3ee08d10f38bcda505879141724479ab

ZONDAG VAN PINKSTEREN

Lezingen van de zondag

LEZINGEN

Handelingen 2,1-11

Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren allen bijeen op dezelfde plaats. 2Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren, was er vol van. 3Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. 4Zij werden allen vervuld van de heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, naargelang de Geest hun te vertolken gaf. 5Nu woonden er in Jeruzalem Joden, vrome mannen, die afkomstig waren uit alle volkeren onder de hemel. 6Toen dat geluid ontstond, liep het volk te hoop en tot zijn verbazing hoorde iedereen hen spreken in zijn eigen taal. 7Zij waren buiten zichzelf en zeiden vol verwondering: “Maar zijn al die daar spreken dan geen Galileeërs? 8Hoe komt het dan dat ieder van ons hen hoort spreken in zijn eigen moedertaal? 9Parten, Meden en Elamieten, bewoners van Mesopotamië, van Judea en Kappadocië, van Pontus en Asia, 10van Frygië en Pamfylië, Egypte en het gebied van Libië bij Cyrene, de Romeinen die hier verblijven, 11Joden zowel als proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken van Gods grote daden.”

Evangelie :

Johannes : 7,37-52 ; 8,12

JEZUS BRON VAN LEVEND WATER
37Op de laatste en grootste dag van het feest stond Jezus daar en riep met luider stem: “Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; 38wie in Mij gelooft, hij drinke! Zoals de Schrift zegt: “Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.” 39Hiermee doelde Hij op de Geest, die zij, die in Hem geloofden, zouden ontvangen, want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.

VERDEELDE MENINGEN OVER JEZUS
40 Op het horen van deze woorden zeiden sommigen van het volk: “Dit is inderdaad de profeet.” 41Anderen zeiden: “Het is de Messias.” Weer anderen wierpen op: “Komt de Messias soms uit Galilea? 42Heeft de Schrift niet gezegd, dat de Messias komen zal uit het geslacht van David en uit Betlehem, het dorp waar David woonde?” 43Zo ontstond er dus om Hem verdeeldheid onder het volk. 44Sommigen hunner wilden Hem gevangennemen, maar niemand sloeg de hand aan Hem. 45Toen dan ook de dienaars bij de hogepriesters en Farizeeën terugkwamen, vroegen dezen hun: “Waarom hebt gij Hem niet meegebracht?” 46De dienaars antwoordden: “Nooit heeft iemand zo gesproken als die man.” 47Waarop de Farizeeën zeiden: “Hebt gij u soms ook laten bedriegen? 48Heeft dan een van de overheden of van de Farizeeën in Hem geloofd? 49Dat volk, ja, dat de Wet niet kent; vervloekt zijn ze!” 50Maar een uit hun kring, Nikodémus, die vroeger bij Jezus gekomen was, merkte op: 51“Veroordeelt onze Wet iemand zonder hem eerst te horen en te vernemen wat hij doet?” 52Zij gaven hem ten antwoord: “Zijt gij soms ook uit Galilea? Zoek maar na en gij zult zien dat de profeet niet uit Galilea opstaat.” 53Toen ging ieder naar huis.

JEZUS HET LICHT VAN DE WERELD
12Opnieuw richtte Jezus het woord tot hen en sprak: “Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt, dwaalt niet rond in de duisternis, maar zal het licht van het leven bezitten.”

 

Pinksteren

zondag van de Vaders van het Eerste Oecumenisch Concilie….

border-kerktorens

Zondag van de Vaders van het Eerste Oecumenisch concilie
7e zondag na Pasen

CONCILIE 1

LEZINGEN :

Eerste Lezing :

Handelingen 20,16-18, 28-36

[16] Want Paulus had besloten Efeze voorbij te varen om geen tijd in Asia te verliezen. Hij had haast omdat hij zo mogelijk met Pinksteren in Jeruzalem wilde zijn.
[17] Van Milete uit stuurde hij een bode naar Efeze om de oudsten van de gemeente bijeen te roepen. [18] Toen die bij hem gekomen waren, zei* hij tegen hen: ‘U weet hoe ik mij heb gedragen vanaf de eerste dag dat ik in Asia kwam, de hele tijd dat ik bij u was 28] Zorg goed voor uzelf en voor heel de kudde waarover de heilige Geest u als leiders heeft aangesteld om de kerk* van God te weiden, die Hij door het bloed van zijn eigen Zoon heeft verworven. [29] Ik weet dat na mijn vertrek gevaarlijke wolven bij u zullen binnendringen die de kudde niet sparen; [30] zelfs mensen uit uw eigen kring zullen de waarheid gaan verdraaien om de leerlingen achter zich aan te krijgen. [31] Wees daarom op uw hoede en houd in gedachten dat ik drie jaar lang dag en nacht onophoudelijk iedereen onder tranen gewaarschuwd heb. [32] En nu draag ik u op aan God en aan het woord van zijn genade, dat bij machte is om op te bouwen en het erfdeel te geven, met alle geheiligden. [33] Zilver of goud of kleding heb ik van niemand verlangd; [34] u weet zelf dat deze handen in mijn eigen behoeften en die van mijn metgezellen hebben voorzien. [35] In alles heb ik u laten zien dat men zo, door hard te werken, de zwakken moet helpen, gedachtig de woorden van de Heer Jezus, die zelf* heeft gezegd: “Het is zaliger te geven dan te ontvangen.” ‘ [36] Na deze woorden knielde hij met hen allen neer en sprak een gebed.

EVANGELIE :

Johannes 17,1-13

Afscheidsgebed van Jezus
[1] Na deze toespraak sloeg Jezus zijn ogen op naar de hemel en bad: ‘Vader, het uur is gekomen! Verheerlijk* uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijkt. [2] Laat Hem, krachtens de macht die U Hem gegeven hebt over alle mensen, eeuwig leven schenken aan al degenen die U aan Hem hebt toevertrouwd. [3] Eeuwig leven! Dat betekent dat ze U, de enige waarachtige God, leren kennen*, en ook degene die U gezonden hebt: Jezus Christus. [4] Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat U Mij te doen hebt gegeven. [5] Verheerlijk Mij nu, Vader, aan uw zijde, en bekleed Mij met de heerlijkheid die Ik bij U bezat voordat* de wereld bestond.
[6] Ik* heb uw naam geopenbaard aan de mensen* uit de wereld, die U Mij had toevertrouwd. Ze waren van U, en U hebt hen aan Mij toevertrouwd. Ze hebben uw woord ter harte genomen. [7] Nu erkennen ze dat alles wat U Mij gegeven hebt, van U komt. [8] Want de woorden die U Mij gegeven had, heb Ik aan hen doorgegeven, en zij hebben die aangenomen: ze hebben naar waarheid erkend dat Ik van U ben uitgegaan; ze hebben geloofd dat U Mij hebt gezonden. [9] Voor hen bid Ik. Niet* voor de wereld, maar voor hen die U Mij hebt toevertrouwd bid Ik, omdat ze de uwen zijn – [10] al het mijne is trouwens het uwe en al het uwe is het mijne – en omdat in*
hen mijn heerlijkheid zichtbaar is geworden. [11] Ik ben al niet meer in de wereld, maar zij, zij blijven in de wereld achter, terwijl Ik naar U toe kom. Heilige Vader, bewaar* hen in uw naam, die U Mij hebt toevertrouwd, opdat ze één mogen zijn zoals Wij. [12] Zolang Ik bij hen was, was het mijn taak hen te bewaren in uw naam, die naam die U Mij hebt toevertrouwd; Ik heb over hen gewaakt, en geen van hen is verloren gegaan, behalve degene die verloren moest gaan, opdat de Schrift in vervulling zou gaan. [13] Nu kom Ik naar U toe, maar terwijl Ik nog in de wereld ben, zeg Ik dit alles opdat ze volkomen vervuld mogen zijn van mijn vreugde.

