De heilige Johannes van de ladder

 De heilige Johannes van de ladder

 

 

 

 

Johannes climacos235.jpg

 

 

Georges Florovski (1)

 

“De stroom van uw tranen heeft de onvruchtbare woestijn doen bloeien,

en door uw zichten uit de diepte heeft uw arbeid honderdvoudig vrucht gedragen.

Zo zijt gij, onze heilige Vader Johannes, een ster geworden,

die heel de wereld verlicht door uw wonderen.

Bid tot Christus, onze God, om onze zielen te redden”

(troparion in toon 8)

 

1. zijn leven

 

Men kan het leven van de heilige Johannes van de ladder een lofzang noemen. We kunnen hem typeren als een man van gebed en beschouwing. “Want Johannes was genaderd tot de geheime berg waartoe de niet-ingewijden geen toegang hebben, en opgevoed in de stadia van het geestelijke leven, had hij het visioen (van God) en de door Hem geschreven wet ontvangen.” Hij is een soort nieuw gemanifesteerde Mozes. Men weet weinig over zijn leven. Alles wijst er op dat hij gestorven is in het midden van de VIIde eeuw. Hij kwam zeer jong toe in de Sinaï en bleef er gans zijn leven. Hij was er gedurende vele jaren in de leer bij een geestelijke vader. Na diens dood leefde Johannes als kluizenaar in een niet zo verafgelegen maar wel eenzame grot. Hij was reeds hoog bejaard toen hij tot higoumen van het klooster werd verkozen. Hij was dit voor korte tijd en keerde terug naar het kluizenaarsleven(2)

 

1. De Ladder van de heilige Johannes Climacos

 Toen hij kloosteroverste was schreef hij zijn Ladder, “een boek dat genoemd wordt: de tafels van de spirituele weg”, “voor de opbouw van de nieuwe Israëlieten, te weten de nieuwkomers die het spirituele Egypte en de oceaan van het bestaan hadden verlaten”. Het is een systematische beschrijving van de normale monastieke weg, volgens de stadia van de spirituele volmaaktheid. Fundamenteel hierin is precies het systeem: de idee van een logische en regelmatige voortgang in de ascetische strijd. De Ladder is geschreven in een eenvoudige, bijna volkse taal. De auteur houdt van vergelijkingen aan het dagelijkse leven ontleend, hij houdt van spreuken en gezegden. Hij schrijft zijn persoonlijke ervaring neer. Toch blijft hij steeds steunen op de traditie, op het onderricht van de “door God geïnspireerde vaders”. Hij refereert naar de vaders uit Kappadocië, naar Nilus en Evagrius, naar de Apoftegmata en naar een Cassianus en een Gregorius de Grote in het Westen. De Ladder eindigt met een “Brief aan de herder” waar Johannes het heeft over de plichten van de kloosteroverste.

 De Ladder is het te lezen boek bij uitstek en dit niet enkel in de kloosters. Het bewijs is het grote aantal kopijen in oost en in west.

 Het plan van het boek is zeer eenvoudig. Het is bepaald door de logica van het hart, eerder dan door de logica van de geest (verstand). De praktische raadgevingen worden gestaafd door de psychologische analyse. Elke vereiste moet worden uitgelegd. Dit betekent dat hij die de ascese beoefent duidelijk moet weten waarom deze of gene vereiste hem aangereikt wordt en waarom dat in deze logische volgorde gebeurt. Vergeten we niet dat Johannes speciaal voor monniken schrijft en dat hij steeds de levensomstandigheden in de kloosters voor ogen heeft.

 De eerste vereiste van het monachisme is te verzaken aan al wat van de wereld is. Het verzaken (aan de wereld) is slechts mogelijk door de vrijheid, de vrije wil, en deze vrijheid is de essentiële waardigheid van de mens. De zonde bestaat erin God vrijwillig af te wijzen of van zich van Hem te verwijderen. Deze ontkenning van het leven, dat is de vrijwillige dood, een soort van ingestemde zelfmoord.

 De ascetische strijd bestaat erin zich tot God te keren in alle vrijheid en met heel zijn wil, bestaat erin Christus te volgen en na te volgen. Het is dus anders gezegd steeds zijn wil richten en zich naar God keren. Het hoogtepunt van de ascese wordt beleefd in het monachisme. “De monnik is een permanent geweld aan de natuur aangedaan en het onophoudelijk bewaken van de zinnen. Het verzaken aan de wereld moet totaal en absoluut zijn: “het verwerpen van de natuur om de goederen te ontvangen die hoger zijn dan de natuur”. Dit is een zeer belangrijke tegenstelling: het “natuurlijke” wordt doorbroken ten voordele van het boven-natuurlijke en is niet vervangen door het tegen-natuurlijke. De opdracht van de ascetische strijd bestaat erin de natuurlijke vrijheid te sublimeren (op te tillen), maar dit betekent niet het bevechten van haar authentieke wetmatigheden. Het is daarom dat alleen de ware motivaties en het waarachtige doel het verzaken (aan de wereld) en de ascetische strijd rechtvaardigen. De ascese is een middel, niet het doel. En de ascetische strijd bereikt slechts zijn volmaaktheid wanneer Jezus Zelf komt en de steen van de deur van het verharde hart komt wegrollen. Zoniet is de ascese steriel en ijdel.

 De opdracht ligt niet in het verzaken zelf, maar in die vereniging met God die slechts realiseerbaar is  doorheen een authentiek verzaken, te weten het vrij-komen van de wereld, Het vrij-komen van de hartstochten en neigingen, van de gehechtheden en de aantrekking van de wereld teneinde de apatheia te vinden en te verwerven. In de ascetische strijd zelf is de motor van het proces het belangrijkste: i.e. de liefde voor God en de bewuste keuze. Voor het overige kan zelfs de onvrijwillige strijd vruchtbaar zijn: verzaken naargelang de omstandigheden (het vragen). Ook als men (tot verzaken) gedwongen wordt, want de ziel kan ook plotseling ontwaken.

 “En welk is de wijze en trouwe monnik, die de vurigheid tot aan het einde van zijn leven heeft bewaard zonder deze uit te doven, en die, tot op het einde van zijn leven, elke dag onophoudelijk dit vuur in het vuur aanwakkert, deze vurigheid in de vurigheid, deze ijver in de ijver en dit verlangen in het verlangen?”. Het is met andere woorden niet zozeer het los staan ten opzichte van de wereld, dan wel het brandende verlangen om naar God uit te gaan, dat van belang is. Het verzaken bereikt zijn volmaaktheid in het spirituele omzwerven. De wereld moet vreemd worden en vreemd voorkomen. “Het (geestelijk) omzwerven bestaat erin alles achter zich te laten, zonder erop terug te komen, wat, in het vaderland, ons tegenwerkt in onze inspanning voor de vroomheid.” Het is de weg naar het zo verlangde goddelijke. En het feit van zich tot vreemdeling te maken is enkel te rechtvaardigen om “de eigen gedachte onafscheidbaar te maken van God”. Anders zou de pelgrimstocht naar God een ijdele omzwerving zijn zonder doel.

 Het (geestelijk) omzwerven moet zich niet voeden met de haat voor de wereld en voor diegenen die in de wereld blijven maar enkel met de oprechte liefde voor God. Werkelijk, deze liefde is exclusief en dooft zelf de liefde voor de ouders. En het verzaken moet onvoorwaardelijk zijn: “Trek weg uit uw land, uw ras en het huis van uw vader” (Genesis XII,1). Maar, deze “haat” voor wat in de wereld achtergelaten is, is een “haat zonder hartstocht”. Het monachisme is een uittocht uit het “vaderland”. Dit is uit de sociale omgeving waarin ieder zich bevindt uit hoofde van zijn geboorte. Het monachisme is de verleidingen en geneugten vluchten. Men moet een nieuw milieu creëren en gunstige omstandigheden voor de ascese: “Dat uw vader diegene is die met u kan en wil zwoegen om de zware last van uw zonden te dragen”.  Deze nieuwe levensorde komt tot stand in alle vrijheid. Niettemin is het belangrijk eens te meer te verzaken: nu aan de eigen wil, maar niet aan zijn vrijheid. Het gaat hier over het stadium van de gehoorzaamheid.

 Gehoorzamen is niet de vrijheid verstikken, maar de wil transfigureren, zijn neiging voor hartstochten in de wil zelf overstijgen. “De gehoorzaamheid is het graf van de eigen wil en de opstanding van de nederigheid”. Het is “een leven vreemd aan de nieuwsgierigheid” of “een daad die niet beproefd wordt”. (…) De gehoorzaamheid wordt gerechtvaardigd door het geloof in en de hoop op de hulp van God. De onwankelbare hoop is de poort die leidt tot de passieloosheid. (…) De gehoorzaamheid is een anticipatie van de waarachtige apatheia. “De gehoorzame, als een dode, weerspreekt niet en argumenteert niet, noch ten aanzien van wat goed is, evenmin ten aanzien van wat slecht lijkt”. (…)

 De innerlijke strijd gaat via het berouw. Of juister gezegd: het berouw of de droefheid over de zonden is het eigenlijke (spirituele) element dat de ascese mogelijk maakt. Het berouw is verbonden met de gedachtenis van de dood. Het gaat hier over de spirituele anticipatie van de dood en in zekere zin al een “dagelijkse dood”. De waarachtige “gedachtenis van de dood” is slechts mogelijk door de totale afwezigheid van hartstochten en het volmaakte verzaken aan de (eigen-) wil. Er is geen vrees in deze gedachte. En dit is een gave van God.

 De volgende stap zijn de tranen en de tranen van vreugde. “Het berouw is de vernieuwing van het doopsel” en de tranen zijn meer dan het doopsel. “De bron van de tranen na het doopsel is meer dan het doopsel”, hoe paradoxaal dit ook moge zijn. Want de tranen zuiveren onophoudelijk de zonden die begaan worden. Er zijn tranen van vrees en tranen die de barmhartigheid afsmeken; en er zijn ook de tranen van liefde, die getuigen dat het gebed werd verhoord. “Wij zullen niet beschuldigd worden, mijn broeders, omdat wij geen wonderen hebben verricht, niet omdat wij geen theologie hebben bedreven, niet omdat wij geen visioenen hebben gehad. Maar zonder enige twijfel zullen wij rekenschap moeten geven aan God omdat wij niet zonder ophouden onze zonden hebben beweend”.

“Gij waart een bewoner van de woestijn en hebt daar geleefd

als een Engel in het vlees. Wonderbaar hebt gij allen bijgestaan,

 

heilige Goddragende Vader Johannes:

door uw vasten, uw waken en uw gebed

hebt gij de hemelse genadegaven ontvangen.

Gij geneest de zieken en de zielen van hen die gelovig tot u komen.

Ere zij Hem, Die u kracht heeft geschonken,

ere zij Hem Die u gekroond heeft;

ere zij Hem, Die door u aan allen genezing schenkt”

(Troparion in toon 1)

 

De apatheia, het doel van de ascese

 Het doel van de innerlijke ascetische strijd is de apatheia te verwerven, de afwezigheid van hartstochten. De innerlijke opdracht om dit op gang te brengen herleidt zich tot het onophoudelijk doven van de hartstochten. Het is noodzakelijk erop gericht te zijn en erin te slagen om, in zichzelf, de beweging en het ontwaken van de hartstochten een halt toe te roepen.

