cyprianos

H. Cyprianus (ca. 200-258), bisschop van Carthago en martelaar
De weldaden van het geduld, 15-16 ; SC 291

 

Cyprianus-de-Carthago 58.jpg

Cyprianus van Carthago

“Maar Ik zeg u, geen weerstand te bieden aan het onrecht

 

 

“Verdraag elkaar in liefde, doe alles wat in uw macht is om de eenheid van geest te bewaren in de band van vrede” (Ef 4,3). Het is niet mogelijk de eenheid noch de vrede te bewaren als de broeders en zusters elkaar niet bemoedigen door een stilzwijgende ondersteuning, door de band van een goede verstandhouding dankzij het geduld…

Vergeef je broeder die in jouw ogen dingen fout heeft gedaan, niet alleen zeventig keer zeven, maar absoluut al zijn fouten. Hou van je vijanden, bid voor al je tegenstanders en je vervolgers – hoe moet je er komen als men niet sterk is in geduld en welwillendheid? Dat zien we bij Stefanus…: in plaats van te vragen om wraak, vraagt hij vergiffenis voor zijn beulen door te zeggen: “Heer, reken hun deze zonde niet aan” (Hand 7,60). Zie wat de eerste martelaar van Christus heeft gedaan…, die niet alleen verkondiger van het Lijden van Christus is, maar navolger van zijn zeer geduldige vriendelijkheid.

Wat te zeggen van de woede, van de onenigheid, van de rivaliteit? Ze hebben geen plaats bij een christen. Het geduld moet in zijn hart wonen; men zal er ook niet een van deze kwaden vinden… De apostel Paulus waarschuwt ons: “Bedroef Gods heilige Geest niet… Alle wrok, drift, woede, geschreeuw en gevloek, kortom: alle boosaardigheid moet bij u verdwijnen” (Ef 4, 30-31). Als de christen aan de dwalingen en de aanvallen van onze natuur ontsnapt, als aan een woeste zee, als hij zich vestigt in de haven van Christus, in de vrede en de rust, dan moet hij in zijn hart noch de woede, noch de onenigheid toelaten. Het is hem niet toegestaan om kwaad met kwaad te vergelden (Rm 12,17), noch om haat te koesteren.

http://www.dagelijksevangelie.org

 

 

http://www.dagelijksevangelie.org

andreas van creta : “Ik verga hier van de honger. Ik ga weer naar mijn vader”

 

2cddca68bed61292b54a0e12e878c504.jpg

 

H. Andreas van Kreta (660-740), monnik en bisschop 

Grote canon van de orthodoxe liturgie voor de veertigdagetijd, 1ste ode

Andreas aartsbisschop van Creta.jpg

Andreas van Creta

 

“Ik verga hier van de honger. Ik ga weer naar mijn vader”

Waar moet ik beginnen mijn levenswerken te bewenen?

wat zullen de eerste tonen van dit treurlied zijn?
Ach Christus, schenk mij, in uw barmhartigheid, vergeving van zonden.

Zoals de pottenbakker de klei kneedt,
zo hebt U, mijn Schepper, mij vlees en botten, adem en leven gegeven.
Heer die mij hebt geschapen, mijn rechter en mijn Verlosser,
breng me vandaag naar U terug.

Ach, mijn Verlosser, voor u beleid ik mijn zonden.
Ik ben gesneuveld door de slagen van de Vijand,
en zie hier de verwondingen waarmee mijn moordende gedachten, als rovers,
mijn ziel en mijn lichaam hebben omgebracht.

Ik heb gezondigd, Verlosser, maar ik weet, U houdt van de mens.
U straft ons met uw tederheid
en uw barmhartigheid is verschroeiend.
U ziet mijn tranen en U komt naar me toe
zoals de Vader zijn verloren zoon verwelkomt.

Ach mijn Verlosser, vanaf mijn jeugd heb ik uw geboden geminacht.
in hartstocht en onwetendheid heb ik mijn leven doorgebracht.
Nu roep ik U aan: redt mij, voordat de dood komt…

Het erfdeel van mijn ziel heb ik verkwist in leegte
Ik beschik niet over de vruchten van ijver, maar ik heb honger.
Ik schreeuw: Vader vol van tederheid, kom tot mij, neem mij op in uw barmhartigheid.

Die door de rovers werd mishandeld,
dat ben ik, te midden van de dwalingen van mijn gedachten.

