Begin van het spirituele leven : alles verwachten van God

BEGIN VAN HET SPIRITUELE LEVEN  :

 

ALLES VAN GOD VERWACHTEN

 

 

Door hiëromonnik Elie

Monasterium van de Ontslaping van de Moeder Gods in La Faurie

(Frankrijk)

 

 

 

De titel van dit artikel kan ons verwonderen : kan men werkelijk spreken van een begin van het geestelijk leven ? Wanneer begint het leven in God in werkelijkheid ?  Zoals het Oude Verbond vanaf het begin het Nieuwe heeft voorbereid, deze keer ‘geschreven in het hart van de mensen’(1), zo is er ook in het diepste van onszelf iets als een waterbekken, dit levende water, wachtend om te ontspringen zoals St.Ignatius van Antiochië het ons beschrijft.

Indien men echter kan spreken van een begin van het spirituele leven, dan is het omdat er een moment is in ons bestaan waar men meer bewust gaat doordringen in de intimiteit van God. Maar deze intimiteit is een goddelijke gave, bijna een charisma (2) die geworteld is in de houding van overgave aan God, van vertrouwen.

 

            Wij zullen hier in nederigheid proberen enkele aspecten te beschouwen van deze houding, die  boven alles van groot belang zijn. Men moet onmiddellijk zeggen dat deze houding van overgave van zichzelf niet zozeer een moreel voorschrift is dan wel een passende innerlijke houding die moet leiden tot bloei van het goddelijk leven in ons.

 

            De orthodoxe liturgie (3), in haar schitterende hymnen, vermaant ons om ‘ alle aardse zorgen opzij te zetten’ Vertrouwend op God moeten wij al onze beslommeringen opzij zetten.. Of het nu gaat om relationele, familiale , professionele of zelfs spirituele problemen, wij moeten alles voor God opofferen,, om aldus een zekere beschikbaarheid te verwerven voor zijn Geest. Nog eerder dan een zintuigelijke zwaarte , is de logheid van het vlees  een ongeordende knoop van onze gevoelens, van onze gedachten of nog , van onze herinneringen. Dit alles is zeker niet slecht op zich , maar het vertroebelt onze blik. Daarom is het noodzakelijk van zich fundamenteel te leren ‘ont-scheppen’ (‘décréer’- van nul af aan herbeginnen) (4), om alles te vergeten, om klaar en duidelijk te leren ‘geheel en al oog te zijn’, zoals Abba Macarius (5)het zo graag in herinnering bracht, want door zichzelf onder de loep te nemen, ontdekt de mens op mysterieuze  wijze God.

 

            Men ziet aldus, in een eerste beweging, dat de omvang van de zorgen onze geestelijke wedergeboorte hinderen. Dit wordt door Paulus benadrukt, zij houdt ons aan de oppervlakte van onzelf, ver verwijderd van het goddelijk geheim van ons hart (6) ‘En wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen ?’(7).

 

            Eenmaal we ons van dit juk hebben ontdaan, treedt een ander struikelblok op. Want, vanaf het moment waarop men heeft geleerd onze kwellingen zonder ophouden aan God toe te vertrouwen, ontstaat er al vlug de neiging om zelf de ‘architect’ te worden van zijn eigen spiritueel leven.

 

 

 

            Wanneer men moet stilstaan, herbegint alles op een ander niveau. Het moeilijkste is niet ertegen te strijden, maar elke strijd op te schorten,. Of het nu gaat om het vasten, het volgen van een regelmaat in het persoonlijk gebed, of bepaalde evangelische voorschriften in acht nemen als een vorm van innerlijke hygiëne. Dit alles is slechts stro vergeleken bij het goddelijk vuur.

 

            Wij moeten goed begrijpen dat dit slechts middelen zijn. Het doel moet zijn : zich overgeven aan God. God verlangt onze vurige harten, niets meer. Het doel van onze belijdenis is het Koninkrijk der hemelen. Ons doel is de zuiverheid van hart te bereiken, zal St.Cassiën van Marseille (8) ons met overtuiging zeggen.

 

            Jacob heeft met God gestreden tot de vroege morgen. Ten slotte, gekwetst, heeft hij de goddelijkheid van zijn tegenstrever erkend. Hij ontving de zegen van deze laatste. Hier zien we het beeld zelf van ons leven in de geest in zijn hoogste vorm.

 

            Té dikwijls strijden we tegen God in het geloof van daardoor zichzelf te verheerlijken. Het is een vorm van mystiek activisme die zich verstart rondom ons ‘inwendig oog’. Dit omhulsel beroofd ons van onzelf en wij bemerken het zelf niet.Wij kunnen God niet aanschouwen. Dus, zoals de zon ons toelaat  om de wereld te zien, is God de glans die ons geweten toestaat om zich in waarheid te onthullen.Dus, door glans, en zoals een forel die tegen de stroom in  zwemt, is het ons mogelijk even, zij het weinig, enkele  schitteringen uit te zaaien van het goddelijke zijn.

Deze tweede beweging maakt ons een gevaar duidelijk, dit van voor zichzelf de bron te zijn van het ‘ spirituele leven’.Dit autisme maakt ons volledig ondoordringbaar. Het sluit ons af, uit vrees voor het nieuwe en dus voor het onbekende van de wil van God. Het is echter een  ‘menselijke ‘ angst. Té ‘menselijk’ zonder twijfel, omdat de wil van God een afgrond is, maar men mag niet vergeten, een welwillende afgrond.

 

             De vrees om de teugels los te laten opdat God de caravaan leidt, stelt onze angst voor de woestijn op de proef. Men neemt dan de tragische beslissing te gaan daar waar het goed voor ons lijkt……vervolgens vecht men tegen de bedrieglijke schijn die de woestijn ons in haar onmetelijkheid toont.

 

            De zalf van deze wonde is er wellicht één van de minst aangename, want het zal ons in alle helderheid de roes doen aanvaarden die het diepste bewustzijn van Gods wil veroorzaakt. Op het einde van de rit wil God slechts het goede, maar wij weten niet wat Hij voor ons in pet heeft, en daar zit onze vrees.

 

            Als remedie moeten wij, een ‘strategie van het onmogelijke’ (9) aanhangen door ons met vertrouwen over te leveren aan de goddelijke pedagogie, die, het is waar, dikwijls een ‘kennis doorheen dieptepunten’(10) is. Het is niet de weg die onmogelijk is, het is het onmogelijke die de weg is(11).

 

            Het derde kernpunt van deze beschouwing  houdt in, niet te vervallen in dat wat men, niet zonder ironie ‘een heilige luiheid’ zouden kunnen noemen. Vrede is echter geen energieloos iets.

 

             Door ons bewustzijn te hebben ontlast en ons in soberheid en waakzaamheid (12) beschikbaar te hebben gesteld voor het nieuwe van God, achtervolgt ons het quietisme met zijn schaduw. Alles van God verwachten betekent geen verzaking aan elke daad. Alles van God verwachten, is zijn gave aannemen, met iedere dynamiek die dit zoeken met zich meebrengt. De Heilige Graal is hier het verlangen van God. Daarom kan men spreken van gezond verstand. ‘En wanneer gij de zuidenwind  ziet waaien, zegt gij : er zal hitte komen, en het gebeurt. Huichelaars, het aanzien van aarde en hemel weet gij te onderkennen, waarom onderkent gij deze tijd niet ?’(13)

 

            Men kan niet anders dan constateren, dat, verre van ons te onttrekken aan ons eigen spirituele bestaan, en zonder ons als dusdanig futloos te maken, men de bronnen moet kunnen onderscheiden die de richting bepalen van onze lange, moeilijke tocht van waaruit het Woord in levende wateren opborrelt.

 

            Een spreuk over het woestijnzand resumeert gans onze bedoeling ‘Geef uw bloed en ontvang de Geest’, zegt ze. Want door zich geheel te geven, tot bloedens toe zelfs, moet men nog alles van God verwachten. Door zich zo op God te verlaten, schenkt Hij ons de gave van het volmaakte leven, de Heilige Geest.

 

            Om te besluiten moeten wij nog een laatste essentieel punt verduidelijken. Deze houding , die wij hebben getracht te beschrijven, namelijk, het zich volledig overleveren aan God, is geen toestand welke men meteen definitief kan bereiken zonder slag of stoot. Het is   een werk die men ‘honderdmaal in zijn leven moet herhalen’ (14).

 

            Dan, en alleen dan, is de groei in Christus een overvloed van nieuwe beginmomenten(15), in de loop van een rijpingsproces die te vergelijken is met de verfijning van wijn die zich verrijkt door zijn ouderdom, in plaats van een eenvoudige start voor nieuwe horizonten.

NOTA’S

 

(1)    Zie de profetische literatuur in dit verband

(2)    Het Charisma dient in de orthodoxe Kerk verstaan te worden als een ‘talent’ in de evangelische betekenis van het woord. Men is geroepen om vrucht te dragen.

(3)    En meer in het byzonder het deel dat genoemd wordt het ‘cherubikon’, de Cherubijnenhymne, ingevoerd door justinianus in de 6e eeuw.

(4)    Geliefd thema bij Sweil

(5)    Spirituele homilieën van ‘Pseudo Macharius’

(6)    Men weet dat in de mystiek van de woestijnvaders, het hart meer een inwendige spirituele plaats is dan een orgaan, zelfs al zijn ze schijnbaar verwant, dat ons bloed-systeem voedt.

(7)    Mt.6,27

(8)    Zich in dit verband in het byzonder refereren naar zijn Conferentie.

(9)    Mgr. Stéphane, Metropoliet van Estland.

(10)Henri Michaux, titel van één van zijn gedichten.

(11)P.Evdokimov : ‘Les âges de la vie spirituelle’

      (12) De nepsis is een ascetische deugd die tegelijk soberheid en waakzaamheid betekent

      (13)Lc., 12,54-56

      (14)Boileau, Art poétique

      (15)Een opvatting die op merkwaardig goede manier is ontwikkeld in de werken van St.

            Gregorius van Nyssa, voornamelijk het leven van Mozes, maar ook door de andere Gregorius, van Nazianza, meer bepaald, in zijn theologische uiteenzettingen.Noteren we terloops de paradox van deze laatste, want de continuïteit van de groei in God is gericht op ‘beginmomenten’, dus op een breuk.

 

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

           

 

 

 

 

 

 

 

 

Het vieren van de zondag

HET VIEREN VAN DE ZONDAG

 

Tegenover het vieren van de Sabbath staat de christelijke viering van de eerste dag van de week. De dag des Heren genoemd (Kuriakon)Het was de dag  van de gedachtenis van de Verrezen Heer ( Apok.1,10 ; 1 Kor.16,1 ; Hand.20,7-12). Heel wat vroege schrijvers verwijzen naar deze bijzondere dag voor Christenen. Bekend is de brief van stadhouder Plinius in het jaar 112, in een brief aan keizer Trajanus : ‘zij (de christenen die waren gevangen genomen) verzekerden mij, dat hun schuld of dwaling alleen maar daarin bestond, dat zij regelmatig op een bepaalde dag voor het aanbreken van de dag bijeenkwamen. Zij zongen dan afwisselend een lied tot Christus als hun God…Daarop gingen ze uit elkaar ; zij kwamen dan weer samen om een maaltijd te houden, een gewone onschuldige maaltijd’.

 

En  Justinus in zijn ‘eerste apologie’ (Justinus was uit Palestina afkomstig en rond 165 in Rome gedood) zegt het volgende :

‘Op de dag die men zondag noemt, komen allen die in steden of op het platteland wonen, bijeen. Bij die gelegenheid worden de geschriften van de apostelen of van de profeten voorgelezen zolang het mogelijk is. Na de voorlezing houdt de voorganger een toespraak waarin hij tot navolging van al dit goede aanspoort en uitnodigt. Hierna gaan we allen staan om gezamenlijk te bidden. Dan worden brood, wijn en water gehaald, en de voorganger spreekt met krachtige stem gebeden en dankzeggingen uit waarmee het volk instemt door met ‘Amen’ te antwoorden. Daarna wordt het geconsacreerde brood uitgedeeld waarvan iedereen zijn deel krijgt. Door de diakens wordt het naar de afwezigen gebracht…….’s Zondags houden wij allen een samenkomst omdat het de eerste dag is waarop God door de verandering van de duisternis en van de oerstof de wereld schiep, en omdat Jezus Christus , onze Verlosser, op deze dag opgestaan is.Want op de dag voor Saturnusdag kruisigde men hem en op de dag na de Saturnusdag, dus op zondag verscheen Hij aan Zijn apostelen en leerlingen’ (Geciteerd in : De bijbel en het Christendom, deel 1, op.cit.p.62).

 

De zondag was in de beginperiode een gewone werkdag. Men moest dus een periode kiezen ofwel ’s morgens vroeg of ’s avonds laat.Aanvankelijk vierde men in de morgen waarschijnlijk een gebedsdienst, en ’s avonds de Eucharistie. De maaltijd in de avond werd al spoedig door de overheid verboden omwille van de meest ongehoorde verhalen die men er hoorde over vertellen. Dan werd de maaltijd dan maar naar de morgen verschoven. Hieruit blijkt hoe belangrijk de zondag was voor de eerste Christenen.

De zondagmorgen-viering van de Eucharistie is algemene traditie in het jaar 150 in Rome (volgens de beschrijving van Justinus (Apol.I,65-67)

 Kris B

Wat is de Proscomidie ?

 DE PROSCOMIDIE

 

In de orthodoxe Kerk wordt de liturgie voorafgegaan door de Proscomidie.

Het is het klaarmaken van het brood en de wijn voor de Goddelijke Liturgie. Waar en wanneer is dit gebruik binnen de Kerk ontstaan ?

 

Tot de 14e eeuw was er nog geen sprake van de proskomidie. De oorsprong ervan is duister, met name de vraag : ‘hoe is men ertoe gekomen  de bereiding van de gaven aan de dienst te laten voorafgaan ?’. ‘Men vermoedt, dat het verdwijnen van de katechumenen en daarmee ook het verdwijnen van hun wegzending een oorzaak zou kunnen zijn. Hierdoor werden woorddienst en tafeldienst één onscheidbaar geheel. Dit maakte het nodig de voorbereiding van de gaven voor de dienst te plaatsen. Deze verplaatsing is in de 8e eeuw overal doorgevoerd, wat niet wil zeggen dat het ritueel van de proskomidi. Toen al vastlag. Dit is pas gebeurd in de 15e-16e eeuw. Is het ook niet mogelijk, dat de allegorische schrifttoepassing tot de proskomidi aanleiding gaf, nl. het bereiden van het paasmaal door de leerlingen ?’ (Geschiedenis van de eredienst…op.cit.p.220).Er, is ook geen bepaalde schrijver ervan bekend. ‘Van groot belang voor de ontwikkeling van de Byzantijnse liturgie met de gaven, de latere proscomedie en de inhoudelijke beleving van de Eucharistie, lijkt de opvatting van théodorus van Mopsueste te zijn, m.n. in zijn mystagogische catechesen. We geven hier enige citaten :

 

(Geschiedenis van de eredienst.. op.cit.pp.93-94 – Vrij uit het frans vertaald door mijzelf)

15…‘Het is dus een offer dat de Bisschop opdraagt ; geen nieuw offer, ook niet zijn eigen offer, maar een gedenken van het daadwerkelijke offer. De bisschop, echter, vervult de hemelse werkelijkheden door middel van tekens en figuren, en het offer  dat hij opdraagt is een manifestatie van deze werkelijkheden. Zijn daden zijn als een beeld van de hemelse liturgie…..18 In afwachting dat we , op een bepaald moment, door de opstanding al deze weldaden mogen ontvangen, hebben wij de plicht van deze werkelijkheden hier beneden te celebreren door bemiddeling van symbolen en figuren. Zo hebben  wij deel, samen met de celebratie van de sacramenten,  aan de hemelse werkelijkheden, en de hoop op hun uiteindelijke vervulling wordt hierdoor bevestigd….19. Wij geloven werkelijk, dat de mensen die gekozen zijn door de goddelijke genade, priesters van het Nieuwe Verbond, en vervuld van de Geest, sacramenteel vervullen wat onze Heer zelf heeft vervuld, en dat Hij nog steeds verder vervult….Inderdaad, het offer dat onze Heer heeft vervuld voor ons door zijn dood is uniek…20. Wij allen dus, op elke plaats en tijd en eeuwigheid, celebreren de herdenking van dit dit zelfde offer….24. Dit sacrament van de eucharistie is een onuitwisbaar teken

van God, gerealiseerd in Christus onze Heer, en door Hem overzien wij alle

gebeurde feiten. Zo, bij het zien van de Bisschop, vertegenwoordigen wij in onze hart Christus, die ons redt en ons het leven geeft door het offer van zichzelf. De diakens doen denken aan de onzichtbare krachten, die de taak hebben bij te dragen aan deze onuitsprekelijke liturgie. Het zijn de diakens die de tekens van het offer op het altaar plaatsen En dit moment sugereert aan de  aanwezigen een ontzaglijke realiteit. 25.Deze symbolen doen ons aan Christus denken, die men begeleidt naar zijn lijden, naar een ander moment, Hij is als het ware uitgestalt op het altaar om geslachtofferd te worden. Wanneer men in de heilige vazen en de kelk de offerande meedraagt, dan is het Christus zelf die opgaat naar zijn lijden….26. En wanneer zij deze gaven aangebracht hebben, plaatsen ze het op het altaar, o
pdat het lijden helemaal zou voltrokken worden. Wij geloven dat Christus, die het lijden heeft ondergaan, geplaatst is op het altaar als in een soort graf.Daarom spreiden de diakens doeken uit over het altaar….’

 

De sacramentele representatie van Jezus’lijden en sterven in het handelen van de Kerk komt in deze citaten duidelijk tot uitdrukking (door middel van de hiërarchie : de bisschop en de diaken).

 

Hier ziet men een goed voorbeeld van de ontwikkeling van een secundaire ritus tot een primaire.

 

De proskomidie in haar huidige vorm wordt een eerste maal vermeld in het manuscript van de Athos (1306).

 

‘Over de proskomedie schreef de gekende theoloog Paul Evdokimov in zijn boek ‘La Prière de l’Eglise d’Orient’ (Collection ‘Approches Oecumeniques’,Salvator,Mulhouse,1966,p.152 – vrij vertaald) : ‘Dit officie is een klein, realistisch, heel gecondenseerd drama, dat de slachting van het lam weergeeft, waarbij in een bondig schema het offer dat zich tijdens de liturgie zal voltrekken duidelijk gesteld wordt. Doorheen het ritueel drama dat zich afspeelt, wordt heel de heilseconomie op mysterievolle wijze overgebracht’ (geciteerd in : een open venster op de Orthodoxe Kerk –Ignace Peckstadt,Averbode 2005)

 Kris B

Over de Consecratie van brood en wijn

DE CONSECRATIE

 

Hoe moeten wij nu de de verandering van brood en wijn in het lichaam van Christus begrijpen ? Vooreerst moeten wij zeggen, dat het niet alléén de instellingswoorden zijn die het belangrijkste element ervan uitmaakt, ook niet de epiclese op zich, maar gans het consecratorisch gebeuren, gans het eucharistisch gebed maakt brood en de wijn tot het Lichaam en Bloed van Christus.De Epiclese bewijst voldoende dat de orthodoxie gelooft dat het brood en de wijn , geen loutere symbolen meer zijn, maar werkelijkheden. Hoe dat gebeurt, dat weet men niet.Dit is een mysterie welke wij niet kunnen doorgronden.Belangrijk is, dat wij dit mysterie , mysterie laten

 

‘Het eucharistisch gebed gebruikt het neutrale woord métabolè’ : verander, maak… Het is waar dat in de XVIIe eeuw enkele orthodoxe auteurs, en zelfs concilies, zoals dat van Jeruzalem in 1672, de latijnse term ‘transsybstantiation’ (in het grieks, metousiosis) hebben gebruikt, alsook het scholastieke onderscheid tussen substantie en accidenten (De middeleeuwse filosofie maakt een onderscheid tussen substantie of essentie (dat wat iets bepaalt, die maakt wat het is) en de accidenten of de kwaliteiten die eigen zijn aan de substantie en die de zintuigen kunnen waarnemen : omvang, gewicht, vorm, kleur, smaak, reuk enz..) De substantie  is iets wat in zichzelf (ens in se) bestaat, maar de accidenten bestaan alleen binnen iets anders (ens in alio). Door dit onderscheid op de eucharistie toe te passen, kwam men tot de leer van de transsubstantiatie. Volgens die leer, is er gedurende de mis, op het moment van de consecratie een verandering van substantie, maar de accidenten blijven wat ze waren. De substantie wordt het lichaam en bloed van Christus, maar de accidenten van

brood en wijn blijven op wonderlijke wijze dezelfde, en waarneembaar voor de

zintuigen). Maar, terzelfdertijd,  voegden de Vaders van Jeruzalem er aan toe dat de verklaring van deze termen niet de manier waarop die verandering gebeurt

bewijst, want dit is een mysterie en moet altijd onbegrijpelijk blijven.

Nochtans, ondanks deze lichte ontkenning hebben vele orthodoxen toch iets gevoeld voor deze latijnse en scholastieke terminologie.In 1838, heeft de Russische Kerk een vertaling laten verschijnen van de acten van Jeruzalem, en het interessant te zien, dat het woord ‘transsubstantiatie’ is behouden, maar dat men, via een vernuftige paragraaf, de technische terminologie van substantie en accidenten heeft vermeden.(zie verder : O.Clement gebruikt een andere terminologie).

Hedendaagse orthodoxe theologen gebruiken nog altijd het woord ‘transsubstantiatie, maar zij leggen de nadruk op twee punten : vooreerst, dat er vele andere woorden legitiem  kunnen gebruikt worden voor de betekenis van de consecratie (zie verder), en  voor hen is  de term transsubstantiatie geen beslissende autoriteit. Vervolgens Het gebruik van deze term betekent geenszins een acceptatie van de Aristotelische filosofie. Het orthodoxe standpunt is duidelijk samengevat in de ‘ontwikkelde catechismus’, geschreven door Philaret, metropoliet van Moscou (1782-1867), en door de russische Kerk is bekrachtigd in 1839 :

 

‘ Vraag : Hoe moeten wij het woord transsubstantiatie begrijpen ? Antwoord :… het woord transsubstantiatie geef geen verklaring over het hoe van de verandering in Lichaam en Bloed van Christus, want niemand, dan God alleen kan di
t begrijpen. Het betekent alleen dat in waarheid, reëel en substantieel het brood tot het echte Lichaam van Onze Heer wordt en de wijn het echte Bloed van de Heer ‘

 

En de catechismus vervolgd met een citaat van Johannes van Damascus :

 

‘Als je zoekt te weten hoe dat gebeurt, volstaat het te weten dat dit door de Heilige Geest is…wij weten niets méér : het woord van God is waar, actief en almachtig, maar onpeilbaar in zijn werken’ (Uit : L’Orthodoxie, l’Eglise des sept conciles – Mgr.Kallistos (Ware),pp.381-382) – Vrije vertaling  door mijzelf.)

