Christus.

 De tekst van Exodus (25,12) zegt : ‘Gij zult u een verzoendeksel maken en aan zijn uiteinden zal je Cherubijnen plaatsen’ ‘Verzoendeksel – Kapporêt – komt van ‘bedekken’ en ook van ‘boete doen”. Deze gouden plank die geplaatst wordt op de ark, volgen de tekst, is de plaats waar ‘Yahweh verschijnt’, en het is daarover dat hij spreekt.

 De icoon van de verrijzenis van Christus ontcijfert dit profetisch symbolisme. Zij toont ons een plank (die het lege graf verzinnebeeldt en die een beeld is van de plank van de ark) waarop de begrafenisgewaden zijn weggelaten, en aan het uiteinde ziet men twee Cherubijnen die tegenover de myrondraagsters staan. Deze exacte reproductie van het ‘verzoendeksel’ openbaart ons nu, in Christus, haar ware betekenis en terzelfdertijd toont het ons dat dezelfde waarde van de Aanwezigheid inherent is aan elke icoon : ‘het is hier dat Yahweh verschijnt en het is van daaruit dat Hij spreekt’.

 Ter gelegenheid van het feest van de orthodoxie, het feest van de icoon, leert de Kerk ons, doorheen de twee Evangelielezingen die zij heeft gekozen, dat de engelen met vele ogen de gave bezitten om het goddelijk licht te aanschouwen. De icoon toont ons dit heel duidelijk.

 Christus bevrijdt de mensheid van de mythologie der afgoden en niet in negatieve zin, door het beeld te supprimeren, maar positief, door de ware menselijke natuur te openbaren. Indien de goddelijkheid alleen ontsnapt aan elke voorstelling en indien de mensheid alleen, gescheiden van het goddelijke, niets meer betekent, dan is het omdat ‘de mensheid van Christus de icoon is van zijn goddelijkheid’, zoals het VIIe concilie verklaart. Lumen de lumine (licht uit licht), de Zoon, de totale Christus is de glans, de afbeelding, de afdruk, de unieke icoon van God. Het menselijke wordt bevestigt in zijn iconografische functie : zichtbaar beeld van het onzichtbare. Zijn bijbels fundament gaat terug op de schepping van de mens ‘als beeld van God’. Onderbroken door de zondeval, is zijn volheid gerealiseerd in Christus en gaat voort in de ‘ge-christifieerden’,  in de Christus-dragers, in hen bij wie Christus gestalte heeft gekregen,op hen die sterk op Hem gelijken’

 God in Zichzelf transcendeert elk beeld, maar zijn Aangezicht dat naar de wereld toe gekeerd is heeft zich het zichtbare eigen gemaakt, vind een passend beeld van het mysterie van Zijn Filantropie : het menselijk beeld.

 Boven de mogelijke afgrond van de val heeft God, volgens de Kerkvaders, het menselijk beeld gebeeldhouwd door in Zijn wijsheid de mensheid van Christus te aanschouwen. ‘Het Woord is nedergedaald op Adam voor alle eeuwen’ zegt Methodius van Alympia en sint Athanasios : ‘God heeft de wereld geschapen om er mens te worden en opdat de mens er god zou worden door zijn genade’

De menswording komt van God, van Zijn verlangen om Mens te worden en om van Zijn Menselijkheid een Theofanie te maken, een plaats en een levende icoon van Zijn aanwezigheid.

 Paul Evdokimov : L’art de l’icone – theologie  de la beauté pp.163-165

Vertaling : Kris Biesbroeck

oud testamentische drie-eenheid

OUD TESTAMENTISCHE TRINITEIT

Van Andreï Roeblov – ca.1412

Tretjakov-Galerij  –  Moscou

 Drieeenheid van Roeblev 1

 

Deze wereldberoemde icoon was bestemd voor de iconenwand in het door de Heilige Sergius van radonesj gestichte klooster te Zagorsk (ongeveer 70 km. Van Moscou verwijderd). De voor de icoon benutte gegevens berusten op de allegorische verklaring van het zeer bekende hoofdstuk 18 uit het boek Genesis. Daar wordt verhaald, dat aan Abraham drie engelen verschenen en door hem gastvrij werden ontvangen onder de eik van Mamre. Links zou God e Vader herkennen, in het midden Christus en rechts de Heilige Geest (maar dit is slechts een hypothese !) De volstrekte gelijkheid tussen de goddelijke personen is nimmer zo verheven uitgebeeld. Hoogste spirituele expressie, ritmische bewogenheid, glans der tinten geven aan het geheel een weergaloze schoonheid.

Het is de opgave van de schilder om zijn beeld zo te schilderen dat hij deze goddelijke werkelijkheid zichtbaar maakt. Dan komt het bij de meditatie en de verering van die icoon tot een echte ontmoeting met God.

Dat was het opzet van Andreï Roeblov : zijn Godsontmoeting meedelen opdat ook wij die zouden ervaren. Hij bediende zich bij dit ‘spreken zonder woorden’ van kleuren, vormen en symbolen, waarmee zijn kunstvolle hand zo eenmalig trefzeker kon omgaan. Luisteren wij nu bij dit ‘spreken zonder woorden’ naar de taal van het schilderij, om zo de diepte en de zin van zijn boodschap in ons op te nemen.

We kijken even naar de opbouw van de icoon : een rechthoek, waarin een cirkel, en in het midden een driehoek. Rechthoek en driehoek samen zijn het fundament van de icoon. De plaats van de engel in het midden is door de loodrechte middenas vastgelegd. De twee diagonalen bepalen de plaats van de twee andere engelen.Hun hoofden komen niet buiten de diagonalen. De cirkel is het symbool van de goddelijke volmaaktheid, omdat er in God begin noch einde is. Eigenlijk is de cirkel zo bepalend voor het beeld van de drie personen dat alles war er buiten staat gerust weg zou mogen vallen, zonder afbreuk te doen aan de waarde van de icoon. In het midden zien we een gelijkzijdige driehoek. Reeds in de vroegchristelijke kunst gold de driehoek als symbool van de drie-eenheid Gods. De bovenste rand van de tafel is de grondlijn aan wiens uiteinde de beide andere engelen zitten. De driehoek heeft zijn hoogste punt in het hoofd van de middelste engel en valt over zijn rechterschouder in de handen van de engel links. Over zijn linkerschouder echter loopt een  lijn in de richting van de rechterhand van de engel die rechts zit. Rechthoek en driehoek geven de icoon een doorzichtige samenstelling, geborgenheid en eenheid. Toch doet de icoon helemaal niet stroef of gekunsteld aan. Het hoofd van de engel in het midden buigt over de middellijn naar links, terwijl de kelk op tafel iets naar rechts verschoven is. Het schijnbaar verstoorde evenwicht is daarmee weer hersteld.

De neiging naar links van het hoofd van de engel in het midden wordt nog versterkt door de naar links overhellende boom achter hem. Een gelijkaardige neiging naar links vertoont ook de engel rechts. De richting van de berg boven de engel rechts – niet alle reproducties laten deze berg voldoende tot zijn recht komen – deze richting verduidelijkt de beweging van zijn hoofd nog eens en onderstreept die beweging. Door deze neiging naar links van de hoofden is Roeblov erin geslaagd een levendige en gesloten gemeenschap tussen de drie personen van zijn icoon op te roepen. De drie engelen vormen een eenheid die het resultaat is van een beweging van de twee engelen rechts naar de engel links toe. Deze engel links heeft een  rechte houding. De beweging van de twee anderen maakt duidelijk dat hij deze neiging naar hen toe aanvaardt.

We konden duidelijk zien dat er een beweging naar links te erkennen is. Men kan zich afvragen of er ook van links naar rechts een beweging te ontdekken valt. Dan zou zich de kring sluiten. Het feit dat de pelgrimsstokken van links naar rechts steeds sterker overhellen schijnt op die beweging te wijzen. Bij aandachtig toezien kan men inderdaad een beweging naar rechts erkennen. De uitgestrekte, zegenende vingers van de engelen links en in het midden, duiden op een beweging, die vanuit de schoot van de engel links over zijn rechterhand van de engel in het midden gaat. Deze beweging naar rechts loopt verder door naar de rechterhand van de engel rechts. Hier vloeit ze dan spontaan over via de linkerarm van de rechtse engel in de reeds beschreven lijn van de hoofden naar links, die ook de berg en de boom in dezelfde beweging opneemt en vormt zo een volledige kringloop.

