Heilige Gregorius van Nyssa

Heiligenleven

De Heilige Gregorios van Nyssa

 

Gregorios van Nyssa.jpg

                                                 Gregorius van Nyssa

 

De heilige Gregorios van Nyssa was  een broer van de heilige Basilius, en ook hij was een Kerkvader van groot formaat. Hij was een bijzonder begaafd redenaar en had daar ook zijn beroep van gemaakt als filosoof en rhetor. Hij was gehuwd met Theosba, maar de familievriend Gregorius van Nazianze wist hen te overtuigen dat hij zich geheel aan de Kerk moesten wijden, die in nood was door de ariaanse twisten. Op veertigjarige leeftijd werd hij eigenlijk tegen zijn zin door Basilios tot bisschop van Nyssa gewijd, in 372. Met heel de overtuigingskracht van zijn meeslepende welsprekendheid zette hij zich in voor de waarheid van de Orthodoxie. Hij wekte daardoor de ontstemming van de ariaanse heersers : In 376 werd hij afgezet, doch na twee jaar weer uit zijn ballingschap teruggeroepen. Nog twintig jaar heeft hij zijn diocees bestuurd. Ook hij nam deel aan het Concilie van Constantinopel in 381, voor de voltooiing van de Geloofsbelijdenis. Vooral het laatste deel met de artikelen over de heilige Geest en de Kerk  kwam onder zijn invloed tot stand. Hij is de diepste denker van de Cappadocische vaders en heeft belangrijke boeken nagelaten over de Heilige Drie-eenheid, waar hij met kracht de volkomen Godheid van de Geest verkondigde tegenover de leer van Makedonios. Ook over veel andere theologische onderwerpen heeft hij waardevolle geschriften nagelaten; vooral door zijn mensbeschouwing is hij juist in deze tijd weer bijzonder actueel . Zeer waardevol van zijn hand is ook de levensbeschrijving die hij gegeven heeft van de oudste zuster uit dat bijzondere gezin, de heilige Makrina. Hij is gestorven in 395, 64 jaar oud, als de zeer geliefde bisschop van Nyssa, nadat hij nog herhaalde malen in ballingschap had moeten gaan.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orthodox klooster Den Haag

25e zondag na Pinksteren, 8e na de kruisverheffing

25e zondag na Pinksteren, 8e na de Kruisverheffing

“De barmhartige Samaritaan”

 

Barmhartige Samaritaan 51.jpg

Barmhartige Samaritaan door Van Gogh

 

LEZINGEN

Ef.4,1-6

Eenheid in verscheidenheid
Ik, de gevangene in de Heer, vraag u dus met aandrang om een leven te leiden dat beantwoordt aan de roeping die u van God ontvangen hebt, en altijd nederig te zijn, zachtmoedig en geduldig, en elkaar liefdevol te verdragen, vol ijver om de eenheid van de Geest te behouden door de band van de vrede: één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop, waarvoor Gods roeping borg staat. Eén Heer, één geloof, één doop. Eén God en Vader van allen, die is boven allen, met allen en in allen.

Evangelie

Lucas 10,25-37

Gesprek met een wetgeleerde; gelijkenis van een barmhartige Samaritaan
     Daar kwam een wetgeleerde naar Hem toe om Hem op de proef te stellen. ‘Rabbi,’ zei hij, ‘wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?’ Hij zei tegen hem: ‘Wat staat er in de wet geschreven? Hoe leest u dat?’ Hij gaf ten antwoord: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’ Hij zei tegen hem: ‘Juist geantwoord! Doe dat en u zult leven.’
     Maar hij wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: ‘Ja maar, wie is mijn naaste?’ Jezus nam weer het woord en zei: ‘Op reis van Jeruzalem naar Jericho viel iemand in handen van rovers. Ze schudden hem uit, mishandelden hem en lieten hem halfdood achter. Toevallig kwam er een priester langs die weg; hij zag hem, maar liep in een boog om hem heen. Ook een Leviet die voorbijkwam en hem zag, liep in een boog om hem heen. Toen kwam er een Samaritaan langs die op reis was; hij zag hem en was ten diepste met hem begaan. Hij ging naar hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze. Toen zette hij hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een herberg, waar hij hem verder verzorgde. De volgende ochtend haalde hij twee denariën tevoorschijn en gaf ze aan de waard. “Zorg voor hem,” zei hij, “en als u nog meer kosten moet maken, zal ik ze u op mijn terugreis vergoeden.” Wie van die drie is naar uw mening de naaste geweest van de man die in handen van de rovers was gevallen?’ Hij zei: ‘Hij die hem barmhartigheid heeft bewezen.’ Jezus zei tegen hem: ‘Doe dan voortaan net als hij.’

Simeon de Nieuwe Theoloog : Het was God Die sprak

 

Simeon de Nieuwe Theoloog :

Simeon de neuwe theoloog + basilios.jpg 

Simeon de Nieuwe Theoloog en Basilios 

 

 

 Het was God Die sprak : “Er zij licht”.

En dadelijk werd het licht.

Daarom, als Hij schijnt als een spiritueel licht

In een hart, verschijnt als een lichtflits

of straalt als de machtige zon – wat, dunkt gij,

Kan Hij (wel niet) doen als Hij

De ziel van een volgeling verlicht ?

Kan Hij haar niet zozeer verlichten

dat zij een volmaakt heldere kennis heeft

van God en hoe Hij in haar woont ?

Makarios van Egypte : Ons geheel aan Hem overgeven

H. Macarius (? – 405), monnik in Egypte
Geestelijke overwegingen

Ons geheel aan Hem overgeven

 

Macarius van EGYPTE (ca 300-391)11.jpg222.jpg

Macarios van Egypte   

 

   Hoe is het toch mogelijk dat ondanks de aanmoedigingen en de beloftes van de Heer, wij weigeren om ons volledig aan Hem over te geven en zonder terughoudendheid af te zien van alles, zelfs van ons eigen leven, zoals het in het Evangelie staat (Lc 14,26), om alleen Hem lief te hebben en niets anders dan Hem?

      Beschouw alles wat voor ons gemaakt is: wat een heerlijkheid ons gegeven is, wat een schikkingen, als we naar de heilsgeschiedenis kijken, door onze Heer gedaan zijn sinds de vaderen en de profeten, wat een beloftes, wat een verhoringen, wat een barmhartigheid van de kant van de Meester sinds het begin! Op het eind heeft Hij zijn onuitsprekelijke welwillendheid jegens ons getoond, door zelf bij ons komen te wonen en door aan het kruis te sterven om ons te bekeren en ons mee te nemen naar het leven. En wij laten onze eigen wil niet schieten, onze liefde voor de wereld, onze slechte neigingen en gewoontes, daardoor lijken we op mensen met weinig geloof of zelfs zonder geloof.

      En toch, zie hoe, ondanks dat alles, God zich vol met zachtaardige goedheid toont. Hij beschermt ons en verzorgt ons onzichtbaar; ondanks onze fouten levert Hij ons niet definitief uit aan de slechtheid en aan de illusies van deze wereld; door zijn grote geduld verhindert Hij dat wij vergaan en bespeurt Hij van verre reeds het moment waarop wij ons naar Hem zullen keren.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Georges Drobot : het licht in ce icoon

 

 

Het licht in de icoon

Door Vader Georges Drobot

 

christus22222.jpg

 

 

Het licht is van groot belang in de orthodoxe Kerk, om niet te zeggen van essentieel belang. Het woord “licht” komt voortdurend terug in de liturgische teksten – in de loop van de celebraties alsook in het persoonlijk gebed steekt men telken opnieuw de olielampen of de kaarsen aan. Het fysisch licht – dit van de sterren of de lichtbronnen – wordt het symbool van het eeuwige licht van het Koninkrijk van God.

De sacrale kunst van de orthodoxe Kerk, of het nu gaat om iconen, mosaïeken en fresco’s die de muren van een kerk versieren, is essentieel een liturgische kunst. Ze geven in beelden de geschiedenis van het heil weer dat verlicht wordt door de teksten van de kerkvaders en liturgische teksten, die gelezen of gezongen worden gedurende de diensten. Welnu, de orthodoxe liturgische cyclussen stemmen overeen met het cosmisch rythme  volgens dewelke onze aarde leeft. “Bidt zonder ophouden” (1 Thess.5,17) is het gebod dat het gebedsleven van elke christen regelt . Dit onophoudelijk gebed, eeuwig, incarneert zich in de cyclussen van de aardse tijden en wordt geregeld door het verloop van de zon.

De dagelijkse liturgische cyclus begint ’s avonds, volgens het Bijbelwoord : “Er was een avond en er was een morgen, het was  dag (Gen 1) Op het uur van het slapengaan, zingt men in de vespers de hymne van de heilige Sophronius van Jeruzalem : “ Vriendelijk licht der heilige glorie des onsterfelijken, hemelsen en heilige Vaders, Jezus Christus. Weer aangeland bij zonsondergang, schouwend het avondlicht. Zingen wij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest een lofzang van God”. Dit “vriendelijk licht” is geen eenvoudige woordelijke uitdrukking om te spreken van het ongeschapen licht van het Koninkrijk van God. Het drukt hier het visioen uit van de weerspiegeling van het goddelijk licht van de geschapen wereld, dat deze zang vervult van dankzegging. Het zachte, vriendelijke licht van de avond doet de verwachting van het opkomende licht van de morgen van de Verrijzenis levendig voor ogen houden.

Vervolgens komt de morgen die begint met de verheerlijking van God, schepper van het menselijk geslacht, aan wie hij de bekwaamheid geeft om het licht te zien – dit licht dat voor ons brand en dat wij met  onze ogen kunnen aanschouwen, het fysieke licht, en dat wat onze ziel kan waarnemen : het ongeschapen licht van het Koninkrijk. Op het einde van de Metten, roept de priester :” Eer aan U die ons het licht laat zien!”, en de assistent antwoordt hem :”Eer aan God in de hoge en vrede op aarde aan de mensen van goede wil…”.