 

Olivier Clément gebruikt voor het woord  ‘métabolè’ niet transsubstantiatie, maar ‘transmutatie’ : de gaven zijn getransformeerd, veranderd in het lichaam en bloed van Christus. Hij voegt eraan toe, dat de orthodoxie niet uitlegt, maar belijdt.Het brood en de wijn vinden hun volheid als zijnde geassimileerd door het lichaam van Christus : ze worden getransfigureerd, eerder dan gatranssubstantieerd

 Kris B

         

De la mort et de la Résurrection

 

 

DE LA MORT ET DE LA RÉSURRECTION
par Mgr Kallistos Ware

LES PORTES ROYALES S’OUVRENT !

Dans le culte de l’Église russe orthodoxe, pendant les prières qui précèdent le début de la Liturgie eucharistique, les portes centrales de l’iconostase restent fermées. Quand la Divine Liturgie proprement dite commence, les portes s’ouvrent, le sanctuaire se révèle et le célébrant chante la bénédiction initiale. C’est ce moment, essentiel, que le prince Eugène Troubetskoï (1863-1920), philosophe religieux russe, évoqua dans ses dernières paroles sur son lit de mort : « Les portes royales s’ouvrent ! La grande Liturgie va commencer. » Pour lui, la mort n’était pas une porte qui se ferme, mais une porte qui s’ouvre ; pas une fin, mais un commencement. À l’instar des premiers chrétiens, il a vu le jour de sa mort comme le jour de sa naissance.

Notre existence humaine peut être comparée à un livre. La plupart des gens considèrent leur vie ici-bas comme le texte réel, l’histoire principale ; ils voient la vie future – pour autant, bien sûr, qu’ils croient à sa réalité – comme un simple appendice. L’attitude chrétienne authentique est exactement l’inverse. Notre vie présente n’est en réalité pas plus que la préface, l’introduction du livre ; la vie future constitue en revanche l’histoire principale. Le moment de la mort n’est pas la conclusion du livre, mais le commencement du premier chapitre.

Sur ce point final, qui est en réalité un départ, il convient de rappeler deux choses, si évidentes qu’on les oublie facilement. D’abord, la mort est un fait inévitable et certain. Ensuite, la mort est un mystère. Il nous faut donc la voir avec des sentiments opposés ; avec sobriété et réalisme d’un côté, crainte et émerveillement de l’autre.

Dans cette vie, il n’y a qu’une seule chose dont nous pouvons être sûrs : nous allons tous mourir – à moins que le second avènement du Christ ne survienne avant. La mort est le seul événement déterminé, inévitable, auquel l’homme doit s’attendre. Et si j’essaie de l’oublier, de me cacher son caractère inéluctable, je ne peux être que perdant. Le vrai humanisme est inséparable de la conscience de la mort ; c’est seulement en affrontant et en acceptant la réalité de ma mort à venir que je peux devenir authentiquement vivant. Comme l’a observé D. H. Lawrence : « Sans le chant de la mort, le chant de la vie est fade et ridicule. » En ignorant la dimension de la mort, nous privons la vie de sa vraie grandeur.

Le métropolite Antoine de Souroge l’a dit avec force : « La mort est la pierre d’angle de notre attitude envers la vie. Ceux qui ont peur de la mort ont peur de la vie. Il est impossible de ne pas avoir peur de la vie avec toute sa complexité et tous ses dangers si on a peur de la mort. (…) Si nous avons peur de la mort, nous ne serons jamais prêts à prendre le risque ultime ; nous passerons notre vie d’une manière lâche, prudente et timide. Ce n’est qu’en regardant la mort en face, en lui donnant un sens, en déterminant la place qui lui revient et la nôtre par rapport à elle, que nous serons capables de vivre sans crainte et jusqu’au bout de nos possibilités » (1).

Cependant, notre réalisme et notre détermination à donner un sens à la mort ne devraient pas nous amener à réduire la seconde vérité : le caractère mystérieux de la mort. Malgré tout ce que peuvent nous dire nos différentes traditions religieuses, nous ne comprenons quasiment rien de « ce pays inconnu dont ne revient aucun voyageur… » Il est vrai, comme le fait remarquer Hamlet, que la crainte de la mort « embarrasse la volonté » . Nous devons résister à la tentation de chercher trop loin et d’en dire trop. Il ne faut pas banaliser la mort. C’est un fait inéluctable et certain, mais c’est aussi la grande inconnue.

Saint Isaac le Syrien (VIIe s.) exprime très bien l’attitude de réalisme sobre qu’il convient de garder devant la mort : « Mets dans ton coeur, ô homme, la pensée que tu dois partir, en ne cessant de te dire :

‘Voici, l’ange qui vient me chercher est à la porte. Pourquoi suis-je ici à ne rien faire ? Mon départ est pour toujours ; il n’y aura pas de retour.’ Passe la nuit dans cette réflexion ; médite sur cette pensée tout le jour durant. Et quand le moment du départ vient, accueille-le avec joie, en disant : ‘Viens en paix ! Je savais que tu allais venir et je n’ai rien négligé de ce qui pourrait m’être utile en chemin » (2).

Sur la place de la mort dans notre vie et notre position face à elle, il convient de bien garder à l’esprit trois choses. D’abord, la mort est plus proche de nous que nous ne l’imaginons. Ensu
ite, elle est profondément non naturelle, contraire au plan divin tout en étant, cependant, un don de Dieu. Enfin, elle est une séparation qui n’est pas séparation.

VIE – MORT, MORT – VIE

La mort n’est pas simplement un événement lointain qui viendrait conclure notre existence terrestre ; c’est une réalité bien présente, qui se poursuit sans cesse autour de nous et en nous. « Chaque jour je suis à la mort » , dit saint Paul (1 Co 15,31) ; « Le temps de la mort est chaque instant » , renchérit T.S. Eliot. Tout ce qui vit est une forme de mort ; nous mourons tout le temps. Mais dans cette expérience quotidienne de la mort, chaque mort est suivie d’une nouvelle naissance : toute mort est aussi une forme de vie. La vie et la mort ne sont pas contraires ; elles ne s’excluent pas mutuellement, mais elles s’entrelacent. Toute notre existence humaine est un mélange de mort et de résurrection. « Pour gens qui vont mourir, et nous voilà vivants » (2 Co 6,9). Notre voyage sur cette terre est une pâque incessante, une traversée continuelle de la mort vers une nouvelle vie. Entre notre naissance initiale et notre mort finale, tout le cours de notre existence est constitué d’une série de » petites » morts et naissances.

Chaque fois que nous nous endormons, la nuit venue, c’est un avant-goût de la mort ; chaque fois que nous nous réveillons, le matin suivant, c’est comme si nous ressuscitions d’entre les morts. Une bénédiction juive dit : « Béni sois-tu, ô Seigneur notre Dieu, Roi de l’univers, qui recrée ton monde chaque matin. » Il en va de même pour nous : chaque matin, quand nous nous réveillons, nous sommes comme recréés. Peut-être notre mort ultime sera-t-elle, de la même manière, une » re-création, » un endormissement suivi d’un réveil. Nous n’avons pas peur de nous endormir chaque nuit, parce que nous savons que nous allons nous réveiller une fois de plus le lendemain matin. Ne pouvons-nous pas avoir la même confiance envers notre ultime endormissement dans la mort ? Ne pourrions-nous pas nous attendre à nous réveiller, recréés, dans l’éternité ?

Ce modèle vie-mort apparaît aussi, un peu différemment, dans le processus de notre croissance. À chaque étape, quelque chose en nous doit mourir pour que nous puissions passer à l’étape suivante de la vie. Le passage du nourrisson à l’enfant, de l’enfant à l’adolescent, de l’adolescent à l’adulte mûr, implique à chaque fois une mort intérieure pour permettre la naissance de quelque chose de nouveau. Et ces transitions, en particulier celle de l’enfance à l’adolescence, peuvent être sources de crise, parfois même très douloureuses. Mais si, à un point ou à un autre, nous refusons cette nécessité de mourir, alors nous ne pouvons nous développer et devenir de vraies personnes. Comme l’écrit George MacDonald dans son roman Lilith, « Vous serez mort tant que vous refuserez de mourir. » C’est justement la mort du vieux qui rend possible l’émergence du neuf en nous ; sans la mort, il ne saurait y avoir de vie nouvelle.

Si devenir adulte est une forme de mort, il en va de même pour le départ, la séparation d’avec un lieu ou une personne que nous avons aimés. Ces séparations sont nécessaires dans notre croissance continue vers la maturité. À moins d’avoir un jour le courage de quitter notre environnement familier, de nous séparer de nos amis actuels et de forger de nouveaux liens, nous ne réaliserons jamais tout ce que nous avons en nous, notre véritable potentiel. En nous accrochant trop longtemps à l’ancien, nous refusons l’invitation à découvrir ce qui est neuf. Pour reprendre les mots de Cecil Day Lewis : « L’individuation commence par un départ, et c’est en lâchant prise qu’on témoigne de l’amour. »

Une autre sorte de mort que nous avons tous à affronter un jour est l’expérience du rejet. Rejet, par exemple, lorsque nous postulons pour un emploi – combien de jeunes en fin de scolarité ou d’universitaires diplômés doivent aujourd’hui passer par cette forme particulière de mort ! Rejet aussi dans l’amour. Quelque chose meurt effectivement en nous lorsque nous découvrons que notre amour reste sans réponse, et que quelqu’un d’autre est préféré à notre place. Et pourtant, même cette mort peut être source de vie nouvelle. Pour de nombreux jeunes, l’échec amoureux est précisément le début de la maturation, leur initiation à la vie d’adulte. Le deuil, la perte d’un être aimé, implique également une mort dans le coeur de celui qui reste. Nous avons l’impression qu’une part de nous-mêmes n’est plus, que nous avons été amputés d’un membre. Le deuil, pourtant, lorsqu’il est affronté et accepté intérieurement, rend chacun de nous plus authentiquement vivant qu’auparavant.

Pour nombre de croyants, la mort de la foi – la perte de nos certitudes (du moins apparentes) les plus profondes sur Dieu et le sens de l’existence – est presque aussi traumatisante que la perte d’un ami ou d’un conjoint. Mais cela aussi est une expérience de mort-vie par laquelle nous devons passer pour que notre foi mûrisse. La foi authentique est un dialogue permanent avec le doute. Dieu dépasse infiniment tout ce que nous pouvons dire de lui ; nos concepts mentaux sont des idoles qui doivent être brisées. Pour être pleinement vivante, notre foi doit continuellement mourir.

Dans tous ces cas, il se trouve que la mort n’a pas un caractère destructif, mais créatif. C’est de la mort que vient la résurrection. Une chose qui meurt est une chose qui naît à la vie. La mort qui survient à la fin de notre vie terrestre
n’est-elle pas du même ordre ? N’est-elle pas la plus ultime et la plus formidable mort-résurrection parmi toutes celles que nous avons connues depuis notre naissance ? Loin d’en être totalement coupée, la mort est l’expression plus vaste et plus complète de tout ce que nous avons vécu au cours de notre vie. Si les petites morts par lesquelles nous avons dû passer nous ont conduits à chaque fois au-delà, vers une résurrection, pourquoi cela ne serait-il pas vrai aussi du grand moment de la mort, lorsqu’il est temps pour nous de quitter ce monde ?

Mais ce n’est pas tout. Pour les chrétiens, ce modèle de mort-résurrection répété à l’infini dans notre vie, prend son sens le plus profond dans la vie, la mort et la résurrection de notre Sauveur Jésus Christ. Notre propre histoire doit être comprise à la lumière de son histoire, que nous célébrons chaque année pendant la Semaine sainte, mais aussi chaque dimanche dans la Liturgie eucharistique. Toutes nos petites morts et résurrections sont unies, à travers l’histoire, à sa mort et résurrection définitives, nos petites pâques sont élevées et réaffirmées dans sa grande Pâque. La mort du Christ, selon la liturgie de saint Basile, est une « mort créatrice de vie » . Sûrs de son exemple, nous croyons que notre propre mort peut aussi être « créatrice de vie » . Le Christ est notre précurseur et nos prémices. Ainsi que l’Église orthodoxe l’affirme la nuit de Pâques, dans l’homélie attribuée à saint Jean Chrysostome (IVe s.) : « Que nul ne craigne la mort, car celle du Sauveur nous en a délivrés ; il l’a fait disparaître après l’avoir subie. (…) Le Christ est ressuscité, et voici que règne la vie. Le Christ est ressuscité, et il n’est plus de mort au tombeau » (3).

LA MORT EST A-NORMALE

La mort est donc notre compagne tout au long de notre vie, comme une expérience quotidienne permanente, répétée à l’infini. Pourtant, aussi familière qu’elle soit, elle reste profondément non naturelle. La mort n’appartient pas au dessein pré-éternel de Dieu pour sa création. Dieu nous a créés, non pas pour que nous mourions, mais pour que nous vivions. Plus encore, il nous a créés comme une unité indivisible. D’un point de vue juif et chrétien, la personne humaine doit être vue en termes complètement holistiques : nous ne sommes pas une âme emprisonnée temporairement dans un corps et qui aspire à s’en échapper, mais une totalité intégrée qui embrasse le corps et l’âme. Cari Gustav Jung avait raison d’insister sur ce qu’il appelle la « vérité mystérieuse » : » L’esprit est le corps vivant vu de l’intérieur, et le corps est la manifestation extérieure de l’esprit vivant – les deux étant vraiment un. » En tant que séparation du corps et de l’âme, la mort est par conséquent une violente atteinte à l’unité de notre nature humaine.

Si la mort est quelque chose qui nous attend tous, elle est aussi profondément a-normale. Elle est monstrueuse et tragique. Devant la mort de nos proches et notre propre mort, quel que soit notre réalisme, nos sentiments de désolation, d’horreur et même d’indignation sont justifiés : « N’entrez pas doucement dans cette bonne nuit-là. Ragez, tempêtez contre l’agonie de la lumière » , dit le poète Dylan Thomas. Jésus lui-même a pleuré devant le tombeau de son ami Lazare (Jn 11,35) ; et au jardin de Gethsémani, il était rempli d’angoisse devant la perspective, imminente, de sa propre mort (Mt 26,38). Saint Paul considère la mort comme un « ennemi à détruire » (1 Co 15,26) et il la lie étroitement au péché : « L’aiguillon de la mort, c’est le péché » (1 Co 15,56). C’est parce que nous vivons tous dans un monde déchu —un monde distordu, désuni, fou, écrasé – que nous allons mourir.

Pourtant, si la mort est tragique, elle est aussi, en même temps, une bénédiction. Bien qu’elle ne fasse pas partie du plan divin, elle n’en est pas moins un don de Dieu, une expression de sa miséricorde et de sa compassion. Pour nous humains, vivre sans fin dans ce monde déchu, captif à jamais du cercle vicieux de l’ennui et du péché, eût été un destin terrible et insupportable. C’est pourquoi Dieu nous a offert une échappatoire. Il défait l’union de l’âme et du corps, afin de pouvoir ensuite les recréer, les réunir lors de la résurrection des corps au dernier jour, et les ramener ainsi à la plénitude de la vie. Il est comme le potier qu’observait le prophète Jérémie : « Je descendis chez le potier, et voici qu’il travaillait au tour. Mais le vase qu’il fabriquait fut manqué, comme cela arrive à l’argile dans la main du potier. Il recommença et fit un autre vase, ainsi qu’il paraissait bon au potier » (Jr 18,4-5). Le potier divin pose sa main sur le vase de notre humanité, abîmé par le péché, et il le brise pour pouvoir le refaçonner sur son tour et lui rendre sa gloire initiale. La mort, en ce sens, est ainsi l’instrument de notre restauration. Comme le chante l’Église orthodoxe dans son service funèbre : « Jadis tu m’as tiré du néant pour me former à l’image de Dieu, mais j’ai transgressé ta loi et tu m’as fait retourner à la glaise dont tu m’avais créé ; vers ta ressemblance fais-moi revenir maintenant et restaure ma première beauté » (4). Dans l’épitaphe qu’il avait composée pour lui-même, Benjamin Franklin écrivait : « Ci-gît le corps de Benjamin Franklin, imprimeur, pareil à la couverture d’un vieux livre, usé dan
s son contenu et dépouillé de ses lettres et de ses ors : il nourrit les vers ! L’oeuvre pourtant ne sera pas perdue, car, comme il le croyait, elle réapparaîtra dans une édition nouvelle et plus belle encore, corrigée et amendée par son Auteur ! »

Il y a donc une dialectique dans notre attitude envers la mort : mais les deux approches, finalement, ne sont pas contradictoires. Nous voyons la mort comme non naturelle, a-normale, contraire au plan originel du Créateur, et nous nous révoltons contre elle avec douleur et désespoir. Mais nous la considérons aussi comme une part de la volonté divine, une bénédiction et non une punition. Elle est aussi une issue à notre impasse, un moyen de la grâce, la porte vers notre re-création. C’est notre voie de retour. Pour citer à nouveau le service funèbre orthodoxe : « Je suis la brebis perdue : rappelle-moi, ô mon Sauveur, et sauve-moi. » Nous nous approchons donc de la mort avec empressement et espoir, disant avec saint François d’Assise : «  Que mon Seigneur soit loué pour notre soeur, la mort corporelle »  ; car à travers cette mort corporelle, le Seigneur rappelle à lui l’enfant de Dieu. Au-delà de leur séparation dans la mort, l’âme et le corps seront réintégrés lors de la résurrection finale.

Cette dialectique apparaît clairement dans le déroulement des funérailles orthodoxes. Rien n’est fait pour essayer d’occulter la pénible et choquante réalité de la mort. Le cercueil reste ouvert, et c’est souvent un moment poignant quand les familles et les amis s’approchent les uns après les autres pour donner le dernier baiser au défunt. Pourtant, en même temps, en de nombreux endroits, il est d’usage de porter non pas des vêtements noirs, mais blancs, les mêmes que l’on porte pour l’office de la Résurrection pendant la nuit pascale : car le Christ, ressuscité des morts, appelle les chrétiens défunts à partager sa propre résurrection. Il n’est pas interdit de pleurer à un enterrement ; c’est même plutôt sage, car les larmes peuvent agir comme un baume et la blessure est plus profonde quand la peine est refoulée. Mais il ne faut pas nous désoler « comme les autres, qui n’ont pas d’espérance » (1 Th 4,13). Notre affliction, quelque déchirante qu’elle soit, n’est pas désespérée ; car, comme nous le confessons dans le Credo, nous attendons « la résurrection des morts et la vie du siècle à venir. »

COMMUNION DANS LE CHRIST

Enfin, la mort est une séparation qui n’est pas séparation. La tradition orthodoxe attache la plus grande importance à ce point. Les vivants et les défunts appartiennent à une seule famille. L’abîme de la mort n’est pas infranchissable, puisque nous pouvons tous nous retrouver autour de l’autel de Dieu. L’écrivain russe Iulia de Beausobre (1893-1977) disait : « L’Église (…) est le point de rencontre des morts, des vivants et de ceux encore à naître qui, s’aimant les uns les autres, se réunissent autour du roc de l’autel pour proclamer leur amour de Dieu » (5). C’est aussi ce que dit un autre auteur russe, le prêtre missionnaire Macaire Gloukharev (1792-1847) dans une lettre à un fidèle en deuil : « En Christ nous vivons, nous nous mouvons et nous existons. Vivants et morts, tous nous sommes en lui. Il serait plus juste de dire : nous sommes tous vivants en lui, et il n’y a pas de mort. Notre Dieu n’est pas un Dieu des morts, c’est le Dieu des vivants. C’est votre Dieu, c’est le Dieu de la défunte. Il n’y a qu’un Dieu, et vous êtes unis dans l’Unique. Seulement, vous ne pourrez pas vous voir pendant quelque temps, pour que la rencontre future soit plus joyeuse. Alors plus personne ne vous enlèvera votre joie. Mais même maintenant vous vivez ensemble ; seulement elle est allée dans une autre chambre et a fermé la porte… L’amour spirituel ignore la séparation visible » (6).

Comment peut-on maintenir cette communion permanente ? Il y a d’abord un faux chemin, que certains ont trouvé attirant, mais que la tradition orthodoxe rejette absolument. Non, la communion entre les vivants et les morts ne saurait être le fait de pratiques relevant du spiritisme ou de la nécromancie. Dans un christianisme authentique, il ne saurait y avoir place pour des techniques visant à communiquer avec les morts comme le recours aux médiums par exemple. En effet, ces pratiques sont extrêmement dangereuses ; elles exposent souvent ceux qui s’y adonnent à des forces démoniaques. Le spiritisme est aussi l’expression d’une curiosité illégitime, du genre de celui qui essaye de regarder ce qui se passe derrière une porte fermée par le trou de la serrure. Comme le dit le Père Alexandre Eltchaninoff (1881-1934) : « Nous devons humblement admettre l’existence du Mystère, et ne pas essayer de faire le tour par l’escalier de service pour écouter aux portes » (7)

Cela dit, et les vies des saints nous l’apprennent, il y a certainement des cas où les morts communiquent directement avec les vivants, que ce soit dans les rêves ou à travers des visions. Mais, de notre côté, nous ne devons pas essayer de forcer ces contacts. Tout artifice visant à manipuler les morts est contraire à la conscience chrétienne. La communion qui nous unit aux morts ne se situe pas au niveau psychique, mais au niveau spirituel et le lieu où nous nous rencontrons n’est pas un salon, mais la table eucharistique. Le seul fondement légitime de notre communion avec les morts est la communion dans la prière, surtout dans la célébration de la Divine Liturgie. Nous prions pour eux, et en même temps, nous sommes sûrs qu’ils prient pour nous ; et c’est par cette intercession mutuelle que nous sommes réunis, au-delà des frontières de la mort, dans un lien d’unité ferme et indéfectible.

Prier pour les morts n’est pas, pou
r les chrétiens orthodoxes, un simple plus, à option ; c’est au contraire un élément accepté et invariable de notre culte quotidien. Les prières que nous disons sont multiples : « Abîme de sagesse qui aimes les hommes et diriges toutes choses en vue du salut, unique Créateur dont chacun reçoit ce qui lui convient, accorde le repos, Seigneur, aux âmes de tes serviteurs, car leur espérance repose en toi, notre Auteur, notre Créateur et notre Dieu. » Aussi : « Fais reposer parmi les saints, ô Christ, les âmes de tes serviteurs, en un lieu d’où sont absents la peine, la tristesse, les gémissements, mais où se trouve la vie éternelle. » Et encore : « Accorde, Seigneur, à tes serviteurs le repos et place-les dans le Paradis, là où les choeurs des justes et des saints brillent comme des astres lumineux ; donne-leur, Seigneur, le repos en effaçant tous leurs péchés. » Parmi ces prières, certaines ont un ton plus sombre ; elles nous rappellent la possibilité d’une séparation éternelle d’avec Dieu : « Du feu qui ne s’éteint, des ténèbres sans clarté, des grincements de dents, du ver qui ronge incessamment et de toute affliction sauve, Seigneur, tous les fidèles défunts. »

Cette intercession pour les morts n’a pas de limites rigides. Pour qui prions-nous ? Stricto sensu, dans les célébrations liturgiques publiques, les règles orthodoxes n’autorisent les prières nominatives que pour ceux qui sont morts dans la communion visible avec l’Église. Mais il y a des cas où nos prières sont beaucoup plus larges. Aux vêpres du dimanche de Pentecôte, des prières sont dites même pour ceux qui sont en enfer : « Toi qui en cette fête éminemment parfaite et salutaire as daigné recevoir nos prières d’intercession pour ceux que retiennent les enfers, et qui nous a donné grandement l’espérance de te voir accorder aux défunts la délivrance des afflictions qui les accablent et leur soulagement… » (8).

