Le 20 frasi di Sant’ Agostino che illumineranno la tua vita 

(de 20 zinnen van Augustinus die uw leven verlichtten)  

Italiaans gesproken met Nederlandse ondertiteling

HUMILITY

Heiliger Bischof (Augustinus), Tempera auf Holz, Goldgrund, 58,5 x 41,2 cm, Provenienz: Sammlung Donath, Prag; europäische Privatsammlung

De heilige Augustinus herinnert ons eraan dat we niet kunnen opscheppen over het goede dat we doen….

4b8cf830891e54ec9e60e187d33a7bc6 (1)

De heilige Augustinus herinnert ons eraan dat we niet kunnen opscheppen over het goede dat we doen, omdat we alleen maar iets van verdienste kunnen doen dankzij de oorspronkelijke genade van God die ons vrijelijk is geschonken

BOUND

Elk goed werk dat we doen is een geschenk van God, verleend door Gods genade.

Want er zijn, zoals u weet, drie punten die de katholieke Kerk hoofdzakelijk
tegen hen in stand houdt.


Eén daarvan is dat de genade van God niet wordt gegeven op basis van onze verdiensten; omdat zelfs alle verdiensten van de rechtvaardigen een geschenk van God zijn, en verleend worden door Gods genade.

De tweede is dat niemand in dit vergankelijke lichaam leeft, hoe rechtvaardig hij ook mag zijn, zonder
enige zonde.

De derde is dat de mens geboren wordt met een weerzin tegen de zonde van de eerste mens, en gebonden is aan de keten van veroordeling, tenzij de schuld die door de generatie is opgelopen, door de wedergeboorte wordt kwijtgescholden.

(Sint-Augustinus: een verhandeling over de gave van volharding, – 428 n.Chr

 

Twee films over St.Augustinus

Nederlands gesproken

Augustinus: Wordt ons leven bepaald door het noodlot? Waarom is er zoveel kwaad in de wereld?

Augustinus leefde in de tijd dat het West-Romeinse Rijk verviel. Hij vroeg zich of hij een vrije keus had, of dat zijn leven afhankelijk was van het noodlot. In zijn jonge jaren hing hij de profeet Mani aan, maar toen hij ouder was, trad hij toe tot de Rooms-Katholieke Kerk. Ambrosius, de bisschop van Milaan, had veel invloed op zijn keuze.

———————————-

ENGELS GESPROKEN !!

Saint Augustine: A Voice For All Generations | Full Movie | Mike Aquilina

Explore the conversion story of one of the most significant figures in church history and learn about his struggle to find answers amid a sea of competing voices. Travel with host Mike Aquilina to fourth-century Rome and Milan to discover why St. Augustine has become a “Voice for All Generations.”
St. Augustine of Hippo (354-430) is a preeminent Doctor of the Church and the patron of the Augustinian order. His works, including The City of God, On the Trinity, and The Confessions, have had an inestimable impact on the Church and, by extension, on Western Civilization at large. Yet, where did such faith begin? After rejecting his mother’s Christianity as simplistic and restraining, Augustine embarked on a path towards self-gratification, marked by the pursuit of money, political power, and sexual pleasure. This documentary, hosted by EWTN’s Mike Aquilina and shot on location in Rome and Milan, explores the conversion story of one of the most significant figures in church history. Travel back to the fourth century and discover how Augustine became a “Voice for All Generations.”
——————

Sint-Augustinus: een stem voor alle generaties | Volledige film | Mike Aquilina

Verken het bekeringsverhaal van een van de belangrijkste figuren in de kerkgeschiedenis en leer over zijn strijd om antwoorden te vinden te midden van een zee van concurrerende stemmen. Reis met gastheer Mike Aquilina naar het vierde-eeuwse Rome en Milaan om te ontdekken waarom St. Augustinus een ‘stem voor alle generaties’ is geworden.

De heilige Augustinus van Hippo (354-430) is een vooraanstaand kerkleraar en de patroon van de Augustijner orde. Zijn werken, waaronder De stad van God, Over de Drie-eenheid en De belijdenissen, hebben een onschatbare impact gehad op de kerk en, in het verlengde daarvan, op de westerse beschaving in het algemeen. Maar waar is zulk geloof begonnen? Nadat Augustinus het christendom van zijn moeder als simplistisch en beperkend had verworpen, begon Augustinus aan een weg naar zelfbevrediging, gekenmerkt door het najagen van geld, politieke macht en seksueel genot. Deze documentaire, gehost door Mike Aquilina van EWTN en opgenomen op locatie in Rome en Milaan, onderzoekt het bekeringsverhaal van een van de belangrijkste figuren in de kerkgeschiedenis. Reis terug naar de vierde eeuw en ontdek hoe Augustinus een ‘Stem voor alle generaties’ werd.
Geregisseerd door: Herald Entertainment
Met in de hoofdrol: Mike Aquilina

—————————————

Enkele citaten van Augustinus – Italiaans/Nederlands…

CLXIX

“God, die jou zonder jou heeft geschapen,
kan je niet redden zonder jou”
Sint Augustinus
(Preek CLXIX 13)

(en et citaat verder in preek CLXIX,13 : En zeker niet omdat Hij het vermogen
niet heeft – Hij is almachtig !- maar omdt
het liefde is, onze vrijheid volledig respecteert.
God stelt ziczelf voor, dringt zichzelf
nooit op)

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

DENTRO10

Jij was in mij
en ik was buiten.
Daar was ik op zoek naar jou. Misvormd,
wierp ik me op de prachtige
vormen van jouw
schepsels van jou.
Jij was bij me, maar ik
was niet bij U.

St.Augustinus

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

QUELLO

“Wat juist is, blijft
goed, zelfs als niemand het doet.
Wat verkeerd is, blijft
fout, zelfs als iedereen het doet.

Sint Augustinus

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

PROVE

Sint Augustinus – Kleine zinnen Grote waarheden

“Wanneer ik de ziel van een
persoon tegenover
mij, niet goed ken,
geef ik er de voorkeur aan
eerst goed na te denken 
liever dan te beschuldigen zonder
bewijs.”

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

CONTRO

“Luister niet naar je ouders
als ze je een bevel geven
tegen het vaderland.
Maar luister niet naar je vaderland
als het je een bevel tegen God geeft!”

Augustinus (Preken, IX, 8)

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

NON

Niet iedereen die
toegeeflijk met ons is,
is een vriend, noch iemand die
die ons kwetst is
een vijand. Nuttiger zijn
de wonden gemaakt
door een vriend dan
kussen gegeven door een vijand.

Augustinus

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

dottrina

“Laten we ons daarom zelfs
van de ketters bedienen
niet om hun hun dwalingen, maar om meer
en waakzamer en sluwer de
katholieke leer te verdedigen tegen hun valkuilen,
zelfs als we niet in staat zijn om
hen terug te leiden naar verlossing.”

Augustinus van Hippo
uit het boek – ware religie

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

VUOI

Wil je stijgen? Begin met dalen.
Ontwerp je een toren die
de wolken doorboort? Leg eerst
de fundamenten van nederigheid.

Heilige Augustinus

c986dab5802ad1860744328d70933fe8

dochters

Hope heeft twee prachtige

dochters. Hun namen zijn woede en moed;

woede over de manier waarop

dingen zijn en moed om ze te veranderen.

Sint Augustinus

THE CITY OF GOD (De stad van God)Volledig werk van Augustinus !!!!

Project Gutenberg’s De stad van God, deel I, door Aurelius Augustinus

Dit e-boek is voor iedereen overal ter wereld gratis en met
bijna geen beperkingen wat dan ook. Je mag het kopiëren, weggeven of
hergebruik het onder de voorwaarden van de Project Gutenberg-licentie inbegrepen

Voor engelse tekst :

https://www.gutenberg.org/files/45304/45304-h/45304-h.htm

Titel: De stad van God, deel I

Auteur: Aurelius Augustinus
Redacteur: Marcus Dodds
Releasedatum: 8 april 2014 [EBook #45304]
Tekensetcodering: ISO-8859-1
DE WERKEN
VAN
AURELIUS AUGUSTINUS,
BISSCHOP VAN NIJLPAAL.

EEN NIEUWE VERTALING.

Bewerkt door de
EERW. MARCUS DODS, MA
————————————————————–

SIDONIE20

DEEL I.
DE STAD VAN GOD,
DEEL I.

EDINBURGH:
T. & T. CLARK, 38, GEORGE STREET.
MDCCCLXXI.
[pagina ii]

GEDRUKT DOOR MURRAY EN GIBB,
VOOR
T. en T. CLARK, EDINBURGH.
LONDEN, HAMILTON, ADAMS EN CO.
DUBLIN, JOHN ROBERTSON EN CO.
NEW YORK, C. SCRIBNER EN CO.
[pagina iii]

DE

STAD VAN GOD.

Vertaald door de
EERW. MARCUS DODS, Ma
DEEL I
EDINBURGH:
T. & T. CLARK, 38, GEORGE STREET.
MDCCCLXXI.
[Pg iv]

Van het volgende werk zijn de boeken IV, XVII en XVIII vertaald door de Eerwaarde George Wilson , Glenluce; boeken V, VI, VII en VIII door de Eerwaarde JJ Smith .

[Pg v]

INHOUD.
BOEK I
Augustinus bekritiseert de heidenen, die de rampen in de wereld, en met name de plundering van Rome door de Goten, toeschreven aan de christelijke godsdienst en haar verbod op de aanbidding van de goden, 1
BOEK II.
Een overzicht van de rampen die de Romeinen vóór de tijd van Christus hebben geleden, waaruit blijkt dat hun goden hen in corruptie en ondeugd hadden gestort, 48
BOEK III.
De externe calamiteiten van Rome, 91

BOEK IV.
Dat rijk werd niet door de goden aan Rome gegeven, maar door de Ene Ware God, 135

BOEK V.
Over het lot, de vrije wil en Gods voorkennis, en over de bron van de deugden van de oude Romeinen, 177

BOEK VI.
Van Varro’s drievoudige indeling van de theologie, en van het onvermogen van de goden om iets bij te dragen aan het geluk van het toekomstige leven, 228

BOEK VII.
Van de “uitverkoren goden” van de burgerlijke theologie, en dat het eeuwige leven niet verkregen wordt door hen te aanbidden, 258

BOEK VIII.[pagina vi]
Een verslag van de Socratische en Platonische filosofie, en een weerlegging van de leer van Apuleius dat de demonen aanbeden moeten worden als bemiddelaars tussen goden en mensen, 305

BOEK IX.
Van degenen die beweren dat er een onderscheid is tussen demonen, waarvan sommige goed en andere slecht zijn, 353

BOEK X.
Porphyrius’ leer van de verlossing, 382

BOEK XI.
Augustinus gaat over tot het tweede deel van het werk, waarin de oorsprong, de voortgang en de bestemmingen van de aardse en hemelse steden worden besproken. – Speculaties over de schepping van de wereld, 436

BOEK XII.
Over de schepping van engelen en mensen, en over de oorsprong van het kwaad, 481

BOEK XIII.
Dat de dood een straf is en zijn oorsprong vindt in de zonde van Adam, 521

VOORWOORD VAN DE REDACTIE.
“Toen Rome bestormd en geplunderd werd door de Goten onder Alarik, hun koning,[1] de aanbidders van valse goden, of heidenen, zoals wij ze gewoonlijk noemen, probeerden deze ramp toe te schrijven aan de christelijke religie en begonnen de ware God te lasteren met nog meer dan hun gebruikelijke bitterheid en scherpte. Dit was het wat mijn ijver voor het huis van God aanwakkerde en mij ertoe aanzette de verdediging van de stad van God op zich te nemen tegen de beschuldigingen en verkeerde voorstellingen van haar aanvallers. Dit werk was meerdere jaren in mijn handen, vanwege de onderbrekingen veroorzaakt door vele andere zaken die eerder mijn aandacht hadden gevergd en die ik niet kon uitstellen. Deze grote onderneming werd echter uiteindelijk voltooid in tweeëntwintig boeken. Van deze weerleggen de eerste vijf degenen die denken dat de polytheïstische eredienst noodzakelijk is om wereldse welvaart te verzekeren en dat al deze overweldigende rampen ons zijn overkomen als gevolg van het verbod ervan. In de volgende vijf boeken richt ik mij tot hen die erkennen dat zulke calamiteiten te allen tijde het menselijk ras hebben getroffen en te allen tijde zullen treffen, en dat ze voortdurend terugkeren in vormen die min of meer rampzalig zijn, en alleen variëren in de scènes, gelegenheden en personen op wie ze vallen, maar terwijl ze dit erkennen, beweren ze dat de aanbidding van de goden voordelig is voor het toekomstige leven. In deze tien boeken weerleg ik dan ook deze twee meningen, die even ongegrond zijn als vijandig tegenover de christelijke religie.
“Maar opdat niemand de gelegenheid zou hebben om te zeggen dat ik, hoewel ik de stellingen van andere mensen had weerlegd, had nagelaten mijn eigen stellingen te bewijzen, wijd ik aan dit doel het tweede deel van[Pg. VIII] dit werk, dat twaalf boeken omvat, hoewel ik niet heb geaarzeld, zoals de gelegenheid zich voordeed, om mijn eigen meningen in de eerste tien boeken naar voren te brengen, of om de argumenten van mijn tegenstanders in de laatste twaalf te ontkrachten. Van deze twaalf boeken bevatten de eerste vier een verslag van de oorsprong van deze twee steden: de stad van God en de stad van de wereld. De tweede vier behandelen hun geschiedenis of vooruitgang; de derde en laatste vier, van hun verdiende bestemmingen. En dus, hoewel al deze tweeëntwintig boeken naar beide steden verwijzen, heb ik ze toch naar de betere stad vernoemd en ze De Stad van God genoemd.”
Dit is het verslag dat Augustinus zelf geeft[2] van de gelegenheid en het plan van dit zijn grootste werk. Maar naast deze expliciete informatie leren we uit de correspondentie[3] van Augustinus, dat het te danken was aan de opdringerigheid van zijn vriend Marcellinus dat deze verdediging van het christendom verder reikte dan de grenzen van een paar brieven. Kort voor de val van Rome was Marcellinus door keizer Honorius naar Afrika gestuurd om een ​​regeling te treffen voor de geschillen tussen de donatisten en de katholieken. Dit bracht hem niet alleen in contact met Augustinus, maar ook met Volusianus, de proconsul van Afrika, en een man met een zeldzame intelligentie en openhartigheid. Toen hij ontdekte dat Volusianus, hoewel nog een heiden, interesse had in de christelijke religie, zette Marcellinus zijn hart erop om hem tot het ware geloof te bekeren. De details van de daaropvolgende belangrijke omgang tussen de geleerde en hofbisschop en de twee keizerlijke staatslieden zijn helaas bijna geheel voor ons verloren gegaan; maar de indruk die de bestaande correspondentie wekt, is dat Marcellinus het middel was om zijn twee vrienden met elkaar in contact te brengen. De eerste toenadering was van Augustinus, in de vorm van een eenvoudig en mannelijk verzoek dat Volusianus de Schriften zorgvuldig zou doornemen, vergezeld van een openhartig aanbod om zijn best te doen om alle moeilijkheden op te lossen die zich bij zo’n onderzoek zouden kunnen voordoen. Volusianus gaat dienovereenkomstig een correspondentie aan met Augustinus; en om de soort moeilijkheden te illustreren die mannen in zijn positie ervaren, geeft hij enkele grafische aantekeningen van een gesprek waarin hij onlangs[Pg ix] deelgenomen aan een bijeenkomst van enkele van zijn vrienden. De moeilijkheid waaraan het meeste gewicht wordt gehecht in deze brief, is de schijnbare onmogelijkheid om te geloven in de Incarnatie. Maar een brief die Marcellinus onmiddellijk naar Augustinus stuurde, waarin hij hem aanspoorde om Volusianus in het algemeen te antwoorden, bracht het inzicht dat de moeilijkheden en bezwaren tegen het christendom aldus beperkt waren uit een beleefde achting voor de kostbaarheid van de tijd van de bisschop en het grote aantal van zijn verplichtingen. Deze brief bracht, kortom, het belangrijke feit naar voren, dat het wegnemen van speculatieve twijfels niet zou volstaan ​​voor de bekering van zulke mannen als Volusianus, wiens leven één was met het leven van het keizerrijk. Hun moeilijkheden waren eerder politiek, historisch en sociaal. Ze konden niet zien hoe de ontvangst van de christelijke levensregel verenigbaar was met de belangen van Rome als meesteres van de wereld.[4] En zo werd Augustinus ertoe gebracht een duidelijker en bredere visie te ontwikkelen op de gehele relatie die het christendom had met de oude staat van zaken – moreel, politiek, filosofisch en religieus – en werd hij geleidelijk aan aangetrokken om het uitgebreide werk op zich te nemen dat nu aan de Engelse lezer wordt gepresenteerd, en dat meer dan enig ander van zijn geschriften zijn meesterwerk genoemd kan worden.[5] of levenswerk. Het werd begonnen in het jaar van Marcellinus’ dood, 413 n.Chr ., en werd van tijd tot tijd in losse delen uitgegeven, tot het voltooid werd in het jaar 426. Het nam dus de rijpste jaren van Augustinus’ leven in beslag – van zijn negenenvijftigste tot zijn tweeënzeventigste jaar.[6]

Uit deze korte schets blijkt dat, hoewel het begeleidende werk in wezen een Apologie is, de Apologetica van Augustinus niet zomaar een reconstructie kan zijn van de enigszins versleten, zo niet verarmde, argumenten van Justinus en Tertullianus.[7] In feite, toen Augustinus overwoog wat er van hem werd verwacht, namelijk het christelijk geloof uiteen te zetten en het te rechtvaardigen voor verlichte mensen,[pagina x] mannen; om het te onderscheiden van, en de superioriteit ervan te tonen aan, al die vormen van waarheid, filosofisch of populair, die toen naar de overhand streefden, of op zijn minst naar een podium; om de ogen van de wereld een visioen van glorie voor te stellen dat zelfs de achting zou kunnen winnen van mannen die verblind waren door de fascinerende pracht van een wereldwijd rijk – hij erkende dat hem een ​​taak was toevertrouwd waaraan zelfs zijn krachten niet toereikend zouden kunnen blijken – een taak die zeker ruimschoots ruimte zou bieden voor zijn geleerdheid, dialectiek, filosofisch begrip en scherpzinnigheid, welsprekendheid en vermogen tot uiteenzetting.

Maar het is de aanleiding van deze grote Verontschuldiging die het tegelijk met grandeur en vitaliteit bekleedt. Na meer dan elfhonderd jaar van gestage en triomfantelijke vooruitgang was Rome ingenomen en geplunderd. Het is moeilijk voor ons om te waarderen, onmogelijk om te overschatten, de schok die zo van het centrum naar de omtrek van de hele bekende wereld werd overgebracht. Het werd algemeen geloofd, niet alleen door de heidenen, maar ook door veel van de meest vrijzinnige christenen, dat de vernietiging van Rome het voorspel zou zijn van de vernietiging van de wereld.[8] Zelfs Hieronymus, van wie men zou kunnen denken dat hij verbitterd was tegen de trotse meesteres van de wereld vanwege haar ongastvrijheid jegens hem, kan zijn diepe emotie niet verbergen toen hij hoorde van haar val. “Een vreselijk gerucht”, zegt hij, “bereikt mij uit het Westen, dat vertelt over Rome dat belegerd is, gekocht voor goud, opnieuw belegerd, leven en bezit die samen ten onder gaan. Mijn stem hapert, snikken smoren de woorden die ik dicteer; want zij is een gevangene, die stad die de wereld in vervoering bracht.”[9] Augustinus is nooit zo theatraal als Hieronymus in de uitdrukking van zijn gevoelens, maar hij is even expliciet in het betreuren van de val van Rome als een grote ramp; en hoewel hij er niet voor terugdeinst haar recente schande toe te schrijven aan de losbandige[pagina xi] de manieren, de verwijfdheid en de trots van haar burgers, is hij niet zonder hoop dat ze, door terug te keren naar de eenvoudige, stoere en eervolle levensstijl die de vroege Romeinen kenmerkte, nog veel van haar vroegere welvaart terugkrijgt.[10] Maar terwijl Augustinus de ruïnes van Rome’s grootheid overdenkt, en, net als de hele wereld in deze crisis, de instabiliteit van de sterkste regeringen, de ontoereikendheid van het meest gezaghebbende staatsmanschap voelt, zweeft er boven deze ruïnes het schitterende visioen van de stad van God “die uit de hemel neerdaalt, versierd als een bruid voor haar echtgenoot.” Het oude sociale systeem brokkelt aan alle kanten af, maar in de plaats daarvan lijkt hij een zuiver christendom te zien opkomen. Hij ziet dat de menselijke geschiedenis en het menselijk lot niet volledig geïdentificeerd zijn met de geschiedenis van enige aardse macht – ook al is het niet zo kosmopolitisch als het rijk van Rome.[11] Hij vestigt de aandacht van de mens op het feit dat er een ander koninkrijk op aarde is, een stad met fundamenten, waarvan God de bouwer en maker is. Hij leert de mens om diepere inzichten in de geschiedenis te hebben, en laat hen zien hoe de stad van God, of de gemeenschap van Gods volk, vanaf het begin naast de koninkrijken van deze wereld en hun glorie heeft geleefd, en in stilte is toegenomen, “crescit occulto velut arbor ævo.” Hij laat zien dat de superieure moraal, de ware leer, de hemelse oorsprong van deze stad, haar succes verzekeren; en daartegenover schildert hij de dwaze of tegenstrijdige theorieën van de heidense filosofen, en de losgeslagen moraal van het volk, en legt het aan alle oprechte mensen voor om te zeggen of er in de aanwezigheid van zo’n duidelijk voldoende oorzaak voor de ondergang van Rome, ruimte is om het toe te schrijven aan de verspreiding van het christendom. Hij traceert het antagonisme van deze twee grote gemeenschappen van rationele wezens, terug naar hun eerste divergentie in de val van de engelen, en naar de voltooiing van alle dingen in het laatste oordeel en de eeuwige bestemming van het goede en het kwade. Met andere woorden, de stad van God is “de eerste echte poging om een ​​filosofie van de geschiedenis te produceren,”[12] om historische[Blz. xii] gebeurtenissen in verband met hun ware oorzaken en in hun werkelijke volgorde. Dit plan van het werk is niet alleen een groot concept, maar het gaat gepaard met veel praktische voordelen; het belangrijkste is dat het een volledige behandeling van die doctrines van ons geloof die meer direct historisch zijn, toestaat en zelfs vereist, de doctrines van de schepping, de val, de incarnatie, de verbinding tussen het Oude en Nieuwe Testament en de doctrine van “de laatste dingen.”[13]

