H. Leo de Grote : “Hij die achterwaarts blikt, is niet geschikt voor het koninkrijk Gods”

H. Leo de Grote (? – ca 461), paus en Kerkleraar

Sermon 71, voor de opstanding van de Heer ; PL 54, 388

“Hij die achterwaarts blikt, is niet geschikt voor het koninkrijk Gods

 

 

Leo-papa-Romae-Primus-Feb-18.jpg

Leo de grote

 

Dierbare mensen, Paulus, de apostel van de heidenen, spreekt ons geloof niet tegen als hij zegt: “Indien wij Christus al naar het vlees gekend hebben, thans niet meer” (2Kor 5,16). De verrijzenis van de Heer heeft geen einde gemaakt aan zijn vlees, het is getransformeerd. De overvloed van zijn kracht heeft zijn substantie niet vernietigd; de kwaliteit ervan is veranderd; de natuur werd niet vernietigd. Men had zijn lichaam aan het kruis genageld: Hij is onbereikbaar geworden voor het lijden. Men had Hem ter dood veroordeeld, Hij is eeuwig geworden. Men had Hem vermoord, Hij is onaantastbaar geworden. Men kan immers zeggen dat het lichaam niet meer is zoals men het kende; want er is in haar geen spoor meer van het lijden of van zwakheid. Zij is in essentie, wat betreft de heerlijkheid, hetzelfde gebleven. Waarom zou men zich overigens verbazen dat Paulus zich zo uitdrukt naar aanleiding van het lichaam van Christus, want als hij zo spreekt over alle christenen die leven volgens de Geest, zegt hij: “Wij kennen voortaan niemand meer naar het vlees.”

Hij wil zeggen dat onze verrijzenis in Jezus Christus begonnen is. In Hem die voor allen gestorven is, heeft onze hoop een lichaam aangenomen. In ons is geen twijfel, noch aarzeling, noch een teleurgestelde verwachting: de beloftes beginnen zich reeds waar te maken en wij zien met de ogen van het geloof de genade al, welke ons in de toekomst zal vervullen. Onze natuur werd verhoogd; dus bezitten we met vreugde reeds het doel van ons geloof…

Dat het volk van God zich er dus bewust van is dat ze “een nieuwe schepping in Christus is” (2Kor 5,17). Dat dit volk begrijpt wie haar uitverkoren heeft en wie zijzelf heeft uitverkoren. Dat de vernieuwde zijnswijze niet terugkeert naar de onstabiliteit van zijn oude toestand. Dat “hij die de hand aan de ploeg slaat” niet ophoudt met werken, dat hij op het graan let dat hij gezaaid heeft, dat hij niet terugkeert naar wat hij verlaten heeft… Dat is de weg van het heil; dat is de wijze om de verrijzenis, die reeds in Christus begonnen is, na te volgen.

bron : http://www.dagelijksevangelie.org

 

de heilige Hubertus

Heiligenleven

De heilige Hubertus

Hubertus StahlstTonpl.jpg

 

Sint Hubertus werd in een paar honderd jaar tijd van bisschop een heilige. Want met elk nieuwe heiligenleven of hagiografie – het werden er zeven – kwamen er nieuwe elementen in het verhaal die samen resulteerden in de huidige legende. Lees hoe dat verliep.

Eerste levensbeschrijving
In het eerste heiligenleven uit 743 – rond de tijd dat zijn gebeente werd verheven – is hij nog een bisschop en zoon van een Voerense adellijke heer. De schrijver is iemand die waarschijnlijk de laatste levensjaren in de buurt van Hubertus heeft gewerkt. Hij meldt de deugden en verdiensten van Hubertus, maar over de ‘wonderen’ is niet duidelijk of die van Hubertus zijn. Er lijken gelijkenissen met de heiligenbeschrijving van Sint Arnulf uit Metz en die van Sint Lambertus en Sint Hyronimus.

Arnulf van Metz (582 – 640) was een Frankische edelman, die diende aan het Austrasische hof onder Theudebert II (595 – 612). In 613 was hij mede-aanvoerder van de aristocratische opstand tegen koningin Brunhilde van Austrasië, wat leidde tot haar onttroning en de hereniging van het Frankische Rijk onder Clothar II. In dat jaar werd Arnulf ook bisschop van Metz.

Van 623 was hij samen met Pepijn, toen hofmeier aan het Austrasische hof, adviseur van koning Dagobert I. Hij trad uit het openbare leven in 623 en trok zich terug in de Vogezen.

Voor hij bisschop werd, had hij drie kinderen met zijn vrouw Doda en hun oudste zoon Ansegisel trouwde met Pepijns dochter, Begga. Hun zoon, Pepijn van Herstal, was de grootvader van Karel de Grote. Arnulf wordt daarom ook gezien als de stichter van de Karolingen. Arnulf is de patroon van de bierbrouwers.
Begga stichtte rond 692 een nonnenklooster in Andenne werd patrones van de begijnen.
Bron: Wikipedia

 

In deze eerste beschrijving komen we ook Floribertus tegen. Of hij een echt kind, adoptief zoon of volgeling van Hubertus was, blijft onduidelijk.

Tweede levensbeschrijving
De tweede heiligenbeschrijving uit 825 volgt de eerste en is van de hand van bisschop Jonas van Orleans. Aanleiding was de overbrenging van Hubertus zijn stoffelijke resten naar Andage, het latere Saint Hubert. Hij fatsoeneerde het boerse Latijn van de eerste heiligenbeschrijving
en vulde hem aan met de overbrenging naar Andage.
In de periode tussen 1052 – 1256, tussen de tweede en derde levensbeschrijving, schrijft Anselmus, domheer en deken van de Sint Lambertuskerk in Luik, een kroniek waarin ook Hubertus voorkomt. Maar hij noemt geen nieuwe feiten of wonderbare zaken.

