Het triodium van de Grote Vasten

Het triodium van de Grote Vasten

 

Liturgische bemerkingen

De maandag die volgt op de Zondag van de onthouding van melk is de eerste dag van de Grote Vasten. Gedurende 40 dagen nodigt de Kerk ons uit om ons voor te bereiden op de tijd van de Passie en de tijd van Pasen.

1 – DE  VASTEN

Men kan de vraag naar het vasten van voedsel negeren of het lichtzinnig opvatten. Nochtans heeft het vasten een daadwerkelijke  spirituele waarde. Want de vasten is een “zich beschikbaar stellen”  voor Christus en Zijn Woord. Maar men mag het  vasten niet  alleen beperken  tot het zich onthouden van voedsel. De vasten moet ons vooral helpen om onze daden , onze gedachten, onze woorden beter te controleren. Om onze aandacht meer te richten op de eisen van de Heer, om ons terug te brengen tot onze ware dimensies opdat onze naaste wordt verhoogd. De vasten is een “geheel” waarvan men de innerlijke en uiterlijke aspecten niet mag scheiden, maar waarvan de eerste de meest belangrijke zijn.

2 – DE EUCHARISTISCHE LITURGIEëN

A – In de week

Volgens ons gebruik zijn op de dagen dat er gevast wordt ( ’t is te zeggen alle dagen van de Vasten, uitgezonderd de zaterdag en de zondag) geen celebraties van de Goddelijke Liturgie en dit als teken van berouw. Om de gelovigen toch toe te staan om tot de heilige Communie te naderen, worden de heilige gaven zorgvuldig bewaard na de Liturgie van de Zondag en worden op woensdag en vrijdag aan de gelovigen uitgedeeld in wat wordt genoemd de Liturgie van de Voorafgewijde gaven, ’t is te zeggen, waar de Heilige Gaven  worden genut die vooraf werden geconsacreerd Deze Liturgie van de Voorafgewijde gaven, die in feite een vesperdienst is gevolgd  door de communie, bevat zelf geen eucharistische consecratie. Op zaterdag celebreert men de Goddelijke Liturgie van de Heilige Johannes Chrysostomos.

B – De Zondag

Gedurende de vasten viert men de liturgie van de Heilige Basilios de Grote in plaats van deze van de Heilige Johannes Chrysostomos.

Deze Liturgie wordt in onze Kerk tien maal per jaar gecelebreerd, en wel als volgt :

-De 5 eerste Zondagen van de Vasten

– Op Witte Donderdag, en Paaszaterdag

– Op de vooravond van kerstmis en van Epiphanie ( maar indien deze feesten vallen op een zondag of een maandag, dan zal de Liturgie van de Heilige Basilios plaats vinden op de dag zelf van het feest)

– de eerste januari, feest van de heilige Basilius

3 – DE GROTE COMPLETEN

Het is het laatste van de officies van de dag die men de maandag, de dinsdag, de woensdag en de donderdag van de Grote Vasten opzegt.

In dit officie leest men een groot  bijbels gebed van berouw, dit van Manasse, koning van Juda

4 – DE GROTE CANON VAN DE HEILIGE ANDREAS VAN CRETA

Het wordt in delen gelezen in de Grote completen, de maandag, de dinsdag, de woensdag en de donderdag van de eerste week van de Vasten, en integraal de woensdag avond van de vijfde week. Het is een groot  gedicht van 250 strofen, verdeeld in 9 odes.

5 – DE HYMNE VAN DE ACATHIST

Het is een lang gedicht van lofprijzing aan de heilige Maagd Maria, die 24 strofen bevat,  die gerangschikt zijn in alfabetische  orde en verdeeld in vier delen. De vier eerste vrijdagen van de vasten leest men er een deel in van de avond tijdens de completen. De vijfde vrijdag leest men gans de hymne. Het officie heet “acathist”, want men zingt het rechtstaand.(Letterlijk is het een hymne gedurende de zang waarin men niet zit)

In 626 bezetten de Avaren en de Perzen Constantinopel waarvan de Keizer Héraclitus was. De clerus en het volk zouden de ganse nacht in gebed hebben doorgebracht terwijl ze deze hymne aan de heilige Maagd zongen. En de stad werd gered. Men voegde daarbij de herinnering aan twee andere bevrijdingen van Constantinopel, wanneer de stad zich had te verdedigen tegen de Arabieren in 677 en 717. De auteur van de hymne zou voor de ene Patriarch Serge van Constantinopel geweest zijn, voor anderen dan weer zijn archivaris, Georges le Pisside.

6 – DE EERSTE ZATERDAG VAN DE VASTEN

Wij herdenken het mirakel van de kolivia van St. Théodoros de Rekruut, die stierf als martelaar in de 4e eeuw van ons tijdperk. Zie hier hoe het mirakel had plaatsgevonden : Julien de afvallige had het bevel gegeven om de producten die reeds aan de afgoden waren gegeven en verontreinigd waren door het bloed van de slachtoffers, op de markt te verkopen. De heilige martelaar verscheen aan de Patriarch van Constantinopel  Eudoxius om de chistenen te vermanen zich slechts te voeden met kolivia, korenharen gekookt in water en gekruid met suiker, en die we nog nuttigen wanneer wij een requiem celebreren

 

Borelly : Canonische discipline in de orthodoxe kerk

Canonische discipline van de orthodoxe Kerk

 

Ik geloof waarlijk, zoals ik het zo dikwijls bevestig in het Credo, «in de Kerk ». Ik kan niet ontkennen dat  de teksten die de Kerk heeft geschreven in de loop van haar geschiedenis, canons genoemd, mij zowel bevallen als hinderen. Deze teksten hebben als doel om de grenzen te definiëren van het ware leven die de christen niet zomaar achter zich kan laten, zonder aan deze  vormende daad voorbij te gaan. Een daad waardoor de hemelse Vader de christen  behandelt als zijn enige Zoon, dit wil zeggen , Hij geeft hem er een vergoddelijkende gave van Zijn heilige Geest mee.

De kerkelijke Canons tonen ons de weg die wij moeten gaan opdat ons leven in de Kerk niet slechts een natuurlijke sociaal leven zou zijn, maar ook opdat wij de autonomie van onze natuurlijke individualiteit zouden overschrijden door het ontvangen van de Heilige Geest en door de ervaring van onze deïficatie (…) Maar daarvoor moeten wij twee dwalingen vermijden . De ene bestaat erin

Dat wij zouden zeggen : het verleden is voorbij bij het begin van dit derde millennium, het is hoog tijd om een aggiornamento door te voeren. Als we zo denken dan miskennen wij volledig de diachronische (= historische ontwikkeling) en synthetische (op een synthese berustend)dimensie, en dit zonder onderbreking doorheen de periode van de kerkelijke Traditie en de eenheid van de Kerk.

Indien de kerkelijke canons ons voor alles spreken over de mogelijkheden van onze vergoddelijking in het zijn-in-communio van de Kerk, dan is het ware leven waarvan zij spreken ook het ware leven voor ons, hoe ver we nu ook mogen verwijderd zijn van hun auteurs. Er is nochtans nog een tweede dwaling waar we moeten op letten : men moet de christenen nu ook niet beangstigen met de canons door hen op een fanatieke wijze te bestoken door een automatische toepassing ervan. Gaan we in deze tijd een christen excommuniceren die de kerk verlaat vóór de anaphora zonder medisch motief ?

Zal men een moordenaar die berouw heeft, de heilige communie onthouden  tot aan het einde van zijn leven, en voor zeven jaar iemand die overspel heeft gepleegd ? Voor een  goed gebruik van de canons moeten wij voor ogen houden  dat, indien in de Oudheid de heilige Kerk, nochtans zo goed, zo moederlijk, zich streng heeft opgesteld, dat het is omdat ook nog in onze dagen, zonde exstreem zwaar is en dat wij als gevolg hiervan haar als zodanig moeten behandelen, zelfs al moet dit gebeuren met minder zware straffen. Want vroeger gaf de Kerk de communie voor zeven jaar niet aan iemand die echtbreuk had gepleegd of tot het einde van zijn leven niet aan iemand die een moord had bedreven. Wij hebben ook nu nog het recht niet om ons tevreden te stellen om zo een zonde in de biecht te belijden en direct na de biecht te communiceren  » 

 

Vader André Borrély, in Orthodoxes à Marseille octobre-Novembre 2002.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

Endokimov Paul : Het heilige

Het heilige

 

De gewone omgangstaal gebruikt dikwijls de uitdrukkingen : de heilige wil, de heilige plicht, de heilige wet, een heilig man. In de loop van de semantische evolutie zal de term “heilig” zich losmaken  van haar wortels en een morele betekenis aannemen die ver  staat van haar initiele ontologische betekenis.

Voor alles, stelt het heilige zich boven de elementen van deze wereld en stelt zij het binnendringen vast van wat R.Otto het “ganz Andere” noemt, alsoluut anders, verschillend van deze wereld. De Bijbel geeft ons de juiste betekenis : God alleen is “ontos” – waarachtig in alles wat hij is, de Heilige; het schepsel is er in zekere zin van afgeleid; het heilige of de heilige is nooit zo door zijn eigen natuur, door zijn essentie, maar altijd door participatie. De term Qadosh, agios,sacer,sanctus, houdt een relatie in van totaal toebehoren aan God en postuleert een uitzondering. De act die heilige maakt ontneemt iets of een zijnde zijn empirische condities en plaatst hem in communio met het numineuze, dat wat hun natuur verandert en dat onmiddellijk aan de omgeving het mysterium tremendum doet ervaren, de heilige siddering voor de tegenwoordigheid van dit “numineuze”. Het is niet de schrik voor het onbekende, maar een zeer karakteristieke mystieke ontzetting die elke manifestatie van de transcenderende, zijn energetische uitstraling vergezeld doorheen de realiteiten van deze wereld : “ Vrees voor mij zal ik doen uitgaan. Alle volkeren die gij aantreft zal ik in paniek brengen” zegt God (EX.23,27; of nog :”Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond” (Ex,3,5).

Het is onder de onechte elementen van deze wereld, de ontstellende intrede van een “onschuldige” realiteit, want geheiligd, wat betekent gereinigd en teruggebracht tot zijn  originele staat, tot zijn authentisch  noodlot :  de  zuivere verzamelplaats van een aanwezigheid, opdat het heilige van God erin ruste en uitstraalt. Immers, “deze plaats is heilige” door de aanwezigheid van God, zoals dat gedeelte van de Tempel  heilig was dat de ark van het Verbond bevatte, zoals de “Heilige schriften” het  zijn, want zij bevatten de aanwezigheid van Christus in zijn woord, zoals gans de Kerk heilig is, want God verblijft er en maakt het tot “Huis van God”, hij spreekt er en geeft het zijn voedsel. De “Vredeskus”, tijdens de  liturgische synaxis werd “heilig” genoemd want  het bezegelde de communio met de aanwezige Christus. De engelen, “tweede lichten” zijn heilig want zij leven in het licht van God en stralen het uit. De profeten, de apostelen, “de heiligen van Jeruzalem” zijn heilig door de charismen van hun dienstverlening. Het is door een “uitverkiezing” dat Israël het ethnos agion, een “heilige natie” was; en in de economie van het Nieuwe Israël wordt elke gedoopte  “gezalfde”, gezalfd met de gaven van de heilige Geest; deze gaven integreren hem in Christus opdat hij zou “participeren aan de natuur van God” (IIPetrus 1,4), en door deze deelname, wordt hij heilig , heiligt hij zich. De bisschoppen onder hen kennen zich de titel toe van sanctus frater,  en een patriarch draagt de titel “zijne heiligheid”, niet krachtens zijn menselijke realiteit, maar door zijn bijzondere deelname aan het priesterschap van Christus, enige opperpriester, alleen heilig.

De liturgie brengt ons een zeer uitdrukkelijke lering over deze notie. Voordat hij het eucharistisch maal offert, zegt de priester : “het heilige voor de heiligen” en de verzamelde gelovigen, alsof gegrepen door deze ontzagwekkende eis, antwoord door zijn onwaardigheid te belijden : Tu solus sanctus, Alleen de Heer Jezus Christus is heilig”. De enige, de unieke Heilige door zijn natuur is Christus, zijn leden zijn slechts heilig door het participatie aan deze unieke heiligheid. “Uw licht weerkaatst op de gezichten van uw heiligen” zingt de Kerk. “Christus heeft zijn Kerk liefgehad…opdat zij heilig zou zijn” (Ef.5,25-27), en “de gelovigen worden  heiligen genoemd omwille van de heilige dingen waaraan  zij deelhebben”legt Nicolas Cabasilas uit. Jesaja (6,5-6) geeft er een zeer nauwkeurige beschrijving van : “Ik ben een mens wiens lippen onzuiver zijn…maar één van de serafijnen vloog naar mij toe met in de hand een brandende kool die hij van het altaar had genomen met  een tang…en hij raakte mijn mond aan en zegt : dit heeft uw lippen aangeraakt, uw ongerechtigheid is weggenomen” De mens is  heilig geworden door zuivering, want de machten van daarboven hebben hem aangeraakt. De priester “herdenkt” dit visioen van  Jesaja : hij kust de rand van de kelk, symbool van de doorstoken zijde van Christus zeggend : Dit heeft mijn lippen aangeraakt, neem mijn ongerechtigheden  weg en zuiver mij van mijn zonden” De lepel waarmee de priester zich bediend om de heilige gaven te geven noemt in het grieks “lavis”, pincet, waarvan ook Jesaja spreekt, en de spirituelen,  die de eucharistie voor de geest halen, zeggen : “Gij nuttigt het vuur”

Uit deze unieke goddelijke bron vloeit, door participatie, de liturgische heiliging voort welke alle daden van het menselijk leven  integreren volgens hun daadwerkelijke bestemming.

De mens  geraakt er aan gewend om te leven in de wereld van God, in de diepten  waarin hij een paradijselijke toekomst kan waarnemen; het universum wordt opgebouwd in de cosmische liturgie, als tempel van de glorie van God. Dit doet ons begrijpen dat alles virtueel heilig is en dat er niets profaan is,  niets neutraal, want alles is op God gericht  ( het  liturgisch “gedenken” betekent zich op God richten, alles terugbrengen in de herinnering, tot  gedachtenis van God). Niettemin, naast het heilige vormt zich zijn karikatuur, de bedenkelijke deelname aan de “Prins van  de duisternis, aan de demoon.Het is daarom dat de heilige Gregorius van Nyssa categoriek  simpel weg het menselijke en het zuivere profane als onbestaand beschouwt. Ofwel is de mens  de “engel van het licht”, de icoon van God, zijn gelijkenis, of hij draagt het masker van het beest en  speelt hij voor aap.

De liturgie gewijd aan de taal van het heilige, introduceert in de wereld symbolen. Een symbool ( een kruis, een icoon, een tempel) vertegenwoordigt een deelnam aan het hemelse, zelfs in haar  uiterlijke materiële verschijning. Echter, een fragment van de tijd of het heelal wordt een hiërofanie, een  verzamelplaats  voor het heilige, en dit, zonder dat er iets verandert voor de fysieke ogen die blijven deelnemen aan de empirische omgeving. Maar tussen het heilige en zijn materiële drager, bestaat er een ontologische communio ( tussen de materie van de sacramenten of het menselijk zijn enerzijds, en de energieën van de genade van het andere anderzijds).  In het uiterste geval, de communie gaat over tot een consubstantialiteit en een totaal metabolisme : het brood en de eucharistische wijn betekenen noch symboliseren het lichaam en bloed , maar zij zijn het. Dit is het mirakel van de “identiteit door de genade” waarvan de heilige Maxim spreekt; de heilige Arsenius verscheen aan zijn leerlingen, onder de vorm van vuur, licht-mens :  hij ving het niet alleen op, hij bracht het voort. Maar voor deze beperkte gevallen zegt het woord van het evangelie : “Wie oren heeft om te horen hij hore”.

 

UitL’Art de l’icone’- Paul Evdokimov – pp.105-108

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

Waarom valt Orthodox Pasen op een andere datum ?

Waarom valt Orthodox Pasen op een andere datum?

Geplaatst door Samos Magazine op zondag, maart 14, 2010
.

In de eerste paar eeuwen na Christus vierde bijna iedere plaatselijke kerk Pasen op een verschillende datum. Sommige kerken bepaalden de datum aan de hand van het Joodse Pesach, andere vierden Pasen ieder jaar op 27 maart, en zo waren er nog meer tradities die allemaal een andere uitkomst gaven.

Het eerste Oecumenische Concilie in Nicea (een algemene vergadering van de hele kerk, gehouden in 325) maakte daar een eind aan. Men wilde één regel gebruiken om de datum van het feest van de Opstanding te berekenen. Zo besloot men dat het feest van de Opstanding altijd na Pesach moest vallen, zoals ook de Opstanding zelf na Pesach was. Verder moest het een zondag zijn, de eerste dag van de week, als de nieuwe of Achtste Dag van de Schepping. En ook moest het feest vallen op de eerste zondag na de eerste volle maan, na de eerste dag van de lente. Een vaste datum kwam dus niet in aanmerking. De datum van Pesach wordt op een soortgelijke manier berekend, en deze berekening zou meestal voldoende moeten zijn om Pasen na Pesach te laten vallen. Voor de jaren waarin dat niet zo was voegde het Concilie toe “na het Joodse Pesach”.

Het verschil in paasdatum is niet alleen het gevolg van het feit dat de Orthodoxe Kerk nog eeuwen na 1582 (het jaar waarin Rome de Gregoriaanse kalender invoerde) de Juliaanse kalender heeft gebruikt, hoewel de paasdatum wel volgens de Juliaanse kalender wordt berekend. Lang daarvoor heeft de Orthodoxe Kerk al overwogen de berekening te hervormen, maar men wilde geen methode invoeren waardoor Pasen vóór Pesach zou kunnen vallen.

In het kort: wanneer het volle maan is na Gregoriaans 3 april (= Juliaans 21 maart), dan valt Orthodox Pasen gelijk met Westers Pasen (zoals in 2010); begint Pesach echter op of na Witte Donderdag, dan wordt de paasdatum nog een week opgeschoven. Dat was bijvoorbeeld zo in 2009: volle maan op 9 april, Pesach op 9 april (Witte Donderdag in de Westerse kalender), Westers Pasen op de eerstvolgende zondag (12 april), Orthodox Pasen één week later, op 19 april.
Is het volle maan na Gregoriaans 21 maart, maar voor Juliaans 21 maart, dan gebruikt de Orthodoxe Kerk de volgende volle maan en valt Pasen 4 weken later dan in het Westen. Ook dan geldt de Pesach-regel, waardoor het verschil 5 weken kan worden.

De laatste keer dat Pasen in Oost en West op dezelfde datum zal vallen is 24 april 2698. Daarna is het verschil tussen de kalenders zo groot dat dit nooit meer voorkomt. Het maximale verschil tussen de Westerse en Orthodoxe Paasdatum is dan opgelopen tot 6 weken

Ook dit jaar valt het Orthodox Paasfeest nog samen met het Rooms Katholieke.

 

Als gij in de woestijn niet van dorst wilt omkomen, laaf u dan aan de liefde

Als gij in de woestijn niet van dorst wilt omkomen, laaf u dan aan de liefde

————–

Augustinus

 

 

Augustinus164.jpg

 

Deze wereld is voor alle gelovigen die verlangen naar het vaderland, wat de woestijn was voor het volk van Israël. Het joodse volk doolde rond op zoek naar het vaderland, maar onder Gods leiding kon het onmogelijk verdwalen. Het bevel van God zelf was de weg voor de joden. Hoewel hun omzwervingen veertig volle jaren duurden, waren de echte halteplaatsen op hun tocht niet erg talrijk, zoals gij allen weet. Hun reis verliep zo traag omdat zij door God op de proef werden gesteld, niet omdat Hij ze in de steek liet.

Zoals de Schrift zegt en wij u al zo dikwijls voorgehouden hebben, belooft God ons een onuitsprekelijke heerlijkheid en een geluk “dat geen oog gezien heeft, geen oor heeft gehoord en in geen mensengeest is opgekomen”. Wij worden echter bedroefd door de pijn van dit leven en trekken lering uit de bekoringen van het huidige bestaan. Maar indien gij in deze woestijn niet van dorst wilt omkomen, laaf u dan aan de liefde. Dat is de bron die de Heer ons op aarde heeft willen schenken, om te verhinderen dat wij onderweg zouden bezwijken. Natuurlijk zullen wij er ons nog veel rijkelijker aan laven later in het vaderland zelf.

Zojuist werd u het evangelie voorgelezen. Gingen de woorden of tenminste de laatste woorden van deze passage van het evangelie over iets anders dan over de liefde ? Daar stond dat wij met onze God in het gebed een overeenkomst gesloten hebben : als wij willen dat God ons onze zonden vergeeft, moeten ook wij de zonden vergeven die anderen tegen ons bedreven hebben. Alleen de liefde echter kan vergeven. Neem de liefde weg uit uw hart en er blijft niets over dan haat die van geen vergeven weet. Laat er liefde in uw hart zijn : zij vergeeft zonder zich veel zorgen te maken en zij kent geen kleingeestigheid.

De eerste brief van Johannes is feitelijk niets anders dan één lange aanbeveling van de liefde. Wij zijn niet bang dat de liefde vervelend wordt, al komen wij er nog zo dikwijls op terug. Hoe zou er immers nog sprake kunnen zijn van liefde, als zij gaat tegenstaan ? Wanneer het precies door de liefde is dat wij op de juiste wijze van al het overige houden, dan moet zijzelf toch erg beminnenswaard zijn. Indien de liefde nooit uit ons hart mag verdwijnen, mogen wij evenmin ooit ophouden over haar te spreken.

Uit : “Eenheid in liefde” Augustinus preken over de brief van Johannes – vertaald door TJ van Bavel. P117-118

 

Laham : de parochie als eucharistische gemeenschap

 

De parochie als eucharistische gemeenschap

Buiten de eigen specifieke kenmerken van elke parochie, is het voornaamste  kenmerk van elke parochie onze gemeenschappelijke deelname aan de liturgie, onze communio in dezelfde tijdruimtelijke  context aan het Lichaam en bloed van Christus. Het objectief van deze inleiding zal dus zijn , te begrijpen hoe de eucharistie onze gemeenschap oriënteert, ze bijeenbrengt en haar een kracht tot getuigenis geeft.

De term “gemeenschap” betekent “samen verenigd zijn”, een band rond éénzelfde centrum. Dit centrum kan een zelfde belang zijn, een activiteit, een identiteit. De notie van gemeenschap bevat dus zowel een notie van eenheid, maar ook een cirkel, een limiet en dus een kronkel. Vandaag  komt dit veel voor bij gemeenschappen die zich , bijvoorbeeld rond de groepen Facebook verzamelen, de segmenten van de markt die personen hergroeperen die dezelfde koopgedragingen hebben, de blogs die gekenmerkt worden  als zijnde “gemeenschappen”, enz..

Daarentegen bevat het bijvoeglijk naamwoord “eucharistisch” onmiddellijk een notie van openheid die teruggaat op de term “eucharistie”, wat betekent “dank zeggen”, danken – in het bijzonder voor het heilswerk van de Drie eenheid : God wordt mens opdat de mens zou opgenomen worden in Christus, god zou worden, door de genade van de Heilige Geest. Het gaat hier dus om een openheid naar God toe, maar ook impliciet, om een openheid naar al diegenen die dezelfde eucharistie celebreren ( want door te comminiceren aan dezelfde Christus, zijn wij met elkaar verbonden). Door de eucharistie worden wij eenzelfde lichaam en niet alleen op een denkbeeldige wijze : indien een lid lijdt, dan lijden alle leden met hem, om St.Paulus te parafraseren.

Een dubbele beweging van inwendigheid en uitwendigheid

De notie van eucharistische gemeenschap kan ook betrekking hebben op een tweede dynamiek, waar een neerdalende beweging en een sociale – horizontale dimensie elkaar kruisen. Volgens een eerste aanvoelen definieert de eucharistie zich voor alles als een deelname aan het lichaam en bloed van de Verrezene. Mijn persoonlijke ontmoeting met God primeert – de communie wordt het middel waardoor ik gered word. Dit aanvoelen richt zich aldus zo om van de eucharistie een individuele daad te maken, die beantwoordt aan een persoonlijk appèl, als gevolg waarvan ik naar de kerk ga om mij met God te verenigen. Dat mijn medegelovigen dit ook doen is hierbij bijkomstig, ondergeschikt.

Een tweede gevoeligheid zou de neiging hebben om het accent vooral te leggen op het collectieve aspect, op de sociale band. De parochie definieert zich als datgene wat mij aan andere personen bindt in functie van mijn identiteit en mijn religieus toebehoren. Voor mij zal de communautaire geest primeren, de ontmoeting met die of die andere persoon ( en het is anderzijds op deze criteria dat ik zal kiezen naar welke parochie ik ga).

Elk van ons voelt zich meer thuis in deze of die bepaalde gevoeligheid. Het is ook mogelijk dat wij zullen afwisselen en dat wij ons nu eens meer zullen erkennen in de “individualistische” tendens en dan weer in de meer “sociale” dimensie. Niettemin schijnt het dat deze twee “neigingen”, indien zij op een evenwichtige manier worden beleefd in feite complementair zijn en dat zij al hun betekenis geven aan de parochie.

Zoals metropoliet Jean (Zizioulas) ons eraan herinnert in zijn boek L’Eucharistie, l”Evêque et l’Eglise durant les trois premiers siècles (Desclée de Brouwer, coll.”Theofanie”,1994), de gemeenschap met de heilige gaven (verticale dimensie ) is tegelijk een “communio met de heiligen” (’t is te zeggen in brede zin, met alle deelnemers aan het Lichaam en Bloed van Christus). Ons zo tot Christus wenden verplicht ons ertoe ook tot de anderen te naderen(…) In dit verband nodigt de liturgie van de heilige Basilios ons direct na de epiclese uit om deze dubbele communio met God en de andere mensen te vragen :”En allen die aan dit ene brood en deze unieke kelk deelhebben, laten wij ons met elkaar verenigen in de communio van de unieke Heilige Geest”.

De eerste Christenen, een model van eucharistische communio

Het voorbeeld van de eerste christenen, zoals het beschreven staat in de Handelingen der apostelen blijft voor ons het juiste model van de eucharistische gemeenschap. De eerste gedoopten “waren ijverig in de leer van de apostelen, trouw aan de broederlijke liefde, het breken van het brood en het gebed (…) Allen die het geloof bezaten hadden alles gemeenschappelijk. Zij verkochten hun eigendommen en hun goederen en verdeelden alles aan allen volgens hun behoefte. Dag na dag kwamen zij één van hat in de tempel bijeen en braken het brood in hun huizen, namen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van hart. En elke dag voegde de Heer diegenen toe die zullen gered worden” (Hand. 2,42-47).

Wij vinden hier de dubbel dynamiek van de christelijke gemeenschap, inwendig en uitwendig, verticaal en horizontaal : essentieel gecentreerd op het Woord en het breken van het brood, ze breidde zich uit zonder ophouden, totaal naar God toe gekeerd geeft zij tegelijk een plaats aan de ander doorheen de vreugde van de gemeenschappelijke maaltijd of de verdeling der goederen.

Anderzijds, karakteriseert deze eerste gemeenschap zich door de diversiteit van zijn “wijzen van zijn” en haar actie gebied : de liturgie, het gebed, de missionaire actie.. In zekere mate schijnt geen enkel aspect van het leven te ontsnappen aan de eucharistische communio.

Van  onze kant past het ons af te vragen of na twee duizend jaar, deze daadkracht van de eucharistische gemeenschap actueel is gebleven en of onze parochies bekwaam zijn de vlam die de eerste christenen deed ontbranden  levendig is gebleven.

De wijzen van zijn van de eucharistische gemeenschap.

Zelfs al kan het banaal schijnen om er aan te herinneren, het Geloof vertegenwoordigt de eerste voorwaarde voor het bestaan van een parochie. Het verschil tussen een parochie en elke andere vereniging is voor alles het Geloof, de aanhankelijkheid aan iets die niet vanzelf gaat, en in feite de aanhankelijkheid aan Iemand, een Gans-Andere. Het lijkt mij dat wij ons altijd zouden moeten afvragen hoe ons geloof te vermeerderen opdat we niet zouden vervallen in een simpel humanisme ( of misschien in het ritualisme). De parochiegemeenschap steunt dus voor alles op mijn geloof, een persoonlijk opgenomen geloof, maar een geloof ook dat ik deel met de andere leden van de gemeenschap. Daarom moet men zich afvragen hoe wij dat geloof in het parochiale leven kunnen uitdrukken, hoe wij de gelijkvormigheid tussen eucharistie en geloof reëel kunnen vestigen. Op deze vragen kunnen twee antwoorden worden gegeven.

Samen zich verenigen en deelnemen aan de liturgie

Het geloof dat “God onder ons” is en dat Hij zich tegenwoordig stelt “telkens wanneer twee of drie in zijn naam verenigd zijn” openbaart zich in het eenvoudige feit om zich een “vergadering” te vormen (wat de betekenis is van de term ‘Kerk’), in wat Vader Alexander Schmemann heeft genoemd “het sacrament van de vergadering” in zijn boek L’Eucharistie, Sacrament du Rouaume (Editions YMCPress/OEIL, coll.”L’Echelle de Jacob”, 1985), , ’t is te zeggen, dit mirakel waardoor “zondige  en onwaardige personen het lichaam van Christus worden”. Als wij  ons geloof manifesteren, een actieradius geven aan God, is het nodig dat wij bijeenkomen om zich tezamen met God te verenigen. Daaruit vloeit de noodzaak voort van een fysieke aanwezigheid in eenzelfde plaats en verder, een bewuste en totale deelname aan de eucharistie van alle gelovigen, van een gemeenschappelijke actie die alle gelovigen betreft (betekenis van het woord ‘Liturgie’).

