Augustinus : Augustinus : Toen de hoofman die tegenover Hem stond….

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en Kerkleraar
Overwegingen over het Evangelie van Johannes, nr 2

Augustinus

“Toen de hoofdman, die tegenover Hem stond, zag, dat Hij zó de geest gegeven had, zei hij: Waarlijk, deze mens was een Zoon van God” (Mc 15,39)

      “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God.” (Joh 1,1) Hij is gelijk aan zichzelf; wat Hij is, is Hij altijd; Hij kan niet veranderen, Hij is het zijn. Dat is de naam die Hij aan Mozes bekend maakte: “Ik ben die Ik ben” en “Aldus zult u zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden” (Ex 3,14)… Wie kan dit begrijpen? Of wie kan tot Hem komen – gesteld dat hij alle krachten van zijn geest stuurt om ten goede of ten kwade Degene die is, te bereiken? Ik zou hem vergelijken met een banneling die van ver zijn vaderland ziet: de zee scheidt hem ervan; hij ziet waar hij heen moet, maar heeft niet het middel om er heen te gaan. Zo willen wij ook bij onze eindhaven aankomen, want Hij alleen is altijd dezelfde, maar de oceaan van deze wereld snijdt onze weg af…

      Om ons een middel te geven om er heen te gaan, is Degene die ons roept van daarginds gekomen; Hij heeft hout gekozen om ons de zee over te laten steken: ja, niemand kan de oceaan van deze wereld oversteken behalve gedragen door het kruis van Christus. Zelfs een blinde kan dit kruis vastpakken; als je niet goed ziet waar je heen gaat, laat dan niet los: zijzelf zal je er brengen. Dat is, mijn broeders en zusters, wat ik u op het hart zou willen drukken: als u wilt leven in de geest van toewijding, in de christelijke geest, hecht u dan aan Christus zoals Hij zich voor ons heeft gemaakt, opdat we bij Hem kunnen komen zoals Hij is, en zoals Hij altijd geweest is. Daarom is Hij tot ons nedergedaald, want Hij is mens geworden om de gebrekkigen te dragen, om hen de zee over te laten steken en hen in het vaderland aan te laten komen, waar geen vaartuig meer nodig is, omdat er geen oceaan meer overgestoken hoeft te worden. Alles welbeschouwd is het beter om ‘Hij die is’ niet met de geest te zien, maar om het kruis van Christus te omhelzen, en is het beter dan Hem met de geest te zien en het kruis te minachten. Dat wij voor ons geluk tegelijk mogen zien waar we heengaan en ons vastklampen aan het vaartuig dat ons meevoert…! Sommigen zijn er in geslaagd, en ze hebben gezien wat Hij is. Omdat hij Hem heeft gezien zoals Johannes zegt: “In den beginne was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.” Ze hebben Hem gezien; en om te komen tot wat zij in de verte zagen, hebben ze zich vastgehecht aan het kruis van Christus, en hebben ze de nederigheid van Christus niet geminacht.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

