32e zondag na pinksteren

32e zondag na Pinksteren

“Het geloof van de kananese vrouw”

kananese vrouw3.jpg

LEZINGEN :

2 Kor. 3,10-15 :
10Wat eens heerlijkheid scheen, is eigenlijk geen heerlijkheid, vergeleken bij deze allesovertreffende heerlijkheid. 11Als het vergankelijke zich met glorie openbaarde, hoeveel te meer zal dit gelden van het blijvende. 12Toegerust met zulk een hoop, treden wij met grote vrijmoedigheid op, 13geheel anders dan Mozes, die zijn gelaat met een sluier bedekte, want de Israëlieten mochten het verdwijnen van de vergankelijke glans niet bemerken. 14En hun denken raakte verstard. Ja, tot op de huidige dag is diezelfde sluier gebleven, als zij lezen in de boeken van het Oude Testament. Hij wordt niet weggenomen, want alleen Christus doet hem verdwijnen. 15Tot heden toe ligt een sluier over hun geest, telkens wanneer Mozes wordt voorgelezen.

1 Timoteüs : 4,9-15 :
9Doe uw best om spoedig bij mij te Komen. 10Demas gaf de voorkeur aan de wereld en heeft mij in de steek gelaten. Hij is naar Tessalonica vertrokken. Crescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië. 11Alleen Lucas is bij me. Ga Marcus halen en breng hem met u mee; ik kan hem goed gebruiken voor het werk. 12Týchikus heb ik naar Éfeze gezonden. 13Als gij komt, breng dan de mantel mee die ik in Troas bij Karpus, heb laten liggen, en ook de boeken, vooral de perkamenten. 14Alexander, de koperslager, heeft mij veel kwaad berokkend. De Heer zal hem vergelden naar zijn werken. 15Neem ook bij u voor hem in acht, want hij heeft onze woorden heftig bestreden.

EVANGELIE :Matteüs 15,21-28:

Jezus en een Kananese vrouw
Jezus ging daar weg en nam de wijk naar het gebied van Tyrus en Sidon. En kijk, een Kananese vrouw uit die streek kwam naar buiten en riep: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is vreselijk bezeten.’ Maar Hij gaf haar niet eens antwoord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Stuur haar weg, want ze roept ons achterna.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël.’ Maar zij kwam naar Hem toe en knielde voor Hem neer en zei: ‘Heer, help me.’ Hij gaf haar ten antwoord: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven.’ Maar zij zei: ‘Juist, Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.’ Toen gaf Jezus haar ten antwoord: ‘Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst.’ En haar dochter was vanaf dat moment genezen

 

De Kananese vrouw

 

Je was maar een gewone vrouw
je naam is nooit genoemd
Toch heeft de Heer je sterk geloof
met blijde stem geroemd

Je bent zomaar met dat geloof
naar Jezus toe gegaan
De Heer hield zich toen even doof
maar heeft je goed verstaan

Je knielde, smeekte: “Zoon van David,
Heer, helpt U mijn gestoorde kind
dat altijd ziek en bang moet zijn
dat nooit meer rust en vrede vindt…”

 

Hij wilde je gebed verhoren
Je was een werktuig in zijn hand
Je was een vrouw, door God verkoren
al kwam je uit een heidens land

Je vroeg alleen om kruimeltjes
Hij gaf je voedzaam brood
Je mag zijn lof nu zingen
want je geloof was groot

 

Je mag nu ook vertellen
wie Jezus voor je is
en dat je nu wilt leven
tot zijn gedachtenis

 

Je mag met je genezen kind
bij God aan tafel gaan
Hij laat een ieder die Hem vindt
nooit meer van verre staan…

(Matteüs 15: 21 – 28)

 

 www.gedichtensite.nl

Doop van Jezus in de Jordaan

(6 januari)
Feest van de Heilige Theofanie van onze Heer en Verlosser Jezus Christus

 Doop van Christus in de Jordaan

 

 

doop van jezus582.jpg

 

LEZINGEN :