Elk woord naar God gericht – uitgesproken met verheven stem of in het innerlijk van het hart – is een daad van geloof die de hoop van de bijeenkomst onderhoudt. Wij geloven in het bijzonder dat het gebed in de Kerk, in de bijeenkomst, wordt beluisterd, want mijn persoonlijk geloof wordt er, zo kan men zeggen, vervolledigd en versterkt. Zo bestaan er in de liturgie enkele specifieke momenten waar de gebedsintenties meer uitdrukkelijk zijn, meer particulier, meer gedurfd ook, maar altijd in de onderwerping aan Gods wil. Men kan denken aan de dringende gebeden na het Evangelie, waar wij voor elkaar bidden, voor de naasten van de anderen (de zieken, de zwangere vrouwen, de gestorvenen, enz…). De Grote Intocht of het gebed direct na de épiclese ( bijzonder uitvoerig in de liturgie van de heilige Basilios) zijn andere gelegenheden om tot God onze persoonlijke intenties te richten.

De roeping van elke parochie is zonder twijfel verbonden met de ernst waarop wij deze gebeden beschouwen. Hoe beluisteren wij de soms lange lijst met de namen van de overledenen ? Hoe kunnen wij ons gebed intensifiëren opdat wij de vragen van andere leden van de gemeenschap tot de onze maken ? Kan men ook niet ergens anders gebedsintenties die meer specifiek zijn inlassen? (….)

De missionaire roeping van de parochie

 

Zoals Christus, offert en draagt de eucharistische gemeenschap in de liturgie alle lijden van de wereld op aan de Vader. Verenigt met de glorievolle Christus in het lijden gelooft zij dat zij een boodschap van hoop kan brengen aan de wereld, dit vereist een uitgaan uit zichzelf, een beweging naar buiten toe.

In zijn boek over”Le Mystère de L’Eglise” (Cerf,2003), inspireert Vader Boris Bobrinskoy zich op de bewegingen van het hart om deze realiteit uit te drukken : “ In de hartcontractie(systole) heeft men het opeenhopen, het toestromen van het bloed in het hart. In de distole, de vernieuwing van de lichaamscellen door het bloed, dat zelf vernieuw is door de goddelijke Adem” Zo ook, bij de offerande van de gehele wereld in de liturgie ( in het bijzonder bij de Grote Intocht), correspondeert de offerande  met de wereld van de verkondiging van de blijde boodschap, het getuigenis in onze levens van het bestaan van het Koninkrijk.

Deze beweging van uiterlijkheid vindt haar plaats in het ‘laat ons in vrede heengaan” die, in plaats van de liturgie te sluiten haar werk doet in de wereld –“de liturgie na de liturgie”, ’t is te zeggen onze zending als christen.”Meer dan ooit verwacht onze wereld in crisis (…) van de eucharistische communauteit dit getuigenis van vreugde welke het goede nieuws ons brengt in het Koninkrijk van de Ontmoeting, die alle “aardse voedingsmiddelen”doet verbleken voor de moderne mens die vruchteloos naar zijn absolute dorst hunkert(…) ” aldus Costi Bendaly, libanees orthodox denker die bijzonder heeft bijgedragen  tot de initiële vernieuwing in de Beweging van Orthodoxe jongeren (MJO) in het Midden Oosten.

Deze openheid die zich aan de gelovige opdringt ( en die haar bron put aan het innerlijk leven van de communauteit) kan verschillende vormen aannemen : doorheen de ontmoeting met andere christenen maar ook – en wellicht vooral- met de niet-gelovigen.

De openheid op de anderen

Men kan hier de verschillende vormen van openheid van de parochie in lijst brengen door concentrische vormen, vertrekkend van de personen die dicht bij ons staan om te gaan tot de andere christenen, niet orthodoxen. De parochie richt zich vooreerst op haar oud-leden, die vertrokken zijn om persoonlijke redenen (bijvoorbeeld door te verhuizen). De vraag is te weten hoe wij contact met hen kunnen onderhouden is te onderzoeken  volgens de verschillende contexten en de verschillende mogelijkheden ( persoonlijk bezoek, tijdschrift of site van de parochie, e-mailen enz..

De parochie heeft slechts zijn betekenis wanneer zij verbonden is met een bisschop, die garant staat voor de eenheid van de Kerk en haar conformiteit met het Evangelie, en dus garant is voor de eucharistie. De communio met de bisschop verzekert de realiteit van onze eucharistie en getuigt dat zij geen individuele geïsoleerde ritus is maar een communio met de totaliteit van de gelovigen. Zo wordt door de Bisschop de openheid van de parochie op het geheel van de gelovigen mogelijk gemaakt. Deze eenheid met de Bisschop drukt zich uit doorheen de relatie die wij kunnen ontwikkelen met de andere parochies van het diocees. Daden kunnen ondernomen worden om onze band met de Kathedraal te verstevigen. Anderzijds kunnen samenvoegingen tussen parochies ondernomen worden.

De roeping van gans de parochie is anderzijds de banden tussen de orthodoxen te verstevigen. Het historisch getuigenis van een zeker aantal parochianen in de (Franse) Orthodoxe Fraterniteit getuigen reeds hiervan. Kan de aanwezigheid in de grote steden van een grote verscheidenheid van orthodoxe kerken van verschillende tradities geen uitnodiging zijn om mekaar beter te leren kennen en de eenheid te concretiseren ? Het bezoek aan parochies van andere tradities, de organisatie van een interparochiale catechese of nog : de progressieve introductie – zonder syncretisme- in de schoot van onze liturgische praktijk van parels van de Levendige liturgische Traditie van de ene Kerk, zouden wellicht het bouwen van bruggen kunnen bevorderen tussen de verschillende orthodoxe gemeenschappen.

Ten slotte, over de zuivere orthodoxe sfeer heen, zou de parochie kunnen bijdragen tot een betere dialoog met de zogenaamde christenen van het Oosten ( ’t is te zeggen leden van de pre-chacedonische Kerken – Armeniërs, Kopten, de Kerk van Indië enz…) en ook met de Katholieken en de protestanten, waarmee wij ons soms verenigen met diepe vriendschapsbanden. Het deelnemen aan groepen van bezinning, Bijbelstudie of gebed met christenen van andere confessies moet in feite een dubbel getuigenis bevatten : voor de niet-orthodoxen ,de rijkdom van onze traditie; voor de andere orthodoxen die minder spontaan geneigd zijn om toe te treden tot de oecumenische ontmoetingen: de kracht van het geloof en het gebed die ons kunnen aanzetten om te communiceren met andere christenen.

De openheid over de grenzen van het “religieuze” heen.

Ten slotte, het behoort tot de parochie om over de grenzen van de specifieke religieuze sfeer uit te stralen en een manier van uitdrukking te vinden die adequaat  is in de “profane” wereld. In de conferentie die hij gegeven heeft over dit thema en die uitgegeven is in een klein boekje getiteld “Le témoignage de la communauté eucharistique “(Editions An-Nourn Beyrouth, 1992), toont Costi Benali dat “de eucharistische gemeenschap zich niet mag ontdoen van deze essentiële dimensie van haar getuigenis die ingeschreven staat in de historische concrete engagementen, in de dagelijkse strijd, in haar hoop op het Koninkrijk”. En hij verduidelijkt dat men “de reikwijdte van het heil in het zuivere religieuze” niet mag beperken, onderlijnend dat “het heil van Christus een radicale bevrijding is uit elke miserie, elke beroving, elke vervreemding” Vader Cyrille Argenti citerend, nodigt hij ons uit om niet “weg te vluchten in de eucharistische celebratie en daarbij de strijd in de wereld te ontvluchten”.

Vanaf dan kunnen wij ons afvragen wat wij moeten doen om niet te vervallen in een dualisme “spiritueel leven/dagelijks leven”, hoe kunnen wij historische daden stellen, hoe nederig bijdragen om de wereld om te vormen ? Deze vraag is zeer groot, werkelijk, en verdient een diepgaande bezinning. Men kan hierbij  twee voorstellen formuleren, die verre van de pretentie hebben  rond de vraag heen te draaien.

Het vasten van het delen

Het eerste betreft de band tussen ons vasten (in het bijzonder deze van de grote vasten) en de ondersteuning van de meest kwetsbaren. “Vasten om die armer is dan wijzelf te ondersteunen”, dit is de betekenis van de collecte die over het algemeen gehouden wordt in de parochies bij het begin van de Vasten. Het is een Vasten van het verdelen, want het staat toe om mensen te helpen met het geld dat wij hebben geschonken. Costi Bendaly toont dat het hier gaat “om te antwoorden op de consumptiemaatschappij door de bekering van het verlangen, om niet meer  te verspillen, maar om getransformeerd te worden in Christus, worden zoals Hij en in Hem, gave, onthaal en delen”

De tweede suggestie zal een appèl inhouden voor een investering in het leven van elke dag, onder de inspiratie van een heilige als Moeder Maria, wiens leven in dienstbaarheid radicaal was. Velen onder ons zijn reeds geëngageerd, ten persoonlijke titel, in verenigingen als het ACAT (vereniging in Frankrijk voor de afschaffing van het martelen), Montgolfière (hulp aan de mensen zonder papieren), Sint Egidio enz..om er maar enkele te citeren. Zou men niet kunnen profiteren van de ervaringen van sommige parochianen om deze verenigingen te leren kennen door bijvoorbeeld een forum van verenigingen op te richten ? Zou onze parochie  discreet en gevrijwaard van elke politieke inmenging geen soort van draaiende schijf kunnen worden van  belangeloze hulp ?

Het teken van Gods aanwezigheid in de wereld

Zo vormen de verschillende wijzen van zijn van de eucharistische gemeenschap het teken van de tegenwoordigheid van God in de wereld.  Een gebed kan ons helpen om bewust te worden van deze bijzondere zending, een gebed dat zodanig permanent  en voortdurend herhaald wordt in onze liturgie dat wij het niet meer horen; dit gebed duidt expliciet op de roeping van de parochie welke is : onze persoonlijkheden,de andere gelovigen en het geheel van de wereld rond Christus bijeen te brengen. Dit gebed is in feite een oproep, een vermaning, een bemoediging; over het algemeen geformuleerd door de diaken, en zij gebied ons om “onszelf, mekaar en gans ons leven aan Christus onze God toe te vertrouwen.

Jean Jaques LAHAM

Jean jaques LAHAM is van oorsprong Libanees, deed zijn studies in Frankrijk. Hij is gedipomeerde van de “Ecole des hautes études commerciales”. Hij is consultant in het beheer van ondernemingen. Hij is verbonden zowel aan de libanese orthodoxe communauteit (patriarchaat van Alexandrië)als aan de Franstalige parochie van de Crypte van de heilige Drie eenheid, rue Daru te Parijs.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

Olivier Clément : aantekeningen bij de spiritualiteit van de icoon

AANTEKENINGEN BIJ DE SPIRITUALITEIT VAN DE ICOON

door Olivier Clément

 

WOORD EN BEELD

     In de orthodoxe traditie maakt de icoon een integrerend deel uit van de celebratie; zij vormt een middel om God te kennen en om zich met Hem te verenigen” (Léonide Ouspensky). De ganse kerk, met haar architectuur en haar fresco’s (of haar mozaïeken), behoort tot de categorie van de icoon; zij vormt in de ruimte wat het liturgisch verloop vormt in de tijd : de anticipatie van het Koninkrijk, de “mysterieke” deelname aan de Parousie. In de celebratie, vormen woord en beeld een onafscheidbare totaliteit, een ware “pneumatosfeer” waar zich de betekenis van de Schrift onthult de eigenlijke theologische dimensie (in beschouwende betekenis) van de goddelijke economie.

    Van bij het Oude Verbond, moeten we de notie van Woord bevrijden van de louter verbale betekenissen welke men het meestal geeft. Indien de icoon onmogelijk is voor de Vleeswording – de Bijbel is vol visioenen -, schrijft de handeling van de Levende zich in beelden en tekenen (welke soms gebaren zijn). De quasi-afwezigheid van figuratie onder het Oude Verbond begrenst de ruimte van de verwachting – zelfs de twee cherubijnen, op de ark, dienen slechts als kader van een nog onzichtbare tegenwoordigheid. Het verbod van Exodus (20,4) en dit van Deuteronomium (5,12-19) vormen als het ware de “uitgehouwen” voorafbeelding, apofatisch in strikte zin, van de Vleeswording; zij schakelen de idool in verwachting uit verwijderen de idool, in de aanroeping van het Gelaat. De Vleeswording heeft slechts betekenis in de spanning met deze bijbelse openbaring van een transcendentie die tegelijk ontoegankelijk en persoonlijk is, dit wil zeggen in staat zichzelf te transcenderen om zich deelachtig te maken (het is deze spanning welke het voorwerp zal zijn van het palamitische onderscheid tussen de essentie en de energie). In tegenstelling tot de omgevende culturen, waar het wemelt van beelden, die beweren een al-aanwezigheid welke uiteindelijk onpersoonlijk is te grijpen, verwerpt het Oude Testament op brutale wijze elke ruimtelijke voorstelling van God : “Gij zult u geen gebeitelde beelden maken”… Het weigeren de Levende gevangen te zetten in de immanentie van een sacrale natuur, waar het goddelijke slechts de onpersoonlijke keerzijde van de wereld zou zijn. Het weigeren God te identificeren met de fantasmen van het denkbeeldige.

   Volgens mij is er in het Oude Testament niet enkel deze “uitgehouwen” voorafbeelding. Twee thema’s kondigen op positieve wijze de icoon aan : dit van het Gelaat (en van de Naam) en dit van de heerlijkheid. Eén van de leidmotieven van de Bijbel is deze aanroeping van de mens : “Zeg mij uw Naam”, “toon mij uw Gelaat”, met de zekerheid dat dan de mens zijn eigenlijk gelaat zal vinden, want hij is geschapen geworden “naar het beeld en naar de gelijkenis” van God (Genesis 1,27). De Griekse vertaling van de septuagint, waar de Hebreeuwse uitdrukkingen çelem en demut preciezer worden omgezet in eikon en omoiôsis, ingeleid door het voorzetsel kata, duidt op een klare “evangelische voorbereiding”. De mens houdt zich recht “voor het gelaat” van de levende God, en voelt reeds in de heerlijkheid, het mysterieuze Gelaat waarvan hijzelf de afglans is. Maar dit lange overwicht van de tijd (het Woord) op de ruimte (het Visioen) was nodig opdat het geloof als trouw aan de trouwe God het haalt op de archaïsche extase als “desincarnatie” en “weggaan uit de tijd”.

   De heerlijkheid van God – kâbod -, de trans-lichtende wolk van de shekina, verlicht de ganse bijbelse geschiedenis van Israël. God “tooit zich met grootsheid en bekleedt zich met schoonheid”, hij “leeft en regeert in heerlijkheid”. Het volstaat om in de Exodus de rol van de wolk en de vuurzuil in herinnering te brengen; Mozes ziet op de Sinaï God “van achteraan” en blijft verheerlijkt, waarbij hij op zijn gelaat de glans van de glorie behoudt. Maar hij moet zich sluieren, zolang deze heerlijkheid, welke de mens slaat als van buitenuit, hem ondraaglijk blijft. De shekina rust op de ark, de heerlijkheid verschijnt opnieuw onder de vorm van een wolk bij de inzegening van de Tempel van Salomon, en wanneer haar lichtende straling nadien verdwijnt, dan kaats het gebed van Mozes “doe mij uw glorie zien” (Exodus 33,18) terug over de ganse geschiedenis van Israël. De profeten kondigen het messiaanse herstel aan als volle manifestatie van de Glorie die de aarde zal vervullen zoals de wateren het bed vullen van de zeeën. Voor Ezechiël (1,26), straalt de goddelijke heerlijkheid onder een “menselijke vorm” ingeschreven in God. Zo is ook de “Zoon van de mens” bij Daniël een soort van hemels Mens, van lichtende manifestatie, in een menselijke vorm, van een onzichtbare God. De Gezangen van de Heer verbinden deze ultieme glorie met het lijden van de Dienaar, aan wie het zal toekomen om de goddelijke glorie te laten stralen over alle volkeren (Jesaja 49,3-6; 50,5-7; 52,13-53,12).

De icoon en de vleeswording

       Het Gelaat, de Naam en de Glorie, Roem van de Dienaar, die lijdt en op paradoxale wijze overwint, manifesteren zich in de volheid van de God die mens wordt. Christus is niet enkel het Woord van de Vader, maar ook zijn éénwezenlijk Beeld. De Ontoegankelijke openbaart zijn eigen Naam in de totale onteigening van het Kruis, en deze antinomie (die, zelf boven alle negatieve theologie, de werkelijke apofase is) tussen de Ontoegankelijke en de Gekruisigde, deze antinomie-identiteit wordt voor immer de maat zonder maat van de Liefde. God, in Christus, wordt gelaat, het ultieme Gelaat, in het ondoorschijnbaarste van de wereld, het Gelaat van de gedefigureerde-getransfigureerde die “noch schoonheid” heeft, “noch schittering om de blikken aan te trekken” (Jesaja 53,2) en die toch de enige schoonheid uitstraalt die niet “esthetisch” maar “ontologisch” is, deze van de “waanzinnige liefde” van God voor de mens.

     Ultiem Gelaat, gelaat der gelaten.     Elk menselijk gelaat blijkt reeds niet herleidbaar tot één enkel kosmisch proces. In hem schijnt, hoe vluchtig ook, een gans andere realiteit door. Door zijn gelaat, transcendeert de mens het materieel proces, hij lijkt uniek, onnabootsbaar, hij ontglipt aan elke herhaling, conditionering, fabricatie. Niets maakt het raadsel van het bestaan gevoeliger. In de oneindige gevangenis van de wereld, is het gelaat bedreigende of bevrijdende verscheuring, “gat van transcendentie”. Vooral de blik drukt deze transparantie van de materie van de wereld uit tot een ander licht. Het menselijk gelaat is een kruis. Communio en agressiviteit, het elan naar de vrijheid, naar het onbegrensde en de angst van de eindigheid, het verderf en de schoonheid, kruisen er elkander. Dit ongelijke kruis : de dood heeft steeds het laatste woord. Het gelaat sluit zich opnieuw, de blik oordeelt, peilt, versteent. Ofwel sluit ik de ogen van een dode.

    Christus ontmoeten, is een gelaat ontdekken dat zich nooit zal sluiten, het gelaat van de heimelijke vriend dat niet veroordeelt maar onthaalt, een blik die niet versteent maar die bevrijdt, het ultieme Gelaat doorheen de dood geraakt en dus voor immer verlicht door de liefde sterker dan de dood.

    Zo is het gelaat van Christus de icoon der iconen, deze concreet menselijke geënhypostasieerde individualiteit – en daardoor de ganse menselijke natuur – in de Persoon van de Zoon, “Eén van de Heilige Drie-Eenheid”. “Hij is het beeld – eikon – van de onzichtbare God, zegt de Heilige Paulus (Colossenzen 1,15). De getransfigureerde mensheid van Christus is “de zichtbare van de onzichtbare”, zegt Dionysios de Areopagiet, hernomen door de Heilige Johannes van Damascus. We moeten hier het kondakion van de Zondag van de Orthodoxie citeren :

 

“Het onomschrijfbare Woord van de Vader liet zich omschrijven,

door uit u, Moeder van God, vlees te worden,

waarbij hij het besmeurde beeld hersteld heeft

in zijn oorspronkelijke waardigheid,

hij verenigt het aan de goddelijke schoonheid”.

    Het 7de Oecumenisch Concilie heeft zeker het voorstellen van de Vader verboden, bron van de goddelijkheid, principe van de Drie-Eenheid. Maar de ontoegankelijke heeft zich vrijwillig deelachtig gemaakt : “Diegene die mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” zegt Jezus (Johannes 14,9). Het fundament van de icoon is christologisch : “Gezien de Onzichtbare, door zich te bekleden met het vlees, zich zichtbaar heeft gemaakt, mocht gij de gelijkenis van Diegene die zich heeft gemanifesteerd voorstellen” (de Heilige Johannes van Damascus, eerste tractaat ter verdediging van de heilige beelden, P.G. 94, 1245). En de Heilige Theodoros van Stoudion : “Door geboren te zijn uit de onbeschrijflijke Vader, kan Christus niet afgebeeld worden (…). Maar door geboren te zijn uit een beschrijflijke moeder, heeft hij natuurlijk een beeltenis die overeenkomt met zijn moeder. Indien hij niet in de kunst kon afgebeeld worden, dan zou dit willen zeggen dat hij enkel uit de Vader is geboren en dat hij zich niet incarneerde. Maar het zou tegenstrijdig zijn met de ganse goddelijke economie van ons heil” (derde weerlegging, P.G. 99, 417 C). Gelaat dat het niet-gelaat was van de gekruisigde slaaf : voor de Ouden was de slaaf aprosopos, men zag hem niet. Door hetzelfde Gelaat ontdaan van alle maskers van het niets, paasgelaat waar de vereenzaming “overgaat” in de verheerlijking, de glorie : de Vaders van het 7de Concilie hebben op betekenisvolle wijze de verering van de icoon samengebracht met de hulde die wij betuigen tot het beeld van het kostbare en levenschenkende kruis”.

    Zo sticht de Incarnatie de icoon en de icoon manifesteert de Incarnatie. De cyclus van het niet-voorstellen van de levende God is ten einde. God werd vlees, de Zoon heeft het teken van zijn Persoon gemerkt op de sluier van de materie. Voor de Incarnatie was het beeld verboden : het zou noodzakelijker wijs idool geweest zijn. Na de Incarnatie is het beeld niet enkel mogelijk maar noodzakelijk : haar afwezigheid zou ons geloof in de Incarnatie in vraag stellen.

De icoon en de Heilige Geest

     Indien God voor ons gelaat werd, dan kent de mens zijn eigen gelaat. “God werd mens opdat de mens God zou worden”, niet in een begoocheling, maar in de volheid en de transfiguratie van zijn mensheid. God werd gelaat in de mensheid opdat de mens zijn ware gelaat zou ontvangen in de goddelijkheid. Het lichaam van Christus, de Kerk als Lichaam van Christus, is een soma pneumatikon, een mensheid gedragen tot de gloed door de energieën ons gegeven door de Geest. En elkeen is geroepen om zijn eigen gelaat te geven aan dit nieuw wezen, aan dit paas-wezen. Hierdoor is ook de icoon pneumato-logisch, zij toont hoe de persoonlijke heiligheid, het leven in Christus, het verwerven van de Geest betekent. In het Lichaam van Christus, plaats van een voortdurend Pinksteren, kan de mens geschapen naar het beeld van God, beeld hersteld in Christus, de “gelijkenis” vinden in de Geest. De mens is door God voorbestemd om “gelijk aan het beeld van zijn Zoon ” (Romeinen 8,29) te worden, “om de Geest om te vormen van glorie tot glorie, als door de Heer” ? (2 Corinthiërs 3,18). Vanaf nu kunnen wij de mens-in-Christus, vervuld van de Geest, voorstellen zonder risico voor ondoorschijnendheid. “Het licht schittert op het gelaat van uw heiligen”, zingt de Kerk. Gefundeerd op de christologie, vervult de icoon zich in de pneumatologie, en opent zich hierdoor op het ultieme, en wordt anticipatie van de uiteindelijke Transfiguratie van de mensheid en het universum. Het valt op te merken dat dit eschatologisch aspect bijzonder geaccentueerd werd in de oude christelijke kunst van het Westen, tijdens de preromaanse, romaanse periode en in zekere aspecten van de gothische kunst. Indien het oudtestamentisch verbod opgeheven werd door en voor Christus, dan was dit ook voor zijn Moeder en voor zijn vrienden, voor de leden van zijn Lichaam, voor al degenen die, in de Geest, bewust worden van hun deelname aan de vergoddelijkte mensheid van de Redder. Hun iconen manifesteren aan de mens de aangeboden mogelijkheid om toe te treden tot een persoonlijk bestaan in communio. De “Moeder van God” is het beeld zelf van de mensheid die instemt met de goddelijke handeling en waarbij de vleeswording van het Woord mogelijk wordt : zodoende dat de glorie, vanaf nu, ons niet meer van “buitenaf” toekomt als een ondraaglijke flikkering, maar vanuit de diepste diepten van ons zijn, gegrift op de vergoddelijkende mensheid van Christus. Geen licht meer van het onweer, maar “licht van leven” zoals de Heilige Johannes het zegt.

     Alles toont, in de houding en de uitdrukking van het voorgesteld personnage, de ultieme realteit, aan dewelke hij deelneemt. De icoon, illustreert hier het ascetisch en mystiek onderricht van de Orthodoxie op de wegen van “de vergoddelijking” (theosis), “het waken” (nêpsis) en “de tederheid” (katanyxis). Het buitenmatig verlengt lichaam (er zijn meer dan 10 hoofden lengte in plaats van 5 in de canon van de “klassieke” schoonheid) wordt een vlam die het gelaat draagt, dit hypostatisch concentraat van het wezen, en dit gelaat is “ek-stase” van de persoon. De oren en de mond zijn gereduceerd en als geïnterioriseerd, het voorhoofd verwijdt en lichtend, de hals, vooral bij Christus, opgezwollen door de levenschenkende Adem. Het gelaat, zoals na Plotinus de heilige Makarios de Grote zegt wordt “één en al ogen”, de voorstelling is frontaal (of drie vierden indien het voorgestelde personnage zelf naar Christus is gekeerd). Men moet deze frontale positie benadrukken alsook het belang van de blik. Wanneer ik iemand zie, datgene ik zie, is dat ik eerst en vooral gezien word. Ik zie dat ik gezien word. Ik blijf niet staan bij het aspect van een gelaat, zoniet ontglipt mij de andere, wordt hij voorwerp, en ik trek mij terug indien ik voel dat de blik van de ander mij objectiveert. Ik zoek de ontmoeting van de blikken. In het zichtbare is het onzichtbare dat mij aantrekt. Een heilige echter, omdat hij “zuiver gebed” is, is zuiver ontvankelijkheid. Het is niet enkel zijn blik, maar zijn ganse gelaat, zijn ganse aanwezigheid die transparant zijn aan het onzichtbare van God. Wanneer ik een icoon bekijk, dan gaat mijn blik van proskinisis, van verering, door de meditatie van een persoonlijke aanwezigheid, van het zichtbare naar het onzichtbare. Door de meditatie van een persoonlijke aanwezigheid, vervul ik een paas-acte (pasen komt van pesah, wat doortocht betekent). De icoon leidt mij van het zichtbare van Christus naar het onzichtbare van zijn goddelijkheid, van het zichtbare van de heilige naar het onzichtbare van de Geest.

    “Telkenmale we de voorstelling van het beeld zien (van Christus, de Moeder van God of van de heiligen)” zegt het decreet van het 7de Concilie, “telkenmale worden we bij het beschouwen uitgenodigd om ons de prototypes te herinneren (…) want de eer die men betuigt aan het beeld gaat naar zijn prototype“, en het ulitiem prototype, gezien de mens naar het beeld is van God, is steeds God geopenbaard in zijn Christus en gecommuniceerd in zijn Geest.

De icoon en de persoon

    De Kerk heeft, om kortaf te maken met de beschuldigingen en de verwarringen van de iconoclasten, alsook met het overdrijven van zekere orthodoxen, met klem onderlijnd dat de icoon niet eenwezenlijk is met zijn prototype : de icoon van Christus is geen dubbel gebruik met de eucharistie, zij schetst het visioen van gelaat tot gelaat. De icoon doet een persoon, een persoonlijke aanwezigheid welke zuivere communio geworden is, ontspringen. Opening op het Koninkrijk dat komt, de icoon, als parousie van de persoon, suggereert het ware gelaat van de mens, zijn gelaat van eeuwigheid welke de goddelijke aantrekking doet opstijgen uit het hart, uit een nederig en zacht hart. De icoon vereist dus een getrouwe gelijkenis, niet volgens het portret maar getransfigureerd. Vandaar de betekenisvolle legenden van het Heilig Gelaat “niet door handen gemaakt”, resultaat van de bedrukking van het gelaat van Christus op een doek gezonden naar de koning van Edessa (in het Westen is het de legende van de Veronica en misschien de zeer reële bedrukking op de lijkwaade van Turijn). Of op de eerste icoon van de Maagd, welke de Heilige Lucas zou geschilderd hebben. De Kerk heeft op zorgvuldige wijze bewaard en bewaart nog steeds de gedachtenis van het gelaat van Christus, van zijn Moeder, van de heiligen, en deze gedachtenis hernieuwt en bevestigt zich van generatie op generatie, door het visioen van de grote spirituelen. Wanneer men aan Bernadette een verzameling afbeeldingen toonde van de Maagd om ze in zekere zin te identificeren met de Verschijning, dan wees zij zonder twijfelen de reproductie aan van een byzantijnse icoon uit de XIde eeuw!

De kunst van de icoon

     De iconenkunst vereist dus van de kunstenaar een dubbele inspanning van objectiviteit en communio. Hij moet geen individueel fantasme uitdrukken, maar wel de objectiviteit van een gelijkenis; maar deze objecitviteit moet er één zijn van een persoonlijke aanwezigheid en levert zich af in een door ascese en gebed voorbereide ontmoeting; deze objectiviteit, of eerder deze trans-subjectiviteit wordt slechts bekomen in de gemeenschap met de heiligen. De kunstenaar moet zich dus, door een waarachtig overstijgen van zijn gesloten (en amorfe) subjectiviteit, onderwerpen aan zekere canons die toelaten dat het werk trouw is aan zijn object. Bevrijdende onderwerping : het genie heeft er niets te verliezen, enkel het narcisme is gekruisigd.