De heilige Grafkerk

DE HEILIGE GRAFKERK

graf

“Toen gaf hij (Pilatus) Hem aan hen over, opdat Hij gekruisigd zou worden. En zij namen Jezus en leidden Hem weg. En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, welke in ’t Hebreeuws genaamd wordt Golgotha.” (Joh, 19: 16, 17). De Heilige Grafkerk, de meest geëerde plaats voor het Christendom, is gebouwd op Golgotha, de plaats van de kruisiging én op het graf, waarin het lichaam van Jezus gelegd werd. De kruisiging vond plaats buiten de stadsmuur, dicht bij de stad. (Joh. 19:20). De eerste Heilige Grafkerk werd gebouwd in het jaar 324. Zij stond toen reeds bijna in het midden van de ommuurde stad, omdat 11 jaar na de kruisiging, in het jaar 44, Golgotha binnen de stad kwam te liggen wegens het bouwen van een nieuwe stadsmuur door Herodes Agrippa. In het midden van de vorige eeuw werden overblijfselen van deze oude muur ontdekt ten oosten en ten noorden van het naburige Russische Tehuis. Ook de vele joodse grafzerken, die thans nog binnen de kerk te zien zijn vormen het zekere bewijs, dat deze vroeger buiten de stad gelegen moeten hebben. Volgens de joodse wet mocht immers niemand binnen de Heilige Stad begraven worden. Ook de plaats, waar de kruisiging plaats vond en die door de christenen ten tijde van Constantijn vereerd werd, is vrijwel met zekerheid aan te wijzen. Keizer Hadrianus liet in 135 na Chr. op het graf van Jezus een Romeinse tempel bouwen die aan Jupiter gewijd werd, om op die manier elke herinnering aan de gewijde joodse en christelijke plaatsen uit te roeien. (Hetzelfde gebeurde in Bethlehem boven de geboortegrot). Maar dit optreden had juist het tegenovergestelde tot gevolg. In plaats van deze heilige plaats voor altijd aan de vergetelheid prijs te geven, werd het heilig oord door deze ontwijding veel meer gemarkeerd en ter nagedachtenis bewaard. Koningin Helena, de moeder van Keizer Constantijn, kon in 326 na Chr. de plaats van het kruis en het graf van Christus des te gemakkelijker opnieuw ontdekken. Op bevel van Constantijn en zijn moeder werd de tempel van Hadrianus afgebroken, om plaats te maken voor een prachtige basiliek, die echter bijna 3 eeuwen later, in 614, door de Perzen werd verwoest. Door de abt Modestus werd deze op kleinere schaal herbouwd, maar in het jaar 1009 opnieuw vernield door Kalief Hakem. Deze hernieuwde ontwijding van de heilige plaatsen door mohammedaanse handen vormde één van de voornaamste motieven, die het gehele christelijke Westen tot de Eerste Kruistocht aanspoorde. De Kruisvaarders bouwden 50 jaar na de inname van Jeruzalem de Grote Grafkerk, in 1149. In de loop der eeuwen zijn er hier en daar verschillende uitbreidingen op kleinere schaal aan toegevoegd, maar ondanks allerlei restauraties bestaat de kerk vandaag praktisch nog geheel in zijn originele vorm. Krachtens een status-quo decreet van de Turkse regering uit het jaar 1852 is de Grafkerk onder zes verschillende christelijke kerken (katholieken, Grieks-orthodoxen, Armeniërs, Syrische Jakobijnen, Ethiopiërs en Kopten) verdeeld. Saladin, die in 1187 Jeruzalem heroverde op het leger van de Kruisvaarders stond de christenen toe de heilige plaatsen te bezoeken, maar droeg de bestuursrechten over aan een mohammedaanse familie, die nog heden ten dage de sleutel van de Grafkerk bewaart, vanwege de voortdurende strijd over hun aandeel binnen de kerk. Over het uitvoeren van de noodzakelijke reparaties konden de verschillende religies moeilijk tot overeenstemming komen, zodat de kerk al meer en meer in verval geraakte. De regering onder het Britse mandaat was in 1927 gedwongen een onooglijke stalen balkconstructie aan te brengen om instorting – vanwege de aardbeving van dat jaar – te voorkomen. Pas in 1957 sloot men zich aaneen, om gezamenlijk het herstel en de vernieuwing van de kerk ter hand te nemen.

HET GRAF VAN CHRISTUS

“En er was ter plaatse, waar Hij gekruisigd was, een hof, en in die hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet; daar dan legden zij Jezus neer wegens de Voorbereiding der Joden (=Sabbath), omdat het graf dichtbij was.” (Joh. 19:41,42). Dit graf bevond zich in de onmiddellijke nabijheid van Golgotha, aan de voet van de heuvel Calvarie en daar werd Jezus begraven. Het graf, in de rots uitgehouwen, was het familiegraf van Jozef van Arimathea (Joh. 19:38). Deze Jozef, een voornaam raadsheer en een vermogend man, was lid van het Sanhedrin, het hoogste joodse gerechtshof, en in ’t geheim een discipel van Jezus. Het graf bestond uit twee kamers: de eerste, een soort voorportaal, diende als ontmoetingsplaats voor de rouwdragenden; in de tweede kamer was een bed uit de rots gehouwen, waarop het lichaam gelegd werd. Al ten tijde van Koningin Helena had men het eigenlijke graf van Jezus afgescheiden van de rest van de heuvel. Het graf bestond tot het jaar 1009, waarna het door Kalief Hakem volledig vernietigd werd. Na een verschrikkelijke brand werd het huidige grafmonument in het jaar 1810 op dezelfde plaats herbouwd door de Grieks-orthodoxe en Russisch-orthodoxe Kerk. Binnen het monument bevindt zich een marmeren plaat, die de plaats aangeeft, waar het lichaam van Jezus zou zijn neergelegd. Men gelooft, dat onder deze marmeren plaat zich nog resten bevinden van de echte, oorspronkelijke plaat uit de tijd van de Kruisvaarders.

