Job Getcha : Hoe getuigen in een wereld die niet gelooft

Hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft

 Archimandriet Job Getcha

De vraag : hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft is niet gemakkelijk te behandelen, maar zij blijft niettemin actueel. Wij pretenderen niet hierop een antwoord of antwoorden te hebben. Daarom stellen wij voor hier samen over na te denken, door stil te blijven staan bij vier punten : de kracht van de christelijke boodschap, de zwakheden van de Kerk in haar missie, de beschikbare middelen voor de christelijke missie in de wereld van vandaag en tenslotte de zwakheden van de hedendaagse wereld.

De kracht van de christelijke boodschap

Indien men vandaag iemand vraagt wat het christendom is, dan kan men zich in het beste geval aan een antwoord verwachten als : “Het christendom is een monotheïstische religie, gesticht op het leven en de leringen van Jezus van Nazareth”. Men stelt in feite het christendom voor als één van de drie monotheïstische religies, als één van de drie religies van het boek, en deze definitie doet ons onmiddellijk denken aan een tekst, aan de stichter van het boek, aan een reeks regels, wetten, bevelen, leringen.

Maar in feite is het christendom geen religie. Het komt niet voort uit een stichter van een boek. Het is ook geen eenvoudige filosofie uitgewerkt door een groot meester. Het is vóór alles een gebeurtenis, vooreerst dat van de Incarnatie, van het binnendringen van God schepper in de schepping, in de geschiedenis, alsook van zijn heilswerk die gerealiseerd is in de dood en verrijzenis van Christus. Sint Paulus zegt ons : “Indien Christus niet is verrezen, dan is onze prediking ijdel, en uw geloof ook” (1 Kor.15,14). Het christendom is dus een boodschap van hoop en een bron van vreugde voor de mensheid : dit van de verlossing uit de boeien van de dood en de zonde . Het is daarom dat de heilige Serafim van Sarov, telkens hij iemand ontmoette, hem groette zeggende : “Mijn vreugde, Christus is verrezen !”.

Alhoewel geïncarneerd in de wereld, introduceert het christianisme ons in het eeuwige leven. “Welnu, het eeuwig leven, – vertelt ons het evangelie volgens Johannes, is dat ze u erkennen, u de enige ware God en hem die gij gezonden hebt, Jezus Christus” (Joh.17,3). Het christendom geeft ons de mogelijkheid tot een nieuw leven. In het christendom is niets onmogelijk. De geïncarneerde God is geen boosaardige God, veeleisend, maar integendeel, Hij die de mensheid komt genezen, ze vernieuwen,  de zonden vergeven en ze redden. Het heil, in christelijk perspectief, zoals het wordt naar voor gebracht bij de oosterse Vaders, is een proces van genezing en verzoening.

Eén van de sterke punten van de christelijke traditie, bijzonder dierbaar aan de oosterse traditie, is het idee van déificatie en divinisatie. Het is gebaseerd op de woorden van de apostel Petrus die ons oproept om “deelgenoten van de goddelijke natuur” te worden (2 Petrus 1,4). Deze uitnodiging werd op de volgende manier geïnterpreteerd door Ireneüs van Lyon : ” Het Woord van God is mens geworden, en de Zoon van God, de Zoon des mensen opdat de mens, door zich te vermengen met het Woord en aldus  het aangeworven verwantschap op zich te nemen, Zoon van God te worden” . De heilige Athanasios van Alexandrië wordt op zijn beurt de woordvoerder van deze theologie van de divinisatie door aldus zijn verhandeling over de Incarnatie samen te vatten : ” (God) is mens geworden opdat wij god zouden worden” (Athanasius van Alexandrië, de L’Incarnation du verve, 312).

Het patristisch thema over de déificatie of de divinisatie (qevwsi”)  is op een bijzondere wijze tot een erepunt van gemaakt vanaf de VIe eeuw in het Corpus Dionysion. Immers ,voor  de auteur die zich identificeert als Dionysios de Areopagiet, is het heil (swthriva) “slechts mogelijk  door de déificatie van hen die gered zijn (qeoumenwn). En de divinisatie (qevwsi”) is gelijken op God en ons verenigen met Hem voor zover wij het kunnen”. Nadenkend over de kerkelijke hierarchie als wijze van overdracht van de goddelijke energieën, is Dionisios van mening dat de déificatie zich realiseert door de sacramenten van de Kerk Hiervan geeft hij een commentaar in zijn verhandeling : ” Het is door de tastbare symbolen (aijsqhtw’n sumbovlwn) dat wij ons zo  veel als wij kunnen verheffen tot aan de goddelijke contemplaties” .

Het is op hetzelfde plan van de déificatie of de divinisatie (qevwsi”) dat de hesychasten, vanuit deze dionissische traditie, in de XIVe eeuw het heil van de mens zullen plaatsen. De heilige Gregorios Palamas zegt ongeveer hetzelfde als de heilige Athanasios wanneer hij zegt : ” Door mens te worden en de dood op zich te nemen, vormt Christus de mensen om tot zonen van God, door hen te doen communiceren aan de goddelijke onsterfelijkheid (koinwnou;”poihvsa” th’ “qeina”ajqanasiva”)”. Aldus doet zich het heil voor in het dynamisch perspectief van de vereniging van de mens met God, een vereniging die slechts mogelijk is vanaf het moment dat God geïncarneerd is.

De hesychastische  byzantijnse monniken van de 14e eeuw leggen de nadruk op het feit dat het gebed en de sacramenten van de Kerk de twee middelen zijn waarvover de mens beschikt om zijn vereniging met God te realiseren. “Welnu, men verenigt zich met Hem”, zegt ons de heilige Gregorios Palamas, “zoveel als mogelijk is, door met hem gelijke deugden te delen, en door de vraag en de vereniging in het gebed met God te delen”. In verband met de sacramenten schrijft de heilige Gregorios Palamas : ” Hij verleent een volmaakte  verlossing, niet alleen aan de natuur die hij ons verleent in een onvergankelijke vereniging, maar aan iedereen die gelooft in Hem.. Met dit doel stelde hij het goddelijk doopsel in, hij bepaalt de wetten die leiden tot het heil, hij predikt aan allen de vergeving en communiceert zijn eigen lichaam en zijn eigen bloed. Het is niet eenvoudigweg de natuur, maar de hypostase van elke gelovige die het doopsel ontvangt, die leeft volgens de  goddelijke geboden en Hij communiceert ons met het vergoddelijkend brood  en de kelk”. Hieruit blijkt dat, om de liturgische theologie van de hesychasten te karakteriseren, het passend is dat men zich richt op het gebed en de sacramenten, zonder de vasten te vergeten die vanaf de antieke monastieke traditie een bepaald ritme geeft aan de ontmoeting van de mens met God.

Cabasilas zal van zijn kant zal het heil van de mens plaatsen op het plan van de deificatie of de divinisatie (qevwsi”). Sprekend over de christelijke initiatie, schrijft hij : ” Kan er een groter teken van goedheid en filantropie bestaan dan deze door dewelke wij, badend in het water, hij de zonden bevrijdt van de smet, door de zalving met myron, regeert hij vanuit het koningschap dat in de hemelen is en ontvangt aan zijn tafel, door zijn lichaam en zijn bloed te offeren ? Mensen worden goden en zonen van God, onze natuur ontvangt de eer die wij aan God verschuldigd zijn, en het stof is opgewaaid tot een zo hoge glorie dat zij zelfs de eer en de goddelijkheid verkrijgt van de goddelijke natuur zelf”.

Daaruit volgt dat het sterke punt van het christendom niet zodanig een doctrineel systeem is, een morele code, een filosofie van het leven, maar een ervaring v
an persoonlijke ontmoeting met God die elke mens kan doen doorheen de liturgie. In een middeleeuwse Slavische tekst, de Kroniek van het verleden, vertelt men ons dat het beslissende moment van de bekering van het Russische volk de ervaring was die de legaten van prins Vladimir van Kiev hadden tijdens de liturgie in de Haya Sophia te Constantinopel : ” wij wisten niet meer of we in de hemel waren of op aarde, want er is beslist niets op aarde boven deze schittering de schoonheid . Wij kunnen het niet beschrijven. Het enige wat wij weten, is, dat God midden de mensen woont, en dat hun liturgieën alle andere cultussen overtreft. Wij kunnen deze schoonheid niet vergeten”.

Maar zo een ervaring is niet gereserveerd voor de Middeleeuwen, maar blijft, ook vandaag nog, actueel. Vele van onze tijdgenoten kunnen ervan getuigen, zoals bijvoorbeeld de metropoliet Kallistos Ware het deed in verband met zijn ontdekking van de orthodoxe Kerk, toen hij nog een jong student was :

Ik ging de kerk van de heilige Pilippus binnen – zo was de naam van de kerk (russisch orthodoxe kerk te Londen), het eerste wat met trof, was dat ze leeg was. Buiten op straat scheen de zon, maar binnenin was het fris, hol klinkend en somber.  Al naar gelang mijn ogen gewend raakten aan het halfdonker was een zekere afwezigheid het eerste wat mijn  aandacht trok. Er waren geen banken, noch stoelen die netjes op een rij stonden; het geboende parket strekte zich voor mij uit als een grote lege ruimte. Plotseling realiseerde ik mij dat de kerk niet geheel leeg was. Er waren enkele gelovigen, het merendeel ouderen die verspreid waren over het schip en de dwarsbeuk. Op de muur brandden lampen voor de iconen, alsook kaarsen voor de iconostase naar het oosten gericht. Een onzichtbaar koor zong in de zijkant. Op een zeker ogenblik kwam een diaken uit het heiligdom en kwam de gehele kerk, de iconen  en de gelovigen bewieroken. Ik merkte dat zijn kledij van brokant oud en versleten was. Mijn indruk van een afwezigheid werd plotseling omgevormd in een gevoel van aanwezigheid. Ik voelde dat de kerk, verre van leeg, vervuld was met een menigte van onzichtbare gelovigen die mij van alle kanten omringden. Intuitief realiseerde ik mij dat wij, de zichtbare gemeenschap, deel uitmaakten van een veel grotere gemeenschap, en dat wij naargelang wij baden, wij weggevoerd werden in een daad die veel groter was dan de onze, in de onzichtbare celebratie die alles omvat, die tijd en eeuwigheid verenigt, de dingen van hierbeneden met de dingen van hierboven”.

Metropoliet Kallistos spreekt ons ook over een Godservaring doorheen de liturgie. In het Christendom is de leer in feite onscheidbaar van de verheerlijking van God. Voor vader Georges Florofsky, “het christendom is een liturgische religie. De Kerk voor alles een biddende gemeenschap. De liturgie komt eerst, de discipline daarna”. Het is doorheen de liturgie dat de waarachtige verheerlijking een uit uitdrukking wordt van het waarachtige geloof, dat de “lex orandi” (de regel van het gebed) “lex credendi”” (regel van het geloof) wordt. Vader Cyprianus Kern houdt eraan te herinneren dat de religieuze en theologische opvoeding in het oude Byzantium of het oude Rusland vóór alles overgedragen wordt door de liturgie : ” Er bestonden geen seminaries, academieën of faculteiten van Theologie, maar de God en mensdragende monniken en de godvruchtige christenen dronken het levend water van de kennis van God uit de stichieren, de canons, de catechesen, de inleidingen en de syndaxaria. Het koor en het ambon van de kerk vervingen dus de professorenstoel”. Van zijn kant, schrijft metropoliet Kallistos in zijn bekend boek, L’Orthodoxie – L’Eglise des sept conciles : ” Sommige leerstellingen, die niet officieel werden gedefinieerd, zijn door de Kerk ondersteund met een innerlijke overtuiging die zo evident is en zo een serene eenstemmigheid heeft dat dit gelijkstaat met een expliciet geformuleerde formule (…) Deze innerlijke Traditie ‘op mysterieuze wijze overgedragen” is bewaard gebleven in de Kerkelijke celebraties. Lex orandi lex credendi : ons geloof drukt zich vooral uit in ons gebed”. Het is dus doorheen de liturgie dat de mens God kan ontmoeten, kennis ervan kan nemen en hem kennen, niet enkel op een eenvoudige intellectuele wijze, maar op een diepere wijze, meer intiem, existentieel.

Indien het christendom een liturgische religie is, dan is het vooral omdat het chistelijk leven Christo-centrisch is, en dat Christus zich aan ons geeft doorheen de Kerk, doorheen de liturgie, doorheen de sacramenten. Op een bepaald dag vroeg ik aan een higoumen van een groot monasterie die een missionaire en pastorale roeping had over zijn manier van reageren. Hij zei me dat zijn gouden regel was, om Christus aan de wereld kenbaar te maken, om alles samen te brengen in Christus. Hij herinnerde mij eraan dat dikwijls, ongelukkiglijk, de gelovigen van de orthodoxe landen zo veel aandacht schenken aan miraculeuze iconen, aan  relieken van heiligen, aan mirakels enz…, en die zo het christendom  omvormen tot een magische religie. Al deze dingen zei hij, zijn niet slecht op zich onder voorwaarde dat de geest en de reden van bestaan van al deze dingen is : de incarnatie en de verrijzenis van Christus en het nieuwe leven die hij ons in hem schenkt. Het christelijk leven is een leven in Christus. Nicolas Cabasilas heeft zijn werk over het spirituele en sacramentele leven de titel gegeven “Het leven in Christus”. Ook de heilige Johannes  van Krohnstadt (1829-1908) zal ongeveer dezelfde titel gebruiken ” Mijn leven in Christus” voor zijn persoonlijk dagboek. De verrezen Christus doen kennen aan de wereld die niet gelooft is zonder twijfel de meest fundamentele zending van de Kerk.

De zwakheden van de Kerk in haar missie

Deze opdracht lijkt duidelijk voor ons, men moet bekennen dat de Kerk van vandaag goed de moeilijke positie van haar missie kent. Wij moeten bewust zijn van onze zwakheid in onze missie indien we er iets willen aan doen. Als voorbeeld blijven we even stilstaan bij vier zwakke punten die ons typisch lijken.

Het eerste zwak punt is, dat de Kerk al te dikwijls een gewoon instituut geworden is dat functioneert volgens de regels en de criteria van de mensen, daarbij vergetend dat zij boven alles het lichaam van Christus is en vol van de Heilige Geest. Al te dikwijls leven wij volgens twee modellen : het ene voor de uiterlijke wereld en de andere voor ons persoonlijk leven, het  ene voor ons leven van de Kerk en het andere voor ons leven van elke dag. Dikwijls gelijken wij op de missionaris die zei : “Doe wat ik je zeg en niet wat ik doe”. Welnu, met zo een hypocrisie  kan onze zending niet productief zijn. Hoe kan men in de wereld het vuur aansteken van het Woord van God, indien dit vuur in ons hart is uitgedoofd ? Indien wij de wereld willen raken , dan moeten wij dat doen met de vurigheid van ons hart, door onze gepassioneerde liefde voor Christus en door de uitstraling van de Heilige Geest in ons hart.

Ten tweede, dikwijls komt het christendom  naar voor, en dit vooral in het westen, als een morele code .Het is dit zwaarwegend moralisme, al te dikwijls hypocriet, dat de westerse wereld heeft verworpen, en vooral in de landen waar het geworden is tot een “verbod om te te gebieden”. Maar dit is niet vreemd aan de christen van het Oosten. Men spreekt nu meer en meer in de landen met een orthodoxe traditie van de sociale leer van de Kerk en men slooft zich uit om dikwijls de christelijke waarden van Europa te verdedigen. Dit alles heeft natuurlijk zijn plaats, haar reden van bestaan, voornamelijk in het politieke domein, maar indien dit alles niet wordt b
eleefd en geïncarneerd is in onze bestaanswijze, in ons leven, dan blijft alles dode letter.

Al te dikwijls hechten we meer belang aan regels, aan het canonisch recht, dan aan het Evangelie en de Geest. Er is een anekdote die ons vertelt dat een priester biechtvader slechts twee boeken in zijn leven gebruikt : het Pidalion (verzameling van canons) en het Evangelie. Maar het blijkt dat het Pidalion het meest gebruikte boek is. Welnu, dit is geen fictieve geschiedenis. Een vriend vertelde mij op een dag dat hij biechtvader was. Na de biecht, vroeg hij aan de priester of hij kon communiceren. De priester antwoordde hem van niet, want hij had gedurende meerdere dagen niet gevast, hij had niet voldoende gebeden en canons opgezegd, en hij dus onwaardig was om te communiceren omwille van zijn zonden. Mijn vriend zei hem : ” Maar mijn Vader, zegt Christus ons niet : Diegene die mijn vlees eet en mijn bloed  drinkt heeft het eeuwige leven…

Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in Mij en ik in Hem” (Joh.6,54.56) ?  Daarop antwoordde de priester : “Maar wat komt Christus hier doen bij dit alles ?”.