    Indien het voor de menselijke kunst mogelijk is om, doorheen mensen die een persoonlijke en geheiligde aanwezigheid zijn, de heiliging van de materie te suggereren, dan is het omdat dit bereikt werd, en heimelijk getransfigureerd door de Menswording en Pasen. De iconenkunst gebruikt en manifesteert, in zekere zin, deze transfiguratie van de materie : “Ik vereer niet de materie, schreef de heilige Johannes van Damascus, maar ik vereer de Schepper van de materie die voor mij materie werd (…) en die, door de materie mijn heil bewerkstelligt” (op. cit. PG94, 1245). De bruine kleur van het gelaat en het lichaam op de iconen, die de “gele” kleur (maar geenszins ziekelijk) van de grote asceten benadrukt, is de kleur van de getransfigureerde aarde.

     Het is echter overduidelijk dat het voorstellen van een transfigurerende glorie enkel symbolisch kan zijn. Maar het is de onherleidbare oorsprong van een eigen christelijke kunst waarbij het symbool zich ten dienste stelt van het menselijk gelaat en dient om de volheid van het persoonlijk bestaan in communio uit te drukken. De hindoese mandala is het geometrisch symbool van een resorptie in het centrum. De analoge symbolen die we in de orthodoxe kunst zouden kunnen vinden, de cirkel van de transcendentie bevoorbeeld, met een soort van ster, in de icoon van de Transfiguratie, of, gewoonweg, een vierkant schip met een koepel erboven, hebben geen ander doel dan de betekenis en de uitstraling van een persoonlijke aanwezigheid te tonen, Christus in het thaborische licht, of de Pantokrator.

    Het Quinisextus Concilie (692) heeft gevraagd dat, in de meeste gevallen, de tekenen van de eerste christelijke kunst – zoals het Lam – vervangen zouden worden door de onmiddellijke voorstelling van het geen zij voorafbeelden : het stralend menselijk gelaat van de glorie van God, en vooreerst het gelaat van Christus. Het waarachtig symbolisme van de christelijke kunst verschijnt van meet af aan als het middel om de menselijke persoon voor te stellen (wanneer het gaat over de Maagd en de heiligen) in het perspectief van het Koninkrijk. De icoon toont deze persoonlijke aanwezigheid, en de ganse kosmische ambiance erom heen, gebaad door de goddelijke vrede en het goddelijk licht, het “licht van het leven”. De lichamen en de klederen zijn verlicht door fijne gouden draden. Dieren, planten en rotsen zijn gestyleerd naar een soort van paradijslijke noodzakelijkheid; de bouwkunsten worden een surrealistisch spel, een evangelische uitdaging op de zwaartekracht van deze wereld.

     Het hemels Jeruzalem, dit wil zeggen het getransfigureerd universum welke de icoon suggereert, “heeft noch de zon, noch de maan nodig, het is de glorie van God die het verlicht” (Apoc. 21,23). In de icoon komt het licht niet voort uit een preciese brandpunt, het is overal zonder schaduw te projecteren : het is de achtergrond zelf van de icoon die de iconografen “licht” noemen. Alles lijkt innerlijk zonovergoten te zijn. Het weigeren van de schaduw, te weten van de uiterlijkheid van het licht, verklaart het zeer schaarse gebruik in deze kunst niet van beeldhouwwerk als dusdanig, maar eerder van het vrijstaand beeldhouwwerk. Het gebeurt zelfs dat, in de icoon, het perspectief omgekeerd is : de lijnen convergeren dan niet in een “vluchtpunt” waar de gevallen ruimte zich sluit, en die scheidt en gevangen neemt, zij verbreden in het licht, “van glorie tot glorie”.

    De icoon heeft niet enkel een pedagogische waarde (“de Bijbel van de ongeletterden” zei men in het Westen) maar een eigen mysterieke waarde, quasi-sacramenteel, bezegeld door een plechtige zegening van de Kerk. Zij toont de geheiligde persoon als sacrament van goddelijke schoonheid.

 

+

+++

+

     De iconenkunst overstijgt de tegenstelling onderlijnd door André Malraux, tussen de kunsten van de niet-christelijke “oosterse tradities”, getuigen van een onpersoonlijke eeuwigheid, en dezen van het moderne Westen, overgeleverd aan de angsten, aan de opzoekingen, aan het geheim van het individu. Het is in het onuitputtelijke van de persoon dat de icoon een eeuwigheid (in de betekenis van een epifanie) aanduidt, of eerder manifesteert, die niet fusie maar communio is : deelname aan het leven van de Drie-Eenheid. Deze kunst is, voor de rest, niet ongekend door het Westen : denken we hierbij aan de preromaanse en romaanse kunsten, aan de ottoonse kunst, aan deze van de Trecento, aan sommige gelaten van Memling, of van Rouault, aan sommige etsen van Rembrandt…

    Op een ander niveau, waar figuratieve en non-figuratieve kunst tegenover elkaar staan, verschijnt de icoon als een andere mogelijkheid – deze van een trans-figuratieve kunst. Zij abstraheert, maar het is niet om uit te monden op de spelletjes van het toeval en van de subjectiviteit, maar om uit het vlees-voor-de-dood (in paulinische zin) die de individualiteit verzwelgt, de pneumatische lichaamlijkheid te trekken, opgenomen en verlicht door de hypostasis. De abstrahering mondt op deze wijze uit op de hoogste realiteit, de figuratie opent zich op het bovennatuurlijke van de figuratie. In de oude traditie wordt de iconograaf niet gedefinieerd als een schilder, maar als een “hagiograaf”, als diegene die door de verf, “de heiligheid schrijft”.

     De icoon opent zo voor de theologie een ander perspectief dan deze van het concept. Vandaar haar belang in de huidige crisis van de taal. De God van de icoon is tegelijk de Ontoegankelijke en diegene die, uit liefde, zich maakte tot gelaat en ons toelaat de andere te kennen als gelaat. Diegene die zich openbaart in de schoonheid, een schoonheid boven het Kruis uit, doorheen het Kruis, een schoonheid onafscheidelijk van de vergeving, het onthaal, de ongeïnteresseerde liefde.

     Het laatste boek van de Bijbel is de Apocalyps. Apocalyps betekent eigenlijk de openbaring. De Bijbel en, er doorheen, het ganse kosmische proces en de ganse geschiedenis van de mensheid, eindigen in de apocalyps van de gelaten, in de zekerheid dat elke mens, nu, de “plaats van God” is, en geroepen is om – icoon – te worden.

 

De orthodoxe Kerk tegenover de uitdagingen van vernieuwing en hervorming

De Orthodoxe Kerk tegenover 

de uitdagingen van vernieuwing en hervorming

Pantelis Kalaïtzidis

De hierna volgende tekst was (in verkorte vorm) te horen in het kader van de internationale conferentie Religions and Reform, georganiseerd door de Konrad-Adenauer-Stiftung en het Royal Institute for Interfaith-Studies, in Jordanië, op 29 en 30 januari 2007. Auteur is de orthodoxe theoloog Pantelis Kalaïtzidis, die filosofie studeerde aan de Université Paris-Sorbonne en directeur is van de Academie voor Theologische Studies in het Griekse Volos. We publiceren, in vier afleveringen, de integrale neerslag van deze uiteenzetting, verschenen in het tijdschrift Contacts n°  223

De orthodoxe kerk wil graag trouw zijn aan de apostolische en patristische traditie. Ze bevindt zich in de ononderbroken continuïteit van de primitieve kerk. Het criterium van de patristische theologie bepaalt in hoge mate haar theologische denken en haar zending in de wereld. Ze herinnert er ook voortdurend aan dat ze noch de letter noch de geest van de traditie heeft verdraaid of veranderd. Ze heeft deze traditie geërfd van de zeven oecumenische concilies in het eerste millennium of van de traditie van de Vaders uit de onverdeelde kerk. Behalve deze nadruk op de traditie herinnert de orthodoxe kerk er voortdurend aan dat ze “de Kerk van de Heilige Geest” is. De Kerk die meer dan een ander de juiste plaats van de derde persoon van de Drie-Eenheid heeft bewaard (met alles wat dit impliceert voor de ecclesiologie, de canonische structuur en de kwestie van de eenheid); de Kerk die de vernieuwende bezieling van de Trooster heeft kunnen bewaren, alsook de charismatische dimensie van het kerkelijke leven.

Geografisch en cultureel gezien vinden we de orthodoxe kerk voornamelijk terug in de grensgebieden tussen Oost en West. De meest betrouwbare berekeningen schatten het aantal gelovigen rond de 180 à 200 miljoen wereldwijd. De meerderheid daarvan is nog steeds geconcentreerd in de traditionele, orthodoxe gebieden, namelijk het Nabije en het Midden-Oosten, de Balkan, het zuidoosten en het oosten van Europa. Anderen zijn verspreid over de orthodoxe diaspora in Noord-Amerika (de Verenigde Staten en Canada), Australië, Centraal- en West-Europa. Bovendien zijn er behalve de gelovigen  afkomstig uit traditionele orthodoxe families, steeds meer bekeerlingen: westerlingen die zijn toegetreden tot de orthodoxe kerk ten gevolge van een persoonlijke keuze en niet door hun geboorte of omdat ze tot een bepaalde natie, cultuur of identiteit behoren.

I. Traditie, vernieuwing en hervorming

Door het accent te leggen op o.m. het begrip traditie en de daaraan verbonden trouw, maakt de orthodoxe kerk aanspraak op christelijke katholiciteit en universaliteit;  ze omschrijft zichzelf als de Kerk die de volheid van het geloof en de waarheid behoedt. Maar blijkbaar heeft het belang van het begrip traditie, gecombineerd met historische factoren – namelijk het einde van het oosterse christendom en zijn onderwerping (vijf eeuwen lang) aan het Turks-Ottomaanse gezag – ertoe geleid dat termen als hervorming, herziening, evolutie en innovatie taboe zijn geworden. Ondanks de pneumatologische dimensie die duidelijk haar stempel heeft gedrukt – en dat nog steeds doet – op de orthodoxe kerk, zijn deze termen bijna verboden, of lijken ze in ieder geval problematisch voor en vreemd aan de orthodoxe traditie en spiritualiteit. Wanneer bepaalde protestantse kerken vandaag nog steeds lijden aan een bepaald fundamentalisme van de Bijbel of van de bijbelse letter, dan bevindt de orthodoxe kerk zich vaak verstrikt en geblokkeerd in een “fundamentalisme van de traditie”, wat in de praktijk haar pneumatologische en charismatische dimensie in de weg staat. Het verhindert haar om deel te nemen aan de moderne wereld en om haar creatieve vermogens en charisma’s in het heden te ontplooien.

Nochtans vinden we in de loop van de geschiedenis van de orthodoxe kerk talrijke momenten terug van beslissende veranderingen en evoluties, of nog van herinterpretaties en herformuleringen die tot een goed einde werden gebracht en die contrasteren met het huidige immobilisme. In onze ogen moeten deze momenten beschouwd worden als het natuurlijke uitvloeisel, het verlengstuk van de theologie van de Menswording en van de pneumatologie; ze moeten dus gezien worden als het permanente, door de Kerk beleefde Pinksteren, of nog als een gevolg van haar engagement in de wereld. Zo worden we er terecht aan herinnerd dat, “wanneer we geloven dat de Heilige Geest nooit heeft opgehouden in de Kerk werkzaam te zijn, de roep tot hervorming en vernieuwing in de Kerk altijd gegrond is” (L.J. Patsavos). Deze visie geeft aan de voortgang van de Kerk in de wereld zijn historische dimensie en zijn eschatologische finaliteit.

Wanneer we dit pneumatologische en eschatologische gezichtspunt volgen – het sluit aan bij een breder perspectief dat ons geopend is door de Menswording en de godmenselijkheid van Christus – dan kan er in de schoot van de orthodoxe kerk ruimte ontstaan voor hervormingen. Zeker wanneer we ons herinneren dat deze hervormingen niet de kern van het geloof aantasten en niets te maken hebben met de fundamentele leerstellingen, zoals de triadologie en de christologie. Hervormingen behoren tot het domein van het tijdelijke en hebben vooral betrekking op praktische, morele, canonische of liturgische kwesties. Zoals vader Nicolas Afanassieff, de grote orthodoxe theoloog en canonist, duidelijk zegt over de canons van de kerk: zij zijn tijdelijke uitdrukkingwijzen van eeuwige waarheden. Dit impliceert dat naast de onveranderlijke en eeuwige waarheden (zoals de fundamentele leerstellingen), die niet kunnen worden veranderd of gewijzigd naargelang de tijd, de periode, de culturele context, enz., er ook de tijdelijke uitdrukking en de historische toepassing van deze waarheden zijn, die onderhevig zijn aan veranderingen, wijzigingen of hervormingen. Met andere woorden, hervormingen vertrekken vaak van pogingen tot formuleringen en herformuleringen van het “hoe” van de waarheid, waarbij de kern van de waarheid onaangeroerd blijft. Hervormingen gaan over het begrip en de interpretatie van de waarheid, de actualisering of aanpassing op een bepaalde plaats en op een bepaald tijdstip van de eeuwige waarheid, van de christelijke “enhypo-statische”waarheid, en niet van het wezen zelf van deze waarheid. Met uitzondering dus van de triadologische en christologische leer – de kern van het kerkelijke geloof dat nooit het voorwerp kan zijn van enige hervorming – lijkt ons dat voor de rest elke discussie toegelaten is, soms zelfs wenselijk. Merken we in dit verband op dat tijdens het eerste millennium alle oecumenische concilies van de onverdeelde kerk uiteindelijk betrekking hebben op kwesties die in hoofdzaak triadologisch of christologisch zijn; ze hebben het christelijke geloof vormgegeven en het katholieke geloof afgebakend, de volheid van het geloof geplaatst tegenover de gedeeltelijke aanvaarding ervan – de ketterij. Wanneer we deze stelling in een oecumenisch perspectief doorzetten, dan zouden we kunnen stellen dat, met uitzondering van de triadologie en de christologie die de basis zelf van het christelijke geloof en de christelijke praxis vormen, we voor het overige vrijelijk zouden kunnen discussiëren of, naargelang de precieze context (de tijd, de ruimte, de sociale veranderingen, de nieuwe filosofische richtingen, enz.), zelfs zouden kunnen overgaan tot hervormingen, vermits deze betrekking hebben op de tijdelijke sfeer en niet op “de harde kern” van het geloof.

Deze aanvaarding van de hervorming en van wat in de kerk kan worden hervormd, onderstelt van tevoren een tegelijk positieve en kritische benadering van de contextuele theologie. Dit is bij de orthodoxen niet altijd het geval. Ongeacht enkele excessen, legt de contextuele theologie de nadruk op de nauwe band tussen de tekst en de context; ze herinnert er ons aan dat we onmogelijk theologie kunnen bedrijven op een zuiver intellectuele of academische wijze, zonder rekening te houden met de geschiedenis en de socioculturele context, met de pastorale noden en de onvermijdelijke diversiteit van de menselijke culturen en de theologische uitdrukkingsvormen. Nochtans impliceert het aanvaarden van zo’n hervorming ook een “orthodoxe” versie van het principe “Ecclesia reformata et semper reformanda”, een principe dat volgens de eminente orthodoxe historicus en theoloog Jean Meyendorff “duidelijk de protestantse benaderingswijze van de Traditie is”. Deze grond tot “permanente hervorming” van wat menselijk en tijdelijk is in de Kerk, dit principe van “de hervormde en steeds opnieuw te hervormen Kerk” dat gewoonlijk aan het protestantisme wordt toegeschreven, kan en moet door het orthodoxe christendom toegepast worden “op de zuiver menselijke elementen – en die zijn talrijk in de historische kerk”, zo zegt dezelfde theoloog. “Maar wat God ons geeft,” zo gaat hij verder, namelijk “de goddelijke aanwezigheid van zijn volheid in ons en onder ons, in de sacramenten en in de Waarheid die in de Kerk bewaard wordt door de Heilige Geest, dat staat boven elke ‘hervorming’.” Volgens het standpunt van Meyendorff vormt dit ‘maar’ het wezenlijke verschil tussen de protestantse en de orthodoxe benadering van de hervorming: eerstgenoemde beschouwt de Kerk als een volledig menselijke instelling, terwijl voor de tweede datgene wat de Kerk uitmaakt, niet menselijk is, maar eerder godmenselijk. Dit godmenselijke aspect mag niet tot het onzichtbare worden herleid: het is zichtbaar en historisch, net als de Godmens die een zichtbare en historische persoon was. Volgens Meyendorff schuilt er achter deze verschillende benadering van de hervorming een fundamenteel theologisch verschil, dat teruggaat op de overheersing van het augustinisme in het hele (katholieke, maar ook protestantse) Westen. Dit heersende augustinisme heeft vanwege zijn stelling over de identificatie van God met zijn essentie, nooit de oosterse leer van de deïficatie van de mens en zijn reële deelname aan Gods leven (via de goddelijke energieën) kunnen begrijpen en aanvaarden. Met als gevolg dat het protestantisme de gemeenschap tussen God en de mens in de Kerk heeft afgewezen, en dus ook de verering van de heiligen en het sacramentele realisme heeft verworpen.

II. Kleine geschiedenis van de herinterpretaties, herformuleringen en hervormingen in de orthodoxe kerk

 Laten we na deze elementaire preciseringen en ophelderingen, en met het oog op een theologie van de hervorming, terugkeren in de tijd naar die momenten van verandering en evolutie, van herinterpretaties en herformuleringen, die eigenlijk slechts het natuurlijke gevolg zijn van de theologie van de Menswording en de pneumatologische dimensie van de Kerk. We kunnen in het kort enkele van die grote momenten van evolutie en herformulering aanhalen, die samenvallen met de bloei van het oosterse christendom. Toentertijd hadden die momenten het effect van kleine ‘revoluties’ of kleine ‘hervormingen’, alhoewel het telkens slechts ging om herinterpretaties en herformuleringen van het oorspronkelijke gegeven of van de vroegere traditie:

 – De openheid van de primitieve kerk ten aanzien van de heidenen en meer bepaald van de Griekse wereld, zoals dit merkbaar is in o.m. de geschriften van Johannes, de theologie van de heilige Paulus of de beslissingen van het apostolische concilie van Jeruzalem in 48 n.Chr. Dit concilie heeft alle joodse vooronderstellingen (op cultureel of religieus vlak) opgeheven om zo de heidenen tot de kerk te kunnen toelaten. Het wordt overigens als het eerste concilie van de kerk beschouwd.

 – De ontmoeting of synthese tussen het christendom en het hellenisme, op een moment dat het christelijke geloof, dat aanspraak maakte op universaliteit, ertoe gebracht werd om zich uit te drukken in denkvormen ontleend aan de antieke Griekse filosofie. Hierbij probeerde de christelijke theologie, waarvan de filosofische uitgangspunten aanvankelijk onverenigbaar waren met die van het Griekse denken, een antwoord te geven op vragen die van oorsprong niet christelijk maar Grieks waren.

 – Een analoge beweging leidde van de bijbelse theologie, met haar Semitische en meer bepaald Hebreeuwse roots, naar de patristische theologie. Deze laatste werd niet enkel gevoed door het joodse denken en het evangelische woord, maar ook door de Griekse filosofie en cultuur. Aanvankelijk was de patristische theologie slechts een exegetische theologie, die vertrok van de interpretatie van de Schrifttekst, maar die tegelijk een antwoord probeerde te geven op de uitdagingen en vragen van de heidense filosofen en van het Griekse denken in het algemeen. Aldus getuigde de patristische theologie in die tijd van een aanzienlijke verandering in de wijze van interpreteren van de gewijde teksten. In sommige opzichten belichaamde zij een eerste poging tot ontmythologisering (vooral bij Origenes en Gregorius van Nyssa). Merken we op dat wanneer de Kerkvaders de Bijbel begonnen te interpreteren, zij vooral bekommerd waren om de geest van de Bijbelse teksten bloot te leggen en niet zo geïnteresseerd waren in de letter ervan. Ze deinsden er niet voor terug om gebruik te maken van alle interpretatieve en exegetische methodes die in hun tijd bekend waren, en van alle kennis die de filosofie en andere disciplines, die ze vaak jaren lang hadden bestudeerd, hun verschaft hadden. Het patristische denken kende overigens zo’n ontwikkeling, dat bepaalde theologen en patrologen – ook sommigen die zich tot de behoudsgezinde of ‘traditionele’ stroming rekenden – niet aarzelden om ten opzichte van het Bijbelse of primitief-christelijke denken, te spreken van “groei” (Gr. auksèsis). Ter verduidelijking voegden ze er echter aan toe dat “groei” hier niet betekent verbetering, rijping of vooruitgang in de openbaring van het geloof, maar de vervolmaking in Christus en door de Heilige Geest van het geestelijke leven, alsook de doctrinaire verrijking van het leven in de kerk.

 – Hoe paradoxaal het ook moge lijken, de primitieve christelijke theologie en in zekere mate ook de patristische theologie waren binnen hun specifieke context ‘modern’ avant la lettre; ze waren zelfs de voorbode van bepaalde aspecten van de westerse moderniteit. We vergeten al te gemakkelijk dat het primitieve christendom, gezien de radicale breuk die het in de christelijke gemeenschappen teweegbracht, eigenlijk een vroegtijdige vorm van ‘moderniteit’ vertegenwoordigt, die om diverse redenen – in het kader van deze uiteenzetting kunnen we hierop niet verder ingaan – haar bevrijdende werking niet heeft kunnen afmaken of realiseren: de vervanging van de abstracte metafysica door de persoonlijke ervaring en de vereniging met God; de gelijkheid van geslachten en rassen (een eerste aanzet in de richting van de bevrijding van de vrouw); de eschatologische overwinning in Christus van elke vorm van onrechtvaardigheid en scheiding; de desacralisering van de keizer en zijn gezag; de vrijmaking van de persoon van zijn religieuze onderwerping aan de stad, de staat of het gesacraliseerde gezag;  de vrijmaking van de menselijke persoon van zijn slaafse onderwerping, ditmaal op biologisch vlak, aan zijn ras, patriarchale familie, stam; de weergaloze uniciteit en de uitzonderlijke waarde van de menselijke persoon; de ontvoogding van de onderwerping aan de letter van de wet; de aanzet tot bevrijding van de voor die tijd duistere en niet opgehelderde aspecten van de biologische functies van de mens; de onttovering en desacralisering van de natuur, enz.

– De liturgische evolutie die begonnen is met gemeenschappelijke maaltijden en het eenvoudige eucharistische gebed in de eerste eeuwen van het christendom, om uit te monden in een hele reeks officies en riten. Deze ontwikkeling heeft tot het begin van de 16e eeuw voortgeduurd en wordt onder meer gekenmerkt door de overgang van een parochiale liturgische traditie naar een monastieke liturgische traditie. In wezen is hierbij het communautaire en eschatologische karakter van de cultus behouden gebleven, alsook de visie op de Eucharistie als het sacrament bij uitstek van de kerk. Dit wezenlijke sacrament van de christelijke communauteit doet de ganse biddende gemeenschap deelnemen aan de transfiguratie van de wereld en de geschiedenis, door een voorsmaak te geven van het Eschaton en te anticiperen op het Koninkrijk Gods.

 – De canonische hervormingen, vooral door het Concilie “in Trullo” (Quinisextus) in 691-692. Op basis van het hierboven vermelde onderscheid tussen de eeuwige waarheden en hun tijdelijke en historische uitdrukkingsvormen, hebben deze hervormingen niet enkel het canonische systeem van de kerk, maar ook haar ecclesiologische structuur en liturgische ordening duidelijk gewijzigd. Laten we hier opmerken dat de canonische hervormingen door het Concilie “in Trullo” een poging waren om het theologische onderricht van de kerk aan te passen aan de historische realiteit, die sinds de tijd van het primitieve christendom geëvolueerd was. Deze hervormingsactiviteit getuigt van een conciliaire creativiteit, waarbij zelfs de canonische en conciliaire decreten werden herzien of vervangen. Het probleem dat zich stelt in een tijd van conciliaire achteruitgang, zoals nu het geval is, is dat we de dialectiek tussen de eeuwige waarheden en de tijdelijke en historische uitdrukkingswijzen van deze waarheden, vergeten; we geven er de voorkeur aan deze dialectiek en het criterium van de waarheid te vervangen door de wet van de gewoonte. Het meest karakteristieke voorbeeld van deze situatie is het verplichte celibaat van de bisschoppen, dat ingevoerd werd door canon 12 van het Concilie “in Trullo”. Bijna iedereen erkent inmiddels de impasse en de ernstige problemen die deze dertien eeuwen oude hervorming met zich meebrengen. Maar de conciliaire achteruitgang die de orthodoxe kerk al lange tijd kenmerkt en de voorrang van het principe van de gewoonte op het principe van de waarheid, verhinderen elke ernstige discussie en elke beslissing om terug te keren naar de traditie en de ordening van de oude kerk.

 – De vertaling van de Bijbelse en liturgische teksten in de lokale talen, dit vanaf de eerste eeuwen van het christendom, en later, vanaf de eerste Byzantijnse missies; maar ook de verwerping van elke theorie van ‘heilige talen’, vermits de Menswording van Christus elk menselijk werk, elke plaats, elke taal en elke cultuur heeft geheiligd (en dit vele eeuwen vóór de protestantse Hervorming of, a fortiori, het Tweede Vaticaans Concilie).

 – De voorbeelden die dateren van na het primitieve christendom, zoals het onstaan van het monachisme (dat aanvankelijk wilde herinneren aan de eschatologische dimensie van het christelijke geloof en een protestbeweging was tegen het compromis van de institutionele kerk met de wereld en het gezag) en het ontstaan van de iconenverering (die de theologie van de Menswording vooronderstelt, evenals het achter zich laten van de Semitische aniconische cultus). Het is interessant erop te wijzen dat het monachisme en de iconenverering mettertijd de karakteristieke en zelfs onmisbare uitdrukkingsvormen van de orthodoxe spiritualiteit en vroomheid zijn geworden.

   Men kan natuurlijk discussiëren of redetwisten over de juistheid, de waarde en de reikwijdte van deze veranderingen en evoluties, of over hun trouw aan de apostolische traditie. Maar men kan niet ontkennen dat deze veranderingen en evoluties deel uitmaken van de geschiedenis van een kerk die haar trouw aan deze traditie hoog in het vaandel draagt, die van de traditie een beslissend, zo niet opperste criterium van haar kerkelijke leven en theologie maakt. De voorbeelden zijn beperkt – we zouden er nog vele andere kunnen aanhalen en ons bv. buigen over praktische of morele zaken, zoals echtscheiding, die al vrij vroeg werd toegelaten in de orthodoxe kerk. Maar we hebben de voorbeelden hier enkel naar voren geschoven om eraan te herinneren dat de begrippen hervorming en herziening, in de breedste zin van het woord, niet onbekend zijn in de traditie van de oosterse kerk..                      

Vertaling uit het Frans: Xavier V

De vrouw in de Kerk

DE VROUW IN DE KERK

 

 Op uitnodiging van de Patriarch van Roemenië had enkele jaren geleden in het monasterie van Agapia (Moldavië) een colloquium plaats over “de rol en de plaats van de vrouw in de Kerk en in de samenleving. Vrouwen, die de voornaamste patriarchaten en autokefale kerken vertegenwoordigden, namen aan de besprekingen deel. Tevens waren een aantal vrouwen, afgevaardigd door de niet-chalcedonische kerken, zoals de Armeense Kerk, de Koptische Kerk en de Kerk van India, aanwezig. Naast meer algemene vragen, zoals de plaats van de vrouw in de Kerk, het gezin en de samenleving, werden ook meer specifieke punten aangeraakt zoals het vrouwelijk diakonaat en priesterschap. Het herstel van het vrouwelijk diakonaat is thans reeds een thema van discussie in verschillende orthodoxe kerken, terwijl in de Koptische Kerk de diakonaatsfunctie reeds een feit is (150 diakonessen fungeren thans reeds in de Koptische Kerk). Het probleem van de priesterwijding van de vrouwen werd alleen gesteld in verband met het het debat dat thans omtrent deze kwestie op gang is gekomen in de niet-orthodoxe kerken van het Westen. De vergadering uitte nochtans de wens uit dat dit probleem ook door de Orthodoxe Kerk met de nodige sereniteit en theologische ernst zou onderzocht worden.

 De gekende orthodoxe theologe Elisabeth Behr-Sigel, die gedurende vele jaren docente was aan het Hoger Instituut voor Oecumenische Studies te Parijs en aan het Orthodox Theologisch Instituut St.Serge te Parijs, en die auteur is van verschillende boeken en publicaties omtrent dit onderwerp, nam aan de besprekingen actief deel. Hierna volgt daarover een relaas.

 *     *     *

 Elisabeth Behr-Sigel gaat ervan uit dat een aantal socio-culturele factoren voor gevolg hebben dat de vrouwen een niet-authentiek beeld van zichzelf en van hun vrouwzijn ervaren. Deze niet-authenticiteit belet hen bewust te worden van hun menselijke roeping en verantwoordelijkheid als volwaardige leden van het Godsvolk. De vrouwen wensen in de Kerk een werkelijk “partnership”, een effectieve verdeling der verantwoordelijkheden te bekomen. Dit vergt echter een verandering van mentaliteit bij heel wat mannen, wat dan op zijn beurt structurele veranderingen in de kerkgemeenschappen vereist, dit echter zonder dat een breuk ontstaat met de authentieke Traditie van de Kerk, wel integendeel in een geest van creatieve getrouwheid.