Het effect dat dit grote werk heeft voortgebracht, is onmogelijk nauwkeurig te bepalen. Beugnot verklaart, met een absoluutheid die wij in een minder competente autoriteit als aanmatiging zouden veroordelen, dat het effect slechts zeer gering kan zijn geweest.[14] Waarschijnlijk zou het effect ervan stil en traag zijn; eerst op ontwikkelde geesten, en pas indirect op het volk. Het effect ervan moet zeker verzwakt zijn door de onderbroken manier van publicatie. Het is een gemakkelijkere taak om de intrinsieke waarde ervan te schatten. Maar ook hierover verschillen de patristische en literaire autoriteiten sterk. Dupin geeft toe dat het zeer prettig leest, vanwege de verrassende verscheidenheid aan zaken die worden geïntroduceerd om het betoog te illustreren en vooruit te helpen, maar bekritiseert de auteur omdat hij zeer nutteloze kwesties bespreekt en redenen aanvoert die niemand die niet al overtuigd was, zouden kunnen bevredigen.[15] Huet spreekt ook over het boek als “un amas confus d’excellents materiaux; c’est de l’or en barre et en lingots.”[16] L’Abbé Flottes bekritiseert deze meningen als onrechtvaardig en citeert met instemming de onvoorwaardelijke lofrede van Pressensé.[17] Maar waarschijnlijk is de populariteit van het boek de beste rechtvaardiging. Deze populariteit kan worden afgemeten aan de omstandigheid dat er tussen het jaar 1467 en het einde van de vijftiende eeuw niet minder dan twintig[Blz. xiii] Er waren nieuwe edities nodig, dat wil zeggen een nieuwe editie elke achttien maanden.[18] En in de interessante reeks brieven die Ludovicus Vives uitwisselde met Erasmus, die hem had gevraagd een commentaar te schrijven op de Stad van God voor zijn uitgave van Augustinus’ werken, vinden we Vives pleitend voor een aparte uitgave van dit werk, met het argument dat het van alle geschriften van Augustinus vrijwel het enige was dat door patristische studenten werd gelezen, en daarom vanzelfsprekend een veel grotere verspreiding zou kunnen hebben.[19]

Als ons gevraagd zou worden waaraan deze populariteit te danken is, zouden we geneigd zijn deze vooral toe te schrijven aan de grote verscheidenheid aan ideeën, meningen en feiten die hier aan de lezer worden voorgelegd. Het belang ervan als bijdrage aan de geschiedenis van de mening kan niet worden overschat. We vinden er niet alleen aanwijzingen of expliciete verklaringen van de eigen opvattingen van de auteur over bijna elk belangrijk onderwerp dat zijn gedachten bezighield, maar ook een beknopte tentoonstelling van de ideeën die het leven van die tijd het krachtigst hebben beïnvloed. Zo wordt het, zoals Poujoulat zegt, “comme l’encyclopédie du cinquième siècle.” Alles wat waardevol is, samen met veel dat dat inderdaad niet is, in de religie en filosofie van de klassieke naties van de oudheid, wordt besproken. En op sommige takken van deze onderwerpen heeft het, naar het oordeel van iemand die goed gekwalificeerd is om te oordelen, “meer bewaard dan de hele overgebleven Latijnse literatuur.” Het is waar dat we soms moe worden van de al te uitgebreide weerlegging van meningen die voor een moderne geest vanzelfsprekende absurditeiten lijken; maar als deze meningen in de vijfde eeuw werkelijk gangbaar waren, zal de geschiedkundige onderzoeker niet twisten over de vorm waarin zijn informatie wordt overgebracht, noch de absurditeit begaan om Augustinus de dwaasheid van deze meningen toe te schrijven, maar eerder de eer om ze te ontploffen. Dat Augustinus een goed geïnformeerde en onpartijdige[Blz. xiv] criticus, blijkt uit de hoffelijkheid en oprechtheid die hij altijd aan zijn tegenstanders toont, uit het respect dat hij van de heidenen zelf kreeg en uit zijn eigen vroege leven. De meest rigoureuze kritiek heeft hem slechts in enkele zeer zeldzame gevallen, die gemakkelijk te verklaren zijn, op feitelijke punten in gebreke gesteld. Zijn geleerdheid zou inderdaad niet opwegen tegen wat in onze tijd als zodanig wordt beschouwd: zijn leven was te druk en te toegewijd aan de armen en de geestelijk behoeftigen om enige buitengewone verwerving toe te laten. Hij had geen toegang tot literatuur behalve het Latijn; of in ieder geval had hij alleen voldoende Grieks om hem in staat te stellen Griekse auteurs te raadplegen over belangrijke punten, en niet genoeg om hem in staat te stellen hun geschriften met gemak en plezier te lezen.[20] Maar hij had een diepgaande kennis van zijn eigen tijd en een vertrouwde omgang niet alleen met de Latijnse dichters, maar ook met veel andere auteurs, van wie sommige geschriften nu voor ons verloren zijn gegaan, behalve de fragmenten die bewaard zijn gebleven via zijn citaten.
Maar de interesse die aan de Stad van God kleeft is niet alleen historisch. Het is de ernst en het vermogen waarmee hij zijn eigen filosofische en theologische visies ontwikkelt die de lezer geleidelijk fascineren en hem laten inzien waarom de wereld dit tot een van de weinige beste boeken aller tijden heeft gemaakt. De fundamentele lijnen van de Augustijnse theologie worden hier in een uitgebreide en interessante vorm uiteengezet. Nooit werd gedacht dat ze zo abstract waren uitgedrukt in zo’n populaire taal. Hij behandelt metafysische problemen met het onbeschaamde gemak van Plato, met alle nauwkeurigheid en scherpzinnigheid van Cicero, en meer dan Cicero’s diepzinnigheid. Hij voelt zich nergens meer thuis dan wanneer hij de incompetentie van het neoplatonisme blootlegt of de harmonie van de christelijke leer en de ware filosofie demonstreert. En hoewel er in de Stad van God , zoals in alle oude boeken, dingen staan ​​die ons kinderlijk en onvruchtbaar lijken, zijn er ook de meest verrassende verwachtingen van moderne speculatie. Er is een oprechte worsteling met die problemen die voortdurend opnieuw aan de orde komen omdat ze ten grondslag liggen aan de relatie van de mens met God en de geestelijke wereld,[Blz. xv] problemen die niet specifiek zijn voor een bepaalde eeuw. Terwijl we deze levendige discussies lezen,
De veertien eeuwen vallen weg
Tussen ons en de Afrikaanse heilige,
En aan zijn zijde dringen wij er vandaag op aan,
De eeuwenoude zoektocht en de oude klacht.
Er wordt ons geen uiterlijk teken gegeven,
Van zee of aarde komt geen antwoord;
Verstild als de warme Numidische hemel
Hij stelde tevergeefs vragen over de bochten in onze bevroren lucht.”
Het is waar, de stijl van het boek is niet alles wat men zou kunnen wensen: er zijn passages die alleen interessant kunnen zijn voor de antiquaar; er zijn andere die niets anders te bieden hebben dan de glans van hun welsprekendheid; er zijn veel herhalingen; er wordt af en toe gebruik gemaakt van argumenten “plus ingenieux que solides”, zoals M. Saisset zegt. Augustinus’ grote bewonderaar, Erasmus, aarzelt niet om hem een ​​schrijver te noemen “obscuræ subtilitatis et parum amœnæ prolixitatis;”[21] maar “de moeite om de schijnbare onduidelijkheden te doorgronden zal worden beloond met het vinden van een echte rijkdom aan inzicht en verlichting.” Sommigen die de openingshoofdstukken van de Stad van God hebben gelezen , hebben misschien gedacht dat het tijdverspilling zou zijn om verder te gaan; maar niemand, zo zijn we ervan overtuigd, heeft ooit spijt gehad van het lezen ervan. Het boek heeft zijn fouten; maar het introduceert ons op effectieve wijze bij de meest invloedrijke theoloog en de grootste populaire leraar; bij een genie dat niet veel regels achter elkaar kan knikken; bij een redenaar wiens dialectiek formidabeler, scherper en zevender is dan die van Socrates of Thomas van Aquino; bij een heilige wiens vurige en oprechte devotionele gevoel door de strengste argumentatie heen barst; bij een man wiens vriendelijkheid en humor, universele sympathieën en breedte van intelligentie, pit en vitaliteit verlenen aan de meest abstracte verhandeling.
De juistheid van het publiceren van een vertaling van zo’n uitgelezen staaltje oude literatuur behoeft geen verdediging. Zoals Poujoulat zeer verstandig opmerkt, zijn er tegenwoordig niet veel mensen die een werk in het Latijn van tweeëntwintig boeken zullen lezen. Misschien zijn er nog minder die dat zouden moeten doen. Met onze drukke buren in Frankrijk is dit werk een[Blz. xvi] favoriet gedurende 400 jaar. Er kunnen acht onafhankelijke vertalingen van in de Franse taal worden genoemd, hoewel sommige hiervan gedeeltelijk slechts herzieningen zijn. Een van deze vertalingen heeft maar liefst vier edities doorgemaakt. De meest recente is die welke deel uitmaakt van de Nisard-serie; maar de beste, voor zover we hebben gezien, is die van de begaafde hoogleraar filosofie aan het College van Frankrijk, Emile Saisset. Deze vertaling is inderdaad alles wat gewenst kan worden: hier en daar treedt een omissie op, en over een of twee weergaven kan een meningsverschil bestaan; maar de buitengewone gelukzaligheid en geest van het geheel laten zien dat het een werk van liefde is geweest, de liefdevolle hulde van een discipel die trots is op zijn meester. Het voorwoord van M. Saisset is een van de meest waardevolle bijdragen die ooit zijn geleverd aan het begrip van Augustinus’ filosofie.[22]
Van Engelse vertalingen is er een onverklaarbare armoede geweest. Er bestaat er maar één,[23] en dit zo uitzonderlijk slecht, zo anders dan de pikante vertalingen van de zeventiende eeuw in het algemeen, zo onnauwkeurig en zo vaak onbegrijpelijk, dat het niet onmogelijk is dat het iets heeft gedaan om het Engelse publiek een afkeer te geven van het boek zelf. Dat de huidige vertaling ook verbeterd zou kunnen worden, weten we; dat veel mannen geschikter waren voor de taak, op het gebied van wetenschap, zijn we ons zeer bewust; maar dat iemand het met intensere genegenheid en verering voor de auteur zou hebben uitgevoerd, zijn we niet bereid toe te geven. Er zijn een paar aantekeningen toegevoegd waar dat nodig leek. Sommige zijn origineel, sommige van de benedictijn Augustinus, en de rest van het uitgebreide commentaar van Vives.[24]
De bewerker.
Glasgow , 1871.

[pagina 1]