 De lofprijzing tot God, Schepper en Gever van het licht is een onophoudelijke lofprijzing die het leven van de mens bepaalt of juister gezegd die al zijn daden oriënteert en  eindigt met ze te transfigureren : dat is de lering van de orthodoxe Kerk. Zo een “getransfigureerd” wezen transfigureert alles : zijn omgeving, de mensen die hem ontmoeten, de natuur die hem omringt, zoals wij het bijvoorbeeld weten van de heilige Serafim van Sarov. Hij heeft  anderen het licht van het koninkrijk laten  zien waarin hij reeds verkeerde vóór het einde van zijn leven, en hij groette hen die kwamen om hem te zien met de woorden : “Christus is verrezen, mijn vreugde !”.

Dus is het niet verbazingwekkend dat de liturgische diensten van Pasen diegene zijn die het goddelijk licht bezingen op een bijna onophoudelijke wijze. En als men weet, dat de zondag voor de christen de dag is van de Verrijzenis en haar licht, dan kan men zich voorstellen dat de sacrale kunst zal pogen te laten zien wat een paasgezang zegt : “ Vandaag is alles vervuld van licht : de hemel, de aarde en zelfs de hel. Dat gans de schepping de verrijzenis van Christus bezinge waarin onze kracht ligt.

De spiritualiteit van deze kunst die onafscheidelijk is van het liturgisch leven van de Kerk drukt zich vooreerst uit in de onderworpenheid, de gehoorzaamheid van de artist-iconograaf (schilder van iconen, miniaturen, fresco’s of mozaïeken) aan zijn spiritueel doel, dit verklaart het instrumentele aspect van zijn werk. Het is moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om het lichtgevend visioen van de spirituele wereld weer te geven in de gangbare vormen van kunst, want sprekend over het concrete – de menswording van het Woord van God, moet hij de spiritualiteit proberen weer te geven in zijn structuur. De “materiële” realiteit van de incarnatie sluit elke vorm van non-figuratieve vormen uit, “ het van zijn stoffelijk omhulsel ontdoen”, en de notie van het ongeschapen transfigurerend licht, dat ons het Koninkrijk van God onthult, laat geen naturalisme toe.

Onafscheidelijk van het leven van de orthodoxe Kerk, is de icoon dikwijls gekenmerkt als “theologie in kleuren”. Zoals elke waarachtige theologie, hangt de icoon af van de mystieke en theologische ervaring  van zijn auteur (want de Kerk van het Oosten scheidt nooit de mystiek van de theologie die, volgens haar noodzakelijk aanvullend  zijn binnen elke menselijke poging om God te benaderen) Het is bovendien zo dat de makers van deze theologische beelden welke de iconen zijn meestal onbekend blijven. Dit is vooral te wijten aan het feit dat zij een waarheid verkondigen welke oneindig meer belangrijk is dan hun eigen persoon. Door het ongeschapen goddelijk licht te tonen en de spirituele realiteit te bezingen, beschouwt de iconenschilder slechts de opperste waarheid die hem zichzelf doet vergeten. Daardoor is zijn persoonlijkheid getransfigureerd door het antwoord dan van boven komt. Ziedaar hoe, door zichzelf te vergeten of veeleer door meer transparant te worden voor de spirituele wereld, de iconograaf dit kan aantonen in zijn werk.

Om een beetje het woord ‘Icoon” te begrijpen in de orthodoxe wereld zou men het woord moeten schrijven met een grote “I”, want de ICOON is het beeld bij uitstek van de persoon of de afgebeelde gebeurtenis. Zij wil aan de toeschouwer de essentie zelf, de diepe waarheid van de personen en de dingen aantonen, zoals ze zich openbaren aan het eeuwige licht waarin ze baden en hen doordringt. De icoon toont ons geen uiterlijk voorkomen  van het moment, maar openbaart ons door haar transparantie de absolute betekenis van het voorgestelde. Zij is openbaring en lering, deelnemer en deelgenomene in de uitwisseling die zich heeft voltrokken tussen haar en door haar, tussen hem die ervoor bidt en de spirituele wereld. Immers, zo moet de functie van de icoon gezien worden volgens de formulering die tot stand is gekomen op het VIIe Oecumenisch Concilie welke de controverse moest sluiten rond de legitimiteit van de iconen : de ICOON moet de mens overtreffen in wat hijaan zijn fysieke blik voorstelt en zijn geest helpen om zich te richten op zijn Archetype.

Het fysieke licht staat ons toe om de goddelijke schepping waar te nemen en ze te integreren in ons bewustzijn op een wijze die helemaal specifiek is, verschillend van deze welke onze andere zintuigen ons bieden. Het goddelijk licht openbaart de zijnden en de dingen in hun waarheid en in hun schoonheid waarmee de Schepper hen heeft bekleed bij het begin, zonder dat een schaduw hen komt bezoedelen. De grote zieners waarvan de Bijbel ons de getuigenissen biedt, hebben gepoogd om hun visioenen van deze wereld zonder duisternis te beschrijven evenals zij hen de menselijke taal hebben toegestaan. Bijvoorbeeld : het visioen van Johannes : “En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de stad Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God; en zij had de heerlijkheid Gods, en haar glans geleek op een zeer kostbaar gesteente, als de kristalheldere diamant (…)De stad was van zuiver goud, gelijkend op zuiver glas (…) De stad had geen nood aan de zon noch aan de maan om haar te verlichten, want de glorie van God verlichtte hem (…) Er zal geen nacht meer zijn : en zij hebben geen nood aan een lamp, noch aan licht, want de heer God zal hem verlichten” (Apoc.21,10-11;18,23-22,5).

In de iconen (de schilderijen op hout, de fresco’s of de mozaïeken) is er geen bron van bepaald licht noch van schaduw. De gezichten en de lichamen schijnen van binnenuit te verlichten, door het licht dat God ze geeft “aan elke mens die op de wereld komt”, volgens een liturgisch gebed, dat vervolgt :” Dat de weerschijn van het licht van uw aangezicht zijn sporen mag achterlaten…” De  silhouetten van de personnages en het decor maken zich los op een lichte achtergrond, meestal verguld, maar ook een artistiek middel die korte metten maakt met de zwakke wil om een indruk van diepgang te geven, een verre illusie te scheppen. De icoon zegt de waarheid, zij wil geen illusie geven van wat dan ook. Zij wil iets betekenen, de weg tonen,zoals een verkeersteken of symbool (waarvan de reden van bestaan zich op een totaal ander vlak situeert), zij zal nooit effecten van optische illusie wekken.

Om dezelfde reden, ’t is te zeggen,om  te getuigen van een wereld van zuiver licht, gebruikt de icoon heldere kleuren die kunnen op elkaar gelegd worden, maar zich niet vermengen en zo hun glans zouden verliezen. De zieners van de Bijbel zoeken hun visioenen uit te drukken door het gekleurde licht te vergelijken met kostbare stenen of goud : “ In mijn visioen zag ik hoe een storm uit het noorden op kwam zetten : een grote wolkenmassa waar vuur in opflitste en die omgeven was door een gloed : de wolkenmassa schitterde als blinkend metaal(…) Boven het gewelf dat boven hun hoofden was gespannen zag men zoiets als een safiersteen in de vorm van een troon. En daarop, op wat dus een troon leek te zijn, was een mensengestalte zichtbaar. Ik zag een schittering als van metaal; boven zijn middel fonkelde die gestalte als metaal alsof er vuur in zijn binnenste gloeide, en onder zijn middel scheen hij vuur dat een gloed uitstraalde. Zoals de boog er uit ziet, die in de regentijd in de wolken staat, zo was de aanblik van de gloed die hij uitstraalde. Aldus openbaarde zich de heerlijkheid van Jahweh” (Ezechiël 1,4 ; 26-28). De oude Russische iconografen verkozen de weerschijn van deze schittering te zien in de modeste bloemen op het veld, waarvan zij zich inspireerden in hun gekleurde composities.

De tempel, de kerk is de  bevoorrechte liturgische ruimte, de plaats waar men bijeenkomt “in Naam van Jezus Christus”, volgens zijn gebod, waar de cherubijnen de troon van God omringen, zoals de orthodoxe liturgische hymne het zegt, om de Eucharistie te celebreren die de dankzegging bij uitstek is. Deze plaats is dus het symbool zelf van de geschapen wereld zoals zijn Schepper het ziet, zonder tijdelijke en ruimtelijke limieten. Een Syrisch gedicht uit de  VIe eeuw beschrijft op deze wijze de kerk van de heilige Sophia van Edessa (toegewijd in feite aan Christus die de wijsheid is – Sophia van God : “ haar uitgestrekte en schitterende bogen stellen de vier delen van de wereld voor, de veelheid en haar kleuren doet denken aan de roemrijke regenboog in de wolken (…). Haar dak uitgestrekt als de hemel : haar colommen, gewelfd en gesloten, zij is versiert met gouden mozaïeken, zoals het firmament met schitterende sterren. En haar verheven koepel is vergelijkbaar met de hemel der hemelen” Ten slotte besluit de auteur van het gedicht “Verheven zijn de mysteries van deze Tempel betreffende de hemelen en de aarde : in haar wordt de verheven Drie-eenheid op een typische wijze voorgesteld (’t is te zeggen, symbolisch), als ook het Heilsplan van onze Redder”.