 De “feministische beweging” verschijnt als een teken des tijds. Dikwijls onbehendig en opzettelijk provocerend is dit teken nochtans een “dwaas geworden” christelijk idee in ons extreme Westen, dat door het nihilistisch getij overspoeld wordt. De feministische gedachte heeft in wezen haar wortels in het personalisme van het Evangelie.  “Heden na een lange periode van patriarchaat, tracht de vrouw zich te affirmeren als een volledige menselijke persoon, als een vrij en verantwoordelijk subject. Dit is de werking van het evangelisch ferment, dat zich eindelijk vrijmaakt van de oude heidense structuren.”  (vrij vertaald uit : Olivier Clément :”Questions sur l’homme”, p.115)

  Deze aspiraties van de vrouwen interpelleren de christelijke gemeenschappen. De vraag rijst echter of het specifiek vrouwelijke de gelijkstelling met de man in de orde der waardigheid werkelijk toelaat. De bittere constatatie dat deze gelijkstelling niet vanzelfsprekend is , veroorzaakt bij de vrouwen een  diepe identiteitscrisis. In een wereld, gedomineerd door geperverteerde mannelijke waarden, komen de vrouwen ertoe hun eigen diepste wezen te verloochenen.  Wie ben ik ?  Wie zijn wij ? Waar bevindt zich onze voltooing ? Mannen en vrouwen stellen zich beangstigd deze vragen. De menswetenschappen kunnen weliswaar met luciditeit vaststellen “wat is”, doch ze kunnen “de zin” niet verklaren, noch de menselijke hoop orienteren. Het antwoord op die vragen zou kunnen liggen “binnen het bereik der interiorisering van de Openbaring”.

  Een creatieve orthodoxe theologie, die van het mysterie van de Drie-Eenheid zou uitgaan, en die er tevens de anthropologische implicaties zou van onthullen, zou de mens – man en vrouw  – uit de impasse van het blind nihilisme kunnen halen.

  En in Drie verschillende Personen, van dezelfde natuur en waardigheid, steeds samen handelend in de wereld, doch elk –  de Schepper, de Verlosser, de Trooster  – zijnde volgens hun eigen zending, volgens hun eigen modaliteit, manifesteren het samenvallen van de Eenheid en de Verscheidenheid  .  Dit is de Drie-Eenheid, naar wiens beeld de mensheid als één en tevens multipel, als man en vrouw  , geschapen is om de aarde te beheersen. Deze eenheid werd door de zonde ontwricht, doch in Christus hersteld (Gal. 3,27-28) in de Kerk, die Zijn Lichaam is, waar man en vrouw geroepen zijn om zichzelf te ontplooien volgens verschillende modaliteiten, doch de ene met   de andere, door  de andere in wederzijdse liefde, en samen gericht naar de Derde  , God (Ef. 5,25-33)  

   Deze orthodoxe visie, gevoed aan de bron van de Liturgie werd in onze tijd ontwikkeld in het werk van Paul Evdokimov, in zijn diepzinnige theologie van het huwelijk. Zou thans niet “een meer globale reflectie” dienen ontwikkeld te worden over de taak van man en vrouw , die samen de verantwoordelijkheid van hun koninklijk priesterschap binnen de Kerk en de wereld assumeren ?  Is het in de huidige verwarring der geesten niet de opdracht van de Kerk om een nieuwe stijl en nieuwe modellen van samenwerking tussen man en vrouw te ontwerpen ?

 *     *     *

   De concrete situatie in de Kerk is thans zo, dat de vrouwen zelfs de lagere wijdingen van lector en acoliet niet kunnen ontvangen, al is men in de praktijk niet zo streng. Nochtans is het wenselijk dat de vrouwen op alle niveau’s zouden participeren aan de verantwoordelijkheden van het Godsvolk, dit zowel op het liturgisch vlak der catechese als in het theologisch onderzoek, het parochiaal beleid en in ruimere conciliaire vergaderingen, en uiteindelijk ook op het domein van de profetische getuigenis in de wereld.

   Blijft dan het cruciaal probleem van de wijding van vrouwen tot de verschillende graden van het ministerieel priesterschap of tot een bepaald kerkelijk ministerie, zoals het vrouwelijk diakonaat, dat vroeger in de Kerk bestaan heeft.

  De dramatisering van het probleem is echter de uiting van een clerikale geest, die vreemd is aan de Orthodoxie. De orthodoxe leek beleeft inderdaad zijn lekenstaat niet als een ondergeschikte conditie. Tussen de priester en hem is er verschil van roeping en diakonie, van chrisma, maar er is geen radikaal ontologisch  verschil . Allen – man en vrouw  – participeren actief aan de Liturgie, hetgeen echter niet wegneemt dat het probleem van het vrouwelijk priesterschap gesteld wordt en dat van de Kerk een ernstig gefundeerd antwoord verwacht wordt.

   Tot op heden hebben de orthodoxe instanties de wijding van vrouwen tot het priesterschap beslist afgewezen, op gronden die niet steeds even relevant zijn. Het ernstigste argument lijkt wel verband te houden met het iconisch karakter  van het priesterlijk ambt in de orthodoxe eredienst. In de eucharistische vergadering vertegenwoordigt, of beter, stelt de bisschop of de priester Christus present , Christus, het mensgeworden Woord, die de menselijke natuur integraal aangenomen heeft, doch volgens haar mannelijke modaliteit  . Tussen het mannelijke van het Woord, dat “schept en ordent”, evenals tussen de Geest, die “bijstaat en inspireert” en het vrouwelijke, ontwaart men mysterieuse analogieën. Dit is een aanwijzing, bevestigd trouwens door een constante traditie, die zomaar niet over het hoofd kan worden gezien.

   Anders is het gesteld met het vrouwelijk diakonaat. Het bestaan van diakonessen in de primitieve Kerk staat duidelijk vast (Rom. 6,1). Moeilijker is echter de juiste functies van dit ambt te bepalen.

   Het staat buiten kijf dat in de eerste christelijke communauteiten vrouwen in het openbaar optraden bij het gebed en het profetiseren  . Verder bestonden diakonessen in de byzantijnse traditie. Men kent hun wijdingsritus zoals deze te Constantinopel gebruikelijk was, namelijk tijdens de Liturgie door handoplegging en het aandoen van het orarion  (de diakenstola). De byzantijnse diakonessen communiceerden aan het altaar zoals de priesters en diakens, en vervulden liturgische, catechetische,  pastorale en creatieve taken. Vanaf de IXde – Xde eeuw geraakte het vrouwelijk diakonaat in onbruik. Het herstel ervan werd door de Russische Kerk op de vooravond van de revolutie van 1917 overwogen. Sinds 1957 bestaat een diakonessenschool te Athene, waar een opleiding tot sociaal assistenten ten dienste van de Kerk verkregen wordt. Tot op heden echter worden zij niet gewijd! De Koptische Kerk, die thans een spiritueel “revival” kent, heeft het gewijd diakonaat  opnieuw hersteld. Het belang van dergelijk herstel bestaat hierin dat, doorheen het ambt van gewijde diakonessen een organieke band zou gelegd worden tussen het sacrament van   de Eucharistie en het sacrament van de broeder.  Aldus zou door het herstel van een specifiek diakenminister, dat niet de eerste hiërarchische graad zou zijn tot het priesterschap, een evenwicht tot stand gebracht worden tussen enerzijds de sacramentele en liturgische functie van de diaken, en anderzijds – doorheen zijn organische binding met de Eucharistie, zijn profetische uitstraling in de wereld.

 Antoine van Bruane +                             

Vader Ignace : Het hart centrum van ons spiritueel leven

HET HART

CENTRUM VAN ONS SPIRITUEEL LEVEN

 

         Bij zijn bezoek aan onze communnauteit, wat meer dan een tiental jaren geleden, benadrukte Vader Sophrony dat “het hart” het centrum van ons spiritueel leven is, en niet het verstand, het intellect, het intellectuele, de rede… Het hart moet de rede leiden en niet omgekeerd. Iedere keuze, iedere levenskeuze die wij doen moet vanuit het hart vertrekken. Iedere wilsuiting, iedere manifestatie van onze vrije wil moet door het hart worden genspireerd. Wat meer is : alle menselijke handelingen moeten vanuit het hart uitgaan.

         Het hart is de intiemste plaats van ons bestaan, de plaats van waaruit liefde uitstraalt, de plaats waar God zich laat voelen, de plaats waarin God Zijn intrek neemt en waar God ons wil ontmoeten. Het hart is de plaats van waaruit wij kunnen bidden, waar wij de stilte kunnen vinden om het diepste van onszelf te ontdekken.

         Het “denken”, de “rede” bouwt voortdurend eigen constructies van ons aardse leven op, vaak alleen gebouwd op de grondvesten van een “wereldse logica”.

         De enige logica van het hart is de “liefde”, de liefde waarvan Apostel Paulus in zijn eerste brief aan de Korinthiërs spreekt (I Kor. 13, 1-13) : “ Al heb ik de gave der profetie,al ken ik alle geheimen en alle wetenschap, al heb ik het volmaakte geloof dat bergen verzet : als ik de liefde niet heb, ben ik niets. Al deel ik heel mijn bezit uit, al geef ik mijn lichaam prijs aan de vuurdood : als ik de liefde niet heb, baat het mij niets.

          De enige richtlijn van ons christelijk leven is deze van de “zaligsprekingen”, zoals Jezus ze ons zelf voorhield in Zijn “bergrede” (Mat.5, 1-12).  Wij zijn geroepen om het “zout der aarde” en “het licht der wereld” te zijn (Mat.5, 13-16).

          Vanuit het liefdevolle hart gaat de zachtmoedigheid uit, het geduld en de nederigheid.

          De volheid van ons kerkzijn  manifesteert zich met de woorden die ons naar de Eucharistische eenheid zullen brengen : “Laat ons elkaar beminnen om in eenheid te belijden  : de Vader, de Zoon en de Heilige Geest “.

         In zijn “onderhoud met Motovilov” zei de Heilige Serafim van Sarov : “Zo moet het in feite zijn met de goddelijke genade in het diepste van ons innerlijk,  in ons hart. De Heer heeft gezegd : “Het Koninkrijk der hemelen is binnen in u”  (Lukas 17,21). Onder dat Koninkrijk der hemelen verstaat Hij de genade van de Heilige Geest. Dat Koninkrijk Gods is nu in ons. De Heilige Geest verlicht en verwarmt ons. Hij vervult de omringende lucht met allerhande geuren, verheugt onze zinnen en doordrenkt  onze harten met een onzegbare vreugde. Onze huidige  toestand lijkt op die, waarover de Apostel Paulus zegt : “Het Koninkrijk Gods hangt niet af van spijs en drank, maar is gerechtigheid, vrede en vreugde door de Heilige Geest.” (Rom. 14,17). Ons geloof is niet gegrond op woorden van aardse wijsheid maar op de openbaring van de macht van de Geest.” (Serafim van Sarov – van Irina Gorainoff – Monastieke cahiers – Bonheiden 1977 – p. 223-224)

          En Olivier Clément schreef o.m. over de Heilige Serafim van Sarov : “Hij had de naam Serafim gekregen – diegene die van vuur is; hij hield eraan te zeggen : “God is een vuur dat verwarmt en de  harten en binnensten doet  gloeien”.  (“Le visage intérieur” – Olivier Clément – uitg.Stock 1978, p.140 – vrij vertaald)

        Wij kennen de “parabel van de zaaier”, die Jezus ons voorhield (Lukas 8,4-15). Het zaad, dit is het woord Gods, schiet geen wortels wanneer het op de weg valt, of op de rots, of tussen de distels. En de slotzin van de parabel besluit :”Het zaad in de goede aarde zijn zij, die het woord dat zij hoorden in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid.”

        Wij kennen ook de “parabel van de verloren zoon”, die wij in feite beter de “parabel van de barmhartige vader” zouden noemen (Lukas 15,11-32). Luisterend naar het verhaal zijn wij geneigd te zeggen : de verloren zoon heeft zijn ellendig leven veroorzaakt; hij moet maar de gevolgen dragen van zijn losbandigheid. De barmhartige vader echter laat alleen zijn “hart” spreken. Hij vergeet en vergeeft alles! Hij loopt zijn zoon tegemoet, zonder enige opmerking, zonder enig verwijt. Alleen zijn “hart” spreekt. Zijn “hart” leidt heel zijn geest en zijn handelen!“Zijn vader zag hem al in de verte aankomen, en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk”.  (Lukas 15,20)  De oudste zoon daarentegen, die altijd dacht de” goede” te zijn, filosofeerde met zijn vader en deed hem zelf enig verwijt. Hij voelde zich minderwaardig behandeld, en nochtans bleef hij zijn vader steeds trouw. Ook voor hem had de vader niets dan goede woorden, uitingen van een goed “hart” : “ Jongen, jij bent altijd bij mij en alles wat van mij is, is ook van jou. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was  en is teruggevonden.” (Lukas 15,31-32)

        Barm(hart)ig zijn is voortdurend het “hart” laten spreken, boven iedere logica van de rede en van het verstand. Emotioneel zijn, de diepte van de emotie aanvoelen is nooit een schande, een zwakheid, iets waarover men zich moet schamen, of iets dat men moet bekampen!… Alleen “hardvochtigheid” moeten wij bekampen en tegengaan. Een christen, die het “hart” op de rechte plaats draagt, kan of mag nooit “hardvochtig” zijn. Zelfs Jezus liet zijn “hart” op een bepaald ogenblik leiden door Zijn emoties. Zie de “Opwekking van Lazarus” (Joh.11,33-36) : “ Toen Jezus haar zag  wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij : Waar hebt gij hem neergelegd? Zij zeiden Hem : kom en zie, Heer. Jezus begon te wenen, zodat de Joden zeiden : zie eens hoe Hij van hem hield”.

        Nog te vaak wordt in onze samenleving, ten onrechte, gedacht dat een vrouw wel emoties mag hebben en mag wenen. Een man zou dit niet mogen!… En waarom niet?…Alleen een wereldse samenleving die wijzelf opgebouwd hebben duldt dit niet, heeft het woordje “hart” vervangen door “hard”! De emoties zijn de gevoelens van medeleven met diegenen die ons omringen of omringden wanneer zij thans ontslapen zijn. De emoties zijn uitingen van affectie, vreugde of verdriet, steeds uitgaande vanuit het diepste van ons hart, vanuit diezelfde plaats waar wij God mogen onthalen, ontmoeten en waar Hij aanwezig blijft.

          Zelfs in het theologisch denken waarschuwt de gekende orthodoxe theoloog Vladimir Lossky ons voor een te “cerebrale” theologie. “In een bepaalde zin is iedere theologie mystiek, voor zover zij het goddelijk mysterie en de gegevens van de openbaring manifesteert.”   En hij voegt eraan toe : “Er is dus geen christelijke mystiek zonder theologie, maar vooral is er geen theologie zonder mystiek.  Welnu iedere “mystiek” gaat uit van het “hart”, de plaats waar de persoonlijke God-menselijke relatie ontstaat en zich ontwikkelt. “De christelijke theologie is uiteindelijk altijd een middel, een geheel van kennissen , die een doel moeten dienen, dat iedere kennis overschrijdt. Dit uiteindelijk doel is de eenheid met God of de deïficatie, of de theosis van de Griekse Kerkvaders.”  ( Theologie Mystique de l’Eglise d’Orient – Vladimir Lossky – Ed.Montaigne – Aubier  1944, p.5-7)

         Tenslotte voelen wij in de hele kerkelijke benadering en beleving van de Orthodoxe Kerk hoe – totaal verschillend met de Westerse Kerken – het “hart” het uitgangspunt is van iedere relatie, en echt centraal staat! Bisschoppen, priesters, diakens en gelovigen “omhelzen” mekaar bij iedere ontmoeting. Geen “wereldse” handdruk, wel een broederlijke begroeting komende vanuit het diepste van het “hart”. Zonder woorden is reeds veel gezegd. Zonder woorden staan wij reeds heel dicht bij mekaar, op concrete wijze uiting gevend aan onze eucharistische verbondenheid, door dewelke wij broeders en zusters in Christus geworden zijn, een nog sterkere band dan deze van de fysische familieband. Wat mij dan persoonlijk steeds bijblijft is de patriarchale omhelzing die ik ooit mocht krijgen van onze Oecumenische Patriarch Bartholomeos (en voor hem van Patriarch Athenagoras), van Patriarch Alexis van Moskou, van Patriarch Teoctist van Roemenië… maar eveneens de omhelzingen met de meest eenvoudige onbekende medegelovigen, zowel hier  ter plaatse in onze kerk als in Griekenland, Rusland, Roemenië, Frankrijk, Engeland, Duitsland…of op onze orthodoxe congressen. Ieder orthodox gelovige moet beseffen dat die wederzijdse broederlijke omhelzing spiritueel heel belangrijk is.

         Maar er is nog meer : in heel het liturgisch en sacramenteel leven van de Orthodoxe Kerk ligt het spiritueel vertrekpunt in het “hart”: de vele namen die genoemd worden bij de dyptieken (voorbereidende liturgie), bij de ekteniën en bij de commemoratie door de celebrant bij de Grote Intocht, zijn opeenvolgende concrete uitingen van liefde. Alle genoemden worden liefdevol benaderd en participeren aldus met ons mee aan het liturgisch gebeuren. Wij bidden met hen en voor hen, steeds met God in ons midden. En in het sacramenteel leven van de Kerk, in de “mysteries”, laat telkens opnieuw de priester zijn “vaderlijk hart” voelen. Ieder sacramenteel handelen is een “liefdesdaad” bij uitstek, steeds bezegeld en gerealiseerd door de kracht van de Heilige Geest. Het gaat om een “goddelijke filantropie” die de bovenhand moet hebben boven de “beredeneringen, de wetten en de tijd” (“Des mystères sacramentels” – Constantin Andronikof  – Cerf, Paris 1998, p.179)

         De hedendaagse mens vergeet zo vaak zich door zijn hart te laten leiden, zijn hart te laten spreken, de stilte van zijn hart te ontdekken. En wij?…Hebben wij reeds de onschatbare rijkdom van ons hart gevonden? In ons hart  kunnen wij iedere dag God ontmoeten en liefhebben…en tot Hem spreken in het intiemste van ons gebed. Vanuit ons hart  kunnen wij allen liefhebben, die God op onze weg wist te plaatsen, op de eerste plaats onze echtgenoot of echtgenote, onze ouders, kinderen, familieleden, vrienden, de leden van onze communauteit en zovele anderen, bekenden of onbekenden, gelovigen of niet-gelovigen. Ons hart  moet zeer groot en ruim zijn om allen in onze liefde te omvatten, steeds bewust dat alleen Gods oneindige Liefde  onze povere, zwakmenselijke liefde kan voeden! God is steeds in alles en voor allen de Grote Barmhartige Daarom moeten wij eveneens onvermoeibaar barmhartig  zijn, vervuld door de kracht van de Heilige Geest.

 Vader Ignace

Georges Drobot : het licht in ce icoon

 

 

Het licht in de icoon

Door Vader Georges Drobot

 

christus22222.jpg

 

 

Het licht is van groot belang in de orthodoxe Kerk, om niet te zeggen van essentieel belang. Het woord “licht” komt voortdurend terug in de liturgische teksten – in de loop van de celebraties alsook in het persoonlijk gebed steekt men telken opnieuw de olielampen of de kaarsen aan. Het fysisch licht – dit van de sterren of de lichtbronnen – wordt het symbool van het eeuwige licht van het Koninkrijk van God.

De sacrale kunst van de orthodoxe Kerk, of het nu gaat om iconen, mosaïeken en fresco’s die de muren van een kerk versieren, is essentieel een liturgische kunst. Ze geven in beelden de geschiedenis van het heil weer dat verlicht wordt door de teksten van de kerkvaders en liturgische teksten, die gelezen of gezongen worden gedurende de diensten. Welnu, de orthodoxe liturgische cyclussen stemmen overeen met het cosmisch rythme  volgens dewelke onze aarde leeft. “Bidt zonder ophouden” (1 Thess.5,17) is het gebod dat het gebedsleven van elke christen regelt . Dit onophoudelijk gebed, eeuwig, incarneert zich in de cyclussen van de aardse tijden en wordt geregeld door het verloop van de zon.

De dagelijkse liturgische cyclus begint ’s avonds, volgens het Bijbelwoord : “Er was een avond en er was een morgen, het was  dag (Gen 1) Op het uur van het slapengaan, zingt men in de vespers de hymne van de heilige Sophronius van Jeruzalem : “ Vriendelijk licht der heilige glorie des onsterfelijken, hemelsen en heilige Vaders, Jezus Christus. Weer aangeland bij zonsondergang, schouwend het avondlicht. Zingen wij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest een lofzang van God”. Dit “vriendelijk licht” is geen eenvoudige woordelijke uitdrukking om te spreken van het ongeschapen licht van het Koninkrijk van God. Het drukt hier het visioen uit van de weerspiegeling van het goddelijk licht van de geschapen wereld, dat deze zang vervult van dankzegging. Het zachte, vriendelijke licht van de avond doet de verwachting van het opkomende licht van de morgen van de Verrijzenis levendig voor ogen houden.

Vervolgens komt de morgen die begint met de verheerlijking van God, schepper van het menselijk geslacht, aan wie hij de bekwaamheid geeft om het licht te zien – dit licht dat voor ons brand en dat wij met  onze ogen kunnen aanschouwen, het fysieke licht, en dat wat onze ziel kan waarnemen : het ongeschapen licht van het Koninkrijk. Op het einde van de Metten, roept de priester :” Eer aan U die ons het licht laat zien!”, en de assistent antwoordt hem :”Eer aan God in de hoge en vrede op aarde aan de mensen van goede wil…”.

 De lofprijzing tot God, Schepper en Gever van het licht is een onophoudelijke lofprijzing die het leven van de mens bepaalt of juister gezegd die al zijn daden oriënteert en  eindigt met ze te transfigureren : dat is de lering van de orthodoxe Kerk. Zo een “getransfigureerd” wezen transfigureert alles : zijn omgeving, de mensen die hem ontmoeten, de natuur die hem omringt, zoals wij het bijvoorbeeld weten van de heilige Serafim van Sarov. Hij heeft  anderen het licht van het koninkrijk laten  zien waarin hij reeds verkeerde vóór het einde van zijn leven, en hij groette hen die kwamen om hem te zien met de woorden : “Christus is verrezen, mijn vreugde !”.

Dus is het niet verbazingwekkend dat de liturgische diensten van Pasen diegene zijn die het goddelijk licht bezingen op een bijna onophoudelijke wijze. En als men weet, dat de zondag voor de christen de dag is van de Verrijzenis en haar licht, dan kan men zich voorstellen dat de sacrale kunst zal pogen te laten zien wat een paasgezang zegt : “ Vandaag is alles vervuld van licht : de hemel, de aarde en zelfs de hel. Dat gans de schepping de verrijzenis van Christus bezinge waarin onze kracht ligt.

De spiritualiteit van deze kunst die onafscheidelijk is van het liturgisch leven van de Kerk drukt zich vooreerst uit in de onderworpenheid, de gehoorzaamheid van de artist-iconograaf (schilder van iconen, miniaturen, fresco’s of mozaïeken) aan zijn spiritueel doel, dit verklaart het instrumentele aspect van zijn werk. Het is moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om het lichtgevend visioen van de spirituele wereld weer te geven in de gangbare vormen van kunst, want sprekend over het concrete – de menswording van het Woord van God, moet hij de spiritualiteit proberen weer te geven in zijn structuur. De “materiële” realiteit van de incarnatie sluit elke vorm van non-figuratieve vormen uit, “ het van zijn stoffelijk omhulsel ontdoen”, en de notie van het ongeschapen transfigurerend licht, dat ons het Koninkrijk van God onthult, laat geen naturalisme toe.

Onafscheidelijk van het leven van de orthodoxe Kerk, is de icoon dikwijls gekenmerkt als “theologie in kleuren”. Zoals elke waarachtige theologie, hangt de icoon af van de mystieke en theologische ervaring  van zijn auteur (want de Kerk van het Oosten scheidt nooit de mystiek van de theologie die, volgens haar noodzakelijk aanvullend  zijn binnen elke menselijke poging om God te benaderen) Het is bovendien zo dat de makers van deze theologische beelden welke de iconen zijn meestal onbekend blijven. Dit is vooral te wijten aan het feit dat zij een waarheid verkondigen welke oneindig meer belangrijk is dan hun eigen persoon. Door het ongeschapen goddelijk licht te tonen en de spirituele realiteit te bezingen, beschouwt de iconenschilder slechts de opperste waarheid die hem zichzelf doet vergeten. Daardoor is zijn persoonlijkheid getransfigureerd door het antwoord dan van boven komt. Ziedaar hoe, door zichzelf te vergeten of veeleer door meer transparant te worden voor de spirituele wereld, de iconograaf dit kan aantonen in zijn werk.

Om een beetje het woord ‘Icoon” te begrijpen in de orthodoxe wereld zou men het woord moeten schrijven met een grote “I”, want de ICOON is het beeld bij uitstek van de persoon of de afgebeelde gebeurtenis. Zij wil aan de toeschouwer de essentie zelf, de diepe waarheid van de personen en de dingen aantonen, zoals ze zich openbaren aan het eeuwige licht waarin ze baden en hen doordringt. De icoon toont ons geen uiterlijk voorkomen  van het moment, maar openbaart ons door haar transparantie de absolute betekenis van het voorgestelde. Zij is openbaring en lering, deelnemer en deelgenomene in de uitwisseling die zich heeft voltrokken tussen haar en door haar, tussen hem die ervoor bidt en de spirituele wereld. Immers, zo moet de functie van de icoon gezien worden volgens de formulering die tot stand is gekomen op het VIIe Oecumenisch Concilie welke de controverse moest sluiten rond de legitimiteit van de iconen : de ICOON moet de mens overtreffen in wat hijaan zijn fysieke blik voorstelt en zijn geest helpen om zich te richten op zijn Archetype.

Het fysieke licht staat ons toe om de goddelijke schepping waar te nemen en ze te integreren in ons bewustzijn op een wijze die helemaal specifiek is, verschillend van deze welke onze andere zintuigen ons bieden. Het goddelijk licht openbaart de zijnden en de dingen in hun waarheid en in hun schoonheid waarmee de Schepper hen heeft bekleed bij het begin, zonder dat een schaduw hen komt bezoedelen. De grote zieners waarvan de Bijbel ons de getuigenissen biedt, hebben gepoogd om hun visioenen van deze wereld zonder duisternis te beschrijven evenals zij hen de menselijke taal hebben toegestaan. Bijvoorbeeld : het visioen van Johannes : “En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de stad Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God; en zij had de heerlijkheid Gods, en haar glans geleek op een zeer kostbaar gesteente, als de kristalheldere diamant (…)De stad was van zuiver goud, gelijkend op zuiver glas (…) De stad had geen nood aan de zon noch aan de maan om haar te verlichten, want de glorie van God verlichtte hem (…) Er zal geen nacht meer zijn : en zij hebben geen nood aan een lamp, noch aan licht, want de heer God zal hem verlichten” (Apoc.21,10-11;18,23-22,5).

In de iconen (de schilderijen op hout, de fresco’s of de mozaïeken) is er geen bron van bepaald licht noch van schaduw. De gezichten en de lichamen schijnen van binnenuit te verlichten, door het licht dat God ze geeft “aan elke mens die op de wereld komt”, volgens een liturgisch gebed, dat vervolgt :” Dat de weerschijn van het licht van uw aangezicht zijn sporen mag achterlaten…” De  silhouetten van de personnages en het decor maken zich los op een lichte achtergrond, meestal verguld, maar ook een artistiek middel die korte metten maakt met de zwakke wil om een indruk van diepgang te geven, een verre illusie te scheppen. De icoon zegt de waarheid, zij wil geen illusie geven van wat dan ook. Zij wil iets betekenen, de weg tonen,zoals een verkeersteken of symbool (waarvan de reden van bestaan zich op een totaal ander vlak situeert), zij zal nooit effecten van optische illusie wekken.

Om dezelfde reden, ’t is te zeggen,om  te getuigen van een wereld van zuiver licht, gebruikt de icoon heldere kleuren die kunnen op elkaar gelegd worden, maar zich niet vermengen en zo hun glans zouden verliezen. De zieners van de Bijbel zoeken hun visioenen uit te drukken door het gekleurde licht te vergelijken met kostbare stenen of goud : “ In mijn visioen zag ik hoe een storm uit het noorden op kwam zetten : een grote wolkenmassa waar vuur in opflitste en die omgeven was door een gloed : de wolkenmassa schitterde als blinkend metaal(…) Boven het gewelf dat boven hun hoofden was gespannen zag men zoiets als een safiersteen in de vorm van een troon. En daarop, op wat dus een troon leek te zijn, was een mensengestalte zichtbaar. Ik zag een schittering als van metaal; boven zijn middel fonkelde die gestalte als metaal alsof er vuur in zijn binnenste gloeide, en onder zijn middel scheen hij vuur dat een gloed uitstraalde. Zoals de boog er uit ziet, die in de regentijd in de wolken staat, zo was de aanblik van de gloed die hij uitstraalde. Aldus openbaarde zich de heerlijkheid van Jahweh” (Ezechiël 1,4 ; 26-28). De oude Russische iconografen verkozen de weerschijn van deze schittering te zien in de modeste bloemen op het veld, waarvan zij zich inspireerden in hun gekleurde composities.

De tempel, de kerk is de  bevoorrechte liturgische ruimte, de plaats waar men bijeenkomt “in Naam van Jezus Christus”, volgens zijn gebod, waar de cherubijnen de troon van God omringen, zoals de orthodoxe liturgische hymne het zegt, om de Eucharistie te celebreren die de dankzegging bij uitstek is. Deze plaats is dus het symbool zelf van de geschapen wereld zoals zijn Schepper het ziet, zonder tijdelijke en ruimtelijke limieten. Een Syrisch gedicht uit de  VIe eeuw beschrijft op deze wijze de kerk van de heilige Sophia van Edessa (toegewijd in feite aan Christus die de wijsheid is – Sophia van God : “ haar uitgestrekte en schitterende bogen stellen de vier delen van de wereld voor, de veelheid en haar kleuren doet denken aan de roemrijke regenboog in de wolken (…). Haar dak uitgestrekt als de hemel : haar colommen, gewelfd en gesloten, zij is versiert met gouden mozaïeken, zoals het firmament met schitterende sterren. En haar verheven koepel is vergelijkbaar met de hemel der hemelen” Ten slotte besluit de auteur van het gedicht “Verheven zijn de mysteries van deze Tempel betreffende de hemelen en de aarde : in haar wordt de verheven Drie-eenheid op een typische wijze voorgesteld (’t is te zeggen, symbolisch), als ook het Heilsplan van onze Redder”.