Midden in deze kringloop staat een kelk op tafel. De ruimte die vrijblijft tussen de knieën van de engelen, die aan beide uiteinden van de tafel zitten, duidt nog eens de vorm van een kelk aan. Nu weliswaar in een vereenvoudigde vorm.

De vorm van de kelk vinden we dan nog een keer terug in het gedeelte helemaal onder, in de ruimte die vrij blijft tussen de twee voetbanken van de twee uiterste engelen.

Van zo groot belang was voor Roeblov deze enen kelk dat wij zijn vorm verschillende keren op de icoon terugvinden. De kelk zelf, de tafel waarop hij staat, de ruimte tussen de voetbankjes, en tenslotte in zijn grootste vorm getekend door de lijnen van de twee uiterste engelen vormen, te beginnen bij hun voeten en doorlopend tot aan hun schouders. Als wij deze laatste vorm van de kelk nauwkeurig bekijken, lijkt de engel in het midden er bijna helemaal in te verdwijnen. Voor Roeblovs tijdgenoten was de betekenis van deze meervoudige symbolen duidelijk. Ze willen niet alleen verwijzen naar het gastmaal bij Abraham, maar ook op het unieke offer van Jezus op Calvarië, dat wij bij iedere Liturgie gedenken en ontvangen.

De opening aan de voorkant van de tafel onderstreept dit nog eens uitdrukkelijk. Alle stenen altaren in de byzantijnse kerken hebben een dergelijke opening die relieken bevatten opdat ieder bij de viering aandachtig zou zijn : we voelen ons verbonden met de martelaren van heel de Kerk.

Concentreren wij ons nu op de kleuren van de icoon.

In verschillende schakeringen verdeelt zich de blauwe kleur over de drie engelen. Blauw is de kleur van de godheid en de hemelse waarheid. Zacht, bijna in een zilveren kleur, komt het blauw van onder de vleugels der engelen te voorschijn. De grootste oppervlakte van dit blauw  zien wij bij de engel in het midden. En het is een krachtig blauw. De vele plooien van zijn gewaar laten een rijke nuancering toe van het blauw in licht en donker. Bij de beide andere engelen is blauw de kleur van het onderkleed. Alleen een klein smal streepje blauw zien we bij de engel links. Maar een rijker blauw en een groter gedeelte zien we bij de engel rechts. Alle nuanceringen van het blauw duiden waarschijnlijk de ons geopenbaarde kennis aan die wij bezitten over de hemelse waarheid en godheid, van de drie goddelijke personen. Het hoogtepunt van de kleurencompositie is zeker het donkerrood op het onderkleed van de engel in het midden. De oranjeachtige streep op de
rechterschouder die dit rood onderbreekt, laat deze kleur nog feller uitkomen.

Wat is daar nu de betekenis van ?

De jeugdige gelaatstrekken van de engelen, waarvan niemand ouder of jonger genoemd kan worden, tonen dat er in de goddelijke Drie-eenheid geen vroeger of later , geen gisteren of morgen, maar alleen het tijdloze NU van de drie goddelijke Personen bestaan. De jeugdige gestalten verenigen in zich de kracht en de bevalligheid van de beide geslachten, want bij God is er geen onderscheid tussen man en vrouw; in Hem die als de ene drievuldig is, wordt de verscheidenheid niet opgeheven maar ver-eend en vervuld.

Iedere persoon die door de Russische monnik wordt geschilderd is altijd op een ander betrokken. Roeblov die zelf in een broederlijke gemeenschap leefde, weet dat leerling-zijn niets anders betekent dan een in Jezus afgestorven leven te leiden, arm te worden aan zijn eigen ‘ik’, om rijk te worden naar de inwendige mens. De geestelijke vrucht wordt alleen geboren uit offerbereidheid en overgave van zichzelf. Roeblov legt in al zijn iconen de kracht tot deemoed, zoals hij die zelf wel ontvangen heeft van Jezus, door wie hij zich geroepen wist.

Wat is nu de geestelijke inhoud, de spiritualiteit en de theologie van Roeblovs Drievuldigheidsicoon ? Toen Abraham in het dal van Mamre op het middaguur voor zijn tent zat, ontving hij in de personen van de drie mannen het bezoek van God zelf. ‘Filoxenia’ -dit wil zeggen gastvrijheid – noemt de orthodoxe kerk deze icoon. Gastvrijheid betekent voor een Oosterling echter méér dan aan een vreemde voedsel en een dak boven zijn hoofd geven. Gastvrijheid betekent ook tafelgemeenschap (communio): vandaag een eigen, bijzonder innige vorm van vriendschap. Met de voorstelling van dit éénmalig bezoek van God aan Abraham is Roeblovs icoon echter geenszins verklaard. In de drie bezoekers ziet en schildert de Russische meester de Heilige Drie-eenheid. Daarom de bijzondere cirkel en de vorm van een driehoek., een verwijzing naar Gods eeuwigheid en Gods Drie-persoon-zijn. De aureolen die de hoofden van de engelen omstralen schijnen als drie zonnen in de helderste kleuren van de icoon. De Oosterse Kerk omschrijft dit zo : ze zijn  immers in drie personen het ene licht van drie zonnen. De bezoekers zitten rond de tafel waarop één beker staat : de éne , voor allen gemeenschappelijke spijs en drank. Ook het goud van hun vleugels en het blauw dat ze in hun kleding en onder hun vleugels dragen wijst op één godheid, die alles gemeenschappelijk heeft. Alle drie hebben ze dezelfde pelgrimsstok die erop wijst dat God geen egpïstische of in zich berustende God is, maar de ene God die op tocht gegaan is naar zijn schepping toe. Twee grote gespreksthema’s vullen de ruimte. Twee thema’s die nauw met elkaar verbonden zijn. Daarom is het bijeenzijn van de drie nu van zo grote betekenis. Ze hebben een belangrijke beslissing te treffen en ze willen dat doen in een goddelijke eensgezindheid.

Roeblov zelf wilde dat men zijn icoon verstond als het besluit van de Heilige Drie-eenheid tot de menswording van de Zoon. En daarmee komt er een volledig nieuwe trek in de afbeelding van de Drie-eenheid. We staan daarmee aan de oorsprong van het denken over God. Want zolang God is heeft Hij zich tot de wereld uitgesproken . Ook als de wereld zich ven Hem afkeert, houdt Hij er van. Daarom moet deze beslissing van de Heilige Drie-eenheid genomen worden. Het worstelen om het ‘ja’ van de Vader is nog niet afgesloten. Het definitieve Ja tot deze opdracht is nog in wording. Met dit ‘ja’ van de Zoon, wil de Vader de wereld verlossen. Dit is het eerste gespreksthema van de Drie. De verlossing en bevrijding van de wereld uit alle demonische macht.

En het tweede thema : God wil de wereld naar zich toe trekken, thuis laten komen bij Hem en opnieuw één met de wereld zijn. Daarom wil de Vader afstand doen van de Zoon, koste wat het wil, opdat de Zoon de mensen zou benaderen, als het ware aan huis zou gaan bezoeken. De beraadslaging tot dit ‘Ja’ zien wij op de icoon. Dit ‘Ja’ wordt des te belangrijker, omdat het voor de Zoon niet een ‘Ja’ is, dat wellicht roem en eer meebrengt, het is het bewuste ‘Ja’ voor een leven van mislukkingen, fiasco’s, dood. Dood aan een Kruis. Wat zal het antwoord zijn van de Zoon ? Wordt het slechts een ‘Ja’ woord ?

