15e zondag na Pinksteren/Eerste zondag na de kruisverheffing

15e zondag na Pinksteren

1e zondag na de Kruisverheffing

 

 

Eerste lezing :

2 Kor.4,6-15

 De God die heeft gezegd: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen,’ heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met de kennis van zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus.

Het huidige leven en de toekomstige luister

 Maar wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat; het moet duidelijk zijn dat onze overweldigende kracht niet van onszelf komt, maar van God.  We worden van alle kanten belaagd, maar raken niet in het nauw. We worden aan het twijfelen gebracht, maar raken niet vertwijfeld.  We worden vervolgd, maar worden niet in de steek gelaten. We worden geveld, maar gaan niet te gronde We dragen in ons bestaan altijd het sterven van Jezus met ons mee, opdat ook het leven van Jezus in ons bestaan zichtbaar wordt.  Wij levenden worden altijd omwille van Jezus aan de dood prijsgegeven, opdat in ons sterfelijke bestaan ook het leven van Jezus zichtbaar wordt Zo is in ons de dood werkzaam, en in u het leven.  Er staat geschreven: ‘Ik bleef vertrouwen, daardoor kon ik spreken.’ In datzelfde vertrouwen spreken ook wij, omdat we geloven  en weten dat hij die de Heer Jezus heeft opgewekt ook ons, net als Jezus, zal opwekken en ons samen met u naar zich toe zal voeren.  Dit alles gebeurt omwille van u, zodat Gods goedheid, die zich door steeds meer mensen verbreidt, ook tot steeds meer dankzegging leidt, tot eer van God.

Evangelie :

Matth.22,35-46

 

 Om hem op de proef te stellen vroeg een van hen, een wetgeleerde:  ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’  Hij antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand Dat is het grootste en eerste gebod.  Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’

 Nu de farizeeën om hem heen stonden, stelde Jezus hun deze vraag ‘Wat denkt u over de messias? Van wie is hij een zoon? ‘Van David,’ antwoordden ze Jezus vroeg: ‘Hoe kan David hem dan, geïnspireerd door de Geest, Heer noemen? Want hij zegt:  “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd.’” Als David hem dus Heer noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?’ En niemand was in staat hem een antwoord te geven, noch durfde iemand hem vanaf die dag nog een vraag te stellen.

Heilige Antonius de Grote

HEILIGE ANTONIOS  DE  GROTE

 

 Inhoudsopgave :Antonios de Grote (dre)

 – Historisch kader rond Antonios de Grote : – het kerkelijk kader                 

– het wereldlijk kader

– het persoonlijk kader- – –  

Levensbeschrijving van Antonios de Grote

– De heiligverklaring van Antonios de Grote

– Belang van zijn persoon en de gevolgen van zijn heiligverklaring

– De spirituele benadering van Antonios de Grote

– Liturgie rond Antonios de Grote

– Bronnen :     – algemene    bronnen – persoonlijke bronnen

 – Bijlagen 


Heilige  ANTONIOS  DE  GROTE

Historisch kader rond Antonios de Grote  ( periode van 250 tot 350 na Chr.)

Het kerkelijk kader

 De vroege christelijke kerk stak op moreel vlak met kop en schouders uit boven de toenmalige maatschappij.  Rond 200 na Chr. waren er 2% christenen, dit aantal steeg in de daaropvolgende eeuw tot 8 % . In Egypte was de kerstening al sterk doorgedrongen. De heersende, heidense cultuur had de eerste Christenen ertoe aangezet om hun geloof te verdiepen. Dus tegen het einde van de derde eeuw konden zij al theologische literatuur voorleggen, die eerst in het Grieks en nadien in  het Latijn werd vertaald.

 Het wereldlijk kader

Tussen 235 en 284 na Chr. waren er een aantal soldatenkeizers die een economische, maatschappelijke en militaire puinhoop van het Romeinse rijk maakten. In het decennium na 250 waren er twee korte periodes van vervolgingen. Na 260 was er een rustige periode van 40 jaar die de “Lange Vrede ” (Pax Longa) werd genoemd. In 284 kwam Diocletianus aan de macht en alles bleef rustig tot in 303 n.Chr. In dat jaar herbegonnen de vervolgingen die eindigden in 311, enkele dagen voor de dood van zijn opvolger Galerius.

Galerius vaardigde een edict uit waarin het Christendom voor de eerste keer het statuut van geoorloofde godsdienst kreeg. In het edict van Milaan in 313 bekrachtigen zijn opvolgers Constantijn en Licinius dit statuut ( bekend als de Kerkvrede).

Tussen 320 en 324 was er toch nog een laatste poging tot vervolgingen door Licinius. Maar vanaf 324 werd Constantijn alleenheerser. Deze keizer had sympathie voor het Christendom, maar vond het ook een ideaal middel om zijn rijk uit te bouwen. Hij zag zich als de eerste vertegenwoordiger van God op aarde. Rond 330 stichtte hij Constantinopel en bleef aan de macht tot 337. Onder zijn bewind vond ook het Concilie van Nicea plaats en waren er problemen met de Arianen. Zijn opvolger en zoon Constantinus koos zelfs de zijde van de Arianen. Uiteindelijk was het keizer Theodosius (die in 379 keizer werd) die een einde maakte aan het Arianisme.

Persoonlijk kader

Antonios de Grote had tussen 250 en 350 in Egypte contact met veel van zijn tijdsgenoten, waaronder :

Paulus van Thebe : ( 250 tot 340) de oerkluizenaar die de woestijn was ingevlucht om te ontsnappen aan de vervolgingen van keizer Decius

Amoen : kluizenaar in Nutrië , Antonios voorspelde zijn dood

Athanasius: (295 tot 373)  bisschop van Alexandrië, had sterke banden met de woestijnmonniken en schreef voor 370 de Vita Antonii

Pachomius : (292 tot 346) grondlegger van het cenobitisme 

de Arianen: (250 tot 380) groep van geestelijken die de goddelijke natuur van Christus de Zoon niet aanvaarden. Dit leidde in de toenmalige kerk tot veel spanningen. Antonios en Athanasius behoorden tot de niceanen (anti-arianen)

Serapioon : leerling van Antonios en vriend van Athanasius, was bisschop van Thmoesis. Er is een brief gevonden van Serapioon geschreven aan Antonios zijn leerlingen. In deze brief troost hij de leerlingen bij het sterven van hun geliefde vader, Antonios (brief is geschreven in 356 in het Syrisch  en Armeens).

Levensbeschrijving van Antonios de Grote


De heilige Antonios werd in 251 in Midden- Egypte geboren in een rijk christelijk gezin. Hij weigerde de klassieke scholing te volgen omwille van het inhoudelijke polytheïsme. Hij verbleef bij de bisschop van Alexandrië, Alexander. Op twintigjarige leeftijd overleden zijn ouders en bleef hij achter met een zusje. Op zekere dag hoorde hij in de viering het evangelie van Matteus (Mt 19 : 16 -21) het verhaal van de rijke jongeling. Dit zette hem ertoe aan om zijn bezit uit te delen aan de noodlijdenden (behalve een gedeelte dat diende voor de opvoeding van zijn zusje) en te gaan leven buiten de stad. Hij bezocht tal van kluizenaars en ging in de leer bij een oudere onder hen, zo leerde hij een ascetisch leven opbouwen. In 286 brak een eerste fase aan. Daarin zonderde hij zich af en ging hij in een verlaten burcht wonen. Twintig jaar lang sloot hij zich op e
n weigerde contact met anderen. Hij leerde te
volharden en te weerstaan aan de vele verleidingen van de duivel. Hij voerde een zware innerlijke strijd, maar kwam gelouterd naar buiten. Rond 306 woonde hij in een kluis in het binnenste gebergte van Egypte ( Pispir) en begonnen er zich meer en meer andere kluizenaars rond hem te vestigen. Toen brak er een tweede levensfase aan. In deze sociale fase kreeg hij bezoek van monniken en kerkelijke personen (Athanasios),maar ook gewone mensen kwamen hem om raad vragen. In dat stadium had hij door zijn toegankelijkheid, aantrekkingskracht en bijzondere gaven ( genezingen en juiste voorspellingen) veel invloed.  Rond 310 reisde hij naar Alexandrië om de door Maximus vervolgde christenen bij te staan. Maar het verlangen naar de eenzaamheid bleef. Hij trok in 312 verder de woestijn in (aangeduid als het binnengebergte – het zou om de berg al-Qalzam gaan, de kluis van Antonios ligt op 2km van het klooster Deir Mar Antonios). Hier bleef hij tot aan zijn  dood in 356.

Antonios de grote249

In 338 trok hij nog eenmaal naar Alexandrië om de leugen te ontkrachten dat hij zou meeheulen met de Arianen tegen zijn vriend en bisschop van Alexandrië, Athanasios. Hij veroordeelde in het openbaar de Arianen en waarschuwde tegen hun dwaalleer. Twee jaar later bezocht hij Paulus van Thebe (de oerkluizenaar) die stervende was. Deze schonk hem zijn unieke tuniek (uit palmbladeren geweven ) die Antonios steeds droeg op Pasen en Pinksteren. Antonios zette zijn ascetisch leven voort en overleed in 356 op 105-jarige leeftijd. Hij voorspelde zijn eigen dood. Hij vroeg om begraven te worden op een geheime plaats en niet gebalsemd te worden zoals toen nog gebruikelijk was bij de Egyptenaren. 

Rond 561 werd zijn stoffelijke resten toch gevonden en naar Alexandrië overgebracht. In 635 verhuisden de relikwieën naar Constantinopel en bleven daar tot in het jaar 1000. Waarschijnlijk door de kruisvaarten kwamen ze in Zuid-Frankrijk terecht. Op enkele partikels na zouden ze verloren zijn  gegaan. Er zou nog een deeltje liggen in het Sint-Anthonius klooster in de Dauphiné en een armreliek in Keulen.

De heiligverklaring van Antonios

Antonios de Grote wordt beschouwd als de vader van het anachoretisme (monnikenwezen in het algemeen)..

Stilzwijgende heiligverklaring

Antonios had tijdens zijn leven al een schare van bewonderaars : christenen die genezingen kwamen afsmeken en verkregen, buitenlanders die over zijn faam gehoord hadden, andere monniken die zijn voorbeeld volgden en in zijn  buurt kwamen wonen. Zijn verering breidde zich snel uit door de verspreiding van de  Vita Antonii en de Vaderspreuken (vooral na de vertaling van deze werken in het Grieks en Latijn). Ook door de Koptische monniken die over geheel West-Europa gingen prediken raakte zijn naam alom gekend. Nochtans heeft Antonios geen monastieke regels nagelaten (zoals Pachomius). Maar het anachoretisme oefende een aantrekkingskracht uit die navolging vond over het toenmalig Romeinse rijk.

