Epifanius van Salamis : Wees gegroet, vol van genade

Epifanius van Salamina (? – 403), bisschop
Homilie nr 5 ; PG 43, 491.494.502

“Wees gegroet, vol van genade”

 

 

Epiphanius- van Salamis kerkvader.jpg

Epifanius van Salamis

 

  Hoe zal ik het zeggen? Welke lofzang zou ik kunnen aanheffen voor de glorieuze en heilige Maagd? Zij overstijgt alle wezens, op God na. Van nature is zij mooier dan de cherubijnen, de serafijnen en het hele leger engelen. Noch de hemelse taal, noch die van de aarde, zelfs die van de engelen voldoet niet om haar te loven. Gelukzalige Maagd, zuivere duif, hemelse bruid…, tempel en troon van de Godheid! Christus, stralende zon aan de hemel en op aarde is van u. U bent de stralende wolk, die Christus neer laat dalen, Hij is de stralende bliksemschicht die de wereld verlicht.

      Verheug u, vol van genade, hemelpoort; over u spreekt de schrijver van het Hooglied…, als hij uitroept: “Een besloten hof ben jij, een gesloten tuin, een verzegelde bron” (4,12)… Heilige moeder van God, onbevlekt schaap, u hebt het Lam op de wereld gezet, Christus, het Woord werd in u vlees… Wat een verbazingwekkend wonder in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon (Ap 12,1), die het licht in haar armen draagt!… Wat een verbazingwekkend wonder in de hemelen: de Heer van de engelen is een klein kind van de Maagd geworden. De engelen beschuldigden Eva; nu vervullen ze Maria met glorie want zij heeft Eva uit haar val opgericht en heeft Adam die uit het paradijs werd verjaagd in de hemel laten binnengaan…

      Immens is de genade die aan de heilige Maagd gegeven is. Daarom brengt Gabriel haar eerst deze begroeting: “Wees gegroet, vol van genade”, stralend als de hemel. “Wees gegroet, vol van genade”, Maagd met ontelbare deugden gesierd… “Wees gegroet, vol van genade”, u geeft de dorstigen te drinken aan de zoetheid van de eeuwige bron. Wees gegroet, onbevlekte Maagd, u hebt Christus die u vooraf gaat, gebaard. Wees gegroet, koninklijk purper; u hebt de koning der hemelen bekleed. Wees gegroet, verzegeld boek; u hebt aan de wereld het Woord te lezen gegeven, de Zoon van de Vader.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Olivier Clément : aantekeningen bij de spiritualiteit van de icoon

AANTEKENINGEN BIJ DE SPIRITUALITEIT VAN DE ICOON

door Olivier Clément

 

WOORD EN BEELD

     In de orthodoxe traditie maakt de icoon een integrerend deel uit van de celebratie; zij vormt een middel om God te kennen en om zich met Hem te verenigen” (Léonide Ouspensky). De ganse kerk, met haar architectuur en haar fresco’s (of haar mozaïeken), behoort tot de categorie van de icoon; zij vormt in de ruimte wat het liturgisch verloop vormt in de tijd : de anticipatie van het Koninkrijk, de “mysterieke” deelname aan de Parousie. In de celebratie, vormen woord en beeld een onafscheidbare totaliteit, een ware “pneumatosfeer” waar zich de betekenis van de Schrift onthult de eigenlijke theologische dimensie (in beschouwende betekenis) van de goddelijke economie.

    Van bij het Oude Verbond, moeten we de notie van Woord bevrijden van de louter verbale betekenissen welke men het meestal geeft. Indien de icoon onmogelijk is voor de Vleeswording – de Bijbel is vol visioenen -, schrijft de handeling van de Levende zich in beelden en tekenen (welke soms gebaren zijn). De quasi-afwezigheid van figuratie onder het Oude Verbond begrenst de ruimte van de verwachting – zelfs de twee cherubijnen, op de ark, dienen slechts als kader van een nog onzichtbare tegenwoordigheid. Het verbod van Exodus (20,4) en dit van Deuteronomium (5,12-19) vormen als het ware de “uitgehouwen” voorafbeelding, apofatisch in strikte zin, van de Vleeswording; zij schakelen de idool in verwachting uit verwijderen de idool, in de aanroeping van het Gelaat. De Vleeswording heeft slechts betekenis in de spanning met deze bijbelse openbaring van een transcendentie die tegelijk ontoegankelijk en persoonlijk is, dit wil zeggen in staat zichzelf te transcenderen om zich deelachtig te maken (het is deze spanning welke het voorwerp zal zijn van het palamitische onderscheid tussen de essentie en de energie). In tegenstelling tot de omgevende culturen, waar het wemelt van beelden, die beweren een al-aanwezigheid welke uiteindelijk onpersoonlijk is te grijpen, verwerpt het Oude Testament op brutale wijze elke ruimtelijke voorstelling van God : “Gij zult u geen gebeitelde beelden maken”… Het weigeren de Levende gevangen te zetten in de immanentie van een sacrale natuur, waar het goddelijke slechts de onpersoonlijke keerzijde van de wereld zou zijn. Het weigeren God te identificeren met de fantasmen van het denkbeeldige.

   Volgens mij is er in het Oude Testament niet enkel deze “uitgehouwen” voorafbeelding. Twee thema’s kondigen op positieve wijze de icoon aan : dit van het Gelaat (en van de Naam) en dit van de heerlijkheid. Eén van de leidmotieven van de Bijbel is deze aanroeping van de mens : “Zeg mij uw Naam”, “toon mij uw Gelaat”, met de zekerheid dat dan de mens zijn eigenlijk gelaat zal vinden, want hij is geschapen geworden “naar het beeld en naar de gelijkenis” van God (Genesis 1,27). De Griekse vertaling van de septuagint, waar de Hebreeuwse uitdrukkingen çelem en demut preciezer worden omgezet in eikon en omoiôsis, ingeleid door het voorzetsel kata, duidt op een klare “evangelische voorbereiding”. De mens houdt zich recht “voor het gelaat” van de levende God, en voelt reeds in de heerlijkheid, het mysterieuze Gelaat waarvan hijzelf de afglans is. Maar dit lange overwicht van de tijd (het Woord) op de ruimte (het Visioen) was nodig opdat het geloof als trouw aan de trouwe God het haalt op de archaïsche extase als “desincarnatie” en “weggaan uit de tijd”.

   De heerlijkheid van God – kâbod -, de trans-lichtende wolk van de shekina, verlicht de ganse bijbelse geschiedenis van Israël. God “tooit zich met grootsheid en bekleedt zich met schoonheid”, hij “leeft en regeert in heerlijkheid”. Het volstaat om in de Exodus de rol van de wolk en de vuurzuil in herinnering te brengen; Mozes ziet op de Sinaï God “van achteraan” en blijft verheerlijkt, waarbij hij op zijn gelaat de glans van de glorie behoudt. Maar hij moet zich sluieren, zolang deze heerlijkheid, welke de mens slaat als van buitenuit, hem ondraaglijk blijft. De shekina rust op de ark, de heerlijkheid verschijnt opnieuw onder de vorm van een wolk bij de inzegening van de Tempel van Salomon, en wanneer haar lichtende straling nadien verdwijnt, dan kaats het gebed van Mozes “doe mij uw glorie zien” (Exodus 33,18) terug over de ganse geschiedenis van Israël. De profeten kondigen het messiaanse herstel aan als volle manifestatie van de Glorie die de aarde zal vervullen zoals de wateren het bed vullen van de zeeën. Voor Ezechiël (1,26), straalt de goddelijke heerlijkheid onder een “menselijke vorm” ingeschreven in God. Zo is ook de “Zoon van de mens” bij Daniël een soort van hemels Mens, van lichtende manifestatie, in een menselijke vorm, van een onzichtbare God. De Gezangen van de Heer verbinden deze ultieme glorie met het lijden van de Dienaar, aan wie het zal toekomen om de goddelijke glorie te laten stralen over alle volkeren (Jesaja 49,3-6; 50,5-7; 52,13-53,12).

De icoon en de vleeswording

       Het Gelaat, de Naam en de Glorie, Roem van de Dienaar, die lijdt en op paradoxale wijze overwint, manifesteren zich in de volheid van de God die mens wordt. Christus is niet enkel het Woord van de Vader, maar ook zijn éénwezenlijk Beeld. De Ontoegankelijke openbaart zijn eigen Naam in de totale onteigening van het Kruis, en deze antinomie (die, zelf boven alle negatieve theologie, de werkelijke apofase is) tussen de Ontoegankelijke en de Gekruisigde, deze antinomie-identiteit wordt voor immer de maat zonder maat van de Liefde. God, in Christus, wordt gelaat, het ultieme Gelaat, in het ondoorschijnbaarste van de wereld, het Gelaat van de gedefigureerde-getransfigureerde die “noch schoonheid” heeft, “noch schittering om de blikken aan te trekken” (Jesaja 53,2) en die toch de enige schoonheid uitstraalt die niet “esthetisch” maar “ontologisch” is, deze van de “waanzinnige liefde” van God voor de mens.

     Ultiem Gelaat, gelaat der gelaten.     Elk menselijk gelaat blijkt reeds niet herleidbaar tot één enkel kosmisch proces. In hem schijnt, hoe vluchtig ook, een gans andere realiteit door. Door zijn gelaat, transcendeert de mens het materieel proces, hij lijkt uniek, onnabootsbaar, hij ontglipt aan elke herhaling, conditionering, fabricatie. Niets maakt het raadsel van het bestaan gevoeliger. In de oneindige gevangenis van de wereld, is het gelaat bedreigende of bevrijdende verscheuring, “gat van transcendentie”. Vooral de blik drukt deze transparantie van de materie van de wereld uit tot een ander licht. Het menselijk gelaat is een kruis. Communio en agressiviteit, het elan naar de vrijheid, naar het onbegrensde en de angst van de eindigheid, het verderf en de schoonheid, kruisen er elkander. Dit ongelijke kruis : de dood heeft steeds het laatste woord. Het gelaat sluit zich opnieuw, de blik oordeelt, peilt, versteent. Ofwel sluit ik de ogen van een dode.

    Christus ontmoeten, is een gelaat ontdekken dat zich nooit zal sluiten, het gelaat van de heimelijke vriend dat niet veroordeelt maar onthaalt, een blik die niet versteent maar die bevrijdt, het ultieme Gelaat doorheen de dood geraakt en dus voor immer verlicht door de liefde sterker dan de dood.

