10e zondag na Pinksteren : genezing van de maanzieke

10e zondag na Pinksteren

 

‘Genezing van de maanzieke’

 

maanzieke

 

LEZINGEN :

 

Epistel : 1 Kor 4,9-16

 

Want* ons, apostelen, heeft God volgens mij de minste plaats toegewezen, die van ter dood veroordeelden. Wij zijn een schouwspel geworden voor heel de wereld, voor engelen en voor mensen: wij zijn dwaas ter wille van Christus, en u bent zo verstandig in Christus! Wij zijn zwak, u bent sterk; u geëerd, wij geminacht. Tot nu toe lijden wij honger en dorst. Wij zijn naakt en krijgen slaag, wij zijn dakloos en matten ons af om met eigen handen de kost te verdienen. Worden wij uitgescholden, dan zegenen wij; worden wij vervolgd, dan verdragen wij het; op smaad antwoorden wij minzaam. Wij worden nog steeds behandeld als het schuim der aarde, als het uitvaagsel van de maatschappij.
     Niet om u beschaamd te maken schrijf ik dit, maar om u te vermanen als mijn dierbare kinderen.
Misschien hebt u in Christus duizend opvoeders, maar veel vaders hebt u niet. Ik ben het die u door het evangelie in Christus Jezus heb verwekt..Ik mag u dus aansporen: neem een voorbeeld aan mij.

 

EVANGELIE : Mattheüs 14,22-34

 

Tegenwind op het meer
    Meteen hierna dwong Hij de leerlingen om aan boord te gaan en alvast voor Hem uit over te steken; dan zou Hij intussen de mensen wegsturen.Toen Hij de mensen had weggestuurd, ging Hij de berg op om te bidden, Hij alleen. Toen het avond geworden was, was Hij daar nog alleen. Toen de boot al veel stadiën uit de kust was, had die het zwaar te verduren van de golven, omdat de wind tegenzat. Op het einde van de nacht ging Hij lopend over het meer naar hen toe. Toen de leerlingen Hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. ‘Een spook!’, riepen ze, en ze schreeuwden van angst. Meteen zei Jezus: ‘Rustig maar, Ik ben het. Wees niet bang.’ Petrus gaf Hem ten antwoord: ‘Heer, als U het bent, laat me dan over het water naar U toekomen.’ Hij zei: ‘Kom.’ En Petrus stapte overboord, liep over het water en kwam naar Jezus toe. Toen hij lette op de kracht van de wind, werd hij bang, en toen hij begon te zinken, schreeuwde hij: ‘Heer, red me.’Meteen stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast. Hij zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’ Toen ze in de boot gestapt waren, ging de wind liggen.De mensen in de boot vielen voor Hem op de knieën en zeiden: ‘Werkelijk, U bent de Zoon van God.’ Ze staken over en kwamen aan land in Gennesaret.

 

 

Caesareus van Arles : Komt gezegenden van de Vader…

H. Caesareus van Arles (470-543), monnik en bisschop
Sermon 25

 

Caesareus van Arles

 

“Komt, gezegenden van mijn Vader; neemt bezit van het rijk, dat voor u is bereid van de grondvesting der wereld af.”

      Als we goed opletten, broeders en zusters, dan kunnen we profiteren van het feit dat Christus honger heeft .. Kijk: een muntstuk aan de ene kant, het Koninkrijk aan de andere. Welke vergelijkingen zijn er? Je geeft een muntstuk aan een arme en van Christus ontvang je het Koninkrijk; je geeft een stuk brood en van Christus ontvang je het eeuwige leven; je geeft een kledingstuk en van Christus ontvang je de vergeving van je zonden.

      Laten we de armen dus niet minachten, maar laten we ze liever bij ons wensen en laten we ons haasten om bij hen te komen, omdat de ellende van de armen het geneesmiddel van de rijken is, zoals de Heer heeft gezegd: “Doch geeft liever de inhoud als aalmoes en zie, alles in u is rein.”  En “Verkoop je bezittingen en geef aalmoezen” (Lc 11,41;12,33). En de heilige Geest roept door de profeet: “Water blust een laaiend vuur, mededogen neemt je zonden weg”  (Sir 3,30)… Laten we dus barmhartig zijn, broeders en zusters en met de hulp van Christus, houden we de verbinding met zijn belofte vast; vooral die die ik u heb herinnerd, toen Hij zei: “Geef en u zal gegeven worden” (Lc 6,38) en ook: “Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden” (Mt 5,7).

      Dat iedereen naar zijn bezit moeite doet om niet met lege handen naar de kerk te komen: degene die verlangt te ontvangen, moet iets geven. Dat degene die het zich kan permitteren, de arme met een nieuw kledingstuk bedekt; dat degene die dat niet kan tenminste een oud kledingstuk geeft. Wat degene betreft die zich daarvoor niet voldoende rijk acht, dat hij een stuk brood geeft, dat hij een reiziger ontvangt, dat hij een bed klaarmaakt, dat hij hem de voeten wast; om te verdienen dat Christus tegen hem zegt: “Komt gezegenden van mijn Vader, neem bezit van het Koninkrijk; want ik had honger en u hebt me te eten gegeven; ik was een vreemdeling en u hebt me ontvangen.” Niemand zal zich kunnen verontschuldigen dat hij geen aalmoes geeft, wanneer Christus heeft beloofd om een beloning te geven in ruil voor een glas water (Mt 10,42).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Eusebius van Caesaria : Het martelaarschap van de apostel Jacobus

Eusebius van Cesarea (rond 265-340), bisschop, theoloog en historicus.
Kerkelijke geschiedenis, II, 3, 9

 

eusebius van Caesarea2 (260 x 357)

 

Het martelaarschap van de apostel Jacobus

      Het was ongetwijfeld dankzij de genade van kracht en hulp uit de hemel dat de leer van het heil als een zonnestraal plotseling de gehele aarde verlichtte. Volgens de goddelijke Schrift weerklonken immers de stemmen van de goddelijke Evangelisten en Apostelen over de gehele aarde; hun woorden bereikten de uiteinden van het universum. En in elke stad, in elk dorp, als in de open lucht vormden zich massaal sterke Kerken met duizenden mensen, gevuld met gelovigen…

      Maar onder de regering van keizer Claudius, begon koning Herodes met het slecht behandelen van enkele leden van de Kerk; zo liet hij Jacobus, de broer van Johannes omkomen door het zwaard (Hand 2,2). Clemens vertelt het volgende verhaal over Jacobus, welke waard is om herinnerd te worden: degene die hem had meegenomen naar de rechtbank was geraakt toen hij zag hoe Jacobus getuigenis aflegde, en hij beleed openlijk dat hij ook christen was. Beiden werden meegenomen naar terechtstelling; en onderweg vroeg hij aan Jacobus om hem te vergeven. Jacobus dacht een ogenblik na en omhelsde hem vervolgens en zei: “De vrede zij met u!” En beiden werden tegelijkertijd onthoofd

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Zizioulas Jean : Wij moeten door onze daden bewijzen dat wij een onverdeelde Kerk zijn

‘Wij moeten door onze daden bewijzen dat wij een onverdeelde Kerk zijn’

 

Metropoliet Jean (Zizioulas)

 

In een toespraak die gehouden is naar aanleiding van de werkzaamheden van de 4e panorthodoxe conferentie, op 8 juni jongstleden, in het patriarchale centrum, nabij Genève, heeft metropoliet Jean van Pergamos, die deze vergadering voorzat, het accent gelegd op de essentiële uitdagingen die zich stellen aan de verantwoordelijken van de ganse territoriale orthodoxe Kerk die op deze vergadering aanwezig waren,  te weten het opnieuw opstarten van het voorbereidend panorthodox préconciliair proces,en dit na 15 jaar van immobilisme.

Men wil er de voorstellen laten aannemen in het vooruitzicht om de hachelijke vraagstukken vande canonische organisatie van de orthodoxe gemeenschappen te regelen.

