Andreas van kreta : Zie de koning komt naar je toe

H. Andreas van Kreta (660-740), monnik en bisschop
Homilie voor Palmzondag PG 97, 989-993

“Zie je koning komt naar je toe” (Za 9,9 ; Mt 21,5)

 

Andreas van Creta6.jpg

Andreas van Kreta

 

Kom, laten we samen de Olijfberg bestijgen en Christus tegemoet gaan, die vandaag uit Betanië terugkeert en zich vrijwillig begeeft naar het eerbiedwaardige en zalige lijden, om het mysterie van ons heil te voltooien. Hij gaat inderdaad vrijwillig de weg naar Jeruzalem, Hij die omwille van ons uit de hemel is neergedaald, om ons, die in de diepten neerlagen, tegelijk met zich te verheffen, “hoog boven alle heerschappijen, machten en krachten, en boven elke naam die genoemd wordt”, zoals de Schrift ons openbaart (Ef. 1, 21). Hij komt echter niet als iemand die uit is op eer en roem. “Hij roept niet, Hij schreeuwt niet, in de straten verheft Hij zijn stem niet” (Jes. 42, 2), maar Hij zal “zachtmoedig zijn en nederig” en bij zijn intrede in Jeruzalem stelt Hij zich bescheiden op.

Welaan dan, laten we samen optrekken met Hem die zich spoedt naar zijn lijden, en hen navolgen die Hem tegemoet trokken. Niet zo dat we olijftakken, mantels of palmtakken voor Hem op de weg uitspreiden, maar dat we onszelf; zoveel we kunnen, met een nederig gemoed en een zuivere intentie ter aarde werpen, om het Woord bij zijn komst te ontvangen (Joh 1,9). Zo wordt God die door niets omvat kan worden, door ons opgenomen.

Want Hij die zich jegens ons zo zachtmoedig getoond heeft, is de Zachtmoedige die de ellende ophief waarin wij, zoals de ondergaande zon in het westen, dreigden te verzinken (Ps 57,12), Hij verheugt zich erover tot ons te komen en met ons omgang te hebben, ons tot zich te verheffen en ons terug te voeren door zijn vereniging met ons.

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

Zenon van Verona : Hij had medelijden met hen

H. Zenon van Verona (?-ca 308), bisschop

Sermon De spe, fide et caritate, 9 ; PL 11, 278

 

zenon van verona.jpg

Zenon van Verona

“Hij had medelijden met hen”

Ach Liefde wat ben je mooi en rijk ! wat ben je krachtig! Degene die jou niet bezit, bezit niets. Jij hebt van God een mens kunnen maken. Jij hebt Hem zichzelf laten vernederen en zich een tijd van zijn onmetelijke Majesteit laten verwijderen. Jij hebt Hem negen maanden gevangen gehouden in de schoot van de Maagd. Jij hebt Eva genezen in Maria. Jij hebt Adam vernieuwd in Christus. Jij hebt het kruis voor het heil van de reeds verloren wereld voorbereid…

Ach Liefde, jij hebt er vrede mee om naakt te zijn, om daardoor iemand die naakt is te bekleden. Voor jou is de honger een overvloedige maaltijd, als een hongerige arme jouw brood gegeten heeft. Jouw rijkdom bestaat eruit, om alles wat je bezit te bestemmen voor de barmhartigheid. Jij laat niet tot je smeken. De onderdrukten red je zonder dralen, zelfs op eigen kosten, wat ook de ellende mag zijn, waarin ze ondergedompeld zijn. Jij bent het oog van de blinden, de voet van de manken, de trouwe beschermer van weduwen en wezen… Jij hebt je vijanden zo lief dat niemand het verschil onderscheidt tussen hen en je vrienden.

Jij, o Liefde, hebt de hemelse mysteriën met de menselijke zaken verenigd, en de menselijke mysteriën met de hemelse zaken. Jij bent de bewaakster van alles dat goddelijk is. Jij beheerst en beveelt alles in de Vader; jij bent de gehoorzaamheid van de Zoon; jij jubelt in de Heilige Geest. Omdat jij één bent in de drie Personen, kun je niet verdeeld worden… Ontspringend aan de bron, die de Vader is, stort je jezelf uit.

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

 

Ambrosius : De parabel van de wijngaard

H. Ambrosius (ca 340-397), bisschop van Milaan en kerkleraar

De parabel van de wijngaard

Overweging over het Evangelie van Lucas, 9, 29-30

 

 

Ambrosius van Milaan 1.jpg

De wijngaard is een beeld van ons, omdat het volk van God geworteld is op de wijnstok van de eeuwige wijngaard, die oprijst boven de aarde. Uitgezet op onvruchtbare grond komt ze spoedig in de knop en komt tot bloei, weldra bekleedt ze zich met groen, al snel lijkt ze op het liefdevolle juk van het kruis, wanneer ze gegroeid is en wanneer haar uitgestrekte armen de wijnranken vormen van een vruchtbare wijngaard… Men heeft dus gelijk als men de wijngaard het volk van Christus noemt, hetzij omdat op hun voorhoofden een teken van het kruis wordt gezet (Ez 9,4), hetzij omdat het zijn vruchten oogst in het laatste seizoen van het jaar, hetzij omdat, evenals de rijen wijnstokken in een wijngaard, arm en rijk, nederig en machtig, dienaren en meesters, allen volmaakt gelijk zijn in de Kerk…

