15e zondag na Pinksteren “van het grote gebod”

 

15e zondag na Pinksteren – zondag na de Kruisverheffing.

 ‘Van het Grote gebod’

Feest van de heilige Eustachius, grootmartelaar te Rome en zijn vrouw de H. Theopostie, H. Madelgaireen, echtgenote va,n de H. Waldetruda, stichter van de monasteries van Haumont en Soignies

 

 

eustachius van Rome

 

 Heilige Eustachius

 

LEZINGEN

EPISTEL : 2 Kor. 4,6-15

Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft zijn licht laten schijnen in ons hart om de kennis te laten stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Jezus Christus.

Vol goede moed bij tegenslag
     Maar wij dragen deze schat in aarden potten, en zo blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. Van* alle kanten worden wij belaagd maar we zitten niet in het nauw; we zijn radeloos maar niet ten einde raad; we worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; neergeveld maar niet gedood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbaart. Voortdurend worden wij tijdens ons leven aan de dood uitgeleverd omwille van Jezus, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk bestaan openbaart. Zo is de dood aan het werk in ons, en het leven in u.
     Maar wij bezitten die geest van geloof waarover geschreven staat: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij. Want wij weten dat Hij die de Heer Jezus heeft opgewekt
*, ook ons met Jezus ten leven zal wekken en ons naar zich toe zal voeren, samen met u. Want alles gebeurt voor u, opdat de genade onder steeds meer mensen verbreid raakt en zij de dankbaarheid doet toenemen, tot eer van God.

EVANGELIELEZING :  Mattheüs 22,35–46

en een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem op de proef te stellen: ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ Jezus zei hem: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.’

Jezus’ tegenvraag over de Messias
     Terwijl de farizeeën bij elkaar waren, vroeg Jezus hun: ‘Wat denkt u van de Messias ? Van wie is Hij de zoon?’ Ze zeiden Hem: ‘Van David .’ Hij zei: ‘Hoe kan David, geïnspireerd door de Geest, Hem dan Heer noemen, als hij zegt: De Heer heeft gezegd tot mijn Heer: Ga zitten aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd? Als David Hem Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?’ Niemand kon Hem daarop een antwoord geven, en niemand durfde Hem van die dag af nog iets te vragen.

Gregorius van Nazianze : Zie, de bruidegom komt

H. Gregorius van Nazianze (330-390), bisschop en Kerkleraar
Overweging over de doop, 40, 46 ; PG 36, 425


GregoriusNazianze

“Zie, de Bruidegom komt”

      Weldra zul je na je doop voor het Heilige der heiligen staan, dat de heerlijkheid van de komende wereld  aanduidt. Het psalmlied dat je ontvangt is de prelude van de hemelse lofzangen. De lampen die je aan zult steken, zijn een voorafbeelding van de stoet lichtjes die onze stralende en zuivere zielen, uitgerust met stralende lampen van geloof, tot voor de Bruidegom zullen leiden.

      Laten opletten om niet uit onzorgvuldigheid in slaap te vallen, uit angst dat degene waarop we wachten zich spontaan zal tonen zonder dat we Hem zien aankomen. Laten we niet zonder voorraad olie en goede werken blijven, uit vrees buiten de bruiloftszaal gesloten te worden… De Bruidegom zal er in grote haast binnengaan. De voorzichtige zielen zullen er met Hem binnengaan. De anderen die druk bezig zijn met hun lampen, zullen geen tijd hebben om er binnen te gaan en zullen in klaagzangen buiten blijven. Ze realiseren zich te laat wat ze door hun achteloosheid hebben verloren…

      Ze lijken ook op de andere genodigden voor een bruiloft, die een vader vierde ter ere van een bruidegom, en die weigerden om eraan deel te nemen: de een omdat hij net een vrouw had gevonden, een ander omdat hij net een stuk land had gekocht; een derde omdat hij zich zojuist een paar runderen had aangeschaft (Lc 14, 18-20)… Want er is in de hemel geen plaats voor de trotsen en de achtelozen, voor een man zonder passende kleding, die niet het bruiloftskleed draagt (Mt 22,11), zelfs waneer hij, toen hij op aarde was, dacht dat hij de hemelse pracht waardig was, en zich heimelijk onder de groep gelovigen bevond en valse hoop koesterde.

      Wat zal er daarna gebeuren? De Bruidegom weet wat Hij ons onderricht wanneer we in de hemel zijn, en Hij weet welke relatie Hij met de zielen zal onderhouden die er met Hem binnengegaan zijn. Ik geloof dat Hij in hun gezelschap zal leven, en dat Hij hen de meest volmaakte en zuiverste mysteriën zal leren kennen..

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Eucherius : Hij ging heen en begaf zich naar een eenzame plaats

H. Eucherius (? – ca. 450), bisschop van Lyon
Lofrede aan de woestijn

eucherius van Lyon (goede foto)

“Hij ging heen, en begaf Hij Zich naar een eenzame plaats”

      Kan men niet redelijkerwijze aannemen dat de woestijn de onbegrensde tempel van God is? Want Degene die in de stilte leeft moet het zeker bevallen op teruggetrokken plaatsen. Daar heeft Hij zich vaker getoond aan heiligen; dankzij de eenzaamheid heeft Hij mensen willen ontmoeten.

      Mozes heeft met een lichtend gelaat God in de woestijn gezien… Daar begon hij vertrouwelijk met God te spreken; hij wisselde woorden uit; hij onderhield zich met de hemelse Meester zoals de mens de gewoonte heeft om zich met zijn gelijke te onderhouden. Daar ontvangt hij de krachtige staf om wonderen mee te doen; en na in de woestijn gekomen te zijn als schaapsherder, verlaat hij de woestijn als herder van mensen (Ex 3; 33,11; 34).

      Zoekt het volk van God niet op dezelfde wijze, als het uit Egypte en van de wereldse werken bevrijd moet worden, afgelegen oorden en vlucht het niet in eenzaamheid? Ja, in de woestijn nadert het volk God die het uit de slavernij heeft bevrijd… En de Heer maakte zich tot Gids van zijn volk om het door de woestijn te leiden. Onderweg plaatste Hij dag en nacht een kolom, vurige vlammen of een lichtende wolk, als teken uit de hemel… De kinderen van Israël verkregen dus om de troon van God te zien en om zijn stem te horen, terwijl ze in de woestijn leefden…

      Moet er nog aan toegevoegd worden dat ze in het land van hun verlangen aankwamen na in de woestijn te hebben geleefd? Opdat het volk op een dag een gebied binnengaat waar melk en honing stroomt, moet het eerst door dorre en verwilderde oorden heen gaan. Altijd door te kamperen in de woestijn, komt men in het ware vaderland aan. Dat degene, die “de goedheid van de Heer wil zien in het land der levenden” (Ps 27,13),  een onbewoonbaar land mag bewonen. Dat hij die bewoner van de hemelen wil worden, de gast van de woestijn mag zijn.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Welke spiritualiteit voor jongeren van vandaag ?

Welke spiritualiteit voor de jonge leken van vandaag ?

 Door vader Cyrille Argenti

Argenti Cyrille

 

“Spiritualiteit” betekent ethymologisch de activiteit van de geest. Voor een leerling van Jezus Christus heeft dit woord nochtans niet dezelfde betekenis als voor de adepten van verschillende “religies” en filosofische of morele systemen.

Voor een christen verwijst”Spiritualiteit” niet als zodanig naar de activiteit van de geest van de mens dan wel naar deze van de Heilige Geest. Zij vormt dus geen particulier aspect van het leven, zoals bijvoorbeeld “het intellect”, of de “affectiviteit” of de “seksualiteit”.  Er bestaat voor een christen geen eigen domein van de Geest – zoals er een domein zou kunnen zijn dat eigen is aan het intellect, het gevoel of de sekse; een hogere afdeling van  het menselijk leven en die zich zou opstapelen in de inferieure delen. Wij zijn de leerlingen  van God die vlees geworden is, van de “gezalfde” (Christus) van God, ’t is te zeggen van Hem die de zalving van de Heilige Geest heeft ontvangen van alle eeuwigheid, die gans het menselijk leven doordringt, gans zijn menselijke natuur – wil, verstand, hart, ziel en lichaam – van de Geest van God, die dezelfde Geest uitstort over de ganse persoon, over gans het leven van hen die geloven in Hem en zich bij Hem aansluiten.

Spiritualiteit is dus voor een orthodox christen, de werking van de Heilige Geest die verlicht, doordringt, transformeert, die de beslissingen, gedachten, gevoelens, daden, woorden , gedragingen, de ziel en het lichaam, het dagelijks leven, zelfs de dromen van een mens om hem te wortelen in God, levendig maakt. En indien God de bron is van een mens, de kracht van God, ’t is te zeggen de Heilige Geest, wordt het ook doorgegeven in elke plant, in de ganse mens. Omgekeerd, indien de goddelijke Geest doorheen de mens gaat, dan wordt God ook de wortel – de oorsprong. Het beeld is de Sint Paulus, die ons zegt dat wij door het doopsel “eenzelfde plant” (Symphytoi = samen groeien) worden met Christus (Rom.6,5), en ons uitnodigt om “geworteld te blijven in zijn liefde” (Ef.3,17).

Hoe kan zich dat vandaag de dag voor ons concreet en afzonderlijk realiseren voor de jongeren en de leken ?  Hoe kan een man of een vrouw die opgroeit in een geseculariseerde samenleving – waar God min of meer ontkend wordt, waar de incarnatie van het Woord en het bezoek van de Heilige Geest worden waargenomen niet als beleefde gebeurtenissen maar als een theologische vaktaal, waar de armoede synoniem is met mislukking en de maagdelijkheid  met simpelheid – kan hij de Heilige Geest ontvangen als zijn ganse leven  overhoop is gehaald en verlicht worden ?

De dorst naar God

Men moet eerst en vooral, dat is evident, het verlangen hebben om God te ontmoeten. Wenu, gans de opvoeding van onze tijdgenoten oriënteert hen naar het materiële, naar de kennis en het bezit van materiële dingen. Het hart en de geest zijn gevormd en geconditioneerd  om zich te interesseren voor de uiterlijke wereld, voor de schepselen, veeleer dan voor de Schepper. De christelijke spiritualiteit is gebaseerd op de tegenovergestelde beweging : zich keren naar het innerlijke om God te zoeken. Luisteren wij naar de psalmist : “Gelijk een hinde die naar waterbekken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen ?” (Psalm 42,2-3).