Ze slaan mij, ze verwonden mij.
Maar buig U over mij, Christus Redder, en genees me.

De priester zag me en keerde zich af.
De leviet zag me, naakt en lijdend, maar ging ook voorbij.
Maar U, Jezus geboren uit Maria, U blijft staan en U redt mij…

Ik werp me aan uw voeten, Jezus,
Ik heb gezondigd tegen uw liefde.
Verlos mij van deze te zware last
en ontvang me in uw barmhartigheid

Vonnis mij niet,
onthul niet mijn daden,
breng mijn motieven en verlangens niet aan het licht,
maar sluit, in uw ontferming, oh Almachtige,
uw ogen voor wat ik misdeed, en redt mij.

De tijd van berouw is gekomen. Ik kom tot U.
Verlos mij van de zware last van mijn zonden
en schenk mij, in al uw tederheid, tranen van berouw.

 

banner258.jpg

http://www.dagelijksevangelie.org

Heiligenleven : Polycarpus van Smyrna

banner47.jpg

Heiligenleven

Heilige Polykarpos van Smyrna

 

polycarpos.jpg

 

De heilige Polykarpos, bisschop van Smyrna, was samen met de Godsdrager Ignatios leerling van de apostel Johannes. Hij was geboren in de gevangenis van Efese, waar zijn ouders direct na zijn geboorte als christen ter dood werden gebracht. Een christen weduwe, Kallistis, voedde hem op en gaf hem de naam van zijn vader, Pankratios. Hij leerde van haar milddadig te zijn voor de armen, maar in jeugdige onbesuisdheid had hij eens de gehele wintervoorraad weggegeven. Niet onbegrijpelijk was zijn beschermster toen in alle staten, maar de jongen ging naar de ledige schuur, bad vurig tot God, en de volgende dag was de schuur weer gevuld als tevoren. Toen de weduwe dit wonder zag, noemde ze de jongen voortaan Polykarpos om de rijke vrucht die hij gebracht had.

Toen hij 25 jaar oud was, kwam de grote apostel Johannes in de stad wonen. Met zijn vrienden Ignatios en Boekolos ging hij naar hem toe om alles over Christus te horen, en zij bleven bij hem. Toen Johannes naar Patmos verbannen werd, wijdde hij Boekolos tot bisschop van Smyrna en gaf hem Polykarpos mee als metgezel, terwijl Prochoros met Johannes meeging.
Na de dood van Boekolos werd Polykarpos op zijn beurt bisschop van Smyrna. Ook hier toonde hij steeds opnieuw zijn oude vrijgevigheid en hij won de algemene liefde door zijn vaderlijke zorg voor armen en rechtenlozen‚ en daaronder vooral de martelaren. Toen de vervolging opnieuw in alle hevigheid losbrak, presten de gelovigen hun bisschop zich buiten de stad in veiligheid te brengen op een klein landgoed. Daar bad hij dag en nacht voor allen en voor alle kerken ter wereld, zoals hij gewoon was. In een droom voorzag hij dat hij de vuurdood zou sterven, en toen dan ook enkele jongens uit de omgeving aangehouden en gemarteld waren om zijn verblijfplaats te verraden, verschool hij zich niet langer maar ging naar de soldaten die gestuurd waren om hem gevangen te nemen. Dezen verbaasden zich dat zij uitgezonden waren tegen zulk een eerbiedwaardige grijsaard, want Polykarpos was 86 jaar en hij toonde een grote gemoedsrust. Hij liet de groep een maaltijd voorzetten en vroeg verlof om intussen zijn gebeden te doen.
Staande bad hij toen gedurende twee uur met luide stem voor allen die hij ooit gekend had, kleinen en groten, aanzienlijken en verachten‚ en voor heel de katholieke kerk over heel de wereld. Op een ezel werd hij daarna naar de stad gebracht. De vervolger kwam hem in een rijtuig tegemoet, liet hem naast zich plaatsnemen en poogde hem met allerlei argumenten over te halen om te offeren voor de goddelijke keizer, maar toen Polykarpos weigerde, werd hij uit de wagen geworpen, zodat hij met een gewond scheenbeen verder naar het stadion moest lopen.
Toen de proconsul er bij hem op aandrong Christus te vervloeken om vrijgelaten te worden, antwoordde Polykarpos: ‘Zes en tachtig jaar dien ik Hem en Hij heeft mij geen enkel onrecht aangedaan; hoe kan ik dan mijn Koning vervloeken?’ Daarna werd hij veroordeeld om verbrand te worden. Een heraut maakte dit in het stadion bekend, en heel het opgehitste volk trok erop uit om overal brandhout bij elkaar te grijpen uit badhuizen en werkplaatsen, zodat er in een minimum van tijd een grote brandstapel was opgericht. Op zijn verzoek werd Polykarpos niet aan de paal vastgespijkerd, omdat hij beloofde te zullen blijven staan; wel bond men hem de handen op de rug.
Nadat hij zich met een plechtig gebed aan God had opgedragen, werd het vuur aangestoken, dat onmiddellijk met een geweldige vlam omhoog schoot. De vlammen stonden echter als een zeil om hem heen, en Polykarpos scheen zelf ongedeerd. De beul kreeg toen opdracht hem met een lans te doorboren. Polykarpos stierf, maar de stroom van zijn bloed doofde het vuur.
Dit is een samenvatting uit een uitvoerig ooggetuigenverslag, misschien de oudste martelaarsakte die tot ons gekomen is. Daarin wordt aangegeven dat zijn dood zou hebben plaatsgevonden op de 23e februari, maar tegelijk wordt die dag de grote sabbath genoemd.