Het gebeurt ook vandaag…

 

Het gebeurt ook vandaag

Angst zoals bij de apostelen, het gebeurt ook vandaag.
Angst om tekort te hebben, om te verliezen wat we hebben.
Angst voor verandering en voor het onbekende,
voor vluchteling en vreemde, voor mensen die anders zijn.
Gevoel van onveiligheid, van niet meer thuis te horen.

Wij bidden tegen angst in,
dat wij de moed opbrengen bezit en leven te delen,
mensen te leren kennen en te beluisteren,
vreemd tot vriend te laten worden.

Verraad van Judas, het gebeurt ook vandaag.
Smeergeld, corruptie en drang naar winst maken
zoveel vriendschap en relaties kapot.
Mensen leven met het dagelijks gevoel dat niemand te vertrouwen is.

Wij bidden tegen het verraad en tegen het gebruiken van de medemens.
Dat wij ophouden te zwijgen bij onrecht,
dat wij opkomen voor gerechtigheid.

 Verloochening van Petrus, het gebeurt ook vandaag.
Mensen worden, ongekend en onbemind, steeds weer vergeten.

Door het spel van elk voor zich,
van onverschilligheid en vooroordelen,
wordt hen het recht op “zichzelf-zijn” ontzegd.

Bidden wij tegen het verloochenen: om aandacht en begrip,
dat wij durven kiezen om elke mens in zijn waardigheid te erkennen.

 

Augustinus : Hij nam een stuk brood…

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en Kerkleraar
Commentaar op het Evangelie van Johannes, 62, 63

augustinus01k

“Hij nam een stuk brood, doopte het in, en gaf het aan Judas”

      Toen de Heer, zelf het Levensbrood (Joh 6,35), het brood aan de dode man gaf, die daarmee het levend brood verraadde, zei Hij tegen hem: “Doe maar meteen wat je te doen hebt”. Hij beval geen misdaad: Hij openbaarde Judas’ kwaad en kondigde ons het goede aan. Dat Christus overgeleverd werd, was dat niet het slechtste voor Judas, en voor ons het beste? Judas, dus, die zichzelf beschadigt, handelt zonder het te weten, voor ons.

      “Doe maar meteen wat je te doen hebt.” Dat is een woord van een mens die gereed is, niet van een mens die geïrriteerd is. In dit woord wordt niet zozeer de straf voor degene die verraadt uitgedrukt, alswel de beloning van de verlosser, van degene die vrijkoopt. Want door te zeggen: “Doe maar meteen wat je te doen hebt”, probeert Christus, meer nog dan de misdaad van ontrouw, het heil van de gelovigen te verhaasten. “Hij werd om onze zonden overgeleverd; Hij houdt van de Kerk en heeft zich voor haar gegeven” (Rm 4,25; Ef 5,25). Dat zegt de apostel Paulus: “Hij heeft mij liefgehad en zich voor mij overgeleverd” (Gal 2,20). Niemand zou immers Christus overgeleverd hebben als Hij zichzelf niet overgeleverd had… Wanneer Judas Hem verraadt, is het Christus die zich overlevert; de één onderhandelt over zijn verkoop, de ander koopt ons vrij. “Ga snel doen wat je te doen hebt”: niet dat dit in jouw macht ligt, maar het is de wil van Degene die alles kan…

      “Hij nam dan het stuk brood en vertrok terstond. En het was nacht.” Degene die vertrok was zelf nacht. Welnu toen de nacht vertrok, zei Jezus: “Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt!” De dag zegt het voort aan de dag die komt (Ps 19,3), dat wil zeggen Christus heeft het aan zijn leerlingen toevertrouwd, opdat zij er naar luisteren en Hem in liefde volgen…  Iets soortgelijks zal gebeuren als de door Christus overwonnen wereld voorbij zal gaan. Als het onkruid zich niet langer mengt met het graan, zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk van hun Vader (Mt 13,43).

