inleiding tot de heilige Liturgie

INLEIDING TOT DE HEILIGE LITURGIE  van  de  H. Johannes Chrysostomos

                          De blijde boodschap verkondigen,  zowel  in het heden als in het verleden en morgen, behoort tot één van de belangrijkste verantwoordelijkheden van de Kerk in de wereld , sedert de Heer er  na zijn verrijzenis zijn leerlingen heeft mee belast.. Deze Blijde Boodschap is niet zomaar een aangename , eenvoudige nieuwe boodschap, maar het Leven, dit wil zeggen, de overtuiging dat God zijn Zoon heeft gezonden voor ons heil. Wij zullen trachten dit duidelijker te maken door een meditatie over de liturgische celebratie. 

DE VIERING VAN DE EUCHARISTIE

      

2001_10_20_communion_jpg

       De eerste taak van de Goddelijke Liturgie bestaat erin, dat wij erkennen, dat wij als beeld van de levende God geroepen zijn “om de opbouw van het mysterie dat van alle eeuwigheid verborgen is in God en in Hem die alles geschapen heeft in het licht te stellen”(Ef.5,9). St.Maximus de Belijder legt uit, dat tijdens de Eucharistische celebratie, de gehele wereld zich onthult als een kerk : het kerkschip, zegt hij, vormt de tastbare wereld ; de engelen vormen het koor ; en de geest van de mens het heilige der heiligen : “Zo wordt de mens op

crisostomo

dat moment, de verbinding tussen het goddelijke en het aardse” en van hem uit “ verspreidt zich de genade over de ganse schepping” daar zijn ziel, onder leiding van het Woord, het heelal offert aan God als op een altaar. “Dankt God voor alles (eucharistie=dankzeggen)”, lezen wij in de eerste brief van  Sint Paulus aan de Thessalonicenzen (5,18):aan de Eucharistie als sacrament beantwoordt de spirituele Eucharistie, die een gedaanteverandering teweegbrengt in gans het menselijk zijn. Hier is de Heilige Geest onverstoorbaar aanwezig en deelt zich mee in zijn geheel, en het eucharistisch brood zegent allen die eraan deelnemen. De kreupelen, de blinden, de gebrekkigen zijn uitgenodigd aan de mystieke 5 broden en twee vissen

Maaltijd, aan het Ware Leven ; de kleine kinderen, de zieken, de vernederden, de gevallenen zijn ook uitgenodigd aan het feestmaal van het Koninkrijk. De Goddelijke Liturgie wordt gecelebreerd, opdat de hongerigen zouden verzadigd worden, opdat de dorstigen zouden gelaafd worden, opdat zij die lijden  en wenen zouden getroost worden. 

DE LITURGIE VAN DE GELOVIGEN

             “Wij die in dit heilig mysterie de Cherubijnen verzinnebeelden…” Deze hymne die ons binnenleidt in de liturgie van de gelovigen onderdrukt zij niet meteen de tegenstelling tussen de hemelse realiteit en de aardse realiteit; tussen de tijd en de eeuwigheid en staat ze ons niet toe om elk moment van ons bestaan te aanvaarden als het verloop van het geheel van de mensengeschiedenis ?              Gans het  liturgisch leven is een getuigenis van de hoop door dewelke de mensen zich niet meer verzetten en zichzelf niet meer kwellen. Als velen in onze tijd de zin zelf voor God hebben verloren, indien voor hen het besef van de godheid totaal “buiten spel” staat, is het dan niet, omdat zij niet hebben begrepen dat gans de liturgische celebratie  buitengewoon sociaal en kerkelijk – geestelijk  is ?. Het gebed, het geloof, de liefde, de naastenliefde houden op het “mijne” te zijn en worden het “onze”, en de gehele relatie van de mens met God, wordt een relatie van God met zijn volk. De Goddelijke Liturgie beschermt op elk moment de gehele natuur van de mens en dit in  tegenstelling met de angst die leeft bij een groot deel van onze tijdgenoten, die, sterk beïnvloedt door de recente wetenschappelijke en filosofische veranderingen, nog moeilijk het onderscheid kunnen maken tussen het natuurlijke en het bovennatuurlijke. Men scheidt nogal gemakkelijk de ziel van het lichaam en de geest van de materie. 

HET ENIGE GOEDE NIEUWS

             Maar wat gebeurt er, als wij op het einde van de liturgie uitgenodigd worden om weg te gaan in vrede ? Leidt onze deelname aan het Eucharistisch Mysterie werkelijk tot een transfiguratie en vernieuwing van de schepping en de mens in Christus ?. Daarin ligt voor ons de enige en ware vraag. Laten wij de dingen zien, zoals ze zich in de werkelijkheid aan ons voordoen : het volstaat niet om tot de wereld te spreken om haar te veranderen. De wereld heeft integendeel nood aan een  “ondervinding” van het kruis, van een heroïsche overwinning van de ascese, die ons zal binnenvoeren in de ware dimensie van het komende Rijk, opdat wij zouden gedeïfieerd, geheiligd zouden worden in tijd en ruimte. En in zulke visie is er geen plaats voor een “louter sociaal”evangelie. Ondanks de poëtische stijl van zovele menslievende tijdgenoten, schreef een voorname vertegenwoordiger van onze Kerk in Frankrijk, weten wij goed, dat er dood en hel is in de mens, dat er d
ood en hel is tussen de mensen onderling. Het enige nieuws dat voor de ganse mensheid goed nieuws is, is de boodschap van de Apostelen, die de boodschap is geworden van de Kerk “ CHRISTUS IS VERREZEN !”. Of men het erkent of niet, geen enkele levensvorm en cultuur ontsnapt aan de universaliteit van de Incarnatie.Daarom spoort het Mysterie van de Eucharistie ons aan om altijd te werken, niet in de zin van de Kerk aan te passen aan de wereld, maar integendeel, de wereld aan te passen aan de goddelijke Waarheid. De kerkvaders, vergeten we het niet, hebben niet alleen het “geloof bewaard”, zij hebben ook hard gewerkt opdat de Kerk de wereld zou transformeren en behouden.
“Broeders christenen, vragen wij aan God om alles wat is in de hemelen en op aarde onder één hoofd, Christus, samen te vatten”(Ef.1,10), opdat alleen de Heer  “alles in allen” zou zijn (1Kor.15,28). Het is alleen daarin dat onze solidariteit met de wereld zal bestaan en het bewijs dat existentieel gezien de Kerk de getransfigureerde wereld is. 

DE AANKLEDING EN DE PROSCOMIDIE

             Om te beginnen gaan we alles bestuderen wat zich voltrekt vanaf  de aankomst van de celebranten in de Kerk, tot aan het begin van de liturgie van het Woord : De gebeden van de celebranten vóór de Heilige Deuren ; de intrede van de celebranten in het Heiligdom en de aankleding met de priesterlijke gewaden ; de voorbereiding van de gaven genoemd de  “proscomidie”             Deze liturgische daden komen nogal dikwijls bij de gelovigen als geheimzinnig over door het feit dat de celebranten na de gebeden vóór de Heilige Poorten, het heiligdom binnengaan en de deuren gesloten worden.  Zij maken nochtans een integraal deel uit van de liturgie, en het is belangrijk dat de gelovigen eraan deelnemen door hun aanwezigheid en hun inkeer. 1 – GEBEDEN VOOR DE HEILIGE POORTEN EN INTREDE IN HET HEILIGDOM 

      priester aan altaar      Na de gebeden,met lage stem, vóór de Heilige Deuren, vereren de priester en de diaken de ikoon van Christus, daarna deze van de Moeder Gods en ook deze van andere heiligen. Zij buigen zich voor de gelovigen en vragen hen vergiffenis, om de eucharistie te kunnen vieren in vrede met allen. Bij het binnengaan van het heiligdom zeggen zij : “ Heer, door de overvloed van Uw barmhartigheid mag ik binnentreden in Uw huis. Ik zal nedervallen voor Uw heilige tempel, in vreze voor U….”(Ps.5,8). De priester kust het Evangelie en het altaar en gaat dan naar het diakonikon (rechts van het altaar) om zich te bekleden met de priesterlijke gewaden. Zo ook de diaken.

 2 – DE AANKLEDING             Door hun pracht en harmonie, delen de liturgische gewaden aan de schoonheid en het feestelijke van de Dienst, en de woorden uitgesproken op het moment dat de  celebranten zich aankleden hebben allen een symbolische waarde.             Voor het sticharion of albe, een lange tuniek gedragen boven de soutane, lezen de priester en de diaken de verzen van Jesaja : “ Mijn ziel verheugt zich in de Heer, want Hij heeft mij een kleed van verlossing aangedaan en mij bekleed met het gewaad der vreugde.Hij heeft mij als een  bruidegom met een mitra gekroond, en als een bruid met juwelen getooid”.

 

            Het orarion voor de diaken, het epitrachilion(stola) voor de priester, symboliseren de uitstorting van de Heilige Geest die zij ontvangen vanuit de hoge. De gordel (alleen gedragen door de bisschop of de priester, zoals ook de volgende gewaden) is het teken van goddelijke kracht  voor hen die hem aandoen. De epimanikia (mouwen) herinneren eraan dat de handen van de celebrant gebonden zijn ten teken van gehoorzaamheid aan God.             Het epigonation of nabedrennik in de vorm van een ruit, gedragen op de heup, symboliseert het geestelijk zwaard. Het herinnert aan de strijd en de zegepraal over de dood die Christus heeft behaald. Het is een eremerk dat verleend wordt aan sommige priesters. Het felonion bedekt de borst en strekt zich afrondend uit op de rug tot aan de voeten . Het is het teken van de glorie welke de priester omkleedt. Voor de bisschop voegt men er ook nog het omoforion, het kruis, de mitra en de panagia aan toe.             De celebranten wassen vervolgens de handen en zeggen psalm 25 “Heer, met onschuldigen was ik mijn handen : ik zal rondom Uw altaar gaan, om het geluid der lofzang te horen…” 3 – DE PROSKOMIDIE             Vervolgens gaan de celebranten naar de Voorbereidingstafel of prothese, die zich aan de linkerzijde van het altaar bevindt. Het is een kleine vierkante tafel waarop zich een kaars bevindt en alle noodzakelijke voorwerpen voor de celebratie van de Heilige Eucharistie.  Deze Dienst van de proscomidie is dus  de voorbereiding van de heilige gaven die bestemd zijn voor het eucharistisch offer. Het herinnert ons aan het enige offer van Christrus, door het geven  van Zijn leven.             De diaken steekt een kaars aan, hij legt de gaven van brood en
wijn op de tafel, ter herinnering aan het laatste maaltijd van Christus, het laatste avondmaal, en terwijl hij dankend een dankgebed uitspreekt voor het offer van Christus. Het brood  is ofwel één groot rond brood, waarop vijf zegels op afgedrukt staan ofwel zijn het vijf prosfora met op elk ervan een zegel in de vorm van een kruis waar tussen de armen van het kruis de letters staan geschreven (JC –NI-KA) “Jezus Christus overwinnaar”. Delen van elk van deze prosfora gaan nu geplaatst worden op de disk. Het kubusvormig deel dat zich in het centrum van het brood bevindt wordt eerst door de priester uit het brood gesneden met de lans (=scherp mes in de vorm van een lans), dit deel wordt  “Lam” genoemd, want Christus is geslacht als een lam. Het herinnert ons ook aan het Paaslam uit het Oude proskomidieTestament, en aan de profetie van  Jesaja bij zijn aankondiging van de lijdende Dienaar. Het zijn trouwens de verzen van deze Profeet die de priester uitspreekt op het moment dat hij het centrale gedeelte uit de prosfora  rond de gestempelde indruk lossnijdt.
             Terwijl hij de vier insnijdingen doet met de lans zegt hij het volgende : “ Als een schaap werd Hij ter slachtbank gevoerd. En als een onschuldig Lam, dat voor de scheerder stom blijft, deed Hij de mond niet open. In Zijn deemoed werd Hij veroordeeld. Wie kan Zijn afkomst doorversen ?”Het Lam is nu losgesneden uit het geheel en wordt omgekeerd (met het zegel naar onder) op de disk gelegd. De priester doet nu een diepe insnijding in kruisvorm, doch zonder het zegel volledig te beschadigen, en dit om dit deel van het brood, in vier delen voor te bereiden voor de communie.             Hij zegt de woorden : “Geslachtofferd wordt het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt”.             Hij draait vervolgens het deeltje om en doorboort het Lam in de rechterzijde terwijl hij zegt : “ Een der soldaten doorstak Zijn zijde met een lans, en terstond vloeide er bloed en water uit. Hij die het gezien heeft getuige daarvan, en zijn getuigenis is waarachtig” (Joh. 19,34-35).             Deze rite en deze woorden herinneren ons aan de lans die in de zijde van de gekruisigde Christus werd gestoken, en waaruit water en bloed vloeide. Het legt ook uit  wat de betekenis is van de menging van water met wijn , die de priester nu , zegenend in de kelk giet. Daarna  volgt de voorbereiding van de deeltjes voor de “herdenking” die de priester nu zal halen uit de overige prosfora en ze zal leggen rond het Lam, dit in een strenge volgorde.             Van de tweede prosfora snijdt de priester een deeltje in de vorm van een driehoek, ter ere van de Moeder Gods en plaatst het rechts van het Lam zeggende : “De Koningin staat aan Uw rechterzijde, met een gewaad van goudbrokaat getooid” (Ps.44,10).             Uit de derde prosfora neemt de priester negen deeltjes die hij in drie rijen naast de linkerkant van het Lam legt. Hij herdenkt hierbij in volgorde de heilige Engelen, de heilige Aartsengelen Michaël en Gabriël en alle hemelse en onstoffelijke krachten, van Johannes de Voorloper, de Profeten, de Apostelen, de Heilige Hiërarchen, van alle heilige martelaren, van de heilige wonderdoende, onzelfzuchtige artsen ( anagyres = genezers), van de heilige, gerechte Grootouders des Heren, van de Heilige Johannes Chrisostomos (wanneer zijn liturgie wordt gevierd), en van alle heiligen.             Het vierde deel is bestemd voor de levenden. De priester vermeldt eerst de patriarch en de bisschop waarvan hij afhangt, vervolgens de bedienaars en de gelovigen. Hij voegt op deze lijn een deeltje toe welke hij heeft gesneden uit de prosfora die zijn meegebracht door de gelovigen, terwijl hij de namen leest van diegenen die geschreven staan op de lijst van de diptieken.De diptieken zijn bladzijden of een boekje waar bovenaan deze regels geschreven staan :Voor de levenden :  “Voor de gezondheid en de rust van de dienaren Gods”Voor de overledenen :  “Voor de rust van de zielen van de dienaren Gods”.  De gelovigen schrijven de namen van de personen die zij willen herdenken hiervoor op een daarvoor bestemd briefje.             De vijfde prosfora is bestemd voor de afgestorvenen waarbij ook de stichters van de kerk of het monasterie waar de liturgie wordt gevierd , worden herdacht.De priester eindigt met een deelte toe te voegen aan de lijn van de levenden voor zijn eigen intentie. Alle boven vermelde handelingen worden begeleid  door gebeden die de priester met half luide stem uitspreekt.Op deze wijze wordt op de pateen gans de verzamelde Kerk  vermeldt rond het Lam :  de vergadering van gelovigen van alle tijden, de heiligen, de zondaars, de levenden en de doden, gans de zichtbare en onzichtbare Kerk, die men de gemeenschap der heiligen noemt.             Vervolgens geeft de diaken het wierookvat aan de priester, opdat hij dit alles zou zegenen. “Christus, onze God, wij offeren U wierook tot een welriekende geestelijke geur; neem deze aan op Uw hemels altaar, en zend ons daarvoor de genade van Uw alheilige Geest”.De priester neemt de asterisk, en nadat hij het gezegend heeft, plaatst hij het op de pateen zeggend : “ De ster kwam, en stond stil boven de plaats waar het Kind zich bevond”.(Matt.2,9).             Het altaar wordt zo tot de grot van Bethlehem, de asterisk verzinnebeelt symbolisch de stralende ster boven de nieuw geborene, en de disk (het bovenste deel van de pateen)stelt de kribbe voor in dewelke het kind lag. In feite beeldt de gehele proscomidie tegelijk op symbolische wijze het begin van Jezus’aardse leven uit.             Vervolgens bedekt de priester de pateen met het klein velum evenals de kelk, en op de twee samen wordt het groot velum, aër gelegd
. Na drie maal de voorbereidingstafel te hebben bewierookt, zegt de priester een gebed voor de aangeboden gaven : “Dat Christus onze waarachtige God, die opgestaan is uit de doden, door de gebeden van Zijn Heilige alreine Moeder, van onze Vader onder de heiligen, de heilige Johannes Chrisostomos, de aartsbisschop van Constantinopel, en van alle heiligen, zich over ons ontferme en ons redde, want Hij is goed en menslievend”.
 LITURGIE VAN HET WOORD OF LITURGIE VAN DE CATECHUMENEN  

De twee belangrijkste liturgieën van de Orthodoxe Kerk

             De liturgie van de heilige Johannes Chrisostomos, de voornaamste die gecelebreerd wordt gedurende het jaar en welke we vooral in deze studie behandelen, alsook de liturgie van Sint Basilios de Grote, zijn de twee belangrijkste liturgieën van de Orthodoxe Kerk. Zij verschillen alleen door de eucharistische canon. 

Algemene betekenis van de Goddelijke liturgie

  “Christus is essentieel de Verlosser; Hij is in de wereld gekomen om de zondaars vrij te kopen. De goddelijke liturgie is het mysterie van de verlossing. De Verlossing eist vooreerst, dat men sterft aan deze zondige wereld. Daarom is de liturgie eerst en vooral mysterie van het Lijden. Deze vorm is alleen afgestemd op de menselijke conditie die nog altijd gedomineerd  en bedreigd wordt door de zonde. Deze mensheid moet nog sterven aan de zonde met de Heer,).maar indien zij mystiek gezien dood is, leeft zij ook met Christus voor God., zij is sacramenteel verrezen . Daarom moet de Goddelijke Liturgie het sacrament zijn van de Verrijzenis”(O Casel :  “Doe dit tot mijn gedachtenis”,Cerf,Coll.Lex orandi,1962,p.174.)

De Goddelijke liturgie bevat twee delen : de liturgie van het Woord of liturgie van de Catechumenen, die wij nu gaan bestuderen, en de liturgie van de gelovigen, die wij verder zullen zien.

 

LITURGIE VAN HET WOORD OF LITURGIE VAN DE CATECHUMENEN

 

Liturgie van het Woord

   “Zoals de Proscomidie overeenkomt met  de aanvang van Christus’leven, met zijn geboorte, alleen geopenbaard             aan de engelen en aan enkele mensen (….) zo is ook de liturgie van het Woord verbonden aan Zijn openbaar leven tussen de mensen, die Hij heeft onderricht door het woord en de waarheid” (Nicolas GOGOL : “meditaties over de Goddelijke Liturgie”, DDB. 1952). candle
Gedurende haar verloop, hoort men lezingen uit de Brieven of uit de Handelingen der Apostelen, en het Evangelie. Vroeger trokken de catechumenen, personen die zich voorbereidden op het doopsel, zich terug op het moment van de liturgie van de gelovigen, want zij hadden niet het recht om het “ mysterie “bij te wonen, dit wil zeggen tot de communie van het bloed en lichaam van Christus, wat, zoals nu trouwens ook nog, alleen bestemd is voor gedoopten. 