    Zo is het gelaat van Christus de icoon der iconen, deze concreet menselijke geënhypostasieerde individualiteit – en daardoor de ganse menselijke natuur – in de Persoon van de Zoon, “Eén van de Heilige Drie-Eenheid”. “Hij is het beeld – eikon – van de onzichtbare God, zegt de Heilige Paulus (Colossenzen 1,15). De getransfigureerde mensheid van Christus is “de zichtbare van de onzichtbare”, zegt Dionysios de Areopagiet, hernomen door de Heilige Johannes van Damascus. We moeten hier het kondakion van de Zondag van de Orthodoxie citeren :

 

“Het onomschrijfbare Woord van de Vader liet zich omschrijven,

door uit u, Moeder van God, vlees te worden,

waarbij hij het besmeurde beeld hersteld heeft

in zijn oorspronkelijke waardigheid,

hij verenigt het aan de goddelijke schoonheid”.

    Het 7de Oecumenisch Concilie heeft zeker het voorstellen van de Vader verboden, bron van de goddelijkheid, principe van de Drie-Eenheid. Maar de ontoegankelijke heeft zich vrijwillig deelachtig gemaakt : “Diegene die mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” zegt Jezus (Johannes 14,9). Het fundament van de icoon is christologisch : “Gezien de Onzichtbare, door zich te bekleden met het vlees, zich zichtbaar heeft gemaakt, mocht gij de gelijkenis van Diegene die zich heeft gemanifesteerd voorstellen” (de Heilige Johannes van Damascus, eerste tractaat ter verdediging van de heilige beelden, P.G. 94, 1245). En de Heilige Theodoros van Stoudion : “Door geboren te zijn uit de onbeschrijflijke Vader, kan Christus niet afgebeeld worden (…). Maar door geboren te zijn uit een beschrijflijke moeder, heeft hij natuurlijk een beeltenis die overeenkomt met zijn moeder. Indien hij niet in de kunst kon afgebeeld worden, dan zou dit willen zeggen dat hij enkel uit de Vader is geboren en dat hij zich niet incarneerde. Maar het zou tegenstrijdig zijn met de ganse goddelijke economie van ons heil” (derde weerlegging, P.G. 99, 417 C). Gelaat dat het niet-gelaat was van de gekruisigde slaaf : voor de Ouden was de slaaf aprosopos, men zag hem niet. Door hetzelfde Gelaat ontdaan van alle maskers van het niets, paasgelaat waar de vereenzaming “overgaat” in de verheerlijking, de glorie : de Vaders van het 7de Concilie hebben op betekenisvolle wijze de verering van de icoon samengebracht met de hulde die wij betuigen tot het beeld van het kostbare en levenschenkende kruis”.

    Zo sticht de Incarnatie de icoon en de icoon manifesteert de Incarnatie. De cyclus van het niet-voorstellen van de levende God is ten einde. God werd vlees, de Zoon heeft het teken van zijn Persoon gemerkt op de sluier van de materie. Voor de Incarnatie was het beeld verboden : het zou noodzakelijker wijs idool geweest zijn. Na de Incarnatie is het beeld niet enkel mogelijk maar noodzakelijk : haar afwezigheid zou ons geloof in de Incarnatie in vraag stellen.

De icoon en de Heilige Geest

     Indien God voor ons gelaat werd, dan kent de mens zijn eigen gelaat. “God werd mens opdat de mens God zou worden”, niet in een begoocheling, maar in de volheid en de transfiguratie van zijn mensheid. God werd gelaat in de mensheid opdat de mens zijn ware gelaat zou ontvangen in de goddelijkheid. Het lichaam van Christus, de Kerk als Lichaam van Christus, is een soma pneumatikon, een mensheid gedragen tot de gloed door de energieën ons gegeven door de Geest. En elkeen is geroepen om zijn eigen gelaat te geven aan dit nieuw wezen, aan dit paas-wezen. Hierdoor is ook de icoon pneumato-logisch, zij toont hoe de persoonlijke heiligheid, het leven in Christus, het verwerven van de Geest betekent. In het Lichaam van Christus, plaats van een voortdurend Pinksteren, kan de mens geschapen naar het beeld van God, beeld hersteld in Christus, de “gelijkenis” vinden in de Geest. De mens is door God voorbestemd om “gelijk aan het beeld van zijn Zoon ” (Romeinen 8,29) te worden, “om de Geest om te vormen van glorie tot glorie, als door de Heer” ? (2 Corinthiërs 3,18). Vanaf nu kunnen wij de mens-in-Christus, vervuld van de Geest, voorstellen zonder risico voor ondoorschijnendheid. “Het licht schittert op het gelaat van uw heiligen”, zingt de Kerk. Gefundeerd op de christologie, vervult de icoon zich in de pneumatologie, en opent zich hierdoor op het ultieme, en wordt anticipatie van de uiteindelijke Transfiguratie van de mensheid en het universum. Het valt op te merken dat dit eschatologisch aspect bijzonder geaccentueerd werd in de oude christelijke kunst van het Westen, tijdens de preromaanse, romaanse periode en in zekere aspecten van de gothische kunst. Indien het oudtestamentisch verbod opgeheven werd door en voor Christus, dan was dit ook voor zijn Moeder en voor zijn vrienden, voor de leden van zijn Lichaam, voor al degenen die, in de Geest, bewust worden van hun deelname aan de vergoddelijkte mensheid van de Redder. Hun iconen manifesteren aan de mens de aangeboden mogelijkheid om toe te treden tot een persoonlijk bestaan in communio. De “Moeder van God” is het beeld zelf van de mensheid die instemt met de goddelijke handeling en waarbij de vleeswording van het Woord mogelijk wordt : zodoende dat de glorie, vanaf nu, ons niet meer van “buitenaf” toekomt als een ondraaglijke flikkering, maar vanuit de diepste diepten van ons zijn, gegrift op de vergoddelijkende mensheid van Christus. Geen licht meer van het onweer, maar “licht van leven” zoals de Heilige Johannes het zegt.

     Alles toont, in de houding en de uitdrukking van het voorgesteld personnage, de ultieme realteit, aan dewelke hij deelneemt. De icoon, illustreert hier het ascetisch en mystiek onderricht van de Orthodoxie op de wegen van “de vergoddelijking” (theosis), “het waken” (nêpsis) en “de tederheid” (katanyxis). Het buitenmatig verlengt lichaam (er zijn meer dan 10 hoofden lengte in plaats van 5 in de canon van de “klassieke” schoonheid) wordt een vlam die het gelaat draagt, dit hypostatisch concentraat van het wezen, en dit gelaat is “ek-stase” van de persoon. De oren en de mond zijn gereduceerd en als geïnterioriseerd, het voorhoofd verwijdt en lichtend, de hals, vooral bij Christus, opgezwollen door de levenschenkende Adem. Het gelaat, zoals na Plotinus de heilige Makarios de Grote zegt wordt “één en al ogen”, de voorstelling is frontaal (of drie vierden indien het voorgestelde personnage zelf naar Christus is gekeerd). Men moet deze frontale positie benadrukken alsook het belang van de blik. Wanneer ik iemand zie, datgene ik zie, is dat ik eerst en vooral gezien word. Ik zie dat ik gezien word. Ik blijf niet staan bij het aspect van een gelaat, zoniet ontglipt mij de andere, wordt hij voorwerp, en ik trek mij terug indien ik voel dat de blik van de ander mij objectiveert. Ik zoek de ontmoeting van de blikken. In het zichtbare is het onzichtbare dat mij aantrekt. Een heilige echter, omdat hij “zuiver gebed” is, is zuiver ontvankelijkheid. Het is niet enkel zijn blik, maar zijn ganse gelaat, zijn ganse aanwezigheid die transparant zijn aan het onzichtbare van God. Wanneer ik een icoon bekijk, dan gaat mijn blik van proskinisis, van verering, door de meditatie van een persoonlijke aanwezigheid, van het zichtbare naar het onzichtbare. Door de meditatie van een persoonlijke aanwezigheid, vervul ik een paas-acte (pasen komt van pesah, wat doortocht betekent). De icoon leidt mij van het zichtbare van Christus naar het onzichtbare van zijn goddelijkheid, van het zichtbare van de heilige naar het onzichtbare van de Geest.

    “Telkenmale we de voorstelling van het beeld zien (van Christus, de Moeder van God of van de heiligen)” zegt het decreet van het 7de Concilie, “telkenmale worden we bij het beschouwen uitgenodigd om ons de prototypes te herinneren (…) want de eer die men betuigt aan het beeld gaat naar zijn prototype“, en het ulitiem prototype, gezien de mens naar het beeld is van God, is steeds God geopenbaard in zijn Christus en gecommuniceerd in zijn Geest.

De icoon en de persoon

    De Kerk heeft, om kortaf te maken met de beschuldigingen en de verwarringen van de iconoclasten, alsook met het overdrijven van zekere orthodoxen, met klem onderlijnd dat de icoon niet eenwezenlijk is met zijn prototype : de icoon van Christus is geen dubbel gebruik met de eucharistie, zij schetst het visioen van gelaat tot gelaat. De icoon doet een persoon, een persoonlijke aanwezigheid welke zuivere communio geworden is, ontspringen. Opening op het Koninkrijk dat komt, de icoon, als parousie van de persoon, suggereert het ware gelaat van de mens, zijn gelaat van eeuwigheid welke de goddelijke aantrekking doet opstijgen uit het hart, uit een nederig en zacht hart. De icoon vereist dus een getrouwe gelijkenis, niet volgens het portret maar getransfigureerd. Vandaar de betekenisvolle legenden van het Heilig Gelaat “niet door handen gemaakt”, resultaat van de bedrukking van het gelaat van Christus op een doek gezonden naar de koning van Edessa (in het Westen is het de legende van de Veronica en misschien de zeer reële bedrukking op de lijkwaade van Turijn). Of op de eerste icoon van de Maagd, welke de Heilige Lucas zou geschilderd hebben. De Kerk heeft op zorgvuldige wijze bewaard en bewaart nog steeds de gedachtenis van het gelaat van Christus, van zijn Moeder, van de heiligen, en deze gedachtenis hernieuwt en bevestigt zich van generatie op generatie, door het visioen van de grote spirituelen. Wanneer men aan Bernadette een verzameling afbeeldingen toonde van de Maagd om ze in zekere zin te identificeren met de Verschijning, dan wees zij zonder twijfelen de reproductie aan van een byzantijnse icoon uit de XIde eeuw!