Jonas kwam uit Acquitanië en volgde in 821 Theodulph op als aartsbisschop van Orleans. Lodewijk de Vrome vroeg Jonas vaker om raad in zijn staatszaken. Hij schreef naast de heiligenbeschrijving van Hubertus – onder meer – ook een boek over de mogelijkheden van een godsvruchtig leven voor getrouwde mensen.

Wonderenverzamelingen
Er bestaan twee verzamelingen met wonderen die aan Hubertus toegeschreven worden. Ze geven ook een kijk op de historische ontwikkeling van de cultus rondom Hubertus en de
bedevaart op Andage / Saint Hubert en hoe dat daar tot welvaart leidde.
In de eerste – van rond 850 – beschrijft een monnik uit het klooster in 8 hoofdstukken de genezingen die aan Hubertus zijn toegeschreven. Van de genezing van hondsdolheid nog geen enkel spoor. Ook zijn patronaat van de jacht en de jagers is er nog niet.

Men had Hubertus beter als visser kunnen afbeelden in plaats van het het hert. Want Hubertus ging eens in een bootje mee de Maas op om palen in de rivierbodem te slaan. Daarbij sloeg één van zijn dienaren per ongeluk met de hamer op de hand van Hubertus en brak zo zijn vingers.

De volgende dag ging men gewoon vissen. Maar toen alle dienaren in de boot waren, begon het te stormen. Een hoge golf pakte het bootje midden op de rivier op brak en het in tweeën. Iedereen viel in het water. Toen Hubertus dit zag, sloeg hij zijn ogen ten hemel en bad: ‘Gij, Heer Jezus Christus, aan wie de zee en de wind gehoorzamen, wiens voeten gewichtloos over het water liepen, wiens Geest in den beginne, nog vóór de schepping van het licht, over de wateren zweefde, ik smeek U, strek Uw rechterhand naar ons uit.’

Een van de dienaren ging kopje onder, en bleef met zijn kleren aan een paal vastzitten. Tot drie maal toe trok hij eraan, maar het kwam niet los en bleef vasthaken. In doodsangst, onder water, zei hij een gebed: ‘Heer, help mij omwille van de verdiensten van Hem die de zee en het droge geschapen heeft.’ Onmiddellijk kwam hij los, en bereikte al zwemmend de oever. Allen brachten ze het er levend van af.

In de tweede verzameling uit het einde van de 11de eeuw beschrijft een andere monnik, Lambert de Jongere, 29 wonderen die aan Hubertus worden toegeschreven en zich in en om het klooster afspeelden. Naast de genezing van lammen en blinden, komt de eerste keer de genezing van de hondsdolheid aan de orde. Daarvoor wordt een stola gebruikt.

Van de 29 wonderen worden de eerste 19 in de 9de en 10de eeuw gedateerd. De andere 10 in de 11de eeuw. Bij de hondsdolheidgenezing is voor het eerst sprake van de insnijding, die bij 4 personen is toegepast. Maar het gebruik van de stola is dan al vaker het middel om van hondsdolheid te genezen. Waarschijnlijk heeft de stola al vlak na 850 zijn intrede gedaan als wonderbaarlijk hulpmiddel bij de genezing van de hondsdolheid.

Met een mesje maakt een priester een horizontaal sneetje van ongeveer 2 centimeter op het voorhoofd. Met een pincet werd de huid opgetild en een klein stukje van de stola onder de huid geduwd. Daarna werd de wond bedekt met een zwart stuk verband dat dan 9 dagen gedragen moest worden. In die periode moest de patiënt ook regelmatig bidden; de noveen.

In de tweede verzameling wonderen komt Hubertus niet alleen naar voren als heilige in samenhang met de hondsdolheidbestrijding maar ook als patroon van de jacht. Het opdragen van wild aan Hubertus komt in zwang, omdat Hubertus dat ook gedaan zou hebben….

De monnik die de tweede verzameling wonderen beschreef, schreef ook een kroniek van de abdij Saint Hubert, het zogenaamde ‘Cantatorium’ die waarschijnlijk in 1106 werd afgerond en jonger ís dan de 2de verzameling Hubertuswonderen. Ze beschrijft het leven in het klooster, de toenemende verering voor Hubertus door de wereldse heren en de bescherming die Hubertus bij hondsdolheid biedt.
Zo kwam graaf Adalbert van Namen vaker samen met zijn vrouw Ida naar Saint Hubert om Hubertus te aanbidden. Ook andere jagers (alleen de adel mocht toen jagen) knoopten aan een bezoek aan het klooster een moment van verering vast. Waarschijnlijk lieten ze ook een deel van hun jachtbuit in de abdij achter.

Derde levensbeschrijving
In de 3de heiligenbeschrijving uit de 2de helft van de 12de eeuw is een uittreksel uit de heiligenbeschrijving van Sint Lambertus die de Luikse Domheer Nicolaas rond 1143 – 1147 schreef. Met elk nieuwe heiligenbeschrijving nam het aantal wonderen en genezingen toe. Deze Nicolaas verbind ook de legende voor het eerst aan het werkelijke leven van Hubertus. Zo voorziet hij Hubertus van een Frankisch adellijk voorgeslacht en laat hij Hubertus naar de Paus in Rome reizen.
Volgens hoofdstuk 12 was Hubertus geboren in Acquitanië en paltsgraaf van koning Theodorik de 3de van Neustrië, waarmee Hubertus aansluiting vindt aan het Franse koningshuis van die tijd.