Plechtige heiligverklaring

Reeds in de vijfde eeuw werd zijn vermoedelijke sterfdatum, zeventien januari, door Euthymus (abt van Palestina 377 tot 473) vastgelegd als herdenkingsdag. Ook in de heiligenkalender van Auxerre (fr) tussen 592  en 600 was 17 januari al de herdenkingsdag van Antonios.

antonius2

Belang van zijn persoon en de gevolgen van zijn  heiligverklaring

Reeds tijdens zijn leven oefende het kluizenaarsschap op velen een aantrekkingskracht uit. Het oostelijk Romeinse rijk stond meer open voor de diepere spiritualiteit dan het westelijke gedeelte. Rond het Middellands zeegebied ontstonden veel kluizenaarsgemeenschappen die tot in de late middeleeuwen succes kenden. Het anachoretisme werd veeleer beoefend door mannen dan door vrouwen ( praktisch reden : gevaren van de afgelegen streken). Zowel de heilige Augustinus als Benedictus zouden hun bekering aan Antonios te danken hebben

De spirituele benadering

Wat onmiddellijk opvalt is het grote verschil in benadering tussen het oosten en het westen. In het oosten, de Orthodoxe Kerk, vinden we Antonios terug als de grote bezieler van het monnikwezen met een diep inzicht in de groei van het geestelijk leven. Zijn iconografische afbeelding toont steeds een figuur met kapmantel en lange, grijze baard. Als attributen ziet men soms zijn staf (taustaf), een boek (het Heilige Schrift) of een perkamentrol en eventueel nog een bel aan de taustaf. Die manier van afbeelden grijpt terug naar de oorspronkelijke symboliek rond de figuur van Antonios. In het westen hebben alle grote kunstenaars,van de middeleeuwen tot nu, hem uitgebeeld met grootse visoenen van verschrikkelijke duivels (waarschijnlijk door de beschrijving van deze duivels in de Vita Antonii). Maar in de volksaanbidding is hij gekend als de heilige met het varken. De mythe rond het varken is ontstaan in de vroege middeleeuwen toen de arme plattelandsbevolking werd geteisterd door het Antoniusvuur of ergotisme. Deze ziekte komt door het eten van roggebrood dat besmet was door een schimmel. Kenmerkend voor deze ziekte waren het afsterven van de ledematen en de helse,brandende pijn. De zieke werd ook geteisterd door hallucinaties met een spirituele of religieuze inslag (vandaar ook het verband met de duivelse visoenen van Antonios).  In 1095 richtten ridders een hospitaalorde op : de Sint-Antoniusorde. Deze orde verzorgde de zieken en kreeg toelating om varkens te houden. Een beperkt aantal mocht vrij rond lopen in de toenmalige middeleeuwse steden. Het vlees werd op
17 januari uitgedeeld aan de armen en een gedeelte diende voor de bekostiging van de hospitalen. Zo is deze verering ontstaan . Antonios werd dan ook aanbeden als beschermheilige voor ziekten en als patroonheilige voor allerlei beroepen.

Antonius

Liturgie rond Antonios de Grote

 Antonios wordt gevierd op 17 januari. In de gewone liturgie wordt alleen de naam van de Heilige vermeld. Toch bestaan er tal van liturgische teksten en gebeden aan hem gewijd. Als voorbeelden zijn in de bijlage opgenomen: de gebeden en teksten die Dhr. Biesbroeck gevonden heeft in een Romeins Brevier. Verder een Griekse hymne (apolytkion en kontaktion), een troparion en nog een kondakion. Deze bevatten allen zeer lovende bewoordingen voor Antonios. Ook

de monastieke Cahiers beschrijven een aantal lofredes. De oudste is van Hesychius van Jeruzalem, die gehouden werd op 17 januari van een onbekend jaar, ergens tussen 420 en 450 na Chr.

Dit zijn slechts enkele voorbeeld want in iedere taal en kerk zijn er nog een heleboel gebeden, teksten en hymnen terug te vinden. Dit toont aan dat Antonios de Grote al een eeuwenlange verering kent.

Bronnen :

Algemene bronnen :

– De Vita Antonii – geschreven in het Grieks rond 370 na Chr door Athanasius, bisschop van Alexandrië en vriend van Antonios. De Vita is het eerste boek in een hele reeks van boeken over heiligenlevens, geschreven door veel auteurs tot in de late middeleeuwen. Dit boek was het ideale middel om het vroege christendom te promoten. Korte tijd later waren er reeds de eerste vertalingen in het Latijn (o.a. een vertaling van Evagrius, diaken te Antiochië). De Vita behoort tot de paranetische literatuur (literatuur die vanuit de Christelijke beginselen opwekt tot heiligheid naar aanleiding van een bepaald persoon). De nadruk ligt op het stichtelijke van het werk.

– De brieven van Antonios : twee reeksen : een van zeven en een van twintig brieven, gestuurd naar verschillende kloosters (o.a. van Arsinoë). De meeste brieven, die oorspronkelijk in het Koptisch geschreven zijn, bestaan nu nog in Griekse en Latijnse vertalingen. Er zijn echter nog fragmenten gevonden van de oorspronkelijke brieven. De echtheid van deze brieven wordt versterkt door het feit dat twee spreuken van Antonios aangehaald worden( nr. 8 en 22). Het enige historisch feit komt voor in een brief waar over Arius gesproken wordt. Arius is overleden rond het jaar 336. Inhoudelijk zijn deze brieven aanbevelingen voor een verdieping in het ascetische leven. De brieven getuigen ook van een grondige kennis van de H.Schrift.

– De Vadersspreuken : in totaal 170 uitspraken over het gedrag van de mensen en een stichtelijke levenswijze. In het Gerontikon staan er 38 spreuken, verder is er nog een reeks Koptische spreuken. Daarnaast bestaan er nog talrijke spreuken waarin Antonios aangehaald wordt.

Antonius Abt254

Persoonlijke bronnen :

-‘Leven, getuigenissen en brieven van de H.Antonius Abt’ -Monastieke cahiers – C.Wagenaar.

-‘Bevrijd en gebonden – de Kerk van Constantijn’ – Pierre Trouillez – Davidsfonds.

-‘Abba’s en andere asceten over Antonius’ – Adolphus.

-‘Antonius “der Grosse” – okumenische Heiligenlexikon en Bijgevoegde vertaling’

-Monniken – Abbaye Notre – Dame de Leffe

-Promotie van dr Bertrand – die evagriusubersetzung der Vita Antonii

-Anthony the Great – Orthodox Wiki

-St Anthony – Catholic encyclopedia

–‘Heiligenjaar – Heiligenlevens voor elke dag’ – deel 1 januari – orthodox klooster van de H. Joannes de Doper – p 72 tot 74

Antonius de Grote1

Vertalingen:

Vertaling van een gedeelte van de tekst uit Antonius der grosse -Okumenische Heiligenlexikon

Antonius zou 105 jaar zijn geworden. Toen zijn volgelingen hem begroeven zouden er engelen rondom hen hebben gestaan. Van zijn brieven zouden er zeven overgeleverde Latijnse vertalingen als echt gelden en verder ook nog een brief over het oprechte berouw.

Antonius zijn verering begon reeds in 500 na Chr. Zijn relikwieën werden in 561 overgebracht naar Alexandrië. En verhuisde
n in 635 naar Constantinopel (huidige Istanboel) en dan in het jaar 1000 naar Zuid-Frankrijk. In 1491 werden ze naar Arles overgebracht. Nu liggen ze in het klooster van de Sint-Antoniusorde in St.Antoine in de Dauphiné (Fr).

Antonius de Grote 458

Vertaling uit St Anthony founder of Christian monasticism – Catholic encyclopedia.

Antonios de Grote  

Stichter van  het monachisme

De belangrijkste bron van informatie over Antonios de Grote is de griekse vertaling die aan St. Athanasius wordt toegeschreven en die  in meerdere uitgaven en wordt teruggevonden.Aan het eind van dit artikel wordt gesproken over de controverse betreffende de Vita Antonii  hier zal het voldoende zijn om te zeggen dat nu het met praktische eenstemmigheid door geleerden als wezenlijk historisch verslag, en als waarschijnlijk authentiek werk van St. Athanasius wordt aanzien.

De waardevolle hulpinlichtingen worden verstrekt door secundaire bronnen: „Apophthegmata”, voornamelijk  verzameld onder de naam van Antonios (bij het hoofd van de alfabetische inzameling van Cotelier, P.G. LXV, 7]); Cassian, vooral Coll. II; Palladius, „Historica Lausiaca”, 3.4.21.22 (E-D. Butler). Dit werk  kan waarschijnlijk worden goedgekeurd als wezenlijk authentiek, terwijl dat van St. Jerome het „Leven van St. Paul de heremiet” voor historische doeleinden niet kan worden gebruikt.

Antonios was geboren in Coma, dichtbij Heracleopolis Magna in Fayum, in het midden van de derde eeuw. Hij was de zoon van welstellende ouders, en bij hun dood (hij was toen 20 jaar) erfde hij hun bezit. Hij had de wens om het leven van de Apostelen  en de vroege Christenen te imiteren  Op een dag in de kerk bij het horen van het evangelie het verhaal van de rijke jongeling  deed hij al zijn bezit en goederen weg, en wijdde zich uitsluitend aan het godsdienstige leven..

Reeds lang was het bij de Christenen gebruikelijk om ascetisch te zijn, niet te huwen ,nederig te vasten, te bidden en werken van barmhartigheid te stellen maar zij deden dit zonder hun huis of familie te verlaten. Later, in Egypte, leefde dergelijke asceten in hutten aan de rand van de steden en de dorpen, en dit was de gemeenschappelijke praktijk tot 270, toen Anthony zich uit de wereld terugtrok. Hij begon zijn ascetische leven  zonder zijn geboorteplaats te verlaten. Hij had de gewoonte  om diverse asceten te bezoeken, hun leven te bestuderen, en te proberen om van elk van hun  deugden te leren waarin zij schenen uit te blinken. Dan trok hij zich terug  in één van de graven, dichtbij zijn geboortedorp , en daar was het dat hij  die vreemde conflicten had met demonen en wilde beesten die hem soms voor dood achterlieten;.,Op de leeftijd van vijfendertig ging  Antonios  in absolute eenzaamheid  gaan leven. Hij stak de Nijl over en op een berg dichtbij de het oostbank, toen  Pispir, nu Der el Memum, vond hij een oud fort waarin hij zich op sloot om daar twintig jaar in volstrekte afzondering door te brengen. Het voedsel werd hem over de muur toegeworpen. Hij werd af en toe bezocht door pelgrims, die hij weigerde om te zien Maar een aantal zogenaamde discipelen vestigden zich geleidelijk aan in holen en in hutten rond de berg. Er werd  dus werd een kolonie van asceten gevormd, die  aan Antonios vroegen om  hun gids in het geestelijke leven te zijn. Rond 305 beeindigde hij zijn  opsluiting en kwam  te voorschijn. Tot  verrassing van allen, scheen hij te zijn zoals toen hij in was gegaan, niet uitgemergeld, maar krachtig in lichaam en mening.

Vijf of zes jaar wijdde hij zich aan de organisatie van monniken die  rond hem was gegroeid; maar toen trok hij zich nog verder in de binnenwoestijn terug ( tussen de Nijl  en de Rode zee). Dichtbij de kust vestigde hij zich op een berg waar zich  het klooster bevindt dat zijn naam draagt, Der Mr Antonios . Hier bracht hij de laatste vijfenveertig jaar van zijn leven in afzondering door, niet zo strikt als Pispir, want hij kreeg regelmatig bezoek . In de Vita Antonii staat  dat hij  twee maal  naar Alexandrië ging omwille van  de Christelijke martelaren in de vervolging van 311, en eens  rond (c. 350) om tegen Arianen te prediken. De Vita Antonii beschrijft dat hij op de leeftijd van honderd vijf stierf, en St. Jerome  plaatste zijn dood in 356-357 . Al deze chronologie is gebaseerd op de hypothese dat deze datum en cijfers in de Vita correct zijn. Op zijn eigen verzoek werd zijn graf geheim gehouden  door de twee discipelen die hem begroeven..