De kunst van de icoon

     De iconenkunst vereist dus van de kunstenaar een dubbele inspanning van objectiviteit en communio. Hij moet geen individueel fantasme uitdrukken, maar wel de objectiviteit van een gelijkenis; maar deze objecitviteit moet er één zijn van een persoonlijke aanwezigheid en levert zich af in een door ascese en gebed voorbereide ontmoeting; deze objectiviteit, of eerder deze trans-subjectiviteit wordt slechts bekomen in de gemeenschap met de heiligen. De kunstenaar moet zich dus, door een waarachtig overstijgen van zijn gesloten (en amorfe) subjectiviteit, onderwerpen aan zekere canons die toelaten dat het werk trouw is aan zijn object. Bevrijdende onderwerping : het genie heeft er niets te verliezen, enkel het narcisme is gekruisigd.

    Indien het voor de menselijke kunst mogelijk is om, doorheen mensen die een persoonlijke en geheiligde aanwezigheid zijn, de heiliging van de materie te suggereren, dan is het omdat dit bereikt werd, en heimelijk getransfigureerd door de Menswording en Pasen. De iconenkunst gebruikt en manifesteert, in zekere zin, deze transfiguratie van de materie : “Ik vereer niet de materie, schreef de heilige Johannes van Damascus, maar ik vereer de Schepper van de materie die voor mij materie werd (…) en die, door de materie mijn heil bewerkstelligt” (op. cit. PG94, 1245). De bruine kleur van het gelaat en het lichaam op de iconen, die de “gele” kleur (maar geenszins ziekelijk) van de grote asceten benadrukt, is de kleur van de getransfigureerde aarde.

     Het is echter overduidelijk dat het voorstellen van een transfigurerende glorie enkel symbolisch kan zijn. Maar het is de onherleidbare oorsprong van een eigen christelijke kunst waarbij het symbool zich ten dienste stelt van het menselijk gelaat en dient om de volheid van het persoonlijk bestaan in communio uit te drukken. De hindoese mandala is het geometrisch symbool van een resorptie in het centrum. De analoge symbolen die we in de orthodoxe kunst zouden kunnen vinden, de cirkel van de transcendentie bevoorbeeld, met een soort van ster, in de icoon van de Transfiguratie, of, gewoonweg, een vierkant schip met een koepel erboven, hebben geen ander doel dan de betekenis en de uitstraling van een persoonlijke aanwezigheid te tonen, Christus in het thaborische licht, of de Pantokrator.

    Het Quinisextus Concilie (692) heeft gevraagd dat, in de meeste gevallen, de tekenen van de eerste christelijke kunst – zoals het Lam – vervangen zouden worden door de onmiddellijke voorstelling van het geen zij voorafbeelden : het stralend menselijk gelaat van de glorie van God, en vooreerst het gelaat van Christus. Het waarachtig symbolisme van de christelijke kunst verschijnt van meet af aan als het middel om de menselijke persoon voor te stellen (wanneer het gaat over de Maagd en de heiligen) in het perspectief van het Koninkrijk. De icoon toont deze persoonlijke aanwezigheid, en de ganse kosmische ambiance erom heen, gebaad door de goddelijke vrede en het goddelijk licht, het “licht van het leven”. De lichamen en de klederen zijn verlicht door fijne gouden draden. Dieren, planten en rotsen zijn gestyleerd naar een soort van paradijslijke noodzakelijkheid; de bouwkunsten worden een surrealistisch spel, een evangelische uitdaging op de zwaartekracht van deze wereld.

     Het hemels Jeruzalem, dit wil zeggen het getransfigureerd universum welke de icoon suggereert, “heeft noch de zon, noch de maan nodig, het is de glorie van God die het verlicht” (Apoc. 21,23). In de icoon komt het licht niet voort uit een preciese brandpunt, het is overal zonder schaduw te projecteren : het is de achtergrond zelf van de icoon die de iconografen “licht” noemen. Alles lijkt innerlijk zonovergoten te zijn. Het weigeren van de schaduw, te weten van de uiterlijkheid van het licht, verklaart het zeer schaarse gebruik in deze kunst niet van beeldhouwwerk als dusdanig, maar eerder van het vrijstaand beeldhouwwerk. Het gebeurt zelfs dat, in de icoon, het perspectief omgekeerd is : de lijnen convergeren dan niet in een “vluchtpunt” waar de gevallen ruimte zich sluit, en die scheidt en gevangen neemt, zij verbreden in het licht, “van glorie tot glorie”.

    De icoon heeft niet enkel een pedagogische waarde (“de Bijbel van de ongeletterden” zei men in het Westen) maar een eigen mysterieke waarde, quasi-sacramenteel, bezegeld door een plechtige zegening van de Kerk. Zij toont de geheiligde persoon als sacrament van goddelijke schoonheid.

 

+

+++

+

     De iconenkunst overstijgt de tegenstelling onderlijnd door André Malraux, tussen de kunsten van de niet-christelijke “oosterse tradities”, getuigen van een onpersoonlijke eeuwigheid, en dezen van het moderne Westen, overgeleverd aan de angsten, aan de opzoekingen, aan het geheim van het individu. Het is in het onuitputtelijke van de persoon dat de icoon een eeuwigheid (in de betekenis van een epifanie) aanduidt, of eerder manifesteert, die niet fusie maar communio is : deelname aan het leven van de Drie-Eenheid. Deze kunst is, voor de rest, niet ongekend door het Westen : denken we hierbij aan de preromaanse en romaanse kunsten, aan de ottoonse kunst, aan deze van de Trecento, aan sommige gelaten van Memling, of van Rouault, aan sommige etsen van Rembrandt…

    Op een ander niveau, waar figuratieve en non-figuratieve kunst tegenover elkaar staan, verschijnt de icoon als een andere mogelijkheid – deze van een trans-figuratieve kunst. Zij abstraheert, maar het is niet om uit te monden op de spelletjes van het toeval en van de subjectiviteit, maar om uit het vlees-voor-de-dood (in paulinische zin) die de individualiteit verzwelgt, de pneumatische lichaamlijkheid te trekken, opgenomen en verlicht door de hypostasis. De abstrahering mondt op deze wijze uit op de hoogste realiteit, de figuratie opent zich op het bovennatuurlijke van de figuratie. In de oude traditie wordt de iconograaf niet gedefinieerd als een schilder, maar als een “hagiograaf”, als diegene die door de verf, “de heiligheid schrijft”.

     De icoon opent zo voor de theologie een ander perspectief dan deze van het concept. Vandaar haar belang in de huidige crisis van de taal. De God van de icoon is tegelijk de Ontoegankelijke en diegene die, uit liefde, zich maakte tot gelaat en ons toelaat de andere te kennen als gelaat. Diegene die zich openbaart in de schoonheid, een schoonheid boven het Kruis uit, doorheen het Kruis, een schoonheid onafscheidelijk van de vergeving, het onthaal, de ongeïnteresseerde liefde.

     Het laatste boek van de Bijbel is de Apocalyps. Apocalyps betekent eigenlijk de openbaring. De Bijbel en, er doorheen, het ganse kosmische proces en de ganse geschiedenis van de mensheid, eindigen in de apocalyps van de gelaten, in de zekerheid dat elke mens, nu, de “plaats van God” is, en geroepen is om – icoon – te worden.

 

De heilige Marcella

Heiligenleven

 

 De heilige Marcella

 Markella heilige.jpg

De heilige Marcella werd reeds zeven maanden na haar huwelijk weduwe. Ofschoon de consul van Rome haar tot zijn vrouw wilde maken en haar op alle mogelijke wijzen zocht over te halen, wilde zij geen tweede huwelijk sluiten, maar de rest van haar dagen aan God wijden. Haar voorbeeld waren de grote kluizenaars uit het Oosten. Zij droeg grove kledij, at nooit meer vlees en dronk geen wijn, en betrachtte de uiterste voorzichtigheid in de omgang met mannen.

Haar levenswijze trok andere jonge vrouwen aan, en zo ontstonden in Rome de eerste vrouwengemeenschappen, voor wie de heilige Hiëronimos de raadsheer was. Ook vanuit Bethlehem stuurde hij haar brieven, waarvan verschillende bewaard zijn gebleven.

Onder Alarik veroverden de Gothen de eeuwige stad en plunderden die in 410. Marcella werd met de zweep afgeranseld om haar te dwingen haar schatten die ze wel verborgen moest hebben, prijs te geven, want de soldaten begrepen niet dat zij alles aan de armen had weggeschonken. Toen zij hen echter op de knieën smeekte haar dochter te sparen, kregen de barbaren medelijden, en zij brachten de twee vrouwen in de grote Pauloskerk, die evenals die van de heilige Petros, tot asielplaats was verklaard door Alberik. Zo kon haar dochter het beleg overleven, maar Marcella overleed nog in hetzelfde jaar ten gevolge van de doorstane mishandelingen.

Uit: Heiligenleven voor elke dag. Uitg.Orth.klooster – Den Haag

Turkije erkent oecumenisch patriarchaat

Turkije erkent oecumenisch patriarchaat
donderdag 02 december 2010 17:16

 

Het orthodoxe oecumenische patriarchaat van Constantinopel (Istanboel) vierde dinsdag 30 november zijn belangrijkste feestdag. 30 november is het feest van Sint-Andreas de patroon van Constantinopel. Meer er was nog een andere reden tot feest: de juridische strijd met Turkije over het weeshuis Buyukada werd beëindigd. Patriarch Bartholomeus uitte zijn grote vreugde bij de ontmoeting met een Vaticaanse delegatie die onder leiding van de president van de Pauselijke Raad voor de Christelijke Eenheid Kurt Koch, op bezoek was.

“Vandaag is een grote dag voor onze Grote Moederkerk,” zei Bartholomeus. “Het weeshuis op Princes Eiland (Buyukada) is aan ons teruggegeven. Wat wij van onze voorvaderen geërfd hadden, is ook teruggegeven. We konden de onrechtvaardige situatie tot nu toe niet tolereren. Daarom hebben we ons eerst tot Turkse rechtbanken gewend. Omdat we alle onze zaken verloren, hebben we ons vervolgens gewend tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg, dat ons recht verschafte.” De consequenties van de teruggave van het ‘Tapu’ (eigendomsakte) aan het patriarchaat zijn verstrekkend. “De Turkse regering tekende geen protest aan tegen de uitspraak van de rechter, maar startte in plaats daarvan de procedure voor teruggave van het weeshuis,” aldus de patriarch. “Ik wil benadrukken dat de Turkse autoriteiten bij deze kwestie ons hebben aangeduid als Rum Patrikanesi. Dit betekent dat wij niet alleen het weeshuis terugkrijgen, maar ook de officiële erkenning van ons patriarchaat als een rechtspersoon. Een positieve stap.” “Deze strijd leert ons nooit onze spirituele wapens neer te leggen en altijd te vertrouwen op Goddelijke Voorzienigheid, die weet wanneer en hoe menselijke obstakels en zwakheid overwonnen kunnen worden,” legde Bartholomeus uit.