“O God Gij zijt mijn God, U zoek ik, mijn ziel dorst naar U, mijn vlees smacht naar U, in een dor en dorstig land, zonder water, Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd, ziende uw sterkte en uw heerlijkheid” (Psalm 63,2-3).

Mijn ziel heeft dorst naar God. Het is diezelfde dorst naar God die uitgedrukt wordt in het Hooglied, de liefdeskreet en het verlangen van de Sulamitische voor haar beminde en door haar, de Kerk voor haar God (Hooglied 3,1-6; 6,3).

Dit liefdevol verlangen, deze dorst naar God is de drijvende kracht van elke christelijke spiritualiteit. Wenu, deze dorst kan opdrogen, zij kan eindigen op een ontdekking.

De vreugde van het Goede Nieuws

Deze ontdekking hebben de apostelen van Jezus Christus gedaan. Daarom zal de aandachtige lezer van het Nieuwe Testament een rilling van blijdschap ervaren. Er is in het hart van de apostelen een onuitspreekbare vreugde die hun stem doet beven. Het Evangelie is daadwerkelijk voor hen het Goede Nieuws. Zij hebben er een openbaring in ontdekt; het koninkrijk van God – de onnoemelijk kostbare parel, de schat onder de grond verstopt is voor hen geen droom meer, geen utopische hoop, maar een nieuw ontdekte realiteit. Zij hebben de verrezen Christus gezien, zij hebben het ware licht gevonden, zij weten dat het koninkrijk van God komende is. (…) De klaarblijkelijkheid van het Goede Nieuws die zij ontvingen, deze zekere hoop, deze diepe vrolijkheid die te wijten is aan het ontdekken van de kracht en de liefde van God in Jezus Christus, hoe kunnen wij die terugvinden ?

De westerse maatschappij in de tijd van de heilige Louis, – de byzantijnse maatschappij in de XIVe eeuw – door al hun instellingen en gebruiken, hun wijze van denken en leven – introduceerden hun leden in de Kerk. De moderne maatschappij, sedert tientallen zoniet eeuwen, heeft opgehouden het christelijk geloof over te leveren. Vandaag , zoals in het begin van het christendom, wordt men christen uit persoonlijke overtuiging, door een persoonlijk antwoord op het appel van Jezus Christus. In feite heeft het wellicht altijd zo geweest. Het vertrekpunt van elke christelijke spiritualiteit is een relatie van persoon tot persoon.

Herlezen wij het eerste hoofdstuk van het evangelie volgens de heilige Johannes, verzen 35-51. Johannes de Doper bevindt zich op de oever van de Jordaan. De dag ervoor had hij Jezus gedoopt. Andreas en Johannes – de toekomstige evangelist die ons het incident vertelt – zijn aan de zijde van de Doper, waarvan zij de leerlingen zijn. Jezus komt voorbij, de Doper roept uit : “Zie het lam Gods !” Aarzelend lopen de twee leerlingen achter Jezus. Deze keert zich om : “Wat zoekt gij ?”

Het is de vraag die Hij ons ook vandaag stelt, aan ons die twijfelen en zoeken. Andreas en Johannes antwoordden Hem : “Waar verblijft gij ?”. Het is ook ons antwoord, want Hij is het die wij zoeken en zouden willen vinden.

Jezus antwoordt : “kom en zie”. Anders gezegd : het volstaat niet te zoeken, men moet zich in het water werpen. Want diegene die niets riskeert heeft niets. Men kan geen antwoord vinden door te filosoferen. Er is een daad van vertrouwen nodig. Laat ons geloven in het getuigenis van de apostelen en vooruit..

Het is dit wat Andreas en Johannes doen : ze zetten zich op weg en reeds dezelfde avond, gaat Andreas zijn broer Simon zoeken en zegt hem ” Wij hebben de Messias gevonden” (…)

Zonder lichamelijk aanwezig te zijn,
ziet Jezus ons en houdt ons in de gaten… Dat is de ontdekking, het geloof is een daad van zich aansluiten, het maakt ons één met Christus, het gaat door ons en begint ons te omvormen. Wij worden een levende steen van het hemelse Jeruzalem. Het spirituele leven, het leven van de Heilige Geest is in ons begonnen. Wij zijn binnengetreden in de nieuwe schepping. Desondanks dringt een keuze zich op.

De keuze

De keuze die wij moeten doen is de volgende : ofwel zijn  wij medeplichtig aan de consumptiemaatschappij, ofwel leven wij leven in Christus. Want men kan God niet dienen en de Mammon.

Zo kunnen wij ons gezin organiseren, ons werk, ons onderkomen, in het perspectief om te kopen en datgene te verwerven waar wij zin in hebben : de stereoinstallatie, de kleuren televisie , een Honda, een Porsche, de vakanties op de Bermuda eilanden…. Zovele zaken die op zichzelf niet slecht zijn, maar waarvan het angstig verlangen ons de gevangene maakt van alle raderwerk van de consumptiemaatschappij, waarvan de drijfveer de liefde voor het geld is. Luisteren wij naar wat Sint Paulus ons dienaangaande te zeggen heeft :” Wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te verzuchten zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord” (1 Tim. 6,9-10).

Omgekeerd kunnen wij “verzaken aan de begeerten van de tijd van onwetendheid” (1 Petr.1,14), om slechts dat te verlangen datwaarlijk wenselijk is, en van de ontmoeting met Christus het reële en concrete doel  te maken van ons leven in de wereld : ” Het gaat erom Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden. Niet dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik verlang ernaar, ik zoek of ik het  ook grijpen kan, omdat ik ook door Jezus Christus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik) : vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus” (Fil.3,10-14)

Dat is de ascese. Niet een ziekelijk zoeken naar een gemis of een lijden, maar een gepassioneerd zoeken naar de goddelijke volheid in Jezus Christus. Niets van het geschapene is slecht op zichzelf, maar alleen de Schepper is waarlijk verlangbaar. En om dit te bereiken, moet er een prijs betaald worden. En de prijs is “te verzaken aan de begeerten van de tijd van onwetendheid” om vervuld te geraken door de gave van God. Deze gave is niets anders dan de Heilige Geest, schatkamer van alle goed, gever van het leven. God zelf die zich aan ons geeft. Wij zijn wellicht begonnen met de verrijzenis van Christus ernstig te nemen, maar het is tijd, nu, om “de verwerving van de Heilige Geest” ernstig te nemen.

De revolutie van Christus

Hoe meer een christen verinnerlijkt om in het diepste van zijn hart en in de wortels van zijn zijn de Heilige Geest te vinden, des te meer hij zich zal openstellen voor de liefde tot zijn broeders en zusters. Des te meer hij de armoede en de soberheid zal opzoeken om alzo het “enig noodzakelijke” te vinden, des te meer hij de armen zal liefhebben. Des te meer hij het Rijk Gods in zichzelf zal zoeken, des te meer hij zal ontdekken dat dit koninkrijk voor allen is –hé koinê Basileia – zoals de heilige Johannes Chrysostomos het uitdrukt in zijn homilie van Paasnacht. Het koninkrijk van God in ons ontdekken doet in ons het verlangen en de wil ontstaan het Rijk van God en zijn gerechtigheid in de wereld te verkondigen. Een spiritualiteit die de onrechtvaardigheid in de wereld zou negeren zou een spiritualiteit van huichelaars zijn : ” wanneer gij zegt dat gij God liefhebt die gij niet ziet, maar uw broeder die gij wel ziet niet liefhebt, dan ben jij een leugenaar” (1 Joh.4,20).

Wij stellen ons dus niet tevreden met een soort spiritueel narcisme, maar laten wij met helderheid onze ogen openen voor wat in de wereld gebeurt. Wij weten dat in de consumptiemaatschappijen   die momenteel in vele landen aanwezig is, het goede christenvolk en vele anderen bezig zijn, met een verschrikkelijke onschuld om de ganse wereld te verslinden. Ja, de Prins van deze wereld oefent zijn heerschappij van onrecht uit over de wereld.

De profeet Daniël zag een grote steen die zich van de berg, zonder de hulp van menselijke handen, losmaakte  en stootte tegen het standbeeld dat alle koninkrijken van deze wereld symboliseerde. Het standbeeld vloog in stukken, de steen kwam geleidelijk aan op zijn plaats en bedekte de oppervlakte van de aarde. Deze steen, is Christus. Het betekent dat het rijk van Christus en zijn gerechtigheid dit moet vervangen van de Prins – en de prinsen – van deze wereld. Hoe kunnen wij, hoe moeten wij deelnemen aan deze revolutie, hoe  “verhaasten” (2 Petrus 3,12) “de komst van de dag van God” en de heerschappij van Zijn rechtvaardigheid ? Een spiritualiteit die christelijk wil zijn zal deze vraag niet ontwijken. (…)

Gaan wij ons tot dan tevreden stellen met een individualistisch piëtisme die alleen de bekering op het oog heeft – o hoe noodzakelijk-  van ons eigen hart, en ons niet meer interesseren voor het rijk van God in de wereld, terwijl de Heer ons heeft geleerd te bidden “Uw rijk kome op aarde als in de hemel”.

Kijken we dus wat Christus zelf heeft gedaan. Hij heeft weloverwogen verzaakt aan de drievoudige en satanische bekoring om te bezitten, te domineren en zich te laten bewonderen. Hij heeft verzaakt aan de rijkdom, aan de macht en aan de ijdele glorie. Hij heeft zichzelf overgeleverd aan de soberheid, aan de dood, aan de afdaling in de hel : “Hij die, in de gestalte Gods zijnde, heeft zichzelf ontledigd, en de gestalte van een dienstknecht op zich genomen (…)Hij  heeft zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het Kruis (Filipenzen 2,6-8).

Zo heeft Christus de macht van God bevrijd die tijdelijk verduisterd was door de zonde van de mensen en de heerschappij van het kwaad. Deze macht is glorierijk gemanifesteerd  door te verrijzen uit de dood;  zij heeft “hem uitermate verhoogd” (Fil.2,9), zo heeft ze de nieuwe schepping ingewijd, een effectieve aanwezigheid in deze wereld van de Verrezene en vervolgens van  Zijn Heilige Geest, levendig zaad van de vrijheid, rechtvaardigheid en de liefde.