Quelle est la base doctrinale de cette prière constante pour les morts ? Comment se justifie-t-elle du point de vue théologique ? La réponse à ces questions est extrêmement simple et directe. La base, c’est notre solidarité dans l’amour mutuel. Nous prions pour les morts parce que nous les aimons. L’archevêque anglican William Temple appelle de telles prières « le ministère de l’amour »  ; et il affirme dans des mots que tout chrétien orthodoxe serait heureux de faire siens : « Nous ne prions pas pour eux parce que Dieu les négligera si nous ne le faisons pas. Nous prions pour eux parce que nous savons qu’il les aime et en prend soin, et nous demandons le privilège d’unir notre amour pour eux à celui de Dieu. » Et comme le dit Pusey : « Le refus de prier pour les morts est une pensée si froide, si contraire à l’amour, que pour cette seule raison, elle doit être fausse. »

À partir de là, aucune autre explication ou justification de la prière pour les défunts n’est nécessaire ou même possible. Une telle prière est simplement l’expression spontanée de notre amour les uns pour les autres. Ici, sur terre, nous prions pour les autres ; pourquoi ne pas continuer à prier pour eux après leur mort ? Ont-ils cessé d’exister, au point que nous devrions cesser d’intercéder pour eux ? Vivants ou morts, nous sommes tous membres de la même famille ; ainsi, vivants ou morts, nous intercédons les uns pour les autres. Dans le Christ ressuscité, il n’y a pas de séparation entre les morts et les vivants ; comme le dit le Père Macaire Gloukharev : » Nous sommes tous vivants en lui, et il n’y a pas de mort. » La mort physique ne peut défaire les liens de l’amour et de la prière mutuels qui nous unissent tous dans un seul et même Corps.

Bien sûr, nous ne comprenons pas exactement comment une telle prière profite aux défunts. De même, quand nous prions pour des vivants, nous ne pouvons expliquer comment cette intercession peut les aider. Nous savons de notre propre expérience que la prière pour notre prochain est efficace, et nous continuons donc à la pratiquer. Toutefois, qu’elles soient offertes pour les vivants ou pour les morts, ces prières agissent d’une manière qui reste mystérieuse. Nous sommes incapables de pénétrer l’interaction exacte entre l’acte de la prière, le libre arbitre d’une autre personne, la grâce et la prescience de Dieu. Quand nous prions pour les défunts, il nous suffit de savoir que leur amour de Dieu continue de grandir et qu’ils ont ainsi besoin de notre soutien. Laissons le reste à Dieu.

Si nous croyons véritablement que nous bénéficions d’une communion ininterrompue et permanente avec les morts, nous aurons soin de parler d’eux, dans la mesure du possible, au présent et non pas au passé. Nous ne dirons pas « nous nous aimions » , « elle m’était si chère » , « nous étions si heureux ensemble » , mais nous dirons « nous nous aimons toujours – maintenant plus qu’avant » , « elle m’est plus chère que jamais » , « nous sommes si heureux ensemble. » Je connais une dame russe, membre de la communauté d’Oxford, qui refuse obstinément qu’on la qualifie de veuve. Bien que son mari soit décédé depuis plusieurs années, elle ne cesse de dire « je suis son épouse, pas sa veuve. » Et elle a raison.

Si nous apprenons à parler des morts de cette manière, au présent et non au passé, cela pourra nous aider à mieux gérer un problème qui est souvent source d’angoisse pour beaucoup de gens. Il arrive que, bien trop facilement, nous remettions à plus tard la recherche d’une réconciliation avec quelqu’un dont nous nous sommes éloignés. Et la mort survient, avant que nous ayons pu nous pardonner l’un l’autre. Dans un remords amer, nous sommes tentés de nous dire « trop tard, trop tard, la possibilit&ea
cute; a disparu pour toujours, il n’y a plus rien à faire. » Mais nous nous trompons totalement, car il n’est pas trop tard. Ce jour-là, nous pouvons en effet rentrer à la maison, et dans notre prière vespérale, nous adresser directement à l’ami disparu avec lequel nous étions brouillés. Utilisant les mêmes mots que s’il était toujours vivant et présent, en face de nous, nous pouvons demander son pardon et réaffirmer notre amour. Et à partir de cet instant, notre relation mutuelle sera changée. Sans voir son visage ni entendre sa réponse, sans savoir comment nos paroles vont l’atteindre, nous sentons dans notre coeur que lui et nous avons opéré un nouveau départ. Il n’est jamais trop tard pour recommencer.

LA RÉSURRECTION DES CORPS

Reste la question, souvent posée et impossible à résoudre dans l’état de nos connaissances, de la résurrection des corps. Nous avons dit que la personne humaine avait à l’origine été créée par Dieu comme une unité indivisible du corps et de l’âme, et que nous attendions, au-delà de leur séparation par la mort physique, leur réunification ultime au dernier jour. Une anthropologie holistique nous amène à croire, non pas simplement à l’immortalité de l’âme, mais à la résurrection du corps. Puisque le corps est partie intégrante de la personne humaine totale, toute immortalité pleinement personnelle doit impliquer aussi bien le corps que l’âme. Quelle est, dans ce cas, la relation entre notre corps actuel et le corps de notre résurrection dans le siècle à venir ? Lors de la résurrection, aurons-nous le même corps que maintenant ou un corps nouveau ?

La meilleure réponse est peut-être celle-ci : le corps sera simultanément le même et un autre. Les chrétiens comprennent parfois la résurrection des corps d’une manière simpliste et étroite. Ils imaginent que les éléments matériels constitutifs du corps, qui ont été dissous et dispersés par la mort, seront d’une certaine manière rassemblés au jour du Jugement dernier, de sorte que le corps reconstitué contiendra exactement les mêmes fragments minuscules de matière qu’auparavant.

Mais ceux qui affirment une continuité entre notre corps actuel et notre corps au dernier jour n’ont pas nécessairement une vision aussi littérale des choses. Saint Grégoire de Nysse, par exemple, dans La création de l’homme et De l’âme et de la résurrection, propose une approche plus avisée et imaginative. L’âme, pour lui, confère au corps une forme distincte (eidos) ; elle marque le corps d’une empreinte ou d’un sceau particuliers, imposés non pas de l’extérieur mais de l’intérieur. C’est par cette empreinte que le corps exprime le caractère ou l’état spirituel intérieur de la personne. Au cours de notre vie ici-bas, les constituants physiques de notre corps changent plusieurs fois ; mais dans la mesure où la forme imprimée par l’âme possède une continuité qui n’est pas affectée par ces altérations physiques, on peut vraiment dire que notre corps reste le même. Il y a une authentique continuité corporelle, puisqu’il y a une continuité dans la forme donnée à l’âme. Comme le dit C.S. Lewis : « Ma forme reste une, bien que la matière dont elle est faite change continuellement. Je suis, à cet égard, comme la courbe d’une chute d’eau. »

Lors de la résurrection finale, poursuit saint Grégoire, l’âme va marquer notre corps ressuscité du même sceau qu’il avait durant cette vie. Il n’est pas nécessaire que les mêmes fragments soient rassemblés ; le même sceau suffit pour que le corps soit le même. Entre notre corps présent et notre corps ressuscité, il y aura, en effet, une véritable continuité, qu’il ne faut cependant pas interpréter d’une manière trop naïvement matérialiste.

Cela dit, si le corps en ce sens reste le même dans la résurrection, il sera également différent. Comme le dit saint Paul : « On est semé corps psychique, on ressuscite corps spirituel » (1 Co 15,44). « Spirituel » , ici, ne doit pas être pris au sens de « non matériel » . Le corps ressuscité sera toujours un corps matériel, mais, en même temps, il sera transformé par le pouvoir et la gloire de l’Esprit, et ainsi libéré de toutes les limites de la matérialité telles que nous les connaissons maintenant. Pour l’instant, nous ne connaissons le monde matériel et nos propres corps matériels que dans leur état de chute ; concevoir les caractéristiques que la matière possèdera dans un monde non déchu est largement au-delà des pouvoirs de notre imagination.

Nous ne pouvons que faiblement deviner la transparence et la vitalité, la légèreté et la sensibilité dont notre corps ressuscité, à la fois matériel et spirituel, sera revêtu dans le siècle à venir. Comme l’écrit saint Ephrem le Syrien (+ 373) : « Regarde cet individu en qui avait fait sa demeure une légion de diables : on ignorait qu’ils s’y trouvaient car leur armée était bien plus ténue et subtile que l’âme. Et tout entière, en un seul corps, cette armée a pu résider. Or, ils sont cent fois plus ténus et cent fois aussi plus subtils, les corps des justes qui se lèvent au jour de la résurrection. Et ils sont à la ressemblance d’un esprit qui serait capable de croître et grandir à sa guise, de se tasser et rétrécir. Rétréci, il est en un lieu et
agrandi, il est partout. (…) Combien alors le Paradis (qu’il soit loué !) suffira-t-il plus encore à tous ces esprits, dont la substance est si subtile que même les pensées ne peuvent réussir à les percevoir » (9).

C’est là peut-être la meilleure description que nous puissions espérer de la gloire de la résurrection. Laissons le reste au silence. « Ce que nous serons n’a pas encore été manifesté » (1 Jn 3,2). Deux semaines avant sa mort, on demandait à Ralph Vaughan Williams ce que la vie future signifiait pour lui. Il répondit : « Musique, musique. Mais dans le monde à venir, je ne ferai pas de la musique, avec toutes les difficultés et les déceptions que cela implique. Je serai musique. » « Vous êtes la musique tant que la musique dure » , écrit T.S. Eliot. Et dans les cieux, la musique est éternelle.

NOTES

1. Sobornost, » On Death » , 1:2, 1979, p. 8.
2. Oeuvres spirituelles, » 34e discours » , Desclée de Brouwer, 1981, p. 215 (texte modifié sur la base de la traduction anglaise effectuée directement à partir du syriaque par le Monastère de la Sainte Transfiguration, Boston, Massachusetts, 1984, p. 315).
3. Pentecostaire, t.1, Collège grec de Rome, 1978, pp. 21-22.
4. Grand Euchologe et Arkhiératikon, Diaconie apostolique, 1992, p. 212.
5. Creative Suffering, Londres, 1940, p. 44.
6. 5. Tyszkiewicz et Dom Th. Belpaire, Écrits d’ascètes russes, Éditions du Soleil Levant, 1957, p. 104.
7. Ecrits spirituels, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 29), 1979, p. 42.
8. Pentecostaire, t.2, Collège grec de Rome, 1978, pp. 249-50.
9. » La Harpe de l’Esprit » , in Sebastian Brock, L’Oeil de Lumière, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 50), pp. 222-223.

Extrait du livre Le royaume intérieur, Cerf/Le Sel de la Terre, 1993.
Traduit de l’anglais par Lucie et Maxime Egger.

 

 

 

De Heilige Johannes van Krohnstadt over de H.Communie

OVER DE HEILIGE COMMUNIE

 

BEZINNINGSTEKSTEN VAN DE HEILIGE JOHANNES VAN CRONSTADT

 

 

De Heilige Johannes van Cronstadt was een vurig verdediger van de frequente communie. De teksten zijn genomen uit zijn geschriften : H  en  Cristo  Zwh mou, deel abg .

 

De nummers zijn de genummerde paragrafen uit deze boeken.

 

                57

                Bedenk wat een waarde het allergrootste wonder van Jezus Christus, de Zoon van de levende God heeft. Het wonder van de heilige Communie ! Waaruit bestaat dit wonder ? Uit het levengevende en vredestichtend werk dat het teweegbrengt in het aan zichzelf afgestorven leven, veroorzaakt door het zondige hart. Kort vóór de Heilige Communie veroorzaakt dit onrust en geestelijke dood. Denk niet dat dit iets is wat uit gewoonte gebeurt, of dat het iets onbeduidend is, of toevallig gebeurt. Met zulke gedachten en psychische ingesteldheid zal je de gramschap van God opwekken en zal je de vreugde van de vrede, noch  de wedergeboorte na de H.Communie begrijpen.

 

                152

                De vrede en de overvloed van leven die wij voelen in ons hart na de H. Communie, is het grootste en meest onbetaalbare geschenk van onze Heer Jezus Christus, die elk ander geschenk overtreft dat wij van Hem ontvangen. Zonder innerlijke vrede kan de mens dergelijke zegen niet ontvangen, hetzij stoffelijk, hetzij geestelijk. Als je geen innerlijke vrede hebt, dan zullen de gewaarwordingen  die vanuit de zintuigen bovenkomen : van waarheid, goedheid en van vriendelijkheid , niet van Hem voortkomen. Want in het centrum van Zijn leven, of beter gezegd van Zijn Hart is de innerlijke mens gestorven.

 

                272

                Zoals in Jezus Christus ‘de volheid van de Godheid woont ( 2 Koll.2,9), zo is het ook met het levenwekkende mysterie van de Goddelijke Eucharistie. In het kleine menselijk lichaam woont de ganse volheid van Gods oneindigheid en heerschappij. In het brood, in elk stukje ( ook het kleinste) woont de volheid van Zijn Godheid. Lof aan Uw altijddurende kracht en goedheid, Heer.

 

                357

                Door dit voortdurend wonder van de verandering van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus, zie ik het wonder van het altijddurende levenwekkende in de mens door de Goddelijke adem, de omvorming tot levenmakende geest. ‘Zo werd de mens een levend wezen’(Gen. 2,7) zegt de Heilige Schrift. Op de Heilige Tafel wordt het brood en de wijn, na de consecratie, niet alleen ‘levend wezen’, maar ook ‘bron van leven’. En dit alles gebeurt voor mijn ogen. Dat merk ik, dat voel ik levendig aan met mijn geest en met mijn lichaam. O mijn God ! Hoe schrikwekkend is het mysterie dat Gij ons hebt overgeleverd ! Hoe onuitsprekelijk is dit mysterie waarvan ik de getuige en deelnemer ben. Ere zij U, mijn Schepper ! Ere zij U, Schenker van het Eerbiedwaardige lichaam en Bloed van Christus.

 

                1554

              &nbs
p;
‘Wie mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij, en Ik in hem’ (Joh 6,56). Dit voelen wij in ons binnenste, maar ook onze ervaring bevestigt dit. De mens die aan het oude mysterie van de Communie deelheeft met geloof en diep berouw over zijn zonden, is een gezegende, gelukkige wedergeborene. Dit voelen wij en dit beleven wij echt, zoals trouwens ook het tegenovergestelde. Als wij naderen tot de Heilige Kelk met twijfel en zonder bevrijdend berouw over onze zonden, dan zal de duivel in ons komen, hij zal zich in ons vestigen en onze geest vernietigen. Ook dat is overduidelijk.

 

                1589

                Wanneer je het onbevlekte mysterie van de Communie ontvangt, wees er dan van bewust dat je deelhebt aan het lichaam en bloed van Christus. Je bent er even zeker van als ademhalen. Zeg dan bij jezelf :’Zulke zekerheid heb ik, net zoals ik voortdurend de lucht inadem’ een andere zekerheid heb ik, als ik op dat moment de lucht in mij opneem die dezelfde is van mijn Heer Jezus Christus, mijn adem, mijn leven, mijn vreugde, mijn redding. Hij is mijn belangrijkste adem, belangrijker dan mijn fysische adem, op elk moment van mijn leven. Hij is mijn Woord, dat elk ander woord voorafgaat. Hij is mijn gedachte, voor elke andere gedachte. Hij is mijn licht, voor elk ander licht. Hij is mijn voedsel, voor elk ander voedsel. Hij is mijn kleding, voor elk andere kleding. Hij is mijn parfum, voor elke andere parfum. Hij is mijn genot, dat boven elk ander genot is. Hij is mijn vader en moeder, verheven boven elke andere vader en moeder. Op de aarde is Hij de meest vaste grond die mij draagt en mij niet doet wankelen. Wij, aardse schepselen, vergeten hoe wij voortdurend ademen, leven, bewegen, en dat wij ‘in God’ bestaan, en dat wij voor onszelf ‘gebarsten kuilen’ graven (Jer.2,13). Hij daarentegen, met Zijn Heilig Mysterie, gaf ons een levende bron, die vloeit en ons leidt naar het eeuwig leven. Hij gaf ons zichzelf als ‘eten en drinken’, opdat wij altijd bij Hem zouden zijn.

               

              1655

                Hij die tot de Heilige Kelk nadert met een zekere hartstocht, gelijkt op Judas. Hij nadert de Heer om Hem te omhelzen met een ‘bedrieglijke kus’.

 

                1840

                Jij die het lichaam en bloed van de Heer tot u neemt, en zeker als jij priester bent : wie anders zal je in vertrouwen nemen dan Christus alleen. Tot wie anders zal jij je richten ? Waar zal jij je leven op richten ? Misschien op geld, wat Judas tot de strop heeft geleid ? Misschien tot eten en drinken ? Wij moeten ons richten op het onvergankelijke voedsel dat het Lichaam van christus is, waaraan je zo dikwijls deelneemt. ‘Wat heb ik toch in de hemel. Ook op aarde verlang ik niets buiten U ! ….God is voor eeuwig de Rots van mijn hart en mijn erfdeel ! (Ps.73,25-26).

 

                1929

                De waarheid in verband met de mysteries van Christus garandeert de Heer zelf.

De waarheid wordt ook nog gegarandeerd door het bestaan van de zichtbare en onzichtbare werelden die ontstonden en blijven bestaan in Hem, in de vergeving der zonden en in de vrede en het geluk dat wij voelen na de Heilige Communie.

 

Vrij vertaald  uit het Grieks door Kris B.

H. Johannes van Cronstadt : H en Cristw Zwh mou  deel : ABG.

               

DE KERK:

Na de zondenval verloor de mens Gods genade, hij verloor de band met God, met de Waarheid. Christus is de nieuwe Adam.De nakomelingen van Adam moeten de band met deze nieuwe Adam herstellen. Slechts in Christus vindt de mens het heil.

Wat is echter deze Waarheid, die Christus ons bracht, en waar wordt deze waarheid onvervalst bewaard ?

Het antwoord vinden wij in de Schrift, de Bijbel, waar de Kerk ‘ de zuil en de grondvesting van de Waarheid wordt genoemd’ (1 Tim.3,15)

De mens verlangt naar de Waarheid, dit wil zeggen, naar Christus – de mens geworden orthodoxie – en dit kan alleen via de Kerk, Zijn lichaam. De verlossing kunnen we alleen via de Kerk bekomen. In de Kerk vindt de mens zijn ware bestaan. Daarin vindt de mens opnieuw contact met God. In de Kerk vindt de mens de zin van zijn leven terug, en vooral zijn ware verhouding tot de overige mensheid en de schepping. De Apostel Paulus noemt de Kerk ‘ vervuld met Hem die alles in allen volmaakt’ . (Ef.1,21)

De verlossing, die Jezus ons gebracht heeft zet zich doorheen de geschiedenis verder. Daarom noemt Augustinus de Kerk ‘ de in de eeuwigheid voortzetting van Christus. Dat betekent , dat de Kerk Christus IS, die ook na zijn opstanding en hemelvaart, die wereld, door Zijn Heilige Geest ,verlost.

Er is geen Kerk zonder Christus, en er is geen Christus zonder de Kerk.

Christus als de volmaakte waarheid – orthodoxie, voert ons door de Kerk tot ons heil. Zo is de Kerk het fundament van de Waarheid.

Een Kerkvader noemde de Kerk de ‘samenkomst van de Rechtgelovigen’

De Kerk moet de Waarheid onvervalst bewaren. Daarom heeft de Kerk in haar geschiedenis al haar krachten gewijd om ketterijen te bekampen. De vervolgingen van de eerste kerk hebben de eenheid van de Kerk in het bewaren van de Waarheid niet bedreigd, integendeel, de vervolgingen hielpen de Kerk om nieuwe krachten op te doen. De ketterijen en dwaalleringen hebben haar echter veel pijn en lijden aangedaan, omdat een ketterij niets anders is dan een afwijking van de Waarheid. Zij bedreigt de Kerk door het lichaam van Christus, de Kerk in verdeeldheid te brengen, dus Christus zelf. Een Christen die niet volledig is, die niet de volle en ‘vleesgeworden  Waarheid’ is, is niet de reddende Christus.

De ketters hebben niet de ganse waarheid  verworpen, zij hebben Christus niet verworpen, maar zij hebben Hem ook niet in zijn heelheid, maar slechts in een deel van Hem aanvaardt. Arius bijvoorbeeld wees de menselijke natuur van Christus niet af, maar wel Zijn goddelijke natuur. Anderen aanvaardden dan weer zijn goddelijke natuur, maar wezen de menselijke natuur af.

De Kerkelijke Waarheid vormt een eenheid en volledigheid. De ketterij echter probeert de Waarheid van de kerkelijke overlevering op een fragmentarische wijze het bestaan van de gevallen mensheid te onderwerpen.

Zo had de strijd van de heilige Kerkvaders tegen de ketterijen tot doel, de ganse Waarheid te beschermen, wat heel belangrijk is voor de redding van de mensheid. Anderzijds om de mensen zelf in de Ark van de Kerk, het Lichaam van Christus te houden.

De Kerk moet de overlevering van het geloof, zoals ze tot haar gekomen is, waar, zuiver en onvervalst bewaren . Anders wordt de Kerk een gewone menselijke organisatie of een politieke ideologie, en dit heeft niets meer met Christus Zijn kruisdood en Zijn verlossing te maken.

*********************************************************

Didachè in het ITALIAANS

LA DIDACHE’

DOTTRINA DEI DODICI APOSTOLI

Dottrina del Signore (predicata) ai gentili per mezzo dei dodici Apostoli.

CAPITOLO 1

1. Due sono le vie, una della vita e una della morte, e la differenza è grande fra queste due vie.

2. Ora questa è la via della vita: innanzi tutto amerai Dio che ti ha creato, poi il tuo prossimo come te stesso; e tutto quello che

non vorresti fosse fatto a te, anche tu non farlo agli altri.

3. Ecco pertanto l’insegnamento che deriva da queste parole: benedite coloro che vi maledicono e pregate per i vostri nemici;

digiunate per quelli che vi perseguitano; perché qual merito avete se amate quelli che vi amano? Forse che gli stessi gentili non

fanno altrettanto? Voi invece amate quelli che vi odiano e non avrete nemici.

