Over de sacramenten

ORTHODOX RITUEEL       DE SACRAMENTEN

                                   

                             Uit het boek :  l’orthodoxie       Metropoliet Kallistois (Ware)

Vrij vertaald door Kris Biesbroeck

 

 

‘Hij die zichtbaar onze verlosser was, is nu tegenwoordig in de sacramenten’

 

Heilige Leo de Grote

 

 

DEEL 1

 

 

             De sacramenten bekleden een speciale p
laats in de christelijke eredienst. De Grieken noemen ze
mysteries : ‘Men noemt het mysterie’, schreef de Heilige Chrysostomos, ‘ omdat datgene wat wij geloven, niet datgene is wat wij zien, maar wij zien iets en geloven iets anders…Wanneer ik hoor spreken over het lichaam van Christus, dan begrijp ik dit in een bepaalde betekenis, en de ongelovige zal dit in een andere betekenis zien’(1). Deze dualiteit van wat zichtbaar en onzichtbaar is in elk sacrament is het karakteristieke  onderscheid . Het is juist  zoals de Kerk, zowel zichtbaar als onzichtbaar. Er is in elk sacrament een uiterlijk teken en een geestelijke genade.De christen is bij zijn  doopsel ondergedompeld in het water, dat hem heeft gereinigd, en hij is tegelijkertijd gezuiverd van zijn zonden. In de eucharistie ontvangt hij datgene wat uiterlijk brood en wijn lijkt, maar in werkelijkheid het lichaam van Christus is.

 

De Kerk neemt voor het merendeel van de sacramenten materiele elementen – water, wijn,olie – wat in feite voertuigen zijn van de Heilige Geest. En in deze zin is het zoals  de incarnatie, wanneer Christus het materiele vlees heeft aangenomen dat het voertuig van de Heilige Geest werd. In deze zin is het ook een anticipatie met de apocatastase, of de uiteindelijke verlossing van de materie op de laatste dag.

De orthodoxe Kerk telt 7 sacramenten. Fundamenteel zijn het dezelfde als in de rooms-katholieke Kerk.

I  . Doopsel

II   Mironzalving

III  Eucharistie.

IV  Berouw of biecht

V   Handoplegging ( bij wijdingen)

VI  Huwelijk

VII Ziekenzalving.

 

Deze lijst was pas bij het begin van de XVII, onder latijnse invloed, definitief. De orthodoxe auteurs van vroegere tijden, verschilden aanzienlijk wat hun aantal betrof : Johannes van Damascus noemt er twee, Denys de Areopagiet noemt er zes, Josaph, metropoliet van Efese (XVe eeuw ) noemt er tien ; sommige byzantijnse theologen zijn akkoord met het nummer zeven, maar niet altijd voor wat betreft de keuze van de sacramenten. Tot vandaag heeft het getal zeven geen absolute dogmatische betekenis in de orthodoxe theologie. Het wordt meestal gebruikt voor het gemak in het onderricht en de catechese. Zij die denken in termen van ‘zeven sacramenten’ moeten voorzichtig zijn  en misverstanden proberen te vermijden welke dit kan meebrengen :


(1)Homélies sur I Cor., VII,1 (P.G.,LX,55)

 


                                                            

 

Ten eerste, alhoewel alle sacramenten  echt zijn, toch hebben ze niet allemaal dezelfde orde van belangrijkheid,  er is een zekere hiërarchie tussen de sacramenten. De eucharistie, bijvoorbeeld, is het hart van de christelijke beleving, van een ander orde is de ziekenzalving. Onder de zeven sacramenten, heeft het doopsel en de eucharistie een bijzondere plaats, om een uitdrukking te gebruiken die aangenomen is door het Comitee van roemeense en anglikaanse theologen te Boekarest in 1935. Deze twee sacramenten  hebben ‘een voorrangspositie onder de goddelijke mysteries’.

 

Ten tweede, Wanneer men spreekt over de zeven sacramenten, dan mag men ze nooit scheiden van andere handelingen die ook een sacramenteel karakter hebben en die sacramentaliën worden genoemd, zoals bijvoorbeeld het ontvangen van het monastieke habijt, de zegening van het water op Epiphanie, de uitvaartliturgie, en de zalving van een monarch. In al deze handelingen is er steeds tegelijk een zichtbaar teken en een onzichtbare genade. De orthodoxe Kerk gebruikt ook een hele reeks geringere zegeningen, die ook van sacramentele aard zijn : zegening van het koren, wijn, olie, fruit, zegening van de velden en huizen, van verschillende objecten. Deze diensten hebben dikwijls een meer prozaisch en realistisch doel, want er zijn gebeden voor het zegenen van voertuigen en van treinen en zelfs  bvoor het uitroeien van ongedierte  (2). Er bestaat geen strenge limiet tussen de essentiële en minder essentiële  sacramenten : het christelijk leven moet in zijn geheel bekeken worden, als één groot mysterie of één groot sacrament waarvan de verschillende aspecten zich uitdrukken in een grote variëteit van vormen en wijzen, de ene één maal in gans het leven, een ander misschien dagelijks.

 

De sacramenten zijn persoonlijk : het is door hen dat Gods genade zich individueel openbaart aan elke christen; en om die reden noemt de orthodoxe Kerk bij de meeste sacramenten de gelovige bij zijn naam. Op het moment van de Heilige Communie zegt de priester :’ De dienaar Gods N.ontvangt het kostbare en heilige lichaam en bloed van God Pnze Heer.’ En bij de ziekenzalving : ‘ Heilige Vader….genees uw dienaar N. van de kwalen  die zijn ziel en lichaam overkomen’

 

DOOPSEL(3)

 

In de orthodoxe Kerk van vandaag, zijn  zoals in de Kerken van de eerste eeuwen, de drie Christelijke initiatiesacramenten , doopsel, vormsel (myronzalving), eerste communie, nauw met mekaar verbonden. Een orthodox, die lid wordt van Christus ontvangt tegelijk alle privileges.  De kinderen worden niet alleen op zeer jonge leeftijd gedoopt, maar eveneens gevormd en ontvangen ook de heilige communie. ‘Laat de kinderen geworden en verhindert ze niet tot Mij te komen, want voor zodanigen is het koninkrijk der hemelen’ (Matt.,XIX,14).

Er zijn twee essentiële elementen in de doop : de aanroeping van de Drieeenheid, en de drievoudige onderdompeling..


(2) ‘De oosterse volksreligie in Europa is liturgisch en ritueel, maar niet geheel losgemaakt van deze wereld.. Een religie die voortdoet met vervloekingen uit te spreken over rupsen of om dode ratten uit de bodem van een put te halen, kan bezwaarlijk voorwenden om zuiver mystiek te zijn’ (The Byzantine Patriarchate, 1e edit.,p198)

(3) In deze paragraaf, zoals ook in de volgende, zijn de sacramenten beschreven volgens de actuele byzantijnse ritus, maar we mogen  de andere vormen van westers orthodoxe riten niet vergeten. (Er bestaan in het westen  o.a. kerken , waar orthodoxen de mis opdragen volgens de westerse ritus – noot van de vertaler)

De priester zegt :’ De dienaar Gods N. is gedoopt in de naam van de Vader, Amen. De Zoon,Amen. En de Heilige Geest, Amen !’  En bij elke vermelding van één van deze namen van de heilige-Drieeenheid, dompelt de priester het lichaam van het kind  volledig onder het water, of ten minste, giet water over zijn lichaam. Indien het kind dat gedoopt moet worden té ziek is om een onderdompeling te ondergaan en het daardoor zelfs zijn leven riskeert, volstaat het om water over zijn voorhoofd uit te gieten ; maar anders is een onderdompeling een noodzaak.

 

De orthodoxie ziet met droefheid hoe het westers christendom afstand heeft genomen van deze primitieve rite van doop door onderdompeling.Ze stelt zich tevreden met een weinig water te gieten over het voorhoofd van de catechumeen. Voor de orthodoxie is de onderdompeling essentieel (uitgezonderd in kritieke omstandigheden), want, zonder onderdompeling is er geen verband tussen het uiterlijk teken en de innerlijke betekenis, en het symbolisch karakter van het sacrament verdwijnt. Het doopsel betekent een mystiek ‘begraven’ worden en een opstanding met Christus. (Rom.,VI,4-5 ; Kolossenzen, II,12) ; en het uiterlijk teken is de onderdompeling gevolgd door het opheffen uit het water van het doopsel. Wij ontvangen in het doopsel de vergeving van al onze zonden, oorspronkelijke en actuele ; ‘ wij bekleden ons met Christus’, wij worden leden van Zijn Lichaam, de Kerk. Als aandenken aan deze dag dragen de orthodoxen  een klein kruisje om de hals.

Het is over het algemeen een priester of een bisschop die doopt, maar het kan ook een diaken zijn, of in sommige gevallen zelfs een leek, maar hij moet christen zijn. De rooms katholieke Kerk staat ook een doopsel toe dat toegediend wordt door iemand die geen christen is. De orthodoxe Kerk erkend dat doopsel niet. De persoon die doopt moet zelf gedoopt zijn.

Metropoliet Kallistos (Ware): Zie, ik maak alles nieuw

 ZIE, IK MAAK ALLES NIEUW’

  –Metropoliet Kallistos (Ware)-

 

 

          Naar aanleiding van het XIIe orthhodox congres van West-Europa

          gehouden te Blankenberge, werd aan Bisschop Kallistos (Ware) gevraagd

          een uiteenzetting te geven over het thema van het congres ‘Zie,ik maak

          alles nieuw’(Apoc.21,5)

 

Bisschop Kallistos,71 jaar oud, is een gerenomeerd theoloog. Hij is hulp-

bisschop van het aartsdiocees van het oecumenisch patriarchaat in Engeland

 Hij  was monnik  in het klooster van de Heilige Johannes de Evangelist op Patmos (Griekenland), en lange tijd hoogleraar patristiek aan de universiteit van Oxford. Hij is de auteur van verschillende werken, waarvan onder andere:Orthodoxie,L’Eglise des sept Conciles (DDB,1968; 2e édition : Cerf / Le Sel de la Terre,2002), Le Royaume intérieur (Cerf / Le Sel de la terre,1993 ; 4e édition : 2004), Tout ce qui vit est saint (Cerf / Le sel de la terre,2003, Aproche de Dieu dans la voie orthodoxe (Cerf / Le Sel de la terre,2004)

 

          (…) Hoe hebben de eerste toehoorders van Christus gereageerd, toen ze Hem voor de eerste maal in het openbaar hoorden preken ? ‘Allen waren verbaasd’ zo staat er bij Marcus,  ‘en zij vroegen zich af : wat kan dat toch zijn ?

Een nieuwe leer met gezag ? (Mc.1,27). Op deze wijze reageerden de eerste toehoorders  van onze Heer. Zij waren getroffen door het ‘nieuwe’ van Zijn boodschap : ‘Wij hebben nooit zoiets gezien !’ (Mc,2,12). Jezus zelf verwees naar zijn lering, toen hij sprak over een ‘nieuwe wijn’ die moet gegoten worden in ‘nieuwe zakken’ (Mc.2,22). : ‘Een nieuw gebod geef ik u : Bemint elkander’

(Joh,13,34). En wanneer Hij de Eucharistie instelde, maakt Hij ons duidelijk wat dat nieuwe inhoudt : ‘Deze kelk is het nieuwe Verbond, in mijn bloed’ (1 Kor.11,25).

 

Zo is dit ‘nieuwe’ een bepalend element van de Blijde Boodschap dat Jezus Christus aan de mensheid heeft gegeven gedurende zijn aards leven. Vandaag de dag komt het Christendom bij ons over als iets waarmee we al te vertrouwd zijn. Velen hebben een nogal vijandige houding tegenover de Kerk aangenomen. Welnu, dit toont ons aan  hoezeer we verwijderd zijn geraakt van de Geest van de apostolische Kerk.

 

DE DOORBRAAK VAN DE KOMENDE TIJD IN DE HUIDIGE

 

 

Er zijn nochtans verschillende  wijzen van ‘nieuw zijn’. Door ‘nieuw’ kan men in eerste instantie een onverwacht iets,  iets aangrijpends of iets dat on -conventioneel is verstaan; het kan iets ziin wat wij voor de eerste maal horen of zien, of iets waaraan wij voorheen nog niet gedacht hadden. Maar in al  deze gevallen, is het ‘nieuwe’ niet noodzakelijk iets dat totaal verschillend is van datgene wat voorheen bestond : het kan eenvoudigweg een geevolueerd iets zijn, iets wat in het verlengde ligt van datgene wat wij reeds tevoren hebben gedaan of reeds wisten. ‘Het nieuwe’ waarover wij het hebben , betekent een radicale doorbraak . Een radicaal totstandkomen van een realiteit die totaal verschillend is met wat voorheen was, een revolutie, een totale breuk met het verleden.

 

Het is in deze tweede betekenis dat de prediking van Jezus en Zijn aardse leven ‘nieuw’ zijn..Het is juist  door de  menswording van de tweede persoon van de Heilige Drieeenheid   dat het ‘nieuwe’ onze verscheurde wereld is binnengetreden, en dit op een radicaal andere wijze dan het voorheen was.

Christus, de mensgeworden God , is diegene die  de ‘totaal Andere is, midden onder ons’, om een uitdrukking van Dietrich Bonhoeffer te gebruiken.

Christus’ aardse leven betekent de doorbraak van de komende wereld in de huidige; het is omdat ze eschatologisch is, dat zij ‘nieuw’ is, het is de onthulling van  het einde, de openbaring van de eeuwigheid in de schoot van  de tijd zelf,van het oneindige in de ruimte.zoals er een lange voorbereidingstijd is geweest voor de komst van Christus, zowel in het Oude Testament als in de Griekse filosofie, zo betekent de menswording zelf een totaal nieuw begin, een breuk in de continuïteit. Volgens een preek over Kerstmis, toegeschreven aan de Heilige Basilius, is de menswording van onze Heer ‘ de geboortedag van het menselijk geslacht’, en wij kunnen er aan toevoegen dat het de dag is van de geboorte van de wereld in haar geheel.

 

In dit perspectief, moeten we aandachtig de woorden van Christus in herinnering brengen, die het thema vormen  van dit congres ‘Zie, ik maak alle dingen nieuw’ (Apoc.21,5). Hij zegt niet : ‘ Ik maak totaal nieuwe dingen’ maar wel :’ Ik sta toe dat alle bestaande dingen op een ‘nieuwe’ manier zouden bestaan’. Het ‘nieuwe’ dat de geïncarneerde Heer ons brengt bestaat er niet in, dat er een totaal nieuwe orde van voorwerpen en personen in het bestaan worden geroepen. Neen, het ‘nieuwe’ bestaat erin dat de personen en de voorwerpen die reeds bestaan, tot een nieuw niveau van bestaan worden verheven, omgevormd (getransformeerd) en vervuld van de glorie van de komende tijd, die reeds aanwezig is. Het ‘nieuwe’ dat Christus heeft gebracht betekent geen totale breuk met alles wat voorheen bestond; het betekent veeleer dat alle dingen in Christus

in het licht van het laatste einde, veel helderder, doorschijnender zijn geworden.

 

EEN NIEUWE SCHEPPING, GETRANSFIGUREERD, VERGODDELIJKT.

 

Om dit te illustreren, kunnen we verwijzen naar de gedaanteverandering van Christus op de Berg Tabor. Het gaat hier zeker over een ‘nieuwe’ gebeurtenis, want het gaat hier over het binnentreden in de glorie van de Parousie, het goddelijk licht van de komende tijd, ‘t is te zeggen :  een verschillend niveau van realiteit. Maar de leerlingen werden niet opgenomen van de aarde om naar een andere wereld te worden gebracht. Zij bleven waar zij stonden, rond hen waren nog dezelfde rotsen, dezelfde planten; en Christus, alhoewel stralend van glorie, droeg nog altijd dezelfde kleren. Het mysterie van de Transfiguratie betekent niet dat al deze dingen zouden verdwijnen, maar dat ze omgevormd, getransformeerd zouden worden. Het menselijk lichaam van Christus heeft niet opgehouden tot dezelfde wereld te behoren waartoe het altijd heeft behoort, maar de schittering van de eeuwigheid straalde van zijn lichaam uit en het doorstraalde Hem. De rotsen en de planten blijven op de plaats waar ze altijd hebben gestaan, alhoewel ze door het ongeschapen licht, dat geen schemering kent werden verlicht . Niets is afgeschaft, weggenomen, maar alles is vergoddelijkt. Dus datgene wat zich heeft geopenbaard onder onze ogen bij de transfiguratie zijn geen ‘totaal nieuwe dingen’, maar juist ‘alle dingen nieuw gemaakt’.

 

Eenzelfde betekenis moet toegekend worden aan de uitdrukking van St.Paulus :

‘een nieuwe schepping’, ‘een nieuw schepsel’,’Als iemand in Christus is, is zij of hij een nieuwe schepping ; het oude is voorbij, zie, het nieuwe is daar’ (2 Kor.5,17 ; cf. Gal.6,15. (….)

