14e zondag na Pinksteren :”van het bruilofsmaal”

14e zondag na Pinksteren

“van het bruilofsmaal”

 

 

bruidsmaaltijd.jpg

Parabel van het bruilofsmaal. Maurice de Sully, Sermons, Italie, Gênes, XIVe siècle. (Cote : BNF Richelieu Manuscrits Français 187

 

 

2 Kor. 1,21-2,4

 [21] En God zelf heeft ons samen met u in Christus* bevestigd en ons gezalfd*. [22] Hij heeft op ons zijn zegel* gedrukt en ons de Geest als onderpand* gegeven. [23] Ik roep God aan als mijn getuige*, ik zweer bij mijn leven: alleen om u te sparen ben ik nog niet naar Korinte gekomen. [24] Niet dat wij heer en meester zijn van uw geloof; wij willen alleen bijdragen tot uw vreugde. Want in het geloof staat u stevig genoeg

 [4] Toen ik schreef, was het dan ook met een bedrukt en beklemd gemoed en onder veel tranen. Ik wilde u niet verdrietig maken, maar u een blijk geven van de innige liefde die ik u toedraag.

EVANGELIE

Mattheus 22,1-14

Gelijkenis van een bruiloftsfeest [1] Opnieuw sprak Jezus tot hen in gelijkenissen: [2] ‘Met het koninkrijk der hemelen gaat het als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. [3] Hij stuurde zijn slaven om de gasten te roepen die voor de bruiloft genodigd waren, maar ze wilden niet komen. [4] Hij stuurde weer andere slaven met de opdracht: “Zeg tegen de genodigden: Kijk, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en het mestvee zijn geslacht, en alles staat gereed. Kom naar de bruiloft.” [5] Maar ze trokken zich er niets van aan en gingen hun eigen weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel. [6] De overigen grepen zijn slaven vast, mishandelden en vermoordden hen. [7] De koning werd woedend. Hij stuurde zijn soldaten, liet die moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken. [8] Toen zei hij tegen zijn slaven: “Het bruiloftsmaal is klaar, maar de genodigden waren het niet waard. [9] Ga nu dus naar de kruispunten van de wegen, en nodig iedereen die je maar tegenkomt uit voor de bruiloft.” [10] Die slaven gingen naar de wegen en brachten iedereen mee die ze tegenkwamen, slechten en goeden; en de bruiloftszaal liep vol met gasten. [11] Maar toen de koning binnenkwam en de gasten zag, merkte hij iemand op die geen bruiloftskleding aan had. [12] Hij zei tegen hem: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen zonder bruiloftskleding?” Hij wist niets te zeggen. [13] Toen zei de koning tegen de dienaren: “Bind hem aan handen en voeten en werp hem in de uiterste duisternis.” Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars. [14] Immers, velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitgekozen.’

 

 

“Komt naar het bruiloftsmaal”

 

 Als in de zichtbare wereld een heel klein volk zich verzet tegen de koning door hem de oorlog te verklaren, dan neemt de laatste geen moeite om tegen hen in actie te komen, maar hij stuurt zijn soldaten met hun generaals en deze binden de strijd aan. Als daarentegen het volk dat tegen hem in opstand komt erg machtig is en in staat is om zijn koninkrijk te verwoesten, dan ziet de koning zich verplicht om zelf, met zijn hofhouding en zijn legeractie te voeren en de strijd aan te gaan. Zie dus hoe waardig u bent! God zelf is met zijn eigen leger, daarmee bedoel ik de engelen en de heiligen, de strijd komen voeren; Hijzelf komt u beschermen om u te verlossen van de dood. Heb dus vertrouwen en bemerk de voorzienigheid waarvan u het onderwerp bent. Nog een voorbeeld uit het leven. Stellen we ons een koning voor die eenarm en ziek mens ontmoet en geen afkeer van deze persoon heeft, maar die de wonden geneest met heilzame middelen. Hij neemt hem op in zijn paleis, bekleedt hem met een purperen kleed, omgordt hem met een diadeem en nodigt hem uit aan zijn tafel. Zo benadert Christus, de hemelse koning een ziek mens, Hij geneest hem, laat hem aan zijn koninklijke tafel zitten, en dat zonder zijn vrijheid geweld aan te doen, maar door hem met overreding ertoe brengt om een dergelijke hoge eer te aanvaarden. In de Schrift staat overigens geschreven dat de Heer zijn dienstknecht en stuurde om hen die graag zouden willen komen, uit te nodigen, en Hij kondigde hen aan: “Mijn maaltijd is gereed!” Maar zij die geroepen waren, verontschuldigden zich… Ziet u, Degene die de oproep deed, was klaar, maarde geroepenen hielden de boot af; ze zijn dus verantwoordelijk voor hun eigen lot. Dat is de grote waardigheid van de christenen. De Heer heeft voor hen het Koninkrijk bereid, en Hij nodigt hen uit om binnen te komen; maar ze weigeren om te komen. Ten aanzien van de gave die ze moeten ontvangen, kan men zeggen dat als iemand… ellende verdraagt sinds de schepping van Adam tot aan het einde van de wereld, dat hij niets heeft gedaan in vergelijking met de heerlijkheid die hij zal erven, want hij zal regeren met Christus tot aan het einde der tijden. Glorie aan Hem die deze ziel zo lief heeft, dat Hij zichzelf aan haar heeft gegeven en heeft toevertrouwd, zo is zijn genade! Glorie aan zijne Majesteit!