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Bezoek van de engel aan Maria

Groot feest van de blijde boodschap van de Heilige Moeder Gods

 bezoek van de engel 564

Apostellezing : Hebr.2,11-18

Want Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben allen één Oorsprong; daarom schrikt Hij er ook niet voor terug om hen zijn broeders te noemen, wanneer Hij zegt:  Ik zal uw naam verkondigen aan mijn broeders
en uw lof zingen midden in de gemeente; 
en opnieuw:
Ik zal mij geheel op Hem verlaten;
en nog eens:
Hier ben Ik met de kinderen die God Mij gegeven heeft. 
Omdat ‘de kinderen’ mensen zijn van vlees en bloed, heeft Hij ons bestaan willen delen, om door zijn dood de vorst van de dood, de duivel, te onttronen,  en hen te bevrijden die door de vrees voor de dood heel hun leven aan slavernij onderworpen waren.  Want het zijn niet de engelen van wie Hij zich het lot aantrekt, maar de nakomelingen van Abraham.  Vandaar dat Hij in alles aan zijn broeders gelijk moest worden, om een barmhartig en getrouw hogepriester te worden bij God en de zonden van het volk uit te boeten.  Omdat Hij zelf de proef van het lijden doorstaan heeft, kan Hij allen helpen die beproefd worden.

Evangelielezing : Joh 11,1-45

      Niet lang daarna werd zijn vrouw Elisabet zwanger. Zij hield zich vijf maanden lang verborgen. Ze zei:  ‘Dit heeft de Heer voor mij gedaan, toen Hij zich mijn lot aantrok en mijn smaad onder de mensen wegnam.’

Aankondiging van de geboorte van Jezus
      In de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, met de naam Nazaret,  naar een maagd die verloofd was met een man genaamd Jozef, die uit het huis van David stamde; haar naam was Maria.  De engel trad bij haar binnen en zei: ‘Verheug u, begenadigde, de Heer is met u.’  Zij raakte geheel in verwarring door wat hij zei en vroeg zich af wat deze begroeting te betekenen had.  Maar de engel zei: ‘Schrik niet, Maria, u hebt genade gevonden bij God.  U zult zwanger worden en een zoon baren, die u de naam Jezus moet geven.  Hij zal een groot man zijn, en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven.  Hij zal eeuwig koning zijn over het huis van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’  ‘Maar hoe moet dat dan?’ zei Maria tegen de engel. ‘Ik heb geen omgang met een man.’  De engel antwoordde haar: ‘Heilige Geest zal op u komen en kracht van de Allerhoogste zal u overdekken. Daarom zal het kind heilig genoemd worden, Zoon van God.  Bovendien, ook Elisabet, uw verwante, is op haar oude dag zwanger van een zoon; zij werd onvruchtbaar genoemd, maar zij is al in haar zesde maand.  Want voor God is niets onmogelijk.’  Toen zei Maria: ‘Ik ben de dienares van de Heer; laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt.’ Toen ging de engel van haar weg.

De heilige berg Athos

De heilige berg Athos

athos

De heilige berg, Agion Oros (Άγιον Όρος), of Athos is het meest rechtse schiereiland ten zuidoosten van de grote stad Thessaloniki.

Het neemt in Griekenland een bijzondere plaats in omdat het een autonome monnikenstaat is. Het valt buiten de Europese Unie en legt verantwoording af, rechtstreeks aan de Orthodoxe Kerk (het Oecumenisch patriarchaat van Constantinopel) in Istanbul.

In de geschiedenis was het een drukbevolkt gebied met in haar hoogtijdagen tienduizenden monniken en geestelijken. Tegenwoordig zijn dat er nog maar rond de tweeduizend.

Deze monniken behoren bij één van de 20 kloosters die nog in bedrijf zijn. De meeste van deze klooster zijn Grieks-orthodox, maar er zijn ook kloosters met een Russische, Roemeense, Bulgaarse en Servische herkomst.

 Alle vaste bewoners van Mount Athos leven volgens de regels die de bijbel voorschrijft en hun leven is toegewijd aan God. Vanwege Europese subsidies om de kloosters te restaureren zijn er ook Griekse werklui aanwezig op Athos, maar die behoren niet tot de officiele bevolking. De berg Athos is verboden terrein voor vrouwen. Zelf als gast krijgen ze geen toegang tot de Heilige Berg.