4. Astieniti dai desideri della carne. Se uno ti dà uno schiaffo sulla guancia destra, tu porgigli anche l’altra e sarai perfetto; se

uno ti costringe ad accompagnarlo per un miglio, tu prosegui con lui per due. Se uno porta via il tuo mantello, dagli anche la

tunica. Se uno ti prende ciò che è tuo, non ridomandarlo, perché non ne hai la facoltà.

5. A chiunque ti chiede, da’ senza pretendere la restituzione, perché il Padre vuole che tutti siano fatti partecipi dei suoi doni.

Beato colui che dà secondo il comandamento, perché è irreprensibile. Stia in guardia colui che riceve, perché se uno riceve per

bisogno sarà senza colpa, ma se non ha bisogno dovrà rendere conto del motivo e dello scopo per cui ha ricevuto. Trattenuto

in carcere, dovrà rispondere delle proprie azioni e non sarà liberato di lì fino a quando non avrà restituito fino all’ultimo

centesimo.

6. E a questo riguardo è pure stato detto: “Si bagni di sudore l’elemosina nelle tue mani, finché tu sappia a chi la devi fare”.

 

CAPITOLO 2

1. Secondo precetto della dottrina:

2. Non ucciderai, non commetterai adulterio, non corromperai fanciulli, non fornicherai, non ruberai, non praticherai la magia,

non userai veleni, non farai morire il figlio per aborto né lo ucciderai appena nato; non desidererai le cose del tuo prossimo.

3. Non sarai spergiuro, non dirai falsa testimonianza, non sarai maldicente, non serberai rancore.

4. Non avrai doppiezza né di pensieri né di parole, perché la doppiezza nel parlare è un’insidia di morte.

5. La tua parola non sarà menzognera né vana, ma confermata dall’azione.

6. Non sarai avaro, né rapace, né ipocrita, né maligno, né superbo; non mediterai cattivi propositi contro il tuo prossimo.

7. Non odierai alcun uomo, ma riprenderai gli uni; per altri, invece, pregherai; altri li amerai più dell’anima tua.

 

CAPITOLO 3

1. Figlio mio, fuggi da ogni male e da tutto ciò che ne ha l’apparenza.

2. Non essere iracondo, perché l’ira conduce all’omicidio, non essere geloso né litigioso né violento, perché da tutte queste

cose hanno origine gli omicidi.

3. Figlio mio, non abbandonarti alla concupiscenza, perché essa conduce alla fornicazione; non fare discorsi osceni e non

essere immodesto negli sguardi, perché da tutte queste cose hanno origine gli adultéri.

4. Non prendere auspici dal volo degli uccelli, perché ciò conduce all’idolatria; non fare incantesimi, non darti all’astrologia né

alle purificazioni superstiziose, ed evita di voler vedere e sentire parlare di simili cose, perché da tutti questi atti ha origine

l’idolatria.

5. Figlio mio, non essere bugiardo, perché la menzogna conduce al furto; né avido di ricchezza, né vanaglorioso, perché da

tutte queste cose hanno origine i furti.

6 Figlio mio, non essere mormoratore, perché ciò conduce alla diffamazione; non essere insolente, né malevolo, perché da tutte

queste cose hanno origine le diffamazioni.

7. Sii invece mansueto, perché i mansueti erediteranno la terra.

8. Sii magnanimo, misericordioso, senza malizia, pacifico, buono e sempre timoroso per le parole che hai udito.

9. Non esalterai te stesso, non infonderai troppo ardire nel tuo animo; né l’animo tuo si accompagnerà con i superbi, ma andrà

insieme ai giusti e agli umili.

10. Tutte le cose che ti accadono accoglile come dei beni, sapendo che nulla avviene senza la partecipazione di Dio.

 

CAPITOLO 4

1. O figlio, ti ricorderai notte e giorno di colui che ti predica le parole di Dio e lo onorerai come il Signore, perché là donde è

predicata la (sua) sovranità, è il Signore.

2. Cercherai poi ogni giorno la presenza dei santi, per trovare riposo nelle loro parole.

3. Non sarai causa di discordia, ma cercherai invece di mettere pace tra i contendenti; giudicherai secondo giustizia e non farai

distinzione di persona nel correggere i falli.

4. Non starai in dubbio se (una cosa) avverrà o no.

5. Non accada che tu tenda le mani per ricevere e le stringa nel dare.

6. Se grazie al lavoro delle tue mani possiedi (qualche cosa), donerai in espiazione dei tuoi peccati.

7. Darai senza incertezza, e nel dare non ti lagnerai; conoscerai, infatti, chi è colui che dà una buona ricompensa.

8. Non respingerai il bisognoso, ma farai parte di ogni cosa al tuo fratello e non dirai che è roba tua. Infatti, se partecipate in

comune ai beni dell’immortalità, quanto più non dovete farlo per quelli caduchi?

9. Non ritirerai la tua mano di sopra al tuo figlio o alla tua figlia, ma sin dalla tenera età insegnerai loro il timor di Dio.

10. Al tuo servo e alla tua serva che sperano nel medesimo Dio non darai ordini nei momenti di collera, affinché non perdano il

timore di Dio, che sta sopra gli uni e gli altri. Perché egli non viene a chiamarci secondo la dignità delle persone, ma viene a

coloro che lo Spirito ha preparato.

11. Ma voi, o servi, siate soggetti ai vostri padroni come a una immagine di Dio, con rispetto e timore.

12. Odierai ogni ipocrisia e tutto ciò che dispiace al Signore.

13. Non trascurerai i precetti del Signore, ma osserverai quelli che hai ricevuto senza aggiungere o togliere nulla.

14. Nell’adunanza confesserai i tuoi peccati e non incomincerai mai la tua preghiera in cattiva coscienza. Questa è la via della

vita.

 

CAPITOLO 5

1. La via della morte invece è questa: prima di tutto essa è maligna e piena di maledizione: omicidi, adultéri, concupiscenze,

fornicazioni, furti, idolatrie, sortilegi, venefici, rapine, false testimonianze, ipocrisie, doppiezza di cuore, frode, superbia, malizia,

arroganza, avarizia, turpiloquio, invidia, insolenza, orgoglio, ostentazione, spavalderia.

2. Persecutori dei buoni, odiatori della verità, amanti della menzogna, che non conoscono la ricompensa della giustizia, che non

si attengono al bene né alla giusta causa, che sono vigilanti non per il bene ma per il male; dai quali è lontana la mansuetudine e

la pazienza, che amano la vanità, che vanno a caccia della ricompensa, non hanno pietà del povero, non soffrono con chi soffre,

non riconoscono il loro creatore, uccisori dei figli, che sopprimono con l’aborto una creatura di Dio, respingono il bisognoso,

opprimono i miseri, avvocati dei ricchi, giudici ingiusti dei poveri, pieni di ogni peccato. Guardatevi, o figli, da tutte queste

colpe.

 

CAPITOLO 6

1. Guarda che alcuno non ti distolga da questa via della dottrina, perché egli ti insegna fuori (della volontà) di Dio.

2. Se infatti puoi sostenere interamente il giogo del Signore, sarai perfetto; se non puoi fa’ almeno quello che puoi.

3. E riguardo al cibo, cerca di sopportare tutto quello che puoi, ma comunque astieniti nel modo più assoluto dalle carni

immolate agli idoli, perché (il mangiarne) è culto di divinità morte.

 

CAPITOLO 7

1. Riguardo al battesimo, battezzate così: avendo in precedenza esposto tutti questi precetti, battezzate nel nome del Padre, del

Figlio e dello Spirito Santo in acqua viva.

2. Se non hai acqua viva, battezza in altra acqua; se non puoi nella fredda, battezza nella calda.

3. Se poi ti mancano entrambe, versa sul capo tre volte l’acqua in nome del Padre, del Figlio e dello Spirito Santo.

4. E prima del battesimo digiunino il battezzante, il battezzando e, se possono, alcuni altri. Prescriverai però che il battezzando

digiuni sin da uno o due giorni prima.

 

CAPITOLO 8

1. I vostri digiuni, poi, non siano fatti contemporaneamente a quelli degli ipocriti; essi infatti digiunano il secondo e il quintogiorno della settimana, voi invece digiunate il quarto e il giorno della preparazione.

2. E neppure pregate come gli ipocriti, ma come comandò il Signore nel suo vangelo, così pregate:

Padre nostro che sei nel cielo,

sia santificato il tuo nome,

venga il tuo regno,

sia fatta la tua volontà, come in cielo così in terra.

Dacci oggi il nostro pane quotidiano,

e rimetti a noi il nostro debito,

come anche noi lo rimettiamo ai nostri debitori,

e non ci indurre in tentazione,

ma liberaci dal male;

perché tua è la potenza e la gloria nei secoli.

3. Pregate così tre volte al giorno.

 

CAPITOLO 9

1. Riguardo all’eucaristia, così rendete grazie:

2. dapprima per il calice: Noi ti rendiamo grazie, Padre nostro, per la santa vite di David tuo servo, che ci hai rivelato per

mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

3. Poi per il pane spezzato: Ti rendiamo grazie, Padre nostro, per la vita e la conoscenza che ci hai rivelato per mezzo di Gesù

tuo servo. A te gloria nei secoli.

4. Nel modo in cui questo pane spezzato era sparso qua e là sopra i colli e raccolto divenne una sola cosa, così si raccolga la

tua Chiesa nel tuo regno dai confini della terra; perché tua è la gloria e la potenza, per Gesù Cristo nei secoli.

5. Nessuno però mangi né beva della vostra eucaristia se non i battezzati nel nome del Signore, perché anche riguardo a ciò il

Signore ha detto: “Non date ciò che è santo ai cani”.

 

CAPITOLO 10

1. Dopo che vi sarete saziati, così rendete grazie:

2. Ti rendiamo grazie, Padre santo, per il tuo santo nome che hai fatto abitare nei nostri cuori, e per la conoscenza, la fede e

l’immortalità che ci hai rivelato per mezzo di Gesù tuo servo. A te gloria nei secoli.

3. Tu, Signore onnipotente, hai creato ogni cosa a gloria del tuo nome; hai dato agli uomini cibo e bevanda a loro conforto,

affinché ti rendano grazie; ma a noi hai donato un cibo e una bevanda spirituali e la vita eterna per mezzo del tuo servo.

4. Soprattutto ti rendiamo grazie perché sei potente. A te gloria nei secoli.

5. Ricordati, Signore, della tua chiesa, di preservarla da ogni male e di renderla perfetta nel tuo amore; santificata, raccoglila dai

quattro venti nel tuo regno che per lei preparasti.

Perché tua è la potenza e la gloria nei secoli.

6. Venga la grazia e passi questo mondo.

Osanna alla casa di David.

Chi è santo si avanzi, chi non lo è si penta.

Maranatha. Amen.

7. Ai profeti, però, permettete di rendere grazie a loro piacimento.

 

CAPITOLO 11

1. Ora, se qualcuno venisse a insegnarvi tutte le cose sopra dette, accoglietelo;

2. ma se lo stesso maestro, pervertito, vi insegnasse un’altra dottrina allo scopo di demolire, non lo ascoltate; se invece (vi

insegna) per accrescere la giustizia e la conoscenza del Signore, accoglietelo come il Signore.

3. Riguardo agli apostoli e ai profeti, comportatevi secondo il precetto del Vangelo.

4. Ogni apostolo che venga presso di voi sia accolto come il Signore.

5. Però dovrà trattenersi un giorno solo; se ve ne fosse bisogno anche un secondo; ma se si fermasse tre giorni, egli è un falso

profeta.

6. Partendo, poi, l’apostolo non prenda per sé nulla se non il pane (sufficiente) fino al luogo dove alloggerà; se invece chiede

denaro, è un falso profeta.

7. E non metterete alla prova né giudicherete ogni profeta che parla per ispirazione, perché qualunque peccato sarà perdonato,

ma questo peccato non sarà perdonato.

8. Non tutti, però, quelli che parlano per ispirazione sono profeti, ma solo coloro che praticano i costumi del Signore. Dai

costumi, dunque, si distingueranno il falso profeta e il profeta.

9. Ogni profeta che per ispirazione abbia fatto imbandire una mensa eviterà di prendere cibo da essa, altrimenti è un falso

profeta.

10. Ogni profeta, poi, che insegna la verità, se non mette in pratica i precetti che insegna, è un falso profeta.

11. Ogni profeta provato come veritiero, che opera per il mistero terrestre della chiesa, ma che tuttavia non insegna che si

debbano fare quelle cose che egli fa, non sarà da voi giudicato, perché ha il giudizio da parte di Dio; allo stesso modo, infatti, si

comportarono anche gli antichi profeti.

12. Se qualcuno dicesse per ispirazione: dammi del denaro o qualche altra cosa, non gli darete ascolto; ma se dicesse di dare

per altri che hanno bisogno, nessuno lo giudichi.

 

CAPITOLO 12

1. Chiunque, poi, viene nel nome del Signore, sia accolto. In seguito, dopo averlo messo alla prova, lo potrete conoscere,

poiché avrete senno quanto alla destra e alla sinistra.

2. Ma se colui che giunge è di passaggio, aiutatelo secondo le vostre possibilità; non dovrà però rimanere presso di voi che due

o tre giorni, se ce ne fosse bisogno.

3. Nel caso che volesse stabilirsi presso di voi e che esercitasse un mestiere, lavori e mangi.

4. Se invece non ha alcun mestiere, con il vostro buon senso cercate di vedere come possa un cristiano vivere tra voi senza

stare in ozio.

5. Se non vuole comportarsi in questo modo, è uno che fa commercio di Cristo. Guardatevi da gente simile.

 

CAPITOLO 13

1. Ogni vero profeta che vuole stabilirsi presso di voi è degno del suo nutrimento.

2. Così pure il vero dottore è degno, come l’operaio, del suo nutrimento.

3. Prenderai perciò le primizie di tutti i prodotti del torchio e della messe, dei buoi e delle pecore e le darai ai profeti, perché

essi sono i vostri Sommi Sacerdoti.

4. Se però non avete un profeta, date ai poveri.

5. Se fai il pane, prendi la primizia e dà secondo il precetto.

6. E così, se apri un’anfora di vino o di olio, prendi le primizie e dalle ai profeti.

7. Del denaro, del vestiario e di tutto quello che possiedi, prendi poi le primizie come ti sembra più opportuno e dà secondo il

precetto.

 

CAPITOLO 14

1. Nel giorno del Signore, riuniti, spezzate il pane e rendete grazie dopo aver confessato i vostri peccati, affinché il vostro

sacrificio sia puro.

2. Ma tutti quelli che hanno qualche discordia con il loro compagno, non si uniscano a voi prima di essersi riconciliati, affinché il

vostro sacrificio non sia profanato.

3. Questo è infatti il sacrificio di cui il Signore ha detto: “In ogni luogo e in ogni tempo offritemi un sacrificio puro, perché un re

grande sono io – dice il Signore – e mirabile è il mio nome fra le genti”.

 

CAPITOLO 15

1. Eleggetevi quindi episcopi e diaconi degni del Signore, uomini miti, disinteressati, veraci e sicuri; infatti anch’essi compiono

per voi lo stesso ministero dei profeti e dei dottori.

2. Perciò non guardateli con superbia, perché essi, insieme ai profeti e ai dottori, sono tra voi ragguardevoli.

3. Correggetevi a vicenda, non nell’ira ma nella pace, come avete nel vangelo. A chiunque abbia offeso il prossimo nessuno

parli: non abbia ad ascoltare neppure una parola da voi finché non si sia ravveduto.

4. E fate le vostre preghiere, le elemosine e tutte le vostre azioni così come avete nel vangelo del Signore nostro.

 

CAPITOLO 16

1. Vigilate sulla vostra vita. Non spegnete le vostre fiaccole e non sciogliete le cinture dai vostri fianchi, ma state preparati

perché non sapete l’ora in cui il nostro Signore viene.

2. Vi radunerete di frequente per ricercare ciò che si conviene alle anime vostre, perché non vi gioverà tutto il tempo della

vostra fede se non sarete perfetti nell’ultimo istante.

3. Infatti negli ultimi giorni si moltiplicheranno i falsi profeti e i corruttori, e le pecore si muteranno in lupi, e la carità si muterà in

odio;

4. finché, crescendo l’iniquità, si odieranno l’un l’altro, si perseguiteranno e si tradiranno, e allora il seduttore del mondo apparirà

come figlio di Dio e opererà miracoli e prodigi, e la terra sarà consegnata nelle sue mani, e compirà iniquità quali non avvennero

mai dal principio del tempo.

5. E allora la stirpe degli uomini andrà verso il fuoco della prova, e molti saranno scandalizzati e periranno; ma coloro che

avranno perseverato nella loro fede saranno salvati da quel giudizio di maledizione.

6. E allora appariranno i segni della verità: primo segno l’apertura nel cielo, quindi il segno del suono di tuba e terzo la

resurrezione dei morti;

7. non di tutti, però, ma, come fu detto: “Verrà il Signore e tutti i santi con lui. Allora il mondo vedrà il Signore venire sopra le

nubi del cielo.”

 

 Het Jezusgebed/Een monnik van de Oosterse Kerk

Het Jesusgebed

 

Een monnik van de oosterse kerk

 

INLEIDING

 

In een vrij onooglijke vorm verscheen in september 1950 bij Curits and Beamish Ltd. te Coventry een boekje getiteld: ‘On the invocation of the name of Jesus’, dat in 1951 een tweede en twee jaar later een derde druk beleefde. Ook de laatste uitgave heeft veel weg van een goedkoop brochuurtje. Toch bevat dit werkje een grote rijkdom aan geestelijke gedachten en verdient gekend te worden door allen, die zich ernstig op het geestelijke leven toeleggen.

De auteur die schuilgaat onder de titel ‘een monnik van de oosterse kerk’, beschrijft verschillende perspectieven van de heilige naam, gebruikt een gebedsmethode, welke in de geestelijke literatuur bekend is onder de naam ‘hesychasme’. Reeds de oudvaders beoefenden en leerden deze gebedstechniek in allerlei vormen.

In het oosten is deze manier van bidden ook onder de gelovigen nog veelvuldig in gebruik. In kloosters behoort ze daar tot de meest verbreide praktijk van het geestelijke leven. Bij ons in het westen kennen we deze vorm van gebed nog vrijwel uitsluitend in de litanie en meer uitgebreid in de rozenkrans.

In zijn voorwoord op de engelse uitgave wijst de schrijver erop, dat het boekje zuiver op de praktijk is gericht. Zijn enig doel was de christelijke leek, en wellicht ook menig religieus, bekend te maken met wat hij noemt ‘de weg van de heilige naam’. Zelf waarschuwt hij de lezer, dat de tekst niet gemakkelijk ‘loopt’. Hij trachtte zijn gedachten zo kort mogelijk uit te drukken, het aan de lezer overlatend ze in vrome overweging onder de persoonlijke inspiraties van de Heilige Geest opnieuw uit te bouwen. Om dit te vergemakkelijken is het traktaatje in korte hoofdstukjes verdeeld, die weer in paragrafen zijn onderverdeeld. Elke paragraaf vormt een Vrij afgerond geheel.

Gaarne hopen wij met de auteur, dat velen kennis mogen nemen van deze diepe gedachten om er hun geestelijk leven mee te voeden en te verrijken.

De vertaler,

A. PETERS, pr.

 

 

 

1. DE VORM VAN HET JESUSGEBED

 

Nu vroeg Jakob: Zeg mij uw naam. Hij sprak: Hoe vraagt ge nog naar mijn naam!

(Gen 32, 30).

 

1. Men kan op vele manieren bidden met de naam Jesus. Welke de beste is, moet iedereen voor zichzelf ondervinden. Maar welke formule men ook kiest, altijd zal de heilige naam zelf, het woord ‘Jesus’, er de kern en het middelpunt van moeten uitmaken, omdat daarin de gehele kracht van dit gebed is gelegen.

 

2. Het gebed: ‘Heer Jesus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij, arme zondaar!’ is in het oosten het meest verspreid. Men kan echter ook eenvoudig: ‘Jesus Christus’ of: ,Heer Jesus’ zeggen; ja, het hele gebed zou men tot het ene woord ‘Jesus’ kunnen terugbrengen.

 

3. Dit, alleen de naam Jesus, is de oudste wijze van het bidden van de heilige naam; het is de kortste, eenvoudigste en naar wij menen, de gemakkelijkste manier. Daarom zouden wij, zonder andere formuleringen tekort te doen, willen aanraden alleen het woord ‘Jesus’ te gebruiken.

 

4. Wanneer we dus in het vervolg spreken over het Jesusgebed, bedoelen we de eerbiedige en veelvuldige herhaling van de heilige naam, het enkele woord ‘Jesus’ zonder verdere toevoegingen. De heilige naam zélf is het gebed.

 

5. De naam Jesus nu kan men ofwel met de lippen uitspreken, ofwel slechts in stilte denken.

In beide gevallen is er sprake van een werkelijk bidden van de heilige naam; in het eerste luidop, in het tweede alleen met het hart. Deze manier van bidden maakt de overgang van het mondgebed naar het louter inwendig gebed zeer gemakkelijk; ja, alleen al het langzaam en aandachtig herhalen van die heilige naam met de mond, brengt ons tot het overwegend gebed en bereidt de ziel voor op de contemplatie.

 

II. HET JESUSGEBED IN DE PRAKTIJK

 

6. Overal en ieder ogenblik kunnen we de naam Jesus uitspreken: op straat, in de fabriek, op onze kamer, terwijl we wandelen, enz. Naast dit niet aan regels gebonden zeggen van de heilige naam, is het goed een bepaalde tijd en plaats te reserveren met de uitdrukkelijke bedoeling zich toe te leggen op het bidden van het Jesusgebed. Wanneer men enige vordering gemaakt heeft in deze manier van bidden, kan men hiervan afzien, maar voor beginnen- den is het noodzakelijk om vooruit te komen.

 

7. Wanneer we dagelijks dus een bepaalde tijd vaststellen voor het aanroepen van de heilige naam (buiten de spontaan opwellende gebedjes, die zo veelvuldig mogelijk moeten zijn), dan moeten we hiervoor, wanneer de omstandigheden het maar even toelaten, ook een eenzame en rustige plaats kiezen: ‘Wanneer gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bidt uw Vader in het verborgene’ (Mt 6, 6). De lichaamshouding is hierbij van weinig belang. Men kan lopen, liggen of knielen. De beste houding is die welke de lichamelijke ontspanning en geestelijke inkeer het meest bevordert. Het kan daartoe nuttig zijn een houding aan te nemen die nederigheid en eerbied uitdrukt.

 

8. Alvorens de naam ,Jesus aan te roepen brenge men zich in een toestand van volmaakte rust en ingekeerdheid en bidt om de ver lichting en leiding van de Heilige Geest. ‘Niemand kan zeggen dat Jesus de Heer is, dan in de Heilige Geest’ (1 Kor 12, 3). De naam Jesus kan niet echt doordringen in een hart dat niet vervuld is van de zuiverende adem er het vuur van de Heilige Geest. De Geest zelf zal in ons de naam van de Zoon ademen er

doen lichten.