7e zondag na pinksteren : genezing van twee blinden

7e zondag na Pinksteren

 

 De genezing van twee blinden

blinden twee blinden.jpg

Genezing van de twee blinden

 

LEZINGEN :

Eerste lezing : Romeinen 15,1-7 :

Hoofdstuk 15 Wij, die bij de sterken horen, hebben de plicht de gevoeligheid van de zwakken te verdragen, zonder onszelf te zoeken. Laat ieder van ons bedacht zijn op het welzijn en de stichting van zijn naaste. Ook Christus heeft zichzelf niet gezocht. Er staat immers geschreven: De smaad van hen die U smaden, is op Mij neergekomen. Want alles wat eertijds is opgeschreven, werd opgeschreven tot onze lering, opdat wij door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift, in hoop zouden leven. God, die de volharding en de vertroosting schenkt, verlene u ook de eensgezindheid, die u in Christus past, opdat u één van hart en uit één mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus verheerlijkt.
Samenvatting van de brief Aanvaard daarom elkaar, zoals ook Christus u aanvaard heeft, tot eer van God.

 

EVANGELIE : Mathheüs 9,27-35

 

Twee blinden zien Toen Jezus vandaar verderging, volgden Hem twee blinden, die schreeuwden: ‘Zoon van David, heb medelijden met ons.’ Toen Hij thuisgekomen was, kwamen de blinden naar Hem toe. Jezus zei tegen hen: ‘Hebt u er vertrouwen in dat Ik dit kan doen?’ Ze zeiden: ‘Ja, Heer.’ Toen raakte Hij hun ogen aan en zei: ‘Het moge u gaan overeenkomstig uw vertrouwen.’ [En hun ogen gingen open. En bars zei Jezus tegen hen: ‘Zorg dat niemand het te weten komt.’ Maar eenmaal buiten, maakten ze zijn faam bekend in heel die streek.
Een stomme begint te praten Terwijl zij weggingen, kijk, daar bracht men iemand bij Hem die niet kon spreken, omdat hij in de macht van een demon was. Toen de demon uitgedreven was, begon de stomme te praten. De menigte zei vol verbazing: ‘Zoiets is in Israël nog nooit vertoond.’ Maar de farizeeën zeiden: ‘Het is de opperdemon waardoor Hij de demonen uitdrijft.’
Aanstelling van de twaalf ] Jezus trok alle steden en dorpen rond, terwijl Hij in hun synagogen onderricht gaf, de goede boodschap van het koninkrijk verkondigde, en elke ziekte en elke kwaal genas.

6e zpondag na Pinksteren : ‘de verlamde’ en de heilige Profeet Elia’

6e zondag na Pinksteren

“Van de verlamde en de vergiffenis” en de “heilige profeet Elias”

 

elija.jpg

De heilige Profeet Elia

 

 

 Lezingen van de zondag

Romeinen 12,6-14

 We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is. Wie de gave heeft te profeteren, moet die in overeenstemming met het geloof gebruiken.  Wie de gave heeft bijstand te verlenen, moet bijstand verlenen. Wie de gave heeft te onderwijzen, moet onderwijzen.  Wie de gave heeft te troosten, moet troosten. Wie iets weggeeft, moet dat zonder bijbedoeling doen. Wie leiding geeft, moet dat doen met volle inzet. Wie barmhartig voor een ander is, moet daarin blijmoedig zijn.  Laat uw liefde oprecht zijn. Verafschuw het kwaad en wees het goede toegedaan.  Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf.  Laat uw enthousiasme niet bekoelen, maar laat u aanvuren door de Geest en dien de Heer.  Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk.  Bekommer u om de noden van de heiligen en wees gastvrij.  Zegen uw vervolgers; zegen hen, vervloek hen niet.

