Dit is een privé christelijke blog van Kris Biesbroeck, Licentiaat Theologie en filosofie. De inhoud van blog : Theologie, filosofie, Kerkvaders, Heiligenlevens, Exegese, Augustinus,enz… Alles wat sinds 2007 op de site is verschenen kan hier teruggevonden worden bij de Categorieën (bij het begin van de site) HET ADRES VAN DE SITE IS : CHRISTELIJKEINFORMATIEBRON.WORDPRESS.COM.
“In mijn diepste wonde zag ik Uw glorie en dat verbaasde mij.”
Sint Augustinus
+++++++
Betekenis van de quote:
“In mijn diepste wonde zag ik Uw glorie en dat verbaasde mij.” – Sint Augustinus
Context:
Augustinus schrijft dit in zijn Belijdenissen, waarin hij zijn innerlijke worstelingen en bekering beschrijft. De “diepste wonde” staat voor zijn besef van eigen zonde, leegte en geestelijke nood.
De diepste wonde:
Niet vooral een lichamelijke pijn, maar een existentiële leegte of zielsklacht
Moment van inkeer:
hij erkent zijn tekortschieten tegenover God en zichzelf.
Gods glorie in gebrokenheid
Paradox:
Juist in zijn kwetsbaarheid en zwakte ervaart hij Gods aanwezigheid en liefde.
De wond wordt de ingang voor genade en inzicht in Gods schoonheid
Zijn eigen nood leidt hem tot het besef dat God sterker is dan alle gebrokenheid
De verrassende ontdekking:
Hij verwachtte misschien vooral troost of straf, maar ontmoette verrassend Gods glorie
Die glorie overstijgt menselijke verwachtingen en normen
Het besef wekt verwondering:
een verheven, vreugdevol besef te midden van pijn
Relevantie voor nu:
Onze eigen kwetsbaarheden kunnen poorten zijn naar diepere zingeving
Lijden of crisis hoeven geen eindpunt te zijn, maar kunnen een begin zijn van innerlijke groei
De ontmoeting met eigen beperkingen maakt ons ontvankelijk voor troost, hoop en kracht
Wil je God altijd in gedachten houden? Wees gewoon zoals Hij je heeft gemaakt. Ga niet op zoek naar een andere ‘JIJ’. Verander jezelf niet in iets anders dan wat Hij heeft bedoeld. Dán zal je God altijd in gedachten houden.
St.Antonius van Padua.
+++++++++++++++++
Een prachtige en inspirerende boodschap over authenticiteit en geloof.
Het citaat komt van St. Antonius van Padua, een van de meest geliefde heiligen binnen het christendom. De boodschap—dat je God in gedachten houdt door trouw te blijven aan wie je werkelijk bent—is diep geworteld in zijn spirituele visie.
St.Abtonius van Padua.
++++++++++++
Achtergrond van St. Antonius van Padua:
Geboren als Fernando Martins de Bulhões in Lissabon rond 1195, later franciscaan en theoloog.
Bekend om zijn krachtige preken, diepe kennis van de Bijbel en wonderen zoals het “ezelwonder” en de “vispreek”
De Vispreek:
Toen Antonius in Rimini predikte, weigerden de inwoners naar hem te luisteren vanwege hun ketterse overtuigingen. Teleurgesteld trok hij naar het strand en begon te preken tot de zee… en toen gebeurde er iets bijzonders:
Vissen kwamen aanzwemmen, stelden zich in rijen op volgens grootte, en luisterden aandachtig naar zijn woorden.
De kleine vissen kwamen vooraan in het ondiepe water, de grotere bleven achteraan.
Ze zouden zelfs met hun staarten bewogen hebben om hun instemming te tonen.
Deze legende benadrukt hoe zelfs de natuur openstaat voor Gods woord, als mensen dat niet willen.
Het Ezelwonder:
Dit verhaal draait om een ketter die de werkelijke aanwezigheid van Christus in de eucharistie ontkende. Antonius daagde hem uit:
De ketter kreeg de opdracht zijn ezel drie dagen geen eten te geven.
Daarna werd het dier geconfronteerd met een voerbak vol voedsel én met de hostie die Antonius vasthield.
Tot ieders verbazing knielde de ezel voor de hostie, en negeerde het voedsel.
De ketter was zo onder de indruk dat hij zich bekeerde. Dit wonder is een krachtig symbool van eerbied voor het sacrament, zelfs door een dier.
Hij benadrukte nederigheid, eenvoud en authenticiteit als wegen naar God. Het idee dat je jezelf niet moet veranderen om God te vinden, sluit perfect aan bij zijn leer.
Antonius stierf in 1231 en werd al binnen een jaar heilig verklaard—een record in de katholieke kerk.
De kern van het citaat
Het citaat weerspiegelt Antonius’ overtuiging dat Gods aanwezigheid niet iets is wat je moet zoeken in uiterlijke veranderingen, maar iets wat je ervaart door trouw te blijven aan je innerlijke roeping. In zijn preken moedigde hij mensen aan om zichzelf niet te verliezen in wereldse verlangens, maar te leven in overeenstemming met hun door God gegeven aard.
Een liefdeswond die nooit geneest. Johannes van het Kruis.
In oktober 1567 ontmoet Teresa in Medina voor de eerste keer Johannes van het Kruis. Zij is daar ter voorbereiding van het stichten van een mannelijk klooster in de lijn van haar vernieuwingsplannen zoals zij dat reeds had gerealiseerd voor vrouwen o.a. in Avila. Veel keus had zij niet. De mannelijk tak van de toenmalige Carmel was klein en Teresa vreesde zijn uitsterven. Zij had tot nu toe slechts één kandidaat: Antonio de Heredia. Hij was zestig jaar oud, geleerd, ijverig. Maar hij hield van een zekere luxe: een mooie kloostercel, een verzorgd habijt, een onberispelijke omgeving. Teresa vertrouwde hem niet helemaal. Zij zoekt verder.
Dan hoort zij een zekere Pedro de Orozco, die theologie studeerde te Salamanca, spreken over een medestudent, Juan de Santo Matias, die opviel door zijn deugdzaamheid en ingetogenheid. Hij is nu ook in Medina voor het opdragen van zijn eerste mis. Teresa is direct geïnteresseerd. Zij spreken elkaar. Teresa staat oog in oog met een vijfentwintigjarige jongeman, opvallend klein van postuur, een ovaal gezicht, bruine tint, levendige ogen en een diepe blik – zoals later velen zijn verschijning omschrijven. Hij luistert naar Teresa’s hervormingsplannen. Maar hij vertelt dat hij van plan was zich aan te sluiten bij kartuizers omdat hij sterk verlangt naar teruggetrokken leven van boete, gebed en mystieke inkeer. Teresa weet hem te overtuigen dat hij dit alles en nog meer in haar stichtingen kan vinden. Hij stemt toe met de woorden; ‘Als het maar niet te lang duurt.’ En aldus geschiedde. Tot aan haar dood zouden zij samenwerken. Bij zijn officiële intrede inde orde van de Ongeschoeide nam Juan de Santo Matias een andere naam aan: Juan de Cruz, Jan van het Kruis.
Juan de Yepes y Alvarez, zoals zijn oorspronkelijke naam luidde, was in 1542 geboren te Fontiveros in een straatarm gezin van wevers. Vader Gonzalo de Yepes kwam weliswaar uit een zeer gegoede familie, maar was onterfd, omdat hij trouwde met een vrouw van lagere komaf. Hij overleed enkele maanden na de geboorte van Juan ten gevolge van een slepende ziekte en liet vrouw en drie kinderen achter in grote armoede. Na de dood van zijn tweede broer Luis verhuisde zijn moeder naar Medina del Campo.
Daar werd Juan ondergebracht in een weeshuis, waar hij niet alleen leerde lezen en schrijven, maar ook de kans kreeg zich te bekwamen in een ambacht. Hij probeerde timmerman, houthakker, drukker, maar hij bleek totaal ongeschikt voor enig handwerk.
Hij kreeg de kans om te gaan wonen en werken in een ziekenhuis voor armen, bekend als el hospitel de las bubas (tumoren) waar ernstige gevallen van syfilis gratis werden verpleegd. Juan moest helpen bij de verzorging van de zieken. Daar heeft hij de verwoestende gevolgen van seks van nabij gezien en – zoals iemand opmerkte – is het een wonder dat hij later zulke prachtige, erotische poëzie zou schrijven. Hij moest ook bedelen om het ziekenhuis te helpen aan inkomsten. Maar hij kreeg ook de mogelijkheid te studeren aan een colegio, een middelbare school van de Jezuïeten, waar men latijn, geschiedenis en literatuur onderwees.