Vanwege zijn twist met de hofmeijer Ebroin ging Hubertus met Ode d`Amay, de weduwe van hertog Boggis van Acquitanië, vanuit Neustrië naar Austrasië. Terwijl Ode haar bezit verdeelt,
wordt Hubertus leerling van Lambertus en pelgrimeert naar Rome om aan het graf van Paulus te bidden. Paus Sergius krijgt een visioen van de dood van Lambertus en Hubertus ontmoet de Paus. De relatie tussen Hubertus en Ode kan niet kloppen, want ze is al dood ten tijde dat zich een en ander afspeelt. Ook de Acquitaanse komaf van Hubertus is zonder bewijs.

Met de 3de heiligenbeschrijving komt de legendevorming rondom Hubertus echt op gang. En worden de ‘historische feiten’ aan elkaar geregen. De reis samen met Ode naar Austrasië, de ontmoeting met Lambertus, de pelgrimage naar Rome, de ontmoeting met de Paus op het moment dat Lambertus vermoord wordt. Zo is de legende een onverbrekelijk verhaal
geworden.

De vierde….
De 4de heiligenbeschrijving uit de 15de eeuw zet de puntjes op de i van de legende. De bekering na het zien van het kruisdragend hert wordt toegevoegd. Als paltsgraaf van Theodorik III gaat Hubertus op een kerkelijk hoogfeest jagen in plaats van naar de kerk en ontmoet hij het hert met de kruis tussen de geweistangen dat hem zegt dat als hij zich niet bekeert, hij naar de hel zal gaan. Hubertus verlaat vrouw en kind en gaat naar Austrasië om volgeling van Lambertus te worden.

De ontmoeting met Paus Sergius uit de 3de levensbeschrijving wordt in de 4de weer verder aangedikt. Want wanneer Hubertus in de Sint Pieter in Rome komt, spreekt de Paus hem met zijn naam aan en vertelt hem van de dood van Lambertus en benoemt Hubertus tot zijn opvolger.
Hubertus bedankt voor de eer, maar een engel brengt het priesterkleed van Lambertus naar Rome. De stola ontbreekt nog, maar de Maagd Maria zorgt ervoor dat Hubertus die ook krijgt; opnieuw via een engel. Tijdens zijn bisschopswijding verschijnt Sint Petrus en geeft Hubertus een gouden sleutel.
Op hetzelfde moment wordt Lambertus in Maastricht begraven en daarbij klinkt een stem die zegt dat Hubertus als opvolger van Lambertus is aangewezen. Hubertus gaat met stola en sleutel terug naar Maastricht en wordt daar met pracht en praal ontvangen.

De stola is waarschijnlijk in 825 uit de kist van Hubertus gehaald en is in de loop der tijd van grotere beduiding geworden dan het gebeente van Hubertus; de gouddraden uit de stola hielpen immers bij de genezing van de hondsdolheid. De eerste berichten van deze toepassing staan in het 14de wonder (9de of 10de eeuw) van de 2de verzameling wonderen. Daarbij is wel sprake van een draadje uit de stola en de insnijding in de hoofdhuid waarin het draadje wordt gelegd, maar nog niet van de verplichtingen die daarna op de te genezen persoon rusten.
Dat is ook het geval bij de schrijver van de ‘Cantatorium’, eind 11de eeuw. Hij beschrijft wel het insnijden, maar nog geen beschrijving van de stola of de negendaagse noveen erna. Pas in de 15de eeuw wordt dat verhaal compleet gemaakt in de 4de levensbeschrijving. Dan is ook de stola en zijn werking in de legende ingeweven.

Net als met de stola verging het de sleutel. Pas in de 4de levensbeschrijving komt-ie op de proppen. Historisch is wel dat vanaf Paus Gregorius de Grote (590) sleutels met in het handvat een stukje van de ketting van Petrus aan vorsten, bisschoppen en kerken als geschenk werd gegeven.
Archeologisch gezien is de Hubertussleutel uit de 8ste eeuw. Het is een grote messing sleutel met een deel uit rood koper. Dat laatste is gedateerd in de 13de eeuw. Waarschijnlijk heeft Hubertus ook een sleutel gekregen en is die mee zijn graf ingegaan en in 743 of 825 uit zijn kist genomen. Nu ligt de sleutel in de Heilig Kruiskerk in Luik.

Het branden tegen de hondsdolheid is een zaak die al uit de oudheid bekend was. Waarschijnlijk is het ook in de abdij van Andage gedaan. Niet met de Hubertussleutel, maar met een brandmerk in de vorm van een jachthoorn.

Hubertus als jager en het hert zijn in de legende de jongste aanwinsten. Pas in de 2de wonderenverzameling uit de 11de eeuw verhaalt dat Hubertus een jager was. Hij zou steeds een deel van zijn jachtbuit hebben geofferd. En de toenmalige jagers deden hem dat na.
Al in de 10de e
euw komt de Hubertusverering in het bisdom Trier voor. In de 14de eeuw is dat ook het diocees Keulen een feit, want vanaf 1341 staat er in de Dom van Keulen een Hubertusaltaar gesticht door de Marktgraaf Wilhelm von Jülich. De Hubertusverering was

dus geografisch maar beperkt verspreid.
Rond 1440 voorziet een Stephan Lochner, bisschop Hubertus voor het eerst van een hert. Dan nog op een boek. En het getijdenboek van Katharina von Kleve toont tezelfdertijd – en voor het eerst – de ontmoeting van Hubertus met het kruisdragend hert. Ook twee taferelen uit 1444 en
1451 uit Keulen tonen dit beeld.

