
Advies over vrede stichten – van heiligen (Kerkvaders)
Wilt u het lichaam van de Heiland eren? Veracht het niet als het naakt is. Eer het niet in de kerk met zijden gewaden terwijl het buiten naakt en gevoelloos van kou is. Hij die zei: “Dit is mijn lichaam”, en het zo maakte door zijn woord, is dezelfde die zei: “Je zag me honger lijden en je gaf me geen eten. Zoals je het niet aan de minste van hen deed, deed je het niet aan mij.” Eer hem dan door uw eigendom te delen met de armen. Want wat God nodig heeft zijn geen gouden kelken, maar gouden zielen.
-St. Johannes Chrysostomus / “Over het Evangelie van Mattheüs”, 50, iii (PG 58, 508)
Als je christen bent, is geen enkele aardse stad van jou. Van onze Stad ‘is de Bouwer en Maker God’. Hoewel we de hele wereld in bezit kunnen krijgen, zijn we met maar vreemden en vertoevers in dit alles. We zijn ingeschreven in de hemel: ons burgerschap is er! Laten we, naar de manier van kleine kinderen, niet de dingen verachten die groot zijn en bewonderingen hebben voor de kleine dingen! Niet de grootsheid van onze stad, maar deugd van de ziel is ons ornament en verdediging. Als je veronderstelt dat waardigheid bij een stad hoort, bedenk dan hoeveel mensen aan deze waardigheid moeten deelnemen, die verwijfd, verwijfd, verdorven en vol tienduizend slechte dingen zijn, en eindelijk zo’n eer verachten! Maar die Stad hierboven is niet van deze aard; want het is onmogelijk dat hij er deel aan kan nemen, die niet elke deugd heeft getoond.
– Johannes Chrysostomus, Homilie 17 over de Commissarissen
Want wat voor voordeel heeft het, dat de wereld diepe vrede geniet, als gij in oorlog bent met uzelf? Dat is dan de vrede die we moeten bewaren. Als we het hebben, zal niets van buitenaf ons kunnen schaden. En daartoe draagt de openbare vrede niet weinig bij: vanwaar gezegd wordt: ‘Opdat wij een rustig en vredig leven mogen leiden.’ Maar als iemand gestoord is als er stilte is, is hij een ellendig schepsel. Ziet gij dat Hij spreekt over deze vrede die ik de derde (innerlijke, innerlijke, ed.) soort noem? Daarom, als hij heeft gezegd, ‘opdat wij een rustig en vredig leven mogen leiden’, laat hij het daar niet bij, maar voegt hij eraan toe ‘in alle godsvrucht en eerlijkheid’. Maar we kunnen niet leven in godsvrucht en eerlijkheid, tenzij die vrede tot stand wordt gebracht. Want als nieuwsgierige redeneringen ons geloof verstoren, welke vrede is er dan? of wanneer geesten van onreinheid, welke vrede is er dan?
— St John Chrysostomus, Homilie 7 op 1 Tim 2:2-4
Net zoals maniakken, die nooit van rust genieten, zo zal ook hij die wrokkig is en een vijand vasthoudt, nooit het genot van enige vrede hebben; onophoudelijk woedend en dagelijks toenemende de storm van zijn gedachten die zijn woorden en daden in gedachten roepen, en de naam verafschuwen van hem die hem heeft gekwetst. Noemt u zijn vijand maar, dan wordt hij onmiddellijk woedend en houdt hij veel innerlijke angst in stand; en mocht hij de kans krijgen om slechts een naakte aanblik van hem te krijgen, dan vreest en beeft hij, alsof hij het ergste kwaad tegenkomt, inderdaad, als hij een van zijn relaties waarneemt, als hij slechts zijn kledingstuk, of zijn woning, of straat, wordt gekweld door de aanblik ervan. Want zoals in het geval van hen die geliefd zijn, prikkelen hun gezichten, hun kleding, hun sandalen, hun huizen of straten ons, op het moment dat wij ze aanschouwen; dus ook als we een dienaar, of vriend, of huis, of straat, of iets anders van degenen die We haten en onze vijanden vasthouden, observeren, worden we door al deze dingen gestoken; en de slagen die we ondergaan vanuit het zicht van elk van hen zijn frequent en voortdurend. Wat is dan de noodzaak om zo’n belegering, zo’n kwelling en zo’n straf vol te houden? Want als de hel de wrokkige niet bedreigde, maar voor de kwelling die uit het ding zelf voortvloeit, zouden we de misdaden van degenen die ons hebben gekwetst, moeten vergeven. Maar wanneer doodloze straffen achterblijven, wat kan er dan zinlozer zijn dan de man, die zowel hier als daar straf over zichzelf afbrengt, terwijl hij denkt wraak te nemen op zijn vijand!
– Johannes Chrysostomus, Homilie 20
Vroeger waren de keizers ongelovige vervolgers; nu reikt hun vroomheid tot in de hemel. Bij het passeren van de drempel van de kerk leggen ze hun kronen af en tekenen hun voorhoofd met het kruis van Christus. Buiten zijn de wapens, binnen de Mysteriën; buiten de schilden, terwijl hier de heilige handelingen worden verricht.
— Johannes Chrysostomus, Homilie op Pinksteren, CPG 4343
Zoals men zich niet kan voorstellen dat de hoereder en de godslasteraar aan de heilige Tafel kunnen deelnemen, zo is het onmogelijk dat hij die een vijand heeft en kwaadaardigheid draagt, van de heilige Communie kan genieten. Ik smeed opnieuw, getuig, en verkondig dit met een stem die allen mogen horen! ‘Laat niemand die een vijand heeft, naar de heilige Tafel trekken of het Lichaam van de Heer ontvangen! Laat niemand die nadert een vijand hebben! Heb je een vijand? Teken niet in de buurt! Wilt u dichtbij komen? Laat u verzoenen, en nader dan, en raak het Heilige aan!’