 

st.Silouan the  Athonite.jpg

Efrem de Syriër : “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld”

H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, kerkleraar
Sermon over de Transfiguratie (toegekend) 1,3-4)

 

efrem de Syrier7.jpg

Efrem de Syriër

“Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld”

Hij zal hen de berg op leiden om hen de glorie van zijn goddelijkheid te laten zien en om aan hen te openbaren dat Hij de Verlosser van Israël was, zoals zijn profeten dat onthuld hadden … Zij hadden Hem zien eten en drinken, zich zien vermoeien en rusten, zien indutten en slapen, Hem bang zien worden tot zijn zweetdruppels bloed werden, allerlei zaken die nauwelijks in overeenstemmming leken met zijn goddelijke natuur, maar slechts met zijn menselijke. Daarom zal Hij hen de berg op leiden, opdat de Vader Hem “mijn Zoon” noemt en hen toont dat Hij werkelijk zijn Zoon was en dat Hij God was.

Hij zal hen de berg op leiden en hen zijn majesteit laten zien alvorens te lijden, zijn macht alvorens te sterven, zijn glorie alvorens te worden beschimpt en zijn eer alvorens tot schande te worden gemaakt. Op deze wijze zouden zijn apostelen begrijpen dat Hij, wanneer Hij gegrepen en gekruisigd zal zijn, dit niet geweest is uit zwakte, maar uit vrije wil en ermee instemmend voor de redding van de wereld.

Hij zal hen de berg op leiden en hen, alvorens te verrijzen, de glorie van zijn Goddelijkheid laten zien. Opdat zijn discipelen zouden getuigen dat hij, wanneer Hij zou opstaan uit de dood in de glorie van zijn Goddelijkheid, deze glorie niet ontving als beloning voor zijn lijden, alsof Hij die nodig had, maar dat deze Hem al ver voor de eeuwen toebehoorde, met de Vader en in de Vader, zoals Hij dat zelf zegt bij het naderen van zijn vrijwillige lijdensweg: “Gij, Vader, verheerlijk Mij thans bij Uzelf en geef Mij de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld bestond” (Joh 17,5).

http://www.dagelijksevangelie.org

Isaak de Syriër : “Toen verliet de duivel Hem”

Izaak de Syriër (7e eeuw), monnik nabij Mossoel
Ascetische overwegingen 1ste serie, nr. 85
 
 

isaak de syrier5.jpg

 
“Toen verliet de duivel Hem”
    
 
 