Titus 2, 11-14;3,4-7

2,11 De genade van God, bron van heil voor alle mensen, is op aarde verschenen. 12Zij leert ons goddeloosheid en wereldse begeerten te verzaken en bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze tijd, 13terwijl wij uitzien naar de zalige vervulling van onze hoop, de openbaring van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland Christus Jezus. 14Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle ongerechtigheid te verlossen en ons te maken tot zijn eigen volk, gereinigd van zonde, vol ijver voor alle goeds.
3,4Maar de goedheid en mensenliefde van God onze Heiland is op aarde verschenen, 5en hij heeft ons gered, niet omdat wij iets goeds gedaan zouden hebben, maar alleen omdat Hij barmhartig is. Hij heeft ons gered door het bad van wedergeboorte en vernieuwing door de heilige Geest. 6Want Hij heeft de Geest overvloedig over ons uitgestort door Jezus Christus onze Heiland. 7Zo zijn wij door zijn genade gerechtvaardigd en erfgenamen geworden van het eeuwige leven waar onze hoop op gericht is.

EVANGELIE :

Mattheüs 3,13-17 :

JEZUS DOOR JOHANNES GEDOOPT
13In die tijd kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes om zich door hem te laten dopen. 14Maar Johannes wilde Hem tegenhouden met de woorden: “Ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?” 15Jezus antwoordde hem: “Laat nu maar; want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen.” Toen liet hij hem toe. 16Nadat Jezus gedoopt was, steeg hij terstond uit het water. En zie, daar ging de hemel open en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over zich komen; 17en een stem uit de hemel sprak: “Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb.”

24e zondag na Pinksteren

24e zondag na pinksteren

“Genezing op een sabbat van een vrouw”

genezing op sabbat2.jpg

LEZINGEN :

Efeziërs,2,14-22 :

Want Hij is onze vrede, Hij die de twee werelden* één gemaakt heeft, en de scheidsmuur* heeft neergehaald, door in zijn vlees de vijandschap*, [15] de wet* met haar geboden en verordeningen, te vernietigen. Hij heeft vrede gesticht door in zijn persoon uit die twee één nieuwe* mens te scheppen, [16] en beiden in één lichaam met God te verzoenen door het kruis, waaraan* Hij de vijandschap heeft gedood. [17] En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u die veraf was en vrede aan hen die dichtbij waren. [18] Want door Hem hebben wij beiden in één Geest toegang tot de Vader.
[19] Zo* bent u dus geen vreemdelingen en ontheemden meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, [20] gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten*, waarvan Christus Jezus zelf de hoeksteen is. [21] Op Hem, die het hele bouwwerk in zijn voegen houdt, groeit* het uit tot een heilige tempel in de Heer. [22] Op Hem wordt ook u mee opgebouwd tot een woning van God, in de Geest.

of

Galaten, 3,23- 4,5

[23] Vóór de komst van het geloof stonden wij onder bewaking van de wet, opgesloten tot het geloof zou worden geopenbaard. [24] De wet is dus voor ons een oppasser geweest tot de komst van Christus, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden door het geloof. [25] Maar nu het geloof is gekomen, staan wij niet langer onder de oppasser. [26] Want u bent allemaal kinderen van God door het geloof, in Christus Jezus. [27] Want allemaal bent u in Christus gedoopt*, met Christus bekleed. [28] Er is geen Jood of Griek meer, er is geen slaaf of vrije, het is niet man en vrouw: u bent allemaal één in Christus Jezus. [29] Maar als u bij Christus hoort, dan bent u ook nageslacht van Abraham, erfgenamen overeenkomstig de belofte.
Hoofdstuk 4
[1] Ik* bedoel dit: zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, hoewel hij heer van alles is; [2] maar hij staat onder voogden en beheerders tot het tijdstip* dat door zijn vader is bepaald. [3] Zo waren ook wij* slaven zolang we onmondig waren, onderworpen aan de machten* van de kosmos. [4] Maar toen de volheid* van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, [5] om hen die onder de wet stonden vrij te kopen, opdat wij de rang van zonen* zouden krijgen