Wanneer men een wijnstok vastzet, richt ze zich weer op; als men het snoeit, dan is het niet om het te verminderen, maar om het te laten groeien. Zo is het ook voor het heilig volk: als men het vastbindt, bevrijdt het zich; als men het vernedert, richt het zich weer op; als men het snoeit, geeft men het als het ware een kroon. Nog beter: evenals de loot, die van een oude boom wordt genomen en op een andere wortel wordt geënt, zo zal ook het heilig volk… dat wordt gevoed door de boom van het kruis.. zich ontwikkelen. En de Heilige Geest stort zich uit in ons lichaam alsof Hij verspreid wordt over de ploegvoren van de aarde, en wast op deze wijze alles dat onrein is en richt onze ledematen weer op om ze op de hemel te richten.

De Wijngaardenier heeft de gewoonte om deze wijngaard te wieden, het vast te binden, het te snoeien (Joh 15,2)… Nu eens brandt Hij met de zon op de geheimen van ons lichaam en dan weer besproeit Hij het met regen. Hij houdt ervan om zijn terrein te wieden, opdat de doornstruiken de knoppen niet beschadigen; Hij waakt ervoor dat de bladeren niet teveel schaduw maken…, en zo het licht niet van onze deugden wegnemen, en het rijpen van onze vruchten niet verhinderen.

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

 

Augustinus : Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en kerkleraar
Sermon 43, 5-6 ; CCL 41, 510-511

 

augustinus van Hippo3.jpg

“Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen”

 

Wat is de goedheid van Christus groot! Petrus was visser, en nu verdient een spreker grote lof, als hij in staat is om zich als visser begrijpelijk uit te drukken. Daarom zegt de apostel Paulus tot de eerste christenen: “Denk aan uw eigen roeping, broeders en zusters. Naar menselijke maatstaf waren daar niet veel geleerden bij, niet veel machtigen, niet velen van hoge afkomst. Nee, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om het sterke te beschamen; wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitgekozen; wat niets betekent, koos Hij uit, om teniet te doen wat wel iets betekent” (1Kor1,26-28).

Want als Christus in de eerste plaats een spreker had gekozen, dan zou de spreker kunnen zeggen: “Ik ben gekozen om mijn welsprekendheid”. Als hij een senator was geweest, dan zou de senator kunnen zeggen: “Ik ben gekozen om mijn rang”. Als Hij een keizer had gekozen, dan zou de keizer kunnen zeggen: “Ik ben gekozen om mijn macht”. Dat die mensen zwijgen, dat ze even wachten, dat ze zich rustig houden. Ze zullen niet vergeten of verworpen worden, omdat ze zich kunnen verheerlijken om wat ze uit zichzelf zijn.

“Geef Mij deze visser, zegt Christus, geef Mij deze eenvoudige onopgeleide mens, geef Mij degene met wie de senator niet durft te spreken, zelfs niet wanneer hij vis van hem koopt. Ja, geef Mij die mens. Dan zal Ik hem vervullen, men zal duidelijk zien dat Ik alleen het ben die handel. Ik zal zeker ook mijn werk vervullen in de senator, de spreker en de keizer…, maar mijn handelen zal het meest duidelijk worden in de visser. De senator, de spreker en de keizer kunnen zich verheerlijken met wat zij zijn: de visser, alleen in Christus. Dat de visser hun de nederigheid komt onderrichten die door de redding wordt gegeven. Dat de visser als eerste doorgaat”

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

Cyrillus van Alexandrië : “Maar midden tussen hen door ging Hij zijns weegs”

H. Cyrillus van Alexandrië (380-444), bisschop en kerkleraar
Over de profeet Jesaja , 5, 5; PG 70, 1352

 

 

cyrillus van Alexandriê..213.jpg

 

“Maar midden tussen hen door ging Hij zijns weegs”

Christus wilde de hele wereld met Zich meenemen en alle aardbewoners naar God de Vader brengen… De mensen die uit het heidendom komen en die verrijkt zijn met het geloof in Christus, hebben bij de goddelijke schat van de verkondiging, die de redding brengt, veel baat gehad. Daardoor zijn ze deelnemers aan het Koninkrijk van God geworden en medegezellen van de heiligen, en erfgenamen van onuitsprekelijke werkelijkheden (Ef 2,19.3,6)… Christus belooft de genezing en vergeving van zonden aan hen die het hart gebroken hebben, en Hij geeft blinden weer zicht. Waarom zouden zij, die de ware God nog niet herkennen, niet blind zijn? Is hun hart niet verstoken van het goddelijke en geestelijke licht? De Vader zendt hun het licht van de ware kennis van God. Door het geloof geroepen hebben ze Hem gekend; meer nog, ze zijn door Hem gekend. Terwijl ze nog kinderen van nacht en duisternis waren, zijn ze kinderen van het licht geworden (Ef 5,8), want de dag heeft hen verlicht, de Zon der Gerechtigheid is voor hen opgegaan (Ml 3,20), en de morgenster is aan hen in al zijn schittering verschenen (Ap 22,16).