 Evangelie :

Mattheüs 9,1-8

Hij stapte weer in de boot en stak over, terug naar zijn eigen stad.  Daar probeerden een paar mensen een verlamde bij hem te brengen die op een draagbed lag. Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Wees gerust, uw zonden worden u vergeven.’  Daarop zeiden enkele schriftgeleerden bij zichzelf: Wat een godslasterlijke taal!  Jezus doorzag hun gedachten en zei: ‘Waarom hebt u zulke boosaardige gedachten?  Wat is gemakkelijker, te zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op en loop”?  Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde: ‘Sta op, pak uw bed en ga naar huis.’  En hij stond op en ging naar huis.  Bij het zien hiervan werden de mensen van ontzag vervuld en ze loofden God, om de macht die hij aan mensen heeft verleend.

Verlamde15.jpg

De verlamde

4e zondag na pinksteren : van de hoofdman van Kafarnaum

4e zondag na Pinksteren

‘Van de hoofdman van Kafarnaüm’

kafarnaum 2.jpg

 

Lezingen :

Romeinen,6,18-23

U bent bevrijd van de zonde en dienaren geworden van de gerechtigheid. – Sprekend tot zwakke mensen, druk ik mij erg menselijk uit. – Zoals u eertijds uw ledematen in dienst hebt gesteld van onreinheid en steeds grotere bandeloosheid, zo moet u ze nu in dienst stellen van de gerechtigheid, tot uw heiliging. Toen u slaaf was van de zonde, was u vrij ten opzichte van de gerechtigheid. Welke vruchten hebben uw daden toen opgeleverd? Alleen dingen waarover u zich nu schaamt, want ze liepen uit op de dood. Maar nu, bevrijd van de zonde en dienstknecht geworden van God, oogst u heiligheid en tenslotte eeuwig leven. Want het loon van de zonde is de dood, maar de gave van God is het eeuwig leven in Christus Jezus onze Heer.

Evangelielezing :Matth. 8,5-13

Genezingen in Kafarnaüm Toen Hij in Kafarnaüm was gekomen, kwam een centurio naar Hem toe die Hem te hulp riep. Hij zei: ‘Heer, mijn kind ligt verlamd thuis, met vreselijk veel pijn.’ Hij zei hem: ‘Ik zal het komen genezen.’ De centurio antwoordde daarop: ‘Heer, ik ben niet waard dat U onder mijn dak komt, maar spreek een woord en mijn kind zal beter worden. Want ik ben iemand die onder bevel staat en soldaten onder zich heeft. Tegen de een zeg ik: “Ga!” en hij gaat, en tegen de ander: “Kom!” en hij komt, en tegen mijn slaaf: “Doe dit!” en hij doet het.’ Toen Jezus dit hoorde, was Hij verbaasd, en Hij zei tegen degenen die Hem volgden: ‘Ik verzeker u, bij niemand in Israël heb Ik zo’n groot vertrouwen aangetroffen. Ik zeg u dat velen uit oost en west zullen komen en aan tafel zullen gaan met Abraham, Isaak en Jakob in het koninkrijk der hemelen. Maar de kinderen van het koninkrijk zullen in de uiterste duisternis geworpen worden. Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars.’ Jezus zei tegen de centurio: ‘Ga maar naar huis; het moge u gaan overeenkomstig uw vertrouwen.’ En op datzelfde uur werd zijn kind beter.

Pinksteren

PINKSTEREN

8e ZONDAG NA PASEN

 

Pinksteren (2).jpg

 

 

Pinksteren

Op een hoefijzervormige bank zitten de twaalf apostelen. Links boven Petrus en rechtsboven Paulus. Bovenin dalen vanuit het hemelsegment de stralen van de Heilige Geest neer op de groep van twaalf.
In het midden onderaan is een donker gewelf zichtbaar, waarin een koninklijk geklede gestalte staat. Hij heeft een witte doek uitgespreid met daarin twaalf evangelierollen. Het betreft de vertegenwoordiging van de kosmos, die het evangelie klaar houdt voor verspreiding over de wereld.

 

LEZINGEN :

Eerste lezing : Handelingen 2,1-11

Pinksteren [1] Toen de dag* van Pinksteren aanbrak, waren zij allen op één plaats bijeen. [2] Plotseling kwam er uit de hemel een geraas alsof er een hevige wind opstak, en het vulde heel het huis* waar zij waren. [3] Er verschenen hun vurige tongen*, die zich verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten. [4] Zij raakten allen vol van heilige Geest en begonnen te spreken* in vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf.      [5] Nu woonden er in Jeruzalem vrome Joden, afkomstig uit ieder volk onder de hemel. [6] Toen dat geluid opkwam, liep de menigte te hoop en raakte in verwarring, omdat iedereen hen in zijn eigen taal hoorde spreken. [7] Ze stonden versteld en vroegen zich verwonderd af: ‘Maar dat zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken! [8] Hoe is het dan mogelijk dat ieder van ons de taal* van zijn geboortestreek hoort? [9] Parten* en Meden en Elamieten, en bewoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, Pontus en Asia, [10] Frygië en Pamfylië, Egypte en het Libische gebied bij Cyrene, en hier woonachtige Romeinen, [11] Joden en proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken over de grote daden van God.’