EVANGELIE:

Lucas 13,10-17

Eens gaf Hij op sabbat onderricht in een synagoge. Daar bevond zich een vrouw die al achttien jaar leed onder een geest die haar ziek maakte. Ze liep krom en was niet in staat zich op te richten. Jezus zag haar en sprak haar aan. ‘Vrouw’, zei Hij, ‘u bent van uw kwaal verlost.’ Hij legde haar de handen op en onmiddellijk rechtte ze haar rug, en ze prees God. Geërgerd, omdat Jezus op sabbat iemand genezen had, zei de voorzitter van de synagoge tegen de menigte: ‘Zes dagen zijn er om te werken. Dan kunt u komen om u te laten genezen, niet op sabbat.’ De Heer gaf hem dit antwoord: ‘Huichelaars! Ieder van u maakt toch op sabbat zijn os of ezel los van de voerbak om hem te drinken te geven? Moest deze dochter van Abraham dan op sabbat niet losgemaakt worden van de boeien waarmee de satan haar al achttien jaar geleden heeft vastgebonden?’ Toen Hij dat zei stonden al zijn tegenstanders beschaamd en verheugde de hele menigte zich over alle prachtige dingen die door Hem totstandkwamen.

of

Marcus,5,24-34

(24)Hij ging met hem mee. Een grote menigte volgde Hem, en ze drongen tegen Hem op.
[25] Er was een vrouw bij die al twaalf jaar aan vloeiingen* leed. [26] Ze had veel te lijden gehad van allerlei dokters en alles uitgegeven wat ze had, en er geen baat bij gevonden; ze was er eerder op achteruitgegaan. [27] Omdat ze over Jezus gehoord had, kwam ze door de menigte naar Hem toe en raakte van achteren zijn kleren aan. [28] ‘Want’, dacht ze, ‘als ik zijn kleren maar aanraak, zal ik gered worden.’ [29] Meteen droogde de bron van haar bloed op, en ze voelde aan haar lichaam dat ze van haar kwaal was genezen. [30] Maar Jezus, die zelf meteen voelde dat er een kracht van Hem was uitgegaan, draaide zich in de menigte om en zei: ‘Wie heeft mijn kleren aangeraakt?’ [31] Zijn leerlingen zeiden tegen Hem: ‘U ziet hoe de menigte tegen U opdringt, en U zegt: “Wie heeft Mij aangeraakt?” ’ [32] Maar Hij keek rond om de vrouw te zien die dat gedaan had. [33] De vrouw werd bang en begon te beven, omdat ze wist wat er met haar gebeurd was. Ze kwam naar voren, wierp zich voor zijn voeten en vertelde Hem de hele waarheid. [34] Maar Hij zei haar: ‘Mijn dochter, uw vertrouwen is uw redding*; ga in vrede, en blijf van uw kwaal verlost.’

feest heilige apostel Andreas

kaart (153 x 90).jpg

FEESTDAG VAN DE HEILIGE APOSTEL EN EERSTGEROEPENE ANDREAS

Patroonfeest van de Orthodoxe kerk van Gent
Pontificale Goddelijke Liturgie voorgegaan door Metropoliet Athenagoras om 10.00u

 

 

Andreas 158.JPG

heilige Apostel Andreas de eerstgeroepene der apostelen

 

Lezingen

Apostellezing : 1 Kor.4,9-16

Want ons, apostelen, heeft God volgens mij de minste plaats toegewezen, die van ter dood veroordeelden. Wij zijn een schouwspel geworden voor heel de wereld, voor engelen en voor mensen: wij zijn dwaas ter wille van Christus, en u bent zo verstandig in Christus! Wij zijn zwak, u bent sterk; u geëerd, wij geminacht.Tot nu toe lijden wij honger en dorst. Wij zijn naakt en krijgen slaag, wij zijn dakloos en matten ons af om met eigen handen de kost te verdienen. Worden wij uitgescholden, dan zegenen wij; worden wij vervolgd, dan verdragen wij het; op smaad antwoorden wij minzaam. Wij worden nog steeds behandeld als het schuim der aarde, als het uitvaagsel van de maatschappij. Niet om u beschaamd te maken schrijf ik dit, maar om u te vermanen als mijn dierbare kinderen. Misschien hebt u in Christus duizend opvoeders, maar veel vaders hebt u niet. Ik ben het die u door het evangelie in Christus Jezus heb verwekt. Ik mag u dus aansporen: neem een voorbeeld aan mij.