 

9. En dan maar beginnen, simpelweg. Wil men gaan wandelen dan moet men de eerste stap zetten en wie wil zwemmen moet het water in. Zo is het ook met het aanroepen van de heilige naam. Spreek die uit met aanbidding en liefde. Hou dat vol. Herhaal het. Denk er niet aan dat u bezig bent de heilige naam aan t’ roepen, denk alleen aan Jesus zelf. Noem zijn naam, langzaam, zachtjes en rustig.

 

10. Een veel voorkomende fout bij beginnenden is, dat zij het bidden van het Jesusgebed steeds willen ervaren met sterke innerlijke bewogenheid. Zij trachten het te zeggen met grote kracht. Maar de naam Jesus mag men niet schreeuwen of geforceerd uitbrengen, al is het dan maar alleen inwendig. Toen Elias voor God moest verschijnen, brak er eerst een hevige storm los, maar Jahweh was niet in de storm. Na de storm ontstond er een aardbeving, maar Jahweh was evenmin in de aardbeving. Op de aardbeving volgde de bliksem maar ook in de bliksem was Jahweh niet. Toen suisde er een zachte bries, en zodra Elias dit

hoorde, bedekte hij zijn gelaat met zijn mantel en ging naar buiten, want Jahweh ging voorbij (1 Kon 19, 13). Overdreven inspanning en het najagen van gevoelige vertroosting zijn zinloos. Wanneer u de heilige naam voor uzelf herhaalt, richt er dan rustig en geleidelijk uw gedachten, gevoelens, heel uw wil, ja heel uw wezen heen. Laat deze naam uw ziel doordringen, zoals een druppel olie zich uitbreidt in een kleed en het doordringt Laat niets van uw wezen daaraan ontsnappen. Geef uzelf geheel over, sluit u a.h.w. in die naam op.

 

11. Men moet bij de praktische beoefening van dit gebed de heilige naam niet steeds maar onafgebroken herhalen. Is de heilige naam eenmaal uitgesproken, dan moet de sfeer daarvan zich uitbreiden en voortzetten in seconden of minuten van stilzwijgende rust en aandacht. Men zou het herhalen van de heilige naam kunnen vergelijken met de vleugelslag, waarmee een vogel de lucht doorklieft. Dat gaat niet moeizaam, geforceerd, overhaast of klapwiekend, maar soepel en licht en in de letterlijke zin van het woord gracieus. Heeft de vogel een bepaalde hoogte bereikt dan gaat hij over in glijvlucht en beweegt alleen maar van tijd tot tijd zijn vleugels om in de lucht te blijven. Zo moet ook de ziel, wanneer zij zich eenmaal op Jesus heeft geconcentreerd en van Hem vervuld is, het herhalen van de heilige naam onderbreken en rusten in onze Heer. Men moet er slechts weer toe overgaan de heilige naam te herhalen, wanneer verstrooiingen de gedachte aan Jesus dreigen te verdringen. Dan begint men opnieuw de heilige naam aan te roepen om zo weer nieuwe stimulans te ontvangen.

 

12. Zet dit aanroepen voort zolang als u kunt of wilt. Natuurlijkerwijs wordt het gebed door vermoeidheid afgebroken. Forceer dan niets, maar neem het later weer op wanneer en waar het ook moge zijn, zodra u er weer neiging toe voelt. Eenmaal zult u gewaar worden dat Jesus’ naam u spontaan op de lippen komt, en bijna voortdurend in gedachten is, zij het ook heel rustig, onbewust. Zelfs uw slaap zal worden vervuld van de heilige naam en de herinnering aan Jesus. ‘Ik sluimer, maar mijn hart waakt’ (Hoogl 5, 2).

 

13. Wanneer we een poosje bezig zijn met deze methode van bidden, ligt het voor de hand, dat we hopen op en verlangen naar een zeker positief en waarneembaar resultaat, nl. te voelen dat wij een werkelijk contact tot stand hebben gebracht met de persoon van O.L. Heer. ‘Als ik alleen maar de zoom van zijn kleed aanraak, zal ik genezen zijn’ (Mt 9, 21). Deze zegenrijke ervaring is de verlangde eindpool van het aanroepen van de heilige naam:

‘Ik l
aat u niet gaan, tenzij gij mij zegent’ (Gen 32, 26). Toch moeten we een overdreven verlangen naar dergelijke gewaarwordingen vermijden; religieuze emotie kan gemakkelijk ontaarden in een gevaarlijk soort genotzucht en sensualisme. Laten we vooral niet denken onze tijd te hebben verspild of vruchteloze pogingen te hebben gedaan, wanneer we enige tijd het aanroepen van de heilige naam in praktijk hebben gebracht zonder iets te ‘voelen’. Integendeel, dit ogenschijnlijk dorre gebed is God misschien aangenamer dan ogenblikken van verrukking, omdat het vrij is van elk zelfzuchtig zoeken naar geestelijk genot. Het is het gebed van de harde, naakte wil. We moeten derhalve doorgaan met iedere dag een vaste tijd te besteden aan het aanroepen van de heilige naam, ook al komt het ons voor dat

dit gebed ons koud en dor laat. Zulk een ernstige toeleg van de wil, zulk een sober wachten op de heilige naam laat ons zelden lang in een staat van dorheid. Al degenen die dit hebben volgehouden geven toe, dat het vaak vergezeld gaat van een ervaring van diep inwendige vreugde, warmte en licht. Men heeft de indruk te wandelen in het licht. Er is in dit gebed niets vermoeiends, niets smachtends, niets ongeduldigs. ‘Uw naam is het kostbaarste aroom, . . neem mij mee, laat ons vluchten!’ (Hoogl 1, 3-4).

 

III. HET JESUSGEBED ALS GEESTELIJKE WEG

 

Door Jahweh maak ik hem sterk; in zijn naam trekken zij op (Zach 10, 12).

 

15. Het bidden van de naam Jesus zou alleen maar een episode van ons geestelijk leven kunnen zijn (‘episode’ betekent etymologisch:iets wat onderweg voorvalt). Het zou ook één van de vele wegen van het geestelijke leven kunnen zijn. Het kan echter ook dé geestelijke weg zijn, die we definitief en bij voorkeur (eventueel zelfs exclusief) kiezen: m.a.w. het aanroepen van de heilige naam kan voor ons iets voorbijgaands zijn, een gebed dat we gedurende een bepaalde periode verrichten om het later weer door een ander te vervangen; het kan ook – méér dan een bepaalde losstaande akt – een methode zijn, die we gedurende langere tijd, maar tegelijk met andere

gebedsvormen, gebruiken. Tenslotte kan het ook de methode worden, volgens welke we uiteindelijk heel ons geestelijke even opbouwen en organiseren. Dat hangt allemaal af van onze persoonlijke roeping, omstandigheden en geaardheid. We schrijven hier voornamelijk voor beginnelingen, voor degenen dus die eens willen kennismaken met dit gebed en een eerste contact zoeken met de heilige naam, maar ook voor hen die reeds dit eerste contact gelegd hebben en nu de weg zelf begeren te gaan. Zij die het aanroepen van de heilige naam reeds praktiseren als gebedsvorm, eventueel zelfs als de énige methode, hebben onze raadgevingen niet meer nodig.

 

16. We moeten niet zomaar uit een willekeurige opwelling tot het aanroepen van de heilige naam overgaan. Wij moeten door God daartoe geroepen en geleid worden. Wanneer wij het aanroepen van de heilige naam willen beoefenen als onze voornaamste geestelijke oefening, dan behoort dit besluit genomen te worden in gehoorzaamheid aan een zeer bijzondere roeping. Een geestelijke weg die gebaseerd is op een gril, zal jammerlijk doodlopen. Maar als we ons onder leiding van de Heilige Geest aangetrokken voelen tot de naam Jesus, dan zal het aanroepen van de heilige naam in ons de vrucht zijn van de Heilige Geest zelf.

 

17. Er is geen onfeilbaar teken waaraan wil kunnen zien of wij geroepen zijn tot de weg van de heilige naam. Er zijn echter bepaalde aanwijzingen van deze roeping, die wij nederig en zorgvuldig behoren te onderzoeken. Zo mogen wij, niet zonder grond, veronderstellen, dat de weg van het aanroepen van de heilige naam ook voor ons is bestemd, wanneer wij ons getrokken voelen tot het Jesusgebed en deze

praktijk in ons een vermeerdering bewerkt van liefde, zuiverheid, gehoorzaamheid en vrede, ja als het verrichten van andere gebeden zelfs wat moeilijk is geworden.

 

18. Eenieder die zich aangetrokken voelt tot de weg van de heilige naam, moet oppassen andere vormen van gebed niet minder waard te achten. Laten we niet gaan zeggen: ‘Het Jesusgebed is de beste manier van bidden!’ De beste manier van bidden is die, waartoe iemand zich door de Heilige Geest voelt aangespoord, welk gebed dit ook moge zijn. Wie het aanroepen van de heilige naam praktiseert, moet derhalve niet toegeven aan de verleiding van een onbescheiden en onberaden propaganda voor deze manier van bidden. Wanneer wij niet heel uitdrukkelijk met deze missie worden belast, moeten we niet te gauw tot God zeggen: ‘Ik wil uw naam verkondigen aan mijn broeders’ (P5 22, 22). Laten wij liever nederig de geheimen des Heren bewaren.

19. Wat wij in alle eenvoud en waarheid kunnen zeggen is, dat het aanroepen van de naam van Jesus ons geestelijke leven vereenvoudigt en centraliseert. Geen gebed is zo eenvoudig als dit ‘één-woord’-gebed, waardoor de heilige naam het enige brandpunt is van ons hele leven. Ingewikkelde methoden vermoeien en verstrooien vaak de gedachten, maar de naam Jesus neemt heel gemakkelijk alles in zich op. Zij heeft de macht te verenigen en samen te bundelen en de verdeelde persoon die kon zeggen:

‘Mijn naam is legioen, want we zijn met velen’ (Mk 5, 9), zal zijn eenheid herwinnen in de gezegende naam. ‘Verzamel heel mijn hart om uw naam te vrezen’ (Ps 86, 11).

 

20. Het aanroepen van de heilige naam moet niet worden gezien als een zgn. mystieke weg,

die ons van de plicht tot zuivering door ascese ontslaat. In het geestelijke leven zijn er geen binnenpaadjes. De weg van de heilige naam veronderstelt een voortdurende waakzaamheid over onze ziel; wij moeten de zonde vermijden. Er zijn in dit opzicht maar twee houdingen mogelijk om de heilige naam met groter aandacht en liefde te kunnen zeggen; anderen zullen de heilige naam zeggen om aandachtiger en inniger te zijn in hun liefde. Wij geloven dat de laatste opvatting de beste is. De heilige naam zelf i
s een middel tot zuivering en vervolmaking, een controle, een zeef, waar onze gedachten, woorden en handelingen doorheen moeten om ontdaan te worden van alle zondige elementen. Alleen dat zullen we kunnen aanvaarden wat verenigbaar is met de heilige naam Jesus. Laten we ons hart boordevol maken van deze heilige naam en de gedachte aan Jesus en laten we hem daarin als in een kostbaar vat bewaren en beschermen tegen iedere vervalsing en toevoeging. Dit is een zeer strenge ascese. In de mate dat de heilige naam in ons hart groeit, moeten we ons radicaler wegcijferen en sterven aan onszelf. ‘Hij moet groter worden, ik kleiner’ (Joh 3, 10).

 

21. Vergelijken we nu het aanroepen van de heilige naam met andere vormen van gebed. Over het liturgische gebed en gebeden voor bepaalde religieuze groeperingen voorgeschreven, zullen wij hier niet spreken, omdat we hier alleen het individuele en private gebed op het oog hebben. Dit wil niet zeggen, dat wij ook maar in het minst het liturgische gebed of andere voorgeschreven gebeden zouden onderschatten of afbrekend beoordelen. Het feit dat ze in gemeenschap verricht worden en in onafgebroken regelmaat terugkeren, maakt ze uiterst effectief. Maar de gelovigen en de leden

van dergelijke groeperingen moeten zelf uitmaken in hoeverre in hun geval het .Jesusgebed te verenigen is met de officiële gebedsformulen. We bedoelen hier meer een vergelijking te maken tussen verschillende vormen van privaat gebed. Wat b.v. te zeggen over het gebed van samenspraak, waarin wij luisteren naar en spreken tot God; wat over het zuiver kontemplatieve, woordenloze gebed, ‘gebed van rust’ en ‘gebed van vereniging’? Moeten wij deze vormen van gebed opgeven voor het .Jesusgebed of omgekeerd? Of moeten we ze er misschien mee combineren? Het antwoord hierop moeten wij voor elk geval in het bijzonder aan God overlaten. Zelden roept God iemand tot het aanroepen van de heilige naam met uitsluiting van alle andere vormen van gebed. Wij geloven dat in het algemeen gesproken, de weg van de heilige naam breed en ruim is. Meestal is deze praktijk zowel met het inwendig luisteren naar Gods woord in ons, als met het beantwoorden daaraan, te verenigen, evenzeer als met de daartussenliggende perioden van volledige innerlijke stilte. Tenslotte mogen we niet vergeten, dat het beste gebed dat wij kunnen verrichten op ieder willekeurig moment dat gebed is, waartoe wij door de Heilige Geest worden aangezet.

 

22. De raad en de discrete aanwijzingen van een geestelijke leider, die persoonlijke ervaring heeft van de weg van de heilige naam, zal de beginner meestal zeer ten goede komen. Persoonlijk zouden wij een dergelijke leiding zelfs aanbevelen. Dat wil echter niet zeggen dat ze onmisbaar is, want: ‘Wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, dan zal Hij u tot de volle waarheid leiden’ (Joh 16, 13)

 

IV. HET JESUSGEBED ALS AANBIDDING

 

Dan zal ik uw naam verheerlijken, voor eeuwig (Ps86, 12).

 

23. Tot nu toe hebben wij het Jesusgebed meer in het algemeen beschouwd. Nu moeten we de verschillende aspecten van deze aanroeping eens nader gaan bezien. Het eerste daarvan is dat van aanbidding en verering.

 

24. Maar al te vaak blijven onze gebeden beperkt tot smeking, voorbede inroepen en vergeving vragen. Ongetwijfeld kan de naam Jesus ook met al deze bedoelingen worden gebeden. Het gebed evenwel dat belangeloos opgaat in het prijzen van God omwille van zijn eigen glorie, de blik vol liefde en eerbied op Hem gericht, de uitroep van Thomas: ‘Mijn Heer en mijn God!’, behoort de voornaamste plaats in te nemen.

 

25. Het Jesusgebed moet de persoon van Jesus in onze geest binnenleiden. Deze naam toch is symbool en drager van de persoon van Christus. Ware dit niet zo, dan zou het aanroepen van de heilige naam louter woordvergoding zijn. ‘De letter doodt, maar de geest maakt levend’

(2 Kor 3, 6). Jesus’ tegenwoordigheid, ziedaar de wezenlijke inhoud, de levende kern van de heilige naam. Hem uitspreken betekent Jesus’ aanwezigheid en brengt die ook werkelijk teweeg.

 

26. Dit voert tot zuivere aanbidding. Met het uitspreken van de heilige naam beantwoorden wij de tegenwoordigheid van onze Heer. ‘Zij vielen ter aarde neer en aanbaden Hem’ (Mt 2, 11). Godvruchtig de naam Jesus uitspreken is er

 

kennen dat onze Heer alles is en wij niets. En in dit bewustzijn zullen wij Hem aanbidden en vereren. ‘Want God heeft Hem verheven en Hem een naam gegeven, hoog boven alle namen, opdat in de naam van Jesus iedere knie zou buigen’ (Phil 2, 9-10).

 

V. DE HEILIGE NAAM ALS MYSTERIE VAN VERLOSSING

 

0 God, kom mij te hulp door uw naam! (Ps 54, 3).

 

27. De naam Jesus brengt ons nog meer dan zijn tegenwoordigheid. Jesus is aanwezig in zijn naam als Zaligmaker; het woord ‘Jesus’ betekent immers ‘helper’ of ‘redding’. Bij niemand anders is er redding want onder de hemel is geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor we zalig moeten worden’ (Hand 4, 12). Jesus begon zijn aardse zending door te genezen en vergiffenis van zonden te schenken, dat wil zeggen: mensen te redden. De proefondervindelijke kennis van onze Heer als onze persoonlijke Zaligmaker en Redder wijst er dan ook op, dat we begonnen zijn de
weg van de heilige naam te gaan. Het aanroepen van de heilige naam verlost ons uit al onze noodwendigheden.

 

28. De naam Jesus helpt ons niet alleen al datgene te verkrijgen wat we behoeven. (‘Wat gij de Vader ook moogt vragen, Hij zal het u geven in mijn naam. Tot nu toe hebt gij niets

in mijn naam gevraagd; vraag en gij zult verkrijgen en dan zal uw vreugde volkomen zijn’ (Joh 16, 23-24), de naam Jesus zelf is reeds vervulling en verwerkelijking van alles wat wij kunnen wensen. Wanneer wij de hulp van onze Heer nodig hebben, zouden wij zijn naam met geloof en vertrouwen moeten uitspreken in de overtuiging dat we al bezig zijn te ontvangen waar we om vragen. Jesus zelf is de verheven vervulling van al wat een mens maar kan verlangen en Hij is dat op het moment zelf dat we tot Hem bidden. Laten we ons gebed met betrekking tot de verhoring ervan niet zien als voorafgaand, maar als gelijktijdig aan de vervulling ervan in Jesus. Hij is méér dan de schenker van wat wij en anderen nodig hebben. Hij zelf is de gave. Ja, Hij is beide tegelijkertijd:

gever en gave, in Zich bevattend alle goeds. Wanneer ik honger heb, is Hij mijn voedsel. Heb ik kou, Hij is mijn warmte. Als ik ziek ben is Hij mijn gezondheid, word ik vervolgd dan is Hij mijn redding. Ben ik onkuis, Hij wordt mijn zuiverheid. Hij is ons immers door God tot wijsheid, gerechtigheid, heiliging en verlossing geworden (1 Kor 1, 30). Dat is heel iets anders dan wanneer Hij ons dit alles alleen maar had gegeven. Nu kunnen wij in zijn naam alles vinden wat Hij is. Daarom is de heilige naam Jesus, voor zover hij ons met Jesus zelf verbindt, al een mysterie van verlossing.

 

29. De naam van Jesus brengt ons overwinning en vrede wanneer we worden bekoord. Een hart dat reeds vervuld is van de naam en de tegenwoordigheid van onze Heer, zal geen zondig fantasiebeeld of gedachte binnenlaten. Maar we zijn zwak en maar al te vaak geven onze verdedigingslinies het op en de bekoring stijgt in ons als een stortvloed. Sla dan geen acht op de bekoring, redeneer niet met uw eigen verlangens, let niet op de storm, kijk niet naar jezelf. Zie naar onze Heer, klamp u aan Hem vast, beroep u op zijn naam. Toen Petrus over het water naar Jesus wandelend de hevigheid van de storm gewaar werd, ‘werd hij bevreesd’ (Mt 14,

30) en begon te zinken. Als wij in plaats van naar de golven te kijken en naar de wind te luisteren, rechtuit over het water naar .Jesus gaan, zal Hij zijn hand uitsteken en ons vastgrijpen. De heilige naam zal ons dan van groot nut zijn als een vast omschreven, concreet en machtig hulpmiddel, dat in staat is de krachtige betovering van de verleiding te weerstaan. Wanneer u bekoord wordt, roep dan de heilige naam met volharding aan, maar rustig en eerbiedig, niet ruw, angstig of hartstochtelijk. Laat de heilige naam uw ziel langzaam doordrenken, tot alle gedachten en gevoelens daarin te samen komen en zich rondom deze naam vastzetten. Laat hem zo zijn macht tot samen- bundelen uitoefenen. Het is de naam van de Vredevorst, hij moet dus in vrede worden aan- geroepen, dan zal hij ons de vrede brengen, of beter nog, hij zal (als degene van wie hij het symbool is) ons zelf tot vrede zijn.

 

30. De naam Jesus brengt ons vergiffenis en verzoening. Als we zwaar hebben misdaan – en des te eerder wanneer we licht gezondigd hebben – kunnen we in één ogenblik ons met berouw en liefde tot de heilige naam keren en die uitspreken met heel ons hart. De heilige naam, zo gebeden (waardoor we de persoon van Christus immers al bereikten), zal ons de vergiffenis waarborgen. Laten we na de zonde niet willoos blijven talmen en uitstellen. Laten we toch niet aarzelen, ondanks onze onwaardigheid, de heilige naam opnieuw aan te roepen. Op een vroege morgen staat Jesus aan de oever van het meer. ‘Als Simon Petrus hoort dat

het de Heer is . .springt hij in zee’ (Joh 21, 7). Doe als Petrus, zeg: ‘Jesus’ en begin een nieuw leven. Wij zondaars zullen onze Heer hervinden bij het aanroepen van zijn heilige naam. Hij komt tot ons op het eigen ogenblik, in welke toestand we ook zijn. Hij begint weer met ons vanaf het punt waar Hij ons verliet, of liever gezegd, waar wij Hem verlieten. Toen Hij na zijn verrijzenis aan zijn leerlingen verscheen, kwam Hij tot hen zoals zij toen waren: bang, eenzaam en ongerust, maar zonder hun hun ontrouw te verwijten kwam Hij eenvoudig opnieuw in hun leven van alle dag. ‘Hij vroeg hen:

Hebt ge hier iets te eten? en zij gaven Hem een stuk gebraden vis en een brok honingraat’

(Lk 24, 41). Zo gaat het ook als wij na een zonde of na een tijd van lauwheid opnieuw ‘Jesus’ zeggen; Hij eist geen uitgebreide verontschuldigingen, Hij verlangt alleen maar weer bij ons te zijn zoals vroeger en elk moment en heel de sleur van ons leven – dat zijn onze gebraden vis en onze honingraat – in zijn persoon en zijn naam op te nemen en opnieuw te doen uitgaan vanuit de ware diepte van ons wezen.

 

31. Zo brengt de heilige naam ons na onze zonden weer verzoening. Zo geeft hij ons echter tevens een weidser en dieper besef van de goddelijke vergiffenis. Wij kunnen in het bidden van de naam Jesus heel de realiteit leggen van het Kruis, heel het mysterie van de verzoening. Wanneer we de heilige naam zien vanuit ons geloof in Jesus als zoenoffer voor de zonden der wereld, dan vinden wij in de heilige naam het symbool van de verlossing, welke zich uitstrekt over alle tijden en over het ganse heelal. In deze naam zullen we dan ontdekken ‘het Lam dat geslacht is’ (Openb 13, 8), ‘het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt’ (Joh 1, 29).

 

32. Dit alles wil evenwel in het geheel geen afbreuk doen aan, noch kleinerend bedoeld zijn ten opzichte van de door de kerk aan alle gelovigen voorgehouden middelen tot boete en vergeving. Het gaat hier om realiteiten van zuiver innerlijke aard, een vorm van innerlijke absolutie welke verkregen wordt door het berouw dat uit de liefde voortspruit. Het is de vergeving die de tollenaar uit het evangelie verwierf op zijn gebied in de tempel: ‘Deze man ging gerechtvaardigd naar huis’ (Lk 18, 14).