 

Bisschop Jean Zizioulas is titulair bisschop van Pergamo. Hij is één van de beste specialisten van de Kerkleer ( ecclesiologie). Hij is gediplomeerde van de universiteit van Harvard, doctor in de Theologie van de universiteit van Athene en doctor honoris causa van de orthodoxe faculteit voor theologie van Belgrado, van het instituut Saint Serge en het ‘ institut Catholique’ van Parijs. Verder is hij professor emeritus van de theologische faculteit van Thessaloniki en van het Kings College in Londen en lid van de Academie van Athene. Hij is verder  co-president van de internationale gemengde commisie voor de theologische dialoog tussen de katholieke Kerk en de orthodoxe Kerk. Veel werken staan op zijn naam, vooral op het domein van de ecclesiologie, vele daarvan zijn in het Frans verschenen. L’être ecclesial (Labor et fidens,1881) en L’Eucharistie, l’évêque et l’Eglise durant les trois premiers siècles (Desclée de Brouwer,1994)

 

(…) Door de welwillendheid en de genade van de drie-ene God heeft onze vergadering plaats gedurende de celebratie van het Pinksterfeest, de komst van de Heilige Geest. Dit om aan te duiden dat het mandaad dat ons gegeven is door onze heilige Orthodoxe Kerk, heilig is, en dat dat ze een bevel vormt van de Heilige Geest zelf (…) In de loop van onze huidige bijeenkomst worden wij opgeroepen, ondanks onze nederige wijze van bestaan, om instrumenten te worden van de Parakleet (Joh 14,15-17,6; 15,26; 16,7 ; 1 Joh.2,1). Op dezelfde wijze, door te gehoorzamen aan Hem die ‘elk Kerkgebouw overeind houdt’, om op onze wijze bij te dragen om de eenheid van de Kerk  te versterken en te verdiepen ten voordele van de eenheid van de Kerk ‘één, heilige en apostolisch’. God heeft ons door Zijn barhartigheid ons waardig bevonden hieraan deel te nemen. Alhoewel deze eenheid ons door de genade van God is gegeven, toch moeten wij er altijd om bezorgd zijn en ze ontwikkelen, want onze vijand de duivel (1 Petrus 5,8), houdt niet op om onenigheid te zaaien en  de eenheid ernstig en te bedreigen, nu eens met succes, dan weer ernstig en gevaarlijk. De verantwoordelijkheid die op ons rust, vooral bij diegenen onder ons aan wie het bisschopsambt werd toevertrouwd, bestaat erin deze eenheid te beschermen en te versterken met alle middelen.

 

‘De autocephalie mag niet verworden tot een autocephalisme’

 

Dit blijkt niet noodzakelijk het geval te zijn voor alle orthodoxen, gegeven het feit, dat , eerder gezien wordt als een totaliteit van kerken, veeleer dan één Kerk. Zeker, het is waar dat de orthodoxe ecclesiologie de eenheid van de kerk ziet als een eenheid van autocephale Kerken. Maar in geen enkel geval mag deze interpretatie niet het idee suggereren dat wij bestaan uit ‘Kerken’ en niet uit één ‘Kerk’. Er is slechts één enkele en enige orthodoxe Kerk, en dit manifesteert zich zowel op het vlak van het geloof en de liturgie als op het vlazk van haar canonische structuur. Zoals de oecumenische patriarch Bartholomeüs het heeft onderlijnd van zijn toespraak tot de primaten van de orthodoxe Kerken, tijdens de synaxe die gehouden werd in oktober laatst in de phanar. Het hoort niet dat de autocephalie verwordt tot een ‘autocephalisme’.  Het is dus van belang dat, zowel in hun wederzijdse relaties als in hun contacten met hen die buiten de orthodoxe Kerk staan, de autocephale Kerken handelen als één lichaam, als één enkele en enige Kerk.

 

Het is juist in deze Geest dat alle Orthodoxe Kerken hebben beslist, op die manier handelend als één onverdeelde Kerk, om het groot en heilige concilie van de orthodoxe Kerk te celebreren. Want  overeenkomstig  met de seculaire traditie van de Kerk, die teruggaat op de eerste apostolische gemeenschappen en waarvan de handelingen der Apostelen getuigen (Hand.15), vormt het conciliaire systeem de meest authentieke wijze  om de eenheid van de Kerk te bevestigen, te garanderen en af te kondigen. In dit opzicht kan onze heilige Kerk niets anders reageren dan te handelen conform  met de traditie en met de eccesiologie die deze traditie dicteert .

 

Nochtans laat de bijeenkomst van dit concilie lang op zich wachten zodat dit aanstoot neemt bij hen die ons geloof delen en dikwijls zelfs spot bij hen “van buiten” die zich afvragen : als de orthodoxe Kerk daadwerkelijk één is en of ze werkelijk in staat is het aangekondigd concilie kan bijeenbrengen. De verantwoordelijkheid van onze Kerken hierin is enorm. Het volstaat niet van te zeggen dat wij één zijn in het geloof en de liturgie : wij moeten door onze daden bewijzen dat wij een Kerk zijn die één en onverdeeld is, en die in staat is zo een concilie bijeen te brengen. Wij kunnen de bijeenroeping van het heilig en groot concilie van de orthodoxe Kerk niet meer uistellen, die trouwens al sedert lang is aangekondigd, zonder dat dit een fatale klap toebrengt aan de authoriteit en de geloofwaardigheid van onze Kerk (…).

 

De  “disapora”, een canonisch en ecclesiologisch probleem.

 

Wij weten allen dat het vraagstuk van wat we gewoonlijk de “orthodoxe diaspora “ noemen één van de grootste problemen vormt waarmee de orthodoxe Ker in onze tijd  wordt geconfronteerd (…) Men kan moeilijk het feit ontkennen dat de wijze van organiseren van de orthodoxe diaspora enorm lijdt op het canonische en ecclesiologische vlak. Zoals we allen weten bepaalt de 8e canon van het 1e Oecumenisch concilie heel duidelijk dat er maar één bisschop mag zijn in dezelfde stad. Deze canon is fundamenteel, want hij drukt duidelijk de orthodoxe ecclesiologie aan. Conform aan dit fundamenteel ecclesiologisch princiep, die bewaarheid werd in het tijdperk van Ignatius van Antiochië (einde van het 1e en begin van de 2e eeuw), en absoluut gerespecteerd door de oude onverdeelde Kerk, verenigt de bisschop gans de locale Kerk in zijn persoon als hoofd van de locale Kerk, zonder fysische, raciale, nationale, sociale of andere discriminaties. In de persoon van de bisschop worden alle verschillen getranscendeerd naar het voorbeeld van Christus  van wie de bisschop het symbool is, en die “er is geen Griek en Jood, besnedene en onbesnedene, barbaar, scythe, slaaf maar de vrije mens” (Kol.3,11). In de oude Kerk zou het ondenkbaar geweest zijn dat er in dezelfde stad een bisschop zou geweest zijn voor de Grieken en een ander voor de Syriërs of de Latijnen, of voor nog andere vertegenwoordigers van elke andere culturele of etnische identiteit.

 

De orthodoxe Kerk heeft altijd met eerbied dit principe gerespecteerd tot in de 20e eeuw ongeveer. Geleidelijk aan ontstonden, niet zonder aarzeling in het begin, parallelle jurisdicties in de “diaspora”. Het gaat hier dus om een historisch fenomeen, relatief recent die een ecclesiologisch principe , dat fundamenteel werd uitgedrukt in de canon van bovenvermeld 1e Oecumenisch cioncilie, schendt Op het moment dat dit fenomeen naar voren kwam, heeft het oecumenisch patriarchaat gereageerd door te verwijzen naar de 28e canon van het 4e oecumenisch concilie dat bepaalt dat in de diocesen “bezet door de barbaren”, ’t is te zeggen die zich situeerden buiten de geografische van elke autocephale Kerk, zouden worden gewijd door de primaat van Constantinopel. Sommige orthodoxen hebben echter deze interpretatie van de 28e canon gecontesteerd, wat als resultaat had dat dit niet werd gerespecteerd door een deel van hen. Het is hier niet het moment om over deze vraag te debatteren (…). Het oecumenisch patriarchaat, zonder te verzaken aan haar interpretatie van bovenvernoemde canon, en bezorgd om de éénheid van de orthodoxe Kerk te handhaven, die ze beschouwt als het opperste goed, heeft  de aanwezigheid van bisschoppen van andere jurisdicties  in de landen van de “diaspora” van aanvaard. Dit echter tot er een midden wordt gevonden conform de canonische orde, uitgedrukt door de 8e canon van het 1e oecumenisch concilie, en de fundamentele ecclesiologische principes aanbevolen door het geloof en de orthodoxe traditie.

 

Wij worden geconfronteerd met deze cruciale vraag : zijn wij klaar, wij de orthodoxe Kerken om terug te eren tot de oude canonische discipline die slechts één bisschop voorziet voor de locale Kerk ? De interorthodoxe voorbereidende commissies, die de vragen heeft onderzocht en documenten hebben uitgewerkt en onderworpen aan onze goedkeuring, hebben geoordeeld dat de orthodoxe Kerken er op dit ogenblik nog niet klaar voor zijn om terug te keren tot de strenge canonische discipline, en dit om verschillende redenen. Zij stellen nochtans voor om deze orde geleidelijkaan te herstellen.  Gedurende een eerste stap gedurende dewelke de bisschoppenvergaderingen, één per regio, en samengesteld uit “canonische” bisschoppen die elk hun regio bedienen, goed zouden functioneren .