De Geest :

De engel rechts die (waarschijnlijk) de Heilige Geest verzinnebeeldt, stemt zonder voorbehoud toe en laat  zijn grenzeloze bereidheid en beschikbaarheid erkennen. In zijn gelaatsuitdrukking zien wij de Trooster, die troost brengt en troostend bijstaat. Zoals een Russische Theoloog het ooit zei, is Hij de goede bron van alle goedheid. Met deze overgave troost Hij de Zoon Jezus, die om de wereld te redden, zich vernederen en ontledigen laat tot in de Godsverlatenheid toe om onder de mensen als hun dienaar te zijn, om hen te redden uit hun ik-zucht en liefdeloosheid.

Daarom kan de engel die de Heilige Geest mogelijks kan verzinnebeelden, niets anders dan zich naar de Zoon toebuigen. Maar moet dan de Zoon alléén in de wereld komen en de Geest niet ? Ja, ook Hij ! Hij zal niet enkel de Zoon begeleiden, Hij zal ook de mensen tot Hem voeren. Het zal Pinksteren worden op aarde, waar Hij zich zal uitstorten op alles en allen die Hem verwachten. Ja, ook Hij zal in de wereld komen om allen binnen te voeren in het wezen van God. Vuur wil Hij zijn, volheid van Gods liefdegloed. Hij zal mensen ervoor warm maken dat zij tot elkaar komen in éénheid en als broers eendrachtig samenwonen, opdat er vrede op aarde kan komen. Want liefde zoekt naar eenheid. Deze opdracht van de Heilige Geest schijnt aanvaard. Zo zal geschieden.

Bij het blauw komt in zijn bovenkleed ook nog het groen. . Zo openbaart zich Gods geest die door Zijn werken het heelal, de gehele schepping tot leven brengt en nieuw zal maken. Bewust van Zijn oneindige volheid en kracht, neigt zich de engel die de Heilige Geest verzinnebeeldt zich tot de engel in het midden met een liefdevol en beslist ja.

De Zoon :

De engel in het midden verzinnebeeldt (waarschijnlijk) de Zoon. Hij is het Woord van in de beginnen van de eeuwige Vader. De engel die de Zoon verzinnebeeldt, keert zich luisterend en  antwoordend tot de Vader. Wij zijn hier getuigen van een moment van het gesprek binnen het goddelijk samenzijn en hun eeuwige eensgezindheid. Omdat God geen zwijgende God is, geen oer-eenzame, geen éénvoudig-persoonlijke, maar een drievoudig persoonlijke God is, daarom zijn ze hier bijeen om in een gesprek het heil van de wereld voor te bereiden.

Er is hier geen tegenspraak van de zoon te ontdekken. Hier is enkel luisterende bereidheid tot een gruwelijke weg. Het bloedrood onderkleed herinnert aan het purper van de Byzantijnse Keizers, maar ook aan de ernst van de liefde, waarmee Jezus in plaats van de mensen gehoorzaam wil zijn. Een weg die leidt tot de dood aan het Kruis. Deze weg wil voorzeker overwogen en bezonnen zijn. Alleen bij Hem is het blauw van de hemelse godheid en waarheid tot bovenkleed geworden. Want juist in Jezus wil de godheid zich openbaren en veruitwendigen.

De boom achter de middelste engel stelt de levensboom van het paradijs voor. Volgens een oude legende met een diepe zin, werd het Kruis van Golgotha gema
akt uit de levensboom uit het Paradijs. Zal Hij het kunnen dragen ?

Zijn hoofd neigt zich naar links, naar de vader. Zijn knie, zijn armen en de geopende vingers, die aan een zegenend gebaar doen denken, wijzen naar rechts, naar de Heilige Geest. Als wou Hij verwijzen naar Hem, die uit alles wat hij bevrijdt, de goddelijke bijstand die hem terzijde staat in leven en sterven duidelijk wordt.

De Vader :

De engel links zit zo te zeggen helemaal rechtop op zijn troon. Hij verzinnebeeldt (waarschijnlijk) God de vader. De bijna loodrecht gehouden pelgrimsstok in Zijn hand onderlijnt de rechte houding. Zijn bovenkleed in roze en goud, kleuren die de hoogste in rang aanduiden, verraden in Hem de ‘Oorsprong’, de bron van alle goedheid en daarom van alle leven.

Van  Zijn blauw onderkleed is enkel maar een heel smalle streep te zien. De Vader woont in het ontoegankelijk licht. Geen mens heeft Hem ooit gezien, of is in staat Hem te zien. Het is voor de Christelijke kunst steeds bijzonder moeilijk geweest de Vader voor te stellen. Want Hij heeft zich als Vader nooit aan de mensen getoond. Alleen in Zijn Zoon wil Hij zich aan de wereld tonen.

Wanneer de byzantijnse kunstenaars God de Vader als de Albeheerser, als de Pantocrator wilden afbeelden in de koepels der kerken, lieten ze het beeld van Jezus op zich inwerken en zetten dit laatste in de plaats van de ongenaakbare, onzichtbare God de Vader, de Pantocrator. Jezus is toch het beeld van de onzichtbare God.

Ook Roeblov wil op zijn manier de onzichtbaarheid en ontoegankelijkheid van God de Vader aanwijzen, die hij in de engel links  (waarschijnlijk) voorstelt. Daarom schildert hij van het onderkleed maar een kleine smalle streep, nauwelijks zichtbaar onder Zijn bovenkleed. Van de drie goddelijke Personen heeft de Vader zich op directe wijze het minst aan de wereld geopenbaard.

Roeblov is er in geslaagd de drie Personen van de Drie-eenheid niet alleen in gesprek met elkaar te tonen. Hij maakt ons de innigste band van een één-zijn in liefde zichtbaar, die bepalend zijn voor het drievoudig persoonlijk leven van God.  Het grote thema van deze icoon is de beweging van de éné persoon naar de andere toe. Hier trekt niemand iets naar zich toe, want onze God is niet zoals de goden der wereld, die aan zichzelf denken, die naar zich toe trekken, voor zich opeisen. Onze God leeft in betrokkenheid op de ander en kijkt voortdurend naar de ander uit. Ja, inderdaad, hier wordt , niet geëist. Hier neigt zich de ene persoon naar de ander, en schenkt hem Zijn liefde. Het is uit dank voor deze overgrote liefde van de Vader, dat zich de Zoon en de Heilige Geest dankbaar antwoordend  overgeven. Deze beweging van het dankbaar antwoord is zo sterk, zo geweldig, dat ze als een stormgloed het intiem goddelijk bereik overstijgt.

Dit gebeuren wil de hele schepping in de vreugde en de Vrede, in de dankbaarheid en overgave betrekken. Ook de berg en de boom op de achtergrond, beeld van levenloze en levende natuur, moeten helemaal aan deze beweging, die alles door Jezus naar de Vader stuwt, deelnemen.

Vanuit deze beweging van steeds circulerende liefde, van de ene goddelijke persoon naar de andere toe, moet de beslissing  van de Zoon getroffen worden. Hier wordt de wil van de drie personen geboren. Hun eenheid in liefde wil ons mensen binnendragen in het geopende en gastvrij op ons wachtende Vaderhuis. Thuiskomen, thuis-zijn ! De mens staat voor de uitnodigende blik van de Vader, die hem wil binnenleiden in Zijn goddelijke Liefde. Hij wil hem van alle kanten met liefdevolle kracht omgeven, als het ware zijn hand boven hem houden, met deze macht der liefde hem nieuw maken, zodat het doen en laten van de mens louter liefde zou zijn.

God heeft een doel : het god-verlaten zijn, het zijn zonder God moet een einde nemen. De Vader wil zijn mensen omvormen tot liefde : Hij wil dat iedereen vol wordt van liefde, thuiskomt in de liefde, en uiteindelijk zelf liefde wordt. Dit alles wil Hij waarmaken. Wat voor een heilige bedoeling, wat voor een wonderbare liefde !

