Thomas Merton – what is contemplation
(Engels)
Dit is een privé christelijke blog van Kris Biesbroeck, Licentiaat Theologie en filosofie. De inhoud van blog : Theologie, filosofie, Kerkvaders, Heiligenlevens, Exegese, Augustinus,enz… Alles wat sinds 2007 op de site is verschenen kan hier teruggevonden worden bij de Categorieën (bij het begin van de site) HET ADRES VAN DE SITE IS : CHRISTELIJKEINFORMATIEBRON.WORDPRESS.COM.
Thomas Merton – what is contemplation
(Engels)
26e zondag na Pinksteren
Parochiefeest en feest van de Heilige Andreas de eerstgeroepene

Heilige Apostel Andreas
Lezingen :
Eerste lezing :
De wapenrusting van God
10] Ten slotte, zoek uw kracht bij de Heer en zijn almacht. [11] Trek de wapenrusting* van God aan om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel. [12] Want* onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis* en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse* regionen. [13] Grijp daarom naar de wapenrusting van God om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad en staande te blijven, strijdend tot het einde. [14] Stel u op, de waarheid als een gordel om uw middel, de gerechtigheid als een pantser om uw borst, [15] de ijver voor het evangelie van de vrede als schoeisel aan uw voeten. [16] Draag steeds het schild van het geloof, waarmee u alle brandende pijlen van het kwaad kunt doven. [17] Draag ook de helm van de redding en het zwaard van de Geest, dat wil zeggen, het woord van God.
Evangelie:
[18] Een aanzienlijk man stelde Hem deze vraag: ‘Goede meester, wat* moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?’ [19] Jezus zei tegen hem: ‘Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed, alleen God. [20] De geboden kent u: geen echtbreuk plegen, niet doden, niet stelen, niet vals getuigen, en uw vader en uw moeder eren.’ [21] ‘Aan dat alles heb ik mij van jongs af gehouden’, zei de man. [22] ‘Dan rest u nog één ding’, zei Jezus tegen hem. ‘Verkoop alles wat u hebt, deel het uit aan de armen, en u hebt een schat in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.’ [23] Toen hij dit hoorde werd hij diep bedroefd, want hij was buitengewoon rijk. [24] Toen Jezus zag dat hij diep bedroefd werd, zei Hij: ‘Wat is het voor mensen met geld toch moeilijk om het koninkrijk van God binnen te komen. [25] Een kameel komt gemakkelijker door het oog van een naald dan een rijke in het koninkrijk van God.’ [26] ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ vroegen de toehoorders. [27] Hij zei: ‘Wat menselijk gezien onmogelijk is, is mogelijk dankzij God.’
De Goddelijke Liturgie van de Heilige Basilius (4e eeuw)
Eucharistisch gebed, 1e deel

Basilios de Grote
“Ga uit naar wegen en akkers… om mensen binnen te laten komen; want mijn huis moet vol zijn”
Heilig, heilig, heilig, U bent waarlijk heilig, Heer onze God, er is geen enkele beperking aan uw grootheid: U hebt met recht en gerechtigheid over alle dingen beschikt. U hebt de mens gevormd met het slijk van deze aarde, en U hebt hem vereerd met het beeld van God zelf, U hebt hem in het Paradijs vol met heerlijkheden geplaatst en hem de onsterfelijkheid en de vreugde van eeuwige goederen beloofd, als hij zich aan de geboden hield. Maar hij heeft uw gebod overtreden, ware God, en verleid door de sluwheden van de slang werd hij slachtoffer van zijn eigen zonde, hij heeft zich aan de dood onderworpen. Door uw rechtvaardige oordeel werd hij van het Paradijs verbannen naar onze wereld, teruggestuurd naar de aarde waaruit hij getrokken werd.
Maar U regelde voor hen het heil door de nieuwe geboorte in Christus, want U hebt uw schepsel, dat U in uw goedheid had geschapen, niet voor altijd verworpen; U hebt op vele wijzen met de grootheid van uw barmhartigheid, over haar gewaakt. U hebt de profeten gestuurd, U hebt wonderen gedaan door heiligen, die U in iedere generatie aangenaam waren; U hebt de Wet gegeven om ons te redden; U hebt engelen aangesteld om over ons te waken.