 

Wij worden opgeroepen om onze consensus op, te bouwen rond twee voorname  assen. Vooreerst, de orthodoxe Kerk herbevestigt en proclameert haar aanhankelijkheid aan de heilige canons en aan haar ecclesiologie die slechts één bisschop voorzien en voorschrijven binnen elke locale Kerk. Ten tweede, omwille van historische omstandigheden en pastorale behoeften die ermee verbonden zijn, een overgangs-etappe  voordat de canonische orde het fundament moet zijn van de bisschoppenconferenties, zoals voorzien is in de uitgewerkte documenten door de interorthodoxe voorbereidende commissie.

 

“Wij kunnen niet in inactief  
blijven !”

 

De verantwoordelijkheid die op ons rust, aan ons, deelnemers van de huidige conferentie, is werkelijk enorm. Het is een verantwoordelijkheid tegenover God, tegenover het volk van God en de Geschiedenis. De vraag die zich aan ons stelt is te weten of de bijeenkomst van het heilige en groot concilie van de orthodoxe Kerk zal  bespoedigen of dat zij terug op de lange baan zal geschoven worden. Alles hangt af van onze beslissingen. Wat zullen wij zeggen aan het volk van God die met angst wacht om het resultaat te kennen van onze conferentie ? of datwij mislukt zijn om een consensus te bereiken ? Wie zou de durf hebben om de verantwoordelijkheid te nemen voor zo een verantwoordelijkheid ? Wie zou de enge  belangen durven laten primeren van zijn eigen Kerk ten nadele van het algemeen belang van de orthodoxie als geheel, van de trouw aan de canonische traditie en de ecclesiologie ?

 

De canonische oplossing die moet gevonden worden voor het probleem van de “orthodoxe diaspora” is wezenlijk een complexe vraag en kan niet direct haar canonische vorm veranderen. Het gaat hier nochtans ook om een urgente zaak, en indien wij geen onmiddellijke maatregelen nemen die georiënteerd zijn op een canonische oplossing, een situatie die de orthodoxie voorstel als onverdeeld wordt hiermee gefundeerd (….) Wij kunnen niet inactief blijven ! (…)

 

Het minste dat wij kunnen doen is onze trouw te proclameren aan de principes van de ecclesiologie en aan de heilige canons, waarop onze Kerk is gefundeerd. Dit, om niet beschuldigd te worden tekort te hebben geschoten aan het geloof van onze Vaders. Anderzijds, door de bestaande moeilijkheden te bekennen om onmiddellijk terug te keren tot de strenge canonische discipline en om maatregelen te nemen om het geleidelijkaan te bereiken. Dat kan door de maatregelen goed te keuren die voorgesteld worden in de documenten van de voorbereidende commissie  en onderworpen zijn aan onze goedkeuring en die de wijze van functioneren voorzien van de locale bisschoppenvergaderingen. Beginnen wij dus de werkzaamheden van onze conferentie in een geest van liefde en waarachtige dialoog, en dat de Parakleet , de Geest van Waarheid onze gids moge zijn, opdat, komende tot een consensus , de naam van de Alheilige Drie-eenheid moge worden verheerlijkt.

 

Uit : SOP 340 Juli-Augustus 2009

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

Cyrillus van Alexandrië : Het brood dat ik zal geven, is het leven der wereld

H. Cyrillus van Alexandrië ((380-444), bisschop, Kerkleraar
Commentaar op het Evangelie van Lucas, 22

 

cyrillus van Alexandriê..213

 

“Het brood, dat Ik zal geven, is mijn vlees voor het leven der wereld”

      Hoe kan een mens die vastgeklonken op aarde en onderworpen aan de dood blijft, opnieuw toegang hebben tot  de onsterfelijkheid? Zijn vlees moet deelnemen aan de levengevende kracht die in God is. Welnu de levengevende kracht van God de Vader is zijn Woord, de eniggeboren Zoon; Hij werd dus naar ons gezonden als Redder en Verlosser…

    Als je een klein stukje brood in de olie drenkt, dan wordt het onmiddellijk doordrenkt met olie. Als je ijzer in vuur legt, dan zal het onmiddellijk doordrenkt worden met de energie van het vuur, en hoewel het vuur niet dezelfde natuur heeft als het ijzer, wordt het gelijk aan het vuur. Zo ook het levengevende Woord van God, die door zich met het vlees te verenigen dat Hij zich toegeëigend heeft, het de levengevende natuur geeft.

      Hij heeft immers gezegd: “Degene die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven”. En ook: “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij eeuwig leven; en het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees. Waarlijk, als u het vlees van de Mensenzoon niet eet en als u zijn bloed niet drinkt, zult u niet het eeuwige leven in u hebben”. Zo dus, door het vlees van Christus, de Redder van allen, te eten en zijn bloed te drinken, hebben wij het leven in ons, wij worden één met Hem, wij wonen in Hem en Hij woont in ons.

      Het is dus nodig dat Hij in ons komt op de wijze die God past, door de Heilige Geest, en dat Hij zich op zekere wijze met ons lichaam vermengt met zijn heilig vlees en door zijn kostbaar bloed, dat wij als levengevende zegen ontvangen door brood en wijn. God heeft immers zijn toegeeflijkheid naar onze zwakheid getoond en heeft al zijn levenskracht in de elementen brood en wijn gestopt, die ook begiftigd zijn met de energie van zijn eigen leven. Aarzel dus niet om het te geloven, aangezien de Heer zelf duidelijk heeft gezegd: “Dit is mijn lichaam” en ” Dit is mijn bloed”.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Transfiguratie van Onze Heer en God en Verlosser Jezus Christus

9e zondag na Pinksteren

 

TRANSFIGURATIE VAN ONZE HEER EN GOD EN VERLOSSER JEZUS CHRISTUS

 

 

transfiguratie1145

 

Lezingen :

2 Petrus 1,10-19:

Daarom, broeders en zusters, doe uw best om steeds meer aan Gods roeping en uitverkiezing te beantwoorden. Als u zo handelt, zult u nooit ten val komen, en wordt u royaal toegang verleend tot het eeuwige koninkrijk van onze Heer en redder Jezus Christus.

Trouw aan de traditie
     Ik zal dan ook niet ophouden u deze dingen in herinnering te brengen, ofschoon u ze weet en vast staat in de waarheid die u hebt ontvangen. Maar zolang ik nog woon in de tent van mijn lichaam, voel ik me verplicht om uw geheugen op te frissen. Ik weet dat deze tent weldra wordt neergehaald; onze Heer Jezus Christus heeft het mij gezegd. Maar ik zal ervoor zorgen, dat u zich dit alles ook na mijn heengaan telkens opnieuw voor de geest kunt halen.
      Toen wij u de macht en de komst van onze Heer Jezus Christus verkondigden, beriepen wij ons niet op vernuftig bedachte mythen  maar wij spraken als ooggetuigen van zijn glorie.Want Hij heeft van God de Vader eer en verheerlijking ontvangen, toen door de verheven majesteit dit woord tot Hem gericht werd: ‘Dit is mijn geliefde Zoon; luister naar Hem.’  En deze stem hebben wij zelf uit de hemel horen klinken, toen wij met Hem op de heilige berg verbleven.  Hierdoor kreeg voor ons het woord van de profeten nog meer gezag. Ook u doet er goed aan dat in acht te nemen: het is de lamp die licht verspreidt in een donkere ruimte, tot het ogenblik dat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart.

EVANGELIE

Jezus met Mozes en Elia
Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op, waar Hij met hen alleen was. Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante. Zijn gezicht ging stralen als de zon en zijn kleren werden wit als licht. Opeens verschenen hun Mozes en Elia, in gesprek met Hem. [ Petrus zei daarop tegen Jezus: ‘Heer, het is maar goed dat wij hier zijn. Als U wilt, zal ik hier drie hutten maken, voor U een en voor Mozes een en voor Elia een.’  Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam een lichtende wolk die hen overdekte, en opeens klonk er een stem uit die wolk: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind. Luister naar Hem.’  Toen de leerlingen dat hoorden, wierpen ze zich op de grond en werden ze vreselijk bang.  Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: ‘Sta op en wees niet bang.’ Toen ze hun ogen opsloegen, zagen ze niemand meer dan Jezus alleen.
      Terwijl ze van de berg afdaalden, gebood Jezus hun: ‘Vertel niemand van dit visioen voordat de Mensenzoon uit de doden is opgewekt.’