 

‘EN ZIE, DOOR HET KRUIS IS DE VREUGDE IN DE WERELD GEKOMEN’

 

Eén van de karakteristieke kenmerken van dit radicale ‘nieuwe’ dat Christus ons brengt is het element ‘vreugde’. Vader Alexander Schmemann heeft op welsprekende wijze geschreven over het belang van de vreugde ; alhoewel hij het woord ‘nieuw’ niet gebruikt in het stukje dat ik ga citeren, toch heeft het er alles mee te maken. :’Vanaf het ontstaan is het Christendom de uitdrager van de vreugde geweest.(…)Indien dit niet zo is, dan is het christendoim onbegrijpelijk geworden, van zijn fundamentele opdracht afgedwaald.

Alleen als vreugde heeft het Christendom kunnen triomferen in de wereld, het heeft de wereld verloren als het de vreugde heeft verloren, wanneer het opgehouden heeft getuige te zijn(…).’Zie, ik verkondig u een grote vreugde’, zo begint het Evangelie ; en zie hoe het eindigt :’Zij aanbaden Hem, en keerden met grote blijdschap naar Jeruzalem terug’ (Luc.2,10 ; 24,52).

 

In herinnering brengend, alles  wat Vader Alexander Schmemann ons zegt over deze grote vreugde, moeten wij er toch nog dit aan toevoegen : Tot aan de tweede komst , gaat de vreugde die de mensgeworden Heer ons heeft gebracht gepaard met het dragen van het kruis. Het is niet zonder reden dat wij bij de doop een kruisje rond de hals hebben ontvangen, het is ook niet zonder reden dat gedurende een huwelijksviering  een kroon wordt geplaatst boven de hoofden van de echtelingen, het is niet alleen een teken van overwinning, maar ook van het martelaarschap. Zoals we het elke week zingen in de metten van de zondag :

‘Want zie, door het kruis is de vreugde in de wereld gekomen’. Door het kruis : er is geen andere weg.

 

DE VERRIJZENIS ALS NIEUW GEBEUREN

 

Door het feit, dat wij de term ‘nieuw’ verstaan in zijn diepere en wijdere betekenis, als de doorbraak van de komende eeuw in het heden, laat ons toe te zeggen ,dat de ‘nieuwe’ gebeurtenis bij uitstek, de gebeurtenis die boven alles en onvergelijkbaar nieuw is, de Verrijzenis van Christus is, ‘re-surgie’ uit het graf de derde dag. In de tijd had de  Verrijzenis plaats op de eerste dag van de week ; maar van zodra men het ging beschouwen vanuit een eschatologisch persectief, heeft men zich gerealiseerd dat zij plaatsvond op de achtste dag, de ‘nieuwe’ dag van de komende tijd, wanneer de tijd wordt getransfigureerd door de eeuwigheid.

 

Het ‘nieuwe’ van de Verrijzenis is eveneens sterk onderlijnd door Vader Dumitu Staniloaë, Roemeens theoloog en doctor in de theologie .(….) Volgens Vader Dumitru, is de verrijzenis van Christus absoluut nieuw, want zij betekent  een fundamentele verandering in de oriëntering van de tijd en de geschiedenis. De tijd, die zich richt naar de dood toe, is een tijd op-weg-naar het eeuwige leven toe, naar het Einde, Naar de toelomstige Tijd.En daar de verrijzenis de onthulling van het Eschaton inhoudt, kunnen wij zeggen dat de tijd en de geschiedenis, in plaats van een beweging te zijn van het verleden naar het heden, een beweging is geworden vanuit het toekomstige naar het heden : De geschiedenis komt tot ons vanuit de toekomst, vanuit de laatste dag, vanuit de uiteindelijke verrijzenis, waneer alle dingen nieuwgemaakt zullen zijn.(….)

 

OFFEREN WIJ HET UWE, GENOMEN UIT HET UWE

 

Hoe moeten wij nu binnentreden in dit ‘nieuwe’van de Verrijzenis en hoe kunnen wij het delen met anderen ? Wij kunnen een antwoord vinden, denk ik, in de woorden van de celebrant tijdens de goddelijke liturgie, juist voor de aanroeping van de H Geest over de goddelijke gaven : ‘Offeren wij het Uwe, genomen uit het uwe, namens allen en voor alles’.

 

 

Er zijn verschillende manieren om het menselijk dier te definiëren (…) Maar wij naderen zeker dichter tot de kern van de zaak indien wij de mens zouden bepalen als een eucharistisch dier, een dier wiens verheven opdracht erin bestaat te handelen als priester van de schepping en aan God de wereld als genadegave te offeren. Dit moet de eerste betekenis zijn van wat menselijk-zijn inhoudt : het is niet de ‘denkende’ mens, maar de ‘offerende’ mens, hij die offert. Het is door de offergave, door het dankgebed, door de doxologie, door aan God eer te bewijzen, dat wij onze werkelijke identiteit zullen vinden.

 

Dat is onze voornaamste taak als menselijke wezens, geschapen naar het beeld en de gelijkenis met God : De wereld omvormen in een ‘eucharistische offerande’. Ik ontleen deze laatste uitdrukking aan de Kerstboodschap van de Oecumenische Patriarch Dimitrios Ie, in 1989 : Wij moeten ons allen, binnen onze eigen situatie, persoonlijk verantwoordelijk  voelen voor de wereld die God ons in onze eigen handen heeft toevertrouwd,Niets van wat de Zoon van God op zich heeft genomen , en niets van wat hij met zijn eigen lichaam heeft gedaan mag verloren gaan, maar het moet een eucharistische offerande worden voor de Schepper, brood van leven, gedeeld met de anderen in rechtvaardigheid en liefde.Een lofzang voor alle schepselen van God.

 

‘ DE LIEFDE IS HET HART VAN DE MENS ALS MYSTERIE, GESCHAPEN NAAR HET BEELD VAN GOD EN ZIJN GELIJKENIS’

 

Nochtans, indien wij de wereld werkelijk willen veranderen in de eucharistische offerande, dan zijn er twe dingen noodzakelijk : het offer en de liefde. Vooreerst, er kan geen authentieke offerande zijn, zonder offer en zonder sterven aan zichzelf, zonder een kenotische geest en zonder ascese (hier moeten wij het asetisme in zijn ruimste betekenis zien). Zoals David, de koning van Israël  het zegt  :  ‘Ik wil aan mijn God geen offer opdragen, die mij niets kosten’ (2 Sam.24,24). (….)

 

Van de andere kant, en dit is wellicht nog het belangrijkste, er kan geen authentische offerande zijn zonder liefde. Zonder een werkelijke liefde voor God en voor de anderen, kunnen wij nooit de wereld omvormen tot een eucharistisch offer. Zoals Paul Evdokimov het heeft beschreven, de Philocalie

citerend :  het belangrijkste dat zich kan voordoen tussen God en de mens, en ook tussen een menselike persoon en een ander, is het feit te beminnen en bemind te worden.De liefde is in  het hart van het goddelijk mysterie van de Heilige Drieeenheid . Het is de liefde ook die in het hart is van het mysterie dat de mens is, geschapen naar het beeld en de gelijkenis met God.

 

Bij het begin van de moderne tijd nam René Descartes als uitgangspunt van zijn denken het Cogito ergo sum, ‘ Ik denk, dus ben ik’. Maar het feit van te kunnen denken, van argumenten te kunnen aanhalen en conclusies te kunnen trekken door gebruik te kunnen maken van ons verstand, van onze hersenen, is niet onze enige taak, zelf niet de belangrijkste voor ons als menselijke wezens. Hij zou beter gezegd hebben : Amo, ergo sum, ‘ik bemin, dus ben ik’, of hij kon het beter nog in de passieve zin uitdrukken : Amor, ergo sum, ‘Ik word bemind, dus ben ik’. Of zoals Vader Dumitru Staniloaë het heeft uitgedrukt : ‘In de mate dat ik niet bemind word door de anderen, blijf ik ook onverstaanbaar, onkenbaar voor mijzelf.

 

WIJ KUNNEN NIET REDDEN WAT WE NIET LIEFHEBBEN

 

In werkelijkheid is de liefde het enige ware antwoord op de hedendaagse ecologische crisis. Ik herinner mij, toen ik in de jaren 60 diaken was in het monasterie van de Heilige Johannes op Patmos, dat onze geronta, Vader Amphilochios, ons altijd zei : ‘ Weten jullie dat God ons een bijkomende gebod heeft gegeven dat wij niet in de Heilige Schrift terugvinden ? Het is het gebod om de bomen lief te hebben.’. Hij die de bomen niet liefheeft, geloofde hij, heeft Christus niet lief. ‘Wanneer jij een boom plant, zei hij ons, dan plant je hoop, dan plant je vrede, dan plant je liefde, en je zult de zegen van God ontvangen’ (….) Heeft hij hier geen gelijk als hij de noodzaak van de liefde beklemtoondt ?

Het is zeker de liefde, en zij alleen, die ons zal toelaten onze problemen op te lossen met betrekking tot onze leefwereld.. Wij kunnen niet redden wat we niet liefhebben.

 

Dit is dus de beste manier waarop we de grote vreugde kunnen beleven waarvan Vader Alexander Schmemann sprak ;  Het is de beste manier waarop we de ervaring van het ‘escatologische’ nieuwe  van de Verrijzenis van Christus kunnen beleven. ‘Offeren wij u het uwe, genomen uit het uwe, namens alles en voor alles’.Laten wij door onze vurige offergave en onze offerende liefde, de wereld, die Hij ons gegeven heeft, aan God aanbieden ; en dat wij met de wereld ook onszelf offeren. Dan pas zullen wij in staat zijn om te beamen wat de Redder wilde zeggen met deze woorden : ‘Zie, ik maak alle dingen nieuw’. Zo verstaan we ook het geheim van de ‘nieuwe hemel’ en de ‘nieuwe aarde’.

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

Uit ‘SOP’

 Ontwikkeling van de anaphora (euch.gebed) in de byzantijnse liturgie

ONTWIKKELING VAN DE ANAPHORA (EUCHARISTISCH GEBED)

  IN DE OOSTERSE LITURGIE    

 

 1. DE HANDELINGEN VAN JEZUS TIJDENS HET LAATSTE AVONDMAAL.

 
Voor het ontstaan van de liturgie moeten wij teruggaan naar het laatste avondmaal. We vinden de verhalen hierover bij de drie synoptische evangeliën en bij Paulus.Bij Johannes vinden we de instellingsverhalen niet. Als we deze vier verhalen (1.Kor.11,23-33 ; Mark.14,12-25 ; Matt.26,26-29 en Lc.22,15-20) met mekaar vergelijken, dan  valt ons op dat het verhaal bij Marcus en Mattheüs sterk op mekaar gelijken, evenals het verhaal van Paulus en Lucas, alhoewel Lucas zich duidelijk door Marcus heeft laten inspireren. Het verhaal van Paulus is het oudse (de brief zou geschreven zijn rond 55), maar hij verwijst naar een hem overgeleverde traditie die terug zou gaan op Jezus zelf : ‘Want zelf heb ik bij overlevering  van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb…(v23). Het is namelijk zo, dat door de praktijk van de eerste Christenen de gebeurtenissen van de instelling tot ons zijn gekomen. Samengevat komt het hier op neer :  Jezus heeft bij het begin brood in zijn handen genomen ,Hij heft het brood omhoog  , Hij heeft vervolgens een gebed van lofprijzing uitgesproken. . Dan heeft Hij het brood gebroken het aan zijn leerlingen gegeven,

Hij heeft van dat brood verklaard : Dit is mijn Lichaam (Paulus voegt hier nog aan toe :’ voor u, doet dit tot mijn gedachtenis‘, en Lucas : ‘dat voor u gegeven wordt’). Dan had de  eigenlijke maaltijd plaats.Pas op het einde van de maaltijd volgde  het eucharistisch handelen met de wijn gemengd met water.In de versie van Lucas luidt dit :’Evenzo, de beker, na de maaltijd, zeggende : deze beker is  het nieuwe verbond in mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt’ (Lc.v 30) Ook bij Paulus vinden wij deze toevoeging.. Bij  Mattheüs en Paulus vinden wij de constructie  enigszins anders : ‘”Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden’(Matt.28b-29a). Bij Paulus is het ongeveer dezelfde constructie., maar voegt eraan toe :’ doet dit, zo dikwijls gij die drinkt tot mijn gedachtenis’(1 Kor..11,26). Het verbond waarvan sprake verwijst naar het verbond dat God sloot met Mozes : ‘Zie, het bloed van het verbond dat de Here met u sluit, op grond van al deze woorden’ (Exodus, 24, 8). Een verwijzing  naar het nieuwe verbond vinden we  bij Jeremias : ‘Zie de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal..’(Jeremias, 31,31).

 

Uit bovenstaande kunnen we besluiten dat de instelling van de eucharistie plaatsvond tijdens een ‘maaltijd’. Vervolgens is hier reeds een eerste structuur merkbaar van een liturgie : brood nemen, dankgebed uitspreken, brood breken en uitdelen,   Hetzelfde met de beker. Ook inhoudelijk heeft jezus een belangrijk nieuw element aan toegevoegd : het brood en de wijn, worden tot lichaam en bloed van Hemzelf. Vervolgens de verwijzing naar het nieuwe verbond : het oude neemt hier een einde. Jezus sluit een nieuw verbond, dat reeds in het oude testament werd aangekondigd. Jezus is de vervulling van het oude verbond. En tenslotte : het is een gedachtenisviering , niet in de zin dat Zijn woorden louter symbolisch moeten worden opgevat, maar wel , dat telkens wanneer wij hetzelfde doen als Hij, Hijzelf zichzelf opnieuw tegenwoordig stelt.

 

2. DE JOODSE ACHTERGROND VAN DE EUCHARISTIE


Het ontstaan van de eucharistie  moet begrepen worden vanuit de praktijk van de Joodse religieuze maaltijden.. Jezus heeft de eucharistie ingesteld in het kader van het Joodse Paasmaal. In feite is het hier van minder belang, of dit was in het kader van een Paasmaal, dan wel gedurende een gewoon vriendenmaal ‘Het Joodse paasmaal is immers ritueel gezien een plechtiger vorm van een religieuze vriendenmaaltijd’ (A.Verheul : Grondstructuren van de eucharistie,Emmaüs, Brugge 1974).

.Om dergelijke maaltijden beter te begrijpen , moeten wij eerst iets zeggen over de ‘Beracha’ of zegenspreuken.

 
De ‘Beracha’ is de meest volmaakte gebedsvorm in de Joodse traditie. In de Beracha staat de Heer centraal. Hij wordt erkend in zijn liefdevol handelen. In de zegenspreuken wordt de Heer met name om drie dingen, die voor Hem het meest wezenlijk zijn geprezen.

In de eerste plaats wordt de Heer erkend als Schepper. Hij is de eigenaar, de koning en de schenker van alle dingen. Om al Zijn scheppingsgaven wordt Hij geloofd. Vervolgens wordt Hij geloofd, omdat Hij zich aan zijn volk geopenbaard heeft. Tenslotte wordt de Heer geprezen om Zijn belofte van de uiteindelijke Verlossing.

De ‘Beracha’ of zegenspreuk stelt de biddende gelovige in staat om ruimte te geven aan zijn gevoelens van verwondering en bewondering. Hij eert God om de wonderen die Hij verricht. Het handelen van de Heer boezemt de gelovige ontzag in. De aanspreekvorm in de ‘ Beracha’ is deels in de tweede persoon –‘Geprezen zijt Gij’ – deels in de derde persoon ‘(Hij) die ons ‘gesteld’ heeft…

 
Hoe verliep zo’n religeuze maaltijd ?

We baseren ons hiervoor op het boekje van A.Verheul, boven geciteerd.

 

Kort samengevat kunnen we zo’n maaltijd schematisch als volgt samenvatten :

Bij het begin van de maaltijd staat de voorzitter op ( men lag aan tafel) .

1.       Na een rituele handwassing drinkt iedereen uit de drinkbeker          Ieder spreekt voor zich een zegengebed uit (Beracha)

2.       Begin maaltijd :  De voorzitter staat op (men lag aan tafel.)          Hij spreekt een zegengebed tot Jahweh :’ Gezegend zijt Gij, heer onze God, koning van het heelal, die de aarde het brood doet voortbrengen ‘. Allen antwoorden : ‘Amen‘. Hij brak het brood en gaf ieder van de mede aanliggenden een stuk dat zij nuttigden.

3.       Eigenlijke maaltijd – naar einde toe opnieuw zegengebed –           tweede rituele handwassing

4.       Wijnbeker wordt aan de tafelvoorzitter gebracht, samen met  Water. Wijn wordt gemengd met water .

5.      Tafelvoorzitter vraagt toestemming aan mede-aanligge om Het zegengebed uit te spreken (Birkat-ha-zimmoen)  :          Bij drie gasten zei hij : ‘laat ons lofprijzen’          Bij vier :’ ‘zegent’          Bij tien en meer : ‘Laat ons de Heer onze God lofprijzen’           Bij honderd en meer : ‘Laat ons de Heer onze God lof-prijzen.