Toen de volheid der tijden kwam, hebt U tot ons gesproken door uw eniggeboren Zoon, door wie U het universum hebt geschapen; Hij is de schittering van uw glorie en het beeld van uw natuur; Hij draagt alles door zijn machtige woord; Hij heeft niet zijn gelijkheid aan God opgeëist, maar de God van de eeuwigheid is op aarde verschenen, Hij heeft met de mensen geleefd, is vlees geworden door de Maagd Maria, heeft zijn toestand als slaaf aanvaard, heeft ons gebrekkig lichaam aangenomen, om ons gelijk te maken aan zijn verheerlijkt lichaam (Heb 1,2-3;Fil 2,6-7;3,21).
Aangezien door de mens de zonde in de wereld gekomen is, en door de zonde de dood, heeft uw eniggeboren Zoon, Hij die eeuwig in uw schoot was, O Vader, maar die uit een vrouw geboren is, het zich tot taak gesteld om de zonde in zijn lichaam te veroordelen, opdat zij die in Adam stierven, het leven in Christus hadden (Rm 5,12;8,3). Door in deze wereld te leven heeft Hij ons heilsvoorschriften gegeven, en heeft Hij ons afgekeerd van de vergissingen van de afgoden, en heeft ons gebracht tot het kennen van U, ware God. Daardoor heeft Hij ons voor zich gewonnen als een uitverkoren volk, een koninklijk priesterschap, een heilige natie (1P 2,9).
25e zondag na Pinksteren

LEZINGEN :
Hebreeën 9,1-7 :
Toch had ook het eerste verbond liturgische voorschriften en zijn eigen, aardse heiligdom. Er was een eerste tent ingericht die de kandelaar en de tafel met de toonbroden bevatte; die noemde men het heilige. Achter het tweede voorhangsel was een tent die het allerheiligste werd genoemd. Daar stonden een gouden reukofferaltaar en de ark van het verbond, geheel met goud overtrokken, waarin zich een gouden vaas met het manna, de staf van Aäron die gebloeid had, en de tafelen van het verbond bevonden. Boven de ark waren de cherubs van de heerlijkheid, die het verzoendeksel overdekten. Wij kunnen hier nu niet verder op ingaan.
In het aldus ingerichte heiligdom gaan de priesters bij de uitoefening van de eredienst geregeld de eerste tent binnen, maar de tweede wordt alleen door de hogepriester betreden, slechts eenmaal per jaar, en niet zonder het bloed dat hij opdraagt voor zichzelf en voor de tekortkomingen van het volk.
Evangelielezing :
Lucas 10,38-42,11,27-28
Bij Marta en Maria
Op hun reis ging Hij een dorp in. Een vrouw, Marta genaamd, ontving Hem. Zij had een zuster die Maria heette. Die kwam aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden. Marta had het heel druk met bedienen. Ze ging naar Jezus toe en vroeg: ‘Heer, laat het U koud dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dat ze mij komt helpen.’ De Heer gaf haar ten antwoord: ‘Marta, Marta, je maakt je bezorgd en druk over van alles, maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en dat zal haar niet worden ontnomen.’
Gelukwensen
Tijdens zijn toespraak verhief een vrouw uit de menigte haar stem en riep Hem toe: ‘Gelukkig de schoot die U heeft gedragen, en de borsten waaraan U hebt gezogen.’ ‘Inderdaad,’ zei Hij, ‘gelukkig zij die het woord van God horen en het bewaren.
H. Basilius (ca 330-379), monnik en bisschop van Caesarea in Cappadocië, kerkleraar
Grote Monastieke Regels § 3 (vert. Sionline)

“Dit is het … eerste gebod. Het tweede is daarmee gelijkwaardig”
Wij hebben het voorschrift ontvangen om onze naaste lief te hebben als onszelf. Maar heeft God ons niet ook een natuurlijk vermogen gegeven om dit te doen?… Niets behoort zo wezenlijk tot onze natuur als het feit, dat wij sociale wezens zijn, dat wij elkaar nodig hebben en dat wij onze soortgenoten beminnen. De Heer zelf heeft in ons de kiem van deze eigenschappen gelegd en vraagt nu ook consequent de vruchten ervan, want Hij zegt: “Een nieuw gebod geef Ik u: Bemin elkander ” [Joh 13,34].