Wat komt Christus hier doen bij dit alles ? Het is een vraag die wij ons dikwijls kunnen stellen in onze houding ten overstaan van  de Kerk en voornamelijk in onze benadering van de zending. Té dikwijls wordt het christendom samengevat als een oppervlakkig leven volgens  regels. En té dikwijls is het dit beeld dat wij geven aan de wereld die niet gelooft en die in het geheel niet wil leven volgens regels.

Een groot spiritueel uit de 20e eeuw, Geronda Porphyrios de Cavsokalivite die een groot deel van zijn leven aalmoezenier was van de polykliniek  van Athene hield eraan te onderlijnen dat een Christen niet moet leven uit verplichting, maar uit liefde. Hij verduidelijkt dit in een verhaal dat hij vertelde aan één van zijn leerlingen, de monnik Agapios :

“Een jong meisje kwam naar hier om te biechten. Zij zat in het eerste jaar van het lyceum. Op een bepaald moment zei ze mij :

-Vader, ik hou van een jongen en ik kan hem maar niet vergeten. Mijn geest is steeds bij hem. Je zou zeggen dat hij altijd daar is (zij toont de top van haar vinger). Als ik wil studeren : Niko is daar, ik eet, slaap, ik doe wat dan ook, Niko is daar. Wat moet ik doen Vader ?

-Mijn kind, zeg ik haar, jij bent nog jong. Heb een beetje geduld, tot wanneer je uw studies hebt beëindigd, en daarna zal Niko bij jou zijn. Span je nu  in om je studies te volgen.

Een week later is zij teruggekomen en zei mij -Mijn Vader, ik slaag er maar niet in mij te concentreren gedurende de lessen. Gans de dag, zonder ophouden,  is mijn geest en mijn hart bij Niko. Mijn Niko is aan mij geplakt en ik kan er mij niet van losmaken (…)

En nu ben je bezig te zeggen : Wat heeft dit alles met mij te maken ? Nochtans, antwoord mij, ik smeek het u. Heeft het kleine meisje zichzelf pijn gedaan om haar geest Niko in de herinnering te houden ? geheel niet. Dit alles overkwam haar op natuurlijke wijze, zonder dwang, uit liefde.  Het is ook dit wat ons overkomt als we van Christus houden met een gepassioneerde, goddelijke  liefde Dus, zonder de noodzaak om onszelf pijn te doen, ons te forceren of er de neiging toe te hebben, roepen wij met liefde Zijn heilige Naam…”.

Zo moeten wij niet leven volgens de regels, wij moeten ons niet gedragen als formalisten, niet handelen vanuit een geest van legalisme, maar wij moeten aangegrepen worden door de liefde van Christus die de waarachtige bron is van onze vreugde welke op haar beurt de wereld die niet gelooft zal doen ontbranden. Daarom moet de verplichting plaats maken voor de vreugde zoals de Geronda Porphyrios ons ergens anders uitlegt :

“Wat ge ook doet door u te forceren, het brengt een innerlijke tegenstand in uw ziel teweeg, het is schadelijk voor u. Ik heb dit meermalen gezegd. Ik heb verschillende  monniken en personen op leeftijd gezien die zich van de Kerk van God afscheidden omdat zij de innerlijke spanning of de spanning veroorzaakt door andere personen niet meer konden verdragen. Omwille van deze druk, stelt de mens zich niet alleen op tégen de Kerk, maar wil er ook niets meer van horen. Dit alles oefent op hen geen goede indruk uit, draagt geen enkele vrucht (…). Indien je je forceert met bidden dan zal je op een bepaald moment vermoeid worden van de druk die je op jezelf uitoefent, je zal het gebed laten vallen, en dan ? Indien je het doet uit verplichting, dan forceert je jezelf, en dan gaat alles terzijde. Een dergelijke druk kan er zelfs toe leiden dat je niet meer naar de kerk gaat. Ga op een andere manier naar de kerk : niet uit verplichting of uit druk, maar uit vreugde. Opdat dit zo zou zijn, moet men opmerkzaam zijn, opmerkzaam voor de diensten en zich verheugen, zich verheugen over de troparia, de lezingen, de gebeden. Wees waakzaam voor elk woord,  voor de zintuigen. Kan je dit begrijpen ? Het is hier dat de vreugde begint”.

Te dikwijls willen wij in onze zending regels opleggen, regels over de manier van zijn, zonder de liefde van Christus te beleven en te cultiveren. Zoals ons de Geronda Porphyrios aantoont, kan dergelijke houding in onze zending alleen maar tegenstand en het verwerpen van de wereld die niet gelooft opwekken.Maar er is ook nog een derde punt in onze moeilijke positie. Het gaat vooreerst om onze taal en ons spreken. Het is belangrijk dat we de twee onderscheiden. Het lijkt  ons evident  dat wij niet aan zending kunnen doen  in een taal die voor onze toehoorders niet begrijpelijk is- de geschiedenis van de zending onder de slaven door Cyrillios en Methodios die een alfabet ontwikkelden en de liturgische  en heilige teksten vertaalden in een inheemse taal is er om ons eraan te herinneren -, het gebruik van een taal die gesproken wordt volstaat niet om begrepen te worden. Welnu, dikwijls spreken wij in onze zending een taal die slechts door ons alleen begrepen wordt. Om dit te illustreren, zal ik hiervan slechts één voorbeeld geven. Op een bepaalde dag, vroeg een kleine jongen aan zijn vader : “Papa, waarom zijn de tomaten rood?” De vader, een bioloog van beroep, antwoordt : “Omdat ze in hun vlees rode pigmenten bevatten zoals de beta-caroteen, licopeen, of vitamine b12” Het kind keek zijn vader met grote ogen aan en zei : “tot wie spreek je Vader ?”.Papa, tot wie, spreek je? Het is een vraag die de wereld die niet gelooft ons zelfs niet durft stellen…. De christelijke boodschap is zeker de erfgenaam van een ganse cultuur en is doorgegeven doorheen een bepaalde cultuur. Zij gebruikt veel symbolen. Welnu, ongelukkiglijk, de antieke filosofische cultuur en de erfenis van het judeo-christianisme ontsnapt aan vele van onze tijdgenoten. Vader Cyrianus Kern maakte reeds de vorige eeuw duidelijk dat de liturgische byzantijnse diensten, met al haar rijkdom en haar hymnografie,  dikwijls onbegrijpelijk lijken te zijn voor de moderne mens. Dit onbegrip is dikwijls gebonden aan het gebruik van een oud liturgische taal, zoals het slavisch of het oude grieks, tegenwoordig onbekend voor de meerderheid van de gelovigen. Maar de moeilijkheid komt ook dikwijls voort uit een gebrek aan cultuur, of veeleer, uit het feit dat wij leven in een andere cultuur : “gewoon aan het realisme van de ‘peredvizhnechestvo’ en de schoolsheid, wij begrijpen de waarachtige schoonheid niet meer van de niet aardse figuren van onze ico
nen en van de goddelijke openbaringen die uit een andere wereld komen. Opgevoed in de hedendaagse poëzie van de decadentie, begrijpen we de kerkelijke poëzie niet meer, noch de diepte van haar betekenis. Wij kennen zelfs de vitale, reële betekenis van onze goddelijke officies niet meer. Wij verstaan de interne inhoud ,die zeer rijk is, van onze liturgische theologie niet meer. De dienst heeft opgehouden om voor ons een bron van kennis van God te zijn. Teruggekeerd naar de kerk begrijpen wij niet meer wat gezongen wordt. Het moet dus uitgelegd worden, van een commentaar voorzien.

Tenslotte, een vierde moeilijke situatie kan verbonden zijn aan onze aarzeling om de uitdaging te trotseren van de moderniteit. Zeer dikwijls, associëren wij

het christendom, de christelijke boodschap of simpelweg de Kerk met een persoonlijke vorm uit het verleden. Men kan zich bijvoorbeeld inbeelden, dat de orthodoxe Kerk slechts goed kan functionneren dan in een monarchistisch regime, dat slechts een bio of vegetarisch regime aan de christenen toekomt, of nog, aangezien de cybernetische revolutie een plaag is voor de mensheid, leven wij in de laatste tijden sedert de opkomst van de computers en de draagbare telefoons op de Athos berg ! En dit heeft zijn weerslag op onze wijze van communiceren met de wereld die niet gelooft. Als we een schifting maken van de publicaties die onze kerken verspreiden met het doel om te missioneren , dan zal men merken dat zij dikwijls heruitgaven zijn van oude publicaties – zelfs uit de 19e eeuw –  of dat zij levenswijzen weerspiegelen die niet meer spreken tot de hedendaagse wereld. Bijvoorbeeld,  verschillende russisch orthodoxe tijdschriften brengen beelden van vrouwen  bedekt met een hoofddoek, wat aan de wereld van de ongelovigen doet geloven dat het christelijk leven kan samengevat worden tot een achteruitgaande mode of simpelweg gezegd, zich reduceert tot een folklore. Zelfs de grootste werken van de Kerkvaders, die hun frisheid en actualiteit bewaren, zijn niet onmiddellijk toegankelijk voor de wereld die niet gelooft omdat zij erom vragen omgezet te worden in een andere context.

De mogelijke middelen voor de missionering

Na kennis genomen te hebben van onze fouten, trachten wij nu na te denken over de middelen die ter onzer beschikking staan in onze zending.

Het eerste middel en het meest doeltreffende is zonder twijfel het getuigenis door ons voorbeeld. Als men de hypocrisie zoals in vele gevallen het geval is willen verhelpen, dan moeten wij in datgene wat wij prediken, zelf het goede voorbeeld geven. Om de waarheid te zeggen, het persoonlijk getuigenis is het meest doeltreffend middel om Christus te verkondigen. Dikwijls is het beter om het goede voorbeeld te geven dan iets aan te tonen met een briljante uiteenzetting. In dit verband kan men in de Apoftegmen van de woestijnvaders het volgende lezen : ” Drie Vaders hadden de gewoonte om elk jaar bij de gelukzalige Antoine te gaan. De twee eersten ondervroegen hem over de gedachten en over het heil van de ziel; de derde hield er een volledige stilte op na, zonder ook maar iets te vragen. Na enkele jaren, zei Abba Antoine hem : het is nu reeds zolang dat je hier komt en je stelt me geen enkele vraag ? Hij antwoordde hem : het volstaat me om jou te zien, Vader !”. Als een beeld zoveel waard is hoeveel te meer dan een beleefd voorbeeld !

Een tweede voorbeeld gaat samen met de ervaring, met een persoonlijke ontmoeting die verbonden is aan de heiligheid, aan de spirituele vreugde wanneer iemand de ervaring van de Heilige Geest meedeelt dan is dit in zekere zin de voortzetting van het persoonlijke voorbeeld. Eén van mijn vrienden die bekeerd is tot het christendom op oudere leeftijd heeft mij verteld wat voor hem bepalend was in zijn bekering. Het was niet zozeer het evangelie die hij gelezen had of de boeken die hij had geraadpleegd, maar de ervaring die hij gehad had met zijn spirituele vader. Wanneer hij student was in een militaire school,ontmoette hij een jonge priester die regelmatig de studenten kwam bezoeken. Hij preekte weinig, gaf hen geen les in moraal, deed ook geen lange uiteenzettingen, trouwens,  hij had geen bijzonder talent om overtuigend te preken. Maar hij organiseerde uitstappen, bezoeken, bedevaarten naar de kerken, naar de monasteria, naar de heilige plaatsen. En het is doorheen deze bezoeken dat mijn vriend de ervaring opdeed van heiligheid en de tegenwoordigheid van de Heilige Geest die hem naar Christus leidde en die hem aanzette om het evangelie te lezen en zich te interesseren in het leven van de heiligen en de geschriften van de Kerkvaders. Het is dat wat Sint Paulus overkwam, de ervaring van Christus op weg naar Damascus. Mijn vriend vroeg het doopsel na de heiligheid ervaren te hebben. Immers, zonder een metaphysische ervaring is het moeilijk om de transcendentie van God te begrijpen. Zonder de ervaring van de goddelijke openbaring, kan geen enkele mens op eigen kracht God kennen.  Naar aanleiding hiervan, herinneren wij ons de episode uit het leven van de heilige Séraphim van Sarov, wanneer hij aan zijn leerling Motovilov uitlegde dat het doel van het christelijk leven, de verwerving van de Heilige Geest is, terwijl zijn gezicht straalde van het goddelijke licht …. De ervaring van de heiligheid en de ervaring van de Heilige Geest kunnen de ongelovige tot het geloof brengen, beter dan met mooie uiteenzettingen.

Dit alles leidt er ons toe een derde middel in beschouwing te nemen. Het gaat over het monastieke leven als paradigma van het evangelisch leven. De oorsprong van het monastieke leven is het diep verlangen om de voorschriften van het evangelie in het dagelijks leven te beleven. Vader Georges Florofsky hield eraan om het monachisme te definiëren als een “hoogste vorm van evangelisch leven”, terwijl Vader Placide Deseille graag spreekt van een “evangelie in de woestijn” om het leven van de eerste monastieke Vaders te illustreren. De monasteria met  hun roeping van onthaal, zijn dikwijls doorheen de tijd, en dit vooral in het christelijke Oosten, waarachtige huizen van het volk geworden. ” Ga niet naar een psycholoog, ga naar een monasterie” zou men iemand kunnen horen zeggen tegen een depressieve vriend. En dit is niet nieuw. Alle Russische intellectuelen verbleven in monasteria. Dit was vooral het geval met Optina Pustyn, die niet alleen het Rusland van de 19e eeuw voorzag van grote staretsen, maar die tegelijk, door hen, grote denkers van de slavofiele beweging beïnvloedde, zoals o.a. I. Kireievski, en het was ook de bron van inspiratie voor de roman van F.Dostojevski, ‘De gebroeders Karamazov’. In dit verband zei Kireievski : ” Er is iets dat veel belangrijker is dan alle boeken en ideeën die mogelijk zijn : het voorbeeld van de starets, aan wie je al je gedachten kan zeggen, van wie je geen persoonlijke mening kunt aanhoren, maar de stem van de heilige Vaders”.

Het is daarom dat het monastieke leven, doorheen het voorbeeld van de incarnatie in het dagelijks leven van de evangelische leefregel, een beslissend getuigenis kan zijn voor de wereld die niet gelooft. Wij zullen hier slechts één recent voorbeeld geven, dit van het monasterie van de “Protection de la Mère de Dieu” van Solan in Frankrijk. Buiten het werk, de liturgische diensten en het onthaal die karakteristiek zijn voor elk monasterie, hebben de zusters van dit monasterie gekozen voor een activiteit in de landbouw. Geïnspireerd door de oproep van de oecumenische patriarchen Dimitrios en Bartholomeüs voor het behoud van de schepping, hebben zij een exploitatiemethode ontwikkeld met de hulp van s
pecialisten voor methodes die het leefmilieu respecteren. Hun project van bio-landbouw zal de aandacht trekken van velen in de regio, in de meerderheid ongelovigen. Zo is een vereniging ontstaan, de ‘Amis de Solan’. Het essentiële doel bestaat erin de zusters te helpen in het beheer en de exploitatie van hun landbouw domein en in de sensibilisatie voor het behoud van de natuurlijke omgeving. Zij zijn gevoelig voor de ethische en spirituele aspecten van de ecologische crisis. Echter, telkens wanneer meerdere personen, niet-gelovigen,het monasterie bezoeken, dan zijn het niet meer alleen de ecologische kwesties die hen in beslag nemen, maar ook de spirituele, de vragen over het geloof. En zo wordt een monastiek ecologisch project een vorm van getuigenis van het christelijk geloof in een wereld die niet gelooft en die de ongelovigen bekeert tot het christelijk geloof.

Een vierde en laatste middel waarover men beschikt, maar onze lijst is eigenlijk onuitputtelijk, is het internet. Dit middel is een uitstekend middel om jongeren te bereiken. Op een bepaalde dag zei een orthodox bisschop mij : “Indien je de jongeren wilt raken in uw zending, dan moet je naar daar gaan waar jongeren te vinden zijn. En waar leven de jongeren van vandaag ?  Zij leven in een virtuele wereld. Zij brengen hun dagen door met op het internet te surfen !”. De woorden van deze bisschop zijn waar. Op een bepaalde dag bracht ik een bezoek aan aan monasterium dat moeilijk te bereiken was, totaal verloren in de bergen. Ik vroeg aan de higioumen wie die de jongste monnik was en die ik niet kende ?. Hij zei me dat het een jongere was uit de hoofdstad die naar het monasterium gekomen was toen hij nog geen christen was, die het doopsel had gevraagd en die vervolgens was binnengetreden in het monasterium. “Maar hoe is hij ertoe gekomen om u hier te vinden?” vroeg ik aan de higoumen. “Het is eenvoudig” antwoordde de higoumen. “Hij heeft ons gevonden op het internet'”. Indien de technische vooruitgang indrukwekkend is, hoeveel te meer nog Gods voorzienigheid, voor zover wij het weten ten dienste te stellen van Hem!