DE STAD VAN GOD.
EERSTE BOEK
ARGUMENT.
AUGUSTINUS BESCHULDIGT DE HEIDENEN, DIE DE RAMPEN IN DE WERELD, EN IN HET BIJZONDER DE RECENTE PLONS VAN ROME DOOR DE GOTEN, TOESCHREVEN AAN DE CHRISTELIJKE GODSDIENST EN HET VERBOD OP DE AANBIDDING VAN GODEN. HIJ SPREEKT OVER DE ZEGENINGEN EN KWALEN DES LEVENS, DIE TOEN, ZOALS ALTIJD, GOEDE EN SLECHTE MENSEN OVERKOMEN. TOT SLOT BESCHULDIGT HIJ DE SCHAAMTELOOSHEID VAN HEN DIE DE CHRISTENEN VERWETEN DAT HUN VROUWEN DOOR DE SOLDATEN WAREN GESCHONDEN.
VOORWOORD, WAARIN ZIJN PLAN VOOR HET ONDERNEMEN VAN DIT WERK WORDT UITGELEGD.
De glorieuze stad van God is mijn thema in dit werk, dat jij, mijn liefste zoon Marcellinus,[25] voorgesteld, en die u verschuldigd is door mijn belofte. Ik heb haar verdediging op mij genomen tegen hen die hun eigen goden verkiezen boven de Stichter van deze stad, een stad die buitengewoon glorieus is, of wij haar nu zien zoals zij nog steeds leeft door geloof in deze vluchtige loop van de tijd, en als een vreemdeling vertoeft te midden van de goddelozen, of zoals zij zal wonen in de vaste stabiliteit van haar eeuwige zetel, waarop zij nu met geduld wacht, verwachtend totdat “de gerechtigheid zal wederkeren tot het oordeel,”[26] en het verkrijgt, door zijn uitmuntendheid, de uiteindelijke overwinning en volmaakte vrede. Dit is een groot werk, en een moeilijk werk; maar God is mijn helper. Want ik weet welk vermogen vereist is om de trotse te overtuigen hoe groot de deugd van nederigheid is, die ons, niet door een volkomen menselijke arrogantie, maar door een goddelijke genade, verheft boven alle aardse waardigheden die op dit veranderende toneel wankelen. Voor de Koning en Stichter[pagina 2] van deze stad waarover wij spreken, heeft in de Schrift aan Zijn volk een uitspraak van de goddelijke wet verkondigd in deze woorden: “God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade.”[27] Maar dit, wat Gods voorrecht is, de opgeblazen ambitie van een trotse geest, beïnvloedt ook, en houdt er zeer van dat dit tot zijn eigenschappen wordt gerekend,
“Heb medelijden met de nederige ziel,
En verpletter de zonen van hoogmoed.”[28]
En daarom moeten we, aangezien het plan van het werk dat we hebben ondernomen dat vereist en de gelegenheid zich voordoet, ook spreken over de aardse stad die, hoewel zij de heerseres is over de volkeren, zelf wordt geregeerd door haar heerschappij.
1. Van de tegenstanders van de naam van Christus, die de barbaren om Christus’ wil spaarden toen zij de stad bestormden.
Want aan deze aardse stad behoren de vijanden toe, tegen wie ik de stad Gods moet verdedigen. Velen van hen zijn inderdaad, nadat ze van hun goddeloze dwaling zijn gered, voldoende geloofwaardige burgers van deze stad geworden; maar velen zijn zo ontstoken van haat tegen haar, en zijn zo ondankbaar jegens haar Verlosser voor Zijn opmerkelijke weldaden, dat ze vergeten dat ze nu niet in staat zouden zijn om een ​​enkel woord tot haar nadeel te uiten, als ze niet in haar heilige plaatsen, toen ze vluchtten voor het staal van de vijand, dat leven hadden gevonden waarop ze zich nu beroemen. Worden niet juist die Romeinen, die door de barbaren werden gespaard door hun eerbied voor Christus, vijanden van de naam van Christus? De relikwieën van de martelaren en de kerken van de apostelen getuigen hiervan; want in de plundering van de stad waren ze een open toevluchtsoord voor allen die naar hen vluchtten, of ze nu christen of heiden waren. Tot aan hun drempel woedde de bloeddorstige vijand; daar had zijn moorddadige woede een grens. Daarheen brachten degenen van de vijand die enig medelijden hadden met degenen aan wie zij genade hadden verleend, opdat niet iemand die minder genadig was hen zou treffen. En inderdaad, toen zelfs die moordenaars die zich overal elders meedogenloos toonden, op deze plekken kwamen waar datgene verboden was wat de oorlogsvergunning op elke andere plaats toeliet, werd hun woedende woede voor slachting beteugeld en hun gretigheid om gevangenen te nemen geblust. Zo ontsnapten de menigten die nu verwijten[pagina 3] de christelijke godsdienst, en schrijven Christus de kwalen toe die hun stad zijn overkomen; maar het behoud van hun eigen leven – een zegen die zij te danken hebben aan het respect dat de barbaren voor Christus hebben – schrijven zij niet toe aan onze Christus, maar aan hun eigen geluk. Zij zouden, als zij enige juiste waarnemingen hadden, de strengheid en ontberingen die hun vijanden hun hebben aangedaan, moeten toeschrijven aan die goddelijke voorzienigheid die de verdorven manieren van mensen door kastijding wil hervormen, en die met soortgelijke kwellingen de rechtvaardigen en prijzenswaardigen oefent, – hen ofwel, wanneer zij de beproeving hebben doorstaan, naar een betere wereld te verplaatsen, of hen nog steeds op aarde vast te houden voor latere doeleinden. En zij zouden het aan de geest van deze christelijke tijden moeten toeschrijven, dat, in tegenstelling tot de gewoonte van de oorlog, deze bloeddorstige barbaren hen spaarden, en hen spaarden omwille van Christus, of deze genade nu werkelijk werd betoond op promiscue plaatsen, of op die plaatsen die speciaal aan Christus’ naam waren gewijd, en waarvan de allergrootste als heiligdommen waren uitgekozen, dat aldus de volledige reikwijdte kon worden gegeven aan het uitgebreide mededogen dat verlangde dat een grote menigte daar onderdak zou vinden. Daarom zouden zij God moeten danken, en met oprechte belijdenis hun toevlucht zoeken tot Zijn naam, opdat zij zo de straf van het eeuwige vuur mogen ontlopen – zij die met leugenachtige lippen deze naam op zich namen, opdat zij de straf van de huidige vernietiging mochten ontlopen. Want van hen die u brutaal en schaamteloos de dienaren van Christus ziet beledigen, zijn er velen die die vernietiging en slachting niet zouden zijn ontkomen als zij niet hadden beweerd dat zij zelf dienaren van Christus waren. Maar nu verzetten ze zich, in ondankbare trots en goddeloze waanzin, en met het risico gestraft te worden in eeuwige duisternis, op perverse wijze tegen die naam waaronder ze zichzelf op frauduleuze wijze beschermden om te kunnen genieten van het licht van dit korte leven.
2. Dat het volkomen in strijd is met het gebruik van oorlog, dat de overwinnaars de overwonnenen sparen ter wille van hun goden.
Er zijn geschiedenissen van talloze oorlogen, zowel vóór de bouw van Rome als na de opkomst en uitbreiding van zijn heerschappij. Laten we die lezen en één voorbeeld aanhalen waarin, toen een stad door buitenlanders was ingenomen, de overwinnaars[pagina 4] zij die naar de tempels van hun goden waren gevlucht, werden gespaard;[29] of een geval waarin een barbaarse generaal bevel gaf dat niemand ter dood gebracht mocht worden die in deze of gene tempel was aangetroffen. Zag Aeneas niet
“Stervende Priamus bij het heiligdom,
“Hij heeft de haard goddelijk gemaakt door hem te bezoedelen?”[30]
Hebben Diomedes en Ulysses niet
“Sleep met rode handen, de schildwacht gedood,
Haar noodlottige beeld van jouw fane,
Haar kuise lokken raken elkaar aan en bevlekken met bloed
De maagdelijke kroon die ze droeg?”[31]
Datgene wat volgt, is ook niet waar, dat
“Vanaf dat moment veranderde het tij van het fortuin,
En Griekenland werd zwakker.”[32]
Want hierna veroverden en vernietigden ze Troje met vuur en zwaard; hierna onthoofdden ze Priamus toen hij naar de altaren vluchtte. Troje ging ook niet ten onder omdat het Minerva verloor. Want wat had Minerva zelf eerst verloren, dat ze ten onder ging? Haar bewakers misschien? Ongetwijfeld; alleen haar bewakers. Want zodra ze gedood waren, kon ze gestolen worden. Het waren in feite niet de mannen die door het beeld bewaard werden, maar het beeld door de mannen. Hoe werd ze dan aangeroepen om de stad en de burgers te verdedigen, zij die haar eigen verdedigers niet kon verdedigen?
3. Dat de Romeinen niet hun gebruikelijke scherpzinnigheid toonden toen ze erop vertrouwden dat ze baat zouden hebben bij de goden die er niet in waren geslaagd Troje te verdedigen.
En dit zijn de goden aan wiens beschermende zorg de Romeinen hun stad graag toevertrouwden! O, ook al te jammerlijke vergissing! En ze zijn woedend op ons als we zo over hun goden spreken, hoewel ze, in plaats van woedend te zijn op hun eigen schrijvers, geld uitgeven om te leren wat ze zeggen; en inderdaad, de leraren van deze schrijvers worden zelfs waardig geacht voor een salaris uit de staatskas en andere eerbewijzen. Er is Vergilius, die door jongens wordt gelezen, zodat deze grote dichter, deze beroemdste en meest gewaardeerde van allemaal[pagina 5] dichters, hun maagdelijke geest kunnen bevruchten en niet snel door hen vergeten kunnen worden, volgens het gezegde van Horatius:
“Het verse vat behoudt lang zijn eerste smaak.”[33]
Welnu, in deze Vergilius, zeg ik, wordt Juno voorgesteld als vijandig tegenover de Trojanen, en zet hij Aeolus, de koning van de winden, tegen hen op met de woorden:
“Een ras dat ik nu haat, ploegt de zee,
Troje naar Italië vervoeren,
En de thuisgoden overwonnen.”[34] …
En hadden verstandige mannen de verdediging van Rome aan deze overwonnen goden moeten toevertrouwen? Maar men zal zeggen, dit was slechts het gezegde van Juno, die, als een boze vrouw, niet wist wat ze zei. Wat zegt dan Aeneas zelf, – Aeneas die zo vaak als “vroom” wordt aangeduid? Zegt hij niet,
“Zie! Panthus, ontsnapt aan de dood door te vluchten,
Priester van Apollo op de hoogte,
Zijn overwonnen goden met trillende handen
Hij draagt, en beschut snelle eisen?”[35]
Is het niet duidelijk dat de goden (die hij zonder aarzelen “overwonnenen” noemt) eerder aan Aeneas werden toevertrouwd dan hij aan hen, wanneer er tegen hem wordt gezegd:
“De goden van haar huiselijke heiligdommen
“Uw land aan uw zorg toevertrouwen?”[36]
Als Vergilius dan zegt dat de goden zulke waren, en overwonnen werden, en dat ze, toen ze overwonnen waren, niet konden ontsnappen behalve onder de bescherming van een man, wat is het dan voor waanzin om te veronderstellen dat Rome wijselijk aan deze bewakers was toevertrouwd, en niet had kunnen worden ingenomen tenzij het hen had verloren! Inderdaad, overwonnen goden aanbidden als beschermers en kampioenen, wat is dit anders dan het aanbidden van geen goede godheden, maar slechte voortekenen?[37] Zou het niet verstandiger zijn om te geloven, niet dat Rome nooit in zo’n grote ramp zou zijn gevallen als ze niet eerst waren vergaan, maar eerder dat ze allang zouden zijn vergaan als Rome ze niet zo lang had bewaard als ze kon? Want wie ziet niet, als hij erover nadenkt, wat een dwaze veronderstelling het is dat ze niet konden worden overwonnen onder overwonnen verdedigers, en dat ze alleen maar zijn vergaan[pagina 6] omdat ze hun beschermgoden verloren hadden, terwijl de enige oorzaak van hun ondergang was dat ze goden kozen die tot ondergang waren veroordeeld? De dichters hadden dus, toen ze deze dingen over de overwonnen goden componeerden en zongen, niet de bedoeling om leugens te verzinnen, maar spraken als eerlijke mensen uit wat de waarheid van hen afdwong. Dit zal echter zorgvuldig en uitgebreid worden besproken op een andere en meer passende plaats. Ondertussen zal ik kort en naar mijn beste vermogen uitleggen wat ik bedoelde te zeggen over deze ondankbare mensen die op godslasterlijke wijze de rampen aan Christus toeschrijven die ze verdiend lijden als gevolg van hun eigen slechte manieren, terwijl ze datgene wat omwille van Christus is hen ondanks hun slechtheid bespaard heeft, niet eens de moeite nemen om op te merken; en in hun krankzinnige en godslasterlijke brutaliteit gebruiken ze tegen Zijn naam juist die lippen waarmee ze ten onrechte diezelfde naam claimden, zodat hun leven gespaard kon worden. Op de plaatsen die aan Christus gewijd zijn, waar omwille van Hem geen vijand hen kwaad zou doen, hielden ze hun tong in bedwang, zodat ze veilig en beschermd zouden zijn. Maar zodra ze uit deze heiligdommen komen, laten ze hun tong los en slingeren ze vloeken vol haat naar Hem.
4. Over het asiel van Juno in Troje, dat niemand van de Grieken redde; en over de kerken van de apostelen, die iedereen die naar hen toe vluchtte, beschermden tegen de barbaren.
Troje zelf, de moeder van het Romeinse volk, was, zoals ik al zei, niet in staat om haar eigen burgers te beschermen op de heilige plaatsen van hun goden tegen het vuur en het zwaard van de Grieken, hoewel de Grieken dezelfde goden aanbaden. En niet alleen dat, maar
“Phœnix en Ulysses vielen
In de lege rechtbanken bij Juno’s cel
De buit werd bewaard;
Weggehaald uit de brandende heiligdommen,
Daar lag de machtige schat van Ilium,
Rijke altaren, schalen van massief goud,
En gevangenekleding, ruw opgerold
In één promiscue hoop;
Terwijl jongens en matrones, wild van angst,
In lange rijen stonden ze daar.”[38]
Met andere woorden, de plaats gewijd aan zo’n grote godin[pagina 7] werd gekozen, niet dat er geen gevangene uit zou worden geleid, maar dat alle gevangenen erin zouden worden opgesloten. Vergelijk nu dit “asiel” – het asiel niet van een gewone god, niet van een van de gewone goden, maar van Jupiter’s eigen zuster en vrouw, de koningin van alle goden – met de kerken die ter nagedachtenis aan de apostelen waren gebouwd. Daarin werden de buit verzameld die uit de brandende tempels was gered en van de goden was geroofd, niet om ze aan de overwonnenen terug te geven, maar om ze onder de overwinnaars te verdelen; terwijl in deze met de grootste religieuze naleving en respect alles werd teruggebracht wat hen toebehoorde, zelfs al was het ergens anders gevonden. Daar ging de vrijheid verloren; hier werd ze bewaard. Daar was de slavernij streng; hier strikt uitgesloten. In die tempel werden mensen gedreven om de bezittingen van hun vijanden te worden, die nu over hen heersten; in deze kerken werden mensen door hun meedogenloze vijanden geleid, zodat ze in vrijheid konden zijn. Kortom, de zachtaardige[39] De Grieken eigenden zich die tempel van Juno toe voor de doeleinden van hun eigen hebzucht en trots; terwijl deze kerken van Christus zelfs door de wilde barbaren werden gekozen als de geschikte scènes voor nederigheid en genade. Maar misschien hebben de Grieken in die overwinning van hen toch de tempels van die goden gespaard die ze samen met de Trojanen aanbaden, en durfden ze de ellendige en verslagen Trojanen die daarheen vluchtten niet met het zwaard te doden of gevangen te nemen; en misschien heeft Vergilius, op de manier van dichters, afgebeeld wat nooit echt is gebeurd? Maar het staat buiten kijf dat hij de gebruikelijke gewoonte van een vijand bij het plunderen van een stad heeft afgebeeld.
5. Caesars uitspraak over de universele gewoonte van een vijand om een ​​stad te plunderen.
Zelfs Caesar zelf geeft ons een positief getuigenis over deze gewoonte; want in zijn toespraak in de senaat over de samenzweerders zegt hij (zoals Sallust, een historicus met een opmerkelijke betrouwbaarheid, schrijft[40] ) “dat maagden en jongens worden geschonden, kinderen worden losgerukt uit de armen van hun ouders, matrones worden onderworpen aan[pagina 8] wat ook het genoegen van de veroveraars mocht zijn, tempels en huizen geplunderd, slachting en verbranding wijdverbreid; kortom, alles vol met wapens, lijken, bloed en geweeklaag.” Als hij hier geen tempels had genoemd, zouden we kunnen veronderstellen dat vijanden de gewoonte hadden de woningen van de goden te sparen. En de Romeinse tempels liepen gevaar door deze rampen, niet door buitenlandse vijanden, maar door Catilina en zijn metgezellen, de meest nobele senatoren en burgers van Rome. Maar dit, mag men zeggen, waren verlaten mannen en de vadermoordenaars van hun vaderland.
6. Dat zelfs de Romeinen, toen zij steden innamen, de veroverden niet spaarden in hun tempels.
Waarom moeten we dan in ons betoog rekening houden met de vele naties die oorlogen met elkaar hebben gevoerd en nergens de overwonnenen in de tempels van hun goden hebben gespaard? Laten we eens kijken naar de praktijk van de Romeinen zelf: laten we, zeg ik, de Romeinen in herinnering roepen en herzien, wier grootste lof het was “de overwonnenen te sparen en de trotsen te onderwerpen,” en dat ze er de voorkeur aan gaven “eerder te vergeven dan een onrecht te wreken;”[41] en onder zoveel en grote steden die zij hebben bestormd, ingenomen en omvergeworpen voor de uitbreiding van hun heerschappij, laten we ons vertellen welke tempels zij gewoonlijk vrijstelden, zodat iedereen die daar zijn toevlucht zocht, vrij was. Of hebben ze dit echt gedaan en is het feit door de geschiedschrijvers van deze gebeurtenissen verzwegen? Moet men geloven dat mannen die met de grootste gretigheid punten zochten die ze konden prijzen, die zouden weglaten die, naar hun eigen mening, de meest opmerkelijke bewijzen van vroomheid zijn? Marcus Marcellus, een vooraanstaande Romein, die Syracuse, een zeer prachtig versierde stad, innam, zou naar verluidt de naderende ondergang ervan hebben betreurd en er zijn eigen tranen over hebben vergoten voordat hij haar bloed vergoot. Hij nam ook maatregelen om de kuisheid zelfs van zijn vijand te bewaren. Want voordat hij bevel gaf voor de bestorming van de stad, vaardigde hij een edict uit dat de schending van een vrije persoon verbood. Toch werd de stad geplunderd volgens de gewoonte van de oorlog; Ook lezen we nergens dat zelfs een zo kuise en zachtaardige commandant bevelen gaf dat niemand gewond mocht raken die naar deze of gene tempel was gevlucht.[pagina 9] En dit zou zeker niet zijn weggelaten, wanneer noch zijn geween, noch zijn edict ter bescherming van de kuisheid in stilte kon worden aangenomen. Fabius, de veroveraar van de stad Tarente, wordt geprezen omdat hij zich onthield van het maken van buit van de beelden. Want toen zijn secretaris hem de vraag stelde, wat hij wilde doen met de beelden van de goden, die in grote aantallen waren genomen, verhulde hij zijn gematigdheid onder een grap. Want hij vroeg van welke soort ze waren; en toen ze hem rapporteerden dat er niet alleen veel grote beelden waren, maar sommige ervan bewapend, “Oh,” zei hij, “laten we bij de Tarentijnen hun boze goden achterlaten.” Als we dan zien dat de schrijvers van de Romeinse geschiedenis niet in stilte konden passeren, noch het gehuil van de ene generaal, noch het gelach van de andere, noch het kuise medelijden van de een, noch de schertsende gematigdheid van de ander, bij welke gelegenheid zou het dan achterwege gelaten worden, als zij, ter ere van een van de goden van hun vijand, deze bijzondere vorm van clementie hadden betoond, dat in welke tempel dan ook slachtpartijen of gevangenschap verboden waren?
7. Dat de wreedheden die plaatsvonden tijdens de plundering van Rome in overeenstemming waren met de gebruiken van de oorlog, terwijl de daden van genade voortkwamen uit de invloed van de naam van Christus.
Al de plundering waaraan Rome werd blootgesteld in de recente ramp – al het bloedbad, de plundering, de verbranding en de ellende – was het resultaat van de gewoonte van oorlog. Maar wat nieuw was, was dat barbaarse barbaren zich zo zachtmoedig gedroegen, dat de grootste kerken werden uitgekozen en apart gezet om gevuld te worden met de mensen aan wie kwartier was gegeven, en dat er niemand werd gedood, niemand met geweld werd weggesleept; dat velen door hun meedogenloze vijanden naar binnen werden geleid om in vrijheid te worden gesteld, en dat er niemand door genadeloze vijanden tot slavernij werd gebracht. Wie niet ziet dat dit toe te schrijven is aan de naam van Christus en aan het christelijke temperament, is blind; wie dit ziet en geen lof geeft, is ondankbaar; wie iemand ervan weerhoudt het te prijzen, is krankzinnig. Het zij verre van een verstandig mens om deze genade toe te schrijven aan de barbaren. Hun felle en bloeddorstige geesten werden ontzag inboezemd, beteugeld en wonderbaarlijk getemperd door Hem die zo lang geleden door Zijn profeet had gezegd: “Ik[pagina 10] Ik zal hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheden met slagen; toch zal Ik mijn goedertierenheid niet geheel van hen wegnemen.[42]
8. Over de voor- en nadelen die vaak zonder onderscheid ten deel vallen aan goede en slechte mensen.
Zal iemand zeggen: Waarom werd dit goddelijke mededogen dan zelfs tot de goddelozen en ondankbaren uitgebreid? Waarom, maar omdat het de genade was van Hem die dagelijks “Zijn zon laat opgaan over de bozen en de goeden, en regen laat vallen over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen.”[43] Want hoewel sommigen van deze mannen, dit bedenkend, berouw hebben van hun slechtheid en zich bekeren, zijn er anderen, zoals de apostel zegt, die “de rijkdom van Zijn goedheid en lankmoedigheid verachten, en naar hun hardheid en onberouwvol hart voor zichzelf toorn verzamelen tegen de dag van de toorn en de openbaring van het rechtvaardige oordeel van God, die ieder mens zal vergelden naar zijn werken.”[44] Niettemin nodigt het geduld van God de goddelozen nog steeds uit tot berouw, zoals de gesel van God de goeden opvoedt tot geduld. En zo omarmt ook de genade van God de goeden, opdat zij hen mag koesteren, zoals de strengheid van God de goddelozen arresteert om hen te straffen. Het heeft de goddelijke voorzienigheid goed geleken om in de toekomstige wereld voor de rechtvaardigen goede dingen te bereiden, die de onrechtvaardigen niet zullen genieten; en voor de goddelozen kwade dingen, waardoor de goeden niet zullen worden gekweld. Maar wat de goede dingen van dit leven betreft, en de kwaden ervan, heeft God gewild dat deze gemeenschappelijk zouden zijn voor beide; opdat wij niet te gretig de dingen zouden begeren waarvan men ziet dat goddelozen er evenveel van genieten, noch met een onbetamelijke angst zouden terugdeinzen voor de kwalen die zelfs goede mensen vaak lijden.
Er is ook een heel groot verschil in het doel dat gediend wordt door zowel die gebeurtenissen die we ongunstig noemen als die welke we voorspoedig noemen. Want de goede mens wordt niet verheven door de goede dingen van de tijd, noch gebroken door de kwalen ervan; maar de slechte mens, omdat hij verdorven is door het geluk van deze wereld, voelt zich gestraft door het ongeluk ervan.[45] Toch gebeurt het vaak, zelfs in de[pagina 11] huidige verdeling van tijdelijke dingen, bewijst God duidelijk Zijn eigen inmenging. Want als elke zonde nu met een duidelijke straf werd bezocht, zou er niets lijken te zijn gereserveerd voor het laatste oordeel; aan de andere kant, als geen enkele zonde nu een duidelijk goddelijke straf zou ontvangen, zou men concluderen dat er helemaal geen goddelijke voorzienigheid is. En zo ook van de goede dingen van dit leven: als God deze niet door een zeer zichtbare vrijgevigheid zou verlenen aan sommigen van die personen die erom vragen, zouden we zeggen dat deze goede dingen niet tot Zijn beschikking stonden; en als Hij ze gaf aan allen die ze zochten, zouden we veronderstellen dat dit de enige beloningen van Zijn dienst waren; en zo’n dienst zou ons niet godvruchtig maken, maar eerder hebzuchtig en begerig. Daarom, hoewel goede en slechte mensen hetzelfde lijden, moeten we niet veronderstellen dat er geen verschil is tussen de mensen zelf, omdat er geen verschil is in wat ze beiden lijden. Want zelfs in de gelijkenis van het lijden blijft er een ongelijkheid in de lijdenden; en hoewel blootgesteld aan dezelfde kwelling, zijn deugd en ondeugd niet hetzelfde. Want zoals hetzelfde vuur goud helder doet gloeien en kaf doet roken; en onder dezelfde dorsvlegel het stro klein wordt geslagen, terwijl het graan wordt gereinigd; en zoals de droesem niet met de olie wordt vermengd, hoewel door dezelfde druk uit de kuip geperst, zo bewijst, zuivert, verheldert dezelfde hevigheid van beproeving het goede, maar verdoemt, ruïneert, verdelgt de goddelozen. En zo is het dat in dezelfde beproeving de goddelozen God verafschuwen en lasteren, terwijl de goeden bidden en prijzen. Zo materieel maakt het een verschil, niet welke kwalen worden geleden, maar wat voor soort mens ze lijdt. Want, opgeschud door dezelfde beweging, ademt modder een vreselijke stank uit, en zalf verspreidt een welriekende geur.
9. Redenen om zowel het slechte als het goede te corrigeren.
Wat hebben de christenen dan geleden in die rampzalige periode, wat niet iedereen ten goede zou komen die de volgende omstandigheden naar behoren en getrouw zou overwegen? Allereerst moeten ze nederig diezelfde zonden overwegen die God ertoe hebben aangezet de wereld te vullen met zulke vreselijke rampen; want hoewel ze ver verwijderd zijn van de excessen van slechte, immorele en goddeloze mensen, oordelen ze zichzelf toch niet zo volkomen verwijderd van alle fouten dat ze te goed zijn om zelfs voor deze tijdelijke kwalen te lijden. Want[pagina 12] ieder mens, hoe prijzenswaardig hij ook leeft, geeft toch op sommige punten toe aan de lust van het vlees. Hoewel hij niet vervalt in grove enormiteit van goddeloosheid, en verlaten gemeenheid, en afschuwelijke godslastering, vervalt hij toch in sommige zonden, hetzij zelden, hetzij des te vaker naarmate de zonden minder belangrijk lijken. Maar om dit nog maar niet te noemen, waar kunnen we gemakkelijk een man vinden die een juiste en juiste schatting houdt van die personen vanwege wier weerzinwekkende trots, luxe en hebzucht, en vervloekte ongerechtigheden en goddeloosheid, God nu de aarde slaat zoals Zijn voorspellingen dreigden? Waar is de man die met hen leeft op de manier waarop het ons past om met hen te leven? Want vaak verblinden wij onszelf op goddeloze wijze voor de gelegenheden om hen te onderwijzen en te vermanen, soms zelfs om hen te berispen en te berispen, hetzij omdat wij terugdeinzen voor de arbeid of ons schamen hen te beledigen, of omdat wij bang zijn goede vriendschappen te verliezen, opdat dit ons niet in de weg zou staan ​​van onze vooruitgang, of ons zou schaden in een wereldse aangelegenheid, die hetzij onze hebzuchtige gezindheid wenst te verkrijgen, of onze zwakheid terugdeinst voor het verliezen. Zodat, hoewel het gedrag van goddeloze mensen onaangenaam is voor de goede, en daarom vallen zij niet met hen in die verdoemenis die zulke personen in het hiernamaals wacht, toch, omdat zij hun verdoemelijke zonden sparen door vrees, daarom, zelfs al zijn hun eigen zonden gering en vergeeflijk, zij terecht gegeseld worden met de goddelozen in deze wereld, hoewel zij in de eeuwigheid geheel aan straf ontkomen. Terecht, wanneer God hen samen met de goddelozen treft, vinden zij dit leven bitter, door liefde voor wiens zoetheid zij weigerden bitter te zijn voor deze zondaars.

Als iemand nalaat om te berispen en fouten te vinden bij hen die verkeerd doen, omdat hij een geschiktere gelegenheid zoekt, of omdat hij vreest dat ze erger zullen worden door zijn berisping, of dat andere zwakke personen ontmoedigd zullen worden om te proberen een goed en vroom leven te leiden, en van het geloof afgedreven zullen worden; dan lijkt de omissie van deze man niet te worden veroorzaakt door hebzucht, maar door een liefdadige overweging. Maar wat laakbaar is, is dat zij die zelf in opstand komen tegen het gedrag van de goddelozen, en op een heel andere manier leven, toch die fouten in andere mensen sparen die ze zouden moeten berispen en waarvan ze hen zouden moeten afbrengen; en hen sparen omdat[pagina 13] zij vrezen aanstoot te geven, uit vrees dat zij hun belangen zouden schaden in die dingen die goede mensen onschuldig en rechtmatig kunnen gebruiken, hoewel zij ze hebzuchtiger gebruiken dan past bij mensen die vreemdelingen zijn in deze wereld en de hoop op een hemels vaderland belijden. Want niet alleen de zwakkere broeders, die genieten van het huwelijksleven en kinderen hebben (of ernaar verlangen), en huizen en vestigingen bezitten, die de apostel in de gemeenten aanspreekt, hen waarschuwend en onderwijzend hoe zij moeten leven, zowel de vrouwen met hun mannen, als de mannen met hun vrouwen, de kinderen met hun ouders, en ouders met hun kinderen, en dienaren met hun meesters, en meesters met hun dienaren, niet alleen verkrijgen en verliezen deze zwakkere broeders met genoegen veel aardse en tijdelijke dingen, waardoor zij het niet aandurven mensen te beledigen wier verontreinigde en slechte leven hen zeer mishaagt; maar ook zij die op een hoger niveau leven, die niet verstrikt zijn in de netten van het huwelijksleven, maar karig voedsel en kleding gebruiken, denken vaak aan hun eigen veiligheid en goede naam, en onthouden zich ervan om kritiek te leveren op de goddelozen, omdat ze hun listen en geweld vrezen. En hoewel ze hen niet zo vrezen dat ze ertoe worden aangezet om soortgelijke ongerechtigheden te begaan, nee, niet door welke bedreigingen of geweld dan ook; toch weigeren ze vaak om kritiek te leveren op juist die daden die ze weigeren te delen in het begaan ervan, wanneer ze mogelijk door kritiek te leveren hun begaan zouden kunnen verhinderen. Ze onthouden zich van inmenging, omdat ze vrezen dat, als het niet goed uitpakt, hun eigen veiligheid of reputatie beschadigd of vernietigd kan worden; niet omdat ze inzien dat hun behoud en goede naam nodig zijn, dat ze in staat zouden kunnen zijn om degenen te beïnvloeden die hun instructie nodig hebben, maar eerder omdat ze zwakjes genieten van de vleierij en het respect van mensen, en bang zijn voor de oordelen van het volk, en de pijn of dood van het lichaam; dat wil zeggen dat hun niet-ingrijpen het gevolg is van egoïsme, en niet van liefde.

Daarom lijkt mij dit een van de voornaamste redenen waarom de goeden samen met de slechten worden gekastijd, wanneer God het goed vindt om de losbandige manieren van een gemeenschap met tijdelijke straffen te bezoeken. Ze worden samen gestraft, niet omdat ze een even corrupt leven hebben geleid, maar omdat[pagina 14] de goeden zowel als de slechten, hoewel niet evenveel als zij, houden van dit tegenwoordige leven; terwijl zij het goedkoop zouden moeten houden, opdat de slechten, vermaand en hervormd door hun voorbeeld, het eeuwige leven zouden kunnen grijpen. En als zij niet de metgezellen van de goeden willen zijn in het zoeken naar het eeuwige leven, moeten zij bemind worden als vijanden en geduldig behandeld worden. Want zolang zij leven, blijft het onzeker of zij niet tot een beter verstand zullen komen. Deze zelfzuchtige personen hebben meer reden om te vrezen dan degenen tot wie door de profeet werd gezegd: “Hij wordt weggenomen in zijn ongerechtigheid, maar zijn bloed zal Ik eisen van de hand van de wachter.”[46] Want wachters of opzieners van het volk worden in de gemeenten aangesteld, opdat zij de zonde onverbiddelijk kunnen bestraffen. Ook is die mens niet onschuldig aan de zonde waarover wij spreken, die, hoewel hij geen wachter is, toch in het gedrag van hen met wie de relaties van dit leven hem in contact brengen, veel dingen ziet die verweten zouden moeten worden, en ze toch over het hoofd ziet, bang om aanstoot te geven en zulke wereldse zegeningen te verliezen die rechtmatig begeerd kunnen worden, maar die hij maar al te gretig grijpt. Dan is er ten slotte nog een andere reden waarom de goeden getroffen worden door tijdelijke rampen – de reden die het geval van Job illustreert: dat de menselijke geest beproefd mag worden, en dat deze gemanifesteerd mag worden met welke standvastigheid van vroom vertrouwen, en met hoe onbarmhartig een liefde, hij aan God kleeft.[47]