Joseph de Hesychast : Alles is vergeven, alleen wat niet wordt beleden wordt niet vergeven…

JOSEPH THE HESYCHAST

Alles is vergeven, alleen wat niet
wordt beleden wordt niet vergeven.
Mors twee druppels tranen met pijn
van ziel en al het vuil wordt weg gewassen.
Alleen het berouw van de peroon,
als de Filantroop het in Zijn handen legt,
weet Hij al het andere overal veilig te stellen
voor redding . De barmhartige God
zoekt oorzaak en gelegenheid om een ​​ziel te redden

Joseph de Hesychast

Athanasius van Alexandrië : De Heer kwam niet om te pronken….

athanasius-of-alexandria-692471 (3)

De Heer kwam niet om te pronken. Hij kwam om lijdende mensen te genezen en te onderwijzen. Voor iemand die een vertoning wilde maken, zou het alleen maar zijn geweest om te verschijnen en de toeschouwers te verblinden. Maar voor Hem die kwam om te genezen en de weg te wijzen, was niet alleen hier te verblijven, maar om Zichzelf ter beschikking te stellen van degenen die Hem nodig hadden, en zich te manifesteren zoals ze het konden verdragen, zonder de waarde van het Goddelijke aan te tasten. verschijnen door hun vermogen om het te ontvangen te overschrijden.

Athanasius van Alexandrië

Zondag van de blindgeborene

blindgeborene

LEZINGEN :
Handelingen : 16,16-34

[16] Onderweg naar die gebedsplaats kwam er eens een slavin op ons af die een helderziende geest had en met haar waarzeggerij voor haar eigenaren veel geld verdiende. [17] Zij liep Paulus en ons achterna en schreeuwde aldoor: ‘Deze mensen zijn dienaren van de allerhoogste God. Ze verkondigen u de weg naar de redding.’ [18] Dat deed ze vele dagen achtereen. Toen het Paulus te veel werd, draaide hij zich om en zei tegen de geest: ‘In naam van Jezus Christus beveel ik je uit haar weg te gaan.’ Op dat ogenblik ging hij weg. [19] Toen haar eigenaren hun hoop op inkomsten vervlogen zagen, grepen ze Paulus en Silas vast en sleurden hen naar het stadsbestuur op het plein; [20] ze brachten hen voor de pretoren* en zeiden: ‘Deze mensen brengen onrust in onze stad. Het zijn Joden [21] en ze verkondigen zeden en gewoonten die wij als Romeinen niet mogen overnemen of volgen. ’ [22] Ook het volk keerde zich tegen hen en de pretoren rukten hun de kleren van het lijf en lieten hen met stokken afranselen. [23] Toen men hun een flink aantal slagen had toegediend, zetten ze hen in de gevangenis, en ze gaven de cipier het bevel om hen streng te bewaken. [24] Op dit bevel zette hij hen in de binnenste kerker en sloot hun voeten in het blok.
[25] Rond middernacht zongen Paulus en Silas hun gebeden voor God, terwijl de gevangenen toeluisterden. [26] Plotseling deed zich een zo zware aardschok voor dat de fundamenten van de gevangenis schudden. Meteen gingen alle deuren open en sprongen bij iedereen de boeien los. [27] De cipier schoot wakker en toen hij de deuren van de gevangenis open zag staan, trok hij zijn zwaard en wilde hij zelfmoord plegen, omdat hij dacht dat de gevangenen ontsnapt waren. [28] Maar Paulus schreeuwde: ‘Doe uzelf geen kwaad, we zijn er nog allemaal!’ [29] Hij vroeg om licht, rende naar binnen en viel bevend voor Paulus en Silas neer; [30] daarop ging hij met hen naar buiten en zei: ‘Heren, wat moet ik doen om gered te worden?’ [31] Zij antwoordden: ‘Geloof in de Heer Jezus; dan zult u gered worden, u en al uw huisgenoten.’ [32] En ze verkondigden het woord van de Heer aan hem en aan al zijn huisgenoten. [33] Nog op dat uur van de nacht nam hij hen mee om hun wonden te wassen. Meteen daarna liet hij zich met al de zijnen dopen. [34] Hij nam hen mee naar zijn woning en zette hun een maaltijd voor; met al zijn huisgenoten verheugde hij zich omdat hij nu in God geloofde

EVANGELIE :
Joh.9,1-38 :