De Kelk

In het midden van de icoon staat op de tafel een kelk, met een kleine kalfskop daarin. Het kalf was in veel wetten van het Oude Testament bestemd voor het offer. Het wordt op Roeblovs icoon tot zinnebeeld van Gods zoenoffer. Zo ziet het raadsbesluit van de Drie-ene God eruit. Jezus Christus zal tot zoenoffer voor de zonden van de mensen worden. Bescheiden maar toch vastbesloten is het gebaar waarmee de Vader naar de kelk wijst. Dit gebaar is tegelijkertijd bevel en uitnodiging. Maar ook een bewijs van de allergrootste liefde. De Vader bestemt zijn eigen Zoon voor het offer. De Zoon heeft het bevel verstaan en buigt zich beamend naar de vader toe.

De hand van de Zoon rust zwaar op de tafel. En ook Zijn gezicht toont dat hij zich de ernst van de opdracht bewust is. Biddend en zoekend naar hulp neigt zich daarom de stok van de Zoon naar de Heilige Geest, die vol stille weemoed zijn bereidheid om mee te werken aan het verlossingswerk tot uitdrukking brengt bij het begin en bij de voltooiing. Hij is de bijstand, die hem terzijde staat.

Kruis als levensboom

De verlossing zal werkelijkheid worden op de levensboom van het kruis. Het hout van het kruis is bereid en neigt zich naar de Zoon toe om Hem als zijn schoonste vrucht aan te nemen. Dit heilsgebeuren wordt door het Bloed tot werkelijkelijkheid.  Maar niet door het Bloed van Jezus Christus, die het eens en voorgoed zal vergieten om zo verlossing te bewerken voor alle tijden.Het bloedrode onderkleed wijst op de bloedige voltrekking van dit verlossingswerk. Waarom is uw gewaad zo rood en zijn uw kleren als die van een druivenperser, vraagt de profeet Jesaja aan de Messias ? En het antwoord luidt : ‘Ik heb geheel alleen de wijnpers getreden en van mijn volk was er niemand om mij te helpen’. Golgotha, schande en dodenheuvel, voor de stadsmuren van Jeruzalem. Daar valt de Mensenzoon definitief in de handen van de mensen. Zijn leven dat de Zoon offert, neemt de Vader aan als plaatsvervangend voor de gehele schuld van alle mensen. Hij heeft het doorstaan. Het is volbracht. Jezus’dood betekent een brug voor ons. De weg naar de Vader is open. De dood is mee opgenomen in de zege.

Pelgrimsstok

De pelgrimsstok in de hand van de engel wijst naar onder, naar de plaats waar de mensen wonen, uit het donker vanwaar God zo ver is, kan de mens bevrijd worden. Zonde en dood moeten wijken voor het goddelijk licht en de vreugde. Nu is het verlossingswerk van de Drie-ene God volop bezig. God zelf trekt de mens omhoog uit zijn liefdeloosheid en zijn ik-zucht waarin hij gevallen was en plaatst hem in de navolging van Christus. Zij die verloren waren horen het reddend woord en aanvaarden het. Al zijn uw zonden rood als scharlaken, ze zullen witter worden dan sneeuw. Dat mogen all weer thuisgekomen verloren zonen beleven. God zelf droogt hun tranen van berouw en boete. Het zal wel niet louter toevallig zijn dat de groep van de Drie-eenheid maar één weg openlaat waarlangs wij toegang hebben tot Hem. De achtergrond is door de vleugels van de engelen afgeschermd. Ook van de zijkanten is geen t
oegang. Het perspectief van de zitbanken sluit de toegang af en verplicht ons de engelengroep eerbiedig rond te gaan tot we er voor staan, voor het altaar tegelijkertijd.

Maar kijk ! Helemaal beneden tussen de voetbanken van de engelen links en rechts blijft er een ruimte vrij. Deze groene ruimte heeft de vorm van een kelk die naar boven naar het altaar wijst. Hier wordt ons toegang verleend tot de gemeenschap van de Drie-persoonlijke God. De opening die wij aan de voorzijde van roeblov’s altaar zien wil ons duidelijk maken van welke aard onze roeping zal zijn. De opening is voor de relieken van de martelaren bestemd. Ook wij zijn geroepen om getuigen van Christus te zijn tot aan het uiteinde der aarde. Ook voor ons blijft er slechts één toegang om tot de kring der heilige Drie-eenheid te geraken. Het is de toegang die aan de opening van de relieken van de martelaren voorbijgaat. Langs deze weg worden wij mee opgenomen in het eeuwige drievoudig-persoonlijke gesprek, niet als stomme toeschouwers of als dove toehoorders, maar als actieve gesprekspartners, als leerlingen van Jezus die het Oude en voorbij gaande laten voor wat het is, om Hem te volgen en te dienen die het eerst Zijn leven voor ons gaf. Mag het ons ook veel kosten, hier gaat het erom Jezus lief te hebben, zich aan Hem over te geven en Hem te eren door de inzet van ons hele leven. Hier roept de Heer van het leven ons toe : ‘Komt allen tot Mij die uitgeput en onder lasten gebukt gaat en volgt Mij na’.

Abba ! Vader !

En Gods heilige Geest, die ons alle waarheid leert, roept biddend in ons : ‘Abba, Vader!’.

Door de Heilige Geest zijn wij echt opgenomen binnen de kringloop van de liefde, die ons van alle kanten omgeeft. En als wij in de Heilige Geest opnieuw geboren worden, dan hebben wij ook een levendige hoop en een roeping dat dit alle moeite waard is te leven.

In de navolging van Jezus bereikt ons leven en ons liefhebben in de Heilige Geest het doel van alles : de Vader.

Het onmogelijke is voor de mens mogelijk geworden. Er is uit dit besluit in liefde van de Drie-ene iets nieuws geboren. Door Hem en met Hem is leefbare gemeenschap haalbaar geworden. Het broederlijk samenzijn van mensen in stad en land, in de kerk en andere gemeenschappen, komt voort uit dit heilig voorbeeld. Gods eenheid in liefde bewerkt onder ons deze heilige broederlijke eenheid in liefde.

 ‘God, hebt Gij een doel met ons leven, roept Gij ons tot deze navolging ? Wilt Gij dat wij één zijn in uw Liefde ?

Ja, Vader, uw wil geschiede ! Ook onder ons. Mogen wij door uw Heilige Geest vol worden van Uw Liefde!’

 De duitse tekst is van Gerhard Jan Rötting

Vertaling en bewerking : Kris Biesbroeck

De Heilige Ruimte

DE HEILIGE RUIMTE

Paul Evdokimov 

Wat de tijd is voor de duur, is de ruimte voor de uitgestrektheid. De ruimte is niet homogeen, er zijn vormeloze , chaotische ruimtes en er zijn geordende ruimtes, de heilige ruimte. De profane ruimte is onderworpen aan de wet van het voortdurend veranderen van plaats en van de uiterlijkheid die het bestaande coördineert. De heilige ruimte heft het naast elkaar plaatsen van de twee op en realiseert méér dan de eenheid van een eenvoudige coëxistentie, het maakt «één» in Christus, onze wezenseenheid in Hem.

 Wanneer Christus tot de samaritaanse vrouw zegt : « het uur komt waarop gij de Vader niet meer zult aanbidden op deze berg noch te Jeruzalem» ( Joh.4,21), dan spreekt Hij over Zichzelf als een alomtegenwoordige heilige plaats, die elke exclusiviteit van een empirische plaats afschaft. Vanaf dat moment is elk bezoek aan een tempel reeds een pelgrimage naar een heilige plaats. Dit verklaart de veelheid van plaatsen die elk hun centrale plaats behouden, juist omdat ze geen geografische centra zijn, maar kosmische, gesitueerd niet op het hiorizontale vlak, maar op het verticale, dat elk punt van het «hierboven» verenigt. Zo is het, vertrekkende van deze alomtegenwoordigheid van de tempel dat de zegening van olie, brood, wijn en graan  wordt voltrokken over de ganse wereld. Dat geldt ook voor de zegening van de «vier delen» van de wereld op het ogenblik van de kruisverheffing.