Toen Hij onze ziel wilde opwekken tot het vervullen van dit gebod, vroeg Hij, als herkenningsteken van zijn leerlingen, geen tekenen of wonderen (ook al had Hij hun de macht gegeven om uit de kracht van de Heilige Geest wonderen te doen), maar wat zegt Hij? “Hieraan zullen allen erkennen, dat jullie mijn leerlingen zijn, wanneer jullie elkander liefhebben” [Joh13,35]. En deze twee geboden verbindt Hij zo nauw met elkaar, dat Hij de weldaad aan de naaste bewezen op Zichzelf betrekt. “Want Ik was hongerig,” zegt Hij”, en u hebt Mij te eten gegeven, enzovoort.” En Hij voegt eraan toe: “Wat u voor één van mijn geringste broeders hebt gedaan, dat hebt u voor Mij gedaan” [Mt 25,35.40].
Daarom is het ook mogelijk het tweede gebod te onderhouden, doordat men het eerste onderhoudt, en door middel van het tweede gebod weer terug te keren tot het eerste. Degene, die de Heer bemint, bemint derhalve ook zijn naaste. “Zo iemand Mij liefheeft,” zegt de Heer, “zal hij mijn woord onderhouden,” [Joh 14,23] en even verder: “Dit is mijn gebod: Heb elkander lief zoals Ik u heb bemind” [Joh 15,12]. En men kan dit omkeren en zeggen: Wie zijn naaste bemint, die vervult ook de liefde die hij tegenover God verplicht is, want God aanvaardt deze weldaad alsof het aan Hemzelf bewezen was.
.
H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, kerkleraar
Hymne over de verrijzenis

Isaak de Syrier
“Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd”
Jezus, onze Heer, Christus,
is aan ons verschenen uit de schoot van zijn Vader.
Hij is gekomen en heeft ons uit de duisternis getrokken
en heeft ons verlicht met zijn vreugdevol licht.
De dag is voor de mensen begonnen;
de macht van de duisternis is verjaagd.
Uit zijn licht is voor ons een licht opgegaan
dat onze verduisterde ogen heeft verlicht.
Hij heeft zijn heerlijkheid over de wereld laten opgaan
en heeft de diepste afgronden verlicht.
De dood is vernietigd, aan de duisternis is een einde gekomen.
De poorten van de hel zijn in stukjes.
Hij heeft alle schepselen verlicht,
die verduisterd waren sinds oude tijden.
Hij heeft de redding verwerkelijkt en ons het leven gegeven;
Vervolgens zal Hij komen in zijn heerlijkheid
en zal Hij de ogen van allen die op Hem hebben gewacht, verlichten.
Onze Koning komt in zijn heerlijkheid:
laten we onze lampen aansteken, laten we Hem tegemoet gaan (Mt 25,6);
verheugen we ons om Hem zoals Hij zich verheugt om ons
en ons verheugt door zijn heerlijk licht.
Mijn broeders en zusters, sta op, maak u gereed
om dank te brengen aan onze Koning en Redder
die zal komen in zijn heerlijkheid en ons zal verheugen
met zijn vreugdevol licht in het Koninkrijk.
H. Gregorius de Grote (ca. 540-604), paus en kerkleraar
Homilie over de Evangeliën, 12 ; PL 76, 1119-1120

Gregorius de Grote
“Onze lampen gaan uit”
“De vijf domme meisjes namen wel hun lampen mee, maar geen olie. Maar de verstandigen namen ook olie mee in kruiken, niet alleen lampen.” Olie betekent hier de glans van de heerlijkheid; de lampen zijn onze harten, waarin we al onze gedachten dragen. De verstandige meisjes dragen olie in hun lampen, omdat ze in hun geweten de glans van de heerlijkheid bewaren, zoals Paulus het zegt: “Wat onze heerlijkheid maakt is het getuigenis van ons geweten” (2Kor 1,12). De dwaze maagden daarentegen hebben geen olie bij zich, omdat ze hun heerlijkheid niet in het geheim van hun hart dragen, dat wil zeggen,dat ze de lofzangen van anderen vragen.