De mozaïeken of de fresco’s die een kerk versieren stemmen dus overeen met dit ideaal programma. Het is het ontroerend licht van de ondergrond van de mozaïeken of de ruimtes, dikwijls in het blauw, en de ondergrond van de fresco’s  proberen de kwaliteit van het licht zonder verval van het eeuwig Koninkrijk van God te tonen. Nadat wij het belang van het beeld, zijn typische strengheid hebben gegeven(omdat, zoals wij hebben gezien, de icoon de waarheid van elk personage  moet meedelen, dus moeten de karakteristieken gerespecteerd worden),is het zo dat de orthodoxe kerken geen geschilderde ramen hebben, nochtans zijn zij zeker ook ontstaan van uit dezelfde wil om een wereld te tonen die gemaakt is van licht en transparantie. Zoals de icoon die, bij afwezigheid van diepgang, het menselijk psychisme verplicht om terug tot zichzelf te komen om het Archetype te vinden en dit vertrekkend vanuit de diepte van zijn spiritueel zijn. Zo staat de orthodoxe kerk  aan de rusteloze menselijke geest niet toe om van het uitwendige te vertrekken maar het opnieuw te centreren in het licht van het beeld van Christus die het gebouw domineert, om het nogmaals  te zeggen, het goddelijk beeld moet teruggevonden worden in het innerlijke van onszelf, dat ons zal leiden naar zijn Archetype.

Meestal zijn we ver van dit ideaal, vooral op onze dagen. Uit gewoonte zien wij de geschiedenis van de kunst, ook de sacrale kunst, als een evolutie, welbepaald als een vooruitgang. Welnu, de evolutie is niet synoniem met perfectie – dikwijls omvat zij de vernieling van de verworven wijsheid, de culturen, de kunstvormen en zelfs — de mens.

De kunst wordt gezien als een weerspiegeling van haar tijd. En indien deze tijd is geplaatst onder het teken van de vernieling ? Dus, als een weerspiegeling van de tijd zal de kunst aan zelfdestructie doen. Tenslotte, de geschiedenis van de kunst is een geschiedenis van schepping en destructie. Deze voortdurende strijd is de oorzaak van enorme verliezen en wij bewaren er weinig van. Het is altijd gemakkelijker van de vernielen dan van te scheppen….

In de loop van het scheppingsproces, schept en vernielt de mens, vergist hij zich en gaat achteruit, om tenslotte opnieuw te scheppen. Maar de enige activiteit van de mens die aanvaardbaar is ,is zijn scheppende activiteit, want de mens is geschapen naar het beeld van zijn Schepper,  en zijn geschiktheid om te scheppen is de goddelijke vonk die hij van God heeft gekregen. De creativiteit komt dus op de tweede plaats, hij bereikt slechts de oorspronkelijke waarde indien hij zich richt op zijn Bron en wanneer hij zijn licht uitstraalt. Wanneer de mens deze Bron van scheppende energie vergeet, dan wordt zijn activiteit al vlug destructief.

Wanneer ik denk aan alles wat vernield is in de loop van de evolutie van de kunst en aan alles dat ook nu nog weloverwogen wordt vernield, dan heb ik lust om met Jesaja uit te roepen :” schildwacht wat denkt je van de nacht ?(Jes.21,11) Het is door het licht te zoeken dat men bemerkt dat alleen het goddelijk Licht ons de essentie van het licht kan mededelen. “In uw licht zullen wij het licht zien !” (Psalm 36,10). Moge het zich verder openbaren in de iconen !

Vader Georges drobot : Uittreksel van : Lumière et théophanie – L’Icone, Numero hors série de la revue Connaissance des religions, 1999.

Vertaling : Kris Biesbroeck

De heilige Adelheid

Heiligenleven

 De heilige Adelheid

 

Adelheid.jpg

De heilige Adelheid is geboren in Selz, Elzas in 931. Zij was de gemaling van de westelijke Keizer Otto I, en later regentes over haar kleinzoon Otto III. Zij was één van de invloedrijkste vrouwen uit de 10e eeuw. Zij hielp de Duitse Kerk te versterken, terwijl zij ondergeschikt was aan de keizerlijke macht. Zij werd gekroond tot keizerin door paus Johannes XII in Rome in 962.

De heilige Keizerin Adelheid was een vriendelijke, godsdienstige en warmhartige vrouw, omspoeld door een zee van gewelddadige familieleden die aasden op macht, waardoor zijzelf ook nog gevangen is geweest. Zij had ook veel te lijden door haar Griekse schoondochter Theofano, de Byzantijnse prinses die met haar zoon was getrouwd.  Zij reggeerde tot Otto III de leeftijd had , en toen hij heilig Romeinse keizer werd in  996, nam zij afscheid van het hofleven. Zij heeft kloosters gesticht en hersteld in Saksen, Italië en Bourgondië. Herhaalde malen wist zij ook vrede te stichten tussen de strijdende groeperingen. Tijdens één van haar reizen is zij gestorven in 999.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orthodox klooster – Den Haag

24e zondag na Pinksteren, 7e na de kruisverheffing

24e zondag na Pinksteren, 7e na de Kruisverheffing

“De opstanding van het dochtertje van Jaïrus”

 

 

jairus2.jpg

 

LEZINGEN :

Ef.2,14-22

Want Hij is onze vrede, Hij die de twee werelden één gemaakt heeft, en de scheidsmuur heeft neergehaald, door in zijn vlees de vijandschap, de wet met haar geboden en verordeningen, te vernietigen. Hij heeft vrede gesticht door in zijn persoon uit die twee één nieuwe mens te scheppen, en beiden in één lichaam met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap heeft gedood. En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u die veraf was en vrede aan hen die dichtbij waren. Want door Hem hebben wij beiden in één Geest toegang tot de Vader.
     Zo bent u dus geen vreemdelingen en ontheemden meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Christus Jezus zelf de hoeksteen is. Op Hem, die het hele bouwwerk in zijn voegen houdt, groeit  het uit tot een heilige tempel in de Heer. Op Hem wordt ook u mee opgebouwd tot een woning van God, in de Geest.

EVANGELIE :

Lucas 8,41-56 :

 Daar kwam een man naar voren, een zekere Jaïrus, hoofd van de synagoge. Hij wierp zich aan zijn voeten en smeekte Hem mee te gaan naar zijn huis,
omdat zijn enig kind, een dochter van een jaar of twaalf, op sterven lag.

     Op weg daar naartoe raakte Jezus bekneld in de mensenmassa. Een vrouw die al twaalf jaar aan vloeiingen leed en haar hele inkomen aan dokters had besteed zonder bij iemand genezing te vinden, kwam van achteren naar Hem toe en raakte de zoom van zijn kleren aan. Onmiddellijk hielden haar vloeiingen op. Jezus vroeg: ‘Wie heeft Me aangeraakt?’ Iedereen ontkende het en Petrus zei: ‘Meester, al die mensen staan te duwen en te dringen om U heen.’ Maar Jezus zei: ‘Iemand heeft Me aangeraakt, want Ik heb kracht van Mij voelen uitstromen.’ Omdat de vrouw besefte dat het niet verborgen kon blijven, kwam ze bevend naar Jezus toe, wierp zich neer voor zijn voeten, en vertelde waar het hele volk bij stond waarom ze Hem had aangeraakt en hoe ze onmiddellijk genezen was. Jezus zei tot haar: ‘Mijn dochter, uw vertrouwen is uw redding; ga in vrede.’
     Hij was nog niet uitgesproken of de voorzitter van de synagoge kreeg van thuis het bericht: ‘Uw dochter is gestorven; val de meester niet langer lastig.’ Jezus hoorde dat en zei tegen Hem: ‘Wees niet bang; heb maar vertrouwen, dan zal ze gered worden.’ Bij het huis gekomen liet Hij alleen Petrus, Johannes en Jakobus mee naar binnen gaan, en de vader en de moeder van het meisje. Iedereen was in tranen en rouwde om haar, maar Jezus zei: ‘Huil niet; ze is niet gestorven, ze slaapt.’ Ze lachten Hem uit, omdat ze ervan overtuigd waren dat ze gestorven was. Hij pakte haar echter bij de hand en riep: ‘Meisje, sta op.’ Het leven keerde in haar terug, ze stond onmiddellijk op, en Jezus liet haar te eten geven. Haar ouders stonden versteld, maar Hij verbood hun met iemand te praten over wat er was gebeurd.

Citaat : Makarios de Grote

 Makarios de Grote :

 macarius_the_great1.jpg

Soms kan de vlam van een lamp

Oplaaien en hevig branden.

Andere keren brandt zij zacht en stil.

Soms licht de vlam plotseling op

en geeft een sterk licht af.

Andere keren verspreidt de kleine vlam

slechts een flauw licht.

Zo is het ook gesteld met de lamp

van de genade in de ziel.

Hij is altijd ontstoken en

geeft onophoudelijk licht,

Maar als hij opvlamt en

zijn bijzondere straling verspreidt,

is het alsof de ziel dronken is van de liefde Gods.

Andere keren, bepaald door God zelf,

is het licht er nog wel,

Maar is het slechts een zachte gloed

Cyprianos van Carthago : Het goede van geduld

H. Cyprianus (rond 200-258), bisschop van Carthage et martelaar
“Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht”: het geduld van God evenaren

Cyprianos van Carthago.jpg

Het goede van geduld

      Geliefde broeders en zusters, Jezus Christus, onze Heer en God, was niet tevreden met het onderrichten van het geduld door woorden ; Hij heeft ons het ook getoond door zijn daden… Op het uur van de Passie en van het kruis, werd het beledigende sarcasme met geduld aanhoord, en beledigende spot verdragen, Hij ontving zelfs bespuwingen, terwijl Hij zelf met spuug de ogen van een blinde had geopend (Joh 9,6)…; om zich gekroond met doornen te zien, terwijl Hij zelf de martelaren kroont met eeuwige bloemen; in het gezicht geslagen met de palmen van de hand, terwijl Hij de ware palmen aan de overwinnaars toekent: ontdaan van zijn kleed, terwijl Hij de anderen met het kleed van onsterfelijkheid bekleedt; gevoed door gal, terwijl Hij een hemels voedsel geeft; zijn dorst gelest door azijn, terwijl Hij de heilsbeker te drinken geeft. Hij die onschuldig is en rechtvaardig, of beter nog Hij die de onschuld en de rechtvaardigheid is, werd in de rij van criminelen gezet; valse getuigenissen verpletteren de Waarheid; men oordeelt degene die moet oordelen; het Woord van God zwijgt als het wordt geofferd. Dan, als de sterren verduisteren, als de elementen ontregelen, als de aarde beeft… dan spreekt Hij niet, dan beweegt Hij niet, dan openbaart Hij niet zijn majesteit. Tot aan het einde verdraagt Hij het met een onuitputtelijke volharding, opdat het volle en volledige geduld zijn vervulling in Christus vindt.