Na vier jaar studie aldaar, stelde zijn directeur hem voor priester te worden ten dienste van de kapel van het hospitaal. Juan had andere ideeën. Hoewel onder druk gezet, weigerde hij dit aanbod en – om zijn baas niet onder ogen te komen – verliet op een nacht hij stiekem het ziekenhuis en meldde zich aan de poort van de karmelieten priorij Santa Anna. Hij was eenentwintig jaar. Een jaar later legde hij de kloostergelofte af en nam de naam aan van Frater Juan de Santo Matias.
Juan kreeg de kans te studeren aan de universiteit te Salamanca, toen een topuniversiteit. Tot de collegestof behoorden Aristoteles en Thomas van Aquino, een vleugje Plato en Augustinus. Overigens heerste op deze hogeschool een grondige afkeer van de moderne, ‘mystieke’ auteurs die bijvoorbeeld schreven over het innerlijk gebed. Hun geschriften stonden veelal op de Index. Toch heeft Juan zowel Dionysius de Areopagiet bestudeerd als Boethius’ Troostboek, als ook het commentaar van Gregorius op het Hooglied, en vooral de Bijbel, zijn levenslange metgezel. Zoals een biograaf opmerkt: ‘Geen protestant heeft ooit meer uit de Heilige Schrift geciteerd dan Juan.’ Bijna afgestudeerd ontmoet hij Teresa.
Hoewel Teresa en Juan elkaar zeer waardeerden, waren ze ook verschillend. Zij hadden twee zeer verschillende karakters. Juan was niet zozeer van het organiseren, terwijl Teresa blaakte van ondernemingsgeest. Maar Juan bekritiseerde Teresa soms om haar al te enthousiaste devotie. Zij was zeer gehecht aan de eucharistie. Juan wist dat en toen zij een keer weer ter communie kwam, brak hij de hostie in tweeën en gaf de helft om haar te wijzen op haar geestelijke gulzigheid. Teresa nam het sportief op, waarna zij haar grote visioen van het geestelijk huwelijk kreeg. Was Teresa echter nogal enthousiast over haar visoenen, Juan probeerde haar wat te matigen. De strenge leraar van het nada, nada – niets, niets-, leerde ook visioenen achter te laten en zich niet te hechten aan Gods gunsten. Niettemin, als Juan enige woorden wil wijden aan de geestverrukking, laat hij dat graag aan iemand anders over ‘ die daar beter over kan spreken dan ik, temeer nu onze gelukzalige moeder Teresa van Jezus over deze aangelegenheden van de geest op bewonderenswaardige wijze heeft geschreven. Op God vertrouwend hoop ik, dat deze geschriften spoedig in druk het licht mogen zien.’ 2 .
Zelf was hij zeer ontvankelijk voor extase. Er zijn vele getuigenissen die vertellen hoe hij buiten zichzelf kon geraken als hij in de natuur aan het bidden was of tijdens het leen van de mis. Toen men hem eens vroeg hoe iemand in verrukking kon raken, antwoordde hij: Dit gebeurt door aan de eigen wil te verzaken en die van God te doen. Want extase is niets anders dan dat de ziel uit zichzelf treedt en in vervoering geraakt in God. En dit doet degene die gehoorzaamt. Want hij treedt uit zichzelf en uit zijn eigen willen en verlicht duikt hij onder in God’.
Hij mag dan wel gedroomd hebben van een verborgen leven in stilte en gebed, een werkzaam en druk leven is hem niet gespaard gebleven. Samen met Teresa zou hij verschillende nieuwe kloosters stichten – in Alba de Tormes, Segovia, Malaga, Cordoba, Madrid, La Manchuela, Caravaca. Wie op de kaart van Spanje kijkt, ziet hoeveel reistijd dit gekost heeft. Hij bekleedt belangrijke bestuursfuncties: als prior (Alcala, Baeza, Calvario, Granada, Segovia) novicemeester (Pastrana), als definitor (zitting in de permanente raad van de generale overste). Steeds was hij ook biechtvader en geestelijke leidsman van de broeders en zusters, die aan zijn zorgen waren toevertrouwd. Tussen alle werkzaamheden een taken door trok hij zich vaak terug op een stille plek in de natuur, gaf hij zich over aan het landschap, de bomen, de bloemen en de heuvels. Hij moet eens gezegd hebben: ‘Ik voel me beter tussen de stenen dan onder mensen.’ Hij gaf daar dan ook deze reden voor: ‘Als ik met stenen omga, hoef ik minder te biechten dan wanneer ik met mensen omga.’
Juan was zo vervuld van God, dat hij nergens anders over kon praten. En hij deed dat zo vurig, liefdevol en eloquent dat de toehoorders opgezogen werden en verdwenen in zijn verhaal. In plaats van een preek te geven nam hij soms zijn broeders en zusters mee naar een van zijn geliefde plekken in de natuur en spoorde hij hen aan alleen maar de omgeving in contemplatieve aandacht te beschouwen.
Het is niet te geloven, maar deze stille, godlievende man, diemet alle zachtmoedigheid zijn leerlingen onderrichtte, had vijanden. Er waren niet alleen de theologen van de kerkelijke inquisitie, die met argusogen zijn doen en laten volgden, maar vooral een groot aantal van zijn eigen medebroeders van de Karmel die hem haatten. Zij waren faliekant tegen de vernieuwingsplannen, die Teresa en hij aan het uitwerken waren. Zij zagen daar niet de noodzaak van. Teresa en Juan wilden terug naar het oorspronkelijke doel van de Karmel. Dat was een teruggetrokken leven, uitsluitend gewijd aan contemplatie. In de loop van de tijd hadden de karmelieten zich nog andere functies toebedacht zoals preken in de parochies en pastoraal werk. De monniken waren al te vaak buitenshuis. Bovendien waren de kloosters geworden tot een open huis voor bezoekers, biechtelingen en voor hen die kwamen voor geestelijke raadgeving. Teresa had zelf de verleidingen en afleidingen ondervonden van het vele bezoek dat het klooster te Avila, waar zij als jonge vrouw ingetreden was, veroorzaakte. Heel krachtig kwam dit tot uitdrukking bij de mannelijke tak van de orde toen op een bestuursvergadering het voorstel besproken werd een klooster te stichten in een missiegebied. Iedereen was voor. Alleen Johannes van het Kruis was tegen. Toen men hem vroeg waarom, zei hij: ‘Wij zijn contemplatieven, geen missionarissen.’
De strijd tussen ‘geschoeide’, de conservatieven, en de ‘ongeschoeide’, de voorstanders van hervorming, zou hoog oplopen en oorlogszuchtige vormen aannemen. Dieptepunt voor Juan was zijn gevangennamen, ontvoering en negen maanden opsluiting in een kleine donkere cel in een klooster van vijandige en wraakzuchtige medebroeders. Niemand wist waar men hem gevangenhield. Ook Teresa niet. Zij schreef zelfs een wanhopige brief aan de koning om te bemiddelen.
Tijdens de maanden van zijn opsluiting werd Juan onderworpen aan vernederingen, beschuldigingen en fysiek geweld. Hij kreeg geen schone kleren, wel schraal en karig eten en moest elke vrijdag in de refter verschijnen, waar hij door de prior werd uitgescholden en gestraft werd met geselingen. Men moet echter voorzichtig zijn met het gevangenzetten van mystici. De geschiedenis toont dat de bajes soms een plaats is, waar zij hun krachtigste ervaringen en belangrijkste inzichten kregen: de profeet Jeremias, Jeanne d’Arc, Katarina, Sri Aurobindo bijvoorbeeld. Zo zou het ook Juan vergaan.
Hij kon goed tegen eenzaamheid. Ook klaagde hij nooit over een schamele maaltijd. Maar het langdurige, volstrekte isolement bracht hem in de ernstigste crisis van zijn leven. Een grote twijfel overviel hem. Was hij wel op de juiste weg met zijn hervormingsplannen? Werd hij niet terecht beschuldigd van ongehoorzaamheid jegens zijn overste? En de ongehoorzaamheid aan de superieuren was de grootste zonden die een kloosterling kon begaan. Soms stonden zijn medebroeders bij de deur van zijn cel hardop te praten, zodat hij hen kon horen zeggen, dat Teresa gestopt was met de hervorming. Hij werd bestormd met gewetensbezwaren, Een verzachtende omstandigheid was dat hij na zes maanden een andere bewaker kreeg die hem schone kleren gaf en schrijfmateriaal. Eindelijk kon Johannes wat opschrijven. Op een avond, in de greep van een uiterst sombere stemming, hoorde hij vanuit zijn cel een jongeman een villancico, een liefdesliedje zingen:
‘Ik sterf van liefde,
wat moet ik doen?
– Sterven’.