 

 

VI. DE NAAM JESUS EN DE MENSWORDING

 

En het woord is vlees geworden (Joh 1, 14).

 

33. We hebben de verlossende kracht van de heilige naam beschouwd, nu moeten we nog verder gaan. Naarmate de naam Jesus in ons groeit, groeit ook onze kennis van de goddelijke mysteriën. De heilige naam is niet alleen mysterie van verlossing, vervulling van al onze zonden. Het aanroepen van de heilige naam is ook middel om deel te krijgen aan het mysterie van de menswording. Het is een krachtdadig middel van vereniging met onze Heer en verenigd-zijn met Christus is veel genadevoller dan alleen maar bij Hem te zijn of door Hem te zijn verlost.

 

34. U moet de naam Jesus uitspreken, opdat ‘Christus moge wonen in uw hart’ (Ef 3, 17). U moet, wanneer zijn heilige naam over uw lippen komt, de waarachtigheid ervaren van zijn komst in uw ziel: ‘Ik sta aan de deur en klop en wanneer iemand naar mijn stem luistert en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij’ (Openb 3, 20). U moet zijn persoon en zijn naam, als zinnebeeld van de persoon, in uzelf ten troon heffen: ‘Ze hebben er zich gevestigd en daar een heiligdom gebouwd ter ere van uw naam’ (2 Kron 20, 8). Hij is het ‘Ik in hen’ van het hogepriesterlijk gebed van onze Heer (Joh 17, 26). Zo moeten we onszelf verliezen in die naam en ervaren dat we de ledematen zijn van het lichaam van Christus en de ranken van de ware wijnstok. ‘Blijft in Mij’ (Joh 15,4). Het spreekt vanzelf, dat niets het verschil kan opheffen tussen de Schepper en het schepsel. Maar door de menswording is een waarachtige vereniging van het mensdom en van onze eigen persoon met onze Heer mogelijk geworden, een vereniging die in het gebruik van de naam Jesus uitdrukking en versterking vindt.

 

35. Er bestaat enige overeenkomst tussen de menswording van het Woord en de inwoning van de heilige naam in ons. Het woord is vlees geworden. Jesus werd mens. Wanneer de diepe realiteit van de naam Jesus door onze ziel is gegaan, gaat zij als het ware over in ons lichaam. ‘Bekleedt u met de Heer Jesus Christus’ (Rom 13,14). De levende inhoud van deze heilige naam straalt van ons uit. ‘Uw naam is als uitgegoten balsem’ (Hoogl 1, 3). Wanneer ik de heilige naam met geloof en liefde herhaal, wordt zij een kracht in mij, in staat ‘de wet der zonde, die in mijn ledematen heerst’ (Rom 7. 23) te verlammen en te overwinnen. Zo kunnen we onszelf de naam Jesus als een soort fysisch zegel indrukken, dat ons hart en ons lichaam zuiver en gewijd zal bewaren. ‘Druk mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uw arm’ (Hoogl 8, 6). Maar dit zegel is geen stuk was of lood, het is het uitwendig teken, de naam van het levende Woord.

 

VII. DE NAAM JESUS EN DE GEDAANTEVERANDERING

 

…vol van Hen,, die alles in allen vervult (EI 1, 23),

 

36. Het bidden van de heilige naam vernieuwt niet alleen het bewustzijn van onze eigen vereniging met Jesus in zijn menswording, de naam is ook een instrument, dat onze blik verruimt op de betekenis van onze Heer t.o.v. alles wat God heeft gemaakt. De naam Jesus helpt ons de wereld in Christus om te vormen (zonder tot pantheïsme te vervallen). Dit is weer een nieuw aspect van het Jesusgebed, het is een weg tot omvorming.

 

37. Dit is zo ten opzichte van de natuur. We moeten het heelal beschouwen als het werk van de Schepper: ‘Jahweh schiep hemel en aarde’ (Ps 134, 3). Het kan worden gezien als het zichtbare teken van de onzichtbare goddelijke schoonheid. ‘De hemelen verkondigen Gods glorie’ (Pa 19, 1). ‘Zie de leliën op het veld’ (Mt 6, 28). En toch is deze opvatting onvolledig. De schepping is niet iets statisch, ze is altijd in beweging, streeft en groeit naar Christus toe als naar haar vervulling en voleinding. ‘Heel de schepping zucht en kreunt in barensweeën’ (Rom 8, 22) tot zij ‘bevrijd zal worden van de slavernij der vergankelijkheid om deelachtig te worden aan de vrijheid der glorie van de kinderen Gods’ (Rom 8, 21). Heel de levenloze wereld is mee opgenomen in deze beweging naar Christus toe. Alle dingen komen tezamen in de menswording. De natuurelementen en de voortbrengselen der aarde, steen en hout, water en olie, koren en wijn, ze ontvingen een nieuwe betekenis en werden zinnebeelden en dragers van genade. Heel de schepping spreekt op mysterieuze wijze de naam Jesus. ‘Ik zeg u, als zij zwijgen, dan zullen de stenen gaan roepen’ (Lk 19, 40). Het is het uitleggen van deze naam, dat de christen moet beluisteren in de natuur. Door de naam Jesus uit te spreken over de dingen der natuur, over een steen of een boom, een vrucht of een bloem, de zee of een landschap of wat ook, brengt hij die gelooft het geheim van deze dingen aan het licht, voert ze tot hun vervolmaking, geeft antwoord op hun lang en ogenschijnlijk zwijgend wachten. ‘Reikhalzend toch smacht de schepping naar de openbaring der kinderen Gods’ (Rom 8, 19). Zo zullen we de naam Jesus zeggen, tezamen met de hele schepping: ‘In de naam van Jesus zal iedere knie zich buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde’ (Fil 2, 10).

 

38. Ook de wereld van de levende wezens moet door ons worden omgevormd. Toen Jesus veertig dagen in de woestijn verbleef, ‘vertoefde Hij onder de wilde dieren’ (Mk 1, 13). We weten niet wat er toen gebeurd is, maar we kunnen er zeker van zijn dat alle daar levende wezens onder zijn invloed zijn gekomen. Zelf zegt Hij van de mussen dat ‘geen enkele daarvan door God wordt vergeten’ (Lk 12, 6). We lijken dan op Adam, toen hij alle dieren een naam moest geven. Toen vormde Jahweh-God uit klei alle dieren op het land en alle vogels in de lucht en voerde ze naar de mens om te zien hoe hij ze zou noemen’ (Gen 2, 19). De biologen gaven ze een wetenschappelijk verantwoorde naam. Wanneer wij echter over de dieren de naam van Jesus uitspreken, geven wij ze hun oorspronkelijke waardigheid, die we zo gemakkelijk vergeten, terug, de waardigheid nl. van levende wezens te zijn, door God in Jesus e
n voor Jesus geschapen en in het leven gehouden.

 

39. Vooral de mensen kunnen we op deze manier omvormen. De verrezen Christus verscheen verschillende malen aan zijn leerlingen in een gedaante die zij tot nu toe niet van Hem gewoon waren. ‘Daarna verscheen Hij in een andere gedaante..’ (Mk 16, 22), de gedaante van een reiziger op weg naar Emmaüs, of van een tuinman bij het graf of van een vreemdeling, staande op de oever van het meer. Het was echter telkens in de gedaante van een gewone mens, zoals wij die ook in ons dagelijks leven ontmoeten. Hiermede benadrukte Jesus een belangrijk aspect van zijn tegenwoordigheid onder ons, zijn tegenwoordigheid nl. in alle mensen. Zo realiseerde Hij wat Hij had geleerd: ‘Ik was hongerig en ge gaaft Mij te eten, Ik was dorstig en ge gaaft Mij te drinken., naakt en ge kleedde Mij. Ik was ziek en ge hebt Mij bezocht. Ik was gevangen en ge kwaamt tot Mij. Wat ge de minste van mijn broeders gedaan hebt, dat hebt ge Mij gedaan’ (Mt 25, 35-36, 40). Jesus verschijnt ons in onze dagen in de gelaatstrekken van mannen en vrouwen, Inderdaad deze menselijke vorm is nu de enige waarin iedereen naar believen elk moment en op iedere plaats het gelaat van onze Heer kan herkennen. De moderne mens is realistisch georiënteerd; hij kan niet leven van abstracties en schijn; wanneer de mystieken hun vertellen: ‘Wij hebben de Heer gezien’, antwoorden zij met Thomas:‘Alleen als ik.., mijn vinger kan steken in opening van de spijkers en mijn hand in de zijdewonde, zal ik het geloven’ (Joh 20, 25). En Jesus neemt die uitdaging aan. Hij laat zich vinden en aanraken en toespreken in de persoon van al zijn menselijke broeders en zusters. Evenals tot Thomas zegt Hij tot ons: ‘Kom hier met uw hand en steek hem in mijn zijde en wees niet ongelovig maar gelovig’ (Joh 20, 27). Op de arme, de zieke, de zondaar en in het algemeen op alle mensen wijzend, zegt Jesus ‘Zie mijn handen en voeten., raak Mij aan en overtuig u, want een geest heeft geen vlees beenderen, zoals ge ziet dat Ik heb’ (Lk 24,39). Mannen en vrouwen, zij zijn het vlees en beenderen, de handen en de voeten, de doorstoken zijde van Christus, zijn mystiek lichaam. In hen kunnen we de realiteit ervaren de verrijzenis, de werkelijke tegenwoordigheid (zonder deze nochtans te vereenzelvigen met zijn wezenheid) van onze Heer Jesus. Wanneer we Hem niet gewaarworden, dan komt dat van ons ongeloof en onze verstoktheid van hart. Hun ogen werden weerhouden zodat zij Hem niet herkenden’ (Lk 24, 16). Welnu de naam Jesus is een concreet en krachtig middel om de mensen te zien in hun verborgen en meest innerlijke werkelijkheid. We moeten alle mensen benaderen met de naam Jesus op de lippen, op straat, in de winkel, op kantoor, in de fabriek, in de bus en vooral hen die ons hinderlijk en onsympatiek zijn. We moeten over hen allen de raam Jesus uitspreken, want dat is hun echte naam. Noem hen met deze naam, in zijn naam, en sfeer van aanbidding, toewijding en welwillendheid. Aanbid Christus in hen, dien Christus in hen. In veel van deze mannen en vrouwen – in de boze en misdadige – is Jesus geboeid. Bevrijd Hem door Hem in hen te erkennen en te eren. Iedereen zal ons als omgevormd en getransfigureerd voorkomen, wanneer wij door de wereld gaan met deze nieuwe blik, terwijl we ‘Jesus’ zeggen over iedere mens, terwijl we Jesus zien in iedere mens. Hoe meer we bereid zijn onszelf aan de mensen weg te schenken des te helderder en klaarder zal deze nieuwe blik worden, maar onze overgave is de voorwaarde voor dit inzicht. Terecht zei Jacob tot Esau, toen zij verzoend waren: ‘. . als ik genade gevonden heb in uw ogen, neem dan het geschenk van mij aan; want, daar ge vriendelijk voor mij waart, heb ik uw gelaat gezien, zoals men Gods aanschijn aanschouwt’ (Gen 33,10).

 

VIII. DE NAAM JESUS EN DE KERK

 

…om alles wat in de hemel en op aarde is, in Christus weer samen te brengen (Ef7, 10).

 

40. In de naam Jesus ontmoeten we al degenen die met onze Heer verenigd zijn, al degenen van wie Hij gezegd heeft: ‘Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden’ (Mt 18, 20).

 

41. We kunnen alle mensen vinden in het hart van Jesus en in zijn liefde. Alle mensen kunnen we in zijn naam samenbrengen en ze daarin omvangen houden. Het is niet nodig uitbreid voor hun intenties te bidden, we behoeven slechts de naam Jesus uit te spreken met de naam van degene die in bijzondere nood verkeert. Alle mensen en alle goede gebedsintenties zijn reeds besloten in de naam van onze Heer. Jesus aanhangen is één worden met Hem in zijn zorg en liefdevolle attentie voor hen. Zich aasluiten bij Jesus’ eigen voorspraak voor hen is veel beter, dan Hem te smeken namens hen.

 

42. Waar Jesus is, daar is de kerk. Wie in Jesus, is in de kerk. Is het aanroepen van de heilige naam een middel tot vereniging met onze Heer, het is ook een middel om zich te verenigen met de kerk, die in Hem is en die door geen menselijk kwaad kan beroerd worden. Dit wil niet zeggen dat we de ogen sluiten voor de problemen van de kerk hier op aarde, voor de onvolkomenheden en de verdeeldheid der christenen. Maar we denken hier alleen aan de eeuwige en geestelijke en ‘onbevlekte’ zijde van de kerk, die besloten ligt in de naam van Jesus. De kerk, aldus beschouwd, gaat boven iedere aardse werkelijkheid uit. Geen schisma kan haar verdelen. Jesus zei tot de Samaritaanse vrouw geloof Me, er komt een uur, waarin gij

noch op deze berg, noch te Jerusalem de Vader zult aanbidden.. er komt een uur, en het is er reeds, waarin de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid’

(Joh 4, 21, 23). Er is een duidelijke tegenspraak in de woorden van onze Heer; hoe kan het uur

nog komende zijn en er toch al zijn? Deze paradox wordt verklaard uit het feit dat de Samaritaanse vrouw voor Christus stond. Van de ene kant was er nog de historische tegenstelling tussen Jerusalem en Gerizim; en Jesus, Wel verre van dit als onbeduidend te beschouwen, benadrukt de hogere roeping van Jerusalem: ‘Gij aanbidt wat ge niet kent. Wij aanbidden wat wij kennen; want het heil komt uit de Joden’ (Job 4, 22). In deze zin was het uur nog niet gekomen. Van de andere kant was het uur er reeds, omdat de vrouw voor degene, die groter is dan Jerusalem of Gerizim, degene, ‘die ons alles zal verkondigen’ (Job 4, 25) en in wie alleen we ten volle kunnen ‘aanbidden in ge
est en waarheid’ (Joh 4, 24). Dezelfde verhouding ontstaat, wanneer we door het Jesusgebed ons met zijn heilige persoon verenigen. Zeker, we geloven allerminst, dat al de tegenstrijdige interpretaties, die er op aarde over het evangelie verkondigd worden, gelijktijdig waar zijn, en evenmin, dat de gescheiden groepen van christenen in gelijke mate het goddelijke licht bezitten. Maar wanneer wij de heilige naam van Jesus in zijn volle betekenis uitspreken, geheel en al overgegeven aan zijn persoon en zijn verlangens, delen wij tegelijkertijd in het geheel van de kerk en ervaren zo haar wezenlijke eenheid, die dieper ligt dan al onze menselijke verdeeldheid.

 

43. Het Jesusgebed helpt ons in Hem weer te ontmoeten, al degenen, die ons door de dood ontvielen. Martha zag niet diep genoeg, toen ze, sprekend over Lazarus, tot de Heer zei: ‘Ik weet dat hij zal opstaan op de jongste dag’ (Job 11, 24). Met voorbijzien van wat er reeds was, stelde zij haar vertrouwen in wat komen moest. Jesus hielp haar uit de waan: ‘Ik bén de verrijzenis en het leven’ (Joh 11, 25). Het leven en de verrijzenis van de overledenen zijn niet louter toekomstig (hoewel de verrijzenis van de lichamen dat wel is). De persoon van de verrezen Christus is reeds de verrijzenis en het leven van alle mensen. In plaats van te trachten in ons gebed of in onze herinnering of verbeelding direct met de overledenen zelf geestelijk contact tot stand te brengen, moeten we trachten hen te bereiken in Christus, waarin nu immers hun werkelijke leven te vinden is. Daarom kan men zeggen dat het beste gebed voor de overledenen het Jesusgebed is. Omdat de aanroeping van Jesus’ naam onze Heer tegenwoordig stelt, zullen ook zij dan bij ons tegenwoordig zijn. En wanneer wij hun naam verbinden met de heilige naam, verrichten wij een liefdewerk ten opzichte van hen.

 

44. Deze overledenen wiens leven met Christus verborgen is, vormen de hemelse kerk. Zij behoren tot de volmaakte en eeuwige kerk, waarvan de strijdende kerk op aarde maar een heel klein deeltje uitmaakt. In de naam Jesus ontmoeten wij heel de gemeenschap der Heiligen; ‘zijn naam zal op hun voorhoofd staan’ (Openb 22, 4). Wij ontmoeten daarin de engelen; Gabriël, die het eerst op aarde de heilige naam aankondigde toen hij tot Maria zei: ‘En gij zult zijn naam Jesus noemen’ (Lk 1, 31). Daarin ontmoeten wij de Vrouw, ‘gezegend onder de vrouwen’, tot wie Gabriël deze woorden sprak en die zo vaak haar Zoon bij zijn naam genoemd heeft. Moge de H. Geest ons het verlangen ingeven, de naam van Jesus in ons op te nemen, zoals de H. Maagd Maria hem voor het eerst in zich opnam, en deze naam te herhalen, zoals Maria en Gabriël hem hebben uitgesproken. Moge onze eigen aanroeping afdalen in deze afgrond van aanbidding, gehoorzaamheid en tederheid!

 

IX. DE NAAM JESUS ALS EUCHARISTIE

 

Doet dit ter, mijner gedachtenis (Lk 22, 79).

 

45. Het mysterie van de opperzaal was een samenvatting van heel het leven en de zending van onze Heer. Beschouwingen over het sacrament der Eucharistie liggen buiten het bestek van het werkje dat wij ons hier hebben voorgenomen. Maar er bestaat een ‘eucharistisch’ gebruik van de naam Jesus, waarin alle aspecten welke we tot nu toe hebben behandeld, zijn samengevat en verenigd.

 

46. Ook onze ziel is een opperzaal, waar op ieder moment een onzichtbaar avondmaal des Heren kan worden gevierd. Onze Heer zegt het ons, bedekt zoals altijd: ‘Met groot verlangen heb ik verlangd dit paasmaal met u te gebruiken’.. (Lk 22, 15). ‘Waar is de zaal waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan nuttigen?’.. (Lk 22, 11) ‘maak het daar gereed’ (Lk 22, 12). Deze woorden gelden niet alleen het zichtbare avondmaal des Heren, zij zijn ook toe te passen op de innerlijke eucharistie, die, weliswaar alleen geestelijk, niettemin werkelijk is. In de zichtbare Eucharistie wordt Jesus opgedragen onder de gedaante van brood en wijn. In de eucharistie binnen ons, kan Hij alleen worden betekend en aangeduid door zijn naam. Daarom kan de aanroeping van de heilige naam door ons tot een eucharistie gemaakt worden.

 

47. De oorspronkelijke betekenis van ‘eucharistie’ is ‘dankzegging’. Ons inwendig avondmaal des Heren, moet een dankbetuiging zijn voor de grote gave ons door de Vader geschonken in de persoon van zijn Zoon. ‘Door Hem moeten we een altijddurende dankofferande brengen aan God’ (Hebr 13, 15). De H. Schrift geeft onmiddellijk de aard van dit dankoffer aan: ‘..namelijk de vrucht van lippen die zijn naam verheerlijken!’ Zo wordt de heilige naam verbonden met de idee van dankzegging. Wanneer wij Jesus’ naam uitspreken, behoren wij niet alleen de Vader te danken voor het feit, dat Hij ons zijn Zoon heeft gegeven of onze lofzegging tot de naam van de Zoon zelf te richten, maar we moeten de naam van de Zoon tot het wezen en de drager maken van het offer van lof, aan de Vader gebracht de uitdrukking van onze dank en tegelijk ons dankoffer.

 

48. Iedere eucharistie is een offerande. Dan offeren zij Jahweh weer in gerechtigheid’ (Mal 3, 3). Wij kunnen de Vader geen beter offer brengen, dan de persoon van zijn Zoon. Alleen dit offer is de Vader waardig. Ons offeren van Jesus aan de Vader is één met het offer, dat Jesus zelf voortdurend aan zijn Vader aanbiedt; hoe toch zouden wij uit onszelf Christus kunnen offeren! Om aan ons offer een concrete vorm te geven, kunnen wij niet beter doen dan de naam Jesus uitspreken. Wij zullen God de heilige naam aanbieden alsof het brood en wijn ware.

 

49. Bij het avondmaal bood de Heer aan zijn leerlingen brood dat gebroken en wijn die ver- goten werd aan. Hij offerde een leven dat werd overgeleverd, zijn Lichaam en Bloed, gereed om te worden geslachtofferd. Wanneer wij inwendig Jesus aan zijn Vader offeren, bieden wij Hem altijd een Slachtoffer, tegelijk geslacht en ‘verheerlijkt: ‘Waardig is het Lam dat geslacht is, te ontvangen, macht., eer, glorie en lof!’ (Openb 5, 12). Laten wij de naam van Jesus uitspreken in het bewustzijn dat we gewassen en ‘Wi
t geworden zijn in het bloed van het Lam’ (Openb 7, 14). Ziedaar de eucharistische beoefening van het Jesusgebed. Niet dat we hiermee a.h.w. een nieuw sacrament van het kruis willen instellen. De heilige naam, sacramenteel gebruikt, is slechts een hulpmiddel om de vruchten van het offer, eens en voor altijd volmaakt gebracht, hier en nu op ons toe te passen. Het helpt ons de uitoefening van het universele priesterschap, het eeuwige offer van Christus geestelijk actueel te doen zijn en tegenwoordig te stellen. Het sacramenteel gebruik van de naam .Jesus zal ook het besef in ons levendig houden, dat we niet met Jesus, Priester en Offerande, verenigd kunnen zijn, wanneer we niet offeren, in Hem, in zijn naam, onszelf met lichaam en ziel: ‘Brand- en zoenoffers behaagden U niet, toen zeide Ik: zie Ik kom!’ (Hebr 10, 6-7).