Alles wat wij zojuist gezegd hebben, kan ook toegepast worden op de Israëlieten. Ook zij hadden immers een gebroken hart, ze waren arm en in zekere zin gevangenen, en vervuld met duisternis… Maar Christus is gekomen om eerst aan de Israëlieten vóór de anderen, het doel van zijn komst te laten weten, en om tegelijk een genadejaar (Lc 4,19) en de dag van het oordeel aan te kondigen.

Het genadejaar is dat jaar waarin Christus voor ons gekruisigd werd. Want toen zijn we aangenaam geworden voor God de Vader. En wij dragen vrucht door Christus, zoals Hij het zelf heeft onderricht: “Waarachtig, Ik verzeker jullie: als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven, alleen dan brengt hij rijke vruchten voort” (Jn 12,24). Hij zei ook: “Ikzelf moet van de aarde omhoog geheven worden en zo haal Ik allen naar Mij toe” (Jn 12,32). In werkelijkheid nam Hij het leven op de derde dag weer op zich, na de macht van de dood vertrapt te hebben. Toen zei Hij tegen de leerlingen: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest” (Mt 28,18-19).

bron : http://www.dagelijksevangelie.org

Heb de stilte lief : Isaak de Syriër

 

26.jpg

 

 

Heb de stilte lief boven alle dingen:
zij zal je een vrucht aandragen
die in woorden onmogelijk beschreven kan worden.
In het begin zijn wij het,
die onszelf dwingen te zwijgen.
Maar vervolgens groeit er uit ons zwijgen
iets dat ons tot het zwijgen aantrekt.
Dat God je het gevoel mag schenken van dat iets,
dat uit de stilte geboren wordt!

 

ISAAC VAN NINIVÉ
Syrische woestijnmonnik, 7e eeuw n.C.

Cyprianos van Carthago : jullie moeten zo bidden : Onze Vader

  1. Cyprianus (ca. 200-258), bisschop van Carthago en martelaar
    Het gebed van de Heer, 8 (vert. brevier)

 

Cyprianus-de-Carthago 58.jpg

Cyprianos van Carthago

 

“Juliie moeten zo bidden: Onze Vader”

 

De Leraar van de vrede en Heer van de eendracht, Christus, wil niet dat ieder alleen voor zichzelf bidt. In ons gebed zeggen wij niet: “Mijn Vader die in de hemel zijt”, evenmin: “Geef mij heden mijn dagelijks brood”. Niemand vraagt dat alleen hem zijn schuld wordt vergeven of dat alleen hij niet in bekoring wordt gebracht en voor het kwaad behoed. Het is onze gemeenschap die bidt, voor allen. Wij bidden niet voor één persoon maar voor het gehele volk, want als volk zijn wij één.

De God van de vrede en de Heer van de eendracht, die ons geleerd heeft één te zijn en ons allen tezamen heeft gedragen, wil dat ieder bidt voor allen tezamen. Overeenkomstig dit gebod baden de drie jongelingen in de vuuroven één van geest en één van hart, met één stem … : “Toen hieven de drie mannen als uit één mond een loflied aan en verheerlijkten en prezen God” (Dan. 3,51) …. De apostelen en leerlingen baden op die wijze na de hemelvaart van de Heer: “Zij allen bleven eensgezind volharden in het gebed, samen met de vrouwen, met Maria de moeder van Jezus en met zijn broeders” (Hand. 1, 14). Dat zij zo vermochten te volharden in een eensgezind gebed, toont ons dat God die, zoals de psalm zegt, de eensgezinden in één huis doet wonen (Ps. 68,7 Vulg), alleen hen in zijn goddelijk en eeuwig huis toelaat die eensgezind zijn in het gebed.

http://www.dagelijksevangelie.org

Gregorius de Grote : je zult een schat in de hemel bezitten

  1. Gregorius de Grote (ca. 540-604), paus en kerkleraar Homilie over het Evangelie, nr.5 ; PL 76, 1093 (vert E. Dekkers en G. Bartelink osb)

gregorius de Grote 4876.jpg

Gregorius de Grote

 

“Je zult een schat in de hemel bezitten”

 