 Voor alles moeten we de neigingen tot toorn (woede) overstijgen, dit “onweer van het hart”; we moeten de afwezigheid van toorn verwerven, de zachtmoedigheid, de vrede en de stilte. Voor de heilige Johannes Climacos, is de toorn gebonden aan de eigenliefde. Daarom definieert hij de afwezigheid van toorn als “het onlesbare verlangen naar vernederingen” en de zachtmoedigheid als “een onwrikbare gesteldheid van de ziel die gelijk blijft aan zichzelf in de eer en de oneer”.

 Nog hoger (op de ladder) staat de volmaakte afwezigheid van wrok, naar het beeld van de zachtmoedigheid van Jezus. Men moet er zich totaal van onthouden te oordelen. “Voor hen die zondigen, bid in het geheim: deze vorm van liefde is God aangenaam”. Oordelen en veroordelen passen niet bij diegenen die zich berouwen. “Oordelen betekent zich op hoogmoedige wijze de rang van God eigen maken”. Want de mens kan niet alles kennen, en zonder alles te kennen gaat men vluchtig oordelen. “Zelfs als gij met uw eigen ogen iemand ziet die zondigt, oordeel hem niet. Want vaak gaan zelfs de ogen bedriegen”.

 De heilige Johannes Climacos spreekt vaak over hoe men de zinnelijke begeerten kan overwinnen en de zuiverheid kan bereiken. De bron van de zuiverheid is in het hart. De zuiverheid overstijgt de menselijke krachten, zij is een gave van God, zelfs indien zij bekomen wordt door de ascese.

 De liefde voor het geld wordt overwonnen door de bezitloosheid, wanneer wij “alle aardse zorgen terzijde stellen”. Het is een vorm van afwezigheid van de zorgen voor het aardse, afwezigheid van droefheid, en dit omwille van het geloof en de hoop.

 Nog gevaarlijker is de verleiding van de hoogmoed, want de hoogmoedige wordt verleid, zelfs zonder (de verleiding van) de duivel, en hij is voor zichzelf een demon en vijand geworden. De hoogmoed wordt overwonnen door de nederigheid. De nederigheid laat zich niet met woorden omschrijven, het is een vorm van “onzegbare genade van de ziel” die men slechts verwerft in de eigen ervaring. We kunnen de nederigheid slechts leren bij Christus: “Leer niet van de engel, noch van de mens, noch van een boek, maar van mij, omdat ik in u woon en omdat ik u heb verlicht en omdat ik in u handel, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (cf. Mat. XI,29). In zekere zin is, voor diegenen die de ascese beoefenen, de nederigheid een vorm van blindheid met betrekking tot hun eigen deugden: “de goddelijke bescherming die ons niet toelaat onze eigen vooruitgang te zien”.

 In de ontwikkeling van de hartstocht, onderscheidt de heilige Johannes van de Ladder de volgende stappen. Vooreerst is er de suggestie (het voorspiegelen) of de aanval, een bepaald beeld of gedachte, “de toestroom (flux) van gedachten”. Er is nog geen zonde, want de wil neemt geen deel. “De wil treedt naar voren in de verbinding (die hij aangaat), een soort van onderhoud(gesprek, dialoog) met het beeld dat zich heeft aangediend”. En in deze interesse of deze aandacht (voor het zich aandienende beeld of gedachte) zit het begin van de zonde. Het engagement van de wil (in dit gebeuren)is echter veel belangrijker, “het instemmen van de ziel met de gedachte die zich aandient, en dit, geassocieerd met het plezier dat men erin vindt”. Later verwortelt de gedachte (de verleidende gedachte of het beeld) zich in de ziel: dit is de trede (van de Ladder) van de gevangenneming, een soort van inbezitname van het hart van het hart. Tenslotte ontstaat een terugkerende gewoonte: dit is de hartstocht in de letterlijke zin van het woord. We zien dus dat de wortel van de hartstochten eerst en vooral gelegen is in het laten varen van de wil, en ten tweede in de aanval van de verleiding doorheen de gedachte, onder de vorm van een overweging of een gedachte.

 De taak van de ascese is dus dubbel. Enerzijds vereist zij dat de wil versterkt wordt (door het afsnijden van de eigenwil en door de gehoorzaamheid) en anderzijds vereist zij een uitzuivering van de gedachte. De verleiding komt van buitenaf: “van nature bestaan het kwaad en de hartstochten niet in de mens. Want God heeft geen hartstochten geschapen”. Dit wil niet zeggen dat de mens vandaag nog zuiver is. Maar hij is zuiver door de kracht van het doopsel, en hij valt opnieuw door zijn wil, maar hij zuivert zich (opnieuw en telkens weer) door het berouw en de ascese. In de natuur zelf is er een kracht gegeven, een mogelijkheid om het goede te doen. Nu de zonde is tegen de natuur. De zonde is een perversie van de natuurlijke mogelijkheden. De taak van de mens echter bestaat er niet alleen in om de natuurlijke maat te vervullen, maar om deze te overstijgen, opdat hij zich verheft boven de natuur. Zo zijn de zuiverheid, de nederigheid, het waken, en het voortdurende berouw van het hart.

Daarom is er een synergie nodig van de vrij aangegane ascetische strijd en de Goddelijke gaven, die de mens verheffen boven de beperkingen van de natuur. Het gevecht tegen de zonde en de verleiding moet zo vroeg mogelijk beginnen, vooraleer de verleiding verhardt tot hartstocht. Maar zeldzaam zijn zij die hierin niet te laat komen. Daarom is de ascese zo moeilijk is en zo lang en op deze weg zijn er geen binnenwegen. Meer nog, de weg zelf is ook zonder einde. De liefde van God kent geen einde of (met andere woorden) het eindpunt zelf is eindeloos: “de liefde houdt niet op”. “En ook wij zullen nooit ophouden erin te groeien, noch in deze eeuw, noch in de komende eeuw. In het licht zullen wij altijd een nieuw geestelijk licht ontvangen. Ik zou zeggen dat ook de engelen, deze onlichamelijke wezens, niet zonder vooruitgang blijven, maar dat zij altijd glorie op glorie en inzicht op inzicht zullen ontvangen”.

 

Het eindpunt van de ascese

 

Het eindpunt van de ascese ligt in de heilige stilte (ήσυχία), in de stilte van het lichaam en de ziel. “De stilte van het lichaam is de goede orde en harmonie van de gewoonten en de lichamelijke gevoelens. De stilte van de ziel is de goede orde van de gedachten die opkomen in de geest, en een gedachte die zich niet laat inpalmen”.

 Anders gezegd, (de stilte is) de innerlijke en dus ook de uiterlijke harmonie en vrede, de coherentie en de harmonie van het leven. De stilte is de waaktoestand van de ziel: “ik slaap maar mijn hart waakt” (Hooglied V,2). En deze innerlijke stilte is veel belangrijker dan alleen de uiterlijke stilte. Deze strikte waakzaamheid van het hart is belangrijk. De ware stilte is “de geest die niet beroerd wordt”. Het gaat hier over “de waakzaamheid van het hart” en “de waakzaamheid van de geest”.

De kracht van de stilte ligt in het onophoudelijke gebed (dat zich niet laat verstrooien): “de stilte is de voortdurende dienst aan God en het feit van in Zijn

aanwezigheid te staan”. Of nog, de stilte overstijgt de menselijke krachten. Ook het gebed moet zich in de aanwezigheid van God volbracht worden, en zich vervolgens met Hem verenigen. Of anders gezegd, in waarheid voor God staan, dat is bidden.

 In de verscheiden wijzen van bidden, moet men eerst en vooral dankzeggen, zich dan zondig erkennen voor Hem, tenslotte vragen. Het gebed moet altijd eenvoudig zijn en uit weinig woorden bestaan. Het hoogste gebed bestaat uit de éen-woord-aanroeping van de naam van Jezus. Het gebed moet eerder gelijken op het  eenvoudige en herhaaldelijke gebrabbel van het kind dan op een intelligente en gekunstelde redevoering. De vloed aan woorden in het gebed verstrooit en brengt de dromerij binnen in de geest. En als er iets gevaarlijk is in het gebed, dan is de “sentimentele dromerij”.

 De gedachte moet altijd beteugeld worden en opgesloten worden in de woorden. Alle “gedachten” en “beelden” (fantasieën) moeten met waakzaamheid afgesneden worden. Men moet zijn geest concentreren. “Want indien hij doolt zonder remming, dan zal hij nooit met U vertoeven”. Het gebed is een rechtlijnig gericht zijn op God, het gebed is vreemdeling zijn ten aanzien van de zichtbare en de onzichtbare wereld”. Tot volmaaktheid gekomen, wordt het gebed een geestelijke gave, een soort van neerdaling van de Geest, handelend in het hart. Dan bidt de Geest in diegene die deze staat van gebed heeft bereikt. Dan vallen gebed en stilte in zekere zin samen. En deze zelfde geestelijke toestand kan als apatheia omschreven worden. Want ook de apatheia is eveneens gericht op God, en zij geeft zich vrijwillig over aan Hem. “Sommigen zeggen nog dat de apatheia de verrijzenis van de ziel is vóόr de verrijzenis van het lichaam”. Voor de rest wordt het lichaam zelf, bij het bereiken van de apatheia, onbederfelijk. Dit is wat men verstaat onder het verwerven van de geest van de Heer (cf.1 Cor.II,16).

 “In de ziel weerklinkt de onzegbare stem van God zelf, waarbij Hij zijn wil bekend maakt, en dit is al hoger dan elk menselijk onderricht”. Het is voor deze werkelijkheid dat de dorst voor de onsterfelijke schoonheid ontvlamt. “Hij die de stilte heeft bereikt, die heeft de diepte van de mysteries gekend”. De heilige Johannes Climacos aanschouwt de dynamische spanning naar de geestelijke wereld en wordt deze gewaar. In de wereld der engelen is er ook een spanning naar de hoogte der serafijnen. De ascetische strijd van de mens omvat ook de hunkering naar de hoogten der engelen en naar de “levenswijze van de geestelijke machten”.

 De apatheia is het eindpunt én de gegeven opdracht. Allen bereiken dit eindpunt niet, maar zij die het niet hebben bereikt kunnen even goed aan hun verlossing werken. Want het belangrijkste is er naar te verlangen. De drijvende kracht van de ascese is de liefde. De volheid van de ascese bestaat in het verwerven van de liefde. In de liefde zijn er gradaties die wij niet volledig kunnen kennen, want Liefde is de Naam van God zelf. Daarom is het dat, in haar volheid, de liefde onuitsprekelijk is. “Het woord over de liefde is door de engelen gekend, maar ook voor hen, in de mate van hun verlichting”. De apatheia en de liefde zijn verschillende namen van de ene volmaaktheid. De liefde is tegelijk de weg en het eindpunt.

 “Gij hebt mijn ziel verwond en mijn hart verdraagt Uw vlam niet. Ik ga mijn weg terwijl ik U bezing”. In de fragmentarische en sobere aforismen (spreuken) van de heilige Johannes Climacos over de liefde, voelen wij hoe dicht dit aanleunt bij de mystiek van het Corpus Areopagiticum. (cf. de betrokkenheid tussen de menselijke wereld en die van de engelen). Bijzonder is dat de heilige Johannes Climacos minder spreekt over de superieure stadia en etappes en hierin zo karig wordt met zijn woorden.

 Hij schrijft voor de beginnelingen en de gevorderden. De volmaakten hebben geen adviezen en geen menselijke gids meer nodig. Zij bezitten reeds de innerlijke zekerheid en evidentie. Bovendien verliezen in de superieure stadia de woorden zelf hun kracht en voldoen ze niet meer. Deze stadia zijn nauwelijks te beschrijven. Het is reeds de hemel op aarde, die opengaat in de ziel. Het is de woning van God zelf in de ziel.