6.       Mede-aanzittenden geven hun toestemming met een lofspreuk :

7.       Opheffen van de drinkbeker en uitspreken van het grot
e 
 Zegengebed of Birkat-ha-mazon.

8.       Nadat hij het zegengebed had uitgesproken, liet hij ‘de beker der Zegeningen’ onder de medeaanliggenden rondgaan.

 
Staan we nog even stil bij de ritus met de beker (punt 7). De rite bestond hieruit, dat de tafelvoorzitter de beker een beetje hoog voor zich hield en na het gebed haar liet rondgaan en dat men daaruit dronk. Let er op, dat elke strofe eindigt met een korte zegenformule ‘Gezegend zijt gij Heer die…’ die het thema nog eens aangeeft. Er is dus sprake van een keten van Berachot (= meervoud van ‘Beracha’; ‘Beracha’ wordt in woordconstructies ‘birkat’.)Volgen we nu even de ritus van het grote zegengebed :

Inleidende dialoog : (V = Tafelvoorzitter ; A = antwoord van de mede-aanliggenden).

V : Laat ons de Heer, onze God lofprijzen. A.Gezegend zij de Naam van de Heer nu en altijd.

V. Met uw instemming zullen wij Hem zegenen, die ons in Zijn goederen heeft doen delen.

A.Gezegend zij Hij van Wiens gaven we hebben gegeten. Door zijn goedheid

Leven wij.

Dan volgt het uitspreken van de Birkat-ha-mazon ( bestaat uit drie afzonderlijke zegengebeden) :


Birkat-ha-zan
: Gezegend zijt Gij, Heer onze God, Koning van het heelal, die heel de wereld voedt met uw goedheid, uw mildheid en uw barmhartigheid. Gij geeft aan alle vlees zijn voedsel, want Gij voedt en houdt in leven iedereen. Al wat Gij, Heer, geschapen hebt geeft Gij te eten. Gezegend zijt Gij, Heer, die aan allen hun voedsel schenkt.

 
Birkat-ha-aretz : Wij zeggen U dank, Heer onze God, voor het goede en uitgestrekte begerenswaardige land, waarnaar uw liefde is uitgegaan en dat Gij aan onze vaderen als erfenis hebt geschonken. Wij zeggen U dank voor uw verbond dat Gij in ons vlees hebt bevestigd, voor de Wet, die Gij ons gegeven hebt, voor het leven, de mildheid, de genade en het voedsel dat Gij ons verschaft voortdurend en altijd. Voor al deze weldaden, Heer onze God, zeggen wij U dank en zegenen wij uw Naam. Moge uw Naam voortdurend door ons gezegend worden. Gezegend zijt Gij , Heer, voor het land en voor het voedsel.

 
Birkat-Yeroesjalayim : Heb medelijden, Heer onze God, met Israël, uw volk, Jeruzalem, uw stad, met Sion, het verblijf van uw heerlijkheid, met het koninklijk huis van David, uw gezalfde, het grote en heilig huis waarover Uw Naam is aangeroepen. God, onze Vader en onze koning, voed ons en houd ons in leven, verschaf ons spoedig hulp in onze tegenslagen. Laat ons niet afhankelijk zijn van de gaven der mensen want hun gaven zijn gering en hun beledigingen zonder maat. Moge uw heilige en vreeswekkende Naam voor ons een borg zijn. Dat Elia en ook de Messias, de zoon van David, nog komen tijdens ons leven. Moge het koninklijk huis van David, uw gezalfde, weer terugkomen en over ons heersen want Gij zijt de Enige, die ons redt ter wille van uw Naam. Doe ons weer opgaan naar Jeruzalem, geef ons weer de vreugde om haar, troost ons om Sion, uw stad. Gezegend zijt Gij , Heer, die Jeruzalem weer herbouwt.

 
De Birkat-ha-mazon, de Beracha bij uitstek bij de 3e bekerrite, is de kern, terwijl de brood-beracha aan belangrijkheid verliest.

Omwille van het grote belang van deze Joodse maaltijdriten, is het voor ons ook duidelijk waarom de eerste Christenen zo vaak verwijzen naar gemeenschaps-

maaltijden en dat daar vroeg of laat de idee ‘Maaltijd van de Heer’ werd  aan gekoppeld.In de evangelieën staan veel verhalen van Jezus die de maaltijd neemt met zondaars, tollenaars, farizeeërs, grote massa mensen. Het lijkt wel of de

evangelisten naar DE maaltijd toe werken. Met als hoogtepunt de maaltijd met de voetwassing (Joh.13). Philippus heeft het gezien : ‘Zalig hij die met u aanzit in het Koninkrijk’.

 
De tekst die Jezus zal gebruikt hebben is zeker deze van de Joods-zeligieuze maaltijd . De tekst spreekt voor zich en is in het licht van wat met Jezus aan de hand was ontzettend beladen. Hij voegde er immers aan toe ‘…want dit is mijn Bloed dat voor u wordt uitgegoten’ ter bekrachtiging van het nieuwe verbond. Jezus heeft er dus een andere , ‘nieuwe ‘ betekenis aan gegeven. Marcus en Mattheüs gebruiken voor de broodritus het woord ‘eulogein’ (zegenen) : ‘Gezegend zijt gij, Heer onze God, Koning van het heelal, die de aarde het brood doet voortbrengen’, Amen antwoordden allen. Jezus voegde aan die formule zijn woorden toe : ‘ Dit is mijn lichaam’’. Pas voor de uitgebreidere formule van de bekerrite gebruiken zij ‘eucharist
ein’ (danken). Lucas en paulus (1 Kor.11,23-26) gebruiken ‘eucharistein voor beide riten.  Dit is begrijpelijk : Lucas was geen Jood en Paulus schreef voor christenen uit de ‘heidenen’ voor wie dat onderscheid niet meer van belang was. Het ‘doet dit tot mijn gedachtenis’ staat alleen bij Lucas en Paulus, dus na ‘eucharistein’, dat kennelijk het begripswoord ‘EUCHARISTIE’ is geworden. ‘Eulogein’ komt in latere geschriften niet meer voor !.

 

 

3. VERDERE ONTWIKKELING IN DE VROEGE KERK

 

‘ En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk ; en telkens waren er die hun bezittingen en have verkochten, en ze uitdeelden aan allen die er behoefte aan hadden ; en voortdurend  waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst van het gehele volk. En de Heer voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden’. (Hand.2,44-47).

 

De praktijk van de maaltijden werden door de eerste christenen in ere gehouden

Er was op dit moment nog geen sprake  van een afzonderlijke  rite, los van een maaltijd..

De ons als oudste bewaarde tekst komt uit de ‘Didachè’, een ‘onderricht van de apostelen’. Dit gebed erin is nog een maaltijdgebed te noemen. Vermoedelijk te Antiochië ontstaan in ca 100 na X. De joodse drieledige beracha is herkenbaar :

‘ Inzake de eucharistie dankt als volgt :

 

eerst omtrent de beker :

 

1 ‘Onze Vader, wij danken U

voor de heilige wijnstok van David, Uw dienaar,

die ons door Uw dienaar Jezus hebt geopenbaard..

Aan u de eer in de eeuwen’

 

2.Vervolgens met betrekking tot het gebroken brood :

‘Onze Vader, wij danken U

voor het leven en voor het inzicht,

dat U ons door Jezus, Uw dienaar, hebt geopenbaard.

U zij lof in eeuwigheid !.

 

3.Zoals dit gebroken brood op de bergen verstrooid  was

En bijeengebracht  één  werd,

Laat zo uw Kerk van de uiteinden der aarde

In Uw Rijk bijeengebracht worden,

Want aan U is de heerlijkheid

en de macht door Jezus Christus in eeuwigheid

 

4.Niemand ete en drinken van uw eucharistie buiten diegenen die In de naam van de Heer gedoopt zijn. Want hierover heeft de Heer gezegd : ‘ Geeft het heilige niet aan de honden’ (Matt.7,6).

 

5. Nadat Gij u verzadigd hebt, dankt aldus :

Heilige Vader, wij danken U voor Uw heilige Naam

Waaraan U een woonplaats in onze harten hebt bereid,

En voor de kennis, het geloof en de onsterfelijkheid

Die U ons door Jezus, Uw dienaar, hebt geopenbaard.

U zij lof in eeuwigheid !

 

6.Gij, almachtige Heer, hebt alles geschapen

Omwille van Uw Naaam.

Voedsel en drank hebt U de mensen gegeven om te nuttigen,

Opdat zij U danken ;

Maar aan ons hebt U geestelijk voedsel en drank geschonken

En eeuwig leven door Uw dienaar.

Wij danken U voor alles, omdat U machtig zijt.

U zij lof in eeuwigheid.

 

7.Gedenk, Heer, Uw Kerk, haar te verlossen van alle kwaad

En haar in Uw liefde te voltooien,

En brengt haar, de geheiligde, van de vier windstreken

bijeen in Uw Rijk.

 

Dat Gij U Bereid hebt.

Want aan U is de macht en de heerlijkheid in eeuwigheid.

 

8.Dat de genade kome en de wereld verga.

Wie heilig is, kome  nabij ; wie het niet is, moet boete doen.

Heer, kom !

Amen.( genomen uit het boek : ‘De bijbel en het Christendom’ verschill.auteurs

4 delen. Deel 1 pp.64-65) De nummering van de bladz. is van mij.Strofe  1-4 vormt hst. 9/ strofe 5-8 vormt hst.10.

.

 

Commentaar :

 

Vers 1 : ‘eerst omtrent de beker’ : de tekst doelt op de eerste bekerritus. Zie: lc.22,17.

‘Dienaar’ : letterlijk ‘knecht’, kind, hulp, rechterhand

Aan U de eer in de eeuwen : de joodse zegenformule is een ‘eringsformule’(doxologie ) geworden.

 

Vers 2. : vervolgens met betrekking tot het gebroken brood : Verwijst naar de broodrite. Want aan U is de heerlijkheid …: weer een doxologie.

 

Vers 3 : op de bergen :  een mooi woord voor groene heuvels ? een associatie met de Berg van Jezus , van Mozes ?

Bijeengebracht worden : Eenheid was toen al een aandacht-vragend , want wezenlijk element

Door Jezus Christus in eeuwigheid : doxologie door ( en met en in) Hem.

 

Vers 4 : Niemend ete en drinke :  zie Paulus’aanwijzing in Kor.11,17vv : eerbiedig eten ; dit soort maaltijd is niet om je honger te stillen ; het gaat om iets heiligs.

 

Vers 5. : Nadat gij u verzadigd hebt : = na de maaltijd.Een goed moment om te danken. : Danken om Jezus Christus..Om dat dankzegg
en gaat het nu.

U zij lof…: doxologie.

 

Vers 6 : Danking om eten en drinken

Gij hebt alles geschapen : Joods (Gezegend zijt Gij, Heer onze God, koning van het heelal)

U zij lof.. : weer afsluiting met een doxa-woord.

 

Vers 7 : Smeking om de Kerk.

De vier windstreken …: ‘Uit het Oosten breng Ik uw kroost terug en uit het Westen verzamel Ik u. Tegen het Noorden zeg ik : Geef hier ! en tegen het Zuiden : Houd hen niet vast…’Jes.43,5vv.

Want aan U is de macht….. : slotdoxologie.

 

Vers 8. : Uitnodiging tot de communie

Heer kom (Maranatha) : de Heer komt (of : is gekomen).

 

Hier ontbreekt het instellingsverhaal. De apostelen deden wat de Heer deed en dat hebben zij doorgegeven aan hen die volgeling van Jezus wilden zijn. Het instellingsverhaal zal pas later komen, als legitimatie of inspiratie daartoe. Later, toen de maaltijd uitviel, en de eucharistie een aparte dienst ging vormen zijn de verzen 1-4 verdwenen. Maar het ter zake stellen van brood en wijn, evenals het naar voren brengen, aan het begin van de maaltijd is gebleven en heeft die plaats behouden, wat wij anaphora (offerande ), noemen.

 
Geleidelijk aan zal de maaltijd verdwijnen. Vinden wij hier een voorbeeld van in de ‘Traditio apostolica’ van Hippolytus (ca.250 te Rome) ? Hier verschijnen de instellingsverhalen wél.

We geven als voorbeeld de tekst van Hippolytus uit de ‘Traditio apostolica’ (uitg.ed Botte, Münster,1963). De vertaling is van Prof. H.Wegman (+) :

 
‘Wij danken U, God, door uw welbeminde Zoon Jezus Christus, die Gij op het einde der tijden als Redder naar ons hebt gezonden, als Verlosser en Boodschapper van uw wil. Hij is Uw Woord,

onafscheidelijk met U verbonden. Door Hem hebt Gij alles geschapen, in Hem uw welbehagen gesteld. Gij hebt Hem vanuit uw hemel gezonden in de schoot van een Maagd. In haar ontvangen is Hij mens geworden. Hij heeft zich geopenbaard als uw Zoon, geboren uit de Heilige Geest en uit de Maagd.

Hij heeft om Uw Wil te volbrengen en u een heilig volk te bereiden zijn handen uitgestrekt toen Hij leed : om door te lijden allen die in U vertrouwen van het lijden te verlossen.

Toen Hij zich vrijwillig overgaf de lijdensweg te gaan, om de dood te vernietigen, de hel met voeten te treden, de rechtvaardigen te verlichten, de geloofsregel te bevestigen en de opstanding te openbaren, nam Hij brood, sprak de dankzegging en zei : ‘Neemt en eet, dit is mijn lichaam, dat voor u zal worden gebroken’.

Zo ook de kelk en Hij sprak : ‘Dit is Mijn bloed dat voor u gegoten wordt. Als gij dit doet, doet het ter gedachtenis aan Mij’.

(Derhalve) Zijn dood en opstanding gedenkend bieden wij U aan het brood en de beker, terwijl wij U danken dat Gij ons waardig hebt gekeurd voor uw aangezicht te staan en U te dienen.

 
Wij vragen U Uw Heilige Geest te zenden over de gave van de heilige Kerk, in eenheid te verenigen al degenen, die deelnemen aan het heilige (mysterie). Vervul hen met de Heilige Geest ter bevestiging van het geloof en de waarheid, zodat wij U loven en verheerlijken door Uw Zoon Jezus Christus.

 
Door Hem mogen U worden gebracht glorie en eer, Vader, Zoon met de Heilige Geest, in de heilige Kerk, nu en in de eeuwen der eeuwen.

Amen’

 
Hier hebben we dus waarschiinlijk  reeds te maken met een eucharistieviering, die los staat van een maaltijd, met daarin – op het einde- een eerste aanzet van een epiclese.

Ik wil er tenslotte nog op wijzen, dat  Augustinus gewag maakt van zowel een eucharistie mét maaltijd als een eucharistie zonder maaltijd, en dit op witte donderdag:’ De  avonddienst  is toch voor de vasters  zo laat gezet ? Want nu is het overal verschillend, en dat hangt samen met dat al of niet eten en baden, en sommigen zeggen bovendien dat er tenminste één offer na de coena (=avondmaal) gecelebreerd moet worden omdat er geschreven staat  simili modo postquam coenatum est (= zo ook na de maaltijd).Wel, dit laatste argument is onzinnig. En wat de dubbele dienst betreft, ik houd het er voor dat de morgendienst er is voor de niet-vasters die een bad nemen (dus zonder maaltijd – noot van mijzelf), en de avonddienst voor de consequente vasters die wel geen bad nemen doch eerst laat hun coena gebruiken en dan ter kerke gaan. En wat dit laatste punt betreft, dat er bij ons hier dan des avonds en nog wel ontnuchterend wordt gecelebreerd en gecommuniceerd, dat gebeurt alleen op deze dag, en is een historische herinnering, aan het uur en de omstandigheden van het Laatste Avondmaal’Augustinus, uit de brieven aan Januarius.geciteerd in ‘Augustinus de zielzorger – F Van der Meer- deel II, p 22)

(nb.het baden stamt uit de tijd na 313, toen er elk jaar zeer veel dopelingen waren, die zich veertig dagen niet hadden gewast. Maar dan werd er niet gevast.Baden en vasten gingen niet samen.