– Johannes Chrysostomus, Homilie 20
Ons wordt geboden om maar één vijand te hebben, de duivel. Met hem verzoend worden! Maar wees met een broeder nooit vijandschap in uw hart.
– Johannes Chrysostomus, Homilie 20
Bidden tegen iemands persoonlijke vijanden is een overtreding van de wet.
— Johannes Chrysostomus, Homilie tegen het publiceren van de dwalingen van de Broeders
Gebed voor onze vijanden is het allerhoogste top van zelfbeheersing.
— Johannes Chrysostomus, Homilie 18 over het Evangelie van Mattheüs
Velen, die zich neerbuigen en met hun voorhoofd op de grond slaan, en hete tranen uitstorten, en bitter kreunend uit het hart en hun handen uitstrekkend, en veel ernst tonend, gebruiken deze warmte en vooruitstrevendheid tegen hun eigen redding. Want het is niet voor hun eigen zonden dat zij God smeken; evenmin vragen zij vergiffenis voor de door hen gepleegde strafbare feiten; maar zij oefenen deze ernst uit tegen hun vijanden en doen precies hetzelfde als wanneer iemand, nadat hij zijn zwaard heeft gewikt, het wapen niet tegen zijn vijanden zou gebruiken, maar het door zijn eigen keel zou duwen. Dus dezen gebruiken hun gebeden ook niet voor de vergeving van hun eigen zonden, maar over wraak op hun vijanden; dat is om het zwaard tegen zichzelf op te stoten.
– Johannes Chrysostomus, Homilie tegen het publiceren van de dwalingen van de Broeders
Hoe groot moeten zij straf verdienen, die, verre van zichzelf vergevend, God zelfs smeken om wraak op hun vijanden, en als het ware diametraal deze wet overtreden; en dit terwijl Hij alles doet en verleidt, om te verhinderen dat wij met elkaar in tegenspraak zijn? Want omdat liefde de wortel is van al het goede, brengt Hij, alles wat het ook van alle kanten verwijdert, ons samen en verstevigt hij ons aan elkaar.
– Johannes Chrysostomus, Homilie 19 over Mattheüs: Over het Onze Vader
Er zijn drie zeer grievende soorten oorlog. De ene is openbaar, wanneer onze soldaten worden aangevallen door buitenlandse legers: De tweede is, wanneer we zelfs in vredestijd met elkaar in oorlog zijn: De derde is, wanneer het individu in oorlog is met zichzelf, wat het ergste van allemaal is. Want een buitenlandse oorlog zal ons niet veel pijn kunnen doen. Wat, bid ik, hoewel het ons afslacht en afsnijdt? Het schakt niet de ziel. Evenmin zal de tweede de macht hebben om ons tegen onze wil te schaden; want ook al zijn anderen met ons in oorlog, wij mogen zelf vredelievend zijn. Want zo zegt de Profeet: ‘Uit mijn liefde zijn zij mijn tegenstanders, maar Ik geef Mijzelf aan het gebed’ (Ps. 109:4); en nogmaals: ‘Ik had vrede met hen die de vrede haten’; en: ‘Ik ben voor vrede; maar als ik spreek, zijn ze voor oorlog.’ (Ps. 120:6, 7, LXX) Maar vanaf de derde kunnen we niet zonder gevaar ontsnappen. Want wanneer het lichaam in strijd is met de ziel, en kwade begeerten opheft, en zich ertegen wapent, of de slechte hartstochten van boosheid en afgunst; we kunnen de beloofde zegeningen niet bereiken totdat deze oorlog tot een einde is gebracht; wie dit tumult niet nog steeds maakt, moet doorboord worden door wonden die die dood zullen brengen die in de hel is. We hebben daarom dagelijks zorg en grote angst nodig, dat deze oorlog niet in ons wordt aangewakkerd, of dat hij, als hij wordt aangewakkerd, misschien niet blijft duren, maar wordt onderdrukt en in slaap wordt gelegd.
– St John Chrysostomus, Homilie 7 op 1 Tim 2:2-4
Als de priester, om een einde te maken aan openbare oorlogen, en tumult en veldslagen, wordt aangespoord om gebeden voor koningen en gouverneurs te bidden, zouden veel meer particulieren dit moeten doen.
— St John Chrysostomus, Homilie 7 op 1 Tim 2:2-4
Het overwinnen van vijanden maakt koningen niet zo illuster, als het overwinnen van toorn en woede. Want in het eerste geval is het succes te danken aan wapens en soldaten; maar hier is de trofee gewoon van jezelf, en je hebt niemand om de glorie van je morele wijsheid te verdelen. Jullie hebben de barbaarse oorlog overwonnen, jullie hebben ook de keizerlijke toorn overwonnen!
– Johannes Chrysostomus, Homilie 6 (over de pogingen om de toorn van de keizer te kalmeren)
Niets is zo kenmerkend christelijk als vredestichter zijn.
— St Basilius de Grote, Brief 114
Ik kan mezelf er niet van overtuigen dat ik zonder liefde voor anderen, en zonder, voor zover bij mij berust, vredelievendheid jegens allen, een waardige dienaar van Jezus Christus kan worden genoemd.
– Basilius de Grote, Brief 203,2
Lees verder “Advies om vrede te stichten (Kerkvaders)….”