EVANGELIE

Johannes 7,37-5. 8,12.

Stromen levend water      [37] Op de laatste dag, het hoogtepunt van het feest, stond Jezus daar en riep: ‘Heeft* iemand dorst, laat hij dan naar Mij toe komen, en laat drinken [38] wie in Mij gelooft! Zoals de Schrift zegt: Uit zijn binnenste zullen stromen levend water vloeien.’ [39] Hiermee doelde Hij op de Geest die men zou ontvangen als men tot geloof in Hem kwam. Toen was de Geest er namelijk nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt* was.
Verdeeldheid onder de toehoorders      [40] Onder het volk waren er die bij het horen van deze woorden zeiden: ‘Dit is werkelijk de profeet*.’ [41] Sommigen beweerden: ‘Hij is de Messias.’ Maar er waren er ook die zeiden: ‘De Messias komt toch niet uit Galilea*? [42] Zegt de Schrift niet dat de Messias uit het geslacht van David komt en uit Betlehem, de woonplaats van David?’ [43] Zo ontstond er verdeeldheid over Hem onder het volk. [44] Er waren er die Hem wilden grijpen, maar niemand sloeg werkelijk toe.
Ongeloof van de autoriteiten      [45] Toen de gerechtsdienaren bij de hogepriesters en farizeeën terugkwamen, vroegen dezen: ‘Waarom hebben jullie Hem niet meegebracht?’ [46] De dienaars zeiden: ‘Nog nooit heeft een mens zo gesproken!’ [47] Waarop de farizeeën antwoordden: ‘Hebben jullie je ook al laten misleiden? [48] Heeft een van de leiders Hem geloof geschonken? Of iemand van de farizeeën? [49] Maar dat volk, dat de wet* niet kent, vervloekt zijn ze!’ [50] Nikodemus, de man die indertijd naar Jezus toe was gekomen, iemand uit hun eigen kring, merkte op: [51] ‘Sinds wanneer staat de wet ons toe iemand te veroordelen zonder hem eerst te horen en ons over zijn daden een oordeel te vormen?’ [52] Maar hij kreeg als antwoord: ‘Bent u soms ook een Galileeër? Zoek het maar na en u zult zien: uit Galilea komen geen profeten*!’

 [12] Weer richtte Jezus zich tot* hen: ‘Ik* ben het licht* van de wereld. Wie Mij volgt*, gaat zijn weg niet in de duisternis, maar zal het ware levenslicht bezitten.

 

 

 

pinksteren89.jpg

 

 

TROPARION : Toon 8

 

Gij zijt gezegend, o Christus, onze God,

die met Uw wijsheid de Vissers hebt vervuld, door hen te

vervullen met Uw Heilige Geest. Door hen hebt Gij heel

de wereld buitgemaakt; minnaar der mensen, ere zij U

 

KONDAKION: Toon 8

 

Toen de Allerhoogste nederdaalde, verwarde Hij de talen

en scheidde de volkeren. Toen Hij echter de Vuurtongen

uitdeelde riep Hij allen tot eenheid.

Laat ons daarom eenstemmig de heilige Geest verheerlijken.

didache in Italiaans

LA DIDACHÈ
Dottrina dei Dodici Apostoli

 

 

 

La Didachè o Dottrina dei dodici Apostoli può essere considerato come il più antico catechismo cristiano, essendo stata scritta qualche decennio dopo la morte di Cristo. Dava suggerimenti pratici per la preparazione dei catecumeni al battesimo (nel primo secolo cristiano i battesimi erano quasi tutti di persone adulte). Da essa possiamo trarre un’immagine molto viva dello spirito e dell’organizzazione della comunità cristiana primitiva.

Per quanto riguarda l’autore, il suo nome e la sua nazionalità ci sono sconosciuti. Secondo alcuni studiosi, la Didachè sarebbe un’opera compilativa, in cui la prima sezione è di chiara redazione giudaica, e le parti successive descrivono l’antica liturgia cristiana e la vita delle primitive comunità cristiane. Secondo altri sarebbe stata redatta da un cristiano convertitosi dal giudaismo: infatti i giorni della settimana vengono computati al modo ebraico e nello scrivere in greco vengono usati molti ebraismi.