 Een  ander  oordeel  gaat over geschriften die gevonden zijn. . De preken en twintig Epistels in  het Arabisch zijn door historici als  onecht bestempeld.

St. . Jerome (Illinois van DE Viris, lxxxviii) kende zeven epistels die uit Koptisch in het Grieks werden vertaald; de griekse vertaling is verloren gegaan , maar een Latijnse versie bestaat (ibid.), en ook  Koptische fragmenten  van drie van deze brieven, die aansluiten bij de latijnse vertaling ; zij kunnen authentiek zijn, maar het zou voorbarig zijn om te beslissen. Beter is de positie van een Griekse brief aan Theodorus, die in de „ Theophilum wordt bewaard van Epistola Ammonis”, sekte. 20 het blijkt om een vertaling van het Koptische origineel te gaan ; er schijnt voldoende reden te zijn  om geen twijfels te hebben of het werkelijk door Antonios werd geschreven (zie Butler, Geschiedenis Lausiac van Palladius, Deel I, 223). De autoriteiten zijn het ermee eens geweest dat Antonios geen Grieks kende en slechts Koptisch sprak. Er bestaat een kloosterregel die van Antonios naam draagt, die in Latijnse en Arabische vorm wordt bewaard (P.G., XL, 1065). Deze zou waarschijnlijk uit  Antonios zijn woorden zijn samengesteld.  het gaat om uitingen die aan hem in de Vita  en Apophthegmata worden toegeschreven het bevat echter ook een element dat uit spuria en ook uit de „Regels Pachomian” wordt afgeleid. Deze regel kende succes in Egypte en het Oosten. Het is ook  de regel die door de Monniken Uniat van Syrië en Armenië wordt gevolgd, van wie Maronites, met zestig kloosters en 1.100 monniken, het belangrijkst is en  het wordt ook gevolgd ook door de schaarse resten van Koptische kluizenaars.

Het is niet eenvoudig  om Antonios de Grote zijn  plaats en zijn invloed in de geschiedenis van het anachoretisme te verklaren. Hij was waarschijnlijk niet de eerste Christelijke hermiet maar  Antonios was er de erkende leider van . Noch was Antonios een groot wetgever en een organisator van monniken, zoals
zijn jongere eigentijdse Pachomius; (, hoewel de eerste stichtingen van Pachomius waarschijnlijk zowat tien of vijftien jaar later  zijn gesticht na zijn terugkeer uit Pispir). En men  kan ook niet aantonen dat Pachomius direct door Antonios werd beïnvloed,  zijn instituut was anders opgebouwd.. En toch is het overvloedig duidelijk dat van het midden van de vierde eeuw in heel Egypte en ook door  de Pachomiaanse monniken naar Antonios werd opgekeken als stichter en vader van anachoretisme .

Deze grote positie was zonder twijfel toe te schrijven aan zijn persoonlijkheid en bijzonder karakter, kwaliteiten die duidelijk in alle verslagen naar voren gekomen. De beste studie van zijn karakter is Newman in de „Kerk van de Vaders” (herdrukt in „Historische Schetsen”). Hij zegt het volgende : „Zijn doctrine  was zuiver en voorbeeldig; en zijn karakter is hoog en hemels, zonder lafheid, zonder mistroostigheid, zonder formaliteit, zonder zelfgenoegzaamheid. Wantrouwen is verachtelijk en buigend,  het wantrouwt God, en vreest de bevoegdheden van kwaad. Antonios had niets van dit alles, hij is vol van vertrouwen, van  goddelijke vrede en vol van enthousiasme. Zelfs op het hoogtepunt van zijn  enthousiasme was hij niet fanatiek of hard,  zijn matiging  komen in veel van de verhalen verwant aan hem duidelijk uit. Abt Mozes in Cassian (Coll. II)zegt de minzaamheid van  Antonios de essentie  is voor het bereiken van de perfectie   Het kleine bekende verhaal van Eulogius en Cripple, dat in de Geschiedenis Lausiac (xxi) wordt bewaard, illustreert het soort raad en richting die hij aan zijn monniken heeft gegeven die naar zijn begeleiding streefden.

Het monachisme gesticht door Antonios werd de algemene norm in Noordelijk Egypte, in Lycopolis (Asyut) en  het Middellandse-Zeegebied. In tegenstelling tot het cenobetisme  gesticht  door Pachomius in het Zuiden, bleef het noorden het kluizenaarskarakter behouden, de monniken leefden  in afzonderlijke cellen of hutten om slechts nu en dan voor de kerkdiensten samen te komen , zij hadden hun eigen persoonlijk regels en leefden niet volgens gemeenschappelijke regels  (zie Butler, op. CIT, Deel I, 233-238). Dit was de vorm van het kloosterleven in de woestijnen van Nitria en Scete, zoals afgebeeld door Palladius en Cassian. Dergelijke groepen semi-onafhakelijke hermitages heten ” Lauras” en hebben altijd in het Oosten opzij van de kloosters Basilian bestaan. In het westen wordt het monachisme van Antonios teruggevonden bij de orde van de Kartuizers. Dit  was Antonios  zijn levenswijze  karakter en  zijn rol in de Christelijke geschiedenis. Hij wordt juist erkend als de vader niet alleen van monachisme , strikt zogenaamd, maar van het technische godsdienstige leven in elke vorm . Weinig namen hebben op het menselijke ras een zo diepe en innige invloed uitgeoefend ..

Er moet toch nog iets gezegd worden over de controverse die heerst bij  de generatie rond 1870 betreffende Antonios  en de Vita Antonii . In 1877 ontkende Weingarten het  auteurschap  van Athanasius en het historische karakter van het Vita Antonii (   hij was van mening dat het om een roman ging en geen realiteit). Volgens hem waren er rond 340  geen Christelijke monniken . Antonios leefde volgens hem een eeuw later.. Sommige imitators in Engeland gingen steeds verder en ontkenden dat Antonios ooit had bestaan. Aan iedereen vertrouwd met de literatuur van kloosterwezen in Egypte leek het alsof Antonios een gefingeerde held was die niet bij machte was een plaats te veroveren in de kloostergeschiedenis . Uiteindelijk worden  deze theorieën verlaten,  de Vita Antonii wordt als zijnde historisch aanvaard  alsook Athanasius De geschiedenis van de  traditionele  kloosteroorsprong wordt in grote mate hersteld. Deze episode is nu voornamelijk van belang als   voorbeeld van een theorie die werd aangesneden en toen algemeen aanvaard , en toen volledig tijdens  één enkele generatie weer werd verlaten. (op de controverse zie ler, op. CIT Deel I, 215-238, Deel II, ixxi).

 Werkstuk voor de cursus Hagiologie

Onderdeel van studiepakket van het programma van het eerste jaar aan het Orthodox Vormingscentrum “heilige Johannes de Theoloog” door Mariëlle De Bom. Docente : Mevrouw N. ZHirovova

auteur : Mariëlle De Bom Van Driessche

Met dank voor dit prachtig werk !

Antonios de Grote

Leven van heiligen : Johannes chrysostomos (Arabisch)

Heilige Johannes Chrysostomos

 De Heilige Johannes Chrysostomos

zijn leven 

Johannes werd omstreeks het jaar 349 geboren te Antiochie. Hij werd in het jaar 372 gedoopt en begon met zijn studies. Hij trok zich terug als kluizenaar. Toen hij echter zwaar ziek werd, moest hij zijn kluizenaarsleven opgeven. Hevig verzwakt nam hij zijn studies weer op en na enige tijd, toen hij weer op krachten was, werd hij in 381 tot diaken gewijd. Vijf jaar later werd hij tot priester gewijd. Zijn naam “Chrysostomus” ( Gulden Mond) kreeg hij om zijn welsprekendheid en zijn vele geschriften ten dienste van de geloofsleer en het christelijk leven.Hij was een fijn besnaard prediker en iedereen luisterde met volle teugen naar zijn woorden.Hij was een groot vereerder van de apostel Paulus, zodat men geloofde de H. Paulus hem bij het samenstellen van de geschriften had geholpen.

In 397 werd hij tot patriarch van Constantinopel gekozen. Hij liet ziekenhuizen bouwen en zorgde voor de armen. Talrijke werken heeft hij geschreven over het kloosterleven, de maagdelijkheid, het priesterschap, doorlopende verklaringen van de heilige Schrift. Hij was een groot zielenherder en een beschermer van weduwen en wezen, een vrijmoedig bisschop die “berispt, of het gelegen komt of niet”, die ook het misnoegen van de vorsten, zelfs van keizerin Eudoxia niet vreesde. Hij viel in ongenade bij het keizerlijk hof en moest tot twee maal toe in ballingschap gaan vanwege de afgunst die er in deze kringen heerste. Toen keizerin Eudoxia twee maanden later een miskraam kreeg zag zij dit als een straf omdat zij Johannes verdreven had. Zij liet daarop de bisschop terughalen. Toen zij echter weer beter was stuurde zij de bejaarde man weer in ballingschap naar Kukusus in Armenie. Drie jaren later stuurde men Chrysostomus weer in ballingschap naar een verder oord. De oude en zwakke man was niet in staat deze reis te voltooien. Zwaar aangeslagen en zwak door ontberingen stierf hij op 14 september 407 in Comana Pontus. Zijn laatste woorden waren:
“God zij voor alles geprezen”.

 

Johannes Chrysostomos heeft krachtdadig ingegrepen in de liturgie van de Oosterse Kerk. (De tot op heden de meest gebruikelijke viering van de H.Mis volgens de Griekse ritus heet “de liturgie van de H.Johannes Chrysostomus”).

 

Akathist tot de Moeder Gods in het ITALIAANS

Inno Acatisto alla Madre di Dio

L‘Acatisto (dal greco Akáthistos) è un antico inno in onore della Vergine Maria. L’ autore è anonimo, anche se molti attribuiscono la creazione dell’inno a Romano il Melode (V sec.), in ringraziamento per la protezione della città di Costantinopoli dall’invasione di orde barbariche. La parola Acatisto suggerisce che l’inno debba essere recitato in piedi; l’inno costituisce una forma del genere liturgico del “Kondakion“. A questo proposito scrive P. Olivier Raquez: “Il kondakion è un genere letterario di inni propriamente bizantini sviluppatosi a partire dalla fine del V secolo. Era composto di un proemio e di un numero variabile di strofe (ìkoi) più o meno numerose. Nei secoli successivi è scomparso a favore del genere del canone. Oggi, come complesso organico di più strofe, se ne conserva uno solo, il celebre inno Akathistos.” (O. Raquez, Guida alla Celebrazione dell’Ufficio Divino nelle Chiese di tradizione bizantina, LIPA, Roma, 2002).

L’Acatisto è recitato privatamente dai fedeli, come devozione personale, e pubblicamente nelle chiese: è frequentemente cantato durante la Grande Quaresima, soprattutto al venerdì: il quinto venerdì di Quaresima è appunto detto “dell’inno Acatisto”.

1
Accolto l’ordine dell’arcana missione, senza indugio l’Angelo si presenta alla dimora di Giuseppe e dice alla Vergine: Colui che discendendo fa piegare i cieli si racchiude senza mutamento tutto in te. E, vedendolo prendere nel tuo grembo la figura di servo, stupito e a te esclamo: Gioisci, o Sposa Semprevergine!