  Evenals het verlangen naar het licht de gezonde ogen volgt, zo volgt ook het verlangen naar het gebed het vasten, dat gehouden wordt met onderscheidingsvermogen. Als een mens begint met vasten, wenst hij in de gedachten van zijn geest, één te worden met God. Het lichaam dat vast, verdraagt het immers niet om de hele nacht op bed te slapen. Als het vasten de mond van de mens verzegeld heeft, mediteert deze in een toestand van boetvaardigheid, zijn hart bidt, zijn gezicht is ernstig, de slechte gedachten verlaten hem; hij is de vijand van hebzucht en ijdele gesprekken. Men heeft nog nooit een mens, die beheerst werd door slechte verlangens, zien vasten met onderscheidingsvermogen. Het vasten dat met onderscheidingsvermogen geleid wordt, is een grote verblijfplaats dat al het goede beschermt…
      Want het vasten is een bevel, dat gegeven werd vanaf het begin van onze natuur, om het te beschermen tegen het eten van de vrucht van de boom (Gn 2,17), daar komt hetgeen ons misleidt vandaan… Daar is de Verlosser ook begonnen, Hij heeft zich aan de wereld geopenbaard in de Jordaan. Na de doop heeft de heilige Geest Hem de woestijn ingeleid, waar Hij veertig dagen en veertig nachten heeft gevast.
      Allen die op weg gaan om Hem te volgen, doen voortaan hetzelfde: op dat fundament zetten ze het begin van hun strijd, want dat wapen is gesmeed door God… En wanneer nu de duivel dat wapen in handen van een mens ziet, begint deze tegenstander en tiran bang te worden. Hij herinnert zich al snel dat hij verslagen werd door de Heer in de woestijn, hij herinnert het zich, en zijn kracht is gebroken. Hij kwijnt weg als hij het wapen ziet, dat ons gegeven is door Degene die ons in de strijd leidt. Welk wapen is het meest krachtig en doet het hart weer opleven in de strijd tegen de geesten van het kwaad?

 

Petrus chrysologus : dan zullen ze vasten

H. Petrus Chrysologus (ca 406-450) bisschop van Ravenna en kerkleraar
Homilie over het gebed, het vasten en de barmhartigheid ; PL 52, 320 

 

Peter Chrysologus en Cassian.jpg

Petrus Chrisologus en Cassianus

 

“Dan zullen ze vasten”

 

Drie dingen zijn er, broeders en zusters, drie dingen waardoor ons geloof sterk staat, onze toewijding standvastig is en onze deugd blijvend, namelijk gebed, vasten en barmhartigheid. Door te bidden kloppen wij aan, door te vasten verkrijgen wij, door barmhartigheid ontvangen wij. Gebed, vasten en barmhartigheid: deze drie zijn één, zij geven elkaar het leven. Immers de ziel van het gebed wordt door het vasten gevormd en het vasten leeft pas echt als wij barmhartigheid tonen. Laat niemand deze drie uit elkaar trekken, want zij willen niet gescheiden worden. Wie er dus van de drie slechts één bezit of ze niet tegelijk beoefent, bezit niets. Dus wie bidt, moet vasten en wie vast, moet barmhartig zijn. Wie wil dat zijn gebed verhoord wordt. moet ook zelf luisteren naar een verzoek. Hij vindt gehoor bij God, als hij zijn eigen oor niet afsluit voor een smeekbede.

De mens die vast moet begrijpen wat vasten is. Hij moet voelen wat honger lijden is, als hij wil dat God zijn honger aanvoelt. Hij moet barmhartigheid tonen, als hij barmhartigheid hoopt. Wie goedheid wil ervaren, moet goed doen. wie verlangt dat men geeft, moet zelf geven…Wees dus zelf de norm van je eigen barmhartigheid: je ondervindt barmhartigheid zoals je wilt, zoveel als je wilt en zo vlug als je wilt, maar heb dan medelijden met anderen, ook zo, even veel, even vlug.

Gebed, barmhartigheid en vasten moeten dus onze ene bescherming zijn bij God, onze ene voorspraak, ons ene drievormige gebed.

http://www.dagelijksevangelie.org

Maximiliaan van Turijn : Veertig dagen leiden ons naar de doop in de dood en opstanding van Christus

H. Maximilianus van Turijn (?-ca. 420), bisschop
Sermon 28, PL 57, 587v = CC Sermon 35, p.136v

maximiliaan van Turijn.jpg

 Maximilianus van Turijn

Veertig dagen leiden ons naar de doop in de dood en opstanding van Christus

“In de tijd van genade verhoor Ik u, op de dag van het heil sta Ik u bij” (Jes 49,8). De apostel Paulus vervolgt dit citaat met deze woorden: “Nu is er die gunstige tijd, vandaag is het de dag van het heil” (2Kor 6,2). Op mijn beurt neem ik u als getuige, de dagen van de verlossing zijn gekomen, nu is op een of andere wijze het moment van de geestelijke genezing gekomen. Wij kunnen alle vervuiling van onze ondeugden en alle blessures van onze zonden verzorgen, als we voortdurend bidden tot de geneesheer van onze zielen, als… wij geen enkele van zijn voorschriften verwaarlozen…