      Laat niemand, ook niet wanneer hij ziet dat sommigen veel hebben verlaten, bij zichzelf zeggen: “Ik wil hen die deze wereld verachten navolgen, maar ik heb niets om achter te laten”. Veel verlaat u, broeders en zusters, als u afstand doet van aardse verlangens. Al dat uitwendige, hoe gering ook, is voor God voldoende. Hij weegt immers ons hart en niet ons vermogen. En Hij weegt niet hoeveel men bij het offeren daarvan aanbiedt, maar op hoeveel liefde dit offer berust. … Het Rijk Gods is zoveel waard als je bezit… . Voor Petrus en Andreas was het de achtergelaten netten en het schip waard (Mt 4,20), voor de weduwe twee penningskes (Lc 21,2), voor een ander een beker koud water (Mt 10,42). Het Rijk Gods is dus, zoals wij reeds zeiden, zoveel waard als je bezit. Denkt eens na, broeders en zusters, wat is er goedkoper a Is men het koopt, wat kostbaarder, als men het bezit.       Maar misschien heeft men zelfs geen beker koud water ter beschikking om aan een hulpbehoevende te reiken; ook dan stelt het goddelijk woord ons gerust….: “Ere aan God in den hoge, en vrede op aarde voor de mensen van goede wil” (Lc 2,14). Want voor de ogen van God is de hand nooit zonder gave als de beurs van het hart met goede wil gevuld is… “Hoewel ik uitwendig geen gaven bezit om te offeren, vind ik toch iets binnen in mijzelf om op uw lofaltaar neer te leggen, mijn God….: aan U bevalt het offer op het altaar van het hart (Ps 55,13).

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

Heilige Efraïm de Syriër : Dan zal je scherp genoeg zien

H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, kerkleraar
Sermon 3, 2.4-5

 

“Dan zal je scherp genoeg zien”

 

Door de stralende dag die U kent,

duw de duistere nacht weg, Heer,

ephraim_the_syrian2 28 januari.jpgopdat verlichte intelligentie

U dient met nieuwe zuiverheid.

Het begin van de omloop van de zon

markeert voor de stervelingen het begin van het werk;

bereid in onze zielen, Heer,

een woning voor die dag zonder einde.

Maak dat we in onze persoon

het verrezen leven zien

en vervul onze harten met uw eeuwig genot.

Druk in ons Heer, door onze trouw om U te dienen,

het teken van die Dag die niet afhangt

van het opkomen of de omloop van de zon.

Iedere dag omhelzen we U in de sacramenten

en we ontvangen U in ons lichaam:

sta ons toe dat we in onszelf

de verrijzenis waarop we hopen, ervaren.

Wees voor onze gedachten, Heer,

de vleugels die ons optillen in de hoogten

en ons brengen bij onze ware verblijfplaats.

Wij verbergen door de genade van de doop,

een schat in ons lichaam …

Konden we maar begrijpen tot welke schoonheid

wij geroepen zijn door de geestelijke schoonheid

die uw onsterfelijke wil in ons wakker maakt…

Dat uw verrijzenis, Jezus,

in ons de innerlijke mens laat groeien (cf Ef 3,16),

en dat het schouwen van uw mysteriën

de spiegel is, waarin we U van aangezicht tot aangezicht kunnen zien (cf 1Kor 13,12).

Maak dat we ons haasten, Heer, naar ons heilig vaderland,

en om het vanaf nu reeds te bezitten door het te schouwen,

zoals Mozes het heilige land

heeft gezien vanaf de top van de berg (Dt 34,1).

 

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

Cyprianus van Carthago :God dag en nacht dienen

  1. Cyprianus (ca. 200-258), bisschop van Carthago en martelaar
    Over het Onze Vader; PL 4, 544

 

Cyprian van Carthago.jpg

Cyprianus van Carthago

“God dag en nacht dienen”

 

In de heilige Schriften is Christus de ware zon en de ware dag; daarom is voor de christenen geen enkel uur uitgesloten, zonder ophouden en altijd moet men God aanbidden. Laten we, omdat we in Christus zijn, dat wil zeggen in het ware licht, gedurende de dag smeken en bidden. En wanneer volgens het tijdsverloop de nacht na de dag terugkomt, verhindert niets van de nachtelijke duisternis ons om te bidden: voor de kinderen van het licht (1Tes 5,5) is het altijd dag, zelfs ’s nachts. Wanneer is degene die het licht in zijn hart heeft, dan zonder licht? Wanneer ontbreekt dan de zon, wanneer is het dan geen dag meer voor degene voor wie Christus Zon en Dag is?

Verlaten we het gebed dus niet tijdens de nacht. Zo verkreeg Hanna, de weduwe, de gunst van God door te volharden in het gebed en in het waken, zoals er in het Evangelie staat geschreven: “Ze was altijd in de tempel en diende God dag en nacht met vasten en bidden”… Dat de luiheid en de nonchalance ons niet verhinderen om te bidden. Door de barmhartigheid van God zijn we herschapen in de heilige Geest en wij zijn herboren. Laten we dus al zijn wat we zullen worden. Wij moeten in een koninkrijk wonen waar er geen nacht meer bestaat, waar de zon onafgebroken zal schijnen, laten we nu al waken gedurende de nacht alsof het volop dag is. Wij zijn tot gebed geroepen en om God in de hemel onafgebroken te danken, laten we nu al beginnen om zonder ophouden te bidden en hierbeneden al dank te zeggen.