2
Il primo fra gli angeli fu inviato dal cielo a recare il saluto alla Madre di Dio e vedendoti assumere con la voce incorporea un corpo, o Signore, al solo saluto, restò attonito e rivolto a lei esclamava così:
Gioisci, per te splenderà la gioia;
Gioisci, per te cesserà la maledizione;
Gioisci, redenzione del caduto Adamo;
Gioisci, riscatto delle lacrime di Eva;
Gioisci, altezza inaccessibile all’intelligenza dell’uomo;
Gioisci, profondità insondabile alla mente degli angeli;
Gioisci, sei divenuta il trono del Re;
Gioisci, perché reggi Colui che tutto regge;
Gioisci, stella che annunci il sole;
Gioisci, grembo della divina incarnazione;
Gioisci, per te si rinnova la creazione;
Gioisci, per te si fa bambino il Creatore.
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

3
Sapendosi in purezza, la Santa Vergine risponde a Gabriele senza timore: “La stranezza del tuo parlare risulta incomprensibile alla mia anima. Tu annunci una maternità in un seno verginale esclamando: Alleluia?”

4
Desiderando la Vergine conoscere il mistero, esclamò al santo servitore: “Dal mio grembo votato alla verginità, dimmi come può essere generato un figlio?” E l’Angelo le rispose con riverenza soltanto questo:
Gioisci, partecipante al mistero ineffabile;
Gioisci, credente di ciò che matura nel silenzio;
Gioisci, preludio ai miracoli di Cristo;
Gioisci, compendio dei suoi dogmi;
Gioisci, scala celeste per cui discese Iddio;
Gioisci, ponte che conduce dalla terra al cielo;
Gioisci, degli Angeli inaudito prodigio;
Gioisci, dei demoni terribile sconfitta;
Gioisci, perché generasti ineffabilmente la Luce;
Gioisci, perché a nessuno hai rivelato il mistero;
Gioisci, perché trascendi la conoscenza dei sapienti;
Gioisci, perché illumini la mente dei credenti;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

5
La potenza dell’Altissimo coprì allora con la sua ombra la Vergine affinché concepisse; e il suo seno senza frutto si trasformò in campo fertile per coloro che vogliono cogliervi salvezza, cantando: Alleluia!

6
Accolto Dio nel grembo, la Vergine corse verso Elisabetta e il figlio di costei riconobbe subito il suo saluto e gioì e con balzi, quasi cantici, esclamava alla Madre di Dio:
Gioisci, virgulto di pianta che non si dissecca;
Gioisci, possesso di un frutto che non marcisce;
Gioisci, perché allevi Colui che con amore nutre gli uomini;
Gioisci, perché generi Colui che crea la nostra vita;
Gioisci, terreno che produce abbondanza di misericordia;
Gioisci, mensa che porti ricchezza di propiziazione;
Gioisci, perché fai fiorire il giardino di delizie;
Gioisci, perché prepari un rifugio per le anime;
Gioisci, profumo che rende gradite le suppliche;
Gioisci, propiziatrice di perdono al mondo intero;
Gioisci, compiacenza di Dio verso gli uomini;
Gioisci, fiducia degli uomini verso Dio;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

7
Aveva dentro di sé una tempesta di pensieri contrastanti il prudente Giuseppe. Era sconvolto: ti sapeva vergine ma sospettava un’unione furtiva, o Immacolata. Ma appena apprese il tuo concepimento per opera dello Spirito Santo disse: Alleluia!

A Te, o Madre di Dio, che guidasti la nostra difesa, innalziamo l’inno della vittoria e della riconoscenza, per essere stata salvati da terribili sciagure. Tu, dunque, nella tua potenza invincibile, liberaci da ogni sorta di pericoli, cosicché a Te si esclami: Gioisci, o Sposa Semprevergine.

8
I pastori udirono gli angeli che inneggiavano alla venuta di Cristo incarnato e, accorrendo a lui come verso il Pastore, lo videro quale Agnello senza macchia nutrirsi nel seno di Maria e dissero inneggiando a lei:
Gioisci, Madre dell’Agnello e del Pastore;
Gioisci, ovile del gregge spirituale;
Gioisci, difesa contro i nemici invisibili;
Gioisci, chiave che apre le porte del Paradiso;
Gioisci, perché il cielo si rallegra con la terra;
Gioisci, perché la terra si allieta con i cieli;
Gioisci, voce degli Apostoli che mai tace;
Gioisci, coraggio invincibile dei martiri;
Gioisci, forte baluardo della fede;
Gioisci, fulgido vessillo della grazia;
Gioisci, perché spogliasti il regno dei morti;
Gioisci, perché ci rivestisti di gloria;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

9
I Magi scorsero la stella che guidava verso Dio e seguirono la sua luce usandola come fiaccola, con essa cercavano il potente Sovrano e, raggiunto l’Irraggiungibile, lo salutarono acclamando: Alleluia!

10
I figli dei Caldei videro in mano della Vergine Colui che plasmò con le sue mani l’uomo; lo riconobbero come il Signore, benché avesse preso figura di servo, e si affrettarono ad adorarlo con doni ed esclamare alla Benedetta:
Gioisci, Madre dell’astro che mai tramonta;
Gioisci, splendore del mistico giorno;
Gioisci, perché hai spento la fucina dell’inganno;
Gioisci, perché illumini gli iniziati al mistero della Trinità;
Gioisci, perché hai spodestato il crudele tiranno degli uomini dal suo impero;
Gioisci, perché hai manifestato Cristo Signore amico dell’uomo;
Gioisci, perché ci liberi dal culto pagano;
Gioisci, perché ci salvi dalle opere di corruzione;
Gioisci, perché hai posto fine all’adorazione del fuoco;
Gioisci, perché hai allontanato la fiamma delle passioni;
Gioisci, guida di saggezza per i credenti;
Gioisci, gioia di tutte le generazioni;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

11
Diventati divini messaggeri, i Magi si avviarono verso Babilonia, dove portarono a compimento il tuo responso e a tutti proclamarono Te o Cristo, senza curarsi dello stolto Erode, che non seppe cantare: Alleluia!

12
In Egitto hai fatto splendere la luce della verità dissipando le tenebre della menzogna; gli idoli infatti, o Salvatore, non sostennero la tua possanza e crollarono; e coloro che se ne andarono liberi acclamarono la Madre di Dio:
Gioisci, perché risollevi gli uomini;
Gioisci, perché abbatti i demoni;
Gioisci, perché hai calpestato dell’inganno dell’errore;
Gioisci, perché hai smascherato la falsità degli idoli;
Gioisci, onda del mare che sommergi il pur avveduto Faraone;
Gioisci, roccia che abbeveri chi ha sete della vita;
Gioisci, colonna di fuoco, che guida coloro che sono nelle tenebre;
Gioisci, protezione del mondo più grande della nube;
Gioisci, cibo sostitutivo della manna;
Gioisci, perché distribuisci il santo alimento dell’allegrezza;
Gioisci, perché sei la terra della promessa;
Gioisci, perché da te sgorgano miele e latte;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

13
Tu fosti presentato bambinello a Simeone mentre ormai stava per abbandonare questo presente mondo fallace, ma egli ti riconobbe come Dio perfetto e per questo ammirò l’ineffabile tua sapienza esclamando: Alleluia!

A Te, o Madre di Dio, che guidasti la nostra difesa, innalziamo l’inno della vittoria e della riconoscenza, per essere stata salvati da terribili sciagure. Tu, dunque, nella tua potenza invincibile, liberaci da ogni sorta di pericoli, cosicché a Te si esclami: Gioisci, o Sposa Semprevergine.

14
Una nuova creazione rivelò il Creatore apparso fra noi sue creature; poiché germinato da un grembo incontaminato lo conservò intatto quale era prima, così noi, contemplando il miracolo, inneggiamo alla Vergine, esclamando:
Gioisci, fiore della verginità;
Gioisci, corona della castità,
Gioisci, perché fai risplendere l’immagine della (nostra) resurrezione;
Gioisci, perché ci manifesti la vita angelica;
Gioisci, albero dai magnifici frutti che nutrono i fedeli;
Gioisci, pianta dalle ombrose fronde che offrono riparo a molti;
Gioisci, perché hai portato in seno Colui che è guida degli erranti;
Gioisci, perché hai dato alla luce Colui che è il liberatore dei prigionieri;
Gioisci, perché sei la nostra propiziatrice presso il giusto Giudice;
Gioisci, perché sei la riconciliazione per molti peccatori;
Gioisci, perché dai rifugio a chi è privo di fiducia;
Gioisci, perché possiedi un amore che supera ogni desiderio;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

15
Mirando questa prodigiosa natività, distacchiamoci da questo mondo, elevando la nostra mente al cielo; perché l’Altissimo apparve sulla terra come umile uomo, per attrarre in alto coloro che a lui acclamano: Alleluia!

16
L’incomprensibile Verbo discese in terra nella sua pienezza senza per nulla allontanarsi dai cieli; perché con condiscendenza divina e non mutazione di luogo si abbassò e nacque dalla Vergine che, assorta in Dio, udiva:
Gioisci, dimora del Dio infinito;
Gioisci, porta di un venerando mistero;
Gioisci, verità incomprensibile per chi non crede;
Gioisci, indubbio vanto per chi crede;
Gioisci, cocchio santissimo di Colui che siede sui Cherubini;
Gioisci, dimora bellissima di Colui che è sopra i Serafini;
Gioisci, perché concili cose contrarie;
Gioisci, perché congiungi verginità e maternità;
Gioisci, perché hai distrutto la prevaricazione;
Gioisci, perché hai fatto spalancare il Paradiso;
Gioisci, perché sei la chiave del regno di Cristo;
Gioisci, speranza di beni eterni;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

17
Tutta la schiera degli angeli ammirò stupita la grande opera della tua Incarnazione; perché vedeva Colui, che è inaccessibile come Dio, accessibile a tutti come uomo, vivere con noi e ascoltare da tutti: Alleluia!

18
Vediamo diventare davanti a te, o Madre di Dio, i più eloquenti retori muti come pesci, perché incapaci di spiegare come Tu, rimanendo vergine, abbia potuto partorire. Noi invece ammirando il mistero, con fede esclamiamo:
Gioisci, dimora della sapienza di Dio;
Gioisci, scrigno della sua provvidenza;
Gioisci, perché sveli ignoranti gli uomini di dottrina;
Gioisci, perché scopri insipienti gli uomini di scienza;
Gioisci, perché sono diventati stolti i sottili indagatori;
Gioisci, perché si sono inariditi i creatori di mitologie;
Gioisci, perché dissolvi le astuzie dei sofisti;
Gioisci, perché ricolmi le reti dei pescatori;
Gioisci, perché ci trai fuori dall’abisso dell’ignoranza;
Gioisci, perché arricchisci molti di sapienza;
Gioisci, scialuppa di chi vuol essere salvato;
Gioisci, porto dei naviganti in questa vita;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

19
Volendo salvare il mondo, il Creatore di tutte le cose in esso venne spontaneamente; e benché come Dio fosse Pastore, apparve per noi e fra noi come agnello, come uomo parlava agli uomini, ma come Dio sente dirsi: Alleluia!

A Te, o Madre di Dio, che guidasti la nostra difesa, innalziamo l’inno della vittoria e della riconoscenza, per essere stata salvati da terribili sciagure. Tu, dunque, nella tua potenza invincibile, liberaci da ogni sorta di pericoli, cosicché a Te si esclami: Gioisci, o Sposa Semprevergine.