Johannes van Damascus : Op een hoge berg waar ze helemaal alleen waren

H. Johannes van Damascus (ca. 675-749), monnik, theoloog, Kerkleraar
Homilie voor het feest van de Transfiguratie; PG 96, 545

 

Johannes van Damascus54

“Op een hoge berg waar ze helemaal alleen waren”

      Vroeger op de berg Sinaï, openbaarden de rook, de storm, de duisternis en het vuur (Ex 19,16v) de extreme toegeeflijkheid van God, en liet zien dat Degene die de Wet gaf, ontoegankelijk was… en dat de Schepper zich alleen liet kennen door zijn werken. Maar nu is alles vervuld van licht en schittering. Want de Maker en de Heer van alle dingen is uit de schoot van de Vader gekomen. Hij heeft zijn eigen verblijf niet verlaten, dat wil zeggen: zijn zetel in de schoot van de Vader, maar Hij is nedergedaald om met de slaven te zijn. Hij heeft de toestand van een dienaar aangenomen, en Hij is mens geworden in zijn natuur en zijn gedrag (Fil 2,7), opdat God, die onbegrijpelijk is voor de mensen, begrepen wordt. Door zichzelf en in zichzelf toont Hij de pracht van de goddelijke natuur.

      Vroeger had God de mens in eenheid met zijn genade gemaakt. Toen Hij de Geest van leven had ingeblazen bij de nieuwe mens die van klei gemaakt was, toen Hij hem het beste van zichzelf had gegeven, heeft Hij hem met zijn eigen beeld en gelijkenis vereerd (Gn 1,27). Hij heeft hem Eden gegeven als verblijfplaats en heeft van hem de nabije broer van de engelen gemaakt. Maar aangezien wij verward werden en het goddelijk beeld lieten verdwijnen onder de modder van onze ongeordende begeertes, is de Barmhartige een tweede verbond met ons aangegaan, veel zekerder en bijzonderder dan de eerste. Hij bleef in zijn goddelijke verhevenheid, maar aanvaardde ook wat onder Hem was, en schiep zelf de mens; Hij vermengde het archetype met het beeld, en nu toont Hij in haar zijn eigen schoonheid.

      Zijn gelaat straalt als de zon, want in zijn goddelijkheid wordt Hij geïdentificeerd met het immateriële licht ; daarom werd Hij de Zon van Gerechtigheid (Ml 3,20). Maar zijn kleding werd wit als sneeuw, want ze ontving de heerlijkheid door de bekleding en niet door vereniging, door relatie en niet van nature. En “een wolk bedekte hen met zijn schaduw”, wat de straling van de Heilige Geest waarneembaar maakt.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Archimandriet Victor : Heden als orthodox handelen

Heden als orthodox handelen

Archimandriet Victor

Higoumen van het klooster van de Moeder Gods van Faurie

 

26

 

Wat betekent heden als orthodox handelen ? Het weinig dat ik daarover kan zeggen is wat het kloosterleven aan elke christen kan bieden teneinde te begrijpen wat “heden als orthodox handelen” betekent. Ik zeg “kloosterleven” en niet “monniken”, want bij vele christenen leeft de verbeelding dat monniken heiligen moeten zijn. Maar de heilige Johannes Climacos zegt dat “het klooster het ziekenhuis van de ziel is” en in een ziekenhuis liggen de zieken.

Als u denkt dat u zich op de weg naar de perfectie bevindt, dat de spirituele en morele kwaliteiten voor u gemakkelijk te bereiken zijn; indien u, wanneer u ’s morgens voor de spiegel staat, uw vleugels ziet groeien, dan kan u denken dat het monastieke leven niet voor u is. Indien u daarentegen steeds dezelfde fouten maakt, vecht tegen de passies die u niet loslaten, kan u zeggen : “misschien wordt het tijd om mij in een klooster terug te trekken”.

Wat doet men in een klooster ? Een woestijnvader zei : “men valt en staat weer op, men valt en staat weer op”. Door het kloosterleven op die manier te begrijpen vermijdt men vele misverstanden, illusies en ook ontgoochelingen.

Monniken zijn zondaars, maar het kloosterleven leert ons hoe de christen moet getuigen van de reusachtige vergiffenis van God voor alle mensen. De soldaten die Christus moesten arresteren zijn teruggekomen met de woorden : “Wij hebben Hem niet gearresteerd want geen mens heeft gesproken als die man”. Christus was het Woord van God. Voor ons, men hoeft daarom niet altijd te spreken, maar iedereen die een christen benadert zou moeten kunnen zeggen : ” niemand heeft liefgehad als die man”. Hoe kan men deze liefde die niet sentimenteel is, bereiken ? Drie zinnen uit het Evangelie zijn hier essentieel voor het monastieke leven.

De eerste : ” Gij zijt in de wereld maar gij zijt niet van de wereld”. Elke christen is in de wereld, maar is niet van de wereld. Elke christen moet zich engageren zonder zich te hechten. De weekdieren hechten zich en wanneer wij in weekdieren veranderen, hechten wij ons krampachtig aan een bepaalde idee, activiteit of partij, worden wij slaaf van een ideologie, en hoe mooi zij ook is, zijn we voor de enen en tegen de anderen.

Ons sociaal programma, zei Khomiakov, is de heilige Drie-eenheid en ik denk dat het voor elke christen het enige sociaal programma zou moeten zijn. De monnik getuigt ervan dat hij, zoals Evagrius Ponticus zegt : “gescheiden van alles en met allen verbonden”. De eerste getuigenis van de monnik van het kloosterleven op dit punt is dat als christen handelen betekent : “voor allen zijn en voor elkeen”.

Als anekdote, tijdens een catecheseles, kon ik bij de luisteraars de verantwoordelijke van de communistische partijen een verkozene van extreem rechts naast elkaar zien zitten. Dit kon sommigen verontwaardigen, maar het is een vorm van getuigenis dat alle soorten mensen tot ons komen, de eerlijken, de goeden, maar ook mensen van alle catgorieën, marginalen, delinquenten, verslaafden, prostituees, allen die in deze maatschappij lijden en zich zoeken.

De christelijke maatschappij is noodzakelijk. “Wij zijn daar, zoals Metropoliet Anthony zegt, om ons te verlichten, ons te verwarmen, maar wij mogen niet vergeten dat het buiten koud is en dat het nacht is en dat wij daar een beetje licht en warmte moeten brengen”.

De tweede zin uit het evangelie, die nog meer essentieel lijkt, luidt als volgt : “Oordeel niet en gij zult niet veroordeeld worden”.  In de apophtegmata is er de volgende anekdote. Een monnik die absoluut niet heilig geleefd had en die op vele vlakken een slechte monnik was, stierf op vrolijke wijze. En om een les aan zijn broeders te geven zei de vader higoumen hem : “maar wij kennen het leven dat gij geleid hebt, waarom zijt gij zo vrolijk ? Waarom zijt gij niet verward ?” En de monnik antwoordde : “wanneer ik voor Christus zal verschijnen zal ik hem zeggen : ” Heer, ik heb alles gedaan wat Gij hebt verboden. Maar in mijn ganse leven heb ik niemand veroordeeld. En aangezien gij hebt gevraagd om niet te oordelen zodat wij niet veroordeeld worden, heb ik vertrouwen in uw woord”. Wie van ons zou dit kunnen zeggen ?

Ik zal u iets vertellen. U weet dat wij, orthodoxen, verdeeld zijn, wij zijn niet in rechtsgebieden ingedeeld, en dat is een rijkdom. Het was zeer mooi om de liturgie in het Grieks of het Slavisch te kunnen horen. Wij zijn enorm verdeel omdat wij grote roddelaars zijn. Ervaar het zelf. Ga naar een parochie, een gemeenschap, zelfs een klooster, en gij zult zien hoe andere broederlijke gemeenschappen er op grappige, ironische, ja zelfs scherpe wijze worden vernietigd. Wij houden van elkaar. Wij sympathiseren en het is bijna een onderling spel om kritiek te geven, om opmerkingen te maken. Voor de getuigenis die wij naar buiten toe over de Kerk geven is rampzalig. Hoeveel keer heb ik marginale jongeren die ik hier en daar heb gestuurd om zich te openen aan de orthodoxie, niet ontgoocheld zien terugkomen omwille daarvan.

Misschien leert ons het monastieke leven dit niet omdat de monniken niet oordelen, zij zijn jammer genoeg de eersten om dit te doen, mar omdat het ook deel uitmaakt van het kloosterleven : niet oordelen.

Tenslotte een derde zin uit het evangelie, of eerder een parabel blijkt belangrijk te zijn. Christus zegt : “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf” en men vraagt Hem : “wie is mijn naaste ?”. In plaats van te zeggen deze of gene, antwoordt Christus op indirecte wijze : ” een man die van Jeruzalem naar Jericho gaat en in handen van rovers valt…enz. De naaste is hij die wij op onze weg ontmoeten, in de situatie die God heeft gewild of toegelaten voor ons. Wij willen God wel dienen, maar wij willen Hem dienen naar onze eigen projecten. Wij willen handelen als christen, als orthodox, maar volgens onze eigen visie der dingen. Neen, het zijn niet wij die aan God de dienst voorstellen die men moet leveren, het is God die ons roept. Het is aan ons om te zeggen : Uw wil geschiede”. Ik denk dat het kloosterleven dat ook leert.