1.GEBEDEN VOOR HET ALTAAR

 

            De liturgie van de catechumenen begint met de aanroeping van de Heilige Geest door de priester,met gedempte stem :  “Koning van de hemel, Trooster, Geest der waarheid, Die overal tegenwoordig zijt en met Wie alles vervuld is, Schatkamer van alle goed, Gever van het Leven : kom en verblijf in ons, zuiver ons van alle smet, en red onze zielen, o Algoede”. Dit gebed wordt gebeden om aan te duiden dat de Kerk ook vandaag nog leeft van de komst van de Heilige Geest met Pinksteren. Zij zet de aanwezigheid van God op aarde voort tot aan de tweede glorierijke komst. Elke daad van het christelijk leven begint met dit gebed, opdat de kracht van de Geest ons moge begeleiden.

 2. ENARXIS-VOORBEREIDING Aanvangs doxologie            De priester houdt het Evangelieboek in zijn twee handen en maakt ermee een kruisteken boven het altaar, terwijl hij met luide stem zingt : “ Gezegend zij het Koninkrijk van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen”. Het is door de menswording van de Zoon dat in de wereld de zekerheid van het mysterie van de Drieeenheid is losgebarsten, daarom juist wordt begonnen met de aanroeping van de Drieeenheid en verlicht het begin van elke geheiligde daad. Daarom ook moet elke gelovige, nadat hij zich van alles onthecht heeft, zich meteen plaatsen in het koninkrijk van de Drieeenheid’ (N GOGOL , op.cit.). Op deze aanroeping antwoordt het koor : “Amen” met dit woord drukken de gelovigen hun volle instemming uit voor  alles wat gezegd is. Het is méér dan een eenvoudige bevestiging, het is een geloofsbelijdenis. Eerste grote litanie of ektenie (vredeslitanie) 

            Zij begint met een dringende vraag om vrede : “laat ons de Heer in vrede bidden” Het gaat er in de eerste plaats om een innerlijke vrede in zichzelf te bewerkstelligen. Zij die deelnemen aan  de Heilige Liturgie moeten elke onrust uit hun geest bannen (….) Zij moeten zich voor God plaatsen in een staat van rust, vertrouwende aandacht, van concentratie op het “enig noodzakelijke” En dadelijk volgt een tweede vraag :”De vrede waarom we reeds gevraagd hebben is iets anders dan een zielstoestand, een psychologische situatie die door onze inspanningen tot stand is gekomen. Het is een vrede die komt ‘uit de hoge’(….) een gave van God (….). Anderzijds erkennen wij dat de goddelijke vrede en het “
heil”van onze ziel innig met mekaar verbonden zijn. De vrede is een teken van de  aanwezigheid en de werkzaamheid van de “Heer”in ons. “om vrede voor de gehele wereld en het welzijn van de heilige Kerken Gods, en om EENHEID van allen, laat ons de Heer bidden”. “Wij bidden voor de vrede van de wereld(….) en opdat alle mensen zich verenigen in éénzelfde liefde”. (Een monnik van de Oosterse Kerk :  “liturgische offerande” coll.
Foi vivante, Uitg.Cerf,1988,p.1314.)

Gedurende de ganse liturgie, eindigen de grote en kleine ectenieën met een nagedachtenis van de Moeder van God en van alle heiligen, gevolgd door een gebed in stilte door de priester en een  “ekphonese”(=met luide stem) die dit gebed beëindigt.Het gaat om een uitroep door de priester in de vorm van een lofprijzing tot de Heilige Drieeenheid, een trinitaire doxologie, waarop het koor antwoordt : “Amen”De drie antifonen : “gescheiden door twee korte ectenieën vormen als het ware het voorportaal dat wij moeten overschreiden voor  men kan binnentreden in het mysterie. De mens kan slechts binnentreden in de Tegenwoordigheid van God, als hij zich op een geleidelijke manier hierop heeft voorbereid.” Gedurende de derde antifoon, nl. de zaligsprekingen, knielen de celebranten driemaal voor het altaar, de priester neemt het evangelie en geeft het aan de diaken. 3.DE KLEINE INTOCHT             De celebranten vertrekken vanuit de noorder- poort van het heiligdom. De diaken als eerste, draagt , omhoog gehouden, het evangelieboek. Hij wordt voorafgegaan door akolieten met een kaars. De processie gaat tot voor de heilige poorten. Zij symboliseert de komst van Jezus zelf, die gekomen is om te prediken onder het volkeren. Het Evangelie vertegenwoordigt het Woord van God. De grote kaars voor het Evangelie symboliseert  “het licht dat in de wereld gekomen is”, Christus zelf, Woord van God. De gelovigen buigen voor Hem. Nadat de priester met lage stem een gebed heeft uitgesproken opdat de liturgie in eenheid zou mogen zijn met de hemelse Liturgie, zegent de intrede en kust het Evangelie.. 4.GEZANGEN EN LEZINGEN             Terwijl het koor de troparia en de kondakia van de dag zingt, reciteert de priester met gedempte stem het gebed van het Trisagion, welke de hymne van het trisagion voorafgaat, dat door het koor zal worden gezongen. 

Het trisagion

                        De hymne driemaal heilig, is een trinitair gebed dat zijn oorsprong vindt in de zang van de engelen die gehoord werd door de profeet Jesaja (Jes.6,18). Meer dan 7 eeuwen later, is hij opnieuw gehoord door de apostel Johannes tijdens de openbaring die hij had in Patmos. (Apoc.4,8).Dit gebed wordt  gecommentarieerd in de loop van de Vespers van Pinksteren: “Kom volkeren, aanbidden wij de godheid in drie personen, de Zoon in de Vader met de Heilige Geest. Want buiten de tijd, heeft de Vader de Zoon voortgebracht, in eeuwigheid met Hem op dezelfde troon. En de Heilige Geest verheerlijkt met de Zoon, was in de Vader, enige Macht. Enig Zijn, Enige Godheid, die wij allen aanbidden en zeggen : Heilige God die het universum schiep door de Zoon en in samenwerking (synergie)met de Heilige Geest, Heilige sterke, door wie wij de Vader hebben gekend en door wie de Heilige Geest gekomen is in de wereld, Heilige onsterfelijke, Geest-trooster die voortkomt uit de Vader en rust in de Zoon, heilige Drieeenheid, glorie aan U” 

Ceremonie van de troon en Lezingen

             Voor de proklamatie van het prokimenon, nodigt de diaken de priester uit om de troon  van de bisschop te zegenen. Vervolgens, nadat de diaken onze aandacht heeft gevraagd, zingt de lector, midden de Kerk het prokimenon en leest de lezing van de Apostel van de dag. Tijdens deze lezing en tijdens het Alleluia die daarop volgt, bewierookt de diaken het altaar, het heiligdom, de ikonostase en het volk, “aldus de komst van het Woord voorbereidend, goddelijke tegenwoordigheid, en om ons eraan te herinneren dat voor het aanhoren van de Evangelische woorden een zuivering van het hart noodzakelijk is” 

Homelie

             Na de lezing van het Evangelie houdt de priester een homelie. Gedurende deze homelie opent de Heilige Geest, door tussenkomst van de priester, de geest van de gelovigen “tot inzicht van de lezingen”. Zij is dus geen eenvoudige uitleg van het Woord dat zojuist gelezen werd, maar wél de prediking van het Evangelie zelf. Door ernaar te luisteren zouden wij hetzelfde moeten ervaren als de leerlingen van Emmaüs : “ Brandde ons hart niet in ons toen Hij tot ons sprak en ons de schriften opende ?”. 4.GEBEDEN VOOR DE GANSE KERK 

            Nu nodigt de diaken het volk uit om te bidden. De priester van zijn kant bidt met zachte stem, bij zichzelf , dat de gebeden van de gelovigen aanvaard mogen worden door God. Vervolgens, spreekt hij met luide stem de eind-doxologie uit, hij betrekt hen ook bij deze lofzang voor God. “Welk is het gebed van het volk, dat bijzonder opportuun is na het Evangelie ? Het is het gebed voor hen die trouw zijn aan het Evangelie, voor hen die de volheid van Christus uitgedrukt in het Evangelie navolgen”, (Sint Nicolas CABASILAS :” Explication de la Divine Liturgie”,coll. Sources Chrétiennes n° 4 bis,éd.Cerf,1967,p.159)

 

Het antimension

             Gedurende dit gebed ontvouwd de priester het antimension op het altaar. “Het antimension is een doek d
at reliquiën bevat en gewijd is door de bisschop. Het is een draagbaar altaar. Het herinnert ons eraan dat de Kerk op pelgrimstocht is hier op aarde, op uittocht. Ze kan zich niet definitief vestigen. Haar ware vaderland is het Nieuwe Beloofde Land, het Rijk der hemelen waarnaar zij op weg is. Op het antimension is de graflegging van Christus uitgebeeld, om ons eraan te herinneren dat het altaar het heilig Graf voorstelt, van waaruit Christus is verrezen om zijn licht uit te doen stralen over het ganse universum.
De liturgie van het woord eindigt met een gebed en wegzending van de catéchumenen. 

DE LITURGIE VAN DE GELOVIGEN

             Het tweede gedeelte van de liturgie wordt genoemd : Liturgie van de gelovigen. Daarom begint ze met een uitnodiging door de diaken, gekeerd naar het altaar, tot hun intentie : “Gelovigen, laat ons nogmaals en nogmaals de Heer in vrede bidden”. De gelovigen die het volk van de gedoopten vertegenwoordigen, worden door het gemeenschappelijk gebed opgeroepen om zich voor te bereiden op de eucharistische offerande. Vroeger bleven de poorten van de Kerk gesloten, om aan te duiden, dat de Kerk niet meer van deze wereld is, zij is het lichaam van Christus. Nochtans, als ze zich afzondert van de wereld, dan doet zij dit voor de wereld, teneinde het offer van Christus “voor allen en voor alles” te brengen, zoals het lang gebed van de anaphora ons duidelijk maakt. 1.GEBED VOOR DE GELOVIGEN             De liturgie van de gelovigen begint met twee gebeden uitgesproken door de priester. Zij worden elk voorafgegaan door twee korte ektenieën gezegd door de diaken. In het eerste gebed vraagt de priester Gods genade voor zichzelf en voor de andere celebranten, om het Heilige Offer van de Eucharistie waardig te kunnen opdragen. In het tweede gebed  bidt hij speciaal voor de gelovigen, opdat zij waardig geoordeeld zouden worden om deel te nemen aan de Heilige Mysterieën. 2.DE GROTE INTREDE             De grote intrede is één van de meest plechtige momenten van de Liturgie.Zij wordt gekenmerkt door een grote bewieroking, de processie van de offergaven en door de Cherubijnenzang. 

Handelingen en gebeden van de celebranten

             De priester begint met een gebed dat speciaal voor hem is bestemd. Het is het enige gebed van gans de Liturgie dat de priester voor zijn eigen intentie uitspreekt, en niet voor al diegenen die de kerkelijke gemeenschap uitmaken : “ Daarom roep ik tot U, alleen  Goede, die bereid zijt naar ons te luisteren : zie neer op mij, Uw zondige en nutteloze dienaar ; reinig mijn ziel en mijn hart van slechte gedachten; en stel mij, die Gij door de kracht van Uw Heilige Geest met het priesterschap hebt bekleed, in staat hier voor uw Heilig Altaar te staan, om Uw heilig, smetteloos lichaam en kostbaar bloed te offeren. Met gebogen hoofd kom ik tot U, en ik smeek U : wend Uw aangezicht niet van mij af, en verstoot mij niet uit het getal van Uw dienaren. Veroorloof mij, zondige en onwaardige dienaar, U deze gaven aan te bieden”.Vervolgens richt de priester zich tot Christus om te bevestigen, dat de gaven die naar het altaar zullen gebracht worden, offeranden  zijn die door Christus Zelf zijn tot stand gebracht : “Gij, Christus onze God, zijt het immers Die offert en geofferd wordt, Die ontvangt en ontvangen wordt”. Wij kunnen deze offerande offeren, omdat Christus zelf als offerande is geofferd éénmaal voor allen, en dat zijn offer ook het onze bevat. Het is omdat de priester bekleedt is met het priesterschap van Christus dat hij alleen het sacrament van de Eucharistie kan uitvoeren. Hij dient niet de scheiding van de bijeenkomst, maar zijn eenheid met haar.te bewerkstelligen.Daarom vraagt de priester om bijstand en te worden “bekleed met de kracht van de Heilige Geest” 

De grote bewieroking

             Na dit gebed doet de priester, voorafgegaan door de diaken met een brandende kaars in de hand, de grote bewieroking van het altaar, het heiligdom en vervolgens van de ganse kerk.Ondertussen reciteert hij psalm 50, en de troparia van berouw. Terug in het heiligdom en na de bewieroking van het altaar, doen de celebranten drie grote buigingen (metanieën) voor het altaar en kussen het na de tweede buiging. Vervolgens, richten zij zich tot de gelovigen, buigen voor hen en gaan naar de prothesis. De priester neemt de aër weg die de disk en de kelk bedekt, en legt het op de schouder van de diaken. Deze ontvangt de disk uit de handen van de priester, die zelf de kelk neemt. 

De processie

             Nu begint de processie met de gaven ,die in processie rondom het schip van de kerk worden gedragen. De celebranten blijven “voor de heilige deuren staan, naar het volk gekeerd. De priester vraagt aan de heer de Herders van de Kerk in herinnering te brengen, de regeerders, de stichters van de plaats waar de Liturgie plaatsvindt, de overledenen en alle orthodoxe christenen. Deze plechtige intrede, begeleid door de akolieten met kaars en de tweede diaken die de heilige gaven bewierookt gedurende de processie, betekent ook onze eigen opgang naar het Koninkrijk van God. 

De Cherubijnenzang

             Vanaf de gebeden en de bewieroking die de intredeprocessie voorafgaan zingt het koor de Cherubijnenzang : ‘” Wij die in dit mysterie verzinnebeelden de Cherubijnen, en die zingen d’hymne driemaal heilig aan de levenschenkende drieeenheid. Stellen wij nu ter zijde alle zorgen van deze wereld”“ Het gebed van de kleine intrede riep de intrede van de engelen op in eenheid met ons. In de grote  intrede doen wij méér. Wij verklaren dat wij op mysterieuze wijze, door een goddelijke genade, figuren,
vertegenwoordigers van de engelen geworden zijn”.
(Une moine de l’Eglise d’Orient, L’offrande liturgique, coll.Foi Vivante, édit. Cerf,1988,p31)Met hen verheerlijken wij de Heilige Drieeenheid want “zie, de Koning der koningen en de Heer des heren, Christus onze God, gaat op weg om geofferd te worden en als voedsel gegeven te worden aan zijn getrouwen.. Daarom moeten wij in dit transformerend ogenblik alle zorgen van de wereld van ons afwenden, ons ontdoen van alles wat ons van God afhoudt.”(Idem, Op.cit. p.31).Wanneer priester en diaken het heiligdom binnentreden, zingt het koor opnieuw : “Om te ontvangen de Koning van het heelal, onzichtbaar begeleid door Zijn lijfwacht van Engelenscharen.Alleluia,Alleluia,Alleluia !”. 3.DE INTREDE VAN DE HEILIGE GAVEN              De intrede van de heilige gaven in het heiligdom symboliseert het leggen van het Lichaam van Christus in het heilig Graf. Daarom worden de heilige poorten gesloten. Het roept eveneens de intrede van Christus , onze Hoge-priester op in het hemels heiligdom”. De priester  zet  het brood en de wijn op het altaar en offer ze aan God op,  om eraan te herinneren dat het Lichaam van de Heer in het graf werd gelegd als op een altaar en opgedragen als een offer voor het heil van de wereld. Vervolgens neemt de priester het doek van de kelk en de disk en legt het opgeplooid op het altaar. Hij neemt vervolgens de aër van de schouder van de diaken, bewierookt het en bedekt de heilige gaven, zeggende :” De rechtvaardige Jozef nam Uw allerzuiverst Lichaam van het Kruis. Hij wikkelde het in een zuiver linnen doek met reukwerk en legde Het in een nieuw graf”.4.EKTENIE             De diaken verlaat door de noorderpoort het heiligdom om zich op te stellen voor de Heilige Poorten, gekeerd naar de ikonostase.Terwijl hij zijn stola met de rechterhand omhoog houdt, zegt hij een lange ektenie. Vervolgens gaan de Heilige Poorten open, de priester spreekt de  “ecphonese” van het gebed uit en zegt :  “Vrede aan allen”. Het koor antwoordt : “En met Uw Geest”. 5.DE VREDESKUS             De diaken roept uit : “ Laat ons elkander beminnen, om in éénheid te belijden”.Het koor zingt : “De Vader, de Zoon en de Heilige Geest; de één-wezenlijke en ondeelbare Drievuldigheid” Dit liturgisch element van de vredeskus werd vroeger gedeeld met alle aanwezigen, terwijl heden alleen de priesters en de diakens elkaar een akkolade geven zeggende : “Christus is in ons midden”. Terwijl de aangesprokene antwoordt : “Hij is, en zal zijn”. Deze liefde die ons gevraagd wordt te delen is radicaal nieuw. Want Christus beveelt ons aan niet alleen mekaar te beminnen, maar ook onze vijanden. Deze laatste aanbeveling, die irrealistisch lijkt,werd nochtans gegeven aan elke mens dank zij de genade van de menswording van Jezus Christus. Hij heeft ons werkelijk deze totale liefde geopenbaard. Zij is vervat in de natuur van God zelf, door zijn leringen, door zijn daden, en die uiteindelijk zijn hoogtepunt heeft bereikt in Zijn vrijwillig offer aan het kruis, waar Hij bad voor zijn beulen. In Zijn voetspoor hebben de heiligen het bewijs geleverd van dezelfde liefde voor de vijanden, zoals de heilige Stefanus de proto-martelaar, die toen hij gestenigd werd bad voor zijn beulen.Zo ook de heilige Silouan van de berg Athos wiens gebed voor de wereld ook zijn vijanden inhield. Zo hebben alle heiligen getuigenis afgelegd door hun leven en hun werken opdat dit bevel voor een totale liefde zou werkelijkheid worden. Zo ontvangt elke mens die met Christus verenigd is deze Liefde, ze  groeit in hem en hij kan op zijn  beurt deze Liefde doorgeven aan anderen.  “Daaraan zullen allen erkennen dat gij Mijn leerlingen zijt, als gij liefde voor elkaar hebt”. Alleen door de Liefde van Christus waarmee we bekleed zijn maakt ons tot broeders in Christus.   “De vredeskus is eveneens geplaatst op dit moment van de Liturgie, voor het begin van het Offer, om te gehoorzamen aan de oproep van de Heer, ons met onze broeders te verzoenen voordat wij onze offerande aanbieden”. 6.GELOOFSBELIJDENIS             Voor de lezing van de geloofsbelijdenis,spreekt de diaken volgende woorden uit : “DeDeuren ! de Deuren ! : laat ons in wijsheid aandachtig zijn”. ‘Deze acclamatie richtte zich vroeger tot de portiers die erover moesten waken, dat geen enkele heiden de kerk zou binnenkomen. Zij richt zich vandaag tot alle gelovigen opdat zij de poorten van hun hart zouden bewaken en zouden beschikbaar zijn voor de volmaakte liefde, tegen elke aanval van de vijand. Dat alleen Gods tegenwoordigheid er zou wonen. De Heer heeft ons in het Evangelie bevolen om de deur van onze kamer gesloten te houden en in het verborgene te bidden. Wij zijn uitgenodigd om  “sommige deuren van ons hart” te sluiten. “Laat ons aandachtig zijn !”, zegt de tekst van de Heilige Liturgie. Dat wij open en waakzaam zouden zijn voor de woorden en de ingevingen die van God komen. De Heer richt tot elkeen de zin die hij uitsprak over de zieke  “Efeta ! open-U” (Op.cit.,p36). “Gedurende het zingen van de geloofsbelijdenis waait de priester met de aër die de kelk bedekt over het brood en de wijn . Dit waaien met de aër boven het brood en de wijn wordt beschouwd als het symbool van  de adem van de Heilige-Geest, van de wind die het huis vervulde met Pinksteren. Ondertussen wordt de geloofsbelijdenis gezongen.Welnu, men kan het christelijk geloof niet belijden indien op hetzelfde moment, de Heilige Geest niet over ons waait. Indien de bezieling van de Heilige Geest afwezig is, dan kunnen we wél volmaakte formules lezen, maar de ritus zal een dode, steriele ritus blijven.Moge de Heilige-Geest de woorden die wij zeggen, komen  bezielen en levendig maken’ (Op.cit. p37). In de primitieve Kerk en ook nog vandaag, voltooit de geloofsbelijdenis de voorbereiding van de catechumenen en hun doop-intrede in de Kerk. Sedert de VIe eeuw, is  zij in de Liturgie binnengebracht om duidelijker de band te benadrukken tussen  de eenheid van geloof van allen die deel uitmaken van de Kerk, en de vervulling ervan door de Eucharistie. “Wij allen hebben deel aan het ene Brood en de ene Kelk. Doe ons één worden met elkander in de Gemeenschap van de ene Heilige Geest”. (Eucharistisch gebed van Sint Basilios).  “De tekst van het Credo is een ikoon van de Drieeenheid, het leert ons om de Ene en drie
maal heilige God te aanbidden”.Door de geloofsbelijdenis te be-mediteren, drukken wij het in onze harten, zodat het onze adem mag worden. Door te zeggen :  “ik geloof” druk ik mijn vrije en persoonlijke aanhankelijkheid uit aan het christelijk geloof. Maar tegelijk neemt iedereen deel aan het geloof van de ganse Kerk. Door onze belijdenis zijn wij verenigd met God en met de christenen van geheel de wereld, van alle eeuwigheid en alle tijden, voor alle eeuwen der eeuwen”.
(Le Credo de Nicée-Constantinople, catéchèse orthodoxe, éd.du Cerf 1987, 4ème de couverture). Het Credo, nadat het eerst de enige God heeft beleden, verklaart ons vervolgens de drie Personen van de Drieeenheid. De Vader, Eerste Persoon van de Drieeenheid, is de enige bron van de godheid, Hij is het princiepe van eenheid van de drie goddelijke Personen en de schepper van alle dingen.. De Zoon, Tweede Persoon van de Drieeenheid deelt de eeuwigheid met de Vader, geboren , niet geschapen, Hij is de bewerker van de  schepping :  door zijn menswording, door Zijn vrijwillig lijden, door zijn Verrijzenis en hemelvaart. Hij is de verlosser van het menselijk geslacht en wij wachten op Zijn definitieve wederkomst. De Heilige Geest, Derde Persoon van de Drieeenheid die voortkomt uit de Vader is  “consubstantieel” (= van dezelfde substansie) met de Vader en de Zoon en deelt dus hun eeuwigheid, Hij is het die leven geeft aan alle dingen. Vervolgens belijden wij ons geloof in het mysterie van de Kerk, die, zoals Christus god-menselijk is en gesticht door Hem. En in één doopsel, want het doopsel is onuitwisbaar. Wij bevestigen eveneens ons geloof in de verrijzenis van de doden waarvan de Verrijzenis van Christus het vertrekpunt  is, en in het toekomstige leven, ‘t is te zeggen, in het eeuwige leven. 7.DE  EUCHARISTISCHE CANON OF ANAPHORA 