Genezing van een blindgeborene[1] Bij het naar buiten gaan zag Hij een man die al vanaf zijn geboorte blind was. [2] Zijn leerlingen vroegen Hem: ‘Rabbi, waarom is hij blind geboren? Heeft hij dat te wijten aan zijn eigen zonde of aan die van zijn ouders?’ [3] Jezus antwoordde: ‘Niet aan zijn eigen zonde, en evenmin aan die van zijn ouders. Nee, de daden* van God moeten in hem openbaar worden. [4] We moeten de daden van Hem die Mij gezonden heeft, verrichten zolang* het dag is; de nacht komt, en dan kan men niet werken. [5] Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.’ [6] Na deze woorden spuwde Hij op de grond, maakte wat slijk van zand en speeksel en streek dat op de ogen van de blinde. [7] Daarna zei Hij tegen hem: ‘Vooruit, ga u wassen in het Siloambad*.’ (Siloam wil zeggen: gezondene.) De man ging ernaartoe, waste zich en kwam ziende terug.
[8] Zijn buren en degenen die hem voordien vaak hadden gezien – hij was namelijk een bedelaar – zeiden: ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ [9] ‘Inderdaad’, zeiden sommigen. ‘Welnee,’ zeiden anderen, ‘maar hij lijkt er wel op.’ Maar hijzelf zei: ‘Toch wel, ik ben het.’ [10] ‘Maar wat is er dan met je ogen gebeurd, dat je nu ineens kunt zien?’ vroegen ze. [11] Hij antwoordde: ‘Een zekere Jezus maakte wat slijk en streek dat op mijn ogen. Toen zei Hij: “Ga nu naar de Siloam om u te wassen.” Ik ben dus gegaan, en toen ik mij gewassen had, kon ik zien.’ [12] ‘Waar is die man?’ vroegen ze. ‘Dat weet ik niet’, zei hij.
[13] Ze brachten de man die blind geweest was bij de farizeeën. [14] Nu was de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen had geopend, een sabbat. [15] Daarom stelden ook de farizeeën hem de vraag hoe het kwam dat hij nu kon zien. Hij antwoordde: ‘Hij deed wat slijk op mijn ogen, ik heb me gewassen en nu zie ik.’ [16] ‘Zo iemand komt niet van God,’ oordeelden sommige farizeeën, ‘want Hij houdt de sabbat niet.’ Anderen merkten op: ‘Maar hoe zou een zondaar zulke tekenen kunnen verrichten?’ Kortom, er was verdeeldheid onder hen. [17] Ze richtten zich toen opnieuw tot de blinde: ‘Wat denk jij ervan? Hij heeft toch je ogen geopend!’ ‘Dat Hij een profeet is’, antwoordde hij.
[18] De Joden wilden niet geloven dat de man die nu kon zien ooit blind was geweest, zolang ze zijn ouders er niet bij geroepen hadden [19] en hun de vraag hadden gesteld: ‘Is dit wel degelijk die zoon van u die volgens uw zeggen blind geboren is? Hoe komt het dan dat hij nu kan zien?’ [20] De ouders antwoordden: ‘We weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is. [21] Maar hoe het komt dat hij nu kan zien, dat weten we niet. En wie zijn ogen geopend heeft, dat weten we evenmin. Dat kunt u beter aan hem vragen: hij is oud genoeg, hij kan zelf zijn woord wel doen.’ [22] Zijn ouders spraken zo omdat ze bang waren voor de Joden. Want die hadden ondertussen besloten dat iedereen die Jezus als de Messias erkende, uit de synagoge gebannen* zou worden. [23] Dat was de reden waarom zijn ouders zeiden: ‘Hij is oud genoeg, vraag het maar aan hem.’
[24] Toen riepen ze de man die blind was geweest voor een tweede verhoor bij zich: ‘Wees nu eens eerlijk voor God! We weten dat die man een zondaar is.’ [25] Maar hij antwoordde: ‘Of Hij een zondaar is, daar weet ik niets van. Wat ik wel weet, is dat ik eerst blind was en nu kan zien.’ [26] ‘Wat heeft Hij met je gedaan?’ vroegen ze. ‘Hoe heeft Hij je ogen geopend?’ [27] ‘Dat heb ik toch al verteld,’ antwoordde hij, ‘maar u hebt niet geluisterd. Waarom wilt u het nog eens horen? Wilt u soms ook leerlingen van Hem worden?’ [28] Toen werden ze grof en zeiden: ‘Jij* bent een leerling van Hem, wij zijn leerlingen van Mozes. [29] Wij weten dat God heeft gesproken tot Mozes; maar waar* Hij vandaan komt, daar weten we niets van.’ [30] Hierop gaf de man ten antwoord: ‘Maar is dat nu juist niet merkwaardig, dat mensen als u niet weten waar Hij vandaan komt? En Hij heeft mij nog wel de ogen geopend. [31] Naar zondaars luistert God niet, dat weet toch iedereen. Maar naar iemand die ontzag voor Hem heeft en zijn wil doet, naar zo iemand luistert Hij. [32] Nog nooit heeft men gehoord dat een mens de ogen heeft geopend van iemand die als blinde geboren was. [33] Als die man niet van God kwam, had Hij dat nooit gekund.’ [34] Toen voeren ze tegen hem uit: ‘Wat? Jij die vanaf* je geboorte een en al zonde bent, jij wilt ons de les lezen?’ En ze* gooiden hem eruit.
[35] Jezus hoorde dat ze hem eruit gegooid hadden, en toen Hij hem teruggevonden had, zei Hij: ‘Gelooft u in de Mensenzoon?’ [36] Hij antwoordde: ‘Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven.’ [37] Toen zei Jezus: ‘U hebt Hem ontmoet*: het is degene die met u spreekt.’ [38] ‘Heer, ik geloof’, zei hij, en hij wierp zich voor Hem neer

+++++++++++++++++++++++

5e zondag na Pasen : de Samaritaanse…

0141c70042d66939ee900ee7a54adcd8

samaritan-women3

LEZINGEN
Hand.11,19-26,29-30:

In Antiochië ontstaat een christelijke gemeente
Zij die sinds de noodtoestand na Stefanus’ dood verspreid waren geraakt, trokken verder tot Fenicië Cyprus en Antiochië terwijl zij aan niemand het woord verkondigden dan alleen aan de Joden. Maar er waren ook mensen uit Cyprus en Cyrene bij, die in Antiochië ook aan de hellenisten de goede boodschap gingen verkondigen dat Jezus de Heer is. De Heer stond hen ter zijde: een groot aantal mensen kwam tot geloof en bekeerde zich tot de Heer. [ Berichten over hen kwamen de gemeente in Jeruzalem ter ore en men stuurde Barnabas naar Antiochië. Toen hij daar zag hoezeer God hen begunstigde, verheugde hij zich, en hij spoorde iedereen aan om met hart en ziel trouw te blijven aan de Heer, want hij was een voortreffelijk man, vol heilige Geest en geloof. Een grote groep sloot zich aan bij de Heer. [ Daarna vertrok hij naar Tarsus om Saulus te zoeken. Toen hij hem gevonden had, nam hij hem mee naar Antiochië. Een vol jaar lang maakten zij deel uit van de gemeente en gaven ze onderricht aan een grote groep mensen. Het was ook in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd.
De leerlingen besloten dat ieder van hen naar vermogen zou bijdragen aan de ondersteuning van de broeders die in Judea woonden. Dat deden ze en ze stuurden Barnabas en Saulus naar de oudsten om de opbrengst te overhandigen