De zwakheden van de wereld van vandaag

Bewust van deze middelen waarover wij beschikken, dan nog moeten wij de dorst van de wereld van vandaag kennen en zich realiseren wat zij van ons verlangt als Kerk. Het lijkt ons dat de wereld lijdt aan vier voornamelijke kwalenDe eerste kwaal is het materialisme. De wereld van vandaag, zoals je weet is zeer gehecht aan materiële waarden : rijkdom, sociale slaagkansen, lichamelijk welzijn. Niettemin ervaren onze tijdgenoten al vlug, wanneer zij getroffen worden door ziekte of geconfronteerd worden met de dood van een naaste, dat dit alles maar voorbijgaand is, dat “alles maar ijdel” is. Ondanks het materialisme dat onze wereld kenmerkt is er toch een zoektocht naar spirituele waarden, zoals men kan merken uit de opkomst van “new age”, bouddhisme, zelfs de Islam. Het feit, dat een president van een lekestaat die openlijk zegt dat hij atheïst is, zoals François Mitterand, maar toch regelmatig naar de Sinaï trok, toont dit goed aan. Men moet zich bewust zijn van deze spirituele dorst en er een gepast antwoord op trachten te vinden.

De tweede kwaal is het relativisme. In onze wereld wordt alles in vraag gesteld, en vooral datgene wat als een evidentie wordt geaffirmeerd. Maar het relativisme heet experiment. Vanaf het moment dat men iets anders heeft kunnen ervaren dan wat gesteld werd kunnen wij een nieuwe theorie ontwikkelen. Vanaf dan, zelfs al is het gemeenplaats te bevestigen dat God niet bestaat. Indien iemand een Gods ervaring heeft gehad, dan kan hij het tegenovergestelde beweren, zoals Frossard : “God bestaat, ik heb Hem ontmoet !”.

De derde plaag van onze maatschappij is het individualisme. De urbanisatie en de globalisatie die de ontwikkeling van het individualisme begunstigen  stellen dikwijls de definitie in vraag van de mens als “een zijn in communio”, om de uitdrukking van metropoliet Jean van Pergame te hernemen. De technologische vooruitgang maakt, dat geleidelijkaan de machines en de automatische verdelers  het werk van de mens gaan overnemen. De revolutie van het internet heeft er voor gezorgd dat de communicatie zich voltrekt door bemiddeling van een computer. Dit alles draagt er toe bij om de menselijke relaties te des-humaniseren ofwel zijn de rechtstreekse ontmoetingen vervangen door ontmoetingen van individu tot machine. Dit heeft tot gevolg dat de wereld van vandaag lijdt aan eenzaamheid. De Kerk kan helpen hieraan iets te doen indien zij de kunst bezit om de vriendschap als alternatief aan te bieden. Op een bepaalde dag vroeg ik aan een missionaris die onder de jongeren werkt hoe hij handelde. Hij heeft mij iets zeer eenvoudigs gezegd : vóór alles, zelfs vooraleer zelfs te spreken over wat dan ook, zoek ik op de eerste plaats hun vriend te zijn. Vrienschap kan veel. Indien wij onze broederlijke liefde weten over te zetten op iemand die eenzaam is, dan zal hij zich voor ons openstellen en veel gemakkelijker onze boodschap aanvaarden.

Ten slotte kunnen wij als vierde malaise, het hedonisme naar voor brengen. De secularisatie die vandaag de dag de wereld overspoelt en een visie op de wereld voorhoudt zonder relatie met God, stelt grote problemen, want vertrekkende vanuit het principe dat de mens door God geschapen is naar Zijn beeld, is God ontkennen, eenvoudigweg de mens ontkennen. Wij constateren in onze maatschappij de groei van angst en vrees, isolement en eenzaamheid, individualisme en het afgesneden zijn van een maatschappij die de technische ontwikkeling in onze cybernetisch tijdperk met zich meebrengt. Deze verschijnselen kunnen de oorzaak vormen van conflicten, kunnen de haat aanmoedigen, depressies veroorzaken die dikwijls naar zelfmoord leiden en alle soorten van afhankelijkheden teweegbrengen, zij het alcoholisme, toxicomanie, seksuele ontsporingen of andere. De Kerk kan dit helpen verhelpen indien  zij een verspreider van de waarachtige vreugde weet te worden, de vreugde van Christus.

Het is dit wat de Geronda Porphyrios de Cavsokalivite ons uitlegt : “De vreugde is in Christus. Christus omvormt het lijden in vreugde. Dit is onze kerk, onze vreugde, dit is alles voor ons. En het is dit waarnaar de mens van vandaag op zoek is. Het is daarom dat hij vergift en drugs neemt opdat hij in die wereld van vreugde zou kunnen delen, maar het is een valse vreugde. Hij wordt ‘iets’ gewaar op dat moment, maar de volgende morgen is hij gebroken. Dit drukt hem voortdurend op het hart, het knaagt, het bedroeft hem, het verteert hem. De mens echter die zich volledig aan Christus geeft is geheel vernieuwd, vervuld van vreugde, ervaart de kracht en de grootheid en verheugt zich in het leven”.

Hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft ?

Het moment is aangebroken om te besluiten. Wij waren in staat om te antwoorden op de vraag : “Hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft ?” Zonder twijfel is deze uiteenzetting niet volledig.

Maar één zaak is zeker. Om te getuigen van Christus tegenover wie niet gelooft, moet men hem Christus leren kennen en niets anders. Men moet getuigen door zijn  eigen voorbeeld, door onze wijze van bestaan, door te communiceren, door te leven, zonder hypocrisie en zonder formalisme.  Men moet hem Christus leren kennen die geneest, die vergeeft en die bevrijdt. Voor alles moet men luisteren, aandacht hebben voor de noden van de wereld, en vervolgens moet men weten te spreken in een verstaanbare taal, weten te antw
oorden op de vragen die hem kwellen.

Men moet geen schrik hebben voor de uitdagingen van de moderniteit. De uistralingen die er waren en de voorbeelden van de athonitische sprirituelen van de 20e eeuw, zoals de Gronda Porphyrios of de Geronda Païsios waar gans de wereld naar opkijkt maken duidelijk dat zij de inhoud van de ervaringen van de Kerk hebben weten door te geven in een taal en in categorieën die een antwoord waren op de op de bezorgdheden en de angsten van de moderne mens.

Daarom, moeten wij vooral Christus willen dienen en tempels worden van de Heilige Geest. Indien wij zo de vrede verwerven, dan zouden miljoenen gered worden rondom ons, om de woorden van de Heilige Seraphim van Sarov te herhalen.

Vertaling : Kris Biesbroeck

Cyrillus van Alexandrië : Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel

Sint Cyrillus van Alexandrië (380-444), bisschop, Kerkleraar
Over Jesaja IV, 1

 

cyril van Alexandrië112

 

“Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel”

       “Zing voor de Heer een nieuw lied!” (Ps 96,1) Om zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen, is het lied nieuw; Paulus schreef hierover: “Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen” (2Kor 5,17). Zij die Israëlieten waren door het bloed werden bevrijd van de tirannie van Egypte dankzij de middelaar uit die tijd, de zeer wijze Mozes; ze werden bevrijd van het werken met bakstenen, van onnodig zweet… van de aardse taken, van de wreedheid van hun bewakers, van de onmenselijke hardheid van de farao. Ze zijn door de zee getrokken; in de woestijn hebben ze manna gegeten; ze hebben water dat uit de rots ontsprong gedronken; ze zijn met droge voeten door de Jordaan getrokken; ze zijn het beloofde land binnengegaan.

      Welnu voor ons is dat alles vernieuwd en de nieuwe wereld is onvergelijkelijk beter dan de oude. Wij zijn bevrijd van slavernij, niet de aardse, maar de geestelijke; wij werden niet meer van de taken van deze aarde bevrijd, maar van de smet van de vleselijke begeerte. Wij zijn niet ontsnapt aan de Egyptische opzichters of aan de kwade en meedogenloze tiran, die een mens is zoals wij, maar aan de kwade en onzuivere demonen die aandringen op het zondigen, en aan de chef van hun gebroed, Satan.

      Wij hebben de stromen van het huidige leven doorkruist als door een zee, met zijn lawaai en dwaze onrust. Wij hebben geestelijk manna gegeten, het brood dat uit de hemel neerdaalde en dat leven aan de wereld geeft. Wij hebben water gedronken dat opborrelde uit de rots, welke de zaligheid van het levend water van Christus was. Wij zijn door de Jordaan getrokken dankzij de heilige doop die wij waardig waren om te ontvangen. Wij zijn het Land dat aan de heiligen beloofd was en voor hen bereid, binnengegaan . De Heer herinnert aan dat land, als Hij zegt: “Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten” (Mt 5,4).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Over de Heilige Communie

OVER DE HEILIGE COMMUNIE

binnen de orthodoxe Kerk

“Christenen moeten de Heilige gaven ontvangen, hoe dan ook. ‘Als je het vlees van de mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, dan hebt ge het leven niet in U….Want Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij ik in hem’ (Joh.6,53-56). Het niet communiceren is zonde : een zeer zware zonde, omdat hij het bloed van Christus, Zijn Kruis en Zijn Offer misprijst. Hij misprijst Christus zelf” ( Arcim.Basileou Mpakogannh : H Jeia Koinwnia, p.53) Verwijzingen naar dit boekje zullen in ’t vervolg aangeduid worden met : JK

Het doet soms pijn, om de grote verscheidenheid van opvattingen binnen de Kerk over de Heilige Communie waar te nemen. Alles heeft te maken met bepaalde tradities, opvattingen, die soms plaatselijk zijn, maar die in de praktijk soms heel ver af staan van wat de Orthodoxie ons leert. Is het normaal, dat men in de ene kerk niet mag communiceren, dat men er zelfs de gelegenheid  niet toe krijgt, en in de kerk van het volgend dorp het helemaal geen probleem is, integendeel. Wij worden vaak bestookt met argumenten vóór of tégen de frequente communie. Vooral de argumenten tégen zijn dikwijls van een ongeloofwaardig, zelfs onaanvaardbaar gehalte. Wij komen hier op terug. Op zoek gaande in enkele boeken en websites heb ik geprobeerd een aantal vragen in verband met dit onderwerp te beantwoorden, in respect voor ieders overtuiging, doch steeds de waarheid van de Heilige Schrift, de Kerkvaders en Grote heiligen volgend.

Hoe is de praktijk van het Communiceren geevolueerd ?

           In de Handelingen van de apostelen staat : ‘ En allen die tot het geloof gekomen  en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er die hun bezittingen en have verkochten, en ze uitdeelden aan allen die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst van het gehele volk'(Hand.2,44-47). Dit was het gebruik in de allereerste periode van de Kerk. Iedereen deed mee, belangrijk was een zuiver hart, vol eenvoud en blijdschap.

 De eerste Christenen hielden de praktijk van de maaltijd in ere. Er was toen nog geen afzonderlijke ritus, los van de maaltijd.

Justinus (uit Palestina afkomstig en rond 165 gedood in Rome) zegt in zijn eerste apologie : ‘Op de dag die men zondag noemt, komen allen die in steden of op het platteland wonen bijeen.Er wordt uit de  geschriften van de apostelen en profeten gelezen… dan houdt de voorganger een toespraak….Dan wordt brood en wijn gehaald, en de voorganger spreekt met luide stem gebeden en dankzeggingen uit waarmee het volk instemt door met ‘Amen’ te antwoorden.Daarna wordt het geconsacreerde brood uitgedeeld, waarvan IEDER zijn deel krijgt . Door de diakens wordt het naar de afwezigen gebracht’. (Bijbel en Christendom, deel 1 p.62).

Pas veel later werd de Eucharistie een liturgie apart, zonder maaltijd.

Nog later, onder de Turkse overheersing en de synodale periode in de Russische Kerk, is het communiceren zeldzaam geworden. Waarschijnlijk niet uit onachtzaamheid, maar wél door een verlammend respect voor het Heilige.

Nochtans is de communie het noodzakelijk antwoord, het noodzakelijk compliment op het eucharistisch gebed. Het zegengebed en het gezamenlijk nuttigen maken  samen de grondstructuur uit van de Eucharistie (naar A.Verheul : Grondstructuren van de Eucharistie,pp.82-83). Er was ooit een periode, waarop diegenen die niet communiceerden, vóór de consecratie de kerk verlieten. Dat heeft men echter in grote mate kunnen verhinderen, alhoewel het op sommige plaatsen nog gebeurt.

   Een bijkomende reden, waarom de communiepraktijk verminderde, was waarschijnlijk de biecht-boetepraktijk. Men kreeg na de biecht een boete opgelegd, en men mocht pas communiceren, wanneer die boete volbracht werd. Het is nochtans geen gebruik in de Orthodoxe Kerk  een boete op te leggen. Dit gebruik is aan het Westen ontleend. In de Orthodoxie gelooft men dat de biecht alle zonden vergeeft, een boete hoeft niet. God is de barmhartige, en vergeeft de mens als hij oprecht berouw heeft. God schenkt ons Zijn genade, wij moeten ze niet ‘verdienen’. Christus heeft onze zonden op zich genomen.

   Over de situatie vandaag schrijft Mgr.Kallistos : ‘Recent zijn er in Griekenland en de Russische diaspora parochies die teruggekeerd zijn naar de oorspronkelijke primitieve gewoonte van de wekelijkse communie, en het blijkt dat het achter het ijzeren gordijn (het boek is van 1963 ! ) nog frequenter is geworden. Men kan hopen dat deze beweging zich in de komende tijden verder zal ontwikkelen en breder zal worden’ (L’Orthodoxie, p 385).

  Het roept heel wat vragen op, wanneer men in een orthodox land in de ene kerk niet eens de mogelijkheid heeft om te comunnie te gaan (nader in vreze Gods en met liefde…en de priester draait zich onmiddellijk weer om : ongehoord !), en men je in de andere bijna komt halen om deel te nemen aan de communie (heb ik zelf ervaren op de Athosberg : in het klooster Xenofontos ging niemand ter communie (reden : men ging direct na de liturgie eten, en men kan toch niet het lichaam van Christus ontvangen als men direct nadien moet eten !!??) terwijl het in het Russicon en vooral in Simonos Petros geen enkel probleem was, integendeel men nodigde u uit (en zonder voorafgaande biecht !)om te komen communiceren.

Hoe dikwijls te Communie gaan ?

   Hier heerst onenigheid. Sommigen zeggen : dikwijls – twee tot driemaal per week, of zelfs elke dag. Anderen zeggen : slechts 3-4 maal per jaar. (JK, p.53)

De eerste Christenen communiceerden elke zondag. Zij kwamen allen samen in één of ander huis, lazen uit de schriften van het Oude Testament, hielden liturgie en communiceerden.

     Het is pas in de loop van de geschiedenis dat de frequente communie is beginnen af te nemen (zie boven). De Heilige Simeon van Thessaloniki evenals  Metropoliet Filaret van Moscou spreken  van 40 maal per jaar, anderen spreken van 3-4 maal per jaar. Het is vooral in de 4e eeuw dat de communie zeldzaam wordt.Er waren zelfs Bisschoppen die gedurende jaren niet celebreerden, noch communiceerden ! Zij verkozen de jacht en banketten boven de eucharistie en de communie. De Heilige Johannes Chrysostomos constateert dat sommige Christenen maar communiceren op het feest van Theophanie, in de vasten en op Pasen. Men ging dit ‘zelden’ communiceren zelfs gaan aanvaarden.

   Toch zien we doorheen de geschiedenis een oproep tot het veelvuldig communiceren.

Wanneer de Heilige Johannes Chrisostomos en andere Heilige Vaders de gelovigen aanzetten om dikwijls ter communie te gaan, dan willen zij breken met de slechte gewoonte van het zelden communiceren.