In een oogwenk werd zijn somber gemoed gebroken. Een grote vreugde overviel hem. Hij wist hoe hij zijn leven lang verliefd was en dat deze verliefdheid ondanks zware beproevingen nog altijd levend was. Vanaf zijn kinderjaren kende hij slechts één hartstochtelijk verlangen: in de nabijheid te zijn van zijn geliefde. In die donkere dagen van zijn gevangenschap dacht hij dat zijn geliefde hem had verlaten. Maar nu wist hij dat zij beide nooit van elkaar gescheiden waren geweest. Zijn verlangen is hun eenheid. En hij begon te schrijven: de eerste strofen van zijn ‘Geestelijk Hooglied’.
De manier waarop hij ontsnapte uit de gevangenis kan niet conventioneler. Zijn bewaker hielp hem aan een paar lakens die hij aan elkaar knoopte. En op een avond, het slot van zijn deur was opzettelijk opengelaten, aan de vooravond van Maria Hemelvaart, sloop Johannes, ‘s nachts tussen twee en drie uur, zijn cel uit, klom door een raam van de kloostergang naar buiten en liet zich langs de bijeen geknoopte lakens zakken, langs de muur, tot hij enigszins hardhandig de grond bereikte, de oever van de rivier de Taag. Hij vluchtte naar een klooster van karmelietessen, die hem gunstig gezind waren. Zij waren verheugd over zijn uitbraak, maar verbaasden zich ook over hoe mager hij was, uitgemergeld, vel over been. Een gedenkplaat op de muur van Toledo herinnert nog steeds aan deze klassieke ontsnapping.
Sinds dat jaar, 1578, schreef hij gedichten. In de gevangenis componeerde hij het prachtige Que bien sé yo la fonte qua mana y corre, aunque es de noche – ik ken de bron haar wellen en haar stormen, al is het nacht. 5 Na zijn ontsnapping schreef hij romances, ballades en pastorale, herderlijke gedichten o.a. in de stijl van copla’s, volkse gedichten over liefde en verlangen. Juan dichtte over zijn liefdevolle verbondenheid met de drie-eenheid, over de menswording van Christus, aangeraakt worden door het Woord, over de Bruidegom die de bruidskamer betreedt, over het geloof alleen dat tot schoonheid leidt. En hij becommentarieerde zijn gedicht Geestelijk Hooglied, Cantico Espiritual. Daarover straks meer.
Vooral is hij bekend geworden door twee gedichten En una Noche oscura – In een donkere nacht 6 – en Llama de amor viva – levende vlam van liefde, 7 die hij allebei uitgebreid van kanttekeningen voorzag.
Het gedicht In een donker nacht kreeg liefst twee commentaren: De Bestijging van de berg Carmel 8 en De donkere Nacht. 9 In beide toelichtingen kwam hij niet verder dan de derde strofe. Ze worden plotseling afgebroken. Juan is niet alleen een dichter die wereldliteratuur produceerde, maar ook een schrijver van mystagogische werken die tot het beste van de mystieke geschiedenis behoren. Hij is een scherpzinnig fenomenoloog van het contemplatieve leven. Nauwkeurig beschrijft hij de moeite, inspanningen, het ‘beklimmen van de berg’ naar de top van het geestelijk leven en vervolgens de zuivering, de ontlediging en de transformatie die de ziel passief en niet wetend heeft te ondergaan: de tocht door de duistere nacht.
Voor zijn leerlingen, de karmelietessen Beas, heeft hij van deze weg op een A4tje een schets gemaakt. Met deze tekening beoogde hij, ‘dat zij het in het brevier zouden leggen en door er af en toe na te kijken zich zouden herinneren wat hij hun gedurende vijf maanden in de zondagse conferentie had uiteengezet.’ (10 In de afbeelding van de berg plaatst hij sleutelwoorden.
Ziehier:
San Juan de la Cruz: Autógrafo del Montecillo de perfección. Hacia 1578.
In de vertaling:
(Onderaan de schets)
Om te geraken tot het smaken van alles — heb smaak in niets.
Om te geraken tot het weten van alles — wil niets weten.
Om te geraken tot het bezit van alles — wil niets bezitten.
Om te geraken tot alles zijn — wees niets.
Om te geraken tot wat je nog niet smaakt — moet je gaan langs
de weg van het niet-smaken.
Om te geraken tot wat je nog niet weet — moet je gaan langs
de weg van het niet-weten.
Om te geraken tot het bezit van wat je nog niet hebt — moet je
gaan langs de weg van het niet-bezitten.
Om te geraken tot wat je nog niet zijt — moet je gaan langs de
weg van het niet-zijn.
Als je bij iets blijft stilstaan — dan werpt je je niet met hart en ziel
op het Al.
Om geheel en al tot het Al te komen — moet je je van alles ont-
doen omwille van het Al.
Als je eenmaal helemaal tot het bezit komt van het Al — moet
je het vasthouden zonder iets anders te willen.
In deze ontbloting vindt de geest rust. Omdat hij immers niets najaagt, vermoeit hem niets op de weg naar omhoog en drukt hem niets bergafwaarts, want hij staat in het evenwicht van zijn nederigheid.
(De drie paden van de Berg, van links naar rechts_
Weg van de geest der onvolmaaktheid: Naar de hemel — dat niet; eer — dat niet; vreugde — dat niet; weten — dat niet; troost — dat niet; rust — dat niet — Hoe meer ik dit wilde hebben, des te minder hield ik in de hand.
Pad naar de berg Karmel — Geest van volmaaktheid: niets, niets, niets, niets, niets, niets en ook boven op de berg niets.
Weg van de geest der onvolmaaktheid: Naar deze aarde — ook dat niet; bezitten — ook dat niet; vreugde — ook dat niet; weten — ook dat niet; troost — ook dat niet; rust — ook dat niet — Hoe meer ik dit wilde zoeken, des te minder hield ik in de hand.
(Top van de Berg, van links naar rechts, bijschriften bij de verschillende niveaus)
Sinds ik dit niet meer wilde hebben, heb ik dit alles zonder het te willen.
Sinds ik het minder wilde, heb ik dat alles zonder het te willen. Vrede — Vreugde — Blijdschap — Genot — Wijsheid — Gerechtigheid — Sterkte — Liefde — Godsvrucht. Om eer geef ik niet — Om pijn geef ik niet.
Hier is geen weg meer, want voor de gerechte bestaat er geen wet; hij is zichzelf tot wet.
Abide with me; fast falls the eventide; The darkness deepens; Lord, with me abide. When other helpers fail and comforts flee, Help of the helpless, O abide with me.
Swift to its close ebbs out life’s little day; Earth’s joys grow dim, its glories pass away; Change and decay in all around I see— O Thou who changest not, abide with me.
I need Thy presence every passing hour; What but Thy grace can foil the tempter’s pow’r? Who, like Thyself, my guide and stay can be? Through cloud and sunshine, Lord, abide with me.
I fear no foe, with Thee at hand to bless; Ills have no weight, and tears no bitterness; Where is death’s sting? Where, grave, thy victory? I triumph still, if Thou abide with me.
Hold Thou Thy cross before my closing eyes; Shine through the gloom and point me to the skies; Heav’n’s morning breaks, and earth’s vain shadows flee; In life, in death, O Lord, abide with me.
Nederlandse vertaling
Blijf bij mij, de avond valt snel neer, De duisternis groeit, Heer, blijf toch hier. Als hulp verdwijnt en troost vervaagt, Help mij, o Heer, blijf bij mij vandaag.
Het leven glijdt stil naar zijn einde toe, Aardse vreugd vervaagt, haar glans is moe. Verandering en verval zie ik om mij heen— O Gij die niet verandert, blijf bij mij alleen.
Ik heb Uw nabijheid elk uur zo nodig; Alleen Uw genade weerstaat het kwade logisch. Wie, zoals Gij, kan mijn gids en steun zijn? In zon en storm, Heer, blijf bij mij klein.
Ik vrees geen vijand, met U aan mijn zij; Geen last weegt zwaar, geen traan maakt mij blij. Waar is de doodssteek? Waar is het graf zijn macht? Ik zegevier nog, als U bij mij blijft zacht.
Houd Uw kruis voor mijn sluitende ogen klaar; Schijn door de duisternis, wijs mij naar daar. Hemels licht breekt aan, aardse schaduw verdwijnt; In leven, in dood, Heer, blijf bij mij, Uw vriend.
—————–
Abide with Me is een hymne die diep raakt, zowel in tekst als melodie.
Achtergrond en betekenis Deze hymne werd geschreven in 1847 door Henry Francis Lyte, een Schotse Anglicaanse predikant, vlak voor zijn overlijden aan tuberculose. De titel en eerste regel verwijzen naar Lukas 24:29, waarin de Emmaüsgangers Jezus vragen: “Blijf bij ons, want het is bijna avond.” Lyte gebruikte deze Bijbelse oproep als metafoor voor het naderen van het levenseinde — een smeekbede om Gods nabijheid in de duisternis van lijden, sterven en onzekerheid.