samaritan-women-2

EVANGELIE
Johannes 4,5-42 

5] Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, die in de buurt ligt van het stuk grond* dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven, [6] en waar zich de Jakobsbron bevindt. Jezus, die afgemat was van de tocht, was bij de bron gaan zitten. Het was ongeveer het zesde* uur. [7] Een* Samaritaanse vrouw kwam water putten. Jezus sprak haar aan: ‘Geef Mij wat te drinken.’ [8]Zijn leerlingen waren eten gaan kopen in de stad. [9] De Samaritaanse vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt U als Jood te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?’ Joden* willen namelijk met Samaritanen niets te maken hebben. [10] Jezus hernam: ‘Als u de gave van God kende, als u wist wie het is die tegen u zegt: geef Mij te drinken, dan had u Hem erom gevraagd en Hij had u levend* water gegeven.’ [11] ‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘U hebt niet eens een emmer en het is een diepe put. Waar wilt U dat levende water dan vandaan halen? [12] Of bent u soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put heeft nagelaten en er zelf uit gedronken heeft, evenals zijn kinderen en zijn kudden?’ [13] Jezus antwoordde: ‘Iedereen die drinkt van dit water, krijgt weer dorst, [14] maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel: het water dat Ik hem zal geven, zal in hem opborrelen als een bron van eeuwig leven.’ [15] ‘Heer,’ zei de vrouw, ‘geef mij van dat water, dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik hier niet telkens te komen putten.’
[16] Daarop zei Jezus: ‘Ga uw man roepen en kom hier terug.’[17] ‘Ik heb geen man’, antwoordde de vrouw. ‘Dat zegt u terecht, dat u geen man hebt,’ zei Jezus. [18] ‘Want u hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt is uw man niet. Wat u daar zegt, is waar.’ [19] ‘Heer,’ zei de vrouw, ‘ik zie dat U een profeet*bent. [20] Onze voorouders hebben op die berg* daar God aanbeden, maar volgens jullie is Jeruzalem de plaats waar men moet aanbidden.’ [21] ‘Geloof Me,’ zei Jezus, ‘er komt een uur dat men niet meer op die berg daar en ook niet in Jeruzalem de Vader zal aanbidden. [22] – Jullie aanbidden wat je niet kent, wij aanbidden wat we wel kennen; de redding komt immers uit de Joden. – [23] Er komt een uur, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest* en waarheid: dat zijn de aanbidders waar de Vader naar uitziet. [24] God* is geest, en zij die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.’ [25] De vrouw antwoordde: ‘Ja, er komt een messias, dat weet ik.’ (Messias betekent: gezalfde.) ‘Als die er is, zal Hij ons alles verkondigen.’ [26] Daarop zei Jezus tegen haar: ‘Dat* ben Ik, degene die met u spreekt.’
[27] Juist op dat moment kwamen zijn leerlingen terug. Het verwonderde* hen dat Hij in gesprek was met een vrouw. Toch vroeg geen van hen: ‘Wat wilt U eigenlijk?’ of ‘Wat hebt U met haar te bepraten?’ [28] De vrouw liet haar kruik staan, liep naar de stad en zei tegen de mensen: [29] ‘Kom eens kijken, daar is iemand die mij wist te vertellen wat ik allemaal gedaan heb. Zou Hij soms de Messias zijn?’ [30] Toen liepen ze de stad uit, naar Hem toe.
[31] Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan: ‘Eet toch iets, rabbi.’ [32] Maar Hij zei: ‘Ik heb al iets te eten, voedsel dat jullie niet kennen.’ [33] De leerlingen zeiden onder elkaar: ‘Zou iemand Hem al eten gebracht hebben?’ [34] Daarop zei Jezus: ‘Mijn voedsel is: de wil* doen van Hem die Mij gezonden heeft en het werk volbrengen dat Hij Mij heeft opgedragen. [35] Zeggen jullie niet: Nog vier* maanden en dan komt de oogst*? Welnu, Ik zeg jullie: kijk eens goed naar de velden, ze staan wit, rijp voor de oogst. [36] Nu al krijgt de maaier zijn loon en verzamelt hij vruchten voor het eeuwig leven; zo kan de zaaier delen in de vreugde van de maaier. [37] Want het gezegde ‘de een zaait en de ander maait’ is waar: [38] Ik* heb jullie uitgezonden om een oogst binnen te halen waarvoor je je niet hebt afgemat: anderen*hebben zich afgemat en jullie plukken de vruchten van hun werk.’
[39] Uit die stad waren vele Samaritanen in Hem gaan geloven op grond van het woord van de vrouw die getuigd had: ‘Hij wist me alles te vertellen wat ik gedaan heb.’ [40] Toen de Samaritanen naar Hem toe gekomen waren, vroegen ze Hem bij hen te blijven. Hij bleef daar twee dagen. [41] En nog veel meer kwamen er tot geloof door zijn woord. [42] En ze zeiden het ook tegen de vrouw: ‘Nu geloven we niet meer op grond van wat jij verteld hebt; we hebben Hem zelf gehoord en nu weten we: dit is werkelijk de redder* van de wereld.’

samaritaanse-231

HET VERHAAL VAN DE SAMARITAANSE VERTELD VOOR KINDEREN

Eens kwam er een Samaritaanse vrouw water putten en Jezus vroeg haar of ze Hem wat drinken wilde geven. Op dat moment was Jezus alleen, want zijn leerlingen waren naar de stad gegaan om eten te kopen.

‘Dat begrijp ik niet’, zei de vrouw verbaasd. ‘Ik ben een Samaritaanse, en u een Jood. Welke Jood vraag nu aan een Samaritaanse om iets te drinken ‘ (Samaritanen hadden zich reeds lang geleden van de Joden afgescheiden – ze hadden ooit zelf een tempel op de berg Gerizim nabij het meer van Genezareth. Joden hadden een hekel aan de Samaritanen)

Je moest eens weten wat God geeft, en wie het is die je om een slok water vraagt’ antwoordde Jezus. ‘Dan zou je mij om water gevraagd hebben , en ik zou het je gegeven hebben – Levend water’.

Maar meneer, u hebt geen kruik en de put is diep. Waar haalt u dan dat levend water vandaan ?… U bent toch niet meer dan Jacob onze stamvader ? Hij heeft deze put gegraven, en zijn zoons, zijn vee en hijzelf hebben er water uit gedronken.’

‘Wie van het water uit deze put drinkt, krijgt weer dorst. Aar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, zal nooit meer dorst krijgen. Dat water is een fontein waaruit eeuwig leven spuit’

O meneer, geef mij van dat water ! dan zal ik nooit meer dorst krijgen en hier geen water meer hoeven te te putten….

Dan stelde Jezus haar een paar vragen over haar privé-leven. Het maakte de vrouw benauwd, want zij loog en Hij had gelijk. Toen zij ze : ‘ Meneer, u bent een profeet! Mag ik u iets vragen ? op welke plaats moeten we God eigenlijk aanbidden? Hier op de berg Gerizim zoals onze voorouders hebben gedaan, of te Jeruzalem zoals de Joden beweren ?

Jezus zei hierop ‘Geloof me, er komt een tijd dat de mensen de Vader niet zullen aanbidden op de Gerizim en ook niet te Jeruzalem… het gaat er niet om wáár we de vader aanbidden, maar hóe we Hem aanbidden. Echte aanbidding is geestelijk en zuiver……

De vrouw zei dan tot Hem : ‘Ik weet dat er een Christus komt. Hij zal ons alles haarfijn uitleggen’

Jezus antwoordde haar : ‘Ik ben de Christus’.
De vrouw holde naar de stad om het nieuws te vertellen, en een hele menigte kwam naar Hem toegelopen….

samaritan-women-6

Basilius de Grote : En laten we blij zijn en met geduld alles verdragen wat de wereld ons te bieden heeft…

91415444_3012761308762577_8265945293099368448_n

“En laten we blij zijn en met geduld alles verdragen wat de wereld ons te bieden heeft, veilig in de wetenschap dat we dan het meest in de gedachten van God zijn”

St.Basilius de Grote

Anthony van Sourozh : Je herinnert je hoe je werd geleerd om te schrijven…

Quotefancy-1645246-3840x2160

Je herinnert je hoe je werd geleerd om te schrijven.
Je moeder legde een pen in je hand, nam
je hand in de hare en begon die te bewegen. Omdat
je helemaal niet wist wat ze van plan was,
liet je je hand helemaal vrij in de hare.
DIT IS ALS DE KRACHT VAN GOD IN ONS LEVEN;

Antony van Sourozh

Augustinus : Dit tijdje lijkt ons lang….