Voor de Heilige Communie is het nodig te vasten. Het best communiceert een Christen één of tweemaal per maand (volgens o.a. Filaret van Moscou), en dit, opdat de gelovige zich voldoende en in alle rust kan voorbereiden. In de vasten kan men regelmatiger communiceren. Indien mogelijk elke zondag ( o.a.Heilige Simeon van Thessaloniki). Dat men geen 5 weken is zonder de Heilige Communie (letterlijk :geen 40 dagen zonder de H. Kelk te naderen) (Simeon van Thessaloniki) (vrij uit :JK,p.55)

   Diezelfde Heilige Johannes Chrysostomos heeft ook gezegd : ‘Christus heeft ons de mogelijkheid gegeven om Zijn lichaam te eten, door ons tot een nog grotere vriendschap te verheffen en door ons zijn wens tegenover ons te tonen, want, aan hen die het wensen, toont Hij zich niet alleen, maar Hij laat hen ook toe om Hem aan te raken, Hem te eten en zich in Zijn lichaam te integreren om zich met Hem te verenigen en volop hun ziel te bevredigen’ (H.Joh.Chrysostomos, Homelie 46, over de H.Johannes 2)

  Vandaag ziet men een heropleving van de frequente Communie. Dit vraagt tijd, maar God is ons hierin nabij. Maar voegen we er aan toe :’ Wie zullen wij prijzen ? zegt de H. Johannes Chrysostomos,  hem die geregeld communiceert ? of hem die zelden communiceert ?’ En hij antwoordt: noch de één noch de ander, maar hem die met een zuiver geweten communiceert’ (JK,p56).

Verschil  Communio en Communie van de Heilige gaven.

     Alhoewel beide een nauwe band hebben met elkaar  : men kan niet communiceren zonder dat men in communio leeft met de anderen. Toch is er een onderscheid.

‘Communio’ betekent : leven in de gemeenschap van gelovigen, de Kerk, verzameld rond het altaar, samen met de priester. In éénheid van geloof. In Liefde voor mekaar. Bij de ‘Communie van de H.Gaven’, biedt Christus zich persoonlijk aan ons aan. Wij gaan met een zuiver hart en groot verlangen het lichaam en bloed van Christus ontvangen, tot vergeving der zonden. De Communie van de gaven doet ons groeien naar de communio met elkaar. Christus gaat ons leiden vanuit ons innerlijk, opdat wij vanuit Christus zouden leven. ‘Gaat nu allen heen in vrede’ zegt de priester op het einde van de liturgie. Wij hebben Christus ontvangen en kunnen nu in vrede heengaan.

Moet men biechten voor de Communie ?

     “In sommige kerken was vroeger de biecht vereist om te kunnen communiceren. Men moest bijna zonden uitvinden om te kunnen communiceren. De rituele en automatische binding tussen de twee sacramenten van berouw en Eucharistie ontnam de eerste zijn geloofwaardigheid en de tweede zijn blijmoedige inhoud van deelname aan het Eucharistisch banket. Wanneer, daarentegen, men ophield de biecht als voorafgaande aan de Communie te eisen, hielden de gelovigen, van deze last bevrijd, dikwijls op te biechten, en communiceerden soms zonder de noodzaak aan te voelen hun levensstijl in vraag te stellen. Zo loopt de Communie zelf het gevaar een rituele en mechanische daad te worden, waarin men het vreeswekkend aspect vergeet van de offerende liefde, die ons haar Bloed schenkt en ons haar Leven brengt.

Indien het dus zeker niet noodzakelijk is, ja zelfs niet raadzaam is om iedere keer dat men communiceert te biechten – des te meer dat het normaal is in iedere liturgie te communiceren om de oproep te beantwoorden ‘nadert met vreze Gods, in geloof en in Liefde’, en om nadien te zingen :’Wij hebben het ware licht aanschouwd’ – blijft het niettemin essentieel voor het vervolmaken van ons leven in Christus, systematisch onze levensstijl en ons gedrag terug in vraag te stellen door een regelmatige biechtpraktijk. Het ritme van deze praktijk is in functie van de vrije beoordeling van ons eigen geweten’ (Uit de toespraak van Vader Cyrille Argenti over de VERZOENING op het achtste westeuropees Orthodox Congres te Blankenberge).

          Vooral in de Russische kerk en vele ex-communistische landen houdt men aan dit gebruik van te biechten voor de communie vast, alhoewel in het westen en op de Athos (en waarschijnlijk ook in vele Russische parochies) dit niet meer vereist wordt. Zo hoeft men in de Russische Kerk van Amsterdam en in het Russicon op de Athos enkel de zegen te vragen aan de priester (kwestie van te weten wie die vreemdeling is die te communie gaat !)

Na wat hierboven gezegd is, kunnen we besluiten. Het is een vaststaand feit dat de binding boete-Eucharistie niet juist is. De eerste Christenen namen de maaltijd, en allen kwamen tot de tafel des Heren. Ook de jonge Kerk heeft dit gebruik in deze zin gekend. Het is pas later, vooral tijdens de Turkse bezetting, en de Russische Synodale periode dat men de Communie-praktijk grondig reduceerde.Maar ook een bepaalde opvatting over biecht-boete heeft deze trend doen voortzetten.

    Gelukkig maken we al geruime tijd een tendens gewaar om terug te keren tot de gewoontes van de eerste Kerken, en dus ook naar een diepere deelname aan de Heilige Liturgie.

Traditie en tradities

Eén van de balangrijke kenmerken van de Orthodoxie is haar gehechtheid aan de Traditie. Nogal dikwijls wordt dit feit aangeduid om de gewoonte van het niet-frequent communiceren goed te praten :’het is de traditie binnen deze of die geloofsgemeenschap’. Een onderscheid tussen Traditie en tradities kan hier opheldering brengen.

We citeren hiervoor uit het boek van bisschop Kallistos Ware (L’Eglise des sept conciles pp.270-271) :

‘Alles wat uit het verleden komt heeft niet dezelfde waarde en is niet noodzakelijk juist. Zo deed het één van de bisschoppen op het concilie van Carthago in 257 opmerken. :’De Heer heeft gezegd : ik ben de Waarheid; Hij heeft niet gezegd : Ik ben de gewoonte’. Er is een verschil tussen de Traditie en tradities : vele tradities zijn menselijk en toevallig, het zijn godvruchtige opinies (of erger), maar ze zijn geen daadwerkelijk deel van de ene Traditie van de Christelijke boodschap bij uitstek.

Het is noodzakelijk, dat wij ons ondervragen over het verleden. In de Byzantijnse periode en later, hebben de orthodoxen zich daarover te weinig ondervraagd, en een zekere stagnatie is hiervan dikwijls het gevolg geweest. Vandaag kan deze houding niet voortduren : een betere scholing, het meer en meer incontact treden met westerse christenen, de secularisatie en het atheïsme hebben de orthodoxen ertoe gedwongen om deze erfenis beter te bestuderen, en een meer subtiele differentiëring tussen Traditiie en tradities te maken. Dit onderscheid is niet altijd gemakkelijk te maken. Het is ook nodig, dat wij de fouten van de ‘oud gelovigen’ als deze van de ‘levende Kerk’ proberen te vermijden : de enen zijn gevallen in een  extreem conservatisme, de anderen, daarentege
n, in een modernisme of een theologisch liberalisme welke de Traditie  verwoest. Nochtans zijn de orthodoxen, ondanks hun gebreken,

Vandaag beter geplaatst dan hun voorgangers, om een meer onpartijdig oordeel te vellen. Het zijn vooral haar contacten met het Westen die de orthodoxen toestaat terug te keren tot haar eigen erfenis.

De waarachtige trouw aan het verleden moet een creatieve trouw zijn. De orthodoxie kan zich niet voldaan voelen met een ‘steriele theologie van herhaling’, dit wil zeggen, met een herhalen van formules waarvan men de zin niet meer begrijpt. Er is niets mechanisch aan een goed begrepen trouw aan de Traditie, het is niet slechts een overbrengen en tegelijk er zich eenvoudigweg niet meer interesseren aan datgene wat ons is gegeven. Een orthodox die zich bezint ziet de Traditie vanuit het innerlijke, het doordringt de geest. Om in de Traditie te leven, is het niet voldoende  om zich intellectueel te hechten aan een systeem van doctrines, want de Traditie is heel wat anders dan abstracte stellingen. Het is een levend iets, een persoonlijke ontmoeting met Christus, in de Heilige Geest. In de orthodoxe opvatting is de Traditie niet statisch, maar dynamisch, het is geen  erfgift dat passief wordt overgenomen, maar het is de levende en actuele ervaring van de Heilige Geest. Alhoewel innerlijk onveranderbaar – want God verandert niet- neemt zij voortdurend nieuwe vormen aan, die zich wederzijds aanvullen, zonder er iets aan te veranderen. De orthodoxen praten dikwijls alsof de periode van formules voorbij is, maar het is niet zo, en wellicht zullen wij ooit een nieuw oecumenisch concilie zien samenkomen die een verrijking zal brengen door nieuwe verklaringen.

Dit idee van een levende Traditie is duidelijk uitgedrukt door Georges Florofsky :

‘ De Traditie is het getuigenis van de Heilige Geest, de voortdurende openbaring en de voortdurende boodschap van het goede nieuws….Om de Traditie te aanvaarden en te begrijpen, moeten wij leven in de Kerk, moeten wij ons bewust zijn van de levende genade van de aanwezigheid van de Heer, moeten wij er de adem van de Heilige Geest voelen…De Traditie is geen principe dat beschermt en bewaart; zij is essentieel een principe van groei en van herstel… De Traditie is niet alleen maar een woordelijk herdenken maar ze is de eeuwige woonplaats van de Heilige Geest.'(Sobornost : the Catholicity of the church, in ‘the church of God’ pp.64-65)

De traditie is het getuigenis van de Heilige Geest : in de woorden van Christus :’Wanneer Hij zal komen, de Geest van Waarheid, zal Hij u naar de volle Waarheid leiden’ (Joh.XVI,13).

Deze goddelijke belofte is de bron van de orthodoxe devotie ten aanzien van de Traditie.’

Besluit :

Als we eerlijk willen staan tegenover God, bestaat er niet zoiets als een volgen van een bepaalde taditie, omdat het nu eenmaal zo de ‘gewoonte’ is. Orthodoxen moeten durven terugkeren naar de  oorspronkelijke betekenis van de Traditie. Gelukkig keren in onze tijd vele orthodoxen terug naar de oorspronkelijk Christelijke leer. Als Christenen moeten we de leiding van de Heilige Geest hierin erkennen.

Enkele getuigenissen van Heiligen, Kerkvaders en theologen over de Heilige Communie 

    Nicodemus de Hagioriet (1748-1809) was in zijn tijd een vurige voorstander van de frequente Communie. Hij werd omwille van dit standpunt ernstig aangevallen, maar een concilie van  Constantinopel (1819) gaf hem gelijk. Voorstanders van de frequente Communie doen graag beroep op het grote gezag van deze Heilige.

   De Heilige Johannes van Cronstadt legde de nadruk op het veelvuldige communiceren; alhoewel de leken in zijn tijd maar een 4-5 maal per jaar communiceerden. Hij legde wel de nadruk op het biechten. Aangezien hij geen tijd had om individuele biechten te houden, voerde hij een soort gemeenschappelijke biecht in . Allen beleden luidop en tegelijk hun zonden.Johannes van Cronstadt heeft nog een andere vernieuwing aangebracht : nl. het meer ‘open’ maken van de ikonostase, zodat iedereen kon zien wat er aan het altaar gebeurde.

   Ook Vader Georges Khodre, libanees priester van het Patriarchaat van Alexandrië wilde het frequent Communiceren in ere herstellen. Dit deed hij via een jeugd-beweging die hij stichtte in 1941-1942.

    ‘De heilige Communie is een onontkoombare plicht voor elke gelovige, omdat hij via dit sacrament zich met Christus en met andere gelovigen verenigt. Wij zijn geroepen van dikwijls te Communiceren en niet slechts twee  of drie maal per jaar. Het regelmatig Communiceren heeft een bijzonder nut, maar mag echter geen aanleiding zijn tot het verlies van onze noodzakelijke eerbied voor het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus'(gevonden op de internetsite van de Griekse Kerk in Nederland : www.grieksegids.nl/kerkfotos/kerk.htm)

  Mgr Kallistis : zie het boven reeds geciteerde citaat.

     In diezelfde zin als Mgr.Kallistos schrijft ook O.Clement (L’Eglise Orthodoxe,p. 95.)

   Alexander Schmemann : ‘Wij nemen deel aan de Heilige Communie ‘alleen maar’ omdat wij toegewijd, dit is heilige gemaakt zijn door Christus en in Christus. Wij nemen eraan deel om heilig te worden, d.w.z. om de gave der heiligheid in ons leven waar te maken’ (Biecht en Communie,p.38, gecit. in ‘Een open venster op de Orthodoxe Kerk, Ignace Peckstadt, p.12)

    ‘Ideaal gezien is het hele leven van een christen, en zo zou het natuurlijk moeten zijn, een voortdurende voorbereiding voor de communie, zoals ook de ‘geestelijke’ vrucht van de communie dat is en zou moeten zijn’ (Schmemann ‘biecht en communie’ p.41)

    ‘Diep geloof en gevoel van ‘onwaardigheid’ is de enige weg om God in ons te ontvangen, zoals wij het trouwens telkens in de Goddelijke Liturgie bidden : ‘God wees ons zondaars genadig’ en verder ‘Menslievende Meester, Heer Jezus Christus mijn God, maak dat deze Heilige Geheimen mij niet tot veroordeling strekken door mijn onwaardigheid maar tot genezing van ziel en lichaam’ (gebed van de Heilige Johannes Chrysostomos voor de Communie)

   In hetzelfde boek van Vader Ignace Peckstadt vindt men nog meer getuigenissen. Lees in dit verband vooral de bladzijden : 81-84.

   Eén van de martelaren van Optina Poestyn , Vader Vasily, één van de drie nieuwe heiligen van de Russische Kerk en vermoord in 1993 zegt in zijn dagboek : ‘De ellende van ons land is te wijten aan het onbegrip van de Russische priesterstand (en daardoor hun veronachtzamen) van  de frequente communie’ (Een bloedig Pasen, p.243) In voetnoot staat volgende aantekening ‘Met de priesterstand wordt hier de witte geestelijkheid genoemd, de getrouwde priesters. In de 18e eeuw was
in de Russisch-orthodoxe Kerk de traditie ontstaan dat een gelovige slechts éénmaal per jaar te communie hoefde te gaan. Nog steeds gaan vele kerkbezoekers weinig te communie. Een gewoonte die inderdaad een actieve geloofsbeleving in de weg staat.’

In het boek : een eigen kijk op de icoon en de Kerk, zegt archimandrit Zenon, Monnik en iconograaf :

‘De Eucharistie is een maaltijd, een Agape : je kan er enkel aan ‘deelnemen’, niet

toekijken hoe anderen eten, wat trouwens onwelvoeglijk zou zijn ! Waarom denk je, moesten de catechumenen buiten gaan net voor de communie ? Precies omdat alle aanwezigen deelnemen aan de offerande wat ook deelnemen aan de Eucharistie betekent; welnu, de catechumenen, dit zijn nl. de niet-gedoopten, mochten noch aan de offerande, noch aan de Eucharistie deelnemen.Ik herhaal het : men kan bij de liturgie niet spreken van ‘aanwezigheid’, enkel van ‘deelneming'(….) Een zogenaamde ‘geestelijke communie is volkomen ondenkbaar. De Kerk kent enkel de reële communie.De eucharistie is heilig, maar ze is ook voedsel. Men kan ze niet reduceren tot een symbool en metafysische gevoelens koesteren’ (p.53-54)

De Heilige Basileios de Grote raadde de Christenen aan viermaal per week samen te komen voor de liturgische viering : op maandag, vrijdag, zaterdag en zondag. Als ideaal stelde hij evanwel de dagelijkse communie voor.Eén van de Oecumenische Concilies heeft beslist – en dat werd nooit herroepen – dat wie zonder geldige reden niet aan twee of drie eucharistische vieringen heeft deelgenomen uit de kerkgemeenschap uitgestoten wordt, of juister zichzelf van Christus uitsluit. (geciteerd in het boekje van Zenon p.55). Verder zegt Zenon nog : ‘In onze grote catechese wordt gezegd dat wie gered wil worden viermaal per jaar de communie moet ontvangen of ten minste éénmaal. In onze tijd lijkt dit absurd : niemand onderhoudt dit voorschrift. Het leven heeft er anders over beslist. Ook de H.Johannes van Kronstadt gaf andere aanbevelingen’ p.55.

Men kan zo doorgaan, men moet al heel lang zoeken om een Kerkvader te vinden die voorstander is van het niet-frequent communiceren, zo men er al één kan vinden.

Het communiceren is een belangrijk moment binnen de liturgie, een liturgie is maar volledig, als men ook tot de kelk genaderd is. Het is een sterk moment, wij ontvangen het lichaam van Christus, om vanuit Hem verder te kunnen leven ! Wij gaan te communie ‘tot vergeving van onze zonden’.Zo is de Heilige Communie, evenals het sacrament van de ziekenzalving zelf zondenvergevend.