Muziek en populariteit De hymne wordt meestal gezongen op de melodie Eventide, gecomponeerd door William Henry Monk in 1861. Het is een vaste waarde bij herdenkingsdiensten, begrafenissen en zelfs sportevenementen zoals de FA Cup-finale in Engeland. De tekst is een gebed om troost, kracht en hoop — een herinnering dat God blijft, zelfs als alles om ons heen verandert en vervaagt.
Een paar krachtige regels
Swift to its close ebbs out life’s little day; Earth’s joys grow dim, its glories pass away; Change and decay in all around I see— O Thou who changest not, abide with me.
De hymne is ook prachtig vertaald in het Nederlands. De regel “Blijf bij mij, de avond valt snel neer” vangt de essentie van het origineel: een verlangen naar goddelijke nabijheid in kwetsbare momenten.
“De Heer Jezus wilde dat degenen wiens ogen Hem zouden moeten herkennen in het breken van het brood. De gelovigen weten wat ik zeg. Ze kennen Christus in het breken van het brood. Niet al het brood, maar alleen dat wat de zegen van Christus ontvangt, wordt het lichaam van Christus.”
Augustinus — “Preken” 234,2 (ca. 400 n.Chr.)
++++++++++
inus — en voor veel christelijke tradities — is de eucharistie niet symbolisch alleen, maar een mysterie waarin Christus echt aanwezig is. Hij nodigt gelovigen uit om Hem te zoeken en te herkennen in de geestelijke handelingen, niet in uiterlijke vormen.
Het is een oproep tot diep geloven: niet alleen zien met je ogen, maar herkennen met je hart.
Augustinus zag de eucharistie als meer dan een ritueel—voor hem was het een mysterievolle ontmoeting met Christus zelf. Zijn visie was diep theologisch en doordrenkt van symboliek, maar ook verrassend concreet in hoe hij sprak over het “breken van het brood.” Hier zijn de kernpunten van wat de eucharistie betekent in zijn context:
Christus herkennen in het breken van het brood. Augustinus verwijst vaak naar het verhaal uit Lucas 24, waarin de leerlingen Jezus pas herkennen bij het breken van het brood.
Voor hem is dat breekmoment geen toevallige handeling, maar een geestelijke openbaring: het brood wordt een teken van Christus’ aanwezigheid.
Van gewoon brood tot lichaam van Christus:
Hij stelt duidelijk dat niet al het brood het lichaam van Christus wordt, maar alleen dat wat is gezegend door Christus zelf.
De transformatie gebeurt door het gebed, de zegen en het geloof van de gemeenschap. Dit weerspiegelt zijn geloof in een sacramentele werkelijkheid: iets zichtbaars (brood) draagt een onzichtbare genade (Christus).
Geloof als voorwaarde voor herkenning:
Je kunt Christus niet herkennen met alleen je ogen—je hebt geloof nodig.
Augustinus spoort gelovigen aan om innerlijk betrokken te zijn bij het sacrament. Het is een mystieke erkenning, geen puur lichamelijke ervaring.
Gedeeld leven en gemeenschap:
De eucharistie betekent ook eenwording van de gelovigen met elkaar en met Christus.
In het breken van het brood wordt niet alleen Christus geopenbaard, maar ook de gemeenschap gesmeed.
+++++++++++++++
Augustinus’ visie op de eucharistie is diep mystiek, theologisch rijk en sterk verbonden met zijn ideeën over gemeenschap, genade en het lichaam van Christus. Moderne opvattingen — afhankelijk van traditie — kunnen daar behoorlijk van afwijken. Laten we de verschillen eens helder uitzetten:
Augustinus’ eucharistievisie:
Werkelijke aanwezigheid: Augustinus geloofde dat Christus werkelijk aanwezig is in het gezegende brood, maar hij legde de nadruk op de geestelijke herkenning van Christus in het breken van het brood.
Mystieke eenwording:
Hij zag de eucharistie als een eenwording van de gelovigen met Christus én met elkaar — het brood als “panis concordiae” (brood van eenheid) en “vinculum caritatis” (band van liefde).
Medicina cotidiana:
De eucharistie is voor hem een dagelijkse geestelijke genezing — Christus als arts en de eucharistie als medicijn tegen de gevolgen van de erfzonde.
Ethische implicatie:
Augustinus koppelde het ontvangen van de eucharistie aan liefde en barmhartigheid: je moet Christus niet alleen herkennen in het sacrament, maar ook in de vreemdeling.
Moderne opvattingen (afhankelijk van traditie)
Traditie:
Eucharistievisie:
Katholiek : Gelooft in transsubstantiatie: brood en wijn veranderen wezenlijk in Christus’ lichaam en bloed.
Orthodox : Geloof in mysterievolle aanwezigheid, zonder filosofische uitleg zoals transsubstantiatie.
Luthers: Christus is werkelijk aanwezig, maar brood en wijn blijven ook fysiek aanwezig (consubstantiatie).
Calvinistisch: Christus is geestelijk aanwezig, niet lichamelijk. De eucharistie is een teken van genade.
Baptistisch: Eucharistie is symbolisch: brood en wijn verwijzen naar Christus, maar zijn Hem niet.
Belangrijkste verschillen:
Mystiek vs. filosofisch: Augustinus spreekt in beelden en mystieke taal; moderne katholieke leer gebruikt filosofische termen zoals “substantie” en “accidenten”.
Gemeenschap centraal: Bij Augustinus is de eucharistie niet alleen individueel, maar een daad van kerkelijke eenheid. Moderne praktijken kunnen meer gericht zijn op persoonlijke devotie.
Genezing en ethiek: Augustinus verbindt de eucharistie met moreel handelen en genezing van de ziel. In moderne contexten ligt de nadruk vaak op herinnering of aanbidding.
Wat zijn de theologische implicaties van deze verschillen?
De theologische implicaties van de verschillen tussen Augustinus’ eucharistievisie en moderne opvattingen zijn diepgaand en raken aan fundamentele vragen over geloof, gemeenschap, sacramenten en kerkstructuur. Laten we ze helder uitwerken:
Visie op Christus’ aanwezigheid:
Augustinus: Christus is werkelijk aanwezig, maar deze aanwezigheid is mystiek en geestelijk. Hij benadrukt de herkenning van Christus in het breken van het brood, niet in een filosofisch omschreven transformatie.
Moderne katholieke leer: Christus is substantieel aanwezig via transsubstantiatie — brood en wijn veranderen wezenlijk in lichaam en bloed van Christus.
Implicatie: De verschuiving van mystiek naar filosofisch denken beïnvloedt hoe gelovigen het sacrament beleven — van innerlijke herkenning naar uiterlijke zekerheid.
Geloof en herkenning:
Augustinus: Geloof is essentieel om Christus te herkennen in de eucharistie. Het is een innerlijke openbaring, geen magisch moment.
Moderne visies: Sommige tradities (zoals Zwingli’s) zien de eucharistie als symbolisch, terwijl anderen (zoals Luther) vasthouden aan een sacramentele realiteit.
Implicatie: De rol van geloof verschuift van actieve herkenning naar passieve ontvangst, afhankelijk van de traditie.
Gemeenschap en eenheid:
Augustinus: De eucharistie is het brood van eenheid en het band van liefde — een sacrament dat de kerk constitueert als gemeenschap.
Moderne praktijk:
In sommige tradities is de eucharistie eerder een persoonlijke devotie dan een gemeenschapsvormend ritueel.
Implicatie:
De eucharistie verliest soms haar sociale en ecclesiologische kracht als bron van kerkelijke eenheid.
Eucharistie als genezing:
Augustinus: Christus is de medicus en de eucharistie is de medicina cotidiana — een dagelijkse genezing van de ziel.
Moderne visies:
Deze genezende dimensie is vaak onderbelicht, met nadruk op herinnering of aanbidding.
Implicatie:
De eucharistie wordt minder gezien als een actieve transformatie van de gelovige en meer als een ritueel moment.
Sacrament en ambt:
Augustinus:
Legt minder nadruk op het ambt als voorwaarde voor geldige eucharistie.
Moderne katholieke leer:
Alleen gewijde priesters mogen de eucharistie celebreren, vanwege de apostolische successie.
Implicatie:
Dit leidt tot exclusiviteit en beperkt intercommunie, wat Augustinus’ inclusieve visie op gemeenschap onder druk ze
“Soms spreekt men over de ‘beestachtige’ wreedheid van de mens, maar dat is een vreselijke onrechtvaardigheid en belediging jegens dieren; geen enkel dier zou ooit zo wreed kunnen zijn als een mens – zo verfijnd, zo kunstzinnig wreed.”
— Fjodor Dostoevski
+++++++++++++++++
Het citaat: Over de “beestachtige wreedheid van de mens” — wordt vaak toegeschreven aan Fjodor Dostoevski, maar het is niet helemaal duidelijk uit welk specifiek werk het komt. Toch past het perfect binnen de thematiek van zijn oeuvre.