Icoon uit het Sinaïklooster : 12e eeuw

“Het gebed van hij die werkelijk bidt is het gericht, het oordeel en de troon van de Rechter vόόr het Laatste Oordeel”. Of nog: het is het anticiperen van de toekomst. “En deze gelukzalige ziel draagt in zich het altijd aanwezige Woord. Dit Woord is het dat hem inwijdt in de mysteries van God, hem onderricht en verlicht”.                                                                    

 

 

       “Als een leidende ster die niet kan dwalen heeft

de Heer u hoog aan het firmament der onthouding geplaatst,

om uw licht te doen schijnen tot aan de einden der wereld,

onze Leraar en Vader Johannes”

(kondakion in toon 4)

 

Schematisch presenteert Bisschop Kallistos (Timothy Ware) de dertig trappen als volgt:

1. verzaking  2. onthechting  3. vreemdelingschap  4. gehoorzaamheid  5. boete  6. gedachte aan de dood  7. rouwmoedigheid  8. toorn  9. wrok  10. kwaadsprekerij  11. veelpraterij  12. leugen  13. lusteloosheid  14. gulzigheid  15. onkuisheid  16-17. geldzucht  18-20. gevoelloosheid  21. ijdelheid  22. hoogmoed  23. godslastering  24. eenvoud  25. nederigheid  26. onderscheiding  27. stilheid  28. gebed  29. hartstochtloosheid  30. liefde.             

 

VOETNOTEN :

(1).uit “les pères byzantins du Vème au VIIIème siècles, les pères ascètes” cours de l’institut de théologie orthodoxe Saint-Serge de Paris, 1997, traduit du russe par Françoise Lhoest.

Vader Georges Florovski, geboren in Odessa in 1893, was assistent professor aan de universiteit van Odessa in 1919. Na Rusland te hebben verlaten onderwees hij filosofie in Praag van 1922 tot 1926. Toen werd hij uitgenodigd tot een leerstoel van patrologie aan het theologische instituut Saint-Serge te Parijs. In 1948 kwam v. Florovski aan in de Verenigde Staten. Hij was er professor en dekaan van Saint Vladimir’s theological school tot in 1955, terwijl hij ook onderwees als adjunct professor aan de Columbia University en Union Theological Seminary. Van 1956 tot 1964 hield hij de leerstoel van Oosterse Kerkgeschiedenis aan de Harvard University. Sinds 1964 tot 1972 onderwees hij Slavische studies en geschiedenis aan de Princeton University. Hij overleed in 1979.

(2)Voor een volledige biografie en analyse van het werk en vertaling van ‘de Ladder’ zie “Johannes Climacus, de Geestelijke Ladder” in Monastieke cahiers nr. 50 door Drs. Paul Gillis, uitgaven Abdij Bethlehem, B-2820 Bonheiden, 2002.

Vader Dominique

“Aan allen, die Hem ontvingen, aan allen, die in zijn Naam geloven,gaf Hij de macht om Gods kinderen te worden”

Clemens van Alexandrië (150-ca 215), theoloog
Homilie “Welke rijke kan gered worden”? », 37

“Aan allen, die Hem ontvingen, aan allen, die in zijn Naam geloven,gaf Hij de macht om Gods kinderen te worden”

     

Clemens_van_Alexandrie.jpg

 Clemens van Alexandrië

Aanschouw de mysteriën van de liefde, als u “de schoot van de Vader” zult zien, die alleen “de eniggeboren Zoon ons heeft leren kennen”, Hij die God is (Joh 1,18). God zelf is liefde (1Joh 4,8), en door deze liefde heeft Hij zich door ons laten zien. In zijn onuitspreekbare wezen is Hij Vader; in zijn compassie voor ons is Hij Moeder geworden. Door lief te hebben toont de Vader zich vrouwelijk.

Het opzienbarende bewijs hiervan is dat Hij uit zichzelf baart. En deze Zoon, vrucht van zijn liefde, is liefde. Door deze liefde heeft Hij vrijwillig aan alles dat de menselijke toestand openbaart, geleden. Zo heeft Hij zich in de mate van onze zwakheid aan ons die Hij liefheeft, de mate van zijn kracht teruggegeven. Bij het offeren van zichzelf en het geven van zichzelf als losprijs, heeft Hij een nieuw testament voor ons nagelaten: “Ik geef u mijn liefde” (cf Joh 13,34; 14,27). Wat is die liefde? Welke waarde heeft de liefde? Voor ieder van ons “heeft Hij zijn leven gegeven” (1Joh 3,16), een kostbaarder leven dan het gehele universum.

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

“De belofte gedaan aan onze vaderen”

Een Griekse homilie uit de 4e eeuw
Toegekend aan Gregorius de Neocesareus ofwel de Thaumaturg no. 2 ; PG 10, 1156

“De belofte gedaan aan onze vaderen”

    

Gregorius de Thaumaturg.jpg

Gregorius de Thaumaturg

 

Toen zei Maria: “Mijn ziel juicht voor de Heer en mijn geest jubelt vanvreugde om God mijn Verlosser… Hij bracht redding aan Israel zijn kind (Lc1,54 Grieks), en herinnerde zijn barmhartigheid en het verbond dat Hij slootmet Abraham en zijn geslacht voor eeuwig.” Ziet u dat de Maagd de volmaaktheidvan de voorvader overstijgt en het verbond dat God had gesloten bevestigt, alsHij tegen haar zegt: “Zo zal mijn verbond zijn tussen u en Mij”? (Gn 17,11)…Het is het lied van deze profetie die de heilige Moeder van God tot God richtals zij zegt: “Mijn ziel juicht voor de Heer…, want de Machtige heeft grotedingen aan mij gedaan, heilig is zijn naam. Door mij Moeder van God te maken,bewaart Hij mijn maagdelijkheid. In mijn schoot vat de volheid van allegeneraties samen zich samen, om er geheiligd te worden. Want Hij heeft alleleeftijden gezegend, mannen, vrouwen, jongeren, kinderen en ouderen”…

      “Machtigen heeft Hij van hun troon geworpen en nederigen heeft Hijopgeheven”… De nederigen, het heidense volk dat dorstte naar gerechtigheid(Mt 5,6), zij jubelen. Door hun nederigheid en hun honger naar God en door tevragen om het woord van God zoals de Kananese vrouw die om de kruimels vraagt(Mt 15,27), werden zij vervuld van rijkdom die de goddelijke mysteriënverbergen. Want Jezus Christus, onze God, zoon van de Maagd, heeft het deelvan de goddelijke gunsten aan de heidenen uitgedeeld. Hij “heft Israël zijnkind op”, niet zo maar Israël, naar zijn kind, die Hij eert met de hogegeboorte. Daarom noemt de Moeder van God, dat volk haar kind en haar erfdeel.God, die dat volk uitgeput vond door de letter en afgemat door de Wet, roepthet naar zijn genade. Door die nieuwe naam aan Israël te geven verheft Hijhet, “Hij herinnerde zich zijn barmhartigheid, zoals Hij had beloofd aan onzevaderen, aan Abraham en zijn geslacht voor eeuwig”. Deze enkele woorden vattenhet hele mysterie van ons heil samen. Jezus Christus, die de mensheid wilderedden en het met onze vaderen aangegane verbond wilde verzegelen, neigde dehemel en daalde neer (Ps 18,10). En zo toont Hij zich aan ons, door zich terbeschikking van ons te stellen, opdat we Hem zouden kunnen zien, aanraken enhoren praten.

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

“Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus… InChristus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefdeuitgekozen” (Ef 1,3-4)

H. Leon de Grote (? – ca. 461), paus en Kerkleraar
3e sermon voor Kerstmis; SC 22 bis

 

 

Leo de Grote heilige.jpg

Leo de Grote

 

“Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus…  InChristus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefdeuitgekozen” (Ef 1,3-4)

      De incarnatie van het Woord van God betreft het verleden als ook detoekomst; in geen enkele tijd, hoe onbeduidend ze ook was, werd het heil voorde mensen ooit onthouden. Wat de apostelen gepredikt hebben, hadden deprofeten al aangekondigd, en men kan niet zeggen dat wat altijd al geloofdwerd, te laat vervuld werd. Anders dan het heilswerk heeft God in zijnwijsheid en goedheid ons het meest geschikte gegeven om te antwoorden op zijnroep…, dankzij deze oude en veelvuldige verkondigingen.

      Het is dus niet waar dat God voorzien heeft in menselijke zaken doorzijn plan te veranderen en om bewogen te worden door een verlatebarmhartigheid: vanaf de schepping van de wereld, heeft Hij voor allen een endezelfde weg naar het heil uitgevaardigd. De genade van God waardoor alleheiligen altijd gerechtvaardigd werden, is immers steeds groter geworden enniet pas begonnen toen Christus geboren werd. Dat mysterie van een groteliefde die nu de gehele wereld heeft vervuld, was reeds even krachtig in detekenen die het voorafgingen; zij die er in geloofd hebben toen Hij beloofdwerd, zijn niet minder gezegend dan zij die Hem ontvangen hebben toen Hijgegeven werd.

      Geliefde vrienden, de rijkdommen van de genade van God zijn dus met eenvanzelfsprekende goedheid over ons verspreid. Geroepen tot de eeuwigheidwerden wij niet alleen ondersteund door voorbeelden uit het verleden, maar ookhebben wij de waarheid zelf zien verschijnen in een zichtbare en lichamelijkevorm. Wij moeten dus de geboortedag van de Heer vieren met een vurige liefdedie niet van deze wereld is… Dankzij het licht van de heilige Geest kunt udiegene herkennen die ons in Hem heeft ontvangen en die wij in ons hebbenontvangen: want de Heer Jezus is ons vlees geworden door geboren te worden, zozijn wij ook zijn lichaam geworden door herboren te worden… God heeft onshet voorbeeld van zijn zorgzaamheid en zijn nederigheid voorgesteld…; latenwe dus op de Heer lijken in zijn nederigheid, als we op Hem willen lijken inzijn heerlijkheid. Hijzelf zal ons helpen en zal ons leiden naar de vervullingvan hetgeen Hij beloofd heeft.

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

DE FEESTICOON VAN KERSTMIS

DE FEESTICOON VAN KERSTMIS

 

Kerstmis (Koinonia).jpg

De icoon, die de geboorte van Christus voorstelt, roept heel wat vragen op:
* Wat wordt hier afgebeeld, en waar is dat op gebaseerd?
* Welke sfeer ademt deze Kersticoon?
* Waarom ligt het Christuskind in een grot?
* Wat betekenen die os en dat paard?
* Wie is die merkwaardige gestalte daar tegenover Jozef?
* Waarom ligt Maria met haar rug naar het kind toe?
* wat betekenen die twee vrouwen, die het kind in het bad
gaan doen?

In de kunst van het westen worden de voorstellingen van de geboorte van Christus doorgaans gekenmerkt door expressie van menselijke gevoelens: Maria is daar een liefdevolle, zorgzame moeder. De magiërs adoreren het kind. En de omgeving is die van een armoedige stal in winterse koude: het kind wordt nu en dan verwarmd door de adem van de dieren.

Op de Kersticonen is dit allemaal anders. De nadruk valt op de incarnatie (God is als mens verschenen): op het goddelijk licht dat in deze duistere wereld binnendringt in de gestalte van het goddelijke kind.

De magiërs zijn vorstelijk geklede heersers, mogelijk die uit psalm 72 (v. 10). Met de herders hebben zij gemeen, dat ze ‘en profil’ worden afgebeeld: omdat ze het licht nog niet hebben “gezien”.