Een bekende canon van de Kerk, die nog altijd geldig is, zegt zelfs dat diegenen die niet regelmatig communiceren ‘geexcommuniceerden’ zijn: Al de gelovigen die de Kerk binnenkomen en de schriftlezingen volgen, maar niet blijven voor de gebeden en de Heilige Communie moeten worden geëxcommuniceerd, want zij veroorzaken wanorde in de Kerk ( 9e apostolische Canon)

  Ook in de Katholieke Kerk was tot vorige eeuw de communiepraktijk niet frequent. Dank zij acties, onder andere bij ons, van Priester Poppe, met zijn eucharistische kruistocht en de ‘bond van het Heilig Hart’, is in de Katholieke Kerk de frequente communie een normaal onderdeel geworden van elke misviering.

Besluit :

  Uit alles wat gezegd is, blijkt de frequente deelname aan de Heilige mysterieën het dichtst aan te sluiten bij het Evangelie, de Kerkvaders en de Eerste Kerk. Dit mag ons echter niet hoogmoedig maken. Iedereen volgt hierin zijn geweten. Het belangrijkste is niet HOEVEEL, maar HOE wij communiceren. Dit alles in respect voor ieders persoonlijk geweten.

    Waar wij westerlingen de  meeste  moeite mee hebben is de argumentatie van de tegenstanders van de frequente Communie : Welk voedsel we ingenomen hebben, of we daarna niet direct gaan eten, of we de dag ervoor de liefde niet bedreven hebben, of we onze mond gespoeld hebben, tot zelfs of we onze tong geraspt hebben, zeggen dat alles Communie is (men bedoelt eigenlijk ‘communio’), uit traditie, of we gebiecht hebben enz… Men leest en hoort dergelijke dingen ( zie : JK, p. 64-66).Wat hierbij opvalt, is, dat er geen eenduidig antwoord gegeven wordt op de vraag waarom men maar een paar maal per jaar communiceert. De ene zegt dit, de ander zegt dat…

     In veel orthodoxe landen die jarenlang onder het juk van het communisme geleefd hebben, is er gedurende die jaren weinig kans geweest om zich grondig hierover te bezinnen. Een tekort aan boeken en degelijke theologische scholing maakte dat vele priesters geen of weinig studies hadden gedaan, soms geheel niet. Het enig godsdienstig onderricht kwam van  ouders of grootouders, die dikwijls vast zaten aan bepaalde tradities. Het valt ook op, dat vele migranten uit die landen hier soms een veel behoudsgezinder standpunt innemen dan in hun eigen land van herkomst. Terwijl het juist goeddenkende theologen zijn aangevuld met een grondige kennis van de Bijbel en de Kerkvaders die ons een dieper inzicht in de betekenis van de Heilige Communie kunnen geven.                                                                                                                

  Maar Jezus kent het hart van elke mens. God is Barmhartig, hij is Liefde en een levengevende bron. Moge de Heilige Communie ons aanzetten tot verdieping van ons liturgisch en sociaal leven met en voor elkaar.

Kris Biesbroeck

 

        

 

 

 

20e zondag na Pinksteren : Opwekking van de jongen van Naïm

20e zondag na Pinksteren

“Opwekking van de jongeling van Naïm”

 

Nahum opwekking van Naim2

Lezingen :

Galaten 1,11-19

Ik  verzeker u, broeders en zusters, het evangelie dat door mij is verkondigd, is niet door mensen uitgedacht. Want ook ik heb het niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door een openbaring van Jezus Christus.

Voorvallen uit Paulus’ leven
U hebt toch gehoord hoe ik vroeger als Jood geleefd heb: hoe ik de kerk van God fel vervolgde en haar trachtte uit te roeien; en hoever ik het gebracht heb in de Joodse godsdienst, vele leeftijdgenoten onder mijn volk overtreffend in mijn grenzeloze ijver voor de overleveringen van mijn voorouders. Maar toen God, die mij had uitgekozen, nog in mijn moeders schoot, en die mij heeft geroepen door zijn genade, besloot zijn Zoon aan mij te openbaren om Hem onder de heidenvolken te verkondigen, toen ben ik aanstonds, zonder een mens te raadplegen, zonder naar Jeruzalem te gaan, naar hen die eerder apostel waren dan ik, vertrokken naar Arabië en vandaar naar Damascus teruggekeerd.
Pas drie jaar later ben ik naar Jeruzalem gegaan om met Kefas kennis te maken, en ik ben veertien dagen bij hem gebleven. Van de andere apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus, de broer van de Heer.

Evangelie : Lucas 7,11-16

Opwekking van de zoon van een weduwe uit Naïn
    Naderhand ging Jezus naar een stad die Naïn heette; zijn leerlingen en een grote menigte gingen met Hem mee. Toen Hij de stadspoort naderde, werd er juist een dode uitgedragen, de enige zoon van een weduwe. Een talrijke menigte uit de stad was bij haar. Toen de Heer haar zag, was Hij ten diepste met haar begaan. ‘Huil niet’, zei Hij tegen haar. Hij liep naar de lijkbaar toe en raakte die aan. De dragers bleven staan en Hij zei: ‘Jongeman, kom overeind, zeg Ik je!’ En de dode ging rechtop zitten en begon te praten, en Hij gaf hem aan zijn moeder. Ontzag vervulde allen en ze prezen God. Ze zeiden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan’, en: ‘God heeft naar zijn volk omgezien

Ontmoeting tussen paus en Patriarch Kirill

‘Ontmoeting tussen paus en patriarch Kirill momenteel onmogelijk’

Geplaatst door onze redactie op donderdag 22 oktober 2009 om 09:05u

MOSKOU (RKnieuws.net) – Momenteel is er geen ontmoeting mogelijk tussen paus Benedictus en patriarch Kirill van de Russisch- orthodoxe Kerk. Dat heeft de leider van de orthodoxe diplomatie Iliarion verklaard.

‘Wij willen werken aan een dergelijke ontmoeting maar we stellen wel bepaalde voorwaarden’, aldus Ilarion. ‘Een ontmoeting is mogelijk als er positieve ontwikkelingen zijn, niet na maar voor de ontmoeting. Momenteel zijn er echter geen positieve ontwikkelingen’, stelt Ilarion.

Cyrille Argentie : Liturgie en leven

De Liturgie en het leven

Door Vader Cyrille Argentie

Hoe dikwijls heeft ieder van ons niet horen zeggen van deze of die persoon “Men ziet hem in de Kerk, maar wanneer wij hem zien leven, zou hij beter atheïst zijn”. Deze zin, die ongelukkiglijk klassiek geworden is, roept ons op : Hoe kan de liturgie terug worden wat ze moet zijn, het centrum en de uitstraling van ons leven ?  Hoe komt het ook dat wij dikwijls de indruk hebben van het tegendeel ?

Voor en na de verrijzenis van Christus.

Wij denken dikwijls dat wij naar de kerk gaan om te bidden. Dat is waar, maar wij kunnen ook bidden in onze kamer, alleen met God. De Liturgie is méér dan een simpel gebed : het is een actie, in afwachting van , en als antwoord op wat God doet. Want indien ze een “daad van het volk” is – dat is de betekenis van het griekse woord leitourgia –  is zij essentieel een daad van God; ze verdient dan ook goed de naam van Goddelijke Liturgie.

In werkelijkheid maakt men dikwijls van de liturgie een karikatuur. De mensen komen er dikwijls om zich te bezinnen, zoals ze naar een voetbalmatch gaan om zich te ontspannen, naar de zee om te baden of aan het bureau om te werken. Alsof er een “kleine hoek” zou zijn waar men naartoe gaat om een moment van vrede te vinden, van rust, vooraleer zijn werk te hervatten  zoals voordien : “Och, hoe heeft het koor goed gezongen !” of : “Och wat heeft de priester goed…of veeleer, hoe heeft hij slecht gepredikt.”

Proberen we nu naar de grond van de zaak te gaan. En daarvoor moeten wij naar het gedrag kijken van de leerlingen van Jezus voor en na zijn verrijzenis. De avond van Grote Donderdag, op de berg van Olijven, wanneer Jezus zijn doodstrijd doormaakt in de hof van Gethsemani, slapen de apostelen Petrus, Jacobus en Johannes. Op het ogenblik van zijn aanhouding, laten de leerlingen Hem in de steek  en vluchten, zoals Jezus het had aangekondigd : “De schapen  van de troep zullen verstrooid worden” (Mat.26,31).

Wanneer Jezus verschijnt voor her Sanhedrin, loochent Petrus Hem tot driemaal toe. Leerlingen die slapen, de verstrooide kudde, gelovigen op de vlucht, Petrus die zijn meester verloochent, is het verwonderlijk dat Jezus dan zegt : ” Mijn ziel is ten dode toe bedroefd” (Matt.26,38). En hij besluit : ” het is de macht van de duisternis” (Luc.22,53). Men vind vele van deze karakteristieke kenmerken, gesteltenissen van de ziel en houdingen – vlucht, verstrooiing, verdeeldheid, droefheid,  slaperigheid, krachten van de duisternis –  in de huidige samenleving terug, rondom ons en wellicht ook in ons eigen harten, in onze eigen verhouding tot het leven. Een soort van angst en vrees, van gebrek aan moed en hoop, er genoeg van hebben. Dit komt voor bij alle leeftijden, zelfs bij de jongeren.

Beschouwen wij nu de houding van de leerlingen na de Verrijzenis, zoals het opgeschreven staat in de eerste hoofdstukken van de Handelingen der Apostelen. De morgen van Pinksteren citeert  Petrus – die angst van  schrik had gehad van een klein dienstmeisje in de voorhof van de hogepriester, David : “Mijn hart is vreugdevol, en mijn tong jubelt”. Dan, vol van durf, voegt hij eraan toe : ” deze Jezus die gij gekruisigd hebt heeft God tot Heer en Christus gemaakt” (Hand.2,36). De heilige Lucas beschrijft aldus het leven van de eerste christenen : “Zij bleven volharden in het onderricht der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. En allen die tot het geloof gekomen  en bijeengekomen waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen die er behoefte aan hadden, en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het hele Volk. En de Heer voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden”.(Hand.42-47).

Vóór de Verrijzenis overheerste de verstrooiing, de slaperigheid, de droefheid, de laksheid, de vlucht, de tranen. Na de Verrijzenis regeerde de vreugde, de vrolijkheid, de kracht, de  toewijding, de broederlijkheid, de éénheid. Anders gezegd, het Kruis, de Verrijzenis, Pinksteren hebben de zielstoestand het hart van de personen en van de christelijke gemeenschap totaal veranderd. De gelovigen verschillen, niet enkel als individuen, maar ook als gemeenschap. De Verrijzenis en Pinksteren heeft hen omgevormd. Zij zijn waarachtige nieuwe mensen geworden die de ganse romeinse wereld zouden kunnen veroveren. De verandering zal een veertigtal jaar duren, het Evangelie zal verspreid worden over de ganse omtrek van de middellandse zee.

Wat is het verband met de liturgie ? Christus is niet verrezen en de heilige Geest is niet neergedaald op de dag van Pinksteren voor simpelweg de mensen van één generatie en de joden van Jeruzalem ten tijde van Pontius Pilatus, maar voor alle mensen van alle tijden. De plaats en het moment waar de mensen  kunnen veranderen door de verrijzenis van Christus en Pinksteren is juist de Goddelijke Liturgie. Deze is de plaats en het moment waar, door de Heilige Geest, Christus voor de mensen van vandaag doet wat hij onder Pontius Pilatus heeft gedaan. Bijgevolg, de verandering die zich heeft afgespeeld in de harten van de leerlingen en de christelijke gemeenschap op het moment van de Verrijzenis en Pinksteren, moet  hetzelfde kunnen tot stand brengen in de harten van alle leden , van elke christelijke gemeenschap van vandaag, wanneer de liturgie wordt gecelebreerd. Het is de reden om één van hen te zijn.(…)

Dankzegging

Komen wij nu aan het gedeelte genaamd de “liturgie van de gelovigen”, de eucharistische liturgie. Men hoort dikwijls zeggen : “ik heb de eucharistie ontvangen”. Dit is evident nonsens die aantoont dat we er niets van begrepen hebben, want ethymologisch betekent eucharistie ‘eucharistô’ : ‘dank u’. De eucharistie meemaken, is dank  zeggen, iemand danken. Het grote eucharistische gebed begint met de woorden :  ” laat ons de heer dankzeggen”, en het koor antwoordt : “Dit is recht en waardig”, terwijl de priester herneemt : “het is recht en waardig u te prijzen, te bezingen en te danken…”.

De Goddelijke liturgie is dus een dankzegging gericht tot de vader. Waarom ? Vooreerst voor de schepping, voor ons te hebben gebracht van het niets tot het zijn. Vervolgens voor gans het werk van zijn Zoon, actueel gemaakt en doeltreffend vandaag door de werking van de Heilige Geest. De celebratie zou dus moeten samengaan met een vloed van erkenning tegenover de Vader , de Zoon en de heilige Geest, en dit van de kant van hen die eraan deelnemen, voornamelijk de bedienaar die de dankzegging van de gemeente voorzit. Erkenning tegenover de Vader, want hij “heeft zo de wereld liefgehad, dat hij zijn Zoon heeft gezonden opdat al wie geloven in Hem niet zouden ten onder gaan, maar het eeuwige leven hebben” (Joh.3,16) Erkenning tegenover de Zoon, want Hij heeft zichzelf geofferd op het Kruis, het is geen kleinigheid te weten, te erkennen dat het bloed van Christus voor mij vergoten is, voor mij persoonlijk en voor ons allen tezamen. Erkenning tenslo
tte tegenover de Heilige Geest, want hij geeft ons vandaag dit leven van God dat Christus heeft gegeven op het Kruis.

Ziedaar, waarom de heilige Necarius, in het begin van deze eeuw, het gebed dat de Grote Intrede voorgafgaat niet kon zeggen zonder te wenen, zozeer was zijn erkenning en het bewustzijn van zijn onwaardigheid intens. Maar wij, vandaag, priesters en leken, wij wenen niet wanneer wij de dood en de verrijzenis van onze Redder celebreren, Hij die overgeleverd was in de handen van de mensen die Hem hebben gedood.Wij doen in het beste geval niets anders dan tot “inkeer”komen met ons hart van steen, in plaats van te trillen van liefde en erkenning met een hart van vlees. Nochtans heeft de aarde gebeefd van ontzetting, de zon is verduisterd, de ganse schepping heeft geschut omwille van de  verschrikkelijke strijd van God. Alle krachten hebben zich gebundeld met die van de Prins van deze wereld om Christus te kruisigen, zich van Hem ontdoen die op weg was om onze arme wereld uit de greep van de tiran te bevrijden, onze povere wereld, “die  kreunt onder de pijn van het baren.(Rom.8,22).In tegenwoordigheid van dit liefdesmysterie, van deze beslissende triomf van de Gekruisigde-Verrezene die gezegd heeft : “Vader vergeef hen, want ze weten niet wat ze doen” (Luc.23,34), wij, volk van God, laat ons  godvruchtig  stralend blijven. O Heer, verander onze harten van steen in harten van vlees en onze ondankbaarheid in een grote kreet van dankzegging.

De offerande van zichzelf

Hoe drukt deze dankzegging zich uit ? Door een offerande. Dit is het cruciale punt.  Eertijds zij men vooral niet “de priester leest de mis”, wat grote nonsens is. Men zei ook niet :”De priester celebreert de liturgie”, wat reeds iets beter is. Maar men verklaarde : “De priester is hij die de heilige gaven offert”. Sint Clémens van Rome, toen hij schreef  aan de christenen van Korintië in het jaar 95 , sprak van “presbyters” (van het grieks presbyteroï : “ouderen”), als “zij die de gaven  offeren”. De offerande van brood en wijn in naam van het volk, werd dus door de eerste christenen beschouwd als de meest karakteristieke daad en het belangrijkste in het ambt van priesters. Hij had ook een essentiële plaats in het leven van de gelovigen. In de IVe eeuw, bedreigde de ketterse gouverneur van Cappadocië de heilige Basilios met de dood, omdat deze hem de offerande had geweigerd. Als ketter wist hij, dat men een christen herkende door zijn offerande van brood en wijn en door het feit dat zij als aanvaardbaar werd beoordeeld. Vandaag, helaas, zijn de dingen veranderd. De offerande van brood en wijn komt niet meer naar voor als de belangrijkste en centrale daad van een priester, zij is het nog minder voor de gelovigen.