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

Gregorius van Nazianze :“U hebt de mens wonderbaarlijk geschapen, U hebt om nog wonderbaarlijker wijze zijn waardigheid hersteld” (Collecta)

  1. Gregorius van Nazianze (330-390), bisschop en kerkleraar Sermon nr. 38, voor de Geboorte van Christus ; PG 36, 311v

 

gregorius van Nazianze (2).jpg

Gregorius van Nazianze

 

“U hebt de mens wonderbaarlijk geschapen, U hebt om nog wonderbaarlijker wijze zijn waardigheid hersteld” (Collecta)

 

Jezus Christus is geboren, breng Hem hulde! Christus is nedergedaald uit de hemel, ga Hem haastig tegemoet! Christus is op aarde, verheerlijk Hem! “Zing voor de Heer, heel de aarde. Laat de hemel verheugd zijn, laat de aarde juichen” (Ps 96,1.11). Hij komt vanuit de hemel bij de mensen wonen; jubel van vrees en vreugde: vrees om de zonden, vreugde om onze hoop. Vandaag zullen de schaduwen verdwijnen en het licht zal over de wereld opgaan; zoals vroeger in Egypte de duisternis werd verslagen, verlicht vandaag een kolom van vuur Israël. O volk, dat gezeten was in de duisternis van de onwetendheid, schouw vandaag dit enorme licht van de ware kennis, want “de oude wereld is voorbij, het nieuwe is er al” (2Kor 5,17). De wet trekt zich terug, de geest overwint (Rom 7,6); de schaduw gaat voorbij, de werkelijkheid verschijnt (Kol 2,17). Degene die ons het bestaan heeft geschonken, wil ons ook vervullen met geluk; dat geluk wat de zonde ons liet verliezen, wordt door de menswording van de Zoon weer gebracht… Zo is deze plechtigheid: wij begroeten vandaag de komst van God onder de mensen, opdat wij niet zouden komen tot bij God, maar terugkomen bij God; opdat we ons ontdoen van de oude mens en ons bekleden met de nieuwe mens (Kol 3,9); opdat wij, die dood waren in Adam, leven in Christus (1Kor 15,22)… Laten we deze dag vieren, deze dag is gevuld met goddelijke vreugde, niet met wereldse vreugde, maar ware hemelse vreugde. Wat een feest is dit mysterie van Christus! Hij is mijn voltooiing, mijn nieuwe geboorte.

bron : http://www.dagelijksevangelie.org

Anastasius van Antiochië : Hij is toch geen God van doden, maar van levenden

  1. Anastasius van Antiochië (?-599), monnik en daarna patriarch van Antiochië Overweging 5, over de Verrijzenis; PG 89, 1358

 

“Hij is toch geen God van doden, maar van anastasius van antiochie.jpglevenden”

 

       “Christus heeft de dood en vervolgens het leven gekend om de Heer te worden van de doden en de  levenden” (Rom 14,9); “God is niet de God van de doden, Hij is de God van levenden”. Aangezien de Heer van de doden leeft, zijn de doden niet meer doden maar levenden; het leven regeert in hen, opdat zij leven en de dood niet meer vrezen, evenals “Christus, verrezen uit de doden niet meer sterft” (Rom 6,9). Verrezen en bevrijd van de vergankelijkheid, zullen zij de dood niet meer zien; zij zullen aan de opstanding van Christus deelnemen, zoals Hijzelf deel nam aan hun dood. Immers als Hij op aarde is gekomen, welke tot dan toe de eeuwige gevangenis was, was dat om “de bronzen deuren te breken en de ijzeren grendels te verbrijzelen” (Jes 45,2), om ons leven uit de vergankelijkheid te trekken door het naar zich toe te trekken, en ons de vrijheid te geven in plaats van de slavernij.       Als dit heilsplan nog niet ten volle is verwezenlijkt, want de mensen sterven nog altijd en hun lichamen worden ontbonden door de dood, moet dat geen reden van ongeloof zijn. Nu reeds hebben wij de eerste vruchten ontvangen van wat ons werd beloofd, in de persoon van Degene die onze eerstgeborene is: “Met Hem, heeft Hij ons doen opstaan; Hij heeft ons met Hem in de hemelen laten regeren, in Christus Jezus” (Ef 2,6). Wij zullen de volle realisatie van deze belofte bereiken, als de tijd komt die door de Vader wordt bepaald, wanneer wij ons van de kinderjaren zullen ontdoen en “de staat van de volmaakte mens” hebben bereikt (Ef 4,13). Want de eeuwige Vader heeft gewild dat de gave die Hij ons heeft gedaan krachtig blijft… De apostel Paulus heeft het verklaard, want hij wist goed, dat het aan de gehele mensheid moest gebeuren door Christus, die ons armzalige lichaam naar het voorbeeld van zijn verheerlijkt lichaam zal omvormen” (Fil 3,21)… Het verheerlijkte lichaam van Christus is niet verschillend van het lichaam “in zwakte, zonder waarde gezaaid” (1Kor 15,43); het is hetzelfde lichaam dat in heerlijkheid wordt veranderd. En wat Christus heeft verwezenlijkt door zijn eigen mensheid, als eerste van onze natuur, naar de Vader te brengen, zal Hij volgens zijn belofte voor de hele mensheid doen: “Wanneer Ik van aarde zal worden opgeheven, zal Ik alle mensen tot Mij trekken” (Joh  12,32).