Dat in de oudste teksten de instellingswoorden niet altijd voorkomen, wil daarom niet zeggen dat het niet gebeurde. Er zijn teksten bekend waarin deze wel vermeld worden :

Zoals bv. Bij Justinus (rond 165) in zijn ‘eerste apologie’ : we citeren : ‘ Na de voorlezing (van de apostelen of de profeten) houdt de voorganger een toespraak….Dan wordt brood, wijn en water gehaald, en de voorganger spreekt met krachtige stem de gebeden en dankzeggingen uit waarmee het volk instemt door met ‘Amen’ te antwoorden.Daarna wordt het geconsacreerde uitgedeeld waarvan iedereen zijn deel krijgt. (geciteerd in Bijbel en Christendom, verschillende auteurs, deel 1, p.62. ) In dezelfde apologie zegt hij nogmaals ongeveer hetzelfde, maar daar is wél sprake van het uidelen van de wijn :’Na de dankzegging….delen de diakens het brood, het water en de wijn uit aan alle aanwezigen en brengen de gave ook naar diegenen die afwezig zijn’( Bijbel en Christendom, op.cit.deel 1, p.67.)

De reden waarom de instellingsverhalen niet altijd voorkwamen is waarschijnlijk omdat het hier gaat om te  ‘doen wat de Heer deed’. Kennelijk was het gemeenschap zijn in Jezus Christus  voldoende basis voor de Eucharistie, zonder consecratiewaarden. De consecratie is anamnese, desnoods

het toppunt ervan, ‘ons’ brood hier en nu verbonden met ‘Zijn  Brood’ toen en

ginds

 
We vinden hier echter nog geen ‘Onze Vader’ :   ‘.Noch bij Justinus (rond 150), noch in de ‘Traditio apostolica’ van Hippolytus (rond 215) vinden we enige vermelding van het Onze Vader tijdens een eucharistieviering. De nuttiging sloot toen nog onmiddellijk bij het eucharistisch gebed aan . Zelfs wanneer wij in de eerste helft van de vierde eeuw, o.a. in de zgn Clementijnse liturgie en het euchologion van Serapion van Thmuïs de tendens gewaarworden om aan de communie enkele voorbereidende gebeden te laten voorafgaan, dan vinden wij daaronder nog  steeds niet het Onze Vader vermeld’ (A.Verheul, op.cit. p. 98-99)

Het is pas in de vierde eeuw dat zowel in Oost als West het  Onze Vader als voorbereidingsgebed op de communie verschijnt.  In het Oosten is er sprake van bij de schrijver van de mystagogische catechesen, bij Cyrillus van Jeruzalem (rond 385) of diens voorganger en in sommige homilieën van Johannes Chrysostomos., bij Gregorius van Nyssa en Faustus van Byzantium In het Westen zijn het vooral Ambrosius en Augustinus en Hiëronomus die er gewag van maken. (A.verheul : op.cit.p99)

 

4. VERDERE ONTWIKKELING VAN DE ANAPHORA IN DE    BYZANTIJNSE LITURGIE

 

 Waar tot nog toe de ontwikkeling voor Oost en West gelijklopend waren, gaan we ons nu vooral toespitsen op de ontwikkeling van de Byzantijnse liturgie.

Er zijn heel veel bronnen te vinden voor de liturgie in het Oosten, indirekte en direkte. We beperken ons tot de direkte bronnen :

Deze direkte bronnen hebben vooral betrekking op de liturgie van Jeruzalem, die van grote invloed is geweest. Jeruzalem en Palestina waren sinds Constantijn de pelgrimsoorden bij uitstek. Daar, in de grote kerken, gebouwd door de keizer en de keizerin, ontplooide zich een plaatselijke liturgie die een grote uitstraling heeft gekend. Een tweede belangrijk centrum was Antiochië.

We steunen ons voor dit onderzoek op het boek : ‘Geschiedenis van de christelijke eredienst in het Westen en in het Oosten, H.A.J Wegman, Gooi en sticht bv, Hilversum,1976.’

 

Direkte bronnen :

‘Itinerarium Aetheriae’
: rond 400- beschrijving van de eredienst te Jeruzalem – geen teksten

Het Armeens lectionarium : over de organisatie van de viering van het kerkelijk jaar – een leesrooster en de keuze van de kerkgebouwen voor de liturgie – alles te Jeruzalem.(420-450).

Het Georgisch lectionarium.

De catechesen van Cyrillus van Jeruzalem.

Constitutiones apostolicae : 5e eeuw – met betrekking tot de kerkorde in Antiochië. Boek VIII : gedetailleerde beschrijving van de Eucharistie.

Testamentum Domini nostri Jesu Christi : monophysitisch – gegevens ook over de eucharistie.

 

Belangrijk is, dat wij vooral uit deze bronnen veel kunnen leren over de christelijke initiatie : doopsel-zalving-eucharistie.

We hebben een zeer afgewogen voorbeeld van de ‘anaphora’ van Jeruzalem. We geven hiervan een poging tot reconstructie. (Wegman : p69 – franse tekst / vrije.vertaling is van mij) (we nemen alleen de tekst vanaf de instellingswoorden.:

1.Er is eerst een lofprijzing tot de Vader

2.dan volgt het Sanctus

3.vervolgens een Embolisme van het Sanctus

4.dan worden de wonderdaden van God in de geschiedenis aangegeven

5.De instellingswoorden :

‘Daar Hij zich ging onderwerpen aan de vrijwillige dood, Hij zonder zonden, voor ons zondaars, de nacht waarin Hij zou worden overgeleverd voor het leven en het heil van de wereld.

(De priester richt zich op, neemt het brood en zegent het met het teken van het kruis, en zegt : )

Het brood in zijn heilige en onbevlekte handen nemend en zonder zonden, en het aan U aanbiedend, God en Vader, dankte Hij U, sprak de zegen uit, Hij heiligde het,brak het en gaf het aan Zijn leerlingen  en apostelen zeggend :

Neemt, eet, dit is Mijn lichaam gebroken voor U en uitgedeeld tot vergeving der zonden.

(Het volk 🙂 Amen

(Vervolgens, na de kelk te hebben genomen, zegt hij met zachte stem, na het met het kruisteken te hebben gezegend )

Hetzelfde, nadat zij gegeten hadden, mengde hij de wijn en het water.Hij sprak de zegenbede uit,deelde het uit aan Zijn leerlingen en apostelen, zeggend:

(en het opheffend)

Drink allen hieruit, dit is mijn bloed, het bloed van het nieuwe Verbond, vergoten voor u en voor velen en uitgedeeld tot vergeving der zonden.

(Het volk : )Amen.

Vervolgens, zich oprichtend zegt hij met zachte stem )

Telkens Gij van dit brood eet en deze beker drinkt doe dit tot gedachtenis aan Mij.Verkondigend de dood des Heren totdat Hij wederkomt.

(En de aanwezige diakens antwoorden 🙂

Wij geloven en belijden.

(Het volk)

Wij verkondigen Uw dood, Heer, en wij belijden Uw Verrijzenis.

 

Anamnese (gedenken)

(Vervolgens maakt de priester het kruisteken en zich buigend zegt hij : )

Gedenken wij Zijn dood en verrijzenis uit de doden op de derde dag, van Zijn hemelvaart waar Hij zit aan Uw rechterhand, God en Vader, en van zijn tweede glorierijke wederkomst, wanneer Hij komt om levenden en doden te oordelen elk naar zijn werken ;  Wij offeren U dit heilig en onbloedig offer opdat wij niet naar onze fouten  en schulden zou
den beoordeeld worden, maar volgens uw barmhartigheid en menslievendheid. Delg de zonden uit van hen die tot U bidden.

(En Hij roept uit : )

Want Uw volk en Uw Kerk smeken U

 
(Het volk):

Heb medelijden met ons o Vader almachtig.

 

Epiclese

(En de priester terug rechtstaande zegt met zachte stem )

Heb medelijden met ons, o God, o Vader Almachtig, en zend over ons en over Uw gaven hier aanwezig, Uw Heilige Geest ;

(knielend zegt hij : )

De Heer en Levendmaker, die met U God en Vader en met uw Zoon troont, Hij die met U regeert, één in wezen en eeuwig met U. Hij die gesproken heeft door de Wet en de Profeten en in het Nieuwe Verbond, die gekomen is onder de gedaante van een duif over onze Heer Jezus Christus in de rivier de Jordaan, die is neergedaald over uw Heilige Apostelen onder de vorm van vurige tongen;

(en hij roept uit : )

Opdat Hij zou komen en hij van dit brood, het lichaam van Christus zou maken.

(Het volk : ) Amen

(De priester : ) en van deze beker het kostbaar bloed van Christus.

(Het volk : ) Amen

(De priester, zich oprichtend : ) Opdat zij het zouden worden voor allen die eraan deelnemen tot vergeving der zonden en voor het eeuwig leven voor de heiliging van zielen en lichamen, tot vruchbaarheid van onze goede werken, voor de bevestiging van Uw Heilige Kerk die Gij gebouwd hebt op de rots van het geloof, dat ze zou weerstaan aan de machten der hel, haar bevrijdend van elke ketterij en ergernissen die onrust brengen tot aan de voltooiing der tijden.

(En alleen de aanwezige geestelijken antwoorden : ) Amen

 

We hebben hier duidelijk te maken met een Antiochische anafora die als kenmerk heeft :

1.       Lofprijzing tot God, uitlopend op het driemaal heilig

2.       De gedachtenis van Gods heilshandelen (dankzegging – anamnese – met als centrum : het instellingsverhaal

3.       Jezus opdracht : doet dit tot mijn gedachtenis

4.        Epiclese.

 

(In de Alexandrijnse anafora is er ook een epiclese voor het instellingsverhaal)

 

De liturgie van Jeruzalem is model geweest voor de verdere ontwikkeling van de liturgie voor zowel het Oosten als het Westen.Alhoewel Jeruzalem reeds lang geen politiek centrum meer was, dat was eerst Antiochië en later Constantinopel), toch werd het door de Keizer een Kerkelijk centrum. Velen gingen er de heilige plaatsen bezoeken. Zo kwam ook  de rest van de Oosterse

 

Christenheid onder invloed van de liturgie van Jeruzalem.

 Het is ongeveer in dit tijdperk (300-600) dat de meeste ritussen vorm hebben

gekregen, zowel in Oost als in West. Meestal gecentreerd rond een bepaald centrum, een bepaalde lokale kerk. Vanuit een drang naar eenheid ontstond er een soort groepsvorming rond één centrale Kerk. Het gevolg hiervan was het ontstaan van verschillende ritussen (zowel in oost als in west).

 


5. DE VOORNAAMSTE RITUSSEN WELKE IN DEZE PERIODE ONTSTONDEN :

 

Alexandrië :

 

De metropool van Egypte – kerkelijk centrum

Door het monophysitisme (451) is de Kerk van Egypte verdeeld in :

 

          Orthodoxen : die hun eigenheid opgaven en zich met Constantinopel conformeerden

          De Kopten (monophysitisch)

De oude Alexandrijnse traditie moet men bij de Kopten zoeken (en Ethiopië)

 

Antiochië :

 

De Griekse stad in Syrië was lange tijd het politiek centrum, en daarom ook kerkelijk van grote betekenis.Daar ontwikkelde zich een eigen ritus die een grote uitstraling heeft gekend en met name Constantinopel heeft beinvloed.

In 451 werd de Kerk van Antiochië verdeeld in :

     

          Orthodoxen : (melkieten, volgelingen van de Keizer) die verbonden blijven met Constantinopel en de eredienst ervan overnamen( die zelf in oorsprong  Antiocheens is)

          De monofphisitische ritus van de Jacobieten, : hierin leeft vooral de Antiocheense traditie voort.Christenen van India (Malabar) hebben in de 17e eeuw deze traditie overgenomen Ook bij de Kopten was de invloed ervan groot.

          De Maronieten : Ontstaan in 681 (monotheletisme ) Zij hebben  de Syrische traditie bewaard, maar zijn sterk gelatisiseerd toen ze zich met Rome unieerden.

 

 

 Perzië :

 

Kwam met het Christendom in aanraking via Antiochië en vooral Edessa . Het Christendom is Syrisch, de Oost Syrische traditie  genoemd, met eigen acce,nten en gebruiken, die te maken hebben met hun geïsoleerd bestaan, die leefden buiten het Romeinse imperium. Deze Kerk is Nestoriaans geworden en heeft zich bijna geheel van de andere Kerken afgesloten (einde 5e eeuw). Hier zijn de oudste lagen van de eredienst goed bewaard gebleven en de gedachteniswereld van de joods-christelijke gemeenten is er nog in voelbaar .

 

Constantinopel :

 

Ondervond invloed van Antiochië en is theologisch bepaald door Capadocië (Gregorius van Nazianze was aartsbisschop van Constantinopel.). Constantinopel werd steeds machtiger, ook Kerkelijk, door de groeiende invloed van de Keizer, het overweldigde Antiochië en Jeruzalem.

De Byzantijnse ritus is een merkwaardige synthese van verschillende tradities. Er is een merkwaardige inbreng merkbaar van gans het oosters christendom.Het oosten heeft ook steeds over alle dwalingen gezegevierd, en er telkens rijker uit voortgekomen..Wat wij tegenwoordig de oosterse liturgie noemen is de Byzantijnse liturgie. In Alexandrië, in Oost-Europa, zelfs in Syrië, de koptische en Armeense traditie is de Byzantijnse invloed merkbaar.’ Door de opname van vele tradities en verwerking daarvan is de Byzantijnse traditie de uitdrukking van het Oosters christendom’ ‘The Byzantine synthese’(Schmemann)

(Bron : Geschiedenis van de Christelijke eredienst in het westen en het oosten, op.cit. pp.75-76)

 

6. DE ANAPHORA, INGEDEELD VOLGENS DE RITEN OF FAMILIES

 

De oosterse anaphora stemmen hierin overeen, dat zij als compositie geen veranderlijke gedeelten kennen.

 

De Oost-Syrische anaphora : een keuze :

 

1.       De anaphora van de Apostelen Addaï en Mari :

Het zijn de oudst bekende teksten (3e eeuw ?).Er is geen instellingsverhaal .Bovendien zijn er latere toevoegingen : sanctus en misschien de epiclese.Het is een gebed, semietisch van kleur : verheerlijking van de Naam Gods, vermelding van de zondigheid en begenadiging van de mens als heilseconomie van God. Het lijkt nog op een tafelgebed.: de verkondiging van Gods grote daden in Jezus tot op vandaag.

           

                                               

 2.       De anaphora van de apostel Petrus (maronietisch)

     Staat in verband met het vorige, maar door toevoegingen ontwikkeld.

 

3.      De anaphora van  Theodorus van Mopsueste

 

4.       De anaphora van Nestorius : Beïnvloedt door de west Syrische (Jeruzalemse ) traditie(zo ook die van Theodorus van Mopsueste)

De West-syrische anaphora :

 

1.        De anaphora van de 12 apostelen

 

2.         De anaphora van de H.Chrysostomos

          De teksten schijnen terug te gaan op een gemeenschappelijk ouder

          origineel uit het begin van de 4e eeuw (Antiochië).Kan overeenkomt

          hebben vertoond met die van Addai en  Mari en had waarschijnlijk geen

          sanctus met inleiding. Het auteurschap van Chrysostomos is omstreden.

          Het oude origineel heeft in de loop der tijden theologische toevoegingen

          gekregen.

Structuur :

a.in het eerste deel en de dankzeggen werden vermengd

b.Sanctus  met inleiding lijkt inderdaad een latere toevoeging. Er is een duidelijke onderbreking van de compositie.

c.Na het sanctus is er geen duidelijke anamnese (gedenken)van de

heilsdaden van God : één zin vormt de overgang naar het instellingsverhaal.

d. Anamnese

e. Epiclese

f. De smeekbeden

g. De doxologie.

De opbouw is eenvoudig, typisch Antiocheens.

. 

3.    De anaphora van Basilius.

          Er is een Byzantijnse lange versie en een Alexandrijnse korte versie.  Het

          is een typisch Griekse anaphora, die elke semitische trek heeft verloren

          en     waarin harmonie en theologische reflexie voorop staan.

     De opbouw is Antiocheens :

      a.Lofprijzing : waartoe de mens alleen in staat is door de Zoon en in de  

          Geest(Triniteitshymne)

      b.uitlopend in het Sanctus

.     c.Anamnese van Gods heilsdaden in de schepping en de herschepping,

         dat het werk is van de Zoon

      d. Het instelingsverhaal

      e.anamnese (offer-gedachtenis)

      f.De intercessiones

      g.De slotdoxologie

 

Vermelden wij ten slotte ook nog kort de Alexandrijnse anaphora.Deze verschillen van de Antiocheense door de opbouw van de anaphora. Meest opvallend is dat er ook een epiclese is voor de instellingsverhalen.

 

1.       De anaphora van Marcus : Grieks geschreven, de koptische vertaling is bekend.

Structuur :

a.Lofprijzing en dank tot God, die de mens geschapen heeft.

b.Het offer ( dankzeggend offeren wij een geestelijke en smetteloze cultus)

c.De smeekbeden voor de Kerk en de volkeren en allen die in nood verkeren.

d.Sanctus, met inleiding.

e.Eerste Epiclese, in aansluiting op ‘Vol zijn hemel en aarde van uw glorie’ –‘maak ook deze gaven vol van uw zegen door de Heilige Geest.

f.instellingsverhaal met anamnese

g. Epiclese

h. Doxologie.