In de kloosters hebben alle monniken naast hun kerkelijke rol ook taken van meer alledaagse aard. Zo moeten er op het land gewerkt worden, geoogst, gekookt, schoongemaakt, maar ook bijvoorbeeld het schilderen van ikonen, het bijhouden van de boekhouding en het verzorgen van de dieren moet gebeuren. Een aantal jaren geleden is er een prachtig kookboek uitgegeven over de eetgewoontes van de monniken, met ouderwetse bereidingen en recepten.  In principe zijn de kloosters zelfbedruipend en hebben geen hulp van de buitenwereld nodig.

Geografisch gezien is Athos een zeer moeilijk bereikbaar gebied. Bezoekers kunnen met een veerboot naar het haventje van Dafni varen. Er worden per dag niet meer dan 10 niet-orthodoxe gasten toegestaan, en die moeten een speciaal visum hebben van Athos Consulaat in Thessaloniki. Over de berg lopen vele voetpaden en tegenwoordig ook zandwegen. Het centrum van het schiereiland Athos is Karyes, wat al dateert uit het jaar 900.

Uit : Gr4all

4e zondag in de vasten : Johannes Climax

4e zondag in de vasten

Zondag van de heilige Johannes Climax

Johannes - john_author_of_the_ladder 30 maart - 4e zondag van de vasten

Apostellezing : Hebr.4,13-20

Geen schepsel is voor Hem verborgen, alles ligt open en bloot voor de ogen van Hem aan wie wij rekenschap hebben af te leggen.

Jezus, onze hogepriester
     Nu wij een verheven hogepriester* hebben, een die de hemelse sferen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten wij vasthouden aan onze belijdenis. Want wij hebben een hogepriester die in staat is om mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde. Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te vinden en zo hulp te krijgen op de juiste tijd.

Evangelielezing : Marcus 9,17-31

Iemand uit de menigte gaf Hem ten antwoord: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar U meegenomen, omdat hij in de greep is van een stomme geest. Wanneer hij hem aangrijpt, knijpt hij hem de keel dicht, en dan staat het schuim hem op de mond, knarst hij met de tanden en wordt hij helemaal stijf. Ik vroeg uw leerlingen hem uit te drijven, maar ze waren er niet toe in staat.’ Hij antwoordde hun: ‘Ongelovig slag mensen! Hoelang moet Ik nog bij jullie blijven? Hoelang moet Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Me.’ En ze brachten hem naar Hem toe. Zodra de geest Hem zag, liet hij hem stuiptrekken. Hij viel op de grond en rolde heen en weer met het schuim op zijn mond. Jezus vroeg zijn vader: ‘Hoe lang heeft hij dat al?’ Hij zei: ‘Van kindsbeen af. Hij heeft hem ook al vaak in het vuur en in het water gegooid om hem te doden. Maar als U enigszins kunt, wees met ons begaan, kom ons te hulp.’ Jezus zei tegen hem: ‘Of Ik dat zou kunnen? Alles kan voor wie vertrouwen heeft.’ Meteen riep de vader van de jongen uit: ‘Ik heb vertrouwen. Kom mijn gebrekkig vertrouwen te hulp.’ Toen Jezus zag dat de menigte toestroomde, bestrafte hij de onreine geest met de woorden: ‘Stomme en dove geest, Ik beveel je, ga uit hem weg en kom niet meer in hem terug.’ Onder gekrijs en veel stuiptrekkingen ging hij weg. Hij bleef achter als een lijk, zodat velen zeiden: ‘Hij is dood.’ Maar Jezus nam hem bij de hand en liet hem opstaan, en hij stond op.
     Thuisgekomen, alleen met zijn leerlingen, vroegen dezen Hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ Hij zei tegen hen: ‘Dit soort kun je niet anders uitdrijven dan met gebed.’

Onderricht aan de leerlingen
     Ze gingen daar weg en trokken door Galilea. Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, want Hij was bezig met onderricht aan zijn leerlingen. Hij zei tegen hen: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd en valt in de handen van mensen. Ze zullen Hem doden, en drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan

Climacos de ladder 12