bron : http://www.dagelijksevangelie.org

Ireneus van Lyon : ik zeg u : Elia is reeds gekomen

  1. Ireneus van Lyon (ca130-ca 208), bisschop, theoloog en martelaar Tegen de ketterij, III, 10-11

 

Irenaeus_of_Lyons_202.jpg“Ik zeg u: Elia is reeds gekomen”

 

      Over Johannes de Doper, lezen we bij Lucas: “Hij zal groot zijn voor het aanschijn van de Heer, en vele zonen van Israël zal hij doen omkeren naar de Heer, hun God. Hij zal uitgaan voor zijn aanschijn met de geest en kracht van Elia om voor de Heer een goed toegerust volk gereed te maken” (Lc 1,15v). Voor wie heeft hij een volk gereed gemaakt en voor welke Heer was hij groot? Ongetwijfeld voor degene die gezegd heeft, dat Johannes “meer dan een profeet” was en dat “onder wie uit vrouwen geboren zijn, niemand ontwaakt is, die groter was dan Johannes de Doper” (Mt 11,9.11). Want Johannes bereidde een volk voor, door van te voren aan zijn mede-dienstknechten de komst van de Heer aan te kondigen en door hen over bekering te prediken. Opdat zij, als de Heer komt, in staat zouden zijn om zijn vergeving te ontvangen en opdat ze bij Hem terug zouden komen, van wie ze door hun zonden en hun overtredingen verwijderd waren… Daarom, door ze terug te brengen bij hun Heer, maakte Johannes voor de Heer een goed toegerust volk gereed, in de geest en kracht van Elia…       Johannes de Evangelist heeft ons gezegd: “Een mens wordt uitgezonden van bij God, Johannes is zijn naam. Hij komt tot getuigenis: om te getuigen van het Licht… Niet hijzelf was het Licht, nee, hij moest getuigen van het Licht (Joh1,6-8). Die wegbereider, Johannes de Doper, die getuigde van het licht, werd ongetwijfeld door God gestuurd, die … had beloofd door de profeten om zijn boodschapper voor het aanschijn van zijn Zoon uit zou sturen, om voor Hem de weg gereed te maken (Mal 3,1; Mc 1,2), dat wil zeggen om te getuigen van het Licht in de geest en kracht van Elia… Juist omdat Johannes een getuige is, heeft de Heer gezegd dat hij meer is dan een profeet. Alle andere profeten hebben de komst van het licht van de Vader aangekondigd en verlangden om waardig te zijn om Degene die ze predikten te zien. Johannes heeft net als zij geprofeteerd maar hij heeft Zijn aanwezigheid gezien, hij heeft Hem aangewezen en heeft velen overtuigd om in Hem te geloven, zodat hij tegelijkertijd de plaats van een profeet en van een apostel had. Daarom heeft Christus van hem gezegd dat hij “meer dan een profeet” was.

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

Basilios de Grote : Ga uit naar wegen en akkers…om mensen binnen te laten komen; want mijn huis moet vol zijn

De Goddelijke Liturgie van de Heilige Basilius (4e eeuw)  Eucharistisch gebed, 1e deel

Basilius de grote 2.jpg

Heilige Basilios

 

“Ga uit naar wegen en akkers… om mensen binnen te laten komen; want mijn huis moet vol zijn”

 

      Heilig, heilig, heilig, U bent waarlijk heilig, Heer onze God, er is geen enkele beperking aan uw grootheid: U hebt met recht en gerechtigheid over alle dingen beschikt. U hebt de mens gevormd met het slijk van deze aarde, en U hebt hem vereerd met het beeld van God zelf, U hebt hem in het Paradijs vol met heerlijkheden geplaatst en hem de onsterfelijkheid en de vreugde van eeuwige goederen beloofd, als hij zich aan de geboden hield. Maar hij heeft uw gebod overtreden, ware God, en verleid door de sluwheden van de slang werd hij slachtoffer van zijn eigen zonde, hij heeft zich aan de dood onderworpen. Door uw rechtvaardige oordeel werd hij van het Paradijs verbannen naar onze wereld, teruggestuurd naar de aarde waaruit hij getrokken werd.       Maar U regelde voor hen het heil door de nieuwe geboorte in Christus, want U hebt uw schepsel, dat U in uw goedheid had geschapen, niet voor altijd verworpen; U hebt op vele wijzen met de grootheid van uw barmhartigheid, over haar gewaakt. U hebt de profeten gestuurd, U hebt wonderen gedaan door heiligen, die U in iedere generatie aangenaam waren; U hebt de Wet gegeven om ons te redden; U hebt engelen aangesteld om over ons te waken.       Toen de volheid der tijden kwam, hebt U tot ons gesproken door uw eniggeboren Zoon, door wie U het universum hebt geschapen; Hij is de schittering van uw glorie en het beeld van uw natuur; Hij draagt alles door zijn machtige woord; Hij heeft niet zijn gelijkheid aan God opgeëist, maar de God van de eeuwigheid is op aarde verschenen, Hij heeft met de mensen geleefd, is vlees geworden door de Maagd Maria, heeft zijn toestand als slaaf aanvaard, heeft ons gebrekkig lichaam aangenomen, om ons gelijk te maken aan zijn verheerlijkt lichaam (Heb 1,2-3;Fil 2,6-7;3,21).       Aangezien door de mens de zonde in de wereld gekomen is, en door de zonde de dood, heeft uw eniggeboren Zoon, Hij die eeuwig in uw schoot was, O Vader, maar die uit een vrouw geboren is, het zich tot taak gesteld om de zonde in zijn lichaam te veroordelen, opdat zij die in Adam stierven, het leven in Christus hadden (Rm 5,12;8,3). Door in deze wereld te leven heeft Hij ons heilsvoorschriften gegeven, en heeft Hij ons afgekeerd van de vergissingen van de afgoden, en heeft ons gebracht tot het kennen van U, ware God. Daardoor heeft Hij ons voor zich gewonnen als een uitverkoren volk, een koninklijk priesterschap, een heilige natie (1P 2,9).