Rechten uitgebreid

Ioannis Ktistakis, een van de advocaten die het patriarchaat vertegenwoordigde, sprak over de zaal met AsiaNews nadat de Oecumenische patriarch de tapu ontvangen had. “Wij vochten,” zo zei hij, “voor het opnieuw vestigen van onze burgerrechten in Turkije. Het ging op de eerste plaats om rechten en pas op de tweede plaats om eigendomsrechten.” De uitkomst van de rechtszaak betekent nu dat althans de rechten van de Oecumenisch Orthodoxe Kerk fors uitgebreid zijn. (AsiaNews)

Uit : Kerk in Nood

28e zondag na Pinksteren,11e na de Kruisverheffing

28e zondag na Pinksteren,11e na de Kruisverheffing

“De parabel van de genodigden

         

 

 

 

 

 

 

 

genodigden.jpg

 

 

LEZINGEN

Col.1,12-18:

Breng dus met vreugde dank aan de Vader. Hij stelt u in staat om te delen in de erfenis die alle heiligen wacht in het licht. Hij heeft ons gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden.

Beeld van God, de onzichtbare, is hij,

eerstgeborene van heel de schepping:

 in hem is alles geschapen,

alles in de hemel en alles op aarde,

het zichtbare en het onzichtbare,

vorsten en heersers, machten en krachten,

alles is door hem en voor hem geschapen.

 Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem.

 Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk.

Oorsprong is hij,

eerstgeborene van de doden,

om in alles de eerste te zijn:

Evangelie :

Lucas 14,16-24 :

 Jezus vervolgde: ‘Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit.  Toen het tijd was voor het feestmaal, stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om tegen hen te zeggen: “Kom, want alles is klaar.”  Maar een voor een begonnen ze zich te verontschuldigen. De eerste zei: “Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken. Tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.”  En een ander zei: “Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga ze keuren; tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.”  Weer een ander zei: “Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.”  Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn heer verslag uit. De heer des huizes ontstak in woede en zei tegen zijn dienaar: “Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen.” Toen de dienaar hem kwam melden: “Heer, wat u hebt opgedragen is gebeurd, en nog is er plaats,”  zei de heer tegen hem: “Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad en nodig iedereen met klem uit, want mijn huis moet vol zijn.  Ik zeg jullie: niemand van degenen die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven.”’

De heilige Agnes

Heiligenleven

De heilige Agnes

 

Agnes (304) van Rome.jpg

 

Heilige Agnes

De heilige Agnes is de beroemste van alle romeinse martelaressen. Als meisje van nog geen 13 jaar (officieel de huwbare leeftijd) moest zij reeds voor de rechter verschijnen omdat zij aangeklaagd was als christin, nadat zij de zoon van de prefect, die haar als vrouw begeerde, had geweigerd. De rechter, die meende zulk een kind gemakkelijk te kunnen intimideren, moest woedend ervaren dat zijn barsheid geen indruk op haar maakte. In zijn woede liet hij haar op verschillende wijzen folteren maar Agnes bleef standvastig. De beul die haar tenslotte onthoofden moest, was zelf zo ontroerd dat zijn zwaardhouw voldoende kracht miste. Zo bellef Agnes stervend nog drie dagen liggen totdat de dood zich over haar ontfermde op deze dag in 304.

Reeds in 350 werd een kerk gebouwd tot haar eer en alle oude kerkelijke schrijvers hebben haar lof bezongen.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth.klooster-Den Haag

De orthodoxe Kerk tegenover de uitdagingen van vernieuwing en hervorming

De Orthodoxe Kerk tegenover 

de uitdagingen van vernieuwing en hervorming

Pantelis Kalaïtzidis

De hierna volgende tekst was (in verkorte vorm) te horen in het kader van de internationale conferentie Religions and Reform, georganiseerd door de Konrad-Adenauer-Stiftung en het Royal Institute for Interfaith-Studies, in Jordanië, op 29 en 30 januari 2007. Auteur is de orthodoxe theoloog Pantelis Kalaïtzidis, die filosofie studeerde aan de Université Paris-Sorbonne en directeur is van de Academie voor Theologische Studies in het Griekse Volos. We publiceren, in vier afleveringen, de integrale neerslag van deze uiteenzetting, verschenen in het tijdschrift Contacts n°  223

De orthodoxe kerk wil graag trouw zijn aan de apostolische en patristische traditie. Ze bevindt zich in de ononderbroken continuïteit van de primitieve kerk. Het criterium van de patristische theologie bepaalt in hoge mate haar theologische denken en haar zending in de wereld. Ze herinnert er ook voortdurend aan dat ze noch de letter noch de geest van de traditie heeft verdraaid of veranderd. Ze heeft deze traditie geërfd van de zeven oecumenische concilies in het eerste millennium of van de traditie van de Vaders uit de onverdeelde kerk. Behalve deze nadruk op de traditie herinnert de orthodoxe kerk er voortdurend aan dat ze “de Kerk van de Heilige Geest” is. De Kerk die meer dan een ander de juiste plaats van de derde persoon van de Drie-Eenheid heeft bewaard (met alles wat dit impliceert voor de ecclesiologie, de canonische structuur en de kwestie van de eenheid); de Kerk die de vernieuwende bezieling van de Trooster heeft kunnen bewaren, alsook de charismatische dimensie van het kerkelijke leven.

Geografisch en cultureel gezien vinden we de orthodoxe kerk voornamelijk terug in de grensgebieden tussen Oost en West. De meest betrouwbare berekeningen schatten het aantal gelovigen rond de 180 à 200 miljoen wereldwijd. De meerderheid daarvan is nog steeds geconcentreerd in de traditionele, orthodoxe gebieden, namelijk het Nabije en het Midden-Oosten, de Balkan, het zuidoosten en het oosten van Europa. Anderen zijn verspreid over de orthodoxe diaspora in Noord-Amerika (de Verenigde Staten en Canada), Australië, Centraal- en West-Europa. Bovendien zijn er behalve de gelovigen  afkomstig uit traditionele orthodoxe families, steeds meer bekeerlingen: westerlingen die zijn toegetreden tot de orthodoxe kerk ten gevolge van een persoonlijke keuze en niet door hun geboorte of omdat ze tot een bepaalde natie, cultuur of identiteit behoren.

I. Traditie, vernieuwing en hervorming

Door het accent te leggen op o.m. het begrip traditie en de daaraan verbonden trouw, maakt de orthodoxe kerk aanspraak op christelijke katholiciteit en universaliteit;  ze omschrijft zichzelf als de Kerk die de volheid van het geloof en de waarheid behoedt. Maar blijkbaar heeft het belang van het begrip traditie, gecombineerd met historische factoren – namelijk het einde van het oosterse christendom en zijn onderwerping (vijf eeuwen lang) aan het Turks-Ottomaanse gezag – ertoe geleid dat termen als hervorming, herziening, evolutie en innovatie taboe zijn geworden. Ondanks de pneumatologische dimensie die duidelijk haar stempel heeft gedrukt – en dat nog steeds doet – op de orthodoxe kerk, zijn deze termen bijna verboden, of lijken ze in ieder geval problematisch voor en vreemd aan de orthodoxe traditie en spiritualiteit. Wanneer bepaalde protestantse kerken vandaag nog steeds lijden aan een bepaald fundamentalisme van de Bijbel of van de bijbelse letter, dan bevindt de orthodoxe kerk zich vaak verstrikt en geblokkeerd in een “fundamentalisme van de traditie”, wat in de praktijk haar pneumatologische en charismatische dimensie in de weg staat. Het verhindert haar om deel te nemen aan de moderne wereld en om haar creatieve vermogens en charisma’s in het heden te ontplooien.

Nochtans vinden we in de loop van de geschiedenis van de orthodoxe kerk talrijke momenten terug van beslissende veranderingen en evoluties, of nog van herinterpretaties en herformuleringen die tot een goed einde werden gebracht en die contrasteren met het huidige immobilisme. In onze ogen moeten deze momenten beschouwd worden als het natuurlijke uitvloeisel, het verlengstuk van de theologie van de Menswording en van de pneumatologie; ze moeten dus gezien worden als het permanente, door de Kerk beleefde Pinksteren, of nog als een gevolg van haar engagement in de wereld. Zo worden we er terecht aan herinnerd dat, “wanneer we geloven dat de Heilige Geest nooit heeft opgehouden in de Kerk werkzaam te zijn, de roep tot hervorming en vernieuwing in de Kerk altijd gegrond is” (L.J. Patsavos). Deze visie geeft aan de voortgang van de Kerk in de wereld zijn historische dimensie en zijn eschatologische finaliteit.

Wanneer we dit pneumatologische en eschatologische gezichtspunt volgen – het sluit aan bij een breder perspectief dat ons geopend is door de Menswording en de godmenselijkheid van Christus – dan kan er in de schoot van de orthodoxe kerk ruimte ontstaan voor hervormingen. Zeker wanneer we ons herinneren dat deze hervormingen niet de kern van het geloof aantasten en niets te maken hebben met de fundamentele leerstellingen, zoals de triadologie en de christologie. Hervormingen behoren tot het domein van het tijdelijke en hebben vooral betrekking op praktische, morele, canonische of liturgische kwesties. Zoals vader Nicolas Afanassieff, de grote orthodoxe theoloog en canonist, duidelijk zegt over de canons van de kerk: zij zijn tijdelijke uitdrukkingwijzen van eeuwige waarheden. Dit impliceert dat naast de onveranderlijke en eeuwige waarheden (zoals de fundamentele leerstellingen), die niet kunnen worden veranderd of gewijzigd naargelang de tijd, de periode, de culturele context, enz., er ook de tijdelijke uitdrukking en de historische toepassing van deze waarheden zijn, die onderhevig zijn aan veranderingen, wijzigingen of hervormingen. Met andere woorden, hervormingen vertrekken vaak van pogingen tot formuleringen en herformuleringen van het “hoe” van de waarheid, waarbij de kern van de waarheid onaangeroerd blijft. Hervormingen gaan over het begrip en de interpretatie van de waarheid, de actualisering of aanpassing op een bepaalde plaats en op een bepaald tijdstip van de eeuwige waarheid, van de christelijke “enhypo-statische”waarheid, en niet van het wezen zelf van deze waarheid. Met uitzondering dus van de triadologische en christologische leer – de kern van het kerkelijke geloof dat nooit het voorwerp kan zijn van enige hervorming – lijkt ons dat voor de rest elke discussie toegelaten is, soms zelfs wenselijk. Merken we in dit verband op dat tijdens het eerste millennium alle oecumenische concilies van de onverdeelde kerk uiteindelijk betrekking hebben op kwesties die in hoofdzaak triadologisch of christologisch zijn; ze hebben het christelijke geloof vormgegeven en het katholieke geloof afgebakend, de volheid van het geloof geplaatst tegenover de gedeeltelijke aanvaarding ervan – de ketterij. Wanneer we deze stelling in een oecumenisch perspectief doorzetten, dan zouden we kunnen stellen dat, met uitzondering van de triadologie en de christologie die de basis zelf van het christelijke geloof en de christelijke praxis vormen, we voor het overige vrijelijk zouden kunnen discussiëren of, naargelang de precieze context (de tijd, de ruimte, de sociale veranderingen, de nieuwe filosofische richtingen, enz.), zelfs zouden kunnen overgaan tot hervormingen, vermits deze betrekking hebben op de tijdelijke sfeer en niet op “de harde kern” van het geloof.