De grot verwijst naar deze wereld, een ruimte vol duisternis; en het kind is niet ècht een kind, maar een volwassene – voorzien van een aureool. De voederbak waar hij in ligt is tegelijkertijd een sarcofaag. Geboren worden is tegelijk het begin van sterven. De windsels zijn tegelijkertijd al een lijkwade (zie hiervoor de wijze waarop Lazarus wordt afgebeeld!)

In de eerste drie eeuwen kende de kerk geen Kerstfeest; men vierde epifanie. Op dit feest werden drie momenten herdacht waarop Jezus zich als de Christus openbaarde: de verschijning aan de wijzen uit het oosten, de doop in de Jordaan, de bruiloft in Kana waarop Jezus zijn eerste wonder verrichtte. De koningen die van verre komen (Jesaja 60: 8vv.) representeren de volken die de ‘grote koning’ komen vereren. En het doop is een verwijzing naar de doop waardoor de gelovigen met Jezus sterven en herboren worden.

In het protevangelie van Jacobus wordt de geboorte van Jezus beschreven als een zonsopgang: eerst zijn er wolken die licht worden en dan ineens is er een verblindend licht. Dat 25 december de geboortedag werd van Jezus hangt samen met het feit dat juist op die dag in het Romeinse Rijk het feest werd gevierd van Sol invictus, onoverwinnelijke zon. De invoering van het Kerstfeest, juist op deze dag, moet te maken hebben gehad met opportunisme van de kerk: het was opportuun om te verkondigen dat Christus, de zon der gerechtigheid, de plaats van deze zonnegod had overgenomen.

In de vierde eeuw ontstond binnen de kerk een stroming die bekend staat als het Arianisme: dit Arianisme zette vraagtekens achter de goddelijke natuur van Christus. Vandaar dat er behoefte ontstaat om te benadrukken, dat de verhevenheid en de majesteit van Christus al zichtbaar is geweest vanaf zijn geboorte: ook dit komt in de ikoon tot uitdrukking.

Waarom wendt Maria zich af van haar kind? Is het omdat ze “al deze woorden in haar hart overweegt” zoals we in het evangelie van Lucas lezen? Of is het om dat Jozef zich voor haar schaamt, zoals te lezen valt in het protoevangelie van Jacobus: “Waar zal ik u heenvoeren om uw schande te verbergen? Want deze plaats is verlaten? En hij vond aldaar een grot, en leidde haar daarin”? Het meest waarschijnlijk lijkt dat de afstand wordt gemarkeerd tussen het goddelijke kind en zijn (aardse) moeder. Toch neemt ook Maria, de Moeder Gods – zoals zij doorgaans in de oosterse traditie wordt genoemd – de gestalte aan van hemelkoningin: vandaar dat zij daar zo pontificaal is afgebeeld, liggend op een purperen kleed.

Jozef overdenkt wat het allemaal te betekenen heeft; de gestalte die met hem spreekt is volgens sommigen “de verzoeker” – in de gestalte van een herder; anderen menen dat het de profeet Jesaja is, die hem de oude profetieën te binnen brengt, waarin gesproken wordt over een meisje dat zwanger zal worden en een zoon zal baren.

Bij de geboorte opent zich de hemel: je zou verwachten dat het hemelse licht dan zichtbaar wordt, maar volgens de oosterse theologie is het hemelse licht voor mensen niet zichtbaar. We zouden het ook niet kunnen verdragen. In de aureolen en het goud wordt voor ons iets zichtbaar van een weerglans van het hemelse licht. Wat uit de hemel neerdaalt is de goddelijke geest, die zich uitstort over het kind. Hierbij valt te denken aan de doop in de Jordaan waarbij een stem uit de hemel zegt: “Gij zijt mijn zoon, de geliefde, in U heb ik mijn welbehagen”.

De icoon reikt ons vele mogelijkheden aan tot meditatie: hebben we ervaring met de duisternis van deze wereld? Kunnen we onszelf identificeren met de ‘herders’, de ‘vorsten’ die op reis gaan om het kind te gaan zoeken? Kunnen wij ‘het kind’ zien als een licht, een gids, een Verlosser op onze eigen levensweg? Herkennen wij, zoals “de os en de ezel” in het Christuskind onze meester? (Zie Jesaja 1:3).

H. Hilarius : “Neem bezit van het Koninkrijk, dat voor u is bereid vanaf degrondvesting van de wereld”

H. Hilarius (ca 315-367), bisschop van Poitiers, Kerkleraar
De Drie-eenheid, 11, 38-39

Hilarion van Poitiers.jpg

Hilarius van Poitiers

 

“Neem bezit van het Koninkrijk, dat voor u is bereid vanaf degrondvesting van de wereld”

       “Christus zal het Koninkrijk aan zijn Vader overdragen”, zegt Paulus (1Kor 15,28), dit betekent niet dat Hij zal afzien van zijn macht door Hem hetKoninkrijk terug te geven, maar dat wij het Koninkrijk van God zullen zijn,als wij gelijkvormig zijn gemaakt aan de heerlijkheid van zijn lichaam… Hijzal ons terug aan God geven, na ons door de verheerlijking van zijn lichaamals Koninkrijk van God te hebben gevormd. Hij zal ons aan de Vader geven alsKoninkrijk, volgens hetgeen Hij in het Evangelie heeft gezegd: “Komtgezegenden van mijn Vader, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is vanaf degrondlegging van de wereld”.

      “Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk vanhun Vader” (Mt 13,43).Want de Zoon zal hen als Koninkrijk, aan Godoverleveren, die Hij in zijn Koninkrijk heeft uitgenodigd. Hij heeft hen eengeluk beloofd dat eigen is aan dat mysterie door deze woorden: “Gelukkig dezuiveren van hart, want ze zullen God zien” (Mt 5,8)… Christus levert aanGod het Koninkrijk over, zie hen die Hij aan zijn Vader overdraagt als zijnKoninkrijk dat God ziet. De Heer zelf verklaart aan zijn apostelen waaruit ditKoninkrijk bestaat: “Het Koninkrijk van God bevindt zich in u” (Lc 17,21).

      En als iemand probeert te weten wie degene is die het Koninkrijkoverdraagt, dan zal hij moeten luisteren: “Christus is opgewekt uit de doden,als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want, daar de dood er gekomen isdoor een mens, is ook de opstanding der doden gekomen door een mens” (1Kor15,20-21). Dat alles betreft het mysterie van het Lichaam, want Christus is deeerste Verrezene onder de doden… Het is dus voor de vooruitgang van demensheid die aangenomen is door Christus dat “God alles in allen zal zijn”(1Kor 15,28).

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

Cyrillus (+869) en Methodius(+885)

 

 

Heiligenlevens

Cyrillus (+869) en Methodius(+885)

 

 

Cyril_and_Methodius_19th_c_Russian.jpg

Cyrillus en Methodius

Methodius en Constantinus – zo luiden hun oorspronkelijke namen – waren broers. Van afkomst waren zij grieken uit Thessaloniki, maar zij beheersten de Slavische taal in het Bulgaars-Macedonische dialect, dat in die tijd rondom Thessaloniki door Slavische kolonisten werd gesproken. Constantinus kreeg in Constantinopel een uitstekende opleiding. Hij wijdde zich echter al gauw aan de missie en werkte eerst onder de mohammedanen, en daarna in het Rijk van de Chatsaren aan de Zee van Azov. Kort voor zijn dood werd hij monnik en kreeg de naam Cyrillus. Zijn broer Methodius was aanvankelijk werkzaam in het politiek bestuur van de Slavische gebieden onder het Byzantijnse Rijk, werd eveneens monnik en werkte als abt in het beroemde klooster Polychron. Toen kregen de gebroeders de opdracht, die de oorzaak is geworden van hun historische betekenis voor de Zuid- en Westslaven. De Moravische hertog Rostislaw (846-870) was overgegaan tot de stichting van een zelfstandig Westslavisch rijk. Om zijn zelfstandigheid te kunnen bewaren wilde hij de Moravische Kerk onafhankelijk en wendde zich tot Keizer Michaël III in Constantinopel met het verzoek hem leraren te zenden voor zijn volk. De keizer gaf aan dit verzoek gehoor en stuurde de gebroeders Constantinus en Methodius. In 864 kwamen zij in Moravië aan en legden zich vooral toe op het opleiden van leerlingen om de Moravische Kerk te voorzien van Slavische priesters. In Moravië heeft Constantinus de vertaling van enige delen uit de Heilige Schrift en de Liturgie in de Slavische taal ter hand genomen; aan hem moet vermoedelijk ook het ontwerp van het oudste Slavische alfabet, het glagolitische geschrift worden toegeschreven, dat in bewaarde documenten tot het midden van de roe en gedeeltelijk zelfs tot de 9e eeuw is na te gaan. Het bewustzijn van een kerkelijke afscheiding van Rome was destijds nog niet algemeen tot de orthodoxe gelovigen doorgedrongen – het aanzien van de beide broers was in het Moravische Rijk immers vooral gebaseerd op het feit, dat zij het gebeente van bisschop Clémens van Rome, die volgens een legendarische overlevering in de tijd van de vervolging naar het Krim was verbannen en daar gestorven was, van daaruit naar Moldavië hadden overgebracht.

Dienovereenkomstig hebben de beide broers ook ondanks hun Byzantijnse missie getracht, de stichting van een slavisch sprekende kerk in het Moravische Rijk  door de paus van Rome legitiem te laten verklaren om haar zodoende van Rome uit veilig te stellen voor de aanspraken van de Frankisch-Duitse kerk. Met deze bedoelingen begaven zij zich na een arbeid van tweeënhalf jaar via Panninië naar Rome, waar zij door paus Hadrianus met alle eerbetaan werden ontvangen. Constantinus stierf op 14 februari 869 in Rome en werd in de kerk van de H. Clémens plechtig bijgezet. Methodius werd, nadat hij de bisschopswijding had ontvangen, tot aartsbisschop en pauselijk legaat van Pannonië en Moravië benoemd en kreeg daarmee dus onder de slaven eenzelfde missionaire en organisatorische taak toegewezen als Bonifacius die voor de Duitse stammen had gekregen, maar vanwege de oorlog tussen de Moravische en Duitse vorsten, bleef hij in het gebied van de Pannonische vorst Kozel, tot dan toe het missieterrein van het aartsbisdom Salzburg en vormde het begin van een lange reeks twisten, die hebben geleid tot zijn veroordeling door een beierse synode en een gevangenschap van tseeënhalf jaar. Het centrale punt bij deze strijd was nog steeds de weerstand van de Duitse Clerus tegen de invoering van de Slavische liturgie en de oprichting van een Slavische kerkprovincie met een slavische voertaal. Ten slotte gelukte het de Duitse kerkelijke leiders ook de paus te winnen voor hun standpunt tegenover het oorspronkelijk plan van paus Hadrianus. Paus Stefanus VI verbood de Slavische taal in de kerk; de door Methodius zelf als zijn opvolger aanbevolen Slavische bisschop Gorazd werd erkend, maar de leerlingen van Methodius werden het land uitgezet. Zo kon de Slavische liturgie zich ook in Bohemen, waar zij door toedoen van Methodius’leerlingen al ingang had gevonden niet verder ontwikkellen. De pas gestichte hiërarchie viel na het jaar 900 ten offer aan de invallen van de Hongaren; Moravië werd in 950 aan Regensburg en in 973 aan Praag toegewezen. Het eigenlijke levenswerk van Cyrillus en Methodius was hiermee een mislukking geworden. De West-slavische stammen bleven de eerste tijd onder leiding van de Duitse kerk; ook in Polen werd de latijnse ritus ingevoerd. De poging tot de vorming van een Westslavische kerk met een Slavische voertaal onder de obediëntie van Rome was mislukt.