Met de overdracht van de hert van Eustatius naar Hubertus werd Hubertus allengs meer de patroonheilige van de jacht. Ook het Franse koningshuis hielp hieraan mee toen zij voor Hubertus per abuis een plaats als een hooggeboren Frankische edelman en voorvader inruimden. De Franse koning Charles VIII (1483 – 1498) heeft waarschijnlijk Hubertus als patroon van de jacht verkozen. Aan het einde van de middeleeuwen beleeft de Hubertusverering in het gebied van Nederrijn en Eifel een grote opleving. En sinds het midden van de 15de eeuw komen pelgrims uit Duitsland, Utrecht, Bourgondië en vanuit Sachsen naar de abdij in Saint Hubert.

Een extra stimulans voor de verering is de stichting van een Hubertusorde door hertog Gerhard de Tweede van Jülich-Berg op Hubertusdag van 1444. Op de beeltenis van de medaille aan de ordeversierselen staat Hubertus met het kruisdragende hert. Met die orde draagt Gerhard ook bij aan de bevestiging van de legende. Ook andere edelen dachten of hoopten dat Hubertus een van hun voorvaderen was. Zo ook keizer Maximiliaan de 1ste (1493 -1519).

De vijfde…
In de 4de en de 5de heiligenbeschrijving staat voor het eerst de ontmoeting met het hert. Een legende die eerder sinds de 6de eeuw aan Sint Eustatius was toegeschreven. Die legende staat beschreven in de ‘Legenda aurea’ van de Dominikaner Jacobus de Voragine (ca. 1230 -1298, aartsbisschop van Genua). Van 1263 tot 1273 zocht deze pater alle heiligenlegendes bij elkaar.
Hij had nog niet van Hubertus gehoord, want bij hem komt Hubertus niet voor, wel van Eustatius die zich na het zien van een hert met een kruis tussen de geweitakken bekeert.

Historisch te achterhalen is dat ene Eustatius in Rome ten tijde van Paus Gregorius de Grote (590 – 606) als martelaar werd aanbeden. Over het hert is te melden dan het net als de leeuw, de adelaar, de eenhoorn en de peilkaan als symbool voor Christus is gebruikt. Zo werd door allerlei aannames, beïnvloeding en wenselijkheden, Hubertus van bisschop langzaamaan de patroon van de jacht.

In de 5de levensbeschrijving uit de 15de eeuw is het wonder met het hert breedvoerig uitgewerkt. Na het zien van het hert verdeelt Hubertus zijn hebben en houden en gaat hij als kluizenaar leven.

De zesde…..
Aan het einde van de 14de eeuw schrijft Jean d`Outremeuse de geschiedenis van Sint Hubertus op in het Frans. Twee eeuwen later schrijft een monnik uit de abdij van Saint Hubert, Adolphe Happart, op basis hiervan de Latijnse versie die als 6de heiligenbeschrijving staat geboekt.

De zevende…. en laatste
In deze levensbeschrijving neemt het gezinsleven van Hubertus een grote plaats in. In 1526 beschrijft Adolphe Happart de 6de levensbeschrijving opnieuw en zo ontstaat een 7de.
Floribane duikt op als de vrouw van Hubertus. Een ontroerend tafereel speelt zich af nadat Hubertus het hert heeft gezien. Hij verlaat zijn vrouw en laat zich, ondanks haar bidden en smeken, niet ervan afhouden de roep van God te volgen. Floribane sterft jong, maar niet nadat zij het leven heeft geschonken aan Floribertus. Waarna Hubertus hem opvoedt tot zijn
waardige opvolger.
Maar of Hubertus getrouwd was, blijft onzeker. Weliswaar wordt in de eerste levensbeschrijving al een zoon Floribertus genoemd maar dat kan ook zijn volgeling zijn geweest die later zijn opvolger als bisschop van Luik werd. En al was Hubertus getrouwd, dan was dat voor een priester in die tijd niet vreemd.
Bron: site Int. Hubertus-orde

Zijn stoffelijke resten
Saint Hubert dankt zijn ontstaan aan het er in 687 door Beregisius gestichte klooster, dat in 817 – op last van de bisschop van Luik – werd overgedragen aan de Benedictijnen. Na de overbrenging van het lichaam van Sint Hubertus werd de abdij (toen nog Andage geheten) naar deze heilige genoemd.

Nadat Hubertus stoffelijke resten naar Andage waren gebracht, rustten ze sinds de 13de eeuw in een verzilverde relikwieschrijn bezet met kostbare edelstenen op een altaar in de abdijkerk.

De monniken hielden honderden jaren vol dat het complete lichaam van de heilige in de schrijn aanwezig was. Dit terwijl er al her en der relikwieën van Sint Hubertus opdoken. Nog in 1515 bleken de resten nog compleet zoals uit een brief van de monniken aan de Paus Leo X blijkt.
Nadat de de schrijn in 1525 een brand doorstaat, zou hij in 1568 voor rondtrekkende Hugenoten verstopt zijn. Waarschijnlijk in de muren van de kerk. In dat jaar staken ze de kerk in brand en 2 jaar later verkocht de abt de schrijn (zonder het gebeente van Hubertus). Waarschijnlijk
werd deze abt het risico te groot.

Bij reparaties aan de kerkmuren vond men in 1618 de begraafplaats van de heilige terug. Bij de herbegrafenis werd geen verder onderzoek gedaan. Wie er herbegraven werd en of het een compleet stoffelijk overschot betrof, is onduidelijk. Sindsdien zijn er in elk geval geen berichten meer over de stoffelijke resten van Hubertus.