Deze aanvaarding van de hervorming en van wat in de kerk kan worden hervormd, onderstelt van tevoren een tegelijk positieve en kritische benadering van de contextuele theologie. Dit is bij de orthodoxen niet altijd het geval. Ongeacht enkele excessen, legt de contextuele theologie de nadruk op de nauwe band tussen de tekst en de context; ze herinnert er ons aan dat we onmogelijk theologie kunnen bedrijven op een zuiver intellectuele of academische wijze, zonder rekening te houden met de geschiedenis en de socioculturele context, met de pastorale noden en de onvermijdelijke diversiteit van de menselijke culturen en de theologische uitdrukkingsvormen. Nochtans impliceert het aanvaarden van zo’n hervorming ook een “orthodoxe” versie van het principe “Ecclesia reformata et semper reformanda”, een principe dat volgens de eminente orthodoxe historicus en theoloog Jean Meyendorff “duidelijk de protestantse benaderingswijze van de Traditie is”. Deze grond tot “permanente hervorming” van wat menselijk en tijdelijk is in de Kerk, dit principe van “de hervormde en steeds opnieuw te hervormen Kerk” dat gewoonlijk aan het protestantisme wordt toegeschreven, kan en moet door het orthodoxe christendom toegepast worden “op de zuiver menselijke elementen – en die zijn talrijk in de historische kerk”, zo zegt dezelfde theoloog. “Maar wat God ons geeft,” zo gaat hij verder, namelijk “de goddelijke aanwezigheid van zijn volheid in ons en onder ons, in de sacramenten en in de Waarheid die in de Kerk bewaard wordt door de Heilige Geest, dat staat boven elke ‘hervorming’.” Volgens het standpunt van Meyendorff vormt dit ‘maar’ het wezenlijke verschil tussen de protestantse en de orthodoxe benadering van de hervorming: eerstgenoemde beschouwt de Kerk als een volledig menselijke instelling, terwijl voor de tweede datgene wat de Kerk uitmaakt, niet menselijk is, maar eerder godmenselijk. Dit godmenselijke aspect mag niet tot het onzichtbare worden herleid: het is zichtbaar en historisch, net als de Godmens die een zichtbare en historische persoon was. Volgens Meyendorff schuilt er achter deze verschillende benadering van de hervorming een fundamenteel theologisch verschil, dat teruggaat op de overheersing van het augustinisme in het hele (katholieke, maar ook protestantse) Westen. Dit heersende augustinisme heeft vanwege zijn stelling over de identificatie van God met zijn essentie, nooit de oosterse leer van de deïficatie van de mens en zijn reële deelname aan Gods leven (via de goddelijke energieën) kunnen begrijpen en aanvaarden. Met als gevolg dat het protestantisme de gemeenschap tussen God en de mens in de Kerk heeft afgewezen, en dus ook de verering van de heiligen en het sacramentele realisme heeft verworpen.

II. Kleine geschiedenis van de herinterpretaties, herformuleringen en hervormingen in de orthodoxe kerk

 Laten we na deze elementaire preciseringen en ophelderingen, en met het oog op een theologie van de hervorming, terugkeren in de tijd naar die momenten van verandering en evolutie, van herinterpretaties en herformuleringen, die eigenlijk slechts het natuurlijke gevolg zijn van de theologie van de Menswording en de pneumatologische dimensie van de Kerk. We kunnen in het kort enkele van die grote momenten van evolutie en herformulering aanhalen, die samenvallen met de bloei van het oosterse christendom. Toentertijd hadden die momenten het effect van kleine ‘revoluties’ of kleine ‘hervormingen’, alhoewel het telkens slechts ging om herinterpretaties en herformuleringen van het oorspronkelijke gegeven of van de vroegere traditie:

 – De openheid van de primitieve kerk ten aanzien van de heidenen en meer bepaald van de Griekse wereld, zoals dit merkbaar is in o.m. de geschriften van Johannes, de theologie van de heilige Paulus of de beslissingen van het apostolische concilie van Jeruzalem in 48 n.Chr. Dit concilie heeft alle joodse vooronderstellingen (op cultureel of religieus vlak) opgeheven om zo de heidenen tot de kerk te kunnen toelaten. Het wordt overigens als het eerste concilie van de kerk beschouwd.

 – De ontmoeting of synthese tussen het christendom en het hellenisme, op een moment dat het christelijke geloof, dat aanspraak maakte op universaliteit, ertoe gebracht werd om zich uit te drukken in denkvormen ontleend aan de antieke Griekse filosofie. Hierbij probeerde de christelijke theologie, waarvan de filosofische uitgangspunten aanvankelijk onverenigbaar waren met die van het Griekse denken, een antwoord te geven op vragen die van oorsprong niet christelijk maar Grieks waren.

 – Een analoge beweging leidde van de bijbelse theologie, met haar Semitische en meer bepaald Hebreeuwse roots, naar de patristische theologie. Deze laatste werd niet enkel gevoed door het joodse denken en het evangelische woord, maar ook door de Griekse filosofie en cultuur. Aanvankelijk was de patristische theologie slechts een exegetische theologie, die vertrok van de interpretatie van de Schrifttekst, maar die tegelijk een antwoord probeerde te geven op de uitdagingen en vragen van de heidense filosofen en van het Griekse denken in het algemeen. Aldus getuigde de patristische theologie in die tijd van een aanzienlijke verandering in de wijze van interpreteren van de gewijde teksten. In sommige opzichten belichaamde zij een eerste poging tot ontmythologisering (vooral bij Origenes en Gregorius van Nyssa). Merken we op dat wanneer de Kerkvaders de Bijbel begonnen te interpreteren, zij vooral bekommerd waren om de geest van de Bijbelse teksten bloot te leggen en niet zo geïnteresseerd waren in de letter ervan. Ze deinsden er niet voor terug om gebruik te maken van alle interpretatieve en exegetische methodes die in hun tijd bekend waren, en van alle kennis die de filosofie en andere disciplines, die ze vaak jaren lang hadden bestudeerd, hun verschaft hadden. Het patristische denken kende overigens zo’n ontwikkeling, dat bepaalde theologen en patrologen – ook sommigen die zich tot de behoudsgezinde of ‘traditionele’ stroming rekenden – niet aarzelden om ten opzichte van het Bijbelse of primitief-christelijke denken, te spreken van “groei” (Gr. auksèsis). Ter verduidelijking voegden ze er echter aan toe dat “groei” hier niet betekent verbetering, rijping of vooruitgang in de openbaring van het geloof, maar de vervolmaking in Christus en door de Heilige Geest van het geestelijke leven, alsook de doctrinaire verrijking van het leven in de kerk.

 – Hoe paradoxaal het ook moge lijken, de primitieve christelijke theologie en in zekere mate ook de patristische theologie waren binnen hun specifieke context ‘modern’ avant la lettre; ze waren zelfs de voorbode van bepaalde aspecten van de westerse moderniteit. We vergeten al te gemakkelijk dat het primitieve christendom, gezien de radicale breuk die het in de christelijke gemeenschappen teweegbracht, eigenlijk een vroegtijdige vorm van ‘moderniteit’ vertegenwoordigt, die om diverse redenen – in het kader van deze uiteenzetting kunnen we hierop niet verder ingaan – haar bevrijdende werking niet heeft kunnen afmaken of realiseren: de vervanging van de abstracte metafysica door de persoonlijke ervaring en de vereniging met God; de gelijkheid van geslachten en rassen (een eerste aanzet in de richting van de bevrijding van de vrouw); de eschatologische overwinning in Christus van elke vorm van onrechtvaardigheid en scheiding; de desacralisering van de keizer en zijn gezag; de vrijmaking van de persoon van zijn religieuze onderwerping aan de stad, de staat of het gesacraliseerde gezag;  de vrijmaking van de menselijke persoon van zijn slaafse onderwerping, ditmaal op biologisch vlak, aan zijn ras, patriarchale familie, stam; de weergaloze uniciteit en de uitzonderlijke waarde van de menselijke persoon; de ontvoogding van de onderwerping aan de letter van de wet; de aanzet tot bevrijding van de voor die tijd duistere en niet opgehelderde aspecten van de biologische functies van de mens; de onttovering en desacralisering van de natuur, enz.

– De liturgische evolutie die begonnen is met gemeenschappelijke maaltijden en het eenvoudige eucharistische gebed in de eerste eeuwen van het christendom, om uit te monden in een hele reeks officies en riten. Deze ontwikkeling heeft tot het begin van de 16e eeuw voortgeduurd en wordt onder meer gekenmerkt door de overgang van een parochiale liturgische traditie naar een monastieke liturgische traditie. In wezen is hierbij het communautaire en eschatologische karakter van de cultus behouden gebleven, alsook de visie op de Eucharistie als het sacrament bij uitstek van de kerk. Dit wezenlijke sacrament van de christelijke communauteit doet de ganse biddende gemeenschap deelnemen aan de transfiguratie van de wereld en de geschiedenis, door een voorsmaak te geven van het Eschaton en te anticiperen op het Koninkrijk Gods.