Uit : http://www.dagelijksevangelie.org

 

   

 

Basilios de Grote :”Ga uit naar wegen en akkers…

De Goddelijke Liturgie van de Heilige Basilius (4e eeuw)

Eucharistisch gebed, 1e deel

 

Basilios de Grote aartsbisschop van Caesarea in Cappadocia.jpg

Basilios de Grote

 

“Ga uit naar wegen en akkers… om mensen binnen te laten komen; want mijn huis moet vol zijn”

Heilig, heilig, heilig, U bent waarlijk heilig, Heer onze God, er is geen enkele beperking aan uw grootheid: U hebt met recht en gerechtigheid over alle dingen beschikt. U hebt de mens gevormd met het slijk van deze aarde, en U hebt hem vereerd met het beeld van God zelf, U hebt hem in het Paradijs vol met heerlijkheden geplaatst en hem de onsterfelijkheid en de vreugde van eeuwige goederen beloofd, als hij zich aan de geboden hield. Maar hij heeft uw gebod overtreden, ware God, en verleid door de sluwheden van de slang werd hij slachtoffer van zijn eigen zonde, hij heeft zich aan de dood onderworpen. Door uw rechtvaardige oordeel werd hij van het Paradijs verbannen naar onze wereld, teruggestuurd naar de aarde waaruit hij getrokken werd.

Maar U regelde voor hen het heil door de nieuwe geboorte in Christus, want U hebt uw schepsel, dat U in uw goedheid had geschapen, niet voor altijd verworpen; U hebt op vele wijzen met de grootheid van uw barmhartigheid, over haar gewaakt. U hebt de profeten gestuurd, U hebt wonderen gedaan door heiligen, die U in iedere generatie aangenaam waren; U hebt de Wet gegeven om ons te redden; U hebt engelen aangesteld om over ons te waken.

 Toen de volheid der tijden kwam, hebt U tot ons gesproken door uw eniggeboren Zoon, door wie U het universum hebt geschapen; Hij is de schittering van uw glorie en het beeld van uw natuur; Hij draagt alles door zijn machtige woord; Hij heeft niet zijn gelijkheid aan God opgeëist, maar de God van de eeuwigheid is op aarde verschenen, Hij heeft met de mensen geleefd, is vlees geworden door de Maagd Maria, heeft zijn toestand als slaaf aanvaard, heeft ons gebrekkig lichaam aangenomen, om ons gelijk te maken aan zijn verheerlijkt lichaam (Heb 1,2-3;Fil 2,6-7;3,21).

Aangezien door de mens de zonde in de wereld gekomen is, en door de zonde de dood, heeft uw eniggeboren Zoon, Hij die eeuwig in uw schoot was, O Vader, maar die uit een vrouw geboren is, het zich tot taak gesteld om de zonde in zijn lichaam te veroordelen, opdat zij die in Adam stierven, het leven in Christus hadden (Rm 5,12;8,3). Door in deze wereld te leven heeft Hij ons heilsvoorschriften gegeven, en heeft Hij ons afgekeerd van de vergissingen van de afgoden, en heeft ons gebracht tot het kennen van U, ware God. Daardoor heeft Hij ons voor zich gewonnen als een uitverkoren volk, een koninklijk priesterschap, een heilige natie (1P 2,9).

Basilius van Caesarea : Dit is het ….eerste gebod. Het tweede is daarmee gelijkwaardig

H. Basilius (ca 330-379), monnik en bisschop van Caesarea in Cappadocië, kerkleraar
Grote Monastieke Regels § 3 (vert. Sionline)

 

Basilios de Grote5.jpg

 

   “Dit is het … eerste gebod. Het           tweede is daarmee gelijkwaar­dig”

 

      Wij hebben het voorschrift ontvangen om onze naaste lief te hebben als onszelf. Maar heeft God ons niet ook een natuurlijk vermogen gegeven om dit te doen?… Niets behoort zo wezenlijk tot onze natuur als het feit, dat wij sociale wezens zijn, dat wij elkaar nodig hebben en dat wij onze soortgenoten beminnen. De Heer zelf heeft in ons de kiem van deze eigenschappen gelegd en vraagt nu ook consequent de vruchten ervan, want Hij zegt: “Een nieuw gebod geef Ik u: Bemin elkander ” [Joh 13,34].