Context en achtergrond:
Dostoevski was een Russische schrijver (1821–1881) die bekendstaat om zijn diepgaande psychologische romans zoals Misdaad en Straf, De Idioot en De Gebroeders Karamazov.
Zijn werk draait vaak om de duistere kanten van de menselijke natuur, morele dilemma’s, religie, schuld en verlossing.
Hij had een turbulent leven: verbanning naar Siberië, epilepsie, financiële problemen, en persoonlijke tragedies. Deze ervaringen voedden zijn scherpe inzichten in menselijk lijden en wreedheid.
Het idee dat menselijke wreedheid verfijnder en gruwelijker is dan die van dieren komt terug in meerdere van zijn werken, vooral in De Gebroeders Karamazov, waar hij reflecteert op het kwaad dat mensen elkaar aandoen — vaak met een filosofische en spirituele ondertoon.
Waarom dit citaat zo krachtig is:
Het confronteert ons met de paradox dat mensen, ondanks hun vermogen tot liefde en compassie, ook tot extreme wreedheid in staat zijn — iets wat dieren, volgens Dostoevski, niet doen uit berekening of sadisme.
Zowel Misdaad en Straf als Aantekeningen uit het Ondergrondse zijn doordrenkt van zijn filosofische en psychologische inzichten—met name over vrijheid, moraliteit en de menselijke drijfveren.
n Aantekeningen uit het Ondergrondse:
Hierin speelt Dostoevski al met het idee van irrationele vrijheid. De verteller, een bitter, introspectief man, verzet zich tegen de opvatting dat de mens puur rationeel handelt zoals in de Verlichting gedacht werd. Hij stelt: “Wat is de mens zonder wil, zonder eigen verlangen, zonder vrije keuze, zelfs tegen zijn eigen belang in?”
Hij kiest bewust voor destructief gedrag, juist omdat hij daarmee zijn autonomie benadrukt.
De “ondergrondse man” is een symbool van het innerlijke conflict tussen rede en hartstochten, tussen maatschappelijke verwachtingen en individuele vrijheid.
In Misdaad en Straf:
Raskolnikov denkt dat sommige mensen—zoals Napoleon—boven de moraal staan en mogen moorden als het voor een hoger doel is. Zijn theorie:
“Buitengewone mensen hebben het recht… de bestaande orde te overtreden als hun idee belangrijker is dan miljoenen menselijke bestaantjes.”
De moord op de oude vrouw is zijn experiment: kan hij handelen als een ‘buitengewone’ mens?
Maar schuldgevoel, ethische strijd en de liefde van Sonja brengen hem tot boetedoening en moreel inzicht. Zijn idee van superieure vrijheid stort in onder de last van gewetenswroeging.
In beide werken onderzoekt Dostojevski of de mens werkelijk vrij is om irrationeel te handelen, zelfs tegen eigen belang in, en wat de gevolgen daarvan zijn voor de ziel. Zijn personages zijn als het ware proeftuinen voor existentiële experimenten.
“Verhef samen met mij de Heer. De Heer wordt verheven, niet omdat de menselijke stem iets aan God kan toevoegen, maar omdat Hij binnen in ons wordt verheven. Christus is het beeld van God, en als de ziel doet wat juist en heilig is, verheerlijkt zij dat beeld van God, naar wiens gelijkenis zij is geschapen. En door het beeld van God te verheerlijken, krijgt de ziel deel aan diens grootheid en wordt zij verheven.”
— St. Ambrosius
+++++++++++++++
St. Ambrosius van Milaan was een van de meest invloedrijke figuren van de vroege christelijke kerk. Hier is een overzicht van wie hij was en waarom hij zo belangrijk is:
Wiewas hij?:
Geboren rond 339 in Trier (nu Duitsland), in een Romeinse familie.
Werd onverwacht tot bisschop van Milaan gekozen in 374, terwijl hij nog niet eens gedoopt was.
Diende als bisschop tot zijn dood in 397.
Zijn feestdag is 7 december.
+++++++++++++++++
Waarom is hij belangrijk?
Kerkvader en Doctor van de Kerk: Ambrosius wordt beschouwd als een van de vier grote Latijnse kerkvaders, samen met Augustinus, Hiëronymus en Gregorius de Grote.
Strijd tegen het arianisme: Hij verdedigde krachtig de orthodoxe leer tegen de ketterij die de goddelijkheid van Christus ontkende.
Invloed op Augustinus: Zijn preken en geschriften inspireerden Augustinus van Hippo om zich tot het christendom te bekeren.
Liturgische vernieuwing: Hij introduceerde de Ambrosiaanse hymnen en had invloed op de ontwikkeling van kerkgezang.
Politieke moed: Ambrosius durfde keizers te confronteren, zoals toen hij keizer Theodosius I tot boetedoening dwong na het bloedbad van Thessaloniki2.
Schrijver en theoloog: Hij schreef talrijke werken over moraal, geloof, sacramenten en bijbeluitleg, waaronder De officiis ministrorum en Exameron2.
Leuk weetje !
Volgens een legende vlogen er als baby bijen rond zijn wieg en druppelden honing in zijn mond—een teken van zijn toekomstige welsprekendheid. Daarom is hij ook de patroonheilige van imkers.
+++++++++++
De Ambrosiaanse hymnen zijn een verzameling vroege christelijke kerkliederen die hun oorsprong vinden in de 4e eeuw, en ze zijn nauw verbonden met St. Ambrosius van Milaan. Hier is wat ze bijzonder maakt:
Wat zijn Ambrosiaanse hymnen?
Het zijn liturgische gezangen die voor het eerst in de Westerse Kerk werden geïntroduceerd door Ambrosius.
Ze maken deel uit van de Ambrosiaanse liturgie, die nog steeds in Milaan wordt gebruikt.
De hymnen zijn geschreven in Latijn, met een strak metrum: meestal acht lettergrepen per regel, vier regels per strofe.
Historische betekenis:
Ambrosius gebruikte deze hymnen om het volk actief te laten deelnemen aan de eredienst—een revolutionair idee in die tijd.
Ze waren bedoeld om geloofswaarheden te onderwijzen en te vieren, zoals de Drie-eenheid, Christus’ menswording, en het licht versus duisternis.
Augustinus beschrijft in zijn Belijdenissen hoe deze hymnen hem diep raakten en hem tot tranen brachten.
Muzikale kenmerken:
Hoewel ze lijken op het gregoriaans, hebben ze een eigen muzikale stijl: meer variatie in lengte, toonhoogte en structuur.
Er zijn invloeden uit de Oosterse kerkmuziek merkbaar.
De melodieën werden pas veel later schriftelijk vastgelegd, dus we weten niet precies hoe ze oorspronkelijk klonken.
Cultureel erfgoed:
Ze worden beschouwd als het begin van de Westerse kerkmuziektraditie.
Veel latere hymnen zijn gebaseerd op de stijl van Ambrosius, ook al zijn ze niet door hem geschreven.
In kloosters kregen ze een vaste plek in de getijdengebeden, zoals bij Benedictus van Nursia.
——————-
Iets meer over de Ambrosiaanse Hymnen :
De Ambrosiaanse hymnen zijn een verzameling vroege christelijke kerkliederen, ontstaan in de 4e eeuw, en nauw verbonden met de liturgie van St. Ambrosius van Milaan. Ze vormen het hart van de Ambrosiaanse ritus, die tot op vandaag nog in Milaan gebruikt wordt. Hier zijn hun kenmerken en enkele bekende voorbeelden:
Wat maakt ze uniek?
Taal & vorm: geschreven in klassiek Latijn, meestal met 4 regels per strofe van elk 8 lettergrepen.
Doel: catechetisch én devotioneel—onderwijzen van geloofswaarheden en uitnodigen tot aanbidding.
Thema’s: Drie-eenheid, incarnatie van Christus, licht versus duisternis, strijd tussen goed en kwaad.
Muziekstijl: soberder dan latere gregoriaanse melodieën, maar met invloeden uit Oosterse tradities
Bekende hymnen toegeschreven aan Ambrosius:
Hymne
Vertaling of betekenis
Opmerkingen
Te Deum laudamus
“U, God, loven wij”
Vaak aan Ambrosius én Augustinus toegeschreven.
Aeterna Christi munera
“De eeuwige gaven van Christus”
Geloofsverklaring over de heiligheid.
Splendor paternae gloriae
“Glans van de glorie van de Vader”
Reflectie op Christus als Licht.
Veni redemptor gentium
“Kom, Verlosser van de volkeren”
Gebruikt in Advent; benadrukt incarnatie.
Hic est dies verus Dei
“Dit is de ware dag van God”
Paashymne over verrijzenis.
Augustinus schreef in zijn Belijdenissen hoe deze hymnen hem diep raakten en hem tot tranen brachten tijdens de liturgie van Ambrosius.