Algemeen

             De verschillende delen van de liturgie welke wij reeds gezien hebben : kleine intrede, lezingen, grote intrede, geloofsbelijdenis,  vormen een opwaardse lijn naar dit belangrijkste deel van de Liturgie, die wij  “eucharistische canon of anaphora” noemen. De term  “eucharistische canon” komt ven het grieks :  “canon” wat regel of wet betekent, en  “eucharistie” wat  “dankzegging” betekent. De eucharistische canon bevat een vaste structuur – vanuit vastgelegde regels. Het griekse woord anaphora betekent   “verheffing”. De anaphora is een  “verheffing”, een aanbieding : de gelovigen bieden hun offer  aan, maar tegelijk bieden zij ook zichzelf aan God aan, opdat als antwoord hierop God zijn Heilige-Geest zou zenden over hen en de gaven. Structuur             De structuur van dit gebed vormt een geheel met een diepe eenheid. Zij komt overeen met de drie zegeningen (berakoth) die Israël deed na de joodse maaltijd.Het is dit dankgebed dat Christus heeft uitgesproken de avond van Heilige Donderdag na het brood en de wijn te hebben genomen. De drie delen van dit gebed bekleden tegenwoordig in de Kerk een trinitair karakter : Het eerste deel is een gebed van dankbaarheid voor de schepping is tot de Vader gericht. Het tweede gebed is een dankbaar gedenken (anamnese) voor het  verlossend en bevrijdend  werk van de Zoon. Het derde deel is een smeekbede of  aanroeping, of epiklese voor de nederdaling van de Heilige Geest, opdat  wij door Hem de  “volheid van het Rijk” zouden ontvangen (Dit onderscheid in drie delen is genomen uit  “Dieu est vivant”, éd.du Cerf.p321). 

Verloop

 

            De anaphora begint met een  oproep door de diaken :  “Laat ons eerbiedig staan; laat ons met vreze staan; laat ons aandachtig zijn om het Heilig Offer in vrede op te dragen”.  De diaken doet een oproep tot ons, opdat wij ons  in onze verhouding tot God zouden gedragen zoals het hoort :  met godsvrucht en heiligheid, vrees en  grote eerbied, spirituele houdingen van innerlijke vrede bereid om God te loven.

Het koor antwoordt :  “ Gift van vrede, een offer van lof”. Niet alleen offeren wij in vrede, het is de vrede zelf welke wij offeren bij wijze van het huidige en het tweede offer. Want wij offeren de barmhartigheid  aan Hem die gezegd heeft : “ Ik wil barmhartigheid en niet het offer”, welnu, de barmhartigheid is een vrucht van een vaste en waarachtige vrede. Want wanneer geen enkele passie meer de ziel vertroebelt, staat niets  meer in de weg om te worden vervuld met barmhartigheid. Maar (wij offeren) ook een  “offer van lof” (St.Nicolas Cabasilas,op.cit.p.171). De priester gaat nu naar het ambon en geeft de zegen, zeggend : “De genade van onze Heer Jezus Christus, de liefde van God de Vader en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen”. Deze trinitaire formule van sint Paulus (II Kor.13,13) die hier gebruikt wordt, is niet de formule die gewoonlijk gebruikt wordt om de drie personen van de Heilige Drieeenheid onder woorden te brengen. Hier begint de zegening met een aanroeping van Christus, een mededeling van Zijn genade. Dit, omdat de genade ons gegeven wordt door Christus, en omdat Hij het is die ons de liefde van de Vader openbaart, en ons de Heilige Geest meedeelt. Na deze zegening antwoordt het koor :  “En met uw Geest”. De priester :  “Omhoog de harten”. Het koor : “Wij heffen ze tot de Heer”. Door dit antwoord is de verheffing, de aanbieding (anaphora) reeds geopenbaard. Deze aansporing, om onze harten hoog te houden herinnert ons eraan dat de vervulling van de eucharistie zich niet voltrekt op aarde maar in de hemel. Als ledematen van de verrezen Christus zijn wij met Hem reeds gezeten aan Gods rechterhand.  “God, die rijk is aan erbarming, heeft om zijn grote liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus(….)en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Jezus Christus” (Ef. 2,4-6). De priester :  “Laat ons de Heer de eucharistie opdragen”. Het koor : “ Het is recht en waardig” (te aanbidden, de Vader en de Zoon en de Heilige
Geest, Drieeenheid eenwezenlijk en ondeelbaar).(Dit deel tussen haakjes is soms weggelaten).
 8. HET EUCHARISTISCH GEBED             Wanneer de priester terug in het heiligdom is begint het eucharistisch gebed. In dit gebed van dankzegging, drukken wij onze erkentelijkheid uit tegenover God  “voor alles”. Wij gedenken alles wat Hij voor ons gedaan heeft.  “Gij hebt ons uit het niets tot het zijn gebracht”. Hij heeft de mensheid verlost na de val. Hij houdt niet op om ons te helpen het komende Rijk te bereiken..  “Voor dit alles danken wij U en Uw eengeboren Zoon en Uw Heilige Geest, voor alle aan ons bewezen weldaden, die wij kennen en die wij niet kennen, de zichtbare en de onzichtbare”.Voor al deze aan ons bewezen weldaden, elke dag opnieuw en in een oneindigheid van vormen.“Maar onze dankzegging wordt duidelijker, wordt direkter en konkreter “: “Wij danken U ook voor deze eucharistie, die Gij uit onze handen wilt aanvaarden, terwijl Gij toch beschikt over duizenden Aartsengelen en tienduizenden engelen…”. Een waardevoller aanbidding zou kunnen geofferd worden aan God door de hemelse krachten. Maar God aanvaardt wat wij Hem aanbieden met onze zondige handen. (Une moine de l’Eglise d’Orient,op.cit.p.41-42). Door deze woorden van dankzegging, erkennen wij ook het werk van de Schepper, wij drukken Hem onze erkentelijkheid uit. Wij zijn schepselen die, dankzij het offer van Christus, geroepen en in staat zullen worden gesteld om de wereld te transfigureren en zelf gedeifieerd en “deelgenoten van de goddelijke natuur” te worden (St.Gregorius Palamas).Eenmaal deze roeping van de mens tot uiting gebracht is, zullen wij ons ook bewuster worden van onze zondige natuur. Nochtans zijn wij in staat om het te erkennen, wij hebben toegang tot de Vader en zijn deelgenoten van het komende Koninkrijk :”Gij hebt onophoudelijk alles gedaan om ons in de hemel te leiden en ons Uw komend Koninkrijk te schenken”. De priester beëindigt het gebed met deze vier woorden :”Zingend, roepend, luid jubelend en zeggend”. Doorheen deze vier termen heeft de christelijke traditie een zinspeling gezien op de roep van de vier “levenden” in het visioen van Ezechiël (Ez. 1,6vv) en de Apocalyps (Apoc.4,67), die tegelijk de Machten der engelen symboliseren die de schittering van Gods glorie uitdragen naar de vier windstreken ,dit wil zeggen, over de ganse kosmos, en de vier Evangelisten die de boodschap van het Woord uitdragen tot de uiteinden der aarde. Het is daarom, dat de diaken, terwijl de priester deze formule uitspreekt, een kruisteken maakt door met de asterix, die de heilige gaven bedekt, de boord van de disk op vier plaatsen aan te raken.Nu zingt het koor de Cherubijnenzang : “Heilig,heilig,heilig is de Heer Sabaoth. Vol zijn hemel en aarde van Uw heerlijkheid, hosanna, hosanna in de hoge. Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren : Hosanna in den hoge”.“De triomfantelijke cherubijnenzang, die door de profeten gehoord werd tijdens hun heilige visioenen en in haar geheel hernomen wordt door het koor, zet de gelovigen in gebed op weg naar de onzichtbare hemel” (Nikolas Gogol.op.cit). 9. DE ANAMNESE             Anamnese is een grieks woord en betekent:  “gedachtenis, herinnering, een daad waardoor een voorbije gebeurtenis terug aktueel wordt, niet alleen ter gedachtenis van de mensen, maar ook van God”.Het verhaal van het Laatste Avondmaal dat nu volgt, zal het verhaal zijn van de instellingswoorden, dit wil zeggen, dat wat Jezus gedaan heeft op de vooravond van  Zijn dood. Dit verhaal vinden wij in de Evangeliën van de heilige Mattheus (26,26-28), van  de heiligeMarcus (14,22-25) en van de heilige Lucas(21,19-20), alsook bij  de  heilige Paulus (II Kor.,23-25). De priester:  “Met deze zalige krachten, menslievende Meester, roepen ook wij en zeggen :Heilig zijt Gij, Alheilig :Gij en Uw eengeboren Zoon, en Uw Heilige Geest.Heilig zijt Gij, Alheilig;En hoogverheven is Uw heerlijkheid.Zozeer hebt Gij Uw wereld liefgehad, dat Gij Uw Eengeboren Zoon gegeven hebt,Opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaMaar eeuwig Leven hebbe.Hij is gekomen en heeft heel de Heilseconomievoor ons voltooid.In de nacht, waarin Hij voor ons werd overgeleverd,Of veeleer waarin Hij zichzelf overleverde voor het Leven der wereld,Nam Hij brood in Zijn heilige en vlekkeloze reine handen,Dankte, zegende, heiligde , brak het,En gaf het aan Zijn heilige Leerlingen en Apostelen, Zeggend : Neemt en eet, dit is Mijn lichaam,dat voor U gebroken wordt,tot vergeving der zonden.” Tegelijk toont de priester het brood met de rechterhand. Het koor antwoordt :”Amen”Vervolgens naar de kelk wijzend, zegt de priester : “Evenzo de Kelk na het Avondmaal, zeggend : Drink allen hieruit : dit is mijn bloedvan het nieuw verbond, dat voor uEn voor velen vergoten wordttot vergeving der zonden”. Opnieuw antwoordt het koor met “Amen” “Door het offer van brood en wijn wordt Jezus Christus tot offerande van zijn opoffering.. Hij stelt zich in de plaats van alle mens- en zoenoffers(Hebr.9,11-28).Zoals Abraham,toen hij op de proef werd gesteld, een altaar oprichtte en zijn zoon aan God had geofferd (Gen.22,1-18), zo offert  Jezus Zichzelf aan Zijn Vader.Het offer van het Kruis is van alle eeuwigheid, ontvangen en aanvaard door de Vader, voor het leven van de wereld”.(Catéchèse orthodoxe,t2,la résurrection,éd.Cerf,p101).Wij begrijpen beter waarom in onze Kerken het altaar en het kruis zijn verenigd. Het is de Heilige Geest ontvangen in de Kerk met Pinksteren, die ons toelaat om op onze altaren de eucharistische maaltijd en het offer van het Kruis te verenigen, en dit in het licht van de
Verrijzenis van Christus.
Nu gedenkt de priester alles wat Jezus voor ons heeft gedaan : “Dit verlossend gebod indachtig, stellen wij nu tegenwoordig alles wat voor ons geschied is : het Kruis, het Graf, de Opstanding op de derde dag, de Hemelvaart, de Troon ter rechterzijde, en de Wederkomst in heerlijkheid”.“ Gedurende de Goddelijke Liturgie participeren wij niet alleen  aan het unieke offer van de Redder maar ook aan zijn Verrijzenis, aan Zijn Hemelvaart en aan Zijn glorierijke wederkomst op het einde der tijden”.“Het is kenmerkend, schreef de Archiemandriet Cyprianus, dat de herdenking zich uitstrekt over alle tijden, en niet allen over het verleden. In de eucharistische herdenking vermengen zich de grenzen van verleden, heden en toekomst. De eucharistische dienst, in woorden en onbloedig, staat buiten de tijd, niet onderworpen aan de wetten van onze zintuigelijke waarnemingen en van onze logica. Wij brengen in onze liturgie zelf de toekomst in gedachten”.(Evkaristia, Ymca Press,1946,pp230-231) Vervolgens beëindigt de priester met : “Offeren wij het Uwe, genomen uit het Uwe, namens alles en voor alles”. Deze laatste uitgesproken woorden zijn de eigenlijke anaphora, ’t is te zeggen de offerande welke de celebrant opdraagt aan God, uit dankbaarheid  voor het offer van Christus, in gehoorzaamheid aan dit bevel alsook uit dankbare erkentelijkheid (Doe dit tot Mijn gedachtenis).Op het moment dat deze woorden worden uitgesproken kruist de diaken de handen en neemt de disk in de rechterhand en de kelk in de linker, hij houdt ze omhoog terwijl hij er een kruisteken mee maakt boven het altaar,.Ondertussen zingt het koor :  “Wij prijzen U, wij loven U.Wij danken U, onze Heer. Wij danken U, onze God. Wij loven U, onze Heer.Wij bidden U,onze God.”. 10. EPIKLESE             De anaphora wordt beëindigd met de epiklese. Het is een grieks woord dat “aanroeping” betekent. Het gaat er in werkelijkheid om, dat de priester aan de Vader vraagt om Zijn Heilige Geest te zenden “over ons en over deze neergelegde gaven”, en  van dit brood en deze wijn het lichaam en bloed van Christus te maken. De Liturgie is vanaf het begin doordrongen van de vraag aan God, Zijn Heilige Geest te zenden, opdat Hij de gaven en hen die ze zullen ontvangen zou transfigureren.  “De transformatie van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus is geen magie, door de priester voltrokken. De tekst van de Liturgie zegt : “..Ze herscheppend door Uw Heilige Geest”. Deze verandering, als antwoord van God op ons gebed, is geen doel op zich. Het is uitgevoerd “opdat zij voor hen die ze ontvangen, worden tot reiniging van hun ziel” en ook “tot gemeenschap met Uw Heilige Geest”. Alles gebeurt door de Heilige Geest en in de Heilige Geest” (Une moine de l’Eglise d’orient, op.cit.p48).Inderdaad “de materie is niet ongevoelig voor de actie van de Heilige Geest, en de communie van het brood en de wijn zouden geen enkele betekenis hebben, indien deze gaven  niet zouden veranderd zijn door de werking van de Geest in Lichaam en Bloed van de Verrezen Christus”.(God is levend, op.cit.p.326). 

Er is nog een belangrijke opmerking. De priester heeft gezegd , “Zend Uw Geest over ons en over deze gaven…” Hij heeft niet gevraagd dat de Geest eerst over de gaven komt, maar eerst over ons. Dat is het moment van Pinksteren in de Eucharistische Liturgie. De Geest komt in ons hart voordat Hij komt in de materiële elementen, brood en wijn, objecten van de offerande en de consecratie”. (Un moine de l’Eglise d’Orient,op.cit. p.4 )  “Ook geloof ik, dat dit Uw vlekkeloos lichaam is, en dat Uw kostbaar Bloed “; zeggen wij later in het gebed vóór de communie. Maar “het doel van de eucharistie is niet om het brood en de wijn te transformeren, het doel is te communiceren met Christus die ons voedsel is geworden, ons leven ; het is de manifestatie van de Kerk als Lichaam van Christus”. (Alexander Schmemann, l’Eucharistie du Royaume,p.250).