De geneesheer is onze Heer Jezus, die zei: “Ik ben het, die dood maakt en levend” (Dt 32,39). De Heer liet eerst sterven en daarna schonk Hij het leven terug. Door de doop vernietigde Hij overspel, doodslag, misdaad en diefstal in ons; daarna liet Hij ons opnieuw leven als nieuwe mensen in eeuwige onsterfelijkheid. Wij sterven overduidelijk aan onze zonden door de doop, we hernemen het leven in de Geest van leven… Laten we ons aan de geneesheer overgeven met geduld om de gezondheid terug te krijgen. Alles wat Hij in ons heeft ontdekt aan onwaardigheid, wat vervuild is door de zonde, en aangevreten door zweren, zal Hij weghalen, wegsnijden, en uittrekken, om slechts wat aan God behoort, in ons te laten bestaan, als eenmaal alle verwondingen door de duivel zijn verwijderd.

Dit is zijn eerste voorschrift: besteed veertig dagen aan het vasten, aan gebed en aan waken. Het vasten geneest de laksheid, het gebed voedt de religieuze ziel en het waken neemt de valkuilen van de duivel weg. Na deze tijd, die gewijd is aan het naleven van al deze voorschriften, komt de ziel die gezuiverd en beproefd is door veel oefeningen, naar de doop. Ze herneemt haar krachten door zich onder te dompelen in de wateren van de Geest: alles wat verbrand werd door de vlammen van de ziekten, wordt opnieuw geboren in de dauw van de genade van de hemel… Door een nieuwe geboorte, zullen we anders herboren worden.

http://www.dagelijksevangelie.org

efrem de Syriër : “Vele mensen… hadden gehoord wat Hij allemaal deed en ze kwamen naar Hem toe”

H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, kerkleraar
Commentaar op het overeenkomstige Evangelie, eindgebed; SC 121

 

 

efrem de syrier.jpg

 

“Vele mensen… hadden gehoord wat Hij allemaal deed en ze kwamen naar Hem toe”

O barmhartigheden, gezonden en verspreid over alle mensen! In U verblijven ze, Heer, U die uit medelijden met alle mensen, hun tegemoet bent gegaan. Door uw dood hebt U de schatten van uw barmhartigheden geopend… Uw diepe wezen is immers verborgen voor het zicht van de mensen, maar wordt geschetst in zijn minste bewegingen. Uw werken leveren ons de schets van hun Maker, en de schepselen wijzen ons naar hun Schepper (Wijsh 13,1; Rm 1,20), opdat wij kunnen raken aan Degene die zich ontkleedt voor de intellectuele zoektocht, maar die zich in de gaven laat zien. Het is moeilijk om van gelaat tot gelaat bij Hem te komen, maar het is gemakkelijk om Hem te benaderen.

Onze genadevolle handelingen zijn onvoldoende, maar wij aanbidden U in alle dingen om uw liefde voor alle mensen. U onderscheidt ieder van ons door de diepte van ons onzichtbaar wezen, wij zijn allen fundamenteel verbonden door de unieke natuur van Adam… Wij aanbidden U, U hebt ieder van ons in deze wereld gezet, U, die ons alles heeft toevertrouwd dat zich daarin bevindt. en U, die ons eruit zal trekken op het uur dat wij niet kennen. Wij aanbidden U, U hebt het woord in onze monden gelegd, opdat wij U onze vragen zouden kunnen stellen. Adam bejubelt U, hij rust in de vrede, en wij, zijn nakomelingen, met hem, want wij zijn allen begunstigden van uw genade. De winden loven U…, de aarde looft U…, de zeeën loven U, de bomen loven U…, ook de planten en de bloemen zegenen U… Dat alle dingen zich verzamelen en hun stem verenigen om U te loven, en rivaliseren in de dankzegging voor al uw goedheid en zich verenigen in de vrede om U te zegenen; dat alle dingen zich gezamenlijk in een lofzang voor U verheffen.