“Een korte tijd en gij zult Mij niet zien en nog eens, een korte tijd en gij zult Mij zien…” – Johannes 16:17

Afbeelding1

– “De Heer zei: “Een tijdje en gij zult Mij niet zien en nog eens een tijdje en gij zult Mij zien” (Joh 16,16).

Wat Hij ‘een korte tijd’ noemt, is de hele omvang van onze huidige tijd, waarover Johannes de Evangelist in zijn brief zegt: “Dit is het laatste uur” (1Joh 2,18). Deze belofte wordt ingewilligd… aan de hele Kerk net als aan deze andere belofte: “Zie, Ik Ben met u alle dagen, zelfs tot de voleinding van de wereld” (Mt 28,20). De Heer zal niet aarzelen om Zijn beloften te vervullen – nog een korte tijd en we zullen Hem weer zien en zullen niets meer van Hem te vragen hebben, geen vraag meer aan Hem te stellen, want we zullen niets meer hebben om naar te verlangen of te zoeken.

Dit “kleine tijdje” lijkt ons lang omdat het nog steeds aan het plaatsvinden is. Maar als het afgelopen is, dan zullen we voelen hoe kort het was. Laat onze vreugde dus verschillen van die van de wereld, waarvan gezegd wordt: “De wereld zal zich verheugen.” Laten we in de barensweeën van dit verlangen niet zonder vreugde zijn. Maar, zoals de apostel Paulus zegt: “Verheugt u in de hoop, volhardt in de ellende” (Rom 12:12). Want de barende vrouw – met wie de Heer ons vergelijkt – neemt veel meer vreugde in het kind dat ze op het punt staat in de wereld te brengen, dan dat ze verdriet voelt over haar eigen lijden.”

– Sint Augustinus (354-430) Bisschop, Vader en Dokter van Genade (Preken over het Johannesevangelie nr. 101).

4e zondag na Pasen …. de verlamde

border '214

4e zondag na Pasen

Jezus geneest een verlamde

 

c47e23078a6d306f71c7b6aa8c1a1948

LEZINGEN
Apostellezing :
Handelingen 9,32-42 :

Petrus in Lydda en Joppe
Op een grote rondreis kwam Petrus ook bij de heiligen die in Lydda woonden. Hij trof daar een man aan die Eneas heette en al acht jaar op bed lag omdat hij verlamd was. Petrus zei tegen hem: ‘Eneas, Jezus Christus geneest je. Sta op en maak je bed op.’ En meteen stond hij op. Alle bewoners van Lydda en Saron zagen hem en bekeerden zich tot de Heer. In Joppe woonde een leerlinge die Tabita heette, dat wil zeggen Gazelle. Ze deed veel goede werken en bewees liefdadigheid in overvloed. Juist in die dagen werd ze ziek en stierf. Men waste haar en legde haar in een bovenvertrek. Omdat Lydda dicht bij Joppe ligt, stuurden de leerlingen, die gehoord hadden dat Petrus daar was, twee mannen naar hem toe met het verzoek: ‘Kom zonder uitstel naar ons toe.’ Petrus ging direct met hen mee. Na zijn aankomst brachten ze hem naar het bovenvertrek. Daar kwamen alle weduwen bij hem en ze lieten hem onder tranen de kledingstukken zien die Gazelle maakte toen ze nog bij hen was. Petrus stuurde ze allemaal weg, knielde neer en bad. Toen keerde hij zich naar het lichaam en zei: ‘Tabita, sta op.’ Zij deed haar ogen open en toen ze Petrus zag ging ze overeind zitten. Hij reikte haar de hand en hielp haar opstaan. Daarna riep hij de heiligen, ook de weduwen, en liet hun zien dat ze weer leefde. Dit werd bekend in heel Joppe en velen gingen geloven in de Heer.

EVANGELIE :
Johannes 5,1-15:

Genezing van een lamme
Enige tijd later ging Jezus voor een van de Joodse feesten naar Jeruzalem. Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting, in het Hebreeuws Betzata geheten, met vijf zuilengangen. Daar lag gewoonlijk een groot aantal zieken, blinden, lammen en kreupelen. Er was ook een man bij die al achtendertig jaar ziek was. Jezus zag hem liggen, en omdat Hij begreep dat hij al lang ziek was, sprak Hij hem aan: ‘Wilt u graag gezond worden?’ ‘Maar Heer,’ zei de zieke, ‘ik heb geen mens om mij in het bad te helpen wanneer het water in beweging komt, en terwijl ik mij erheen sleep, is een ander mij voor.’ Daarop zei Jezus: ‘Sta op, pak uw bed en loop.’ Meteen werd de man gezond: hij pakte zijn bed en liep.
Nu was die dag een sabbat. De Joden zeiden dus tegen de genezen man: ‘Het is sabbat, u mag uw bed niet dragen!’ Maar hij antwoordde: ‘Hij die mij gezond heeft gemaakt, heeft mij bevolen: “Pak uw bed en loop.” ‘ ‘Wie is de man die tegen u gezegd heeft: “Pak uw bed en loop”?’ vroegen ze. Maar wie het was geweest, wist de man niet. Jezus was in de menigte verdwenen. Later vond Jezus hem in de tempel terug. ‘U bent nu gezond’, zei Hij. ‘Zorg dat u niet meer zondigt, anders zou u nog iets ergers kunnen overkomen!’ De man ging aan de Joden meedelen dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had.

°°°°°°°°°

HOMILIE

Anthony BLOOM

In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Hoe tragisch is het verhaal van het leven van Christus vandaag. Een man was al jaren verlamd. Hij had op korte afstand van genezing gelegen, maar hij had zelf geen kracht om op te gaan in de wateren van wassing. En niemand – niemand in de loop van al die jaren – had medelijden met hem gehad.
Er waren er die zich haastten om de eersten te zijn om genezen te worden.

Anderen die door liefde en vriendschap aan hen gehecht waren, hielpen hen te genezen. Maar niemand wierp een blik op deze man, die al jaren naar genezing verlangde en niet in zichzelf de kracht kon vinden om heel te worden.

Als er maar één persoon was geweest, als er maar één hart met mededogen had gereageerd, zou deze man misschien hele jaren en jaren eerder zijn geweest. Aangezien niemand, niet één persoon, medelijden met hem had, was alles wat hem overbleef – en ik zeg alles wat hem met een gevoel van afgrijzen werd overgelaten – de directe tussenkomst van God.

We zijn omringd door mensen die het nodig hebben. Het zijn niet alleen mensen die lichamelijk verlamd zijn die hulp nodig hebben. Er zijn zoveel mensen die in zichzelf verlamd zijn en iemand moeten ontmoeten die hen zou kunnen helpen. Verlamd in zichzelf zijn degenen die doodsbang zijn voor het leven, omdat het leven voor hen een voorwerp van terreur is geweest sinds ze geboren zijn: ongevoelige ouders, harteloze, wrede omgeving. Hoeveel zijn er die hoopten, toen ze nog klein waren, dat er iets voor hen zou zijn in het leven. Maar nee. Dat was er niet. Er was geen medeleven. Er was geen vriendelijkheid. Er was niets. En toen ze troost en steun probeerden te krijgen, kregen ze die niet. Telkens wanneer ze dachten dat ze iets konden doen, kregen ze te horen: ‘Probeer het niet. Begrijp je niet dat je hiertoe niet in staat bent?’ En ze voelden zich lager en lager.