De liturgie van de Heilige Basilios is zeer duidelijk hierover : “Wij allen hebben deel aan het ene Brood en de ene Kelk. Doe ons één worden met elkaar in de Gemeenschap van de Heilige Geest” (Volgens sommige russische gebruiken zegt de priester na “wij zingen U” drie maal met zachte stem, de handen opgeheven, een voorafgaand gebed van aanroeping van de Heilige Geest :”Heer, die op het derde uur, Uw Heilige Geest hebt gezonden over Uw apostelen, ontrek ons niet aan uw goedheid , maar hernieuw ons, wij die U smeken”.En de diaken zegt als antwoord verzen uit psalm 50 :  “Schep in mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest.Verwerp mij niet voor Uw aangezicht, en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg”). Na deze voorbereiding op de epiklese, zegt de priester met luide stem “Wij offeren U deze onbloedige Logosdienst; wij roepen Uw hulp in; wij bidden en smeken U : Zend Uw heilige Geest neer over ons en over deze voor U neergelegde gaven”. De diaken wijst het Brood aan en zegt “Zegen, Vader, het heilig brood”. De priester zegent het Brood “En maak dit brood het kostbaar lichaam van Uw Christus”.De diaken, dikwijls met het koor en dikwijls ook allen samen zeggen :  “Amen”. Vervolgens ,de kelk aanwijzend, zegt de diaken :  “Zegen, Vader de heilige Kelk”. De priester zegent hem en zegt :  “En wat in deze kelk is, het kostbaar bloed van uw Christus”. De diaken vervolgens alleen (of..zie hierboven) : “Amen”. De diaken wijst vervolgens het Brood en de wijn aan : “Amen.Zegen ,Vader,beide”. De priester maakt dan een kruis-teken “ze herscheppend door uw Heilige Geest”. En terug de diaken alleen (of…zie hierboven) : “Amen.Amen.Amen”. De priester vervolgens : “Opdat zij voor hen die ze ontvangen, worden tot reiniging van hun ziel, tot vergeving der zonden,tot gemeenschap met Uw Heilige Geest, tot volheid van het Koninkrijk der hemelen, tot vrijmoedigheid tegenover U, maar niet tot vonnis of veroordeling. Ook offeren wij U deze logosdienst voor hen die in geloof ontslapen zijn : Voorvaderen, Vaderen, Patriarchen, Profeten, Apostelen, Predikers, Evangelisten, Martelaren, Belijders, Asketen, en voor elke gerechte geest, die in het geloof tot volkomenheid gekomen is”. De priester betrekt in zijn dankzegging de ganse Kerk : de overledenen en de levenden, met een bijzondere plaats voor de Moeder Gods, zij die de “Geïncarneerde Tempel was en die de Kerk roemt als eerbiedwaardiger dan de Heiligen en zelfs dan de hemelse machten”(De Goddelijke liturgie van de Heilige Johannes Chrisostomos, éd.Cerf,p.67). De priester bewierookt het altaar en de heilige gaven en herdenkt de Moeder van God:  “Vooral voor onze alheilige, ongerepte, hooggezegende, roemrijke Koningin Godsmoeder en altijd-maagd Maria&rd
quo;. Het koort antwoordt met een lofzang tot de moeder Gods “ O waarlijk passend is het u zalig te prijzen, o moeder Gods.Zalig geprezen en ongeschonden moeder van onze God.Gij eerbiedwaardiger dan de cherubijnen en onvergelijkelijk glorierijker dan de serafijnen.Die zonder smet God, het Woord heeft gebaard. Gij waarlijk moeder van God, u roemen wij”  De priester  gaat nu verder met de herdenking van de Heiligen en voornamelijk de heiligen van de dag, de overledenen en alle levenden. “Dan besluit de priester :  “En gedenk hen die ieder in zijn gedachten heeft”, en het koor antwoordt :  “En allen, en allen”.  Bekijken we goed wat deze zin inhoudt. Hij drukt de universaliteit uit van het gebed van de Kerk en ons persoonlijk gebed. Wij sluiten niemand uit van ons gebed. Wij openen onze armen, wij strekken ze uit naar al onze noden, naar al onze tegenspoed. Aan u behoren allen en alles toe, wij verenigen ons met elkaar” (Une moine de l’Eglise d’Orient, op.cit.,p. 54).
 De priester spreekt ten beste voor alle menselijke noden en het eucharistisch gebed besluit met een trinitaire doxologie. Het is dus de ganse Kerk, aardse en hemelse die zich terugvindt in de eenheid van geloof en de gemeenschap met de Heilige Geest, dank zij het mysterie van de eucharistie. Deze eenheid van allen in het Lichaaan van Christus staat ons toe om de zegen te ontvangen die het gebed van de anaphora afsluit : “De barmhartigheid van onze grote God en de zaligmaker Jezus Christus, zal altijd met u zijn”. Het koor antwoordt : “En met  uw geest”. De noodzaak om de Goddelijke Liturgie voor te stellen in verschillende delen, mag ons de meest essentiële band niet doen vergeten die deze onderdelen met elkaar verbinden : te weten, de opgang van de Kerken, het Godsvolk naar het Koninkrijk. Dit Koninkrijk dat zich aan ons heeft geopenbaard en ons  is doorgegeven in de loop van deze mystieke maaltijd. Gans de opwaardse  beweging van de Liturgie heeft ons geleid tot aan deze aanroeping van de Heilige Geest over de Heilige Gaven, die ons zal toestaan om te kommuniceren met Christus, die zelf ons voedsel is geworden, ons Leven. 11. VOORBEREIDENDE GEBEDEN TOT DE COMMUNIE             Op het einde van de eucharistische canon, nadat de priester het volk heeft gezegend, verlaat de diaken het heiligdom langs de Noorderpoort en spreekt een ektenie uit die gelijkt op deze vóór de geloofsbelijdenis. Nu echter bid men voor de “hier neergelegde  en geheiligde, kostbare gaven” want vanaf nu heeft de concecratie plaats gevonden. Gedurende dit moment zegt de priester met gedempte stem : “Menslievende meester, aan U vertrouwen wij ons leven toe en onze hoop. Wij roepen U aan, wij bidden en smeken U : maak ons waardig om met een zuiver geweten deel te hebben aan Uw hemelse, ontzagwekkende Mysteriën van dit gewijd en geestelijk altaar; tot vergeving van onze zonden, en kwijtschelding van onze fouten; tot gemeenschap met de Heilige Geest; tot erfdeel van het Koninkrijk der Hemelen; tot vrijmoedigheid tegenover U; maar niet tot vonnis of veroordeling”. Vervolgens beëindigt de Diaken de smekingen met :” De eenheid van geloof, en gemeenschap met de Heilige Geest smekend, bevelen wij aan Christus God onszelf, elkaar, en geheel ons leven aan”.De eenheid van geloof : het is deze innerlijke zekerheid, onwrikbaar, zonder aarzeling, stabiel, beschut tegen uiterlijke  kwellingen, in het hart van deze mens die gelooft en die weet waarheen hij in alle rust gaat. “Wat betreft de gemeenschap met de Heilige Geest : zij betekent de genade van deze Geest. Men noemt het “gemeenschap” omdat de Heer, door zijn kruis, de “muur van verdeeldheid” (Ef.4,13) tussen God en ons heeft afgebroken. Zij die tot dan gescheiden waren en niet in communio leefden, moesten voortaan zich met mekaar verzoenen en de communio met elkaar herstellen. : de komst van de Heilige Geest over de Apostelen heeft dit bewerkstelligd…(N.Cabasilas, op.cit. p. 119-121). Om te “vertrouwen” op God”, moet men zekerheid hebben.. Welnu, deze zekerheid verkrijgt men door een zuiver geweten “wanneer wij vrede in ons hart hebben, dan hebben wij aandacht voor God”, zonder ons zorgen te maken over ons eigen zelf. Zoals de “lelie op het veld” vergeten we dan ook ons eigenbelang om ons volledig aan God over te geven. Hij weet het best van al wat wij nodig hebben” 

Het gebed van de Heer

             De priester zegt met luide stem :  “En maak ons waardig, Meester, dat wij vrijmoedig, zonder vrees voor een oordeel, het wagen U, hemelse God en Vader, aan te roepen en te zeggen”. Volgens de lokale gewoonten zingt nu het koor, of/en het volk, of de celebrant het “Onze Vader”.             “Voor de ganse Christelijke traditie, is het “Onze Vader” het gebed bij uitstek van de gedoopten, van hen die ten overstaan van God geen angstige  slaven meer zijn, maar aangenomen zonen ,die door de Heilige Geest aangespoord worden tot een kinderlijk vertrouwen ten opzichte van hun hemelse Vader”. “Daarna wenst de priester aan allen de vrede toe.Met dit gebed herinnert hij hen aan hun waardigheid, door God hun Vader te noemen : hij nodigt hen nu uit om Hem te erkennen als hun soevereine Meester en om ten opzichte van Hem gevoelens van een dienaar-zijn te tonen.Door het hoofd te buigen  belijden wij dat wij ten dienste staan van Hem. Wij buigen nu, niet alleen als wezens die als dienaars  geboren zijn het doen tegenover hun Meester, hun Schepper en God,maar zoals gekochte dienaars zich buigen voor Hem die hen heeft vrijgekocht met de prijs van het bloed van Zijn Enige Zoon. Krachtens dit bloed, bezit Hij ons om twee redenen : Hij heeft ons vrijgekocht als slaven en terzelfdertijd heeft Hij ons tot Zijn kinderen gemaakt. Want het is hetzelfde en unieke bloed dat de banden heeft versterkt en vermeerderd van onze dienstbaarheid en die de goddelijke  adoptie heeft teweeg gebracht” (Idem,p.221).  Terwijl de gelovigen het hoofd buigen, spreekt de priester een dankgebed en gebed tot voorbereiding op de communie uit. Dit wordt gericht tot alle gelovigen, want, vanaf haar oorsprong  heeft de Kerk de communie beschouwd als de vervulling door al haar leden, van haar christelijke roeping, en van  haar hoedanigheid van Lichaam van Christus. Wij moeten goed beseffen, zoals A.Schmemann het als een rode draad doorheen zijn boek “L’Eucharistie, sacrement du Royaume”sterk heeft onderlijnd, dat in de loop der tijden deze gemeenschappelijke houding  geworden is tot een individuele act, privaat, elkeen communiceert voor zijn eigen heiliging en niet meer om deel te nemen aan de realisatie van de Kerk.Wij
moeten terug  bewust worden van het feit dat deze twee aspecten nooit mogen gescheiden worden. Bijgevolg, vanaf het begin van de Liturgie van de Gelovigen  wijst niets erop dat er twee kategoriën van gelovigen zijn : diegenen die te communie gaan en deze die niet te communie gaan. In de oude Kerk werden zij die niet te communie gingen : catechumenen en  boetelingen, na de Liturgie van het Woord weggezonden. Voor de Liturgie van de Eucharistie bleven alleen zij die tot de communie waren toegelaten. Het volgende gebed en deze die de communie voorafgaan zullen dit bevestigen : “U danken wij, onzichtbare Koning, die door Uw onmetelijke kracht het heelal geformeerd, en in de volheid van Uw barmhartigheid alles vanuit het niets tot het zijn hebt gebracht. Mester, zie uit de hemel neer op hen die het hoofd buigen voor U. Want zij buigen zich niet voor vlees en bloed, maar voor U de ontzagwekkende God. Meester, wend ten goede alles wat ons overkomt; vaar uit met de varenden, reis mee met de reizigers; genees de zieken, Geneesheer van onze zielen en lichamen…”
 12. COMMUNIE Riten en voorbereidende gebeden             De priester bidt met gedempte stem het volgende gebed :”Verhoor ons, Heer Jezus Christus onze God, uit Uw heilige woning, vanaf de glorietroon van Uw Koninkrijk; en kom ons heiligen. In de hoge zetelt Gij met de Vader op de Troon, en hier beneden zijt Gij onzichtbaar bij ons aanwezig. Gewaardig U om met Uw machtige hand ons Uw smetteloos Lichaam te geven, evenals Uw kostbaar Bloed; en door ons aan heel Uw volk”. “Wij moeten bekwaam worden, door de ogen van het geloof en de liefde, om de Heer Jezus Christus zelf te zien komen naar elk van ons en, zoals Hij deed met Zijn apostelen, geeft Hij ons de Heilige Gaven, doorheen dewelke Hijzelf zich aan ons geeft. Het is niet de priester die ons de communie geeft, maar het is door de priester dat de Heer zich offert en geofferd wordt en die persoonlijk bij ons komt” (Un moine de l’Eglise d’Orient, l’Offrande Liturgique, op.cit.).Gedurende het gebed van de priester houdt de diaken het orarion gekruisd over zijn borst, hij wordt zo gelijk aan de serafijnen “die hun vleugels kruisgewijs schikken over hun borst”, om zo het gezicht  te sluieren voor de schittering van het Goddelijk Licht.Daarna proklameert de priester :”Het heilige voor de heiligen !”.Het lichaam van de Heer, vermengd met de godheid, is God. Op dezelfde wijze wordt het ijzer dat in het vuur geworpen wordt ook vuur en niets kan het aanraken noch benaderen zonder te worden vernietigd en verteerd : alleen het vuur kan zich verenigen met vuur, alleen  de gloeiende kolen kunnen in kontact komen met andere gloeiende kolen zonder schade te ondervinden. Zo is ook de ziel, gezuiverd door het vuur van de Heilige Geest, vuur en geest geworden, en in staat in contact te treden met het smetteloze lichaam van Christus. Maar de ziel die niet door de geest gezuiverd is, noch zich kan vastklampen aan dit goddelijk licht, kan dit niet bereiken” (Saint Macaire d’Egypte, Homélie 52,6). Deze vereiste voor de communie der heilige Mysteries is nochtans niet de volmaakte heiligheid, maar deze van mensen die bij het doopsel de goddelijke gave hebben ontvangen, en die zich elke dag nederig inspannen om het in hun leven vruchten te laten dragen. Ook de gelovigen door de zang van het koor :”Eén is heilig, één is Heer : Jezus Christus; tot heerlijkheid van God de Vader.Amen”, antwoorden dat ze niet heilig zijn : “Want niemand  bezit de heiligheid uit zichzelf, ze is niet het resultaat van menselijke deugden, maar allen ontvangen ze van de Heer en door de Heer”.(N.Cabasilas, op.cit.p.225).Nu gaat de diaken terug in het heiligdom en plaatst zich rechts van de priester. Het koor zingt het communievers eigen aan de dag of het feest. Vervolgens, terwijl het koor verder liederen zingt, lezingen uit de psalmen en voorbereidingsgebeden tot de communie, verdeelt de priester in het heiligdom het brood in vier delen.Brood dat reeds voordien (tijdens de proskomidie) was doorkerfd in de vorm van een kruis. Hij legt deze delen op de disk : boven, onder , rechts en links . Terwijl hij deze ritus voltrekt zegt hij :  “Ontleed en gedeeld wordt het Lam Gods; Het wordt gedeeld, maar niet gescheiden; Het wordt altijd gegeten, maar nooit verteerd; Het heiligt allen die er aan deel hebben”. “Datgene waaraan we zullen communiceren is een gebroken brood, het Lichaam van de Heiland gebroken tijdens zijn lijden. Datgene wat we gaan drinken is een vergoten wijn, het Bloed van de Heer hangend aan het kruis. Wij hernieuwen  dit sacrificie van Golgotha niet fysisch, wij nemen er spiritueel aan deel. Elke eucharistische communie is een zelf-opoffering van hem die communiceert. Hij die communiceert laat zich doordringen door het zwaard van het vuur. Hij sterft aan zichzelf en wordt als een nieuwe mens herboren” (Une moine de l’Eglise d’Orient, l’Offrande Liturgique, op.cit)             De priester neemt het deel van het brood dat gemarkeerd is met de letters IC en doet het in de kelk terwijl hij zegt : “ Volheid van de Heilige Geest”. De diaken antwoordt :  “Amen”. Vervolgens verdeelt de priester het deel gemarkeerd met de letters XC in deeltjes, volgens het aantal concelebranten in het heiligdom. Op de vraag van de diaken zegent hij het Zeon met warm water zeggende : “Gezegend zij de gloed van Uw heiligen; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.Amen”. “Dit  water, dat tegelijk water is en deel heeft aan de natuur van het vuur, betekent de Heilige Geest, die ook dikwijls water genoemd wordt en die verscheen als vuur wanneer het op de  leerlingen neerkwam. Dit moment van de Heilige Liturgie betekent de triomf van Pinsteren : Toen de Heilige Geest neerdaalde, nadat alle mysteries van Christus waren vervuld; hebben  de Heilige Gaven nu hun hoogste volmaaktheid bereikt, en men voegt er dit water bij” (N.Cabasilas,op.cit. p. 229). 

De communie van de klerus

 De celebranten buigen samen aan de voet van het altaar en vragen vergiffenis voor hun zonden. Zij ontvangen eerst het brood op hun rechterhand. De diaken ontvangt zijn deeltje uit de handen van de priester. De priester geeft zichzelf het stukje brood door het met de linkerhand te nemen en het dan in zijn rechterhand te leggen. Voor de nuttiging van het Heilig Lichaam, zeggen allen het communiegebed, vervolgens nuttigen zij de wijn in drie keren : eerst de priester, dan de diaken. “Door te communiceren in het gesloten heiligdom stellen de priester en de bedienaars de apostelen voor die in het Graf de eerste getuigen waren van de Verrijzenis. Aldus verlicht zijnde door het licht van de Verrijzenis, geven zij, bij de ope
ning van de Heilige Poorten, deze genade aan het volk.” Wanneer de klerus heeft gecommuniceerd, breekt de priester de twee delen van het “Lam” die op de disk zijn gebleven en gemarkeerd zijn met de letters NI en KA., ook dit volgens het aantal communicerenden. Hij doet ze in de kelk die hij vervolgens weer bedekt met de communie-doek, en waarop hij de lepel legt.
 

De communie van de gelovigen

             De Heilige Poorten openen zich in stilte voor de neerbuigende gelovigen . De diaken toont de kelk en roept de ganse gemeenschap op tot de communie zeggende : “Nadert in vreze Gods, in geloof en met liefde”. Gekleed met zijn gekruiste orarion, zoals de vleugels voor het aangezicht van de Serafijnen, lijkt de diaken, het Heilige Lichaam en het kostbare Bloed van Christus dragend, op de serafijn die de gloeiende kool draagt naar Jesaja. Het koor zingt een lied die de aanwezigheid van de Heer bevestigt : “Amen,amen. Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer”. De gelovigen naderen nu één voor één. De priester, geholpen door de diaken, geeft hen de communie onder de twee gedaanten met de lepel. Hij noemt daarbij ieder bij zijn/haar naam. Zoals de Serafijn met een tang op de lippen van de profeet Jesaja een gloeiende kool heeft gelegd, om ze te zuiveren, zo ook legt de priester op de lippen van hen die communiceren, door middel van de lepel, de gloeiende kool bij uitstek, die Christus zelf is, om ze te zuiveren en te bezielen met het vuur van de Heilige Geest.             “Datgene wat mij is gegeven is het Lichaam en Bloed van de Heer Jezus. Onder de fysische tekenen is er een realiteit : de tegenwoordigheid van mijn Redder en zijn reddend ons nabij zijn. Ik neem deel aan de offergave en het offer van Golgotha. De heilige gaven die ik ontvang zijn de uitdrukking van de vergeving van mijn zonden, welke het  geofferde Lam van mij heeft weggenomen en op zich heeft genomen. Ik ben rein geworden door Zijn Bloed, gewassen en ondergedompeld in Zijn Bloed, zoals de delen van dit brood ondergedompeld zijn in de Kelk. En deze Gave is het bewijs van eeuwig leven, want het geofferde Lam waaraan ik participeer, is ook het Lam dat de derde dag is Verrezen. Pasen omvat zowel de Verrijzenis als de Kruisiging van de Heer. Ik communiceer aan de Verrijzenis (l’Offrande liturgique, op.cit.p.61-62). 