La Didachè era tenuta in grande considerazione dalle prime generazioni cristiane ed è citata da Erma nel Pastore, da Clemente Alessandrino, da Origene, da Eusebio, da Atanasio. Nella seconda metà del IV sec. essa fu incorporata nelle cosiddette Costituzioni Apostoliche. Forse proprio per la sua inclusione ed assimilazione in opere di tanto valore, la Didachè finì col perdere la grande notorietà che aveva nei primi secoli e dopo il XII sec. di essa non si hanno più tracce. Nel 1873 ne venne scoperta per caso una copia in un codice greco di Costantinopoli risalente all’anno 1056 dal Metropolita Filoteo Bryennios ed in seguito ne furono trovati larghi frammenti in papiri del IV sec., nonché una versione in georgiano fatta sul testo greco nell’anno 430 da un vescovo di nome Geremia. Sulla scorta di tutti questi preziosi documenti, possiamo oggi avere la sicurezza di leggere la Didachè nel suo testo originale.

 


La Didachè

 

CAPITOLO 1

1. Due sono le vie, una della vita e una della morte, e la differenza è grande fra queste due vie.

2. Ora questa è la via della vita: innanzi tutto amerai Dio che ti ha creato, poi il tuo prossimo come te stesso; e tutto quello che non vorresti fosse fatto a te, anche tu non farlo agli altri.

3. Ecco pertanto l’insegnamento che deriva da queste parole: benedite coloro che vi maledicono e pregate per i vostri nemici; digiunate per quelli che vi perseguitano; perché qual merito avete se amate quelli che vi amano? Forse che gli stessi gentili non fanno altrettanto? Voi invece amate quelli che vi odiano e non avrete nemici.

4. Astieniti dai desideri della carne. Se uno ti dà uno schiaffo sulla guancia destra, tu porgigli anche l’altra e sarai perfetto; se uno ti costringe ad accompagnarlo per un miglio, tu prosegui con lui per due. Se uno porta via il tuo mantello, dagli anche la tunica. Se uno ti prende ciò che è tuo, non ridomandarlo, perché non ne hai la facoltà.

5. A chiunque ti chiede, da’ senza pretendere la restituzione, perché il Padre vuole che tutti siano fatti partecipi dei suoi doni. Beato colui che dà secondo il comandamento, perché è irreprensibile. Stia in guardia colui che riceve, perché se uno riceve per bisogno sarà senza colpa, ma se non ha bisogno dovrà rendere conto del motivo e dello scopo per cui ha ricevuto. Trattenuto in carcere, dovrà rispondere delle proprie azioni e non sarà liberato di lì fino a quando non avrà restituito fino all’ultimo centesimo.

6. E a questo riguardo è pure stato detto: “Si bagni di sudore l’elemosina nelle tue mani, finché tu sappia a chi la devi fare”.

 

CAPITOLO 2

1. Secondo precetto della dottrina:

2. Non ucciderai, non commetterai adulterio, non corromperai fanciulli, non fornicherai, non ruberai, non praticherai la magia, non userai veleni, non farai morire il figlio per aborto né lo ucciderai appena nato; non desidererai le cose del tuo prossimo.

3. Non sarai spergiuro, non dirai falsa testimonianza, non sarai maldicente, non serberai rancore.

4. Non avrai doppiezza né di pensieri né di parole, perché la doppiezza nel parlare è un’insidia di morte.

5. La tua parola non sarà menzognera né vana, ma confermata dall’azione.

6. Non sarai avaro, né rapace, né ipocrita, né maligno, né superbo; non mediterai cattivi propositi contro il tuo prossimo.

7. Non odierai alcun uomo, ma riprenderai gli uni; per altri, invece, pregherai; altri li amerai più dell’anima tua.

 

CAPITOLO 3

1. Figlio mio, fuggi da ogni male e da tutto ciò che ne ha l’apparenza.

2. Non essere iracondo, perché l’ira conduce all’omicidio, non essere geloso né litigioso né violento, perché da tutte queste cose hanno origine gli omicidi.

3. Figlio mio, non abbandonarti alla concupiscenza, perché essa conduce alla fornicazione; non fare discorsi osceni e non essere immodesto negli sguardi, perché da tutte queste cose hanno origine gli adultèri.

4. Non prendere auspici dal volo degli uccelli, perché ciò conduce all’idolatria; non fare incantesimi, non darti all’astrologia né alle purificazioni superstiziose, ed evita di voler vedere e sentire parlare di simili cose, perché da tutti questi atti ha origine l’idolatria.

5. Figlio mio, non essere bugiardo, perché la menzogna conduce al furto; né avido di ricchezza, né vanaglorioso, perché da tutte queste cose hanno origine i furti.

6 Figlio mio, non essere mormoratore, perché ciò conduce alla diffamazione; non essere insolente, né malevolo, perché da tutte queste cose hanno origine le diffamazioni.