De monnik heeft geen enkele functie; die van het gebed natuurlijk, maar het is ook die van elke christen. De monnik, vele Vaderen hebbe het gezegd, is soldaat van Christus. Wij houden niet meer erg van deze militaire beelden, want de soldaat is niet altijd aan te bevelen, maar aan te bevelen of niet, het is iemand die altijd ter beschikking staat voor het leven, voor de dood en altijd ten dienste van Christus en  Zijn broeders, niet dit of dat willen doen, maar aanwezig kunnen zijn voor hen die het nodig hebben. Volgens het woord van de profeet Jesaja : “Indien gij brood zijt voor de hongerlijdende, indien gij de ziel van de noodlijdende met vreugde vervult, dan zal uw licht opkomen in de duisternis en de duisternis zal slechts de klaarte van de middag zijn”. Dit is handelen als christen, als orthodox en het is niet gemakkelijk.

Archimandriet VICTOR

Higoumen van het k
looster van de Moeder Gods van FAURIE

SYNTAXE n° 46

 

 

 

Macarios :totdat het meel geheel was gegist

H. Macarius (? – 405), monnik in Egypte
Homilie nr. 24

macarius de grote 123

“Totdat het meel geheel was gegist”

      Sinds de overtreding van Adam, zijn de gedachten van de ziel ver van de liefde van God verstrooid geraakt door de huidige wereld en ze zijn vermengd met materiėle en aardse gedachten. Want Adam heeft door zijn overtreding het zuurdesem van de slechte neigingen in zichzelf ontvangen, en zo allen die uit hem geboren zijn en alle afstammelingen van Adam hebben een gedeelte van dat zuurdesem gehad. Vervolgens zijn de slechte neigingen gegist en hebben zich ontwikkeld onder de mensen, totdat ze tot allerlei soorten van wanorde gekomen zijn. Uiteindelijk is de gehele mensheid binnengedrongen in het zuurdesem van het kwaad…

      Op analoge wijze heeft de Heer gedurende zijn verblijf op aarde willen lijden voor alle mensen; door ze met zijn eigen bloed te verlossen, het hemelse zuurdesem van zijn goedheid brengen in de gelovige zielen die vernederd zijn onder het juk van de zonde. Hij wilde in hen de gerechtigheid van de voorschriften en alle deugden voltooien, totdat ze, doordrongen met dat zuurdesem, verenigd worden met het goede en “één geest met de Heer” vormen, naar het woord van Paulus (1Kor 6,17). De ziel die geheel is doordrongen met het zuurdesem van de Heilige Geest kan zelfs geen idee van het kwaad en kwaadwilligheid meer hebben, zoals er geschreven staat: “De liefde denkt geen kwaad” (1Kor 13,5). Zonder deze hemelse zuurdesem, anders gezegd zonder de kracht van de Heilige Geest is het onmogelijk dat de ziel doordrongen wordt met de zoetheid van de Heer en tot het ware leven komt.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

8e zondag na Pinksteren : Petrus zinkt

8e zondag na Pinksteren

“Petrus zinkt”

Petrus - zinkt

Lezingen :

1 Kor,1,10-18:

Verdeeldheid in de gemeente
     Maar in de naam van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters, doe ik een beroep op u: wees allen eensgezind laat er geen verdeeldheid onder u zijn; wees volkomen één van zin en één van gevoelen.  Ik heb namelijk van Chloë’s huisgenoten gehoord, broeders en zusters, dat er onenigheid onder u heerst.  Ik* bedoel dit: Ieder van u schijnt zijn eigen leus te hebben: ‘Ik ben van Paulus.’ ‘Ik van Apollos*.’ ‘Ik van Kefas*.’ ‘Ik van Christus*.’ Is Christus dan in stukken verdeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd? Of bent u gedoopt in de naam van Paulus?  God zij dank dat ik niemand van u gedoopt heb, behalve dan Crispus en Gajus. Dus niemand kan zeggen dat u in mijn naam gedoopt bent.  O ja, ik heb ook nog het gezin van Stefanas gedoopt; verder zou ik niet weten dat ik iemand gedoopt heb. Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen; en dat niet met geleerde* woorden, want dan had het kruis van Christus zijn kracht verloren.

De wijsheid van de wereld
     Want de boodschap van het kruis is dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor hen die gered worden, voor ons, is het een kracht Gods.

Evangelie :

Matth.14,14-22 :

 Toen Hij van boord ging, zag Hij een grote menigte. Hij had zeer met hen te doen en genas hun zieken. Toen het avond werd, kwamen zijn leerlingen Hem zeggen: ‘Dit is een eenzame plaats en het is al laat geworden. Stuur de mensen weg, dan kunnen ze zelf in de dorpen eten gaan kopen.’ Maar Jezus zei: ‘Ze hoeven niet weg te gaan. Jullie moeten hun te eten geven.’  Zij zeiden Hem: ‘Wij hebben hier niets anders dan vijf broden en twee vissen.’ Hij zei: ‘Breng die hier.’ Hij verzocht de mensen op het gras te gaan zitten, nam die vijf broden en twee vissen, keek op naar de hemel, sprak de zegenbede uit, Hij brak de broden en gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan de mensen.  Allemaal hadden ze volop te eten. Ze haalden de brokken op die over waren, twaalf korven vol. [Afgezien van vrouwen en kinderen waren het zo’n vijfduizend man die gegeten hadden.

Tegenwind op het meer
      Meteen hierna dwong Hij de leerlingen om aan boord te gaan en alvast voor Hem uit over te steken; dan zou Hij intussen de mensen wegsturen.

Ambrosius : David zelf noemt Hem Heer

H. Ambrosius (ca 340-397), bisschop van Milaan en Kerkleraar
Sermon over psalm 36,4-5

Ambrosius van Milaan 1

“David zelf noemt Hem Heer”

       Laten we eens aandachtig kijken naar het mysterie van Christus! Hij is uit de schoot van de Maagd geboren, tegelijk als Dienaar en als Heer; Dienaar om te werken, Heer om te bevelen, om in het hart van de mensen een Koninkrijk van God te vestigen. Hij heeft een dubbele oorsprong, maar Hij is één wezen. Hij is niet een ander als Hij van de Vader komt en een ander  als Hij uit de Maagd komt. Hij is dezelfde uit de Vader geboren voor de schepping die in de loop van de tijd het lichaam heeft aangenomen van de Maagd. Daarom wordt Hij zowel Dienaar als Heer genoemd; om ons Dienaar; maar om de eenheid met de goddelijke substantie, God uit God, Oorsprong uit Oorsprong, Zoon gelijk aan de Vader, zijn gelijke. De Vader heeft immers niet een Zoon die vreemd aan Zichzelf is, geboren laten worden, deze Zoon waarvan Hij verklaard heeft: “In Hem heb Ik al mijn liefde gelegd” (Mt 3,17)…

      De Dienaar bewaart overal zijn waardigheid. God is groot en groot is de Dienaar: in het vlees verliest Hij niet deze “grenzeloze grootheid” (Ps 145,3)… “Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens” (Fil 2,6-7)… Hij is dus gelijk aan God, als Zoon van God; Hij heeft de gestalte van een slaaf aangenomen door mens te worden; “Hij heeft de dood geproefd” (Hb 2,9), Hij van wie “de grootheid grenzeloos is”…

      De gestalte van de Dienaar, die ons allen heeft bevrijd,  is goed! Ja, zij is goed! Zij was Hem, “de naam die boven alle namen is”, waard! Deze nederigheid is goed! Ze heeft verkregen dat “in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader” (Fil 2, 10,11).

Kaarsen en hun symboliek

Kaarsen in de Kerk

Hun symboliek

 Prof.Aleksei I. Georgievsky

 kaars

Kaarsen en waaklichten hebben een byzondere symbolische betekenis in de Kerk.

In het oude Testament toen de eerste tempel Gods gebouwd werd op aarde – als tabernakel van het getuigenis -, werden er lampen gebruikt tijdens de erediensten, zoals de Heer zelf verordend had (cf. Ex.40,5-25). In navolging van het voorbeeld van het Oude Testament, werd het aansteken van kaarsen en waaklichten geïntroduceerd in de diensten van de Nieuwtestamentische Kerk.

De Handelingen der Apostelen vermelden het aansteken van lichtbronnen gedurende de diensten in de tijd van de Apostelen. In Troas, waar de tijd van de leerlingen van Christus samenkwamen op de eerste dag van de week, de zondag, voor het breken van het brood (tttz, om sz Heilige Liturgie ten vieren) “bevonden zich vele lampen in de zaal waar ze vergaderd waren”(Hand.20,8). De verwijzing naar vele lampen betekent dat deze niet enkel gebruikt werden voor de verlichting, maar omwille van hun spirituele betekenis.