Hoevelen konden hun leven niet vervullen omdat ze lichamelijk ziek waren en niet sterk genoeg… Maar vonden ze iemand om hen een steuntje in de rug te geven? Hebben ze iemand gevonden die zo diep voor hen en voor hen voelde dat ze hun uiterste best deden om te helpen? En hoeveel mensen die doodsbang zijn voor het leven, leefden in omstandigheden van angst, geweld, brutaliteit… Maar dit alles had hen niet kunnen overkomen als er iemand was geweest die hen bijstond en hen niet in de steek liet.

We zijn dus allemaal omringd door mensen die zich in de situatie van deze verlamde man bevinden. Als we aan onszelf denken, zullen we zien dat velen van ons verlamd zijn , niet in staat om al hun ambities te vervullen; niet in staat om te zijn waar ze naar verlangden, niet in staat om anderen te dienen zoals hun hart spreekt; niet in staat om iets te doen waar ze naar verlangden omdat angst, gebrokenheid in hen is gekomen.

En wij allemaal, wij allemaal waren verantwoordelijk voor elk van hen. We zijn wederzijds verantwoordelijk voor elkaar; want als we rechts en links kijken naar de mensen die naast ons staan, wat weten we dan over hen? Weten we hoe kapot ze zijn? Hoeveel pijn is er in hun hart? Hoeveel lijden is er in hun leven geweest? Hoeveel gebroken hoop, hoeveel angst en afwijzing en minachting hebben hen ertoe gebracht zichzelf te minachten en niet eens in staat te zijn zichzelf te respecteren – om nog maar te zwijgen van de moed om een ​​stap te zetten naar heelheid, die heelheid waarover het evangelie in deze passage spreekt en op zoveel andere plaatsen?

Laten we hierover nadenken. Laten we elkaar aankijken en ons afvragen: hoeveel kwetsbaarheid is er in hem of haar? Hoeveel pijn heeft zich opgehoopt in zijn of haar hart? Hoeveel levensangst – maar leven uitgedrukt door mijn naaste, de mensen die ik voor het leven zou moeten kunnen tellen – is er in mijn bestaan ​​gekomen?

Laten we naar elkaar kijken met begrip, met aandacht. Christus is daar. Hij kan genezen; Ja. Maar we zullen voor elkaar verantwoording moeten afleggen, omdat er zoveel manieren zijn waarop we de ogen van Christus zouden moeten zijn die de noden ziet, de oren van Christus die de roep hoort, de handen van Christus die steunt en geneest of het mogelijk maakt opdat de persoon genezen wordt.

Laten we deze gelijkenis van de verlamde met nieuwe ogen bekijken; niet denkend aan deze arme man tweeduizend jaar geleden die zoveel geluk had dat Christus toevallig bij hem was en uiteindelijk deed wat elke buurman had moeten doen. Laten we naar elkaar kijken en mededogen hebben, actief mededogen; in zicht; liefde als we kunnen. En dan is deze gelijkenis niet uitgesproken of is deze gebeurtenis niet tevergeefs aan ons verteld. Amen.

CHRISTUS IS OPGESTAAN! HIJ IS WAARLIJK OPGESTAAN

77d58f99d852398ee3df164237307f61

Proclus van Constantinopel + homilie over de Theotokos

5dbdf36ba28f69c71037350f55846d6a

Proclus van Constantinopel en zijn homilie over de Theotokos gehouden in aanwezigheid van Nestorius

PROCLUS van Constantinopel231

St. Proclus van Constantinopel, tempera op hout, 38 x 28 cm. Heilig klooster van Xenophontos, Mt Athos, 2015 (privécollectie). De icoon is gebaseerd op de traditionele iconografie van St. Proclus, in het bijzonder de drie afbeeldingen van de heilige in de Menologion van Basil II (Vat. Gr. 1613, fols. 65, 136 en 353), met één uitzondering. Als erkenning voor Proclus’ toewijding aan de Theotokos, heeft de iconograaf het evangelieboek dat traditioneel door hiërarchen wordt vastgehouden, vervangen door een medaillon van de Theotokos.

Het Pappas Patristisch Instituut heeft het genoegen een biografische notitie te verstrekken over de vijfde-eeuwse Proclus van Constantinopel, samen met een Engelse vertaling, door vader Maximos Constas, van de beroemde Homilie van de heilige over de Moeder van God. Deze preek werd hoogstwaarschijnlijk gehouden op de dag na Kerstmis, wanneer de Orthodoxe Kerk de synaxis van de Theotokos viert, en is passend leesvoer voor de adventstijd.
Proclus van Constantinopel

Proclus van Constantinopel werd geboren ca. 385 en stierf in 446. Hij was een vroege aartsbisschop van Constantinopel (van 434 tot 446) en een populaire prediker in de retorische stijl van Gregory Nazianzus (die stierf in 390, tijdens het leven van Proclus zelf). Proclus, een bondgenoot van Cyrillus van Alexandrië in de christologische controverse van de vijfde eeuw, was de belangrijkste architect van de vroege Byzantijnse toewijding aan de Theotokos. Er is niets bekend over zijn vroege leven, en latere bronnen maken hem de leerling van Johannes Chrysostomus (aartsbisschop van Constantinopel van 397 tot 404). Chrysostomus stierf in 407, en Proclus bracht zijn relikwieën terug naar Constantinopel in 438. Hedendaagse bronnen plaatsen Proclus echter niet in dienst van Chrysostomus, maar van Atticus van Constantinopel (aartsbisschop van 406 tot 425), die hem wijdde tot diaconaat en priesterschap. en wie Proclus diende als secretaris en ghostwriter. Na de dood van Atticus was Proclus een kandidaat voor de aartsbisschoppelijke troon, maar hij verloor de verkiezing van Sisinnius (aartsbisschop van 426 tot 427), die vervolgens Proclus wijdde tot de zetel van Cyzikus. De mensen van Cyzikus verzetten zich echter tegen de inmenging van Constantinopel in de zaken van hun kerk en verwierpen Proclus, die in de hoofdstad bleef, waar hij een populaire prediker werd. Na de dood van Sisinnius werd Proclus opnieuw voorgesteld als kandidaat voor de troon van Constantinopel, maar werd geblokkeerd door keizer Theodosius II (die regeerde van 408 tot 450), die de positie aanbood aan een Antiocheense presbyter genaamd Nestorius (aartsbisschop van 428 tot 431). De keuze van de keizer was ongelukkig, want Nestorius raakte verwikkeld in een theologische controverse nadat hij onbezonnen kritiek had geuit op de lokale devotie tot de Maagd Maria. De controverse verspreidde zich snel buiten de grenzen van de keizerlijke stad en culmineerde in de afzetting van Nestorius door het Concilie van Efeze (431). Nestorius werd vervangen door Maximianus (431-434), en pas na diens dood werd Proclus aartsbisschop van Constantinopel (434-446), waardoor hij naar alle waarschijnlijkheid de eerste aartsbisschop van Constantinopel was die in die stad werd geboren.