“Midden in de nacht klonk er geroep: ‘Daar is de bruidegom! Ga hem tegemoet!’” Toen stonden alle meisjes op. Maar de lampen van de domme meisjes gingen uit door hun werken, die van buitenaf stralend hadden geleken in de ogen van de mensen, maar van binnen niet meer dan duisternis bleken te zijn bij de aankomst van de Rechter; en ze ontvangen van God geen enkele beloning, ze hadden deze geliefde lofzangen voor zichzelf al van de mensen ontvangen.
.
H. Basilius (ca 330-379), monnik en bisschop van Caesarea in Cappadocië, kerkleraar
Grote monastieke Regels, proloog

Basilios van Caesarea
God roept ons onvermoeibaar op tot bekering
Tot wanneer zullen we het uitstellen om te gehoorzamen aan Christus, die ons in zijn hemels Rijk roept? Is het niet nodig dat we ons reinigen? Is het niet nodig dat we ons herstellen door het gewone leven te verlaten en door het Evangelie tot in de diepte te volgen?…. Wij doen alsof we het Rijk van God wensen, maar bekommeren ons niet over de middelen om het te bereiken.
Nog beter gezegd, in de ijdelheid van onze geest en zonder de minste moeite te doen om de geboden van de Heer te onderhouden, geloven we dat we waardig zijn om dezelfde beloningen te ontvangen, als zij die weerstand aan de zonde hebben geboden tot aan de dood. Maar wie heeft tijdens de zaaitijd thuis kunnen zitten en slapen en heeft vervolgens armen vol arenschoven verzameld ten tijde van de oogst? Wie heeft de wijnoogst gedaan zonder de wijngaard te hebben geplant en gecultiveerd? De vruchten zijn voor hen die moeite gedaan hebben; de beloningen en de kroning voor hen die overwonnen hebben. Heeft men ooit een atleet gekroond die zelfs niet zijn kleren heeft uitgetrokken om zijn tegenstander te verslaan? En toch, moet men niet alleen overwinnen, maar ook “strijden volgens de regels”, zoals Sint Paulus het zegt (2Th 2,5), dat wil zeggen volgens de geboden die ons gegeven zijn…
God is goed, maar ook rechtvaardig…: “De Heer houdt van barmhartigheid en van gerechtigheid” (Ps 32,5). Daarom Heer, zal ik uw barmhartigheid en uw gerechtigheid bezingen (Ps 100,1)… Zie met welk onderscheid de Heer de barmhartigheid gebruikt. Hij is niet barmhartig zonder beproevingen. En Hij oordeelt niet zonder medelijden, want “de Heer is barmhartig en rechtvaardig” (Ps 114,5). Laten we van God dus geen vertekend idee hebben; zijn liefde voor de mensen moet geen voorwendsel tot verwaarlozing zijn.
.
H. Clemens van Alexandrië (150- ca 215), theoloog
De Pedagoog, I, 21-24

Clemens van Alexandrië
“Wie dit kind ontvangt in mijn Naam, ontvangt Mij”
“Hun kleine kinderen, zegt de Schrift, zullen op de schouders gedragen worden en op de knieën getroost. Zoals een moeder haar kind troost, zo zal Ik u ook troosten” (Jes 66, 12-13). De moeder trekt de kinderen naar zich toe en wij zoeken onze moeder, de Kerk. Al het zwakke en tere, wiens zwakheid hulp nodig heeft, is gracieus, zacht en charmant; God weigert zijn redding niet aan zo’n jong wezen. Ouders wijden een bijzondere tederheid aan hun kleinen… Zelfs de Vader van heel de schepping ontvangt hen die bij Hem schuilen, herstelt ze door de Geest en adopteert hen als kinderen; Hij kent de zachtheid en zij zijn de enigen van wie Hij houdt, die Hij redt, en verdedigt; het is waarom Hij ze kleine kinderen noemt (cf. Joh 13,33)…
De Heilige Geest, die spreekt door de mond van Jesaja, past op de Heer zelf de term van klein kind toe: “Zie ons is een kind geboren, een zoon is ons gegeven…” (Jes 9,5). Wie is dat kleine kind, het pasgeborene, naar wiens beeld we allemaal kleine kinderen zijn? De heilige Geest beschrijft voor ons door dezelfde profeet zijn grootheid: “Bewonderenswaardige Raadsman, machtige God, Eeuwige Vader, Prins van Vrede” (v.6).