Verder is er het vermoeden dat tijdens de Abt Nicolaas Spirlet het lichaam van Sint Hubertus in 1794 – tijdens de Franse Revolutie – uit de kerk weghaalde en het begroef op een – nu nog steeds – geheime plaats. Want de abt, die was uitgeweken naar het land van Gulik, stierf onverwacht in hetzelfde jaar. En nam dit geheim mee in zijn graf.

Naar een andere opvatting zou in 1796 in het slot Heltorf bij het Duitse Düsseldorf, een Augustijner-koorheer op doorreis een grafkist hebben afgeladen en nooit meer terug geweest zijn om hem op te halen. Over de inhoud van kist had hij niets gezegd, maar uit de grootte en de uitvoering van de kist leek af men te kunnen afleiden dat hij uit Saint Hubert afkomstig was en de resten van de heilige bevatte.
Admiraal Graf von Spee, een van de sloteigenaren liet in 1910 het lijk uit de kist in de universiteit van Keulen onderzoeken. Maar daaruit bleek niet duidelijk dat het de stoffelijke resten van Sint Hubertus waren. De oom van de huidige slotheer, Wilderich Graf von Spee (1887-1967) liet de kist in de slotkapel bijzetten. Op het smeedijzer hek staat ‘Incogniti Corpus’.
Bron: site Int. Hubertus-orde

 

Athanasius : Wie heeft U die bevoegdheid dan daartoe gegeven

H. Athanasius (295-373), bisschop van Alexandrië, kerkleraar

Uit de redevoeringen tegen de Arianen, 2, 78-79

 

Athanasius van Alexandrië6.jpg

Athanasius van Alexandrië

 

“Wie heeft U die bevoegdheid dan daartoe gegeven”

 

De persoonlijke Wijsheid van God, zijn eniggeboren Zoon, is de Schepper en Maker van alles. “Want alles hebt U met wijsheid geschapen”, zegt de psalmist, en: “Van uw rijkdom is de aarde vervuld” (Ps 104,24)… Ons verstand immers is een beeld van het Woord, dat de Zoon van God is, en zo is ook de Wijsheid die in ons is, op haar beurt een beeld van Hem die de Wijsheid is. Want door haar bezitten wij ons vermogen tot kennis en inzicht en worden wij ontvankelijk voor de scheppende Wijsheid; door haar zijn wij in staat de Vader te kennen. Immers, “wie de Zoon belijdt”, zegt Hij, “heeft ook de Vader” (1Joh 2,23); en: “Wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft” (Mt 10,40)…

 Maar “volgens Gods wijsheid heeft de wereld met al haar wijsheid God niet gevonden; daarom heeft God besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van de verkondiging” (1 Kor. 1,21). Want niet meer, zoals in vroegere tijden, wilde God zich door een beeld en afschaduwing van de Wijsheid in het geschapene laten kennen; maar Hij liet de waarachtige Wijsheid zelf het vlees aannemen, mens worden en de dood op het kruis ondergaan, opdat door het geloof in Hem voortaan allen die geloven, konden worden gered.

 Het gaat om dezelfde Wijsheid van God. Eerst heeft zij zichzelf geopenbaard en in zichzelf heeft zij haar Vader geopenbaard door haar beeld in het geschapene. … Later is zij als het Woord vlees geworden, zoals Johannes zegt (vgl. 1,14). Na het vernietigen van de dood en na de redding van ons geslacht heeft het Woord zichzelf nog meer geopenbaard en door zichzelf de Vader: “Geef dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U hebt gezonden, Jezus Christus” (Joh 17,3). Zo werd de hele aarde vervuld met zijn kennis. Want de kennis van de Vader door de Zoon en van de Zoon uit de Vader zijn één. En de Vader verheugt zich over Hem, en met dezelfde blijdschap verheugt de Zoon zich over de Vader: “Ik was het over wie Hij zich verheugde; en dag in dag uit verheugde Ik Mij voor zijn aangezicht” (Spr 8,30).

Bron : dagelijksevangelie.org

 

Pnksteren

PINKSTEREN

 

Pinksteren11154.jpg

 

 

LEZINGEN :

Eerste lezing : Handelingen 2,1-11

Pinksteren
 Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren zij allen op één plaats bijeen.  Plotseling kwam er uit de hemel een geraas alsof er een hevige wind opstak, en het vulde heel het huis waar zij waren.  Er verschenen hun vurige tongen, die zich verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten.  Zij raakten allen vol van heilige Geest en begonnen te spreken in vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf.
     
Nu woonden er in Jeruzalem vrome Joden, afkomstig uit ieder volk onder de hemel.  Toen dat geluid opkwam, liep de menigte te hoop en raakte in verwarring, omdat iedereen hen in zijn eigen taal hoorde spreken.  Ze stonden versteld en vroegen zich verwonderd af: ‘Maar dat zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken!  Hoe is het dan mogelijk dat ieder van ons de taal van zijn geboortestreek hoort?  Parten en Meden en Elamieten, en bewoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, Pontus en Asia,  Frygië en Pamfylië, Egypte en het Libische gebied bij Cyrene, en hier woonachtige Romeinen,  Joden en proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken over de grote daden van God.’

EVANGELIE

Johannes 7,37-5. 8,12.