Deze centrale plaatsen zij diegenen waar alle niveaus communiceren : de onderwereld, de aarde en de hemel; hun gelaat is de heilige Berg, de kosmische boom, de centrale pijler  of de Ladder. Zo is de berg Tabor, waarschijnlijk afkomstig van tabbûr, wat navel betekent, evenals de Berg Gerizim, die «navel der aarde» betekent. Het is daarom, dat volgens de rabbijnse traditie, het land Israël niet verzwolgen is door de zondvloed. In een Christelijke traditie, is Golgotha, dat het centrum der aarde is. Het is daar dat Adam geschapen is, dat het Kruis is opgericht, en aan zijn voet bevond zich het graf van Adam, wat dikwijls op iconen wordt afgebeeld. Hetzelfde met de wortels van de kosmische boom, die afdaalt tot in de hel, en zijn kruin die de hemel raakt, zijn takken symboliseren de verschillende hemelse niveaus   (de apostel Paulus werd meegenomen tot in de derde hemel). In het «Boek der Mysteries» onderlijnt Maximos de Belijder goed de coëxistentie door transcendentie van de cosmische niveaus : « Vandaag zal je met Mij in het paradijs zijn -alles wat voor ons de aarde is, verschilt in niets voor hem van de hemel, hij verschijnt opnieuw op deze aarde en onderhield zich met zijn leerlingen».

De rabbijnse geschriften kennen aan Adam een enorme grootheid toe, terwijl in de apocriefen en in de Pastor van hermas, Christus de grote figuur is waarvan het hoofd de hemelen overtreft. Men begrijpt het, want christus is het goddelijk Archetype van deze beelden, Hij is de boom des levens en het kosmisch centrum . Origines heeft gezegd : «De Schrift beschrijft Christus als een boom» Anderzijds identificeert menig beeld en bijvoorbeeld de mozaïek van het baptisterium van Henchir Messouda Christus met het Kruis. Dezelfde symboliek vind men in de zo geheten  «levende» Kruisen : de uiteinden van het kruis zijn bedekt met takken en eindigen in menselijke armen : één ervan opent de poort van de hemel, de andere breekt de poorten van de hel open. Tijdens de Kruisverheerlijking horen wij : « de boom des levens, geplant op Calvarie (identificatie van de paradijselijke boom en het Kruis) is verheven in het centrum van de aarde..en geheiligd tot aan de uiteinden van het universum», «de lengte en de breedte van het kruis strekken zich uit tot in de hemel ».

Van zijn kant vraagt Augustinus : « en welk is deze berg waarlangs wij omhoog moeten klimmen, indien het niet onze Heer Jezus Christus is ». De akten van Philippus noemen Christus : « pijler van vuur », sulos puros, en in de ascetische geschriften herhaalt een spiritueel volmaakt iemand hetzelfde beeld : « Pijler van vuur die hemel en aarde verbindt»

Maar de bijbelse figuur die het best de betekenis van deze beelden weergeeft is de ladder van Jacob. De engelen gaan er omhoog en dalen af. De hemel is open en de ladder is nadrukkelijk in het centrum van de aarde, en daar Christus de ladder is, springt deze op vanuit alle heilige ruimtes, vanuit ontelbare plaatsen. Jacques de Saroug zegt : « Christus op het kruis houdt zich vast aan de aarde als aan een ladder die vele treden heeft ». Catherina van Siënna ziet het als een punt dat gesteld is tussen hemel en aarde, zoals de regenboog, levendig teken van het verbond. De heilige Efraïm schrijft in zijn epiphanische hymne : «Broeders, beschouw  de   zuil verborgen in het heelal, waarvan de basis op de wateren rust en de poorten der hoogten bereikt zoals de ladder die Jacob zag».

Tenslotte, het is de cirkel (de omheining van tempels en steden) uitgerust met de macht der bescherming, want zij verbeelden symbolisch de eeuwigheid. Wanneer de muren van Jericho instorten op de klank van trompetten, dan is de stad zonder hemelse bescherming. Omgekeerd, wanneer een stad wordt belegerd, dan trekt de processie van de clerus met de heilige relieken of een miraculeuze icoon of een ander heilig object rondom de  omwalling : een zelfde gebed dat zich voordoet in de opgeroepen ruimte versterkt de macht der bescherming.

Men herkent dezelfde betekenis in elke liturgische processie rond de tempel, zij schetst de figuur van de eeuwigheid en geeft aan de uitgestrektheid de waarde van een heilige ruimte. Indien de geheiligde tijd overeenstemt met de diepe nostalgie van de eeuwigheid, dan beantwoord de ruimte aan de dorst naar het verloren Paradijs. In dit overschrijden van het empirische bewerkstelligd door het heilige, vindt de mens gedeeltelijk zijn eerste bestemming en richt hij zich op zijn volmaking.

Uit : L’Art de l’Icone – Théologie de la beauté,Paul Evdokimov pp.119-122

 Vertaling : Kris Biesbroeck

Evdokimow P. De overgang van tekens naar symbolen

DE OVERGANG VAN TEKENS NAAR SYMBOLEN

 Kopie (2) van Kopie van jesconq

Wij ontmoeten in de kunst van de catacomben, een zuiver «signitive» kunst. (aanwezig stellend) Haar doel is didactisch : Het verkondigt het heil en stelt haar instrumenten levendig voor door middel van geheime codes. Men kan het klasseren en twee groepen : 1. alles wat betrekking heeft op het water : de ark van Noë, Jonas, Moses, de vis, het anker; 2. alles wat betrekking heeft op brood en wijn : de vermenigvuldiging van de broden, het malen van het graan, de wijngaard; 3. alles wat betrekking heeft op de beelden van het heil en de geredden : de jongeren in de oven, Daniël in de leeuwenkuil, de phoenix vogel, de verrezen Lazarus, de «goede herder».  De voorstelling duidt eenvoudig weg op de zaligmakende daad : bijvoorbeeld, een dode is verrezen, diegene die ten onder gaat wordt gered. Men merkt een grote verwaarlozing van de artistieke vorm en de afwezigheid van elke theologische ontwikkeling. De «goede herder» stelt in het geheel de historische Christus niet voor, maar het wil gewoon zeggen : de Redder redt daadwerkelijk.  Daniël tussen de leeuwen stelt de geredde ziel van de dood voor. Het zijn getekende voorstellingen : kort en treffend, zij spreken van het heil door het doopsel en de eucharistie. Ziehier een griekse inscriptie op een graf die zeer nauw bij deze wijze van voorstellen aansluit, en geeft er de draagwijdte van aan : « Ik ben Abericus, leerling van de Goede Herder die zijn troepen laat grazen op de bergen en in de vlakte…. Overal is het geloof mijn gids geweest, en overal heeft het mij de Vis van de Bron als voedsel gegeven, de grote, de zuivere, die de Maagd heeft gevangen en te eten heeft gegeven aan de vrienden. Zij heeft ook een heerlijke wijn gemaakt en die gemengd heeft met water te drinken gegeven met brood. Dat iedereen die denkt zoals ik en deze woorden begrijpt bidden voor Abericus».

Alles komt overeen met de oproep, dat er geen eeuwig leven is zonder Christus en zijn sacramenten. Alles is gereduceerd tot het enige teken en alles is vreugde, want de verrijzenis van de doden is ingeschreven op de sarcofagen («eters van vlees») De afwezigheid van enige kunst markeert hier het beslissende moment van het lot van deze kunst : haar hoogtepunt, heel dicht nabij nog, de grote scheppingen van de Oudheid zijn nutteloos voor het moment; men neemt er afstand van, gaat voorbij aan zijn eigen dood, dompelt zich onder in de wateren van het doopsel, die uitgedrukt en bewaard zijn in de graffiti van de catacomben, om uiteindelijk uit haar doopvonten te komen bij de aanvang van de 4e eeuw, onder een vorm die nog nooit gezien was : de iconen. Het is de verrezen kunst in Christus : noch teken, noch schilderij, maar icoon, symbool van de aanwezigheid en haar schitterende plaats, liturgisch visioen van het mysterie dat beeld is geworden.

Het geschreven en beluisterde Woord is de inhoud van de Bijbel; zorgvuldig opgebouwd opent zij de poorten van de Tempel; gezongen en voorgesteld op de hiërarchische scene van de cultus, vormt zij de liturgie; mysterievol geschilderd, wordt het tot contemplatie, «visuele theologie» onder de vorm van de iconen.