10. Dat de heiligen niets verliezen door het verlies van tijdelijke goederen.
Dit zijn de overwegingen die men in het oog moet houden, zodat men de vraag kan beantwoorden of er kwaad gebeurt aan de gelovigen en godvruchtigen dat niet in winst kan worden omgezet. Of zullen we zeggen dat de vraag overbodig is en dat de apostel aan het dwalen is als hij zegt: “Wij weten dat alle dingen meewerken ten goede voor hen die God liefhebben?”[48]
Zij verloren alles wat zij hadden. Hun geloof? Hun godsvrucht? De bezittingen van de verborgen mens van het hart, die in de ogen van God van grote waarde zijn?[49] Hebben zij deze verloren? Want dit is de rijkdom van de christenen, aan wie de rijke apostel[pagina 15] zei: “Godsvrucht met tevredenheid is een groot gewin. Want wij hebben niets in deze wereld meegebracht, en het is zeker dat wij niets kunnen meenemen. En als wij voedsel en kleding hebben, laten wij daar dan tevreden mee zijn. Maar zij die rijk willen worden, vallen in verzoeking en een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want de liefde voor geld is de wortel van alle kwaad; die, terwijl sommigen ernaar verlangden, zij zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelf met vele smarten doorboord.”[50]
Zij die al hun wereldse bezittingen verloren in de plundering van Rome, zouden, als zij hun bezittingen zouden bezitten zoals de apostel hen had geleerd, die zelf arm was van buiten, maar rijk van binnen, dat wil zeggen, als zij de wereld zouden gebruiken alsof zij haar niet gebruikten, in de woorden van Job kunnen zeggen, zwaar op de proef gesteld, maar niet overwonnen: “Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. De Heer heeft gegeven, en de Heer heeft genomen; zoals het de Heer behaagd heeft, zo is het gebeurd; de naam van de Heer zij geloofd.”[51] Als een goede dienaar beschouwde Job de wil van zijn Heer als zijn grote bezit, waaraan zijn ziel door gehoorzaamheid verrijkt werd; het deed hem ook geen verdriet om, terwijl hij nog leefde, die goederen te verliezen die hij bij zijn dood spoedig moest achterlaten. Maar wat betreft die zwakkere geesten die, hoewel er niet gezegd kan worden dat ze aardse bezittingen boven Christus verkiezen, er toch met een enigszins buitensporige gehechtheid aan vastklampen, zij hebben door de pijn van het verliezen van deze dingen ontdekt hoezeer zij zondigden door ze lief te hebben. Want hun verdriet is van hun eigen maaksel; in de woorden van de hierboven geciteerde apostel: “zij hebben zichzelf doorboord met veel smarten.” Want het was goed dat zij die deze verbale vermaningen zo lang hadden veracht, de lering van de ervaring ontvingen. Want wanneer de apostel zegt: “Zij die rijk willen worden, vallen in verzoeking,” enzovoort, dan is wat hij aan rijkdommen toeschrijft niet het bezit ervan, maar het verlangen ernaar. Want ergens anders zegt hij: ‘Vermaan de rijken in deze wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn en hun vertrouwen niet stellen op onzekere rijkdom, maar op de levende God, die ons alles rijkelijk geeft om ervan te genieten; dat zij goed doen, dat zij rijk zijn in goede werken, bereidwillig om uit te delen, bereidwillig om mee te delen; dat zij voor zichzelf een voorraad aanleggen.[pagina 16] een goed fundament voor de toekomst, zodat zij het eeuwige leven kunnen grijpen.”[52] Zij die zo’n gebruik van hun eigendom maakten, zijn getroost voor lichte verliezen door grote winsten, en hebben meer plezier gehad in die bezittingen die ze veilig weggelegd hebben, door ze vrijwillig weg te geven, dan verdriet om die bezittingen die ze volledig verloren door een angstige en egoïstische hamstering ervan. Want niets zou op aarde kunnen vergaan, behalve wat ze zich zouden schamen om van de aarde mee te nemen. De opdracht van onze Heer luidt: “Verzamel voor uzelf geen schatten op aarde, waar mot en roest ze verderven, en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamel voor uzelf schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze verderven, en waar dieven niet inbreken of stelen; want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.”[53] En zij die naar dit bevel hebben geluisterd, hebben in de tijd van de verdrukking bewezen hoe goed zij waren geadviseerd om deze meest betrouwbare leraar en meest trouwe en machtige bewaker van hun schat niet te verachten. Want als velen blij waren dat hun schat was opgeslagen op plaatsen waar de vijand toevallig niet op stuitte, hoeveel beter gegrond was dan de vreugde van hen die, door de raad van hun God, met hun schat waren gevlucht naar een citadel die geen vijand onmogelijk kan bereiken! Zo onze Paulinus, bisschop van Nola,[54] die vrijwillig afstand deed van grote rijkdom en behoorlijk arm werd, hoewel overvloedig rijk in heiligheid, toen de barbaren Nola plunderden en hem gevangen namen, bad hij in stilte, zoals hij later tegen mij zei: “O Heer, laat mij niet bezorgd zijn over goud en zilver, want waar al mijn schatten zijn, weet U.” Want al zijn schatten waren waar hij geleerd had ze te verbergen en op te slaan door Hem die ook had voorspeld dat deze rampen in de wereld zouden gebeuren. Bijgevolg verloren die personen die hun Heer gehoorzaamden toen Hij hen waarschuwde waar en hoe ze schatten moesten bewaren, zelfs hun aardse bezittingen niet bij de invasie van de barbaren; terwijl zij die nu berouw tonen[pagina 17] dat zij Hem niet gehoorzaamden, hebben geleerd hoe zij aardse goederen op de juiste manier moeten gebruiken. Zo niet door de wijsheid die hun verlies had kunnen voorkomen, dan toch wel door de ervaring die daarop volgt.
Maar sommige goede en christelijke mannen zijn gemarteld, zodat ze gedwongen konden worden hun goederen aan de vijand af te staan. Ze konden inderdaad noch het goede afleveren, noch verliezen dat hen goed maakte. Als ze echter marteling verkozen boven het afstaan ​​van de mammon van ongerechtigheid, dan zeg ik dat ze geen goede mannen waren. In plaats daarvan hadden ze eraan herinnerd moeten worden dat, als ze zo zwaar leden omwille van het geld, ze alle kwelling moesten verdragen, indien nodig, omwille van Christus; zodat ze geleerd zouden kunnen worden om Hem lief te hebben die verrijkt met eeuwige gelukzaligheid allen die voor Hem lijden, en niet zilver en goud, waarvoor het zielig was om te lijden, of ze het nu behielden door een leugen te vertellen, of het verloren door de waarheid te vertellen. Want onder deze martelingen verloor niemand Christus door Hem te belijden, niemand bewaarde rijkdom behalve door het bestaan ​​ervan te ontkennen. Zodat mogelijk de marteling die hen leerde hun genegenheid te richten op een bezit dat ze niet konden verliezen, nuttiger was dan die bezittingen die, zonder enige nuttige vrucht, hun angstige eigenaren onrustig maakten en kwelden. Maar dan worden we eraan herinnerd dat sommigen werden gemarteld die geen rijkdom hadden om af te staan, maar die niet werden geloofd toen ze dat zeiden. Ook dezen hadden echter misschien een verlangen naar rijkdom en waren niet vrijwillig arm met een heilige berusting; en aan zulke mensen moest duidelijk worden gemaakt dat niet alleen het feitelijke bezit, maar ook het verlangen naar rijkdom, zulke ondraaglijke pijnen verdiende. En zelfs als ze verstoken waren van verborgen voorraden goud en zilver, omdat ze leefden in de hoop op een beter leven, – ik weet inderdaad niet of zo iemand werd gemarteld op de veronderstelling dat hij rijkdom had; maar als dat zo is, dan beleed hij zeker Christus door, toen hij de vraag werd gesteld, een heilige armoede te belijden. En hoewel het nauwelijks te verwachten was dat de barbaren hem zouden geloven, kon toch geen enkele biechtvader van heilige armoede gemarteld worden zonder een hemelse beloning te ontvangen.
Opnieuw zeggen ze dat de lange hongersnood menig christen te gronde richtte. Maar ook dit gebruikten de gelovigen voor goede doeleinden door het vroom te verdragen. Want degenen die door de hongersnood werden gedood, werden er direct door gedood.[pagina 18] gered van de kwalen van dit leven, zoals een milde ziekte dat zou hebben gedaan; en degenen die alleen maar honger leden, leerden om spaarzamer te leven en raakten gewend aan langer vasten.
11. Over het einde van dit leven, of het nu materieel is of dat het lang uitgesteld zal worden.
Maar, zo wordt eraan toegevoegd, veel christenen werden afgeslacht en op een afschuwelijke manier ter dood gebracht. Welnu, als dit moeilijk te verdragen is, is het zeker het gemeenschappelijke lot van allen die in dit leven geboren worden. Hiervan ben ik tenminste zeker, dat er nog nooit iemand is gestorven die niet voorbestemd was om op een gegeven moment te sterven. Nu stelt het einde van het leven het langste leven gelijk aan het kortste. Want van twee dingen die op elkaar zijn opgehouden te bestaan, is de ene niet beter, de andere slechter – de ene groter, de andere kleiner.[55] En wat heeft het voor zin welke dood een einde maakt aan het leven, aangezien hij die eenmaal gestorven is niet gedwongen wordt dezelfde beproeving een tweede keer te ondergaan? En aangezien in de dagelijkse slachtoffers van het leven ieder mens als het ware bedreigd wordt met talloze doden, zolang het onzeker blijft welke van hen zijn lot is, zou ik willen vragen of het niet beter is om er één te lijden en te sterven, dan te leven in angst voor alle doden? Ik ben niet onkundig van de armzalige angst die ons ertoe aanzet om liever lang te leven in angst voor zoveel doden, dan om één keer te sterven en zo aan alle doden te ontsnappen; maar het zwakke en laffe krimpen van het vlees is één ding, en de weloverwogen en redelijke overtuiging van de ziel iets heel anders. Dat de dood niet als een kwaad beoordeeld moet worden, wat het einde is van een goed leven; want de dood wordt alleen kwaad door de vergelding die erop volgt. Zij die voorbestemd zijn om te sterven, hoeven zich dus niet af te vragen welke dood zij zullen sterven, maar naar welke plaats de dood hen zal leiden. En aangezien christenen zich er terdege van bewust zijn dat de dood van de godvruchtige arme man wiens zweren door de honden werden gelikt, veel beter was dan die van de slechte rijke man die in purper en fijn linnen lag, wat voor kwaad zouden deze verschrikkelijke sterfgevallen dan kunnen doen aan de doden die goed hadden geleefd?
[pagina 19]
12. Over het begraven van de doden: dat het onthouden daarvan aan christenen hun geen kwaad doet.[56]
Verder worden we eraan herinnerd dat in zo’n bloedbad als toen plaatsvond, de lichamen zelfs niet begraven konden worden. Maar goddelijk vertrouwen wordt niet geschokt door zo’n onheilspellende omstandigheid; want de gelovigen houden in gedachten dat de verzekering is gegeven dat geen haar van hun hoofd zal vergaan, en dat daarom, hoewel ze zelfs door beesten worden verslonden, hun gezegende opstanding hierdoor niet zal worden verhinderd. De Waarheid zou op geen enkele manier hebben gezegd: “Vrees niet hen die het lichaam doden, maar niet in staat zijn de ziel te doden,”[57] als er iets is wat een vijand aan het lichaam van de gedode zou kunnen doen, wat schadelijk zou kunnen zijn voor het toekomstige leven. Of zal iemand misschien zo’n absurd standpunt innemen om te beweren dat degenen die het lichaam doden niet gevreesd moeten worden vóór de dood, en opdat zij het lichaam niet doden, maar na de dood, opdat zij het niet van begrafenis beroven? Als dit zo is, dan is datgene wat Christus zegt, onjuist: “Wees niet bang voor hen die het lichaam doden, en daarna niets meer kunnen doen;”[58] want het lijkt erop dat ze het dode lichaam grote schade kunnen toebrengen. Het zij verre van ons om te veronderstellen dat de Waarheid zo vals kan zijn. Van hen die het lichaam doden wordt gezegd dat ze “iets doen”, omdat de doodsklap wordt gevoeld, het lichaam nog steeds gevoel heeft; maar daarna kunnen ze niets meer doen, want in het gedode lichaam is geen gevoel. En zo liggen er inderdaad veel lichamen van christenen onbegraven; maar niemand heeft ze gescheiden van de hemel, noch van die aarde die helemaal gevuld is met de aanwezigheid van Hem die weet waar Hij weer zal opstaan ​​wat Hij heeft geschapen. Er wordt inderdaad in de Psalm gezegd: “De dode lichamen van Uw dienaren hebben zij tot voedsel gegeven aan de vogels des hemels, het vlees van Uw heiligen aan de beesten der aarde. Hun bloed hebben zij vergoten als water rondom Jeruzalem; en er was niemand om ze te begraven.”[59] Maar dit werd eerder gezegd om de wreedheid van hen die deze dingen deden te tonen, dan de ellende van hen die ze ondergingen. In de ogen van de mensen lijkt dit een hard en treurig lot, maar “kostbaar in de ogen van de Heer is de dood van Zijn heiligen.”[pagina 20][60] Daarom zijn al deze laatste ambten en ceremonies die de doden betreffen, de zorgvuldige begrafenisregelingen, en de uitrusting van het graf, en de pracht van de begrafenissen, eerder de troost van de levenden dan de troost van de doden. Als een kostbare begrafenis enig goed doet aan een slecht mens, kan een smerige begrafenis, of helemaal geen begrafenis, de godvruchtigen schaden. Zijn menigte bedienden voorzag de in het purper geklede Dives van een begrafenis die schitterend was in de ogen van de mens; maar in de ogen van God was dat een weelderigere begrafenis die de verwende arme ontving uit de handen van de engelen, die hem niet naar een marmeren graf droegen, maar hem omhoog droegen naar Abrahams boezem.
De mannen tegen wie ik de verdediging van de stad van God op mij heb genomen, lachen om dit alles. Maar zelfs hun eigen filosofen[61] hebben een zorgvuldige begrafenis veracht; en vaak hebben hele legers gevochten en zijn gevallen voor hun aardse vaderland zonder zich te bekommeren om de vraag of ze onbeschermd op het slagveld zouden worden achtergelaten, of het voedsel van wilde beesten zouden worden. Over deze nobele minachting voor de begrafenis heeft de poëzie terecht gezegd: “Hij die geen graf heeft, heeft de hemel als zijn gewelf.”[62] Hoeveel te minder zouden zij de onbegraven lichamen van christenen moeten beledigen, aan wie is beloofd dat het vlees zelf zal worden hersteld en het lichaam opnieuw zal worden gevormd, waarbij alle ledematen ervan niet alleen uit de aarde zullen worden verzameld, maar ook uit de meest geheime schuilhoeken van alle andere elementen waarin de dode lichamen van mensen verborgen hebben gelegen!
13. Redenen om de lichamen van heiligen te begraven.
Niettemin zijn de lichamen van de doden om deze reden niet te verachten en onbegraven te laten; allerminst de lichamen van de rechtvaardigen en gelovigen, die door de Heilige Geest zijn gebruikt als Zijn organen en instrumenten voor alle goede werken. Want als de kleding van een vader, of zijn ring, of iets dat hij droeg, kostbaar is voor zijn kinderen, in verhouding tot de liefde die zij hem toedroegen, met hoeveel te meer reden zouden wij dan moeten zorgen voor[pagina 21] de lichamen van hen die wij liefhebben, die zij veel nauwer en intiemer droegen dan welke kleding dan ook! Want het lichaam is geen vreemd sieraad of hulpmiddel, maar een deel van de menselijke natuur. En daarom werden aan de rechtvaardigen van vroeger de laatste ambten vroom verleend, en werden er graven voor hen voorzien, en werden er uitvaarten gevierd;[63] en zijzelf gaven, terwijl ze nog leefden, hun zonen bevelen over de begrafenis en, bij gelegenheid, zelfs over het verplaatsen van hun lichamen naar een favoriete plek.[64] En Tobit wordt, volgens het getuigenis van de engel, geprezen en er wordt gezegd dat hij God behaagde door de doden te begraven.[65] Ook onze Heer Zelf, hoewel Hij op de derde dag zou opstaan, applaudisseert en prijst het goede werk van de religieuze vrouw die kostbare zalf over Zijn ledematen uitgoot en dat deed tegen Zijn begrafenis, aan onze bijval.[66] En het Evangelie spreekt met lof over hen die zorgvuldig zijn lichaam van het kruis hebben gehaald, het liefdevol in kostbare doeken hebben gewikkeld en voor de begrafenis hebben gezorgd.[67] Deze voorbeelden bewijzen zeker niet dat lijken enig gevoel hebben; maar ze laten zien dat Gods voorzienigheid zich zelfs uitstrekt tot de lichamen van de doden, en dat zulke vrome ambten Hem welgevallig zijn, zoals het koesteren van het geloof in de opstanding. En we kunnen er ook deze gezonde les uit trekken, dat als God zelfs geen enkel soort ambt vergeet dat liefdevolle zorg aan de onbewuste doden betoont, Hij des te meer de liefdadigheid beloont die wij jegens de levenden uitoefenen. Andere dingen, inderdaad, die de heilige patriarchen zeiden over de begrafenis en het wegnemen van hun lichamen, bedoelden ze in een profetische zin; maar daarover hoeven we hier niet uitgebreid te spreken, aangezien wat we al hebben gezegd voldoende is. Maar als het ontbreken van die dingen die nodig zijn voor het onderhoud van de levenden, zoals voedsel en kleding, hoewel pijnlijk en beproevend, de kracht en deugdzame volharding van goede mensen niet breekt, noch de vroomheid uit hun zielen uitroeit, maar deze juist vruchtbaarder maakt, hoeveel minder kan dan de afwezigheid van de begrafenis en van de andere gebruikelijke aandacht die aan de doden wordt besteed, hen ellendig maken die al rusten in de verborgen verblijfplaatsen van de gezegenden! Bijgevolg, hoewel in de plundering van Rome en van andere steden de doden[pagina 22] Als de lichamen van de christenen van deze laatste ambten beroofd werden, is dit niet de schuld van de levenden, want zij konden ze niet vervullen. Ook is dit geen straf voor de doden, want zij kunnen het verlies niet voelen.
14. Over de gevangenschap van de heiligen, en dat de goddelijke vertroosting hen daarin nooit in de steek liet.
Maar, zeggen ze, veel christenen werden zelfs gevangen weggevoerd. Dat zou inderdaad een zeer beklagenswaardig lot zijn, als ze weggevoerd konden worden naar een plaats waar ze hun God niet konden vinden. Maar voor deze ramp biedt ook de Heilige Schrift grote troost. De drie jongelingen[68] waren gevangenen; Daniël was een gevangene; zo waren ook andere profeten; en God, de Trooster, liet hun niet in de steek. En op dezelfde wijze heeft Hij Zijn eigen volk niet in de steek gelaten in de macht van een volk dat, hoewel barbaars, toch menselijk is,—Hij die de profeet niet in de steek liet[69] in de buik van een monster. Deze dingen worden inderdaad belachelijk gemaakt in plaats van geloofd door degenen met wie we debatteren; hoewel ze geloven wat ze in hun eigen boeken lezen, dat Arion van Methymna, de beroemde lyricus,[70] toen hij overboord werd gegooid, werd hij op de rug van een dolfijn ontvangen en naar het land gebracht. Maar dat verhaal van ons over de profeet Jona is veel ongelooflijker, — ongelooflijker omdat het wonderbaarlijker is, en wonderbaarlijker omdat het een grotere demonstratie van macht is.

15. Van Regulus, bij wie we een voorbeeld vinden van het vrijwillig verdragen van gevangenschap ter wille van de godsdienst; wat hem toch geen voordeel opleverde, hoewel hij een aanbidder van de goden was.
Maar onder hun eigen beroemde mannen hebben ze een zeer nobel voorbeeld van het vrijwillig verdragen van gevangenschap in gehoorzaamheid aan een religieus geweten. Marcus Attilius Regulus, een Romeinse generaal, was een gevangene in de handen van de Carthagers. Maar zij, die er meer op gebrand waren hun gevangenen met de Romeinen te ruilen dan ze te houden, stuurden Regulus als een speciale gezant met hun eigen ambassadeurs om deze ruil te onderhandelen, maar bonden hem eerst met een eed, dat als hij er niet in slaagde hun wens te vervullen, hij zou terugkeren naar Carthago. Hij ging, en overtuigde de senaat tot de tegenovergestelde koers, omdat hij[pagina 23] geloofde dat het niet in het voordeel van de Romeinse republiek was om een ​​uitwisseling van gevangenen te doen. Nadat hij zo zijn invloed had uitgeoefend, dwongen de Romeinen hem niet om terug te keren naar de vijand; maar wat hij had gezworen, voerde hij vrijwillig uit. Maar de Carthagers doodden hem met verfijnde, uitgebreide en afschuwelijke martelingen. Ze sloten hem op in een smalle doos, waarin hij gedwongen werd te staan, en waarin fijn geslepen spijkers rondom hem waren bevestigd, zodat hij niet op enig deel ervan kon leunen zonder intense pijn; en dus doodden ze hem door hem van zijn slaap te beroven.[71] Met recht juichen zij inderdaad de deugd toe die boven zo’n vreselijk lot uitsteeg. De goden bij wie hij zwoer waren echter degenen die nu geacht worden het verbod op hun aanbidding te wreken door deze huidige calamiteiten aan het menselijk ras toe te brengen. Maar als deze goden, die speciaal in dit opzicht werden aanbeden, zodat ze geluk in dit leven konden brengen, wilden of toelieten dat deze straffen werden opgelegd aan iemand die zijn eed aan hen hield, welke wreedere straf zouden ze dan in hun woede aan een meineedpleger hebben kunnen opleggen? Maar waarom mag ik uit mijn redenering geen dubbele gevolgtrekking maken? Regulus had zeker zo’n ontzag voor de goden, dat hij omwille van zijn eed noch in zijn eigen land zou blijven, noch ergens anders heen zou gaan, maar zonder aarzelen naar zijn bitterste vijanden zou terugkeren. Als hij dacht dat deze handelwijze voordelig zou zijn met betrekking tot dit huidige leven, dan was hij zeker erg bedrogen, want het bracht zijn leven tot een vreselijk einde. Door zijn eigen voorbeeld leerde hij in feite dat de goden het tijdelijke geluk van hun aanbidders niet veiligstellen; aangezien hijzelf, die toegewijd was aan hun aanbidding, zowel in de strijd werd overwonnen als gevangen werd genomen, en toen, omdat hij weigerde te handelen in strijd met de eed die hij bij hen had gezworen, werd gemarteld en ter dood werd gebracht door een nieuwe, tot nu toe ongehoorde, en al te afschuwelijke soort straf. En op de veronderstelling dat de aanbidders van de goden worden beloond met geluk in het hiernamaals, waarom belasteren ze dan de invloed van het christendom? waarom beweren ze dat dit[pagina 24] ramp heeft de stad getroffen omdat ze is opgehouden haar goden te aanbidden, want, hoe ijverig ze ook moge aanbidden, ze kan toch net zo ongelukkig zijn als Regulus was? Of zal iemand zo’n wonderbaarlijke blindheid dragen tot het punt dat hij in het aangezicht van de evidente waarheid wild probeert te beweren dat hoewel één man ongelukkig kan zijn, hoewel een aanbidder van de goden, een hele stad dat niet kan zijn? Dat wil zeggen, de macht van hun goden is beter geschikt om menigten te behouden dan individuen, – alsof een menigte niet uit individuen zou bestaan.