Stromen levend water
      Op de laatste dag, het hoogtepunt van het feest, stond Jezus daar en riep: ‘Heeft iemand dorst, laat hij dan naar Mij toe komen, en laat drinken  wie in Mij gelooft! Zoals de Schrift zegt: Uit zijn binnenste zullen stromen levend water vloeien.’  Hiermee doelde Hij op de Geest die men zou ontvangen als men tot geloof in Hem kwam. Toen was de Geest er namelijk nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.

Verdeeldheid onder de toehoorders
      Onder het volk waren er die bij het horen van deze woorden zeiden: ‘Dit is werkelijk de profeet.’  Sommigen beweerden: ‘Hij is de Messias.’ Maar er waren er ook die zeiden: ‘De Messias komt toch niet uit Galilea Zegt de Schrift niet dat de Messias uit het geslacht van David komt en uit Betlehem, de woonplaats van David?’  Zo ontstond er verdeeldheid over Hem onder het volk.  Er waren er die Hem wilden grijpen, maar niemand sloeg werkelijk toe.

Ongeloof van de autoriteiten
      Toen de gerechtsdienaren bij de hogepriesters en farizeeën terugkwamen, vroegen dezen: ‘Waarom hebben jullie Hem niet meegebracht?’  De dienaars zeiden: ‘Nog nooit heeft een mens zo gesproken!’  Waarop de farizeeën antwoordden: ‘Hebben jullie je ook al laten misleiden?  Heeft een van de leiders Hem geloof geschonken? Of iemand van de farizeeën?  Maar dat volk, dat de wet niet kent, vervloekt zijn ze!’  Nikodemus, de man die indertijd naar Jezus toe was gekomen, iemand uit hun eigen kring, merkte op:  ‘Sinds wanneer staat de wet ons toe iemand te veroordelen zonder hem eerst te horen en ons over zijn daden een oordeel te vormen?’  Maar hij kreeg als antwoord: ‘Bent u soms ook een Galileeër? Zoek het maar na en u zult zien: uit Galilea komen geen profeten!’

  Weer richtte Jezus zich tot hen: ‘Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt, gaat zijn weg niet in de duisternis, maar zal het ware levenslicht bezitten.

 

Pinksteren 1111.jpg

De wereld als levende icoon

De wereld als levende icoon

verrijzenis1.jpg

Duurzaamheid en klimaatverandering vormen uiteindelijk vooral een moreel en spiritueel vraagstuk, betoogt Lisette van der Wel. Zij gaat te rade bij de ecologische wijsheid van het oosters-orthodoxe christendom.

Wij mensen hebben de macht om het leven op aarde te bepalen en verstoren. Die macht maakt ons ook kwetsbaar. Waarvoor we kiezen en waardoor we ons laten leiden is van cruciaal belang, wil er een leefbare toekomst voor onze (klein-)kinderen zijn.

Lees verder “De wereld als levende icoon”

gregorius de Grote : “Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij”

H. Gregorius de Grote (ca. 540-604), paus en kerkleraar

Homilie over het Evangelie, nr 2(over de blindgeborenene)

 

Gregorius de grote-Paus van Rome.jpg

“Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij”

De Schrift heeft een reden om aan ons deze blinde voor te stellen, die aan de kant van de weg zit en een aalmoes vraagt, want de Waarheid zegt zelf : “Ik ben de Weg” (Joh 14,6). Zo is iemand die de helderheid van het eeuwige licht ontkent, blind.

Als hij al in de Verlosser gelooft, dan zit hij langs de kant van de weg. Als hij gelooft, maar niet vraagt om hem het eeuwige licht te geven en als hij niet bidt, dan kan deze blinde aan de kant van de weg zitten, maar hij vraagt geen aalmoes. Maar als hij gelooft, dan kent hij de blindheid van zijn hart en bidt hij om het licht van de waarheid te ontvangen, dan is hij deze blinde die aan de kant van de weg zit en die ook een aalmoes vraagt.

Wie de duisternis van zijn blindheid kent en voelt dat hij van het eeuwig licht verstoken is, moet vanuit de diepte van zijn hart roepen en met heel zijn ziel: “Jezus, Zoon van David, ontferm u over mij!”

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

 

Justinus de filosoof

Heiligenleven

De heilige Justinus de filosoof

 

justinus de filosoof.jpg

 

Van zijn leven weten we tamelijk veel bijzonderheden uit zijn eigen geschriften. Hij vertelt over zijn vader en grootvader dan dat hij leefde in het oude Sichem van Samaria, ofschoon zij van oorsprong grieken waren. Waarschijnlijk behoorden ze tot de kolonie die daar door keizer Vespasianus was gesticht.

Justinus werd geboren in het begin van de tweede eeuw. Zijn ouders waren rijk, gaven hem een goede opvoeding en zorgden voor een veelzijdige ontwikkeling. Hij voelde zich sterk aangetrokken tot de filosofie omdat hij zocht naar de zin van het leven en wat nu eigenlijk waar was, vooral over God, de Schepper van alles wat bestaat. Hij zocht privaat-onderricht bij verschillende filosofen. De stoïcijn probeerde te bewijzen dat het niet nodig is God te kennen. Daarop ging Justinus naar een Aristoteliaan, maar deze begon zo te sjacheren over het collegegeld dat hij hem zou moeten betalen, dat Justinus er gauw genoeg van kreeg. Een Pythagoreeër zei hem dat hij muziek, sterrekunde en meetkunde moest studeren, want door deze abstracte wetenschappen leert de ziel zich los te maken van de zintuigelijke indrukken en zich open te stellen voor geestelijke invloeden. Maar Justinus was weinig geïnteresseerd in deze vakken en hij kon zich niet voorstellen dat de kennis van God van zulk een vervelende studie afhankelijk zou zijn.