 

Evangelielezing : Joh.1,35-51

De eerste leerlingen De volgende dag was Johannes daar weer; twee van zijn leerlingen waren bij hem. Hij richtte zijn blik op Jezus, die daar langskwam, en zei: ‘Daar is het lam van God.’ De twee leerlingen gaven gehoor aan zijn woord en volgden Jezus. Jezus keerde zich om, zag dat ze Hem volgden en sprak hen aan: ‘Zoeken jullie iets?’ Ze zeiden: ‘Rabbi (dat betekent: meester), waar houdt U uw verblijf?’ Hij antwoordde: ‘Kom mee en je zult het zien.’ Ze gingen mee, en zagen waar Hij zijn verblijf hield. En ze verbleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur. Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee die naar Johannes hadden geluisterd en Jezus waren gevolgd. De eerste die hij ging opzoeken was zijn broer Simon. ‘We hebben de Messias gevonden!’ zei hij. (Messias betekent: gezalfde.) Daarop bracht hij hem bij Jezus. Jezus richtte zijn blik op hem en zei: ‘Jij* bent Simon, de zoon van Johannes; voortaan zul je Kefas heten.’ (Dat betekent: rots).
Jezus roept Filippus en Natanaël De volgende dag, toen Hij besloten had om naar Galilea te gaan, ontmoette Hij Filippus. ‘Volg Mij’, zei Jezus tegen hem. Filippus was afkomstig uit Betsaïda, de stad waar ook Andreas en Petrus vandaan kwamen. Filippus ging Natanaël opzoeken en zei tegen hem: ‘Degene over wie Mozes in de Wet en ook de profeten hebben geschreven, die hebben we gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.’ ‘Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ Maar Filippus hield vol: ‘Kom mee en je zult het zien.’ Jezus zag dat Natanaël naar Hem toe kwam en zei over hem: ‘Daar heb je een echte Israëliet, in wie geen oneerlijkheid is.’ ‘Waar kent U mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Nog voordat Filippus je kwam roepen, toen je onder de vijgenboom* zat, had Ik je al gezien.’ ‘Rabbi,’ zei Natanaël, ‘U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israël!’ Waarop Jezus zei: ‘Je gelooft dus omdat Ik zei dat Ik je gezien heb onder de vijgenboom? Je zult nog grotere dingen zien!’ En Hij voegde eraan toe: ‘Waarachtig, Ik verzeker jullie: je zult zien hoe de hemel* geopend is en Gods engelen opstijgen en neerdalen boven de Mensenzoon.

 

kerk van gent.jpg

19e zondag na Pinksteren

19e zondag na Pinksteren

“Lazarus en de rijke “

Lazarus en de rijke en de arme man 1.jpg

LEZINGEN :