Maar als ze zeggen dat M. Regulus, zelfs terwijl hij gevangen zat en deze lichamelijke kwellingen onderging, toch de zegen van een deugdzame ziel zou kunnen genieten,[72] laten ze dan die ware deugd erkennen waardoor ook een stad gezegend kan worden. Want de zegen van een gemeenschap en van een individu vloeien voort uit dezelfde bron; want een gemeenschap is niets anders dan een harmonieuze verzameling individuen. Zodat ik in de tussentijd niet bezig ben met het bespreken van wat voor soort deugd Regulus bezat: genoeg, dat ze door zijn zeer nobele voorbeeld gedwongen worden te erkennen dat de goden niet aanbeden moeten worden ter wille van lichamelijk comfort of externe voordelen; want hij gaf er de voorkeur aan al zulke dingen te verliezen in plaats van de goden te beledigen bij wie hij had gezworen. Maar wat kunnen we maken van mensen die er prat op gaan zo’n burger te hebben, maar bang zijn om een ​​stad als hij te hebben? Als ze dit niet vrezen, laten ze dan erkennen dat een dergelijke ramp zoals Regulus overkwam ook een gemeenschap kan overkomen, hoewel ze hun goden net zo ijverig aanbidden als hij; en laten ze de schuld van hun ongelukken niet langer op het christendom schuiven. Maar aangezien onze huidige zorg betrekking heeft op de christenen die gevangen zijn genomen, moeten zij die deze ramp aangrijpen om onze meest heilzame religie op een manier te beschimpen die niet minder onvoorzichtig dan brutaal is, dit overwegen en hun mond houden. Want als het geen schande was voor hun goden dat een zeer nauwgezette aanbidder van hen, om zijn eed aan hen te houden, van zijn geboorteland werd beroofd zonder hoop een ander te vinden, en in handen viel van zijn vijanden, en ter dood werd gebracht door een langdurige en verfijnde marteling, laat staan ​​dat de[pagina 25] De christelijke naam moet worden beschuldigd van de gevangenschap van hen die in de kracht ervan geloven, omdat zij, in de volle verwachting van een hemels vaderland, weten dat zij zelfs in hun eigen huizen pelgrims zijn.
16. Over de schending van de gewijde en andere christelijke maagden waaraan zij in gevangenschap werden onderworpen, en waaraan zij zelf geen toestemming gaven; en of dit hun zielen verontreinigde.

Maar zij denken dat zij een afdoende aanklacht tegen het christendom inbrengen, wanneer zij de verschrikking van gevangenschap verergeren door eraan toe te voegen dat niet alleen vrouwen en ongehuwde maagden, maar zelfs gewijde maagden, geschonden werden. Maar werkelijk, met betrekking tot dit is het niet het christelijk geloof, noch de vroomheid, noch zelfs de deugd van kuisheid, die in enige moeilijkheid is gevat: de enige moeilijkheid is om het onderwerp zo te behandelen dat het zowel de bescheidenheid als de rede bevredigt. En bij het bespreken ervan zullen wij niet zo zorgvuldig zijn om onze beschuldigers te antwoorden als om onze vrienden te troosten. Laat dit daarom in de eerste plaats worden neergelegd als een onaantastbaar standpunt, dat de deugd die het leven goed maakt haar troon heeft in de ziel, en vandaar de leden van het lichaam regeert, dat heilig wordt in de kracht van de heiligheid van de wil; en dat zolang de wil vast en onwankelbaar blijft, niets dat een ander persoon met het lichaam doet, of aan het lichaam, enige fout is van de persoon die het lijdt, zolang hij er niet aan kan ontsnappen zonder zonde. Maar aangezien niet alleen pijn kan worden toegebracht, maar ook lust kan worden bevredigd aan het lichaam van een ander, wanneer zoiets gebeurt, dan dringt schaamte zich op, zelfs in een volkomen zuivere geest die de bescheidenheid niet heeft verlaten. Schaamte, opdat niet zou worden aangenomen dat de daad die niet kon worden ondergaan zonder enig zinnelijk genot, ook met enige instemming van de wil is begaan.

17. Van zelfmoord gepleegd uit angst voor straf of oneer.
En bijgevolg, zelfs als sommige van deze maagden zelfmoord zouden plegen om zo’n schande te vermijden, wie die enig menselijk gevoel heeft, zou weigeren hen te vergeven? En wat betreft degenen die geen einde aan hun leven zouden maken, opdat zij niet zouden lijken te ontsnappen aan de misdaad van een ander door een zonde van henzelf, hij die dit hun ten laste legt als een grote slechtheid is zelf niet onschuldig aan de schuld van dwaasheid. Want als het niet geoorloofd is om de wet te nemen[pagina 26] in onze eigen handen, en zelfs een schuldige persoon doden, wiens dood geen openbare straf heeft gerechtvaardigd, dan is hij die zichzelf doodt zeker een moordenaar, en des te schuldiger aan zijn eigen dood, omdat hij onschuldiger was aan die overtreding waarvoor hij zichzelf tot de dood veroordeelde. Vervloeken wij terecht de daad van Judas, en spreekt de waarheid zelf uit dat hij door zichzelf op te hangen de schuld van dat meest onrechtvaardige verraad eerder verergerde dan verzoende, aangezien hij, door te wanhopen aan Gods genade in zijn verdriet dat de dood veroorzaakte, zichzelf geen plaats overliet voor een helende boetedoening? Hoeveel te meer zou hij zich moeten onthouden van het gewelddadig op zichzelf slaan van degene die niets heeft gedaan dat zo’n straf verdient! Want Judas, toen hij zichzelf doodde, doodde een goddeloze man; maar hij ging uit dit leven weg, niet alleen beschuldigd van de dood van Christus, maar ook van zijn eigen dood: want hoewel hij zichzelf doodde vanwege zijn misdaad, was zijn zelfmoord een andere misdaad. Waarom zou iemand die geen kwaad heeft gedaan, zichzelf kwaad doen? Waarom zou hij door zelfmoord een onschuldige doden om aan de schuldige daad van een ander te ontkomen? En waarom zou hij zichzelf een zonde aandoen, zodat de zonde van een ander hem niet kan worden aangedaan?

18. Over het geweld dat door de lust van een ander aan het lichaam kan worden aangedaan, terwijl de geest onaangetast blijft.
Maar is er een angst dat zelfs de lust van een ander de geschondene kan verontreinigen? Het zal niet verontreinigen, als het van een ander is: als het verontreinigt, is het niet van een ander, maar wordt het ook gedeeld door de verontreinigde. Maar aangezien zuiverheid een deugd van de ziel is, en als metgezel de kracht heeft die liever alle kwalen zal verdragen dan in te stemmen met het kwaad; en aangezien niemand, hoe grootmoedig en zuiver ook, altijd de beschikking heeft over zijn eigen lichaam, maar alleen de instemming en weigering van zijn wil kan beheersen, welke gezonde mens kan dan veronderstellen dat, als zijn lichaam wordt gegrepen en met geweld wordt gebruikt om de lust van een ander te bevredigen, hij daardoor zijn zuiverheid verliest? Want als zuiverheid op deze manier kan worden vernietigd, dan is zuiverheid zeker geen deugd van de ziel; noch kan het worden gerekend tot die goede dingen waardoor het leven goed wordt gemaakt, maar tot de goede dingen van het lichaam, in dezelfde categorie als kracht, schoonheid, gezonde en ongebroken gezondheid, en, kortom, al zulke goede dingen die kunnen worden verminderd zonder de goedheid en rechtschapenheid van ons leven op enigerlei wijze te verminderen. Maar als zuiverheid[pagina 27] niets beter zijn dan deze, waarom zou het lichaam dan in gevaar gebracht worden om bewaard te worden? Als het daarentegen aan de ziel toebehoort, dan is het zelfs niet verloren wanneer het lichaam geschonden wordt. Meer nog, de deugd van heilige onthouding, wanneer het de onreinheid van vleselijke lusten weerstaat, heiligt zelfs het lichaam, en daarom, wanneer deze onthouding onoverwonnen blijft, wordt zelfs de heiligheid van het lichaam bewaard, omdat de wil om het heilig te gebruiken blijft, en, voor zover het in het lichaam zelf ligt, ook de kracht.
Want de heiligheid van het lichaam bestaat niet in de integriteit van zijn leden, noch in hun vrijstelling van alle aanraking; want ze worden blootgesteld aan verschillende ongelukken die hen geweld aandoen en verwonden, en de chirurgen die verlichting bieden, voeren vaak operaties uit die de toeschouwer ziek maken. Stel dat een vroedvrouw (hetzij kwaadwillig of per ongeluk, of door onkunde) de maagdelijkheid van een meisje heeft vernietigd, terwijl ze probeerde deze vast te stellen: ik veronderstel dat niemand zo dwaas is om te geloven dat de maagd door deze vernietiging van de integriteit van één orgaan zelfs maar iets van haar lichamelijke heiligheid heeft verloren. En zo, zolang de ziel deze vastberadenheid behoudt die zelfs het lichaam heiligt, maakt het geweld dat wordt aangericht door de lust van een ander geen indruk op deze lichamelijke heiligheid, die intact wordt gehouden door iemands eigen aanhoudende zelfbeheersing. Stel dat een maagd de eed die ze aan God heeft gezworen schendt en haar verleider tegemoet gaat met de bedoeling zich aan hem over te geven, zullen we dan zeggen dat ze, terwijl ze gaat, zelfs lichamelijke heiligheid bezit, terwijl ze al die heiligheid van de ziel die het lichaam heiligt, heeft verloren en vernietigd? Het zij verre van ons om woorden zo verkeerd toe te passen. Laten we liever deze conclusie trekken, dat terwijl de heiligheid van de ziel blijft, zelfs wanneer het lichaam wordt geschonden, de heiligheid van het lichaam niet verloren gaat; en dat op dezelfde manier de heiligheid van het lichaam verloren gaat wanneer de heiligheid van de ziel wordt geschonden, hoewel het lichaam zelf intact blijft. En daarom heeft een vrouw die is geschonden door de zonde van een ander, en zonder enige toestemming van haarzelf, geen reden om zichzelf ter dood te brengen; laat staan ​​dat ze reden heeft om zelfmoord te plegen om zo’n schending te voorkomen, want in dat geval pleegt ze een zekere doodslag om een ​​misdaad te voorkomen die nog onzeker is, en niet haar eigen.
[pagina 28]

19. Van Lucretia, die een einde aan haar leven maakte vanwege de schande die haar was aangedaan.
Dit is dus ons standpunt, en het lijkt voldoende helder. Wij beweren dat wanneer een vrouw wordt geschonden terwijl haar ziel niet toegeeft in te stemmen met de ongerechtigheid, maar onschendbaar kuis blijft, de zonde niet van haar is, maar van hem die haar schendt. Maar durven zij tegen wie wij niet alleen de zielen, maar ook de heilige lichamen van deze verontwaardigde christelijke gevangenen moeten verdedigen, onze positie misschien te betwisten? Maar allen weten hoe luid zij de zuiverheid van Lucretia, die edele matrone van het oude Rome, prijzen. Toen de zoon van koning Tarquinius haar lichaam had geschonden, maakte zij de slechtheid van deze jonge losbandige bekend aan haar echtgenoot Collatinus en aan haar bloedverwant Brutus, mannen van hoge rang en vol moed, en verbond hen door een eed om het te wreken. Toen, ziek van hart en niet in staat om de schande te verdragen, maakte zij een einde aan haar leven. Hoe zullen we haar noemen? Een overspeelster of kuis? Het is geen vraag welke zij was. Niet gelukkiger dan waar zei een declamator over deze treurige gebeurtenis: “Hier was een wonder: er waren er twee, en slechts één pleegde overspel.” Zeer krachtig en waar gesproken. Want deze declamator, die in de vereniging van de twee lichamen de vuile lust van de ene en de kuise wil van de andere ziet, en geen acht slaat op het contact van de lichaamsdelen, maar op de grote verscheidenheid van hun zielen, zegt: “Er waren er twee, maar het overspel werd slechts door één gepleegd.”
Maar hoe komt het dat zij die geen deelgenoot was van de misdaad de zwaarste straf van de twee draagt? Want de overspelige werd alleen verbannen met zijn vader; zij onderging de extreme straf. Als dat geen onreinheid was waardoor zij onvrijwillig werd verkracht, dan is dit geen gerechtigheid waardoor zij, kuis zijnde, wordt gestraft. Ik doe een beroep op u, gij wetten en rechters van Rome. Zelfs na het plegen van grote gruweldaden, laat u de misdadiger niet ongestraft doden. Als iemand dan deze zaak voor uw rechtbank zou brengen en u zou bewijzen dat een vrouw niet alleen ongestraft, maar ook kuis en onschuldig, was gedood, zou u de moordenaar dan niet met een evenredig zware straf treffen? Deze misdaad werd begaan door Lucretia; die Lucretia zo gevierd en geprezen doodde de onschuldige, kuise, verontwaardigde Lucretia. Spreek het vonnis uit. Maar als u dat niet kunt, omdat er geen[pagina 29] vergelijk iemand die je kunt straffen, waarom prijs je dan met zo’n onmetelijke lof haar die een onschuldige en kuise vrouw heeft vermoord? Je zult het zeker onmogelijk vinden om haar te verdedigen voor de rechters van de lagere rijken, als die zo zijn als jouw dichters hen graag voorstellen; want zij is een van degenen
“Die zichzelf onschuldig naar de ondergang hebben gezonden,
En dat allemaal uit afschuw van de dag,
In waanzin hebben ze hun leven weggegooid.”
En als zij met de anderen terug wil keren,
“Het lot verspert de weg: rond hun fort
De langzame, onaantrekkelijke wateren kruipen,
En bind hem vast met een negenvoudige ketting.”[73]
Of misschien is ze er niet, omdat ze zichzelf doodde in het besef van schuld, niet van onschuld? Zijzelf alleen kent haar reden; maar wat als ze verraden werd door het genoegen van de daad, en Sextus toestemming gaf, hoewel hij haar zo heftig mishandelde, en toen zo berouwvol werd, dat ze dacht dat alleen de dood haar zonde kon verzoenen? Zelfs als dit het geval was, had ze toch haar hand moeten afhouden van zelfmoord, als ze met haar valse goden een vruchtbaar berouw had kunnen bewerkstelligen. Als dit echter de stand van zaken was, en als het onjuist was dat er twee waren, maar slechts één overspel pleegde; als de waarheid was dat beiden erbij betrokken waren, de een door openlijke aanval, de ander met geheime toestemming, dan heeft ze geen onschuldige vrouw gedood; en daarom kunnen haar erudiete verdedigers volhouden dat ze niet tot die klasse van de bewoners beneden behoort “die zichzelf onschuldig naar het verderf stuurden.” Maar dit geval van Lucretia verkeert in zo’n dilemma dat als je de moord verzacht, je het overspel bevestigt; als je haar vrijspreekt van overspel, maak je de aanklacht van moord zwaarder; en er is geen uitweg uit het dilemma als men zich afvraagt: Als ze overspel pleegde, waarom haar dan prijzen? Als ze kuis was, waarom haar dan doden?
Niettemin, voor ons doel om degenen te weerleggen die niet in staat zijn te begrijpen wat ware heiligheid is, en die daarom onze verontwaardigde christelijke vrouwen beledigen, is het voldoende dat in het geval van deze nobele Romeinse matrone in haar[pagina 30] lof, “Er waren er twee, maar het overspel was de misdaad van slechts één.” Want Lucretia werd vol vertrouwen verondersteld superieur te zijn aan de besmetting van elke instemmende gedachte aan het overspel. En dienovereenkomstig, aangezien ze zelfmoord pleegde omdat ze werd onderworpen aan een schanddaad waaraan ze geen schuldige rol had, is het duidelijk dat deze daad van haar niet werd ingegeven door de liefde voor zuiverheid, maar door de overweldigende last van haar schaamte. Ze schaamde zich dat er zo’n afschuwelijke misdaad tegen haar was gepleegd, hoewel zonder haar medeplichtigheid; en deze matrone, met de Romeinse liefde voor glorie in haar aderen, werd bevangen door een trotse angst dat, als ze bleef leven, zou worden verondersteld dat ze het onrecht dat haar was aangedaan, vrijwillig niet verafschuwde. Ze kon haar geweten niet aan mannen tonen, maar ze oordeelde dat haar zelfopgelegde straf haar gemoedstoestand zou getuigen; en ze brandde van schaamte bij de gedachte dat haar geduldige verdraagzaamheid van de afschuwelijke belediging die een ander haar had aangedaan, zou worden uitgelegd als medeplichtigheid met hem. Niet zo’n beslissing was het besluit van de christelijke vrouwen die net als zij leden en toch overleefden. Ze weigerden de schuld van anderen op zichzelf te wreken en voegden zo hun eigen misdaden toe aan die misdaden waaraan ze geen deel hadden. Want dit zouden ze gedaan hebben als hun schaamte hen tot moord had gedreven, zoals de lust van hun vijanden hen tot overspel had gedreven. In hun eigen ziel, in het getuigenis van hun eigen geweten, genieten ze de glorie van kuisheid. Ook in de ogen van God worden ze als rein beschouwd en dat stelt hen tevreden; ze vragen niet meer: ​​het is voldoende dat ze de gelegenheid hebben om goed te doen en ze weigeren de nood van menselijk wantrouwen te ontlopen, opdat ze daardoor niet afwijken van de goddelijke wet.

20. Dat christenen onder geen enkele omstandigheid de bevoegdheid hebben om zelfmoord te plegen.
Het is niet zonder betekenis dat er in geen enkele passage van de heilige canonieke boeken een goddelijk voorschrift of toestemming te vinden is om ons eigen leven te nemen, hetzij om het genot van onsterfelijkheid te betreden, hetzij om iets te mijden of om onszelf van wat dan ook te ontdoen. Nee, de wet, correct geïnterpreteerd, verbiedt zelfs zelfmoord, waar het zegt: “Gij zult niet doden.” Dit wordt met name bewezen door de[pagina 31] weglating van de woorden “uw naaste”, die worden ingevoegd wanneer valse getuigenis verboden is: “Gij zult geen valse getuigenis afleggen tegen uw naaste.” En ook zou niemand om deze reden moeten veronderstellen dat hij dit gebod niet heeft overtreden als hij alleen valse getuigenis heeft afgelegd tegen zichzelf. Want de liefde voor onze naaste wordt gereguleerd door de liefde voor onszelf, zoals er staat geschreven: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.” Als dan hij die valse uitspraken over zichzelf doet niet minder schuldig is aan het afleggen van valse getuigenissen dan wanneer hij ze had gedaan ten nadele van zijn naaste; hoewel in het gebod dat valse getuigenissen verbiedt alleen zijn naaste wordt genoemd, en mensen die geen moeite doen om het te begrijpen, zouden kunnen veronderstellen dat een man een valse getuige van zijn eigen schade mocht zijn; hoeveel meer reden hebben we dan om te begrijpen dat een man zichzelf niet mag doden, aangezien in het gebod “Gij zult niet doden” geen beperking is toegevoegd of enige uitzondering is gemaakt ten gunste van iemand, en het minst ten gunste van hem aan wie het gebod is opgelegd! En zo proberen sommigen dit gebod zelfs uit te breiden tot dieren en vee, alsof het ons verbiedt om leven te nemen van enig schepsel. Maar als dat zo is, waarom breiden we het dan niet ook uit tot de planten en alles wat geworteld is in en gevoed wordt door de aarde? Want hoewel deze klasse van schepselen geen gevoel heeft, wordt er toch gezegd dat ze leven, en bijgevolg kunnen ze sterven; en daarom, als er geweld tegen hen wordt gedaan, kunnen ze gedood worden. Zo zegt ook de apostel, wanneer hij spreekt over de zaden van zulke dingen als deze, “Dat wat gij zaait, wordt niet levend gemaakt, tenzij het sterft;” en in de Psalm wordt gezegd, “Hij doodde hun wijnstokken met hagel.” Moeten we het daarom beschouwen als een overtreding van dit gebod, “Gij zult niet doden,” om een ​​bloem te plukken? Zijn we zo krankzinnig om de dwaze dwaling van de Manicheeërs te tolereren? Als we deze geraaskal dan even terzijde laten, als we, wanneer we zeggen: Gij zult niet doden, dit niet begrijpen van de planten, aangezien zij geen gevoel hebben, noch van de irrationele dieren die vliegen, zwemmen, lopen of kruipen, aangezien zij van ons gescheiden zijn door hun gebrek aan rede, en daarom door de rechtvaardige aanstelling van de Schepper aan ons onderworpen zijn om te doden of in leven te houden voor ons eigen gebruik; als dat zo is, dan blijft het zo dat we dat gebod eenvoudigweg van de mens begrijpen. Het gebod is: “Gij zult de mens niet doden;” daarom is noch een ander noch een[pagina 32] uzelf, want wie zichzelf doodt, doodt nog steeds niets anders dan de mens.

21. Van de gevallen waarin we mensen ter dood kunnen brengen zonder dat ze schuldig worden bevonden aan moord.
Er zijn echter enkele uitzonderingen gemaakt door de goddelijke autoriteit op haar eigen wet, dat mensen niet ter dood gebracht mogen worden. Deze uitzonderingen zijn van twee soorten, gerechtvaardigd door een algemene wet, of door een speciale opdracht die voor een bepaalde tijd aan een individu is verleend. En in dit laatste geval is hij aan wie autoriteit is gedelegeerd, en die slechts het zwaard is in de hand van hem die het gebruikt, niet zelf verantwoordelijk voor de dood die hij toebrengt. En dienovereenkomstig hebben zij die oorlog hebben gevoerd in gehoorzaamheid aan het goddelijke bevel, of in overeenstemming met Zijn wetten, in hun persoon de publieke rechtvaardigheid of de wijsheid van de regering vertegenwoordigd, en in deze hoedanigheid hebben ze slechte mensen ter dood gebracht; zulke personen hebben op geen enkele manier het gebod overtreden: “Gij zult niet doden.” Abraham werd inderdaad niet alleen onschuldig geacht aan wreedheid, maar werd zelfs geprezen om zijn vroomheid, omdat hij bereid was zijn zoon te doden in gehoorzaamheid aan God, niet aan zijn eigen passie. En het is redelijkerwijs een vraag of wij het moeten beschouwen als in overeenstemming met een bevel van God dat Jefta zijn dochter doodde, omdat zij hem ontmoette toen hij had gezworen dat hij aan God zou offeren wat hem het eerst zou ontmoeten als hij als overwinnaar uit de strijd terugkeerde. Ook Simson, die het huis op zichzelf en zijn vijanden samen neerhaalde, wordt alleen gerechtvaardigd op deze grond, dat de Geest die wonderen door hem verrichtte, hem geheime instructies had gegeven om dit te doen. Met uitzondering van deze twee soorten gevallen, die gerechtvaardigd worden door een rechtvaardige wet die algemeen van toepassing is, of door een speciale mededeling van God Zelf, de bron van alle gerechtigheid, is iedereen die een mens doodt, hetzij zichzelf of een ander, betrokken bij de schuld van moord.