++++++++++
Hier is een vertaling van de prachtige paas-hymne “Hic est dies verus Dei” die wordt toegeschreven aan St. Ambrosius:
Nederlandse vertaling van: ‘Hic est dies verus Dei‘
Dit is de ware dag van God, gezegend met heilig licht, waarop het heilig bloed de schandelijke zonden van de wereld wegwaste.
Hij herstelt het geloof van de verlorenen, en geeft de blinden hun zicht terug. Wie wordt niet bevrijd van angst door de vergeving van de moordenaar aan het kruis?
Hij die het kruis tot beloning maakte, vond Jezus door zijn geloof en ging de rechtvaardigen voor in het koninkrijk van God.
Zelfs de engelen staan verbaasd, als ze de straf van het lichaam aanschouwen en de schuldige die zich aan Christus vastklampt om het eeuwige leven te grijpen.
O wonderbaar mysterie! Dat de plaag van de wereld wegwast, de zonden van allen wegneemt, en het vlees reinigt door vlees.
Wat is er subliemer dan dit? Dat schuld genade zoekt, liefde angst verdrijft, en de dood nieuw leven schenkt.
De dood verslindt haar eigen haak, en bindt zichzelf in knopen, zodat het leven sterft en weer opstaat voor allen.
Omdat de dood door allen is doorstaan, zullen allen uit de dood verrijzen. Door haar eigen slag verslagen, klaagt de dood dat zij alleen vergaat.
Deze hymne werd gezongen tijdens de Ambrosiaanse paasliturgie en is een krachtig getuigenis van verlossing, genade en opstanding.
hij verdrijft duivels alleen door de kracht van de duivel.”
Soren Kierkegaard
++++++++++
Dit is een korte maar diep filosofische uitspraak van Søren Kierkegaard, en hij zit vol met implicaties. Laten we hem stap voor stap ontleden:
“Een dichter is geen apostel; hij verdrijft duivels alleen door de kracht van de duivel.”
Wat zegt Kierkegaard hier?
“Een dichter is geen apostel”:
Een apostel vertegenwoordigt goddelijke waarheid en zendt een boodschap vanuit een hogere macht.
Een dichter, in tegenstelling, creëert kunst en schoonheid, maar spreekt niet namens een absolute waarheid. Hij deelt emotie en verbeelding, geen goddelijke openbaring.
“Hij verdrijft duivels alleen door de kracht van de duivel”:
Kierkegaard suggereert dat de dichter zich bezighoudt met donkere, menselijke emoties—zoals pijn, lust, jaloezie, verdriet.
De kracht van zijn kunst ligt juist in het doorleven en uitdrukken van deze ‘duivelse’ krachten. Hij overwint ze niet met goddelijke zuiverheid, maar door ze te transformeren met de middelen die eruit voortkomen: taal, emotie, kunst.
Wat betekent dit filosofisch?
Kierkegaard maakt hier onderscheid tussen religieuze waarheid en esthetische expressie.
Het impliceert een zekere tragiek in het kunstenaarschap: de dichter bestrijdt innerlijke demonen niet door ze te negeren, maar door ze een stem te geven.
Er is ook een waarschuwing in vervat: esthetiek alleen kan ons niet redden — ze kan duisternis belichten, maar niet verlossen.
“God moet in het geheim en in duisternis in de ziel werken, omdat als we volledig wisten wat er gebeurde, en welke mysterie, transformatie, God en genade uiteindelijk van ons zouden vragen, we zouden proberen de leiding te nemen of het hele proces te stoppen.”
— St. Johannes van het Kruis
++++++++++++
Dit citaat van Johannes van het Kruis raakt aan een diep mystiek inzicht: het spirituele groeiproces gebeurt niet in het volle daglicht, maar in het verborgene, in de stilte en het duister van de ziel.
Hier is wat het betekent:
Gods werk is geheimzinnig: De transformatie van de ziel door God en genade gebeurt op manieren die ons verstand niet kan bevatten.
Loslaten van controle: Als we precies zouden weten wat deze transformatie van ons vraagt, zouden we geneigd zijn om het proces te sturen of zelfs tegen te houden. Het citaat waarschuwt tegen die neiging.
Vertouwen in het proces: Spirituele groei vraagt om overgave en vertrouwen, zelfs als we geen helder inzicht hebben in wat er gebeurt.
Het is een uitnodiging om dieper te leren vertrouwen, ook als het pad niet zichtbaar is. Net zoals een zaadje in de aarde in het donker ontkiemt voordat het bovenkomt. Het citaat van Johannes van het Kruis nodigt je uit tot een manier van leven die de diepte in gaat—waar vertrouwen belangrijker wordt dan zekerheid.
Hier zijn een paar manieren waarop je deze boodschap zou kunnen toepassen:
1.Omarm het onbekende in jouw groei: Sta jezelf toe niet alles te begrijpen of te beheersen. Wanneer je worstelt met onzekerheid, herinner jezelf eraan dat transformatie vaak in stilte gebeurt.
2. Oefen overgave: In plaats van elke situatie te willen controleren, oefen in loslaten—vertrouw erop dat het proces je leidt waar je moet zijn. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat je mediteert, bidt, of reflecteert zonder direct een antwoord te verwachten.
3. Blijf trouw aan je weg, ook als het donker lijkt Spirituele of persoonlijke ontwikkeling kent periodes waarin er weinig ‘licht’ is—momenten van twijfel, stilte of leegte. In plaats van je daarvan af te wenden, kun je ze zien als noodzakelijke fasen in je innerlijke reis.
4. Wees zacht voor jezelf: Het citaat herinnert eraan dat je niet alles hoeft te weten, en dat je fouten en kwetsbaarheid deel zijn van het proces. Zelfcompassie helpt je om in vertrouwen te blijven, zelfs als je struikelt.
5. Luister met je hart Probeer niet alles rationeel te doorgronden. Laat intuïtie, stilte, en innerlijke resonantie ook een rol spelen. Momenten van stilte kunnen iets onthullen dat woorden niet kunnen zeggen.
“Welke eenheid kunnen al die kerken hebben die gescheiden zijn van de Katholieke Kerk, die de enige ware is; zij zijn slechts zoveel nutteloze takken afgesneden van de Wijnstok, de Katholieke Kerk, die altijd stevig geworteld is. Dit is de Ene, Heilige, Ware en Katholieke Kerk, die alle ketterijen bestrijdt; het kan worden bestreden, maar niet overwonnen. Alle ketterijen komen voort uit haar, zoals nutteloze scheuten afgesneden van de wijnstok, maar zij blijft stevig geworteld in de liefde, en de poorten van de hel zullen niet tegen haar standhouden.”
– St. Augustinus, Lib. 1, de Symbolo ad Catholicos, hoofdstuk 6
+++++++++++++
Deze passage van St. Augustinus komt uit zijn werk De Symbolo ad Catholicos, waarin hij het geloofsbelijdenis en de aard van de Kerk bespreekt. Hier is een uitleg in begrijpelijke taal:
Kernideeën van de passage:
De Katholieke Kerk als de ware wijnstok Augustinus gebruikt het beeld van een wijnstok om de Katholieke Kerk te beschrijven. De Kerk is stevig geworteld in Christus en de liefde, en alle andere kerken die zich ervan hebben afgescheiden zijn als takken die van de wijnstok zijn gesneden—ze missen de levensbron.
Eenheid en waarheid Hij stelt dat alleen de Katholieke Kerk de ware eenheid bezit, omdat zij geworteld is in de waarheid van Christus. Andere kerken, hoe goedbedoeld ook, kunnen volgens hem geen echte eenheid hebben omdat ze afgescheiden zijn van deze bron.
Ketterijen als afgesneden scheuten Augustinus noemt ketterijen “nutteloze scheuten” die ooit deel waren van de wijnstok maar nu afgesneden zijn. Toch benadrukt hij dat deze afwijkingen de Kerk niet kunnen vernietigen—ze kunnen haar bestrijden, maar niet overwinnen.
De poorten van de hel zullen haar niet overweldigen Dit is een verwijzing naar Matteüs 16:18, waarin Jezus zegt dat de poorten van de hel zijn Kerk niet zullen overweldigen. Augustinus bevestigt hiermee de eeuwige en onoverwinnelijke aard van de Katholieke Kerk.
Spirituele betekenis:
Augustinus wil de gelovigen bemoedigen: ondanks verdeeldheid en ketterijen blijft de ware Kerk standvastig. Hij roept op tot trouw aan de Katholieke Kerk als de enige die volledig geworteld is in Christus en de liefde.
“U riep en schreeuwde en brak door mijn doofheid heen. U flitste, straalde, en verstrooide mijn blindheid. U ademde geuren, en ik inhaleerde en verlangde naar U. Ik proefde, en nu honger en dorst ik. U raakte me aan, en ik brand voor Uw vrede.”