Als aartsbisschop bleef Proclus de cultus van de Maagd promoten, voornamelijk door zijn homilieën, meesterwerken van de Grieks-christelijke retoriek. De relatief kleine kern van zijn oprechte homilieën is omgeven door een grote halfschaduw van onecht en twijfelachtig, terwijl veel andere werken ten onrechte aan Chrysostomus en andere schrijvers worden toegeschreven. Proclus’ eerste homilie op de Theotokos (zie hieronder) wordt beschouwd als deberoemdste preek over de Moeder Gods in de hele oude christelijke literatuur. De homilie, gehouden in 430, was een directe aanval op Nestorius, die de gepastheid had veroordeeld om de Maagd Maria de “Theotokos” (dwz “Zij die God baarde”) te noemen. Nestorius, die aanwezig was toen de homilie werd gehouden, reageerde door te beweren dat de controversiële mariale epitheton in wezen heidens was en dat een God geboren uit een vrouw en onderworpen aan lijden en dood vreemd was aan het christelijk geloof. Proclus was het daar niet mee eens en hield vol dat juist het verweven van goddelijke kracht en menselijke zwakheid essentieel was voor de christelijke ervaring van verlossing.

In een van zijn kenmerkende metaforen vergelijkt Proclus de baarmoeder van de Maagd met een “werkplaats” met een “textielweefgetouw” waarop een kledingstuk van vlees werd geweven voor de geïncarneerde God. Proclus keert terug naar dit beeld in een andere homilie, waarin de huiselijke metafoor van het weven een publieke keizerlijke adventus wordt.Hier wordt het gewaad van het goddelijk lichaam vergeleken met een ‘consulaire toga’, en de moederlijke schoot van de Maagd met een ‘consulaire troon’. De weefmetaforen van Proclus hebben misschien iets te danken aan de symbolische attributen van oude godinnen, met name de wever Athena (wiens negen meter hoge bronzen beeld tijdens het leven van Proclus van Athene naar Constantinopel werd gebracht). Een meer directe invloed kan zijn uitgeoefend door zijn bondgenoot in de strijd tegen Nestorius, de keizerin Pulcheria, van wie bekend is dat ze zich bezighield met weven en borduren en een van haar keizerlijke gewaden had opgedragen als bedekking voor een altaartafel in de Hagia Sophia. .

Proclus bracht, in een andere kenmerkende metafoor, het idee naar voren dat de Maagd ‘door haar gehoor’ (δι᾽ ἀκοῆς) bedacht, een motief dat een lang hiernamaals had in de middeleeuwse kunst en theologie. Als de Maagd het “Woord” van God had ontvangen, was het niet meer dan normaal dat dit gebeurde door middel van “horen”. Dit werd grotendeels aangemoedigd door de typologische verbanden tussen Maria en Eva, zodat de schade veroorzaakt door Eva’s ontvangst van de woorden van de slang werd teruggedraaid door Maria’s ontvangst van het goddelijk Woord (vgl. Gen. 2,2-7; Lc. 1,26). ).
Proclus ‘ambtstermijn als aartsbisschop werd opgeslorpt door de politieke en theologische gevolgen van de Theotokos-controverse. Zijn onmiddellijke zorg betrof een groep recalcitrante Syrische bisschoppen die de ijle unie die op het Concilie van Efeze was bereikt, bedreigden. Toch besefte Proclus dat de wortels van het probleem diep zaten, en in zijn pogingen om de groei van het Nestorianisme een halt toe te roepen, waagde hij het om de overleden leraren van Nestorius (Diodorus van Tarsus en Theodorus van Mopsuestia), die in hoge mate werden vereerd in de Kerk van Antiochië, te veroordelen. Het probleem kwam tot een hoogtepunt toen de geschriften van deze leraren werden vertaald in het Armeens, een regio waarvan de loyaliteit verdeeld was tussen Antiochië en Constantinopel. Toen vertegenwoordigers van de Armeense kerk de vertalingen onder de aandacht van Proclus brachten (in 435), reageerde hij met zijnBoekdeel aan de Armeniërs. Hoewel Diodore en Theodore nooit bij naam werden genoemd , voegde Proclus een reeks uittreksels uit hun geschriften toe die geen twijfel lieten bestaan ​​over zijn grotere doel. Het boekdeel bracht de Armeense kerk ertoe de theologie van Antiochië te verwerpen, maar Proclus vond weinig steun in zijn pogingen om degenen die waren gestorven in de gemeenschap van de kerk te veroordelen.

Gedurende deze periode benadrukte Proclus dat het woord “Theotokos” een uitvloeisel was van de orthodoxe leer van de Incarnatie, die de vereniging van menselijkheid en goddelijkheid in de persoon van Christus waarborgde. Proclus positioneerde zich tussen de theologische uitersten van Antiochië en Alexandrië en verdedigde een dualiteit van naturen (menselijk en goddelijk) die onafscheidelijk verenigd waren in de ene persoon ( hypostase ) van Christus. De formule van Proclus markeerde een belangrijke vooruitgang ten opzichte van de dubbelzinnige taal van Cyrillus van Alexandrië (aartsbisschop van 412 tot 444), die soms verbaal ‘persoon’ wegliet bij ‘natuur’ en met succes door zijn opvolgers werd overgebracht naar het Concilie van Chalcedon (451)

Proclus van Constantinopel

Homilie 1: Over de heilige maagd Theotokos, verlost terwijl Nestorius in de Grote Kerk van Constantinopel zat.