O, grote God! O volmaakt kind! De Zoon is in de Vader en de Vader is in de Zoon. Zou de opvoeding dat dit kleine kind geeft, niet volmaakt zijn? Zij bevat alles om ons, zijn kleine kinderen, te leiden. Hij heeft zijn handen over ons uitgespreid en wij hebben in die handen heel ons geloof gelegd. Van dat kleine kind legt Johannes de Doper ook getuigenis af: “Zie, zegt hij, het Lam van God” (Joh 1, 29). Omdat de Schrift alle kleine kinderen lammetjes noemt, heeft hij het Woord van God ‘Lam van God’ genoemd, die voor ons mens geworden is en gelijk aan ons heeft willen zijn, Hij, de Zoon van God, het kleine kind van de Vader.
Heiligenleven
De heilige Alban

De heilige Alban, de eerste martelaar van Groot-Britannië. In de eerste tijd drong de vervolging nog niet door tot Engeland, en dat droeg er zeker toe bij dat zich daar vrij veel gelovigen uit zuidelijker streken vestigden. Ook bij de bekering van koning Lucius vermeerde het aantal christenen. Maar onder Diokletiaan begon aan die rust een einde te komen, er vielen slachtoffers, waaronder Alban de eerste en beroemdste was.
Hij behoorde tot een in de belangrijkste britse stad Verulamium ( nu Saint-Albans) gevestigde romeinse familie, en zijn opvoeding had hij in Rome genoten. Later was hij zelf een der belangrijkste burgers van die stad. Hij was edelmoedig, reeds in zijn heidense tijd, met een open hart voor ongelukkigen, en toen de vervolging in Engeland begon uit te breken gaf hij onderdak aan een gevluchte priester. Hij kwam zo onder de indruk van diens zichtbare Godsliefde toen hij toevallig getuige was geweest van diens nachtelijke gebeden, dat hij zich door hem liet onderrichten en dopen. Toen de aanwezigheid van de priester verraden werd, en een groep soldaten hem kwam ophalen, trok Alban de lange mantel van de priester aan en bood zichzelf aan de soldaten als de man die zij zochten.
Toen voor het gerecht het bedrog uitkwam, gebeurde het onvermijdelijke : Alban werd na foltering ter dood veroordeeld. De aangewezen beul wilde dit vonnis niet voltrekken en verklaarde eveneens christen te willen zijn. Zij werden samen gedood, ongeveer in 304. Volgens latere onderzoekingen zou dit echter reeds in 209 gebeurd zijn. Direct nadat de kerkvrede gesloten was, werd op de plaats van hun terechtstelling een kerk gebouwd ter ere van de heilige Alban.
Uit : ‘heiligenlevens voor elke dag’, uitg.orth.klooster Den Haag
18e zondag na Pinksteren
“Heb uw vijanden lief”

LEZINGEN :
Eerste lezing :Kol.4,5-11;14-18
Gedraag u verstandig jegens de buitenstaanders. Benut de gunstige gelegenheid. Laat uw spreken steeds innemend zijn, met een vleugje zout erbij, zodat u iedereen het juiste antwoord weet te geven.
Mededelingen, groeten, zegenwens Tychikus, onze geliefde broeder, mijn trouwe helper en mededienaar van de Heer, zal u volledig inlichten over mijn omstandigheden. Juist daarom stuur ik hem naar u toe, opdat u verneemt hoe het ons gaat en hij u mag vertroosten. Met hem stuur ik Onesimus, onze trouwe en geliefde broeder, die een van uw mensen is. Zij zullen u op de hoogte brengen van alles wat hier gebeurd is. De groeten van Aristarchus, mijn medegevangene, en Marcus, de neef van Barnabas, over wie u al aanwijzingen hebt gekregen; ontvang hem goed, als hij bij u komt. Eveneens groet Jezus u, ook Justus genaamd. Van de besnedenen zijn zij de enigen die met mij werken voor het koninkrijk van God; ze zijn voor mij dan ook een grote troost geweest
Mijn vriend Lucas, de arts, groet u, en Demas. Groet de broeders te Laodicea, en Nymfa en de gemeente die in haar huis samenkomt. En wanneer deze brief bij u is voorgelezen, zorg dan dat hij ook in de gemeente van Laodicea wordt voorgelezen, en dat u de brief uit Laodicea te lezen krijgt. Zeg tegen Archippus: ‘Zorg ervoor dat u de taak goed vervult die u omwille van de Heer op u genomen hebt.’ Eigenhandige groet van mij, Paulus. Denk aan mijn boeien! De genade zij met u.