7. Sii invece mansueto, perché i mansueti erediteranno la terra.

8. Sii magnanimo, misericordioso, senza malizia, pacifico, buono e sempre timoroso per le parole che hai udito.

9. Non esalterai te stesso, non infonderai troppo ardire nel tuo animo; né l’animo tuo si accompagnerà con i superbi, ma andrà insieme ai giusti e agli umili.

10. Tutte le cose che ti accadono accoglile come dei beni, sapendo che nulla avviene senza la partecipazione di Dio.

 

CAPITOLO 4

1. O figlio, ti ricorderai notte e giorno di colui che ti predica le parole di Dio e lo onorerai come il Signore, perché là donde è predicata la (sua) sovranità, è il Signore.

2. Cercherai poi ogni giorno la presenza dei santi, per trovare riposo nelle loro parole.

3. Non sarai causa di discordia, ma cercherai invece di mettere pace tra i contendenti; giudicherai secondo giustizia e non farai distinzione di persona nel correggere i falli.

4. Non starai in dubbio se (una cosa) avverrà o no.

5. Non accada che tu tenda le mani per ricevere e le stringa nel dare.

6. Se grazie al lavoro delle tue mani possiedi (qualche cosa), donerai in espiazione dei tuoi peccati.

7. Darai senza incertezza, e nel dare non ti lagnerai; conoscerai, infatti, chi è colui che dà una buona ricompensa.

8. Non respingerai il bisognoso, ma farai parte di ogni cosa al tuo fratello e non dirai che è roba tua. Infatti, se partecipate in comune ai beni dell’immortalità, quanto più non dovete farlo per quelli caduchi?

9. Non ritirerai la tua mano di sopra al tuo figlio o alla tua figlia, ma sin dalla tenera età insegnerai loro il timor di Dio.

10. Al tuo servo e alla tua serva che sperano nel medesimo Dio non darai ordini nei momenti di collera, affinché non perdano il timore di Dio, che sta sopra gli uni e gli altri. Perché egli non viene a chiamarci secondo la dignità delle persone, ma viene a coloro che lo Spirito ha preparato.

11. Ma voi, o servi, siate soggetti ai vostri padroni come a una immagine di Dio, con rispetto e timore.

12. Odierai ogni ipocrisia e tutto ciò che dispiace al Signore.

13. Non trascurerai i precetti del Signore, ma osserverai quelli che hai ricevuto senza aggiungere o togliere nulla.

14. Nell’adunanza confesserai i tuoi peccati e non incomincerai mai la tua preghiera in cattiva coscienza. Questa è la via della vita.

 

CAPITOLO 5

1. La via della morte invece è questa: prima di tutto essa è maligna e piena di maledizione: omicidi, adultèri, concupiscenze, fornicazioni, furti, idolatrie, sortilegi, venefici, rapine, false testimonianze, ipocrisie, doppiezza di cuore, frode, superbia, malizia, arroganza, avarizia, turpiloquio, invidia, insolenza, orgoglio, ostentazione, spavalderia.

2. Persecutori dei buoni, odiatori della verità, amanti della menzogna, che non conoscono la ricompensa della giustizia, che non si attengono al bene né alla giusta causa, che sono vigilanti non per il bene ma per il male; dai quali è lontana la mansuetudine e la pazienza, che amano la vanità, che vanno a caccia della ricompensa, non hanno pietà del povero, non soffrono con chi soffre, non riconoscono il loro creatore, uccisori dei figli, che sopprimono con l’aborto una creatura di Dio, respingono il bisognoso, opprimono i miseri, avvocati dei ricchi, giudici ingiusti dei poveri, pieni di ogni peccato. Guardatevi, o figli, da tutte queste colpe.

 

CAPITOLO 6

1. Guarda che alcuno non ti distolga da questa via della dottrina, perché egli ti insegna fuori (della volontà) di Dio.

2. Se infatti puoi sostenere interamente il giogo del Signore, sarai perfetto; se non puoi fa’ almeno quello che puoi.

3. E riguardo al cibo, cerca di sopportare tutto quello che puoi, ma comunque astieniti nel modo più assoluto dalle carni immolate agli idoli, perché (il mangiarne) è culto di divinità morte.

 

CAPITOLO 7

1. Riguardo al battesimo, battezzate così: avendo in precedenza esposto tutti questi precetti, battezzate nel nome del Padre, del Figlio e dello Spirito Santo in acqua viva.

2. Se non hai acqua viva, battezza in altra acqua; se non puoi nella fredda, battezza nella calda.

3. Se poi ti mancano entrambe, versa sul capo tre volte l’acqua in nome del Padre, del Figlio e dello Spirito Santo.

4. E prima del battesimo digiunino il battezzante, il battezzando e, se possono, alcuni altri. Prescriverai però che il battezzando digiuni sin da uno o due giorni prima.