 – De canonische hervormingen, vooral door het Concilie “in Trullo” (Quinisextus) in 691-692. Op basis van het hierboven vermelde onderscheid tussen de eeuwige waarheden en hun tijdelijke en historische uitdrukkingsvormen, hebben deze hervormingen niet enkel het canonische systeem van de kerk, maar ook haar ecclesiologische structuur en liturgische ordening duidelijk gewijzigd. Laten we hier opmerken dat de canonische hervormingen door het Concilie “in Trullo” een poging waren om het theologische onderricht van de kerk aan te passen aan de historische realiteit, die sinds de tijd van het primitieve christendom geëvolueerd was. Deze hervormingsactiviteit getuigt van een conciliaire creativiteit, waarbij zelfs de canonische en conciliaire decreten werden herzien of vervangen. Het probleem dat zich stelt in een tijd van conciliaire achteruitgang, zoals nu het geval is, is dat we de dialectiek tussen de eeuwige waarheden en de tijdelijke en historische uitdrukkingswijzen van deze waarheden, vergeten; we geven er de voorkeur aan deze dialectiek en het criterium van de waarheid te vervangen door de wet van de gewoonte. Het meest karakteristieke voorbeeld van deze situatie is het verplichte celibaat van de bisschoppen, dat ingevoerd werd door canon 12 van het Concilie “in Trullo”. Bijna iedereen erkent inmiddels de impasse en de ernstige problemen die deze dertien eeuwen oude hervorming met zich meebrengen. Maar de conciliaire achteruitgang die de orthodoxe kerk al lange tijd kenmerkt en de voorrang van het principe van de gewoonte op het principe van de waarheid, verhinderen elke ernstige discussie en elke beslissing om terug te keren naar de traditie en de ordening van de oude kerk.

 – De vertaling van de Bijbelse en liturgische teksten in de lokale talen, dit vanaf de eerste eeuwen van het christendom, en later, vanaf de eerste Byzantijnse missies; maar ook de verwerping van elke theorie van ‘heilige talen’, vermits de Menswording van Christus elk menselijk werk, elke plaats, elke taal en elke cultuur heeft geheiligd (en dit vele eeuwen vóór de protestantse Hervorming of, a fortiori, het Tweede Vaticaans Concilie).

 – De voorbeelden die dateren van na het primitieve christendom, zoals het onstaan van het monachisme (dat aanvankelijk wilde herinneren aan de eschatologische dimensie van het christelijke geloof en een protestbeweging was tegen het compromis van de institutionele kerk met de wereld en het gezag) en het ontstaan van de iconenverering (die de theologie van de Menswording vooronderstelt, evenals het achter zich laten van de Semitische aniconische cultus). Het is interessant erop te wijzen dat het monachisme en de iconenverering mettertijd de karakteristieke en zelfs onmisbare uitdrukkingsvormen van de orthodoxe spiritualiteit en vroomheid zijn geworden.

   Men kan natuurlijk discussiëren of redetwisten over de juistheid, de waarde en de reikwijdte van deze veranderingen en evoluties, of over hun trouw aan de apostolische traditie. Maar men kan niet ontkennen dat deze veranderingen en evoluties deel uitmaken van de geschiedenis van een kerk die haar trouw aan deze traditie hoog in het vaandel draagt, die van de traditie een beslissend, zo niet opperste criterium van haar kerkelijke leven en theologie maakt. De voorbeelden zijn beperkt – we zouden er nog vele andere kunnen aanhalen en ons bv. buigen over praktische of morele zaken, zoals echtscheiding, die al vrij vroeg werd toegelaten in de orthodoxe kerk. Maar we hebben de voorbeelden hier enkel naar voren geschoven om eraan te herinneren dat de begrippen hervorming en herziening, in de breedste zin van het woord, niet onbekend zijn in de traditie van de oosterse kerk..                      

Vertaling uit het Frans: Xavier V

Sofrony van Jeruzalem : Zalig de schoot die U heeft gedragen

H.Sofrony van Jeruzalem (?-639), monnik, bisschop
Homilie voor de Annunciatie 2 ; PG 87, 3, 3241

Sofrony van Jeruzalem.jpg

 

Sofrony van Jerusalem

 

“Zalig de schoot, die U heeft gedragen”

      “Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is met u” (Lc 1,28). Wat is er boven deze vreugde, 0 Maagd Moeder? Wat gaat er boven deze genade?… Werkelijk “u bent de gezegende onder de vrouwen” (Lc 1,42), omdat u de vloek van Eva omgevormd hebt in zegen; omdat Adam, die eerder vervloekt was, nu door u de zegen gekregen heeft.

      Werkelijk “u bent de gezegende onder de vrouwen”, omdat dankzij u, de zegen van de Vader over de mensen is gekomen en hen van de oude vloek heeft verlost.
     
      Werkelijk “u bent de gezegende onder de vrouwen”, omdat, dankzij u, uw voorouders gered zijn, want u bent het die de Verlosser gaat baren, die hen het heil zal verschaffen.

      Werkelijk “u bent de gezegende onder de vrouwen” omdat u, zonder het zaad te hebben ontvangen, deze vrucht hebt gedragen, die de gehele aarde van zegen voorzien heeft, en haar verlost van de vloek waaruit de doornen geboren worden.

      Werkelijk “u bent de gezegende onder de vrouwen”, omdat door van nature vrouw te zijn, u werkelijk de Moeder van God wordt. Want als degene die u gaat baren werkelijk de vleesgeworden God is, dan wordt u terecht Moeder van God genoemd, aangezien u in volledige waarheid God baart.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

27e zondag na Pinksteren,1Oe na de kruisverheffing

27e zondag na Pinksteren,1Oe na de Kruisverheffing

 “Genezing op de Sabbath”

 

 

 genezing opde sabbath.jpg

 

Lezingen

 Eerste lezing: Ef.6,10-17 :

De wapenrusting van God
     Ten slotte, zoek uw kracht bij de Heer en zijn almacht. Trek de wapenrusting van God aan om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel. Want onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse regionen. Grijp daarom naar de wapenrusting van God om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad en staande te blijven, strijdend tot het einde. Stel u op, de waarheid als een gordel om uw middel, de gerechtigheid als een pantser om uw borst, de ijver voor het evangelie van de vrede als schoeisel aan uw voeten. Draag steeds het schild van het geloof, waarmee u alle brandende pijlen van het kwaad kunt doven. Draag ook de helm van de redding en het zwaard van de Geest, dat wil zeggen, het woord van God.

EVANGELIE

Lucas 13,1O-17

Genezing van een kromgebogen vrouw op sabbat
     Eens gaf Hij op sabbat onderricht in een synagoge. Daar bevond zich een vrouw die al achttien jaar leed onder een geest die haar ziek maakte. Ze liep krom en was niet in staat zich op te richten. Jezus zag haar en sprak haar aan. ‘Vrouw’, zei Hij, ‘u bent van uw kwaal verlost.’ Hij legde haar de handen op en onmiddellijk rechtte ze haar rug, en ze prees God. Geërgerd, omdat Jezus op sabbat iemand genezen had, zei de voorzitter van de synagoge tegen de menigte: ‘Zes dagen zijn er om te werken. Dan kunt u komen om u te laten genezen, niet op sabbat.’ De Heer gaf hem dit antwoord: ‘Huichelaars! Ieder van u maakt toch op sabbat zijn os of ezel los van de voerbak om hem te drinken te geven? Moest deze dochter van Abraham dan op sabbat niet losgemaakt worden van de boeien waarmee de satan haar al achttien jaar geleden heeft vastgebonden?’  Toen Hij dat zei stonden al zijn tegenstanders beschaamd en verheugde de hele menigte zich over alle prachtige dingen die door Hem totstandkwamen.

 

De vrouw in de Kerk

DE VROUW IN DE KERK

 

 Op uitnodiging van de Patriarch van Roemenië had enkele jaren geleden in het monasterie van Agapia (Moldavië) een colloquium plaats over “de rol en de plaats van de vrouw in de Kerk en in de samenleving. Vrouwen, die de voornaamste patriarchaten en autokefale kerken vertegenwoordigden, namen aan de besprekingen deel. Tevens waren een aantal vrouwen, afgevaardigd door de niet-chalcedonische kerken, zoals de Armeense Kerk, de Koptische Kerk en de Kerk van India, aanwezig. Naast meer algemene vragen, zoals de plaats van de vrouw in de Kerk, het gezin en de samenleving, werden ook meer specifieke punten aangeraakt zoals het vrouwelijk diakonaat en priesterschap. Het herstel van het vrouwelijk diakonaat is thans reeds een thema van discussie in verschillende orthodoxe kerken, terwijl in de Koptische Kerk de diakonaatsfunctie reeds een feit is (150 diakonessen fungeren thans reeds in de Koptische Kerk). Het probleem van de priesterwijding van de vrouwen werd alleen gesteld in verband met het het debat dat thans omtrent deze kwestie op gang is gekomen in de niet-orthodoxe kerken van het Westen. De vergadering uitte nochtans de wens uit dat dit probleem ook door de Orthodoxe Kerk met de nodige sereniteit en theologische ernst zou onderzocht worden.

 De gekende orthodoxe theologe Elisabeth Behr-Sigel, die gedurende vele jaren docente was aan het Hoger Instituut voor Oecumenische Studies te Parijs en aan het Orthodox Theologisch Instituut St.Serge te Parijs, en die auteur is van verschillende boeken en publicaties omtrent dit onderwerp, nam aan de besprekingen actief deel. Hierna volgt daarover een relaas.

 *     *     *

 Elisabeth Behr-Sigel gaat ervan uit dat een aantal socio-culturele factoren voor gevolg hebben dat de vrouwen een niet-authentiek beeld van zichzelf en van hun vrouwzijn ervaren. Deze niet-authenticiteit belet hen bewust te worden van hun menselijke roeping en verantwoordelijkheid als volwaardige leden van het Godsvolk. De vrouwen wensen in de Kerk een werkelijk “partnership”, een effectieve verdeling der verantwoordelijkheden te bekomen. Dit vergt echter een verandering van mentaliteit bij heel wat mannen, wat dan op zijn beurt structurele veranderingen in de kerkgemeenschappen vereist, dit echter zonder dat een breuk ontstaat met de authentieke Traditie van de Kerk, wel integendeel in een geest van creatieve getrouwheid.

 De “feministische beweging” verschijnt als een teken des tijds. Dikwijls onbehendig en opzettelijk provocerend is dit teken nochtans een “dwaas geworden” christelijk idee in ons extreme Westen, dat door het nihilistisch getij overspoeld wordt. De feministische gedachte heeft in wezen haar wortels in het personalisme van het Evangelie.  “Heden na een lange periode van patriarchaat, tracht de vrouw zich te affirmeren als een volledige menselijke persoon, als een vrij en verantwoordelijk subject. Dit is de werking van het evangelisch ferment, dat zich eindelijk vrijmaakt van de oude heidense structuren.”  (vrij vertaald uit : Olivier Clément :”Questions sur l’homme”, p.115)

  Deze aspiraties van de vrouwen interpelleren de christelijke gemeenschappen. De vraag rijst echter of het specifiek vrouwelijke de gelijkstelling met de man in de orde der waardigheid werkelijk toelaat. De bittere constatatie dat deze gelijkstelling niet vanzelfsprekend is , veroorzaakt bij de vrouwen een  diepe identiteitscrisis. In een wereld, gedomineerd door geperverteerde mannelijke waarden, komen de vrouwen ertoe hun eigen diepste wezen te verloochenen.  Wie ben ik ?  Wie zijn wij ? Waar bevindt zich onze voltooing ? Mannen en vrouwen stellen zich beangstigd deze vragen. De menswetenschappen kunnen weliswaar met luciditeit vaststellen “wat is”, doch ze kunnen “de zin” niet verklaren, noch de menselijke hoop orienteren. Het antwoord op die vragen zou kunnen liggen “binnen het bereik der interiorisering van de Openbaring”.