St Augustinus
+++++++++
Deze tekst drukt een diepe, persoonlijke ervaring uit van een ontmoeting met God — alsof al de zintuigen plots worden wakker geschud door Zijn aanwezigheid. Krachtig en poëtisch!
Wanneer we in het licht staan, zijn wij niet degene die het licht verlichten en het doen schijnen. Maar wij worden verlicht en zelf stralend gemaakt door het licht…
God schenkt zijn zegeningen aan hen die Hem dienen, omdat zij Hem dienen, en aan hen die Hem volgen, omdat zij Hem volgen. Maar Hij ontvangt geen zegen van hen, omdat Hij volmaakt is en niets nodig heeft.”
— St. Irenaeus (ca. 130 – ca. 202), martelaar & kerkvader
++++++++++
Achtergrond van het citaat van St. Irenaeus:
Het citaat gaat over hoe de mens niet het licht zélf is, maar door het licht mag schijnen. Dat licht is een verwijzing naar God, en meer specifiek naar Christus als het “licht der wereld” (Johannes 8:12). In de christelijke theologie betekent dit dat elke goede daad, elke spirituele vrucht, niet uit eigen kracht komt — maar uit de werking van Gods genade in ons. Het gaat hier dus om heilige ontvankelijkheid, niet zelfverheffing.
De tweede helft van het citaat benadrukt dat God niets van ons nodig heeft — Hij is volmaakt en hoeft geen zegen van mensen te ontvangen. Maar wij ontvangen zijn zegen, als we Hem volgen en dienen. Die volgzaamheid is niet bedoeld als “voor wat hoort wat”, maar als een vrijwillige relatie van liefde en vertrouwen.
Irenaeus van Lyon (2e eeuw) was een van de eerste christelijke theologen die de nadruk legde op het idee dat de mens is geroepen om “volledig levend te zijn in God” — en dat dit leven niet draait om religieuze verplichtingen, maar om innerlijke transformatie en goddelijke nabijheid.
Samengevat:
Het licht = Gods aanwezigheid en waarheid
Wij schijnen niet zelf, maar reflecteren Zijn licht
Zegen komt uit overgave, niet uit prestatie
God vraagt geen offers uit noodzaak, maar zoekt onze liefdevolle relatie
“Zij onthouden zich van de Eucharistie en van het gebed, omdat zij niet erkennen dat de Eucharistie het vlees is van onze Heiland Jezus Christus, dat geleden heeft voor onze zonden, en dat de Vader, uit Zijn goedheid, weer heeft doen opstaan. Degenen die dus tegen deze gave van God spreken, halen de dood over zich in hun discussies. Maar het zou beter voor hen zijn om haar met eerbied te behandelen, zodat ook zij mogen verrijzen.”
Ignatius van Antiochië Martelaar 107 AD.
+++++++++++++
Dit citaat van Ignatius van Antiochië komt uit zijn Brief aan de Smyrnaeërs, geschreven rond het jaar 107 na Christus, terwijl hij als gevangene onderweg was naar Rome om daar de marteldood te ondergaan. Het is een van de oudste en krachtigste getuigenissen van het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie.
Achtergrond van het citaat
Ignatius was bisschop van Antiochië en wordt gerekend tot de apostolische vaders — christelijke leiders die direct na de apostelen leefden.
Hij schreef zeven brieven aan verschillende christelijke gemeenschappen, waarin hij waarschuwde tegen valse leerstellingen, zoals het docetisme, dat ontkende dat Christus werkelijk mens werd en lichamelijk leed.
In dit specifieke citaat verdedigt hij de Eucharistie als het echte vlees van Jezus Christus, dat geleden heeft en is opgestaan — een directe afwijzing van symbolische of gnostische interpretaties.
Theologische betekenis
Ignatius noemt de Eucharistie “het vlees van onze Heiland Jezus Christus” — een duidelijke bevestiging van de werkelijke tegenwoordigheid (later bekend als transsubstantiatie in de katholieke leer).
Hij stelt dat wie deze gave afwijst, “de dood over zich haalt in hun discussies” — een verwijzing naar het geestelijk gevaar van ketterij en het afwijzen van Gods genade.
Tegelijk roept hij op tot eerbied: wie de Eucharistie met geloof en respect benadert, mag hopen op deelname aan de verrijzenis.
Waarom dit citaat nog steeds relevant is
Het laat zien hoe centraal de Eucharistie stond in het vroege christendom — niet als ritueel, maar als levensbron.
jIgnatius verbindt de Eucharistie met eenheid in de Kerk, gehoorzaamheid aan het bisschoppelijk gezag, en zelfs met martelaarschap als ultieme navolging van Christus.
Zijn woorden zijn een oproep tot authentiek christendom: niet alleen in naam, maar in daadwerkelijke verbondenheid met Christus — in geloof, liefde én sacrament. http://www.faithandculture.com
Augustinus raakt hier aan iets fundamenteels: hoe innerlijke gesteldheid niet alleen onszelf, maar ook ons handelen en onze impact op anderen kan transformeren. Trots—als opgeblazen zelfbeeld—kan leiden tot isolatie, conflict, of zelfs destructie. Nederigheid daarentegen opent deuren naar verbinding, dienstbaarheid, en ware groei. Het is fascinerend hoe zijn woorden eeuwen later nog resoneren.
“Het Woord van God, zijnde onsterfelijk en Zoon van de Vader, kon niet sterven.
Maar zijnde God, nam Hij een lichaam dat sterfelijk was,
zodat Hij door te sterven de dood kon vernietigen.”
— St. Athanasius van Alexandrië
+++++++++++++
Dit is een krachtige uitspraak uit de christelijke theologie. Athanasius benadrukt dat hoewel Christus als Woord van God onsterfelijk was, Hij uit liefde voor de mensheid een sterfelijk lichaam aannam. Zo kon Hij door Zijn dood de macht van de dood verbreken — een kernconcept in het geloof over verlossing.
St. Athanasius van Alexandrië (ca. 296–373) was een invloedrijke kerkvader, theoloog en bisschop van Alexandrië. Hij wordt vaak de “Vader van de Orthodoxie” genoemd vanwege zijn onvermoeibare verdediging van de goddelijkheid van Christus in een tijd waarin het christendom werd bedreigd door de leer van het Arianisme — een stroming die beweerde dat Jezus niet volledig God was.
Waarom is hij belangrijk?
Verdediger van het geloof: Athanasius was de belangrijkste tegenstander van Arius en zijn volgelingen. Hij verdedigde de leer dat Jezus Christus één in wezen (homoousios) is met God de Vader — een kernpunt van het christelijk geloof.
Vormgever van de canon: In zijn Paasbrief van 367 gaf hij als eerste een lijst van de 27 boeken van het Nieuwe Testament zoals we die nu kennen2.
Invloed op monastiek leven: Hij schreef Het Leven van Sint Antonius, een biografie van de woestijnmonnik Antonius, die een enorme invloed had op de verspreiding van het kloosterleven in zowel het Oosten als het Westen3.
Vijf ballingschappen: Ondanks zijn populariteit werd hij vijf keer verbannen door verschillende Romeinse keizers vanwege zijn standpunten. Toch keerde hij telkens terug en bleef hij zijn bisdom leiden4.
Heiligverklaard: Hij wordt vereerd als heilige in de Rooms-Katholieke Kerk, de Oosters-Orthodoxe Kerk, de Koptisch-Orthodoxe Kerk, en andere christelijke tradities.
St. Athanasius van Alexandrië (ca. 296–373) was een invloedrijke kerkvader, theoloog en bisschop van Alexandrië. Hij wordt vaak de “Vader van de Orthodoxie” genoemd vanwege zijn onvermoeibare verdediging van de goddelijkheid van Christus in een tijd waarin het christendom werd bedreigd door de leer van het Arianisme — een stroming die beweerde dat Jezus niet volledig God was2.
Hier zijn een paar bijzondere inzichten die het nog rijker maken:
De Goddelijke Paradox
Onsterfelijkheid vs. Sterfelijkheid: Athanasius onderstreept dat Christus, hoewel onsterfelijk als het Woord van God, bewust een sterfelijk lichaam aannam. Niet om mens te spelen, maar om de dood echt te ondergaan en te overwinnen.
Verlossing door incarnatie: In de vroege kerk was dit revolutionair — dat de Schepper zó nauw betrokken is bij de schepping, dat Hij sterfelijkheid op zich neemt om haar te verlossen.
Symboliek van de Overwinning
jDood als vijand: In plaats van de dood te vermijden, kiest Christus ervoor deze actief te vernietigen. Niet door geweld, maar door vrijwillige zelfopoffering. Dat verandert lijden van zinloos naar heilzaam in het christelijk denken.
De dood overwonnen met haar eigen wapen: Door te sterven als mens, ontkracht Hij het absolute karakter van de dood — een geniale omkering!