Daarentegen kwam het werk van de beide broers tot een onverwachte bloei onder de leerlingen van Methodius, die hun werk na de verdrijving uit het Moravische Rijk onder de Zuidslavische stammen langs de Donau en op de Balkan vooertzetten. In Bulgarije werd de Slavische Kerk gesticht, nu echter niet meer onder het toezicht van Rome, dat zijn lankmoedige houding ten opzichte van de Slavische kerk had laten varen, maar onder de bescherming van Byzantium, dat zijn oude missietraditie getrouw, ieder volk toestond de liturgie in zijn eigen taal te vieren en dat zich een eeuw later zou gaan toeleggen op de missionering van het Rijk van Kiev. Hoewel het eigenlijke werk van de Slavenapostelen in het Moravische Rijk op kerkelijk gebied niet met succes werd bekroond, uiteindelijk zelfs door Rome werd verworpen, is hun werk op literair gebied toch van buitengewoon groot belang geweest voor de missionering. Cyrillus heeft de Oudslavische kerktaal ontwikkeld. De Bijbel en vele liturgische teksten heeft hij vertaald in het Bulgaars- Macedonisch dialect, waarmee hij vertrouwd was, omdat het in zijn geboortestreek werd gesproken. Nog vele historische en filosofische detailproblemen hiervan zijn omstreden of onopgelost. Hoe dan ook, een feit is het, dat met dit orthodoxe missioneringswerk onder de slaven de basis werd gelegd voor de ontwikkeling van een literatuur in het Kerkslavisch, waar ook de missionering onder de Oostslaven houvast aan had.

Uit : De oosters orthodoxe Kerk : Ernst Benz pp.119-122

De Heilige Geest, Leven van de Kerk

 De Heilige Geest, Leven van de Kerk

 Binnen de trinitaire theologie wordt het object en de methode van onderzoek wederzijds beïnvloed en bepaald, en de Heilige Geest onttrekt zich aan elke bevooroordeelde of polemische bezinning. Hij, die de Adem en de band van liefde is, die onzichtbaar aanwezig is in Zijn gaven en in Zijn vruchten, de liefde, de eendracht, de verdraagzaamheid, de vreugde, de waarheid. De dogmatische formules drukken het diepe geloof en de innerlijke ervaring van de Kerk uit, méér nog dan zij er de aanleiding toe is. Een vernieuwende ervaring van het christelijk leven in de Heilige Geest, de groeiende betekenis van zijn opperste  en handelende Persoon, zowel in de Kerk als in de verborgenheid van het hart van de gelovige of in de schoot van de oecumenische beweging, stellen ‘betwiste vragen’ terug aan de dag, vooral de  discussie over het Filioque. Wij vertrouwen erop dat alleen een theologische formulering welke de volledige waarde van de persoon en het koninklijk werk van de Heilige Geest, zonder ondergeschiktheid van deze aan Christus en de kerkelijke instituties, maar veeleer in de ondergeschiktheid of de wederzijdse liefdesdienst van de goddelijke Personen, zich zal kunnen tot ontplooiing brengen en zich aan het christelijk geweten zal kunnen doen gelden met een innerlijke vanzelfsprekendheid  om zo een ‘oecumenisch symbool te worden van onze geloofsbelijdenis tot de Heilige Geest’. Het is het leven zelf van de Geest en in de Geest dat de theologische taal zal bepalen en die als de juiste en ware zal worden aanzien.

  1. I.                DE HEILIGE – GEEST  EN  PINKSTEREN

 De grote gebeurtenis van het nieuwe  verbond, dat bezegeld wordt door  het

bloedig, maar ook vreugdevolle Pasen van het geïncarneerde Woord, de

donderslag die een ganse gemeenschap van leerlingen en vrienden van Jezus

die aan Hem trouw waren gebleven tot verandering heeft gebracht ­- in een Kerk

als Kerk van God, uitverkoren Volk, koninklijk priesterschap, geheiligd door

het bloed van Jezus Christus – is het krachtig binnenstromen van de Heilige

Geest in het Cenakel op de morgen van Pinksteren.

 Gans de rijkdom van de leer der profeten en de geheiligde schrijvers over

de Geest van God, de woorden van Jezus zelf die de nabije en

noodzakelijke komst van de Heilige Geest, de Trooster aankondigen, de Geest van Waarheid, heeft maar een be-leefde realiteit kunnen worden

wanneer Hij die aangekondigd en verwacht werd uiteindelijk is gekomen, en wanneer Hij over elk lid van de apostolische gemeenschap is neergedaald onder de vorm van vurige tongen. Het is dan dat de gedoopte en hernieuwde Kerk door het Bloed van Christus is bevestigd en eens voor allen sterker geworden is in het nieuwe leven dat het leven in de Geest is, leven in de Geest van God.

Het is slechts vanaf deze oorspronkelijke ervaring, en vanuit dit nieuw leven dat het mogelijk is om over de betekenis van deze nieuwe dimensie van de primitieve gemeenschap na te denken en uit te drukken, een dimensie die van dan af een permanente en essentiële status is van de Kerk van Christus.

 

  1. II.             DE HEILIGE GEEST IN HET OUDE TESTAMENT EN DE

EVANGELIES

 

Het is moeilijk om te spreken over de Heilige Geest. Het is zelfs moeilijk om het specifieke mysterie te beschrijven van Hem van wie wij zelfs de naam niet kennen, of liever, die zich openbaart onder verschillende namen : de wind, de adem, de zalving, de duif, de Geest, de Heilige, de Trooster, de vlam, de wolk, het licht, de vrede, de vreugde, de communio,de liefde…

In de Bijbel wordt de Geest niet gedefinieerd, maar beschreven en  geopenbaard in Zijn werken, en achter deze handelingen tekent zich het mysterievol en onaantastbaar gelaat af van diegene die het leven en de trinitaire personen onthult.

Het woord “Geest” (ruah,pneuma,spiritus) betekent : de luchtstroom, lucht die zich verplaatst, de wind, het hevig geruis, krachtig, geducht, in staat om neer te halen maar ook om op te richten, of een licht geruis dat nauwelijks hoorbaar is zoals bij het geritsel van bladeren, ‘die het geknakte riet niet breekt, noch de kwijnende vlaspit niet dooft’ (Matt.12,20), een subtiele realiteit, onstoffelijk maar voelbaar, levenschenkend, versterkend.

De Bijbel toont ons de Geest van God die altijd in gemeenschap met het Woord aan het werk is in de wereld. Het Woord van God is de organisator, de interne reden van de dingen en de kosmische orde, de universele Alfa en Omega, zelfs van de mens, van zijn verstand, van zijn roeping tot Meester, van Koning en Hogepriester van het universum. Dit is de betekenis van de tegenwoordigheid van het Woord van God in de schepping, gegrift in het innerlijke van de mens. Het vestigt in hem het principe zelf van het goede, het ware en het mooie, van het zijn zelf. De Geest is niet minder aanwezig, maar hij is ongrijpbaarder, beweeglijk, levendig, doordringt het redelijke met leven, bepaalt de aantrekkingskracht van het ware, van een gelaat, van een vorm, van een gebaar…

 De Geest van God werkt samen met het Woord van God aan de schepping van de wereld, hij koestert en geeft leven aan de oorspronkelijke wateren met zijn moederlijke kracht, Hij schenkt ons de kiemen van het leven, Hij verwarmt een inert geworden primaire materie. Bij de oorsprong van de mens, geroepen tot het zijn  en het verstandelijk vermogen door het almachtige Woord van de Vader, is het weer de Geest van God die in de mens de levensenergie , de levensadem komend van God en die leven geeft aan de klei, inblaast en instort. Het is de Geest die in de mens het beeld van God gestalte geeft en hem inwijdt in zijn koninklijke waardigheid, die hem doet ingaan op het appèl tot kinderlijke gehoorzaamheid aan de vader.

 In de gevallen situatie en in de tijd van de goddelijke pedagogie, van de herstellende voorzienigheid,  is de Heilige Geest deze innerlijke stem die onvermoeibaar de mens oproept om terug te keren naar de oorsprong en hem voortdurend aan zijn bestemming herinnert. Het is een innerlijke stem die murmelt : “Kom naar de Vader” (Heilige Ignatius van Antiochië), een onrust die de mens eraan doet werken en die hem ontrukt aan zijn verwaandheid.

 Gans de heilige geschiedenis van Israël, nog voor de tijd van de Kerk, is reeds een langzame pedagogie van God, die spreekt tot dit volk ‘met het versteende hart’, die Hij zich heeft uitgekozen en die Hij bemind heeft en waarmee Hij zich verloofd heeft in de woestijn, aan wie Hij zijn Woord heeft geopenbaard door de profeten. De hand van God staat ingeschreven in de structuur zelf van de historische gebeurtenissen, in het appèl en de stem van de profeten die het Woord van God overleverden. De Geest van God is altijd aanwezig, hij doordringt de profeten, Hij inspireert hen en sterkt hen om te getuigen, hij vervult de dichters en de psalmisten, Hij leidt het volk…, verzekert een langzame groei in kracht om te komen tot de volle rijpheid, tot een steeds ongeduldiger en smartelijker verwachting van de Redder, van de messiaanse tijden, van de uitstorting van de Heilige Geest in de laatste dagen. De Geest is ook de kracht die het Volk van het Verbond ontvangt om trouw te zijn aan het verbond, hij is ook het innerlijk licht dat aan de Schriften hun wijsheid geeft, alsook aan de verscheidenheid van de tussenkomsten van God in de geschiedenis.  Het is slechts in het licht van de Geest dat de profane geschiedenis wordt tot heilige geschiedenis, gericht op Gods Voorzienigheid, op haar onophoudelijke wil tot heil en leven.

 Niet alleen de geschiedenis van de volkeren, maar ook deze van elk individu vindt haar hoogste coherentie in het licht en het intellect van de Geest. De levensadem, het vitale principe verwerft een bovennatuurlijke dimensie, transcendent, persoonlijk, van  Gods tegenwoordigheid, van het diepste innerlijk van de mens zelf, die deze meevoert om zich te realiseren, door zichzelf te overschrijden, om het appèl van Godswege te verlangen, om het gelaat van Christus te herkennen, om Zijn appèl te willen en te kunnen volgen.

 Wij worden op een onmerkbare getrokken naar de oevers van het meer van Galilea, waar jonge vissers door een mens uit hun land in hun hart worden aangesproken voor een moeilijke taak met deze woorden : ‘Steek nu verder van wal en werpt uw netten uit voor de vangst’, en na de wonderlijke visvangst : ‘volg mij, ik zal u vissers van mensen maken’(Luc.5,4-11 en Matt.4,18-22) Twee woorden volstaan voor de tollenaar Levi (Mattheus), gezeten in zijn bureau van de douane : ‘Volg-mij’. ‘En hij stond op, liet alles achter en volgde hem’ (Luc.5,27-28).

 Elders voltrekt zich de oproep als een kettingreactie : ‘Jezus nodigt twee leerlingen van Johannes de Doper uit om Hem te volgen, waarvan Andreas, broer van Simon Petrus : ‘Komt het zien’. Op zijn beurt brengt Andreas Simon tot Jezus, vervolgens ontmoet Jezus Philippus en zegt hem : Volg mij’. Vervolgens is het Philippus die over Jezus getuigenis aflegt aan Nathanaël : ‘Kom het zien’ (Joh.1,35-51).