Om de betekenis van deze offerande goed te begrijpen, vergeten wij een ogenblik de industriële beschaving. Veronderstellen wij dat wij nog altijd landbouwers zijn, wij hebben het jaar doorgebracht met het werk op het land en met graan te zaaien, wij hebben het geoogst, gemalen, het omgevormd tot bloem, wij hebben het brood gebakken. In ons leven als landbouwer stelt het brood ons ganse leven voor, de vrucht van een gans jaar noeste arbeid. Zo gaat het ook met de wijn van de wijnbouwer. Het is gans onze arbeid en gans ons leven, gans onze persoon en gans de schepping die, als leden van de Kerk en met gans de Kerk, wij met het brood en de wijn offeren in de liturgie, volgens het woord van Sint Paulus : “Ik vermaan u, uzelf te offeren als een heilige en aangenaam offer voor God”(Rom.12,1).

Ik toon u mijn uurwerk, het is niet meer van mij, en ik heb het niet meer voor mij. Offeren, is dus ophouden het voor u te houden, verzaken aan alle egoïsme om zich aan God aan te bieden. Zich offeren met het brood en de wijn, is tenslotte zich associëren met het Kruis van Christus door de totale gave van zichzelf.

Het is dus zeer belangrijk dat de gelovige die de zondag naar de kerk komt, de dag des heren en Zijn verrijzenis, zijn brood  voor de offerande meebrengt (“prosfoor”), zijn wijn en zijn  diptieken ( van een grieks woord dat betekent “dubbel blad”. Het gaat om een dubbele lijst – onder de vorm van een stukje papier of een klein boekje – waar de gelovige zijn eigen voornaam en deze van alle personen : levenden en doden opschrijft die hij wil aanbieden, (“offeren” aan God en hen herdenken), die hij geeft aan de diaken of de priester. Het is ongelukkiglijk te betreuren dat wij moeten constateren dat een groot aantal gelovigen vandaag er niet meer aan denken, en niets meer aanbrengen. Maar hoe kan men gaven offeren in naam van het volk, indien het volk ze niet heeft aangebracht ? Indien de priester naar de bakker gaat om brood te kopen, dan is het niet meer de offerande van het volk.

Indien wij daadwerkelijk ons leven willen verbinden met de liturgie, dan is het essentieel dat wij ons voor God tonen met alles wat we zijn en alles wat we hebben. Deelnemen aan de Goddelijke liturgie wil zeggen : doorheen onze prosforen en onze diptieken, onszelf offeren aan onze Schepper, met gans onze familie en met allen waaraan we denken, onze vrienden – maar ook onze vijanden -, de levenden en de doden. (…).

Wij hebben allen onze zorgen en onze kwellingen : “Hoe kan ik er mij aan onttrekken, hoe ga ik tegen het einde van de maand de eindjes aan elkaar knopen ?”  Deze zorgen opzij zetten, betekent ons tekort aan vertrouwen  verwijderen, elke vrees verjagen voor de volgende dag om in een daad van vertrouwen  gans onze hoop op het altaar van God neer te leggen. Het is al ons egoïsme verwijderen om onszelf te offeren in een act van totaal vertrouwen, op het moment zelf waarop de diaken, terwijl hij de gelovigen voorbijgaat, de woorden van de goede moordenaar uitspreekt : “Gedenk ons allen Heer, wanneer gij in uw Koninkrijk komt”. Het is aan de voet van het Kruis dat wij onze zorgen van deze wereld moeten neerleggen alsmede gans ons leven, ons daardoor associërend met het Kruis van Christus. Dit doende, openen wij de vensters en de luiken op de grote hemel daarbuiten, op de adem van de Geest, op de almacht van God. (…)

Het voortdurend Pinksteren

Zich op die wijze aan God aanbieden met dankzeggingen  en in naam van de ganse bijeenkomst, zal de offerande van de Kerk – niet alleen het brood en de wijn, maar gans onze persoon en de ganse gemeenschap – overgegeven zijn aan het licht en de werking van de Geest. Het is daarom dat de celebrant het onze Vader bidt in naam van allen : ” Wij vragen u, wij smeken u, zendt over ons en over deze gaven uw Heilige Geest”. Waarom ? Opdat hij deze offerande van de Kerk zou veranderen in de offerande van Christus op het Kruis. Het brood is dan daadwerkelijk veranderd in het lichaam en de wijn in het bloed van onze Heer God en Verlosser Jezus Christus, opdat allen die  deelhebben “aan dit zelfde brood en deze zelfde kelk communiceren aan dezelfde Heilige Geest”, en opdat wij zouden deelhebben aan “de volheid van het koninkrijk der hemelen”.

Door te zeggen “Dit is mijn lichaam…Dit is mijn bloed”, bevestigt Christus door de werking van de Heilige Geest een actuele realiteit. De verscheurde materie wordt het lichaam van de Verrezene, en het koninkrijk van God midden onder ons !. Zo is Pinksteren geen gebeurtenis meer uit het verleden, maar wordt het een actuele realiteit. Het koninkrijk der hemelen is niet meer een ver afstaande realiteit, maar het object van een onmiddellijke ervaring. Als wij deelnemen aan
de Goddelijke Liturgie, is het juist om God te ontmoeten in de Persoon van de Heilige Geest die rust in het lichaam van de verrezen Christus die wij ontvangen tijdens de communie.

De Goddelijke Liturgie is juist het voortgezette Pinksteren, de Geest die neerdaalt over de gelovigen en de wereld, “vernieuwt het aangezicht der aarde” (Psalm 103,30). In het Oude testament deden de priesters van Baal veel gymnastiek, akrobatentoeren en magische gezangen om het vuur uit de hemel te aanroepen, maar niets haalde het uit. De Profeet Elias, daarentegen, nadat hij driemaal het altaar deed besproeien voor de offerande, aanriep de ware God die het vuur uit de hemel zendt en het vuur absorbeerde van de offerande.

Het vuur uit de hemel is de heilige Geest die neerdaalde op de dag van Pinksteren, en die neerdaalt in elke nieuwe liturgie op ons en de geofferde gaven. Het gaat hier niet meer om inkeer, maar om een waarachtige gebeurtenis : de Goddelijke Liturgie is dit “ontzettend” moment, waar God zelf in de Persoon van de Heilige Geest, ons bezoekt. Hij maakt van het brood “het lichaam van Christus” – het volk zegt Amen – en van de wijn “het bloed van zijn Christus” en het volk zegt opnieuw Amen – “hen veranderend door zijn Heilige Geest”, het volk antwoordt : Amen, amen, amen.

 Het is dus niet enkel de priester die vraagt. Door deze drievoudig Amen, is het het  ganse volk in de communautaire epiclese dat God daadwerkelijk op dat moment vraagt zijn Heilige Geest te zenden. Ik herinner mij een jonge vrouw die enkele jaren geleden overleden is en mij op een bepaalde dag zei : ” In mijn diepste voel ik door dit Amen op het moment van de épiclese  dat het in zekere mate van mijzelf afhangt of de Heilige Geest komt of niet komt”. (…) Ons Amen verenigt ons , verenigt elke persoon met het gebed van de priester.

Op dat moment, met de nederdaling van de heilige Geest, komt de verrezen Christus wezenlijk tegenwoordig. Hij zegt : “Dit is mijn lichaam”. Daarom zeggen wij na de communie “Wij hebben het ware licht aanschouwd”. Daarvoor, deden wij gedachtenis met erkentelijkheid van de dood en de verrijzenis van Christus. Nu is deze verrijzenis actueel geworden door de werking van de heilige Geest. Het is door de werking van diezelfde Geest dat de Zoon van God vlees geworden is en dat het brood het mysterievolle lichaam wordt van de verrezen Christus. Daarom kan ons leven veranderen.

Dat wat op het spel staat is niet de tegenwoordigheid van de Verrezene, de liturgie zal niets aan ons leven veranderen. Daarentegen, het is omdat de Verrezene bij ons in de liturgie aanwezig is zoals hij bij zijn leerlingen  was ten tijde der Apostelen, dat wij kunnen hopen dat hij na de liturgie dezelfde verandering zal teweegbrengen in onze houding, gedachten en ons leven, als bij de leerlingen na de Verrijzenis. Daarbuiten heeft de épiclese, zoals gans de liturgie trouwens geen enkele betekenis. Als het alleen gaat om het eten van brood en het drinken van wijn,  dan kan men evenzeer naar de bakker of de bistro op de hoek gaan.

Vleselijke vereniging met Christus.

De goddelijke Liturgie loopt uit op de communie : “Neemt, eet, drink allen” (Matth.26,26-27). Welnu “diegene die mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in mij en ik in hem” (Joh.6,5-6).  De Goddelijke Liturgie is dus gericht op deze intieme vereniging met Christus en de communicerenden, een vereniging die hun manier van zijn volledig kan transformeren en doet leven als ingelijfden in de verrezen Christus.

Indien wij echt geloven in de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus, indien wij inzien dat dit het lichaam van Christus is (1 Kor.11,21), dan geven wij er ons rekenschap van dat de communie een daadwerkelijke vleselijke vereniging is tussen de Zoon die vlees geworden is en de communicerende. Het is om deze vereniging mogelijk te maken dat Christus zijn bloed heeft “vergoten” op het Kruis. Geen enkel gebed, geen enkele deugd, geen enkele gedraging kan deze waarachtige bloedtransfusie die het leven geeft en waardoor wij één lichaam worden met Christus, vervangen. Het gaat er dus niet om “naar de mis te gaan” of   te “assisteren aan de mis” : gans het verloop van de Goddelijke Liturgie is georiënteerd naar het hoogste moment waarop de diaken of de priester zegt : “Nader in vreze Gods, met geloof en in liefde” en waarop de gelovigen die hebben geantwoord op deze uitnodiging  om deel te nemen aan het banket van het Koninkrijk uitroepen : “Wij hebben het ware licht aanschouwd, wij hebben de Heilige geest ontvangen, wij hebben het ware geloof gevonden, wij aanbidden de onscheidbare drie-eenheid, want ’t is hij die ons heeft gered”.(…)

Persoonlijke transformatie.

Waarom vragen wij dat het brood het lichaam van Christus wordt en de wijn het bloed van Christus ? Het gaat er niet om dat de verrezen Christus aanwezig komt alleen maar om hem te aanbidden, maar opdat wij eraan zouden communiceren en, dit doende, opdat wij zouden worden getransformeerd. Het doel van de eucharistie, is de verandering van ons leven : ” Opdat zij (de heilige gaven) worden voor hen die ze ontvangen soberheid van de ziel, vergeving van zonden, communio met de Heilige Geest , volheid van het koninkrijk Gods” (…).

Deze omvorming door het lichaam en bloed van Christus heeft niets automatisch noch mechanisch in zich, want de communie heeft geen magisch effect op de gelovigen. Zij kan maar op twee voorwaarden vruchten dragen : indien zij voorafgaat aan een oprechte bekering en indien zij gevolgd wordt door een trouwe en blijvende trouw aan  de ontvangen Christus.

De waarachtige bekering correspondeert aan een “ommekeer”, een her-oriëntatie  van gans ons wezen naar God toe, aan het waarachtige engagement om onze gedragingen en onze levenswijze te veranderen. De zekerheid van dit engagement wordt bevestigd door een effectieve verzaking aan een zondig leven. Daarom moet de communie voorafgegaan worden door een verzoening met onze vijanden, de breuk met onze geliefde of maîtresse, de verzaking aan uitbuiting of haat. Dergelijke beslissingen zouden utopisch en niet werkbaar zijn, zouden vrome wensen blijven indien zij niet zouden uitlopen op de eucharistische communie door dewelke “wat onmogelijk is bij mensen, mogelijk is voor God”.

Het trouwe volgen van Christus houdt ook in dat de tegenwoordigheid van Christus, ontvangen in de communie, gevolgd wordt door een gehechtheid die alle dagen voort duurt, een trouw en een waakzaamheid op elk moment.  Dit naar het voorbeeld van het huwelijk dat wordt voorbereid door de verloofden en een engagement waarin men zijn egoïstisch leven van celibatair begraaft, en dat gevolgd wordt door een gans leven van trouw en toewijding.

Daarentegen, indien men communiceert zonder geloof, machinaal, onbewust of op een onverantwoordelijke wijze,dan zal het lichaam van Christus – gloeiende kolen – de communicerende  verschroeien in plaats van hem te verwarmen en te verlichten. “Daarom, zegt Sint Paulus, zijn er onder ons zovele zieken en zwakken, en een zeker aantal zijn dood”(1,Kor.11,30). Maar wanneer wij communiceren met vertrouwen in hun vergevende kracht, genezen en getransfigureerd door de Heilige Geest, wanneer het lichaam van de Verrezene opstraalt, dan worden wij
beetje bij beetje een “nieuwe schepping” . Wij weerspiegelen de heerlijkheid van de Heer en wij zijn “getransformeerd in dit beeld, gaande van heerlijkheid naar heerlijkheid, zoals door de Heer, die Geest is”. (2 Kor 3,18) (…)

De gemeenschap in Christus

De verandering die zich realiseert in de communie is niet enkel individueel en vertikaal :

Tussen God en mij. Het is ook horizondaal : tussen de broeders en zusters en mij. Door te communiceren aan dezelfde Christus, communiceren de gelovigen als leden van éénzelfde lichaam. Zo wordt door de Goddelijke liturgie een gemeenschap geschapen die in communio treedt niet enkel met alle andere eucharistische bijeenkomsten verspreid over de wereld, maar ook met alle communicerenden van het verleden sinds de Apostelen, en zelfs sinds de profeten en alle rechtvaardigen van het oude testament die Christus hebben aangekondigd en verwacht. Zo wordt door de Goddelijke Liturgie “het lichaam van Christus opgebouwd totdat wij allen komen tot de eenheid in het geloof en tot de kennis van de Zoon van God (…) naar het voorbeeld van Christus in zijn volheid” (Ef.4,12-13), opdat “gans het universum onder hun  hoofd, Christus,  wordt bijeengebracht” (Ef.1,10). Op dezelfde wijze dat de schepping is meegesleept in de val van de mens, op dezelfde wijze wordt gans de schepping vernieuwd wanneer de mens, die hem verbindt met de Schepper, in zijn integriteit zal hersteld worden. De Goddelijke Liturgie is de haard van waaruit gans de schepping wordt vernieuwd.

De communio met de Heilige Geest die zich realiseert door de communie aan het heilige brood en de heilige wijn zal dus de gemeenschap binden in Christus. Niet magisch, want het is niet omdat we eenmaal samen de eucharistie zullen gecelebreerd hebben, dat wij ons voor altijd hebben verenigd. Maar wanneer een gemeenschap regelmatig communiceert met vreze Gods, geloof en liefde, dan verbindt zij zich geleidelijk aan met Christus.

In de eucharistie is alles gemeenschap : de offerande, want wij offeren niet enkel onze persoon, maar het leven van de ganse gemeenschap, met haar zwakheden, haar discussies, haar verschillen en haar hinderpalen. De épiclese, want wij vragen de komst van de Heilige Geest over ons allen. De communie, want zij realiseert geleidelijk aan de éénheid van de gemeenschap en maakt hierdoor Kerk.

Zeker, wij hervallen dikwijls in dezelfde fouten nadat wij de communie hebben ontvangen, maar ook de gemeenschap hervalt dikwijls in haar  routine, haar verschillen en haar disputen nadat de communie is ontvangen in de Goddelijke Liturgie. Maar we mogen ons niet laten ontmoedigen. Indien wij volharden, dan zal de communie geleidelijk aan onze gemeenschap transformeren. Een gemeenschap van personen die samen communiceren, zondag na zondag, wordt geleidelijk aan de Kerk, ’t is te zeggen : de plaats van Christus’aanwezigheid (…).

Door te volharden in de épiclese en de communie, zal onze gemeenschap geleidelijk aan  getuigen van deze grote woorden waar van wij  genieten, in die mate dat ik ze met moeite durf uitspreken : “liefde”, “rechtvaardigheid”, “vrijheid”.

Het is door de werking van de Heilige Geest dat deze woorden geleidelijk aan realiteiten kunnen worden in een gemeenschap. Een gemeenschap die eucharistie viert en die communiceert kan doordrongen worden door het Woord van God en door de Geest van God. Het is dus de Geest zelf die getuigt van het bestaan van de verrezen Christus in de maatschappij. Dat is ons opzet.