2 Korintiërs 11,11-12,9 :

11 : [31] De God en Vader van onze Heer Jezus – gezegend is Hij in eeuwigheid! – weet dat ik niet lieg. [32] Toen ik in Damascus was, liet de etnarch van koning Aretas de stad van de Damascenen bewaken om mij te vangen; [33] en om aan zijn handen te ontsnappen moest ik in een mand worden neergelaten door een venster in de stadsmuur.
[1] Moet* er geroemd worden? Het dient wel nergens toe, maar dan zal ik het gaan hebben over visioenen en openbaringen van de Heer. [2] Ik ken een christenmens die veertien* jaar geleden – in het lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het – werd weggerukt naar de derde hemel. [3] Van die mens weet ik dat hij – met het lichaam of zonder het lichaam, ik weet het niet, God weet het – [4] werd weggerukt naar het paradijs en onzegbare woorden vernam, die geen mens mag uitspreken. [5] Op zo iemand wil ik roemen, voor mijzelf wil ik alleen roemen op mijn zwakheden. [6] Zou ik werkelijk willen roemen, dan was ik geen dwaas: ik zou immers de waarheid zeggen. Maar daar zie ik van af; ik wil niet dat iemand méér aan mij toeschrijft dan wat hij van mij kan zien of horen, [7] zeker niet op grond van de buitengewone openbaringen. Mij is een doorn* in het vlees gestoken, als een bode van de satan die mij moet afranselen, opdat ik niet verwaand word. [8] Tot driemaal toe heb ik de Heer gesmeekt, dat die van mij zou weggaan. [9] Maar Hij antwoordde mij: ‘Je hebt genoeg aan mijn genade. Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.’
12 : [9] Dus zal ik het liefst van alles roemen op mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij zal wonen.

Evangelie :Lucas 16,19-31

Lazarus en een rijke man
Er was een rijk man, die gekleed ging in purper en het fijnste linnen, en elke dag uitbundig feestvierde. Aan zijn poort lag een zekere Lazarus; hij was arm en zat onder de zweren. ] Hij had graag zijn honger gestild met wat er van de tafel van de rijke op de grond viel, maar nee, de honden kwamen en likten aan zijn zweren. Toen kwam de arme te sterven; de engelen droegen hem in de schoot van Abraham. Ook de rijke stierf, en werd begraven. In het dodenrijk sloeg hij gekweld door pijn zijn ogen op en zag van verre Abraham met Lazarus in zijn schoot. “Vader Abraham,” riep hij, “heb medelijden met me; stuur Lazarus om de toppen van zijn vingers nat te maken met water, en er mijn tong mee te verkoelen, want ik lijd hevig in dit vuur.Maar Abraham zei: “Kind, vergeet niet dat jij het heel je leven goed hebt gehad en Lazarus altijd slecht; nu wordt hij hier getroost, en jij lijdt pijn. Bovendien, er gaapt tussen ons en jullie een diepe kloof; al zou iemand van hier naar jullie willen oversteken, hij zou het niet kunnen; evenmin kan iemand van daar naar ons komen.Maar de rijke zei: “Dan, vader, vraag ik u hem naar mijn ouderlijk huis te sturen, want ik heb nog vijf broers. Laat hij hen gaan waarschuwen, zodat zij niet eveneens terechtkomen in dit oord van pijn.” Maar Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de Profeten; daar moeten ze naar luisteren.” Maar hij zei: “Nee, vader Abraham, als iemand van de doden naar hen toe komt, dan zullen zij zich bekeren.” Maar Abraham antwoordde: “Als ze niet naar Mozes en de Profeten luisteren, dan zullen ze zich ook niet laten overtuigen als iemand uit de doden opstaat.”

18e zondag na Pinksteren

18e zondag na Pinksteren

 

Feest van de H.Jacobus,broer van Christus, apostel, eerste bisschop van Jeruzalem.

en van

Luglius en Luglianus, apostelen van Frans Vlaanderen, martelaren en van Jacov van Novgorod, woenderdoener.

 

LEZINGEN

Galaten 1,11-19:

[11] Ik* verzeker u, broeders en zusters, het evangelie* dat door mij is verkondigd, is niet door mensen* uitgedacht. [12] Want ook ik heb het niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door een openbaring* van Jezus Christus.