Evangelie : Lucas : 6,31-36
Behandel de mensen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. Als jullie je vrienden liefhebben, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook de zondaars hebben hun vrienden lief. En als jullie je weldoeners weldoen, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook de zondaars doen dat. En als jullie lenen aan mensen van wie je iets terugverwacht, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook zondaars lenen aan zondaars om op hun beurt hetzelfde te krijgen. Nee, heb je vijanden lief, doe wel en leen uit, en verwacht daarvoor niets terug. Dan zal er een rijke beloning voor jullie zijn: je wordt kinderen van de Allerhoogste, want ook Hij is goed voor ondankbare en slechte mensen. Wees barmhartig, zoals jullie Vader barmhartig is.
H. Caesarius van Arles (470-543), monnik en bisschop Sermon 159, 1,4-6 ; CCL 104,650
“Dat hij Mij volgt”

Caesarius van Arles (ook Caesarius Arelatensis genaamd)
Toen de Heer ons in het Evangelie zei: “Als iemand Mij wil volgen, moet hij zichzelf verloochenen”, dan vinden we dat Hij van ons iets moeilijks vraagt en we vinden dat Hij ons een zwaar juk oplegt. Maar als Degene, die het van ons vraagt, ons helpt om te vervullen wat Hij vraagt, dan is het niet moeilijk meer… Waarheen moeten we Christus volgen, behalve daar waar Hij zelf was? Wij weten dat Hij verrezen is en opgestegen naar de hemel: daar moeten we Hem heen volgen. We moeten ons zeker niet laten overheersen door de wanhoop, want wij kunnen niets uit onszelf, we hebben de belofte van Christus. De hemel was ver van ons voordat ons Hoofd er naartoe was opgeheven. Als wij voortaan ledematen zijn van het lichaam van dit Hoofd (Kol 1,18), waarom zouden we dan wanhopen om de hemel te bereiken? Als het waar is dat veel zorg en lijden op deze aarde ons overspoelen, laten we dan Christus volgen, in wie het volmaakte geluk zich bevindt, evenals de opperste vrede en de eeuwige rust. Maar de mens, die verlangt om Christus te volgen zal luisteren naar dit woord van de apostel Johannes: “Wie zegt dat hij met God verbonden is, moet zelf leven zoals Jezus geleefd heeft” (1Joh 2,6). Wil je Christus volgen? Wees nederig, zoals Hij dat was. Je wilt je bij Hem voegen in de hoge hemel? Minacht jouw nederigheid niet.
17e zondag na Pinksteren
‘De wonderbare visvangst’

2 Kor 6,16-7,1
[16] Is er enig verband tussen de tempel van God en de afgoden? Wij* zijn de tempel van de levende God. God heeft zelf gezegd: Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. [17] Daarom, ga weg uit hun midden en houd u ver van hen, zegt de Heer, en raak niets aan wat onrein is. Dan zal Ik u genadig aannemen. [18] Ik zal voor u een vader zijn en u zult voor mij zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Albeheerser.
Hoofdstuk 7 [1] Zulke beloften zijn ons gedaan, geliefden; laten wij ons dus zuiveren van elke smet naar lichaam en geest, en vol ontzag voor God onze heiliging voltooien.
Evangelie : Lucas : 5,1-11
Simon Petrus, Jakobus en Johannes geroepen
1 Toen hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, 2 zag hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen. 3 Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot. 4 Toen hij was opgehouden met spreken, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ 5 Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’ 6 En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. 7 Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken. 8 Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’ 9 Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; 10 zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’ 11 En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden hem.