Deze vruchten van de Heilige Geest zijn geen abstracte ideeën, maar goddelijke energieën die voortaan aan het werk zijn in de wereld. Telkens wanneer zij in de dagelijkse realiteit vorm aannemen, vormen zij zoveel tekenen van de heilige almacht van God en verkondigen de uiteindelijke triomf van het koninkrijk dat inmiddels op weg is. De verrijzenis van Christus bevestigt de meest radicale verandering van  de macht in de ganse geschiedenis.

Christus wil echter niet” komen zonder de uiteindelijke vervulling” (Hebr.11,40). Hij nodigt ons uit om voort te gaan in de nieuwe schepping, om met Hem vanaf nu binnen te treden in het komende Koninkrijk, om ons te
verbinden met zijn werk, want wij zijn medewerkers van God” (1 Kor.3,9)

Hoe moeten wij het doen ?

De deelname van de mens

Hoe moet de weg geopend worden voor de goddelijke interventie, voor de uitstorting van de Heilige Geest in onrechtvaardige situaties ? Meerdere houdingen zijn vereist en mogelijk : verzaken aan de dorst naar winst, de vergiftigde drijfveer van gans onze consumptiemaatschappij ; neen zeggen aan de wil tot macht, bron van alle tirannie , ophouden te leven voor uzelf, ophouden met te rekenen op de krachten van deze wereld, en dit door een daad van totaal vertrouwen in de goede macht van God : voor zover wij functioneren op verhoudingen die steunen op macht, laten wij ons meenemen in het raderwerk van de Prins van deze wereld, de Satan die al diegenen manipuleert, door het verlangen naar rijkdom, de dorst voor het plezier of de ambitie om carrière te maken, en zich zo aan zijn macht van de dood overleveren.

Men moet er daarentegen aan verzaken ons “geloof te plaatsen op de machten van deze wereld” (Psalm 146,3), ons te stellen onder de macht van het geld, de militaire macht, de politieke intriges. Indien wij aldus aanvaarden binnen te treden in het graf van Christus – dat is de echte betekenis van het doopsel -, wanneer wij werkelijk gans onze hoop stellen en gans ons vertrouwen op de enige macht van Hem die Christus uit de doden heeft doen opstaan – dat is het geloof -, dan zal de bevrijdende macht van de verrezen Christus zich manifesteren in de gebeurtenissen die de structuur vormen van ons dagelijks bestaan, het verandert de richting van deze gebeurtenissen en maakt de nieuwe schepping in ons leven en in de wereld in haar geheel kenbaar, door er tekenen van het komende Rijk  te planten.

Zo een spiritualiteit – dat vertrouwen is in het bewonderenswaardig werk van de Heilige Geest – overtreft het kader van de persoonlijke godsvrucht, want zij ontdekt in de ogen van onze broeders en zusters de werking en de tegenwoordigheid van God in de wereld : ” Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken”(Matth.5,16).

De gemeenschappelijke epiclese

Wanneer deze daad van vertrouwen en geloof, deze offerande die de mens doet aan God volgens het woord van de apostel : “ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden van God, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en God welgevallig offer” (Rom.12,1), dan is dat niet enkel een persoonlijke daad, wanneer een ganse gemeenschap – door zich te ontdoen van elke ambitie –  zich aan God offer in de vertrouwvolle verwachting van de nederdaling van de Heilige Geest en van de manifestatie van de heilige macht van God in zijn leven, dan noemt dit : Goddelijke Liturgie.

De eucharistische liturgie is niet, zoals sommigen ons willen doen geloven, zij, “die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben” (2 Tim 3,5), een “heilige” spektakel  of een “spiritueel” concert voor esthestisch geïnitieerden. Zij is een gedurfde daad van mannen en vrouwen, die geloven in de unieke waarde van de offerande die Christus heeft gedaan aan Zijn Vader (Ef.5,2),die geloof hebben in de bewonderenswaardige macht van de Heilige Geest die Hem heeft doen verrijzen (1 Petrus 3,18) en vertrouwen in de oneindige rechtvaardigheid van het Rijk van God  dat zo onthuld wordt, God dankend voor deze offerande,  die er eucharistie van maken en er zich mee verbinden door “mekaar en gans hun leven toe te vertrouwen” aan Christus God.

Zij zijn gespannen in de afwachting van de nederdaling van de Heilige Geest, die gans hun gemeenschap zal omvormen – met het brood en de wijn die zij ontvangen – in een ruimte van vrijheid, rechtvaardigheid en liefde, als levend teken van het komende Koninkrijk Gods.

Laten wij vanaf nu deze geloofsdaad stellen. Laat ons verzaken aan al onze  begeerten, leggen wij op het altaar van God – met onze offerande van brood en wijn – gans onze hoop neer, gans onze verlangens, al onze ambities, alles wat wij zijn en willen zijn. En laat ons, door een gemeenschappelijke epiclese, de macht van hierboven, de Heilige Geest ontvangen, die hen bezoekt die aan Christus toebehoren. Dan zullen wij God aan het werk zien onder ons. Zou dat niet de orthodoxe spiritualiteit zijn ?

(De teksten van Vader Cyrille Argenti zijn verschenen in verschillende tijdschriften, waarvan Contacts en Orthodoxes à Marseille, en zijn opgenomen in het werk van Cyrille Argenti , N’aie pas peur, Les el de la terre/Cerf, 2002)

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

 

13e zondag na Pinksteren : H. Aartsengel Michaël en het wonder van Kolosse

 

13e zondag na Pinksteren

Mirakel van de H. Aartsengel Michaël te Kolosse

 

aartsengel Michael wonder van Chona bij kolosse

Heilige Michaël en het wonder van Kolosse

 

Lezingen :

1 Kor.16,13-24

]Blijf waakzaam, sta vast in het geloof, wees moedig en sterk. Laat alles bij u gebeuren met liefde.
     Ik heb nog een verzoek aan u, broeders en zusters: u weet dat Stefanas en zijn gezin de eerste bekeerlingen van Achaje zijn en dat zij altijd klaarstaan voor de heiligen. Aanvaard dan ook van uw kant de leiding van zulke mensen en van allen die hun werk en moeite delen. Ik verheug mij over de aanwezigheid hier van Stefanas Fortunatus en Achaïkus; zij hebben voor mij het gemis van u vergoed, zij hebben mijn zorgen verlicht, en daarmee ook de uwe. Houd zulke mensen in ere.
     De gemeenten van Asia laten u groeten. Veel groeten in de Heer, van Aquilaen Prisca en van de gemeente bij hen aan huis. Alle broeders groeten u. Groet elkaar met de heilige kus.Deze groet schrijf ik met eigen hand: Paulus. Wie de Heer niet liefheeft, hij zij vervloekt. Maranatha De genade van de Heer Jezus is met u,  en mijn liefde is met u allen in Christus Jezus.

Evangelie : Matth.21,33-42

Gelijkenis van de vruchten
     Luister naar een andere gelijkenis. Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde. Hij zette hem met een omheining af, groef er een perskuil in en bouwde er een wachttoren. Hij verpachtte hem aan wijnbouwers en vertrok naar het buitenland. Maar toen de tijd van de vruchten gekomen was, stuurde hij zijn slaven naar de wijnbouwers om de vruchten in ontvangst te nemen. De wijnbouwers grepen zijn slaven vast; de een gaven ze een pak slaag, een ander doodden ze, een derde stenigden ze. Hij stuurde toen andere slaven, meer dan de eerste keer, en ze deden met hen hetzelfde. Later stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: mijn zoon zullen ze ontzien. Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden en zijn erfdeel in bezit nemen.” Ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Welnu, wanneer de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan met die wijnbouwers doen?’ Ze gaven Hem ten antwoord: ‘Hij zal die ellendelingen een ellendige dood bezorgen, en de wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers geven, die vruchten aan hem afdragen wanneer het er de tijd voor is.’ Jezus zei tegen hen: ‘Hebt u nooit in de Schriften gelezen: De steen die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is de hoeksteen geworden. De Heer heeft dit gedaan; het is een wonder in onze ogen?

13 september : Kruisverheffing

13 september :

 

FEEST VAN DE VERHEFFING VAN HET KOSTBAAR EN LEVENDMAKEND KRUIS

 


Kruisverheffing 3

LEZINGEN :

 

Gal.6,11-18

 

Zie met wat voor grote letters ik u nu eigenhandig heb geschreven. De lieden die zo graag in menselijk opzicht een goed figuur willen slaan, trachten u alleen maar de besnijdenis op te dringen om niet vervolgd te worden vanwege het kruis van Christus. Want die besnedenen onderhouden zelf niet eens de wet, maar willen wel dat u zich laat besnijden, om daarop trots te kunnen zijn.
     Wat mij betreft: ik denk er niet aan mij op iets anders te beroemen dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij gekruisigd is en ik voor de wereld gekruisigd ben. Het gaat niet om besnijdenis of onbesnedenheid, maar om de nieuwe schepping. Laat vrede en barmhartigheid komen over allen die naar dit beginsel leven, en over het Israël van God!  Laat voortaan niemand het mij lastig maken, want ik draag de merktekens van Jezus in mijn lichaam.
     Broeders en zusters, de genade van onze Heer Jezus Christus zij met uw geest. Amen

 

EVANGELIE : Joh.3,13-17

 

Alleen Hij die uit de hemel is neergedaald, is naar de hemel opgestegen: de Mensenzoon.
    Maar
evenals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, zo moet ook de Mensenzoon omhoog worden geheven, zodat iedereen die gelooft, in Hem eeuwig leven bezit. Zoveel immers heeft God van de wereld gehouden, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft geschonken, zodat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven bezit. Want God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar om door Hem de wereld te redden

 

Isaak de Syriër : Wie zich vernedert, zal verheven worden

H. Isaak de Syriër (7 e eeuw), monnik te Ninive, nabij Mossoel in het actuele Irak
Ascetische overweging, 1e serie, nr. 20

 

Isaac_de Syriër

 

“Wie zich vernedert, zal worden verheven”

      Nederigheid is een geheime kracht die de heiligen ontvangen als ze de gehele ascese van hun leven tot een goed einde gebracht hebben. Die kracht is immers slechts gegeven aan hen die komen tot de volmaaktheid van de deugd door de kracht van de genade… En die kracht zelf hebben de gelukzalige apostelen ontvangen in de vorm van vuur. De Verlosser had hen immers bevolen om Jeruzalem niet te verlaten totdat ze een kracht van boven hadden ontvangen (Hand 2,3;1,4). Jeruzalem is hier de deugd. De kracht is de nederigheid. En de kracht van boven is Trooster, dat wil zeggen de H. Geest.