Dankzegging

             Wanneer de communie van de gelovigen is beëindigd, zet de priester de kelk opnieuw op het altaar. De diaken doet nu de achtergebleven restjes op de disk in het Bloed van Christus in de kelk. Deze deeltjes vertegenwoordigen de Maagd, de heiligen, de levenden en de doden die vermeld werden tijdens de proskomidie. Terwijl de diaken deze ritus voltrekt, zegt hij de troparia van de Verrijzenis. Op het moment dat hij het deeltje van de Moeder Gods in de kelk doet zegt hij het volgende troparium : “Sta op, word verlicht, nieuw Jeruzalem ! want de heerlijkheid des Heren gaat over u op. Juicht en jubelt van vreugde, o Sion. En gij gans reine Moeder van God, verheug u over de Verrijzenis van Uw Zoon”. “Christus, verrezen en uitgestort over de Kerk, Nieuw Jeruzalem, het vuur van Zijn Heilige Geest vervult definitief de theofanie aangekondigd in Jesaja 60,1-3”.De diaken besluit het onderdompelen van de deeltjes in de kelk  met het zorgvuldig reinigen van de disk boven de kelk met de chalice2_sm
spons zeggende : “Heer, wis door Uw kostbaar Bloed  en de gebeden van Uw heiligen de zonden uit van hen die wij op deze disk hebben herdacht”.
             Deze ritus manifesteert zichtbaar de voorbede voor onze naasten, levenden en doden.Al diegenen waarvan de namen zijn genoemd toen de priester de verschillende delen van de prosfora, die door de gelovigen werden aangeboden,  heeft gescheiden , zijn op dit moment, door deze onderdompeling ledematen van het mysterie van de Verlossing.De priester, vanaf het ambon, zegent het volk zeggende : “God, red Uw volk en zegen Uw erfdeel”. Het koor antwoordt met een gezang uit het officie  van Pinksteren, die eraan herinnert, dat elke communie ook een ontvangen van de Heilige Geest inhoudt, een permanent Pinksteren :”Wij hebben het ware Licht aanschouwd,wij hebben de hemelse Geest ontvangen,wij hebben het ware geloof gevonden.Wij alms_smaanbidden de heilige Drieeenheid : Deze heeft ons gered”. 
            De priester keert terug in het heiligdom om,met de diaken, de Heilige Gaven van het altaar naar de proscomidietafel over te brengen. De diaken zet de asterix op de disk en bedekt het geheel met zijn doek. Eveneens wordt de kelk opnieuw bedekt. Vervolgens bewierookt de priester driemaal de Heilige Gaven terwijl hij volgende woorden uitspreekt : “Verhef U boven de hemelen, God ; over de gehele aarde zij Uw heerlijkheid”. De priester geeft hiermee het opgaan van de Heer naar Zijn Vader weer , om geprezen en verheerlijkt te worden : het is het thema van de hemelvaart. Had Christus, vooraleer ten hemel op te stijgen, niet gezegd : “Het is beter voor u dat ik heenga. Want  als ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien ik heenga, zal ik Hem tot u zenden” (Joh.16,7). In het tweede deel van het vers doet de priester beroep op de Geest van Pinksteren om zich uit te storten over de Kerk, om een metamorfose, een
heilige_geest_holy_spirit_(12)
gedaansverandering teweeg te brengen die zijn volheid zal tonen op de dag van de laatste komst.
 De priester neemt nu de kelk en heft ze omhoog als teken van zegen en zegt :”Gezegend zij onze God”, en gericht naar het volk zegt hij : “Immer, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen”. Het koor zingt een hymne van dankzegging. De diaken verlaat het heiligdom, brengt zijn orarion uit de gekruiste houding om een laatste ektenie te zeggen. De priester zegt dan het gebed van dankzegging terwijl hij het antimension plooit en met het Evangelieboek , dat hij met beide handen vasthoudt,een kruisteken maakt. 13.CONCLUSIE 

Wegzending van de gelovigen en zegen

             Na dit gebed verlaat de priester het heiligdom langs de Heilige Poorten. Hij stelt zich op in het midden van de kerk en zegt met luide stem :  “Laat ons in vrede heengaan”. Door deze woorden en het slotgebed dat volgt  geeft hij de zending aan de gelovigen. Het betekent niet zozeer het weggaan uit de kerk, maar de intrede van de Kerk in de wereld. Zoals Vader Schmemann het zegt :  “ de tijd van de zending (missie) begint op het moment dat de liturgie beëindigt.             Vervolgens keert de diaken, die gedurende het gebed gebogen stond voor de ikoon van de Redder, terug in het heiligdom via de Noorderpoort en vraagt aan de priester de zegen voor het nuttigen van de Heilige Gaven. De priester spreekt het gebed uit van de nuttiging van de gaven, en terwijl de diaken  naar de proskomidietafel gaat om de inhoud van de kelk te nuttigen, zegent de priester het volk, neemt het kruis, gaat buiten de Heilige poorten staan, en gericht naar het volk geeft hij de wegzending. De gelovigen kussen het kruis en nemen een stukje gezegend brood, antidoron genaamd. Het zijn stukjes brood die afkomstig zijn van de prosfora van de proskomidie en beeldt de primitieve agapes uit.             Het vlugge en beknopte einde van de liturgie staat in tegenstelling met de trage progressieve opgang van de liturgie tot aan de communie.De communicerenden  zijn nu deelgenoten geworden aan het Koninkrijk en zijn in zekere zin weggegaan uit de tijd om de eeuwigheid binnen te gaan. “Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn”. Zo ook brengt de communie van de Heilige Gaven in de tegnwoordigheid van de Heer, zonder uitstel.Deze vlugheid en vrolijkheid  doet ons de Paasnacht in herinnering brengen, waar, na de Grote Vasten en de verheven officies van de Heilige Week, het licht en de vreugde van de Verrijzenis ons ineens verlicht  met haar frisheid en eeuwige jeugdigheid 

 ==================================================================                                      

jesconq



Goddelijke Liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos in het BULGAARS

Литургия на св. Йоан Златоуст

За божествената Литургия на св. Йоан Златоуст

БОЖЕСТВЕНА ЛИТУРГИЯ

oт светия наш отец Йоан Златоуст

На български език

(За ползване от благочестивите миряни)

Синодално издателство

2007 г.

Литургията на свети Йоан Златоуст се извършва през цялата година, освен в дните, през които е предвидено да се извършва света Василиева или света Преждеосвещена литургия.

През Великия пост света Златоустова литургия се извършва във всички съботи (освен Велика събота), на вход Господен в Йерусалим и в дните (освен Велики петък и Велика събота), в които се падат празниците Сретение Господне и Благовещение.

ЛИТУРГИЯ НА ОГЛАШЕНИТЕ

Свещеникът:

Благословено е Царството на Отца и Сина и Светия Дух, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин (1).

ВЕЛИКА ЕКТЕНИЯ

Свещеникът или дяконът:

С мир на Господа да се помолим.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът:

За мира от небето и за спасението на нашите души на Господа да се помолим (2).

За мира на целия свят, за благопреуспяване на светите Божии църкви и единението им на Господа да се помолим.

За този свят храм и за онези, които с вяра, благоговение и страх Божи влизат в него, на Господа да се помолим.

За Високопреосвещения наш митрополит (името), за честното свещенство, за дяконството в Христа, за всички църковнослужители и народа на Господа да се помолим.

За нашия български народ, за правителството и за христолюбивото ни войнство на Господа да се помолим.

За да му помага Бог и да покори под нозете му всеки враг и противник, на Господа да се помолим.

За този град (село или света обител), за всеки град и страна, и за тези, които с вяра живеят в тях, на Господа да се помолим.

За благоразтворение на въздуха, за изобилие на земните плодове и за мирни времена на Господа да се помолим.

За тези, които плават, пътуват, боледуват, страдат, за пленените и за тяхното спасение на Господа да се помолим.

За да се избавим от всяка скръб, гняв, беда и нужда, на Господа да се помолим.

Защити, спаси, помилвай и ни запази, Боже, с Твоята благодат.

Като поменем заедно с всички светии пресветата, пречиста, преблагословена, славна наша Владичица Богородица и Приснодева Мария, нека сами себе си, един другиго и целия си живот на Христа Бога да отдадем.

Народът:

Тебе, Господи.

Свещеникът:

Защото на Тебе, Отца и Сина и Светия Дух, подобава всяка слава, чест и поклонение сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

  1. АНТИФОН

Народът:

(в празничните дни)

По молитвите на Богородица, Спасителю, спаси нас (три пъти).

Или:

(в неделни дни)

Благославяй, душо моя, Господа, благословен си, Господи

През това време свещеникът тихо чете молитвата на първия антифон:

Господи Боже наш, Който имаш власт несравнима и слава непостижима, милост неизмерима и човеколюбие неизразимо, Сам, Владико, по Твоето добросърдечие, погледни на нас и на този свят храм и прояви към нас и към онези, които се молят с нас, Твоите богати милости и Твоите щедрости.

МАЛКА ЕКТЕНИЯ

Свещеникът или дяконът:

Пак и пак с мир на Господа да се помолим.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът:

Защити, спаси, помилвай и ни запази, Боже, с Твоята благодат.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

Като поменем заедно с всички светии пресветата, пречиста, преблагословена, славна наша Владичица Богородица и Приснодева Мария, нека сами себе си, един другиго и целия си живот на Христа Бога да отдадем.

Народът:

Тебе, Господи.

Свещеникът възглася:

Защото Твоя е властта и Твое е царството и силата, и славата, на Отца и Сина и Светия Дух, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

ІІ. АНТИФОН:

Народът:

Сине Божий, Който възкръсна от мъртвите (3), спаси нас, които Ти пеем: алилуия (4)! (три пъти)

Слава на Отца и Сина и Светия Дух, сега и винаги, и во веки веков.

Свещеникът през това време чете молитвата на втори антифон:

Господи, Боже наш, спаси народа Си и благослови наследието Си, запази членовете на Твоята Църква, освети онези, които обичат благолепието на Твоя дом, и ги прослави с божествената Си сила, и не оставяй нас, които се уповаваме на Тебе.

Народът:

Единородни Сине и Слово Божие, Който си безсмъртен и благоволи заради нашето спасение да се въплътиш от света Богородица и Приснодева Мария, неизменно стана човек, а като се разпна, Христе Боже, със смъртта потъпка смъртта. Ти, Който си един от Светата Троица и си прославян заедно с Отца и Светия Дух, спаси нас.

МАЛКА ЕКТЕНИЯ

Свещеникът или дяконът:

Пак и пак с душевен мир на Господа да се помолим.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

Защити, спаси, помилвай и ни запази, Боже, с Твоята благодат.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

Като поменем заедно с всички светии пресветата, пречиста, преблагословена, славна наша Владичица Богородица и Приснодева Мария, нека сами себе си, един другиго и целия си живот на Христа Бога да отдадем.

Народът:

Тебе, Господи.

Възглас:

Защото си благ и човеколюбив Бог и на Тебе въздаваме слава, на Отца и Сина и Светия Дух, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

ІІІ. АНТИФОН

Народът:

Помени нас, Господи, когато дойдеш в царството Си.

Блажени бедните духом, защото тяхно е царството небесно.

Блажени плачещите, защото те ще се утешат.

Блажени кротките, защото те ще наследят земята.

Блажени гладните и жадните за правда, защото те ще се наситят.

Блажени милостивите, защото те ще бъдат помилувани.

Блажени чистите по сърце, защото те ще видят Бога.

Блажени миротворците, защото те ще се нарекат синове Божии.

Блажени изгонените заради правда, защото тяхно е царството небесно.

Блажени сте вие, когато ви похулят и изгонят, и кажат против вас лъжовно каква и да е лоша дума заради Мене.

Радвайте се и се веселете, защото голяма е наградата ви на небесата! (Мат. 5:3-12)

През това време свещеникът тихо чете молитвата на третия антифон:

Ти, Който си дал тези общи и единодушни молитви, Който си обещал на двама или трима, съгласили се в Твое име, да изпълниш молбите, Сам и сега изпълни просбите в полза на Твоите раби, като в сегашния век ни даваш познаване на Твоята истина, а в бъдещия ни даруваш живот вечен.

МАЛЪК ВХОД

След прочитане на молитвата, при пеене на тропара или блаженствата, свещеникът отваря царските двери, застава пред светия престол, покланя се три пъти, целува светото Евангелие, взема го с двете си ръце и го носи издигнато, върви отдясно зад светия престол, покланя се благоговейно пред жертвеника и като излезе през северната врата, предшестван от свещоносец, прави малкия вход, като казва тихо молитвата на входа:

Владико Господи Боже наш, Който си установил на небесата чинове и войнства на ангели и архангели в служба на Твоята слава, направи така, че с този наш вход да се извърши и вход на светите ангели, които заедно с нас да служат и славословят Твоята благост.

Като дойде на определеното място, обърнат към светия олтар, покланя се леко, като държи светото Евангелие и тихо казва завършека на входната молитва:

Защото на Тебе, Отца и Сина и Светия Дух, подобава всяка слава, чест и поклонение, сега и винаги, и во веки веков. Амин.

Свещеникът изправен държи в лявата ръка светото Евангелие, облегнато от лявата страна на гърдите си, а с издигната дясна ръка благославя към светия олтар и тихо казва:

Благословен е входът на Твоите светии, всякога, сега и винаги, и во веки веков.

Взема светото Евангелие с двете ръце, целува го, издига го и прави кръст с него.

Свещеникът или дяконът гласно:

Премъдрост, застанете прави!

Народът:

Дойдете да се поклоним и да паднем пред Христа.

Сине Божий, Който възкръсна от мъртвите, спаси нас, които Ти пеем: алилуия (5).

Пеят се определените за деня тропари и кондаци.

В това време свещеникът чете тихо молитвата на Трисветата песен (Трисветоето):

Боже светий, Който пребъдваш сред светии и Когото с трисвята песен възпяват херувимите и славословят серафимите и Комуто всички небесни сили се покланят, Ти от нищо си направил всичко, създал си човека по Твой образ и подобие и си го украсил с всеки Твой дар. Ти даваш на просещия премъдрост и разум и не презираш съгрешилия, но си отредил покаяние за спасение, Ти си удостоил нас, смирените и недостойни Твои раби, и в този час да застанем пред славата на Твоя свят жертвеник и да Ти принесем дължимото поклонение и славословие. Сам, Владико, приеми и от устата на нас грешните трисветата песен и ни посети с Твоята благост. Прости ни всяко волно и неволно прегрешение, освети душите и телата ни и дай ни да Ти служим в святост през всички дни на живота си, по молитвите на Света Богородица и на всички светии, които от века са Ти благоугодили.

Свещеникът (или дяконът) гласно:

На Господа да се помолим.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът възглася:

Защото си свят, Боже наш, и на Тебе, Отца и Сина и Светия Дух, въздаваме слава сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

ТРИСВЕТАТА ПЕСЕН

Светий Боже, Светий Крепки, Светий Безсмъртни, помилуй нас (три пъти).

Слава на Отца и Сина и Светия Дух.

И сега и винаги, и во веки веков. Амин.

Светий Безсмъртни, помилуй нас.

Светий Боже, Светий Крепки, Светий Безсмъртни, помилуй нас.

Свещеникът също казва тихо… “Светий Боже“, като се покланя три пъти пред светия Престол. След това отива към жертвеника (св. Престол), покланя се и казва:

Благословен е, Който идва в името Господне!

Връща се към светия престол и отдясно върви покрай южната му страна, откъдето се покланя към горното място и казва:

Благословен си на престола на Твоето царство, Ти, Който седиш върху херувимите, всякога, сега и винаги, и во веки веков.

Свещеникът възглася:

Да внимаваме!

Мир на всички.

Четецът:

И на твоя дух.

Свещеникът или дяконът:

Премъдрост!

Четецът:

Прокимен глас

Свещеникът или дяконът:

Премъдрост!

Четецът:

Ще се чете из посланието (обявява апостолското послание)

Свещеникът или дяконът:

Да внимаваме!

ЧЕТЕНЕ НА АПОСТОЛА

В това време свещеникът благославя кадилницата, взема я и кади светия престол наоколо, жертвеника и целия свят олтар, излиза на солея през царските двери и обърнат на изток, кади светите икони на иконостаса, след това се обръща и кади архиерейския трон, клиросите и народа; обръща се пак на изток, отново кади само иконата на Спасителя и Пресвета Богородица, влиза в светия олтар и покадява пред светия престол само отпред. Оставя кадилницата и застанал пред светия престол, тихо чете молитвата преди евангелието:

Човеколюбче Владико, дай да светне в сърцата ни нетленната светлина на Твоето богопознание и отвори очите на разума ни, за да разбираме Твоето евангелско учение; вложи в нас страхопочитание към Твоите блажени заповеди, та като потъпчем всички плътски похоти, да водим духовен живот, като мислим и вършим всичко, което Ти е благоугодно. Защото Ти, Христе Боже, си просвещение на душите и телата ни, и на Тебе въздаваме слава с безначалния Твой Отец и с всесветия и благия, и животворящ Твой Дух, сега и винаги, и во веки веков. Амин.

Свещеникът:

Мир на тебе, който четеш.

Народът:

Алилуия (три пъти).

Свещеникът:

Премъдрост! Да застанем прави, за да изслушаме светото Евангелие. Мир на всички.

Народът:

И на твоя дух.

Свещеникът или дяконът:

Ще се чете из светото Евангелие от (името на евангелиста).

Народът:

Слава Тебе, Господи, Слава Тебе!

Свещеникът или дяконът:

Да внимаваме!

ЧЕТЕНЕ НА СВ. ЕВАНГЕЛИЕ

Народът:

Слава Тебе, Господи, слава Тебе!

Свещеникът целува страницата на светото Евангелие, която е чел, затваря го, оставя го на светия престол върху светия антиминс, затваря царските двери и застанал пред светия престол, казва сугубата ектения.

СУГУБА ЕКТЕНИЯ

Свещеникът или дяконът:

Да речем всички от цялата си душа и с целия си разум да речем.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

Господи, Вседържителю, Боже на нашите отци, молим Ти се, чуй ни и ни помилвай.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

Помилвай ни, Боже, по великата Си милост, молим Ти се, чуй ни и ни помилвай.

Народът:

Господи, помилуй! (три пъти) (6)

Свещеникът или дяконът:

Още се молим за благочестивия български народ и христолюбивото воинство, за неговата сила, победа, пребъдване, мир, здраве, спасение и нашият Господ Бог особено да му съдейства и му помага във всичко.

Свещеникът (тихо):

Господи Боже наш, приеми от Твоите раби това усърдно моление и ни помилвай по множеството Твои милости, и изпрати Твоите щедрости върху нас и върху всички Твои люде, които очакват от Тебе богата милост.

Свещеникът или дяконът:

Още се молим за Високопреосвещения наш митрополит (името), за нашите братя свещеници, свещеномонаси, свещенодякони и монаси и за цялото в Христа наше братство.

Още се молим за нашето войнство.

Още се молим за блажените и приснопаметни създатели на този свят храм (или обител) и за всички порано починали православни отци и братя, тук и навсякъде благочестиво погребани.

Още се молим за милост, живот, мир, здраве, спасение, посещение, прощение и освобождение от греховете на Божиите раби и всички благочестиви и православни християни, които живеят и пребивават в тази енория и в този град (село), настоятелите и братята на този свят храм (света обител).

Още се молим за дарителите и добротворците в този свят и всечестен храм, за ония, които се трудят, пеят и се молят в него, и за присъстващия народ, който очаква от Тебе велика и богата милост.

Свещеникът възглася:

Защото си милостив и човеколюбив Бог, и на Тебе, Отца и Сина и Светия Дух, въздаваме слава, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

Тук свещеникът се моли тихо на Бога Той да приеме това усърдно моление и да изпрати богатите Си милости на всички Свои люде. (Ако литургията е заупокойна, тук се произнася специална заупокойна ектения и молитва.)

ЕКТЕНИИ ЗА ОЛАШЕНИТЕ (7)

Свещеникът или дяконът:

Оглашени, помолете се на Господа.

Народът:

Господи, помилуй (8).

Свещеникът или дяконът:

Верни, да се помолим за оглашените, за да ги помилва Господ.

Да ги огласи със словото на истината.

Да им открие евангелието на правдата.

Да ги присъедини към Своята света, вселенска и апостолска Църква.

Спаси, помилвай, защити и запази ги, Боже, с Твоята благодат.

Оглашени, преклонете главите си пред Господа.

Народът:

Тебе, Господи.

Свещеникът тихо чете молитвата за оглашените:

Господи Боже наш, Който живееш във висините и приглеждаш смирените, Ти си изпратил Единородния Твой Син и Бог, нашия Господ Иисус Христос, за спасението на човешкия род, погледни на Твоите раби, оглашените, преклонили пред Тебе главите си, и ги удостой в благоприятно време с банята на възраждането, с опрощаване на греховете и с дрехата на нетлението. Присъедини ги към Твоята света, вселенска Църква и ги причисли към Твоето избрано стадо.