 De aantrekkingskracht wordt nauwkeuriger, de bekendheid verspreidt zich op een onweerstaanbare wijze. Want Jezus is vervuld van de Geest van God, van zijn macht (Luc.4,14) Hij toont zich in Galilea als een gewijde van de Geest, een gezalfde (Luc.4,18), Zijn woord zelf is vol van genade, autoriteit en kracht (Luc.4, 22,32,35,36). Er valt veel te zeggen  over deze tegenwoordigheid van de Geest van God in Jezus, in Zijn onderricht en in Zijn werken.

 Enkele teksten uit het Evangelie benadrukken en verduidelijken het : A) De duif bij Jezus’doopsel in de Jordaan daalt uit de hemel neer en rust op Hem bij het verlaten van de Jordaan, op het moment zelf dat de stem van de Vader te horen is. Het is de eeuwige beweging van de Geest van God die voortkomt uit de Vader en die zijn verblijf of woonplaats heeft in de Zoon van alle eeuwigheid. De Heilige Geest is de Geest van Jezus, hij doordringt Hem en manifesteert zich aan Hem, Hij maakt zich kenbaar aan de wereld. Zo zal de Geest werken in de Kerk, het Lam Gods openbaren, ervan met kracht getuigenis afleggen, de bruidegom manifesteren…. De openbaring van de Heilige Geest, de tijd van de Geest, is het volle licht, het eeuwige vuur dat straalt over het mysterie van Christus. B) Het verblindende vuur van de Tabor, de ongeëvenaarde witheid van de klederen van Jezus, en opnieuw de stem van de Vader, de wolk die de leerlingen van Jezus scheidde en die hen op de aarde wierp van vrees, zijn enkele andere gevolgen van de tegenwoordigheid van de Geest : het licht dat verlicht, dat leidt, dat inspireert, dat verblindt en zelfs blind maakt, de witheid van de klederen, glorie van Christus en schittering van Zijn godheid en uitstraling van Zijn Geest; de stem van de Vader die zich laat horen door Zijn leerlingen in de Geest ; ten slotte de wolk die Jezus scheidt van Zijn leerlingen (op de Tabor en in de Hof van Olijven), die de intimiteit verbreekt, die de durf van de leerlingen vernietigt en hen tegen de grond werpt van vrees. C) De vertroosting van Jezus voor Zijn Lijden, de ‘belofte’ van de Geest, ‘de andere Trooster, de Paracleet, de Geest van Waarheid, die voortkomt uit de Vader, die de Vader zal zenden in mijn Naam, die u alles zal leren, die u in herinnering zal brengen alles wat ik gezegd heb, die van mij zal getuigen’ (Joh.14,15).

 Jezus moet vertrekken : ‘Het is beter voor u dat ik heenga, want indien ik niet heenga, zal de Trooster niet tot u komen; maar als ik heenga, zal ik Hem zenden’.

 Het is het glorierijk opstijgen van Jezus naar de Vader die begonnen is met de Passie en haar hoogtepunt heeft met de hemelvaart : ‘Zie, ik zend de belofte van de Vader over u neer’(Luc.24,49).

 Wij komen nu terug op ons vertrekpunt, met Pinksteren, maar hierbij passeren wij het aardse leven van Christus, een leven vol van de Geest, van zijn gaven, van ‘tekens’ van de Geest, voorbijgaande ook aan de Passie, het Kruis, de ontlediging, de opperste armoede en daardoor het ideaal van de Zaligsprekingen realiserend waarvan Jezus het grote en het enige ware voorbeeld is : ‘Welzalig de Arme van Geest, want aan Hem behoort het Rijk der Hemelen’.

 De woestijn van de bekoring, de berooidheid en de eenzaamheid van de Mensenzoon gedurende zijn aards optreden, de groeiende vijandschap van het Volk van Israël, het Lijden, de Dood, de Hel : dat is de weg waarheen de Geest Jezus leidt in volle gehoorzaamheid aan Zijn Vader, tot in de verlatenheid van de dood, tot in de dood aan het Kruis.

 En het is op dat moment dat het licht van de Verrijzenis opspringt vanuit het verzegelde graf, het voorbijgaan van de morgenster,het omvergooien van de steen. Het Kruis van de spot en de dood worden instrument van leven en glorie, het Graf : bron van Verrijzenis….Deze innerlijke kracht die de zegels van het lege graf breken en de steen verbrijzelt, deze overvloedige vreugde welke de myrondraagsters en de leerlingen vervulde, dit verblindende licht van de Verrijzenis : ook dit alles is de aanwezigheid van de Geest die in Jezus verblijft, zelfs in de dood en dat de hel niet kan omvatten. Deze kracht van verrijzenis, deze kracht van nieuw leven, dit onweerstaanbaar principe dat gegraveerd is in de eeuwige terugkeer van de jaarlijkse seizoenen, is maar een kleinigheid als men het vergelijkt met het opstijgen uit de hel, het binnendringen van het licht in de duistere nacht, met de uitbarsting van vreugde en vrede vanuit  de angst, droefheid en de vrees. Ook dit is het werk van de Heilige Geest, de kracht  van de Vader die Zijn Zoon doet opstaan en hem de overwinning op de dood schenkt.

 Maar er is nog een unieke tijd in de geschiedenis van het heil, de tijd  tussen de Verrijzenis en Pinksteren, de vijftig vrolijke en vertrouwvolle dagen, de zeven weken van afwachten die opgaan in de Achtste Dag, de Eerste Dag van de achtste week in de komst van Pinksteren.  Deze wordt voorafgegaan door een pauze, een laatste pedagogie, een tijd van afwachten en stilte van gans de schepping op de drempel van het moment dat de ganse schepping zich voorbereidt om over te gaan, samen met de mens, in de hoedanigheid van een nieuw zijn van de Kerk, in de nieuwe schittering die uitstraalt over de schepping en haar onweerstaanbaar van binnenuit omvormt.

 Als zojuist, in de Jordaan, de Duif ons het Lam en de Bruidegom openbaarde, de Dienaar van Jahweh uit de messiaanse tijden, , en als dit de permanente werking betekent van de Geest : ons het gelaat van Jezus te ontsluieren, en doorheen Hem, ons te leiden tot de Vader, dan is het vandaag de Zoon die vanaf de Vader ons de Geest zendt, de Trooster die onder ons verblijft en die het leven zelf van de Kerk uitmaakt. Wederzijdse Dienst, dubbel getuigenis van Christus in de Geest en de Geest in Christus. Dit is de fundamentele openbaring van het Evangelie van Jezus. Dubbele werking van de Vader in de wereld door de Zoon en de Adem, door de Zoon en de Geest,’de twee handen van de Vader’ (Heilige Ireneus) die zich openen om de gevallen schepping te omarmen, en die zich weer sluiten om de vernieuwde schepping tot de Vader te brengen.

 

III   DE HEILIGE – GEEST IN DE EUCHARISTIE EN DE KERK

 

Deze dubbele dienst van het Woord en de Geest in de voorbereiding van het heil van het oude Testament, in de vervulling van het heil van het Evangelie, in de realisatie en de bekendmaking van het heil in de Kerk, is de fundamentele wet, het geheim, het permanent mysterie van het evenwicht en het welzijn zelf van de Kerk doorheen de geschiedenis. Elke poging om de Geest afhankelijk te maken van, te beperken in haar historische vorm, alsook elke poging om hem te bevestigen op een exclusieve wijze ten nadele van het werk en de tegenwoordigheid van Christus, zijn erop gericht om het evenwicht van het leven van de Kerk te ontregelen : nu eens in de betekenis van een tijdelijke macht, van het juridisme van verstikkende instituties die het intiemste van de persoon of de gemeenschap schenden, en dat uiteindelijk kan leiden tot ongevoeligheid en onderdrukking van het licht en het vuur van de Geest. Dan weer in het belang van verschillende vormen van verlichting en extatisme dat het principe zelf van de traditie en de hiërarchische autoriteit verwerpt, alsook de sacramentele vormen…Gans het leven van de Kerk wordt doordrongen door deze dubbele aanwezigheid en van deze wederzijdse invloed van Christus en de Heilige Geest.

 In het eerste stadium van het christelijk leven, worden wij door het doopsel en de zalving geënt  op het Pasen en het Pinksteren van ons heil. Het leven van een christen zal slechts een progressieve nooit aflatende verwerkelijking moeten doormaken. Het permanente teken van dit steeds hernieuwde doopsel in de Heilige Geest situeert zich in  de wekelijkse bijeenkomst van de Kerk in de Eucharistie. Indien  het doopsel ons ent op het Lichaan van Christus en onze spirituele gevoelens opwekt, dan is het de Eucharistie die ons het noodzakelijke voedsel geeft die ons elke dag meer en meer doet groeien. Op haar beurt, is de Eucharistie de plaats waar de onzichtbare band en de wederkerige dienstbaarheid van Christus en de Geest het sterkst voelbaar is.

Men heeft dikwijls de neiging om in de Eucharistie slechts het christocentrisch 

aspect te zien, van de ‘reële tegenwoordigheid’ van Christus. Dit is waar en

evident en het staat ook centraal, maar wat is de plaats en de actie van de

Heilige Geest in het eucharistisch mysterie, dat de kerk vormt en haar behoudt

in het zijn, in haar levendigheid en het leven ? Op elk moment van de

Eucharistie is de Geest aanwezig en aan het werk, Hij is de meester van Zijn

gaven, hij realiseert de tegenwoordigheid van Christus.

 Vóór de consecratie wordt de Geest aanroepen over de bedienaars en de gelovigen opdat zij zouden gezuiverd worden en geen hindernis zouden vormen voor de consecratie van de eucharistische gaven.

 Gedurende de consecratie is de epiclese het moment bij uitstek van de aanroeping van de Heilige Geest over het brood en de wijn van de offerande, maar ook en terzelfder tijd over de ganse gemeenschap, in een voortdurend Pinksteren dat zich voortzet in de Kerk, van Eucharistie naar Eucharistie.

 Na de consecratie bidt de Kerk dat God de vruchten van de Geest zou verlenen : ‘ voor de reiniging van de ziel, de vergeving van de zonden, tot gemeenschap met de Heilige Geest, tot de volheid van het Koninkrijk Gods maar niet tot vonnis of veroordeling’ (epiclese van de Heilige Johannes Chrysostomos), ‘Wij allen hebben deel aan het ene Brood en de ene Kelk. Doe ons één worden met elkander in de gemeenschap van de ene Heilige Geest….(epiclese van de byzantijnse liturgie van de heilige Basilios).

 Het gebed over de nederdaling van de Heilige Geest is een gebed die evenzeer de gemeenschap zelf aangaat als de eucharistische elementen. De verandering van de gaven doet zich voor in het vooruitzicht van de communie van de gelovigen aan de goddelijke mysteriën. Deze epiclese is dus een gebed van eenheid (Heilige Basilios), want de Heilige Geest is de Geest van Pinksteren waar allen bijeen waren, zij waren één van hart en ziel (cf Hand.2,42). Deze eensgezindheid van de primitieve apostolische gemeenschap blijft voor altijd een voortdurende icoon van de betekenis van de Eucharistie, van de leitourgia, de gemeenschappelijke actie van dankzegging en communio voor het goddelijk leven.