      Welnu, daarover zei de heilige Schrift: de mysteriën zullen aan de nederigen geopenbaard worden. Aan de nederigen is gegeven om in henzelf deze Geest van de openbaringen te ontvangen die mysteriën laat ontdekken. Daarom zeggen heiligen dat de nederigheid de ziel vervult met goddelijke schouwingen. Laat niemand zich verbeelden dat hij tot een bepaalde mate van nederigheid is gekomen, omdat hij op een gegeven moment een berouwvolle gedachte had of dat hij enkele tranen heeft vergoten… Maar als een mens alle tegenwerkende geesten heeft overwonnen…, als hij alle kracht van de vijanden heeft verslagen en onderworpen, en als hij voelt dat hij deze genade heeft ontvangen, wanneer “de H. Geest tot zijn geest getuigt” (Rom 8,16) volgens het woord van de apostel Paulus, dan bevindt zich daar de volmaaktheid in nederigheid. Zalig degene die dit bezit. Want hij omhelst op elk moment het hart van Jezus (cf Joh 13,25).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

De patristieke fundering van de sacramenten in de Kerk

De patristieke fundering van de sacramenten van de Kerk

Metropoliet Kallistos Ware

 

Toespraak gehouden in Moscou 13-16 november 2007

“Het zijn de sacramenten die het Lichaam van Christus vormen” schreef de heilige Nicolas Cabasilas. Ze zijn, zegt hij “vensters in de duistere wereld”. Wat dan, zijn de voornaamste thema’s in de Patristieke lering omtrent deze goddelijke activiteiten, zonder welke er geen leven in Christus mogelijk is ? Hoe verstonden de Vaders dit “venster” dat ons bestaan hier op aarde verlicht ?.

1 Het woord “sacrament

Dat wat de latijnse theologie sacramentum noemt is in de griekse theologie mysterion (in het de Slavische theologie aangeduid met het woord tainstvo). De twee woorden hebben een grondig verschillende betekenis. De latijnse term sacramentum betekent oorspronkelijk de eed van trouw door de romeinse soldaten, terwijl het in wettelijke termen de betekenis heeft van een belofte die onder ede gedaan werd onder redetwistende partijen. De Griekse term Mysterion anderzijds heeft een rijkere en diepere betekenis. Het woord komt ongeveer dertig maal voort in het Nieuwe testament , en nergens heeft het de betekenis van een liturgische ritus. Tegelijk betekent in het Nieuwe Testament “mysterie” niet, zoals het in het moderne gebruik de gewoonte is, een onopgeloste puzzel, een  raadsel of  enigma. In de eigenlijke Schriftuurlijke en theologische betekenis, daarentegen, is mysterie iets wat onthuld wordt voor ons verstaan, uiteindelijk nooit totaal en uitsluitend, daar het peilt naar de oneindige diepten van God.

In het Nieuwe Testament is het hoogste en fundamenteelste mysterie de menswording van Christus. Sint Paulus in de Kollosenzen 1,25-26 spreekt  over “het geheimenis (mysterie) dat eeuwen en geslachten verborgen is geweest”, en dat u geopenbaard is in Christus die de “hoop en de glorie”is. Zo ook in de Efesiërsbrief 1,9-10 sprekend over het mysterie van Gods wil zegt Paulus dat dit niets anders is dan het “plan ter voorbereiding van de volheid der tijden”,om in Christus alles in de hemel en op aarde bijeen te brengen of te verzamelen onder één hoofd, Jezus Christus. Meer in het bijzonder dit “mysterie” dat eerst verborgen was en nu geopenbaard, bestaat in de vereniging van Joden en heidenen onder één lichaam, Christus (Efesiërs 3,3-6).

De grote omvang van de term mysterion, waarbij het refereert naar de totaliteit van Christus’incarnerend werk, komt dikwijls voor  bij de vroege Kerkvaders Het is pas in de 3e en 4e eeuw dat het woord wordt gebruikt om meer nauwkeurig een liturgisch rite aan te duiden. De term gebruikend  in de bredere Nieuw Testamentische betekenis, spreekt Ignatios van Antiochië van de maagdelijkheid van Maria, haar kind baren en de dood als van “drie mysteries die om luid gechreeuw vragen, wat ons brengt tot de stilte van God” In dezelfde termen spreekt Clemens van Alexandrië over “het merkbaar mysterie” van de incarnatie, “God in de mens en de mens in God”. In de latijnse traditie verwijst Tertullianus  naar “het sacrament van de economie” (sacramentum oeconomiae”, daarmee bedoelt hij de reddende  ingreep van de geïncarneerde Christus in haar totaliteit. Maar hij gebruikt ook de term sacramentum in een meer beperkte betekenis, om er het doopsel en de eucharistie mee aan te duiden. Lang nadat de term mysterion haar technische betekenis had gekregen als een sacramentele rite, gaan de Griekse Vaders nog altijd verder met haar te gebruiken op een meer  uitgebreide en flexibele wijze. Wanneer we hen lezen is het belangrijk daarvoor  de patristieke teksten niet automatisch te lezen in de meer specifieke betekenis van het woord “sacrament”, zoals ze gevonden wordt in de Rooms Katholieke en Orthodoxe theologie.

Er is een bijzondere reden waarom de bredere betekenis van het woord “mysterie” nooit vergeten mag worden, en dat is de weg waarin het de essentiële link tussen de sacramenten en de incarnatie wordt onderlijnd. Alle sacramenten hebben hun bron en gronding in de incarnatie van Christus. De “mysterievolle” daden van de Kerk zijn niets anders dan de levende en onophoudelijke voortzetting  van de incarnatie in ruimte en tijd. In de sacramenten wordt de constante en dynamische tegenwoordigheid van de incarnatie van Christus in de aanbidding van het volk van God verzekerd. In de woorden van Leo de Grote : ” Hij die zichtbaar was als onze redder gaat nu verder in de sacramenten “. Sacramentenleer is een tak van de Christologie.

Het woord mysterion heeft ook nog verdere weerklanken en associaties. Het roept in de geest het adjectief “mystiek” op. Dit wordt dikwijls gebruikt door de Vaders in combinatie met het substantief “contemplatie”, “gebed”, “theologie” en “verbond”. Het mystieke leven, zoals verstaan wordt door de Vaders, is gegrond op het oorspronkelijke mysterie van Christus’ menswording, en tegelijk is het nooit te scheiden van de sacramenten. In deze context is het vanzelfsprekend te denken aan Vladimir Lossky’s welbekende woorden “Verre van  wederzijds tegengesteld te zijn dragen en vervolledigen theologie en mystiek elkander. Het ene is ondenkbaar zonder het andere…Mystiek is…het hoogtepunt en de kroon van alle theologie : het is theologie bij uitstek”. Zeker mag Lossky’s  standpunt toegepast worden op de sacramenten. Sacramentele theologie en mystiek ondersteunen en vervolledigen elkaar. Het mystieke leven is onmogelijk zonder de sacramenten. Het mystieke leven is niets anders dan de perfectie en de kroon van onze sacramentele deelneming. Met de woorden van Myrrha Lot-Borodine : ” De ganse leer van de mystieke verlichting is…een bovennatuurlijke realiteit die inherent is in de onthulling van het doopsel, en, mogen we eraan toevoegen inherent in ons voortdurend ontvangen van de Eucharistie en de andere sacramenten.

2. De dubbele natuur van de sacramenten

In de catechismus van de Kerk van Engeland ,die ik van buiten moest leren als kind, wordt een sacrament gedefinieerd als ” het uitwendig en zichtbaar teken van een innerlijke en spirituele genade”. Een teken dat werkzaam is, dat  doeltreffend is en de oorzaak van wat het betekent. : uiterlijk en innerlijk, zichtbaar en onzichtbaar. Dit is ook de richting waarin de Vaders de natuur van het sacrament verstonden. Elk sacrament heeft twee aspecten : een uiterlijk en een innerlijk, een zichtbaar en een onzichtbaar. Om deze reden geven de Vaders gewoonlijk aan het sacrament de naam “symbool”, niet in een zwakke, maar in een sterke betekenis.

Reeds in het begin van de derde eeuw heeft Tertullianus duidelijk het dubbel karakter van de sacramenten aangeduid : ” Het vlees is gereinigd , moge de ziel brandschoon zijn; het vlees is getekend door het kruis, moge de ziel ook beschermd worden, het vlees is overschaduwd door de handoplegging, moge de ziel verlicht worden door de Heilige Geest, het vlees voedt zich met het lichaam en bloed van Christus, zo dat de ziel ook mag gevuld worden met God. “aan de sacramenten een anthropologische grondslag gevend, zegt de heilige Ambrosius van Milaan dat hun tweevoudig karakter, zicht baar en onzich
tbaar, overeenstemt met de twee-voudige natuur van de mens : lichaam en ziel. Zo wordt in het doopsel het lichaam gewassen met water, terwijl de ziel wordt gezuiverd door de Heilige Geest. St.Augustinus heeft hetzelfde in zijn gedachten in zijn geschriften over het eucharistisch brood en wijn : “Zij worden sacramenten genoemd, omdat één ding wordt gezien terwijl een ander wordt verstaan. Wat gezien wordt heeft een fysieke vorm, maar wat wij verstaan heeft spirituele vruchten”.

Griekse auteurs spreken ongeveer in parallelle termen. Volgens Theodor van Mopsueste is “elk sacrament de aanduiding van vele betekenissen en symbolen, van onzichtbare en  onuitsprekelijke realiteiten”. Ze worden sacramenten genoemd, schrijft St.Johannes Chrysostomos, omdat datgene wat wij geloven niet hetzelfde is als wat we zien, maar wij zien één ding en geloven een ander..  Wanneer ik het Lichaam van Christus hoor vernoemen, versta ik wat gezegd wordt, de ongelovige denkt dan aan iets anders.

Beide kenmerken van de sacramenten, zichtbaar en onzichtbaar, benadrukken , vanuit christelijk standpunt,met een uiterste helderheid de waarde van  materiële dingen en meer in het bijzonder van het menselijk lichaam. Zoals Tertullianus  in deze context benadrukt : : ” Het vlees is de spil van de verlossing” (caro salutis est cardo). Om deze reden wil men in de orthodoxe Kerk onverminderd de materialiteit van de sacramentle elementen bewaren : wij dringen er op aan, dat het doopsel zou gebeuren door onderdompeling, uitgezonderd in noodgevallen; voor de Eucharistie gebruiken wij levend brood en rode wijn; bij begrafenissen wordt het deksel van de kist genomen en wij kussen het dode lichaam.