De mozaïeken of de fresco’s die een kerk versieren stemmen dus overeen met dit ideaal programma. Het is het ontroerend licht van de ondergrond van de mozaïeken of de ruimtes, dikwijls in het blauw, en de ondergrond van de fresco’s  proberen de kwaliteit van het licht zonder verval van het eeuwig Koninkrijk van God te tonen. Nadat wij het belang van het beeld, zijn typische strengheid hebben gegeven(omdat, zoals wij hebben gezien, de icoon de waarheid van elk personage  moet meedelen, dus moeten de karakteristieken gerespecteerd worden),is het zo dat de orthodoxe kerken geen geschilderde ramen hebben, nochtans zijn zij zeker ook ontstaan van uit dezelfde wil om een wereld te tonen die gemaakt is van licht en transparantie. Zoals de icoon die, bij afwezigheid van diepgang, het menselijk psychisme verplicht om terug tot zichzelf te komen om het Archetype te vinden en dit vertrekkend vanuit de diepte van zijn spiritueel zijn. Zo staat de orthodoxe kerk  aan de rusteloze menselijke geest niet toe om van het uitwendige te vertrekken maar het opnieuw te centreren in het licht van het beeld van Christus die het gebouw domineert, om het nogmaals  te zeggen, het goddelijk beeld moet teruggevonden worden in het innerlijke van onszelf, dat ons zal leiden naar zijn Archetype.

Meestal zijn we ver van dit ideaal, vooral op onze dagen. Uit gewoonte zien wij de geschiedenis van de kunst, ook de sacrale kunst, als een evolutie, welbepaald als een vooruitgang. Welnu, de evolutie is niet synoniem met perfectie – dikwijls omvat zij de vernieling van de verworven wijsheid, de culturen, de kunstvormen en zelfs — de mens.

De kunst wordt gezien als een weerspiegeling van haar tijd. En indien deze tijd is geplaatst onder het teken van de vernieling ? Dus, als een weerspiegeling van de tijd zal de kunst aan zelfdestructie doen. Tenslotte, de geschiedenis van de kunst is een geschiedenis van schepping en destructie. Deze voortdurende strijd is de oorzaak van enorme verliezen en wij bewaren er weinig van. Het is altijd gemakkelijker van de vernielen dan van te scheppen….

In de loop van het scheppingsproces, schept en vernielt de mens, vergist hij zich en gaat achteruit, om tenslotte opnieuw te scheppen. Maar de enige activiteit van de mens die aanvaardbaar is ,is zijn scheppende activiteit, want de mens is geschapen naar het beeld van zijn Schepper,  en zijn geschiktheid om te scheppen is de goddelijke vonk die hij van God heeft gekregen. De creativiteit komt dus op de tweede plaats, hij bereikt slechts de oorspronkelijke waarde indien hij zich richt op zijn Bron en wanneer hij zijn licht uitstraalt. Wanneer de mens deze Bron van scheppende energie vergeet, dan wordt zijn activiteit al vlug destructief.

Wanneer ik denk aan alles wat vernield is in de loop van de evolutie van de kunst en aan alles dat ook nu nog weloverwogen wordt vernield, dan heb ik lust om met Jesaja uit te roepen :” schildwacht wat denkt je van de nacht ?(Jes.21,11) Het is door het licht te zoeken dat men bemerkt dat alleen het goddelijk Licht ons de essentie van het licht kan mededelen. “In uw licht zullen wij het licht zien !” (Psalm 36,10). Moge het zich verder openbaren in de iconen !

Vader Georges drobot : Uittreksel van : Lumière et théophanie – L’Icone, Numero hors série de la revue Connaissance des religions, 1999.

Vertaling : Kris Biesbroeck

Cyrille Argenti : Leven en bidden als christenen in de wereld van vandaag

 

Leven en bidden als Christenen in de wereld van vandaag

Cyrille Argenti 

Wat karakteriseert de wereld van vandaag en in wat verschilt hij van de wereld van gisteren ? Vanaf de VIe eeuw, getekend door het keizerrijk van Justinianus tot aan Byzantium en de regering van Clovis in Gallië, leefden de landen die gesitueerd zijn in een cirkelboog dat zich uitstrekt van Armenië tot Ierland, in het Christendom. Het christendom was de religie die erkend werd door de staat, en minstens theoretisch, door de meerderheid van de bevolking. Vanaf de VIIe tot de XIVe eeuw ontwikkelde  deze toestand zich in geheel Europa waar zij bleef voortbestaan tot aan het einde van de XXe eeuw. Vanaf Griekenland tot Scandinavië institutionaliseerden de Kerk en de Staat hun  verhouding. De bisschoppen kroonden de koningen of de keizers. De definitie van goed en kwaad werd gegeven door het Evangelie, wat niet betekende dat men altijd voor het goede koos ! Immers, zelfs indien de principes van de christelijke moraal werden aanvaard als normatief, dan nog werden ze niet met kracht toegepast door de regeringen en het geheel van de bevolking.

Sedert het einde van de XIXe eeuw, is deze situatie veranderd. Vooreerst – de ontwikkeling – vlug en belangrijk – van de wetenschappen en de techniek hebben de geesten getransformeerd. Velen waren  verblind door de wetenschappelijke uitvindingen en de nieuwe technologieën, nl. dat de wetenschap alle problemen van de mensheid zou kunnen oplossen. Er waren twee wereldoorlogen nodig om de illusie van het sciëntisme in te zien en zich bewust te worden  van de ambiguïteit van de vooruitgang, die buitengewone werktuigen voortbracht zowel ten goede als ten kwade, en die tegelijk de atoombom als de vaccins voortbracht. Gedurende deze tijd heeft de wetenschap het geloof van de troon gestoten in duizenden geesten (…)

De evolutie van de zeden heeft een ingrijpende verandering teweeg gebracht tussen de gehuwden en het gezin; zij heeft het huwelijk in diskrediet gebracht en een verhoging van het aantal echtscheidingen, vele jongeren willen zich niet meer engageren. Zij komen in een soort desillusie terecht die nog verergerd wordt door de opkomst van aids, die, als gevolg van seksuele overdracht, het idee heeft verspreid van een “liefde die doodt””.

Kortom, wij leven in een maatschappij die zijn schuilplaatsen heeft verloren. Een maatschappij die in de war gebracht is en verbijsterd, die begerig is om zowel de ideeën van het boeddhisme en het Hindoeïsme aan te nemen – zoals de theorie van de reïncarnatie – als de esoterische leerstellingen of theorieën die verspreid worden door sekten die uit Amerika komen (Mormonen, getuigen van Jehova, enz..), of nog de fantasierijke verbeeldingen van de apocriefe Evangelies.

Dit alles mengt zich onder de schapen van het christelijk geloof op een verwarrende en incoherente wijze,  en doet een soort van syncretisme ontstaan, die ons vreemd genoeg herinnert aan datgene wat heerste in de IIe eeuw van onze tijdsrekening, ten tijde van het “gnostiscisme”, die met zoveel energie is bestreden door de heilige Ireneüs. Maar in die tijd had het christelijk taalgebruik – dat gans nieuw was –  een groot impact  , dezelfde woorden, herhaald en beluisterd gedurende eeuwen, heeft dat impact verloren. In onze dagen, die men kan kenmerken als “post-christelijk” is de christelijke woordenschat opgebruikt. Een nieuwe taal uitvinden die actueel is en die bekwaam is de eeuwige waarheden uit te drukken is één van de moeilijkheden van de hedendaagse evangelisatie.

Het geloof in de verrezen Christus belijden

Hoe moet men in zo een wereld als christen – en bovendien als orthodox – zijn geloof uitdrukken in het dagelijks leven ? De bekoring van de christenen vandaag is om futloos te worden, te verzwakken, de boodschap van Christus af te zwakken om de wereld niet te schokken. Men praktiseert een laf christendom. Men durft de maagdelijkheid van Maria niet meer te bevestigen om niet lachwekkend over te komen. Men durft niet meer te verkondigen dat Christus is verrezen met een echt lichaam van “vlees en been” om niet de indruk te wekken dat men in mythes gelooft. Men durft de ene God in drie personen niet meer te verkondigen om de rede niet meer te stoten.

Vanaf dat moment spreekt men van de Heer Jezus alsof Hij slechts een mens was, een grote ingewijde of groter dan de profeten. Men herleid het Goede Nieuws volgens dewelke God de mensen heeft bezocht tot een moraliserende boodschap, tot een reeks bevelen en verboden. Kortom, men doet het zout zijn smaak verliezen; met wat zal men het terugkrijgen ?

Leven als christen vandaag, is leven van het Goede Nieuws in zijn volle verbazingwekkende volledigheid. Het is belijden dat het lichaam van de Verrezene, die nog altijd de sporen van de nagels heeft en de lans, een nieuwe schepping doet ontstaan waarop de dood geen vat meer heeft. Het is elke dag ontdekken dat Jezus van Nazareth, de Gekruisigde, waarlijk levend is want echt verrezen. Wij zijn dus geen slaven meer van de angst voor de dood. In tegenwoordigheid van een overledene, zingen wij het troparium van Pasen “Christus is verrezen uit de doden, door de dood heeft Hij de dood overwonnen”. De wanhoop van de ongelovige in plaats van de rustige hoop van de gelovigen die roept : “Laat rusten, o Christus, hem die gij hebt uitverkoren om het licht van Uw Aanschijn te aanschouwen, in de zachtheid van uw schoonheid”.

Zo is de Verrijzenis het fundament van ons geloof, maar zijn wij intiem en reëel hiervan overtuigd ? Stellen wij deze vraag voor God; laat ons het opnieuw onderzoeken door een intense bezinning en tijd voor noodzakelijke studie. Alleen voor het aangezicht van God, alleen in het verborgene van mijn geweten, moet ik mij afvragen : “Ben ik intiem ervan overtuigd dat Christus waarlijk verrezen is in zijn glorierijk lichaam, in zijn getransfigureerd lichaam ?”

In het Credo, dat wij elke zondag lezen in de loop van de Goddelijke Liturgie, belijden wij evenzeer dat Christus “de enige Zoon van God is, licht van licht, ware God van de ware God, één in wezen met de Vader, door wie alles geschapen is”. Daar verkondigen wij dat Hij de Schepper is, dat Hij God is als Zijn Vader, dat Hij dezelfde God is als de Vader en de Heilige Geest. Dit geloof is de steen waarop de Kerk is gebouwd (…). Omdat wij waarlijk geloven in de komst in het vlees van “de Ene van de Heilige Drievuldigheid, de deïficatie van ons vlees is het doel van ons dagelijks en reëel leven, dat wij willen doordrongen zien  van de Heilige Geest. Daarom plaatsen wij een icoon in het centrum van onze woonplaats en boven het huwelijksbed. De persoonlijke band met de Heer ontwikkeld zich en wordt verduidelijkt in de beschouwing van de heilige Iconen,  die een van aangezicht-tot-aangezicht geven tussen de orthodoxe christen en Christus. De iconen weerspiegelen ook de ervaring van de gelovige getuigen van Christus, profeten, apostelen, martelaren, al onze vaderen in het geloof. Hoe meer wij ons hiermee vertrouwd maken, doorheen hun icoon, hun leven en hun geschriften, hoe meer wij de weg terugvinden die leidt naar de Meester die ons gemeenschappelijk is. De icoon is daar opdat de God die mens geworden is aanwezig zou zijn op elk moment van de dag en de nacht, opdat Christus ons zou zien leven en wij ons levend zouden voelen onder het heiligmakende gezicht van God.

Maar wanneer wij de zondagen communiceren, zijn wij dan werkelijk ervan overtuigd dat wij “het lichaam” van de Verrezene nuttigen,van God die mens geworden is en “zijn bloed” drinken ? Wanneer wij de icoon van Christus in ons huis plaatsen, drukken wij dan waarlijk ons geloof uit van God de Zoon die mens geworden is en die ons reële leven binnentreedt, dagelijks, vleselijk ? Wanneer wij, op het feest van de Theofanie gezegend water nemen en daarmee het doopsel van Christus herdenken in de wateren van de Jordaan, denken wij dan waarlijk dat de Heilige Geest, die de wateren zegent, ook de materie zegent en de ganse schepping vernieuwt ? Kort, door elk van deze daden, drukken wij ons geloof in de Menswording van het goddelijke Woord in het dagelijkse leven concreet uit.

Het is zeer belangrijk om te bidden tot de Heilige Geest. God, die de mens geschapen heeft naar Zijn beeld, ’t is te zeggen naar het beeld van de Drie-eenheid heeft van de mensen geen geïsoleerde individuen gemaakt noch  kuddedieren, maar onderscheiden personen die slechts bestaan in relatie met elkaar, een onvervangbare verscheidenheid van eenieder. De Drie-eenheid is dus het model van de echtelijke relaties, van de sociale verhoudingen, van de kerkelijke structuren. Leven als christen in een maatschappij, is zonder ophouden dit trinitair model voor ogen te houden, waardoor de onvervangbare persoonlijkheid van eenieder openbloeit volgens zijn eigen roeping, in volle vrijheid, in een communio van liefde. Zeker, wij zijn genoeg realist om de omvang van het egoïsme te erkennen – de onze inbegrepen – , de macht van de onruststoker (de duivel) en de wet van de jungle die regeert over de gemeenschappen. Maar het trinitaire model – dat “het sociale programma van de christen” bevat – dat ons leven liefheeft, voorziet in de permanente dynamiek die ons gelijdelijkaan omvormt en een betekenis geeft aan al onze activiteiten in de schoot van ons gezin, in het sociale milieu, in onze Kerk. Vraag is : inspireert het trinitaire model de kwaliteit van onze menselijke relaties ?

Wij bevestigen, volgens het evangelie van Johannes, dat de  Heilige Geest “voortkomt uit de Vader” en dat Christus ons hem zendt (Joh.15,26). Wij roepen zijn nederdaling  “over ons” en over de “heilige gaven” in de loop van de Liturgie. Wij bevestigen met de heilige Seraphim van Sarov, dat “het doel van het leven is : de verwerving van de Heilige Geest”. Maar gaat dit zomaar ? Deze verwerving is zij werkelijk het doel van ons leven ? Nemen wij Pinksteren evenzo au serieux als de Verrijzenis? Welke plaats heeft de heilige Geest in ons bestaan ?  Beginnen wij elke dag opnieuw met direct de vernieuwing van de gave van de Heilige Geest te vragen :” Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid, gij die overal tegenwoordig zijt en alles vervult, Schatkamer van alle goed en Gever van het leven, kom en verblijf in ons, zuiver ons van alle smet en redt onze zielen, Gij die goed zijt” ? Op een meer algemene wijze, nemen wij de “werking van de Heilige Geest”au serieux om ons leven te richten en er zijn bemiddeling op elk moment te vragen ? Rekenen wij op onszelf en op onze eigen wil, ziek en zondig, of rekenen wij op Hem, de Heilige Geest, om “ons te bezoeken en onze zwakheden te genezen” ? Smeken wij Christus met geloof wanneer wij ons bewust worden van onze fouten, onze zonde, onze  ondergang, dat Hij ons Zijn Heilige Geest zou zenden om ons te zuiveren, ons te genezen, ons te veranderen, ons om te vormen, om van ons nieuwe schepselen te maken ? (…)

Persoonlijk gebed

Christen zijn, is vertrouwen hebben op de tussenkomst van de Geest van God in ons leven en voor onze persoon, om ze om te vormen naar het beeld van het leven van de persoon van de God-Mens. Het betekent dus dagelijks tijd vrijmaken om tot God te bidden in de naam van de Heer Jezus opdat de Geest die op Hem rust, zich uitspreidt over ons; het is in dit contact met de geest van Christus  de energiebron zoeken die onze persoonlijkheid zal oriënteren en een betekenis geeft aan ons leven. Maar wat is bidden ? Vooreerst is het geen gebeden opzeggen –een bandrecorder kan dat beter dan jij. Om te bidden moet men zich vooreerst voor het aanschijn van de levende God plaatsen, ’t is te zeggen in het aangezicht van de icoon van Christus. De levende God is tot ons gekomen. Hij heeft het gelaat van een mens aangenomen : dit van Christus. Doorheen zijn icoon, bekijkt Hij ons. Hij is altijd voorgesteld van vóór,, Hij die ons bekijkt; zijn blik ontmoet de onze. Dit van aangezicht tot aangezicht, van Persoon tot persoon, is het begin van het gebed.

Maar “wij weten niet te bidden zoals het hoort”, en “de Geest komt ons te hulp in onze zwakheid (…) Hij spreekt ten beste voor ons in onuitsprekelijk  verzuchtingen” zegt sint Paulus (Rom,8,26). Het is daarom dat het past om elk gebed te beginnen, maar ook elke andere daad die wij stellen, en gans de dag, met een aanroeping van de Heilige Geest. De heilige Basilios, in zijn “verhandeling over de Heilige Geest”, schrijft “Het is de Heilige Geest die het gelaat van Christus verlicht, Hij is het die ons de Vader doet kennen”. De aanroeping van de Heilige Geest leidt ons dus naar een trinitair gebed. Bidden, is naar de ontmoeting gaan van de “twee handen” die ons de Vader aanreikt : de Zoon die tot ons gekomen is als mens en die tot ons gesproken heeft met een mensenmond, en de Heilige Geest die over ieder van ons is nedergedaald, verzameld in de Kerk, onder de vorm van vurige tongen, op de dag van Pinksteren. Bidden, is de Heilige Geest verwerven om de Zoon te ontmoeten en de Vader te leren kennen (…)

Orthodoxie en orthopraxie

Maar is ons dagelijks leven wel een afspiegeling van de “theologie” die wij menen te belijden en onze godsvrucht ? Wij geloven dat Jezus van Nazareth de Christus, de Zoon van de levende God is, en nochtans is het zo dat in ons dagelijks leven – in ons gezin, op ons werk, gedurende onze vrije tijd, in onze affectieve relaties –  onze wijze van gedraging weinig verschilt met deze van onze omgeving, van onze geburen of collega’s die voor het merendeel ongelovig of onverschillig zijn voor de Persoon van Christus.

Hoe kan ons geloof groeien of moet zij onze familiale of sociale gedragingen wijzigen ? Wat onderscheidt onze wijze van leven van dit van de ongelovigen ? Hoe getuigen van de verrezen Christus in ons leven van elke dag ?

Voor velen die zich christen noemen heeft de moeilijkheid om dit probleem op te lossen hen geleid tot een ontwijking ervan door hun leven ervoor af te schermen. Enerzijds “praktiseren zij de religie” door hun aanwezigheid en hun deelname aan de diensten van de Kerk – “zij gaan naar de mis” -, ofwel door een persoonlijk gebed thuis. Anderzijds leven zij in de maatschappij op dezelfde wijze als de andere personen. Hun “religieus leven” en hun leven in de profane wereld zijn niet op mekaar afgestemd, zij weerkaatsen mekaar niet. Zodanig dat “de lekenstaat” de Kerken heeft kunnen kenmerken als “culturele assosiaties”. Zo beperken zij de “cultus”, de religie wordt een “privé zaak” zonder invloed op het sociale leven.

Dit probleem is in realiteit niet echt nieuw. Het was reeds in werkelijkheid, de houding van “religieuze” mensen in Israel , zo de verontwaardigheid opwekkend van Gods profeten.

Ik haat, ik misprijs uw feesten, voor uw plechtigheden walg ik (…) Uw offers  behagen mij niet. Verwijder van mij het geluid van uw lofzangen (…) maar dat het recht vloeit als water, en de rechtvaardigheid als een stortvloed die niet opdroogt (Amos 5,21-24. Cf.ook Jesaja 1,11-19.)

Kort, God heeft slechts behagen in gebeden en lofzangen dan die welke voortkomen  uit een rechtvaardige instelling in het sociale leven. Een cultus die ons leven niet omvormt is een hypocrisie. Een liturgisch leven dat niet uitmondt in wat Johannes Chrysostomos noemt “het sacrament van de broeder” is niet christelijk, maar een “heidense religie” religieus. Het is daarom dat Christus heeft gezegd, in twee zinnen uit het Oude Testament : “Gij zult de Heer uw God beminnen met gans uw ziel en gans uw geest, en uw naaste als uzelf. Doe dit en gij zult leven”. God aanbidden en zijn broeder dienen zijn één en hetzelfde; de cultus van het dagelijks leven afschermen is heidendom.

Het is niet hij die zegt : “Heer! Heer !” maar hij die de wil van mijn Vader die  het koninkrijk zal binnengaan “ (Matth 7,21). Het gaat er niet alleen om de waarheid te ontdekken en te belijden, men moet ook, zoals Christus zegt in het evangelie van Johannes “de waarheid doen” (Joh.3,21). Zonder dat is ons geloofsleven, het gebed, de communie slechts iets uiterlijks,een leugen, hypocrisie en Farizeïsme . De orthodoxie is het rechte geloof, de rechte verheerlijking. Maar er is geen orthodoxie zonder rechtzinnige daden, zonder orthodpraxie.

Geloven en glorie brengen aan God volgens de orthodoxie vereist evenzeer een manier van leven, een wijzen van handelen. Deze wijze van zijn, deze gedraging is beschreven door Christus in het sermoen op de berg (Matth 5-7). Het rust op een fundamenteel principe : de mens geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God.

De evangelische liefde in het dagelijks leven

Gans deze wijze van zijn, gans het geloof dat wij in ons leven uitdrukken, hetzij in ons gezin, op het werk, in onze vrije tijd of in ons affectief leven, moet zich incarneren in ons dagelijks leven. Het fundamentele principe van deze praktijk is zeer simpel : God heeft de mens geschapen – de gehele mens – naar Zijn beeld en gelijkenis, ’t is te zeggen als een persoon die slechts werkelijke bestaat in een communio van liefde met de anderen, en niet als een individu – een entiteit die opgesloten zit in de kooi van zijn egoïsme – of een anoniem nummer in een kudde-collectiviteit. Indien wij dus God aanbidden, dan verheerlijken wij Hem door zijn beeld te respecteren, ’t is te zeggen door elk menselijk wezen, vriend of vijand, sympathiek of onsympathiek, collaborateur of vijand – te behandelen als een broeder  die Christus zo heeft liefgehad dat Hij zijn leven ervoor heeft gegeven. Iedere man of vrouw is dus een persoon op weg naar het heil dat wij in de mate van onze mogelijkheden – al was het maar door een glimlach -, moeten aan bijdragen. Als wij een moordenaar in de gevangenis moeten opzoeken –“Ik was in de gevangenis en gij hebt mij bezocht” (Matth 25,36)- hoeveel te meer moeten wij ons interesseren voor het geluk en de vooruitgang van een rivaal of een tegenstander… Want hij is ook geschapen met het doel : zijn ultieme vergoddelijking.

In het gezin, op het werk en in de Kerk, zoeken wij onophoudelijk om met de ander te communiceren in het respect van zijn persoonlijkheid. Niet om hem te onderwerpen, te overheersen of hem op te nemen in een groep door hem ermee te assimileren, maar om hem lief te hebben zoals hij is, of veeleer zoals God hem oproept om te worden. Dit alles opdat hij ten volle het plan van de Schepper voor hem zou realiseren, door  de ontplooiing van zijn eigen gaven in dienst van de gemeenschap waarin hij leeft.

In het gezin : indien men christen is moet men van een ouder, een kind, een echtgenoot, een echtgenote, een broer, een zuster houden en niet zoeken om hen in bezit te nemen, te domineren, er profijt uit te trekken of hem voor zichzelf te willen. Het is het verlangen zijn eigen vrije ontplooiing te schenken en te zoeken wat men hem kan geven –“ Er is meer vreugde door te geven dat door te ontvangen” (Handelingen 20,35) – om hem te ondersteunen, hem te helpen om beter te worden, om zijn projecten te helpen realiseren en niet die welke wijzelf hem willen opleggen. Dit om hem te troosten, hem het maximum aan vreugde te schenken, opdat hij zich bemind zou voelen Waarlijk beminnen heeft niets te zien met sentimentaliteit; het is verlangen en hem aanmoedigen om zijn vergoddelijking te verkrijgen, want daarvoor werd hij geschapen. In deze zin mag men vooral niet vergeten om de voornamen  van de leden van ons gezin te vernoemen – levenden zowel als overledenen – bij het begin van de Goddelijke Liturgie, opdat hierdoor de Heilige Geest zou uitstralen over hen gedurende gans de week. De diptieken (lijst met namen  die men herdenkt, beginnend in twee colommen, één voor de levenden en een andere voor de overledenen), zijn de band tussen de liturgie en elke persoon die wij liefhebben en zouden moeten liefhebben.

In het professionele leven: Werken betekent voor een christen : een weerspiegeling geven van het Koninkrijk in de aardse realiteit en de materie van deze wereld. Het is wat schoonheid brengen in het leven. Of men loodgieter is of straatveger, het gaat erom de wereld mooier te maken. Een christelijk metser is op zijn manier een iconograaf. Indien het Evangelie ons een bepaalde visie heeft gegeven van het koninkrijk van God, dan proberen wij door onze arbeid er een planafruk van te maken in het domein waar onze activiteit wordt uitgeoefend. Dit kan zijn bijvoorbeeld de sfeer zijn welke een verpleegster tracht  te brengen in haar dienst, of de schoonheid welke de meubelmaker geeft aan het meubel dat hij maakt, de kleine notie van warmte welke een secretaris tracht te brengen in zijn bureau…. In elke arbeid kan de christen een klein beetje licht binnenbrengen, een klein deeltje van de hemel. Het volstaat hiervoor dat hij tijdens de Liturgie van de zondag heel aandachtig de lezingen van het epistel en het Evangelie volgt, dat hij zich afvraagt hoe men in het vervolg dit alles in de praktijk kan omzetten. Indien het Woord van God ons hart raakt, dan zal het ons leven veranderen en onze wijze van werken transformeren. De parabels van Christus en al zijn leringen zijn altijd dicht bij het dagelijks leven.

Elke  gezel van de arbeid en collega ,ondergeschikte of meerdere – is nooit een nummer of een robot, maar een persoon die God wil redden. Hij moet ons interesseren; wij moeten zoeken om met hem een menselijk contact te onderhouden, zijn zorgen en verzuchtingen ontdekken, een glimlach geven. Zelfs een cigaret aanbieden is reeds een toenadering. Het is een antenne die op de ander gericht is. Laten wij ons dus inspannen om op elk ogenblik het ijs te breken, het masker af te nemen, de koelheid van de professionele taal achter zich te laten, het hart van een onbekende te raken, een kleine dienst bewijzen aan hem of haar die ons een rotstreek heeft aangedaan, een vriendelijk woord voor hen die ons kortaf of kwetsend is geweest, ons ongeduld temperen, waken over ons slecht humeur, de vrede in het hart hebben en rondom ons doen heersen.

Wanneer wij de vorige dag gecommuniceerd hebben, laat ons er dan aan herinneren dat wij dragers van Christus geworden zijn in onze arbeidsplaats Als Hij in ons hart aanwezig is, zal deze aanwezigheid onbewust uitstralen rondom ons. Want deelnemen aan de eucharistie, is  God de toestemming geven om de meest intieme band te smeden die er is, op het niveau zelf van het zijn. Deze band kan vervolgens geleidelijk aan gestalte krijgen op het niveau van het bewustzijn en de dagelijkse omgang.

Wat tenslotte telt is niet zozeer wat wij doen of zeggen, maar wie we zijn. De goede boom kan slechts goede vruchten voortbrengen. Laat ons glimlachend en vrolijk zijn omwille van de Verrezen Christus,  tot vrede gebracht en vrede brengend, want wij zijn vergeven en verzoend. Anderzijds ben ik  wrevelig,  gekweld, prikkelbaar, agressief , het spel van de jungle spelend met wie mij omringt, hoe kan ik getuige van Christus zijn ?

In onze vrije tijd en ons affectief leven: om zijn taak zo goed of beter te kunnen volbrengen is het nodig dat wij ons van tijd tot tijd ontspannen. Het gaat hier niet om plezier te zoeken door zich van anderen te bedienen, maar om in de vriendschap en de liefde datgene te zien wat wij kunnen geven. De christen wil in de ander altijd een persoon zien, een doel op zich, nooit een middel. In onze vrije tijd, laat ons dan het menselijk contact zoeken en niet het plezier, de persoonlijke rijkdom die in de ander verborgen zit en niet de sensaties. Het nastreven van sensaties des-humaniseert de mens.

De Heer komt !

De andere dus beminnen, maar niet de liefde liefhebben. Uittreden uit zichzelf, de ander helpen, hem beter willen door hem te aanvaarden zoals hij is. Per slot van rekening, iemand waarachtig liefhebben, is zijn eeuwig geluk willen, ’t is te zeggen zijn vergoddelijking.

Leven als christen is het prachtige risico nemen om datgene niet te doen waar wij zin in hebben, noch dat waartoe de maatschappij of de omgeving ons  aanspoort te doen, maar datgene te doen  wat het Woord van God ons voorschrijft.

Dit alles is geen utopie, want wij geloven dat Christus ons zijn Heilige Geest heeft gezonden – die voortkomt uit de Vader – over zijn Kerk en over elk van zijn leerlingen op de dag van Pinksteren, en dat diezelfde Geest, dagelijks aanroepen, ons hart kan veranderen van een stenen hart naar een hart van vlees. Hij kan als een levende bron een woestijn omvormen tot oase, een vagebond in een heilige en, waarom niet, onszelf tot dienaren Gods.