20
O Vergine Madre di Dio, tu sei il riparo di vergini e di quanti a Te accorrono; perché tale ti ha costituita il Creatore del cielo e della terra, o Inviolata, ponendo dimora nel tuo grembo e insegnando a tutti a salutarti:
Gioisci, colonna della verginità;
Gioisci, porta della salvezza;
Gioisci, prima ispiratrice della spirituale creazione;
Gioisci, dispensatrice della bontà divina;
Gioisci, perché rigeneri chi è concepito nel male;
Gioisci, perché ridoni intelligenza a chi è privo di intelletto;
Gioisci, perché hai schiacciato chi corrompe le menti;
Gioisci, perché hai dato alla luce il seminatore della castità;
Gioisci, talamo di nozze illibate;
Gioisci, perché riconcili con il Signore i fedeli;
Gioisci, santa educatrice di vergini;
Gioisci, perché accompagni alle nozze le anime sante;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

21
È vinto ogni canto che voglia eguagliare l’abbondanza delle tue molte misericordie, o Signore; anche se a te, o santo Re, offrissimo tanti cantici quanti i granelli di sabbia mai faremmo cosa degna di quanto hai donato a chi ti acclama: Alleluia!

22
Noi vediamo la Vergine come fiaccola splendente, apparsa a coloro che sono nelle tenebre; perché avendo acceso il Lume immateriale, ella guida tutti alla cognizione divina, illuminando di splendore le menti e viene onorata da questa esclamazione:
Gioisci, raggio del Sole spirituale;
Gioisci, riverbero dello splendore senza tramonto;
Gioisci, fulgore che illumini le anime;
Gioisci, tuono che atterrisci i nemici;
Gioisci, perché fai sorgere la luce sfolgorante;
Gioisci, perché fai scaturire il fiume dalle inesauribili acque;
Gioisci, simbolo del fonte battesimale;
Gioisci, perché togli le macchie del peccato;
Gioisci, lavacro che purifichi la coscienza;
Gioisci, coppa che mesci esultanza;
Gioisci, fragranza del profumo di Cristo;
Gioisci, vita del mistico convito;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

23
Volendo perdonare le antiche offese, Colui che rimette i debiti a tutti spontaneamente si presentò a coloro che si erano allontanati dalla grazia e, lacerata la condanna del peccato, da tutti sente esclamare: Alleluia!

24
Lodando il tuo parto, noi tutti ti celebriamo come tempio vivente, o Madre di Dio. Nel tuo grembo, infatti, abitò il Signore, Colui che l’universo regge nelle sue mani. Egli ti fece santa e ricca di gloria e ha insegnato a tutti a cantarti:
Gioisci, tempio del Verbo di Dio;
Gioisci, la più santa di tutti i santi;
Gioisci, arca d’oro, cesellata dallo Spirito Santo;
Gioisci, tesoro inesauribile della vita;
Gioisci, diadema prezioso dei pii regnanti;
Gioisci, venerabile gloria dei vescovi devoti;
Gioisci, baluardo inespugnabile della Chiesa;
Gioisci, fortezza invincibile dell’impero;
Gioisci, per te si innalzano i trofei;
Gioisci, per te soccombono i nemici;
Gioisci, salute per il mio corpo;
Gioisci, salvezza per la mia anima;
Gioisci, o Sposa Semprevergine!

A Te, o Madre di Dio, che guidasti la nostra difesa, innalziamo l’inno della vittoria e della riconoscenza, per essere stata salvati da terribili sciagure. Tu, dunque, nella tua potenza invincibile, liberaci da ogni sorta di pericoli, cosicché a Te si esclami: Gioisci, o Sposa Semprevergine!

 

 

 

 

 

 

 

Wereldraad vab Kerken bezoekt Rusland en Ossetië

Wereldraad van Kerken bezoekt Ossetië en Rusland

Geplaatst door Theo Borgermans op vrijdag 5 september 2008 om 00:05u (Bron: PKN)

GENEVE (RKnieuws.net) – Een delegatie van de Werelraad van Kerken is van 3-7 september op bezoek in Ossetië en Rusland. De delegatie gaat naar bij de Wereldraad aangesloten kerken, praat met slachtoffers van het geweld en bekijkt hoe de hulp van de kerken georganiseerd is.

De delegatie verwacht functionarissen te ontmoeten van onder andere de Russisch Orthodoxe Kerk en de Gregoriaans Orthodoxe Kerk. Ook wordt er een bezoek gebracht aan het werk van Action by Churches Together (ACT) International en de lokale partners. ACT International is een door de Wereldraad gecoördineerde hulporganisatie voor hulp bij rampen. Kerk in Actie en ICCO verlenen hulp via deze organisatie.

“We verwachten in beide landen christenen aan te treffen die naar elkaar luisteren en voor elkaar bidden. Als zij niet accepteren dat zij gescheiden worden van elkaar, helpen zij de regeringen van beide landen om naar een vreedzame oplossing van het conflict te zoeken”, aldus Elenora Giddings, woordvoerder van de Wereldraad van Kerken.

Oproep tot vredesonderhandelingen

Eerder al riepen kerken in Georgië en Rusland op tot wapenstilstand en vredesonderhandelingen en vroegen zij dringend om hulp. De vijandelijkheden hebben een groot aantal mensenlevens gekost. Duizenden mensen zijn op de vlucht en hebben hun bezittingen verloren.

Op 12 augustus 2008 riep de Wereldraad alle kerken op tot gebed en hulp voor hen die betrokken zijn bij het conflict. Het moderamen van de Generale Synode van de Protestantse Kerk in Nederland sloot daarbij aan met de oproep om op zondag 17 augustus jl. tijdens de erediensten in de voorbeden aandacht te schenken aan de situatie in de Kaukasus.

Bericht : Russisch orthodoxe Kerk wacht af

RUSSISCH-ORTHOXE KERK WACHT AF

BRUSSEL (KerkNet/NCR) – In tegenstelling tot de Russische regering die al snel de onafhankelijkheid van Zuid-Ossetië en Abchazië erkende, neemt de leiding van de Russisch-orthodoxe Kerk voorlopig een veel meer afwachtende houding aan. Ze is niet van plan zomaar de grenzen van de bisdommen en de kerkelijke jurisdictie aan te passen. Verantwoordelijken van de Russisch-orthodoxe Kerk verklaarden dat eventuele wijzigingen, inclusief de overdracht van de jurisdictie van de gebieden van de Georgische naar de Russisch-orthodoxe Kerk, eerst met de Georgisch-orthodoxe Kerk moeten doorgepraat worden. Ook de Russisch-orthodoxe kerkleider aartsbisschop Feofan van Noord-Ossetië, bevestigde dat hij de mening van het patriarchaat in Moskou deelt.

(Kerknet)

Mijn zoon….brieven van de Geronda Joseph de Athoniet

MIJN ZOON……

 (Uittreksel uit :’Brieven van de Geronda Joseph de Athoniet, van het monasterie van Philotheou, aan één van zijn leerlingen’

 Mijn zoon, je zal een grote weldaad bereiken, indien je mijn raadgevingen volgt, zelfs al veroorzaakt dit je pijn. Alles wat je mij beschrijft gebeurt, omdat je niet waakzaam bent in het gebed (Het gaat om het Jezusgebed :’Heer Jezus Christus, heb medelijden met mij, zondaar !). Verdubbel je inspanningen, herhaal het gebed met de lippen, totdat het verstand het in zich opneemt. Sluit geen overeenkomst met de gedachten :zij zullen je verzwakken en bezoedelen(…)

Het leven van de mens is vol verdriet omdat hij in ballingschap is op deze wereld : reken er dus niet op de volmaakte rust te vinden. Wij zullen ons kruis dragen door Christus na te volgen en wij zullen genade vinden bij de Heer door onze tegenspoed te verdragen. Waarom staat Hij toe dat wij bekoord worden ? Om de ijver en de liefde die wij voor Hem hebben  op de proef te stellen. Vandaar de noodzaak van geduld. Zonder geduld kan de mens de geboden niet onderhouden, noch de dingen van de geest leren kennen, noch de volledige volmaaktheid bereiken. Bemin Jezus, zeg zonder ophouden het gebed en het zal je weg verlichten.

Wees voorzichtig in het beoordelen van de ander, want de Heer zal je Zijn genade onthouden en je zal vallen : dus, de val zal je de nederigheid leren en je de eigen fouten doen inzien.(…)

Wanneer de mens beproefd wordt, omdat hem de genade onthouden wordt, dan wordt alles vleselijk en de ziel kent dan opnieuw een val. Het is dan dat je je bezieling moet bewaren, door met volharding, ononderbroken het gebed te bidden:’Heer, Jezus Christus, heb medelijden met mij!’, nogmaals en nogmaals, voortdurend en zonder onderbreking. Spreek tot Christus terwijl je met je geest naar Hem kijkt :’Ik dank u, mijn God, én voor het goede dat je me hebt gegeven én voor het kwade dat ik moet verduren. Ere zij U, Heer, Ere zij U !’

En in dit geduld zal je de genade en de vrede terugvinden.Maar dan, opnieuw,bekoringen en droefheid, ontreddering en zenuwachtigheid; maar ook de strijd, de zege en de dankzegging.

In dit proces, zal je je gelijdelijkaan van je passies zuiveren en geestelijk worden. Jaren gaan voorbij  en de ouderdom zal je leiden naar de onverstoorbaarheid.

 Alleen : je moet strijden ! De vooruitgang komt niet vanzelf (…) Het is in deze strijd dat je een waarachtig mens zal worden, en niet in de armen van je moeder, die zeer bezorgd is dat je niet ziek wordt. De ascese oefent je in de ontberingen. Je zal niet vooruitgaan als je een comfortabel leven gaat leiden met daarbij nog een vakantie aan zee ! Wij moeten strijden en veel afzien, dag en nacht roepen tot Christus, geduldig zijn bij elke bekoring, en elke woedeuitbarsting  en verlangen in de kiem smoren

 Het is na heel wat inspanningen dat je zal begrijpen dat gebed zonder toewijding en waakzaamheid tijdverlies is, een werk zonder beloning. Dat je aandacht wakend mag zijn voor je innerlijke en uitwendige zintuigen. Zoniet, zullen zowel het verstand als de geestelijke vermogens  verloren gaan in  nieuwsgierigheid en routine , zoals het  gebruikte water  verdwijnt in de goot. Nooit heeft iemand het gebed gevonden zonder aandacht en waakzaamheid. Nooit heeft iemand de top bereikt zonder het misprijzen van de gemakzucht.

Dikwijls moet je bidden terwijl je geest rusteloos is, in beslag genomen door herinneringen. Vandaar de noodzaak je geest te dwingen zich los te rukken uit de verstrooidheid en hem te brengen tot de woorden van het gebed.

Dikwijls  sluipt de vijand heimelijk je denken , je redeneren , je luisteren, je kijken binnen, maar je bent er zich niet van bewust. Later geef je je er rekenschap van, maar je zal er voor moeten vechten om ervan verlost te geraken. Wees vooral niet ontmoedigd in deze strijd tegen de boze geesten. Door de genade van Christus zal je overwinnen en zal je evenveel vreugde ondervinden dan  je verdriet had daarvoor.