Voorvallen uit Paulus’ leven
[
13] U hebt toch gehoord hoe ik vroeger als Jood geleefd heb: hoe ik de kerk van God fel vervolgde en haar trachtte uit te roeien; [14] en hoever ik het gebracht heb in de Joodse godsdienst, vele leeftijdgenoten onder mijn volk overtreffend in mijn grenzeloze ijver voor de overleveringen* van mijn voorouders. [15] Maar* toen God, die mij had uitgekozen, nog in mijn moeders schoot, en die mij heeft geroepen door zijn genade, [16] besloot zijn Zoon aan mij te openbaren om Hem onder de heidenvolken* te verkondigen, toen ben ik aanstonds, zonder een mens te raadplegen, [17] zonder naar Jeruzalem te gaan, naar hen die eerder apostel waren dan ik, vertrokken naar Arabië* en vandaar naar Damascus teruggekeerd.
[
18] Pas drie* jaar later ben ik naar Jeruzalem gegaan om met Kefas* kennis te maken, en ik ben veertien dagen bij hem gebleven. [19] Van de andere apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus*, de broer van de Heer

 

EVANGELIE

Mattheüs 13,54-58:

54] Hij kwam in zijn vaderstad* en onderrichtte hen in hun synagoge op een manier die hen verbaasde, en ze zeiden: ‘Waar heeft Hij die wijsheid en machtige daden vandaan? [55] Dat is toch de zoon van de timmerman? Zijn moeder heet toch Maria, en Jakobus, Jozef, Simon en Judas zijn toch zijn broers*? [56] Zijn zusters wonen toch allemaal bij ons? Waar heeft Hij dat dan allemaal vandaan?’ [57] En ze namen aanstoot aan Hem. Maar Jezus zei hun: ‘Een profeet wordt overal geëerd behalve in zijn vaderstad en in zijn eigen huis.’ [58] Hij verrichtte daar niet veel machtige daden vanwege hun gebrek aan vertrouwen.

 

OF :

 

2 Korintiërs 9,6-11

[6] Bedenk dit: wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten. [7] Laat iedereen geven waartoe hij in zijn hart besloten heeft, zonder tegenzin en zonder dwang, want God houdt van een blijmoedige gever. [8] En God heeft de macht om u met allerlei gaven te overstelpen, zodat u altijd in alle opzichten goed voorzien bent en nog ruimschoots overhoudt voor elk goed werk. [9] Zo staat er ook geschreven: Hij heeft overvloedig gegeven aan de armen, zijn gerechtigheid* zal altijd blijven.
[
10] Hij die de zaaier zaad verschaft en brood geeft als voedsel, Hij zal ook u zaad verschaffen, het vermenigvuldigen en uw gerechtigheid rijke vrucht laten opleveren. [11] Zo bent u van alles rijk voorzien om vrijgevig te kunnen zijn, en door onze bemiddeling wordt uw vrijgevigheid weer reden tot dankzegging aan God.

 

Evangelie

 

Lucas,8,26-39:

Genezing van een bezetene
[
26] Zij voeren naar het land van de Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt. [27] Toen Hij van boord ging, kwam Hem uit de richting van de stad iemand tegemoet die in de macht was van demonen. Al geruime tijd droeg hij geen kleren en woonde hij niet meer in een huis, maar in rotsgraven. [28] Toen hij Jezus zag, viel hij schreeuwend voor Hem neer en riep luidkeels: ‘Wat wilt U van mij, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Doe me alsjeblieft geen pijn.’ [29] Hij had de onreine geest bevolen uit de man weg te gaan. Herhaaldelijk had die bezit van hem genomen; men bond hem dan vast met kettingen en voetboeien, maar steeds weer verbrak hij zijn ketenen en werd hij door de demon naar eenzame streken gejaagd. [30] Jezus vroeg hem: ‘Wat is uw naam?’ Hij zei: ‘Legio’; er waren immers vele demonen bij hem ingetrokken. [31] Zij smeekten Jezus hen niet de afgrond in te sturen. [32] Nu weidde daar in de bergen een grote troep varkens; ze vroegen Hem toestemming om in die varkens te gaan, en Hij stond hun dat toe. [33] De demonen kwamen uit de man en gingen de varkens in; de troep stoof de helling af, het meer in, en verdronk. [34] Toen de varkenshoeders zagen wat er gebeurde, gingen ze ervandoor en vertelden het in de stad en op het land. [35] De mensen gingen kijken wat er gebeurd was. Ze kwamen bij Jezus en vonden daar de man uit wie de demonen waren weggegaan, gekleed en bij zijn volle verstand, gezeten aan Jezus’ voeten. Ze werden met ontzag vervuld. [36] Ooggetuigen vertelden hun hoe de bezetene gered was. [37] De hele bevolking van de streek van de Gerasenen vroeg Jezus toen bij hen weg te gaan, want ze waren hevig geschrokken. Daarop stapte Jezus in de boot om terug te varen. [38] De man uit wie de demonen waren weggegaan, vroeg Hem of hij bij Hem mocht blijven, maar Jezus stuurde hem weg. [39
] ‘Ga naar huis terug,’ zei Hij, ‘en vertel wat God voor u heeft gedaan.’ De man ging in heel de stad verkondigen wat Jezus voor hem had gedaan.