De materialiteit van de sacramenten maakt duidelijk het verband, wij hebben het reeds benadrukt, tussen de “mysterievolle daad” van de Kerk en de menswording. Bij zijn menselijke geboorte nam de Redder het menselijk vlees aan (met een menselijke ziel), en maakte van dit materiële vlees een voertuig van de Geest. Zo ook wanneer we het water zegenen bij het doopsel, wanneer wij het brood zegenen in de Eucharistie, en wanneer wij de olie voor de ziekenzalving zegenen, dan omvormen wij deze materiële elementen  tot voertuigen van de Geest. Zoals we in verband met de incarnatie achterom kijken, zo kijken de sacramenten voorwaards, of beter, ze anticiperen  de apocatastasis , of de uiteindelijke verlossing op de laatste dag (zie : Romeinen 8,19-23). Zoals Minucius Felix bevestigt : ” Wij zijn in de verwachting  van de lente van het lichaam” (expectandum nobis etiam corporis ver est). De eschatologische lente van het lichaam, en meer in het algemeen, van de ganse natuur is reeds aanwezig in de spirituele materialiteit van de sacramenten.

3. De voorganger of de tussenpersoon van de sacramenten

In overeenstemming met de universele Patristieke traditie, Griekse en Latijnse, is de echte celebrant altijd Christus zelf, onzichtbaar  doch werkelijk aanwezig door de Heilige Geest. Dit is duidelijk uit de liturgische praxis van de orthodoxe Kerk. In geen enkele sacrament gebruikt de officiant het woord “ik”. Hij zegt niet “ik doop u”, maar “de dienaar Gods wordt gedoopt”, niet “ik wijd u”, maar “de goddelijke genade, die altijd heelt wat zwak is en opricht wat gebrekkig is, wijd de devote sub-diaken (naam)tot diaken, zoals de bisschop zegt tot God wanneer hij een diaken wijd (hetzelfde gebeurt voor de andere wijdingen).”het is niet door de handoplegging, maar door de zegen van Uw rijke barmhartigheid, dat de genade is gegeven aan hem die U waardig is”. Het is waar dat Peter Mohila in zijn Euchologion voor het sacrament van de boete de formule gebruikt “ik  vergeef u”; maar dit kan enkel gezien worden als een afwijking van de sacramentele traditie van de Orthodoxe Kerk.

Dit geloof in Christus als  de ware celebrant van alle sacramenten is bijzonder duidelijk in de Goddelijke Liturgie. Voor de zegen bij het begin zegt de diaken tot de priester. “Het is tijd voor de Heer om te handelen”, een citaat uit psalm 118(119).126). De liturgie, is niet enkel woorden uitspreken maar actie; bovendien is het niet op de eerste plaats onze actie, maar de actie van de Heer. De ware celebrant in elke Eucharistie is altijd Christus de enige hogepriester, wij, de clerus en het volk, zijn niet meer dan concelebranten met Hem. Ditzelfde punt wordt expliciet bevestigd  in het gebed die door de officiant wordt gezegd gedurende de Hymne van het Cherubicon , wanneer hij tot Christus zegt “Gij zijt het aan wie wij offeren en die geofferd zijt. Christus is beide : offer en offergave , beide, offeraar en offer, beide : priester en slachtoffer. De onmiddellijke deelname van Christus in de Eucharistische actie wordt ook uitgedrukt in het uitwisselen van groeten door de clerus gedurende de “vredeskus” : “Christus is in ons midden”.

Het zelfde verstaan van de sacramenten als een actie van Christus is bij de Vaders te vinden alsook in de liturgische teksten. Zoals St. Augustinus zei : “Het doopsel is werkzaam, niet door de deugd en de verdienste van hen die toedienen, maar door de verdienste van zijn intrinsieke heiligheid en waarheid, omwille van Hem die het ingesteld heeft”.Onder de griekse Vaders is het vooral St.Johannes Chrysostomos die speciaal zich over dit punt heeft uigesproken. “Het is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die alles vervuld” zegt hij. “De priester leent slechts zijn tong en levert zijn handen”.” Bij de heilige Communie is het de hand van Christus dat naar jou wordt uitgestoken”. “Gods gaven zijn niet het resultaat van enige verdienste van de priester, zij zijn volledig het werk van de genade. De functie van de priester bestaat er enkel in zijn mond te openen en het is God die vervult wat moet gedaan worden… De eucharistische offering  blijft dezelfde, of nu Peter of paul het zouden offeren. De offerande welke Christus geeft aan Zijn Apostelen is identiek met deze die nu geofferd wordt door de priester. Laatstgenoemde is helemaal niet ondergeschikt aan de vorm, want het is niet de mens die consacreert, maar Hij die de oorspronkelijke offerande heeft geconsacreerd”.

Hieruit volgt dat de geldigheid van de sacramenten niet in het gedrang komt door de onwaardigheid van de celebrant, noch hangt het af van het persoonlijk geloof van de ontvanger. Integendeel, als actie van Christus zelf hebben de sacramenten een objectief karakter.

4 Het getal van de sacramenten

Hier, als op andere gebieden, moeten eigen toegevingen gedaan worden voor het flexibel gebruik van de term mysterion bij de vaders. Wij moeten niet de vroegste bronnen lezen om de juiste betekenis te vinden voortgaande op Peter Lombard en de scholastiekers van de twaalfde eeuw, en die vervolgens zijn overgenomen door vele orthodoxe schrijvers. Bovendien maken de Griekse Vaders een scherp onderscheid tussen de sacramenten enerzijds en de andere riten van de Kerk die de Rooms Katholieke Kerk omschrijft als ‘Sacramentalia.

Vele auteurs – bijvoorbeeld St.Cyrillos van Jerusalem, St. Ambrosius, Theodoor van Mopsueste en Sint Cyrillos van Alexandrië – denken in termen van drie primaire “mysteries”, Doopsel, myronzalving en Eucharistie; maar deze lijst van drie moet niet noodzakelijk gezien worden als  volledig. Sint Nicolas cabasilas, in zijn “leven in Christus “ benadrukt
de zelfde drie mysteries, maar dan gaat hij ook de consecratie van het altaar beschouwen als een “mysterie”; misschien echter moet dit gezien worden als een uitbreiding van het sacrament van het chrisma. Sint Johannes van Damascus denkt anderzijds in termen van twee hoofd-sacramenten, Doopsel en Eucharistie. Sint Dyonisios de Aeropagiet spreekt van zes : Doopsel, Eucharistie, chrisma, wijding, monastieke  professie, en de begrafenis riten. Dezelfde lijst wordt gevonden bij Sint Theodoros de Studiet. In de tweede helft van de 13e eeuw noemt de monnik Job zeven sacramenten, maar ze komen niet echt overeen met de Westerse lijst; hij combineert penitentie met de ziekenzalving en hij sluit monastieke professie in. Hij gaat spreken over drie andere riten : hij ziet de consecratie en de broodverheffing ter ere van de Moeder Gods als een uitbreiding van de Eucharistie. Dit alles duidt erop dat de Griekse patristieke auteurs, wanneer zij de term mysterie gebruiken, niet te werk gaan met dezelfde precisie die gevonden wordt in de latijnse scholastiek.

Het is waar, dat in de latere Byzantijnse periode er een tendens is om de zelfde sacramenten te aanvaarden zoals in het Westen. Dit is het geval bv. Met Manuel Calecas in de 14e eeuw, en met Joseph Bryennice en Sint Symeon van Thessaloniki in de 15e eeuw. Op het concilie van Ferrara-Florence (1438-9) vonden de Grieken geen problemen met het aanvaarden van de latijnse lijst van zeven sacramenten. Maar Joasaph, Metropoliet van Ephesië (ook in de 15e eeuw) spreekt van tien sacramenten.In de 17e eeuw wordt de latijnse lijst van zeven standaard in de Orthodoxe Kerk : het wordt bv. gevolgd door Patriarch Jeremias II, door Gabriël Severus, door Metropoliet kritopoulos en door de synode van Jassy (1642) en van Jeruzalem (1672). Toch bekwam deze lijst nooit een strikt dogmatisch karakter in de Orthodoxe leer, maar het werd vooral gezien als bruikbaar in de leer. Het meer flexibel gebruik in de vroege Patristische periode is nooit op de achtergrond geraakt. In elk geval, wanneer de sacramenten zijn gecatalogeerd als zeven, mag eruit niet afgeleid worden dat deze zeven allen op gelijke voet van waardigheid staan, er bestaat een welomlijnde hiërarchie tussen hen, met het Doopsel en de Eucharistie als de voornaamste.

Als besluit doen we er goed aan met opnieuw te verwijzen naar de betekenis die eerder werd gegeven aan de term “mysterie” : het is, zeiden wij, iets dat onthuld wordt voor ons verstaan, maar nooit volledig onthuld. Dit betekent dat er een apofatische dimensie bestaat in de orthodoxe theologie van de sacramenten, zoals trouwen in alle andere aspecten van de theologie. Wij moeten altijd op onze hoede zijn om té veel te zeggen. Wanneer de Kerk spreekt van de sacramenten, dan is zij er zich van bewust hoeveel delen van de waarheid noodzakelijk onzegbaar blijven. Met de woorden van Sint Johannes Chrysostomos : ” Zij worden gezegd om mysteries te zijn, en zij zijn dat in waarheid, er is geen nood om de diepe kloof van de stilte te willen verklaren”. ” De verklaring van de Mysteries” merkt Sint Cyrillos van Alexandrië op, “is buitengewoon moeilijk, het is misschien beter de stilte te bewaren”. Laat ons deze waarschuwing in gedachten houden gedurende de huidige conferentie.

 Bron : Website van Nouvelles Clés

Vertaling : kris Biesbroeck.