 Meer nog, let  hiervoor op en zeg het wat mij betreft voort aan alle broeders : geef mekaar geen lofprijzingen, de lofprijzing schaadt zelfs de volmaakten – welnu, jij bent nog zonder kracht. Een heilige ontmoette eens een bezoeker die hem drie maal na mekaar gelukwenste voor de perfectie waarmee hij zijn werk had verricht. Bij de derde keer zei de Heilige tot hem : ‘Man, je bent mijn cel binnengekomen en je hebt God verjaagd !’ Begrijpt je met welke terughoudendheid de Heiligen zich gedragen ? Wees dus waakzaam voor alles. In wezen zijn het alleen de beledigingen en de spotternijen die de mens geestelijk kracht geven, want daaruit komt de nederigheid voort.

Indien men je hoogmoedig, hypocriet, ongeduldig noemt weet dan dat het moment voor geduld is aangebroken. Indien je je verdedigt, dan ben je verloren. Heb altijd de vrees voor God voor ogen. Ondersteun in uw liefde al uw broeders en zorg ervoor niemand nadeel te berokkenen of te bedroeven in wat dan ook; anders zal dit verdriet van uw broeder een hindernis zijn op het uur van gebed.

Wees veeleer een levend voorbeeld in uw woorden en daden : dan zal de goddelijke genade u altijd beschermen en helpen.

Vertaling : Kris B.

 

Maria, Moeder van onze God

http://www.dailymotion.com/swf/k2ueP3iKwbsrJJrNkO&related=1

MOEDER VAN ONZE GOD

Bogorodice Djevo,
radujsja, blagodatnaja Marije,
Gospod s Toboju!
Blagoslovena ti v ženah,
i blagosloven plod čreva tvojego.
jako Spasa rodila jesi duš naših.

Nederlandse vertaling :

 

O Maagd, Moeder van God, verheug U

O Maria, vol van genade, de Heer is met U

Gij zijt de gezegende onder de vrouwen

En gezegend is de vrucht van uw schoot

Want gij hebt doen geboren worden de verlosser van onze zielen.

 

Maagd, Moeder van God

Verheug U, Maagd, Moeder van God.

O Maria, vol van genade, de Heer is met U.

Gij zijt de gezegende onder de vrouwen,

En de vrucht van Uw Schoot is gezegend.

Want Gij hebt de Verlosser van onze zielen gebaard.

 

Iconen : Niet zomaar religieuze schilderijtjes, doopplaats van Jezus , Athosberg..

Iconen : Niet zomaar religieuze schilderijtjes

EIBERGEN/ZWILLBROCK – Het is monnikenwerk, letterlijk én figuurlijk.

Een icoon, hoe klein ook, schilder je niet zomaar tussen de bedrijven door. Er komt veel bij kijken en het doet je iets. “Het geeft je rust en je krijgt er kracht van”, ervaart Gonnie Aagten uit Ruurlo. “Het lijkt wel een soort van meditatie”, ondervindt de Haaksbergse Mariëlla van ’t Hof.

De twee vrouwen leren het schilderen van iconen van de Eibergse kunstenares Marjan Nijhuis. Die begon zich jaren geleden de bijzondere techniek eigen te maken. “Ik heb altijd al iets gehad met religieuze beelden, schilderde bijvoorbeeld heel vaak Maria. Niet omdat ik nou zo gelovig ben, maar vooral vanuit mijn gevoel. Nu ik een tijdje bezig ben met het schilderen van iconen, verdiep ik me steeds meer in de verschillende tradities en de verfijnde techniek. Hoe verder je komt, hoe mooier de symboliek is. En hoe minder je weet, zoveel is er over geschreven.”

Een icoon is een afbeelding van Christus, de Moeder Gods, van heiligen of verhalen uit de bijbel. Traditioneel wordt het maken van een icoon beschouwd als een een religieuze handeling. “Officieel begin je met een gebed, steek je een kaarsje op en luister je naar christelijke muziek terwijl je bezig bent”, weet Nijhuis. “Dat doen we niet, behalve dat we soms mooie muziek draaien. Maar er wordt hier ook altijd heel veel gelachen.”

Elk nieuw schilderij is in feite een kopie van een bestaande icoon. “Er zijn mensen die het geen kunst vinden, maar reproducties”, aldus Nijhuis. “Maar je legt wel degelijk iets van jezelf in je eigen iconen. Hoewel je volgens strenge tradities te werk gaat, is het resultaat altijd heel persoonlijk.”

Veertig iconen van de hand van Nijhuis en haar cursisten worden zondag in Zwillbrock gewijd. Nijhuis: “Zonder die wijding schilder je geen iconen, maar religieuze plaatjes.” Voor Gonnie Aagten heeft de wijding bijzondere toegevoegde waarde. “Persoonlijk heb ik het gevoel dat hij heilig wordt. Maar ik ben ook iemand die kaarsen laat wijden in de kerk.” Ook Mariëlla van ’t Hof neemt haar icoon mee naar Zwillbrock. “Ik ben protestants en ken vanuit mijn geloof de traditie niet om dingen te laten wijden. Ik denk ook niet dat ‘ie heilig verklaard wordt. Maar dat de icoon straks meer waard is dan een gewoon schilderij, daar geloof ik wel in.”

JORDANIË HOOPT OP HALF MILJOEN TOERISTEN VOOR JEZUS’ DOOPPLAATS

Bron: KerkNet

BRUSSEL (Kerknet/Cathnews/Kath.net) – Jordanië levert grote inspanningen om de doopplaats van Jezus aan de oostelijke oever van de Jordaan uit te bouwen tot een toeristische trekpleister. Samen met de traditionele en tot aan de intifada druk bezochte bedevaartplaats op de westelijke oever maakt deze site in Jordanië er aanspraak op de enige echte plaats te zijn waar Jezus werd gedoopt. De voorbije jaren bezochten jaarlijks honderdduizend pelgrims en toeristen de site. De Jordaanse overheid hoopt dat dit aantal tot een half miljoen aangroeit, zodra de kerken zijn gebouwd en monniken hun intrek namen. Nog vóór het einde van dit jaar worden een Koptische, een Armeense, een Syrische en een Ethiopisch-orthodoxe kerk ingewijd. “Er worden ook nog een Russisch gastenhuis voor pelgrims en een Grieks-orthodox klooster opgetrokken”, zegt Dia Madani, hoofd van de Jordaanse commissie die met de bouwwerken is belast. Hij maakt zich sterk dat bedevaarders massaal de weg vinden naar deze site, eens de toeristische infrastructuur is voltooid.

GRIMMIGE STRIJD OP ATHOSBERG

Volgens Oostenrijkse media, die zich baseren op de Griekse radio, is er op de Noord-Griekse berg Athos opnieuw strijd uitgebroken tussen rivaliserende orthodoxe monniken. Een radicale groep monniken dreigt het door hen bezette klooster Esfighmenou op te blazen met dynamiet, benzine en gasflessen, als de politie pogingen doet hen uit hun klooster te verdrijven. Zaterdag ontstond er al tumult toen een andere groep “legale” monniken het klooster wilden binnendringen dat door “rebellerende” kloosterlingen bezet wordt. Belangrijk strijdpunt is de dialoog met de katholieke Kerk die door monniken van Esfighmenou, een van de 20 kloosters op de monnikenberg, afgewezen wordt. Sinds 35 jaar wordt elk contact met katholieken vermeden. De groep ging zover dat ze het geestelijk hoofd van de orthodoxe Kerk, de in Istanboel levende patriarch Bartholomeus I, excommuniceerden omdat hij een dialoog met de katholieke Kerk voert. De groep zelf is ook door een excommunicatie getroffen, uitgesproken door het abtenconcilie van de 19 andere kloosters. Hoe grimmig de strijd is toont een spandoek dat uit de raam van het klooster hangt met de woorden: “Orthodoxie of dood”. (kath.net/KN)

 

 

TURKSE NATIONALISTEN VALLEN PATRIARCHAAT AAN

 

 

 

TURKSE NATIONALISTEN VALLEN PATRIARCHAAT AAN

 

 

 

Met aanklachten bij de autoriteiten proberen Turkse nationalisten te verhinderen dat de Grieks-orthodoxe synode deze week in Constantinopel bijeenkomt. De Turkse krant Hürriyet berichtte dinsdag dat de voorzitter van een nationalistische vereniging de gouverneur van Istanboel schriftelijk opgeroepen heeft de bijeenkomst op het oecumenisch patriarchaat te verbieden. Dat zou moeten omdat niet alle deelnemers aan de synode Turkse staatsburgers zijn. Daarmee handelde de orthodoxe Kerk in strijd met Turks recht, voerde de tegenstander, Tashin Salihoglu, aan. Hij deelde mee een strafrechtelijke procedure te beginnen tegen het patriarchaat als de synode niet ontbonden werd. Nationalisten probeerden in het verleden steeds weer de synode door de autoriteiten te laten verbieden. Ze beroepen zich daarbij op het vredesverdrag van Lausanne uit 1923. Daarin wordt het patriarchaat slechts als plaatselijke Kerk beschreven die geen autoriteit heeft over bisdommen buiten Turkije. In werkelijkheid staan historisch en theologisch gezien talrijke orthodoxe bisdommen uit de hele wereld onder de autoriteit van Constantinopel. Het patriarchaat verdedigde zich met een verklaring in Hürriyet. Als Turkije het patriarchaat toch al geen rechtsstatus toekent, aldus de verklaring, dan kan zij het patriarchaat ook niet voorschrijven wie het persoonlijk uitnodigt voor de synode. Voorlopig hebben de aantijgingen van de nationalisten nog geen praktische gevolgen, maar door zijn zwakke rechtsstatus kan het patriarchaat er niet zeker van zijn dat dit zo blijft. Bovendien hebben dergelijke juridische en verbale aanvallen vaak tot gevolg dat er geweld op volgt. Zo is het patriarchaat na negatieve aandacht in de media vaak doelwit van extremisten die het complex met stenen bekogelen of er protestdemonstraties organiseren. (KNA/KN)

 

 

11e zondag na Pinksteren : ‘van de vergeving’

 

 Zondag 31 augustus

 


 

11e zondag na Pinksteren

 “over de vergeving”

 

 


 

 vergeven 3

 

vergeven 7
vergeving2 

 

 

 

 

EERSTE LEZING :  

 1 Kor.9,2-12

 Ook al erkennen anderen mij niet als apostel, u zou het wel moeten doen, want u bent door uw geloof in de Heer het waarmerk van mijn apostelschap. Ziehier mijn verdediging tegen wie zich een oordeel over mijn apostelschap aanmatigen.  Hebben wij geen recht op eten en drinken?  Zouden wij niet het recht hebben een gelovige echtgenote op onze reizen mee te nemen, zoals de andere apostelen, de broers van de Heer en Kefas?  Of zouden nu uitgerekend Barnabas en ik in ons eigen levensonderhoud moeten voorzien?  Wie gaat er nu op eigen kosten in krijgsdienst? Wie plant er een wijngaard en eet niet van de vruchten? Of wie hoedt er een kudde en drinkt niet van de melk?  Dit is niet alleen een algemene waarheid, het staat ook in de wet,  want in de wet van Mozes staat: ‘U mag een dorsend rund niet muilbanden.’ Maar bekommert God zich dan om runderen?  Of zegt hij dit om ons? Om ons natuurlijk, want het is ook om ons dat er staat: ‘Een ploeger en een dorser werken beiden in de hoop op een aandeel in de oogst.’  Als wij geestelijke zaken onder u hebben gezaaid, is het dan te veel gevraagd dat we materiële zaken van u oogsten?  Als anderen hierop al aanspraak kunnen maken, kunnen wij het dan niet des te meer? We hebben echter geen gebruik gemaakt van onze rechten; integendeel, we verdragen alles, omdat we de verkondiging van het evangelie van Christus niets in de weg willen leggen. U weet toch dat wie in de tempel dienstdoen daarvan