  

2.       De anaphora van de papyrus Dêr-Balyzeh.

3.        De anaphora van Serapion : opvallende tekst waarin de Didachè wordt geciteerd en het instellingsverhaal wordt uitgelegd. De epiclese is een ‘logos’epiclese  

.(Bron : Geschiedenis van de eredienst in het Westen en het Oosten, op.cit.pp.101-103)

 

Voor ons is de anaphora van de H.C
hrisostomus van belang. De andere anaphora zijn eveneens van belang in die mate dat ze de anaphora van Chrisostomus hebben beïnvloed, maar ook omwille van hun eigen inbreng .Toch vinden we in alle anaphora ongeveer vergelijkbare elementen terug , zij het soms op een andere wijze en structuur.

In de verdere ontwikkeling zien we een grote Byzantijnse synthese naar voor komen.De Byzantijnse liturgie is vooral beïnvloed door de Antiochische ritus, maar anderzijns hebben de andere ritussen grote invloed ondergaan van de

Byzantijnse.

Ter afsluituing geef ik hier nog de structuur van de huidige anaphora binnen de Liturgie van de H.Chrisostomus , aan ons om de teksten met mekaar te vergelijken :

 

            DE EUCHARISTISCHE CANON :

 

a.      oproep om aandacht : Laat ons in vreze staan

b.      HET EUCHARISTISCH GEBED

          Het is recht en waardig….

          Heilig …(driemaal heilig)

          Herdenken van het Avondmaal

                C. CONSECRATIE

          De  instellingswoorden

          Offer van het lichaam en bloed met lied : ‘Wij prijzen U’

          Epiclese of aanroeping van de Heilige Geest

           D. GROOT GEBED

          Gedachtenis aan de heiligen, de overledenen en levenden

          Lofzang voor de moeder Gods

          Samenvattende litanie + stil gebed van de priester

          Onze Vader

           E  OPHEFFING, BROODBREKING en COMMUNIE

          Zegening, gebed

          Het heilige voor de Heiligen

          Broodbreking en gedachtenis

          Communiegebed

           F  COMMUNIE VAN PRIESTER EN DIAKEN

 &nbs
p;        
G  ZEGENING VAN VOLK MET DE KELK

           H  COMMUNIE VAN DE GELOVIGEN

    I   OVERBRENGING VAN DE GAVEN NAAR DE      PROTHESIS

          J   WEGZENDING VAN DE GELOVIGEN – KUSSEN VAN HET  

                      KRUIS EN UITDELEN VAN HET ANTIDORON.

 

 

BESLUIT

 

Deze uiteenzetting is verre van volledig , er is té weinig nog ingegaan op het tekstmateriaal.Té weinig is ook de geschiedenis van het ontstaan van de anaphora beschreven, omdat hiervoor dikwijls de nodige gegevens ontbreken. Toch is misschien iets naar voor gekomen van de rijkdom van de Byzantijnse synthese, welke wij in onze Kerk nu kennen, en dat het oosters Christendom zo heeft gekenmerkt. Het was mijn bedoeling ,kort maar toch verhelderend, een stukje geschiedenis van de anaphora naar voor te brengen. Het moge ons helpen tot een beter begrijpen van de orthodoxe liturgie in zijn geheel.

 

Kris Biesbroeck

 

Begin van het spirituele leven : alles verwachten van God

BEGIN VAN HET SPIRITUELE LEVEN  :

 

ALLES VAN GOD VERWACHTEN

 

 

Door hiëromonnik Elie

Monasterium van de Ontslaping van de Moeder Gods in La Faurie

(Frankrijk)

 

 

 

De titel van dit artikel kan ons verwonderen : kan men werkelijk spreken van een begin van het geestelijk leven ? Wanneer begint het leven in God in werkelijkheid ?  Zoals het Oude Verbond vanaf het begin het Nieuwe heeft voorbereid, deze keer ‘geschreven in het hart van de mensen’(1), zo is er ook in het diepste van onszelf iets als een waterbekken, dit levende water, wachtend om te ontspringen zoals St.Ignatius van Antiochië het ons beschrijft.

Indien men echter kan spreken van een begin van het spirituele leven, dan is het omdat er een moment is in ons bestaan waar men meer bewust gaat doordringen in de intimiteit van God. Maar deze intimiteit is een goddelijke gave, bijna een charisma (2) die geworteld is in de houding van overgave aan God, van vertrouwen.

 

            Wij zullen hier in nederigheid proberen enkele aspecten te beschouwen van deze houding, die  boven alles van groot belang zijn. Men moet onmiddellijk zeggen dat deze houding van overgave van zichzelf niet zozeer een moreel voorschrift is dan wel een passende innerlijke houding die moet leiden tot bloei van het goddelijk leven in ons.

 

            De orthodoxe liturgie (3), in haar schitterende hymnen, vermaant ons om ‘ alle aardse zorgen opzij te zetten’ Vertrouwend op God moeten wij al onze beslommeringen opzij zetten.. Of het nu gaat om relationele, familiale , professionele of zelfs spirituele problemen, wij moeten alles voor God opofferen,, om aldus een zekere beschikbaarheid te verwerven voor zijn Geest. Nog eerder dan een zintuigelijke zwaarte , is de logheid van het vlees  een ongeordende knoop van onze gevoelens, van onze gedachten of nog , van onze herinneringen. Dit alles is zeker niet slecht op zich , maar het vertroebelt onze blik. Daarom is het noodzakelijk van zich fundamenteel te leren ‘ont-scheppen’ (‘décréer’- van nul af aan herbeginnen) (4), om alles te vergeten, om klaar en duidelijk te leren ‘geheel en al oog te zijn’, zoals Abba Macarius (5)het zo graag in herinnering bracht, want door zichzelf onder de loep te nemen, ontdekt de mens op mysterieuze  wijze God.

 

            Men ziet aldus, in een eerste beweging, dat de omvang van de zorgen onze geestelijke wedergeboorte hinderen. Dit wordt door Paulus benadrukt, zij houdt ons aan de oppervlakte van onzelf, ver verwijderd van het goddelijk geheim van ons hart (6) ‘En wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen ?’(7).

 

            Eenmaal we ons van dit juk hebben ontdaan, treedt een ander struikelblok op. Want, vanaf het moment waarop men heeft geleerd onze kwellingen zonder ophouden aan God toe te vertrouwen, ontstaat er al vlug de neiging om zelf de ‘architect’ te worden van zijn eigen spiritueel leven.

 

 

 

            Wanneer men moet stilstaan, herbegint alles op een ander niveau. Het moeilijkste is niet ertegen te strijden, maar elke strijd op te schorten,. Of het nu gaat om het vasten, het volgen van een regelmaat in het persoonlijk gebed, of bepaalde evangelische voorschriften in acht nemen als een vorm van innerlijke hygiëne. Dit alles is slechts stro vergeleken bij het goddelijk vuur.

 

            Wij moeten goed begrijpen dat dit slechts middelen zijn. Het doel moet zijn : zich overgeven aan God. God verlangt onze vurige harten, niets meer. Het doel van onze belijdenis is het Koninkrijk der hemelen. Ons doel is de zuiverheid van hart te bereiken, zal St.Cassiën van Marseille (8) ons met overtuiging zeggen.

 

            Jacob heeft met God gestreden tot de vroege morgen. Ten slotte, gekwetst, heeft hij de goddelijkheid van zijn tegenstrever erkend. Hij ontving de zegen van deze laatste. Hier zien we het beeld zelf van ons leven in de geest in zijn hoogste vorm.

 

            Té dikwijls strijden we tegen God in het geloof van daardoor zichzelf te verheerlijken. Het is een vorm van mystiek activisme die zich verstart rondom ons ‘inwendig oog’. Dit omhulsel beroofd ons van onzelf en wij bemerken het zelf niet.Wij kunnen God niet aanschouwen. Dus, zoals de zon ons toelaat  om de wereld te zien, is God de glans die ons geweten toestaat om zich in waarheid te onthullen.Dus, door glans, en zoals een forel die tegen de stroom in  zwemt, is het ons mogelijk even, zij het weinig, enkele  schitteringen uit te zaaien van het goddelijke zijn.

Deze tweede beweging maakt ons een gevaar duidelijk, dit van voor zichzelf de bron te zijn van het ‘ spirituele leven’.Dit autisme maakt ons volledig ondoordringbaar. Het sluit ons af, uit vrees voor het nieuwe en dus voor het onbekende van de wil van God. Het is echter een  ‘menselijke ‘ angst. Té ‘menselijk’ zonder twijfel, omdat de wil van God een afgrond is, maar men mag niet vergeten, een welwillende afgrond.

 

             De vrees om de teugels los te laten opdat God de caravaan leidt, stelt onze angst voor de woestijn op de proef. Men neemt dan de tragische beslissing te gaan daar waar het goed voor ons lijkt……vervolgens vecht men tegen de bedrieglijke schijn die de woestijn ons in haar onmetelijkheid toont.

 

            De zalf van deze wonde is er wellicht één van de minst aangename, want het zal ons in alle helderheid de roes doen aanvaarden die het diepste bewustzijn van Gods wil veroorzaakt. Op het einde van de rit wil God slechts het goede, maar wij weten niet wat Hij voor ons in pet heeft, en daar zit onze vrees.

 

            Als remedie moeten wij, een ‘strategie van het onmogelijke’ (9) aanhangen door ons met vertrouwen over te leveren aan de goddelijke pedagogie, die, het is waar, dikwijls een ‘kennis doorheen dieptepunten’(10) is. Het is niet de weg die onmogelijk is, het is het onmogelijke die de weg is(11).

 

            Het derde kernpunt van deze beschouwing  houdt in, niet te vervallen in dat wat men, niet zonder ironie ‘een heilige luiheid’ zouden kunnen noemen. Vrede is echter geen energieloos iets.

 

             Door ons bewustzijn te hebben ontlast en ons in soberheid en waakzaamheid (12) beschikbaar te hebben gesteld voor het nieuwe van God, achtervolgt ons het quietisme met zijn schaduw. Alles van God verwachten betekent geen verzaking aan elke daad. Alles van God verwachten, is zijn gave aannemen, met iedere dynamiek die dit zoeken met zich meebrengt. De Heilige Graal is hier het verlangen van God. Daarom kan men spreken van gezond verstand. ‘En wanneer gij de zuidenwind  ziet waaien, zegt gij : er zal hitte komen, en het gebeurt. Huichelaars, het aanzien van aarde en hemel weet gij te onderkennen, waarom onderkent gij deze tijd niet ?’(13)

 

            Men kan niet anders dan constateren, dat, verre van ons te onttrekken aan ons eigen spirituele bestaan, en zonder ons als dusdanig futloos te maken, men de bronnen moet kunnen onderscheiden die de richting bepalen van onze lange, moeilijke tocht van waaruit het Woord in levende wateren opborrelt.

 

            Een spreuk over het woestijnzand resumeert gans onze bedoeling ‘Geef uw bloed en ontvang de Geest’, zegt ze. Want door zich geheel te geven, tot bloedens toe zelfs, moet men nog alles van God verwachten. Door zich zo op God te verlaten, schenkt Hij ons de gave van het volmaakte leven, de Heilige Geest.

 

            Om te besluiten moeten wij nog een laatste essentieel punt verduidelijken. Deze houding , die wij hebben getracht te beschrijven, namelijk, het zich volledig overleveren aan God, is geen toestand welke men meteen definitief kan bereiken zonder slag of stoot. Het is   een werk die men ‘honderdmaal in zijn leven moet herhalen’ (14).

 

            Dan, en alleen dan, is de groei in Christus een overvloed van nieuwe beginmomenten(15), in de loop van een rijpingsproces die te vergelijken is met de verfijning van wijn die zich verrijkt door zijn ouderdom, in plaats van een eenvoudige start voor nieuwe horizonten.

NOTA’S

 

(1)    Zie de profetische literatuur in dit verband

(2)    Het Charisma dient in de orthodoxe Kerk verstaan te worden als een ‘talent’ in de evangelische betekenis van het woord. Men is geroepen om vrucht te dragen.

(3)    En meer in het byzonder het deel dat genoemd wordt het ‘cherubikon’, de Cherubijnenhymne, ingevoerd door justinianus in de 6e eeuw.

(4)    Geliefd thema bij Sweil

(5)    Spirituele homilieën van ‘Pseudo Macharius’

(6)    Men weet dat in de mystiek van de woestijnvaders, het hart meer een inwendige spirituele plaats is dan een orgaan, zelfs al zijn ze schijnbaar verwant, dat ons bloed-systeem voedt.

(7)    Mt.6,27

(8)    Zich in dit verband in het byzonder refereren naar zijn Conferentie.

(9)    Mgr. Stéphane, Metropoliet van Estland.

(10)Henri Michaux, titel van één van zijn gedichten.

(11)P.Evdokimov : ‘Les âges de la vie spirituelle’

      (12) De nepsis is een ascetische deugd die tegelijk soberheid en waakzaamheid betekent

      (13)Lc., 12,54-56

      (14)Boileau, Art poétique

      (15)Een opvatting die op merkwaardig goede manier is ontwikkeld in de werken van St.

            Gregorius van Nyssa, voornamelijk het leven van Mozes, maar ook door de andere Gregorius, van Nazianza, meer bepaald, in zijn theologische uiteenzettingen.Noteren we terloops de paradox van deze laatste, want de continuïteit van de groei in God is gericht op ‘beginmomenten’, dus op een breuk.

 

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

           

 

 

 

 

 

 

 

 

Het vieren van de zondag

HET VIEREN VAN DE ZONDAG

 

Tegenover het vieren van de Sabbath staat de christelijke viering van de eerste dag van de week. De dag des Heren genoemd (Kuriakon)Het was de dag  van de gedachtenis van de Verrezen Heer ( Apok.1,10 ; 1 Kor.16,1 ; Hand.20,7-12). Heel wat vroege schrijvers verwijzen naar deze bijzondere dag voor Christenen. Bekend is de brief van stadhouder Plinius in het jaar 112, in een brief aan keizer Trajanus : ‘zij (de christenen die waren gevangen genomen) verzekerden mij, dat hun schuld of dwaling alleen maar daarin bestond, dat zij regelmatig op een bepaalde dag voor het aanbreken van de dag bijeenkwamen. Zij zongen dan afwisselend een lied tot Christus als hun God…Daarop gingen ze uit elkaar ; zij kwamen dan weer samen om een maaltijd te houden, een gewone onschuldige maaltijd’.

 

En  Justinus in zijn ‘eerste apologie’ (Justinus was uit Palestina afkomstig en rond 165 in Rome gedood) zegt het volgende :

‘Op de dag die men zondag noemt, komen allen die in steden of op het platteland wonen, bijeen. Bij die gelegenheid worden de geschriften van de apostelen of van de profeten voorgelezen zolang het mogelijk is. Na de voorlezing houdt de voorganger een toespraak waarin hij tot navolging van al dit goede aanspoort en uitnodigt. Hierna gaan we allen staan om gezamenlijk te bidden. Dan worden brood, wijn en water gehaald, en de voorganger spreekt met krachtige stem gebeden en dankzeggingen uit waarmee het volk instemt door met ‘Amen’ te antwoorden. Daarna wordt het geconsacreerde brood uitgedeeld waarvan iedereen zijn deel krijgt. Door de diakens wordt het naar de afwezigen gebracht…….’s Zondags houden wij allen een samenkomst omdat het de eerste dag is waarop God door de verandering van de duisternis en van de oerstof de wereld schiep, en omdat Jezus Christus , onze Verlosser, op deze dag opgestaan is.Want op de dag voor Saturnusdag kruisigde men hem en op de dag na de Saturnusdag, dus op zondag verscheen Hij aan Zijn apostelen en leerlingen’ (Geciteerd in : De bijbel en het Christendom, deel 1, op.cit.p.62).

 

De zondag was in de beginperiode een gewone werkdag. Men moest dus een periode kiezen ofwel ’s morgens vroeg of ’s avonds laat.Aanvankelijk vierde men in de morgen waarschijnlijk een gebedsdienst, en ’s avonds de Eucharistie. De maaltijd in de avond werd al spoedig door de overheid verboden omwille van de meest ongehoorde verhalen die men er hoorde over vertellen. Dan werd de maaltijd dan maar naar de morgen verschoven. Hieruit blijkt hoe belangrijk de zondag was voor de eerste Christenen.

De zondagmorgen-viering van de Eucharistie is algemene traditie in het jaar 150 in Rome (volgens de beschrijving van Justinus (Apol.I,65-67)

 Kris B

Wat is de Proscomidie ?

 DE PROSCOMIDIE

 

In de orthodoxe Kerk wordt de liturgie voorafgegaan door de Proscomidie.

Het is het klaarmaken van het brood en de wijn voor de Goddelijke Liturgie. Waar en wanneer is dit gebruik binnen de Kerk ontstaan ?