 

 

11e zondag na Pinksteren : over de vergeving

11e zondag na Pinksteren

 Over de vergeving

 

vergeving

 

LEZINGEN :

Eerste Lezing : 1 Kor.9,2-12

Al ben ik voor anderen geen apostel, voor u toch zeker wel; want u bent in de Heer het waarmerk van mijn apostelschap.  Dit is mijn antwoord aan mijn critici. Hebben wij niet het recht om te eten en te drinken? Hebben wij niet het recht om een christenvrouw mee te nemen, zoals de andere apostelen en de broers van de Heer en Kefas? Of zijn Barnabas en ik de enigen die verplicht zijn te werken voor hun levensonderhoud?
 Welke
soldaat betaalt ooit zijn eigen soldij? Wie plant een wijngaard en eet niet van de vruchten? Of wie weidt een kudde zonder de melk van de kudde te gebruiken? Dit zijn niet enkel menselijke overwegingen, de wet zegt precies hetzelfde, of niet soms? In de wet van Mozes staat immers: Een dorsende os mag men niet muilbanden. Bemoeit God zich hier werkelijk met de ossen, of gaat het eigenlijk over ons? Natuurlijk, met het oog op óns staat er geschreven dat de ploeger moet ploegen en de dorser moet dorsen in de hoop zijn deel te ontvangen. Als wij in u een geestelijk gewas gezaaid hebben, is het dan te veel gevraagd als wij van u stoffelijke steun verwachten? Als anderen zulke aanspraken op u hebben, dan wij toch zeker! Maar wij hebben van dit recht geen gebruik gemaakt, en willen liever alles verduren dan de prediking van Christus’ evangelie belemmeren.

Evangelie : Mattheüs 18,23-35

In dit opzicht gaat het met het koninkrijk der hemelen als met een koning die met zijn dienaren afrekening wilde houden. Toen hij begonnen was met afrekenen, werd er iemand bij hem gebracht die een schuld had van tienduizend talenten. Omdat hij niet kon betalen, gaf de heer het bevel om hem met vrouw en kinderen en alles wat hij had te verkopen, zodat hij zou kunnen betalen. Daarop viel de dienaar voor hem neer en vroeg: “Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen.” De heer kreeg met die dienaar te doen en liet hem vrij, en hij schold hem het geleende geld kwijt. Toen die dienaar buiten kwam, trof hij een van zijn mededienaren, die hem honderd denariën schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: “Betaal wat je me schuldig bent.” Daarop viel zijn mededienaar voor hem neer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, en ik zal je betalen.”Dat wilde hij niet, integendeel, hij liet hem zelfs gevangenzetten tot hij het verschuldigde bedrag betaald zou hebben. Toen zijn mededienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij buitengewoon ontstemd en gingen alles wat er gebeurd was aan hun heer vertellen. Toen riep zijn heer hem bij zich en zei: “Jij slechte dienaar, ik heb je heel die schuld kwijtgescholden, toen je mij daarom smeekte. [Had juist jij geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik medelijden heb gehad met jou?” En zijn heer werd zo kwaad, dat hij hem overleverde aan de beulen, totdat hij heel zijn schuld zou hebben terugbetaald. Zo zal ook mijn hemelse Vader met jullie doen, als niet ieder van jullie zijn broeder van ganser harte vergeeft.

Christenen klagen over behandeling in Turkije

ISTANBUL – REPORTAGE CHRISTENEN KLAGEN OVER BEHANDELING IN TURKIJE Ongeveer vijfhonderd christenen trokken naar Trabzon om een mis te houden in het Sumela-klooster. Turkse ambtenaren bliezen de aangestoken kaarsen uit en stuurden hen weg. ‘Turken bouwen overal in Europa moskeeën, maar wij mogen niet eens in onze kerken bidden. Het is echt onacceptabel wat ze ons aandoen.’
Van onze correspondent in Turkije

Het klooster in Trabzon ligt op een bergtop. De klim begint bij de zee en eindigt in de wolken die de muren van het klooster likken. Honderden Grieks-orthodoxen hadden de wandeling langs de kleine watervallen, enorme rotsen en een schilderachtige natuur achter de rug toen ze hun gebed wilden beginnen. Maar de museumdirecteur stak daar een stokje voor.

Even later mengde ook de gouverneur van de stad zich in de discussie. De bezoekers, onder wie de gouverneur van de Griekse stad Thessaloniki, moesten afdruipen. Ze verlieten het zestienhonderd jaar oude klooster, zonder te kunnen bidden. Want volgens de Turken is Sumela tegenwoordig een museum.

Sumela is niet de enige christelijke ruimte in Turkije die aan banden is gelegd. De bekendste kerk waar geen mis gehouden mag worden, is de Aya Sophia in Istanbul. In de Armeense kerk Akdamar in het oostelijke Van -door de Turkse overheid gerestaureerd en in 2007 officieel heropend als museum- mogen christenen evenmin vieringen opdragen. En de Griekse school van het klooster op het eiland Heybeli in Istanbul is sinds 1971 dicht; door dat verbod op onderwijs kunnen de Grieken geen geestelijken meer opleiden in Turkije.

Een 41-jarige Griek die vorige week bij de kleine schermutseling in Trabzon aanwezig was, wil liever niet dat zijn naam in de krant wordt genoemd. ‘Ach, je weet maar nooit. De niet-moslims hebben zoveel naars moeten meemaken in dit land’, zegt hij lachend. Zijn witte tanden blinken door de felle zon boven Istanbul. ‘We gingen naar Trabzon om de dood van moeder Maria te herdenken. Er waren ook mensen uit Rusland en Georgië aanwezig. Geestelijken moesten op het vliegveld hun priesterkledij uittrekken, omdat die te provocerend zou zijn. Moet het niet afgelopen zijn met die houding? De Turken bouwen overal in Europa duizenden moskeeën, maar wij mogen niet eens in onze kerken bidden. Ik vind het echt onacceptabel wat ze ons aandoen.’

Ook hij heeft een kaarsje aangestoken in het klooster. ‘Toen ik zag dat ze alle kaarsen uitbliezen, ben ik ermee naar buiten gegaan. Daar heb ik gebeden en gewenst dat we weldra onze kerken en kloosters terugkrijgen.’ Nu hij toch hier is, gaat de veertiger de Aya Sophia in. Bijna fluisterend zegt hij: ‘Ik weet dat het niet mag, maar ik ga binnen toch stiekem bidden.’

Mede door het harde Turkse beleid is het aantal christenen in Turkije geslonken tot een paar duizend. Vooral de Grieken zijn in de loop der jaren -soms gedwongen, vaak ook vrijwillig- vertrokken uit het land waar ze vroeger zo sterk vertegenwoordigd waren. Maar hoe klein de groep nu ook is, toch blijft Istanbul van groot belang voor de Grieken omdat ze de thuisstad is van de Grieks-orthodoxe patriarch.

Vader Dositeos, de woordvoerder van de patriarch, ziet geen reden voor pessimisme. Hij koestert de hoop dat de huidige islamistische regering de beperkingen zal tenietdoen die de vorige seculiere, republikeinse bestuurders hebben opgelegd, omdat hij in premier Recep Tayyip Erdogan gelooft.

‘Erdogan is tegenover de niet-moslims in Turkije een stuk milder dan zijn voorgangers’, zegt Dositeos. ‘Hij is de enige premier die openlijk heeft gezegd dat de niet-moslims in het verleden bloot hebben gestaan aan een fascistisch beleid. Zo’n uitspraak betekent heel veel voor ons. Ik geloof dat hij ook van harte wenst dat onze problemen worden opgelost. Ik verwacht dat onze priesterschool op Heybeli-eiland binnenkort zal opengaan. Ik hoop het enorm. Want zoals nu het ervoor staat, hebben we over tien jaar geen geestelijk kader meer in Turkije.’

Enkele dagen na de ruzie bij Sumela schrijft een Turkse krant dat in de Akdamar-kerk misschien één keer per jaar een mis zal mogen plaatsvinden. De regering buigt zich momenteel over het voorstel, maar de ultranationalistische Grijze Wolven hebben al gereageerd: ‘Als dat gebeurt, maken we van de Aya Sophia een moskee.’

Voor veel Turken is het al een grote vernedering dat de Aya Sophia geen moskee meer is sinds de oprichting van de Turkse seculiere republiek. ‘Als de Grieken maar niet denken dat het een kerk wordt. We hebben al te veel concessies gedaan’, schrijven de extreemrechtse Turken op internetsites.

Bron: http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=BI2DT3AU

Petrus damianus : Vanaf nu, in deze tijd, het honderdvoud ontvangen

H. Petrus Damianus (1007-1072), kluizenaar en vervolgens bisschop, Kerkleraar
Sermon 9 ; PL 144, 549-553

PetrusDamianus_02

“Vanaf nu, in deze tijd, het honderdvoud ontvangen” (Mc 10,30)

      Het is nodig dat we onthecht van onze bezittingen en van onze eigen wil leven, als we Hem willen volgen die “geen plaats had om zijn hoofd neer te leggen” (Lc 9,58) en die gekomen is “om niet zijn wil te doen, maar de wil van Degene die Hem gezonden had” (Joh 6,38)… Weldra zullen we uit ervaring weten wat de Waarheid beloofde aan wie alles verlaat en Hem navolgt: “Hij zal het honderdvoud ontvangen…, en hij zal het eeuwig leven erven” (Mc 10,30). De gave van het honderdvoud is immers voor ons een troost voor het navolgen, en het bezit van het eeuwig leven zal altijd ons geluk zijn in het hemels vaderland.

       Maar wat is het honderdvoud? Dat zijn eenvoudigweg de vertroostingen van de Heilige Geest die zoet zijn als honing, zijn bezoeken en zijn eerste vruchten. Dat is de getuigenis van ons geweten, dat is het gelukkige en zeer vreugdevolle wachten van de rechtvaardigen, dat is de herinnering aan de overvloedige goedheid van God, dat is ook werkelijk zijn immense tederheid. Zij die de ervaring van deze gaven hebben, hebben het niet meer nodig dat men er met hen over spreekt, en wie kan deze gaven met eenvoudige woorden beschrijven aan degenen die er geen ervaring mee hebben?

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Athanasius van Alexandrië : U zult een schat in de hemel bezitten

H. Anastasius (295-373) bisschop van Alexandrië en Kerkleraar
Het leven van de H. Antonius, vader van de monniken, 2-4

 

Athanasius van Alexandrië57

 

“U zult een schat in de hemel bezitten”

      Na de dood van zijn ouders, toen Antonius tussen de achttien en twintig jaar oud was…, kwam hij op een dag in de kerk op het moment dat het Evangelie voorgelezen werd, en hij hoorde dat de Heer tegen de rijke jongeling zei: “Als je volmaakt wilt zijn, ga en verkoop alles wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zul je een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij”. Antonius had de indruk dat die lezing speciaal voor hem bedoeld was. Hij ging meteen naar buiten en gaf zijn bezittingen aan de mensen in het dorp. Na zijn andere bezit verkocht te hebben, gaf hij al het geld dat hij had aan de armen en zette een klein deel apart voor zijn zusje.