De tijd van de “sociologische christenen”, ’t is te zeggen van hen die christen waren omdat de sociale structuren het zo verlangden, is voorbij. De tijd van de lauwe christenen, die Christus “uitbraakt uit Zijn mond” (Apoc.3,16)is voorbij. In een samenleving die steeds meer heidens wordt, laten wij meer en meer orthodoxe christenen worden, ’t is te zeggen steeds authentieker levende leerlingen van God die mens geworden is en dit door onze manier van leven en gans onze wijze van zijn.

De christenen zullen dan diegenen worden waartoe zij geroepen zijn : het licht van de wereld van vandaag, zoals ook zij die leefden in het tijdperk van Nero en Diocletianus.

De Heer komt !

(Vader Cyrille Argenti – vertaling uit het Frans : Kris Biesbroeck)

Papathomas : De orthodoxe kerk en de secularisatie

De orthodoxe Kerk en de secularisatie

Prof.Hdr.Archim.Grigorios D.PAPATHOMAS

Deken van het Orthodox Theologisch seminarie”H.Platon”

 

De definities die vandaag de dag worden gegeven voor secularisatie in de theologische en kerkelijke wereld, zijn meer gebonden aan haar gevolgen, veeleer dan aan haar oorsprong. Om het fenomeen van de secularisatie met betrekking tot de Kerk te illustreren, gebruiken wij termen als : vervalsing, vervreemding, verwijdering, afwijking, geest van deze wereld  enz…, want juist het vertrekpunt van deze definities is niet van theologische aard, maar moreel. Onze aandacht is dus altijd gericht op de gevolgen van het fenomeen voor de Kerk en niet op zijn oorzaken.

Om het fenomeen, het probleem van de secularisatie te benaderen in haar voornaamste oorzaak, zou men deze moeten beschouwen als een soort permanente bekoring van de Kerk, die feitelijk de derde bekoring van Christus is : de bekoring waar de Heer voor geplaatst wordt door de geest van de wereld bij het begin van zijn openbaar leven (Mt.4,8-11). Maar waarom weigert Christus om zich te onderwerpen aan de bekoring ? Is het alleen uit trouw aan de zending die Hij van de Vader heeft ontvangen, ofwel door iets veel dieper ? Het  blijkt dat deze weigering om zich aan de bekoring te onderwerpen ontbreekt, wanneer men er niet tegen strijdt, dit aanleiding geeft tot secularisatie.

De Kerk, zoals Christus ze gewild heeft bestaat niet uit een puur historisch organisme die zich telkens kan transformeren volgens de heersende ideologieën van de tijd door er zich aan  te passen ; een dergelijke aanpassing zou ze juist binnenleiden in de secularisatie. De Kerk is ook geen schuilplaats van individuele existenties, met het doel  hun individuele noden in te willigen. De Kerk bestaat als relatie en communio. In waarheid, het is de relatie van de wereld met God – in Christus – die Kerk genoemd wordt. En dit “in Christus”, plaats van ontmoeting van de wereld met God, toont ons dat het karakter van de Kerk diep “Theoanthropisch” is. De val betekent reeds een  afkeer van de mens tegenover God en een zich opsluiten in de wereld en de gescheiden schepping van God. Zij voert de mens en de wereld naar een zelfgenoegzaamheid, naar een zich opsluiten in zijn eigen ego, ’t is te zeggen in het egocentrisme.

In de tuin van Eden, kwam met Adam (Gen.3,17) de eerste en unieke gebeurtenis : een schepsel, de duivel, richt zich tot een ander schepsel, de mens, om te discussiëren , over de juistheid – zoniet over de wijgering – van de scheppingsact van God. Het gaat daar niet over een voorstel van totale weigering van God, maar over de verbetering van Zijn werk. In dit geval wordt het schepsel het criterium van dat wat moet zijn. Het wordt zelf het archetype van het beeld volgens welke de mens is geschapen. Maar deze is nochtans het beeld “van God”, en niet van het schepsel zelf. En door deze omkering van perspectief is het beeld van God ingesloten binnen een conceptie en een intra-seculiere ruimte. Alles wordt ten dienste gesteld van een seculier objectief. Zelfs “God” wordt gebruikt, geïdentificeerd ten dienste van een historische finaliteit.

De tweede gebeurtenis kwam met de persoon van Christus “op een zeer hoge berg” (Mt 4,8), waar de duivel zelf zich aan de dingen van de wereld tracht vast te klampen, door Hem voor te stellen om zich te fixeren op de dingen van deze wereld en de dimensie van de hemel en de eeuwigheid te weigeren :”ik zal u dit alles geven”(Mt 4,9). De duivel probeert dus om de existentie van Christus, Zijn menswording en Zijn eschatologisch perspectief zelf te seculariseren zou men kunnen zeggen.

Nochtans is Christus gekomen om de ganse wereld, zichtbaar en onzichtbaar  in Zichzelf te verenigen. Hij vormt in Zijn Lichaam – dat de Kerk is – de schepping in haar nieuwheid, de ganse waarneembare en onzichtbare wereld, door te verenigen wat ontbonden was. De Kerk kan niet gezien worden zonder de wereld, en de wereld zou niet echt bestaan zonder de Kerk, buiten haar relatie met Christus. Het werk van de Kerk bestaat in het ontvangen en de incarnatie van het geheel van de schepping volgens het project van de goddelijke economie, op weg naar de “gelijkenis”. Wanneer de Kerk deze weg en deze oriëntatie van “gelijkenis” verliest, dan maakt zij zich louter en alleen gelijkvormig aan de geschiedenis. Door het perspectief van het Koninkrijk ( van de gelijkenis) te verliezen, identificeert zij zich eenzijdig met de wereld en geeft hij zich over aan seculiere bedoelingen. Bij gevolg, zij seculariseert zich en opent de weg voor haar eigen verdere desoriëntatie. Dan wordt de Kerk door de wereld opgeslorpt in plaats dat de wereld door de Kerk wordt getransfigureerd. De Kerk bezwijkt aan de bekoring waaraan ook Christus heeft moeten weerstand bieden. Zij wint misschien de koninkrijken van deze wereld, zo onbeduidend en onzeker, maar ze verliest het komende Koninkrijk van God.

De vraag is dus gesteld : in welke mate is de Kerk in Europa en in de ganse wereld, vandaag de dag in de greep van de secularisatie en wat moet haar houding zijn tegenover dit fenomeen ?

a)De secularisatie zou kunnen een directe nefaste invloed hebben op de structuur en de identiteit zelf van de Kerk. Onder haar invloed wordt de eucharistische gebeurtenis, die het fundament van de Kerk is, aangetast. : de verzameling van de kerkelijke Gemeenschap en de communio glijden alzo af naar een individuele morele verbetering. De essentiële functies van de Kerk krijgen het karakter van een bureaucratie, het synodale systeem – in het begin een bijeenkomst voor de bevestiging van het geloof – wordt een mechanisme van controle op basis van seculiere democratische criteria , van het principe van de meerderheid in het beste geval. De hiërarchische en charismatische structuur wordt zo omvergeworpen. De sacramenten –“mysteriën” in de orthodoxe taal –  worden daden van privé en mondaine uitingen. Zij zijn niet meer gebeurtenissen van de eschatologische communio. De eenheid tussen de theologie en het kerkelijk leven is verbroken. De kennis maakt zich los van de liefde. De Kerk wordt een ideologisch mechanisme die zich verdedigt tegenover diegenen die haar niet aanvaarden. Alle middelen kunnen worden gerechtvaardigd….

b) De secularisatie is een langdurig proces, in gang gezet door verschillende  toevoegingen en de onttrekkingen in verband met de identiteit en de traditie van de Kerk, door “correcties” dus in verband met het scheppend en soteriologisch werk van God in de Kerk. Het is om deze reden dat de Kerkvaders zich zo streng toonden wanneer het ging over de transformatie van de structuur en de dogma’s van de Kerk, zelf al was het maar over een iota. En het is om dezelfde reden dat wij actueel met respect en begrip de aanhankelijkheid van de Kerken en de gelovigen constateren voor datgene wat ons is overgeleverd en is beleefd in elke kerkelijke traditie.

c)De orthodoxe Kerk draagt een bijzondere gevoeligheid in zich in dit verband, zoals de eindtekst van de Bijeenkomst van de Hiërarchie van het oecumenisch Patriarchaat , dat bijeengeroepen werd in de Phanar in september 1998, getuigt :”Wij (Orthodoxen) worden ook onderworpen aan de bekoring van de “secularisatie”; de opvatting komt hier op neer dat voor de wereld en alles wat relatief is  het leven zonder God en het opgaan in de wereld  is(…). God heeft ons geen “geest van vrees gegeven maar een geest van kracht en wijsheid” (2 Tim.1,7). Wij moeten in deze geest in deze geseculariseerde wereld, die alles tot zichzelf terugvoert, proberen te leven. Daarom zijn wij geroepen om in ons leven Hem te manifesteren die ons heeft geschapen, in onze woorden en daden het teken en het getuigenis offerend van kinderen van God in het licht van Zijn almacht”

d) Wanneer de secularisatie onverwachts komt, dan handelt de Kerk op twee verschillende manieren : zij wordt hetzij een deel van het staatsapparaat, ofwel tracht zij zich in de plaats te stellen van de Staat. In de orthodoxe landen is de secularisatie als persoonlijke zwakheid van de leden een weinig bekend fenomeen, evenals de tendens om te institutionaliseren,zowel in de recente geschiedenis als in de oudheid. De volgende oproep van de Heilige Johannes van Damascus in zijn “Tegen de vijanden van de iconen” is zeker geen toeval : “Het komt aan de hoogste instanties niet toe om regels te maken binnen de Kerk (…) De hoogste instanties moeten een politiek juiste gedraging hebben”. Maar de tendens van secularisatie heeft institutionele dimensies aangenomen na de Verlichting en de franse Revolutie, van daaruit is zij ook gegaan naar de landen van de Orthodoxe traditie en orthodoxe meerderheid onder de vorm van een inspanning om te moderniseren en zich conform te maken aan de europese geest.

Vanuit de vorige vraag, met een schets van de invloed die de Kerk ontvangt van de institutionele secularisatie, groeit de volgende vraag : Is de Kerk – het Christendom – in staat om het hoofd te bieden en de tendensen van de tegenwoordige mens naar een totale breuk met de communio met God,omver te werpen ?

Ons antwoord is positief, om volgende redenen :                                                                   

a)Omdat de Christen gelooft in de geopenbaarde waarheid. Dank zij dit geloof is hij zeker van het eschatologisch leven en bidt hij opdat het project van God zou vervuld worden in zijn persoon. Hij hoopt, en deze hoop verzwakt niet, volgens Sint Paulus (Rom.5,5).

b) Omdat de christelijk gelovige meer en meer de persoonlijke vrijheid van elke mens, die zijn eigen manier heeft en zijn eigen geloof heeft om zich met God Schepper te verenigen,  leert accepteren en respecteren. Hij die als God Vader “elke mens verlicht en heiligt die op de wereld komt” (Joh.1,9).

c) Omdat er een progressieve bewustwording is  voor het feit dat wij, om het project en de wil van God te vervullen,  uitgenodigd zijn om in ons leven de waarden – die terzelfdertijd  deugden zijn – tot de onze te maken : wederzijds respect, broederlijkheid en solidariteit, wederzijdse ondersteuning en tenslotte van de liefde, die zich verheft boven elk ander principe  en deugd.

d)Omdat de christelijke Kerken die wij vertegenwoordigen in Europa op verschillende manieren de beschikbaarheid en de wil hebben om opnieuw leven te geven aan de boodschap van het Evangelie in de wereld die nieuw schijnt  te zijn, maar die zich niet heeft losgemaakt van zijn wortels en alle menselijke middelen te gebruiken opdat een vreedzame en rechtvaardige coëxistentie voor de volkeren van Europa zou gerealiseerd worden.

e) Omdat, vertrouwend, de Kerk een belangrijke dialoog zou ondernemen in alle richtingen en in alle omstandigheden, en dit voor een bredere kennis van de ideeën van de mensen.

f) Omdat, heel eenvoudig, Christus verrezen is uit de doden !

 Vertaling : Kris Biesbroeck

De icoon van de opwekking van Lazarus

De icoon van de opwekking van Lazarus

 

Lazarus opwekking 11.jpg

(zie voor het verhaal: Evangelie van Johannes 11: 1-44)

We zien een ruimte, omgrensd door bergen, stadsmuren en architectonische elementen. Een vreemde werkelijkheid. Wat zijn dit voor een bergen, die daar machtig oprijzen – bedekt met het wit van de stilte? Wat zijn het voor een plaatsen, waar al die mensen vandaan komen? Het zwart doet vermoeden, dat zij in duisternis leven?

Het licht valt op de gestalte, in de opening van een grot. Van links komt een stoet mensen – volgelingen van Jezus. In het midden zien we een andere stoet: toeschouwers, een beetje terzijde. Jezus wordt begroet door twee vrouwen, die hem binnenhalen als een vorst: de ene smekend op haar knieën; de andere voorover in het stof, in aanbidding. Zij hebben in Jezus de Christus, de bevrijder herkend.

Waar zie jij jezelf staan: onder de volgelingen van Jezus?
Onder de mensen terzijde? Of bij de vrouwen in aanbidding?

Of herken jij jezelf in Lazarus: zó ingekapseld en gebonden, dat hij geen kant meer op kan? Dat is geen leven. Ze hebben Lazarus gebracht naar de plaats van zijn onmacht – de plaats waar je, menselijkerwijze gesproken – alle hoop moet laten varen.

Jezus kijkt geschokt: “Kom daaruit!”, roept hij. “Maak zijn windsels los!” Dat is de roep om op te staan, levend te worden, uít te komen.

Waar een mens de plaats van zijn onmacht bereikt, zal blijken of er zoiets bestaat als bevrijding, verlichting, genezing, een andere manier van kijken naar jezelf, naar de anderen, naar Christus – en wie hij was, wie hij is, wat hij doet:
zegenen – hen, die geen kant meer opkunnen.

Vooraan op de ikoon zien we twee harde werkers: zij lijken niet onder de indruk van het wonder. Ze doen wat gedaan moet worden: open dat graf. Weg met die steen. Is dat: geloven op gezag? De armen uit de mouwen: gewoon doen wat gedaan moet worden?

Bron : onbekend

Tikhon van Zadonsk : De Weg

DE WEG

(Uittreksel van de spirituele schat door de heilige Tikhon van Zadonsk)

 

Tikhon van Zadonsk.jpg

 Tikhon van Zadonsk

Christenen ! ons leven is als een weg, die de ene gemeente met een andere verbindt, een stad met een andere. Ons leven is een weg die wij voortdurend volgen. Of wij slapen of wakker zijn, wij volgen hem altijd. Wij ontlenen het aan onze geboorte en wij verlaten het bij onze dood. Voor sommigen is deze weg zeer lang, voor anderen is hij zeer kort, maar wat het ook is, zijn einde is door niemand gekend. Wij weten niet wanneer wij ons levenseinde zullen bereiken. Zo heeft de Heer, die alles voorziet, besloten, opdat wij altijd zouden leven in de verwachting van het einde, en dat wij ons erop zouden voorbereiden.

Sommige wegen zijn breed en uitgestrekt, andere zijn smal en eng. Zo gaat het ook met de weg van ons leven. Maar laten we even onderzoeken wat deze wegen zijn, breed of smal, dan zullen wij weten tot welk doel de ene en de andere leidt.

Op de brede weg bevindt zich het ongeloof, op de smalle weg bevindt zich het levendig geloof. Op de brede weg de afwezigheid van vrees, op de smalle weg de vrees voor God. Op de brede weg de eigenwil en de ongehoorzaamheid, op de smalle weg de onderwerping en de gehoorzaamheid. Op de brede weg de eigenliefde zonder grenzen, op de smalle weg de liefde voor God en deb medebroeder. Op de brede weg de liefde voor de ijdelheden van de wereld, op de smalle weg de vlucht voor deze ijdelheden. Op de brede weg het zoeken van eerbetuiging, van glorie en rijkdom, op de smalle weg het misprijzen  van alle zakelijke dingen. Op de brede weg de luxe en de begeerlijkheid, op de smalle weg de matigheid, de vasten, de onthouding. Op de brede weg de hoogmoed en de praal, op de enge weg de nederigheid. Op de smalle weg de zonden en de ongerechtigheid, op de smalle weg de deugden. Op de brede weg de perversiteit, de echtbreuk en alle onzuiverheden, op de smalle weg de onschuld en de zuiverheid. Op de brede weg de dronkenschap en de onzedelijkheid, op de smalle weg de soberheid en de kuisheid. Op de brede weg de diefstal, de beroving, de plundering, het geweld en alle onrechtvaardigheden, op de enge weg de verwijdering van dit alles en de vervulling van de rechtvaardigheid. Op de brede weg, de woede, de razernij, de wrok, de wraak in daden en woorden, op de smalle weg het misprijzen van de wraak, de zachtheid en het geduld. Op de brede weg de hardheid, de woestheid en de wreedheid, op de smalle weg de barmhartigheid en het medelijden. Op de brede weg de laster, het misprijzen, het oordeel en de grove beledigingen aan de naaste, op de smalle weg het zich onthouden van dit alles in een redelijke stilte. Op de brede weg de leugen, de boosaardigheid, de list en de hypocrisie, op de smalle weg de onschuld en de woorden die overeenkomen met de gedachten. Op de brede weg de woorden, daden en gedachten  die tegengesteld zijn aan de wil van God, op de smalle weg het waarachtig berouw en haar vruchten, de goede daden.

Gij ziet dus, Christen, hoe de wegen van ons leven verlopen ! De brede weg is tegengesteld aan God. Ze zijn Hem onaangenaam. De smalle, enge weg daarentegen is Hem wel aangenaam, want hij komt tegemoet aan Zijn heilige wil. De brede weg leidt de mens naar de ondergang, terwijl de rechte weg leidt naar het leven.

Satan trekt ons allen mee en leidt ons naar de brede weg, maar Christus Redder, die heeft geleden en voor ieder van ons gestorven is, roept ons op om de smalle weg te volgen. Denk erover na ! Naar wie moet men luisteren, naar Christus of naar Satan ? Welke weg moet ik kiezen ? de brede weg die naar de ondergang leidt, of de smalle weg die naar het leven leidt ? Christus onze Heer wil je leiden naar het eeuwige leven. Hij die u liefheeft en u gered heeft. Maar Satan, uw vijand, wil je met hem leiden tot het verderf. Luister naar de woorden van uw Redder, die uw aandacht verdienen, hou ze vast in uw hart, en laat u erdoor leiden ! Wees aandachtig voor uzelf en voor wat ze zeggen : “Ga binnen door de smalle poort. Breed en uitgestrekt is de weg die naar de ondergang leidt, en velen gaan die weg op. Maar smal is de weg die naar het leven leidt, maar weinigen kunnen hem vinden” (Matth.7,13-14) En de heilige Apostel voegt er aan toe : “Men moet heel wat tegenkantingen doorstaan om het Koninkrijk der Hemelen binnen te gaan” (Hand.14,22). “Leid mij Heer, op Uw wegen, en ik zal in Uw Waarheid wandelen; opdat mijn hart zijn vreugde vindt in het vrezen van Uw Naam “(Psalm 85,11). En van zijn kant leert ons psalm 118 ons hoe wij moeten bidden, opdat de Heer Zelf ons Zijn weg zou leren kennen en ons er op verder leiden.

Vertaling : Kris Biesbroeck

De heilige Nectarios van Aegina : De weg naar het geluk

DE HEILIGE NECTARIOS VAN AEGINA

 De weg naar het geluk

 

 

Nektarios van Aegina999.jpg

Icon by Rev.Christopher Klitou 

De heilige Nectarios is zonder twijfel één van de meest geliefde en de meest
vereerde heiligen van onze Kerk in de 20e eeuw.De bisschop van Pentapolis, de traumaturg van Egina is zeer populair in Griekenland maar ook in de orthodoxe
diaspora van het westen, waar zijn cultus wijd verbreid is. Dit omwille van zijn vele miraculeuze genezingen en tussenkomsten. Hijzelf heeft veel geleden omwille van de liefde tot God : laster, misprijzen en beledigingen. Hij toonde zich medelevend met de lijdenden die zich aan hem toevertrouwden. Zijn catechese,die doordrongen was van een diepe eenvoud, toont ons hoezeer hij dicht bij onze geestelijke bekommernissen staat en vooral voor deze van de minsten en de meest nederige onder ons.

De weg naar het geluk

Heilige Nectarios van Aegina

Niets is groter dan een zuiver hart, omdat zo een hart de troon wordt van God. En wat is er heerlijker dan de troon van God ? Niets ! God zegt over hen die een zuiver hart hebben : ‘Ik zal bij hen wonen en zal bij hen verblijven; Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn !’ (2 Kor.6,16). Wie durft nog te bevestigen dat zij gelukkiger zijn dan deze mensen ? Want van welke dingen zouden die mensen beweren verstoken te zijn ? Vinden ze niet alle gaven en alle weldaden van de Heilige Geest in hun gelukzalige zielen ? Wat ontbreekt hen dan nog ? Werkelijk, zij lijden om niets want zij bewaren in hun hart het meest waardevolle van de rijkdommen :
God zelf. Hoe vergissen de mensen zich wanneer zij geen rekening houden met zichzelf door elders het geluk te gaan zoeken : door naar verre landen te gaan, door gans de wereld rond te trekken met vele reizen, dromend van rijkdom en eer, door fortuinen na te streven en ijdele vermakelijkheden of om de dingen van deze wereld na te jagen, die slechts bittere gevolgen hebben ! Het bouwen van de toren van het
ware geluk buiten zijn eigen hart gelijkt op het bouwen van een huis dat op onstabiele fundamenten is gebouwd en heen en weer wordt geschut door veelvuldige aardbevingen. Zo een gebouw zal vroeg of laat vanzelf instorten. Mijn broeders, het ware geluk bestaat slechts in het binnenste van uzelf, en gelukkig is hij die dit heeft begrepen. Onderzoek dus uw hart en neem de tijd om u te buigen over uw eigen geestelijke toestand. Hebt u het vertrouwen in God verloren ? Is uw geweten er blij mee dat gij u afkeert van Gods geboden ? Veroordeelt dit geweten u wanneer ge onrechtvaardig handelt en liegt ?. Dat gij uw plichten tegenover God en tegenover uw naaste verwaarloost ? Onderzoek het dus nauwkeurig : het zou immers kunnen zijn
dat slechte gedachten en passies uw hart overrompelen en dat gij zo meegesleurd wordt langs kronkelende en ondoordringbare wegen….Helaas, wie zijn eigen innerlijk heeft verwaarloosd, blijft ook verstoken van alle goede dingen, om hen te vervangen door vele andere slechte dingen. Zo heeft hij de vreugde voor zichzelf verloren en is hij nu in bitterheid, droefheid en alle vormen van kommer terecht gekomen. Zonder innerlijke vrede, wordt hij overmand door ontreddering en angst. Eens de liefde verdwenen is, is het de haat die zich van hem heeft meester gemaakt.Door zich te beroven van de gaven en de vruchten die de Heilige Geest hem heeft gegeven op het moment van zijn doopsel, is hij vertrouwd geworden met alles wat van een mens een smerig en ellendig iemand maakt. Mijn broeders ! De God die vol barmhartigheid is wil slechts ons geluk zowel in dit als in het volgend leven.
Daarom heeft Hij de Kerk gesticht, om door haar gezuiverd te worden van onze zonden, om ons te heiligen, om ons te verzoenen met Hem, om ons te vervullen met Zijn hemelse zegeningen. En de armen van deze Kerk staan wijd voor u open. Laat ons vlug zijn, wij die een bezwaard hart hebben. Laat ons er vlug naartoe gaan en wij zullen zien dat de Kerk ons verwacht om onze zware last op zich te nemen en om ons te doen vertrouwen op God en ons hart te vervullen met gelukzaligheid en vreugde.

HET HEILIG DOOPSEL

“Gij allen die in Christus gedoopt zijt, Gij hebt u met Christus omkleed”(Gel.3,27).
Welke waarheden zitten in deze woorden van de Apostel Paulus ! De gedoopten in Christus hebben hun kleed van de oude mens, dat bezoedelt is door passies en slechte verlangens, afgelegd. Zij hebben zich omgord met het kleed van de nieuwe mens, anders gezegd, met Christus Zelf die leeft in het diepste van onszelf. Want de zin “Gij hebt u omkleed” (re-vêtu= her-kleed) heeft geen enkele band meer met het kleed dat wij droegen. Er is hier sprake van een andere realiteit, een realiteit die veel dieper is, van iets dat veel essentiëler is, en dat niemand meer ons kan uittrekken. Door het uitspreken van onze geloofsbelijdenis en het doopsel krijgen wij Christus als onze
ware kledij en worden zo ware kinderen van God, woonplaats van de Heilige Geest en tempels van de Allerhoogste. Wij zijn tot de heiligheid geroepen, tot de volmaaktheid en tot de divinisatie door de genade die ons dan wordt verleend. Wij worden vrij van elk bederf, want wij zijn opnieuw bekleed met onbederfelijkheid. Voortaan ontdaan van de zondige mens zijn wij opnieuw bekleed met gerechtigheid en genade.Wij hebben de dood verjaagd en het eeuwig leven gekregen. In feite : zijn wij ons werkelijk bewust van het engagement die wij met het doopsel op ons hebben genomen ? Hebben wij begrepen dat wij de plicht hebben om ons te gedragen als authentieke zonen van God en als waarachtige broeders van onze Redder ? Begrijpen wij goed, dat onze eerste plicht erin bestaat onze eigen wil in overeenstemming te
brengen met Gods wil , dat wij ons moeten bevrijden van de zonde , dat het voor ons een plicht is om ons met al onze krachten, met ziel en lichaam, voor de liefdadigheid in te zetten, dat het onze plicht is om God te loven en te aanbidden en om er op te letten dat wij onze blik moeten gericht houden op het moment dat wij definitief met Hem zullen verenigd zijn ? Hebben wij deze gedachte voor ogen : dat ons hart voortaan moet overvloeien van authentieke liefde opdat wij de naaste nooit uit het oog zouden verliezen ? Tenslotte, zijn wij ervan overtuigd dat onze unieke roeping erin bestaat de heiligheid en volmaaktheid te bereiken ?, dat wij levende iconen zijn van God, kinderen en erfgenamen van Zijn Koninkrijk, het Koninkrijk der hemelen ? Het is omwille van al deze redenen dat er geen einde mag komen aan onze spirituele strijd
opdat wij het appèl dat God tot ons heeft gericht waardig mogen zijn , en dit om te vermijden eens de belediging te moeten ondergaan niet goed geacht te worden omwille van onze daden. Ja, mijn broeders, laat ons in ons binnenste zegevierend de goede strijd strijden door ijver en zelfverloochening. Laat ons voortgaan op de weg met durf, zonder vrees, zonder struikelen, en dit zonder ophouden, in onze strijd tegen
de beproevingen : God is met ons, Hij is onze hulp en onze steun, Hij sterkt en versterkt ons op de moeizame weg van de deugd.

DE GEESTELIJKE STRIJD

Het doel van ons leven is het bereiken van de volmaaktheid en de heiligheid. Het is waardig te worden kinderen van God te zijn en erfgenamen van Zijn Koninkrijk. Laten we er op attent zijn dat dit komend leven ons niet ontzegd wordt, door voorrang te geven aan de dingen van dit leven. Wij mogen ons niet verwijderen van het doel en de betekenis van het ware leven door de voorkeur te geven aan de zorgen en beproevingen die inherent zijn aan de wereld hier beneden. De vasten, de waken en het gebed op zich kunnen de verwachte vruchten niet voortbrengen. Zij vormen op zichzelf niet het ware doel, het zijn slechts middelen om dit doel te bereiken. Versiert uw kaarsen met authentieke deugden. Strijdt zonder ophouden om de passies die bezit
van u hebben genomen te ontwortelen. Zuiver uw harten van elke smet opdat zij de woonplaats worden van God en opdat de Heilige Geest er Zijn gaven kan in uitstorten. Mijn welbeminden, mogen al uw zorgen en alles wat u in beslag neemt zich uitsluitend richten naar het doel dat we reeds hebben vermeld, dit doel dat we nooit mogen opgeven. Daarom moet uw gebed essentieel op God gericht zijn. Zoek God op elk moment van uw leven , maar zoek daar waar Hij te vinden is. En wanneer je Hem gevonden hebt, houdt, in navolging van de Cherubijnen en de Serafijnen, stand voor Hem met vrees en beven zodat uw hart de troon van God zal worden.Om de Heer te vinden echter, verneder u dieper dan aarde omdat God walgt van hoogmoedigen terwijl hij de nederigen van hart zijn liefde schenkt.. Het is daarom dat Hij door de mond van Jesaja zegt :” Diegene die mijn aandacht trekt , is de bedroefde, het berouwvolle hart dat Mijn Woord vreest.”(Jes.66,2). Strijd de goede strijd en God zal u sterker maken. Door deze strijd begrenzen wij onze eigen zwakheden, onze gebreken en onze persoonlijke tekorten Want deze onophoudelijke strijd is slechts de spiegel van onze spirituele situatie : diegene die deze strijd nooit gestreden heeft, is ook nooit in staat geweest om zijn reeële innerlijke toestand te kennen. Pas op voor wat je ‘uw kleine zonden’ noemt. Indien je door onachtzaamheid niet aan een zonde kunt weerstaan : wanhoop dan niet, richt u spoedig weer op, valt voor God op uw
knieën. Hij is diegene die u opnieuw kan oprichten. Sluit u niet op in uw grote
droefheid, het dient slechts om uw hoogmoed te bedekken. De situaties van grote droefheid en de momenten van wanhoop die zich van ons meester maken berokkenen ons veel schade en zullen uiteindelijk een groot gevaar voor u worden. Al te dikwijls zijn ze het werk van de duivel, opdat wij een einde zouden maken aan onze goede strijd. Wij vinden in onszelf ook zwakheden en fouten en passies waarvan de wortels dieper liggen, vele onder deze zijn echter erfelijk.Men maakt er zich echter niet van vrij door krampachtige uitwegen te zoeken, noch door overmand te worden door angst
en wanhoop. Men geneest ervan, door geduldig te zijn, vastberaden tegenover
zichzelf,door toewijding en door oplettend te zijn. Het is waar : de weg die naar de volmaaktheid leidt is lang en zwaar. Bidt God om kracht. Trotseert uw vallen met geduld en eenmaal weder rechtop, blijf niet stilzitten op de plaats van uw val en begin niet te huilen en te wenen , soms ontroostbaar. Zo doen kinderen gewoonlijk ook. Blijf zonder ophouden waakzaam en bid zonder ophouden om niet in bekoring te vallen. En als het gebeurt dat je terugvalt in de oude zondige gewoontes, wordt dan vooral niet wanhopig, want velen onder hen zijn natuurlijk sterk en het is uit gewoonte dat men het doet. Nochtans, met de tijd en met volharding, vindt men wel een middel om ze te overwinnen. Daarom : ver van u elke wanhoop !