 Evangelielezing :

 Matth. 18,23-35

 Daarom is het met het koninkrijk van de hemel als met een koning die rekenschap wilde vragen van zijn dienaren.  Toen hij daarmee begonnen was, bracht men iemand bij hem die hem tienduizend talent schuldig was.  Omdat hij niets kon terugbetalen, gaf zijn heer bevel dat de man samen met zijn vrouw en kinderen en alles wat hij bezat verkocht moest worden, zodat de schuld kon worden ingelost.  Toen wierp de dienaar zich aan de voeten van zijn heer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, ik zal u alles terugbetalen.”  Zijn heer kreeg medelijden, hij liet hem vrij en schold hem de geleende som kwijt.  Toen deze dienaar naar buiten ging, trof hij daar een van de andere dienaren, die hem honderd denarie schuldig was. Hij nam hem in een wurggreep en beet hem toe: “Betaal me alles wat je me schuldig bent!”  Toen wierp deze zich voor hem neer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, ik zal je betalen.”  Maar hij wilde daar niet van weten, integendeel, hij liet hem gevangenzetten tot hij de hele schuld zou hebben afbetaald.  Toen de andere dienaren begrepen wat er gebeurd was, waren ze zeer ontdaan, en gingen ze naar hun heer om hem alles te vertellen.  Daarop liet zijn heer hem bij zich roepen en hij zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar. Heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je me erom smeekte.  Dan had jij toch zeker ook medelijden moeten hebben met die andere dienaar, zoals ik medelijden heb gehad met jou?”  En zijn heer was zo kwaad dat hij hem in handen van de gerechtsbeulen gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald.  Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.’

vergeving

 

Betancourt: ‘Jezus leerde me vergeven’

DO 10 jul 2008 | 13.27
Ingrid Betancourt getuigt in een openhartig interview met de Franse katholieke krant La Croix over haar geloof, vergeving en haar innerlijke worsteling tijdens haar zesjarige gevangenschap als gijzelaar van het Colombiaanse rebellenleger FARC. “Het enige antwoord op geweld is een antwoord van liefde”, zei Ingrid Betancourt gisteren in hotel Meurice in Parijs. De Frans-Colombiaanse politica, die begin juli werd bevrijd, zegt erg haar best te doen om de gijzelnemers te vergeven.

“Ik herinner me heel goed deze commandant. Ik zie hem voor me. Hij was zo wreed geweest, zo gruwelijk. Toen hij voor me ging zitten, kon ik toch voor hem glimlachen”, zegt Betancourt. “Het is erg moeilijk om van je vijand te houden. Je kan niet van iemand houden die je zoveel pijn doet. Maar ik vond in Christus een soort springplank. Ik zei: ‘Ik haat hem maar voor jou [Christus] stop ik met te zeggen dat ik hem haat’. En het feit dat ik het woord haat niet in mijn mond nam gaf mij rust.”

“Maria is me daarbij tot grote steun geweest”, aldus Betancourt. “Dat was fundamenteel voor mij, omdat in een ambiance van spirituele eenzaamheid waarin alles om mij heen vijandig en agressief was ik heb moeten leren niet te reageren op de wijze van toen ik vrij was en werd omringd door mensen die van me hielden: leren zwijgen, leren het hoofd te buigen. Soms was de enige persoon met wie ik kon praten, en dat geheel inwendig, de Maagd. Daarom, bravo Maria. Zij heeft enorm gesteund.”

Bron: KN

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++

De Orthodoxe kerk in Europa

DE ORTHODOXE KERK IN EUROPA

UITDAGINGEN EN VERLANGEN NAAR EENHEID

 Tekst van een uiteenzetting door Christos Yannaras, naar aanleiding van de 40e verjaardag van het interepiscopaal orthodox Comité in Frankrijk, de 17e november laatstleden gehouden te Parijs.

Christis Yannares  is een alom bekend filosoof en theoloog in het Westen. Hij is professor emeritus van het instituut voor politieke wetenschappen te Athene en lid van de internationale Academie voor religieuze wetenschappen. Hij heeft in de loop van de laatste veertig jaar veel bijgedragen tot de vernieuwing van de orthodoxe theologie, vooral door zijn boeken die in verschillende talen werden vertaald, waaronder het frans : ‘De l’absence et de l’inconnaissance de Dieu d’aptès les écrits aréopagitiques et Martin Heidegger’ (Cerf,1971), ‘La liberté de la morale’ (Labor et fides, 1983, collection “Perspective orthodoxe”), ‘La foi vivante de l’Eglise. Introduction à la théologie orthodoxe’(Cerf , 1989), ‘Vérité et unité de l’Eglise’ (Axios,1990).

De éénheid van de Kerk is geen organisatorisch probleem. Wij spreken van éénheid om de nieuwe wijze van bestaan aan te duiden die de Kerk verkondigt, een wijze die zich realiseert en openbaart in elke locale eucharistische gemeenschap.

Alvorens te worden uitgedrukt als “evangelie”, blijde verkondiging, is het getuigenis van de Kerk een concreet gegeven : de beleving van een maaltijd waar de realisatie ervan de kerkelijke gemeenschap vormt. Deze maaltijd getuigt en openbaart een nieuwe wijze om het voedsel te ontvangen, ’t is te zeggen, om ons leven te verwezenlijken : ons leven verwezenlijken als relatie, als  bestaan, niet als individu die zich voedt en handelt om zich staande te houden en te overleven, om voort te bestaan, om te overleven, maar een bestaan als persoon die existeert als ‘communio’ in liefde, die existeert omdat hij bemint en aangezien hij bemint.

 “DE KERK IS GEEN RELIGIE”

De Kerk is geen religie. De religie is een individualistische noodzaak, egocentrisch. De Kerk is een bestaan als communio. De religie is individualistisch, omdat zij de vrucht is van een  instinctieve impuls, van een natuurlijke noodzaak die elk menselijk individu domineert. Noodzaak om de angst voor de dood te neutraliseren,angst ook voor het onbekende transcendente . Noodzaak om het individu te versterken met ‘geopenbaarde’ zekerheden, met juridische garanties voor de individuele onsterfelijkheid.

De Kerk heeft haar naam ontleend aan de‘ekklèsia’ (van ‘dèmos’), van de griekse stad, van de vergadering van burgers.  De burgers kwamen bijeen in de ‘ekklèsia’, vooral om datgene wat gebeurde in de stad verder te realiseren en te ontwikkelen, dit wil zeggen : een andere wijze van co-existentie (samenleven) te realiseren. De ‘stad’ was voor de oude grieken  geen samenleven dat op het ‘nut’ gericht was (‘koinônia tès chreias’), het was veeleer een gemeenschappelijke strijd opdat het leven ‘in waarheid’ een ‘waarachtig’, een reëel  leven zou zijn. De ‘ekklèsia’ van de burgers was bij uitstek de uitdrukkingswijze om een politiek van waarheid te realiseren.

De waarheid betekende voor de grieken de realiteit van het zijn (‘ontôs on’).  Zij erkenden hun eeuwige oordeel en gelijk van het waarachtig zijn uit ervaring, als iets onaantastbaar, onveranderlijk, die de ‘zijnden’ vormt en de  betrekkingen  tussen de ‘zijnden’ , de logische relaties, van harmonie en schoonheid, die het universum tot ‘cosmos’ omvormden : een waarachtig sieraad.  De ‘stad’, de ‘polis’ en het politieke leven waren de plaats van de vrijwillige strijd van alle burgers om de collectiviteit te bepalen volgens de logica (de modus) van het reële zijn, van de wijze (modus) van de waarheid, de logica van de harmonische relaties en van de schoonheid.

 De communio van de Personen van de Drieene Godals wijze van bestaan.

Zelfs voor christenen, verwijst de waarheid niet naar ‘bruikbare informaties’, maar naar de wijze van bestaan van het reële zijn. Maar het reële zijn is volgens de kerkelijke ervaring niet de rationaliteit a priori en de ondoorgrondelijkheid van de cosmische orde. Het reële zijn, het ware bestaan die de beperkingen van de tijd, de ruimte, de vergankelijkheid en de dood niet kent, is de communio van Personen, van het oorzakelijk trinitaire principe van het levend wezen. De wijze van bestaan van de trinitaire God, is de wijze van vrijheid met betrekking tot elke noodzakelijkheid en elke voorbeschikking, het is de onbegrensde vrijheid van de liefde. De God van christenen is liefde.

De liefde heeft zich geopenbaard in de Kerk vanaf het allereerste moment van haar historische aanwezigheid als onbegrensde vrijheid, door middel van drie woorden die het oorzakelijke trinitaire principe definiëren : de woorden Vader, Zoon Geest. Vrij van elke noodzakelijkheid en van elke voorbestemming van haar onuitsprekelijk bestaan. God de Vader bestaat omdat Hij wil bestaan en Zijn vrije wil ‘hypostaseert’ (tot hypostase maken’) Zijn zijn door Zijn Zoon te doen ‘geboren’ worden en door de ‘voortkomst’ van de Heilige Geest : Vader, Zoon, Geest zijn woorden uit de menselijke taal die echter niet de betekenis hebben van individuele existenties (zoals gewoonlijk de namen van individuen: Peter, Paul, Jan enz…), maar het zijn hypostatische eenheden die bestaan in ‘relatie’, bestaanswijzen die uit zichzelf ontstaan. Zij ontstaan de één uit de andere, met de band van de liefde. Het kerkelijk leven beoogt deze wijze van trinitair leven te bereiken, een wijze om lief te hebben, een wijze om waarachtig te existeren.  De Kerk wil ‘deze éénheid die de Heilige Geest als meester heeft’ realiseren, zoals de heilige Isaac de Syriër het zegt. Wij verstaan deze éénheid vooral als communio aan dezelfde kelk, als het zoeken naar een leven als communio van liefde, een communio en zoeken die het lichaam van elke locale eucharistische gemeenschap vormt. En de kerkelijke ervaring getuigt van deze éénheid als wijze van bestaan, ze vormt tegelijk één enkel en uniek lichaam van alle afzonderlijke locale kerken samen, zij vormt ook de Kerk als universele realiteit.

Eucharistie en éénheid van de KerkDe &eac
ute;énheid van het universele lichaam van de Kerk wordt ook gerealiseerd door een gemeenschappelijke deelname van alle christenen aan dezelfde eucharistische kelk, ’t is te zeggen, aan dezelfde wijze van bestaan. De uiting van deze ware éénheid realiseert zich in een concrete institutie : de bisschoppensynode.

De bisschoppensynode heeft niets te zien met een vergadering van directeurs van een onderneming of van een maatschappij. Ten eerste, omdat de bisschop niet de leider of de bestuurder is van een eucharistische gemeenschap, maar haar vader en dienaar.Verder, omdat de synode een verlengstuk is van het eucharistisch sacrament, een verlengstuk van de eucharistische wijze van bestaan.

Elke bisschop die zich in de schoot van een bisschoppensynode uitdrukt, spreekt niet om zijn eigen gedachten uit te drukken, zijn eigen opinies en zijn bevindingen, zijn persoonlijke wijsheid, zijn theologische bekwaamheid, zijn godsvrucht en zijn deugden. Neen ! De bisschop spreekt op de synode als getuige van de eucharistische gemeenschap, in dienst van hen die onder zijn gezag staan. Hij drukt enkel zijn ervaring uit van de strijd welke zijn gemeenschap heeft met betrekking tot de wijze van eucharistische bestaan.