 Vertaling : Kris Biesbroeck

Basilios de Grote : Wat zal ik doen…

H.Basilius (ca. 330-379), monnik en bisschop van de Caesarea in Kappadocië, Kerkleraar
Homilie 16 over de rijkdom; PG 31, 261v

Basilios de grote 2873

“Wat zal ik doen? Want ik kan mijn vruchten niet bergen”

      “Wat moet ik doen” Er was een antwoord bereid: “Ik zal de zielen die honger lijden vervullen; ik zal mijn graanschuren openen en ik zal allen uitnodigen die tekort hebben… Ik zal een goed woord laten horen: U die brood tekort komt, kom tot Mij; ieder naar zijn behoefte, neem uw deel van de gaven die door God gegeven zijn en die stromen als een openbare fontein”. Maar jij, dwaze rijke man, jij bent daar ver vandaan! Waarom? Ben je jaloers om te zien hoe anderen genieten van rijkdommen? Je geeft je over aan het maken van ellendige berekeningen, je maakt je bezorgd niet opdat je weet hoe aan iedereen het broodnodige te geven, maar hoe je alles kunt verzamelen en alle anderen nog meer kunt beroven van het voordeel dat ze eruit kunnen trekken…

      En u mijn broeders en zusters, pas op om niet hetzelfde lot te kennen als die man!  Als de Schrift ons dat voorbeeld geeft, dan is het opdat we moeten voorkomen dat we ons zo gedragen. Doe als de aarde: draag vruchten zoals haar en wees niet slechter dan haar, zij is verstoken van een ziel. Zij geeft oogsten, niet voor haar eigen vreugde, maar om je een dienst te bewijzen. Daarentegen, alle vrucht van je welwillendheid, die je betoont, pluk je voor jezelf, aangezien de genade van de goede daden terugkomen op hen die er de verspreiders van waren. Je hebt aan degene die honger had gegeven, en wat je gegeven hebt, blijft voor jou en komt zelf met rente terug. Zoals een graankorrel die op aarde valt ten goede komt aan degene die het gezaaid heeft, zal het brood dat gegeven is aan iemand die honger heeft, jou later overvloedig ten goede komen. Dat het einde van je zwoegen voor jou het begin van het zaad in de hemel mag zijn.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Chrysostomos Johannes : U zult een schat bezitten in de hemel

H. Johannes Chrysostomes (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar
Homilie 63 over Matteus PG 58,603

 

Chrysostomos 1

 

“U zult een schat in de hemel bezitten”

      Christus zei tegen de jongeman : “Indien je het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden” (Mt 19,17). Hij vraagt: “Welke?”, niet om Hem op de proef te stellen, verre van dat; hij veronderstelt dat Hij  nog andere geboden voor hem heeft naast de tien geboden van Mozes, andere geboden die hem het leven zullen geven, dat was het bewijs van zijn vurig verlangen.. Toen Jezus hem de tien geboden opgesomd had, zei de jongeman tegen Hem: “Dat alles heb ik al onderhouden van mijn jeugd af aan”. Hij hield daarmee niet op, hij vroeg: “Wat mist er nog?” (Mt 19,20), wat het teken van zijn vurig verlangen is. Een ziel die denkt dat hem nog iets ontbreekt, die het voorgestelde ideaal onvoldoende vindt om bij het doel van zijn verlangen te komen, is geen kleine ziel.

      En wat gaat Christus zeggen? Hij stelt iets groots voor: Hij stelt eerst de beloning voor door te zeggen: “Als je volmaakt wilt zijn, ga, verkoop alles wat je hebt, geef het aan de armen en je zult een schat in de hemel hebben; kom dan terug en volg Mij”. Zie je welke prijs, welke bekroning Hij voorstelt voor deze sportieve prestatie? … Om hem aan te trekken toont Hij een beloning van grote waarde en Hij laat alles aan zijn eigen oordeel over. Wat pijnlijk lijkt, laat Hij in de schaduw. Alvorens over strijd en moeite te praten, toont Hij hem de beloning: “Als je volmaakt wil zijn” zegt Hij: dat is de heerlijkheid, het geluk!… “Je zult een schat in de hemel hebben; kom dan en volg Mij”: dat is de beloning. De fantastische beloning om met Christus mee te mogen lopen, om zijn maat en vriend te zijn! Die jongeman had achting voor de rijkdom van de aarde; Christus adviseert hem om zich te ontdoen van die rijkdom, niet om hem te verarmen, maar opdat hij nog rijker zou worden.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

19e zondag na Pinksteren : heb uw vijanden lief

19e zondag na Pinksteren

4e na de kruisverheffing 

“Heb uw vijanden lief”

 heb uw vijanden lief 2

LEZINGEN :

Eerste lezing :Kol.4,5-11;14-18

Gedraag u verstandig jegens de buitenstaanders. Benut de gunstige gelegenheid. Laat uw spreken steeds innemend zijn, met een vleugje zout erbij, zodat u iedereen het juiste antwoord weet te geven.

Mededelingen, groeten, zegenwens
     Tychikus, onze geliefde broeder, mijn trouwe helper en mededienaar van de Heer, zal u volledig inlichten over mijn omstandigheden. Juist daarom stuur ik hem naar u toe, opdat u verneemt hoe het ons gaat en hij u mag vertroosten. Met hem stuur ik Onesimus, onze trouwe en geliefde broeder, die een van uw mensen is. Zij zullen u op de hoogte brengen van alles wat hier gebeurd is.
     De
groeten van Aristarchus, mijn medegevangene, en Marcus, de neef van Barnabas, over wie u al aanwijzingen hebt gekregen; ontvang hem goed, als hij bij u komt. Eveneens groet Jezus u, ook Justus genaamd. Van de besnedenen zijn zij de enigen die met mij werken voor het koninkrijk van God; ze zijn voor mij dan ook een grote troost geweest

Mijn vriend Lucas, de arts, groet u, en Demas.
     Groet de broeders te Laodicea, en Nymfa en de gemeente die in haar huis samenkomt. En wanneer deze brief bij u is voorgelezen, zorg dan dat hij ook in de gemeente van Laodicea wordt voorgelezen, en dat u de brief uit Laodicea te lezen krijgt. Zeg tegen Archippus
: ‘Zorg ervoor dat u de taak goed vervult die u omwille van de Heer op u genomen hebt.’
     Eigenhandige
groet van mij, Paulus. Denk aan mijn boeien! De genade zij met u.

 

Evangelie : Lucas : 6,31-36

Behandel de mensen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. Als jullie je vrienden liefhebben, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook de zondaars hebben hun vrienden lief. En als jullie je weldoeners weldoen, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook de zondaars doen dat. En als jullie lenen aan mensen van wie je iets terugverwacht, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook zondaars lenen aan zondaars om op hun beurt hetzelfde te krijgen. Nee, heb je vijanden lief, doe wel en leen uit, en verwacht daarvoor niets terug. Dan zal er een rijke beloning voor jullie zijn: je wordt kinderen van de Allerhoogste, want ook Hij is goed voor ondankbare en slechte mensen. Wees barmhartig, zoals jullie Vader barmhartig is.

17e zondag na Pinksteren : Van de kananese vrouw

17e zondag na Pinksteren

2e na de Kruisverheffing

 

“Van de kananese vrouw”

 kananese vrouw

LEZINGEN :

Eerste lezing :

2 Kor.9,6-16 – 7,1

Is er enig verband tussen de tempel van God en de afgoden? Wij zijn de tempel van de levende God. God heeft zelf gezegd: Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. Daarom, ga weg uit hun midden en houd u ver van hen, zegt de Heer, en raak niets aan wat onrein is. Dan zal Ik u genadig aannemen. Ik zal voor u een vader zijn en u zult voor mij zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Albeheerser.

Zulke beloften zijn ons gedaan, geliefden; laten wij ons dus zuiveren van elke smet naar lichaam en geest, en vol ontzag voor God onze heiliging voltooien.

 

Evangelie :

Matth.15,21-28

Jezus en een Kananese vrouw
     Jezus ging daar weg en nam de wijk naar het gebied van Tyrus en Sidon. En kijk, een Kananese vrouw uit die streek kwam naar buiten en riep: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is vreselijk bezeten.’ Maar Hij gaf haar niet eens antwoord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Stuur haar weg, want ze roept ons achterna.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël.’ Maar zij kwam naar Hem toe en knielde voor Hem neer en zei: ‘Heer, help me.’ Hij gaf haar ten antwoord: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven.’ Maar zij zei: ‘Juist, Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.’ Toen gaf Jezus haar ten antwoord: ‘Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst.’ En haar dochter was vanaf dat moment genezen.

 

Cassianus : Kom en leer van Mij (Matth.11,29)

Johannes Cassianus (rond 360-435), stichter van een klooster in Marseille
Conferenties, nr 15, 6-7

 

Cassianus 7

” Kom en leer van Mij” (Mt 11,29)

      De groten in het geloof oefenden op geen enkele wijze de macht uit, die ze hadden om wonderen te doen. Ze bekenden dat hen geen enkele verdienste toekwam, maar dat de barmhartigheid van de Heer alles had gedaan. Als men hun wonderen bewonderde, dan wimpelden ze de menselijke eer weg met de woorden die ze aan de apostelen ontleenden: “Waarom bent u zo verbaasd en waarom staart u ons aan alsof het aan onze eigen kracht of vroomheid te danken is dat deze man weer kan lopen?” (Hand 3,12). Niemand moest naar hun gevoel geëerd worden om de gaven en de wonderen van God..

      Maar het gebeurt soms dat mensen die naar het kwaad neigen en laakbaar zijn op het gebied van het geloof, demonen uitdrijven en wonderen in de naam van de Heer doen. Daarover klaagden de apostelen een keer: “Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij u niet samen met ons volgt.” Jezus zei toen tegen hen: “Verhinder het niet! Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.” Maar aan het einde der tijden zullen die mensen zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?” En dan zal ik hun rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, jullie hebben het kwaad gedaan!” (Mt 7,22v).

      Hen die Hij Zelf beloond heeft met de glorie van tekenen en de wonderen, geeft de Heer de waarschuwing om zichzelf daardoor niet te verheffen: “Verheug je er echter niet over dat de geesten zich aan jullie onderwerpen, maar verheug je omdat jullie naam in de hemel opgetekend is” (Lc 10,20). De auteur van deze tekenen en wonderen roept zijn leerlingen op om zijn leer te ontvangen: ” Kom en leer van Mij” – niet om de demonen door de hemelse krachten te verdrijven, noch om melaatsen te genezen, noch om licht te geven aan de blinden, noch om doden op te wekken, maar zegt Hij: “Leer dit van Mij: dat ik zacht en nederig van hart ben”  (Mt 11, 28-29).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Cyrillus van Alexandrië : Opdat de één mogen zijn , zoals Wij

H. Cyrillus van Alexandrië ((380-444), bisschop, Kerkleraar
Commentaar op het evangelie van Johannes, 11, 11 ; PG 74, 558

 

Cyrillos van Alexandrië 159

“Opdat ze één mogen zijn, zoals Wij”

      Toen Christus aan ons gelijk werd, dat wil zeggen mens werd, heeft de Heilige Geest Hem gezalfd en gewijd, hoewel Hij van nature God was… Hij heiligt zelf zijn eigen lichaam, en alles wat geschapen is, is waardig om geheiligd te worden. Het mysterie dat in Christus gebeurde, is de oorsprong en de weg van onze deelname aan de Heilige Geest.

      Om ook ons te verenigen, om ons te versmelten in de eenheid met God en onder elkaar, hoewel gescheiden door onze individuele verschillen van onze zielen en van onze lichamen, heeft de Eniggeboren Zoon een middel gevonden en voorbereid om ons te verzamelen, dankzij de wijsheid die de zijne is en volgens de raad van zijn Vader. Door één enig lichaam, zijn eigen lichaam, zegent Hij hen die in Hem geloven, in een mystieke vereniging maakt Hij er één lichaam van met Hem en onder hen.

      Wie zou ons dus kunnen scheiden, wie zou de fysieke eenheid kunnen ontnemen van degenen, die door dat heilige lichaam en door Hemzelf alleen verenigd zijn in de eenheid van Christus? Als wij eenzelfde brood delen, vormen wij allen één enig lichaam (1 Kor 10,17). Want Christus kan niet verdeeld worden. Daarom wordt, volgens de leer van Paulus (Ef 5,30), de Kerk ook het lichaam van Christus genoemd, en wij zijn leden. Allen verenigd in één Christus door zijn heilig lichaam ontvangen we Hem, één en ondeelbaar in ons eigen lichaam. Wij moeten ons eigen lichaam beschouwen als niet meer aan ons toebehorend.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Johannes Chrysostomos : Wie oren heeft om te horen, hij hore

H. Johannes Chrysostomos (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar
Sermons over Mattheus, nr 44 ; PG 57, 467

Chrysostomos modern onbekend

“Wie oren heeft om te horen, hij hore”

      Als het zaad verdroogd, dan komt dat niet door de hitte. Jezus heeft niet gezegd dat het verdroogd is door de hitte, maar “als gevolg van een fout in de wortel”… Als het woord verstikt is, komt dat niet door de doornstruiken, maar door hen die ze in vrijheid hebben laten groeien. Met de wil kun je ze belemmeren om te groeien, je kunt gepast gebruik maken van de rijkdommen. Daarom heeft de Heer niet gesproken over de ‘wereld’, maar over de ‘zorg van de wereld’, niet over ‘de rijkdom’  maar over de ‘verleiding van de rijkdom’. Laten we de dingen op zich niet de schuld geven, maar het bederf van ons bewustzijn…

      Niet de landbouwer, niet het zaad, maar de aarde, die het ontvangen heeft, verklaart alles, dat wil zeggen de neigingen van ons hart. Ook daar is de goedheid van God voor de mens enorm, Hij eis niet een zelfde mate van deugdzaamheid, Hij oogst de eerstelingen, Hij laat de tweede niet opnieuw groeien en Hij geeft plaats aan de derde…

      Men moet dus eerst met aandacht naar het Woord luisteren, vervolgens het trouw in het geheugen bewaren, en daarna vol met goede moed zijn, vervolgens de rijkdom minachten en zich bevrijden van liefde voor alle wereldse bezit. Als Jezus aandacht voor het Woord op de eerste plaats zet en vóór alle andere voorwaarden, dan is dat omdat dit dè nodige voorwaarde is. “Hoe kun je geloven zonder eerst te luisteren?” (Rm, 10,14) Als wij ook niet aandacht geven aan hetgeen ons verteld wordt, weten we niet welk werk we moeten vervullen. Daarna komen pas de moed en de minachting voor de wereldse bezittingen. Laten we ons, om profijt uit de lessen te trekken, op allerlei wijzen versterken: laten we aandachtig zijn voor het Woord, en onze wortels diep laten groeien en laten we ons losmaken van de wereldse zorgen.

De patristieke fundering van de sacamenten van de Kerk

De patristieke fundering van de sacramenten van de Kerk

Metropoliet Kallistos Ware

 

Toespraak gehouden in Moscou 13-16 november 2007

 

“Het zijn de sacramenten die het Lichaam van Christus vormen” schreef de heilige Nicolas Cabasilas. Ze zijn, zegt hij “vensters in de duistere wereld”. Wat dan, zijn de voornaamste thema’s in de Patristieke lering omtrent deze goddelijke activiteiten, zonder welke er geen leven in Christus mogelijk is ? Hoe verstonden de Vaders dit “venster” dat ons bestaan hier op aarde verlicht ?.

1 Het woord “sacrament

Dat wat de latijnse theologie sacramentum noemt is in de griekse theologie mysterion (in het de Slavische theologie aangeduid met het woord tainstvo). De twee woorden hebben een grondig verschillende betekenis. De latijnse term sacramentum betekent oorspronkelijk de eed van trouw door de romeinse soldaten, terwijl het in wettelijke termen de betekenis heeft van een belofte die onder ede gedaan werd onder redetwistende partijen. De Griekse term Mysterion anderzijds heeft een rijkere en diepere betekenis. Het woord komt ongeveer dertig maal voort in het Nieuwe testament , en nergens heeft het de betekenis van een liturgische ritus. Tegelijk betekent in het Nieuwe Testament “mysterie” niet, zoals het in het moderne gebruik de gewoonte is, een onopgeloste puzzel, een  raadsel of  enigma. In de eigenlijke Schriftuurlijke en theologische betekenis, daarentegen, is mysterie iets wat onthuld wordt voor ons verstaan, uiteindelijk nooit totaal en uitsluitend, daar het peilt naar de oneindige diepten van God.

In het Nieuwse Testament is het hoogste en fundamenteelste mysterie de menswording van Christus. Sint Paulus in de Kollosenzen 1,25-26 spreekt  over “het geheimenis (mysterie) dat eeuwen en geslachten verborgen is geweest”, en dat u geopenbaard is in Christus die de “hoop en de glorie”is. Zo ook in de Efesiërsbrief 1,9-10 sprekend over het mysterie van Gods wil zegt Paulus dat dit niets anders is dan het “plan ter voorbereiding van de volheid der tijden”,om in Christus alles in de hemel en op aarde bijeen te brengen of te verzamelen onder één hoofd, Jezus Christus. Meer in het bijzonder dit “mysterie” dat eerst verborgen was en nu geopenbaard, bestaat in de vereniging van Joden en heidenen onder één lichaam, Christus (Efesiërs 3,3-6).