Свещеникът възглася:

Та и те заедно с нас да славят Твоето, на Отца и Сина и Светия Дух, пречестно и великолепно име, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

Свещеникът или дяконът:

Вие, които сте оглашени, излезте. Оглашени, излезте, които сте оглашени, излезте, та никой от оглашените да не остане. А ние, верните, пак с мир на Господа да се помолим.

Народът:

Господи, помилуй.

ЛИТУРГИЯ НА ВЕРНИТЕ

Свещеникът тихо чете първата молитва на верните:

Благодарим Ти, Господи Боже на силите, Който си ни удостоил да застанем и сега пред Твоя свят жертвеник и да паднем пред Твоята милост за прошка на нашите грехове и греховете на народа, сторени по незнание. Приеми, Боже, нашата молитва, направи ни да бъдем достойни да Ти принасяме моления и молби, и безкръвни жертви за всички Твои люде; и нас, които си поставил чрез силата на Светия Твой Дух в това Твое служение, удостой ни неосъдно и безпрепятствено, в чистото свидетелство на съвестта ни, да Те призоваваме на всяко време и място, та като ни послушаш, да бъдеш милостив към нас поради обилната Си благост.

Свещеникът или дяконът:

Защити, спаси, помилвай и ни запази, Боже, с Твоята благодат.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

Премъдрост!

Свещеникът възглася:

Защото на Тебе, Отца и Сина и Светия Дух, подобава всяка слава, чест и поклонение, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

Свещеникът или дяконът:

Пак и пак с мир на Господа да се помолим.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът чете тихо втората молитва на верните:

Пак и многократно падаме пред Тебе и Ти се молим, Благий и Човеколюбче, погледни на нашето моление, очисти душите и телата ни от всяка сквернота на плътта и духа и ни дай безукорно и неосъдно да стоим пред светия Твой жертвеник. И на тези, които заедно с нас се молят, дарувай, Боже, успех в живота и вярата и духовното познание; дай им всякога с благоговение и любов да Ти служат безукорно и неосъдно да се причастят с Твоите свети Тайни и да се удостоят с Твоето небесно царство.

Свещеникът или дяконът:

Защити, спаси, помилвай и ни запази, Боже, с Твоята благодат.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

Премъдрост!

Свещеникът възглася:

Та всякога закриляни от Твоята сила да въздаваме слава на Тебе, Отца и Сина и Светия Дух, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

ХЕРУВИМСКА ПЕСЕН

Ние, които тайнствено изобразяваме херувимите и пеем трисветата песен на Животворящата Троица, нека сега отложим всяка житейска грижа.

В това време свещеникът отваря царските двери и застанал пред светия престол, тихо чете молитвата:

Никой от свързаните с плътски желания и наслади не е достоен да пристъпи или да се приближи, или да Ти служи, Царю на славата, защото да се служи на Тебе е велико и страшно и за самите небесни сили. Обаче поради Твоето неизразимо и неизмеримо човеколюбие Ти действително и неизменно си станал Човек и Архиерей за нас и като Господар на всичко си ни предал свещенодействието на тази спасителна и безкръвна жертва; защото Ти единствен, Господи Боже наш, владееш небесните и земни твари; Ти си носен на херувимски престол; Ти си Господ на серафимите и цар Израилев; Ти единствен си свят и сред светии пребъдваш. Прочее, Тебе едничък благ и добропослушлив, моля: погледни към мене, грешния и недостоен Твой раб, и очисти душата и сърцето ми от лукава съвест, и мене, който със силата на Твоя Свят Дух съм облечен с благодатта на свещенството, удостой да застана пред тази света Твоя Трапеза и да извърша свещенодействието на светото и пречисто Твое Тяло и драгоценна Кръв. И тъй, пристъпвам пред Тебе, навел глава, и Ти се моля, не отвръщай лицето Си от мене и не ме отхвърляй изсред Твоите чеда, но удостой мене, грешния и недостоен Твой раб, да Ти принеса тези Дарове, защото Ти си, Който принасяш и си принасян, Който приемаш и си раздаван, Христе Боже наш, и на Тебе с безначалния Твой Отец, с Пресветия, и благия, и животворящ Твой Дух въздаваме слава, сега и винаги, и во веки веков.

След това свещеникът тихо казва Херувимската песен три пъти, като след всяко казване се покланя. Веднага след това благославя кадилницата, взема я и кади светия престол наоколо, жертвеника, целия свят олтар и народа. Във време на каденето тихо казва 50-и псалом и умилителните тропари:

Помилвай ни, Господи,… Господи, помилвай ниОтвори ни вратите на милосърдието… (ако е неделя, в началото казва: Като видяхме Христовото възкресение…).

Тогава оставя кадилницата, застава пред светия престол, покланя се три пъти и целува светия антиминс и светия престол, като казва тихо:

Съгреших Ти, Спасителю, както Блудния син, Отче, приеми мене, който се кая и ме помилвай, Боже.

Обръща се към народа и се покланя. След това отива пред жертвеника, взема наново кадилницата и кади предложените Дарове. След това се покланя три пъти, като на всяко поклонение казва:

Боже, очисти мене грешния и ме помилвай.

Простете ме, отци, братя и сестри, и се помолете за мене грешния.

ВЕЛИК ВХОД

Свещеникът целува покритите Дарове. После взема покровецавъздух и го полага на раменете си. С голямо внимание взема покрития св. дискос с лявата си ръка и го поиздига до наведената си глава, а с дясната си ръка взема покритата света чаша и излиза през северната врата, предшестван от свещоносец и от свещенослужител или църковнослужител, който с кадилница кади пред него, и прави великия вход.

Свещеникът или дяконът:

Благочестивия и православен български народ, правителството и христолюбивото му войнство да помене Господ Бог в Своето царство всякога, сега и винаги, и во веки веков.

Високопреосвещения наш митрополит (името) и целия свещенически, дяконски и монашески чин да помене Господ Бог в царството Си.

Блаженопочиналия наш освободител, император Александър Николаевич, и всички воини, паднали на бойното поле за вярата и освобождението на нашето отечество, да помене Господ Бог в царството Си сега и винаги, и во веки веков.

Блаженопочиналите наши екзарси Антим, Йосиф и Стефан, патриарх Кирил и всички от века починали архиереи, йереи, дякони, монаси и християни да помене Господ Бог в Своето царство всякога, сега, винаги и во веки веков.

Свещениците поменават местните (на дадена епархия) починали архиереи.

Основателите, дарителите и настоятелите на този свят храм (или света обител), пеещите, служещите и трудещите се с нас да помене Господ Бог в Царството Си.

Вас и всички благочестиви и православни християни да помене Господ Бог в Своето царство, всякога, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

Народът довършва Херувимската песен:

За да прославим Царя на славата, Когото ангелските чинове невидимо тържествено носят. Алилуия, алилуия, алилуия!

В това време свещеникът влиза в светия олтар. Царските двери и завесата се затварят. Свещеникът поставя върху светия антиминс първо светата чаша, а след това светия дискос в същия ред, както са били и на жертвеника, като казва тихо:

Благообразният Йосиф сне от кръста пречистото Твое тяло, обви го в чиста плащаница с благоухания, положи го в нов гроб и го покри. Ти, неописуеми Христе, Който всичко изпълваш, си бил в гроба с плътта Си, в ада с душата Си като Бог, в рая с разбойника и на Престола заедно с Отца и Духа.

Христе, Твоят гроб, извор на нашето възкресение, наистина се показа живоносен, като рая прекрасен и посветъл от всеки царски чертог.

Вдига покровците от светия дискос и светата чаша, сгъва ги и ги слага встрани. Снема покровецавъздух от раменете си, покадява го и покрива с него Даровете.

Взема кадилницата, покадява три пъти Даровете, като казва тихо:

Господи, стори добро на Сион по Твоето благоволение; въздигни стените йерусалимски; тогава ще Ти бъдат угодни жертви на правдата, възношение и всесъжение; тогава на Твоя олтар ще възложат телци.

ПРОСИТЕЛНА ЕКТЕНИЯ

Свещеникът или дяконът:

Да изпълним молитвата си към Господа.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

За предложените драгоценни Дарове на Господа да се помолим (9).

За този свят храм и за тези, които с вяра, благоговение и страх Божи влизат в него, на Господа да се помолим.

За да се избавим от всяка скръб, гняв, беда и нужда, на Господа да се помолим.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът тихо чете молитвата на приношението след поставяне Даровете на светия престол:

Господи, Боже Вседържителю, Ти, Който единствен си свят и приемаш хвалебна жертва от тези, които Те призовават от все сърце, приеми моленията на нас, грешните, и ги принеси пред Твоя свят жертвеник и ни удостой да Ти принасяме дарове и жертви духовни за нашите грехове и за греховете на народа, сторени по незнание, и ни удостой да намерим благодат пред Тебе, за да Ти бъде благоприятна нашата жертва, и да се всели благият Дух на Твоята благодат в нас, в тези предложени Дарове и във всички Твои люде.

Свещеникът или дяконът:

Защити, спаси, помилвай и ни запази, Боже, с Твоята благодат.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

Целият ден да бъде съвършен, свят, мирен и безгрешен, от Господа да просим.

Народът:

Подай, Господи.

Свещеникът или дяконът:

Ангел на мира, верен наставник, пазител на душите и телата ни, от Господа да просим (10).

Прощение и освобождение от греховете и прегрешенията ни от Господа да просим.

Доброто и полезното за душите ни и мир за света от Господа да просим.

Да завършим останалото време от нашия живот в мир и покаяние, от Господа да просим.

Християнски безболестен, непосрамен, мирен свършек на нашия живот и добър отговор пред страшния Христов съд от Господа да просим.

Като поменем заедно с всички светии пресветата, пречиста, преблагословена, славна наша Владичица Богородица и Приснодева Мария, нека сами себе си, един другиго и целия си живот на Христа Бога да отдадем.

Народът:

Тебе, Господи.

Свещеникът възглася:

Чрез щедростите на Твоя Единороден Син, с Когото си благословен, заедно с всесветия, и благия, и животворящия Твой Дух, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

Свещеникът:

Мир на всички.

Народът:

И на твоя дух.

Свещеникът или дяконът:

Да се възлюбим един другиго, та в единомислие да изповядаме:

Народът:

Отца и Сина и Светия Дух, Троица единосъщна и неразделна (11).

Свещеникът се покланя три пъти, като на всяко покланяне казва:

Ще те възлюбя, Господи, крепост моя. Господ е моя твърдиня и мое прибежище, мой Избавител.

И целува покритите Дарове и края на светия престол пред себе си. След това взема за двата горни края покровецавъздух, с който са покрити Даровете, издига го отвесно над тях.

Свещеникът или дяконът:

Дверите, дверите! В премъдростта да внимаваме!

СИМВОЛ НА ВЯРАТА

Народът или четец:

Вярвам в един Бог Отец, Вседържител, Творец на небето и земята, на всичко видимо и невидимо.

И в един Господ Иисус Христос, Сина Божий, Единородния, Който е роден от Отца преди всички векове: Светлина от Светлина, Бог истинен от Бог истинен, роден, несътворен, единосъщен с Отца, и чрез Когото всичко е станало; Който заради нас, човеците, и заради нашето спасение слезе от небесата и се въплъти от Светия Дух и Дева Мария и стана човек; и бе разпнат за нас при Пилат Понтийски, и страда, и бе погребан; и възкръсна в третия ден според писанията; и възлезе на небесата, и седи отдясно на Отца; и пак ще дойде със слава да съди живи и мъртви, и царството Му не ще има край.

И в Светия Дух, Господа, Животворящия, Който от Отца изхожда, Комуто се покланяме и Го славим наравно с Отца и Сина, и Който е говорил чрез пророците.

В една света, вселенска и апостолска Църква.

Изповядвам едно кръщение за опрощаване на греховете.

Чакам възкресение на мъртвите и живот в бъдещия век. Амин.

ЕВХАРИСТИЕН КАНОН

Свещеникът или дяконът:

Да стоим добре, да стоим с благоговение, да внимаваме, за да принесем в мир светото възношение.

Народът:

Милостта на мира е жертва на хвалението.

Свещеникът:

Благодатта на нашия Господ Иисус Христос и любовта на Бога и Отца, и общуването със Светия Дух да бъдат с всички вас!

Народът:

И с твоя дух.

Свещеникът:

Да издигнем сърцата си нагоре!

Народът:

Издигнати са към Господа.

Свещеникът:

Да благодарим на Господа!

Народът:

Достойно и справедливо е да се покланяме на Отца и Сина и Светия Дух Троица единосъщна и неразделна.

През това време свещеникът тихо чете молитвата:

Достойно и справедливо е да Те възпяваме, да Те благославяме, да Те хвалим, да Ти благодарим, да Ти се покланяме на всяко място на Твоето владичество. Защото Ти си Бог неизказан, неизследим, невидим, непостижим, Който вечно съществуваш и винаги си един и същ, Ти и Единородният Твой Син и Светият Твой Дух. Ти от небитие си ни привел в битие; и падналите пак си въздигнал, и не си престанал да вършиш всичко, докато не ни възведе на небето и дари Твоето бъдещо царство. За всичко това благодарим на Тебе, и на Единородния Твой Син, и на Твоя Свети Дух, за всички сторени за нас видими и невидими благодеяния, които знаем и които не знаем. Благодарим Ти и за тази служба, която благоволи да приемеш от нашите ръце, макар и пред Тебе да стоят хиляди архангели и безброй ангели, херувими и серафими, шестокрили, многооки, които високо летят.

Свещеникът взема звездицата и като прави с нея кръст над дискоса, възглася:

Небесните сили пеят, възкликват, възгласят победната песен и казват:

Народът:

Свят, свят, свят е Господ Саваот. Пълни са небето и земята с Твоята слава. Осанна във висините! Благословен е, Който иде в името Господне. Осанна във висините (12)!

Свещеникът (тихо):

Заедно с тези блажени сили и ние, човеколюбиви Владико, възкликваме и казваме: свят си и пресвят Ти и Единородният Твой Син и Светият Твой Дух; свят и пресвят си и великолепна е Твоята слава, защото Ти тъй си възлюбил Твоя свят, че отдаде Своя Единороден Син, та всеки, който вярва в Него, да не погине, но да има вечен живот; и Той, като дойде и като изпълни всичко промислено за нас, в нощта, в която беше предаван, или поточно Сам се предаваше за живота на света, взе в Своите свети и пречисти и непорочни ръце хляба, благодари и благослови, освети, разчупи и даде на Своите свети ученици и апостоли, като каза:

Свещеникът възглася:

Вземете, яжте, това е Моето тяло, което за вас се преломява за опрощаване на греховете.

Народът:

Амин.

Свещеникът (тихо):

Също и чашата след вечеря, като каза:

Свещеникът възглася:

Пийте от нея всички, това е Моята кръв на Новия Завет, която за вас и за мнозина се пролива за опрощаване на греховете.

Народът:

Амин.

Свещеникът (тихо):

И тъй, като възпоменаваме тази спасителна заповед и всичко, извършено за нас: кръста, гроба, тридневното възкресение, възнесението на небето, сядането отдясно на Отца и славното второ пришествие.

Взема светия дискос и светата чаша, издига ги

Свещеникът възглася:

Твои (дарове) от Твоите на Теб принасяме за всички и за всичко.

Народът:

Тебе възпяваме, Тебе благославяме, на Тебе благодарим, Господи, и молим Ти се, Боже наш.

В това време свещеникът тихо казва същата молитва и продължава:

Още Ти принасяме тази словесна и безкръвна служба и просим, и молим, и умоляваме: изпрати Твоя Свети Дух върху нас и над тези предлежащи Дарове.

ПРЕСЪЩЕСТВЯВАНЕ НА СВЕТИТЕ ДАРОВЕ

При пресъществяване на Даровете свещеникът с ръка посочва на светия хляб (Агнеца), благославя го (само него), като казва тихо:

И направи този хляб драгоценно Тяло на Твоя Христос. Амин.

Посочва на светата чаша, благославя я, като казва тихо:

А това, което е в тази чаша драгоценна Кръв на Твоя Христос. Амин.

След това благославя общо Даровете, като казва:

Като ги претвориш чрез Твоя Свети Дух. Амин, амин, амин.

Прави благоговейно три поклона пред пресъществените Дарове, след което тихо се моли:

За да бъдат на тези, които се причастяват, за бодрост на душата, за опрощаване на греховете, за приобщаване със Светия Дух, за наследяване на царството небесно, за дръзновение към Тебе, а не за съд или за осъждане.

Още Ти принасяме тази словесна служба за починалите във вяра праотци, отци, патриарси, пророци, апостоли, проповедници, евангелисти, мъченици, изповедници, въздържници и за всеки праведен дух, завършил във вяра.

След като певците изпеят: Тебе възпяваме, Тебе благославяме…”, свещеникът взема кадилницата и като кади пред светия престол три пъти, възглася:

Особено за пресветата, пречиста, преблагословена, славна наша Владичица Богородица и Приснодева Мария.

Народът:

Достойно е наистина да те облажаваме, Богородице, присноблажена и пренепорочна Майка на нашия Бог. Почтима от херувимите и несравнено пославна от серафимите, нетленно родила БогСлово, тебе, истинска Богородица, величаем!

Свещеникът тихо:

За светия пророк, Предтеча и Кръстител Йоан, за светите славни и всехвални апостоли и за светия (името на дневния светец), чиято памет честваме днес, и за всички Твои светии, по чиито молитви посети ни, Боже.

И помени всички починали с надежда за възкресение и за вечен живот (поменава имената на покойници), и ги упокой там, където сияе светлината на Твоето лице.

Още Те молим: помени, Господи, всяко епископство на православните, което вярно преподава учението на Твоята истина, всяко свещенство, в Христа дяконството и всеки свещенически чин.

Още Ти принасяме тази словесна служба за вселената, за светата вселенска и апостолска Църква, за всички, които пребивават в чистота и честен живот, за нашия български народ, за правителството и войнството му. Дарувай им, Господи, мирно управление, та и ние да преживеем тих и спокоен живот във всяко благочестие и честност.

Помени, Господи, този град (село или света обител), в който живеем, и всеки град и страна, и онези, които с вяра живеят в тях. Помени, Господи, които плават, пътуват, боледуват, страдат, които са пленени и ги спаси. Помени, Господи, дарителите и добротворците в Твоите свети църкви и онези, които си спомнят за бедните, и на всички нас изпрати Твоите милости. Помени, Господи, за здраве и спасение (поменава имена на живи).

Свещеникът възглася:

Между първите помени, Господи, Високопреосвещения наш митрополит (името), когото си подарил на Твоите свети църкви в мир невредим, почитан, здрав, дългоденствен, за да преподава вярно словото на Твоята истина.

Народът:

И всеки, и всички.

Свещеникът:

И ни дай с едни уста и с едно сърце да славим и възпяваме пречестното и великолепно Твое име, на Отца и Сина и Светия Дух, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

Свещеникът:

И да бъдат милостите на великия наш Бог и Спасител Иисус Христос с всички вас.

Народът:

И с твоя дух.

Свещеникът или дяконът:

Като поменахме всички светии, нека пак и пак с мир на Господа да се помолим.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

За принесените и осветени драгоценни Дарове, на Господа да се помолим.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

И като човеколюбец нашият Бог да ги приеме в Своя свят, наднебесен и мислен жертвеник като духовно благоухание, и да ни изпрати божествената благодат и дара на Светия Дух, да се помолим.

За да се избавим от всяка скръб, гняв, беда и нужда, на Господа да се помолим.