 

50. Er is geen eucharistie denkbaar zonder communie. Onze inwendige eucharistie is eveneens wat de traditie noemt een geestelijke communie’, d.w.z. een spijziging door het geloof in het Lichaam en Bloed van Christus, zonder dat men de zichtbare gedaanten van brood en wijn tot zich neemt: ‘Want het brood dat uit de hemel neerdaalt, is het brood van God, dat leven aan de wereld schenkt.. Ik ben het brood des levens’ (Joh 6, 33, 48). Jesus blijft altijd het levensbrood, dat wij als voedsel kunnen ontvangen, zelfs als we de uitwendige gedaante niet kunnen nuttigen. ‘Het is de geest die leven brengt, het vlees brengt niets daartoe bij’ (Joh 6, 63). We kunnen puur geestelijk en onzichtbaar naderen tot het Lichaam en Bloed van Christus. Deze inwendige, maar zeer werkelijke wijze van communiceren is iets geheel onderscheiden van iedere andere manier van toenadering tot zijn persoon, want hier is sprake van een bijzondere gave en weldaad, een bijzondere genade, een buitengewone verhouding

tussen onze Heer, als degene die voedt en tegelijk voedsel is, en onszelf die deelnemen aan dat voedsel, zij het op onzichtbare wijze. Dit geestelijk eten nu van het goddelijke levens- brood, van het Lichaam en Bloed van de Zalig- maker, wordt gemakkelijker wanneer het tot uitdrukking wordt gebracht in de heilige naam, wanneer de naam Jesus er de vorm, omlijsting en drager van is. We kunnen de naam van onze Heer uitspreken met de speciale bedoeling onze ziel daarmee te voeden, of liever met het H. Lichaam en kostbaar Bloed, dat we daardoor trachten te benaderen. Zo vaak we dat willen, kan deze communie vernieuwd worden. Het zij verre van ons de H. Eucharistie, zoals deze in de kerk wordt gevierd en genuttigd, als overbodig voor te stellen of minder hoog aan te slaan, maar het is te hopen, dat iedereen, die de weg van de aanroeping van de heilige naam volgt, moge ondervinden, dat de naam Jesus een geestelijk voedsel is, dat aan de hongerige zielen het levensbrood meedeelt. ‘Heer, geef ons dit brood voor immer’ (Joh 6, 34). In dit brood, in deze naam, zulfen we verenigd zijn met al degenen die deelnemen aan dit Messiaanse maal: ‘Daarom zijn wij, hoe talrijk ook, één lichaam, want allen hebben wij deel aan het éne Brood’ (1 Kor 10, 17).

 

51. Door de H. Eucharistie ‘verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt’ (1 Kor 11, 26). De Eucharistie is een voorsmaak van het eeuwige gastmaal. Het ‘eucharistisch’ gebruik van de heilige naam, leidt ons tot het eschatologische gebruik ervan, d.w.z. tot het aanroepen van de heilige naam, gezien in verband met het ‘einde’ en de komst van onze Heer. iedere aanroeping van de heilige naam moest een vurige verzuchting zijn naar onze uiteindelijke hereniging met Jesus in het hemelse koninkrijk. Zulk een verzuchting staat in betrekking tot het einde van de wereld en de triomferende komst van Christus, maar het heeft nog meer direct betrekking op het ogenblikkelijke ingrijpen van Christus (laten we bidden dat dit steeds vaker zij!) in ons aardse bestaan op zijn wonderlijk krachtig binnendringen in ons leven van alle dag, en nog meer op zijn komst op het ogenblik van onze dood. Er is een manier om ‘Jesus’ te zeggen, die een voorbereiding is op de dood, een verzuchten naar de dood, opgevat als een lang verwacht verschijnen van de Vriend, ‘die ge liefhebt, hoewel ge Hem niet gezien hebt’ (1 Petr 1, 8); een vragen om deze suprème ontmoeting en nu reeds een verwijlen aan de andere kant van de levensgrens. In deze manier van ‘Jesus’-zeggen ligt de verlangende uitroep van Paulus: ‘Ik verlang ontbonden te worden en met Christus te zijn’ (Fil 1, 23) en van St.-Jan:

‘Kom Heer Jesus, kom’ (Openb 22, 20) al besloten.

 

X. DE NAAM JESUS EN DE HEILIGE GEEST

 

Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien dalen en op Hem rusten (Joh 1,32).

 

52. De naam Jesus heeft een zeer voorname plaats in de boodschap en de daden van de apostelen. Zij preekten in de naam van Jesus, genazen de zieken in zijn naam, zij baden tot God: ‘Nu dan Heer, verleen uw dienaars,.. tekenen en wonderen door de naam van Jesus, uw heilige Dienaar’ (Hand 4, 29-30). Door hen werd de naam van de Heer Jesus verheerlijkt’ (Hand 19, 17).

Pas na Pinksteren verkondigden de apostelen de naam ‘met kracht’. Jesus had hun gezegd:

‘Wanneer de H. Geest over u komt, zult gij kracht ontvangen’ (Hand 1, 8). In dit ‘pinkstergebruik van de naam van Jesus zien we duidelijk het verband van de Geest en de naam. Het blijft intussen niet beperkt tot de apostelen, maar van al ‘degenen die geloven’ geldt het woord dat Jesus sprak: ‘In mijn naam zullen zij duivelen uitdrijven, zij zullen vreemde talen spreken.. zieken de handen opleggen en zij zullen genezen’ (Mk 16, 17-18). Alleen ons gebrek aan krachtig geloof en liefde, weerhoudt ons ervan een beroep te doen op de heilige naam in de kracht van de H. Geest, Wanneer wij waarlijk de weg van de heilige naam gaan, moet er een dag aanbreken, dat we (zonder trots of aanmatiging) in staat blijken de glorie van onze Heer te openbaren en anderen te helpen door ‘tekens’. Hij, wiens hart een heiligdom is geworden van Jesus’ naam, moest niet aarzelen tot hen die geestelijk of lichamelijk hulp nodig hebben, de woorden van Petrus te herhalen: ‘Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven in de naam van Jesus Christus van Nazareth, sta op en ga!’ (Hand 3, 6). 0, mocht de Geest van Pinksteren komen en de naam Jesus met vuur in ons hart schrijven!

 

53. Het ‘pinkster’-gebruik van de heilige naam is slechts één aspect van ons naderen tot de

H. Geest door middel van de naam Jesus. De heilige naam zal ons nog tot andere en inwendige ervaringen van de Geest voeren. Wanneer we de heilige naam uitspreken, mogen we een glimp opvangen van de betrekking tussen de H. Geest en Jesus. De H. Geest staat in een bepaalde verhouding tot Jesus, en Jesus in een bepaalde verhouding tot de H. Geest. Wanneer wij de naam Jesus herhalen, bevinden wij ons bij wijze van spreken, op het kruispunt waar deze twee ‘strevingen’ elkaar ontmoeten.

 

54. Toen Jesus werd gedoopt, ‘daalde de H. Geest in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neer’ (Lk 3, 22). Het nederdalen van de duif is de beste uitbeelding van de verhouding van de H. Geest tot onze Heer. Laten wij nu trachten, wanneer wij de naam van ,Jesus zeggen, a.h.w. mee te gaan met de Jesus gerichte beweging van de H. Geest, met de Geest, door de Vader naar Jesus gezonden, kijkend naar Jesus en komend tot Jesus. Laten we trachten onszelf te verenigen, voor zover een schepsel zich met een goddelijke handeling verenigen kan, met deze vlucht van de duif (‘0, had ik vleugels gelijk een duif. .‘ Ps 55, 7) en met de tedere gevoelens die zij tot uiting brengt; ‘Men hoort de duiven al kirren’ (Hoogl 2, 12). Alvorens ons ‘te smeken met onuitsprekelijke verzuchtingen’ (Rom 8, 26), verzuchtte de H. Geest naar Jesus en zal in eeuwigheid naar Jesus blijven verzuchten. Het boek der Openbaring toont ons de H. Geest samen met de bruid (dat is de kerk) roepend om de Heer. Wanneer wij de naam Jesus uitspreken, kunnen we dat opvatten als het zuchten en verzuchten van de H. Geest, als de uitdrukking van zijn smachten en verlangen. Aldus zullen we, in overeenstemming met ons zwak menselijk vermogen, worden opgenomen in het mysterie van de liefdes- betrekking tussen de H. Geest en de Zoon.

 

55. Omgekeerd kan de naam Jesus ons ook helpen in te stemmen met de gevoelens van onze Heer ten opzichte van de H. Geest. Maria had Jesus ontvangen ‘van de Geest’ (Mt1, 20).

Gedurende zijn gehele aardse leven bleef Hij (en blijft Hij nog steeds) volmaakt openstaan voor de Gave, die de F1. Geest is. Hij laat zich door de Geest volkomen overmeesteren, ‘geleid als Hij immers wordt door de Geest’ (Mt 4, 1). Hij keert uit de woestijn terug ‘in de kracht van de Geest’ (Lk 4, 14). Hij verklaarde: ‘De Geest des Heren rust op Mij’ (Lk 4, 18). In dit alles toont Jesus een nederige volgzaamheid aan de H. Geest. Wanneer wij de naam Jesus uitspreken, kunnen wij ons, voor zover dit aan mensen gegeven is, met Hem verenigen in die overgave. Maar we kunnen onszelf ook één met Hem maken, als met het uitgangspunt, van waaruit de Geest tot de mensheid gezonden werd: ‘Hij zal van het mijne ontvangen en het u verkondigen.. Ik zal Hem tot u zenden’ (Joh 16, 15). We kunnen de naam Jesus zien als het brandpunt, van waaruit de Geest zijn levenwekkende stralen uitzendt naar de mensheid. Wij kunnen Jesus zien als de mond, van waaruit de Geest ademt. Zo kunnen wij ons bij het uitspreken van de naam Jesus verenigen met deze twee momenten: Jesus’ vervuld worden van de Geest, en Jesus’ uitstralen van de Geest. Voortgang maken in het aanroepen van de heilige naam is groeien in de kennis van ‘de Geest van de Zoon’ (Gal 4, 6).

 

XI. DE NAAM JESUS EN DE VADER

 

Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien (Joh 14, 9).

 

56. Ons lezen van het evangelie zal oppervlakkig blijven zolang wij er alleen maar in zien een boodschap gericht tot- of een leven gekeerd naar de mens. Het wezenlijke kernpunt van het evangelie is: de intieme verhouding van Jesus tot de Vader. Het geheim van het evangelie is:

Jesus gekeerd tot de Vader. Dit is het fundamentele mysterie van het leven van onze Heer. Het aanroepen van de naam Jesus staat ons toe in werkelijkheid, zij het dan zwak en als in het voorbijgaan, aan dit mysterie deel te nemen.

 

57. ‘In het begin was het Woord’ (Joh 1, 1). De persoon van Jesus is het levende Woord, van alle eeuwigheid door de Vader gesproken. Daar, door een bijzondere goddelijke beschikking, de naam ‘Jesus’ gekozen werd om het levende Woord, gesproken door de Vader, aan te duiden, mogen wij zeggen dat deze naam enigermate deel uitmaakt van die eeuwige zeg- ging. Op een wat antropomorfistische manier (die gemakkelijk te verbeteren is) zouden we kunnen zeggen dat de naam Jesus het enige menselijke woord is, dat de Vader eeuwig uitspreekt. De Vader brengt van alle eeuwigheid zijn Woord voort. Hij geeft zichzelf eeuwig in de voortbrenging van het Woord. Wanneer wij verlangen tot de Vader te naderen door het aanroepen van de naam Jesus, moeten wij, als wij de heilige naam uitspreken, op de eerste plaats Jesus zien als het voorwerp van de liefde en de gave van zichzelf van de Vader. Proberen we – op onze menselijke manier – het uitstromen van deze liefde en deze gave in de Zoon te ervaren. Wij hebben reeds de duif op Hem zien neerdalen. Blijft nog over de stem van de Vader te vernemen die zegt: ‘Gij zijt mijn welbeminde Zoon, in U heb ik mijn welbehagen’ (Lk 3, 22).

 

58. En nu moeten wij bescheiden trachten door te dringen in het zoonbewustzijn van Jesus. Nadat wij in het woord ‘Jesus’ het uitzeggen van ‘mijn Zoon’ door de Vader hebben ontdekt, moeten wij daarin van de andere kant Jesus’ uitzeggen van ‘mijn Vader’ trachten te beluisteren. Jesus kent geen ander verlangen dan de Vader te verkondigen en zijn Woord te zijn. Niet alleen zijn alle handelingen van Jesus gedurende zijn aardse leven akten van volmaakte gehoorzaamheid aan de Vader geweest: ‘Mijn spijs is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft’ (Job 4, 34), niet alleen heeft de offerdood van Jesus aan de hoogste eis van de goddelijke liefde (waarvan de Vader de bron is) voldaan: ‘Groter liefde heeft niemand dan hij die zijn leven geeft’ (Joh 15, 13), niet alleen de daden van Jesus maar zijn hele wezen was een volmaakte weerspiegeling van de Vader. Jesus is de ‘afstra
ling van zijn glorie en de afdruk van zijn wezen’ (Hebr 1, 3). Het Woord was ‘tot God’ (Joh 1, 1); de vertaling ‘bij God’ is niet juist. Deze eeuwige gerichtheid van de Zoon op de Vader, dit eeuwig gekeerd zijn naar Hem, moeten wij ervaren in de naam Jesus. Er is nog meer in de heilige naam dan het gekeerd zijn naar de Vader. Wanneer wij ‘Jesus’ zeggen, kunnen wij enigermate Vader en Zoon tot elkander brengen, wij kunnen hun één-zijn realiseren en ons eigen maken. Op hetzelfde ogenblik dat wij de heilige naam uitspreken, zegt Jesus zelf tot ons, evenals Hij zegde tot Philippus: ‘Gelooft ge dan niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij?’ (Job. 14, 10).

 

XII. DE HEILIGE NAAM EN DE ALOM- TEGENWOORDIGHEID

 

– . dan zult gij vervuld worden van de ganse volheid (El 3, 19).

 

59. De voornaamste aspecten van het Jesusgebed hebben we nu gezien- Wij hebben ze gerangschikt tot een soort climax en we menen dat deze climax beantwoordt aan de normale voortgang van het leven der ziel. Niettemin, God, die ‘de Geest geeft zonder maat’ (Joh. 3, 34), overschrijdt al onze grenzen. Deze aspecten van de heilige naam lopen dooreen; het kan voorkomen, dat een beginneling direct wordt gegrepen door het diepste inzicht in de inhoud van de heilige naam, terwijl een ander die reeds jaren het Jesusgebed beoefent niet verder is gekomen dan de meest voor de hand liggende begrippen (dit is natuurlijk niet het allervoornaamste; het enige waar het op aankomt is: te doen wat God wil dat we doen). Daarom is het patroon, dat wij in grote lijnen volgden, iets kunstmatigs en heeft het maar betrekkelijke waarde.

 

60. Dit wordt heel duidelijk voor iedereen, die het Jesusgebed, van al de kanten die wij hier beschreven, heeft ervaren. Op dit niveau aangekomen (wat niet wil zeggen, dat dan ook tevens een hogere graad van volmaaktheid werd bereikt maar wel vaak een zeker intellectueel en geestelijk hoogtepunt en een bepaalde vlugheid van begrip en onderscheidingsvermogen met betrekking tot de goddelijke dingen), kan het moeilijk worden, zelfs vervelend, onaangenaam en saai, ja soms onmogelijk, zich nog te concentreren op dit of dat bepaald aspect van de naam Jesus, hoe verheven het in zich ook moge zijn. Ons aanroepen en beschouwen van de heilige naam vervaagt tot het zeer algemene. Wij worden ons ineens bewust wat in de heilige naam vervat is. Wij zeggen: ‘Jesus’, en rusten in de volheid en totaliteit van de naam van onze Heer. Wij zijn niet meer bij machte de diverse aspecten uit het geheel los te maken en afzonderlijk te bezien, maar toch voelen wij hen er allemaal in, als één samengevoegd geheel. De heilige naam is dan de drager van de hele Christus en voert ons binnen zijn alomtegenwoordigheid.

 

61. Deze alomtegenwoordigheid is meer dan de aanwezigheid van nabij zijn en inwoning, waar wij al over gesproken hebben. Het is het actueel ‘gegeven-zijn’ van alle werkelijkheden, waartoe de heilige naam voor ons een benaderingsmiddel is geweest: verlossing, vleeswording, gedaanteverandering, kerk, Eucharistie, Geest en Vader. Daarin zullen wij ons een denkbeeld kunnen vormen van de ‘breedte en lengte, de hoogte en diepte’ (Ef 3, 18) en zullen wij begrijpen wat wil zeggen ‘alles wat er is in de hemel en op aarde in Christus weer samen te brengen’ (Ef 1, 10).

 

62. Deze alomtegenwoordigheid omvat alles. De heilige naam betekent niets zonder de tegenwoordigheid. Wie in staat is bij voortduring te leven in het bewustzijn van de alomtegenwoordigheid van de Heer, heeft de heilige naam niet nodig. De naam is alleen maar een stimulans en steun om te komen tot het beleven van de tegenwoordigheid van God. Mocht het ogenblik zelfs hier op aarde al aanbreken, dat wij ook het roepen van de heilige naam kunnen nalaten om in sublieme vrijheid los van alle belemmeringen slechts het naamloos en onuitsprekelijk levende contact met de persoon van Jesus te genieten!

 

63. Beschouwen wij de verschillende aspecten van of afleidingen uit de heilige naam Jesus afzonderlijk, dan gelijkt ons aanroepen op de werking van een prisma, waardoor een straal wit licht in de verschillende kleuren van het spectrum uiteenvalt. Ervaren wij evenwel het aanroepen van de naam in zijn geheel, dan werkt de aanroeping om zo te zeggen als een

lens, die het witte licht in zijn geheel opneemt en concentreert. Door middel van een lens kan

men met een zonnestraal iets brandbaars ontsteken. De heilige naam is deze lens. Jesus is

het zonlicht, zijn naam bundelt en richt als een lens dit licht op onze ziel tot er een vuur

ontvlamt. ‘Ik ben gekomen om vuur op aarde te brengen’ (Lk 12, 49).

 

64. Op veel plaatsen belooft de H. Schrift bijzondere zegen aan hen die de naam van de

Heer aanroepen. Wij mogen op de naam Jesus toepassen wat gezegd werd van de naam van

God. Daarom herhalen wij: ‘Keer U tot mij en wees mij genadig, naar uw beschikking voor

hem die uw naam bemint’ (Ps 118, 132). En van ieder van ons moge de Heer zeggen, wat Hij

zeide van Saul: ‘Hij is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te verkondigen..’ (Hand 9,

15).

 

 

 

INHOUD

 

Inleiding . . . 5

I. De vorm van het Jesusgebed . . 7

II. Het .Jesusgebed in de praktijk . . . 8

III. Het Jesusgebed als geestelijke weg . 12

IV. Het Jesusgebed als aanbidding . . 17

V. De heilige naam als mysterie van verlossing 18

VI. De naam Jesus en de menswording . 22

VII. De naam Jesus en de gedaanteverandering  24.

VIII. De naam Jesus en de Kerk . . . 28

IX. De naam Jesus als Eucharistie . . 32

X. De naam Jesus en de Heilige Geest . 36

XI. De naam Jesus en de Vader . . . . 40

XII. De heilige naam en de alomtegenwoordigheid . . . . . 42

 Hieromonnik Elia : Alles van God verwachten – Begin van het spirituele leve,

             

 

BEGIN VAN HET SPIRITUELE LEVEN  :

 

ALLES VAN GOD VERWACHTEN

 

 

Door hiëromonnik Elie

Monasterium van de Ontslaping van de Moeder Gods in La Faurie

(Frankrijk)

 

 

 

De titel van dit artikel kan ons verwonderen : kan men werkelijk spreken van een begin van het geestelijk leven ? Wanneer begint het leven in God in werkelijkheid ?  Zoals het Oude Verbond vanaf het begin het Nieuwe heeft voorbereid, deze keer ‘geschreven in het hart van de mensen’(1), zo is er ook in het diepste van onszelf iets als een waterbekken, dit levende water, wachtend om te ontspringen zoals St.Ignatius van Antiochië het ons beschrijft.

Indien men echter kan spreken van een begin van het spirituele leven, dan is het omdat er een moment is in ons bestaan waar men meer bewust gaat doordringen in de intimiteit van God. Maar deze intimiteit is een goddelijke gave, bijna een charisma (2) die geworteld is in de houding van overgave aan God, van vertrouwen.

 

            Wij zullen hier in nederigheid proberen enkele aspecten te beschouwen van deze houding, die  boven alles van groot belang zijn. Men moet onmiddellijk zeggen dat deze houding van overgave van zichzelf niet zozeer een moreel voorschrift is dan wel een passende innerlijke houding die moet leiden tot bloei van het goddelijk leven in ons.

 

            De orthodoxe liturgie (3), in haar schitterende hymnen, vermaant ons om ‘ alle aardse zorgen opzij te zetten’ Vertrouwend op God moeten wij al onze beslommeringen opzij zetten.. Of het nu gaat om relationele, familiale , professionele of zelfs spirituele problemen, wij moeten alles voor God opofferen,, om aldus een zekere beschikbaarheid te verwerven voor zijn Geest. Nog eerder dan een zintuigelijke zwaarte , is de logheid van het vlees  een ongeordende knoop van onze gevoelens, van onze gedachten of nog , van onze herinneringen. Dit alles is zeker niet slecht op zich , maar het vertroebelt onze blik. Daarom is het noodzakelijk van zich fundamenteel te leren ‘ont-scheppen’ (‘décréer’- van nul af aan herbeginnen) (4), om alles te vergeten, om klaar en duidelijk te leren ‘geheel en al oog te zijn’, zoals Abba Macarius (5)het zo graag in herinnering bracht, want door zichzelf onder de loep te nemen, ontdekt de mens op mysterieuze  wijze God.

 

            Men ziet aldus, in een eerste beweging, dat de omvang van de zorgen onze geestelijke wedergeboorte hinderen. Dit wordt door Paulus benadrukt, zij houdt ons aan de oppervlakte van onzelf, ver verwijderd van het goddelijk geheim van ons hart (6) ‘En wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen ?’(7).

 

            Eenmaal we ons van dit juk hebben ontdaan, treedt een ander struikelblok op. Want, vanaf het moment waarop men heeft geleerd onze kwellingen zonder ophouden aan God toe te vertrouwen, ontstaat er al vlug de neiging om zelf de ‘architect’ te worden van zijn eigen spiritueel leven.

 

 

 

            Wanneer men moet stilstaan, herbegint alles op een ander niveau. Het moeilijkste is niet ertegen te strijden, maar elke strijd op te schorten,. Of het nu gaat om het vasten, het volgen van een regelmaat in het persoonlijk gebed, of bepaalde evangelische voorschriften in acht nemen als een vorm van innerlijke hygiëne. Dit alles is slechts stro vergeleken bij het goddelijk vuur.

 

            Wij moeten goed begrijpen dat dit slechts middelen zijn. Het doel moet zijn : zich overgeven aan God. God verlangt onze vurige harten, niets meer. Het doel van onze belijdenis is het Koninkrijk der hemelen. Ons doel is de zuiverheid van hart te bereiken, zal St.Cassiën van Marseille (8) ons met overtuiging zeggen.

 

            Jacob heeft met God gestreden tot de vroege morgen. Ten slotte, gekwetst, heeft hij de goddelijkheid van zijn tegenstrever erkend. Hij ontving de zegen van deze laatste. Hier zien we het beeld zelf van ons leven in de geest in zijn hoogste vorm.

 

            Té dikwijls strijden we tegen God in het geloof van daardoor zichzelf te verheerlijken. Het is een vorm van mystiek activisme die zich verstart rondom ons ‘inwendig oog’. Dit omhulsel beroofd ons van onzelf en wij bemerken het zelf niet.Wij kunnen God niet aanschouwen. Dus, zoals de zon ons toelaat  om de wereld te zien, is God de glans die ons geweten toestaat om zich in waarheid te onthullen.Dus, door glans, en zoals een forel die tegen de stroom in  zwemt, is het ons mogelijk even, zij het weinig, enkele  schitteringen uit te zaaien van het goddelijke zijn.