      Een andere keer ging hij weer eens de kerk binnen en hoorde de Heer in het Evangelie zeggen: “Maak je geen zorgen over de dag van morgen” (Mt 6,34). Hij kon het niet verdragen dat hij nog iets achtergehouden had, en dat gaf hij ook aan de armste mensen. Hij bracht zijn zus onder bij bekende en trouwe vrouwen, die samen in een huis woonden, om bij hen opgevoed te worden. En hij heeft zich vanaf dat moment, dicht bij zijn huis, toegewijd aan het ascetische leven. Hij was waakzaam over zichzelf en hij volhardde in een streng leven…

     Hij werkte met zijn handen, want hij had dit woord gehoord: “Wie niet wil werken, niet zal eten” (2Tes 3,10). Hij kocht zijn brood met een gedeelte dat hij verdiende en verdeelde de rest onder de behoeftigen. Hij bad zonder ophouden, want hij had geleerd “bid onophoudelijk en in eenzaamheid” (Lc 21,36). Hij was zo oplettend op wat er gelezen werd dat hij niets verloren liet gaan van de Schrift en onthield alles; vervolgens kon zijn geheugen de boeken vervangen. Alle inwoners van het dorp en alle godvrezende mensen die hem vaak bezochten en die hem zo zagen leven, noemden hem vriend van God. Sommigen hielden van hem als van een zoon en anderen als hun broer.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Elisabeth Behr-Sigel : de ervaring van de Heilige Geest in de orthodoxe Kerk

De ervaring van de Heilige Geest in de orthodoxe Kerk

Door Elisabeth Behr Sigel

 

behr-sigel

 

Orthodoxe theologen en spirituele mensen onderlijnen het verborgen , mysterieuze karakter van de Derde  Persoon van de drie-eenheid.  Zij constateren een soort anonimiteit van de Geest, waarvan de volle openbaring enkel op het einde der tijden wordt verwacht. De geest heeft geen eigen naam. Spiritualiteit en heiligheid behoren toe aan de Drie  goddelijke Personen. Terzelfdertijd  heeft de Geest vele namen. Alles wat de mensheid verheft boven zichzelf, alles  wat het werk en de uitstraling is van de Heilige Geest. “Gij hebt vele namen, hoe zal ik je noemen, Gij die men niet kan noemen ?” roept Gregorios van Nazianze uit. ” Uw naam, zo begeerd en voortdurend aanroepen, niemand kan zeggen wie het is”, zingt de byzantijnse mystieker Symeon de Nieuwe Theoloog.

De Geest heeft geen onthuller in de andere goddelijke Persoon, stellen de Kerkvaders vast. “De beelden zelf waarmee de Schrift de Geest beschrijft blijven duister”, schrijft de monnik van de Oosterse Kerk. “Hij is een vlam, zalving, parfum. Hij is een duif die vliegt en rust – en hij is tegelijk niets van dit alles” (Een monnik van de Oosterse Kerk, de duif en het lam, Chevetogne, 1979,pp.13-14). De Geest, is de anonieme God die in de wereld aanwezig is zonder zich ermee te vermengen. Zijn persoon  verbergt zich tegelijk in hem aan wie hij zich geeft, Christus, waarvan hij de tegenwoordigheid actualiseert, en in hen aan wie Hij zich geeft.

Er is dus ook een kenose van de Geest, zoals er een kenose van de Zoon van God is. De Geest ontledigt zich en verootmoedigt zich als persoon om de Zoon des mensen  te openbaren  en in de mensen.

“Zijn tegenwoordigheid is verborgen in de Zoon zoals de adem en de stem verdwijnt  voor het woord die zij hoorbaar maken” schrijft Paul Evdokimov (L’Esprit Saint dan la Tradition orthodoxe, p88). Het is in de volheid der tijden, in de veelheid van de verlichte aangezichten door hen, de menselijke personen die hij geheiligd heeft, het is in de Kerk-mensheid die de  vrouw geworden is,omhuld met de zon uit de Apocalyps (Hand.12,1-2), dat de persoon van de geest onthuld zal worden. De geest kennen, hier en nu, betekent zijn kracht ontvangen, maar het is ook, zoals de heiligen het getuigen, zich laten binnenleiden in het mysterie van zijn tederheid, het zichzelf wegcijferen, de vreugde, in de wederzijdse zelfgave. Zo is het einde van de christelijke existentie, het Koninkrijk van God waarvan wij de komst afsmeken.  Het is kenmerkend dat in  sommige zeer oude teksten van het Onze Vader, het afsmeken van het Koninkrijk van God wordt vervangen door de vraag : “dat uw Geest kome”.

In dit perspectief betekent Pinksteren de ultieme  openbaring die wij zouden kunnen ontvangen in dit aardse leven, een anticipatie van deze waarnaar wij verlangen – en waarnaar wij gaan in geloof en hoop. De gave van de Heilige geest kondigt zich aan en bevat de cosmische transfiguratie in kiem, de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, het hemels Jeruzalem waar God elke traan wist. Daarom komen op de dag van Pinksteren de gelovigen naar de Kerk met groene takken en bloemen. Zij symboliseren het nieuwe van de Geest, die van de verrezen Christus,die vloeit op de aarde en op de mensen, de goddelijke belofte vervullend : ” In zal een nieuwe Geest over hen zenden, ik zal uit hun lichaam het hart van steen  weghalen en zal hen een hart van vlees geven ” (Ez.2,19).

Eén van de specifieke uitingen van dit veranderen van hart is de staat van de ziel welke de Russen oumilénié noemen,  “ontroering” : pijnlijke vreugde, gemengd met tranen, universele godsvrucht, exstase wanneer het hart zich verblijd  over de dimensies van het universum, van gans de schepping die in barensweeën verkeert en die  zuchtend streeft – maar met hoop – naar de openbaring van de Zonen en dochters van God ( cf. Rom.8,18-23). Van de woestijnvaders tot de byzantijnse mystiekers en de russen, van Ephraïm de Syriër tot Symeon de  Nieuwe Theoloog, van Tikhon en Seraphim van Sarov tot Aliocha Karamazov ( personnage uit de roman “De gebroeders Karamazov van Dostoïevski) en in de anonieme ‘russische pelgrim”, doorkruisen de accenten van deze smartelijke vreugde de oosterse spiritualiteit in een immense doxologie.

Het meest gewoon gebed gericht tot de Geest in de orthodoxe Kerk aanroept hem als ‘Koning van de hemel’. De koninklijkheid van de Geest wordt nochtans nooit in  de kerkelijke godsvrucht beschouwd als een soort ‘derde rijk’ die zou volgen op dat van de Vader en de Zoon, als een nieuwe openbaring, volgens de illusie van sommige duizendjarige secten en die dikwijls gevolgd worden door nobele en grootmoedige geesten. De orthodoxe godsvrucht scheidt nooit de geest van de Zoon en de Vader. Zijn koninklijkheid, schrijft de Monnik van de Oosterse Kerk, bestaat erin “zijn onderwerpen te doen buigen naar diegene die gezegd heeft tot Pilatus : “Ik ben koning” (Joh.18,37). De functie van de Geest is om Jezus aan de mensen mede te delen, zijn genade,  het inzicht in Zijn Woord en Zijn verrijzenis. En terzelfdertijd in hen en onder hen het rijk van de Zoon te grondvesten. Hij toont hen met hem en in hem en door hem het rijk van de Vader, totdat God in allen zij (cf. 1 Kor.15,24-28).

De gave van de Geest zou in dit perspectief niets anders zijn dan een buitengewone gave, alleen gegeven aan sommigen. Leven in de Heilige Geest, dat is de roeping van elke Christen en tenslotte de ultieme roeping van elk menselijk zijn. In zijn beroemd onderhoud met Nicolas Motolitov, zegt de heilige Seraphim van Sarov, een Russische heilige uit de XIXe eeuw, aan zijn leerling en vriend : “Het gebed, de vasten, de waken en elk ander Christelijk werk zijn goed op zichzelf. Echter, het is niet in hun vervulling dat het doel van het christelijk leven bestaat. Het zijn slechts middelen. Het waarachtig doel van het christelijk leven is de verwerving van de Heilige Geest”. De heilige Seraphilm van Sarov doet niets anders dan – in de taal van een simpele Russische monnik, een taal waarin men niet te veel de termen moet benadrukken – de vaste leer van de Kerk te onderwijzen, Helaas, dikwijls  verduisterd door het ritualisme en het legalisme, maar altijd aangepast voor de authentische spirituelen.

Tien eeuwen voor Sint Seraphim, vermaande Symeon de Nieuwe Theoloog zijn tijdgenoten : ” Het zegel van de Geest is vanaf nu gegeven aan de gelovigen…aangespoord door dit geloof, loop zoals het behoort om het doel te bereiken….Klopt totdat men u opent en   dat gij binnen de bruidskamer de Bruid kunt aanschouwen”. Dit appel en nog andere analoge die verspreid worden door deze bijbel van de mystiek van de Oosterse Kerk, dat de philocalie is, miljoenen orthodoxen hebben niet opgehouden het te bemediteren : hesychasten van de Athos berg, monniken-eremijten van Rusland en Moldavië, leerlingen van Nil van de Sora (Sorsky) of de staretz Païssii Velitchkovski, maar ook eenvoudige leken, mannen en vrouwen levend in deze wereld, zoals de beroemde Verhalen van de Russische pelgrim. Vandaag nog, is het spirituele gebed of het gebed van het hart de geheime bron die de orthodoxe  vroomheid  besproeien. Ee
n gebed waarvan de naam van Jezus in zekere zin de materie vormt en waarvan de kracht de Adem is, de onuitsprekelijke Geest verenigt met de menselijke adem.

De Geest en de Kerk

De persoonlijke bewustwording van de inwoning van de Geest, “God is intiemer dan mijn intiemste”, situeert zich nochtans in een kerkelijke context. De Kerk is, volgens de orthodoxe opvatting, bij uitstek “de plaats waar de Heilige Geest werkzaam is”. Deze definitie is ons gegeven door Vader nicolas Afanassieff in zijn boek “L’Eglise de l’Esprit Saint” (De Kerk van de Heilige Geest). Het werd hernomen door de libanese metropoliet Georges Khodr in een communicatie die hij gedaan heeft op het theologisch colloquium over de heilige Geest te Rome (maart 1982) : “De Kerk is geactualiseerd op de dag van Pinksteren door de Geest en in de Geest. Zij is de plaats waar de Heilige Geest handelt en de Geest is haar principe van activiteit door de charisma’s”. En Georges Khodr citeert het gezang van de grote vespers van Pinksteren : “De Geest doet de profeten opspringen als een bron ; hij stelt de priesters aan ; de zondaars, hij maakt theologen , hij vormt de Kerk”. En om de woorden van de heilige Johannes Chrysostomos  op te roepen : ” Indien de Geest niet aanwezig was in haar midden, dan zou zij niet blijven bestaan. Indien zij blijft bestaan, dan is dit een teken van de aanwezigheid van de Geest”.