Защити, спаси, помилвай и ни запази, Боже, с Твоята благодат.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът (тихо):

На Тебе поверяваме целия си живот и надежда, човеколюбиви Владико, и просим, и молим, и умоляваме: удостой ни да се причастим с Твоите небесни и страшни Тайни на тази свещена и духовна трапеза с чиста съвест, за опрощение на греховете, за прошка на съгрешенията, за общение със Светия Дух, за наследяване на небесното царство, за дръзновение пред Тебе, а не за съд или за осъждане.

Свещеникът или дяконът:

Целият ден да бъде съвършен, свят, мирен и безгрешен, от Господа да просим.

Народът:

Подай, Господи.

Свещеникът или дяконът:

Ангел на мира, верен наставник, пазител на душите и телата ни, от Господа да просим.

Прощение и освобождение от греховете и прегрешенията ни от Господа да просим.

Доброто и полезното за душите ни и мир за света от Господа да просим.

Да завършим останалото време от живота ни в мир и покаяние, от Господа да просим.

Християнски, безболестен, непосрамен, мирен свършек на нашия живот и добър отговор пред страшния Христов съд от Господа да просим.

Като изпросихме единството на вярата и общение със Светия Дух, нека сами себе си и един други и целия наш живот на Христа Бога да отдадем.

Народът:

Тебе, Господи.

Свещеникът възглася:

И удостой ни, Владико, с дръзновение, неосъдно да се осмеляваме да призоваваме Тебе, небесния Бог Отец и да казваме:

Народът:

Отче наш, Който си на небесата! Да се свети Твоето име; да дойде Твоето царство; да бъде Твоята воля, както на небето, тъй и на земята; насъщния ни хляб дай ни днес; и прости нам дълговете ни, както и ние прощаваме на длъжниците си; и не ни въвеждай в изкушение, но избави ни от лукавия.

Свещеникът:

Защото Твое е царството и силата, и славата, на Отца и Сина и Светия Дух, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

Свещеникът:

Мир на всички.

Народът:

И на твоя дух.

Свещеникът или дяконът:

Преклонете главите си пред Господа.

Народът:

На Теб, Господи.

Свещеникът тихо се моли:

Благодарим Ти, Царю невидими, Който с неизмеримата Твоя сила си създал всичко и по множеството Твоя милост всичко си привел от небитие в битие. Сам, Владико, погледни от небето на преклонилите главите си пред Тебе, защото не ги преклониха пред плът и кръв, но пред Тебе, Великия Бог. Ти, Владико, направи така, че предлежащите Дарове да бъдат за всички нас за добро, всекиму според неговата нужда: придружавай тези, които плават; съпътствай онези, които пътуват; изцери болните, Лекарю на душите и телата.

Свещеникът възглася:

Чрез благодатта и щедростите и човеколюбието на Единородния Твой Син, с Когото си благословен, с Пресветия и благия, и животворящ Твой Дух, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

Свещеникът тихо се моли:

Погледни, Господи Иисусе Христе, Боже наш, от светото Си жилище и от престола на царството Си и дойди, за да ни осветиш, Ти, Който горе седиш с Отца и тук с нас невидимо пребиваваш, и ни удостой с Твоята властна ръка да ни преподадеш пречистото Твое Тяло и честна Кръв, и чрез нас на всички люде.

Покланя се три пъти пред светия престол, като на всяко покланяне казва:

Боже, очисти мене грешния и ме помилвай.

След това с двете си ръце благоговейно взема светия Агнец и го издига.

Свещеникът възглася:

Да внимаваме! Светинята е за светите.

Народът:

Един е свят, един е Господ, Иисус Христос, за слава на Бога Отца. Амин.

ПРИОБЩАВАНЕ СЪС СВЕТИТЕ ТАЙНИ

Свещеникът и другите свещенослужители, ако има такива, пристъпват към св. Причастие. Това става по специален чин те произнасят определени молитви и следват определен ред. В това време народът в храма пее специални стихове, наречени причастниили духовни химни. В това време се изнася проповед или се четат молитви преди св. причастие.

Свещеникът или дяконът:

Със страх Божий, вяра и любов пристъпете.

Народът:

Благословен е, който иде в името Господне! Бог е Господ и ни се яви!

Свещеникът причастява онези, които са се подготвили за свето Причастие и казва:

Причастява се Божият раб (името) с драгоценното и свято Тяло и Кръв на Господа и Бога и наш Спасител Иисус Христос за опрощаване на греховете му и за вечен живот. Амин.

Причастилият се, след избърсване на устните с нарочна кърпа, се покланя и отминава. По време на причастяването народът пее причастния стих:

Тялото Христово приемете, от безсмъртния извор вкусете. Алилуия, алилуия, алилуия!

Свещеникът:

Спаси, Боже, Твоите люде и благослови наследието Си!

Народът:

Видяхме истинската светлина, приехме небесния Дух, намерихме истинската вяра. Покланяме се на неразделната Троица, защото Тя ни е спасила.

Свещеникът показва на християните за последен път св. Дарове, като казва тихо:

Благословен Бог наш!

Свещеникът възглася:

Всякога, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

Да се изпълнят устата ни с хвала за Тебе, Господи, та да възпяваме Твоята слава, защото си ни удостоил да се причастим с Твоите свети, божествени, безсмъртни и животворящи Тайни. Запази ни в Твоята светиня, за да се поучаваме целия ден на Твоята правда. Алилуия, алилуия, алилуия.

Свещеникът или дяконът:

Прави! Като приехме благоговейно Божествените, свети, пречисти, безсмъртни, небесни и животворящи, страшни Христови Тайни, нека достойно да благодарим на Господа.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

Защити, спаси, помилуй и ни запази, Боже, с Твоята благодат.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът или дяконът:

Като изпросихме целия ден да бъде съвършен, свят, мирен и безгрешен, нека сами себе си и един други, и целия наш живот на Христа Бога да отдадем.

Народът:

На Теб, Господи.

Свещеникът възглася:

Защото Ти си нашето освещение и на Тебе, Отец и Син, и Свети Дух, въздаваме слава, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

ОТПУСТ

Свещеникът:

С мир да излезем.

Народът:

В името Господне.

Свещеникът или дяконът:

На Господа да се помолим.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът:

Господи, Който благославяш онези, които Те благославят, и освещаваш онези, които се надяват на Тебе, спаси Твоите люде и благослови наследството Си. Запази пълнотата на Твоята Църква. Освети онези, които обичат благолепието на Твоя дом. Ти ги прослави с Твоята божествена сила и не оставяй нас, които се уповаваме на Тебе. Дай мир на Твоя свят, на Твоите църкви, на свещениците, на нашия български народ, на войнството и на всички Твои люде! Защото всяко добро даване и всеки съвършен дар иде от горе, слизайки от Тебе, Отче на светлините, и на Тебе въздаваме слава и благодарение, и поклонение, на Отца и Сина и Светия Дух, сега и винаги, и во веки веков. Амин.

Народът:

Амин.

Да бъде благословено името Господне от сега и до века! (три пъти)

Свещеникът влиза през царските двери, отива при жертвеника и тихо чете молитвата:

Христе Боже наш, Който Сам си изпълнението на закона и пророците, Който си изпълнил целия Отечески промисъл, изпълвай сърцата ни с радост и веселие, всякога, сега и винаги, и во веки веков.

Свещеникът или дяконът:

На Господа да се помолим.

Народът:

Господи, помилуй.

Свещеникът:

Благословението Господне и Неговата милост да дойдат върху вас чрез благодатта и човеколюбието Му, всякога, сега и винаги, и во веки веков.

Народът:

Амин.

Свещеникът:

Слава на Теб, Христе Боже, упование наше, слава на Теб.

Народът:

Слава на Отца и Сина и Светия Дух! Сега и винаги, и во веки веков. Амин. Господи, помилуй. (три пъти)

Благослови!

Свещеникът дава отпуст:

Възкръсналият от мъртвите Христос, истинският наш Бог, по молитвите на Своята пречиста и преблагословена света Майка (името на храмовия светец), на светите славни и всехвални апостоли, на светите славни и добропобедни мъченици, на преподобните и богоносни наши отци, на светите равноапостолни славянобългарски просветители Методий и Кирил, на светия благоверен цар БорисМихаил, на светия отец наш Климент архиепископ, Охридски чудотворец, на преподобния наш отец Йоан, пустинножител Рилски, чудотворец, на светия наш отец Йоан Златоуст, архиепископ Цариградски, на светите и праведни богоотци Йоаким и Анна, на светия (името на светеца на деня), чиято памет честваме, и на всички светии да ни помилва и спаси като благ и човеколюбец.

Така се дава отпуст само в неделни дни, а в другите отпустът започва с думите: Христос, истинний Бог наш…” като се споменава светията, който се чества в този ден. На Господски празници има специални отпусти.

Народът:

Амин.

Свещеникът:

По молитвите на светите наши отци, Господи Иисусе Христе, Боже наш, помилуй нас.

Народът:

Амин.

Бележки:

(1). Амин (евр.) – наистина, така да бъде.

(2). След всяко моление от Великата ектения, което завършва с Господу помолимся“, народът отговаря с Гсподи, помилуй“.

(3). Така се пее този антифон само в неделни дни, както и в дните от Великден до деня преди Възнесение. В обикновени делнични дни вм. Който възкръсна от мъртвитесе пее Дивен (прославян) Си сред Своите светии“. На Господски празници се пеят специални думи.

(4). Алилуия (евр.) – Хвалете Бога!

(5). И тук важи бележка (3). На Господски празници се пеят специални стихове, наречени входни“.

(6). От тука до края на сугубата ектения се пее тройно Господи, помилуй“.

(7). Днес поради липса на организирани оглашени, които да присъстват по време на св. Литургия в храма, цялата тази част се пее тихо или се пропуска.

(8). Народът на всяко следващо моление от тази ектения отговаря с: Господи, помилуй“.

(9). На всяко молебствие, което завършва с Господу помолимся“, народът отговаря с: Господи, помилуй“.

(10). На всяко прошение, което завършва с у Господа просим“, народът отговаря с: Господи, помилуй“.

(11). Ако служат няколко духовници, след Отца и Сина…” се пее: Ще те възлюбя, Господи, крепост моя! Господ е моя твърдиня и мое прибеждище, мой Избавител” ( Псалом 17:2-3).

(12). Осанна (евр.) – спаси. Осанна е молитвено възклицание към Бога, подобно на латинското salve” и на българското ура“.

Разяснения за божествената Литургия на св. Йоан Златоуст

И когато ядяха, Иисус взе хляба и, като благослови, преломи го и, раздавайки на учениците, каза:

вземете, яжте: това е Моето тяло.

И като взе чашата и благодари, даде им и рече:

пийте от нея всички; защото това е Моята кръв на новия завет, която за мнозина се пролива за опрощаване на грехове.”

(Мат. 26:26-28; Марк 14:22-24; Лука 22:19-20)

На Тайната вечеря Христос взел хляб, благословил го, благодарил, преломил го и, раздавайки го на Своите ученици, казал: Вземете, яжте, това е Моето тяло, за вас преломявано! Това правете за мой спомен!” (Мат. 26:26-28). След като привършил вечерята, Спасителят взел чашата, подал я на учениците Си и казал: Тая чаша е новият завет в Моята кръв! Това правете, колчем пиете, за Мой спомен!” (1 Кор. 11:25). Верни на тази заръка, светите апостоли и първите християни се събирали по къщите и преломявали хляб и, по дадения от Христа пример, се причащавали с пречистото тяло и кръв Христови. Това приобщение с Господа се е придружавало с молитви и песнопения. Така били положени основите на светата литургия. Светата и божествена Литургия е сърцевината или центърът на православното богослужение. Тя се явява молитвен спомен за Тайната вечеря на Господа Иисуса Христа с дванадесетте му апостоли, станала непосредствено преди Неговите кръстни страдания. Тя е спомен и за изкупителната Му смърт. Светата Литургия символично възпоменава найважните моменти от земния живот на нашия Господ. Светата и божествена литургия на свети Йоан Златоуст се извършва през цялата църковна и календарна година, с изключение на дните, в които Светият синод на БПЦ е предвидил, съобразно светите канони, да се извършва света Василиева Литургия или света Литургия на преждеосветените дарове. В дните на Великия пост светата и божествена Литургия на св. Йоан Златоуст се извършва във всички съботни дни (с изключение на Велика събота), на празника Вход Господен в Йерусалим (Връбница, Цветница) и в дните (освен Велики петък и Велика събота), в които се паднат празниците св. Благовещение и св. Сретение Господне. По време на богослужението и последованието ние, с посредничеството на свещенослужителя, извършваме нашето безкръвно жертвоприношение. През време на светата Литургия, при приемането на св. причастие, под вид на хляб и вино, претворени в тялото и кръвта Христови, осъществяваме напълно и действително общението си с Бога. Всички християни обичаме живота, но в нас няма истински живот без извора на живота Иисуса Христа. Литургията е съкровищница, извор на истинския живот, защото в нея Сам Господ преподава Самия Себе Си за храна и питие на вярващите в Него и дава живот на причастниците Си, както Сам говори: “Който яде Моята плът и пие Моята кръв, има живот вечен. Аз дойдох, за да имат живот, и да имат в изобилие” (Йоан 6:54; 10:10). Дълбокият смисъл на св. Литургия е всички да бъдем заедно и едно в Христа. За съучастие в божествената Литургия се призовават по време на проскомидията и Литургията всички светии, светите честни и безплътни сили, светите пророци и отроци, светите апостоли и светители, светите мъченици и мъченички, преподобните и Богоносни отци, светите чудотворци начело с Пресвета Богородица. Чрез светата Литургия ние обновяваме общението си в Христа и с цялата земна Църква. Светата литургия се състои от три главни части: Проскомидия; Учителна или Литургия на оглашените“; Тайноизвършителна или Литургия на верните“.

Проскомидия (подготовка на Св. Дарове)

Литургия на оглашените: Встъпителен възглас; Велика ектения; Първи антифон; Малка ектения; Втори антифон химн Единородни Сине ….”; Малка ектения; Трети антифон тропар на блаженствата; Малък вход със свето напрестолно Евангелие; Пеене на тропари и кондаци на деня, на празника, на патрона на храма; Възглас Господи спаси благочестивия…”; Пеене на трисветата песен; Четене на Апостолски текст от Свещеното писание; Благовестване с текст от светото Евангелие; Ектения и молитва за покойници ако литургията е заупокойна; Ектения за оглашените; Ектения с призив оглашените да напуснат Божия дом;

Литургия на верните: Съкратена Велика Ектения; Херувимска песен първа част; Велик вход пренасяне на светите дарове; Херувимска песен втора част; Първа Просителна ектения; Символ на вярата; Възглас Да застанем смирено, да стоим с благоговение …”; Евхаристийна молитва; “Достойно и справедливо е да Те възпяваме…”; Възпоменаване на живи и покойни; Внушение на свещеника за мир, любов и единомислие; Втора Просителна ектения; Отче Наш”; Възношение на Светите Дарове; “Святая святим” Причастяване на свещенослужителите; “Со страхом, верою и любовию приступите” Причастяване на миряните; Възгласи Спаси Боже твоя народ …” и Видяхме истинската светлина…”; “Да се изпълнят устата ни с хваления…”; Благодарствена ектения; Задамвонна молитва; “Да бъде благословено името на Господа…” и Псалом 33; Последно благословение от свещенослужителя и отпуст.

Йеромонах Стефан ПОПОВ

П

De mens, icoon van God

 DE MENS, ICOON VAN GOD 

VADER  JOB GETCHA

             De christelijke anthropologie is het centrale thema van een uiteenzetting die op 9 mei laatstleden   gegeven werd  in de   katholieke parochie ‘Saint-Leon’ te Parijs, door Vader Job Getcha., deken van het theologisch instituut van Parijs (saint Serge). Vader Job Getcha is deken van het instituut sedert december 2005. Hij onderwijst er de kerkgeschiedenis en de liturgische ordo. Hij is lid van het centraal comité  van de Oecumenische raad van Kerken (COE) en van het gemengd comité voor de katholiek-orthodoxe dialoog in Frankrijk alsook van de groep voor  internationale oecumenisch  theologische  dialoog Saint – Irenée.  

            Op zekere dag vroeg iemand aan Vader Sophrony (Sakharov), leerling van de Heilige Silouan de Athoniet : “Wat is God ?”. Deze t_I0019000000C9006AA_CUSTOM_good_shepherd
antwoordde : “Wat is de mens ?”. Wat is de mens ?. Om op deze vraag te antwoorden, ondervraagt de Kerk de Schrift. Het verhaal van Genesis zegt ons hieromtrent dat de mens de zesde dag geschapen werd, ná alle andere schepselen. Hij verschijnt aldus als het hoogtepunt van de ganse schepping.

Wij lezen :”God zegt : nu gaan Wij de mens maken, als beeld van ons, op ons gelijkend : hij zal heersen over de vissen  van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt. En God schiep de mens als Zijn beeld, als Zijn gelijkenis schiep Hij hem ;man en vrouw schiep Hij hem. (Gen.1,26-27).Als de hebreeuwse tekst zegt “als ons beeld, op ons gelijkend”, dan bevestigt de Septuagint “naar ons beeld en naar onze gelijkenis”. De term “beeld” dat vertaald is uit het griekse eikôn , en dat van zijn kant weer een vertaling is van het hebreeuwse selem, kan een kneedbare voorstelling zijn, een afbeelding, een figuur, een schaduw. De term “gelijkenis”, dat het grieks vertaalt met homoiotès, dat weer een vertaling is van het hebreeuwse demût, betekent “kopie”. Gaat het hier om twee synoniemen, of moeten wij er hier twee verschillende begrippen  in zien ? 

De mens, een schepping van God

             Het beeld en de gelijkenis betekenen niet dat de mens een analogie is van God, zonder dewelke hij geen schepsel zou zijn. Immers, het verhaal van Genesis herinnert er ons aan dat de mens als man en vrouw is geschapen : welnu, in God bestaat er geen 02910_virgin_of_the_sign_igor_builin_tnl
onderscheid van  geslachten.Wat is dan het beeld van God in de mens? Epiphanius van Salami blijft hierbij onzeker wanneer hij zegt dat “De Traditie bevestigt dat elk menselijk wezen volgens het beeld van God is, maar zij definieert niet exact waaruit dit beeld bestaat”.De Heilige Johannes van Damascus zegt dat, wat hem betreft,  “de uitdrukking :volgens het beeld de rationaliteit en de vrijheid uitdrukt, terwijl de uitdrukking volgens de gelijkenis, de gelijkmaking met God door de deugd wordt uitgedrukt”
             Waar is het beeld en de gelijkenis ?  Men heeft dikwijls (zowel in Oost als West) het beeld van God geïdentificeerd met de ziel. Welnu, deze spiritualiserende benadering is niet die van de Kerkvaders Omdat de mens een geheel vormt van lichaam en geest, hebben  het beeld en de gelijkenis betrekking op gans de mens : lichaam, ziel en geest. De christelijke traditie distancieert zich eens te meer van het Platonisme. Als Plato zegt : “de ziel is de mens”, houdt Vader Georges Florofsky eraan te herinneren dat een ziel zonder lichaam, geen mens is, maar een spookbeeld. In de griekse Oudheid, zag Plato de zichtbare wereld als een afspiegeling van de wereld der ideeën. De wereld was volgens hem geschapen naar een model dat van een andere wereld kwam. Daarom is bij Plato “eikon” het beeld van de waarneembare wereld zoals het is doorgedrongen  in de ziel.             In het christendom wordt de trinitaire God opgevat als een ‘zijn-in-relatie’, het is een communio van drie personen. Dat ‘zijn-in-communio’ verlangt dus een communio te bewerkstelligen met zijn schepping. Vanaf dan is de mens, die geschapen is naar het beeld van God ook een ‘zijn-in-relatie’, van gemeenschap : hij moet de schepping koppelen aan zijn Schepper. Metropoliet Johannes van Pergamo schrijft : “Het ‘zijn’ van God is een relationeel ‘zijn’ : zonder het concept van communio, zou het niet mogelijk zijn om over het ‘zijn’ van God te spreken”. Als God communio is van de drie goddelijke personen, dan schept God een ‘zijn’ naar zijn beeld die van zijn kant ook een relationeel ‘zijn’ is. 