HET GEBED

De eerste taak van de mens is het gebed. Als beeld van God heeft hij dorst naar Hem en het is met hartstocht en inspanning dat hij zich tot Hem richt. Hoe meer de mens bidt, hoe meer hij zich zal losmaken van de geneugten van dit leven, hoe meer hij zal genieten van de ware vreugde die van de hemel komt. Het is met de verworven kennis dat het ons mogelijk is hierover te getuigen. God aanvaardt elke gebed dat op een correcte manier tot Hem is gericht, dit wil zeggen, elke keer dat wij een gebed opzeggen in het bewustzijn van onze onvolmaaktheid en onze onwaardigheid. Men moet dan ook verzaken aan alle boosaardigheid dat in ons is, en ons onderwerpen aan
de goddelijke geboden. Dit veronderstelt, dat wij nederig zijn en ons zonder ophouden overgeven aan het echte spirituele. Leg al uw zorgen in Gods hand, Hij is uw redding. Heb geen vrees, laat geen onrust toe in uw hart, God doorgrondt de verborgen diepten van uw zielen en Hij antwoord hierop op Zijn manier. Vraag ook, verlies de moed niet en zeg bij uzelf : ik heb het recht niet om mij te beklagen als mijn gebeden niet worden verhoord. De wegen van de Allerhoogste zijn voor u onbekend. Daarom, blijf sereen en richt onophoudelijk uw blik op Hem. Uw smekingen en uw gebeden zijn op zichzelf geen zekerheid voor de volmaaktheid. Alleen de Heer leidt ons naar de
volmaaktheid, door in ons te komen wonen telkens als wij ons houden aan Zijn wil. Eén van het belangrijkste is niet om kost wat kost onze eigen verlangens te willen realiseren, maar wél Zijn voorschriften. Op dezelfde wijze als de engelen het nauwkeurig doen in de hemel. Daarom, indien Christus niet in ons woont, blijven al onze vragen en gebeden ijdel.

DE VREDE

De vrede is een goddelijke gave die rijkelijk wordt uitgedeeld aan hen die zich
verzoend hebben met God. Vrede gelijkt op het licht. Dit staat tegenover de zonde die duisternis is : een zondaar kan nooit een vredestichter zijn. Vecht tegen de zonde en laat u niet in de war brengen door opkomende hartstochten. Als gij er al zult uitkomen, dan zullen deze opkomende hartstochten veranderen in vreugde en vrede. Als gij bezwijkt (en maak dat het zover niet komt), dan zullen droefheid en ontreddering de bovenhand krijgen. En dan nog, als je een zware strijd hebt geleverd, gebeurt het nog dat de zonde u tijdelijk meesleept. Gij echter moet op dat moment volharden en op het einde zult gij als overwinnaar en vol vrede eruit te voorschijn komen. “zoek, om met iedereen in vrede te leven, zoek de volmaaktheid, zonder dewelke niemand de Heer zal zien” (Hebr.12,14) De vrede en de heiliging zijn twee noodzakelijke voorwaarden voor hen die met ijver op zoek gaan naar het gelaat van God. De vrede is het fundament waarop de heiligheid wordt gebouwd. Er is geen heiligheid in een vertroebeld en opvliegend hart. Wanneer de woede altijd blijft voortduren in onze zielen, dan wordt ze een oorzaak van haat en vijandschap. Het is daarom dat men zich vlug moet verzoenen met zijn broeder, om niet verstoten te worden van de goddelijke genade die onze harten heiligt ! Diegene die in vrede leeft met zichzelf, die zal ook anderen vrede brengen en verblijft in Gods vrede.

DE LIEFDE (Agapè)

Vraag iedere dag aan God om u de genade te geven om lief te hebben. Bewaar met alle nodige waakzaamheid de kwaliteit van uw relaties met de anderen en betuig hen uw respect want zij zijn ‘beelden’ van God. Laat u niet verrassen door de schoonheid van hun lichaam : wanneer het hart niet warm gemaakt wordt door het zuiver gebed, zal de liefde alleen tevreden zijn met het louter vleselijke, met als gevolg dat de gedachten verward worden en zal het hart herleid worden tot as. Diegene die op zijn hoede blijft, opdat de gave van de liefde in al zijn zuiverheid wordt bewaard, hij zal niet in de strikken van de kwade vallen. Als men de liefde op die manier beschouwd, dan zal men stap voor stap de liefde die in het evangelie tot een zo hoog niveau wordt verheven herleiden tot een puur sentimentele liefde.

HET ONDERSCHEIDINGSVERMOGEN

Ik raad u het verstand en de wijsheid aan in alle omstandigheden en het vermijden van alle soorten van uitersten. Heb een goed onderscheidingsvermogen. Verzwak uw lichaam niet door het buitensporigheden op te leggen. Herinner u, dat de ascese van
het lichaam als enig doel heeft om de ziel te helpen om de volmaaktheid te bereiken. De enige weg om ze te bereiken is de goede strijd van de ziel. Houdt de koort ook niet meer gespannen dan noodzakelijk is. Weet dat God geen dwang oplegt wanneer Hij zijn gaven uitdeelt : wat wij van Hem ontvangen, is volledig gratis, want zijn genade is zonder grenzen. Probeer ook niet hogerop te geraken door u buitensporige asceses op te leggen als gij niet eerst de deugden bezit zonder dewelke gij het risico loopt om te dwalen in grootsheid en stoutmoedigheid. Zolang men gebukt gaat onder de passies, loopt men het risico om zich te misleiden, zoals dit gebeurt bij de stompzinnigen en de zelfingenomenen. Aan diegenen die los gekomen zijn van hun passies worden de gaven van de goddelijke genade uitgedeeld als beloning en dit in alle discretie en zonder dat zij het zelfs ook maar enigszins verwachten.

DE ARROGANTIE

De arrogantie van de rede gelijkt op de satanische hoogmoed die God verloochent en is een belediging tegenover de Heilige Geest. Daarom is zij moeilijk te genezen. De hoogmoed van het hart daarentegen is geen product van satanische hoogmoed, want zij vindt haar oorsprong in verschillendesituaties en doorheen vele gebeurtenissen : rijkdom, eer, roem en dit zowel geestelijk als fysiek (verstand, schoonheid, kracht,
vaardigheid…). Dit alles reikt tot de hersenen van de dwazen, zij worden ijdel en vervallen tenslotte in het atheïsme…. Zeer dikwijls heeft de Heer medelijden met hen en gebruikt Hij Zijn goddelijke pedagogie opdat zij terug zouden keren tot de redelijkheid. Dan zal hun hart, met een diep berouw, ophouden met het nastreven van ijdele roem en hen genezen. Het lijkt mij juist om te zeggen dat gans onze spirituele gerichtheid zich moet concentreren op de noodzaak om in het diepste van ons hart de arrogantie en de hoogmoed alsook hun handlangers, te neutraliseren. Als wij dit alles
vervangen door een waarachtige nederigheid, zijn wij er zeker van dat we alles zullen ontvangen. Want dáár waar nederigheid in Christus is, dáár zal ook een hergroepering zijn van alle deugden die rechtstreeks naar God leiden.

DE CHRISTELIJKE WAARDIGHEID

Christenen moeten volgens het bevel van Christus streven naar de volmaaktheid en de heiligheid. De volmaaktheid en de heiligheid beginnen eerst met het graven van een diep spoor in de ziel om vervolgens onze gedachten, onze verlangens, onze woorden en onze daden te doordringen. Op deze manier zal alles wat onze ziel vervult ook uiterlijk overgaan op het karakter van de ganse mens. Ook zullen wij ons op dezelfde wijze met fijngevoeligheid gedragen jegens allen. Dat onze woorden en daden ook de
genade van de Heilige Geest uitstralen, waarvan wij in het diepste van ons hart de dragers zijn. Gans ons zijn zal getuigen dat datgene wat verheerlijkt moet worden, de naam van God zelf is. Wie zal Zijn woorden afmeten, wie zal ook Zijn daden afwegen. Wie aandacht heeft voor wat hij zegt, heeft ook aandacht voor wat hij onderneemt. Hij zal nooit de maat van welvoeglijkheid overschrijden. Want ijdele woorden brengen haat, vijandschap, droefheid, twistgesprekken en allerhande ontreddering teweeg, ook oorlogen. Fijngevoeligheid dus en diep respect ! Dat er nooit kwetsende woorden over onze lippen komen, woorden die niet eerst gekruid zijn door Gods genade. Dat de woorden die wij spreken vol goedheid mogen zijn, als komen ze van Christus zelf en dat ze een afstraling mogen zijn van de wijze waarop wij onze eigen ziel ontwikkelen.

DE LOFPRIJZING (doxologie)

De plicht van de christen bestaat erin, altijd God te prijzen, zowel met zijn lichaam als met zijn geest. Anderzijds zijn beiden het eigendom van God, en om die reden hebben wij niet het recht noch om ze te ontluisteren noch om ze te doen ontaarden. Elk zijnde die zich eraan herinnert dat zijn lichaam en geest aan God toebehoort wordt gegrepen door godsvrucht en mystieke vrees ervoor, en dit behoed hen voor de zonde door in permanente relatie te blijven met Hem die de oorzaak zelf is van hun heiliging, de Heer onze God. Zo zal elke mens eer brengen aan God iedere keer dat hij zich eraan herinnert dat hij, zowel met zijn lichaam als met zijn geest, geheiligd is door God, en dat hij op die manier verenigd is met Hem. Dit wordt iedere keer mogelijk wanneer hij zijn eigen wil in overeenstemming brengt met de goddelijke voorschriften. Zo aangenaam te zijn voor God, is getuigen dat men niet meer voor zichzelf leeft, maar voor God. Het is bouwen aan het Koninkrijk der hemelen hier op aarde. Alles wordt aanleiding om de naam van God te verheerlijken en reeds hier beneden de goddelijke glans van het ware licht dat zacht en vrolijk is te doen schijnen. Zo verkondigen wij het ook tijdens de celebratie van de vespers :’Phôs hilaron…. Vriendelijk licht der heilige glorie, van de onsterfelijke Vader, heilig en gelukzalige Jezus Christus…!’ Als wij daadwerkelijk de beslissing nemen om zo te handelen, zullen wij zelf de rechte weg zijn, die diegenen die Hem nog niet hebben ontmoet en gekend, rechtstreeks naar God leidt.

Uit de Franse vertaling (Uitgegeven door het Monastère du Paraklet
.-Oropos-Attique/Grèce,1997). Vertaling Kris Biesbroeck

.

 

Kallistos Ware : Mijn weg naar de orthodoxie (deel 2)

ONGEWOON EN TOCH VERTROUWD

MIJN WEG NAAR DE ORTHODOXIE

 

Deel II – Vervolg

De Kerk als communio

  Deze drie elementen – traditie, martelaarschap en stilte – volstonden reeds om mij te overtuigen van de waarheid en de gegrondheid van de Orthodoxie. Het beslissende argument om mij niet alleen tevreden te stellen om de Orthodoxie van buitenaf te beschouwen, maar te verlangen om er binnen te treden, werd mij gegeven door de woorden die ik hoorde in Augustus 1956, op de zomerconferentie van het ‘Fellowship of st.Alban and st.Sergius’. Men vroeg aan Vader Lev Gillet om de term ‘Orthodoxie’ te definiëren . Hij antwoordde : ‘ Een Orthodox is iemand die de apostolische traditie aanvaardt en die leeft in communio met de bisschoppen die de institutionele meesters zijn van deze traditie’

   Het tweede deel van deze bevestigingdeze welke ik in schuine letters heb weergegeven – was bijzonder betekenisvol voor mij. Ik dacht aan mijzelf : ja, als Anglicaan heb ik de vrijheid om de apostolische traditie te beschouwen als mijn eigen private idee. Maar kan ik eerlijk gezegd zeggen  dat deze apostolische traditie unaniem onderwezen wordt door de Anglicaanse bisschoppen met dewelke ik in communio ben ? De Orthodoxie: ik erkende het meteen met een heldere intuïtie, is niet zuiver een persoonlijke geloofsmaterie; zij veronderstelt ook een uitwendige en zichtbare communio in de sacramenten met de bisschoppen die de getuigen zijn van de waarheid, gemandateerd door God. De kwestie kon niet vermeden worden : indien de Orthodoxie wil zeggen : communio, was het dan mogelijk voor mij om werkelijk Orthodox te zijn zolang ik Anglicaan bleef ?

     Deze weinige woorden uitgesproken door Vader Lev Gillet schiepen geen enkel rumoer in de vergadering, maar ze betekenden wél voor mij een kritische ommekeer. Het idee, dat ze in mijn geest teweegbrachten – dat het Orthodoxe geloof onverbreekbaar verbonden is met de eucharistische communio – werd bevestigd door twee lezingen welke ik heb gegeven op dat moment. Vooreerst, viel ik op de briefwisseling tussen Alexis Khomiakov en de Anglicaan (wat hij toen was) William Palmer, lid van het Magdalen College van de universiteit van Oxford. Palmer had aan Khomiakov een exemplaar gestuurd van zijn werk ‘A Harmony of Anglican Doctrine with the Doctrine of the Catholic Church of the East’. Hierin hernam hij zin voor zin de Grote russische Catechismus van de heilige Philaret, metropoliet van Moscou : bij elke bevestiging citeerde hij passages van Anglicaanse bronnen die dezelfde leer bevestigden. In zijn antwoord ( gedateerd op 28 november 1846) maakte Khomiakov hem duidelijk dat hij evengoed een ander volume kon schrijven met citaten van andere Anglicaanse auteurs – met evenveel autoriteit als die welke Palmer citeerde – die rechtstreeks in tegenspraak waren met het onderricht van de Catechismus van Philaret (…).

     De woorden van Khomiakov waren streng maar juist, ze bevestigden datgene wat Vader Lev Gillet had gezegd. In deze periode, was ik ertoe gekomen datgene te geloven wat de Orthodoxe Kerk gelooft : maar ‘de manier en het proces’ door dewelke ik dit geloof had bereikt waren daadwerkelijk ‘protestants’. Mijn geloof was slechts een ‘ persoonlijk opinie’ en niet ‘het geloof van de gemeenschap’, want ik kon niet zeggen dat mijn Anglicaanse broeders allen geloofden zoals ik of dat mijn geloof dit was dat onderwezen werd door alle Anglicaanse bisschoppen met wie ik in communio was. Het is door volwaardig lid te worden van de orthodoxe Kerk – door binnen te treden in de volle en zichtbare communio met de Orthodoxe bisschoppen, die de geïnstitutionaliseerde meesters zijn van het Orthodoxe geloof – dat ik de ‘zekerheid van de waarheid’ kon bekomen.

    Enkele maanden later las ik een getypte tekst van een artikel over de ecclesiologie van de heilige Ignacius van Antiochië, geschreven door de grieks-amerikaanse theoloog Vader Romanides. Daar heb ik voor de eerste keer, onder een volledig ontwikkelde vorm,het perspectief van de ‘eucharistische ecclesiologie’ ontmoet.. Dit werd achteraf gepopulariseerd door de geschriften van Vader Nicolas Afanassief en van metropoliet Jean (Zizoulas) van Pergamo. Bij de eerste lezing gaf de interpretatie welke Vader John gaf aan de brieven van Sint Ignace mij de onmiddellijke overtuiging; wanneer ik de brieven zelf consulteerde, kregen mijn overtuigingen volledige bevestiging (…)

         De eenheid van de Kerk zoals de bisschop van Antiochië voor het ogen  had, is niet enkel een theoretisch idee, maar een praktische realiteit, gevestigd en zichtbaar gemaakt door de deelname van de ganse locale gemeenschap aan de heilige mysteriën, de eenheid wordt niet van buitenaf opgelegd door een juridische macht, maar zij ontstaat van binnen uit door het ontvangen van de communie.

De Kerk is boven alles een eucharistisch organisme die ontstaat door de celebratie van het sacrament van het Avondmaal van de Heer, ‘totdat Hij wederkeert’ (1Kr.11,26). In deze zin gaf sint Ignatius , verklaard door Vader John Romanides, mij de belangrijke ontbrekende schakel. Khomiakov had gesproken over de organische eenheid van de Kerk, maar hij had het niet in verband gebracht met de eucharistie. Vanaf het moment dat ik de integrale band tussen de kerkelijke eenheid en de sacramentele communie had begrepen, kwam alles in orde.

Maar wat betekende dit voor mij , ik die (nog altijd) er buiten stond, onbekwaam om de sacramenten te ontvangen in de Orthodoxe Kerk ? Op Pasen 1957 woonde ik voor de eerste maal de nachtdienst bij. Ik was van plan om later in de morgen de communie te ontvangen in een Anglikaanse kerk (dat jaar vielen het Orthodoxe en Westerse Pasen op dezelfde dag), maar toen ik terugkwam van de Orthodoxe celebratie, wist ik dat dit onmogelijk was. Ik had de Verrijzenis van Christus gevierd  met de Orthodoxe Kerk, op een manier dat zij volledig  en niet voor herhaling vatbaar was. Indien ik nadien ergens anders de communie zou hebben ontvangen, dan zou dit voor mij – voor mij persoonlijk – onwerkelijk en oneerlijk geweest zijn.

Na dit alles communiceerde ik nooit meer aan een Anglicaans altaar, zodat ik meerdere maanden zonder communiceren bleef. Ik sprak in september 1957 met Madeleine, de vrouw van Vladimir Lossky. Zij toonde mij het risico van mijn situatie aan, levend in een ‘no man’s land’ . ‘Gij kunt zo niet verdergaan, zei zij. De eucharistie is ons mystiek voedsel; zonder haar sterven we van honger’ (…)

Wees niet trots op het uiterlijke….

Dit bleef een argument dat in sterke mate vreesaanjagend was. Indien de Orthodoxe Kerk werkelijk de enig ware Kerk van Christus op aarde is, hoe kan het  dan, vroeg ik mij af, dat zij in het Westen in haar uiterlijke vorm zich zo etnisch en nationalistisch voordoet, zo weinig geïnteresseerd is in haar missionaire taak, zo verdeeld  in parallelle jurisdicties, die dikwijls met mekaar in conflict liggen ?.

In principe is de Orthodoxie er zeker  van en is ze altijd duidelijk geweest in haar vordering, de enig ware Kerk te zijn . Zoals ik las in de boodschap van de Orthodoxe gedelegeerden op de vergadering van de Oecumenische raad van kerken te Evanston (1954) :

Als besluit, komen wij ertoe om onze diepste overtuiging uit te drukken, dat de heilige Orthodoxe Kerk de enige is die volledig en intact ‘ het geloof die haar werd toevertrouwd éénmaal voor allen aan de heiligen’ heeft bewaard.. Dit is niet omwille van onze menselijke verdienste, maar omdat het God behaagt om het te bewaren als een ‘schat in lemen vaten,want de overvloed van  kracht komt  van God’(2 Kor.4,7).

Er scheen nochtans een gapende kloof te bestaan tussen de principes en de Orthodoxe praktijk . Indien de Orthodoxen geloofden dat zij werkelijk de enig ware Kerk zijn, waarom leggen ze met zoveel kracht obstakels op de weg van diegenen die er met overtuiging willen toetreden ? In welke zin was de Orthodoxie werkelijk ‘één’, terwijl, bijvoorbeeld er in Noord Amerika ten minste negentien verschillende Orthodoxe jurisdicties bestonden met niet minder dan dertien bisschoppen in de stad New York alleen ? Verschillende van mijn anglicaanse vrienden argumenteerden dat de Orthodoxe Kerk niet méér één was dan de Anglicaanse communio – zelfs minder volgens sommigen – en dat de stap ernaartoe zetten mij zou doen vallen van Charybde naar  Scylla.

Op dat moment werd ik geholpen door de woorden van Vladimir Lossky : Hoevelen hebben de Zoon van God herkend in de ‘man van smarten’ ?  Men moet ogen hebben om te zien, en een open oordeelsvermogen in de Heilige Geest om de volheid daar te herkennen waar het uiterlijk oog slechts beperkingen en gebreken waarneemt (…). Om de overwinning  te kunnen  onderscheiden  van de mislukking, de kracht van God die zich verwezenlijkt in zwakheid, de ware Kerk in zijn historische realiteit, moet men , volgens de woorden van de sint Paulus ‘ niet de geest van de wereld, maar de Geest die van God komt’, ontvangen, ‘ opdat wij de zaken van God zouden kennen die ons zijn gegeven door Zijn genade’ (1 Kor.2,12).

Als ik de empirische situatie van de Orthodoxie in de Westerse wereld van de XXe  eeuw onder ogen nam, was ik in werkelijkheid geconfronteerd met een duidelijke ‘mislukking’ en een duidelijke ‘zwakte’. De Orthodoxen zelf ontkennen dit  niet. Maar door ze in haar diepste dimensie te bekijken, kon ik ook ‘de ware Kerk in het innerlijk van haar historische dimensie’ zien.De etnische bekrompenheid en de Orthodoxe intolerantie, hoe diep ze ook mogen verankerd zijn, maken geen deel uit van de essentie van de Kerk, maar tonen ons een vertekend beeld en een verraad aan haar vrije natuur – Er zijn natuurlijk ook positieve aspecten aan het Otyhodox Christelijk nationalisme. Voor wat betreft het juridisch  pluralisme in de Orthodoxe Kerk in het Westen: er zijn specifieke historische oorzaken, de meest helderziende onder de Orthodoxe leiders hebben dit altijd beschouwd als een voorlopige  oplossing, die slechts voorlopig en tijdelijk is. Meer nog, er is een duidelijk verschil tussen de scheidingen die de overhand hebben in de schoot van het Anglicanisme en deze welke men vindt in de schoot van de Orthodoxie. De Anglicanen zijn (voor het grootste deel) één in hun uiterlijke organisatie, maar diep verdeeld in hun geloofsovertuigingen en hun vormen van openbare cultus. De Orthodoxen daarentegen  zijn enkel verdeeld in hun uiterlijke organisatie, maar sterk verenigd in hun geloof en cultus (…)

Verder kijkend,over  het  uiterlijk en zichtbaar falen van de Orthodoxie heen, deed ik een acte van geloof in ‘ de dingen die men niet ziet’ (2 Kor.4,18), in  haar fundamentele éénheid en onderliggende doctrinele  traditie, liturgisch en spiritueel.

Om binnen te treden in het Orthodoxe huis, moest ik aan een bijzondere poort aankloppen. Welke ‘jurisdictie’ ging ik kiezen ? Ik voelde mij sterk aangetrokken door de Russische Kerk in ballingschap, de Kerk buiten de grenzen (hors frontières) zoals men het gemeenlijk  noemt. Ik bewonderde er vooral haar trouw aan de liturgische, ascetische en monastieke erfenis van de Orthodoxie. Ik was slechts zestien jaar toen ik het boek had gelezen van Helen Waddel, ‘The Desert Fathers’, en sindsdien was ik gefascineerd  door de monastieke geschiedenis van het Christelijk Oosten . Ik ontdekte dat het grootste deel van de monasteria toebehoorden aan de russische Kerk buiten de grenzen. In West Europa had ik twee vrouwenkloosters bezocht die er van afhingen : deze van de ‘Aankoniging (Annuntiatio)’ te Londen en deze van de Moeder Gods te Lesna ( aan de buitenkant van Parijs). Ik werd er in beiden warm onthaald. Ik bewonderde ook de manier waarop de Kerk buiten de grenzen de nieuwe martelaren en de belijders vereerden die hadden geleden onder het juk van de Soviëts  Van de andere kant, was ik voor een stuk verlegen door het canonisch isolement van de synode in ballingschap. In de jaren vijftig was dit isolement minder dan nu, want in die periode waren er nog regelmatig concelebraties tussen de russische clerus in ballingschap en de bisschoppen en priesters van het Oecumenisch Patriarchaat. Maar ik zag dat de Orthodoxe Kerk in ballingschap meer en meer afgesneden werd van de wereld- Orthodoxie, en dat maakt mij bezorgd.

Ondanks mijn liefde voor de russische spiritualiteit, werd het mij duidelijk dat het best was voor mij om mij te voegen bij het Grieks diocees van Groot Brittanië, onder de obedientie van de Patriarch van Constantinopel. Daar ik klassiek filoloog was , had ik een goede kennis van het Nieuwtestamentisch en byzantijns grieks, en in die tijd had ik nog geen Kerkslavisch gestudeerd. Als ik lid werd van het Oecumenisch Patriarchaat, dan zou ik ook geen partij moeten kiezen tussen de verschillende rivaliserende russische groepen en kon ik ook mijn vriendschappelijke relaties onderhouden met zowel de leden van het Patriarchaat van Moscou als met de russische Kerk in ballingschap. Nog belangrijker :’Constantinopel was de moeder-Kerk van wie Rusland het geloof had ontvangen. Het leek mij juist, in mijn zoektocht naar de Orthodoxie, om naar de bron terug te keren.

Ik ging dus opnieuw bisschop Jacques d’apamée opzoeken en ik was zeer verbaasd dat hij tevreden was om mij praktisch onmiddellijk terug te zien.. Hij verwittigde mij echter :’Maar begrijp goed dat wij voor niets ter wereld u tot priester zullen wijden : wij hebben slechts behoefte aan Grieken’. Dit verontrustte mij niet, want ik was gelukkig mijn toekomst in God handen te kunnen leggen. Ik was zeer tevreden dat de deur eindelijk voor mij openging., en ik werd opgenomen zonder mijn condities  te stellen. Ik beleefde mijn opname in de Orthodoxie niet als iets dat ik met recht ‘opeiste’ , maar eenvoudig als een vrije en onverdiende gave van Gods genade. Ik was gelukkig en rustig wanneer bisschop Jacques mij als spirituele vader, Vader Georges Chérémétieff gaf, wat mij toeliet om dicht bij de russische Kerk in ballingschap te blijven.

Ik kwam zo aan het einde van mijn weg, of beter gezegd aan een nieuwe en beslissende etappe van een weg die was begonnen vanaf mijn jeugdjaren, en die, door Gods genade, zal voortduren tot in eeuwigheid. Een weinig na Pasen 1958, de vrijdag van de stralende week, op het feest van de Levende Bron, ontving ik de Myronzalving in de  griekse kathedraal van de heilige Sofia, te Londen-Bayswater. Ik was eindelijk thuis gekomen (…)

Binnen de Orthodoxie heb ik werkekijk bijna overal waar ik kwam, warmte, vriendschap en totale liefde vol mededogen gevonden, en ik heb zeker het voorrecht gehad om levende heiligen te ontmoeten. Deze die hadden voorspeld dat ik, eens Orthodox geworden, mij zou afsnijden van mijn eigen volk en mijn nationale cultuur hebben zich vergist. Door de Orthodoxie te omhelzen ben ik niet minder ‘engelsman’ geworden, maar juist een meer authentieke ‘engelsman’. Ik heb de oude wortels van mijn engels-zijn herontdekt, want de Christelijke geschiedenis van mijn land gaat reeds tot vele eeuwen voor het schisma tussen Oost en West. terug. Ik herinner mij een gesprek met twee Grieken, kort na mijn opneming. ‘Dit moet voor u wel heel moeilijk zijn, merkte de eerste op, om de Kerk van uw vaders te verlaten’. Maar de tweede zei me :’ Jij hebt de Kerk van uw vaders niet verlaten, jij bent er teruggekeerd’. Hij had gelijk.

Het is onnodig om het te verduidelijken : mijn leven als Orthodox was niet altijd de ‘hemel op aarde’. Dikwijls was ik ten diepste ontmoedigd ; Maar heeft Christus zelf  ons niet gewaarschuwd dat leerling-zijn wil zeggen ‘uw kruis opnemen’?. Achtenveertig jaar later kan ik uit gans mijn hart bevestigen dat de visie op de Orthodoxie, die ik had vanaf mijn eerste dienst van de vigilie in 1952 de juiste en ware was. Ik ben niet teleurgesteld.

Ik zou slechts één voorbehoud willen maken  : dat wat ik niet kon  op prijs stellen in 1952, maar dat ik nu klaarder inziezie, is het diep raadslachtig karakter van de Orthodoxie, zijn talrijke tegenstellingen en polariteiten.. De paradox van het Orthodoxe leven in de XXe eeuw  is samengevat in de woorden van Vader Lev Gillet, zelf Westerling die de weg naar de Orthodoxie is gegaan. Het zijn woorden die dichter bij het hart van de dingen staan dan alles wat ik mij kan herinneren van  andere.woorden :

O wonderlijke Orthodoxe Kerk, zo arm en zo zwak, die als bij mirakel stand houdt temidden van de wisselvalligheden en strijd, Kerk van contrasten, tegelijk zo traditioneel en zo vrij, zo archaïsch en zo levendig, zo ritualistisch en zo persoonlijk mystiek. Kerk waar de parel van grote waarde, het Evangelie,zo zorgvuldig is bewaard, dikwijls onder een laag stof ; Kerk die dikwijls niet wist hoe te handelen, maar die als geen ander de vreugde van Pasen weet te bezingen.