I
Het feest van de Maagd, mijn broeders, nodigt ons vandaag uit tot lovende woorden, en het huidige feest heeft voordelen voor degenen die samenkomen om het te vieren. En dit is zeker juist, want het onderwerp is kuisheid. Wat we vieren is de trots van de vrouw en de glorie van de vrouw, dankzij degene die tegelijk moeder en maagd was. Heerlijk is de bijeenkomst! Zie hoe zowel de aarde als de zee dienen als escortes van de Maagd: de een spreidt haar golven rustig uit onder de schepen, de ander leidt ongehinderd de stappen van de reizigers op hun weg. Laat de natuur springen van vreugde, en laat vrouwen geëerd worden! Laat de hele mensheid dansen, en laat maagden verheerlijkt worden! Want “waar de zonde toenam, is de genade nog overvloediger geworden” (Rm 5,20). Zij die ons hier vandaag heeft geroepen, is de Heilige Maria; het onaangetaste vat van maagdelijkheid; het geestelijk paradijs van de tweede Adam (vgl. Rom. 5. 14; 1 Kor. 15.21–22, 45–49); de werkplaats voor de vereniging van de natuur; de marktplaats van het verlossingscontract; de bruidskamer waarin het Woord ten huwelijk is getreden; de levende braamstruik van de menselijke natuur, die niet door het vuur van een goddelijke barensweeën werd verteerd (Ex. 3.2); de ware snelle wolk (Jes. 19.1) die degene die op de cherubim rijdt in haar lichaam droeg; de zuiverste vacht (Rec. 6.37-38) doordrenkt met de regen die uit de hemel neerdaalde, waarbij de herder zich kleedde met de schapen (vgl. Joh. 10.11); dienstmaagd en moeder (vgl. Lc. 1,38, 43), maagd en hemel, de enige brug voor God naar de mensheid; het ontzagwekkende weefgetouw van de goddelijke economie waarop het gewaad (Joh. 19:23) van eenheid onuitsprekelijk was geweven. De weefgetouwwerker was de Heilige Geest; de wolbewerker de overschaduwende macht van omhoog (Luk. 1:35). De wol was het oude vlies van Adam; de in elkaar grijpende draad het vlekkeloze vlees van de Maagd. De spoel van de wever werd voortbewogen door de onmetelijke gratie van hem die het gewaad droeg; de ambachtsman was het Woord dat door haar gehoor binnendrong.
II
Wie heeft er ooit gezien, wie heeft er ooit gehoord, dat God onbeperkt in de baarmoeder van een vrouw woont? De hemel zelf kan hem niet bevatten, en toch heeft een baarmoeder hem niet ingesnoerd. Hij werd geboren uit een vrouw, God maar niet alleen God, en man maar niet alleen man, en door zijn geboorte werd wat eens de deur van de zonde was, de poort van redding gemaakt. Door oren die ongehoorzaam waren, goot de slang zijn gif in; door gehoorzame oren kwam het Woord binnen om een ​​levende tempel te bouwen. Uit de plaats waar Kaïn, de eerste discipel van de zonde, tevoorschijn kwam, ontsproot ook Christus, de verlosser van het ras, ongezaaid tot leven. De liefhebbende God schaamde zich niet voor de barensweeën van een vrouw, want de zaak waar het om ging was het leven. Hij werd niet verontreinigd door te wonen op plaatsen die hij zelf zonder oneer had geschapen. Als de moeder geen maagd was gebleven, dan zou het geboren kind een gewone man zijn geweest en de geboorte geen wonder. Maar als ze zelfs na de geboorte maagd bleef, dan was hij inderdaad op wonderbaarlijke wijze geboren die ook ongehinderd binnenkwam “toen de deuren verzegeld waren (Joh. 20:19, 26)”, wiens eenheid van naturen werd verkondigd door Thomas die zei: “Mijn Heer en mijn God! (Joh. 20.28).

III
Dus schaam je niet voor de barensweeën, o man! Want zij waren het begin van onze redding. Als hij niet uit een vrouw was geboren, zou hij niet zijn gestorven. Als hij niet was gestorven, zou hij niet “door de dood hem hebben vernietigd die de macht over de dood heeft, dat wil zeggen de duivel (Hebreeën 2:14)”. Een bouwmeester wordt niet onteerd als hij in gebouwen van zijn eigen ontwerp woont. Klei verontreinigt de pottenbakker niet die herstelt wat hij zelf heeft gemaakt. Noch werd de reine verontreinigd door uit de schoot van een maagd te komen. Van wat hij vormde zonder verontreiniging, kwam hij voort zonder verontreiniging. O baarmoeder, waarin de band werd opgetrokken die ons alle vrijheid gaf! O buik, waarin het zwaard werd gesmeed dat de dood versloeg! O akker, waarop Christus, de boer van de natuur, zelf ongezaaid uitgroeide als een korenaar! O tempel, waarin God priester werd, niet door zijn natuur te veranderen, maar zich door zijn barmhartigheid kleden met hem die “volgens de orde van Melchizedek (vgl. Hebr. 6,20; 7,11; Ps. 109,4)” was! “Het Woord is vlees geworden” (Joh. 1:14), ook al geloven de Joden de Heer niet die dat zei. God heeft de vorm van een mens aangedaan (vgl. Fil. 2,7), ook al maken de Grieken het wonder belachelijk. Om deze reden is het mysterie een “schandaal voor de Joden” en “dwaasheid voor de Grieken (1 Kor. 1:23)”, omdat het wonder de rede te boven gaat. Als het Woord niet in een baarmoeder had gewoond, zou het vlees nooit op de troon gezeten hebben. Was het een schande voor God om in de baarmoeder te zijn gekomen, dan zou het ook een schande zijn voor engelen om een ​​mens te dienen (Mt. 4,11; vgl. Hebr. 1,14). zelfs als de Joden de Heer niet geloven die dat zei. God heeft de vorm van een mens aangedaan (vgl. Fil. 2,7), ook al maken de Grieken het wonder belachelijk. Om deze reden is het mysterie een “schandaal voor de Joden” en “dwaasheid voor de Grieken (1 Kor. 1:23)”, omdat het wonder de rede te boven gaat. Als het Woord niet in een baarmoeder had gewoond, zou het vlees nooit op de troon gezeten hebben. Was het een schande voor God om in de baarmoeder te zijn gekomen, dan zou het ook een schande zijn voor engelen om een ​​mens te dienen (Mt. 4,11; vgl. Hebr. 1,14). zelfs als de Joden de Heer niet geloven die dat zei. God heeft de vorm van een mens aangedaan (vgl. Fil. 2,7), ook al maken de Grieken het wonder belachelijk. Om deze reden is het mysterie een “schandaal voor de Joden” en “dwaasheid voor de Grieken (1 Kor. 1:23)”, omdat het wonder de rede te boven gaat. Als het Woord niet in een baarmoeder had gewoond, zou het vlees nooit op de troon gezeten hebben. Was het een schande voor God om in de baarmoeder te zijn gekomen, dan zou het ook een schande zijn voor engelen om een ​​mens te dienen (Mt. 4,11; vgl. Hebr. 1,14).

Lees verder “Proclus van Constantinopel + homilie over de Theotokos”

St.Nektarius van Aegina : In het Nieuwe Testament wordt vasten aanbevolen als een manier om de geest en het hart voor te bereiden op goddelijke aanbidding….

Afbeelding2222

In het Nieuwe Testament wordt vasten aanbevolen als een manier om de geest en het hart voor te bereiden op goddelijke aanbidding, op lang gebed, opstaan ​​uit het aardse en op vergeestelijking.

St.Nektarius van Aegina

St.Nikolai Velimirovich : . De boom van kennis is de boom van misdaad, domheid en ijzige duisternis geworden…

34e7b4d80c28307c0218251f999feb58

“… De boom van kennis is de boom van misdaad, domheid en ijzige duisternis geworden. Waarlijk, de kennis behalve dat ze dienaren van satan zijn. Wanneer de laatste dag aanbreekt, zal satan zich verheugen in het aantal mensen in zijn oogst . Tevergeefs zeg ik tegen de goddelozen: “ga naar de boom des levens ( ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij. (Gal.220) en je zult meer weten dan je ooit zou willen weten! . Van de boom der kennis  maakt satan een ladder voor je om af te dalen naar de onderwereld

St.Nikolai Velimirovich
Gebeden bij het meer.V