22. Dat zelfmoord nooit door grootmoedigheid kan worden ingegeven.
Maar zij die gewelddadige handen aan zichzelf hebben gelegd, zijn misschien te bewonderen om hun grootsheid van ziel, hoewel ze niet geprezen kunnen worden om de degelijkheid van hun oordeel. Echter, als je de zaak nader bekijkt, zul je het nauwelijks grootsheid van ziel noemen, die een mens ertoe aanzet om te doden[pagina 33] zichzelf in plaats van het hoofd te bieden aan de ontberingen van het fortuin, of zonden waarin hij niet verwikkeld is. Is het niet eerder een bewijs van een zwakke geest, om niet in staat te zijn om de pijnen van lichamelijke slavernij of de dwaze mening van het gewone volk te verdragen? En is dat niet de grotere geest, die eerder de kwalen van het leven onder ogen ziet dan ontvlucht, en die, in vergelijking met het licht en de zuiverheid van het geweten, het oordeel van mensen, en met name van het gewone volk, dat vaak verwikkeld is in een mist van dwaling, in geringe achting acht? En daarom, als zelfmoord als een grootmoedige daad moet worden beschouwd, kan niemand een hogere rang voor grootmoedigheid innemen dan die Cleombrotus, die (zoals het verhaal gaat), toen hij Plato’s boek had gelezen waarin hij handelt over de onsterfelijkheid van de ziel, zichzelf van een muur wierp en zo van dit leven overging naar dat waarvan hij geloofde dat het beter was. Want hij werd niet hard getroffen door een ramp, noch door enige beschuldiging, vals of waar, die hij niet goed had kunnen verwerken: er was, kortom, geen motief, maar alleen grootmoedigheid, die hem aanspoorde om de dood te zoeken en te breken met de zoete gevangenschap van dit leven. En toch zou Plato, die hij had gelezen, hem hebben verteld dat dit een grootmoedige in plaats van een gerechtvaardigde daad was; want hij zou zeker geneigd zijn geweest om zelfmoord te plegen, of op zijn minst aan te bevelen, als niet hetzelfde heldere intellect dat zag dat de ziel onsterfelijk was, ook had ingezien dat het zoeken naar onsterfelijkheid door zelfmoord eerder verboden dan aangemoedigd moest worden.
Opnieuw wordt gezegd dat velen zichzelf hebben gedood om te voorkomen dat een vijand dat zou doen. Maar we vragen niet of het is gedaan, maar of het had moeten gebeuren. Een gezond oordeel verdient zelfs de voorkeur boven voorbeelden, en voorbeelden stemmen inderdaad overeen met de stem van de rede; maar niet alle voorbeelden, maar alleen die welke zich onderscheiden door hun vroomheid en evenredig navolging verdienen. Voor zelfmoord kunnen we niet het voorbeeld van patriarchen, profeten of apostelen aanhalen; hoewel onze Heer Jezus Christus, toen Hij hen vermaande om van stad tot stad te vluchten als ze vervolgd werden, die gelegenheid heel goed had kunnen aangrijpen om hen te adviseren om gewelddadige handen op zichzelf te leggen en zo aan hun vervolgers te ontsnappen. Maar aangezien Hij dit niet deed, noch deze manier van afscheid nemen van dit leven voorstelde, hoewel Hij Zijn eigen[pagina 34] vrienden voor wie Hij beloofd had eeuwige woningen te bereiden, is het duidelijk dat zulke voorbeelden als voortkomen uit de “volken die God vergeten” geen aanleiding geven tot navolging door de aanbidders van de ene ware God.

23. Wat moeten we denken van het voorbeeld van Cato, die zelfmoord pleegde omdat hij de overwinning van Caesar niet kon verdragen?
Naast Lucretia, over wie al genoeg is gezegd, hebben onze voorstanders van zelfmoord moeite om een ​​ander voorschrijvend voorbeeld te vinden, tenzij het dat van Cato is, die zelfmoord pleegde in Utica. Zijn voorbeeld wordt aangehaald, niet omdat hij de enige was die dat deed, maar omdat hij zo werd geacht als een geleerd en uitstekend man, dat het aannemelijk zou kunnen zijn dat wat hij deed een goede zaak was en is om te doen. Maar wat kan ik over deze daad van hem zeggen, behalve dat zijn eigen vrienden, verlichte mannen zoals hij, hem voorzichtig afraadden en daarom oordeelden dat zijn daad die van een zwakke in plaats van een sterke geest was, en niet ingegeven door eervol gevoel dat schaamte voorkwam, maar door zwakte die terugdeinsde voor ontberingen? Cato veroordeelt zichzelf inderdaad door het advies dat hij gaf aan zijn zeer geliefde zoon. Want als het een schande was om onder Caesars heerschappij te leven, waarom spoorde de vader de zoon dan aan tot deze schande, door hem aan te moedigen absoluut te vertrouwen op Caesars vrijgevigheid? Waarom overtuigde hij hem niet om samen met zichzelf te sterven? Als Torquatus werd geprezen voor het doden van zijn zoon, terwijl hij tegen de bevelen in een gevecht was aangegaan, en succesvol, met de vijand, waarom spaarde de overwonnen Cato dan zijn overwonnen zoon, hoewel hij zichzelf niet spaarde? Was het schandelijker om een ​​overwinnaar te zijn tegen de bevelen in, dan om je te onderwerpen aan een overwinnaar tegen de aanvaarde ideeën van eer in? Cato kan het dan ook niet schandelijk hebben gevonden om onder Caesars heerschappij te leven, want als hij dat had gedaan, zou het zwaard van de vader zijn zoon van deze schande hebben bevrijd. De waarheid is dat zijn zoon, van wie hij zowel hoopte als verlangde dat hij door Caesar zou worden gespaard, niet meer door hem werd bemind dan dat Caesar de glorie benijdde om hem te vergeven (zoals Caesar zelf ook zou hebben gezegd[74] ); of als afgunst een te sterk woord is, laten we dan zeggen dat hij zich schaamde dat deze glorie de zijne zou zijn.
[pagina 35]

24. Dat in die deugd waarin Regulus Cato overtreft, christenen zich bij uitstek onderscheiden.
Onze tegenstanders zijn beledigd dat wij de heilige Job, die vreselijke kwalen in zijn lichaam verdroeg, boven Cato verkiezen boven zichzelf te bevrijden van alle kwelling door zichzelf de dood toe te brengen; of andere heiligen, van wie in onze gezaghebbende en betrouwbare boeken is opgetekend dat zij gevangenschap en de onderdrukking van hun vijanden verdroegen in plaats van zelfmoord te plegen. Maar hun eigen boeken machtigen ons om Marcus Regulus boven Cato te verkiezen. Want Cato had Caesar nooit overwonnen; en toen hij door hem werd overwonnen, versmaadde hij het zich aan hem te onderwerpen, en om aan deze onderwerping te ontsnappen, bracht hij zichzelf ter dood. Regulus daarentegen had eerder de Carthagers overwonnen en had als bevelhebber van het leger van Rome voor de Romeinse republiek een overwinning behaald die geen burger kon betreuren, en die de vijand zelf gedwongen was te bewonderen; maar later, toen hij op zijn beurt door hen werd verslagen, verkoos hij hun gevangene te zijn in plaats van zichzelf buiten hun bereik te stellen door zelfmoord. Geduldig onder de heerschappij van de Carthagers en standvastig in zijn liefde voor de Romeinen, beroofde hij de een niet van zijn overwonnen lichaam, noch de ander van zijn onoverwonnen geest. Ook was het niet de liefde voor het leven die hem ervan weerhield zelfmoord te plegen. Dit werd duidelijk genoeg aangegeven door zijn onverbiddelijke terugkeer, op grond van zijn belofte en eed, naar dezelfde vijanden die hij door zijn woorden in de senaat nog erger had geprovoceerd dan zelfs door zijn wapens in de strijd. Met zo’n minachting voor het leven, en er de voorkeur aan gevend het te beëindigen door welke kwellingen opgewonden vijanden ook maar konden bedenken, in plaats van het te beëindigen door zijn eigen hand, had hij niet duidelijker kunnen verklaren hoe groot een misdaad hij zelfmoord vond. Onder al hun beroemde en opmerkelijke burgers hebben de Romeinen geen betere man om op te roemen dan deze, die noch verdorven was door voorspoed, want hij bleef een zeer arme man na het behalen van zulke overwinningen; noch gebroken door tegenspoed, want hij keerde onverschrokken terug naar het meest ellendige einde. Maar als de dapperste en beroemdste helden, die slechts een aards land te verdedigen hadden, en die, hoewel ze slechts valse goden hadden, hen toch een ware aanbidding gaven en hun eed aan hen nauwgezet hielden; als deze mannen, die volgens de gewoonte[pagina 36] en het recht van oorlog overwonnen vijanden aan het zwaard te onderwerpen, maar terugdeinsden om een ​​einde te maken aan hun eigen leven, zelfs wanneer ze door hun vijanden werden overwonnen; als ze, hoewel ze helemaal geen angst voor de dood hadden, toch liever slavernij zouden ondergaan dan zelfmoord te plegen, hoeveel te meer moeten christenen, de aanbidders van de ware God, de aspiranten naar een hemels burgerschap, terugdeinzen voor deze daad, als ze in Gods voorzienigheid voor een tijdje in de handen van hun vijanden zijn overgeleverd om hen te beproeven of te corrigeren! En zeker, christenen die aan deze vernederende toestand zijn onderworpen, zullen niet in de steek worden gelaten door de Allerhoogste, die Zichzelf ter wille van hen vernederde. Ook mogen ze niet vergeten dat ze niet door oorlogswetten of militaire bevelen gebonden zijn om zelfs een overwonnen vijand aan het zwaard te onderwerpen; en als een man de vijand die gezondigd heeft, niet ter dood mag brengen, of nog tegen hem mag zondigen, wie is dan zo verdwaasd om te beweren dat hij zichzelf mag doden omdat een vijand tegen hem gezondigd heeft of gaat zondigen?

25. Dat wij niet door de zonde moeten proberen de zonde te vermijden.
Maar, zo wordt ons verteld, is er reden om te vrezen dat, wanneer het lichaam onderworpen is aan de lust van de vijand, het sluipende genot van de zintuigen de ziel kan verleiden om toe te stemmen in de zonde, en er moeten stappen worden ondernomen om zo’n rampzalig resultaat te voorkomen. En is zelfmoord niet de juiste manier om niet alleen de zonde van de vijand te voorkomen, maar ook de zonde van de christen die zo wordt verleid? Nu zal in de eerste plaats de ziel die geleid wordt door God en Zijn wijsheid, in plaats van door lichamelijke begeerte, zeker nooit instemmen met het verlangen dat in haar eigen vlees wordt opgewekt door de lust van een ander. En in ieder geval, als het waar is, zoals de waarheid duidelijk verklaart, dat zelfmoord een verfoeilijke en verdoemelijke slechtheid is, wie is dan zo’n dwaas om te zeggen: Laten we nu zondigen, zodat we een mogelijke toekomstige zonde kunnen voorkomen; laten we nu moord plegen, opdat we misschien later overspel plegen? Als we zo door ongerechtigheid worden beheerst dat onschuld uitgesloten is en we hooguit een keuze kunnen maken uit zonden, is een toekomstig en onzeker overspel dan niet te verkiezen boven een huidige en zekere moord? Is het niet beter om een ​​slechtheid te begaan die door berouw kan worden genezen, dan een misdaad die geen ruimte laat voor genezende berouw? Ik zeg dit ter wille van die mannen of vrouwen die bang zijn dat ze verleid kunnen worden om in te stemmen met de daden van hun overtreder.[pagina 37] lust, en denken dat ze gewelddadige handen aan zichzelf moeten slaan, en zo niet de zonde van een ander, maar hun eigen zonde moeten voorkomen. Maar verre zij het van de geest van een Christen die op God vertrouwt, en rust in de hoop op Zijn hulp; verre zij het, zeg ik, van zo’n geest om een ​​schandelijke toestemming te geven aan genoegens van het vlees, hoe die ook gepresenteerd worden. En als die wellustige ongehoorzaamheid, die nog steeds in onze sterfelijke leden woont, haar eigen wet volgt, ongeacht onze wil, dan zijn haar bewegingen in het lichaam van iemand die ertegen in opstand komt zeker net zo onschuldig als haar bewegingen in het lichaam van iemand die slaapt.

26. Dat in bepaalde bijzondere gevallen de voorbeelden van de heiligen niet gevolgd mogen worden.
Maar, zeggen ze, in de tijd van de vervolging ontsnapten enkele heilige vrouwen aan degenen die hen met geweld bedreigden, door zichzelf in rivieren te werpen waarvan ze wisten dat ze zouden verdrinken; en op deze manier gestorven, worden ze in de katholieke kerk vereerd als martelaren. Over zulke personen waag ik het niet om roekeloos te spreken. Ik kan niet zeggen of de kerk niet een goddelijke autoriteit heeft gekregen, bewezen door betrouwbare bewijzen, om hun nagedachtenis zo te eren: het kan zijn dat het zo is. Het kan zijn dat ze niet door menselijk oordeel werden misleid, maar door goddelijke wijsheid werden aangezet tot hun daad van zelfvernietiging. We weten dat dit het geval was met Simson. En wanneer God een daad gebiedt, en door duidelijk bewijs te kennen geeft dat Hij die heeft bevolen, wie zal gehoorzaamheid dan crimineel noemen? Wie zal zo’n religieuze onderwerping beschuldigen? Maar dan is niet iedere man gerechtvaardigd om zijn zoon aan God te offeren, omdat Abraham prijzenswaardig was in het doen daarvan. De soldaat die een man heeft gedood in gehoorzaamheid aan het gezag waaronder hij rechtmatig is aangesteld, wordt niet beschuldigd van moord door enige wet van zijn staat; nee, als hij hem niet heeft gedood, dan wordt hij beschuldigd van verraad aan de staat en van minachting van de wet. Maar als hij op eigen gezag en uit eigen impuls heeft gehandeld, heeft hij in dit geval de misdaad begaan van het vergieten van menselijk bloed. En zo wordt hij gestraft voor het doen zonder bevelen, precies datgene waarvoor hij wordt gestraft voor het nalaten te doen toen hij wel bevelen had gekregen. Als de bevelen van een generaal zo’n groot verschil maken, zullen de bevelen van God dan geen verschil maken? Hij, die het weet,[Blz. 38] onwettig is om zichzelf te doden, mag dit toch doen als hij bevolen wordt door Hem wiens bevelen wij niet mogen verwaarlozen. Laat hem er alleen heel zeker van zijn dat het goddelijke bevel is betekend. Wat ons betreft, wij kunnen alleen deelgenoot worden van de geheimen van het geweten voor zover deze aan ons worden onthuld, en alleen voor zover oordelen wij: “Niemand weet de dingen van een mens, behalve de geest van de mens die in hem is.”[75] Maar dit bevestigen wij, dit handhaven wij, dit verklaren wij op alle mogelijke manieren juist, dat niemand zichzelf de dood mag opleggen, want dit is ontsnappen aan de kwalen van de tijd door zich te storten in die van de eeuwigheid; dat niemand dit mag doen vanwege de zonden van een ander, want dit zou zijn ontsnappen aan een schuld die hem niet zou kunnen bezoedelen, door zelf grote schuld op zich te nemen; dat niemand dit mag doen vanwege zijn eigen zonden uit het verleden, want hij heeft dit leven des te meer nodig, opdat deze zonden door berouw genezen kunnen worden; dat niemand een einde mag maken aan dit leven om dat betere leven te verkrijgen waar wij na de dood naar uitzien, want zij die door hun eigen hand sterven, hebben na de dood geen beter leven.

27. Of vrijwillige dood nagestreefd moet worden om zonde te vermijden.
Er blijft één reden over voor zelfmoord die ik eerder noemde, en die als een goede wordt beschouwd, namelijk om te voorkomen dat men in zonde vervalt, hetzij door de verlokkingen van genot, hetzij door de hevigheid van pijn. Als deze reden goed was, dan zouden we mensen ertoe aangezet worden om zichzelf onmiddellijk te vernietigen, zodra ze gewassen zijn in het wasbekken van wedergeboorte en de vergeving van alle zonden hebben ontvangen. Dan is het tijd om aan alle toekomstige zonden te ontsnappen, wanneer alle vroegere zonden zijn uitgewist. En als deze ontsnapping rechtmatig door zelfmoord wordt verzekerd, waarom dan niet juist dan? Waarom houdt een gedoopte persoon zijn hand tegen om zijn eigen leven te nemen? Waarom stelt iemand die bevrijd is van de gevaren van dit leven zichzelf er weer aan bloot, wanneer hij zo gemakkelijk de macht heeft om zich van ze allemaal te ontdoen, en wanneer er geschreven staat: “Hij die gevaar liefheeft, zal erin vallen?”[76] Waarom houdt hij van, of staat hij tenminste oog in oog met, zoveel ernstige gevaren, door in dit leven te blijven waaruit hij rechtmatig kan vertrekken? Maar is iemand zo verblind en verdraaid in zijn morele natuur, en zo ver van de waarheid afgedwaald,[pagina 39] als te denken dat, hoewel een mens zichzelf zou moeten wegdoen uit angst om door de onderdrukking van één man, zijn meester, tot zonde te worden verleid, hij toch zou moeten leven en zichzelf zo bloot zou moeten stellen aan de uurlijkse verleidingen van deze wereld, zowel aan al die kwalen die de onderdrukking van één meester met zich meebrengt, als aan talloze andere ellenden waarin dit leven ons onvermijdelijk betrekt? Welke reden is er dan voor onze tijd te verspillen aan die vermaningen waarmee we de gedoopten proberen te bezielen, hetzij tot maagdelijke kuisheid, of persoonlijke onthouding, of huwelijkstrouw, wanneer we zo’n veel eenvoudigere en beknoptere methode van bevrijding van zonde hebben, door hen die net gedoopt zijn te overtuigen een einde te maken aan hun leven, en zo zuiver en goed geconditioneerd tot hun Heer over te gaan? Als iemand denkt dat zo’n overreding geprobeerd moet worden, zeg ik niet dat hij dwaas is, maar krankzinnig. Met welk gezicht kan hij dan tegen een man zeggen: “Dood uzelf, opdat u aan uw kleine zonden niet een afschuwelijke zonde toevoegt, terwijl u leeft onder een onkuise meester, wiens gedrag dat van een barbaar is?” Hoe kan hij dit zeggen, als hij niet zonder slechtheid kan zeggen: “Dood uzelf, nu u van al uw zonden gewassen bent, opdat u niet opnieuw in soortgelijke of zelfs verergerde zonden vervalt, terwijl u leeft in een wereld die zo’n macht heeft om te verleiden met haar onreine genoegens, te kwellen met haar vreselijke wreedheden, te overwinnen met haar dwalingen en verschrikkingen?” Het is slecht om dit te zeggen; het is daarom slecht om uzelf te doden. Want als er een rechtvaardige reden voor zelfmoord zou kunnen zijn, zou dit zo zijn. En aangezien zelfs dit niet zo is, is er geen.

28. Door welk oordeel van God de vijand zijn lusten mocht botvieren op de lichamen van christenen op het vasteland.
Laat uw leven dan geen last voor u zijn, gij trouwe dienaren van Christus, ook al werd uw kuisheid tot een speelbal van uw vijanden. U hebt een grote en ware troost, als u een goed geweten behoudt en weet dat u niet hebt ingestemd met de zonden van hen die toestemming kregen om zondige verontwaardiging over u te plegen. En als u zou vragen waarom deze toestemming werd verleend, dan is het inderdaad een diepe voorzienigheid van de Schepper en Bestuurder van de wereld; en “ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onvindbaar Zijn wegen.”[77] Niettemin,[pagina 40] ondervraag trouw uw eigen zielen, of u niet onnodig opgeblazen bent door uw integriteit, en zelfbeheersing, en kuisheid; en of u niet zo begerig bent geweest naar de menselijke lof die aan deze deugden wordt toegekend, dat u jaloers bent geweest op sommigen die ze bezaten. Ik, voor mijn part, ken uw harten niet, en daarom beschuldig ik u niet; ik hoor zelfs niet wat uw harten antwoorden als u ze ondervraagt. En toch, als ze antwoorden dat het is zoals ik heb verondersteld dat het zou kunnen zijn, verwonder u dan niet dat u datgene bent verloren waarmee u de lof van mensen kunt winnen, en datgene behoudt wat niet aan mensen kan worden getoond. Als u niet hebt ingestemd met de zonde, was dat omdat God Zijn hulp aan Zijn genade toevoegde, zodat het niet verloren zou gaan, en omdat schande voor mensen de menselijke glorie volgde, zodat het niet geliefd zou worden. Maar in beide opzichten hebben zelfs de kleinmoedigen onder u een troost, goedgekeurd door de ene ervaring, getuchtigd door de andere; gerechtvaardigd door de ene, gecorrigeerd door de andere. Wat betreft degenen wier harten, wanneer ze ondervraagd worden, antwoorden dat ze nooit trots zijn geweest op de deugd van maagdelijkheid, weduwschap of huwelijkskuisheid, maar, neerbuigend tot degenen van lage stand, zich met beving verheugden in deze gaven van God, en dat ze nooit iemand hebben benijd om de gelijke voortreffelijkheden van heiligheid en zuiverheid, maar dat ze boven de menselijke toejuiching uitstegen, die gewoonlijk overvloedig is in verhouding tot de zeldzaamheid van de toegejuichte deugd, en eerder wensten dat hun eigen aantal zou toenemen, dan dat door de kleinheid van hun aantal ieder van hen zou opvallen; zelfs zulke gelovige vrouwen, zeg ik, moeten niet klagen dat de barbaren toestemming kregen om hen zo grof te kwetsen; noch moeten ze zichzelf toestaan ​​te geloven dat God hun karakter over het hoofd zag toen Hij daden toeliet die niemand ongestraft begaat. Want sommige meest flagrante en goddeloze verlangens worden op dit moment vrij spel gegeven door het geheime oordeel van God, en zijn gereserveerd voor het openbare en uiteindelijke oordeel. Bovendien is het mogelijk dat die christelijke vrouwen, die zich niet bewust zijn van enige onterechte trots vanwege hun deugdzame kuisheid, waardoor ze zondeloos het geweld van hun gevangennemers hebben verdragen, toch een sluimerende zwakte hadden die hen tot een trotse en verachtelijke houding had kunnen verleiden, als ze niet waren onderworpen aan de vernedering die[pagina 41] overkwam hen bij de inname van de stad. Zoals dus sommige mannen door de dood werden weggenomen, opdat geen slechtheid hun gemoed zou veranderen, zo waren deze vrouwen verontwaardigd, opdat voorspoed hun bescheidenheid niet zou bederven. Noch die vrouwen, die al opgeblazen waren door de omstandigheid dat ze nog maagd waren, noch zij die zo opgeblazen hadden kunnen zijn als ze niet waren blootgesteld aan het geweld van de vijand, verloren hun kuisheid, maar wonnen veeleer nederigheid: de eersten werden gered van de trots die ze al koesterden, de laatsten van de trots die binnenkort op hen zou zijn gegroeid.
Wij moeten verder opmerken dat sommigen van die lijders wellicht hebben begrepen dat onthouding een lichamelijk goed is, en blijft zolang het lichaam onschendbaar is, en niet begrepen dat de zuiverheid van zowel het lichaam als de ziel rust op de standvastigheid van de wil, versterkt door Gods genade, en niet met geweld van een onwillige persoon kan worden afgenomen. Van deze dwaling zijn zij nu waarschijnlijk verlost. Want wanneer zij bedenken hoe gewetensvol zij God dienden, en wanneer zij zich weer vestigen in de vaste overtuiging dat Hij in geen geval degenen kan verlaten die Hem zo dienen en zo Zijn hulp inroepen; en wanneer zij bedenken, wat zij niet kunnen betwijfelen, hoe welgevallig Hem kuisheid is, worden zij opgesloten tot de conclusie dat Hij deze rampen nooit zou hebben kunnen toestaan ​​Zijn heiligen te treffen, als door hen die heiligheid zou kunnen worden vernietigd die Hij Zelf aan hen had geschonken, en die Hij graag in hen ziet.