 

CAPITOLO 8

1. I vostri digiuni, poi, non siano fatti contemporaneamente a quelli degli ipocriti; essi infatti digiunano il secondo e il quinto giorno della settimana, voi invece digiunate il quarto e il giorno della preparazione.

2. E neppure pregate come gli ipocriti, ma come comandò il Signore nel suo vangelo, così pregate: Padre nostro che sei nel cielo, sia santificato il tuo nome, venga il tuo regno, sia fatta la tua volontà, come in cielo così in terra. Dacci oggi il nostro pane quotidiano, e rimetti a noi il nostro debito, come anche noi lo rimettiamo ai nostri debitori, e non ci indurre in tentazione, ma liberaci dal male; perché tua è la potenza e la gloria nei secoli.

3. Pregate così tre volte al giorno.

 

CAPITOLO 9

1. Riguardo all’eucaristia, così rendete grazie:

2. dapprima per il calice: Noi ti rendiamo grazie, Padre nostro, per la santa vite di David tuo servo, che ci hai rivelato per mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

3. Poi per il pane spezzato: Ti rendiamo grazie, Padre nostro, per la vita e la conoscenza che ci hai rivelato per mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

4. Nel modo in cui questo pane spezzato era sparso qua e là sopra i colli e raccolto divenne una sola cosa, così si raccolga la tua Chiesa nel tuo regno dai confini della terra; perché tua è la gloria e la potenza, per Gesù Cristo nei secoli.

5. Nessuno però mangi né beva della vostra eucaristia se non i battezzati nel nome del Signore, perché anche riguardo a ciò il Signore ha detto: “Non date ciò che è santo ai cani”.

 

CAPITOLO 10

1. Dopo che vi sarete saziati, così rendete grazie:

2. Ti rendiamo grazie, Padre santo, per il tuo santo nome che hai fatto abitare nei nostri cuori, e per la conoscenza, la fede e l’immortalità che ci hai rivelato per mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

3. Tu, Signore onnipotente, hai creato ogni cosa a gloria del tuo nome; hai dato agli uomini cibo e bevanda a loro conforto, affinché ti rendano grazie; ma a noi hai donato un cibo e una bevanda spirituali e la vita eterna per mezzo del tuo servo.

4. Soprattutto ti rendiamo grazie perché sei potente. A te gloria nei secoli.

5. Ricordati, Signore, della tua chiesa, di preservarla da ogni male e di renderla perfetta nel tuo amore; santificata, raccoglila dai quattro venti nel tuo regno che per lei preparasti. Perché tua è la potenza e la gloria nei secoli.

6. Venga la grazia e passi questo mondo. Osanna alla casa di David. Chi è santo si avanzi, chi non lo è si penta. Maranatha. Amen.

7. Ai profeti, però, permettete di rendere grazie a loro piacimento.

 

CAPITOLO 11

1. Ora, se qualcuno venisse a insegnarvi tutte le cose sopra dette, accoglietelo;

2. ma se lo stesso maestro, pervertito, vi insegnasse un’altra dottrina allo scopo di demolire, non lo ascoltate; se invece (vi insegna) per accrescere la giustizia e la conoscenza del Signore, accoglietelo come il Signore.

3. Riguardo agli apostoli e ai profeti, comportatevi secondo il precetto del Vangelo.

4. Ogni apostolo che venga presso di voi sia accolto come il Signore.

5. Però dovrà trattenersi un giorno solo; se ve ne fosse bisogno anche un secondo; ma se si fermasse tre giorni, egli è un falso profeta.

6. Partendo, poi, l’apostolo non prenda per sé nulla se non il pane (sufficiente) fino al luogo dove alloggerà; se invece chiede denaro, è un falso profeta.

7. E non metterete alla prova né giudicherete ogni profeta che parla per ispirazione, perché qualunque peccato sarà perdonato, ma questo peccato non sarà perdonato.

8. Non tutti, però, quelli che parlano per ispirazione sono profeti, ma solo coloro che praticano i costumi del Signore. Dai costumi, dunque, si distingueranno il falso profeta e il profeta.

9. Ogni profeta che per ispirazione abbia fatto imbandire una mensa eviterà di prendere cibo da essa, altrimenti è un falso profeta.

10. Ogni profeta, poi, che insegna la verità, se non mette in pratica i precetti che insegna, è un falso profeta.

11. Ogni profeta provato come veritiero, che opera per il mistero terrestre della chiesa, ma che tuttavia non insegna che si debbano fare quelle cose che egli fa, non sarà da voi giudicato, perché ha il giudizio da parte di Dio; allo stesso modo, infatti, si comportarono anche gli antichi profeti.

12. Se qualcuno dicesse per ispirazione: dammi del denaro o qualche altra cosa, non gli darete ascolto; ma se dicesse di dare per altri che hanno bisogno, nessuno lo giudichi.