 

Tot de 14e eeuw was er nog geen sprake van de proskomidie. De oorsprong ervan is duister, met name de vraag : ‘hoe is men ertoe gekomen  de bereiding van de gaven aan de dienst te laten voorafgaan ?’. ‘Men vermoedt, dat het verdwijnen van de katechumenen en daarmee ook het verdwijnen van hun wegzending een oorzaak zou kunnen zijn. Hierdoor werden woorddienst en tafeldienst één onscheidbaar geheel. Dit maakte het nodig de voorbereiding van de gaven voor de dienst te plaatsen. Deze verplaatsing is in de 8e eeuw overal doorgevoerd, wat niet wil zeggen dat het ritueel van de proskomidi. Toen al vastlag. Dit is pas gebeurd in de 15e-16e eeuw. Is het ook niet mogelijk, dat de allegorische schrifttoepassing tot de proskomidi aanleiding gaf, nl. het bereiden van het paasmaal door de leerlingen ?’ (Geschiedenis van de eredienst…op.cit.p.220).Er, is ook geen bepaalde schrijver ervan bekend. ‘Van groot belang voor de ontwikkeling van de Byzantijnse liturgie met de gaven, de latere proscomedie en de inhoudelijke beleving van de Eucharistie, lijkt de opvatting van théodorus van Mopsueste te zijn, m.n. in zijn mystagogische catechesen. We geven hier enige citaten :

 

(Geschiedenis van de eredienst.. op.cit.pp.93-94 – Vrij uit het frans vertaald door mijzelf)

15…‘Het is dus een offer dat de Bisschop opdraagt ; geen nieuw offer, ook niet zijn eigen offer, maar een gedenken van het daadwerkelijke offer. De bisschop, echter, vervult de hemelse werkelijkheden door middel van tekens en figuren, en het offer  dat hij opdraagt is een manifestatie van deze werkelijkheden. Zijn daden zijn als een beeld van de hemelse liturgie…..18 In afwachting dat we , op een bepaald moment, door de opstanding al deze weldaden mogen ontvangen, hebben wij de plicht van deze werkelijkheden hier beneden te celebreren door bemiddeling van symbolen en figuren. Zo hebben  wij deel, samen met de celebratie van de sacramenten,  aan de hemelse werkelijkheden, en de hoop op hun uiteindelijke vervulling wordt hierdoor bevestigd….19. Wij geloven werkelijk, dat de mensen die gekozen zijn door de goddelijke genade, priesters van het Nieuwe Verbond, en vervuld van de Geest, sacramenteel vervullen wat onze Heer zelf heeft vervuld, en dat Hij nog steeds verder vervult….Inderdaad, het offer dat onze Heer heeft vervuld voor ons door zijn dood is uniek…20. Wij allen dus, op elke plaats en tijd en eeuwigheid, celebreren de herdenking van dit dit zelfde offer….24. Dit sacrament van de eucharistie is een onuitwisbaar teken

van God, gerealiseerd in Christus onze Heer, en door Hem overzien wij alle

gebeurde feiten. Zo, bij het zien van de Bisschop, vertegenwoordigen wij in onze hart Christus, die ons redt en ons het leven geeft door het offer van zichzelf. De diakens doen denken aan de onzichtbare krachten, die de taak hebben bij te dragen aan deze onuitsprekelijke liturgie. Het zijn de diakens die de tekens van het offer op het altaar plaatsen En dit moment sugereert aan de  aanwezigen een ontzaglijke realiteit. 25.Deze symbolen doen ons aan Christus denken, die men begeleidt naar zijn lijden, naar een ander moment, Hij is als het ware uitgestalt op het altaar om geslachtofferd te worden. Wanneer men in de heilige vazen en de kelk de offerande meedraagt, dan is het Christus zelf die opgaat naar zijn lijden….26. En wanneer zij deze gaven aangebracht hebben, plaatsen ze het op het altaar, o
pdat het lijden helemaal zou voltrokken worden. Wij geloven dat Christus, die het lijden heeft ondergaan, geplaatst is op het altaar als in een soort graf.Daarom spreiden de diakens doeken uit over het altaar….’

 

De sacramentele representatie van Jezus’lijden en sterven in het handelen van de Kerk komt in deze citaten duidelijk tot uitdrukking (door middel van de hiërarchie : de bisschop en de diaken).

 

Hier ziet men een goed voorbeeld van de ontwikkeling van een secundaire ritus tot een primaire.

 

De proskomidie in haar huidige vorm wordt een eerste maal vermeld in het manuscript van de Athos (1306).

 

‘Over de proskomedie schreef de gekende theoloog Paul Evdokimov in zijn boek ‘La Prière de l’Eglise d’Orient’ (Collection ‘Approches Oecumeniques’,Salvator,Mulhouse,1966,p.152 – vrij vertaald) : ‘Dit officie is een klein, realistisch, heel gecondenseerd drama, dat de slachting van het lam weergeeft, waarbij in een bondig schema het offer dat zich tijdens de liturgie zal voltrekken duidelijk gesteld wordt. Doorheen het ritueel drama dat zich afspeelt, wordt heel de heilseconomie op mysterievolle wijze overgebracht’ (geciteerd in : een open venster op de Orthodoxe Kerk –Ignace Peckstadt,Averbode 2005)

 Kris B

Over de Consecratie van brood en wijn

DE CONSECRATIE

 

Hoe moeten wij nu de de verandering van brood en wijn in het lichaam van Christus begrijpen ? Vooreerst moeten wij zeggen, dat het niet alléén de instellingswoorden zijn die het belangrijkste element ervan uitmaakt, ook niet de epiclese op zich, maar gans het consecratorisch gebeuren, gans het eucharistisch gebed maakt brood en de wijn tot het Lichaam en Bloed van Christus.De Epiclese bewijst voldoende dat de orthodoxie gelooft dat het brood en de wijn , geen loutere symbolen meer zijn, maar werkelijkheden. Hoe dat gebeurt, dat weet men niet.Dit is een mysterie welke wij niet kunnen doorgronden.Belangrijk is, dat wij dit mysterie , mysterie laten

 

‘Het eucharistisch gebed gebruikt het neutrale woord métabolè’ : verander, maak… Het is waar dat in de XVIIe eeuw enkele orthodoxe auteurs, en zelfs concilies, zoals dat van Jeruzalem in 1672, de latijnse term ‘transsybstantiation’ (in het grieks, metousiosis) hebben gebruikt, alsook het scholastieke onderscheid tussen substantie en accidenten (De middeleeuwse filosofie maakt een onderscheid tussen substantie of essentie (dat wat iets bepaalt, die maakt wat het is) en de accidenten of de kwaliteiten die eigen zijn aan de substantie en die de zintuigen kunnen waarnemen : omvang, gewicht, vorm, kleur, smaak, reuk enz..) De substantie  is iets wat in zichzelf (ens in se) bestaat, maar de accidenten bestaan alleen binnen iets anders (ens in alio). Door dit onderscheid op de eucharistie toe te passen, kwam men tot de leer van de transsubstantiatie. Volgens die leer, is er gedurende de mis, op het moment van de consecratie een verandering van substantie, maar de accidenten blijven wat ze waren. De substantie wordt het lichaam en bloed van Christus, maar de accidenten van

brood en wijn blijven op wonderlijke wijze dezelfde, en waarneembaar voor de

zintuigen). Maar, terzelfdertijd,  voegden de Vaders van Jeruzalem er aan toe dat de verklaring van deze termen niet de manier waarop die verandering gebeurt

bewijst, want dit is een mysterie en moet altijd onbegrijpelijk blijven.

Nochtans, ondanks deze lichte ontkenning hebben vele orthodoxen toch iets gevoeld voor deze latijnse en scholastieke terminologie.In 1838, heeft de Russische Kerk een vertaling laten verschijnen van de acten van Jeruzalem, en het interessant te zien, dat het woord ‘transsubstantiatie’ is behouden, maar dat men, via een vernuftige paragraaf, de technische terminologie van substantie en accidenten heeft vermeden.(zie verder : O.Clement gebruikt een andere terminologie).

Hedendaagse orthodoxe theologen gebruiken nog altijd het woord ‘transsubstantiatie, maar zij leggen de nadruk op twee punten : vooreerst, dat er vele andere woorden legitiem  kunnen gebruikt worden voor de betekenis van de consecratie (zie verder), en  voor hen is  de term transsubstantiatie geen beslissende autoriteit. Vervolgens Het gebruik van deze term betekent geenszins een acceptatie van de Aristotelische filosofie. Het orthodoxe standpunt is duidelijk samengevat in de ‘ontwikkelde catechismus’, geschreven door Philaret, metropoliet van Moscou (1782-1867), en door de russische Kerk is bekrachtigd in 1839 :

 

‘ Vraag : Hoe moeten wij het woord transsubstantiatie begrijpen ? Antwoord :… het woord transsubstantiatie geef geen verklaring over het hoe van de verandering in Lichaam en Bloed van Christus, want niemand, dan God alleen kan di
t begrijpen. Het betekent alleen dat in waarheid, reëel en substantieel het brood tot het echte Lichaam van Onze Heer wordt en de wijn het echte Bloed van de Heer ‘

 

En de catechismus vervolgd met een citaat van Johannes van Damascus :

 

‘Als je zoekt te weten hoe dat gebeurt, volstaat het te weten dat dit door de Heilige Geest is…wij weten niets méér : het woord van God is waar, actief en almachtig, maar onpeilbaar in zijn werken’ (Uit : L’Orthodoxie, l’Eglise des sept conciles – Mgr.Kallistos (Ware),pp.381-382) – Vrije vertaling  door mijzelf.)

 

Olivier Clément gebruikt voor het woord  ‘métabolè’ niet transsubstantiatie, maar ‘transmutatie’ : de gaven zijn getransformeerd, veranderd in het lichaam en bloed van Christus. Hij voegt eraan toe, dat de orthodoxie niet uitlegt, maar belijdt.Het brood en de wijn vinden hun volheid als zijnde geassimileerd door het lichaam van Christus : ze worden getransfigureerd, eerder dan gatranssubstantieerd

 Kris B

         

4e zondag in de vasten

4e zondag in de vasten

 
 
 
johannes climax (99 x 119)

 

 

 

 

Heilige Johannes Klimakos

 

H Johannes klimakos -hemelladder (393 x 589)

 

 

 

De hemelsladder van de H.Johannes Klimakos

 

 

Hier wordt de ‘ladder van het Paradijs’ uitgebeeld, die Johannes Klimakos, abt van het Katherina-klooster in de Sinaï (ca.649) schreef als handleiding voor zijn monniken. Gebaseerd op de Griekse patristiek, de volkswijsheid en de eigen inzichten, heeft hij de 3 treden van de volmaaktheid beschreven. Het illustratief element komt uit Genesis 28,10-19, het verhaal van de Jacobsladder.

 

Johannes staat links, tussen zijn medebroeders, zijn monniken te volgen die moeizaam de ladder opklimmen, geholpen door engelen en gehinderd door kwade elementen (de geesten).

 

Het helledier rechts onderaan spert zijn muil open voor zijn volgend slachtoffer, terwijl Johannes zelf, tot volmaaktheid gekomen, boven op de ladder de zegekroon door Christus wordt opgezet. In de paradijstuin achter de paradijspoort verheugen de leerlingen zich in het hemelse banket.

 

De lichte achtergrond evenals de ritmische groeperingen van kleine figuren, maken deze ikoon tot een aktievolle doch ingetogen mystieke beschouwing. Ze is tevens een aanmaning tot de beschouwers (de monniken) dat de weg lang en moeizaam is maar dat de kracht Gods hen terzijde staat.

A.K

 

De la mort et de la Résurrection

 

 

DE LA MORT ET DE LA RÉSURRECTION
par Mgr Kallistos Ware

LES PORTES ROYALES S’OUVRENT !

Dans le culte de l’Église russe orthodoxe, pendant les prières qui précèdent le début de la Liturgie eucharistique, les portes centrales de l’iconostase restent fermées. Quand la Divine Liturgie proprement dite commence, les portes s’ouvrent, le sanctuaire se révèle et le célébrant chante la bénédiction initiale. C’est ce moment, essentiel, que le prince Eugène Troubetskoï (1863-1920), philosophe religieux russe, évoqua dans ses dernières paroles sur son lit de mort : « Les portes royales s’ouvrent ! La grande Liturgie va commencer. » Pour lui, la mort n’était pas une porte qui se ferme, mais une porte qui s’ouvre ; pas une fin, mais un commencement. À l’instar des premiers chrétiens, il a vu le jour de sa mort comme le jour de sa naissance.

Notre existence humaine peut être comparée à un livre. La plupart des gens considèrent leur vie ici-bas comme le texte réel, l’histoire principale ; ils voient la vie future – pour autant, bien sûr, qu’ils croient à sa réalité – comme un simple appendice. L’attitude chrétienne authentique est exactement l’inverse. Notre vie présente n’est en réalité pas plus que la préface, l’introduction du livre ; la vie future constitue en revanche l’histoire principale. Le moment de la mort n’est pas la conclusion du livre, mais le commencement du premier chapitre.

Sur ce point final, qui est en réalité un départ, il convient de rappeler deux choses, si évidentes qu’on les oublie facilement. D’abord, la mort est un fait inévitable et certain. Ensuite, la mort est un mystère. Il nous faut donc la voir avec des sentiments opposés ; avec sobriété et réalisme d’un côté, crainte et émerveillement de l’autre.

Dans cette vie, il n’y a qu’une seule chose dont nous pouvons être sûrs : nous allons tous mourir – à moins que le second avènement du Christ ne survienne avant. La mort est le seul événement déterminé, inévitable, auquel l’homme doit s’attendre. Et si j’essaie de l’oublier, de me cacher son caractère inéluctable, je ne peux être que perdant. Le vrai humanisme est inséparable de la conscience de la mort ; c’est seulement en affrontant et en acceptant la réalité de ma mort à venir que je peux devenir authentiquement vivant. Comme l’a observé D. H. Lawrence : « Sans le chant de la mort, le chant de la vie est fade et ridicule. » En ignorant la dimension de la mort, nous privons la vie de sa vraie grandeur.

Le métropolite Antoine de Souroge l’a dit avec force : « La mort est la pierre d’angle de notre attitude envers la vie. Ceux qui ont peur de la mort ont peur de la vie. Il est impossible de ne pas avoir peur de la vie avec toute sa complexité et tous ses dangers si on a peur de la mort. (…) Si nous avons peur de la mort, nous ne serons jamais prêts à prendre le risque ultime ; nous passerons notre vie d’une manière lâche, prudente et timide. Ce n’est qu’en regardant la mort en face, en lui donnant un sens, en déterminant la place qui lui revient et la nôtre par rapport à elle, que nous serons capables de vivre sans crainte et jusqu’au bout de nos possibilités » (1).

Cependant, notre réalisme et notre détermination à donner un sens à la mort ne devraient pas nous amener à réduire la seconde vérité : le caractère mystérieux de la mort. Malgré tout ce que peuvent nous dire nos différentes traditions religieuses, nous ne comprenons quasiment rien de « ce pays inconnu dont ne revient aucun voyageur… » Il est vrai, comme le fait remarquer Hamlet, que la crainte de la mort « embarrasse la volonté » . Nous devons résister à la tentation de chercher trop loin et d’en dire trop. Il ne faut pas banaliser la mort. C’est un fait inéluctable et certain, mais c’est aussi la grande inconnue.

Saint Isaac le Syrien (VIIe s.) exprime très bien l’attitude de réalisme sobre qu’il convient de garder devant la mort : « Mets dans ton coeur, ô homme, la pensée que tu dois partir, en ne cessant de te dire :

‘Voici, l’ange qui vient me chercher est à la porte. Pourquoi suis-je ici à ne rien faire ? Mon départ est pour toujours ; il n’y aura pas de retour.’ Passe la nuit dans cette réflexion ; médite sur cette pensée tout le jour durant. Et quand le moment du départ vient, accueille-le avec joie, en disant : ‘Viens en paix ! Je savais que tu allais venir et je n’ai rien négligé de ce qui pourrait m’être utile en chemin » (2).

Sur la place de la mort dans notre vie et notre position face à elle, il convient de bien garder à l’esprit trois choses. D’abord, la mort est plus proche de nous que nous ne l’imaginons. Ensu
ite, elle est profondément non naturelle, contraire au plan divin tout en étant, cependant, un don de Dieu. Enfin, elle est une séparation qui n’est pas séparation.