Dat we opnieuw met heel onze wil reiken naar U en dat U weer een beetje van uw overvloed over ons giet, opdat de waarheid ons bekeert en dat zo onze zwakheid verdwijnt, die, zonder uw genade, niet tot U kan komen, U Meester van de gaven.

http://www.dagelijksevangelie.org

Ireneus van Lyon :“Wie een van zulke kinderen ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij”

H. Ireneus van Lyon (ca130-ca 208), bisschop, theoloog en martelaar
Tegen de ketterijen, IV, 38, 1-2

 

irenaeus-1.jpg

Ireneüs van Lyon

“Wie een van zulke kinderen ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij”

 

 

Had God de mens niet vanaf het begin volmaakt kunnen maken? God, die sinds alle tijden gelijk is aan zich zichzelf en ongeschapen is, vermag alles. Maar omdat de schepsels een begin hebben na Hem, zijn zij noodzakelijkerwijs minder dan Hij die hen gemaakt heeft… Geschapen zijnde zijn zij onvolmaakt; geboren zijnde zijn zij kinderlijk, en als kinderen zijn zij de volmaakte staat niet gewoon, noch daarin geoefend…. God was dus wel in staat om de mens vanaf het begin volmaaktheid te geven, maar de mens was niet in staat deze te ontvangen omdat hij nog maar een kind was.

Daarom kwam onze Heer in die laatste dagen, na alles in zich overwogen te hebben, niet tot ons naar zijn vermogen, maar zoals wij Hem konden zien. Hij had wel in zijn onuitsprekelijke heerlijkheid tot ons kunnen komen, maar wij zouden nog niet in staat zijn geweest de grootte van zijn heerlijkheid te verdragen… Het Woord Gods is, ondanks zijn volmaaktheid, als kind tot ons gekomen, niet om wille van zichzelf, maar vanwege de kinderlijke staat van de mens.

http://www.dagelijks evangelie.org

johannes Chrysostomos : “Ik heb het gezien, en ik heb getuigd: Hij is de Zoon van God”

H. Johannes Chrysostomus (ca 345-407), priester te Antiochië, daarna bisschop te Constantinopel, kerkleraar
Homilie over de doop van Jezus Christus en over Epifanie

 

 

John_Chrysostom 258.jpg

“Ik heb het gezien, en ik heb getuigd: Hij is de Zoon van God”

Christus heeft zich niet aan allen gemanifesteerd op het moment van zijn geboorte, maar op het moment van zijn doop. Tot die dag kenden veel mensen Hem niet; bijna niemand wist dat Hij bestond en wie Hij was. Johannes de Doper zei: “Er is iemand onder U die U niet kent” (Joh 1,26). Johannes deelde dit niet-kennen van Christus tot aan Zijn doop: “Ook ik kende Hem niet, maar degene die me gezonden heeft om te dopen met water zei: ‘Degene op wie je de Heilige Geest zult zien neerdalen en rusten is gedoopt in de Heilige Geest’”…

Wat was eigenlijk de reden dat Johannes de Heer doopte? Het was, zei hij, om Hem aan iedereen bekend te maken. Paulus zegt het ook: “Johannes doopte ten teken van de bekering, maar zei aan het volk, dat ze moesten geloven Wie na hem kwam” (Hand 19,4). Daarom wordt Jezus door Johannes gedoopt. Van huis tot huis gaan en Christus voorstellen en zeggen dat Hij de Zoon van God is, zou de getuigenis voor Johannes moeilijk gemaakt hebben; Hem naar de synagoge brengen en Hem aanwijzen als de Redder, zou zijn getuigenis weinig geloofwaardigheid gegeven hebben. Maar te midden van de grote verzamelde menigte aan de oever van de Jordaan, ontvangt Jezus de duidelijke getuigenis van hoog uit de hemel, doordat de Heilige Geest op Hem neerkwam in de vorm van een duif, dit bevestigt zonder enig mogelijke twijfel de getuigenis van Johannes.

“Ik kende Hem niet”, zei Johannes. Wie heeft jou Christus leren kennen? “Degene die me gezonden heeft om te dopen”. En wat heeft Hij tegen je gezegd? “Degene op wie je de Geest ziet neerdalen en rusten, Hij is het, die doopt met de Heilige Geest.” De Heilige Geest openbaarde dus aan allen Degene waarover Johannes wonderbaarlijkheden had verkondigd, door neer te dalen en door Hem bij wijze van spreken aan te wijzen met zijn vleugel.

http://www.dagelijksevangelie.org