      Daarna ontvangt Hij nog moordenaars, als zij zich bekeren en bij Hem terugkomen; dankzij zijn geduld… sluit Hij de Kerk voor niemand. Zijn tegenstanders, de Godslasteraars, de eeuwige vijanden van zijn Naam, laat Hij niet alleen toe tot de vergeving als ze hun fout berouwen, maar Hij beloont ze ook met het Koninkrijk der hemelen. Wat kan men aanhalen dat geduldiger of meer welwillend is? Degene die het bloed van Christus vergoten heeft, wordt levend door het bloed van Christus. Zo is het geduld van Christus, en als ze niet zo groot was, dan zou de apostel Paulus niet bij de Kerk gekomen zijn.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Cyrille Argenti : Leven en bidden als christenen in de wereld van vandaag

 

Leven en bidden als Christenen in de wereld van vandaag

Cyrille Argenti 

Wat karakteriseert de wereld van vandaag en in wat verschilt hij van de wereld van gisteren ? Vanaf de VIe eeuw, getekend door het keizerrijk van Justinianus tot aan Byzantium en de regering van Clovis in Gallië, leefden de landen die gesitueerd zijn in een cirkelboog dat zich uitstrekt van Armenië tot Ierland, in het Christendom. Het christendom was de religie die erkend werd door de staat, en minstens theoretisch, door de meerderheid van de bevolking. Vanaf de VIIe tot de XIVe eeuw ontwikkelde  deze toestand zich in geheel Europa waar zij bleef voortbestaan tot aan het einde van de XXe eeuw. Vanaf Griekenland tot Scandinavië institutionaliseerden de Kerk en de Staat hun  verhouding. De bisschoppen kroonden de koningen of de keizers. De definitie van goed en kwaad werd gegeven door het Evangelie, wat niet betekende dat men altijd voor het goede koos ! Immers, zelfs indien de principes van de christelijke moraal werden aanvaard als normatief, dan nog werden ze niet met kracht toegepast door de regeringen en het geheel van de bevolking.

Sedert het einde van de XIXe eeuw, is deze situatie veranderd. Vooreerst – de ontwikkeling – vlug en belangrijk – van de wetenschappen en de techniek hebben de geesten getransformeerd. Velen waren  verblind door de wetenschappelijke uitvindingen en de nieuwe technologieën, nl. dat de wetenschap alle problemen van de mensheid zou kunnen oplossen. Er waren twee wereldoorlogen nodig om de illusie van het sciëntisme in te zien en zich bewust te worden  van de ambiguïteit van de vooruitgang, die buitengewone werktuigen voortbracht zowel ten goede als ten kwade, en die tegelijk de atoombom als de vaccins voortbracht. Gedurende deze tijd heeft de wetenschap het geloof van de troon gestoten in duizenden geesten (…)

De evolutie van de zeden heeft een ingrijpende verandering teweeg gebracht tussen de gehuwden en het gezin; zij heeft het huwelijk in diskrediet gebracht en een verhoging van het aantal echtscheidingen, vele jongeren willen zich niet meer engageren. Zij komen in een soort desillusie terecht die nog verergerd wordt door de opkomst van aids, die, als gevolg van seksuele overdracht, het idee heeft verspreid van een “liefde die doodt””.

Kortom, wij leven in een maatschappij die zijn schuilplaatsen heeft verloren. Een maatschappij die in de war gebracht is en verbijsterd, die begerig is om zowel de ideeën van het boeddhisme en het Hindoeïsme aan te nemen – zoals de theorie van de reïncarnatie – als de esoterische leerstellingen of theorieën die verspreid worden door sekten die uit Amerika komen (Mormonen, getuigen van Jehova, enz..), of nog de fantasierijke verbeeldingen van de apocriefe Evangelies.

Dit alles mengt zich onder de schapen van het christelijk geloof op een verwarrende en incoherente wijze,  en doet een soort van syncretisme ontstaan, die ons vreemd genoeg herinnert aan datgene wat heerste in de IIe eeuw van onze tijdsrekening, ten tijde van het “gnostiscisme”, die met zoveel energie is bestreden door de heilige Ireneüs. Maar in die tijd had het christelijk taalgebruik – dat gans nieuw was –  een groot impact  , dezelfde woorden, herhaald en beluisterd gedurende eeuwen, heeft dat impact verloren. In onze dagen, die men kan kenmerken als “post-christelijk” is de christelijke woordenschat opgebruikt. Een nieuwe taal uitvinden die actueel is en die bekwaam is de eeuwige waarheden uit te drukken is één van de moeilijkheden van de hedendaagse evangelisatie.

Het geloof in de verrezen Christus belijden

Hoe moet men in zo een wereld als christen – en bovendien als orthodox – zijn geloof uitdrukken in het dagelijks leven ? De bekoring van de christenen vandaag is om futloos te worden, te verzwakken, de boodschap van Christus af te zwakken om de wereld niet te schokken. Men praktiseert een laf christendom. Men durft de maagdelijkheid van Maria niet meer te bevestigen om niet lachwekkend over te komen. Men durft niet meer te verkondigen dat Christus is verrezen met een echt lichaam van “vlees en been” om niet de indruk te wekken dat men in mythes gelooft. Men durft de ene God in drie personen niet meer te verkondigen om de rede niet meer te stoten.

Vanaf dat moment spreekt men van de Heer Jezus alsof Hij slechts een mens was, een grote ingewijde of groter dan de profeten. Men herleid het Goede Nieuws volgens dewelke God de mensen heeft bezocht tot een moraliserende boodschap, tot een reeks bevelen en verboden. Kortom, men doet het zout zijn smaak verliezen; met wat zal men het terugkrijgen ?

Leven als christen vandaag, is leven van het Goede Nieuws in zijn volle verbazingwekkende volledigheid. Het is belijden dat het lichaam van de Verrezene, die nog altijd de sporen van de nagels heeft en de lans, een nieuwe schepping doet ontstaan waarop de dood geen vat meer heeft. Het is elke dag ontdekken dat Jezus van Nazareth, de Gekruisigde, waarlijk levend is want echt verrezen. Wij zijn dus geen slaven meer van de angst voor de dood. In tegenwoordigheid van een overledene, zingen wij het troparium van Pasen “Christus is verrezen uit de doden, door de dood heeft Hij de dood overwonnen”. De wanhoop van de ongelovige in plaats van de rustige hoop van de gelovigen die roept : “Laat rusten, o Christus, hem die gij hebt uitverkoren om het licht van Uw Aanschijn te aanschouwen, in de zachtheid van uw schoonheid”.

Zo is de Verrijzenis het fundament van ons geloof, maar zijn wij intiem en reëel hiervan overtuigd ? Stellen wij deze vraag voor God; laat ons het opnieuw onderzoeken door een intense bezinning en tijd voor noodzakelijke studie. Alleen voor het aangezicht van God, alleen in het verborgene van mijn geweten, moet ik mij afvragen : “Ben ik intiem ervan overtuigd dat Christus waarlijk verrezen is in zijn glorierijk lichaam, in zijn getransfigureerd lichaam ?”

In het Credo, dat wij elke zondag lezen in de loop van de Goddelijke Liturgie, belijden wij evenzeer dat Christus “de enige Zoon van God is, licht van licht, ware God van de ware God, één in wezen met de Vader, door wie alles geschapen is”. Daar verkondigen wij dat Hij de Schepper is, dat Hij God is als Zijn Vader, dat Hij dezelfde God is als de Vader en de Heilige Geest. Dit geloof is de steen waarop de Kerk is gebouwd (…). Omdat wij waarlijk geloven in de komst in het vlees van “de Ene van de Heilige Drievuldigheid, de deïficatie van ons vlees is het doel van ons dagelijks en reëel leven, dat wij willen doordrongen zien  van de Heilige Geest. Daarom plaatsen wij een icoon in het centrum van onze woonplaats en boven het huwelijksbed. De persoonlijke band met de Heer ontwikkeld zich en wordt verduidelijkt in de beschouwing van de heilige Iconen,  die een van aangezicht-tot-aangezicht geven tussen de orthodoxe christen en Christus. De iconen weerspiegelen ook de ervaring van de gelovige getuigen van Christus, profeten, apostelen, martelaren, al onze vaderen in het geloof. Hoe meer wij ons hiermee vertrouwd maken, doorheen hun icoon, hun leven en hun geschriften, hoe meer wij de weg terugvinden die leidt naar de Meester die ons gemeenschappelijk is. De icoon is daar opdat de God die mens geworden is aanwezig zou zijn op elk moment van de dag en de nacht, opdat Christus ons zou zien leven en wij ons levend zouden voelen onder het heiligmakende gezicht van God.