 De consecratie heeft haar hoogtepunt in de eucharistische communie, en deze zelfde Geest, die neerdaalt over de gaven en ze omvormt tot het Ware Lichaam en Ware Bloed van Christus, omvormt ook ons door dezelfde beweging van heiliging in Lichaam en Bloed van Christus en in Tempels van Zijn levengevende Geest. Men kan niet genoeg het gevaar onderstrepen dat men de consecratie zou gaan isoleren , enerzijds van de trinitaire context

En anderzijds van het doel : de heiliging van de kerkelijke gemeenschap die geroepen is om zich totaal om te vormen  in een tempel van de reële tegenwoordigheid  van de Heilige Drie-eenheid, als ‘teken’ van liefde en eenheid. Het is dus van belang dat men altijd voor ogen houdt dat noch de Eucharistie wordt geïsoleerd, noch dat de consecratie als een apart gegeven wordt beschouwd, noch dat de epiclese wordt begrepen als iets dat gescheiden is van gans het leven van de Kerk. Deze is volledig een voordurende Eucharistie, waar de Kerk zich haar bruidegom in herinnering brengt , Zijn gedachtenis in ere houdt, deze van de Passie, de Verrijzenis, de Hemelvaart, waar zij zich verenigt met de hemelse voorspraak van de hogepriester Jezus bij de Vader, waar zij tenslotte, ten aanzien van de wereld, met vertrouwen de Glorierijke Wederkomst van Christus verkondigt, de Rechter over de levenden en de doden. Deze blijde bevestiging van de komst en de tegenwoordigheid van de Verrezen en glorievolle Christus verkondigt de Kerk in aanwezigheid van de Heilige Geest. De aanroeping van de Geest, de vurige smeking van de gemeenschap tijdens de epiclese is dus méér dan een moment van de Eucharistie, het is zelfs het hoogtepunt; het is een essentiële dimensie van de Eucharistie in haar geheel, van gans het leven van de Kerk, het is een zich plaatsen onder de hoede van en een vernieuwende onderwerping aan de levengevende  Heilige Geest, een totale en liefdevolle gehoorzaamheid aan de Geest van God. Het is in deze volledige beschikbaarheid, in deze stilte dat de ontmoeting met de verheerlijkte Christus wordt gerealiseerd  en dat de Geest ons wordt medegedeeld. Dat de Geest wordt voorgesteld in de Kerk, volgens de belofte van de Verlosser.

 Maar de liturgische en spirituele ervaring van de Kerk vermeldt niet één epiclese, één aanroeping tot de Heilige Geest, maar wél twee verschillende epiclesen tegelijk en onscheidbaar : in de eerste, smeekt de Kerk – het Lichaam van Christus – om de komst van de Heilige Geest : het is een klassieke vorm van de pneumatologische epiclese. In de tweede, de chistologische epiclese, kondigt de Kerk – Tempel van de Heilige Geest, aan de wereld de komst van Christus de Heer aan, zij verwacht Hem en roept : Maranatha, Kom Heer Jezus !’.

 Door de Geest te aanroepen, indentificeert de Kerk zich met Christus de Hogepriester, verenigt zich met zijn priesterlijk gebed, deze van de Passie en deze van de hemelse Glorie,  neemt deel aan de hemelse voorspraak van Jezus bij de Vader voor de wereld, wordt aldus de plaats van de aanwezigheid van de Geest van de Vader, de Trooster, die de welwillendheid en de verzoening manifesteert van de Vader met de mensen.

 Door de heilige Geest in het diepste van zichzelf te ontvangen wordt de kerk op intieme wijze met Hem verbonden door de uitstorting van Zijn gaven, in deze mate dat de Geest zelf ‘voor ons smeekt met onuitsprekelijke verzuchtingen’ (Rom.8,26) ‘die ons doet uitroepen : Abba, Vader . De Geest zelf getuigt dat wij kinderen van God zijn (Rom.8,15-16), die wacht en bevestigt dat de Heer Jezus komende is. Het is in de Geest dat de Kerk de Bruid is, versierd en mooi gemaakt  met Zijn gaven, geïnspireerd en ontvlamd door de Geest in haar ongeduldige verwachting van de wederkomst van Christus Jezus in ons : ‘En de Geest en de Bruid zeggen : Kom ! En hij die het hoort, zegge : Kom ! Wie dorst heeft kome !  Wie wil, neme het water des levens, om niet !…Hij die dit alles betuigt, Hij zegt : Ja, Ik kom haastig ! Heer Jezus, kom ! (Openb.22, 17,20).Alle structuren van de Kerk worden bepaald door deze dubbele bemiddeling : van de Zoon in de Geest en van de Geest in de Zoon, door deze dubbele reële aanwezigheid van de Heer Jezus en van de Trooster, en in hen en door hen, door de ontmoeting met de Vader, bron en einddoel van de trinitaire communio.

 Er is in de Kerk een fundamenteel evenwicht, maar het wordt niet voor eens en altijd verworven voor iedereen. Het moet telkens vernieuwd worden : tussen het principe van de traditie, de gehoorzaamheid, de orde, de sacramentele vormen,de liturgie enerzijds, en de vrijheid, de schepping,  de eigen verantwoordelijkheid, de onherleidbare onkreukbaarheid van de menselijke persoon, van de locale gemeenschap, van de goddelijke genade die de vormen verinnerlijkt, de plaatsen, de tijden, die een verticale relatie verzekert tussen de persoon en God, tussen de locale bijeenkomst en de Meester. Het is in deze zin dat de inspiratie van de Geest altijd moet hernieuwd worden, het kan niet worden gesystematiseerd, maar ze incarneert  zich telkens opnieuw. De waarheid is altijd levendig, nooit geheel in overeenstemming met de dogmatische formules en met de regels van het geloof die ze uitdrukt en omsluit.

 Elke poging om de Geest onder het gezag te brengen van een menselijke autoriteit, zelfs een plaatsvervanger of een vervanger, een vertegenwoordiger van Christus, gaat voorbij aan de legitieme aanspraken van de hiërarchie, schept een on-evenwicht en een diepe malaise  binnen het leven zelf van de kerkelijke eenheid, vanwege de profetische charismata welke de Geest van God opwekt bij de leken, van de toegang van deze tot het koninklijk en profetisch priesterschap in de Kerk door het doopsel, hetzij in het uiterlijk leven van de Kerk door de tragedie van de schisma’s die de historische en zichtbare éénheid van het Lichaam van Christus verbreken en die evolueren volgens hun eigen wet, afgesneden van de levenskracht van de wortels van de Kerk, door een vermindering van geloof en van de volheid van de middelen tot heiligheid.

 Een gezonde theologie van de Heilige Geest verzekert ons een evenwicht tussen de clerus en de leken, in een unieke concelebratie rond de eucharistische tafel, het doet de geheiligde staat  van de leken weer de spontane zin voor de volle verantwoordelijkheid binnen de Kerk terug vinden, voor zijn leven en de heiliging van de Kerk. Het is in de context van deze volledige inzet van de leken dat zich de uitoefening van de apostolische autoriteit welke de bisschop en de hiërarchie bezit, zich situeert. Deze autoriteit vergt een vrije en souveraine aanhankelijkheid van het Godsvolk, en het is de mate van die vrije verantwoordelijkheid dat de vrije en volle autoriteit van de bisschop over de Kerk zal bepaald worden, een autoriteit die een dienst is in nederigheid, liefde, armoede, vereenzelviging met kleinen en armen (de Goede Herder, de voetwassing).

 Zeker, het gebed van de Kerk is dit van de apostelen en hun opvolgers, maar het is vooral een echo van de hemelse voorspraak van Christus, waarvan de Geest het loon  is, de gave en het getuigenis. Als object van het hemelse gebed van de verheerlijkte Christus is de Geest het object (en subject) van het gebed van de ganse Kerk. De epicletische dimensie, de relatie van totale onderworpenheid en afhankelijkheid tekent geheel het Lichaam van de verrezen Christus, in de eenheid en uniciteit van het Koninklijk Priesterschap van de Kerk. De apostelen en hun opvolgers zijn alleen bevoegd , niet om te bidden, maar om voor te gaan in het gemeenschappelijk gebed van de Kerk, om de continuïteit te verzekeren en te dienen in de tijd. Maar deze eensgezinde en voortdurende epiclese van de Kerk, haar openheid op de Heilige Geest en haar verwachting, bepalen niet minder het apostolaat en de hiërarchische successie die eruit voorvloeit.

 Het Woord is de garantie dat het wel degelijk de Geest is die handelt,  het identificeert zich ermee in de gave van de  onderscheiding der geesten. Maar het Woord onderwerpt als zodanig de Geest niet aan de hiërarchie of aan de instituties. De Heilige Geest wekt ook vandaag nog profetische charisma’s op die in conflict kunnen geraken met de hiërarchie, die bevestigd werden,maar niet onfeilbaar zijn. Ze kunnen opgeroepen worden tot berouw en zij kunnen ook het oordeel van God ondergaan. Het profetisme is evenzeer inherent aan de Kerk als het koninklijk priesterschap, of beter gezegd : het bepaalt één van de essentiële en onvervreemdbare aspecten van de Priesterlijke Zalving van de Kerk door de Heilige Geest op Pinsteren. Het profetisme is een karakteristiek  merkteken van de authenticiteit en de permanente en souvereine aanwezigheid van de Geest. Deze is een Geest van dienstbaarheid, maar de goddelijke dienstbaarheid  is niet altijd en in alles die van de gevestigde hiërarchie.

 

IV   DE HEILIGE GEEST IN DE MENS

 

 a) De Heilige Geest is niet alleen het doel van ons gebed, Hij is er der oorsprong van, de kracht, de bezieler, de inspiratie. Hij is diegene die voor ons bidt, die de voorspreker is in ons en voor ons bij de Vader : ‘De Heilige Geest komt onze zwakheid te hulp. Want we weten  niet eens, wat we behoren te vragen; maar de Geest zelf smeekt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. Deze zelfde Geest doet ons roepen : Abba-Vader’ (Rom.8,  16 en 26).

 b) De Heilige Geest is ook het voorwerp van het gebed, van ons spiritueel zoeken.  Het verwerven van de Geest van God : dit is het doel van het christelijk leven (Heilige Seraphim van Sarov). Volgens een andere lezing van het Evangelie van Lucas, ons overgeleverd door de Heilige Gregorios van Nyssa, kan in de plaats van het Rijk van God, de tweede vraag (van het Onze Vader) volgende woorden omvatten: ‘ Dat uw Heilige Geest over ons kome en ons zuivert’ (Luc.11,2).

De vraag naar het Rijk Gods is dus een vraag om de Geest van Christus. Al de rest volgt eruit., het is het totale gebed, een gebed van vertrouwen, over de grenzen heen van woorden in een liefdevolle stilte.

 c) De Heilige Geest is ook diegene tot wie de christen zich richt in zijn gebed. Het gebed tot de heilige Geest is, zullen wij zeggen, het gebed om het gebed, het herstel, onze manier van bidden, de gerichtheid van ons zijn naar de dialoog.

d) De Heilige Geest, tenslotte, is de innerlijke kracht die roepingen doet ontstaan, die in het kind het verlangen naar God, zijn appèl, zacht en volhardend, doet waarnemen. Die in hem het verlangen doet ontstaan naar het priesterschap, de smaak voor de Kerk, de vreugde van Gods tegenwoordigheid, deze innerlijke ervaring. Langzaamaan zal dit appèl duidelijker worden, dwingender, het kan ook verdwijnen, afstompen. Deze zachte adem kan veranderd worden in een storm, deze waakvlam kan onvlammen als bij een hevige brand. Het bestaat in elke mens, christen of heiden, hij is altijd aan het werk. Hij vormt de mens tot het goede, tot het betere van hemzelf, tot het ware, tot de liefde, hij opent de ogen om Christus te herkennen en lief te hebben, hij wekt zijn slapend geloof op, hij sterkt het en geleid het. De Heilige Geest is de grote bouwer van de éénheid, deze innerlijke kracht die handelt als een levenskracht en die werkt en ons voortstuwt naar de volle rijpheid, hij doet mensen in overeenstemming  leven en  maakt één wat verstrooid was.