  Een creatieve orthodoxe theologie, die van het mysterie van de Drie-Eenheid zou uitgaan, en die er tevens de anthropologische implicaties zou van onthullen, zou de mens – man en vrouw  – uit de impasse van het blind nihilisme kunnen halen.

  En in Drie verschillende Personen, van dezelfde natuur en waardigheid, steeds samen handelend in de wereld, doch elk –  de Schepper, de Verlosser, de Trooster  – zijnde volgens hun eigen zending, volgens hun eigen modaliteit, manifesteren het samenvallen van de Eenheid en de Verscheidenheid  .  Dit is de Drie-Eenheid, naar wiens beeld de mensheid als één en tevens multipel, als man en vrouw  , geschapen is om de aarde te beheersen. Deze eenheid werd door de zonde ontwricht, doch in Christus hersteld (Gal. 3,27-28) in de Kerk, die Zijn Lichaam is, waar man en vrouw geroepen zijn om zichzelf te ontplooien volgens verschillende modaliteiten, doch de ene met   de andere, door  de andere in wederzijdse liefde, en samen gericht naar de Derde  , God (Ef. 5,25-33)  

   Deze orthodoxe visie, gevoed aan de bron van de Liturgie werd in onze tijd ontwikkeld in het werk van Paul Evdokimov, in zijn diepzinnige theologie van het huwelijk. Zou thans niet “een meer globale reflectie” dienen ontwikkeld te worden over de taak van man en vrouw , die samen de verantwoordelijkheid van hun koninklijk priesterschap binnen de Kerk en de wereld assumeren ?  Is het in de huidige verwarring der geesten niet de opdracht van de Kerk om een nieuwe stijl en nieuwe modellen van samenwerking tussen man en vrouw te ontwerpen ?

 *     *     *

   De concrete situatie in de Kerk is thans zo, dat de vrouwen zelfs de lagere wijdingen van lector en acoliet niet kunnen ontvangen, al is men in de praktijk niet zo streng. Nochtans is het wenselijk dat de vrouwen op alle niveau’s zouden participeren aan de verantwoordelijkheden van het Godsvolk, dit zowel op het liturgisch vlak der catechese als in het theologisch onderzoek, het parochiaal beleid en in ruimere conciliaire vergaderingen, en uiteindelijk ook op het domein van de profetische getuigenis in de wereld.

   Blijft dan het cruciaal probleem van de wijding van vrouwen tot de verschillende graden van het ministerieel priesterschap of tot een bepaald kerkelijk ministerie, zoals het vrouwelijk diakonaat, dat vroeger in de Kerk bestaan heeft.

  De dramatisering van het probleem is echter de uiting van een clerikale geest, die vreemd is aan de Orthodoxie. De orthodoxe leek beleeft inderdaad zijn lekenstaat niet als een ondergeschikte conditie. Tussen de priester en hem is er verschil van roeping en diakonie, van chrisma, maar er is geen radikaal ontologisch  verschil . Allen – man en vrouw  – participeren actief aan de Liturgie, hetgeen echter niet wegneemt dat het probleem van het vrouwelijk priesterschap gesteld wordt en dat van de Kerk een ernstig gefundeerd antwoord verwacht wordt.

   Tot op heden hebben de orthodoxe instanties de wijding van vrouwen tot het priesterschap beslist afgewezen, op gronden die niet steeds even relevant zijn. Het ernstigste argument lijkt wel verband te houden met het iconisch karakter  van het priesterlijk ambt in de orthodoxe eredienst. In de eucharistische vergadering vertegenwoordigt, of beter, stelt de bisschop of de priester Christus present , Christus, het mensgeworden Woord, die de menselijke natuur integraal aangenomen heeft, doch volgens haar mannelijke modaliteit  . Tussen het mannelijke van het Woord, dat “schept en ordent”, evenals tussen de Geest, die “bijstaat en inspireert” en het vrouwelijke, ontwaart men mysterieuse analogieën. Dit is een aanwijzing, bevestigd trouwens door een constante traditie, die zomaar niet over het hoofd kan worden gezien.

   Anders is het gesteld met het vrouwelijk diakonaat. Het bestaan van diakonessen in de primitieve Kerk staat duidelijk vast (Rom. 6,1). Moeilijker is echter de juiste functies van dit ambt te bepalen.

   Het staat buiten kijf dat in de eerste christelijke communauteiten vrouwen in het openbaar optraden bij het gebed en het profetiseren  . Verder bestonden diakonessen in de byzantijnse traditie. Men kent hun wijdingsritus zoals deze te Constantinopel gebruikelijk was, namelijk tijdens de Liturgie door handoplegging en het aandoen van het orarion  (de diakenstola). De byzantijnse diakonessen communiceerden aan het altaar zoals de priesters en diakens, en vervulden liturgische, catechetische,  pastorale en creatieve taken. Vanaf de IXde – Xde eeuw geraakte het vrouwelijk diakonaat in onbruik. Het herstel ervan werd door de Russische Kerk op de vooravond van de revolutie van 1917 overwogen. Sinds 1957 bestaat een diakonessenschool te Athene, waar een opleiding tot sociaal assistenten ten dienste van de Kerk verkregen wordt. Tot op heden echter worden zij niet gewijd! De Koptische Kerk, die thans een spiritueel “revival” kent, heeft het gewijd diakonaat  opnieuw hersteld. Het belang van dergelijk herstel bestaat hierin dat, doorheen het ambt van gewijde diakonessen een organieke band zou gelegd worden tussen het sacrament van   de Eucharistie en het sacrament van de broeder.  Aldus zou door het herstel van een specifiek diakenminister, dat niet de eerste hiërarchische graad zou zijn tot het priesterschap, een evenwicht tot stand gebracht worden tussen enerzijds de sacramentele en liturgische functie van de diaken, en anderzijds – doorheen zijn organische binding met de Eucharistie, zijn profetische uitstraling in de wereld.

 Antoine van Bruane +                             

Silouan de Athoniet : Het verlangen naar God

Het verlangen naar God

Silouan de Athoniet 

 

Silouan de athoniet3.jpg

Mijn ziel smacht naar de Heer

en onder tranen zoek ik Hem

Hoe zou ik U niet zoeken ?

Gij hebt mij het eerst gevonden

en mij laten genieten van Uw Heilige Geest

En mijn ziel kreeg U lief.

Gij, Heer, ziet mijn verdriet en mijn tranen….

Als Gij mij door Uw liefde niet had aangetrokken,

zou ik u niet zo zoeken, zoals ik U zoek;

Maar Uw Geest heeft U aan mij bekend gemaakt,

en mijn ziel verheugt zich

Omdat Gij mijn God en mijn Heer zijt,

en tot tranen toe verlang ik naar U.

Ireneüs van Lyon : De vinger Gods

H. Ireneus van Lyon (ca. 130 – ca. 208), bisschop, theoloog en martelaar
Tegen de ketterijen IV, Pr 4 ; 39, 2

Irenaeus 123.gif

 Ireneus van Lyon

De vinger van God

     

 De mens is een mengsel van ziel en vlees, een vlees dat gevormd is naar de gelijkenis van God en vormgegeven door zijn twee Handen, dat wil zeggen de Zoon en de Geest. Tegen hen heeft Hij gezegd: ” Laten we de mens maken” (Gn 1,26)…

      Maar hoe zul je op een dag vergoddelijkt worden als je nog geen mens bent geworden? Hoe kun je volmaakt zijn, terwijl je nog maar amper geschapen bent? Hoe zul je onsterfelijk zijn, terwijl je niet gehoorzaamd hebt aan je Schepper in je sterfelijke natuur?… Aangezien je het werk van God bent, wacht geduldig de Hand van jouw Pottenbakker af, die alle dingen op de juiste tijd doet. Toon Hem een soepel en volgzaam hart en bewaak de vorm die deze Pottenbakker jouw gegeven heeft, door in je het water te dragen dat van Hem komt en zonder welke je, door je te verharden, de beeltenis van zijn vingers, weg zou gooien.

      Door je door Hem te laten vormen, zul je tot aan de volmaaktheid opstijgen, want door dat kunstwerk van God wordt de klei die in je is, verstopt; zijn Hand heeft jouw substantie geschapen… Maar als je door hard te worden, zijn kunstwerk afwijst en je ontevreden toont met hetgeen waarmee Hij je mens heeft gemaakt, dan zul je door je ondankbaarheid naar God, niet alleen zijn kunstwerk, maar het leven zelf wegwerpen; want vormen is eigen aan de goedheid van God en gevormd worden is eigen aan de menselijke natuur. Als je je dus aan Hem overgeeft door Hem jouw geloof in Hem te geven en je onderwerping, dan zul je de genade van zijn beeltenis ontvangen en zul je het volmaakte werk van God zijn. Als je daarentegen weerstand biedt en uit zijn Handen wegvlucht, dan zal de oorzaak van je onvolmaaktheid in jou blijven omdat je Hem niet gehoorzaamd hebt en komt dat niet door Hem.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Vader Ignace : Het hart centrum van ons spiritueel leven

HET HART

CENTRUM VAN ONS SPIRITUEEL LEVEN

 

         Bij zijn bezoek aan onze communnauteit, wat meer dan een tiental jaren geleden, benadrukte Vader Sophrony dat “het hart” het centrum van ons spiritueel leven is, en niet het verstand, het intellect, het intellectuele, de rede… Het hart moet de rede leiden en niet omgekeerd. Iedere keuze, iedere levenskeuze die wij doen moet vanuit het hart vertrekken. Iedere wilsuiting, iedere manifestatie van onze vrije wil moet door het hart worden genspireerd. Wat meer is : alle menselijke handelingen moeten vanuit het hart uitgaan.

         Het hart is de intiemste plaats van ons bestaan, de plaats van waaruit liefde uitstraalt, de plaats waar God zich laat voelen, de plaats waarin God Zijn intrek neemt en waar God ons wil ontmoeten. Het hart is de plaats van waaruit wij kunnen bidden, waar wij de stilte kunnen vinden om het diepste van onszelf te ontdekken.