Vanuit het gegeven, dat de deelneming aan de eucharistische kelk de realisatie is van een verandering in onze manier van bestaan, zo is het ook met betrekking tot de deelname van de bisschoppen aan een synode. Het is de realisatie en de manifestatie van de wijze(manier) die het bestaan bevrijdt van de tijd, de ruimte, van het verval en de dood, van de wijze waarop de existentiële realiteit van de Kerk overal ter wereld wordt bepaald. En zoals het ondenkbaar is dat aan de eucharistische maaltijd, Grieken, Russen of Fransen elk  aan verschillende spijzen communiceren, en niet aan hetzelfde brood en wijn van de gemeenschappelijke tafel, zo is het ook ondenkbaar dat elke bisschop naar voor komt met zijn eigen belangen, individuele of nationale.  Dat wat de eucharistie en de bisschoppelijke synode gemeenschappelijk hebben, is de mogelijkheid te bieden om onze manier van bestaan te veranderen, om de hoop uit te drukken van een overwinning op de dood. Een vervalsing van deze hoop is een zware verantwoordelijkheid.

“Een dienst ten gunste van de realisatie van het ware leven”

Wanneer de bisschoppen van de verschillende locale kerken tezamen de eucharistie celebreren, is er altijd maar één die in de celebratie ‘voorgaat’ naar het beeld van de monarchie van de vader , die de vorm is van de trinitaire éénheid. Zo gaat het ook bij een synode : er is altijd slechts één bisschop die voorgaat, nooit meerdere, nooit beurtelings. Voorgaan op de synode is geen macht, het is een dienst ten gunste van het realiseren van het ware leven.

Hoe stelt men vast wie er in elke synode van bisschoppen moet voorgaan ? De kerkelijke ervaring van de vijftien eerste eeuwen heeft bijgedragen om het metropolitaans systeem tot stand te brengen : bij elke regionale synode gaat de bisschop van de grootste stad van de regio voor, van de moeder-stad (in het grieks : ‘metropolis’). Hij was de verantwoordelijke voor het bisdom met de meeste inwoners, hij had bijgevolg de bekwaamheden om een antwoord te bieden op de grootste verantwoordelijkheden, en bijgevolg ook de ervaring om de meest complexe problemen het hoofd te bieden.

Op de synode van bisschoppen van een ganse provincie in het verenigd romeinse Rijk van die tijd, ging de bisschop van de belangrijkste stad voor : Rome in het Westen, het Nieuwe Rome – Constantinopel in het Oosten, Alexandrië in Egypte, Antiochië in het Midden-Oosten. Aan deze vier bisschoppen van de grootste administratieve centra van het Keizerrijk, die patriarchen genoemd werden, heeft men als bewijs van eer, de bisschop van Jeruzalem toegevoegd.

Het criterium om deze vijf patriarchen aan te duiden, – zij vormden de pentarchie,  en drukten de zichtbare éénheid van de Kerk  uit –  was niet enkel de bekwaamheid om het voorzitterschap van de synode, als eucharistische dienst, waar te nemen. Het criterium was eveneens gebaseerd op de realiteit dat deze steden werden erkend als de grootste centra van het kerkelijk leven, van de theologische studie, van het liturgisch leven, van de christelijke kunst. Wij merken tot op onze dagen de vruchtbare theologische arbeid van de ‘school’ van Alexandrië, evenals de bijdrage van de Antiocheense ‘school’, alhoewel zeer verschillend van de vorige. Op het vlak van de christelijke kunst kennen wij de hoogtepunten die bereikt werden door de ‘school’ van Constantinopel alsook de inbreng van de traditie van Jeruzalem voor wat betreft de vorming van de kerkelijke cyclus.

Orthodoxie of ‘nationale religie’

De eenheid van de universele Kerk is tenietgedaan toen het nationalisme is komen opdagen als een politieke band van samenhang der volkeren. In een eerste etappe, is de ambitie van een natie om een rijk te vormen gepaard gegaan met de aanspraak om haar nationale Kerk de rang van patriarchaat te geven. De studie van deze band tussen de idee van het Rijk en het verlangen om een nationaal patriarchaat in te stellen was werkelijk fascinerend, men hoeft slechts de voorbeelden te nemen zoals deze van Karel de Grote (9e eeuw), van de tsaar der Bulgaren Symeon (10e eeuw), van de koning van Servië Etienne Dusan (14e eeuw, van de russische tsaar Ivan III (15e eeuw). In een tweede etappe, in de 19e eeuw,is de verbrokkeling van de kerkelijke éénheid volgens ethnische criterea  op een medogenloze wijze doorgevoerd. De één na de andere orthodoxe volkeren hebben zich bevrijd van het ottomaanse juk en zij hebben Staten gecreëerd  die het karakteristieke van de moderne westerse staten van die tijd kopieerden .( dit van de “Staat-natie”), wat hen ook ertoe bracht om de kerkelijke onafhankelijkheid te eisen. Zij hebben dus gekozen om het systeem van de patriarchale pentarchie te verlaten, en , in de meeste gevallen, om op hun beurt erkend te worden als een ‘patriarchaat’, aldus gaven zij hun status van locale Kerk op en werden zij ‘een Staatsreligie’.

Er was reeds een precedent op het einde van de 16e eeuw, met de aanneming van de titel van patriarch door de metropoliet van Moscou in 1589, en die samenviel met de opkomende ambitie van Moscou om erkend te worden als het ‘Derde Rome’.  Later, in de 19e eeuw was er de oprichting van het nieuwe Koninkrijk der Grieken, in het zuiden van de Balkan , een Staat die 4/5e van de griekse bevolking buiten haar grenzen had en waarvan de Kerk die afgescheiden was van het oecumenisch patriarchaat  zich proclameerde tot ‘autocefale Kerk’. Vervolgens kwam er in 1879 de autocefalie  van de servische Kerk, en de toekenning van de titel van patriarchaat aan deze nationale Kerk in 1920. Vanaf 1855 heeft ook de Roemeense Kerk haar autofalie afgekondigd en werd op haar beurt in 1925 een patriarchaat. In 1937 werd de Kerk van Al
banië erkend als autocefaal, en in 1945 de Kerk van Bulgarije, die in 1953 ook een patriarchaat werd.

Daarom is de orthodoxie, die vroeger synoniem was van kerkelijke katholiciteit, geworden  tot een nationale religie (en dit tot op de dag van vandaag), ze is een autonome ideologische entiteit geworden in al die landen die ‘historisch als Orthodox’ worden bestempeld. Zo wordt de Orthodoxie geïdentificeerd met alle bijzondere kenmerken van elk van deze naties, met hun riskante politieke avonturen en de ambities van elk van deze kerken. Zij is een aanvullend element geworden van de heersende Staatsideologie. De term “patriarchaat” heeft vandaag de dag geen enkele kerkelijke betekenis meer, zij heeft geen enkel verband meer met de betekenis die ze had in het synodale kader van de pentarchie. Het verwijst alleen nog maar naar administratieve instellingen, die min of meer geseculariseerd zijn.

“De éénheid van de Kerk is een wijze van bestaanen niet een wijze van administratief organiseren”

Vandaag de dag begrijpt niemand meer wat de belijdenis van het geloof,namelijk dat de éénheid van de Kerk een wijze van bestaan is en niet een wijze van administratief organiseren,waarom de eenheid het geïncarneerde Evangelie van de overwinning op de dood is en geen ideologische en eenvormig disciplinaire organisatie die het Vaticaans  model zou willen kopiëren. Wij constateren voortdurend, dat zowel priesters als theologen van onze nationale orthodoxe kerken een verbazingwekkende ecclesiologie ontwikkelen die slechts een onrealiseerbare utopie is. Wij beleven werkelijk een tragedie.

Deze tragedie bereikt haar hoogtepunt buiten de zogenaamde ‘orthodoxe ‘ landen, in de orthodoxe ‘diaspora’. Niemand zal de noodzaak afwijzen om in dezelfde stad orthodoxe parochies te hebben van verschillende talen. Maar het feit van verschillende bisschoppen te hebben voor elke taal, ’t is te zeggen, voor elke verschillende nationaliteit in dezelfde stad, vormt een negatie van wat de Kerk is. Hoe kunnen wij ons ‘broeders’ en ‘zusters’ noemen als we elk een verschillende vader hebben ?

Het probleem kan niet opgelost worden door een beroep te doen op goede gevoelens, of door morele aansporingen. Het nationalisme is noch een dwaling van de geest, noch een fout met betrekking tot de regels van de christelijke moraal. Het is de negatie zelf van de waarheid van de Kerk, van de “religiosering” van het kerkelijk gebeuren.

“Een engagement van alle orthodoxe in Frankrijk”(Geldt ook voor België)

 

Bij deze herdenking van de 40e verjaardag van de stichting van het interepiscopale Comité in Frankrijk, brengen wij hulde aan de pioniers van deze beweging, opdat de éénheid van de Kerk als geïncarneerd Evangelie niet in de vergetelheid geraakt. Deze verjaardag zal een daadwerkelijk feest worden, een bron van vreugde, indien het echt het begin betekent van een engagement van alle orthodoxen van Frankrijk en hun bisschoppen, en dit met een dubbel objectief :

– Vooreerst, dat de Vergadering van bisschoppen die het interepiscopaal Comité heeft opgevolgd haar waarachtige kerkelijke naam aanneemt, deze van een locale synode,die fungeert als een synode en met een voorzitter van de synode;

– En vervolgens dat allen zich ertoe zouden engageren, dat de vertegenwoordiging van de orthodoxen bij de autoriteiten en bij de Europese instellingen te Brussel, één en enig zou zijn. Alleen zo kan de uitdrukking en het symbool van onze kerkelijke eenheid gestalte krijgen en niet het beeld van een verdeelde vertegenwoordiging zoals dat vandaag is, in kleine nationale groepjes, wat ronduit belachelijk is.

Uit SOP 323/December 2007

Vertaling : Kris B.

 

 

           

Crisis in Servisch orthodoxe Kerk over Kosovo

 

Crisis in Servisch-Orthodoxe Kerk over Kosovo


De leiding van de Servisch-Orthodoxe Kerk verkeert in een crisis door een open machtsstrijd over de vroegere Servische provincie Kosovo. Bisschop Artemije, die binnen de Kerk verantwoordelijk is voor Kosovo, spreekt van een “open rebellie” tegen hem. Gisteren zette hij zijn plaatsvervanger, bisschop Teodosije, af, omdat die te zeer uit zou zijn op een compromis met de Albanese meerderheid in Kosovo en de westerse landen.

De heilige synode, het hoogste orgaan binnen de Servisch-Orthodoxe Kerk, heeft beide bisschoppen voor een speciale zitting naar Belgrado geroepen. Die bijeenkomst vindt dinsdag plaats.

Bisschop Artemije wijst al jaren elke overeenkomst met de Albanese regering van Kosovo over de heropbouw van het middeleeuwse Decani klooster af omdat hij Kosovo als Servisch gebied beschouwt en de Albanese meerderheid niet erkent. Ook een samenwerking met UNESCO, dat werklui en geld ter beschikking stelt voor het klooster, wijst hij af.

De leiding van de Servisch-Orthodoxe Kerk heeft Artemije twee jaar geleden al gevraagd wat in te binden, maar de bisschop beschouwde die vraag als inmenging in zijn bevoegdheid.

bron: hln