 

Uit : Paul, Evdokimov : L’Art de l’icone, pp.149-150

Vertaling : Kris Biesbroeck

Kallistos Ware : God en mens deel 4 : De Heilige Geest

God en mens
Kallistos Ware
 

Deel 4 (slot)

 

drieeenheid145

DE HEILIGE GEEST

 

In hun werkzaamheid onder de mensen vullen de tweede en de derde persoon van de Drieeenheid mekaar aan.

Het werk van de verlossing  in Christus kan niet beschouwd worden buiten het  heiligmakende werk van de H.Geest. ‘ Het woord is vlees geworden’ zegt Athanasius, ‘opdat wij de Geest zouden kunnen ontvangen'(36). Eén van de beweegredenen van de menswording is de  nederdaling van de Heilige Geest met Pinksteren.. De orthodoxe Kerk legt heel sterk de nadruk op het werk van de Heilige Geest. Zoals we hebben gezien , is één van de aanklachten

tegenover het filioque , de tendens om de Geest ondergeschikt te maken en zijn rol te verminderen. Voor de Heilige Sérafim van Sarov, is het enige objectief van het christelijk leven de verwerving van de Heilige Geest, en hij zegt bij het begin van zijn gesprek met Motovilov :

‘Het gebed, de vasten, de waken, en alle andere christelijke praktijken, alhoewel goed uit zichzelf, betekenen zij  geenszins het doel van ons christelijk leven : het zijn slechts noodzakelijke middelen om dit doel te bereiken. Want het echte doel van het christelijk leven is de verwerving van de Heilige Geest. Wat betreft het vasten, de waken , de gebeden,  de aalmoezen en alle andere goede werken die gedaan worden in de naam van Christus, het zijn slechts middelen om de Heilige Geest te verwerven. Let hierbij wel op : het zijn slechts de goede werken, gedaan in de naam van Christus, die ons de vruchten van de Heilige Geest bijbrengen.’

‘Deze bepaling’ zegt V.Lossky, ‘die op het eerste zicht heel simpel lijkt, vat de gehele  spirituele traditie van de orthodoxe Kerk samen (37) . En zoals de Heilige Pacomius, leerling van Théodore het zegt : ‘ Wat is er groter dan de Heilige Geest te bezitten ?’ (38).

Wij zullen de kans hebben om in het volgende hoofstuk de plaats van de Heilige Geest in de orthodoxe ecclesiologie te situeren. In elke sacramentele handeling van de Kerk, en vooral in het hart van het eucharistisch gebed, wordt de Heilige Geest plechtig aanroepen. Bij het begin van elke dag, in  zijn dagelijkse gebeden, plaatst de orthodoxe christen zich onder de bescherming van de Heilige Geest , zeggende : ‘Hemelse Koning, trooster, Geest van waarheid, die overal tegenwoordig zijt en die alles vervult, schatkamer van alle goed, gever van het leven, kom en verblijf in ons, zuiver ons van alle smet en red onze zielen, O algoede'(39)

DEELGENOTEN VAN DE GODDELIJKE NATUUR

Het doel van het christelijk leven, dat Seraphim beschrijft als een verwerving van de Heilige Geest van God, kan ook gedefinieerd worden door de term Déificatie’. Basilius stelt de mens voor als een schepsel die de taak heeft gekregen ‘god’ te worden ; en Anastasius, zoals we weten, zegt dat God mens is geworden, opdat de mens ‘god’ zou kunnen worden. ‘In mijn koninkrijk’ ,  zegt Christus ‘zal ik God zijn en jullie goden met mij ‘ (40). Dit is, volgens de orthodoxe leer, het uiteindelijk doel waarnaar elke christen moet streven : god worden, de ‘theosis’ , de déificatie, de vergoddelijking.. In de orthodoxe terminologie is de verlossing van de mens zijn déificatie.

Achter de leer van de déificatie vindt men de idee van de mens die gemaakt is naar de gelijkheid met God, de Heilige Drieeenheid. ‘ Dat wij allen één zijn’, zegt Christus, ‘zoals Gij Vader in mij en ik in U, dat zij ook één zijn in ons’ (Joh.XVII,21). Op de zelfde manier waarop de drie personen van de Drieeenheid ‘ verblijven de één in de ander’, in een voortdurende  stroom van liefde, zo is ook de mens, geschapen  naar het beeld van de

Drieeenheid geroepen om te ‘verblijven’ in de Trinitaire God. Christus bidt  opdat wij deel zouden hebben  aan het leven van de Drieeenheid, in dezelfde liefdesrelatie als binnen de Drieenheid. Hij bidt opdat wij geworteld zouden zijn in de godheid. De heiligen, zoals Maxime de belijder het zegt, zijn zij die een uitdrukking zijn van de Heilige Drieeenheid. Dit idee van een persoonlijke  en organische eenwording tussen God en de mens is een voortdurend wederkerend thema in het evangelie van Sint Jan; het komt ook voortdurend terug in de brieven van Paulus, die vooral  het christelijk leven ziet als een ‘leven in Christus’.  Dezelfde idee vindt men in de beroemde tekst van de tweede brief van Petrus : ‘ Wij zijn met zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daardoor deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur’ (2 Petr.1,4)

Men heeft dikwijls gezegd, dat de orthodoxe leer van de déificatie elke bijbelse fundering mist. Dit is onjuist, het vindt in de bijbelse teksten een soliede basis, niet enkel  in 2 Petrus, maar ook bij Paulus en in het vierde evangelie.

Wanneer men spreekt over déificatie, moet men altijd het onderscheid voor ogen houden tussen ‘essentie’ en  de ‘goddelijke energieën’. De eenwording met God is een vereniging met de goddelijke energieën en niet met de goddelijke essentie. De orthodoxe Kerk verwerpt in zijn opvatting van vereniging en déificatie, elke vorm van panthéisme.

Er is nog een ander punt, dat evenwaardig is als dit en ermee verbonden is : De mystieke eenwording van God en mens, die een waarachtige eenwording is, is een eenwording waarin

de Schepper en  zijn schepsel zich nochtans niet samensmelten tot één enkel ‘zijn’. In tegenstelling tot de oosterse godsdiensten die leren dat de mens wordt geabsorbeerd door de godheid, heeft de orthodoxe mystiek altijd  de nadruk gelegd op het feit dat de mens, welke zijn verbondenheid  met God ook moge zijn,nooit zijn eigen integriteit heeft verloren. De Mens, zelfs de gedéifieerde, blijft altijd ‘onderscheiden’, maar niet ‘gescheiden’ van God.. Het mysterie van de Drie-eenheid is een mysterie van eenheid in verscheidenheid, en zij , die in zich de Drie-eenheid uitstralen, offeren daardoor hun persoonlijke eigenschappen niet op. Wanneer de Heilige Maxime schrijft : ‘ God, en diegenen die Hem waardig zijn, hebben één en dezelfde  energie’ (41), dan wil hij daarmee niet zeggen dat de Heiligen daardoor hun vrije wil verliezen, maar wel, dat zij als gedéifieerden  vrijwillig en uit liefde zich richten naar Gods wil . Door ‘god te worden’ verliest de mens zijn menselijkheid niet : ‘Men blijft een schepsel, God wordend door de genade, mens wordend door de incarnatie'(42).De mens wordt geen God ‘van nature uit’ maar hij is alleen maar een ‘geschapen god’, een god uit genade.

