
H. Hilarius (ca. 315-367), bisschop van Poitiers en kerkleraar
Commentaar op het evangelie van Matteus, 9, 5-8

Hilarius van Poitiers
“Het meisje is niet dood, maar het slaapt“
De leider [van de synagoge] kon gezien worden als vertegenwoordiger van de Wet van Mozes, die biddend voor de menigte die gevoed was voor de Christus, door te prediken om te wachten op zijn komst: vraag aan de Heer om het leven te geven aan een dode… De Heer heeft hem zijn hulp beloofd en om hem daarvan te verzekeren, is Hij hem gevolgd.
Maar eerst werd de menigte van zondige heidenen gered door de apostelen. De gave van het leven kwam het eerst terug bij de verkiezing die door de Wet was voorbestemd, maar daaraan voorafgaand, door het beeld van de vrouw, werd het heil gegeven aan de tollenaars en zondaars. Daarom heeft deze vrouw vertrouwen als ze de Heer ontmoet, ze zal genezen worden van haar bloedvloeiingen door het contact met het kleed van de Heer… Ze heeft haast om in geloof de zoom van het kleed aan te raken, dat wil zeggen om in het gezelschap van de apostelen de gave van de Heilige Geest te bereiken, die voortkomt uit het lichaam van Christus via een zoom. In één ogenblik is ze genezen. Zo is de gezondheid van de een doorgegeven aan een ander, van wie de Heer het geloof en de volharding loofde, omdat hetgeen voor Israel was bereid, ontvangen werd door de volkeren uit de naties… De genezende kracht van de Heer stroomt in zijn lichaam, en stroomde door tot in de zoom van zijn kleding. God was immers niet deelbaar of grijpbaar om in een lichaam opgesloten te worden; Hij verdeelt zelf zijn gaven van de heilige Geest, maar Hij is niet verdeeld in zijn gaven. Zijn kracht wordt overal door het geloof bereikt, omdat ze nergens afwezig is. Het lichaam dat Hij aangenomen heeft, heeft deze kracht niet opgesloten, maar zijn kracht heeft de kwetsbaarheid van een lichaam aangenomen om het vrij te kopen…
De Heer is vervolgens in het huis van de leider binnengegaan, anders gezegd in de synagoge…, en velen spotten met Hem. Ze geloofden immers niet dat God in een mens was; ze hebben gelachen toen ze hoorden over de opstanding uit de doden. Door de hand van het meisje vast te pakken heeft de Heer haar teruggebracht bij wie de dood slechts slaap was.



De heilige Andreas van Kreta, werd geboren in Damascus, in 660. Hij die zulk een wereldberoemd redenaar zou worden, was als kind volkomen zonder spraak en men was ervan overtuigd dat hij stom was. Maar toen hij met zijn zevende jaar de heilige Communie ontving, begon hij plotseling te spreken en toonde een vroegrijpe begaafdheid. Hij was pas veertien jaar toen hij naar Jeruzalem trok om in te treden in het Sabbas-klooster. Ook in dat strenge klooster traden zijn talenten onbedwingbaar aan de dag. Hij werd opgeëist door de patriarch van Jeruzalem om diens secretaris te zijn. Deze zond hem uit als zijn vertegenwoordiger op het 6e oecumenische Concilie van Konstantinopel in 679. Ook temidden van de uitgelezen talenten die daar aanwezig waren uit heel de wereld viel hij op, en men haalde hem over in Konstantinopel te blijven. Hij werd diaken van de Grote Kerk, de kathedraal van de Goddelijke Wijsheid, de Sofia. 




