         Het “denken”, de “rede” bouwt voortdurend eigen constructies van ons aardse leven op, vaak alleen gebouwd op de grondvesten van een “wereldse logica”.

         De enige logica van het hart is de “liefde”, de liefde waarvan Apostel Paulus in zijn eerste brief aan de Korinthiërs spreekt (I Kor. 13, 1-13) : “ Al heb ik de gave der profetie,al ken ik alle geheimen en alle wetenschap, al heb ik het volmaakte geloof dat bergen verzet : als ik de liefde niet heb, ben ik niets. Al deel ik heel mijn bezit uit, al geef ik mijn lichaam prijs aan de vuurdood : als ik de liefde niet heb, baat het mij niets.

          De enige richtlijn van ons christelijk leven is deze van de “zaligsprekingen”, zoals Jezus ze ons zelf voorhield in Zijn “bergrede” (Mat.5, 1-12).  Wij zijn geroepen om het “zout der aarde” en “het licht der wereld” te zijn (Mat.5, 13-16).

          Vanuit het liefdevolle hart gaat de zachtmoedigheid uit, het geduld en de nederigheid.

          De volheid van ons kerkzijn  manifesteert zich met de woorden die ons naar de Eucharistische eenheid zullen brengen : “Laat ons elkaar beminnen om in eenheid te belijden  : de Vader, de Zoon en de Heilige Geest “.

         In zijn “onderhoud met Motovilov” zei de Heilige Serafim van Sarov : “Zo moet het in feite zijn met de goddelijke genade in het diepste van ons innerlijk,  in ons hart. De Heer heeft gezegd : “Het Koninkrijk der hemelen is binnen in u”  (Lukas 17,21). Onder dat Koninkrijk der hemelen verstaat Hij de genade van de Heilige Geest. Dat Koninkrijk Gods is nu in ons. De Heilige Geest verlicht en verwarmt ons. Hij vervult de omringende lucht met allerhande geuren, verheugt onze zinnen en doordrenkt  onze harten met een onzegbare vreugde. Onze huidige  toestand lijkt op die, waarover de Apostel Paulus zegt : “Het Koninkrijk Gods hangt niet af van spijs en drank, maar is gerechtigheid, vrede en vreugde door de Heilige Geest.” (Rom. 14,17). Ons geloof is niet gegrond op woorden van aardse wijsheid maar op de openbaring van de macht van de Geest.” (Serafim van Sarov – van Irina Gorainoff – Monastieke cahiers – Bonheiden 1977 – p. 223-224)

          En Olivier Clément schreef o.m. over de Heilige Serafim van Sarov : “Hij had de naam Serafim gekregen – diegene die van vuur is; hij hield eraan te zeggen : “God is een vuur dat verwarmt en de  harten en binnensten doet  gloeien”.  (“Le visage intérieur” – Olivier Clément – uitg.Stock 1978, p.140 – vrij vertaald)

        Wij kennen de “parabel van de zaaier”, die Jezus ons voorhield (Lukas 8,4-15). Het zaad, dit is het woord Gods, schiet geen wortels wanneer het op de weg valt, of op de rots, of tussen de distels. En de slotzin van de parabel besluit :”Het zaad in de goede aarde zijn zij, die het woord dat zij hoorden in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid.”

        Wij kennen ook de “parabel van de verloren zoon”, die wij in feite beter de “parabel van de barmhartige vader” zouden noemen (Lukas 15,11-32). Luisterend naar het verhaal zijn wij geneigd te zeggen : de verloren zoon heeft zijn ellendig leven veroorzaakt; hij moet maar de gevolgen dragen van zijn losbandigheid. De barmhartige vader echter laat alleen zijn “hart” spreken. Hij vergeet en vergeeft alles! Hij loopt zijn zoon tegemoet, zonder enige opmerking, zonder enig verwijt. Alleen zijn “hart” spreekt. Zijn “hart” leidt heel zijn geest en zijn handelen!“Zijn vader zag hem al in de verte aankomen, en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk”.  (Lukas 15,20)  De oudste zoon daarentegen, die altijd dacht de” goede” te zijn, filosofeerde met zijn vader en deed hem zelf enig verwijt. Hij voelde zich minderwaardig behandeld, en nochtans bleef hij zijn vader steeds trouw. Ook voor hem had de vader niets dan goede woorden, uitingen van een goed “hart” : “ Jongen, jij bent altijd bij mij en alles wat van mij is, is ook van jou. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was  en is teruggevonden.” (Lukas 15,31-32)

        Barm(hart)ig zijn is voortdurend het “hart” laten spreken, boven iedere logica van de rede en van het verstand. Emotioneel zijn, de diepte van de emotie aanvoelen is nooit een schande, een zwakheid, iets waarover men zich moet schamen, of iets dat men moet bekampen!… Alleen “hardvochtigheid” moeten wij bekampen en tegengaan. Een christen, die het “hart” op de rechte plaats draagt, kan of mag nooit “hardvochtig” zijn. Zelfs Jezus liet zijn “hart” op een bepaald ogenblik leiden door Zijn emoties. Zie de “Opwekking van Lazarus” (Joh.11,33-36) : “ Toen Jezus haar zag  wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij : Waar hebt gij hem neergelegd? Zij zeiden Hem : kom en zie, Heer. Jezus begon te wenen, zodat de Joden zeiden : zie eens hoe Hij van hem hield”.

        Nog te vaak wordt in onze samenleving, ten onrechte, gedacht dat een vrouw wel emoties mag hebben en mag wenen. Een man zou dit niet mogen!… En waarom niet?…Alleen een wereldse samenleving die wijzelf opgebouwd hebben duldt dit niet, heeft het woordje “hart” vervangen door “hard”! De emoties zijn de gevoelens van medeleven met diegenen die ons omringen of omringden wanneer zij thans ontslapen zijn. De emoties zijn uitingen van affectie, vreugde of verdriet, steeds uitgaande vanuit het diepste van ons hart, vanuit diezelfde plaats waar wij God mogen onthalen, ontmoeten en waar Hij aanwezig blijft.

          Zelfs in het theologisch denken waarschuwt de gekende orthodoxe theoloog Vladimir Lossky ons voor een te “cerebrale” theologie. “In een bepaalde zin is iedere theologie mystiek, voor zover zij het goddelijk mysterie en de gegevens van de openbaring manifesteert.”   En hij voegt eraan toe : “Er is dus geen christelijke mystiek zonder theologie, maar vooral is er geen theologie zonder mystiek.  Welnu iedere “mystiek” gaat uit van het “hart”, de plaats waar de persoonlijke God-menselijke relatie ontstaat en zich ontwikkelt. “De christelijke theologie is uiteindelijk altijd een middel, een geheel van kennissen , die een doel moeten dienen, dat iedere kennis overschrijdt. Dit uiteindelijk doel is de eenheid met God of de deïficatie, of de theosis van de Griekse Kerkvaders.”  ( Theologie Mystique de l’Eglise d’Orient – Vladimir Lossky – Ed.Montaigne – Aubier  1944, p.5-7)

         Tenslotte voelen wij in de hele kerkelijke benadering en beleving van de Orthodoxe Kerk hoe – totaal verschillend met de Westerse Kerken – het “hart” het uitgangspunt is van iedere relatie, en echt centraal staat! Bisschoppen, priesters, diakens en gelovigen “omhelzen” mekaar bij iedere ontmoeting. Geen “wereldse” handdruk, wel een broederlijke begroeting komende vanuit het diepste van het “hart”. Zonder woorden is reeds veel gezegd. Zonder woorden staan wij reeds heel dicht bij mekaar, op concrete wijze uiting gevend aan onze eucharistische verbondenheid, door dewelke wij broeders en zusters in Christus geworden zijn, een nog sterkere band dan deze van de fysische familieband. Wat mij dan persoonlijk steeds bijblijft is de patriarchale omhelzing die ik ooit mocht krijgen van onze Oecumenische Patriarch Bartholomeos (en voor hem van Patriarch Athenagoras), van Patriarch Alexis van Moskou, van Patriarch Teoctist van Roemenië… maar eveneens de omhelzingen met de meest eenvoudige onbekende medegelovigen, zowel hier  ter plaatse in onze kerk als in Griekenland, Rusland, Roemenië, Frankrijk, Engeland, Duitsland…of op onze orthodoxe congressen. Ieder orthodox gelovige moet beseffen dat die wederzijdse broederlijke omhelzing spiritueel heel belangrijk is.

         Maar er is nog meer : in heel het liturgisch en sacramenteel leven van de Orthodoxe Kerk ligt het spiritueel vertrekpunt in het “hart”: de vele namen die genoemd worden bij de dyptieken (voorbereidende liturgie), bij de ekteniën en bij de commemoratie door de celebrant bij de Grote Intocht, zijn opeenvolgende concrete uitingen van liefde. Alle genoemden worden liefdevol benaderd en participeren aldus met ons mee aan het liturgisch gebeuren. Wij bidden met hen en voor hen, steeds met God in ons midden. En in het sacramenteel leven van de Kerk, in de “mysteries”, laat telkens opnieuw de priester zijn “vaderlijk hart” voelen. Ieder sacramenteel handelen is een “liefdesdaad” bij uitstek, steeds bezegeld en gerealiseerd door de kracht van de Heilige Geest. Het gaat om een “goddelijke filantropie” die de bovenhand moet hebben boven de “beredeneringen, de wetten en de tijd” (“Des mystères sacramentels” – Constantin Andronikof  – Cerf, Paris 1998, p.179)

         De hedendaagse mens vergeet zo vaak zich door zijn hart te laten leiden, zijn hart te laten spreken, de stilte van zijn hart te ontdekken. En wij?…Hebben wij reeds de onschatbare rijkdom van ons hart gevonden? In ons hart  kunnen wij iedere dag God ontmoeten en liefhebben…en tot Hem spreken in het intiemste van ons gebed. Vanuit ons hart  kunnen wij allen liefhebben, die God op onze weg wist te plaatsen, op de eerste plaats onze echtgenoot of echtgenote, onze ouders, kinderen, familieleden, vrienden, de leden van onze communauteit en zovele anderen, bekenden of onbekenden, gelovigen of niet-gelovigen. Ons hart  moet zeer groot en ruim zijn om allen in onze liefde te omvatten, steeds bewust dat alleen Gods oneindige Liefde  onze povere, zwakmenselijke liefde kan voeden! God is steeds in alles en voor allen de Grote Barmhartige Daarom moeten wij eveneens onvermoeibaar barmhartig  zijn, vervuld door de kracht van de Heilige Geest.

 Vader Ignace