VIE – MORT, MORT – VIE

La mort n’est pas simplement un événement lointain qui viendrait conclure notre existence terrestre ; c’est une réalité bien présente, qui se poursuit sans cesse autour de nous et en nous. « Chaque jour je suis à la mort » , dit saint Paul (1 Co 15,31) ; « Le temps de la mort est chaque instant » , renchérit T.S. Eliot. Tout ce qui vit est une forme de mort ; nous mourons tout le temps. Mais dans cette expérience quotidienne de la mort, chaque mort est suivie d’une nouvelle naissance : toute mort est aussi une forme de vie. La vie et la mort ne sont pas contraires ; elles ne s’excluent pas mutuellement, mais elles s’entrelacent. Toute notre existence humaine est un mélange de mort et de résurrection. « Pour gens qui vont mourir, et nous voilà vivants » (2 Co 6,9). Notre voyage sur cette terre est une pâque incessante, une traversée continuelle de la mort vers une nouvelle vie. Entre notre naissance initiale et notre mort finale, tout le cours de notre existence est constitué d’une série de » petites » morts et naissances.

Chaque fois que nous nous endormons, la nuit venue, c’est un avant-goût de la mort ; chaque fois que nous nous réveillons, le matin suivant, c’est comme si nous ressuscitions d’entre les morts. Une bénédiction juive dit : « Béni sois-tu, ô Seigneur notre Dieu, Roi de l’univers, qui recrée ton monde chaque matin. » Il en va de même pour nous : chaque matin, quand nous nous réveillons, nous sommes comme recréés. Peut-être notre mort ultime sera-t-elle, de la même manière, une » re-création, » un endormissement suivi d’un réveil. Nous n’avons pas peur de nous endormir chaque nuit, parce que nous savons que nous allons nous réveiller une fois de plus le lendemain matin. Ne pouvons-nous pas avoir la même confiance envers notre ultime endormissement dans la mort ? Ne pourrions-nous pas nous attendre à nous réveiller, recréés, dans l’éternité ?

Ce modèle vie-mort apparaît aussi, un peu différemment, dans le processus de notre croissance. À chaque étape, quelque chose en nous doit mourir pour que nous puissions passer à l’étape suivante de la vie. Le passage du nourrisson à l’enfant, de l’enfant à l’adolescent, de l’adolescent à l’adulte mûr, implique à chaque fois une mort intérieure pour permettre la naissance de quelque chose de nouveau. Et ces transitions, en particulier celle de l’enfance à l’adolescence, peuvent être sources de crise, parfois même très douloureuses. Mais si, à un point ou à un autre, nous refusons cette nécessité de mourir, alors nous ne pouvons nous développer et devenir de vraies personnes. Comme l’écrit George MacDonald dans son roman Lilith, « Vous serez mort tant que vous refuserez de mourir. » C’est justement la mort du vieux qui rend possible l’émergence du neuf en nous ; sans la mort, il ne saurait y avoir de vie nouvelle.

Si devenir adulte est une forme de mort, il en va de même pour le départ, la séparation d’avec un lieu ou une personne que nous avons aimés. Ces séparations sont nécessaires dans notre croissance continue vers la maturité. À moins d’avoir un jour le courage de quitter notre environnement familier, de nous séparer de nos amis actuels et de forger de nouveaux liens, nous ne réaliserons jamais tout ce que nous avons en nous, notre véritable potentiel. En nous accrochant trop longtemps à l’ancien, nous refusons l’invitation à découvrir ce qui est neuf. Pour reprendre les mots de Cecil Day Lewis : « L’individuation commence par un départ, et c’est en lâchant prise qu’on témoigne de l’amour. »

Une autre sorte de mort que nous avons tous à affronter un jour est l’expérience du rejet. Rejet, par exemple, lorsque nous postulons pour un emploi – combien de jeunes en fin de scolarité ou d’universitaires diplômés doivent aujourd’hui passer par cette forme particulière de mort ! Rejet aussi dans l’amour. Quelque chose meurt effectivement en nous lorsque nous découvrons que notre amour reste sans réponse, et que quelqu’un d’autre est préféré à notre place. Et pourtant, même cette mort peut être source de vie nouvelle. Pour de nombreux jeunes, l’échec amoureux est précisément le début de la maturation, leur initiation à la vie d’adulte. Le deuil, la perte d’un être aimé, implique également une mort dans le coeur de celui qui reste. Nous avons l’impression qu’une part de nous-mêmes n’est plus, que nous avons été amputés d’un membre. Le deuil, pourtant, lorsqu’il est affronté et accepté intérieurement, rend chacun de nous plus authentiquement vivant qu’auparavant.

Pour nombre de croyants, la mort de la foi – la perte de nos certitudes (du moins apparentes) les plus profondes sur Dieu et le sens de l’existence – est presque aussi traumatisante que la perte d’un ami ou d’un conjoint. Mais cela aussi est une expérience de mort-vie par laquelle nous devons passer pour que notre foi mûrisse. La foi authentique est un dialogue permanent avec le doute. Dieu dépasse infiniment tout ce que nous pouvons dire de lui ; nos concepts mentaux sont des idoles qui doivent être brisées. Pour être pleinement vivante, notre foi doit continuellement mourir.

Dans tous ces cas, il se trouve que la mort n’a pas un caractère destructif, mais créatif. C’est de la mort que vient la résurrection. Une chose qui meurt est une chose qui naît à la vie. La mort qui survient à la fin de notre vie terrestre
n’est-elle pas du même ordre ? N’est-elle pas la plus ultime et la plus formidable mort-résurrection parmi toutes celles que nous avons connues depuis notre naissance ? Loin d’en être totalement coupée, la mort est l’expression plus vaste et plus complète de tout ce que nous avons vécu au cours de notre vie. Si les petites morts par lesquelles nous avons dû passer nous ont conduits à chaque fois au-delà, vers une résurrection, pourquoi cela ne serait-il pas vrai aussi du grand moment de la mort, lorsqu’il est temps pour nous de quitter ce monde ?

Mais ce n’est pas tout. Pour les chrétiens, ce modèle de mort-résurrection répété à l’infini dans notre vie, prend son sens le plus profond dans la vie, la mort et la résurrection de notre Sauveur Jésus Christ. Notre propre histoire doit être comprise à la lumière de son histoire, que nous célébrons chaque année pendant la Semaine sainte, mais aussi chaque dimanche dans la Liturgie eucharistique. Toutes nos petites morts et résurrections sont unies, à travers l’histoire, à sa mort et résurrection définitives, nos petites pâques sont élevées et réaffirmées dans sa grande Pâque. La mort du Christ, selon la liturgie de saint Basile, est une « mort créatrice de vie » . Sûrs de son exemple, nous croyons que notre propre mort peut aussi être « créatrice de vie » . Le Christ est notre précurseur et nos prémices. Ainsi que l’Église orthodoxe l’affirme la nuit de Pâques, dans l’homélie attribuée à saint Jean Chrysostome (IVe s.) : « Que nul ne craigne la mort, car celle du Sauveur nous en a délivrés ; il l’a fait disparaître après l’avoir subie. (…) Le Christ est ressuscité, et voici que règne la vie. Le Christ est ressuscité, et il n’est plus de mort au tombeau » (3).

LA MORT EST A-NORMALE

La mort est donc notre compagne tout au long de notre vie, comme une expérience quotidienne permanente, répétée à l’infini. Pourtant, aussi familière qu’elle soit, elle reste profondément non naturelle. La mort n’appartient pas au dessein pré-éternel de Dieu pour sa création. Dieu nous a créés, non pas pour que nous mourions, mais pour que nous vivions. Plus encore, il nous a créés comme une unité indivisible. D’un point de vue juif et chrétien, la personne humaine doit être vue en termes complètement holistiques : nous ne sommes pas une âme emprisonnée temporairement dans un corps et qui aspire à s’en échapper, mais une totalité intégrée qui embrasse le corps et l’âme. Cari Gustav Jung avait raison d’insister sur ce qu’il appelle la « vérité mystérieuse » : » L’esprit est le corps vivant vu de l’intérieur, et le corps est la manifestation extérieure de l’esprit vivant – les deux étant vraiment un. » En tant que séparation du corps et de l’âme, la mort est par conséquent une violente atteinte à l’unité de notre nature humaine.

Si la mort est quelque chose qui nous attend tous, elle est aussi profondément a-normale. Elle est monstrueuse et tragique. Devant la mort de nos proches et notre propre mort, quel que soit notre réalisme, nos sentiments de désolation, d’horreur et même d’indignation sont justifiés : « N’entrez pas doucement dans cette bonne nuit-là. Ragez, tempêtez contre l’agonie de la lumière » , dit le poète Dylan Thomas. Jésus lui-même a pleuré devant le tombeau de son ami Lazare (Jn 11,35) ; et au jardin de Gethsémani, il était rempli d’angoisse devant la perspective, imminente, de sa propre mort (Mt 26,38). Saint Paul considère la mort comme un « ennemi à détruire » (1 Co 15,26) et il la lie étroitement au péché : « L’aiguillon de la mort, c’est le péché » (1 Co 15,56). C’est parce que nous vivons tous dans un monde déchu —un monde distordu, désuni, fou, écrasé – que nous allons mourir.

Pourtant, si la mort est tragique, elle est aussi, en même temps, une bénédiction. Bien qu’elle ne fasse pas partie du plan divin, elle n’en est pas moins un don de Dieu, une expression de sa miséricorde et de sa compassion. Pour nous humains, vivre sans fin dans ce monde déchu, captif à jamais du cercle vicieux de l’ennui et du péché, eût été un destin terrible et insupportable. C’est pourquoi Dieu nous a offert une échappatoire. Il défait l’union de l’âme et du corps, afin de pouvoir ensuite les recréer, les réunir lors de la résurrection des corps au dernier jour, et les ramener ainsi à la plénitude de la vie. Il est comme le potier qu’observait le prophète Jérémie : « Je descendis chez le potier, et voici qu’il travaillait au tour. Mais le vase qu’il fabriquait fut manqué, comme cela arrive à l’argile dans la main du potier. Il recommença et fit un autre vase, ainsi qu’il paraissait bon au potier » (Jr 18,4-5). Le potier divin pose sa main sur le vase de notre humanité, abîmé par le péché, et il le brise pour pouvoir le refaçonner sur son tour et lui rendre sa gloire initiale. La mort, en ce sens, est ainsi l’instrument de notre restauration. Comme le chante l’Église orthodoxe dans son service funèbre : « Jadis tu m’as tiré du néant pour me former à l’image de Dieu, mais j’ai transgressé ta loi et tu m’as fait retourner à la glaise dont tu m’avais créé ; vers ta ressemblance fais-moi revenir maintenant et restaure ma première beauté » (4). Dans l’épitaphe qu’il avait composée pour lui-même, Benjamin Franklin écrivait : « Ci-gît le corps de Benjamin Franklin, imprimeur, pareil à la couverture d’un vieux livre, usé dan
s son contenu et dépouillé de ses lettres et de ses ors : il nourrit les vers ! L’oeuvre pourtant ne sera pas perdue, car, comme il le croyait, elle réapparaîtra dans une édition nouvelle et plus belle encore, corrigée et amendée par son Auteur ! »

Il y a donc une dialectique dans notre attitude envers la mort : mais les deux approches, finalement, ne sont pas contradictoires. Nous voyons la mort comme non naturelle, a-normale, contraire au plan originel du Créateur, et nous nous révoltons contre elle avec douleur et désespoir. Mais nous la considérons aussi comme une part de la volonté divine, une bénédiction et non une punition. Elle est aussi une issue à notre impasse, un moyen de la grâce, la porte vers notre re-création. C’est notre voie de retour. Pour citer à nouveau le service funèbre orthodoxe : « Je suis la brebis perdue : rappelle-moi, ô mon Sauveur, et sauve-moi. » Nous nous approchons donc de la mort avec empressement et espoir, disant avec saint François d’Assise : «  Que mon Seigneur soit loué pour notre soeur, la mort corporelle »  ; car à travers cette mort corporelle, le Seigneur rappelle à lui l’enfant de Dieu. Au-delà de leur séparation dans la mort, l’âme et le corps seront réintégrés lors de la résurrection finale.

Cette dialectique apparaît clairement dans le déroulement des funérailles orthodoxes. Rien n’est fait pour essayer d’occulter la pénible et choquante réalité de la mort. Le cercueil reste ouvert, et c’est souvent un moment poignant quand les familles et les amis s’approchent les uns après les autres pour donner le dernier baiser au défunt. Pourtant, en même temps, en de nombreux endroits, il est d’usage de porter non pas des vêtements noirs, mais blancs, les mêmes que l’on porte pour l’office de la Résurrection pendant la nuit pascale : car le Christ, ressuscité des morts, appelle les chrétiens défunts à partager sa propre résurrection. Il n’est pas interdit de pleurer à un enterrement ; c’est même plutôt sage, car les larmes peuvent agir comme un baume et la blessure est plus profonde quand la peine est refoulée. Mais il ne faut pas nous désoler « comme les autres, qui n’ont pas d’espérance » (1 Th 4,13). Notre affliction, quelque déchirante qu’elle soit, n’est pas désespérée ; car, comme nous le confessons dans le Credo, nous attendons « la résurrection des morts et la vie du siècle à venir. »

COMMUNION DANS LE CHRIST

Enfin, la mort est une séparation qui n’est pas séparation. La tradition orthodoxe attache la plus grande importance à ce point. Les vivants et les défunts appartiennent à une seule famille. L’abîme de la mort n’est pas infranchissable, puisque nous pouvons tous nous retrouver autour de l’autel de Dieu. L’écrivain russe Iulia de Beausobre (1893-1977) disait : « L’Église (…) est le point de rencontre des morts, des vivants et de ceux encore à naître qui, s’aimant les uns les autres, se réunissent autour du roc de l’autel pour proclamer leur amour de Dieu » (5). C’est aussi ce que dit un autre auteur russe, le prêtre missionnaire Macaire Gloukharev (1792-1847) dans une lettre à un fidèle en deuil : « En Christ nous vivons, nous nous mouvons et nous existons. Vivants et morts, tous nous sommes en lui. Il serait plus juste de dire : nous sommes tous vivants en lui, et il n’y a pas de mort. Notre Dieu n’est pas un Dieu des morts, c’est le Dieu des vivants. C’est votre Dieu, c’est le Dieu de la défunte. Il n’y a qu’un Dieu, et vous êtes unis dans l’Unique. Seulement, vous ne pourrez pas vous voir pendant quelque temps, pour que la rencontre future soit plus joyeuse. Alors plus personne ne vous enlèvera votre joie. Mais même maintenant vous vivez ensemble ; seulement elle est allée dans une autre chambre et a fermé la porte… L’amour spirituel ignore la séparation visible » (6).

Comment peut-on maintenir cette communion permanente ? Il y a d’abord un faux chemin, que certains ont trouvé attirant, mais que la tradition orthodoxe rejette absolument. Non, la communion entre les vivants et les morts ne saurait être le fait de pratiques relevant du spiritisme ou de la nécromancie. Dans un christianisme authentique, il ne saurait y avoir place pour des techniques visant à communiquer avec les morts comme le recours aux médiums par exemple. En effet, ces pratiques sont extrêmement dangereuses ; elles exposent souvent ceux qui s’y adonnent à des forces démoniaques. Le spiritisme est aussi l’expression d’une curiosité illégitime, du genre de celui qui essaye de regarder ce qui se passe derrière une porte fermée par le trou de la serrure. Comme le dit le Père Alexandre Eltchaninoff (1881-1934) : « Nous devons humblement admettre l’existence du Mystère, et ne pas essayer de faire le tour par l’escalier de service pour écouter aux portes » (7)

Cela dit, et les vies des saints nous l’apprennent, il y a certainement des cas où les morts communiquent directement avec les vivants, que ce soit dans les rêves ou à travers des visions. Mais, de notre côté, nous ne devons pas essayer de forcer ces contacts. Tout artifice visant à manipuler les morts est contraire à la conscience chrétienne. La communion qui nous unit aux morts ne se situe pas au niveau psychique, mais au niveau spirituel et le lieu où nous nous rencontrons n’est pas un salon, mais la table eucharistique. Le seul fondement légitime de notre communion avec les morts est la communion dans la prière, surtout dans la célébration de la Divine Liturgie. Nous prions pour eux, et en même temps, nous sommes sûrs qu’ils prient pour nous ; et c’est par cette intercession mutuelle que nous sommes réunis, au-delà des frontières de la mort, dans un lien d’unité ferme et indéfectible.