Maar wanneer wij de zondagen communiceren, zijn wij dan werkelijk ervan overtuigd dat wij “het lichaam” van de Verrezene nuttigen,van God die mens geworden is en “zijn bloed” drinken ? Wanneer wij de icoon van Christus in ons huis plaatsen, drukken wij dan waarlijk ons geloof uit van God de Zoon die mens geworden is en die ons reële leven binnentreedt, dagelijks, vleselijk ? Wanneer wij, op het feest van de Theofanie gezegend water nemen en daarmee het doopsel van Christus herdenken in de wateren van de Jordaan, denken wij dan waarlijk dat de Heilige Geest, die de wateren zegent, ook de materie zegent en de ganse schepping vernieuwt ? Kort, door elk van deze daden, drukken wij ons geloof in de Menswording van het goddelijke Woord in het dagelijkse leven concreet uit.

Het is zeer belangrijk om te bidden tot de Heilige Geest. God, die de mens geschapen heeft naar Zijn beeld, ’t is te zeggen naar het beeld van de Drie-eenheid heeft van de mensen geen geïsoleerde individuen gemaakt noch  kuddedieren, maar onderscheiden personen die slechts bestaan in relatie met elkaar, een onvervangbare verscheidenheid van eenieder. De Drie-eenheid is dus het model van de echtelijke relaties, van de sociale verhoudingen, van de kerkelijke structuren. Leven als christen in een maatschappij, is zonder ophouden dit trinitair model voor ogen te houden, waardoor de onvervangbare persoonlijkheid van eenieder openbloeit volgens zijn eigen roeping, in volle vrijheid, in een communio van liefde. Zeker, wij zijn genoeg realist om de omvang van het egoïsme te erkennen – de onze inbegrepen – , de macht van de onruststoker (de duivel) en de wet van de jungle die regeert over de gemeenschappen. Maar het trinitaire model – dat “het sociale programma van de christen” bevat – dat ons leven liefheeft, voorziet in de permanente dynamiek die ons gelijdelijkaan omvormt en een betekenis geeft aan al onze activiteiten in de schoot van ons gezin, in het sociale milieu, in onze Kerk. Vraag is : inspireert het trinitaire model de kwaliteit van onze menselijke relaties ?

Wij bevestigen, volgens het evangelie van Johannes, dat de  Heilige Geest “voortkomt uit de Vader” en dat Christus ons hem zendt (Joh.15,26). Wij roepen zijn nederdaling  “over ons” en over de “heilige gaven” in de loop van de Liturgie. Wij bevestigen met de heilige Seraphim van Sarov, dat “het doel van het leven is : de verwerving van de Heilige Geest”. Maar gaat dit zomaar ? Deze verwerving is zij werkelijk het doel van ons leven ? Nemen wij Pinksteren evenzo au serieux als de Verrijzenis? Welke plaats heeft de heilige Geest in ons bestaan ?  Beginnen wij elke dag opnieuw met direct de vernieuwing van de gave van de Heilige Geest te vragen :” Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid, gij die overal tegenwoordig zijt en alles vervult, Schatkamer van alle goed en Gever van het leven, kom en verblijf in ons, zuiver ons van alle smet en redt onze zielen, Gij die goed zijt” ? Op een meer algemene wijze, nemen wij de “werking van de Heilige Geest”au serieux om ons leven te richten en er zijn bemiddeling op elk moment te vragen ? Rekenen wij op onszelf en op onze eigen wil, ziek en zondig, of rekenen wij op Hem, de Heilige Geest, om “ons te bezoeken en onze zwakheden te genezen” ? Smeken wij Christus met geloof wanneer wij ons bewust worden van onze fouten, onze zonde, onze  ondergang, dat Hij ons Zijn Heilige Geest zou zenden om ons te zuiveren, ons te genezen, ons te veranderen, ons om te vormen, om van ons nieuwe schepselen te maken ? (…)

Persoonlijk gebed

Christen zijn, is vertrouwen hebben op de tussenkomst van de Geest van God in ons leven en voor onze persoon, om ze om te vormen naar het beeld van het leven van de persoon van de God-Mens. Het betekent dus dagelijks tijd vrijmaken om tot God te bidden in de naam van de Heer Jezus opdat de Geest die op Hem rust, zich uitspreidt over ons; het is in dit contact met de geest van Christus  de energiebron zoeken die onze persoonlijkheid zal oriënteren en een betekenis geeft aan ons leven. Maar wat is bidden ? Vooreerst is het geen gebeden opzeggen –een bandrecorder kan dat beter dan jij. Om te bidden moet men zich vooreerst voor het aanschijn van de levende God plaatsen, ’t is te zeggen in het aangezicht van de icoon van Christus. De levende God is tot ons gekomen. Hij heeft het gelaat van een mens aangenomen : dit van Christus. Doorheen zijn icoon, bekijkt Hij ons. Hij is altijd voorgesteld van vóór,, Hij die ons bekijkt; zijn blik ontmoet de onze. Dit van aangezicht tot aangezicht, van Persoon tot persoon, is het begin van het gebed.

Maar “wij weten niet te bidden zoals het hoort”, en “de Geest komt ons te hulp in onze zwakheid (…) Hij spreekt ten beste voor ons in onuitsprekelijk  verzuchtingen” zegt sint Paulus (Rom,8,26). Het is daarom dat het past om elk gebed te beginnen, maar ook elke andere daad die wij stellen, en gans de dag, met een aanroeping van de Heilige Geest. De heilige Basilios, in zijn “verhandeling over de Heilige Geest”, schrijft “Het is de Heilige Geest die het gelaat van Christus verlicht, Hij is het die ons de Vader doet kennen”. De aanroeping van de Heilige Geest leidt ons dus naar een trinitair gebed. Bidden, is naar de ontmoeting gaan van de “twee handen” die ons de Vader aanreikt : de Zoon die tot ons gekomen is als mens en die tot ons gesproken heeft met een mensenmond, en de Heilige Geest die over ieder van ons is nedergedaald, verzameld in de Kerk, onder de vorm van vurige tongen, op de dag van Pinksteren. Bidden, is de Heilige Geest verwerven om de Zoon te ontmoeten en de Vader te leren kennen (…)

Orthodoxie en orthopraxie

Maar is ons dagelijks leven wel een afspiegeling van de “theologie” die wij menen te belijden en onze godsvrucht ? Wij geloven dat Jezus van Nazareth de Christus, de Zoon van de levende God is, en nochtans is het zo dat in ons dagelijks leven – in ons gezin, op ons werk, gedurende onze vrije tijd, in onze affectieve relaties –  onze wijze van gedraging weinig verschilt met deze van onze omgeving, van onze geburen of collega’s die voor het merendeel ongelovig of onverschillig zijn voor de Persoon van Christus.

Hoe kan ons geloof groeien of moet zij onze familiale of sociale gedragingen wijzigen ? Wat onderscheidt onze wijze van leven van dit van de ongelovigen ? Hoe getuigen van de verrezen Christus in ons leven van elke dag ?

Voor velen die zich christen noemen heeft de moeilijkheid om dit probleem op te lossen hen geleid tot een ontwijking ervan door hun leven ervoor af te schermen. Enerzijds “praktiseren zij de religie” door hun aanwezigheid en hun deelname aan de diensten van de Kerk – “zij gaan naar de mis” -, ofwel door een persoonlijk gebed thuis. Anderzijds leven zij in de maatschappij op dezelfde wijze als de andere personen. Hun “religieus leven” en hun leven in de profane wereld zijn niet op mekaar afgestemd, zij weerkaatsen mekaar niet. Zodanig dat “de lekenstaat” de Kerken heeft kunnen kenmerken als “culturele assosiaties”. Zo beperken zij de “cultus”, de religie wordt een “privé zaak” zonder invloed op het sociale leven.

Dit probleem is in realiteit niet echt nieuw. Het was reeds in werkelijkheid, de houding van “religieuze” mensen in Israel , zo de verontwaardigheid opwekkend van Gods profeten.

Ik haat, ik misprijs uw feesten, voor uw plechtigheden walg ik (…) Uw offers  behagen mij niet. Verwijder van mij het geluid van uw lofzangen (…) maar dat het recht vloeit als water, en de rechtvaardigheid als een stortvloed die niet opdroogt (Amos 5,21-24. Cf.ook Jesaja 1,11-19.)

Kort, God heeft slechts behagen in gebeden en lofzangen dan die welke voortkomen  uit een rechtvaardige instelling in het sociale leven. Een cultus die ons leven niet omvormt is een hypocrisie. Een liturgisch leven dat niet uitmondt in wat Johannes Chrysostomos noemt “het sacrament van de broeder” is niet christelijk, maar een “heidense religie” religieus. Het is daarom dat Christus heeft gezegd, in twee zinnen uit het Oude Testament : “Gij zult de Heer uw God beminnen met gans uw ziel en gans uw geest, en uw naaste als uzelf. Doe dit en gij zult leven”. God aanbidden en zijn broeder dienen zijn één en hetzelfde; de cultus van het dagelijks leven afschermen is heidendom.

Het is niet hij die zegt : “Heer! Heer !” maar hij die de wil van mijn Vader die  het koninkrijk zal binnengaan “ (Matth 7,21). Het gaat er niet alleen om de waarheid te ontdekken en te belijden, men moet ook, zoals Christus zegt in het evangelie van Johannes “de waarheid doen” (Joh.3,21). Zonder dat is ons geloofsleven, het gebed, de communie slechts iets uiterlijks,een leugen, hypocrisie en Farizeïsme . De orthodoxie is het rechte geloof, de rechte verheerlijking. Maar er is geen orthodoxie zonder rechtzinnige daden, zonder orthodpraxie.

Geloven en glorie brengen aan God volgens de orthodoxie vereist evenzeer een manier van leven, een wijzen van handelen. Deze wijze van zijn, deze gedraging is beschreven door Christus in het sermoen op de berg (Matth 5-7). Het rust op een fundamenteel principe : de mens geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God.