      Toen Hij onze ziel wilde opwekken tot het vervullen van dit gebod, vroeg Hij, als herkenningsteken van zijn leerlingen, geen tekenen of wonderen (ook al had Hij hun de macht gegeven om uit de kracht van de Heilige Geest wonderen te doen), maar wat zegt Hij? “Hieraan zullen allen erkennen, dat jullie mijn leerlingen zijn, wanneer jullie elkander liefhebben” [Joh13,35]. En deze twee geboden verbindt Hij zo nauw met elkaar, dat Hij de weldaad aan de naaste bewezen op Zichzelf betrekt. “Want Ik was hongerig,” zegt Hij”, en u hebt Mij te eten gegeven, enzovoort.” En Hij voegt eraan toe: “Wat u voor één van mijn geringste broeders hebt gedaan, dat hebt u voor Mij gedaan” [Mt 25,35.40].

      Daarom is het ook mogelijk het tweede gebod te onderhouden, doordat men het eerste onderhoudt, en door middel van het tweede gebod weer terug te keren tot het eerste. Degene, die de Heer bemint, bemint derhalve ook zijn naaste. “Zo iemand Mij liefheeft,” zegt de Heer, “zal hij mijn woord onderhouden,” [Joh 14,23] en even verder: “Dit is mijn gebod: Heb elkander lief zoals Ik u heb bemind” [Joh 15,12]. En men kan dit omkeren en zeggen: Wie zijn naaste bemint, die vervult ook de liefde die hij tegenover God verplicht is, want God aanvaardt deze weldaad alsof het aan Hemzelf bewezen was.

Isaak de Syrier : “Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aan­schouwd”

H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, kerkleraar
Hymne over de verrijzenis

 

Isaak de Syriër55.jpg

Isaak de Syrier

 

“Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aan­schouwd”

 

Jezus, onze Heer, Christus,

is aan ons verschenen uit de schoot van zijn Vader.

Hij is gekomen en heeft ons uit de duisternis getrokken

en heeft ons verlicht met zijn vreugdevol licht.

De dag is voor de mensen begonnen;

de macht van de duisternis is verjaagd.

Uit zijn licht is voor ons een licht opgegaan

dat onze verduisterde ogen heeft verlicht.

Hij heeft zijn heerlijkheid over de wereld laten opgaan

en heeft de diepste afgronden verlicht.

De dood is vernietigd, aan de duisternis is een einde gekomen.

De poorten van de hel zijn in stukjes.

Hij heeft alle schepselen verlicht,

die verduisterd waren sinds oude tijden.

Hij heeft de redding verwerkelijkt en ons het leven gegeven;

Vervolgens zal Hij komen in zijn heerlijkheid

en zal Hij de ogen van allen die op Hem hebben gewacht, verlichten.

Onze Koning komt in zijn heerlijkheid:

laten we onze lampen aansteken, laten we Hem tegemoet gaan (Mt 25,6);

verheugen we ons om Hem zoals Hij zich verheugt om ons

en ons verheugt door zijn heerlijk licht.

Mijn broeders en zusters, sta op, maak u gereed

om dank te brengen aan onze Koning en Redder

die zal komen in zijn heerlijkheid en ons zal verheugen

met zijn vreugdevol licht in het Koninkrijk. 

bron : http://www.dagelijksevangelie.org

Gregorius de Grote : Onze lampen gaan uit

H. Gregorius de Grote (ca. 540-604), paus en kerkleraar
Homilie over de Evangeliën, 12 ; PL 76, 1119-1120

 

Gregorios de grote 813.jpg

Gregorius de Grote

“Onze lampen gaan uit”

 

      “De vijf domme meisjes namen wel hun lampen mee, maar geen olie. Maar de verstandigen namen ook olie mee in kruiken, niet alleen lampen.” Olie betekent hier de glans van de heerlijkheid; de lampen zijn onze harten, waarin we al onze gedachten dragen. De verstandige meisjes dragen olie in hun lampen, omdat ze in hun geweten de glans van de heerlijkheid bewaren, zoals Paulus het zegt: “Wat onze heerlijkheid maakt is het getuigenis van ons geweten”  (2Kor 1,12). De dwaze maagden daarentegen hebben geen olie bij zich, omdat ze hun heerlijkheid niet in het geheim van hun hart dragen, dat wil zeggen,dat ze de lofzangen van anderen vragen.

      “Midden in de nacht klonk er geroep: ‘Daar is de bruidegom! Ga hem tegemoet!’” Toen stonden alle meisjes op. Maar de lampen van de domme meisjes gingen uit door hun werken, die van buitenaf stralend hadden geleken in de ogen van de mensen, maar van binnen niet meer dan duisternis bleken te zijn bij de aankomst van de Rechter; en ze ontvangen van God geen enkele beloning, ze hadden deze geliefde lofzangen voor zichzelf al van de mensen ontvangen. 

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org