De primitieve Christelijke ritus, waar men een lamp gebruikte, knoopte aan bij onze vespers, met hun geëigende intredezang en het zingen van de hymne “Vriendelijk Licht”, die de christelijke leer uitdrukken van het licht, dat overeenkomstig is met genade. De Metten zijn eveneens verbonden met het idee van het Ongeschapen Licht van Christus, tot uitdrukking gebracht in Zijn Menswording en Zijn Verrijzenis.

“Wij hebben nooit een dienst gevierd zonder kaarsen”,zegt Tertullianus (2e eeuw), “en we gebruiken ze niet enkel om de duisternis van de nacht te verjagen; we vieren ook diensten bij daglicht. Maar we hebben de bedoeling met deze brandende kaarsen Christus voor te stellen, het Ongeschapen licht, in het welke wij wandelen, zowel bij volle dag als bij duisternis”

“In alle Oosterse Kerken” schrijft de Zalige Hiëronimos in de 4e eeuw, “worden kaarsen aangestoken, zelfs bij volle dag, op het ogenblik waarop men aanvangt met het lezen van het Evangelie. Niet om de duisternis te verjagen, maar als teken van vreugde….” Om in dit licht het licht terug te vinden waarvan sprake is in de psalm (119,105):“Uw woord is een lamp aan mijn voeten en een licht op mijn weg”.

“De waaklichtjes en de kaarsen stellen het Eeuwige Licht voor en eveneens het licht dat de rechtvaardigen omstraalt”, zegt de Heilige Sophronios, Patriarch van Jeruzalem (7e eeuw)

De heilige Vaders van het 7e Oecumenisch Concilie hebben besloten dat in de Orthodoxe Kerk de Heilige Iconen en Relieken, het Kruis van Christus en het Heilige Evangelie geërd moeten worden met wierook en brandende kaarsen : (Handelingen van het 7e Oecumenisch Concilie; zie V. Bolotov, (“Istoriya Drevnei Tserkvi : Geschiedenis van de Primitieve Kerk” – Vol.IV p.560)

De gelukzalige Simeon van Thessaloniki (15e eeuw) schrijft dat men “ook kaarsen aansteekt voor de iconen van de heiligen om zo hun goede daden weer te geven die schitteren in deze wereld”.

De Orthodoxe gelovigen die het huis van God bezoeken en zich in gebedsverband begeven  met God, Zijn Alzuivere Moeder  en de heiligen, steken kaarsen aan voor hun iconen. De brandende kaars voor de icoon is een teken van ons geloof en onze hoop op genezende hulp, die steeds vrijgevig besteed wordt aan al wie zich tot de Heer en Zijn Heiligen wendt.

De brandende kaars is tevens symbool van onze brandende erkentelijke liefde voor God. De Kerkelijke richtlijnen voorzien waar en op welke momenten tijdens de dienst het aansteken van kaarsen gebruikelijk is (Typikon hst.24 en 25).

Gedurende bepaalde diensten zetten de gelovigen niet enkel kaarsen voor de iconen, maar ze dragen zelf ook kaarsen rond. Zo zegt het Typikon op 26 september, het feest van de Heilige Johannes de Evangelist : “Kaarsen worden aan de broeders uitgedeeld”. (gedurende het Polyeleos).

Tijdens de Metten van Palmzondag dragen we, na de lezing van het Evangelie en de wijding van de palmen, samen met de palmtakjes, die het symbool zijn van de Verrijzenis, brandende kaarsen als teken van het grote belang van dit feest en van het onvergankelijke licht van ons geloof in de Opstanding en in het Eeuwige Leven.

Bij de lezingen van Grote Vrijdag (die in het algemeen aanvangen op donderdagavond) met de twaalf Evangeliën van het lijden, steken de gelovigen kaarsen aan en houden die vast, waarbij ze van het begin tot het einde de pijnigingen van Onze Heer meeleven, brandend van liefde voor Hem. Een oud Russisch gebruik wil dat de gelovigen een brandende kaars met zich naar huis meenemen vanuit de Kerk en daarmee een kruisteken maken over hun deuren, om het lijden van de Heer te herdenken en om zich tegen het kwade te beschermen.

Tijdens de vespers van Grote Vrijdag, wanneer zich de processie met het Epitaphos afspeelt en tijdens de Metten van Paaszaterdag voor de graflegging van Onze Heer, houden alle aanwezige gelovigen voor het Epitaphos brandende kaarsen vast, als teken van liefde voor de Gekruisigde Christus en van geloof in Zijn stralende Opstanding. Op Palmzondag, vanaf het moment waarop zich de processie in beweging zet rondom de kerk, tot nagedachtenis van de Myrondraagsters, die zich naar het graf van Onze Verlosser begeven hadden met brandende lampen en kaarsen tot aan het einde van de middernacht liturgie, om zo hun grote vreugde en geestelijke overwinning tot uitdrukking te brengenn : “Christus is Verrezen, de vreugde is eeuwig”.

Gedurende de pontificale diensten wordt al sinds lange tijd speciale kandelaars gebruikt. De gelovigen buigen het hoofd terwijl de Bisschop hen zegent met het Dikirion, dat de twee eigenschappen van Onze Heer Jezus Christus voorstelt – Zijn Goddelijkheid en Zijn Menselijkheid – en met het Trikirion, dat de Heilige Drie-eenheid voorstelt. Voorts steekt men een primikerion aan , dat door de Hypodiaken vastgehouden wordt nabij de heilige poorten, voor de kruispoorten.

Ook tijdens de Heilige Eucharistie worden kaarsen aangestoken.

Het doopsel wordt gevierd door de priester in vol ornaat en “met alle kaarsen aan”. Bij de doopvont worden driekaarsen gezet, om aan te duiden dat het Doopsel voltrokken wordt in de naam van de Drie-eenheid. De dopeling en zijn geestelijke ouders dragen brandende kaarsen bij de processie rond de doopvont, na de zalving, als getuigenis van vreugde voor de intrede van een nieuw lid in de Kerk en in eeuwige eenheid met Christus.

Er bestaat een oud gebruik in de Russische Kerk waarbij de boeteling, wanneer hij de priester benadert voor de biecht, dat doet met een brandende kaars die hi
j draagt als offerande aan God en als teken van hoop op vergeving van zijn zonden.

Bij de verloving van de toekomstige gehuwden maakt de priester “drie keer het kruisteken over hun hoofden en geeft hen brandende kaarsen” vooraleer ze de Kerk binnentreden voor het sacrament van het huwelijk. Deze kaarsen symboliseren hun wederzijdse liefde en hun verlangen om te leven met de zegen van de Kerk.

Bij het sacrament van de ziekenzalving is het gebruikelijk in de Kerk van zeven kaarsen aan te steken rondom de ampul die de Heilige Olie bevat, wals teken van de kracht van de Gaven van de Heilige geest. De zieke – indien mogelijk – en iedere aanwezige, houdt een brandende kaars vast, om daarmee hun geloof tot uitdrukking te brengen en hun hoop dat de genade Gods de zieke moge omringen en dat hij zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid moge terugvinden.

Bij het binnenbrengen in de Kerk van het lichaam van de overledene, plaatst men vier kaarsen aan de hoeken van de kist, om door het kruis dat aldus gevormd wordt aan te duiden dat de gestorvene een Christen mens was. Gedurende de “Panichida” en de begrafenisdienst dragen de gelovigen brandende kaarsen mee om aan te tonen dat de ziel van de overledene deze wereld verlaten heeft en opgegaan is in het Rijk der Hemelen – het Luisterlijk licht van God. (Tegenwoordig is het gebruikelijk om de kaarsen na de canon te doven).

Als teken van verbintenis met de overledene door het gebed, plaatsen we gedurende de herdenkingsdienst kaarsen op de “kanoun”, (kleine tafel met kruisbeeld, waarop kaarsen en koutia geplaatst worden, een gebak van rijst of van gekookte gerst of tarwe, met daarin rozijnen of gekonfijt fruit). Men steekt ook kaarsen aan voor het Kruisbeeld en het Epitaphios van de Verlosser en de Moeder Gods. Eveneens voor de heilige Voorafgewijde Gaven.

Bij de Kerstwake en die van de Theofanie steekt men een kaars aan voor de icoon van dat feest, die midden van de Kerk geplaatst is, om ons te herinneren aan de geboorte en de verschijning op aarde van Christus onze Verlosser die Licht is. Dit gebeurt terwijl de priester en het koor het troparion van het feest zingen (deze ritus wordt voltrokken bij de wake van elk groot feest).

Eveneens  bevinden er zich kaarsen op het altaar en op de prothesis (bij de slaven plaatst men een kandelaar met zeven waaklichten achter het altaar). Men zet een kaars of een lamp op de prothesis na de Proscomidie en wanneer men de Heilige gaven van het altaar naar de prothesis brengt na de communie.