Korte tijd na de opstanding van Jezus bevonden enkele discipelen zich bij het meer van Tiberias. Petrus, die Jezus verloochend had, was er ook bij. Zijn gedachten hielden zich voortdurend bezig met de mogelijkheid te herstellen, wat hij tegenover zijn meester verkeerd had gedaan.
Petrus was de leider van deze groep mannen. Hij keek eens naar de lucht, toen naar het water om te zien of de omstandigheden gunstig waren om uit ter varen. Toen zei hij: ‘Vrienden, ik ga vissen!’ De anderen wachtten reeds lang op dit woord en zeiden dan ook spontaan: ‘Goed, Petrus! Wij gaan met je mee!’
IJverig en vol enthousiasme maakten zij het schip gereed en tegen de avond voeren zij uit. Die lange nacht wierpen zij vele malen hun netten uit en haalden ze weer in, maar …. niet één vis konden zij vangen.
En in de vroege morgen keerden zij ontmoedigd en teleurgesteld naar het strand terug. Daar stond Jezus naar hen uit te kijken. Zij schonken echter nauwelijks aandacht aan hem, want zij herkenden hem op zo’n grote afstand niet.
Je moet namelijk weten dat de oosterse stranden niet zo vlak zijn als bij ons. Meestal zijn zij volklippen en rotsen. Daardoor kan een schip niet op het strand komen en moeten de mensen nog een heel eind door het water waden om de wal te bereiken. Dat was ook hier het geval en daardoor hadden de discipelen geen erg in de man op het strand.
Jezus wist van hun moeizame arbeid in de lange nacht. Hij wilde hen helpen, zoals hij dit al zo dikwijls had gedaan. Daarom riep hij hen over het water toe: ‘Mannen, hebben jullie spijzen voor mij?’
Nu moet je niet denken dat Jezus om een vis vroeg om te eten. Het teken vissen uit de dierenriem is symbool van de goddelijke liefdekracht die uit het koninkrijk van God neerdaalt en uitredt. Eigenlijk vroeg Jezus dus aan de mannen: ‘Hebben jullie voldoende liefdekracht?’
Maar de mannen herkenden hem niet en verstonden daardoor ook zijn woorden niet. Teleurgesteld riepen ze terug: ‘Nee, niets! Wij hebben niets gevangen!’
Maar Jezus deed afsof hij de teleurstelling niet merkte. Enthousiast en vol overtuiging riep hij hen toe: ‘Werp jullie netten uit aan de rechterzijde van het schip! Dan zullern jullie vinden!’ Want alles wat naar de wil van God gebeurt wordt in de heilige taal ‘rechts’ genoemd; en wat naar de wetten van deze wereld wordt gedaan heet ‘links’.
De manier nu waarop Jezus zijjn discipelen toeriep, wekte zoveel nieuwe moed in hun harten, dat zij hun schip keerden en opnieuw het meer op gingen. Midden in de golven wierpen zij hun netten aan de rechterzijde uit. Maar toen de mannen ze weer wilden ophalen, waren ze zó zwaar van vissen, dat zij ze niet aan boord konden hijsen.
Toen fluisterde één van de discipelen die Jezus zeer liefhad Petrus in het oor: ‘Het is onze heer Jezus die daar op het strand staat en ons heeft toegeroepen!‘ Een schok voer door Petrus heen. Snel keek hij of de meester er nog stond.
Ja! Daar stond hij – op dezelfde plaats! Vlug sloeg Petrus zijn opperkleed om, en stapte overboord, om door het water naar het strand en naar zijn meester te gaan. Hij kon geen ogenblik meer wachten, zo verlangde zijn hart ernaar om zijn heer weer te dienen.
De overige discipelen brachten het schip zo dicht mogelijk bij het strand, terwijl zij voorzichtig de zware netten meesleepten. Eindelijk lag het schip vast genoeg en toen konden ook de andere mannen de wal bereiken. Vlakbij Jezus zagen zij een groot houtvuur branden, waarop brood en vis lagen.
Jezus keek naar het schip en sprak: ‘Breng mij nu eerst de vissen die jullie gevangen hebben!’ Dadelijk sprong Petrus op; hij wilde met de daad bewijzen hoe zielsgraag hij Jezus weer wilde dienen.