 

CAPITOLO 12

1. Chiunque, poi, viene nel nome del Signore, sia accolto. In seguito, dopo averlo messo alla prova, lo potrete conoscere, poiché avrete senno quanto alla destra e alla sinistra.

2. Ma se colui che giunge è di passaggio, aiutatelo secondo le vostre possibilità; non dovrà però rimanere presso di voi che due o tre giorni, se ce ne fosse bisogno.

3. Nel caso che volesse stabilirsi presso di voi e che esercitasse un mestiere, lavori e mangi.

4. Se invece non ha alcun mestiere, con il vostro buon senso cercate di vedere come possa un cristiano vivere tra voi senza stare in ozio.

5. Se non vuole comportarsi in questo modo, è uno che fa commercio di Cristo. Guardatevi da gente simile.

 

CAPITOLO 13

1. Ogni vero profeta che vuole stabilirsi presso di voi è degno del suo nutrimento.

2. Così pure il vero dottore è degno, come l’operaio, del suo nutrimento.

3. Prenderai perciò le primizie di tutti i prodotti del torchio e della messe, dei buoi e delle pecore e le darai ai profeti, perché essi sono i vostri Sommi Sacerdoti.

4. Se però non avete un profeta, date ai poveri.

5. Se fai il pane, prendi la primizia e dà secondo il precetto.

6. E così, se apri un’anfora di vino o di olio, prendi le primizie e dalle ai profeti.

7. Del denaro, del vestiario e di tutto quello che possiedi, prendi poi le primizie come ti sembra più opportuno e dà secondo il precetto.

 

CAPITOLO 14

1. Nel giorno del Signore, riuniti, spezzate il pane e rendete grazie dopo aver confessato i vostri peccati, affinché il vostro sacrificio sia puro.

2. Ma tutti quelli che hanno qualche discordia con il loro compagno, non si uniscano a voi prima di essersi riconciliati, affinché il vostro sacrificio non sia profanato.

3. Questo è infatti il sacrificio di cui il Signore ha detto: “In ogni luogo e in ogni tempo offritemi un sacrificio puro, perché un re grande sono io – dice il Signore – e mirabile è il mio nome fra le genti”.

 

CAPITOLO 15

1. Eleggetevi quindi episcopi e diaconi degni del Signore, uomini miti, disinteressati, veraci e sicuri; infatti anch’essi compiono per voi lo stesso ministero dei profeti e dei dottori.

2. Perciò non guardateli con superbia, perché essi, insieme ai profeti e ai dottori, sono tra voi ragguardevoli.

3. Correggetevi a vicenda, non nell’ira ma nella pace, come avete nel vangelo. A chiunque abbia offeso il prossimo nessuno parli: non abbia ad ascoltare neppure una parola da voi finché non si sia ravveduto.

4. E fate le vostre preghiere, le elemosine e tutte le vostre azioni così come avete nel vangelo del Signore nostro.

 

CAPITOLO 16

1. Vigilate sulla vostra vita. Non spegnete le vostre fiaccole e non sciogliete le cinture dai vostri fianchi, ma state preparati perché non sapete l’ora in cui il nostro Signore viene.

2. Vi radunerete di frequente per ricercare ciò che si conviene alle anime vostre, perché non vi gioverà tutto il tempo della vostra fede se non sarete perfetti nell’ultimo istante.

3. Infatti negli ultimi giorni si moltiplicheranno i falsi profeti e i corruttori, e le pecore si muteranno in lupi, e la carità si muterà in odio;

4. finché, crescendo l’iniquità, si odieranno l’un l’altro, si perseguiteranno e si tradiranno, e allora il seduttore del mondo apparirà come figlio di Dio e opererà miracoli e prodigi, e la terra sarà consegnata nelle sue mani, e compirà iniquità quali non avvennero mai dal principio del tempo.

5. E allora la stirpe degli uomini andrà verso il fuoco della prova, e molti saranno scandalizzati e periranno; ma coloro che avranno perseverato nella loro fede saranno salvati da quel giudizio di maledizione.

6. E allora appariranno i segni della verità: primo segno l’apertura nel cielo, quindi il segno del suono di tuba e terzo la resurrezione dei morti;

7. non di tutti, però, ma, come fu detto: “Verrà il Signore e tutti i santi con lui. Allora il mondo vedrà il Signore venire sopra le nubi del cielo.”

 

 

 

Profezie per il Terzo Millennio – Giugno 2005


 

Ritorna alla pagina principale

 

 34214 visite in Aprile 

&amp;lt;img src=”http://www.profezie3m.it/ptmstats/php-stats.php&#8221; border=”0″ alt=””&amp;gt;<span id=”mce_marker” data-mce-type=”bookmark”>​</span>