29. Wat de dienaren van Christus moeten zeggen als antwoord aan de ongelovigen die hen verwijten dat Christus hen niet heeft gered van de woede van hun vijanden.
De hele familie van God, de allerhoogste en meest ware, heeft daarom een ​​eigen troost, een troost die niet kan bedriegen en die een zekerder hoop in zich heeft dan de wankelende en vallende zaken van de aarde kunnen bieden. Zij zullen de discipline van dit tijdelijke leven niet weigeren, waarin zij worden geschoold voor het eeuwige leven; noch zullen zij hun ervaring ervan betreuren, want de goede dingen van de aarde gebruiken zij als pelgrims die niet door hen worden vastgehouden, en haar kwalen bewijzen of verbeteren hen. Wat betreft degenen die hen beledigen in hun beproevingen, en wanneer kwalen hen overkomen zeggen: “Waar is uw God?”[78] We kunnen hen vragen waar hun goden zijn als ze de rampen ondergaan die hen overkomen.[pagina 42] om dat te vermijden aanbidden ze hun goden, of beweren dat ze aanbeden zouden moeten worden; want de familie van Christus wordt voorzien van haar antwoord: onze God is overal aanwezig, geheel overal; niet beperkt tot een plaats. Hij kan onopgemerkt aanwezig zijn en afwezig zijn zonder te bewegen; wanneer Hij ons blootstelt aan tegenslagen, is het om onze volmaaktheden te bewijzen of onze onvolmaaktheden te corrigeren; en in ruil voor ons geduldig verdragen van het lijden van de tijd, reserveert Hij voor ons een eeuwige beloning. Maar wie bent u, dat wij ons zouden verwaardigen om met u te spreken, zelfs over uw eigen goden, veel minder over onze God, die “te vrezen is boven alle goden? Want alle goden van de volken zijn afgoden; maar de Heer heeft de hemelen gemaakt.”[79]

30. Dat degenen die klagen over het christendom, in werkelijkheid ongeremd in schandelijke weelde willen leven.
Als de beroemde Scipio Nasica nu nog zou leven, die ooit uw paus was en unaniem door de senaat werd gekozen, toen men in de paniek die door de Punische oorlog was ontstaan, op zoek ging naar de beste burger om de Frygische godin te vermaken, zou hij deze schaamteloosheid van u beteugelen, hoewel u misschien nauwelijks het gelaat van zo’n man zou durven aanschouwen. Want waarom klaagt u in uw ellende over het christendom, tenzij omdat u ongeremd van uw luxueuze vrijheid wilt genieten en een verlaten en losbandig leven wilt leiden zonder onderbreking door enig ongemak of ramp? Want uw verlangen naar vrede, voorspoed en overvloed wordt zeker niet ingegeven door enig doel om deze zegeningen eerlijk te gebruiken, dat wil zeggen met matigheid, soberheid, matigheid en vroomheid; want uw doel is veeleer om los te gaan in een eindeloze verscheidenheid aan dwaze genoegens en zo uit uw voorspoed een morele plaag te genereren die duizendmaal rampzaliger zal blijken te zijn dan de felste vijanden. Het was zo’n ramp als deze dat Scipio, uw opperpriester, uw beste man naar het oordeel van de hele senaat, vreesde toen hij weigerde akkoord te gaan met de vernietiging van Carthago, Rome’s rivaal; en zich verzette tegen Cato, die de vernietiging ervan adviseerde. Hij vreesde veiligheid, die vijand van zwakke geesten, en hij zag in dat een gezonde angst een geschikte beschermer voor de burgers zou zijn. En[pagina 43] hij had zich niet vergist: de gebeurtenis bewees hoe wijs hij had gesproken. Want toen Carthago werd verwoest en de Romeinse republiek werd bevrijd van haar grote oorzaak van angst, volgde er onmiddellijk een menigte rampzalige kwalen uit de voorspoedige toestand van zaken. Eerst werd de eendracht verzwakt en vernietigd door felle en bloedige opstanden; daarna volgden, door een aaneenschakeling van onheilspellende oorzaken, burgeroorlogen, die in hun kielzog zulke slachtpartijen, zulk bloedvergieten, zulke wetteloze en wrede proscriptie en plundering met zich meebrachten, dat die Romeinen die in de dagen van hun deugd alleen schade hadden verwacht van de handen van hun vijanden, nu hun deugd verloren was, grotere wreedheden leden van de handen van hun medeburgers. De lust om te heersen, die met andere ondeugden onder de Romeinen in meer ongemitigeerde intensiteit bestond dan onder enig ander volk, nadat het bezit had genomen van de machtiger weinigen, onderwierp het onder zijn juk de rest, versleten en vermoeid.

Lees verder “THE CITY OF GOD (De stad van God)Volledig werk van Augustinus !!!!”

Ambrosius to Augustinus : Als je in Rome bent, leef dan zoals de Romeinen leven……

ROME

“Als je in Rome bent, leef dan zoals de Romeinen leven.

Als je ergens anders bent, leef dan zoals zij elders leven.”

Ambrosius, bisschop van Milaan

(ca 387-390)

(Advies van Ambrosius aan St.  Augustinus, toen

Augustinus naar Milaan verhuisde

en ontdekte dat zij niet vastten op

zaterdag vastte zoals zijn Romeinse congregatie deed).

Ambrose of Milan

Augustinus : Omwille van Uw barmhartigheid……

border 349 (1)

MUST

Omwille van uw barmhartigheid Door Sint-Augustinus (354-430) Kerkvader

Zeg mij ter wille van Uw barmhartigheid, o Heer, mijn God, wat U voor mij bent. Zeg tegen mijn ziel: “Ik ben uw redding.” Spreek dus opdat ik het mag horen, o Heer,  mijn hart luistert, open het, opdat het U mag horen, en zeg tot mijn ziel: “Ik ben uw redding.” Moge ik, na het horen van dit woord, haastig komen om U vast te grijpen.

Verberg Uw aangezicht niet voor mij. Laat mij Uw aangezicht zien, zelfs als ik sterf, opdat ik niet sterf van verlangen om het te zien.

Het huis van mijn ziel is te klein om U te ontvangen; laat het door U vergroot worden. Het ligt allemaal in puin, repareer je het. Ik beken dat er dingen in zitten die U moeten beledigen. Maar wie zal het reinigen? Of tot welke anderen dan U zal ik het uitroepen? Reinig mij van mijn verborgen zonden, o Heer, en van die van anderen, spaar Uw dienaar.

Amen

Gedachten over Gods nederigheid : Augustinus aan het woord…. deel 2

3ab4af1a5debd06f3b24b5ad5a4051cf

kerk

.

Gedachten over Gods nederigheid : Augustinus aan het woord…. (deel 4-5en 6)

4. MEESTER IN NEDERIGHEID

Toen het evangelie werd voorgelezen, hoorden we dat ons geloof werd geprezen in een voorbeeld van nederigheid. Ja want toen de Heer Jezus beloofde dat Hij naar het huis van de honderdman zou komen om diens kind te genezen (Mt 8,5-7), zei de honderdman : “Ik ben het niet waard,” zei de honderdman dat Uw onder mijn dak komt, maar spreek slechts één woord en mijn kind zal beter worden,” zei de honderdman, en daarmee bewees dat hij het wel waard was om Christus te ontvangen; niet in zijn huis maar inzijn hart. Hij zou dat toch nooit zeggen met zo’n geloof en zo nederig, als hij Christus niet in zijn hart droeg ? Hij had zo’n ontzag voor Christus dat hij vond dat hij het niet waard was om Hem in zijn huis te ontvangen. Want hij zou er niet bepaald beter van worden, als de Heer Jezus wel zijn huis binnenkwam maar niet in zijn hart verbleef.
De meester in de nederigheid , zowel als in daad, heeft zelfs aangezeten in het huis van een hoogmoedige farizeeër, die Simon heette (Lc 7,26). En hoewel Christus in diens huis aanlag, was er in Simons hart niets waarop de mensenzoon het hoofd kon neerleggen (Mt 8,20 en LC 9,58.
Uit Sermo 62,1)
Uit een preek, gehouden in Hippo Regius op een maandag 425 en430 over Jezus’ uitnodiging aan vermoeide en belaste mensen (Mt 11,28-29).

————————-

5. MAATSTAF VAN NEDERIGHEID

Verlangt u ernaar om gelukkig te zijn ? Kom bij Hem die u toeroept :”Ik zal u verkwikken.? U hoeft alleen maar te doen wat Hij zegt : leren. “Leer van Mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart.” Want u houdt voortdurend uw buurman in het oog, die rijk is, bezit heeft en die hoogmoedig is. Door de hele tijd op hem te letten en door u aan hem te spiegelen wordt u ook hoogmoedig. Nederig wordt u alleen als u Hem in het oog houdt, die zich voor u heeft vernederd. Wat u van mensen niet kunt leren moet u van Christus leren Hij is de maatstaf van de nederigheid Wie zich naar Hem richt, wordt gevormd door nederig te zijn om later te worden geëerd door verheven te worden. Want hoe zag Christus eruit ? Hoewel Hij bestond in de gestalte van God heeft Hij het niet als roof beschouwd gelijk aan God te zijn, maar Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en de gestalte van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd. Hij werd gehoorzaam tot de dood, de dood aan een kruis. Dat zegt de schrift erover (Fil 2,6-7).En als er niet bij had gestaan : de dood aan het kruis, zou het nog niet duidelijk zijn hoe groot zijn nederigheid was. De joden beschouwden zo’n dood namelijk als een grote schande. En uitgerekend die dood, die zo’n grote schande inhield, heeft Hij op zich genomen om de mensen te belonen die zich niet voor zijn nederigheid schamen. Tot hoever wilde Hij gaan in het wegsnijden van het gezwel van uw hoogmoed ? Tot schande van het kruis.
Uit Sermo 68,11

Uit een preek waarover verder niets bekend is.

————————–


6. GOD IS NEDERIG ! JIJ NOG TROTS ?

Als God naar je omziet, laat Hij je dan in nederigheid vinden want dan veroordeelt Hij je niet. Dat heeft Hij zelf gezegd. Dat heeft Hij zelf tijdens die bijeenkomst verklaard. Tot Tot dit heil heeft hijzelf het hele menselijk geslacht geroepen : “Leer van Mij,” (Mt 11:29). Hij was in het begin (Joh1,1).

Kan het verhevener ? Het Woord is vlees geworden (Joh 1,14) Kan het nederiger ? Hij heerst over de wereld (Ps8,2 en 10). Kan het verhevener ? Hij hangt aan het kruis (Mt 27,35).Kan het nederiger ? Als Hij zoiets voor jou heeft gedaan, mens, hoe druf je je dan nog verheffen, hoe durf jeje dan nog op te blazen ? Arrogant, dat is wat je bent. God is nederig, en dan durf jij nog trots te zijn ? In een psalm staat dat de Heer, hoe verheven Hij ook is, omziet naar de nederige (Ps 138,6)
Daarom zeg jij misschien : “Naar mij ziet Hij niet om.” Kan er iemand ongelukkiger zijn dan jij? Achteraan jij, als God niet naar je omziet, maar op je neerziet ? Achter naar iemand omzien zit medelijden. Achter naar iemand neerzien zit verachting. Omdat er staat dat de Heer alleen de nederige ziet, denk je misschien wel dat je je voor Hem kunt verbergen. Want je bent niet nederig ! Je bent verheven, je bent trots.

Je kunt je hier op aarde niet voor de ogen van God verbergen. Kijk maar wat Hij in een psalm zegt : “De Heer is verheven.” Jazeker, verheven. Ben je soms op zoek naar een ladder om bij Hem te kunnen komen ? zoek dan liever naar het hout van de nederigheid, dan ben je al bij Hem De Heer ziet de nederige, hoe verheven Hij ook is. Maar de verhevene doorgrondt Hij van verre, want denk maar niet dat iemand die trots is, zich kan verbergen. God doorgrondt hem, ja, maar van verre. De zondaars staan mijlenver van zijn heil (Ps 119,155). En de nederige dan ? Die staat er vlakbij. Wat heeft de Almachtige dat wonderlijk slim bedacht ! God is verheven en ziet van vlakbij om naar de nederige, die laag is. De trotse is hoog en God in zijn verhevenheid doorgrondt hem van ver. Als je je hart vermorzeld hebt, is de Heer nabij, Hij zal de nederige van geest bevrijden (Ps 34,19).

Dus, broeders en zusters, laat de trots niet tot een gezwel worden, maar indrogen. Wees er beducht voor, probeer er vanaf te komen. De nederige, dat is de christen die door Christus gezocht wordt, door Christus in de hemel, Christus met ons, Christus in de onderwereld, niet om daar in de onderwereld vastgehouden te worden, maar om daar verlossing te brengen. Zo’n leider hebben wij. Terwijl Hij aan de rechterhand van de Vader zit, brengt Hij ons van de aarde bijeen, de één zus, de ander zo. De één staat Hij bij, de ander tuchtigt Hij ; de een maakt Hij blij, de ander pijnigt Hij. Hij die bijeenbrengt, ons bijeenbrengen. Laat Hij ons bijeenbrengen, want dan gaan we niet verloren. Laat Hij ons bijeenbrengen, want dan gaan we niet verloren. Laat Hij ons daar bijeenbrengen waar we niet verloren kunnen gaan, het land van de levenden (Ps 116,9), waar verdiensten worden beloond en waar rechtvaardigheid wordt gekroond.

Uit Sermo 70A,2
Uit een preek over Joh1,1 gehouden in 418.

Bron : Uit Tussen kribbe en kruis – Gedachten over Gods nederigheid – Augustijnse beweging.nl

St Franciscus van Assisi : Laten we aandacht besteden, al mijn broeders, aan wat de Heer zegt…..

Assisi

Laten we aandacht besteden, al mijn broeders, aan wat de Heer
zegt: “Heb uw vijanden lief en doe goed aan degenen die
u haten”, want onze Heer Jezus Christus, Wiens voetafdrukken
we moeten volgen (1 Petrus 2:21), genaamd Zijn verrader
“vriend” (Mt 26:21), en gaf Zichzelf gewillig aan
Degenen die Hem kruisigden.
Onze vrienden zijn dus allen die
ons ten onrechte beproevingen en beproevingen, schaamte en verwondingen,
verdriet en kwellingen, martelaarschap en dood aandoen!
We moeten enorm veel van ze houden, want we zullen het eeuwige
leven bezitten vanwege wat ze over ons brengen.’
Sint Franciscus van Assisi (c1181-1226)

Ambrosius van MIlaan…..

border asz

Ambrosius : God, het Woord, wekt de luiaard op en wekt de slaper….

“God, the Word, stirs up the lazy and arouses the sleeper. For indeed, someone who comes knocking at the door is always wanting to come in. But, it depends on us, if He does not always enter or always remain. May your door be open to Him Who comes; open your soul, enlarge your spiritual capacities, that you may discover the riches of simplicity, the treasures of peace and sweetness of grace. Expand your heart, run to meet the Sun of that Eternal Light that “enlightens everyone” (Jn 1,9). It is certain, that this true Light shines for all but, if anyone shuts their windows, then they themselves shut themselves off from this Eternal Light

So even Christ remains outside, if you shut the door of your soul. It is true that He could enter but He does not want to use force, He does not put those who refuse under pressure. Descended from the Virgin, born from her womb, He shines throughout the universe to give light to all. Those who long to receive the Light, that shines with an everlasting brightness, open up to Him. No night comes to intervene. Indeed, the sun we see each day gives way to night’s darkness but the Sun of justice (Mal 3,20) knows no setting, for Wisdom is not overcome by evil.” – St Ambrose (340-397) Bishop of Milan and Father and Doctor of the Church – (12th Sermon on Psalm 118).

ambroos100

“God, het Woord, wekt de luiaard op en wekt de slaper. Want inderdaad, iemand die aan de deur klopt, wil altijd binnenkomen. Maar het hangt van ons af of Hij niet altijd binnenkomt of altijd blijft. Moge uw deur openstaan ​​voor Hem die komt; open uw ziel, vergroot uw geestelijke vermogens, zodat u de rijkdommen van de eenvoud, de schatten van de vrede en de zoetheid van de genade kunt ontdekken. Verruim uw hart, ren de Zon van dat Eeuwige Licht tegemoet dat “ iedereen verlicht ” (Joh. 1,9). Het is zeker dat dit ware Licht voor iedereen schijnt, maar als iemand zijn ramen sluit, dan sluit hij zichzelf af voor dit Eeuwige Licht.
Dus zelfs Christus blijft buiten, als je de deur van je ziel sluit. Het is waar dat Hij binnen zou kunnen komen, maar Hij wil geen geweld gebruiken, Hij zet degenen die weigeren niet onder druk. Afgedaald uit de Maagd, geboren uit haar schoot, schijnt Hij door het heelal om iedereen licht te geven. Degenen die verlangen het Licht te ontvangen, dat schijnt met een eeuwige helderheid, stellen zich voor Hem open. Geen nacht komt tussenbeide. Inderdaad, de zon die we elke dag zien, maakt plaats voor de duisternis van de nacht, maar de Zon van gerechtigheid (Mal. 3,20) kent geen ondergang, want de Wijsheid wordt niet overwonnen door het kwaad.” – Sint Ambrosius (340-397) Bisschop van Milaan en Vader en Kerkleraar – ( 12e Preek over Psalm 118 ).

 

Uit de Didachè : wees ten alle tijde waakzaam……..

telenet

“Wees te allen tijde waakzaam en bid

dat u de kracht zult hebben

om te ontkomen aan de verdrukkingen die binnenkort komen,

en om te kunnen staan ​​voor de Mensenzoon… ”

 

Lucas 21:36

“ Waak” over uw leven. …

Schapen zullen veranderen in wolven

en liefde in haat.

Met de toename van ongerechtigheid

zullen mensen

elkaar haten, vervolgen en verraden.

Dan zal de wereldbedrieger

verschijnen in de vermomming van Gods Zoon.

Hij zal “tekenen en wonderen” doen

en de aarde zal in zijn handen vallen.

Hij zal wandaden begaan

zoals nooit eerder zijn gebeurd. Dan zal de mensheid tot de “vurige beproeving”

komen en velen zullen afvallen “en omkomen”.

 

Onbekende auteur uit de 1e eeuw

van dit vroege traktaat (Didache, 16)

Liederen om te bezinnen…..

De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen en juichen.
De rotsen die staan
Vanaf de dagen der schepping
Staan vol water, maar dicht.
De rotsen gaan open.
Het water zal stromen,
Het water zal tintelen, stralen,
Dorstigen komen en drinken.
De steppe zal drinken.
De steppe zal bloeien.
De steppe zal lachen en juichen.

De ballingen keren.
Zij keren met blinkende schoven.
Die gingen in rouw
Tot aan de einden der aarde,
één voor één, en voorgoed.
Die keren in stoeten.
Als beken vol water,
Als beken vol toesnellend water,
Schietend omlaag van de bergen.
Als lachen en juichen.
Die zaaiden in tranen,
Die keren met lachen en juichen.

De dode zal leven.
De dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan en onder stenen bedolven:
Dode, dode, sta op,
Het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
Een stem zal ons roepen:
Ik open hemel en aarde en afgrond
En wij zullen horen.
En wij zullen opstaan
En lachen en juichen en leven.

Tekst: Huub Oosterhuis, bij Jesaja 35
Melodie: Antoine Oomen

Onze Vader verborgen

Onze Vader verborgen….
Onze vader verborgen
uw naam worde zichtbaar in ons
uw koninkrijk kome op aarde
uw wil geschiede,
een wereld met bomen tot in de hemel,
waar water schoonheid, en brood
gerechtigheid is, en genade –

waar vrede niet hoeft bevochten
waar troost en vergeving is
en mensen spreken als mensen
waar kinderen helder en jong zijn,
dieren niet worden gepijnigd
nooit één mens meer gemarteld,
niet één mens meer geknecht.

Doof de hel in ons hoofd
leg uw woord op ons hart
breek het ijzer met handen
breek de macht van het kwaad.

Van U is de toekomst
kome wat komt.

Tekst: Huub Oosterhuis, muziek: T. Löwenthal

Veel te laat heb ik jou lief gekregen..

VEEL TE LAAT…..

Hieronder één van de mooiste teksten van Sint-Augustinus (in een vertaling van Huub Oosterhuis).

Schoonheid
Veel te laat heb ik jou lief gekregen
schoonheid wat ben je oud wat ben je nieuw
veel te laat heb ik jou lief gekregen.
Binnen in mij was je, ik was buiten
en ik zocht jou als een ziende blinde
buiten mij, en uitgestort als water
liep ik van jou weg en liep verloren
tussen zoveel schoonheid die niet jij was.
Toen heb jij geroepen en geschreeuwd,
door mijn doofheid ben jij heengebroken.
Oogverblindend ben jij opgedaagd
om mijn blindheid op de vlucht te jagen.
Geuren deed jij en ik haalde adem,
nog snak ik naar adem en naar jou.
Proeven deed ik jou en sindsdien dorst ik,
honger ik naar jou. Mij, lichtgeraakte,
heb jij doen ontbranden. En nu brand ik
lichterlaaie naar jou toe, om vrede.


Deze tekst gezongen door Koorgroep ’t Zand o.l.v. Rob Holleman aan de vleugel Martin Lorijn
tekst Huub Oosterhuis
melodie: Antoine Oomen

 

Houd elkander vast

Een lied van Huub Oosterhuis, gezongen door Jonathan Vroege.

Houd elkander vast,
blus de geest niet uit,
maak elkaar niet klein.
Die ons maakte uit niets,
laat niet varen
het werk van Zijn handen.

Van Hem is de toekomst,
kome wat komt,
licht dat niet dooft,
liefde die blijft.

Houd elkander vast,
blus de geest niet uit,
maak elkaar niet klein.
Hoor een stem:
“Ik maak alle dingen nieuw,
ik zal de tranen uit je ogen wissen
en de dood zal niet meer zijn.”

Van Hem is de toekomst,
kome wat komt,
licht dat niet dooft,
liefde die blijft.

Tekst: Huub Oosterhuis
Melodie: Brigit Calame

Licht dat ons aanstoot in de morgen – Huub Oosterhuis /gezongen door zijn dochter Trijntje Oosterhuis.

Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
en hoe onzegbaar ons nabij.
Gij zijt gestadig met ons bezig,
onder uw vleugels rusten wij.

Gij zijt niet ver van wie U aanbidden,
niet hoog en breed van ons vandaan.
Gij zijt zo mens´lijk in ons midden
dat Gij dit lied wel zult verstaan.

Gij zijt onzichtbaar voor onze ogen
en niemand heeft U ooit gezien.
Maar wij vermoeden en geloven
dat Gij ons draagt, dat Gij ons dient.

Gij zijt in alles diep verscholen,
in al wat leeft en zich ontvouwt.
Maar in de mensen wilt Gij wonen
met hart en ziel aan ons getrouwd.

Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
waar ook ter wereld mensen zijn.
Blijf zo genadig met ons bezig,
tot wij in U volkomen zijn.

Tekst: Huub Oosterhuis
Melodie: 16e eeuw – ‘Slaat op den trommele’

Uit vuur en ijzer – Huub Oosterhuis

Groter dan mijn hart – Huub Oosterhuis

AMEN, AMEN, AMEN

Augustinus : Over de zorg voor de doden …….

Augustinus :  “On the care of the dead/Over de zorg voor de doden” : deel 16 tot 20

 

16. Toon respect voor de doden

16. St. Augustinus werpt licht op dat moeilijke verhaal in 1 Koningen 13, waar een profeet wordt neergeslagen omdat hij een andere leugenachtige profeet geloofde. Hij leert dat we met zware tijdelijke straffen te maken kunnen krijgen als we ongehoorzaam zijn, zelfs als we worden misleid. Het verlies van aards leven is niet het ergste. Deze les is vandaag de dag vooral van toepassing. Er worden veel misleidingen uitgesproken door mensen die beweren een boodschap van God te hebben, maar toch moeten we onze ogen gericht houden op wat God consequent door de Kerk heeft geopenbaard.

seduced

Met deze bedoeling behaagde het de Heer namelijk om Zijn dienaar te straffen, die niet uit eigen weerzin had afgewezen Zijn gebod uit te voeren, maar door bedrog van de onwaarheid van iemand anders dacht dat hij gehoorzaamde terwijl hij niet gehoorzaamde. Want men moet niet denken dat hij door de tanden van het beest werd gedood als iemand wiens ziel vervolgens zou worden weggerukt naar de kwellingen van de hel: aangezien over zijn lichaam dezelfde leeuw die het had gedood de wacht hield, terwijl bovendien bleef het beest waarop hij reed ongedeerd, en samen met dat woeste beest stond het met onverschrokken aanwezigheid daar naast het lijk van zijn meester. Uit welk wonderbaarlijk teken blijkt dat de man van God, zeg maar, tijdelijk zelfs tot de dood werd belemmerd, dan dat hij na de dood werd gestraft. Over dit onderwerp zei de apostel, toen hij vanwege bepaalde overtredingen de ziekten en dood van velen had genoemd: Want als we onszelf zouden oordelen, zouden we niet door de Heer geoordeeld worden. Maar als we geoordeeld worden, worden we door de Heer gekastijd, zodat we niet samen met de wereld veroordeeld worden. Die Profeet, waarlijk de man die hem had verleid, begroef hem met veel respect in zijn eigen graf, en gaf opdracht om hem naast zijn beenderen te begraven: in de hoop dat daardoor zijn eigen beenderen gespaard zouden blijven, terwijl, volgens de Volgens de profetie van die man van God heeft Josia, de koning van Juda, in dat land de beenderen van vele doden opgegraven, en met dezelfde beenderen de heiligschennisaltaren verontreinigd die voor de gesneden beelden waren opgericht. Want hij spaarde het graf waarin de profeet lag die meer dan driehonderd jaar geleden deze dingen had voorspeld, en ter wille van hem werd ook het graf van hem die hem had verleid niet geschonden.

++++++++++++++++++++++

17. God liet de martelaren toe

17. God heeft de dood van de martelaren en de ontwijding van hun lichamen toegestaan, als een getuigenis voor de wereld dat de liefde voor God en het vertrouwen in Zijn vermogen om het lichaam weer tot leven te wekken de angst voor vervolging, marteling en dood overwint. Dit getuigenis kan ons vandaag inspireren om ons vertrouwen op God te stellen.

able

Door die genegenheid namelijk, die ervoor zorgt dat niemand ooit zijn eigen vlees haat, had deze man goed op zijn karkas gelet, die met een leugen zijn eigen ziel had gedood. Vanwege deze natuurlijke liefde die ieder mens voor zijn eigen vlees koestert, was het voor de één een straf om te horen dat hij niet in het graf van zijn vader mocht zijn, en voor de ander een zorg om vooraf orde op zaken te stellen. dat zijn eigen beenderen gespaard zouden blijven, als hij naast hem zou liggen wiens graf niemand zou mogen schenden. Deze genegenheid hebben de Martelaren van Christus, strijdend voor de waarheid, overwonnen: en het is geen wonder dat ze datgene verachtten waarvan ze, toen de dood voorbij was, geen gevoel zouden hebben, terwijl ze dat niet konden door die martelingen, die ze tijdens hun leven wel voelden. overwonnen worden. God was ongetwijfeld in staat (ook al stond Hij niet toe dat de leeuw, toen hij de Profeet had gedood, zijn lichaam verder aanraakte, en van een moordenaar maakte hij het tot een hoeder): Hij was in staat, zeg ik, om zijn lichaam te behouden. de gedode lichamen van Hemzelf, afkomstig van de honden waarnaar ze waren geslingerd; Hij was in staat om op talloze manieren de woede van de mannen zelf af te schrikken, dat ze het niet zouden durven om de karkassen te verbranden, de as te verstrooien: maar het was passend dat deze ervaring ook niet zou ontbreken aan de vele verschillende verleidingen. opdat de standvastigheid van de belijdenis, die niet zou wijken voor de wreedheid van de vervolging, die niet zou wijken voor de redding van het leven van het lichaam, bevend zou verlangen naar de eer van een graf: in één woord, opdat het geloof van de redding niet zou wijken voor de wreedheid van de vervolging , zou bevend moeten verlangen naar de eer van een graf: in één woord: opdat het geloof in de opstanding niet bang zou zijn voor het verteren van het lichaam.

++++++++++++++++++++

18. Het zijn de levenden die troost vinden in begrafenissen

18. Hoewel misbruik van de lichamen van de martelaar geen extra schade veroorzaakte aan de zielen van de martelaar, veroorzaakte het wel groot verdriet bij degenen die achterbleven en de laatste eer wilden bewijzen aan de stoffelijke resten van de heiligen. Het zijn de levenden die het meest lijden onder het gebrek aan waardigheid dat aan de doden wordt betaald.

possible

Het was toen passend dat zelfs deze dingen werden toegestaan, zodat, zelfs na deze voorbeelden van zo grote verschrikking, de martelaren, vurig in de belijdenis van Christus, ook getuigen zouden worden van deze waarheid, waarin ze hadden geleerd dat ze door wie hun lichamen moesten worden gedood, konden ze daarna niets meer doen. Omdat ze, wat ze ook met dode lichamen zouden doen, uiteindelijk niets zouden doen, aangezien het in het vlees verstoken van alle leven voor hem niet mogelijk was om iets te voelen die daar was vertrokken, noch voor Hem om er iets van te verliezen, Die de schepping schiep. hetzelfde. Maar terwijl deze dingen de lichamen van de gesneuvelden aandeden, leden de Martelaren, die er niet door bang voor waren, met grote kracht, toch was er onder de broeders een buitengewoon verdriet, omdat hun geen middel werd gegeven om de laatste eer aan hen te betalen. de overblijfselen van de heiligen, noch het in het geheim terugtrekken van enig deel daarvan (zoals dezelfde geschiedenis getuigt), stond het toezicht op wrede wachters toe. Dus terwijl degenen die waren gedood, bij het uiteenscheuren van hun ledematen, bij het verbranden van hun botten, bij het verspreiden van hun as, geen ellende konden voelen; toch leden degenen die niets van hen hadden dat ze konden begraven, martelingen van buitengewoon verdriet omdat ze medelijden met hen hadden; want wat zij op geen enkele manier voelden, voelden deze op de een of andere manier wel voor hen, en waar er voortaan voor hen geen lijden meer was, leden zij toch in treurig medelijden voor hen.

+++++++++++++++++++++

19. Iemands ziel wordt niet beïnvloed door de behandeling van het lichaam

19. Van degenen die de lichamen van Saul en zijn zoon gingen ophalen, wordt gezegd dat ze gezegend zijn voor deze genade. Toch geloven wij niet dat iemands ziel wordt beïnvloed door de behandeling van zijn lichaam. Want het is goed, een daad van barmhartigheid, dat ons hart ertoe bewogen wordt voor de lichamen van de doden te zorgen.

blessed

Met betrekking tot die smartelijke ontferming die ik heb genoemd, worden zij geprezen, en door koning David gezegend, die aan de dorre beenderen van Saul en Jonathan barmhartigheid van de begrafenis schonken. Maar welke barmhartigheid is dat, die verleend wordt aan hen die niets voelen? Of is dit misschien terug te voeren op die voorstelling van een helse rivier waar mannen zonder begrafenis niet overheen konden? Verre zij dit van het geloof van de christenen; anders is het zeer slecht gegaan met zo’n grote menigte Martelaren, voor wie er geen begrafenis van hun lichamen kon zijn, en de Waarheid heeft hen bedrogen toen zij zei: Vrees hen niet die het lichaam doden, en daarna niets meer hebben dat zij kunnen doen, als deze in staat zijn geweest hen zo’n groot kwaad aan te doen, waardoor zij werden gehinderd om over te gaan naar de plaatsen waarnaar zij verlangden. Maar omdat dit zonder enige twijfel zeer vals is, en het de gelovigen geenszins schaadt dat hun lichamen niet worden begraven, noch dat het schenken van een begrafenis aan ongelovigen hen ten goede komt; maar omdat het een goede genegenheid is waarmee de harten van de medelijdende mensen worden geraakt, wanneer zij treuren om datgene in de dode lichamen van andere mensen, wat zij, door die genegenheid waardoor niemand ooit zijn eigen vlees haat, niet zouden hebben gedaan na hun eigen dood aan hun eigen lichamen; En wat zij door hen zouden willen laten doen wanneer zij geen gevoel meer zullen hebben, dat zij ervoor zorgen om door anderen te laten doen die nu geen gevoel hebben, terwijl zij zelf nog gevoel hebben?

++++++++++++++++++++

20. Dromen van de doden

20. Ga er niet van uit dat een droom waarin een overleden geliefde ons dingen vertelt, een communicatie is van voorbij de dood. Want hoewel deze soms waar zijn, zijn ze meestal zinloos en soortgelijke dromen zijn er van de levenden die ons later vertellen dat ze niet in onze dromen zijn uitgekomen.

ask

Er worden verhalen verteld over bepaalde verschijningen of visioenen, die in deze discussie een kwestie lijken te brengen die niet mag worden veronachtzaamd. Er wordt namelijk gezegd dat dode mensen soms in dromen of op een andere manier aan de levenden zijn verschenen die niet wisten waar hun lichamen onbegraven lagen, en dat zij hen de plaats hebben aangewezen en hen hebben vermaand dat zij de ontbrekende begrafenis zouden krijgen. Als wij antwoorden dat deze dingen onwaar zijn, zullen wij onbeschaamd geacht worden de geschriften van bepaalde gelovige mensen tegen te spreken, en de zintuigen van hen die ons verzekeren dat zulke dingen met henzelf zijn gebeurd. Maar er moet worden geantwoord dat hieruit niet volgt dat wij de doden moeten toerekenen dat zij zintuigen hebben voor deze dingen, omdat zij in dromen verschijnen om dit te zeggen of aan te geven of te vragen. Want levende mensen verschijnen ook vaak aan de levenden terwijl zij slapen, terwijl zij zelf niet weten dat zij verschijnen; en hun wordt verteld wat zij gedroomd hebben, namelijk dat de sprekers hen in hun droom iets zagen doen of zeggen. Als het dan gebeurt dat iemand in een droom mij ziet die hem wijst op iets dat is gebeurd of zelfs iets voorspelt dat gaat gebeuren, terwijl ik me daar helemaal niet van bewust ben en er totaal niet bij stilsta, niet alleen wat hij droomt, maar ook of hij wakker is terwijl ik slaap, of dat hij slaapt terwijl ik wakker ben, of dat we op hetzelfde moment allebei wakker zijn of slapen, op welk tijdstip hij de droom heeft waarin hij mij ziet: Wat zou het dan verbazen als de doden onbewust en ongevoelig zijn voor deze dingen en toch door de levenden in hun dromen worden gezien en iets zeggen waarvan zij bij het ontwaken de waarheid inzien?

+++++++++++++++++++++

 

 

Vanaf nu kunnen de geposte artikelen van Augustinus – samen bij elkaar gelezen worden bij de ‘categorieën’ onder de titel ‘On the care of the dead/ over de zorg voor de doden’.

De nummers van 6 tot 10 waren bij vergissing niet gepost – alles is nu in orde.

veel leesgenot…..

Kris Biesbroeck

Augustinus : On the care of the dead /over de zorg voor de doden : nr. 11-15…

image-1

11.Bid voor onze dierbare overledenen

11. De Kerk heeft zichzelf de opdracht gegeven om, als een vrome moeder, die iedereen gemeen heeft, smeekbeden tot God te richten voor de zielen van degenen die in christelijke en katholieke gemeenschap zijn heengegaan, onder een algemene herdenking, zodat hen die geen verwanten of vrienden hebben, petities kunnen worden aangeboden. voor hen.

BURIED

11. Wanneer het gemoed zich dus herinnert waar het lichaam van een zeer dierbare vriend begraven ligt, en er vervolgens in de gedachten een plaats opkomt die eerbiedwaardig is gemaakt met de naam van een martelaar, dan beveelt het diezelfde martelaar de ziel aan in genegenheid van innige herinnering en gebed. En wanneer deze genegenheid aan de overledenen wordt getoond door getrouwe mannen die hen het meest dierbaar waren, lijdt het geen twijfel dat het hen ten goede komt, die tijdens het leven in het lichaam verdienden dat zulke dingen hen na dit leven ten goede zouden komen. Maar zelfs al zou de een of andere noodzaak, bij gebrek aan alle faciliteiten, niet toelaten dat lichamen worden begraven, of op zulke plaatsen worden begraven, dan nog zou er geen voorbehoudsbedeling zijn van smeekbeden voor de geesten van de doden: welke smeekbeden, dat ze zouden worden gedaan voor allen die in christelijke en katholieke gemeenschap zijn heengegaan, zelfs zonder hun namen te noemen, onder een algemene herdenking heeft de Kerk zich belast met; met de bedoeling dat zij, die voor deze ambten geen ouders of zonen of welke verwanten of vrienden dan ook hebben, hetzelfde mogen krijgen van de ene vrome moeder die allen gemeen hebben. Maar als er geen smeekbeden zouden zijn van deze smeekbeden, die met juist geloof en vroomheid voor de doden worden gedaan, dan zou het hun geest niet ten goede komen, hoe de levenloze lichamen ook op heilige plaatsen zouden worden neergezet

++++++++++++++++

12. Het fysieke versterkt het gebed

12. Zijn de fysieke aspecten van ons gebedsleven belangrijk? St. Augustinus leert dat hoewel God geen uiterlijke tekenen van vroomheid nodig heeft, degenen die ter aarde of op hun knieën bidden, hun lichaam onderwerpen zoals hun geest en ziel dat voorschrijven, en zo de genegenheid van hun hart vergroten.

KRIST

Toen daarom de trouwe moeder van een trouwe zoon vertrok en zijn lichaam in de basiliek van een martelaar wilde laten begraven, omdat zij geloofde dat zijn ziel geholpen zou worden door de verdiensten van de martelaar, was het geloof hierin alleen al een soort van smeekbeden, en dit had voordeel, als er iets voordeel uit haalde. En doordat zij in gedachten terugkeert naar ditzelfde graf, en in haar gebeden haar zoon steeds meer prijst, wordt de geest van de overledene geholpen, niet door de plaats van zijn dode lichaam, maar door dat wat voortkomt uit de herinnering aan de overledene. plaats, de levende genegenheid van de moeder. Want meteen raakt de gedachte, wie wordt geprezen en aan wie, en dat zonder nutteloze emotie, de religieuze geest van haar die bidt . Want ook in gebed tot God doen mensen met de leden van hun lichaam datgene wat smekelingen worden, wanneer ze hun knieën buigen, hun handen uitstrekken of zich zelfs op de grond werpen, en al het andere dat ze zichtbaar doen, ook al doen ze dat niet. de onzichtbare wil en de bedoeling van het hart zullen bij God bekend zijn , en Hij heeft deze tekenen niet nodig dat de geest van enig mens voor Hem geopend zou moeten worden: alleen hierdoor wordt iemand meer opgewonden om nederiger en vuriger te bidden en te kreunen. En ik weet niet hoe het komt dat, hoewel deze bewegingen van het lichaam niet kunnen worden gemaakt dan door een beweging van de geest die eraan voorafgaat, toch door dezelfde beweging naar buiten op zichtbare wijze te worden gemaakt, die innerlijke onzichtbare beweging die ze maakte, wordt vergroot: en daardoor groeit de genegenheid van het hart die eraan voorafging dat ze gemaakt konden worden, omdat ze gemaakt zijn. Maar toch, als iemand op die manier vastgehouden of zelfs gebonden wordt, dat hij niet in staat is deze dingen met zijn ledematen te doen, volgt daar niet uit dat de innerlijke mens niet bidt , en voor de ogen van God in zijn meest geheime kamer , waar het wroeging heeft, wierp zichzelf op de grond.

+++++++++++++++

13. De ziel na de dood

13. Toen de ziel haar vleselijke lichaam verliet, nam zij haar bewustzijn met zich mee. Want als dat niet het geval is, hoe kun je dan zeggen dat iemand na de dood doorgaat in het leven? Dan, aan het einde der tijden, zal de ziel herenigd worden met het opgestane lichaam voor oordeel, glorie of straf.

bies

Zo ook, hoewel het heel veel verschil maakt, waar iemand het lichaam van zijn overledene neerlegt, terwijl hij om zijn geest smeekt tot God, omdat zowel de voorafgaande genegenheid een plek koos die heilig was, als nadat het lichaam daar is gedeponeerd het terugroepen van de geest. de herinnering aan die heilige plek vernieuwt en vergroot de genegenheid die eraan voorafging; toch mag hij, ook al is hij misschien niet in staat op de plaats die zijn religieuze geest heeft uitgekozen, hem van wie hij houdt in de grond te leggen, hij mag in geen geval ophouden met de noodzakelijke smeekbeden om hem aan te prijzen. Want waar het vlees van de overledene ook mag liggen of niet, de geest heeft rust nodig en moet die krijgen: want de geest nam bij zijn vertrek van daaruit het bewustzijn met zich mee, zonder welke hij er geen twijfel over kon maken hoe iemand bestaat, of het nu in een goede staat is. status of een slechte: en het zoekt geen steun voor zijn leven uit het vlees waaraan het zelf het leven heeft gegeven dat het zich bij zijn vertrek heeft teruggetrokken, en dat het bij zijn terugkeer zal teruggeven; omdat niet vlees tot geest, maar geest tot vlees zelfs de verdienste van de opstanding oplevert, of het nu tot straf of tot heerlijkheid is dat het weer tot leven komt.

+++++++++++++++++

14. Het fysieke versterkt het gebed

14. De vervolgers van de vroege martelaren deden hun uiterste best om hun aardse overblijfselen volledig te vernietigen, zodat er geen relikwieën ter herdenking zouden achterblijven. God liet dit toe om ons te helpen begrijpen dat we dit leven moeten verachten, moeten kijken naar ons eeuwige thuis en naar Zijn kracht om uit het niets te herrijzen. We moeten ons echter elders in dit schrijven en anderen herinneren dat Sint-Augustinus grote waardering heeft voor de verering van de relikwieën van de heiligen. Hij acht ook de juiste zorg en waardigheid voor de lichamen van de doden

history

We lezen in de kerkelijke geschiedenis, die Eusebius in het Grieks schreef, en Ruffinus in de Latijnse taal, over de lichamen van martelaren in Gallië die aan honden werden blootgesteld, en hoe de overblijfselen van die honden en de botten van de doden, zelfs tot de uiterste verteerd, door vuur werden verbrand. opgebrand; en de as ervan werd verspreid over de rivier de Rhône, opdat er niets zou overblijven voor welke herdenking dan ook. Men moet geloven dat dit voor geen ander doel is geweest dat door God was toegestaan, dan dat christenen door het belijden van Christus, terwijl zij dit leven verachten, veel meer de begrafenis zouden moeten verachten. Want dit ding, dat met woeste woede werd aangedaan aan de lichamen van martelaren, als het hen ook maar enigszins kon schaden, om de gezegende rust van hun meest zegevierende geesten te belemmeren, zou zeker niet zijn toegestaan. Daarom werd metterdaad verklaard dat de Heer door te zeggen: Vrees niet hen die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen, niet betekende dat Hij hen niet zou toestaan ​​iets te doen met de lichamen van Zijn volgelingen. wanneer dood; maar dat wat hun ook mocht worden toegestaan, er niets zou worden gedaan dat het christelijke geluk van de overledenen zou kunnen verminderen, en dat niets daarvan hun bewustzijn zou bereiken terwijl ze nog leefden na de dood; niets baat ten nadele, nee, zelfs niet van de lichamen zelf, om iets van hun integriteit te verminderen wanneer ze weer zouden opstaan

++++++++++++++++++

15. De ziel na de dood

15. Wanneer in 1 Koningen 13 de profeet wordt gestraft voor ongehoorzaamheid door niet in zijn familiegraf te worden begraven, leert dit niet dat er gevreesd hoeft te worden voor lichamelijke behandeling na de dood. Integendeel, het maakt gebruik van een ontbering van culturele, maar niet van eeuwige waarden. Wees voorzichtig met de interpretatie van de Schrift.

doden10

En toch, op grond van die genegenheid van het menselijk hart, waardoor niemand ooit zijn eigen vlees haat, als mensen reden hebben om te weten dat na hun dood hun lichamen alles zullen missen wat in ieders natie of land de gebruikelijke orde van begrafenis vereist, maakt het hen bedroefd als mensen; en wat na de dood niet tot hen komt, vrezen zij voor de dood voor hun lichamen: zodat we in de Boeken der Koningen vinden dat God door een profeet een andere profeet die Zijn woord had overtreden, bedreigde dat zijn karkas niet in het graf van zijn vaderen zou worden gebracht. De Schrift zegt op deze wijze: Zo zegt de Here: Omdat gij ongehoorzaam geweest zijt aan de mond des Heren, en u niet gehouden hebt aan de last, die de Here, uw God, u geboden heeft, en teruggekeerd zijt en brood gegeten en water gedronken hebt op de plaats, waar Hij u geboden had geen brood te eten en geen water te drinken, zo zal uw kadaver niet gebracht worden in het graf uwer vaderen. Welnu, als we bij het overwegen van de rekening van deze straf uitgaan van het Evangelie, waar we geleerd hebben dat er na het doden van het lichaam geen reden is om te vrezen dat de levenloze leden iets zouden lijden, dan is het niet eens een straf te noemen. Maar als we kijken naar de menselijke genegenheid van een mens jegens zijn eigen vlees, dan was het mogelijk dat hij tijdens zijn leven bang of bedroefd werd door datgene waarvan hij geen besef zou hebben als hij dood was: en dit was een straf, omdat de geest pijn leed door datgene wat op het punt stond met zijn lichaam te gebeuren, ook al zou hij geen pijn voelen als het zou gebeuren.

 

Vervolgt ….