De evangelische liefde in het dagelijks leven

Gans deze wijze van zijn, gans het geloof dat wij in ons leven uitdrukken, hetzij in ons gezin, op het werk, in onze vrije tijd of in ons affectief leven, moet zich incarneren in ons dagelijks leven. Het fundamentele principe van deze praktijk is zeer simpel : God heeft de mens geschapen – de gehele mens – naar Zijn beeld en gelijkenis, ’t is te zeggen als een persoon die slechts werkelijke bestaat in een communio van liefde met de anderen, en niet als een individu – een entiteit die opgesloten zit in de kooi van zijn egoïsme – of een anoniem nummer in een kudde-collectiviteit. Indien wij dus God aanbidden, dan verheerlijken wij Hem door zijn beeld te respecteren, ’t is te zeggen door elk menselijk wezen, vriend of vijand, sympathiek of onsympathiek, collaborateur of vijand – te behandelen als een broeder  die Christus zo heeft liefgehad dat Hij zijn leven ervoor heeft gegeven. Iedere man of vrouw is dus een persoon op weg naar het heil dat wij in de mate van onze mogelijkheden – al was het maar door een glimlach -, moeten aan bijdragen. Als wij een moordenaar in de gevangenis moeten opzoeken –“Ik was in de gevangenis en gij hebt mij bezocht” (Matth 25,36)- hoeveel te meer moeten wij ons interesseren voor het geluk en de vooruitgang van een rivaal of een tegenstander… Want hij is ook geschapen met het doel : zijn ultieme vergoddelijking.

In het gezin, op het werk en in de Kerk, zoeken wij onophoudelijk om met de ander te communiceren in het respect van zijn persoonlijkheid. Niet om hem te onderwerpen, te overheersen of hem op te nemen in een groep door hem ermee te assimileren, maar om hem lief te hebben zoals hij is, of veeleer zoals God hem oproept om te worden. Dit alles opdat hij ten volle het plan van de Schepper voor hem zou realiseren, door  de ontplooiing van zijn eigen gaven in dienst van de gemeenschap waarin hij leeft.

In het gezin : indien men christen is moet men van een ouder, een kind, een echtgenoot, een echtgenote, een broer, een zuster houden en niet zoeken om hen in bezit te nemen, te domineren, er profijt uit te trekken of hem voor zichzelf te willen. Het is het verlangen zijn eigen vrije ontplooiing te schenken en te zoeken wat men hem kan geven –“ Er is meer vreugde door te geven dat door te ontvangen” (Handelingen 20,35) – om hem te ondersteunen, hem te helpen om beter te worden, om zijn projecten te helpen realiseren en niet die welke wijzelf hem willen opleggen. Dit om hem te troosten, hem het maximum aan vreugde te schenken, opdat hij zich bemind zou voelen Waarlijk beminnen heeft niets te zien met sentimentaliteit; het is verlangen en hem aanmoedigen om zijn vergoddelijking te verkrijgen, want daarvoor werd hij geschapen. In deze zin mag men vooral niet vergeten om de voornamen  van de leden van ons gezin te vernoemen – levenden zowel als overledenen – bij het begin van de Goddelijke Liturgie, opdat hierdoor de Heilige Geest zou uitstralen over hen gedurende gans de week. De diptieken (lijst met namen  die men herdenkt, beginnend in twee colommen, één voor de levenden en een andere voor de overledenen), zijn de band tussen de liturgie en elke persoon die wij liefhebben en zouden moeten liefhebben.

In het professionele leven: Werken betekent voor een christen : een weerspiegeling geven van het Koninkrijk in de aardse realiteit en de materie van deze wereld. Het is wat schoonheid brengen in het leven. Of men loodgieter is of straatveger, het gaat erom de wereld mooier te maken. Een christelijk metser is op zijn manier een iconograaf. Indien het Evangelie ons een bepaalde visie heeft gegeven van het koninkrijk van God, dan proberen wij door onze arbeid er een planafruk van te maken in het domein waar onze activiteit wordt uitgeoefend. Dit kan zijn bijvoorbeeld de sfeer zijn welke een verpleegster tracht  te brengen in haar dienst, of de schoonheid welke de meubelmaker geeft aan het meubel dat hij maakt, de kleine notie van warmte welke een secretaris tracht te brengen in zijn bureau…. In elke arbeid kan de christen een klein beetje licht binnenbrengen, een klein deeltje van de hemel. Het volstaat hiervoor dat hij tijdens de Liturgie van de zondag heel aandachtig de lezingen van het epistel en het Evangelie volgt, dat hij zich afvraagt hoe men in het vervolg dit alles in de praktijk kan omzetten. Indien het Woord van God ons hart raakt, dan zal het ons leven veranderen en onze wijze van werken transformeren. De parabels van Christus en al zijn leringen zijn altijd dicht bij het dagelijks leven.

Elke  gezel van de arbeid en collega ,ondergeschikte of meerdere – is nooit een nummer of een robot, maar een persoon die God wil redden. Hij moet ons interesseren; wij moeten zoeken om met hem een menselijk contact te onderhouden, zijn zorgen en verzuchtingen ontdekken, een glimlach geven. Zelfs een cigaret aanbieden is reeds een toenadering. Het is een antenne die op de ander gericht is. Laten wij ons dus inspannen om op elk ogenblik het ijs te breken, het masker af te nemen, de koelheid van de professionele taal achter zich te laten, het hart van een onbekende te raken, een kleine dienst bewijzen aan hem of haar die ons een rotstreek heeft aangedaan, een vriendelijk woord voor hen die ons kortaf of kwetsend is geweest, ons ongeduld temperen, waken over ons slecht humeur, de vrede in het hart hebben en rondom ons doen heersen.

Wanneer wij de vorige dag gecommuniceerd hebben, laat ons er dan aan herinneren dat wij dragers van Christus geworden zijn in onze arbeidsplaats Als Hij in ons hart aanwezig is, zal deze aanwezigheid onbewust uitstralen rondom ons. Want deelnemen aan de eucharistie, is  God de toestemming geven om de meest intieme band te smeden die er is, op het niveau zelf van het zijn. Deze band kan vervolgens geleidelijk aan gestalte krijgen op het niveau van het bewustzijn en de dagelijkse omgang.

Wat tenslotte telt is niet zozeer wat wij doen of zeggen, maar wie we zijn. De goede boom kan slechts goede vruchten voortbrengen. Laat ons glimlachend en vrolijk zijn omwille van de Verrezen Christus,  tot vrede gebracht en vrede brengend, want wij zijn vergeven en verzoend. Anderzijds ben ik  wrevelig,  gekweld, prikkelbaar, agressief , het spel van de jungle spelend met wie mij omringt, hoe kan ik getuige van Christus zijn ?

In onze vrije tijd en ons affectief leven: om zijn taak zo goed of beter te kunnen volbrengen is het nodig dat wij ons van tijd tot tijd ontspannen. Het gaat hier niet om plezier te zoeken door zich van anderen te bedienen, maar om in de vriendschap en de liefde datgene te zien wat wij kunnen geven. De christen wil in de ander altijd een persoon zien, een doel op zich, nooit een middel. In onze vrije tijd, laat ons dan het menselijk contact zoeken en niet het plezier, de persoonlijke rijkdom die in de ander verborgen zit en niet de sensaties. Het nastreven van sensaties des-humaniseert de mens.

De Heer komt !

De andere dus beminnen, maar niet de liefde liefhebben. Uittreden uit zichzelf, de ander helpen, hem beter willen door hem te aanvaarden zoals hij is. Per slot van rekening, iemand waarachtig liefhebben, is zijn eeuwig geluk willen, ’t is te zeggen zijn vergoddelijking.

Leven als christen is het prachtige risico nemen om datgene niet te doen waar wij zin in hebben, noch dat waartoe de maatschappij of de omgeving ons  aanspoort te doen, maar datgene te doen  wat het Woord van God ons voorschrijft.

Dit alles is geen utopie, want wij geloven dat Christus ons zijn Heilige Geest heeft gezonden – die voortkomt uit de Vader – over zijn Kerk en over elk van zijn leerlingen op de dag van Pinksteren, en dat diezelfde Geest, dagelijks aanroepen, ons hart kan veranderen van een stenen hart naar een hart van vlees. Hij kan als een levende bron een woestijn omvormen tot oase, een vagebond in een heilige en, waarom niet, onszelf tot dienaren Gods.

De tijd van de “sociologische christenen”, ’t is te zeggen van hen die christen waren omdat de sociale structuren het zo verlangden, is voorbij. De tijd van de lauwe christenen, die Christus “uitbraakt uit Zijn mond” (Apoc.3,16)is voorbij. In een samenleving die steeds meer heidens wordt, laten wij meer en meer orthodoxe christenen worden, ’t is te zeggen steeds authentieker levende leerlingen van God die mens geworden is en dit door onze manier van leven en gans onze wijze van zijn.

De christenen zullen dan diegenen worden waartoe zij geroepen zijn : het licht van de wereld van vandaag, zoals ook zij die leefden in het tijdperk van Nero en Diocletianus.

De Heer komt !