Prier pour les morts n’est pas, pou
r les chrétiens orthodoxes, un simple plus, à option ; c’est au contraire un élément accepté et invariable de notre culte quotidien. Les prières que nous disons sont multiples : « Abîme de sagesse qui aimes les hommes et diriges toutes choses en vue du salut, unique Créateur dont chacun reçoit ce qui lui convient, accorde le repos, Seigneur, aux âmes de tes serviteurs, car leur espérance repose en toi, notre Auteur, notre Créateur et notre Dieu. » Aussi : « Fais reposer parmi les saints, ô Christ, les âmes de tes serviteurs, en un lieu d’où sont absents la peine, la tristesse, les gémissements, mais où se trouve la vie éternelle. » Et encore : « Accorde, Seigneur, à tes serviteurs le repos et place-les dans le Paradis, là où les choeurs des justes et des saints brillent comme des astres lumineux ; donne-leur, Seigneur, le repos en effaçant tous leurs péchés. » Parmi ces prières, certaines ont un ton plus sombre ; elles nous rappellent la possibilité d’une séparation éternelle d’avec Dieu : « Du feu qui ne s’éteint, des ténèbres sans clarté, des grincements de dents, du ver qui ronge incessamment et de toute affliction sauve, Seigneur, tous les fidèles défunts. »

Cette intercession pour les morts n’a pas de limites rigides. Pour qui prions-nous ? Stricto sensu, dans les célébrations liturgiques publiques, les règles orthodoxes n’autorisent les prières nominatives que pour ceux qui sont morts dans la communion visible avec l’Église. Mais il y a des cas où nos prières sont beaucoup plus larges. Aux vêpres du dimanche de Pentecôte, des prières sont dites même pour ceux qui sont en enfer : « Toi qui en cette fête éminemment parfaite et salutaire as daigné recevoir nos prières d’intercession pour ceux que retiennent les enfers, et qui nous a donné grandement l’espérance de te voir accorder aux défunts la délivrance des afflictions qui les accablent et leur soulagement… » (8).

Quelle est la base doctrinale de cette prière constante pour les morts ? Comment se justifie-t-elle du point de vue théologique ? La réponse à ces questions est extrêmement simple et directe. La base, c’est notre solidarité dans l’amour mutuel. Nous prions pour les morts parce que nous les aimons. L’archevêque anglican William Temple appelle de telles prières « le ministère de l’amour »  ; et il affirme dans des mots que tout chrétien orthodoxe serait heureux de faire siens : « Nous ne prions pas pour eux parce que Dieu les négligera si nous ne le faisons pas. Nous prions pour eux parce que nous savons qu’il les aime et en prend soin, et nous demandons le privilège d’unir notre amour pour eux à celui de Dieu. » Et comme le dit Pusey : « Le refus de prier pour les morts est une pensée si froide, si contraire à l’amour, que pour cette seule raison, elle doit être fausse. »

À partir de là, aucune autre explication ou justification de la prière pour les défunts n’est nécessaire ou même possible. Une telle prière est simplement l’expression spontanée de notre amour les uns pour les autres. Ici, sur terre, nous prions pour les autres ; pourquoi ne pas continuer à prier pour eux après leur mort ? Ont-ils cessé d’exister, au point que nous devrions cesser d’intercéder pour eux ? Vivants ou morts, nous sommes tous membres de la même famille ; ainsi, vivants ou morts, nous intercédons les uns pour les autres. Dans le Christ ressuscité, il n’y a pas de séparation entre les morts et les vivants ; comme le dit le Père Macaire Gloukharev : » Nous sommes tous vivants en lui, et il n’y a pas de mort. » La mort physique ne peut défaire les liens de l’amour et de la prière mutuels qui nous unissent tous dans un seul et même Corps.

Bien sûr, nous ne comprenons pas exactement comment une telle prière profite aux défunts. De même, quand nous prions pour des vivants, nous ne pouvons expliquer comment cette intercession peut les aider. Nous savons de notre propre expérience que la prière pour notre prochain est efficace, et nous continuons donc à la pratiquer. Toutefois, qu’elles soient offertes pour les vivants ou pour les morts, ces prières agissent d’une manière qui reste mystérieuse. Nous sommes incapables de pénétrer l’interaction exacte entre l’acte de la prière, le libre arbitre d’une autre personne, la grâce et la prescience de Dieu. Quand nous prions pour les défunts, il nous suffit de savoir que leur amour de Dieu continue de grandir et qu’ils ont ainsi besoin de notre soutien. Laissons le reste à Dieu.

Si nous croyons véritablement que nous bénéficions d’une communion ininterrompue et permanente avec les morts, nous aurons soin de parler d’eux, dans la mesure du possible, au présent et non pas au passé. Nous ne dirons pas « nous nous aimions » , « elle m’était si chère » , « nous étions si heureux ensemble » , mais nous dirons « nous nous aimons toujours – maintenant plus qu’avant » , « elle m’est plus chère que jamais » , « nous sommes si heureux ensemble. » Je connais une dame russe, membre de la communauté d’Oxford, qui refuse obstinément qu’on la qualifie de veuve. Bien que son mari soit décédé depuis plusieurs années, elle ne cesse de dire « je suis son épouse, pas sa veuve. » Et elle a raison.

Si nous apprenons à parler des morts de cette manière, au présent et non au passé, cela pourra nous aider à mieux gérer un problème qui est souvent source d’angoisse pour beaucoup de gens. Il arrive que, bien trop facilement, nous remettions à plus tard la recherche d’une réconciliation avec quelqu’un dont nous nous sommes éloignés. Et la mort survient, avant que nous ayons pu nous pardonner l’un l’autre. Dans un remords amer, nous sommes tentés de nous dire « trop tard, trop tard, la possibilit&ea
cute; a disparu pour toujours, il n’y a plus rien à faire. » Mais nous nous trompons totalement, car il n’est pas trop tard. Ce jour-là, nous pouvons en effet rentrer à la maison, et dans notre prière vespérale, nous adresser directement à l’ami disparu avec lequel nous étions brouillés. Utilisant les mêmes mots que s’il était toujours vivant et présent, en face de nous, nous pouvons demander son pardon et réaffirmer notre amour. Et à partir de cet instant, notre relation mutuelle sera changée. Sans voir son visage ni entendre sa réponse, sans savoir comment nos paroles vont l’atteindre, nous sentons dans notre coeur que lui et nous avons opéré un nouveau départ. Il n’est jamais trop tard pour recommencer.

LA RÉSURRECTION DES CORPS

Reste la question, souvent posée et impossible à résoudre dans l’état de nos connaissances, de la résurrection des corps. Nous avons dit que la personne humaine avait à l’origine été créée par Dieu comme une unité indivisible du corps et de l’âme, et que nous attendions, au-delà de leur séparation par la mort physique, leur réunification ultime au dernier jour. Une anthropologie holistique nous amène à croire, non pas simplement à l’immortalité de l’âme, mais à la résurrection du corps. Puisque le corps est partie intégrante de la personne humaine totale, toute immortalité pleinement personnelle doit impliquer aussi bien le corps que l’âme. Quelle est, dans ce cas, la relation entre notre corps actuel et le corps de notre résurrection dans le siècle à venir ? Lors de la résurrection, aurons-nous le même corps que maintenant ou un corps nouveau ?

La meilleure réponse est peut-être celle-ci : le corps sera simultanément le même et un autre. Les chrétiens comprennent parfois la résurrection des corps d’une manière simpliste et étroite. Ils imaginent que les éléments matériels constitutifs du corps, qui ont été dissous et dispersés par la mort, seront d’une certaine manière rassemblés au jour du Jugement dernier, de sorte que le corps reconstitué contiendra exactement les mêmes fragments minuscules de matière qu’auparavant.

Mais ceux qui affirment une continuité entre notre corps actuel et notre corps au dernier jour n’ont pas nécessairement une vision aussi littérale des choses. Saint Grégoire de Nysse, par exemple, dans La création de l’homme et De l’âme et de la résurrection, propose une approche plus avisée et imaginative. L’âme, pour lui, confère au corps une forme distincte (eidos) ; elle marque le corps d’une empreinte ou d’un sceau particuliers, imposés non pas de l’extérieur mais de l’intérieur. C’est par cette empreinte que le corps exprime le caractère ou l’état spirituel intérieur de la personne. Au cours de notre vie ici-bas, les constituants physiques de notre corps changent plusieurs fois ; mais dans la mesure où la forme imprimée par l’âme possède une continuité qui n’est pas affectée par ces altérations physiques, on peut vraiment dire que notre corps reste le même. Il y a une authentique continuité corporelle, puisqu’il y a une continuité dans la forme donnée à l’âme. Comme le dit C.S. Lewis : « Ma forme reste une, bien que la matière dont elle est faite change continuellement. Je suis, à cet égard, comme la courbe d’une chute d’eau. »

Lors de la résurrection finale, poursuit saint Grégoire, l’âme va marquer notre corps ressuscité du même sceau qu’il avait durant cette vie. Il n’est pas nécessaire que les mêmes fragments soient rassemblés ; le même sceau suffit pour que le corps soit le même. Entre notre corps présent et notre corps ressuscité, il y aura, en effet, une véritable continuité, qu’il ne faut cependant pas interpréter d’une manière trop naïvement matérialiste.

Cela dit, si le corps en ce sens reste le même dans la résurrection, il sera également différent. Comme le dit saint Paul : « On est semé corps psychique, on ressuscite corps spirituel » (1 Co 15,44). « Spirituel » , ici, ne doit pas être pris au sens de « non matériel » . Le corps ressuscité sera toujours un corps matériel, mais, en même temps, il sera transformé par le pouvoir et la gloire de l’Esprit, et ainsi libéré de toutes les limites de la matérialité telles que nous les connaissons maintenant. Pour l’instant, nous ne connaissons le monde matériel et nos propres corps matériels que dans leur état de chute ; concevoir les caractéristiques que la matière possèdera dans un monde non déchu est largement au-delà des pouvoirs de notre imagination.

Nous ne pouvons que faiblement deviner la transparence et la vitalité, la légèreté et la sensibilité dont notre corps ressuscité, à la fois matériel et spirituel, sera revêtu dans le siècle à venir. Comme l’écrit saint Ephrem le Syrien (+ 373) : « Regarde cet individu en qui avait fait sa demeure une légion de diables : on ignorait qu’ils s’y trouvaient car leur armée était bien plus ténue et subtile que l’âme. Et tout entière, en un seul corps, cette armée a pu résider. Or, ils sont cent fois plus ténus et cent fois aussi plus subtils, les corps des justes qui se lèvent au jour de la résurrection. Et ils sont à la ressemblance d’un esprit qui serait capable de croître et grandir à sa guise, de se tasser et rétrécir. Rétréci, il est en un lieu et
agrandi, il est partout. (…) Combien alors le Paradis (qu’il soit loué !) suffira-t-il plus encore à tous ces esprits, dont la substance est si subtile que même les pensées ne peuvent réussir à les percevoir » (9).

C’est là peut-être la meilleure description que nous puissions espérer de la gloire de la résurrection. Laissons le reste au silence. « Ce que nous serons n’a pas encore été manifesté » (1 Jn 3,2). Deux semaines avant sa mort, on demandait à Ralph Vaughan Williams ce que la vie future signifiait pour lui. Il répondit : « Musique, musique. Mais dans le monde à venir, je ne ferai pas de la musique, avec toutes les difficultés et les déceptions que cela implique. Je serai musique. » « Vous êtes la musique tant que la musique dure » , écrit T.S. Eliot. Et dans les cieux, la musique est éternelle.

NOTES

1. Sobornost, » On Death » , 1:2, 1979, p. 8.
2. Oeuvres spirituelles, » 34e discours » , Desclée de Brouwer, 1981, p. 215 (texte modifié sur la base de la traduction anglaise effectuée directement à partir du syriaque par le Monastère de la Sainte Transfiguration, Boston, Massachusetts, 1984, p. 315).
3. Pentecostaire, t.1, Collège grec de Rome, 1978, pp. 21-22.
4. Grand Euchologe et Arkhiératikon, Diaconie apostolique, 1992, p. 212.
5. Creative Suffering, Londres, 1940, p. 44.
6. 5. Tyszkiewicz et Dom Th. Belpaire, Écrits d’ascètes russes, Éditions du Soleil Levant, 1957, p. 104.
7. Ecrits spirituels, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 29), 1979, p. 42.
8. Pentecostaire, t.2, Collège grec de Rome, 1978, pp. 249-50.
9. » La Harpe de l’Esprit » , in Sebastian Brock, L’Oeil de Lumière, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 50), pp. 222-223.

Extrait du livre Le royaume intérieur, Cerf/Le Sel de la Terre, 1993.
Traduit de l’anglais par Lucie et Maxime Egger.

 

 

 

3e zondag van de grote vasten

3e ZONDAG IN DE VASTEN

 

H.Kruisverering

 

‘Bij de Vigilie van zondag, wordt na de Grote Doxologie, het kruis in plechtige processie naar het midden van de kerk gedragen en blijft daar een ganse week – met een speciale vereringsrite na elke dienst. Wat opvalt is, dat het thema van  het kruis, dat in de hymnen van zondag overheerst, zich niet uitdrukt in termen van lijden maar van overwinning en vreugde’ (De Grote Vasten : A.Schmemann,p107).

 

 

‘Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn Kruis op en volge Mij’ (Mc.8,34)

02889_elevation_of_the_cross_george_mitrevski_238x328

Blye lig : inhoud van de cd (zuid Afrikaans…

Blye Lig
Uit die Vespers:
1. Die begin van die Vespers
2. Uit Psalm 103(104) Loof die Here, o my siel,
3. Uit Psalm 140(141)Heer, ek het U aangeroep.
4. O Blye Lig.
Prokimenon vir Saterdag: Toon 6
5. Die Here is Koning.
Prokimenon vir Donderdag: Toon 6
6. My hulp is van die Here, wat hemel en aarde gemaak het.
7. Nou laat U, Here, u dienskneg gaan in vrede.
8. Maagd wat God gebaar het, verheug u.
Kersfees: Die Kerstroparion:
9. U geboorte, Christus God.
Met feeste van die heilige Kruis word in plaas van die Trisagion die volgende gesing:
10. Voor u heilige Kruis.
Uit die Liturgie van die Voorafgewyde Gawes:
11. Nou dien saam met ons.
Uit die Basilius-Liturgie:
12. Ons besing U, ons verheerlik U.
Uit die begrafnisdiens:
Die Ideomelon in Toon 3:
13. Hoe ydel is alle menslike dinge nie.
By die laaste kus: Toon 2:
14. Kom, broeders, laat ons die laaste kus gee.
15. Met die Heiliges laat rus, o Christus.
16. Ewige gedagtenis. (3)
Die apolitikia vir die Vastyd:
17. Verheug u, Maagd wat God gebaar het.
Slotsang tydens die vastyd:
18. Onder u hoede.
Psalm 136(137):
19. By die riviere van Babilon (Babel)…..Die psalm volgens die 1933 vertaling
Uit die Bruidegomsmette vir Heilige Week:
19 Kyk, die Bruidegom kom.
Uit die Twaalf Evangeliesdiens vir die Mette vir Goeie Vrydag (Donderdagaand):
20 Deur u kosbare Bloed.
Uit die Vespers vir Goeie Vrydag (Stille Saterdag):
21 Die edelmoedige Josef.
Uit die Mette vir Stille Saterdag: uit die Kanon:
Die eerste, derde en agste Irmi met Klein Litanie:
22 Hy wat eens in die golwe van die Rooisee.
Uit die derde stasis van die Klaagliedere vir Stille Saterdag:
23 Alle geslagte sing ’n gesang voor u graf, o Christus.
Uit die Paaskanon:
Eksapostilarion:
24 Toe U in die vlees ontslaap het.
Paastroparion (Griekse wysie):
25 Christus het opgestaan uit die dode.
Paastroparion (Westerse wysie):
26 Christus het opgestaan uit die dode.
Ode 1: Irmos:
27 Dit is die dag van die opstanding!
Theotokion vir Pase:
28 Die engel het geroep.
Nog baie jare!
29 Nog baie jare!

            




 Het ongeloof van Sartre

HET ONGELOOF VAN JEAN- PAUL SARTRE

Frans filosoof

De ongelovige existentialist Jean-Paul-Sartre (1905-1980) rekent in zijn psychologisch toneelstuk ‘huis clos’ (met gesloten deuren,1944) op een theatrale manier met het geloof in de anderen af.

Hij projecteert drie mensen in een hiernamaals, dat eigenlijk het aardse leven voorstelt. Dit hiernamaals speelt zich af in een Second-Empiresalon, waarin men met twee anderen moet leven : er zijn –geen deuren : dus je kan niet naar buiten; geen vensters : je bent geïsoleerd van de buitenwereld; geen spiegels : je kan jezelf maar spiegelen in en door de ogen van de anderen. Net als de andere mensen hebben deze drie hun eigen fouten, die ze willen verbergen. In een situatie met deuren, vensters en spiegels lukt dit doorgaans wel vrij goed; er zijn heel wat ontsnappingsroetes in de werkelijkeheid in gebouwd. In het hiernamaals is ontsnappen onmogelijk : ze vernemen spoedig elkaars geheim : Estelle vermoordde haar kind. Inès is een lesbische vrouw en Garcin is een lafaard.

Voeg daarbij nog de affiniteit tussen twee vrouwen en één man. Liefde in zijn hechtste vorm is immers een tweepersoonsrelatie. Wie zal de afgewezen en jaloerse derde zijn ? Alle ingrediënten voor de driehoeksverhouding zijn aanwezig… Psychologisch wordt het een boeiend spel… Naar het einde van het stuk vloeien climax en anti-climax sterk in elkaar

    Lees verder ” Het ongeloof van Sartre”