Met inspanning van al zijn krachten sleepte hij het loodzware net naar het strand, om het aan Jezus te tonen. En hoe zwaar het ook was, het net scheurde niet! Honderddrieënvijftig vissen waren er in!
Toen Jezus dat gezien had, zei hij tot allen: ‘Komt nu en houdt de maaltijd!’ Blij schaarden de discipelen zich om hem heen. Jezus deelde het brood en de vis die op het vuur lagen aan hen uit. Het waren de heilige spijzen en de liefdekracht die hij hun reikte. En alle discipelen herkenden hem nu en voelden zich gelukkig en volkomen veilig.
Na de maaltijd richtte Jezus het woord tot Petrus. Hij vroeg hem: ‘Petrus, heb je mij waarlijk lief, meer dan uw vrienden?’ Hij had natuurlijk wel in Petrus’ hart gelezen, hoe groot het verlangen was om te herstellen wat verkeerd gegaan was! En Petrus antwoordde dan ook vol overtuiging: ‘Ja heer! U weet dat ik u liefheb!’ Ernstig keek Jezus hem aan en zei: ‘Weid mijn lammeren!’
Na enige ogenblikken vroeg hij opnieuw: ‘Petrus, hebt je mij waarlijk lief?’ En nogmaals antwoordde Petrus: ‘Ja heer! U weet dat ik u liefheb!’ ‘Hoed dan mijn schapen!’ luidde de tweede opdracht.
Daarna vroeg Jezus voor de derde maal: ‘Petrus, hebt je mij lief?‘ Petrus werd er een beetje bedroefd van. Hij dacht dat Jezus maar niet geloven kon dat hij hem liefhad. En nog eens, met al zijn overtuigingskracht antwoordde hij: ‘Heer, u weet alles! U wéét dat ik u liefheb!’ Toen sprak Jezus tor hem: ‘Weid dan ook mijn schapen!’
En met deze derde opdracht schonk Jezus zijn volle vertrouwen aan Petrus en gaf hij hem de leiding over het nieuwe werk, dat spoedig moest beginnen. Want met de ‘lammeren’ en de schapen’ bedoelde hij al de dolende en dwalende mensenkinderen in de wereld, die alleen de weg naar Huis niet konden vinden en dus beschermd en geholpen moesten worden.
Zo laat dit verhaal ons duidelijk zien dat, vóór de Broederschap het ene werkstuk onder de mensheid voltooid heeft, er al weer een nieuwe basis wordt gelegd voor het volgende werk. Want in de loop van de tijden werd telkens weer ‘een Schip’ gereedgemaakt om ‘ter visvangst‘ uit te varen.
Ook werd telkens weer ‘een visser‘ bereid gevonden om het schip te besturen! Er boden zich altijd weer ‘mede-vissers‘ aan, die de Broederschap van harte wilden dienen, om te helpen, ‘verlangende zielen te vissen uit de levenszee’.
Dat werk wordt zo goed mogelijk begonnen, vol liefde en hulpvaardigheid. Maar vaak nog, zonder dat men van binnen bewust weet hoe het werk eigenlijk gedaan moet worden. Alle krachten worden ingespannen, alle tijd wordt aan de arbeid gegeven en toch …. de netten blijven leeg.
Maar, de Broederschap waakt! En na de ervaring van de teleurstelling komt zij te hulp en leert de werkers met volhardend geduld, hoe zij moeten vissen. En eindelijk weten zij het!
‘Het net moet aan de rechterzijde worden uitgeworpen!‘ Naar de wil van God moet gevist worden en niet naar de eigen wil! En zie, dán komen de ‘vissen’ binnen! Honderd-driënvijftig tegelijk. Als we de cijfers bij elkaar optellen, krijgen we: 1 + 5 + 3 = 9.
Het getal 9 betekent in de heilige taal altijd: de gehele mensheid! Wanneer het reddingswerk ten dienste van de mensheid dus op de juiste wijze gedaan wordt, onder de hoede en de leiding van de goddelijke liefdekracht, zal de gehele mensheid gered worden.
Afbeelding: William Hole
Tekst: Jeugdbijbel van Nita Abbestee