Er is geen tegenstelling in dit perspectief tussen “het instituut” en de “Charisma’s”. Er zijn verschillende functies in de Kerk. Spanningen ontwikkelen zich, te wijten aan de menselijke zonde. Maar de Geest  is de enige bron van de gaven die aan ieder gegeven worden met het oog op het bouwen van het gemeenschappelijk spirituele huis, waarvan alle gelovigen de kostbare en noodzakelijke stenen zijn. Als plaats waar de Heilige Geest handelt beschikt de Kerk niet over hem als haar eigendom, krachtens een magische priesterlijke macht die de  bedienaar zou bezitten. Als gave en gever geeft de Geest zich in vrijheid. Hij is de persoon-gave die zichzelf geeft om met de Zoon, de wil van de Vader te vervullen. Hij is het antwoord van de Vader op het nederige en vertrouwvolle gebed van de Kerk, conform de woorden van het evangelie : “Vraagt en gij zult verkrijgen…Klopt en er zal u worden opengedaan. Als gij dus , die slecht zijt, de goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer dan zal uw hemelse vader zijn heilige Geest geven aan hen die erom vragen.”(Luc.11,13). De orthodoxe eucharistische liturgie bereikt haar hoogtepunt in de épiclese : een dringend gebed gericht tot God om Zijn Heilige Geest te zenden, tegelijk over de gaven om ze te veranderen in het lichaam en bloed van Christus en over de gelovigen opdat het ontvangen van deze gaven voor hen zouden zijn “zuivering van de ziel, vergeving der zonden, communicatie met de Heilige Geest en vervulling van het Koninkrijk der hemelen “. Zo is elke eucharistie de actualisatie van zowel Pasen als Pinksteren, communio, door en in de Heilige Geest voor de gelovigen ten overstaan van de bevrijdende verlossing van het heil dat vervuld is door Christus eenmaal voor allen (Hebr.10,10) “Wij hebben het ware licht aanschouwd, wij hebben de Heilige Geest ontvangen” zingen de gelovigen na de eucharistische communie.

Zo sterk uitgedrukt in de eucharistische epiclese, vergezeld en authentificeert  de Geest alle sacramenten. Zij is de ademhaling van de Kerk : gans het leven van de Kerk is epicletisch, ’t is te zeggen, afwachting, aanroeping en ontvangst van de Geest. De figuur van de kerk is de biddende die men ziet op de muren van de catacomben : de vrouw rechtop, haar lege,open handen omhoog naar de hemel gericht. Als gemeenschappelijk werk, volgens de ethymologische betekenis van het woord, actualiseert de liturgie het gebed van de Geest en de bruid : “Kom, Heer Jezus…Maranatha” (Apoc.22,17-20). Als antwoord doet de Heer de bruid deelnemen aan haar Pasen. Zo is de dialoog die het liturgisch gebed uitdrukt, als een echo van de eeuwige dialoog, in het intertrinitaire leven, van de Duif en het Lam. “De liturgische bijeenkomst”, schrijft Georges Khodr, “is een bruidsvergadering die  de bewoners van hemel en aarde omvat en zelfs het universum. Haar bezieler, de daadwerkelijke liturgie, is de Geest “gever van het leven”. Aanwezig in de christelijke bijeenkomst, zingt de Geest in haar, spreekt hij ten beste in haar bij de Vader. De Kerk smeekt de Geest heiligmaker en verlichter  dat zij haar zet – en in haar elke gelovige- in de staat van het gebed” (Georges Khodr, “L’Esprit Saint dans la Tradition orthodoxe” SOP, supplément n° 68np.7).). Dit gebed sluit de Kerk niet op in haarzelf. Zij verruimt haar tot wereldse dimensies. Als wij, door de Heilige Geest, de aanwezigheid van de Heer midden onder ons kunnen waarnemen, dan worden wij opgeroepen om zijn aangezicht waar te nemen in elk menselijk wezen, vooral in de minsten van onze broeders.

Wanneer de priester, op het einde van de eucharistische liturgie zegt : “Laat ons heengaan in vrede”, dan wil dit zeggen, zoals vader Bobrinskoy eraan herinnert, dat wijzelf dragers zijn geworden van de Geest, dat wij geroepen zijn om het Goede Nieuws te zijn voor de wereld, verenigt met hem die het Goede Nieuws in persoon is.

Als gratis gave wordt de genade van de Geest gegeven aan de gelovige voor de geestelijke strijd in zijn eigen hart en in de wereld. Zij is Koninklijke en priesterlijke zalving die zichtbaar wordt in de cultus “in geest en waarheid” waartoe de mensheid is geroepen (cf.Joh.4,24). : offerande van zichzelf en het nutteloze universum waarvan hij de woordvoerder is, aan de Vader als de bron van de liefde zonder grenzen. Een offerande die de werken van een authentische menselijke cultuur zou kunnen veranderen in een cultus. Zo is de doelgerichtheid kenbaar gemaakt door het sacrament van het chrisma zoals het wordt  toegekend in de orthodoxe kerk, na het doopsel. Wij vermelden hierbij de zalving met het heilig chrisma over alle leden en in het bijzonder over de zintuigen, die het menselijk wezen in relatie stelt met zijn gelijken en met de wereld, deze zalving consacreert hem totaal aan God, opdat zijn ganse leven, hier en nu wordt veranderd, in afwachting van de uiteindelijke cosmische transfiguratie.

De Geest en de éénheid van de Kerk

Een voorafbeelding van de éénheid in Christus in de schepping in haar geheel, op het einde der tijden  wanneer “God alles in allen zal zijn” (1 Kor.15,28),is de éénheid van de Kerk in orthodox perspectief,  als een  gave van de Geest. Het is de geest die de Kerk bijeenbrengt; een vergadering van hen die Hij heeft geroepen uit het Oosten en het Westen om ondergedompeld te worden in de dood van Christus en te verrijzen met Hem door hen het nieuwe leven te schenken in de uitstraling van de trinitaire liefde.

Zoals Vader Jean Meyendorf  merkt op,  (Jean Meyendorf, Introduction à la théologie Byzantine, pp232-233, Seuil, 1975) dat in de byzantijns liturgische taal, de griekse term koinonia – Communio -specifiek de aanwezigheid van de Geest in de eucharistische  bijeenkomst aanduidt. Aldus is het idee evident dat de communio van de Vader, de Zoon en de Geest – deze communicatie van de Heilige Geest die de mens binnenleidt in het goddelijke leven, en de communio-communauté die er is tussen de mensen, in Christus, door de Geest, niet alleen worden aangeduid met hetzelfde woord maar ook geworteld zijn in  dezelfde realiteit. De eucharistische communio is een gave bij uitstek van de Geest, ze geeft
vorm aan en actualiseert sacramenteel, de Kerk in haar volheid en dit in een gegeven plaats en tijd.

Door de uitstorting van de Geest, wordt een virtuele gemeenschap van zondaars veranderd zodat het Lichaam van Christus in hen aanwezig is, “De Kerk is één, heilig, katholiek en apostolisch”.

Deze band tussen de sacramentele eucharistie en de éénheid van de Kerk die zij actualiseert door de gave van de Heilige Geest wordt sterk uitgedrukt in het anafoor  van Sint Basilius : “Wij bidden en smeken u, o Heilige der Heiligen, opdat door uw goedheid, uw Heilige Geest over ons en over de gaven die wij nu offeren kome, en dat hij ze zegent, heiligt en kenbaar maakt als het kostbaar Lichaam van onze Heer en God, en deze kelk als het kostbaar Bloed van onze Heer en Verlosser Jezus Christus… en dat de Geest ons allen, die het Brood en de Kelk delen, in de gemeenschap van de Heilige Geest, moge verenigen.”

Geworteld in de gemeenschap van de Drie Goddelijke Personen is de kerkelijke communie ook een communio tussen personen. Traditioneel wordt in de Kerk van het Oosten ieder die communiceert genoemd bij zijn naam. “Het is omdat ieder van ons de tempel van de Heilige Geest is en dat wij gezamenlijk het “lichaam van Christus” vormen” (Un Moine de l’Eglise d’Orient, op.cit.p21). Eén van de thema’s uit de byzantijnse hymnologie van Pinksteren is de parallel tussen de “verwarring van Babel” en de harmonie die gegrondvest is door de nederdaling van de Geest onder de vorm van vurige tongen die op ieder rustte, “Hij riep ons allen op tot éénheid, zo verheerlijken wij ook met één stem de Alheilige  Heilige Geest” (Kondakion van Pinksteren).

De gave van de geest heft de pluraliteit van personen niet op. Hij schaft deze onuitsprekelijke verschillen tussen de één en de ander niet af. Maar door de uitstorting van de Geest, triomfeert God op de zaaier van verdeeldheid – diabolos –  die de verschillen omvormt tot een instrument van scheiding, onderdrukking, wederzijdse uitsluiting. De Geest is de ziel van de symfonie van de schepping die sacramenteel wordt geanticipeerd in de Kerk, maar die zich slechts ten volle zal realiseren wanneer de tijden vervuld zijn.

Het empirische leven van de historische Kerken ontkent dikwijls deze visie, die nochtans ingeschreven staat in de diepten van het kerkelijk geweten. Moge de kerk worden zoals ze is in de gedachten van de levende God ! Mogen wij Kerk worden door de altijd vernieuwende uitstorting van de Geest !

 

Koning van de hemel, trooster, Geest der Waarheid

Die overal tegenwoordig zijt en met wie alles vervuld is.

Schatkamer van alle goed, en Gever van het leven

Kom en verblijf in ons

Zuiver ons van alle smet, en red onze zielen, O Algoede.

 

(Uittreksel uit : Quelques aspects de le théologie et de l’experience de l’Esprit Saint dans l’Eglise orthodoxe aujourd’hui”, Contacts, Vol.36)

 Vertaling : Kris Biesbroeck