De déificatie heeft ook met het lichaam te maken, daar de mens een eenheid is van lichaam en ziel. Christu
s heeft  de ganse mens gered, ‘ het lichaam van de mens is vergoddelijkt samen met zijn ziel’ (43). In deze goddelijke gelijkenis, moet de mens zelf zijn lichaam-zijn realiseren.’ Uw lichaam is een tempel van de Heilige Geest’, schrijft Paulus (1 Kor.,6,19). ‘Ik vermaan u dan , broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer'(Rom.12,1). Maar de volle déificatie kan niet bereikt worden in dit leven. Zelfs de schittering der Heiligen is slechts een innerlijke schittering van de ziel, maar wanneer de rechtvaardigen zullen opstaan en getooid zullen worden met een geestelijk lichaam, dan zal hun heiligheid gemanifesteerd worden.’Op de dag der Verrijzenis, zal de glorie van de Heilige Geest ‘van binnenuit ‘ komen. Hij zal de lichamen der heiligen tooien en bekleden met glorie.Een glorie die ze reeds bezaten, maar echter op verborgen wijze in hun ziel. Datgene wat de mens nu bezit, zal zich naar buiten toe in hun lichaam manifesteren'(44). De lichamen der heiligen zullen uiterlijk getransfigureerd worden door het goddelijk licht, zoals het lichaam van Christus op de berg Tabor. ‘Wij moeten hopen op een ‘lente’ van het lichaam'(45).Maar sommige heiligen hebben reeds in dit leven een  begin ervaren van deze zichtbare glorificatie van het lichaam. Sint Serafim, om de meest vooraanstaande te noemen, is niet de enige die dit ervaren heeft. De leerlingen van  Arsenius de Grote, hebben het gezien ‘als een vuur'(46). En men merkt  bij een andere woestijnvader op :’Zoals Moses  in zich het beeld heeft gegrift van de glorie van Adam, toen zijn aangezicht was verheerlijkt, zo schitterde het aangezicht van Abba Pambo als een lichtstraal en hij was een koning gezeten op zijn troon'(47). En, Gregorius van Palamas in herinnering brengend : ‘Als in de toekomstige tijden, het lichaam geroepen is om met de ziel te delen van de onuitdrukbare gelukzaligheden, dan is het zeker dat het er , voor zover het mogelijk is, vanaf nu reeds deel aan heeft'(48).

Het is vanuit deze overtuiging van heiliging en van transfiguratie van het lichaam met de ziel ,dat de orthodoxen hun onmetelijk respect voor de relieken van de heiligen halen. Zoals de rooms katholieken, geloven zij, dat Gods genade, dat actief is in het lichaam van de heiligen gedurende hun leven, zich ook voortzet in hun relieken, door dewelke God zijn goddelijke kracht manifesteert en waarvan Hij instrumenten maakt tot genezing. Er zijn gevallen, waarin het lichaam van heiligen op ‘wonderbare’ wijze bewaard is gebleven , maar, zelfs al is dit niet het geval, dan nog tonen de orthodoxen een evenwaardige verering voor hun beenderen. Dit respect is niet te wijten aan onwetendheid of  bijgeloof, maar is de vrucht van een verheven theologie van het lichaam.

Maar het is niet alleen de mens, maar geheel de schepping die uiteindelijk zal getransfigureerd worden  ‘ Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want  de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan ‘ ( Apoc. XXI,1). De vrijgekochte mens is niet ontrukt aan de overige schepping , maar de schepping moet behouden en geheiligd blijven met hem (De iconen, zoals wij hebben gezien, zijn de aanvang van deze verlossing van de materie ‘. ‘Want met reikhalzend  verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods….in  hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is ‘ (Rom., VIII, 19-22).

Het idee van deze kosmische verlossing , zoals de orthodoxe leer over het menselijk lichaam en over de iconen, is gebaseerd op een diep verstaan van de rol van de incarnatie : Christus is vlees geworden, iets materieels, en Hij heeft ook de verlossing en de gedaanteverandering (metamorfose) van gans de schepping mogelijk gemaakt, niet alleen van de materiële wereld, maar ook van de lichamelijke.

Deze uiteenzetting over de deificatie, van de cosmische vereniging en transfiguratie, kan ver verwijderd lijken van de courante ervaring ; maar dit is pas zo indien men de orthodoxe opvatting van de theosis verkeerd begrepen heeft. Om elke foutieve interpretatie te vermijden, moeten zes punten extra onderlijnd worden

Ten eerste , de deificatie is niet alleen weggelegd voor enkele ingewijden, maar zij is bestemd voor allen. Voor de orthodoxe Kerk is dit het normale doel van elke christen, zonder uitzondering. Natuurlijk zullen we pas ten volle gedeifieerd worden op de Laatste Dag ; maar voor ieder van ons moet er hier en  nu een begin mee gemaakt worden. Er zijn er  weinigen die deze mystieke vereniging met God  reeds hier en nu  bereiken. Maar ieder ware  christen zal zich inspannen om God lief te hebben en zijn geboden te vervullen. In de mate dat de mens hierin volhardt, hoe zwak zijn pogingen ook mogen zijn, en hoe dikwijls hij ook moge vallen, in diezelfde mate is de mens in zekere zin reeds gedeifieerd.

Ten tweede , Het feit dat de mens gedeifieerd is, wil niet zeggen dat hij daardoor geen zondebewustzijn meer heeft. In tegendeel , deificatie veronderstelt een voortdurend berouwvol hart.  Een heilige, hoe ver hij ook gevorderd is op de weg van de heiligheid, houdt hij daarom op de woorden van het gebed van Jezsus  te gebruiken :’ Heer, heb medelijden met

mij, zondaar ?’. Vader Silouan van de Athosberg had de gewoonte om te zeggen : ‘ Bewaar  uw Geest in de hel, en wanhoop niet’ Andere orthodoxe heiligen  hebben ook herhaald ‘: Allen zullen gered wordt, alleen ik zal veroordeeld worden’. De geestelijke schrijvers uit het oosten hechten ook een groot belang aan de ‘gave der tranen’.De orthodoxe mystieke theologie is een theologie van glorie en transfiguratie, maar ook een theologie van berouw.

Ten derde ,  Er is niets ondoorgrondelijks  (esoterisch) of extravagant gelegen in de methode welke we moeten volgen om gedeifieerd te worden. Als iemand vraagt : ‘ Hoe kan ik god worden ?’ is het antwoord eenvoudig : je moet naar de kerk gaan, regelmatig de sacramenten ontvangen, God bidden ‘in geest en waarheid’ , en Zijn geboden volgen.. Het laatste, Zijn geboden volgen, mogen wij nooit vergeten. De orthodoxie , evenals het westerse christendom, verwerpt iedere vorm van mysticisme die zich vrij wil maken van de morele wetten.

Ten vierde ,De deificatie is geen proces van mij alleen, het is een ‘sociaal’ proces. Wij hebben gezien, dat de deificatie kan bereikt worden door het volgen van de geboden ; Christus heeft ze samengevat in zijn onderricht over de liefde voor God en de naaste. Deze twee vormen van liefde zijn onscheidbaar. Een mens kan zijn naaste niet liefhebben als zichzelf, indien hij God niet liefheeft boven alles, en een mens kan God niet liefhebben als hij de andere mensen niet liefheeft (I Joh 4, 20 ). Er is dus niets egoïstisch aan de deificatie : het is alleen als een mens zijn naaste liefheeft dat een mens gedeifieerd kan worden. ‘Het leven of de dood hangt van onze buur af ‘, zegt Antonius van Egypte, ‘ want als wij het hart van onze buur veroveren, veroveren wij God, en als we een oorzaak van val zijn voor onze buur, dan zondigen wij tegen Christus ‘(49). De mens, gemaakt naar het beeld van de drie-eenheid, kan slechts deze goddelijke gelijkenis realiseren, indien hij op dezelfde wijze leeft als deze van de Heilige Drie-eenheid :

Zoal
s de drie personen van de godheid ‘verblijven’ in mekaar , zo moeten ook de mensen in mekaar ‘verblijven’., niet meer levend voor zichzelf, maar in de anderen en voor de anderen. ‘Indien het voor mij mogelijk was een melaatse te vinden’, zei een Woestijnvader, ‘en hem mijn lichaam te geven en ik het zijne, dan zou ik dit met vreugde doen, want dit is de volmaakte liefde'( 50). Hier hebben we de diepste definitie van wat theosis is.