Gelukkiger was hij bij het onderricht van een platoons filosoof, en hij merkt op dat Plato een leermeester is die tot Christus leidt. ‘De kennis van de metafysica, het schouwen van de ideeën, gaf vleugels aan mijn geest en al spoedig was is ervan overtuigd dat ik een wijze was, en weldra God-zelf zou schouwen en echte wetenschap over Hem zou bezitten’.

Om dieper door te dringen in deze filosofie trok hij zich terug in de eenzaamheid aan een stil strandgedeelte. Daar ontmoette hij op een dag een oude man met eerbiedwaardig uiterlijk, met wie hij in gesprek kwam. Zijn mond vloeide over van waar zijn hart van vol was. De ander luisterde meelevend en vroeg toen waarom hij aan het nadenken de voorkeur gaf boven iets te doen. Justinus antwoordde dat alleen filosofische meditatie God aangenaam kon zijn. De ander maakte tegenwerpingen waar Justinus geen verweer tegen had, en tenslotte moest hij toegeven dat zijn filosofie niet de kracht bezat om het diepste verlangen van de ziel te stillen. Zo begon hij open te staan voor een nieuw inzicht en toen de oude man hem aanraadde zich te wenden tot de profeten, tot Jezus Christus en Zijn leerlingen, en tot God te bidden zijn ogen voor de waarheid te openen, ontvlamde er een vuur in zijn ziel.

 

Efraïm de Syriër : “De Mensenzoon is gekomen…om zijn leven te geven”

H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, kerkleraar

Commentaar op het Diatessaron, 20, 2-7

 

Efraim_syyrialainen01.jpg

“De Mensenzoon is gekomen…om zijn leven te geven”

 

“Als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan” (Mt 26,39). Waarom maakte U Simon Petrus een verwijt toen hij zei: “Dat zal U niet overkomen” (Mt 16,22), en nu zegt U: “Als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan”? Hij wist goed wat Hij tegen zijn Vader zei en dat het mogelijk was dat de beker voorbij zou gaan, maar Hij was gekomen om het voor allen leeg te drinken, om zo door het drinken van de beker de losprijs van de schuld af te lossen die de dood van de profeten en martelaren niet konden betalen… Hij had zijn dood door de profeten laten beschrijven en door de rechtvaardigen het mysterie van zijn dood laten voorafbeelden. Toen de tijd kwam om deze dood te volvoeren, weigerde Hij niet om te drinken. Als Hij het niet had willen drinken, maar het zou afslaan, dan zou Hij zijn lichaam niet in de Tempel vergeleken hebben met deze woorden: “Breek deze Tempel af en in drie dagen laat Ik hem weer herrijzen” (Joh 2,19); Hij zou niet tegen de zonen van Zebedeüs gezegd hebben: “Kunt u de beker drinken die Ik zal drinken?” en ook “Ik moet een doop ondergaan” (Lc 12,50)…

“Als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan.” Hij zei dat, omdat Hij bekleed was met de zwakheid en niet door te doen alsof, maar werkelijk. Omdat Hij zich klein had gemaakt en werkelijk bekleed was met onze kwetsbaarheid, moest Hij vrezen en wankelde Hij in de kwetsbaarheid. Door het lichaam aan te nemen werd Hij met kwetsbaarheid bekleed, at Hij als Hij honger had, was Hij moe door het werk, werd Hij overmand door de slaap, was het nodig dat alles vervuld zou worden wat het lichaam zou laten verrijzen als de tijd van zijn dood is gekomen…

Om door zijn Lijden troost aan zijn leerlingen te brengen, voelde Jezus wat zij voelden. Hij had hun angst in zich opgenomen om hun zijn zielsgelijkenis te tonen, en dat je je niet laat voorstaan op de dood voordat je deze ondergaan hebt. Als immers Degene die nergens bang voor is, angst heeft gehad en had gevraagd om bevrijd te worden, terwijl Hij wist dat het onmogelijk was, hoeveel te meer moeten de anderen dan wel niet volharden in hun gebed voor de verleiding om bevrijd te worden als de dood zich toont… Om hen die de dood vrezen moed te geven, heeft Hij zijn eigen angst niet verborgen, opdat ze weten dat deze angst hen niet doet zondigen. “Nee, Vader, zei Jezus, niet mijn wil, maar uw wil geschiedde”: zodat Ik sterf om het leven aan de mensen te geven.

Bron : http://www.dagelijksevengelie.org

 

Clemens van Alexandrië : Meteen was de boot aan land

  1. Clemens van Alexandrië (150- ca 215), theoloog De Pedagoog, III, 12, 101

Clemens van alexandrie3.jpg

Clemens van Alexandrië

 

“Meteen was de boot aan land”

 

Laten we tot het Woord bidden, tot het Woord van God: wees genadig voor uw kinderen, Meester, Vader, gids van Israël, Zoon en Vader, één en twee tegelijkertijd, Heer! Maak dat wij uw geboden navolgen, om te komen tot de volle gelijkenis van het beeld (Gn 1,26), om de goedheid van God en de rechter zonder hardheid te begrijpen naar ons eigen vermogen. Geef ons uzelf: om in uw vrede te leven, om in uw stad gebracht te worden, om door te gaan zonder ten onder te gaan in de stormen van de zonde; om meegenomen te worden naar de rustige wateren van de Heilige Geest; door de onuitspreekbare Wijsheid. Maak dat wij dag en nacht tot aan de laatste dag de Enige Vader en Zoon, Zoon en Vader, Zoon, Pedagoog (1Kor 4,15) en Meester en tegelijkertijd de Heilige Geest, danken en loven. Alles is van de Ene, in wie alles is, door wie alles één is, door wie de eeuwigheid is, van wie wij allen ledematen zijn (1Kor 12,27). Aan Hem zij de heerlijkheid en de eeuwen; alles voor de Goede, alles voor de Schone, alles voor de Wijsheid, alles voor de Rechtvaardige! Aan Hem zij de glorie nu en in de eeuwen der eeuwen, amen!