(Vader Cyrille Argenti – vertaling uit het Frans : Kris Biesbroeck)

Heilige Genoveva van Parijs

 

Heiligenleven

 

De heilige Genoveva (Genevève) van Parijs

 Genoveva heilige.jpg

Heilige Genoneva van Parijs

 

De heilige Genoveva , patroonheilige van Parijs, is in 422 te Nanterre geboren als kind van arme boeren. In haar jeugd was zij dus herderin. Toen Germanos, de bisschop van Parijs, daar kwam om te prediken, vertelde zij hem, als parmantig meisje van negen jaar, dat zij een aan God toegewijd leven wilde leiden. Germanos was door haar ernst getroffen en kwam opnieuw met haar in contact toen zij enkele jaren later, na de dood van haar ouders, bij haar peetmoeder in Parijs kwam wonen. Toen Genoveva 15 jaar oud was gaf hij haar de Maagdenwijding, maar ze bleef bij haar peetmoeder wonen waar zij een leven van gebed, combineerde met zorg voor de armen, die zij dagelijks ging opzoeken in de archterbuurten van de stad. Daar werd al gauw schande van gesproken, te meer daar Genoveva in visioenen had gezien hoe de Hunnen onder Attilla de stad ( die toen nog Lutetia heette) zouden belegeren. De bisschop bewaarde echter zijn vertrouwen in haar, en schreef aan haar gebeden toe dat Attilla wegtrok van de belegerde stad.

Later werd de stad opnieuw belegerd, nu door de Franken, en er ontstond een hevige hongersnood. Genoveva wist echter een voedseltransport te organiseren en slaagde erin dit vanuit Troyes langs de Seine onopgemerkte de stad binnen te leiden. Door dit alles werd zij een invloedrijke persoonlijkheid en zij maakte daarvan gebruik om vele gevangenen te bevrijden. Zij bracht ook de bouw van de kerk ter ere van de heilige Dionyssius bij Montmartre tot stand. Bijna negentig jaar oud is zij gestorven rond 510.

Uit :  Heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orth.klooster – Den Haag

26e zondag na Pinksteren, 6e na de Kruisverheffing

23e zondag na Pinksteren

6e na de kruisverheffing

“genezing van een bezetene”


bezeten zwijnen.jpg

 

LEZINGEN

Epistel : Efesiërs 2,4-10:

Door zijn grote liefde voor ons heeft God, die rijk is aan barmhartigheid, ons die dood waren door onze overtredingen, met Christus ten leven gewekt. Aan zijn genade dankt u uw redding. Hij heeft ons samen met Hem laten opstaan en laten zetelen in de hemelse regionen, in Christus Jezus, om in de toekomstige eeuwen de overgrote rijkdom van zijn genade te tonen, door zijn goedheid jegens ons in Christus Jezus.
     Inderdaad, aan die genade dankt u uw redding door het geloof; en dat dankt u niet aan uzelf. Gods gave is het; u dankt het niet aan uw prestaties, opdat niemand trots zou zijn. Gods werk zijn wij, geschapen in Christus Jezus, om in ons leven de goede werken te doen die God voor ons heeft bereid, opdat wij daarin zouden leven.

  

Evangelie : Lucas 8,26-39 :

Genezing van een bezetene
     Zij voeren naar het land van de Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt. Toen Hij van boord ging, kwam Hem uit de richting van de stad iemand tegemoet die in de macht was van demonen. Al geruime tijd droeg hij geen kleren en woonde hij niet meer in een huis, maar in rotsgraven. Toen hij Jezus zag, viel hij schreeuwend voor Hem neer en riep luidkeels: ‘Wat wilt U van mij, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Doe me alsjeblieft geen pijn.’ Hij had de onreine geest bevolen uit de man weg te gaan. Herhaaldelijk had die bezit van hem genomen; men bond hem dan vast met kettingen en voetboeien, maar steeds weer verbrak hij zijn ketenen en werd hij door de demon naar eenzame streken gejaagd. Jezus vroeg hem: ‘Wat is uw naam?’ Hij zei: ‘Legio’; er waren immers vele demonen bij hem ingetrokken. Zij smeekten Jezus hen niet de afgrond in te sturen. Nu weidde daar in de bergen een grote troep varkens; ze vroegen Hem toestemming om in die varkens te gaan, en Hij stond hun dat toe. De demonen kwamen uit de man en gingen de varkens in; de troep stoof de helling af, het meer in, en verdronk. Toen de varkenshoeders zagen wat er gebeurde, gingen ze ervandoor en vertelden het in de stad en op het land. De mensen gingen kijken wat er gebeurd was. Ze kwamen bij Jezus en vonden daar de man uit wie de demonen waren weggegaan, gekleed en bij zijn volle verstand, gezeten aan Jezus’ voeten. Ze werden met ontzag vervuld. Ooggetuigen vertelden hun hoe de bezetene gered was. De hele bevolking van de streek van de Gerasenen vroeg Jezus toen bij hen weg te gaan, want ze waren hevig geschrokken. Daarop stapte Jezus in de boot om terug te varen De man uit wie de demonen waren weggegaan, vroeg Hem of hij bij Hem mocht blijven, maar Jezus stuurde hem weg. ‘Ga naar huis terug,’ zei Hij, ‘en vertel wat God voor u heeft gedaan.’ De man ging in heel de stad verkondigen wat Jezus voor hem had gedaan

Augustinus : Bezinningstekst

AUGUSTINUS

 

 Augustinus15.jpg

Augustinus

Bezinningstekst

Deze wereld is voor alle gelovigen die verlangen naar het Vaderland, wat de woestijn was voor het volk van Israël. Het joodse volk doolde rond op zoek naar het vaderland, maar onder Gods leiding kon het onmogelijk verdwalen. Het bevel van God zelf was de weg voor de joden. Hoewel hun omzwervingen veertig volle jaren duurden, waren de echte halteplaatsen op hun tocht niet erg talrijk, zoals gij allen weet. Hun reis verliep zo traag omdat zij door God op de proef werden gesteld, niet omdat Hij ze in de steek liet

Zoals de Schrift zegt en wij u al zo dikwijls voorgehouden hebben, belooft God ons een onuitsprekelijke heerlijkheid en een geluk “dat geen oog gezien heeft, geen oor gehoord en in geen mensengeest is opgekomen” Wij worden echter beproefd door de pijn van dit leven en trekken lering uit de bekoringen van het huidig bestaan. Maar indien gij in de woestijn  niet van dorst wilt omkomen, laaf u dan aan de liefde.

 Augustinus :  Augustinus’ preken over de eerste brief van johannes. 7e hoofdstuk

Uit : “eenheid  en liefde” vertaald door dr.TJ van Bavel

Johannes Chrysostomos : Wees mij zondaar genadig

H. Johannes Chrysostomos (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar
Homilie over de bekering, nr 2

Johannes Chrysostomos 2.jpg

Johannes Chrysostomos

 

“Wees mij, zondaar, genadig”

      Een farizeeër en een tollenaar  gingen op naar de Tempel om er te bidden. De farizeeër begon met het opsommen van zijn kwaliteiten en verklaarde: “O God, ik dank U, dat ik niet ben als de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar ginds”! Wat ben jij een naar mens, jij durft zomaar over de hele aarde een oordeel te vellen! Waarom beschuldig je je naaste? Heb je het nog nodig om deze tollenaar te veroordelen, was de aarde je niet genoeg? Je hebt alle mensen, zonder uitzondering, beschuldigd: “Ik ben niet zoals de andere mensen… en ook niet zoals die tollenaar. Ik vast tweemaal per week, en geef tienden van al wat ik bezit. “Wat een zelfgenoegzaamheid bevinden zich in deze woorden! Ongelukkige!…

      De tollenaar heeft die woorden goed gehoord. Hij had je van repliek kunnen dienen met deze woorden: “Wie denk je wel dat je bent, dat je over mij durft kwaad te spreken? Hoe ken jij mijn leven? Ik heb je nooit in mijn omgeving gezien, je bent niet een van mijn kennissen. Hoe kom je zo trots? Kun jij overigens jouw goede daden bewijzen? Waarom hemel je jezelf zo op, wie spoort je aan om jezelf zo verheerlijken?” Maar hij zei niets van dit alles – integendeel- hij boog zich voorover en zei: “O God, wees mij, zondaar, genadig.” En omdat hij zich vernederde, werd hij gerechtvaardigd.

      De farizeeër verliet de Tempel zonder absolutie, terwijl de tollenaar wegging met een hart dat vernieuwd was door een hervonden rechtvaardigheid… Toch was daar amper sprake van nederigheid, in de mate waarin men die term gebruikt als een edelman zich vernedert;  welnu in het geval van de tollenaar gaat het niet om nederigheid, maar om de eenvoudige waarheid, want wat hij zei was waar.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Papathomas : De orthodoxe kerk en de secularisatie

De orthodoxe Kerk en de secularisatie

Prof.Hdr.Archim.Grigorios D.PAPATHOMAS

Deken van het Orthodox Theologisch seminarie”H.Platon”

 

De definities die vandaag de dag worden gegeven voor secularisatie in de theologische en kerkelijke wereld, zijn meer gebonden aan haar gevolgen, veeleer dan aan haar oorsprong. Om het fenomeen van de secularisatie met betrekking tot de Kerk te illustreren, gebruiken wij termen als : vervalsing, vervreemding, verwijdering, afwijking, geest van deze wereld  enz…, want juist het vertrekpunt van deze definities is niet van theologische aard, maar moreel. Onze aandacht is dus altijd gericht op de gevolgen van het fenomeen voor de Kerk en niet op zijn oorzaken.

Om het fenomeen, het probleem van de secularisatie te benaderen in haar voornaamste oorzaak, zou men deze moeten beschouwen als een soort permanente bekoring van de Kerk, die feitelijk de derde bekoring van Christus is : de bekoring waar de Heer voor geplaatst wordt door de geest van de wereld bij het begin van zijn openbaar leven (Mt.4,8-11). Maar waarom weigert Christus om zich te onderwerpen aan de bekoring ? Is het alleen uit trouw aan de zending die Hij van de Vader heeft ontvangen, ofwel door iets veel dieper ? Het  blijkt dat deze weigering om zich aan de bekoring te onderwerpen ontbreekt, wanneer men er niet tegen strijdt, dit aanleiding geeft tot secularisatie.