 

 

15e zondag na Pinksteren : Over de vasten

15e zondag na Pinksteren

‘Over de vasten’

vasten.jpg

LEZINGEN

 

EPISTEL : 2 Kor. 4,6-15

Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft zijn licht laten schijnen in ons hart om de kennis te laten stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Jezus Christus. Vol goede moed bij tegenslag Maar wij dragen deze schat in aarden potten, en zo blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. Van* alle kanten worden wij belaagd maar we zitten niet in het nauw; we zijn radeloos maar niet ten einde raad; we worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; neergeveld maar niet gedood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus zich in ons

Lees verder “15e zondag na Pinksteren : Over de vasten”

storm op het meer

9e zondag na Pinksteren

Storm op het meer

storm op het meer45.jpg

 

Eerste lezing :1 Korintiërs 3,9-17

Apollos en Paulus

[5] Wat zijn Apollos en Paulus eigenlijk? Niet meer dan dienaren die u geholpen hebben om tot het geloof te komen, en wel ieder op zijn eigen manier, zoals de Heer het ons vergund heeft: [6] ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de groei. [7] Noch hij die plant betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God, die de wasdom geeft. [8] Wie plant en wie begiet staan op één lijn, al* ontvangt wel ieder loon naar eigen inspanning. [9] Gods medewerkers zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk bent u.
[
10 Naar de mij gegeven genade van God heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd waarop een ander voortbouwt. Maar laat iedereen uitkijken hoe hij daarop verder bouwt. [11] Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er reeds ligt, namelijk Jezus Christus.

 

EVANGELIE : Matteüs 14,22-34

Tegenwind op het meer
[
22] Meteen hierna dwong Hij de leerlingen om aan boord te gaan en alvast voor Hem uit over te steken; dan zou Hij intussen de mensen wegsturen. [23] Toen Hij de mensen had weggestuurd, ging Hij de berg op om te bidden, Hij alleen. Toen het avond geworden was, was Hij daar nog alleen. [24] Toen de boot al veel stadiën* uit de kust was, had die het zwaar te verduren van de golven, omdat de wind tegenzat. [25] Op het einde van de nacht ging Hij lopend over het meer naar hen toe. [26] Toen de leerlingen Hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. ‘Een spook!’, riepen ze, en ze schreeuwden van angst. [27] Meteen zei Jezus: ‘Rustig maar, Ik ben het. Wees niet bang.’ [28] Petrus gaf Hem ten antwoord: ‘Heer, als U het bent, laat me dan over het water naar U toekomen.’ [29] Hij zei: ‘Kom.’ En Petrus stapte overboord, liep over het water en kwam naar Jezus toe. [30] Toen hij lette op de kracht van de wind, werd hij bang, en toen hij begon te zinken, schreeuwde hij: ‘Heer, red me.’ [31] Meteen stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast. Hij zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’ [32] Toen ze in de boot gestapt waren, ging de wind liggen. [33] De mensen in de boot vielen voor Hem op de knieën en zeiden: ‘Werkelijk, U bent de Zoon van God*.’ [34
] Ze staken over en kwamen aan land in Gennesaret.