De grote omvang van de term mysterion, waarbij het refereert naar de totaliteit van Christus’incarnerend werk, komt dikwijls voor  bij de vroege Kerkvaders Het is pas in de 3e en 4e eeuw dat het woord wordt gebruikt om meer nauwkeurig een liturgisch rite aan te duiden. De term gebruikend  in de bredere Nieuw Testamentische betekenis, spreekt Ignatios van Antiochië van de maagdelijkheid van Maria, haar kind baren en de dood als van “drie mysteries die om luid gechreeuw vragen, wat ons brengt tot de stilte van God” In dezelfde termen spreekt Clemens van Alexandrië over “het merkbaar mysterie” van de incarnatie, “God in de mens en de mens in God”. In de latijnse traditie verwijst Tertullianus  naar “het sacrament van de economie” (sacramentum oeconomiae”, daarmee bedoelt hij de reddende  ingreep van de geïncarneerde Christus in haar totaliteit. Maar hij gebruikt ook de term sacramentum in een meer beperkte betekenis, om er het doopsel en de eucharistie mee aan te duiden. Lang nadat de term mysterion haar technische betekenis had gekregen als een sacramentele rite, gaan de Griekse Vaders nog altijd verder met haar te gebruiken op een meer  uitgebreide en flexibele wijze. Wanneer we hen lezen is het belangrijk daarvoor  de patristieke teksten niet automatisch te lezen in de meer specifieke betekenis van het woord “sacrament”, zoals ze gevonden wordt in de Rooms Katholieke en Orthodoxe theologie.

Er is een bijzondere reden waarom de bredere betekenis van het woord “mysterie” nooit vergeten mag worden, en dat is de weg waarin het de essentiële link tussen de sacramenten en de incarnatie wordt onderlijnd. Alle sacramenten hebben hun bron en gronding in de incarnatie van Christus. De “mysterievolle” daden van de Kerk zijn niets anders dan de levende en onophoudelijke voortzetting  van de incarnatie in ruimte en tijd. In de sacramenten wordt de constante en dynamische tegenwoordigheid van de incarnatie van Christus in de aanbidding van het volk van God verzekerd. In de woorden van Leo de Grote : ” Hij die zichtbaar was als onze redder gaat nu verder in de sacramenten “. Sacramentenleer is een tak van de Christologie.

Het woord mysterion heeft ook nog verdere weerklanken en associaties. Het roept in de geest het adjectief “mystiek” op. Dit wordt dikwijls gebruikt door de Vaders in combinatie met het substantief “contemplatie”, “gebed”, “theologie” en “verbond”. Het mystieke leven, zoals verstaan wordt door de Vaders, is gegrond op het oorspronkelijke mysterie van Christus’ menswording, en tegelijk is het nooit te scheiden van de sacramenten. In deze context is het vanzelfsprekend te denken aan Vladimir Lossky’s welbekende woorden “Verre van  wederzijds tegengesteld te zijn dragen en vervolledigen theologie en mystiek elkander. Het ene is ondenkbaar zonder het andere…Mystiek is…het hoogtepunt en de kroon van alle theologie : het is theologie bij uitstek”. Zeker mag Lossky’s  standpunt toegepast worden op de sacramenten. Sacramentele theologie en mystiek ondersteunen en vervolledigen elkaar. Het mystieke leven is onmogelijk zonder de sacramenten. Het mystieke leven is niets anders dan de perfectie en de kroon van onze sacramentele deelneming. Met de woorden van Myrrha Lot-Borodine : ” De ganse leer van de mystieke verlichting is…een bovennatuurlijke realiteit die inherent is in de onthulling van het doopsel, en, mogen we eraan toevoegen inherent in ons voortdurend ontvangen van de Eucharistie en de andere sacramenten.

2. De dubbele natuur van de sacramenten

In de catechismus van de Kerk van Engeland ,die ik van buiten moest leren als kind, wordt een sacrament gedefinieerd als ” het uitwendig en zichtbaar teken van een innerlijke en spirituele genade”. Een teken dat werkzaam is, dat  doeltreffend is en de oorzaak van wat het betekent. : uiterlijk en innerlijk, zichtbaar en onzichtbaar. Dit is ook de richting waarin de Vaders de natuur van het sacrament verstonden. Elk sacrament heeft twee aspecten : een uiterlijk en een innerlijk, een zichtbaar en een onzichtbaar. Om deze reden geven de Vaders gewoonlijk aan het sacrament de naam “symbool”, niet in een zwakke, maar in een sterke betekenis.

Reeds in het begin van de derde eeuw heeft Tertullianus duidelijk het dubbel karakter van de sacramenten aangeduid : ” Het vlees is gereinigd , moge de ziel brandschoon zijn; het vlees is getekend door het kruis, moge de ziel ook beschermd worden, het vlees is overschaduwd door de handoplegging, moge de ziel verlicht worden door de Heilige Geest, het vlees voedt zich met het lichaam en bloed van Christus, zo dat de ziel ook mag gevuld worden met God. “aan de sacramenten een anthropologische grondslag gevend, zegt de heilige Ambrosius van Milaan dat hun twe
evoudig karakter, zicht baar en onzichtbaar, overeenstemt met de twee-voudige natuur van de mens : lichaam en ziel. Zo wordt in het doopsel het lichaam gewassen met water, terwijl de ziel wordt gezuiverd door de Heilige Geest. St.Augustinus heeft hetzelfde in zijn gedachten in zijn geschriften over het eucharistisch brood en wijn : “Zij worden sacramenten genoemd, omdat één ding wordt gezien terwijl een ander wordt verstaan. Wat gezien wordt heeft een fysieke vorm, maar wat wij verstaan heeft spirituele vruchten”.

Griekse auteurs spreken ongeveer in parallelle termen. Volgens Theodor van Mopsueste is “elk sacrament de aanduiding van vele betekenissen en symbolen, van onzichtbare en  onuitsprekelijke realiteiten”. Ze worden sacramenten genoemd, schrijft St.Johannes Chrysostomos, omdat datgene wat wij geloven niet hetzelfde is als wat we zien, maar wij zien één ding en geloven een ander..  Wanneer ik het Lichaam van Christus hoor vernoemen, versta ik wat gezegd wordt, de ongelovige denkt dan aan iets anders.

Beide kenmerken van de sacramenten, zichtbaar en onzichtbaar, benadrukken , vanuit christelijk standpunt,met een uiterste helderheid de waarde van  materiële dingen en meer in het bijzonder van het menselijk lichaam. Zoals Tertullianus  in deze context benadrukt : : ” Het vlees is de spil van de verlossing” (caro salutis est cardo). Om deze reden wil men in de orthodoxe Kerk onverminderd de materialiteit van de sacramentle elementen bewaren : wij dringen er op aan, dat het doopsel zou gebeuren door onderdompeling, uitgezonderd in noodgevallen; voor de Eucharistie gebruiken wij levend brood en rode wijn; bij begrafenissen wordt het deksel van de kist genomen en wij kussen het dode lichaam.

De materialiteit van de sacramenten maakt duidelijk het verband, wij hebben het reeds benadrukt, tussen de “mysterievolle daad” van de Kerk en de menswording. Bij zijn menselijke geboorte nam de Redder het menselijk vlees aan (met een menselijke ziel), en maakte van dit materiële vlees een voertuig van de Geest. Zo ook wanneer we het water zegenen bij het doopsel, wanneer wij het brood zegenen in de Eucharistie, en wanneer wij de olie voor de ziekenzalving zegenen, dan omvormen wij deze materiële elementen  tot voertuigen van de Geest. Zoals we in verband met de incarnatie achterom kijken, zo kijken de sacramenten voorwaards, of beter, ze anticiperen  de apocatastasis , of de uiteindelijke verlossing op de laatste dag (zie : Romeinen 8,19-23). Zoals Minucius Felix bevestigt : ” Wij zijn in de verwachting  van de lente van het lichaam” (expectandum nobis etiam corporis ver est). De eschatologische lente van het lichaam, en meer in het algemeen, van de ganse natuur is reeds aanwezig in de spirituele materialiteit van de sacramenten.

3. De voorganger of de tussenpersoon van de sacramenten

In overeenstemming met de universele Patristieke traditie, Griekse en Latijnse, is de echte celebrant altijd Christus zelf, onzichtbaar  doch werkelijk aanwezig door de Heilige Geest. Dit is duidelijk uit de liturgische praxis van de orthodoxe Kerk. In geen enkele sacrament gebruikt de officiant het woord “ik”. Hij zegt niet “ik doop u”, maar “de dienaar Gods wordt gedoopt”, niet “ik wijd u”, maar “de goddelijke genade, die altijd heelt wat zwak is en opricht wat gebrekkig is, wijd de devote sub-diaken (naam)tot diaken, zoals de bisschop zegt tot God wanneer hij een diaken wijd (hetzelfde gebeurt voor de andere wijdingen).”het is niet door de handoplegging, maar door de zegen van Uw rijke barmhartigheid, dat de genade is gegeven aan hem die U waardig is”. Het is waar dat Peter Mohila in zijn Euchologion voor het sacrament van de boete de formule gebruikt “ik  vergeef u”; maar dit kan enkel gezien worden als een afwijking van de sacramentele traditie van de Orthodoxe Kerk.

Dit geloof in Christus als  de ware celebrant van alle sacramenten is bijzonder duidelijk in de Goddelijke Liturgie. Voor de zegen bij het begin zegt de diaken tot de priester. “Het is tijd voor de Heer om te handelen”, een citaat uit psalm 118(119).126). De liturgie, is niet enkel woorden uitspreken maar actie; bovendien is het niet op de eerste plaats onze actie, maar de actie van de Heer. De ware celebrant in elke Eucharistie is altijd Christus de enige hogepriester, wij, de clerus en het volk, zijn niet meer dan concelebranten met Hem. Ditzelfde punt wordt expliciet bevestigd  in het gebed die door de officiant wordt gezegd gedurende de Hymne van het Cherubicon , wanneer hij tot Christus zegt “Gij zijt het aan wie wij offeren en die geofferd zijt. Christus is beide : offer en offergave , beide, offeraar en offer, beide : priester en slachtoffer. De onmiddellijke deelname van Christus in de Eucharistische actie wordt ook uitgedrukt in het uitwisselen van groeten door de clerus gedurende de “vredeskus” : “Christus is in ons midden”.

Het zelfde verstaan van de sacramenten als een actie van Christus is bij de Vaders te vinden alsook in de liturgische teksten. Zoals St. Augustinus zei : “Het doopsel is werkzaam, niet door de deugd en de verdienste van hen die toedienen, maar door de verdienste van zijn intrinsieke heiligheid en waarheid, omwille van Hem die het ingesteld heeft”.Onder de griekse Vaders is het vooral St.Johannes Chrysostomos die speciaal zich over dit punt heeft uigesproken. “Het is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die alles vervuld” zegt hij. “De priester leent slechts zijn tong en levert zijn handen”.” Bij de heilige Communie is het de hand van Christus dat naar jou wordt uitgestoken”. “Gods gaven zijn niet het resultaat van enige verdienste van de priester, zij zijn volledig het werk van de genade. De functie van de priester bestaat er enkel in zijn mond te openen en het is God die vervult wat moet gedaan worden… De eucharistische offering  blijft dezelfde, of nu Peter of paul het zouden offeren. De offerande welke Christus geeft aan Zijn Apostelen is identiek met deze die nu geofferd wordt door de priester. Laatstgenoemde is helemaal niet ondergeschikt aan de vorm, want het is niet de mens die consacreert, maar Hij die de oorspronkelijke offerande heeft geconsacreerd”.

Hieruit volgt dat de geldigheid van de sacramenten niet in het gedrang komt door de onwaardigheid van de celebrant, noch hangt het af van het persoonlijk geloof van de ontvanger. Integendeel, als actie van Christus zelf hebben de sacramenten een objectief karakter.

4 Het getal van de sacramenten

Hier, als op andere gebieden, moeten eigen toegevingen gedaan worden voor het flexibel gebruik van de term mysterion bij de vaders. Wij moeten niet de vroegste bronnen lezen om de juiste betekenis te vinden voortgaande op Peter Lombard en de scholastiekers van de twaalfde eeuw, en die vervolgens zijn overgenomen door vele orthodoxe schrijvers. Bovendien maken de Griekse Vaders een scherp onderscheid tussen de sacramenten enerzijds en de andere riten van de Kerk die de Rooms Katholieke Kerk omschrijft als ‘Sacramentalia.

Vele auteurs – bijvoorbeeld St.Cyrillos van Jerusalem, St. Ambrosius, Theodoor van Mopsueste en Sint Cyrillos van Alexandrië – denken in termen van drie primaire “mysteries”, Doopsel, myronzalving en Eucharistie; maar deze lijst van drie moet niet noodzakelijk gezien worden als  volledig. Sint Nicolas cabasilas, in zijn
“leven in Christus “ benadrukt de zelfde drie mysteries, maar dan gaat hij ook de consecratie van het altaar beschouwen als een “mysterie”; misschien echter moet dit gezien worden als een uitbreiding van het sacrament van het chrisma. Sint Johannes van Damascus denkt anderzijds in termen van twee hoofd-sacramenten, Doopsel en Eucharistie. Sint Dyonisios de Aeropagiet spreekt van zes : Doopsel, Eucharistie, chrisma, wijding, monastieke  professie, en de begrafenis riten. Dezelfde lijst wordt gevonden bij Sint Theodoros de Studiet. In de tweede helft van de 13e eeuw noemt de monnik Job zeven sacramenten, maar ze komen niet echt overeen met de Westerse lijst; hij combineert penitentie met de ziekenzalving en hij sluit monastieke professie in. Hij gaat spreken over drie andere riten : hij ziet de consecratie en de broodverheffing ter ere van de Moeder Gods als een uitbreiding van de Eucharistie. Dit alles duidt erop dat de Griekse patristieke auteurs, wanneer zij de term mysterie gebruiken, niet te werk gaan met dezelfde precisie die gevonden wordt in de latijnse scholastiek.

Het is waar, dat in de latere Byzantijnse periode er een tendens is om de zelfde sacramenten te aanvaarden zoals in het Westen. Dit is het geval bv. Met Manuel Calecas in de 14e eeuw, en met Joseph Bryennice en Sint Symeon van Thessaloniki in de 15e eeuw. Op het concilie van Ferrara-Florence (1438-9) vonden de Grieken geen problemen met het aanvaarden van de latijnse lijst van zeven sacramenten. Maar Joasaph, Metropoliet van Ephesië (ook in de 15e eeuw) spreekt van tien sacramenten.In de 17e eeuw wordt de latijnse lijst van zeven standaard in de Orthodoxe Kerk : het wordt bv. gevolgd door Patriarch Jeremias II, door Gabriël Severus, door Metropoliet kritopoulos en door de synode van Jassy (1642) en van Jeruzalem (1672). Toch bekwam deze lijst nooit een strikt dogmatisch karakter in de Orthodoxe leer, maar het werd vooral gezien als bruikbaar in de leer. Het meer flexibel gebruik in de vroege Patristische periode is nooit op de achtergrond geraakt. In elk geval, wanneer de sacramenten zijn gecatalogeerd als zeven, mag eruit niet afgeleid worden dat deze zeven allen op gelijke voet van waardigheid staan, er bestaat een welomlijnde hiërarchie tussen hen, met het Doopsel en de Eucharistie als de voornaamste.

Als besluit doen we er goed aan met opnieuw te verwijzen naar de betekenis die eerder werd gegeven aan de term “mysterie” : het is, zeiden wij, iets dat onthuld wordt voor ons verstaan, maar nooit volledig onthuld. Dit betekent dat er een apofatische dimensie bestaat in de orthodoxe theologie van de sacramenten, zoals trouwen in alle andere aspecten van de theologie. Wij moeten altijd op onze hoede zijn om té veel te zeggen. Wanneer de Kerk spreekt van de sacramenten, dan is zij er zich van bewust hoeveel delen van de waarheid noodzakelijk onzegbaar blijven. Met de woorden van Sint Johannes Chrysostomos : ” Zij worden gezegd om mysteries te zijn, en zij zijn dat in waarheid, er is geen nood om de diepe kloof van de stilte te willen verklaren”. ” De verklaring van de Mysteries” merkt Sint Cyrillos van Alexandrië op, “is buitengewoon moeilijk, het is misschien beter de stilte te bewaren”. Laat ons deze waarschuwing in gedachten houden gedurende de huidige conferentie.

Bron : Website van Nouvelles Clés

Vertaling : kris Biesbroeck.