Ten vijfde , De liefde voor God en de mensen moet actief zijn : de orthodoxie verwerpt elke vorm van quietisme, elke vorm van  liefde die abstract blijft. De deificatie, alhoewel ze de hoogten van de mystieke ervaring nastreeft, heeft ook een  nuchtere en  alledaagse kant. Wanneer wij denken aan deificatie, dan denken we dikwijls aan de hesychasten, die in stilte bidden,  en aan het getransfigureerde gelaat van de Heilige Serafim,.Dit maakt indruk op ons.Maar we mogen de Heilige Basilius niet vergeten die zich bezighield met de zieken in het hospitaal van Césaréa, noch de heilige Johannes de Aalmoezenier die zich inzette voor de armen van Alexandrië, noch de Heilige Sergius die in lompen gehuld, werkte in de groententuin om te kunnen voldoen aan de noden van de gasten van het monasterie. Deze twee aspecten vormen slechts één beeld

Ten slotte , De deificatie veronderstelt een leven in de Kerk, door de sacramenten.De theosis , conform met de Drie-eenheid, veronderstelt een gemeenschappelijk leven, en het is slechts in de Kerk dat wij dit kunnen realiseren. De Kerk en de sacramenten zijn de middelen die God  gegeven heeft aan de mens om de heiligmakende Geest te ontvangen en gevormd te worden naar de goddelijke gelijkenis.

1) V.Lossky,Essa isur la théologie mystique de l’Eglise d’Orient,p64

(2) D.J. Chitty, ‘The doctrine of the holy Trinity told tot the children’, in Sobornost, Séries 4,n° 5,1961,p.241

(3) Gregorius Palamas, P.G.,1176C (p.104)

(4) Sur la Foi orthodoxe, I,4 (P.G.,XCIV,800B,797B)

(5) Onder invloed van het modernisme hebben vele protestanten ‘zo goed als’ verzaakt aan de leer over de Drieeenheid en de menswording. Ik spreek hier over de calvinisten, lutherianen en anglicanen die trouw zijn gebleven aan de formules van het classieke protestantisme van de XVIe eeuw.

(6) Gregorius van Nazianze, Homelies, XXXI,14

(7) Johannes van Damascus, Sur la Foi orthodoxe,1,8 (P.G.,XCIV,809A)

(8) Gregorius van Nazianze, Homélies,XXV,17

(9)Volgens Sabellius, een ketter uit de 2e eeuw, was de Drieeenheid geen vereniging van drie personen, maar vormde ze  één enkele Persoon, één unieke goddelijke essentie die zich manifesteert onder drie opeenvolgende aspecten : Vader, Zoon en Heilige Geest.

(10) P.G., CII,289B

(11) Summa Theologica,I,Question 40,art.2

(12) J.Meyendorff,Introduction à la vie de Grégoire Palamas,p.294

(13) Niet alleen de orthodoxen, maar ook sommige catholieke autoriteiten geloven dat er        een verband bestaat tussen het geschil over het filioque en het vraagstuk over het pauselijk primaat.Zie in dit verband wat Sint Thomas van Aquino hierover gezegd heeft in zijn Contra errores Graecorum  (Y.Congar, Esquisses du Mystère de l’Eglise,Paris,1953,pp.136-137.

(14) Augustinus, Confessiones,I,1

(15) De eerste hoofdstukken van Genesis bevatten religieuze waarheden en mogen niet letterlijk worden opgenomen. Vijftien jaar voor de moderne bijbelkritiek interpreteerden de Kervaders de Schepping en het Paradijs op een meer symbolische dan litteraire wijze.

(16) Sur la Foi orthodoxe,11,12 (XCIV,920 B).

(17) In de septuagint : ps.81 , in de andere vertalingen ps.82.

(18) Démonstration de la prédication apostolique

(19) P.G., CL, 1361C.

(20) Lettre 3 (Collections grèque et latine, 6)

(21) Geciteerd in : P.Evdokimov, L’Orthodoxie,p.88.

(22) Première vie Grèque,22

(23) Stromateis,I,XiX (P.G., LXXIX,1193C).

(24) Sur la prière 123 (P.G.,LXXIX,11936C

(25) P.Evdokimov, L’Orthodoxie, p218.

(26) Een monniik van de Oosterse Kerk, Orthodox Spirituality,p.23

(27) Homélies sur les mots Saul ,Saul 6 (P.G.,LI,144

(28) Homélies catéchétiques, I, 4.

(29) Sur la perfection de la droiture de l’homme, IV,9

(30) Dosithée, Confession, Décret III (comparer avec décret XIV)

(31) Thomas Van Aquino hangt het standpunt van Augustinus aan , maar weerhoudt de idee van een oorspronkelijke schuld.Maar wat betreft de pasgeborenen die niet gedoopt zijn, zegt hij dat ze niet naar de hel gaan, maar naar het voorgeborgte.Dit standpunt is het standpunt van de rooms-katholieke Kerk geworden. Voor zover ik kan nagaan, heb ik binnen de orthodoxie geen enkele schrijver gevonden die gewag maakt van dit voorgeborgte. ; men vindt dikwijls in de theologische literatuur het Augustijnse standpunt over de val, maar algemeen genomen is

(32) P.Hammond, The waters cf Marah,p.20

(33) O.Rousseau, ‘Incarnation et anthropologie en Orient et en Occident” , in Irénikon, vol.XXVI (1953), p.373.(34) Eerste exorcisme voor het sacrament van het doopsel

(35) Johannes Chrysostomos, tweede sermoen over het kruis (P.G.,XLIX,413)

(36) 1. Over de incarnatie en tegen de Ariërs 8 (PG, XXVI,996C)

(37) V.Lossky, Essai sur la théologie mystique de l’Eglise d’Orient,p193

(38) Première vie grecque de Pacôme 135

(39) Gebed dat gebruikt wordt in bijna alle liturgische diensten

(40) Canon van de Metten op Goede Donderdag, Ode 4, Troparion 3.

(41) Ambigua, P.G., XCI,1076C

(42) V
.Lossky, Essai sur la théologie mystique de l’Eglise d’Orientnp84

(43) Maxime, Chapitres gnostiques II, 88 (P.G., XC,1168A)

(44) Homélies de Macairen, v.9.Het is de transfiguratie van dit verrezen lichaam dat de schilder van ikonen symbolisch probeert uit te drukken, aldus de oorspronkelijke en onderscheiden trekken van de Heilige trachtend uit te drukken, hij vermijdt  echter om er een realistisch beeld van te maken (fotografisch). Door de mensen te schilderen in de staat dat ze nu zijn, schildert hij hen in hun zondig ,vleselijke lichaam, en niet in  het hemelse.

(45) Minucius Felix (einde 2e eeuw), Octavius,34.

(46) Apophthegmata (P.G., LXV) Arsenius 27

(47) Apophthegmata (P.G.,Pambo 12 ; Te vergelijken met Apoththegmata, Sisoes 14 en Silvanus 12. Epiphane, in zijn leven van Serge van Radonège, verklaart hij dat het lichaam van de heilige straalde na zijn dood.. Men zegt dikwijls, dat de transfiguratie door het licht correspondeert aan de stigmatisatie bij de westerse Heiligen. Men moet echter niet al te radicaal zijn in de vergelijking : men vindt in het westen gevallen van ‘lichamelijke verheerlijking’, zoals bv. Bij een Engelse vrouw ,Evelyn Underhill (1875-1941), waarvan een vriend getuigt haar getransfigureerde  en lichtend gezicht gezien te hebben(het verhaal doet denken aan dat van Serafim ). En de stigmatisatie, alhoewel het een typisch westers verschijnsel is, is ook in het Oosten bekend. In de Koptische tekst over het leven van de  Heilige Marcarius van Egypte, is beschreven hoe een cherubijn hem verscheen, ‘nam de maat van zijn borst’ en ‘kruisigde hem aan de grond’.

(48) Tomos de la Montagne Sainte (P.G., CL, 1233C).

 (49) Apophthegmata (P.G.,LXV, Antoine 9.

(50) Idem, Agathon.

 

Uit : L’Orthodoxie : L’Eglise des sept conciles, hst.XI, pp. 285-323

Vertaling : Kris Biesbroeck