Deze tweede beweging maakt ons een gevaar duidelijk, dit van voor zichzelf de bron te zijn van het ‘ spirituele leven’.Dit autisme maakt ons volledig ondoordringbaar. Het sluit ons af, uit vrees voor het nieuwe en dus voor het onbekende van de wil van God. Het is echter een  ‘menselijke ‘ angst. Té ‘menselijk’ zonder twijfel, omdat de wil van God een afgrond is, maar men mag niet vergeten, een welwillende afgrond.

 

             De vrees om de teugels los te laten opdat God de caravaan leidt, stelt onze angst voor de woestijn op de proef. Men neemt dan de tragische beslissing te gaan daar waar het goed voor ons lijkt……vervolgens vecht men tegen de bedrieglijke schijn die de woestijn ons in haar onmetelijkheid toont.

 

            De zalf van deze wonde is er wellicht één van de minst aangename, want het zal ons in alle helderheid de roes doen aanvaarden die het diepste bewustzijn van Gods wil veroorzaakt. Op het einde van de rit wil God slechts het goede, maar wij weten niet wat Hij voor ons in pet heeft, en daar zit onze vrees.

 

            Als remedie moeten wij, een ‘strategie van het onmogelijke’ (9) aanhangen door ons met vertrouwen over te leveren aan de goddelijke pedagogie, die, het is waar, dikwijls een ‘kennis doorheen dieptepunten’(10) is. Het is niet de weg die onmogelijk is, het is het onmogelijke die de weg is(11).

 

            Het derde kernpunt van deze beschouwing  houdt in, niet te vervallen in dat wat men, niet zonder ironie ‘een heilige luiheid’ zouden kunnen noemen. Vrede is echter geen energieloos iets.

 

             Door ons bewustzijn te hebben ontlast en ons in soberheid en waakzaamheid (12) beschikbaar te hebben gesteld voor het nieuwe van God, achtervolgt ons het quietisme met zijn schaduw. Alles van God verwachten betekent geen verzaking aan elke daad. Alles van God verwachten, is zijn gave aannemen, met iedere dynamiek die dit zoeken met zich meebrengt. De Heilige Graal is hier het verlangen van God. Daarom kan men spreken van gezond verstand. ‘En wanneer gij de zuidenwind  ziet waaien, zegt gij : er zal hitte komen, en het gebeurt. Huichelaars, het aanzien van aarde en hemel weet gij te onderkennen, waarom onderkent gij deze tijd niet ?’(13)

 

            Men kan niet anders dan constateren, dat, verre van ons te onttrekken aan ons eigen spirituele bestaan, en zonder ons als dusdanig futloos te maken, men de bronnen moet kunnen onderscheiden die de richting bepalen van onze lange, moeilijke tocht van waaruit het Woord in levende wateren opborrelt.

 

            Een spreuk over het woestijnzand resumeert gans onze bedoeling ‘Geef uw bloed en ontvang de Geest’, zegt ze. Want door zich geheel te geven, tot bloedens toe zelfs, moet men nog alles van God verwachten. Door zich zo op God te verlaten, schenkt Hij ons de gave van het volmaakte leven, de Heilige Geest.

 

            Om te besluiten moeten wij nog een laatste essentieel punt verduidelijken. Deze houding , die wij hebben getracht te beschrijven, namelijk, het zich volledig overleveren aan God, is geen toestand welke men meteen definitief kan bereiken zonder slag of stoot. Het is   een werk die men ‘honderdmaal in zijn leven moet herhalen’ (14).

 

            Dan, en alleen dan, is de groei in Christus een overvloed van nieuwe beginmomenten(15), in de loop van een rijpingsproces die te vergelijken is met de verfijning van wijn die zich ve
rrijkt door zijn ouderdom, in plaats van een eenvoudige start voor nieuwe horizonten.

NOTA’S

 

(1)    Zie de profetische literatuur in dit verband

(2)    Het Charisma dient in de orthodoxe Kerk verstaan te worden als een ‘talent’ in de evangelische betekenis van het woord. Men is geroepen om vrucht te dragen.

(3)    En meer in het byzonder het deel dat genoemd wordt het ‘cherubikon’, de Cherubijnenhymne, ingevoerd door justinianus in de 6e eeuw.

(4)    Geliefd thema bij Sweil

(5)    Spirituele homilieën van ‘Pseudo Macharius’

(6)    Men weet dat in de mystiek van de woestijnvaders, het hart meer een inwendige spirituele plaats is dan een orgaan, zelfs al zijn ze schijnbaar verwant, dat ons bloed-systeem voedt.

(7)    Mt.6,27

(8)    Zich in dit verband in het byzonder refereren naar zijn Conferentie.

(9)    Mgr. Stéphane, Metropoliet van Estland.

(10)Henri Michaux, titel van één van zijn gedichten.

(11)P.Evdokimov : ‘Les âges de la vie spirituelle’

      (12) De nepsis is een ascetische deugd die tegelijk soberheid en waakzaamheid betekent

      (13)Lc., 12,54-56

      (14)Boileau, Art poétique

      (15)Een opvatting die op merkwaardig goede manier is ontwikkeld in de werken van St.

            Gregorius van Nyssa, voornamelijk het leven van Mozes, maar ook door de andere

            Gregorius, van Nazianza, meer bepaald, in zijn theologische uiteenzettingen.Noteren

            we terloops de paradox van deze laatste, want de continuïteit van de groei in God is

            gericht op ‘beginmomenten’, dus op een breuk.

 

Woorden van de Heer

Woorden van de Heer

over Zichzelf

 

 

De Heer stelde Zijn leerlingen de vraag :’Wie is volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon ? Zij antwoordden :’Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten’. Maar wij weten dat Gij Jezus zijt, de Christus, de Zoon van de levende God.(Mt.16,13-20).

 

De Heer had veel te zeggen over zichzelf, zoals deze die opgetekend zijn in de Evangeliën : Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt, dwaalt niet rond in de duisternis, maar zal het eeuwig leven bezitten (Joh.8,12),Ik ben de weg naar het heil  (Joh.10,7). Ik ben de goede herder.De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen (Joh.10,11-18). Ik ben de Zoon van God (Joh.10,36). Ik ben  de verrijzenis en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven (Joh.11,25-26).Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik (Joh.13,13). Ik ben de weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij (Joh.14,6). Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Wie in Mij blijft, zoals ik in hem, die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt gij niets(…)Blijft in Mijn Liefde.Als gij mijn geboden onderhoudt, zult gij in Mijn liefde blijven (Joh.15,5-10).Ik en de Vader, wij zijn één (Joh.10,30). Ik bid voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn zoals wij één zijn (Joh 17,21).

 

Ik ben de Messias, de Christus (Joh.4,25-26). Het echte brood van God daalt uit de hemel neer, en geeft leven aan de wereld.(…) Wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen.(…) Als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt hebt gij het leven niet in u.(…) Wie Mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem (Joh.6,33-69).Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij : Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht (Mt.11,28-30).

 

Waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden (Mt.18,20)

 

Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig. En wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden (Mt.10,37-39).

 

Voorwaar , voorwaar, Ik zeg u : als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen : maar als hij sterft, brengt hij veel vruchten voort. Wie zijn leven bemint, verliest het; maar wie zijn leven in deze wereld haat, zal het ten eeuwigen leven bewaren.Wil iemand mij dienen , dan moet hij Mij volgen; waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren (Joh.12,24-26).

            Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het evangelie zal het redden. Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen als dit ten koste gaat van eigen leven ? Wat toch zou een mens in ruil kunnen geven voor zijn eigen leven ? Als iemand zich schaamt over Mij en mijn woorden ten overstaan van dit overspelig en zondig geslacht, zal ook de Mensenzoon zich over hem schamen, wanneer Hij, vergezeld van de heilige engelen, komt in de heerlijkheid van de Vader (Mc.8,34-38).

Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen; daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten.En kom dan terug om Mij te volgen (Mt.19,21).

 

            Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen.Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht (…) voorwaar ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan (…) .Al wat gij niet voor een dezer geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan. En deze zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven (Mt.25,31-46).

 

            Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; wie in Mij gelooft, hij drinke !Zoals de schrift zegt : ‘Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien’. Hiermee doelde Hij op de Geest, die zij, die in Hem geloofden, zouden ontvangen, want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was (Zijn lijden, Verrijzenis en hemelvaart) (Joh.7,37-39)

 

            De Heer zegt ook : Wie van u kan aantonen dat Ik zonde gedaan heb ?(Joh.8,46)²

 

 

 

 

 

           

 

 

Ontmoeting met de orthodoxie

PELGRIMSTOCHT NAAR DE TUIN VAN DE MOEDER GODS

-ATHOS-

 

 

 

            Het is waarschijnlijk de droom van elke mannelijke Orthodox (vrouwen zijn er niet toegelaten !)om eens in zijn leven op pelgrimstocht te gaan naar de Heilige Berg Athos. Twee leden van onze parochie (Paul en Kris) en één lid van de parochie van Leuven (Bert Genbrugge) hadden in oktober het geluk om deze tocht te ondernemen, dank zij de hulp van Bisschop Athenagoras.

 

            De Heilige Berg, ook genoemd : de tuin van de Moeder Gods is een bergachtig gebied, ik denk, het mooiste stukje natuur van de ganse wereld. Twintig kloosters bieden er onderdak aan een 1500 monniken, die in totale afzondering en voortdurend gebed hun dagen doorbrengen. De tijd ontbrak om het gehele gebied eens te gaan verkennen en er de eeuwenoude iconen en relikwieën te gaan vereren. Het is zo, dat er per dag amper 100 Orthodoxe bezoekers worden toegelaten en 10 niet-Orthodoxe, en dan nog voor maximum 4 dagen. Nog goed ook, want hebben kunnen merken dat sommige niet-Orthodoxe ‘pelgrims’ er een stap vakantie van zouden maken.

 

            Na een geslaagde vlucht vanuit Brussel, over Milaan kwamen we uiteindelijk in Thessaloniki aan. We werden al vlug geconfronteerd met een uitzonderlijk drukke stad. Gelukkig hadden we een hotel gereserveerd om nog eens goed te kunnen uitslapen. We bezochten nog diezelfde dag de mooie kerk van de Heilige Sofia en het klooster van de H.Theodora met haar mooie fresco’s. In de Kerk van de H.Sofia waren we getuige van een groep vrouwen  die mooie Byzantijnse gezangen ten beste gaven. Toch wat eigenaardig dat een groep vrouwen in een Byzantijnse Kerk stonden te zingen, maar uit navraag bleek, dat dit allemaal vouwen waren die Byzantijnse muziek studeerden, en dat zij toestemming hadden om in twee kerken, waaronder de H.Sofia geregeld een gebed te houden met Byzantijnse gezangen. Voor de Kerk een hoopvolle ervaring.

 

            ‘sAnderendaags moesten we al vlug vertrekken met de bus naar Ouranoupoulis, een klein stadje op de grens met de Athos. Het was een lange tocht door het groene Thessalia. We hadden ook daar een hotel gereserveerd waar onze vrouwen 4 dagen zouden verblijven, een mooi hotel met zwembad en kamers met uitzicht op zee.Het kon niet beter. De dag nadien moesten de mannen dan naar het bureau om het diamonitirion af te halen (een soort visum) We moesten met de lijnbus, want het hotel lag nogal veraf van de haven. Natuurlijk , wij zijn in Griekenland, de bus kwam niet af. Dan maar autostop gedaan. Een vriendelijke griek nam ons mee, en op 5 minuten stonden we aan het bureau voor onze papieren. Dan de ticketten voor de boot halen en op naar het haventje waar de boot al druk doende was om goederen in te laden voor de bevoorrading van de Athos. Het was wel even spannend. Gewapend met ons diamonitirion , en na een strenge controle, kwamen we uiteindelijk op de boot. Van nuaf aan geen vrouwen meer. Monniken en leken. Op de boot waren monniken druk doende hun koopwaar uit te stallen. Het was een oude , nogal vuile boot, maar onze aandacht ging naar de Berg. Het zou wel een tijdje varen zijn. Maar plots doken de eerste monasteria op : Kastamonitou, Dochiariou, Xenofontos, en tenslotte het Russikon of het monasterie van de H. Panteleimon. Dat was ons eerste monasterie. We werden er vriendelijk maar correct ontvangen. Een van de eerste vragen was natuurlijk of we Orthodox waren. Het is nu eenmaal zo dat Orthodoxen er het meest welkom zijn. Dan naar onze kamer, en nog wat vrije tijd om één en ander te doen. Het is een prachtig monasterie. Om twee uur zouden wij ons ‘avondmaal’ krijgen. Ze hanteren daar nog altijd het Byzantijnse uur, zodat  we ons uurwerk direct 5 uur mochten verschuiven. Direct was het voor ons ‘avond’. Na een eerste maaltijd : puree met een lap daarop. Ik dacht : dit is een omelet, maar ik had mij vergist. Het was vis. Ja, die dag was het een grote feestdag in het monasterie, en op feestdagen stond er vis op het menu. Normaal eten de monniken twee maal per dag : geen vlees, geen vis, alleen groenten en brood met water of thee (en éénmaal een kruik wijn). Je moest er wel vlug bijzijn, want het eetmaal was vlug afgelopen. Op een teken van de Higoumen springt iedereen terug recht. Gedaan met eten.Wat niet op is laat je liggen.

Na het eetmaal kregen we wat uitleg van een monnik over het monasterie. We bezochten de benedenkerk. Prachtig. In Panteleimon zijn er zeven kerken, we konden er twee bezoeken. Wij hadden ook het geluk, meerdere malen de relikwie van de Heilige Silouan de Athoniet te kunnen vereren. Later op de ‘avond’ was er dan een grote dienst voor de feestdag die vijf uren duurde. De slavische gezangen waren subliem, en we hebben het die vijf uur uitgehouden. Wél kregen de gasten nog een extra maaltijd (wat overschot van ’s avonds !) .

 

            We hadden een woelige nacht
. Paul snurkte als een varken en was met geen enkel middel tot stilte te brengen. Bert zijn bed stond ’s morgens de andere kant van de kamer, hij was blijkbaar op de vlucht gegaan voor het lawaai..

 

            ’s Anderendaags om vier uur uit bed voor de liturgie. Omdat elk monasterie er speciale regels op na houdt om te communiceren, hadden we op voorhand gezegd om het niet te doen, alhoewel ik denk dat het geen probleem zou geweest zijn. Daarna op weg naar ons volgend monasterie : Xenofontos. Ongeveer een drie kwartier te voet . We hebben van die voettocht genoten : de zee , de natuur, de stilte.. Aangekomen in het monasterie, was er niemand te bespeuren. Dan maar op zoek naar iemand. Die vonden wij in een kleine keuken. Direct werden wij ontvangen met een tas koffie (griekse) en loukoumi. Was dat lekker, we konden er niet afblijven ! De liturgie was er korter, ik denk zoals op een normale dag. Het eten bestond uitsluitend uit groenten en brood en water. Dan naar de kerk voor de vespers. We hadden dit maal goed geslapen. Het gesnurk was aanvaardbaar. We hadden op de kamer het gezelschap van een Roemeense jongeling. Hij was de ganse zomertijd gids geweest voor Roemeense toeristen die de Meteora wilden bezoeken.. Hij zou nu terug naar Roemenië vertrekken. In dit monasterie was er wel een douche, maar alleen koud water. Was dat rillen, maar ja, geen probleem, we waren immers op pelgrimstocht. Alle materiële beslommeringen konden we van ons afzetten. Onze aandacht moest gaan naar het essentiële : de ontmoeting met Christus. ’s Morgens had ik even een probleempje : ik zocht mijn rode tea-shirt (Paul beweerde dat het om drie uur ’s nachts was, maar volgens mij was het later) en die was verdwenen. Bleek achteraf dat het een blauwe was, en die lag voor het grijpen. Paul heeft er natuurlijk veel plezier aan beleefd.

 

            We zouden tijdens de liturgie graag de communie ontvangen hebben. Op een bepaal moment kwam een monnik naar mij toe en vroeg mij of we Orthodoxen waren. Ik antwoordde positief (anders waren we waarschijnlijk buitengevlogen). Ik heb meteen van de gelegenheid gebruik gemaakt om te vragen of ik kon communiceren. Hij zij mij dat dat niet kon. Ik vroeg waarom, en hij antwoordde : straks gaan we olie en kaas eten, dan kan je toch nu niet te communie gaan ! Wat konden we hierop zeggen. Hij vroeg mij of ik het begrepen had (hij sprak grieks), ik antwoordde OXI, want ik kon mijn eigen oren niet geloven, maar toen hij het herhaalde besefte ik dat ik het toch goed had begrepen. Ik had al veel argumentaties gehoord van mensen die tegen de frequente communie zijn, maar dit !!!?. Enfin, wat kon ik er meer aan toevoegen. Als het moment van communiceren aangebroken was, kwam ik voor een andere verrassing te staan. De priester kwam naar buiten met de kelk, ‘nader in vreze God en met Liefde’ en draaide zich onmiddellijk terug om. Ik had er wel al over gehoord dat zoiets bestond, maar nu heb ik het met eigen ogen gezien. Maar ja, zij hebben hun gebruiken. Hopelijk zal dat ooit eens veranderen. Ik denk er alvast het mijne over.

 

            Na de liturgie vertrokken we dan naar ons derde klooster : Simonos Petra. Wij waren heel benieuwd. We kenden de beroemde gezangen van dat monasterie. We moesten eerst naar het havente Dafni, en daarna een andere boot naar Simonos Petra. Een prachtig monasterie, een burcht gelijk, hoog gelegen op een heuvel. We hadden niet gemerkt dat er in Dafni een busje stond om pelgrims naar het klooster te brengen. Dan maar te voet naar boven, langs een met kasseien belegde trap;, waar maar geen einde aan kwam. Was dat afzien, en zweten, maar ja het was een pelgrimmage. Er was ook een Zuid Afrikaan bij ons met een valies, de mens was al van jaren. Bert heeft hem dan maar opgeofferd om zijn valies te dragen, want die persoon zou , denk ik, nooit boven zijn geraakt. Het laatste stuk heb ik zijn valies overgenomen. Bij overmaat van ramp kregen we nog een flinke regenbui over ons. Bovengekomen stonden er twee monniken te praten, en zij zagen ons ‘ lijden.’ We kregen een ouza en konden eindelijk tot rust komen. De logeerkamer was de mooiste van de drie, met mooie douches en wc’s, en op de balcons prachtige vergezichten. We deelden de kamer met de Zuid Afrikaan en twee Duitsers. Zij waren voor de tweede maal op de Athos, maar hadden wel veel kritiek. Zij moesten, als niet-Orthodoxen, achteraan zitten in de kerk (een soort portaal). Maar ja, wie als niet-Orthodox naar de Athos gaat weet wat er kan gebeuren. De gezangen waren er van buitengewone schoonheid. ’s Anderendaags om 4 uur terug in de kerk : uren en liturgie. Opnieuw die prachtige gezangen. Ook hier was terug onze vraag : kunnen we hier communiceren. Groot was onze verwondering, dat dat daar geen enkel probleem was. Bijna iedereen ging te communie. Dat was voor mij en Paul een gezegend moment. Achteraf zat ik wel te denken : hoe is het mogelijk, dat je in het ene monasterie niet mag communiceren en een paar kilometer verder het geen enkel probleem is !!!. Wordt het geen tijd dat men in de Orthodoxe Kerk daar geen verschil meer in gemaakt wordt ? Dat men het geweten van iedereen respecteert ? Zij die willen , kunnen en zij die niet willen , hoeven niet ! Voor mij was de pelgrimmage geslaagd : ik had het lichaam van Christus mogen ontvangen in de Tuin van de Moeder Gods !.

 

Bij ons afscheid van het monasterie, werden we door de gastenbroeder nog even naar binnen geroepen. We kregen een geschenk : elk kreeg een boek, een CD en een gebedssnoer, dit tot ergernis van de Duitsers die niets kregen…..

 

Dan terug naar Dafni, dit keer met het busje van het monasterie, de winkeltjes bezocht en natuurlijk één en ander gekocht als souvenir en dan terug naar Ouranopoulis, waar onze vrouwen ons stonden op te wachten.

 

Ons bezoek aan de Heilige Berg was onvergetelijk. Wij hebben er vooral geleerd dat wij hier in het Westen niet sober genoeg leven. Wij hebben toch ook veel bewondering voor de monniken, die gans hun leven daar moeten doorbrengen. Dikke monniken kom je er n
iet tegen , wel gezonde. Het zijn mensen die voor altijd zich totaal aan God wegschenken, elke dag opnieuw

 

De dag nadien vertrokken wij terug naar Thessaloniki. We zouden er nog vijf dagen blijven. Tijd genoeg om heel wat kerken en kloosters te bezoeken. In één kerk, hadden wij een ontmoeting met een vriendelijke priester, we kregen koffie en koeken en ieder kreeg ook een kleine ikoon van de ‘Moeder Gods die niet door mensenhanden gemaakt is’. De volgende dag zijn we teruggekeerd voor de vespers, en opnieuw hadden we een gesprek met een andere priester. Het zijn deze momenten die hartversterkend zijn

 

De kerken in Thessaloniki zijn prachtig : de Heilige Panteleimon , met de relieken van deze heilige, ,de Heilige Georgius, het klooster Vlatami, de kerk van de Metropoliet, waar we de relieken van de Heilige Gregorios Palamas konden vereren..De kerk van de Heilige Sofia en nog zoveel andere..

 

De laatste dag brachten we nog een bezoek aan de ‘catacomben’, resten van onderaardse gangen, waar de eerste Christenen zich kwamen verbergen. Ook het doopbekken, waar de eerste Christenen gedoopt werden was nog te bewonderen. In de Kerk hangen er drie iconen, welke op wonderbare wijze uit de grote brand van 1917 bijna ongeschonden zijn gekomen. Men ziet nog een lichte vorm van brandschade. Wij hebben er nog gezongen : ‘koning van de Hemel’,tot grote vreugde van de vriendelijke dame die ons het verhaal vertelde.

 

En toen kwam het einde van de tocht. We konden de dag nadien, met vrede in ons hart en geest, de terugweg naar huis aanvangen. We hebben er veel gezien , gebeden, ervaren. We voelden er ons als Orthodoxen thuis. We hebben veel vriendelijke mensen ontmoet. De sfeer in de groep was buitengewoon goed; ook de vrouwen waren heel tevreden. Al hebben zij de Heilige Berg niet mogen bezoeken, ze hebben toch vanop zee de kloosters kunnen bewonderen. En dan de ontmoeting die we hadden met die lieve vrouw in Ouranopoulis, waar Vader Ignace en gezin zo dikwijls te gast waren. Zij vertelde ons van het bezoek dat Bisschop Athenagora haar gebracht had samen met Patrirch Bartholomeüs. Wij hebben ook veel tijd gehad voor humor, maar daar ga ik best niet dieper op in….

Met ons hart zullen we voor altijd met de Heilige Berg verbonden blijven.

Dank aan God ! Doxa  tw  qew  !

 

                                                                                                            Kris Biesbroeck