De Kerk, zoals Christus ze gewild heeft bestaat niet uit een puur historisch organisme die zich telkens kan transformeren volgens de heersende ideologieën van de tijd door er zich aan  te passen ; een dergelijke aanpassing zou ze juist binnenleiden in de secularisatie. De Kerk is ook geen schuilplaats van individuele existenties, met het doel  hun individuele noden in te willigen. De Kerk bestaat als relatie en communio. In waarheid, het is de relatie van de wereld met God – in Christus – die Kerk genoemd wordt. En dit “in Christus”, plaats van ontmoeting van de wereld met God, toont ons dat het karakter van de Kerk diep “Theoanthropisch” is. De val betekent reeds een  afkeer van de mens tegenover God en een zich opsluiten in de wereld en de gescheiden schepping van God. Zij voert de mens en de wereld naar een zelfgenoegzaamheid, naar een zich opsluiten in zijn eigen ego, ’t is te zeggen in het egocentrisme.

In de tuin van Eden, kwam met Adam (Gen.3,17) de eerste en unieke gebeurtenis : een schepsel, de duivel, richt zich tot een ander schepsel, de mens, om te discussiëren , over de juistheid – zoniet over de wijgering – van de scheppingsact van God. Het gaat daar niet over een voorstel van totale weigering van God, maar over de verbetering van Zijn werk. In dit geval wordt het schepsel het criterium van dat wat moet zijn. Het wordt zelf het archetype van het beeld volgens welke de mens is geschapen. Maar deze is nochtans het beeld “van God”, en niet van het schepsel zelf. En door deze omkering van perspectief is het beeld van God ingesloten binnen een conceptie en een intra-seculiere ruimte. Alles wordt ten dienste gesteld van een seculier objectief. Zelfs “God” wordt gebruikt, geïdentificeerd ten dienste van een historische finaliteit.

De tweede gebeurtenis kwam met de persoon van Christus “op een zeer hoge berg” (Mt 4,8), waar de duivel zelf zich aan de dingen van de wereld tracht vast te klampen, door Hem voor te stellen om zich te fixeren op de dingen van deze wereld en de dimensie van de hemel en de eeuwigheid te weigeren :”ik zal u dit alles geven”(Mt 4,9). De duivel probeert dus om de existentie van Christus, Zijn menswording en Zijn eschatologisch perspectief zelf te seculariseren zou men kunnen zeggen.

Nochtans is Christus gekomen om de ganse wereld, zichtbaar en onzichtbaar  in Zichzelf te verenigen. Hij vormt in Zijn Lichaam – dat de Kerk is – de schepping in haar nieuwheid, de ganse waarneembare en onzichtbare wereld, door te verenigen wat ontbonden was. De Kerk kan niet gezien worden zonder de wereld, en de wereld zou niet echt bestaan zonder de Kerk, buiten haar relatie met Christus. Het werk van de Kerk bestaat in het ontvangen en de incarnatie van het geheel van de schepping volgens het project van de goddelijke economie, op weg naar de “gelijkenis”. Wanneer de Kerk deze weg en deze oriëntatie van “gelijkenis” verliest, dan maakt zij zich louter en alleen gelijkvormig aan de geschiedenis. Door het perspectief van het Koninkrijk ( van de gelijkenis) te verliezen, identificeert zij zich eenzijdig met de wereld en geeft hij zich over aan seculiere bedoelingen. Bij gevolg, zij seculariseert zich en opent de weg voor haar eigen verdere desoriëntatie. Dan wordt de Kerk door de wereld opgeslorpt in plaats dat de wereld door de Kerk wordt getransfigureerd. De Kerk bezwijkt aan de bekoring waaraan ook Christus heeft moeten weerstand bieden. Zij wint misschien de koninkrijken van deze wereld, zo onbeduidend en onzeker, maar ze verliest het komende Koninkrijk van God.

De vraag is dus gesteld : in welke mate is de Kerk in Europa en in de ganse wereld, vandaag de dag in de greep van de secularisatie en wat moet haar houding zijn tegenover dit fenomeen ?

a)De secularisatie zou kunnen een directe nefaste invloed hebben op de structuur en de identiteit zelf van de Kerk. Onder haar invloed wordt de eucharistische gebeurtenis, die het fundament van de Kerk is, aangetast. : de verzameling van de kerkelijke Gemeenschap en de communio glijden alzo af naar een individuele morele verbetering. De essentiële functies van de Kerk krijgen het karakter van een bureaucratie, het synodale systeem – in het begin een bijeenkomst voor de bevestiging van het geloof – wordt een mechanisme van controle op basis van seculiere democratische criteria , van het principe van de meerderheid in het beste geval. De hiërarchische en charismatische structuur wordt zo omvergeworpen. De sacramenten –“mysteriën” in de orthodoxe taal –  worden daden van privé en mondaine uitingen. Zij zijn niet meer gebeurtenissen van de eschatologische communio. De eenheid tussen de theologie en het kerkelijk leven is verbroken. De kennis maakt zich los van de liefde. De Kerk wordt een ideologisch mechanisme die zich verdedigt tegenover diegenen die haar niet aanvaarden. Alle middelen kunnen worden gerechtvaardigd….

b) De secularisatie is een langdurig proces, in gang gezet door verschillende  toevoegingen en de onttrekkingen in verband met de identiteit en de traditie van de Kerk, door “correcties” dus in verband met het scheppend en soteriologisch werk van God in de Kerk. Het is om deze reden dat de Kerkvaders zich zo streng toonden wanneer het ging over de transformatie van de structuur en de dogma’s van de Kerk, zelf al was het maar over een iota. En het is om dezelfde reden dat wij actueel met respect en begrip de aanhankelijkheid van de Kerken en de gelovigen constateren voor datgene wat ons is overgeleverd en is beleefd in elke kerkelijke traditie.

c)De orthodoxe Kerk draagt een bijzondere gevoeligheid in zich in dit verband, zoals de eindtekst van de Bijeenkomst van de Hiërarchie van het oecumenisch Patriarchaat , dat bijeengeroepen werd in de Phanar in september 1998, getuigt :”Wij (Orthodoxen) worden ook onderworpen aan de bekoring van de “secularisatie”; de opvatting komt hier op neer dat voor de wereld en alles wat relatief is  het leven zonder God en het opgaan in de wereld  is(…). God heeft ons geen “geest van vrees gegeven maar een geest van kracht en wijsheid” (2 Tim.1,7). Wij moeten in deze geest in deze geseculariseerde wereld, die alles tot zichzelf terugvoert, proberen te leven. Daarom zijn wij geroepen om in ons leven Hem te manifesteren die ons heeft geschapen, in onze woorden en daden het teken en het getuigenis offerend van kinderen van God in het licht van Zijn almacht”

d) Wanneer de secularisatie onverwachts komt, dan handelt de Kerk op twee verschillende manieren : zij wordt hetzij een deel van het staatsapparaat, ofwel tracht zij zich in de plaats te stellen van de Staat. In de orthodoxe landen is de secularisatie als persoonlijke zwakheid van de leden een weinig bekend fenomeen, evenals de tendens om te institutionaliseren,zowel in de recente geschiedenis als in de oudheid. De volgende oproep van de Heilige Johannes van Damascus in zijn “Tegen de vijanden van de iconen” is zeker geen toeval : “Het komt aan de hoogste instanties niet toe om regels te maken binnen de Kerk (…) De hoogste instanties moeten een politiek juiste gedraging hebben”. Maar de tendens van secularisatie heeft institutionele dimensies aangenomen na de Verlichting en de franse Revolutie, van daaruit is zij ook gegaan naar de landen van de Orthodoxe traditie en orthodoxe meerderheid onder de vorm van een inspanning om te moderniseren en zich conform te maken aan de europese geest.

Vanuit de vorige vraag, met een schets van de invloed die de Kerk ontvangt van de institutionele secularisatie, groeit de volgende vraag : Is de Kerk – het Christendom – in staat om het hoofd te bieden en de tendensen van de tegenwoordige mens naar een totale breuk met de communio met God,omver te werpen ?

Ons antwoord is positief, om volgende redenen :                                                                   

a)Omdat de Christen gelooft in de geopenbaarde waarheid. Dank zij dit geloof is hij zeker van het eschatologisch leven en bidt hij opdat het project van God zou vervuld worden in zijn persoon. Hij hoopt, en deze hoop verzwakt niet, volgens Sint Paulus (Rom.5,5).

b) Omdat de christelijk gelovige meer en meer de persoonlijke vrijheid van elke mens, die zijn eigen manier heeft en zijn eigen geloof heeft om zich met God Schepper te verenigen,  leert accepteren en respecteren. Hij die als God Vader “elke mens verlicht en heiligt die op de wereld komt” (Joh.1,9).

c) Omdat er een progressieve bewustwording is  voor het feit dat wij, om het project en de wil van God te vervullen,  uitgenodigd zijn om in ons leven de waarden – die terzelfdertijd  deugden zijn – tot de onze te maken : wederzijds respect, broederlijkheid en solidariteit, wederzijdse ondersteuning en tenslotte van de liefde, die zich verheft boven elk ander principe  en deugd.

d)Omdat de christelijke Kerken die wij vertegenwoordigen in Europa op verschillende manieren de beschikbaarheid en de wil hebben om opnieuw leven te geven aan de boodschap van het Evangelie in de wereld die nieuw schijnt  te zijn, maar die zich niet heeft losgemaakt van zijn wortels en alle menselijke middelen te gebruiken opdat een vreedzame en rechtvaardige coëxistentie voor de volkeren van Europa zou gerealiseerd worden.

e) Omdat, vertrouwend, de Kerk een belangrijke dialoog zou ondernemen in alle richtingen en in alle omstandigheden, en dit voor een bredere kennis van de ideeën van de mensen.

f) Omdat, heel eenvoudig, Christus verrezen is uit de doden !

 Vertaling : Kris Biesbroeck