                                                           Uittreksel uit : Kallistos Ware,

                                                           Approches de Dieu dans la voie

                                                           Orthodoxe, Cerf/Le Sel de la terre,

                                                           2004. Vertaald uit de franse vartaling

                                                           van Françoise Lhoest door Kris Biesbroeck

                                                                                                                                                                 

Kallistos Ware : Mijn weg naar de orthodoxie 1

ONGEWOON EN NOCHTANS VERTROUWD :

MIJN WEG NAAR DE ORTHODOXIE (deel 1)

 

Kallistos Ware.jpg

 

 

Als weerklank van het bezoek van Mgr. Gabriël en Mgr. Kallistos Ware, bisschop van Diokleia,  zaterdag 1e Oktober en zondag 2 Oktober, geven we hier in twee delen een uittreksel van het boek van Mgr Kallistos Ware : ‘Approches de Dieu dans la voie orthodoxe’ , Cerf/Le sel de la terre, 2004

“Vandaag verenigen hemel en aarde zich”

Hymne van de vigilie van Kerstmis

 

“O wonderbare Orthodoxe Kerk !”

Vader Lev Gillet

Een afwezigheid en een tegenwoordigheid

Ik herinner mij de dag nog heel goed waarop mijn weg naar de Orthodoxie is begonnen. Het is gebeurd op een onverwacht moment, een zaterdag namiddag in de zomer van 1952. Ik was toen zeventien jaar. Ik wandelde op de Buckingham Palace Road, dicht bij het Victoria station in het centrum van Londen, toen ik voorbij een neogotische kerk uit de XIXe eeuw passeerde. Zij was groot en licht bouwvallig. Ik had die kerk nog nooit opgemerkt. Er was geen enkel uithangsbord  aan de buitenkant – publieke relaties waren nooit de sterke kant van de Orthodoxie in de westerse wereld – maar ik herinner mij een koperen plaat met deze eenvoudige woorden: ”Russische kerk”.

Toen ik de kerk van de heilige Philippus – want zo noemde die kerk – binnenkwam dacht ik dat ze volledig leeg was. Buiten, op straat, scheen de zon heerlijk, maar aan de binnenzijde was het koud en somber zoals in een kelder. Mijn ogen geraakten gewend aan het voornoemde. Het eerste wat mijn aandacht trok was een afwezigheid : geen banken, geen stoelen netjes op een rij; vóór mij strekte zich een  uitgestrekte ruimte uit met een  geboende houten vloer.

Opeens heb ik gemerkt dat de kerk niet helemaal leeg was, er waren, verspreid in het schip en de zijbeuken, enkele gelovigen, hoofdzakelijk bejaarden. Er hingen iconen aan de muur,verlicht met kleine lampjes en kaarsen voor de iconostase. Ergens zong een koor, maar men kon het niet zien. Na enige tijd verliet een diaken het heiligdom en ging de kerk rond om de iconen en de  gelovigen te bewieroken. Ik merkte dat zijn brokante kleding oud was en een beetje kapot.

Mijn eerste indruk van een afwezigheid had plotseling plaats gemaakt voor een gevoel van aanwezigheid die mij overmande. Ik voelde dat de kerk, schijnbaar leeg, vol was – vol van ontelbare onzichtbare gelovigen, die mij van alle kanten omringden. Intuïtief heb ik begrepen dat wij, het zichtbare volk van gelovigen,deel hadden aan een groter goed. Wanneer wij bidden, dan worden wij opgenomen in iets dat veel groter is dan onszelf, in een onverdeelde celebratie die alles omvat, die tijd en eeuwigheid verenigt, de realiteiten van hier beneden en die van hierboven. Jaren later heb ik de vreemde schok ervaren van de erkenning van de dingen die reeds lang  vertrouwd waren, en dit terwijl ik in de Eerste Russische kroniek las over de bekering van de Heilige Vladimir. Teruggekeerd in Kiev vertelden de russische ambassadeurs aan de prins dat zij hadden deelgenomen aan de Goddelijke Liturgie te Constantinopel : “ Wij wisten niet meer of we in de hemel waren of op aarde. Want er is op aarde geen dergelijke pracht, wij wisten niet hoe het te beschrijven. Wij weten alleen dat God daar verblijft onder de mensen {…….} Wij konden die schoonheid niet vergeten”. Ik was verstomd toen ik die woorden las, zij sloten perfect aan bij wat ik had ervaren tijdens die russische vigilie in Sint Philippus, in Buckingham Palace Road. Het decor was het enige verschil met de pracht van het Byzantium van de Xe eeuw, maar zoals de gezanten van de heilige Vladimir had ik ook ‘de hemel op aarde’ ontmoet. Ook ik had de directheid gevoeld van de hemelse liturgie, de nabijheid van de engelen en de heiligen, de ongeschapen schoonheid van het koninkrijk van God. “Nu celebreren de hemelse machten onzichtbaar met ons” (Liturgie van de voorafgewijde gaven) Ik verliet de kerk vóór het einde van de dienst. Toen ik buiten over datgene wat ik meemaakte dieper nadacht, was ik getroffen door twee zaken. Ten eerste, ik wist in het geheel niet hoelang ik binnengebleven was : misschien alleen maar een twintigtal minuten, maar het kan ook twee uur geweest zijn., ik was niet in staat om het precies te zeggen. Ik bevond mij op een plan waar het uur van het uurwerk  geen enkel belang meer.Toen ik vervolgens terug op straat kwam, werd ik onmiddellijk als met een golf meegesleurd door het lawaai van het Londense verkeer.. Het lawaai moet hoorbaar geweest zijn langs de binnenkant van de kerk, maar ik had het niet opgemerkt.

Ik was in een andere wereld geweest, waar tijd en lawaai geen enkele betekenis hadden, een wereld die meer reëel was – ik zou zelfs zeggen, meer solide dan deze van het Londen van de XXe eeuw tot dewelke ik plotseling  was teruggekeerd.

    Het officie van de vigilies waren helemaal in het kerkslavisch gecelebreerd; met mijn verstand verstond ik er geen letter van. Nochtans, toen ik de kerk verliet zei ik tegen mijzelf met overtuiging : hier ben ik thuis, ik ben aangekomen daar waar ik thuishoor. Het gebeurt dikwijls – vreemd,  is het niet ?- dat wij voordat wij een bepaalde iets hebben geleerd over een persoon, een plaats of een object, men reeds met zekerheid weet : hier heb je de persoon die ik zal liefhebben, ziehier de plaats waarheen ik moet gaan, ziehier het thema dat ik moet bestuderen , heel mijn leven, en onmiddellijk. Vanaf het moment dat ik had deelgenomen aan dat officie in de kerk van  Sint Filippus, in de Buckingham Palace Road, voelde ik diep in mijn hart dat ik geroepen  werd door de Orthodoxe Kerk. Deze kerk is reeds lang verdwenen : zij is afgebroken ongeveer vier jaar na mijn bezoek.

    Ik ben dankbaar dat mijn eerste contact met de Orthodoxie er niet een was via  de lezing van boeken, ook niet via de ontmoeting met orthodoxen in een sociale context, maar wél via de deelname aan een officie. De Kerk, zoals de Orthodoxen ze kennen, is op de eerste plaats een liturgische gemeenschap, die haar waarachtige identiteit uitdrukt door de aanroeping en de lofprijzing. De cultus komt eerst, de leer en de wetenschap komt op de tweede plaats. Ik heb dus het geluk gehad om de Orthodoxie te leren kennen door deel te nemen aan een gemeenschappelijk gebed.

Ik heb de Orthodoxe Kerk niet ontmoet als een theorie of een ideologie, maar als een specifiek en concreet feit, een celebrerende aanwezigheid.

“Dit is het wat ik altijd heb geloofd”

   Achteraf gezien werd het duidelijk dat mijn beslissing reeds genomen was deze namiddag van de zomer van 1952. Maar voordat ik opgenomen werd in de Orthodoxe Kerk, wachtte ik in feite bijna zes jaar. In Groot Britannië, in de jaren 1950, was het zeer ongewoon voor een Westerling om te willen binnentreden in de Orthodoxe Kerk, en de meerderheid van mijn engelse vrienden spanden zich met alle macht in om het mij uit mijn hoofd te praten. ‘Gij zult gans uw leven een zonderling zijn, was hun verwijt. God heeft u cultureel in het Westen geplaatst, vlucht de moeilijkheden niet en de uitdaging van uw historische erfenis’. ‘Hoe mooi de Orthodoxe liturgie ook is: is er geen tragische afgrond tussen de principes en de Orthodoxe praktijk ?, vroegen ze mij’ Was mijn toenadering tot de Orthodoxie niet te veel geïdealiseerd, té sentimenteel ? Was ik niet bezig met een zekerheid en bescherming te zoeken die ik hier op aarde niet vond en die wij niet te zoeken hebben ?

    Nog meer verbazing kwam er toen de meeste orthodoxen bij wie ik om raad ging, mij in het geheel niet aanmoedigden. Zij waren eerlijk en realistisch – ik ben er hen zeer dankbaar om – door mijn aandacht te vestigen op de historische tekortkomingen van de Orthodoxe Kerk, alsook op de specifieke moeilijkheden waarmee ze geconfronteerd worden binnen de Westerse wereld. Op vele domeinen, zegden zij mij bij wijze van waarschuwing, is de Orthodoxe Kerk ver verwijderd van de ‘hemel op aarde’. Wanneer ik bij de hulpbisschop van de griekse kathedraal in Londen, Mgr.Jacques (Vivros) van Apamée, op bezoek ging, sprak hij vriendelijk en lang met mij, maar hij vroeg mij met aandrang om lid te blijven van de Anglikaanse Kerk in dewelke ik was grootgebracht. Een russisch priester, die ik eveneens om raad vroeg, antwoordde mij precies hetzelfde.

   Op dat moment was ik verbaasd. . In de loop van mijn lectuur  was ik er van overtuigd geraakt dat de Orthodoxie er aanspraak op maakte niet alleen één van de vele ‘denominaties’ te zijn, maar de waarachtige Kerk van Christus op aarde. Nochtans, de orthodoxen zelf schenen mij te zeggen : ‘Ja, de Orthodoxie is waarlijk de enige ware kerk, maar jij mag er vooral niet intreden. Zij is er alleen voor ons. Grieken, Russen en andere Oosterlingen’. Het zich hechten aan de waarheid die redt, scheen af te hangen van een geboorte-accident en van geografie.

    In de tussentijd, en vóór het bezoek aan Mgr. Jacques, was ik begonnen met verschillende orthodoxe contacten te leggen. Kort na mijn eerste ervaring in het bureau van de russische kerk te Londen, begon ik mijn studies aan de Universiteit van Oxford. Gedurende vier jaar studeerde ik klassieke letteren, oud grieks en latijn, een beetje moderne filosofie; daarna ging ik aan de universiteit nog twee supplementaire jaren Théologie volgen – Ik wil er aan toevoegen : ik ben nooit naar een Anglicaans theologisch college gegaan, noch heb ik een wijding ontvangen in de Anglicaanse Kerk. In Oxford had ik het geluk om van geboorte Orthodoxe Christenen te ontmoeten. In het bijzonder heb ik kennis gemaakt met Nicolas Zernov die een lectoraat waarnam over de Oosters-Orthodoxe cultuur. Ik herinner mij vooral zijn grootmoedige gastvrijheid en deze van zijn vrouw Militza, de stimulerende en verbazingwekkende gesprekken die zij hielden met hun vele bezoekers. Ik ontmoette eveneens Vader (en toekomstige aartsbisschop) Basils Krivochène die voorging in de kleine russische kerk van Oxford en die zijn klassieke editie voorbereidde over de catechesen van de Heilige Symeon de nieuwe theoloog. Er opende zich een nieuwe wereld voor mij, toen ik de beschrijving hoorde die de Heilige Symeon gaf over zijn visioenen van het goddelijk en ongeschapen Licht. Ik begon de plaats te waarderen welke de Orthodoxie geeft aan het mysterie van de transfiguratie van Christus.

    Toen ik in Oxford was en onder invloed van mijn goede vriend en oude schoolkameraad, Donald (A.M.Allchin), werd ik een actief lid van het  genootschap van St Alban en St. Sergius, waarvan het doel is, een toenadering tussen de Oerthodoxie en het Anglikanisme.teweeg te brengen. De zomerconferenties van dit genoodschap hadden op mij een beslissende invloed. Ik hoorde er anglikanen zoals Aartsbisschop Michaël Ramsey, Vader Derwas Chitty en professor H.A.Hodges. Zij zagen allen in de Orthodoxie de integrale volheid van de Christelijke traditie, tot dewelke het Anglikanisme moet terugkeren. Zij hielden voor ogen, dat de anglikanen zouden kunnen toetreden tot de volheid van het orthodoxe geloof en tezelfdertijd toch anglikaan zouden  kunnen blijven. Op die wijze zou er een toenadering kunnen groeien  tussen anglikanen en orthodoxen.

    Hun enthousiasme deed mijn verbeelding ontvlammen, maar een deel van mijzelf bleef onvoldaan.. Ik had het verlangen om orthodox te worden, geheel en zichtbaar. Hoe meer ik leerde over de Orthodoxie, hoe meer ik begreep dat het dit was wat ik altijd geloofd had in het diepste van mijn hart, maar nooit tevoren  was het voor mij zo goed verwoord. Ik vond de Orthodoxie niet archaïsch, vreemd of exotisch. Voor mij was het doodeenvoudig niet anders dan het Christianisme.

“De Kerk is één”

   Mijn eerste contacten met de orthodoxe wereld  waren vooral met de russen. Ik verslond ‘A Treasury of Russian Spirituality’ van Georges P. Fédorov en ‘With the Russian Pilgrims to Jerusalem’ van Stephen Graham. Ik voelde mij onmiddellijk aangetrokken tot de Heilige Seraphim van Sarov, waarvan ik de geschiedenis las: ‘Flame in the Snow’, een licht geromantiseerde maar aangrijpende biografie geschreven door Julia de Beausobre. Op meer  theologisch vlak, was het korte essai van Alexis Khomiakov een cruciale stap op mijn weg  ‘de Kerk is één’, waar ik deze visie van communio geformuleerd vond, die ik zelf voor de eerste maal had ervaren als een levende realiteit in de russische kerk van Londen  {……}.

   Veel later, toen ik mij nog meer verdiept had in de orthodoxe theologie zag ik de limieten van de slavische kerkleer van Khomiakov in, maar op dat moment gaf hij mij net datgene wat ik nodig had . Ik werd ook enorm geholpen door het artikel van Vader George Florofsky : “Sobornost ; the Catholicity of the Church”. Daarin legde hij het accent op de essentiële natuur van de Kerk, als een eenheid in diversiteit, volgens het beeld en de gelijkenis van God en de Heilige Drieeenheid.{…..}.

   De Katholiciteit, voegde Vader George eraan toe, “betekent zichzelf zien in een ander en in de beminde”, het is in de Katholiciteit van de Kerk, en alleen daar, dat de “spijtige dualiteit en spanning tussen vrijheid en autoriteit  verdwijnt”. Sedertdien heb ik niet opgehouden om telkens terug te keren naar dit artikel, dat op twintig bladzijden méér zegt dan andere auteurs in ganse volumes {…..}

 Traditie, martelaarschap en stilte

 Terwijl ik mijn kennis van de Orthodoxie verdiepte,  trokken drie zaken die ik heel intens in mij opnam, mijn bijzondere aandacht. Vooreerst merkte ik in de hedendaagse Orthodoxe Kerk – ondanks de interne spanningen en haar menselijk falen – een levendige en ononderbroken continuïteit met de Kerk van de apostelen en martelaren, de Vaders en de Oecumenische concilies. Deze levendige continuïteit was voor mij samengevat in de woorden: volheid en heelheid, maar vooral in  de term traditie.De Orthodoxie bezit, niet door een menselijke verdienste, maar door Gods genade, een volheid van geloof en spiritueel leven, een volheid waarbinnen het dogma en het gebed, de theologie en de spiritualiteit er een organisch en integraal deel van vormen. Zij is in deze betekenis de Kerk van de Heilige Traditie.

  Ik houd eraan om in deze context in het bijzonder het woord ‘volheid’ te onderlijnen. De Orthodoxie heeft de volheid van het leven in Christus, maar zij heeft geen exclusief monopolie op de waarheid. Ik geloofde vroeger niet, en ook nu nog geloof ik niet dat er een absolutie tegenstelling is tussen het Orthodoxe ‘licht’ en de  niet-orthodoxe ‘duisternissen’ Wij moeten ons niet voorstellen dat, omdat de Orthodoxie de volheid van de Heilige Traditie bezit, de  niet-Orthodoxe Christelijke gemeenschappen niets zouden bezitten. Integendeel, ik ben nooit overtuigd geweest door de strenge eisen volgens dewelke het sacramentele leven en de genade van de Heilige Geest slechts kunnen bestaan binnen de zichtbare limieten van de Orthodoxe Kerk. Vladimir Lossky heeft zeker gelijk wanneer hij beweert dat  de niet–orthodoxe gemeenschappen, ondanks hun uiterlijke scheiding, toch door onzichtbare banden met de Orthodoxe Kerk verbonden zijn.

   Aldus , nog volgens Lossky, waarvan ik graag het standpunt overneem, gaan de niet-orthodoxe gemeenschappen op een  andere wijze voort met deel te nemen aan het genadeleven van de Kerk. Het is ook  niet minder waar dat, wanneer deze niet-orthodoxe gemeenschappen ook een deel van de reddende en levendmakende  waarheid bezitten, het slechts binnen de Orthodoxie is dat men de volheid van deze waarheid kan vinden.

    Ik was vooral onder de indruk door de manier waarop de orthodoxe denkers, wanneer zij spraken over de Kerk als deze van de Heilige Traditie, terzelfdertijd onderlijnden dat deze traditie niet statisch, maar dynamisch is, niet defensief maar verkennend, niet gesloten en  als afgedaan beschouwd, maar open naar de toekomst. De traditie, ik heb het geleerd van de auteurs die ik bestudeerde, is geen simpele herhaling van datgene wat in het verleden  is naar voor gebracht, maar een actieve manier om de ervaring van het Christelijk Mysterie in het heden opnieuw tastbaar te maken. De enig ware traditie is levendig en creatief, gevormd door de eenheid van de menselijke vrijheid met de genade van de Geest. Dit levendig dynamisme is voor mij geresumeerd in de  bondige formulering van Vladimir Lossky : “De traditie {…} is het leven van de Heilige Geest in de Kerk”, en hij gaat er dieper op in door er aan toe te voegen :”Men kan zeggen dat de ‘traditie’ de kritische geest van de Kerk vertegenwoordigt”. In de traditie kan men niet futloos blijven.{….}.

   Ik heb ontdekt dat de traditie – zoals het leven van de Heilige Geest binnen de Kerk – alles omhelst. In het bijzonder begrijpt zij het geschreven woord van de Bijbel, want er is geen tweedeling tussen de Schrift en de traditie. De Schrift bestaat binnenin de traditie;  het is zelfs  zo dat de traditie niets anders is dan de manier waarop de Schrift begrepen en beleefd is binnen de Kerken, en dit aan alle generaties. Ik zou de Orthodoxe Kerk daarom niet alleen ‘traditioneel’ noemen, maar ook scripturaal. Het is niet zonder reden dat het Evangelieboek in elke orthodoxe cultusplaats in het centrum op de heilige tafel  rust. Het zijn de Orthodoxen, eerder dan de protestanten die de ware evangelisten zijn – moesten de Orthodoxen in de praktijk even zo de Bijbel bestuderen als de protestanten het doen !

    Lossky en Florovsky verzekerden mij in hun geschriften : geheel zoals het leven in de Heilige Geest, omhelst de traditie  niet alleen alles, maar zij is ook onuitputbaar. Vader George Florovsky formuleert het aldus : “De traditie is de constante inwoning van de Geest, en niet alleen maar de herinnering van woorden. De traditie is een charismatisch principe en niet alleen een historisch{…} Het is de mededelende ervaring van de genade in de Kerk{…},welke in zijn katholieke volheid {…}nooit uitgeput is geraakt in de Heilige Schrift, noch in de orale traditie, noch in de definities. Zij kan niet, zij moet niet uitgeput geraken.

 {…}Deze  ontroerende en levengevende opvatting van de traditie die ik in de Orthodoxie ontdekte kreeg meer en meer een grotere betekenis voor mij. Ik vond altijd méér dan de levende continuïteit, waarvan de Orthodoxe kerk het getuigenis droeg. Dit miste ik in het anglicanisme waarin ik van jongsaf aan werd grootgebracht.

De continuïteit werd verzwakt, zoniet gebroken in de middeleeuwen, door de ontwikkelingen binnen het latijnse Westen .Zelfs, indien  voor vele anglicanen vanaf de XVI e eeuw de engelse Reformatie een poging was om terug te keren tot de Kerk van de Oecumenische concilies en de kerkvaders, in welke mate kan deze poging daadwerkelijk worden beschouwd als een succes ? De “Orthodoxie” van de anglicaanse Kerk scheen in het beste geval  impliciet meer een verzuchting en een verre hoop, dan een onmiddellijke en praktische realiteit.

   Ik zal altijd dankbaar blijven voor mijn anglicaanse opvoeding. Ik zou mij nooit willen engageren in een negatieve polemiek tegen de Communio waar ik begonnen ben om Christus te erkennen als mijn Redder. Ik herinner mij nog altijd met dankbaarheid de schoonheid van de gezongen officies in de abdij van Westminster, wanneer ik mijn opleiding kreeg aan de school van Westminster. In het bijzonder herinner ik mij de grote processies met het kruis, de kaarsen en de vaandels gedurende de gezongen eucharistie op het patroonsfeest van de Heilige Edouard de Belijder. Ik ben ook dankbaar voor de banden die ik heb gesmeed op school en aan de universiteit, met de leden van de gemeenschap van Sint-Franciscus, zoals met Pater Algy Robertson, pater Guardian en zijn jonge leerling , broeder Peter. Het zijn de anglicaanse franciscanen die mij de plaats van de zending in het binnenste van het christelijk leven hebben bijgebracht en de waarde van de sacramentele schuldbelijdenis.

    Ik beschouwde altijd mijn beslissing om de Orthodoxie te omhelzen als de bekroning van alles wat goed was in mijn anglicaanse ervaring : een bevestiging en geen afstand nemen van.. Nochtans, ondanks al mijn liefde en erkentelijkheid, kan ik toch niet zwijgen over datgene wat mij in de war heeft gebracht in de jaren 1950, en die mij vandaag de dag nog meer in de war brengt : de extreme verscheidenheid in het geloof en de praktijk en de conflicten die er bestaan in de schoot van de anglicaanse Communio. Ik was vooral(en ben nog altijd) in de war door de tegenstrijdige standpunten van de anglo-katholieken en de evangelisten over de artikels van het geloof, die even belangrijk zijn als de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie en de gemeenschap van de Heiligen. Moeten de geconsacreerde elementen beschouwd worden als het werkelijk Lichaam en Bloed van de Redder ? Kunnen we bidden voor de overledenen en  vragen aan de Heiligen en de Moeder van God, om voor ons te bidden ? Het zijn geen marginale vragen, waarop christenen het niet zomaar met elkaar oneens kunnen zijn. Het zijn fundamentele vragen voor ons leven in Christus. Hoe kon ik verder leven in een christelijk lichaam die aan zijn leden toestond om verschillende standpunten in te nemen die in deze kwesties dmetraal tegenover mekaar stonden?

    Ik was nog meer in de war door het bestaan in de schoot van het anglicanisme, van een ‘liberale’ vleugel, die de goddelijkheid van Christus , Zijn maagdelijke geboorte, Zijn wonderen en Zijn Verrijzenis in het lichaam in twijfel trekt. De woorden van Sint Thomas weerklonken in mijn oren :” Mijn Heer en Mijn God !” (Joh.20,28). Ik hoorde Sint Paulus tot mij zeggen :”Indien Christus niet is verrezen, is onze prediking waardeloos, en ook is uw geloof dan waardeloos”(1 Kor.15,14). Voor mijn eigen heil, had ik nood om te behoren tot een Kerk die zich trouw houdt  aan de christelijke fundamentele leringen met betrekking tot de Drieeenheid en de persoon van Christus. ,Waar kon ik zo een Kerk vinden ? Niet in het anglicanisme, helaas ! Het had niet deze continuïteit en deze volheid van de levendige traditie die ik zocht.

    Wat  in verband met Rome ? In de jaren 1950, vóór het tweede Vatikaans concilie, ik was toen  in alles een lid van de Kerk van Engeland die op een katholieke wijze dacht en onvoldaan was over het anglikaans relativisme. Het zou voor mij het meest evidente geweest zijn , dat ik een Rooms katholiek zou worden. Er was in feite een christelijke communio die niet minder was  dan in de Orthodoxe Kerk. Zij maakte ook  aanspraak op een ononderbroken continuïteit met de apostelen en de martelaren, met de eerste concilies en de Vaders. Het is bovendien een Kerk met een westerse cultuur. Waarom zou ik mijn blik richten op de Orthodoxe Kerk ? Kon mijn levendige traditie niet gevonden worden in iets wat dichterbij was ?

    Nochtans, wanneer ik  de neiging had om toenadering te zoeken met Rome, twijfelde ik. Dat wat mij weerhield was niet essentieel de vraag in verband met het filioque, alhoewel de lezing van Lossky mij het belang ervan had doen inzien. Het fundamenteke probleem was de universele aanspraak van de Paus en zijn onfeilbaarheid. Mijn studies over de eerste eeuwen van het christendom hadden mij klaar en duidelijk gemaakt dat de Oosterse Vaders zoals de heilige Basilios de grote en de heilige Johannes Chrysostomos – maar ook de westers Vaders zoals de heilige Cyprianus en de heilige  Augustinus –de natuur van de Kerk op aarde radicaal anders zagen dan deze van het eerste Vatikaans concilie. De leer over het primaatschap van Rome, speciaal sedert de Xe eeuw, had de continuïteit van de traditie binnen de romeinse communio ernstig aangetast. Het was alleen in de Orthodoxe Kerk dat ik de verzekering had om datgene te vinden wat ik zocht : de levende en niet aangetaste aanwezigheid van  het verleden

   Mijn overtuiging dat het slechts binnenin de Orthodoxie was dat ik de ononderbroken continuïteit met de Kerk van de apostelen en de Vaders vond – en dit in zijn ganse volheid , werd nog versterkt door twee andere aspecten van de Orthodoxie, die ik meer en meer begon op te merken . Het eerste was de frequentie van de vervolgingen en het martelaarschap binnen  de recente Orthodoxe ervaring – vooreerst die van de Turken, vervolgens, in de XXe eeuw, onder het communisme.  Er was iets die de Orthodoxe Kerk van nu direct verbond met de pre-Constantijnse periode van de eerste drie eeuwen. ‘Mijn kracht vervult zich in zwakheid’ (2 Kor. 12,9). Ik zag deze woorden zonder ophouden sedert de val van Byzantium vervuld in de geschiedenis van de Orthodoxie. Naast hen , die een duidelijke en zichtbare  marteldood hebben ondergaan, zijn er ontelbare anderen die in de Orthodoxie Christus

nederig hebben gevolgd door een leven te leiden van innerlijk martelaarschap : De kenotische Heiligen (die afstand gedaan hebben van de wereld : nvd vertaler), die een bewijs geleverd hebben van een zachte, edelmoedige en medelijdende liefde, zoals de heilige Xenia van St.Petersburg, de heilige Seraphim van Sarov, de heilige Johannes van Cronstadt en de heilige Nectarius van Egina. Ik vond datzelfde kenotisch medelijden in de geschriften van Dostojevsky en Tolstoï. Twee heiligen hebben mij vooral getroffen, want ik was pacifist vanaf de leeftijd van zeventien jaar : de prinsen van Kiev in de XIe eeuw, de twee broers Boris en Gleb. Zij hebben ‘de passie ondergaan’ in hun weigering om hun bloed te vergieten om zich te verdedigen, in hun verwerping van geweld en in hun onschuldig lijden zag ik een voorbeeld van de centrale boodschap van het kruis van Christus.

    Behalve het martelaarschap, was er een ander aspect van de Orthodoxie die ik begon te appreciëren, namelijk, de  mystieke theologie van de Oosterse Christen. Ik begreep dat de traditie niet enkel het overleveren van leerstellige definities inhield, maar ook het overleveren van een spiritualiteit. Er kan geen enkele vorm van scheiding of oppositie bestaan tussen beide. Zoals Vladimir Lossky het juist uitdrukt :’ Er is geen{…} christelijke mystiek zonder theologie, maar vooral, er is geen theologie zonder mystiek {…}. Mystiek wordt hier dus gezien als een volmaaktheid, het hoogtepunt van alle theologie, een theologie bij uitstek’.

    Ik voelde mij aangetrokken tot de Orthodoxie door de liturgische diensten, met hun rijke symboolwaarde en hun muziek. Ik zag nu hoe deze ‘iconische’ cultusvorm in het Oosten een tegengewicht vormde met de ‘niet-iconische’ of apophatische praktijk van het hesychastisch gebed, die beelden en gedachten achterwege laat. In het verhaal van een russische pelgrim en de geschriften van ‘Een monnik van de Oosterse kerk’ – archimandriet Lev Gillet, Orthodox aalmoezenier van het genootschap van St.Alban en St.Sergius -, heb ik geleerd hoe men het hesychasme of de stilte van het hart, door het voortdurend herhalen van het Jezusgebed kan bereiken. De heilige Isaac de Syriër toonde mij dat alle woorden hun volheid bereiken in de stilte, zoals  dienaars stil worden wanner hun meester in hun midden komt.

 

                                                                                  (Vervolgt)

 Vertaling : Kris B.