Tijdens de Goddelijke Liturgie, wanneer de celebrant “de Heilige Gaven voor de Heiligen” plaatst men een brandende kaars voor de Koninklijke Poorten “in aanbidding van het Lam en van Zijn Lijden” en om er de communicanten aan te herinneren dat ze de Heer moeten benaderen zoals de Wijze Maagden in het Evangelie met de toortsen van het geloof ( I. Dmitrevsky “Izasneiye na Lotourgiyou” – De gecommentarieerde Liturgie, St. Petersburg 1856 – p.335).

Vaak bewaren de Orthodoxen als gewijd voorwerp de kaars van de Epiphanie, die geconsacreerd werd tijdens de waterwijding. Velen onder hen doen dat ook met de kaarsen van de Metten van de Passie en de Paaswake. Anderen weer houden hun Doop en Huwelijkskaarsen bij, die later in hun kist zullen geplaatst worden.

Zo worden er dus kaarsen aangestoken bij elke religieuze dienst. Dit heeft een grote variëteit aan spirituele en symbolische waarden. Het is immers zo dat God die gezegd heeft : “dat uit de duisternis het licht verschijne”, diezelfde God die in onze harten brandt, om de kennis van Zijn glorie te doen weerstralen, die weerstraalt van Christus gelaat, (2 Kor.4,6). Dat de wereld verlicht met Geestelijk Licht (Joh.1,9 ; 8-12). De brandende kaarsen in de Kerk zijn tegelijkertijd de uitdrukking van de aanbidding der gelovigen en van hun liefde voor God, van het offer dat zij Hem brengen en van de Kerk. Terwijl ze opbranden roepen de kaarsen het schitterende Licht op dat de zielen der rechtvaardigen verblijdt in het Hemelrijk.

In de orthodoxe Kerk worden de kaarsen meestal uit zuivere bijenwas vervaardigd.

De kaasen en alle andere gewijde voorwerpen, zoals het vaatwerk, worden door de Kerk gewijd voordat ze in gebruik genomen worden. Er bestaat een speciale dienst voor de wijding der kaarsen. Ze worden op een tafel uitgesteld in het midden van de Kerk. De priester, bekleed met een epitrachilion en felonion zingt : “Gezegend zij onze God…” en de lector of het koor antwoordt “Amen”. Vervolgens komen de “Ere zij God”, “Hemelse Koning enz..Na het “Onze Vader” zingen de priesters “Vriendelijk Licht”, terwijl de celebrant in kruisvorm  de kaarsen en de aanwezige gelovigen bewierookt. Vervolgens zegt hij : “Laten wij God bidden” en hij reciteert het volgende gebed : “Heer God, Schepper van alle dingen, die door Uw Naam alle kwaad en alle smet geneest en die alles zegent, wij bidden U : kom en zegen deze kaarsen door Uw Heilige Geest, want Gij zijt ons Licht en wij noemen U, Vader, Zoon en Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen”. Vervolgens besprenkelt hij de kaarsen met Gewijd water, in de naam van de Vader (+) en van de Zoon (+) en van de Heilige Geest (+). Dan geeft hij de eindzegen aan de aanwezigen.

Theologische Academie van Moscou

“Journaal van het Patriarchaat van Moscou” Nr.10-1977 – pp.73-76.

Vertaling : Leen V.

 

 

Holarius van Poitiers : Deze is waarlijk de profeet die in de wereld moet komen

H. Hilarius (ca 315-367), bisschop van Poitiers, Kerkleraar
Commentaar op het evangelie van Matteüs 14, 11 ; PL 9, 999

 

Hilarius van Poitiers2 (480 x 360)

“Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld moet komen!”

      De leerlingen zeggen dat ze slechts vijf broden en twee vissen hebben. De vijf broden betekenden dat ze nog onderworpen waren aan de vijf boeken van de Wet, en de twee vissen dat ze gevoed waren door het onderricht van de profeten en van Johannes de Doper… Dat hadden de apostelen in eerste instantie te bieden, aangezien ze nog op dat punt waren; en van daaruit is de prediking van het Evangelie vertrokken…

      De Heer nam de broden en de vissen. Hij hief zijn ogen op naar de hemel, zei de zegen en brak ze. Hij dankte de Vader omdat Hij het Goede Nieuws in voedsel had veranderd, na de eeuwen van de Wet en de profeten… De broden werden ook aan de apostelen gegeven: door hen moesten de gaven van de goddelijke genade teruggegeven worden. Vervolgens zijn de mensen gevoed met de vijf broden en de twee vissen en toen ze eenmaal verzadigd waren, bleef er zo’n grote hoeveelheid aan stukjes brood en vis over dat er nog twaalf manden mee gevuld werden. Dat wil zeggen dat de menigte vervuld is met het woord van God dat van de Wet en de profeten kwam. Het overschot aan goddelijke kracht, resterend voor de heidense volken, bleef over als gevolg van het opdienen van het eeuwig voedsel. Ze vormt een volheid, dat van het getal twaalf, evenals het aantal apostelen. Welnu het blijkt dat het getal van hen die gegeten hebben dezelfde is als dat van de komende gelovigen, namelijk vijfduizend (Mt 14,21; Hand 4,4).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Eigen priester voor orthodoxe gemeenschap in Kollumerpomp

Eigen priester voor oosters-orthodoxe gemeenschap in Kollumerpomp ‘Orthodoxie biedt ruimte en vrijheid’

Kollumerpomp – De orthodoxe gemeenschap van de Heilige Panteleimon in Kollumerpomp leeft al maanden toe naar een bijzondere dag. Na tweeëntwintig jaar krijgt de kerk maandag een eigen priester. De aartsbisschop uit Parijs komt diaken Nikolaas (75) uit Kollumerpomp wijden.

Door Hanneke Goudappel. Aartsbisschop Gabriël komt er voor uit Parijs. De priesterwijding betekent een grote verandering voor de gemeenschap van Kollumerpomp. ,,In principe kunnen we nu iedere zondag en op alle grote feesten de Goddelijke Liturgie vieren”, vertelt diaken Nikolaas, in het dagelijks leven Frans Lucassen. Lucassen heeft de kleine orthodoxe gemeenschap in Fryslân samen met zijn vrouw Joke gesticht. De schuur achter hun afgelegen boerderij bouwden ze in 1988 om tot kapel van de Kerk van de heilige Panteleimon. Deze heilige was geneesheer aan het keizerlijk hof en is in het begin van de vierde eeuw als martelaar gestorven. ,,In mijn jonge jaren stond ik eens in een kerk toen mijn oog viel op een fresco die mij zo vriendelijk aankeek. Bij navraag bleek dit de H. Panteleimon te zijn. Ik ben over hem gaan lezen en kreeg steeds meer bewondering voor hem. Wij kozen hem als patroon.” Naast de wekelijkse lekendiensten, hield de kleine oosters-orthodoxe gemeenschap – met een vaste kern van zes mensen – er tot nu toe maandelijks de Heilige Liturgie (de eucharistie). Vaker kon niet, want er moest een priester voor uit St. Hubert, vlakbij Nijmegen, komen. Jarenlang kwam er zelfs een priester helemaal uit Maastricht, de Vlaamse priester Guy de Vijlder. Toen hij in 2003 aartsbisschop in Parijs werd, nam vader Boris uit St. Hubert zijn taak over. ,,Omdat het voor vader Boris wat veel werd, heb ik twee jaar later – ik was inmiddels al lector en hypodiaken gewijd – aangeboden om diaken te worden. Daarmee werd het voor hem wat gemakkelijker, want een diaken neemt een deel van de liturgie voor zijn rekening.” ,,Onlangs vroeg vader Boris de aartsbisschop om van zijn taak in Kollumerpomp te worden ontheven”, vervolgt Lucassen. Toen kwam de vraag aan Lucassen of hij bereid was om priester te worden. Hij hoefde daarvoor geen uitgebreid scholingstraject te volgen, want hij heeft de afgelopen jaren al aardig wat praktijkervaring opgedaan. Bovendien is hij in zijn jeugd op een seminarie geweest. ,,De taak van een priester is in de eerste plaats een liturgische”, legt Lucassen uit. ,,Je hoeft als priester geen theoloog te zijn, maar enige basiskennis is natuurlijk wel nodig.” In de Orthodoxe Kerk zijn de uitgebreide riten belangrijker dan de preek, en over die riten heeft hij veel kennis. Bovendien weet hij zich gesteund door zijn vrouw, die als ervaren koorleidster een belangrijk aandeel in de diensten heeft.