 

 V.   CONCLUSIE :

 HET OPNIEUW ONTDEKKEN VAN DE HEILIGE GEEST IN DE      

 EENHEID.

 Binnen de christelijke belijdenissen is er momenteel een diepgaande terugkeer merkbaar naar de betekenis van de Heilige Geest. Wij plukken vandaag de vruchten van een periode van terugkeer naar de bijbelse bronnen, de Vaders, de oude liturgieën, of beter gezegd : naar de Geest van de Schriften, de geest van de liturgie, naar haar communautaire betekenis, naar haar innerlijke samenhang, naar haar authentieke en realistische symboliek. In de mate van deze terugkeer naar  de aandachtige studie der bronnen zal ook de Heilige Geest meer en meer duidelijk naar voor komen. Hij verlicht, brengt vrede, hij maakt gans het lichaam van Christus, de verscheurde christenheid één.

 De religieuze literatuur, zowel katholieke als protestantse, kent een grote vooruitgang in haar belangstelling voor de Heilige Geest, en dit op verschillende niveaus : artikels, bijbelstudies, algemene  of geleerde werken. Veelvuldig zijn de studiedagen, de oecumenische sessies of de gespecialiseerde permanente commissies, retraites van priesters, dominees, studenten, leken, die de Heilige Geest kiezen als gemeenschappelijk bezinningsthema. Dit is des te meer opmerkelijk, omdat onlangs nog, de Heilige Geest de grote onbekende’ was, zoals een katholiek expert het op het Vaticaans Concilie heeft genoemd, ‘diegene, waarover men niet wist hoe erover te praten en waarvan de woorden hol klonken’. Dit aan de oppervlakte komen van de heilige Geest binnen de religieuze actualiteit heeft het concilie bereikt en veelvuldig zijn de stemmen die oproepen tot een evenwichtige theologie van de Geest. ‘In de mate, schrijft P.Laurentin, dat de Kerk een plaats weet te geven aan de Heilige Geest, treedt zij op de weg van de liefde, van het initiatief, van de dienst, van een groeiende uitstraling, van een versterking van de banden  tussen de christenen op elk hiërarchisch niveau, en ruimer gezien, van alle mensen onderling. In de mate dat zij de Geest vergeet, verstart zij in het materialisme van haar structuren en van haar wetten, zij lijkt dan vreemd aan de mensen’ (Le Figaro,14-9-64).

Een andere bisschop betreurt dat er geen enkele vermelding over de Heilige Geest te vinden is in het conciliaire schema over de Kerk : ‘ Deze lacune is een groot obstakel ten overstaan van de orthodoxen…Verwaarlozen om over de Geest te praten betekent dat men op het morele vlak blijft hangen, in plaats van zich te verheffen op het theologische…Men zegt dat de christenen getuigen zijn; dit is juist, maar de Geest is de énige getuige die door ons spreekt’ (Le monde,17-9-64).(*)

 Zeker, datgene wat in Rome en Genève gebeurt gaat ons in hoge mate aan, en men kan het zich moeilijk voorstellen dat de ‘oosterse’ Orthodoxie onbewogen zou blijven bij deze gemeenschappelijke stap vooruit van de christenheid naar een verjonging van haar kerkelijk leven door de nieuwe kracht van de Geest die ons dwingt en aanspoort. Of het gaat over de collegialiteit, of de rol van de leken, of over het huwelijk van de priesters, of de betekenis van de Schriften, of de plaats van de autoriteit en haar limieten in de Kerk, er is nog steeds een grote stap voorwaards te gaan. Momenteel hebben we er alleen een eerste aanzet toe. De Orthodoxie vertrouwt erop dat de christenen van de westerse traditie eens het essentiële van de theologie van de Heilige Geest terug zullen vinden, zullen weten te antwoorden op al deze vragen alsook op vele andere welke de moderne wereld hen stelt, met betere accenten, met een grote innerlijke evidentie.

 Maar deze zelfde problemen stellen zich met hoogdringendheid ook in de Kerken en gemeenschappen van de historisch Orthodoxe traditie. De administratieve structuren van de ‘oosterse’ Orthodoxie worden meer en meer in vraag gesteld. De massale verplaatsingen van orthodoxe volkeren, de immigraties of emigraties naar gebieden van hoofdzakelijk katholieke of protestantse regio’s  tonen de neiging, enerzijds, om de historische Orthodoxie te de-oriëntaliseren, anderzijds, heeft zij daardoor de kans om gist te zijn en het zaad voor een oecumenische dialoog en voor een innerlijke vernieuwing in het hart van de verschillende tradities zelf die met de verstrooide Orthodoxie in contact komen. In ruil daarvoor wordt van de Orthodoxie verwacht om het Orthodox geloof  opnieuw te gaan formuleren in functie van de krachtlijnen van de oecumenische dialoog, voornamelijk in een vernieuwing van het kerkelijk en sacramenteel leven, van de betekenis van het trinitaire pneumatologisch dogma, zoals het beleefd wordt in de liturgische en spirituele ervaring. Weigeren om deze canonische structuren, de ‘taal’ en de liturgische praktijk  te actualiseren zou voor de Orthodoxie zelf betekenen dat zij naar de zijkant van deze grote beweging van christelijke vernieuwing verdrongen zou worden, een vernieuwing die bezield wordt door de machtige adem van de Geest-Schepper, Zuiveraar en Levendmaker. Zich ervan  onthouden zou gelijk staan met zich te verstarren in een steriel genot van een waarheid en een schoonheid die onbekwaam is om uit te stralen, omdat het beroofd is van leven en jeugdigheid. De echte diepere betekenis van de Heilige Geest terugvinden betekent voor orthodoxen meer en meer tempels en kanalen worden waardoor de Geest kan stralen, maar waarmee hij ook zonder ophouden de wereld overstelpt,opdat de wereld zou geloven en in Hem het gelaat van Christus zou herkennen  en zo de Weg, de Waarheid en het Leven zou terugvinden. De Heilige Geest voert ons tot Christus, maar het is de Geest die ons Christus geeft in een onophoudelijk Pinksteren van liefde waarin wij leven en waarin we niet mogen ophouden om de uitstorting van de Geest af te smeken over de Kerk, en door de Kerk over de wereld.

 (Uit CONTACTS, nr 55, III-1966)

 Vertaling : Kris B

 

(*) Men mag niet uit het oog verliezen dat deze tekst een conferentie is, die in 1964 werd uitgesproken. De conciliaire schema’s waren teksten die voorbereid werden door de romeinse Tribunalen en die door de bisschoppelijke tussenkomsten van tafel werden geveegd. De decreten, vruchten van de werkzaamheden van Vaticanum II, geven een ruime plaats aan de Heilige Geest en Zijn werk in de Kerk, maar ze raken het theologisch probleem niet aan. Twintig jaar na de sluiting van het concilie zal Johannes Paulus II in zijn encycliek, die trouwens merkwaardig is, nog altijd vermijden om het probleem van het filioque aan te snijden of er een oplossing voor te zoeken.

Joh.Chrysostomos : “Wanneer u hoort over oorlogen en omwentelingen, schrik er niet van”

H. Johannes Chrysostomos (ca. 345-407), bisschop van Antiochië, daarna vanConstantinopel, Kerkleraar
Homilie over de brief aan de Romeinen, nr. 24

Chrisostomos - onbekend.jpg

Johannes Chrysostomos

“Wanneer u hoort over oorlogen en omwentelingen, schrik er niet van”

      Hoe dichter de koning naderbij komt, hoe meer je je moet voorbereiden.Hoe dichter het moment nadert waarop men de prijs aan de strijder toekent, hoebeter je moet strijden. Zo doet men ook bij de paardenrennen, hoe dichter menbij het doel komt, hoe meer men de paarden aanvuurt. Daarom zegt Paulus: “Deredding is ons meer nabij dan toen we tot geloof kwamen. De nacht loopt teneinde, de dag nadert al” (Rm 13,11-12).

      Aangezien de nacht ten einde loopt en de dag verschijnt, doen we dewerken van de dag; wij laten de werken van de nacht achter ons. Zo doet mendat in dit leven: als wij zien dat de nacht wijkt voor de dageraad en we dezwaluw horen zingen, dan maken we elkaar wakker, hoewel het nog nacht is…Wij beginnen haastig aan onze dagelijkse taken: wij kleden ons aan na de slaapvan ons afgeschud te hebben, opdat de zon ons gereed aantreft. Wat we dandoen, dat doen we nu: we schudden alle dromen van ons af, we rukken ons losvan de dagdromen over het leven, we maken ons los uit een diepe slaap enbekleden ons met het kleed van de deugd. Dat zegt de apostel ons duidelijk:”Laten we de werken van de duisternis loslaten en bekleden we ons met dewapens van het licht” (v.12). Want deze dag roept ons op tot de strijd.

      Wees niet bang wanneer u deze woorden van strijd hoort! Als het bekledenmet een zwaar harnas pijnlijk is, dan is het daarentegen aantrekkelijk om zichmet een geestelijk harnas te bekleden, want het is een harnas van licht. Danzul je stralender zijn dan de zon, en schitteren met een levendige glans, jezult veilig zijn, want het zijn wapens van licht. En dan? Worden wevrijgesteld van de strijd? Nee! Je moet strijden, maar zonder doorvermoeidheid te worden neergesabeld en zonder moeite. Want we zijn niet zozeeraan een oorlog onderworpen, maar aan een feest en aan een vreugde.

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

De heilige Fotina de Samaritaanse

Heiligenleven

De heilige Fotina de samaritaanse

 

 

 

Fotina de samaritaanse.jpg

 

De heilige Fotina de Samaritaanse

 

De heilige Fotina (Fotini) de Samaritaanse. Zij was de vrouw met wie Christus heeft gesproken bij de Jakobsput, zoals uitvoerig in het Johannesevangelie wordt verhaald. Daaruit blijkt dat zij een nogal wild leven leidde en het niet nauw nam met de waarheid. Zij werd echter getroffen door de volstrekte oprechtheid en het zelfbewuste gezag dat Christus uitstraalde. Twijfel aan haar eigen levenswandel en een onbevredigde honger naar het geestelijke, spreken uit de vraag over het gebed die zij aan Christus voorlegde. Zijn antwoorden drongen diep in haar hart en in spontaan enthousiasme laat ze haar kruik in de steek en loopt de stad rond om te juichen dat ze misschien de Messias heeft gevonden.

Zij was een vrouw uit het volk en stond bij het volk in hoge eer. Zij had vijf zusters en drie zonen, elk met een symbolische naam : Anatoli, Foto, Fotis, Paraskeva, Kyriake en Fotinos, Joses en Viktor. Zij werden gedoopt na Pinksteren en trokken met de Apostelen rond om te prediken. In Rome werden zij gevangen genomen en gemarteld, maar de martelingen bleven zonder uitwerking of er volgden wonderdadige genezingen. Slechts grof geweld kon een einde aan hun leven maken, terwijl Fotina zelf, nadat zij door een verschijning van Christus genezen was, later in de gevangenis stierf. Met haar stierven ook Sebastianos en Christodoulos.

 

Uit : Heiligenleven voor elke dag. Uitg. Orthodox klooster Den Haag