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org

Gerolf

Heiligenleven

De heilige Gerulphus (Gerolf)

 

 

Gerolf.gif

 

 

 

Siint Gerolf woonde te Merendree in Oost-Vlaanderen.

Hij is dus een jongen uit ons volk.

Moedig stierf hij de marteldood.

Hij leefde in de tijd, toen het christendom nog maar jeugdig opkwam in onze landen. Zijn ouders, begoede mensen, waren christenen.

Gerolf was dertien jaar oud, toen hij hoorde dat de bisschop van Doornik, naar Goent kwam om het heilige Vormsel toe te dienen. Voortdurend vroeg hij aan zijn ouders of hij naar Gent mocht om ook gevormd te worden. Ze lieten het niet graag toe. Maar tenslotte mocht het. Een oom van hem zou meegaan. Heel blijgezind trok hij te paard naar de st.Pietersabdij. Daar diende de bisschop hem het sacrament toe.

Toen de plechtigheid gedaan was reed hij metb zijn oom langs Drongen naar huis. In Drongen was er ook een abdij. De heilige Maagd was er patrones. Zij werd er door de nieuwe christenen heel vurig vereerd.Gerof was in zo’n innig gelukkige stemming. Hij had; zo dacht hij, de Heer en de Heilige Maagd nog niet genoeg kunnen bedanken op deze grote dag. Hij hield de toom van zijn paardje in. ‘Oom’, vroeg hij ‘laat mij nog wat gaan bidden in de kerrk van Drongen’. De peter was echter nog een half heidens man. Hij begreep het verlangen van de jongen niet. ‘Als je ’t dan toch wilt’ zei hij boos, ‘goed dan, maar haast je wat’ Buiten stond hij wrevelig, ongeduldig te wachten. Hij bleef zitten op zijn trappelend paard en werd zenuwachtig omdat Gerolf zo lang bleef bidden.

Toen Gerolf buiten kwam, stralend van geluk, werd de oom razend. Hij schoot tegen hem uit, hij sloeg hem met zijn wapen alsof Gerolf een geharnaste vijand was. De jongen viel bloedend van zijn paard. De moordenaar vluchtte weg. Het bebloede paard liep naar huis. De ouders schrokken, zij vreesden, zoals ouders doen, het ergste en trokken op zoektocht. Ze vonden Gerolf te Drongen nog in leven.

Haal een priester, vroeg hij, ik wil de sakramenten nog ontvangen.

Hij had gevraagd in de abdij te mogen begraven worden en schonk zijn erfenis, zijn paardje, aan de monniken. Dint Gerolf werd martelaar om zijn ijver voor het heilig Vormsel en zijn echte verering van Maria. Een knaap uit ons volk en van onze leeftijd is nu heilige bij de Heer

gerolf reliek.jpg

Reliek van de heilige Gerolf in de kerk van Drongen

 

 

Gerolf kapel.jpg

Kapel op de Varendries, de plaats waar Gerof werd vermoord

 

(Er is een boekje rond deze heilige uitgegeven in 1948 met als titel ‘Taferelen uit de geschiedenis van Drongen’ door Florimond Deprest)

 

Caesarius van Arles : Met heel je hart je broeder vergeven

H. Caesarius van Arles (470-543), monnik en bisschop

Sermon verzameld door Morin 35 ; PLS IV, 303v

 

Caesaire_d'Arles_icone_byzantine.jpg

Caesarius van Arles (byzantijnse icoon)

 

Met heel je hart je broeder vergeven

 

 

Jullie weten wat wij tegen God gaan zeggen voordat we ter communie gaan: “Vergeef ons onze zonden, zoals ook wij aan anderen hun zonden vergeven”. Bereid je innerlijk voor om te vergeven, want deze woorden, kom je tegen in het gebed. Hoe ga je ze zeggen? Misschien zeg je ze niet? Het gaat uiteindelijk om deze vraag: zeg je deze woorden wel of niet? Je hebt een hekel aan uw broeder en je zegt: “Vergeef ons zoals wij vergeven”? -Ik vermijd die woorden, zul je zeggen. Maar bid je dan? Let goed op, mijn broeders en zusters. Jullie gaan over enkele ogenblikken bidden; vergeef met heel jullie hart!

Kijk naar Christus die aan het kruis hangt; luister naar zijn bidden: “Vader vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen” (Lc 23,34). Je zult zeker zeggen: Hij kon dat doen, maar ik ben slechts een mens en Hij is God. Kun je Christus niet navolgen? Waarom heeft de apostel Paulus ons dan geschreven: “Wees navolgers van God, als geliefde kinderen” (Ef 5,1) Waarom zei de Heer zelf: “Leer van Mij want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (Mt 11,29)? Wij schipperen, wij zoeken uitvluchten, wanneer wij menen dat hetgeen we willen doen, onmogelijk is … Mijn zusters en broeders, laten we Christus niet beschuldigen dat Hij ons te moeilijke geboden, die onmogelijk zijn om te realiseren, heeft gegeven. Zeggen we liever in alle nederigheid met de psalmist: “Heer, U bent rechtvaardig, en uw voorschriften zijn onberispelijk” (Ps 119,137).

Bron : http://www.dagelijksevangelie.org