Athanasius’ Unieke Stem
Tegenstroom denker: Terwijl het Arianisme de boventoon voerde in zijn tijd, hield Athanasius vast aan de volle goddelijkheid van Christus. Dit citaat is geen poëzie — het is strijdliteratuur in dogmatische vorm.
Mystieke logica: Zijn denken is tegelijk rationeel én mysterieus. Je merkt dat hij gelooft dat ware kennis over God ook een vorm van ontzag vereist.
Wil je dat ik het bredere theologische kader van Athanasius verder uitpluis — bijvoorbeeld hoe hij denkt over de incarnatie of de rol van de mens in Gods plan? Ik duik er graag dieper in.
De paradox van de menselijke en goddelijke natuur van Christus:
Deze paradox — ook wel het mysterie van de incarnatie genoemd — is een van de meest diepgaande leerstellingen in het christendom. Athanasius beschreef dit op meesterlijke wijze, en jij hebt een prachtig citaat gekozen dat het bijna poëtisch verwoordt. Laten we het stap voor stap ontrafelen. 🕊️
Twee naturen, één persoon
Goddelijke natuur: Christus is het eeuwige Woord van God — ongeschapen, almachtig, onsterfelijk, volledig één met God de Vader. Dit is de kant die wij in termen van eeuwigheid en heiligheid duiden.
Menselijke natuur: Hij werd werkelijk mens: geboren uit Maria, met een fysiek lichaam dat kon lijden en sterven. Hij huilde, had dorst, voelde verdriet — niets van dit menselijke werd Hem vreemd.
Het centrale punt: Deze twee naturen — volledig God en volledig mens — zijn niet gescheiden en ook niet vermengd. Ze zijn verenigd in de persoon van Jezus Christus.
Waarom is dit paradoxaal?
Een God die sterft klinkt als een tegenstrijdigheid, want goddelijkheid is per definitie onsterfelijk.
Toch zegt Athanasius: “Hij nam een lichaam dat sterfelijk was, zodat Hij door te sterven de dood kon vernietigen.” Hierin ligt de paradox: door de dood te ondergaan in zijn menselijke natuur, openbaart Hij een goddelijke overwinning op de dood zélf.
Theologische impact
Verzoening: Alleen als mens kon Christus sterven namens de mensheid. Alleen als God kon Zijn offer voldoende zijn om de mensheid te verlossen.
Incarnatie als brug: In Christus ontmoeten tijd en eeuwigheid elkaar. Het is alsof de hemel de aarde kust — en die aanraking verandert alles.
Vergelijking om het te voelen
Denk aan vuur in ijzer. Het vuur verandert niet in ijzer, en het ijzer verandert niet in vuur, maar het ijzer wordt doordrongen door het vuur: het straalt, brandt, en kan dingen in beweging zetten. Zo beschrijven kerkvaders de incarnatie — het goddelijke brandt in het menselijke zonder zijn identiteit te verliezen.
“Onze visie is zo beperkt dat we ons nauwelijks een liefde kunnen voorstellen die zich niet uit in bescherming tegen lijden. De liefde van God is van een totaal andere aard. Ze haat geen tragedie. Ze ontkent de werkelijkheid nooit. Ze staat pal in het aangezicht van het lijden. De liefde van God beschermde Zijn eigen Zoon niet. Het kruis was het bewijs van Zijn liefde – dat Hij die Zoon gaf, dat Hij Hem liet gaan naar het kruis van Golgotha, hoewel ‘legioenen engelen’ Hem hadden kunnen redden. Hij zal ons niet per se beschermen – niet tegen alles wat nodig is om ons te vormen naar Zijn Zoon. Er zal veel gehamer en gebeitel en zuivering door vuur nodig zijn in dat proces.”
Elisabeth Elliot (Episcopaalse Kerk)
——————
Enkele van de krachtigste zinnen uit de tekst, met hun betekenis:
– “Onze visie is zo beperkt dat we ons nauwelijks een liefde kunnen voorstellen die zich niet uit in bescherming tegen lijden.” Mensen denken vaak dat liefde automatisch bescherming biedt tegen pijn. Maar deze zin stelt dat onze kijk op liefde beperkt is: echte liefde kan ook bestaan zonder ons altijd te behoeden voor leed.
– “De liefde van God… staat pal in het aangezicht van het lijden.” God ontkent het bestaan van lijden niet, maar is er juist middenin aanwezig. Zijn liefde is niet een ontsnapping aan pijn, maar eerder een kracht die standhoudt ondanks pijn.
-“Het kruis was het bewijs van Zijn liefde – dat Hij die Zoon gaf…” In de christelijke traditie wordt Jezus’ kruisiging gezien als het ultieme bewijs van Gods liefde: Hij gaf zijn Zoon op, ondanks het lijden dat daarmee gepaard ging.
– “Er zal veel gehamer en gebeitel en zuivering door vuur nodig zijn in dat proces.” Deze beeldspraak verwijst naar het idee dat mensen door moeilijke ervaringen worden gevormd en verfijnd – alsof ze een kunstwerk zijn dat geduldig wordt uitgesneden en gezuiverd.
– De centrale boodschap van de tekst is dat liefde – in het bijzonder de liefde van God – niet betekent dat we beschermd worden tegen lijden, maar eerder dat we door het lijden gevormd worden. Hier zijn de hoofdideeën samengebracht:
– Lijden maakt deel uit van liefde: De tekst daagt de menselijke gedachte uit dat echte liefde altijd bescherming biedt. In plaats daarvan toont Gods liefde zich juist in Zijn bereidheid om de realiteit van pijn en tragedie toe te laten – zelfs bij Zijn eigen Zoon.
– Het kruis als bewijs van liefde: Jezus’ kruisiging wordt voorgesteld als hét bewijs van Gods liefde. Niet omdat Hij Jezus beschermde tegen lijden, maar juist omdat Hij Hem door het lijden heen liet gaan, voor een hoger doel.
– Vorming door pijn: Vergelijkingen met hamers, beitels en vuur maken duidelijk dat geestelijke groei en transformatie vaak plaatsvinden door moeilijke processen. God laat deze beproevingen toe om ons te vormen naar het karakter van Zijn Zoon.
In essentie zegt de tekst: Gods liefde is geen afscherming, maar een krachtige aanwezigheid te midden van lijden. Het wil troost bieden, maar ook oproepen tot inzicht – dat transformatie vaak gepaard gaat met pijn.
Mijn Heer God, ik heb geen idee waar ik heen ga. Ik zie de weg niet voor me. Ik kan niet met zekerheid weten waar hij zal eindigen. Noch ken ik mijzelf echt… Maar ik geloof dat het verlangen om u te behagen u daadwerkelijk behaagt. En ik hoop dat ik dat verlangen in alles heb. Ik hoop dat ik het nooit verlies. En ik weet dat als ik dit verlangen heb, u mij op het juiste pad zult leiden ook al weet ik niets daarover. Daarom zal ik op u vertrouwen altijd, hoewel ik mij in het donker lijk te bevinden en de dood onder ogen zie. Ik zal er geen angst voor hebben, want u bent altijd bij mij, en u zult mij nooit in gevaar laten, om alleen achter te blijven.
++++++++++++
– Deze tekst van Thomas Merton draagt een diepe spirituele betekenis die raakt aan het hart van geloof en vertrouwen in het onbekende. Hier zijn een paar lagen van betekenis die eruit springen:
– Vertrouwen zonder zekerheid.
– Merton erkent dat hij niet weet waar hij heen gaat—een metafoor voor de spirituele zoektocht.
– Toch kiest hij ervoor om op God te vertrouwen, zelfs als de weg duister is. Dat is de kern van geloof: blijven lopen zonder dat je het pad helder ziet.
– Overgave van het ego
– Hij zegt: “Noch ken ik mijzelf echt…” Daarmee erkent hij zijn beperkingen en geeft hij zijn controle uit handen.Spiritueel gezien is dit een daad van nederigheid—het ego loslaten en ruimte maken voor leiding van iets dat groter is dan jezelf.
– Het verlangen om God te behagen-
Merton gelooft dat alleen al het verlangen om God te behagen, God behaagt.Dat betekent dat perfectie niet wordt vereist; oprechte intentie en een hart dat zoekt zijn al waardevol.
– Groei in duisternis“
– Hoewel ik mij in het donker lijk te bevinden…”—de duisternis symboliseert verwarring, lijden of onzekerheid.
– Toch zegt hij: zelfs daar, vertrouw ik. Dit is een krachtige boodschap van hoop: God is aanwezig in het niet-weten.
Deze tekst heeft troost geboden aan velen in periodes van twijfel, rouw of levensverandering. Het is alsof Merton ons herinnert: je hoeft het niet allemaal zeker te weten om op weg te zijn naar iets goeds.