Hart van de orthodoxie

Lucassen werd al door de orthodoxie gegrepen toen hij nog maar een jaar of twaalf, dertien was. ,,Het was kort na de Tweede Wereldoorlog toen ik uit nieuwsgierigheid een keer binnenliep in een Russisch kerkje in Amsterdam. De ceremoniën kende ik wel vanuit mijn rooms-katholieke opvoeding, alleen waren ze hier veel rijker. De sfeer trok me aan. Het was een heel eenvoudig immigrantenkerkje, zonder de rijkdom van prachtig geschilderde ikonen. Er waren alleen maar een heleboel met zorg opgeplakte plaatjes, de eerbied echter waarmee daarmee werd omgegaan, sprak mij als kind al aan.” Lucassen ging er vaker heen, en toen hij later naar Frankrijk trok, leerde hij ook daar de orthodoxie kennen. ,,Daar heb ik me er verder in verdiept. Ik ben ook een tijdje in Griekenland geweest. Zeker op de berg Athos kom je in het hart van de orthodoxie. Dat is geweldig.” Het was in de jaren vijftig dat Lucassen in Griekenland was. ,,De Athos telde voor de revolutie veel Russische monniken, maar onder het communisme kwamen er geen jonge monniken bij. De Russische kloosters op de Athos waren dan ook bijna ontvolkt. De spiritualiteit was echter goed. Ik maakte het gebedsleven mee, en woonde de soms heel lange diensten bij.”

Thuiskomen

Begin jaren zestig kwam Lucassen terug in Nederland. ,,Ik moest weer aan het werk en kwam in de automatisering terecht.” Later werd hij organisatieadviseur en dat bleef hij tot zijn pensioen. Lucassen was in die tijd nog steeds rooms-katholiek, maar mede door de liturgische veranderingen sinds het Tweede Vaticaanse Concilie raakte het geloof een beetje op de achtergrond. Inmiddels had hij een tweede huis in Kollumerpomp (1970), en in 1976 besloten Lucassen en zijn vrouw om permanent in Fryslân te gaan wonen. Vlak voor de verhuizing liep hij met zijn zoon zomaar even een Russisch-orthodoxe kerk in Amsterdam binnen. ,,Toen ik daar binnenstapte, was het alsof ik thuiskwam. Ik was in achttien jaar niet in een orthodoxe kerk geweest.” Na de verhuizing bezocht hij met zijn gezin de Russisch-orthodoxe Kerk in Groningen. ,,Op een gegeven moment liep ik ertegenaan dat deze gemeenschap totaal niet georiënteerd was op Fryslân. Er waren geen aspiraties om hier iets te beginnen, of ergens anders in het Noorden.” Terwijl Lucassen de orthodoxie graag ook in Fryslân zag. Priester Guy de Vijlder uit Maastricht had hem beloofd dat wanneer Lucassen iets in Fryslân zou beginnen, hij wilde helpen. Lucassen begon met het Ynformaasje Sintrum foar Ortodoksy, en in 1988 kwam er ,,met behulp van een erfenisje” een eigen kapel. In de omgebouwde schuur is plaats voor ongeveer veertig mensen. Lucassen sloot zich met zijn kleine gemeenschap aan bij het Oecumenisch Patriarchaat van Constantinopel (zie kader), via het aartsbisdom van de Russisch-Orthodoxe Kerken in West-Europa. Nog steeds wil hij graag de orthodoxie bekendheid geven in Fryslân. Hij is er echter niet op uit om zieltjes te winnen. ,,Als mensen zich thuisvoelen in hun protestantse of katholieke kerk, moeten ze daar gewoon blijven. Maar er is zo langzamerhand een gat in de markt. Er zijn zoveel mensen op zoek. Ik heb liever dat ze naar ons komen dan dat ze niets doen, of uitkomen bij allerlei andere rare dingen, zoals heksenkringen, of nog erger, satanskerken.” Kenmerkend voor de orthodoxie waar Lucassen bij hoort, is een manier van omgaan met de traditie, die toegankelijk is voor de praktijk. ,,We passen de regels toe op de West-Europese context.” Dat betekent bijvoorbeeld dat in Kollumerpomp de vieringen altijd in de volkstaal (Nederlands of Fries) worden gehouden, en niet in de oorspronkelijke Griekse, of kerkslavische taal.

Evangelie

Wat Lucassen erg waardeert bij protestanten is hun ,,opvatting en omgaan met de Heilige Schrift”. ,,Al is het alleen al de eerbied voor de Schrift. Tegen mensen uit een protestantse kerk die orthodox worden zeg ik: houd dat vast.” Wat hij mist is de opvatting over de kerkelijke traditie. ,,Protestanten stellen de Heilige Schrift eigenlijk boven de kerk. Dat kan natuurlijk niet. Ook wordt bij ons het Oude Testament meer als een voorafbeelding gezien van het Nieuwe Testament. Het gáát om het Evangelie. Daar staat alles in. Daarom ligt niet de gehele Bijbel, maar altijd een Evangelieboek op de altaartafel.” Het meest typerende van de orthodoxie is de grote vrijheid, zegt Lucassen. ,,We hebben heel veel regels, maar ze worden in vrijheid toegepast. Dat geldt niet voor de geloofsregels, de dogmata; daar wordt niet aan getornd. Maar bij de praktische toepassing speelt die vrijheid een grote rol. Neem bijvoorbeeld de regels voor het vasten. Dat zijn geen wetten, het zijn regels. Als je op zó’n voor jezelf zware manier vast, dat je Pasen niet haalt; dat is niet de bedoeling.” Lucas
sen vergelijkt het met regels die een trainer opgeeft aan een sporter. ,,Ze zijn bedoeld om zijn prestaties te verbeteren. Ik denk ook aan een tv-uitzending laatst, waarin ik zag hoe mensen tegen obesitas streden. Ze moesten zich aan allerlei dingen houden. Toen ze uiteindelijk van die vethoeveelheid af waren, gaven ze aan dat ze zich veel vrijer voelden. Je geestelijk leven wordt ruimer als je je los kunt maken van het lichamelijke. Dat wordt in de eerste instantie overgelaten aan je eigen geweten, maar het wordt wel aanbevolen er met je geestelijk vader over te spreken.” i De bisschoppelijke liturgie, waarin Lucassen gewijd zal worden, begint maandag om 10.30 uur aan de Brongersmawei 15 te Kollumerpomp

7e zondag na Pinksteren : feest van de heilige Panteleimon

7e zondag na Pinksteren

 

Panteleimon de grootmartelaar en genezer (305)

Feest van de H. grootmartelaar Panteleimon, arts en wonderdoener

 

LEZINGEN :

Eerste lezing : Romeinen 15,1-7 :

Hoofdstuk 15
 Wij, die bij de sterken horen, hebben de plicht de gevoeligheid van de zwakken te verdragen, zonder onszelf te zoeken. Laat ieder van ons bedacht zijn op het welzijn en de stichting van zijn naaste.  Ook Christus heeft zichzelf niet gezocht. Er staat immers geschreven: De smaad van hen die U smaden, is op Mij neergekomen. Want alles wat eertijds is opgeschreven, werd opgeschreven tot onze lering, opdat wij door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift, in hoop zouden leven. God, die de volharding en de vertroosting schenkt, verlene u ook de eensgezindheid, die u in Christus past,  opdat u één van hart en uit één mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus verheerlijkt.

Samenvatting van de brief
      Aanvaard daarom elkaar, zoals ook Christus u aanvaard heeft, tot eer van God.

EVANGELIE : Mathheüs 9,27-35

 

Twee blinden zien
      Toen Jezus vandaar verderging, volgden Hem twee blinden, die schreeuwden: ‘Zoon van David, heb medelijden met ons.’  Toen Hij thuisgekomen was, kwamen de blinden naar Hem toe. Jezus zei tegen hen: ‘Hebt u er vertrouwen in dat Ik dit kan doen?’ Ze zeiden: ‘Ja, Heer.’  Toen raakte Hij hun ogen aan en zei: ‘Het moge u gaan overeenkomstig uw vertrouwen.’ [En hun ogen gingen open. En bars zei Jezus tegen hen: ‘Zorg dat niemand het te weten komt.’  Maar eenmaal buiten, maakten ze zijn faam bekend in heel die streek.

Een stomme begint te praten
     Terwijl zij weggingen, kijk, daar bracht men iemand bij Hem die niet kon spreken, omdat hij in de macht van een demon was.  Toen de demon uitgedreven was, begon de stomme te praten. De menigte zei vol verbazing: ‘Zoiets is in Israël nog nooit vertoond.’  Maar de farizeeën zeiden: ‘Het is de opperdemon waardoor Hij de demonen uitdrijft.’

Aanstelling van de twaalf
     ] Jezus trok alle steden en dorpen rond, terwijl Hij in hun synagogen onderricht gaf, de goede boodschap van het koninkrijk verkondigde, en elke ziekte en elke kwaal genas.