Van het beeld naar de gelijkenis

             Het beeld is dus een roeping tot communio : een oriëntatie, een richting of een relatie die vooreerst verticaal is, met God, maar ook horizontaal, met de mensen. Deze dubbele relatie, enerzijds tussen God en de mens, en anderzijds tussen de mensen onderling, is beschreven door Dorotheüs van Gaza als een cirkel  waarvan God het centrum is en waar de mensen worden gesitueerd op de punten van de cirkel : hoe meer ze zich naar het centrum toe bewegen, hoe meer ze mekaar benaderen. Deze roeping tot communio is tegelijk de basis van de opvatting over de hel bij Mararius van Egypte. Deze laatste vertelt in een apophtegma  dat hij op een bepaalde dag toen hij wandelde in de woestijn, een schedel opraapte waarvan de ziel in de hel was. De afgestorvene zegt hem : “In de hel, kunnen we mekaar niet van aangezicht tot aangezicht zien, maar we zijn er rug aan rug. Wanneer ge voor ons bidt , dan kan  iedereen een beetje het gezicht zien van de ander”  Verstoken zijn van deze roeping tot communio betekent een aantasting van het goddelijk beeld dat diep in onszelf is ingeschreven.             Indien, volgens de Kerkvaders, het beeld een wezenlijk  en onveranderlijke eigenschap is,  de gelijkenis van haar kant , kan verdwijnen of zich ontwikkelen. Het beeld is bewaard gebleven zelfs na de zondeval; de gelijkenis is, wat haar betreft, de oorspronkelijke glorie en haar ultieme hoop. De Heilige Ireneüs van Lyon bevestigt dat de volmaakte mens het beeld en de gelijkenis met God bezit, terwijl de onvolmaakte mens slechts het beeld heeft, maar niet de gelijkenis. Trouw aan de tekst van de Septuagint, introduceert Ireneüs hier een onderscheid tussen “beeld” en “gelijkenis”, en laat verstaan dat er een groei is, waar het beeld het vertrekpunt is en de gelijkenis het punt van aankomst. “De volmaaktheid is in de vooruitgang”, zegt Gregorius van Nyssa in zijn ‘Vie de Moïse’ . Hij verwijst ons hier naar het concept van déificatie (<Theôsis>) zoals het door gans de griekse patristiek is ontwikkeld : iedere keer dat de mens tot God nadert, ontdekt hij zijn kleinheid, zijn slaafsheid en zijn verwijdering van God, maar door zijn geschapen zijn “naar het beeld en de gelijkenis” met God, is hij geroepen om deel te hebben aan de goddelijke natuur. 

De  vrijheid

             Vrijheid is een eigenschap dat God ons geeft. Daar God vrij is, schept hij een wezen naar Zijn beeld, dat op zijn beurt vrij is. De vrijheid die geankerd is in het beeld, ontwikkelt zich tot gelijkenis. Vanaf dat moment is de vrijheid een  noodzakelijkheid in het heil van de mens. Zoals God de mens niet zou kunnen behoeden voor de zonde zonder zijn vrijheid in twijfel te trekken, zo zou God ook de mens tegen zijn wil niet kunnen redden, maar alleen in synergie, met de medewerking van de mens. Het is zo dat wij in de ogen van Sint Paulus.medewerkers van God zijn (1Kor.3-9).             Men vraagt dikwijls aan christenen : “zijt gij gered ?”. In een orthodox perspectief is de mens gered, Door aan zijn heil te werken wordt hij gered. De Kerkvaders, in het spoor van  Origines en de Heilige Johannes Cassianus, geven ons het voorbeeld van de landbouwer. Indien deze laatste zijn land niet bewerkt, alhoewel het klimaat mild is, zal hij ook niet oogsten, want  het onkruid zal de planten en het zaad doen stikken. Omgekeerd, als hij wél dag en nacht  zijn land bewerkt, maar als de klimatologische condities niet favorabel zijn, dan zal de oogst ook maar heel weinig zijn. Een goede oogst  is dus afhankelijk van het werk van de landbouwer en een goed seizoen. Zo gaat het ook met het heil, zeggen de Vaders, het is het resultaat van de synergie van de mens en God : de wil van de mens in samenwerking met Gods genade.             In zijn brieven brengt  de Apostel  Paulus ons in contact met de twee Testamenten. Hij spreekt van twee Adam’s, de ene  aards, de andere hemels, en hij stelt hen tegenover mekaar : daar waar de ene mislukt is door de zonde, slaagt de tweede in zijn heilswerk. De Heilige apostel Paulus zegt ons : “De eerste mens, Adam, werd een levend wezen. (Gen.2,7); de laatste Adam werd een levendmakende Geest. Maar het geestelijke komt niet het eerst; het natuurlijke gaat vooraf, daarna komt het geestelijke. De eerste mens, uit de aarde genomen, is aards, de tweede is uit de hemel. Zoals die eerste mens van aarde zijn alle aardse mensen, zoals de hemelse mens zullen alle hemelsen zijn. En gelijk wij het beeld van de aarde hebben gedragen, zo zullen wij ook het beeld dragen van de hemelse mens” (1 Kor,15,45-49).             Ergens anders schrijft de Apostel Paulus : “Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en met de zonde de dood en zo is de dood over alle mensen gekomen, aangezien allen gezondigd hebben. Er was immers reeds zonde in de wereld, vóór de wet er was; maar zonde wordt niet aangerekend waar geen wet is. Toch heeft de dood als koning geheerst in de tijd van Adam tot Mozes, dus ook over hen die zich niet op de wijze van Adam schuldig hadden gemaakt aan de overtreding van een gebod.Adam nu is het beeld van de Mens die komen moest. Maar de genade van God laat zich niet afmeten naar de misstap van Adam. De fout van één mens bracht alleen de dood, maar allen schonk Gods genade rijke vergoeding door de grote gave van zijn genade, de ene mens Jezus Christus. Zijn gave is sterker dan die ene zonde. Het oordeel dat volgde op de ene misstap liep uit op een veroordeling, maar de gratie die na zoveel overtredingen verleend werd betekende volledige kwijtschelding. Door toe
doen van één mens begon de dood te heersen, als gevolg van de val van die mens. Zoveel heerlijker zullen zij die de overvloed der genade en de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dank zij de ene mens Jezus Christus.
Dit betekent : één fout leidde tot veroordeling van allen, maar één goede daad leidde tot de vrijspraak en leven voor allen. En zoals door de ongehoorzaamheid van één mens allen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van Een  allen worden gerechtvaardigd” (Rom, 5,12-19). Door het hoofd te bieden aan de gnostiekers die in hun dualisme de goede God van het Nieuwe testament stelden boven de slechte god van het Oude Testament, gaat Ireneüs van lyon de eenheid van het Oude en het Nieuwe Testament verdedigen. Daarom gaat hij Christus voorstellen als diegene die de schepping komt voltooien. Voor Ireneüs is de schepping van de mens slechts een voorbereiding op Zijn komst.  Het is op die manier dat Christus aan het lichaam van de mensheid haar waarachtig hoofd geeft – Ireneüs in het spoor van  Sint Paulus zal spreken van  “zich opnieuw onderwerpen”, ’t is te zeggen : verzamelen, “het ganse universum verenigen”, “onder één hoofd, Christus” (Ef,1,10). 

De ware Adam

             Voor Ireneüs verschaft  Adam aan de mens zijn prototype. Christus is datgene wat de mens wordt. De eerste Adam is slechts een ruwe schets, de tweede is het waarachtige beeld. Het zijn dus de gnostische stellingen, die goed en kwaad tegenover mekaar stellen, die ertoe geleid hebben dat Ireneüs het beeld van de gelijkenis ging onderscheiden. Voor  Ireneüs is Christus de ware Adam. Voor hem is het niet Adam die Christus verklaart en conditioneert, maar Christus die  het eerste ontwerp van Genesis vervult. Als het beeld van de onzichtbare God, is Christus het prototype van de mens, geschapen naar het beeld van God.  Wat Ireneüs ons zegt, opent voor ons een ongelooflijk perspectief. In zijn ogen is de menswording van de Zoon van God niet bepaald door de val van de mens maar is het van eeuwigheid een deel van Gods plan. Christus openbaart ons niet enkel het beeld van God, maar ook de waarachtige gelijkenis met God.             Het doel van het menselijk leven is niet eenvoudigweg de bevrijding uit de zonde : het is de deelneming aan het goddelijk leven (2 Petr.1,4). Het heil heeft  slechts één negatief aspect – de vlucht voor de zonde, de verzaking aan de zonde, maar het houdt ook een positief aspect in : de vereniging met en de participatie aan het goddelijk leven. Vanaf dat moment is het duidelijk dat het heil van de mens een persoonlijke dimensie heeft, verbonden met de vrijheid van de mens. Het heeft ook een kerkelijke dimensie, omdat het zich realiseert binnen de Kerk – Lichaam van Christus. Maar het heeft ook een kosmische dimensie : de mens is gered met de wereld en niet buiten de wereld. Het beeld van God :

Een bijdrage aan de post-moderne gedachte

             De opvatting van de mens als beeld van God geeft ons een goed perspectief met betrekking tot de de post-moderne gedachte, die zo getekend is door de secularisatie. De secularisatie heeft een wereld voor ogen zonder God. Welnu, zoals we gezegd hebben : God ontkennen is de mens ontkennen.  Het is dus niet verwonderlijk ,dat de maatschappij,  door God te verwerpen, en  als gevolg hiervan het beeld van God in de mens te ontkennen, datgene wat het diepste en grootste is in de mens, verwerpt, en ze wegzinkt  in angst en schrik, isolement en eenzaamheid, individualisme en het afgesneden-zijn van de wereld. Wij begrijpen beter waarom de geseculariseerde maatschappijen veel kwetsbaarder zijn voor conflicten,haat, depressies,zelfmoord,dronkenschap,drugs en andere afhankelijkheden.             Wij begrijpen tezelfdertijd waarom deze maatschappijen te maken hebben met een crisis van het milieu, als gevolg van de technische revolutie, die de schepping geweld aandoet. De secularisatie, die een nihilistische manier van leven voorstaat, zonder enige relatie met God, promoot een egoïstische en hedonistische wijze van bestaan zonder enige verwijzing naar de oorsprong en de doelgerichtheid van de wereld, ze ziet de relatie met de wereld slechts vanuit het standpunt van het ongebreidelde consumeren, waardoor een hebzuchtige maatschappij ontstaat.             Het beeld van God in de mens herkennen – is het herkennen van de menselijke vrijheid alsmede van de waarachtige roeping van de mens om in communio te treden met God en Zijn schepping. Het is dus een antwoord voor de hedendaagse crisis van de leefwereld, voor de problemen van de vervuiling en de armoede, alsook voor de negatieve gevolgen van de mondialisering die de wereld wil reduceren tot een supermarkt in een materialistische en totalitaire context . Welnu, “Wat is God ?” – bevragen we ons dus over wat de mens is. Uit SOP 320Vrij vertaald : Kris B             &nbsp
;

Goddelijke liturgie van de heilige Joh.Chrysostomos in het KERKSLAVISCH

OCR: Библиотека святоотеческой литературы http://orthlib.ru

Б9eственнаz слyжба во сhхь nтцA нaшегw їwaнна златоyстагw начинaетсz си1це: Діaконъ: Бlгослови2, вLко. Їерeй: Бlгословeно цrтво, nц7A, и3 сн7а, и3 сaгw дƒа, нhнэ и 3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Діaконъ: Ми1ромъ гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ свhшнэмъ ми1рэ, и3 спасeніи дyшъ нaшихъ, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ ми1рэ всегw2 мjра, бlгостоsніи сhхъ б9іихъ цRквeй, и 3 соединeніи всёхъ, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ сёмъ хрaмэ сeмъ, и3 съ вёрою, бlгоговёніемъ и3 стрaхомъ б9іимъ входsщихъ в0нь, гDу пом0лимсz.

Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ сёйшемъ прави1тельствующемъ сmн0дэ, [и3 њ митрополjтэ нaшемъ, и 4м>къ, є3гHже џбласть,] честнёмъ пресвЂтерствэ, во хrтЁ діaконствэ, њ всeмъ при1чтэ и3 лю1дехъ. гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ бlгочести1вэйшемъ, самодержaвнэйшемъ, вели1комъ гDрэ нaшемъ їмперaторэ ніколaэ ґлеxaндровичэ всеS рwссjи: њ супрyгэ є3гw2, бlгочести1вэйшей гDрнэ, їмператрjцэ ґлеxaндрэ fе0дwровнэ, њ мaтери є 3гw2, бlгочести1вэйшей гDрнэ їмператрjцэ марjи fе0дwровнэ гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ наслёдникэ є3гw2, бlговёрномъ гDрэ, цесарeвичэ и3 вели1комъ кн7зэ геHргіи ґлеxaндровичэ, и3 њ всeмъ цaрствующемъ д0мэ: њ всeй палaтэ и3 в0инствэ и 4хъ гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ пособи1ти и3 покори1ти под8 н0зэ и 4хъ всsкаго врагA и 3 супостaта, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ грaдэ сeмъ, [ѓще въ монастырЁ: Њ сёй nби1тели сeй,] всsкомъ грaдэ, странЁ, и3 вёрою живyщихъ въ ни1хъ, гDу пом0лимсz.

Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ бlгорастворeніи воздyхwвъ, њ и 3з8oби1ліи плодHвъ земнhхъ, и 3 врeменэхъ ми1рныхъ, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ плaвающихъ, путешeствующихъ, недyгующихъ, стрaждущихъ, плэнeнныхъ, и3 њ спасeніи и 4хъ. гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ и 3збaвитисz нaмъ t всsкіz ск0рби, гнёва и3 нyжды, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Заступи2, спаси2, поми1луй, и3 сохрани2 нaсъ б9е, твоeю благодaтію. Ли1къ: ГDи поми1луй. Пресyю, пречcтую, пребlгословeнную, слaвную вLчцу нaшу бц dу и 3 приснодв7у мRjю со всёми сhми помzнyвше, сaми себE, и 3 другъдрyга, и3 вeсь жив0тъ нaшъ хrтY бGу предади1мъ. Ли1къ: ТебЁ гDи. Возглашeніе: Ћкw подобaетъ тебЁ всsкаz слaва, чeсть и3 поклонeніе, nц7Y, и 3 сн7у, и3 с0му дƒу, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ.

Ли1къ: Ґми1нь. И# поeтсz пeрвый ґнтіфHнъ t пэвцє1въ. Свzщeнникъ же глаг0летъ моли1тву ґнтіфHна. Діaконъ же поклони1всz ўступaетъ t мёста своегw2, и3 tшeдъ стои1тъ пред8 їкHною хrт0вою, держS и3 nрaрь треми2 пeрсты деснhz руки2. Моли1тва пeрвагw ґнтіфHна: ГDи б9е нaшъ, є3гHже держaва не сказaнна, и3 слaва непостижи1ма, є3гHже ми1лость безмёрна и3 человэколю1біе неизречeнно: сaмъ, вLко, по бlгоутр0бію твоемY, при1зри на ны2 и3 на сhй хрaмъ сeй, и3 сотвори2 съ нaми, и3 молsщимисz съ нaми, богтыz ми1лwсти тво и3 щедрHты тво. По и 3сполнeніи же ґнтіфHна, пришeдъ діaконъ и3 стaвъ на nбhчномъ мёстэ и3 поклони1всz, глаг0летъ: Пaки и3 пaки ми1ромъ гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Заступи2, спаси2, поми1луй и3 сохрани2 нaсъ б9е, твоeю бlгодaтію. Ли1къ: ГDи поми1луй. Пресyю, пречcтую, пребlгословeнную, слaвную вLчцу нaшу бц dу и 3 приснодв7у мRjю со всёми сhми помzнyвше, сaми себE, и 3 другъдрyга, и3 вeсь жив0тъ нaшъ хrтY бGу предади1мъ.

Ли1къ: ТебЁ гDи. Возглашeніе: Ћкw твоS держaва, и3 твоE є4сть цrтво и3 си1ла и3 слaва, nцA7, и 3 сн7а, и3 сaгw дƒа, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. И# поeтсz под0бнэ t пэвцє1въ вторhй ґнтіфHнъ: діaконъ же под0бнэ твори1тъ, ћкоже и3 въ пeрвой моли1твэ. Моли1тва вторaгw ґнтіфHна: ГDи б9е нaшъ, спаси2 лю1ди тво и3 бlгослови2 достоsніе твоE, и 3сполнeніе цeркве твоеS сохрани2, њсвzти2 лю1бzщыz благолёпіе д0му твоегw2: ты2 тёхъ воспрослaви б9eственною твоeю си1лою, и 3 не њстaви нaсъ ўповaющихъ на тS. Діaконъ: Пaки и3 пaки ми1ромъ гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Заступи2, спаси2, поми1луй и3 сохрани2 нaсъ б9е, твоeю благодaтію. Ли1къ: ГDи поми1луй. Пресyю, пречcтую, пребlгословeнную, слaвную вLчцу нaшу бц dу и 3 приснодв7у мRjю со всёми сhми помzнyвше, сaми себE, и 3 другъдрyга, и3 вeсь жив0тъ нaшъ хrтY бGу предади1мъ. Ли1къ: ТебЁ гDи.

Возглашeніе: Ћкw бlгъ и3 человэколю1бецъ бGъ є3си2, и3 тебЁ слaву возсылaемъ, nц7Y, и3 сн7у, и3 с0му дƒу, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Моли1тва трeтіzгw ґнтіфHна: И $ же џбщыz сі, и3 соглсныz даровaвый нaмъ моли6твы, и 4же и 3 двэмA и 3ли2 трє1мъ согласyющымсz њ и 4мени твоeмъ прошє1ніz подaти њбэщaвый, сaмъ и3 нhнэ рбъ твои1хъ прошє1ніz къ полeзному и 3сп0лни, подаS нaмъ и3 въ настоsщемъ вёцэ познaніе твоеS и 4стины, и3 въ бyдущемъ жив0тъ вёчный дaруz. ЗдЁ tверзaютсz двє1ри на мaлый вх0дъ. Пэвaему же трeтіему ґнтіфHну t пэвцє1въ, и 3ли2 бlжeннамъ, ѓще є4сть недёлz, є3гдA пріи1дутъ на Слaва: свzщeнникъ и3 діaконъ, стaвше пред8 с0ю трапeзою, творsтъ покл0ны три2. Тaже пріeмъ свzщeнникъ с0е є3ђліе, даeтъ діaкону, и3 и 4дутъ t деснhz страны2 созади2 прест0ла, и3 тaкw и 3зшeдше сёверною стран0ю, пред8идyщымъ и 5мъ лампaдамъ, творsтъ мaлый вх0дъ, и3 стaвше на nбhчномъ мёстэ, приклонsютъ џба главы6, и3 діaкону рeкшу: ГDу пом0лимсz. глаг0летъ сщ7eнникъ моли1тву вх0да тaйнw. Моли1тва вх0да: ВLко гDи б9е нaшъ, ўстaвивый небесёхъ чи1ны и3 вHинства ѓгGлъ и3 ґрхгGлъ въ служeніе твоеS слaвы, сотвори2 со вх0домъ

нaшимъ вх0ду сhхъ ѓгGлwвъ бhти, сослужaщихъ нaмъ, и 3 сославосл0вzщихъ твою2 бlгость. Ћкw подобaетъ тебЁ всsкаz слaва, чeсть и3 поклонeніе, nц7Y, и 3 сн7у, и3 с0му дƒу, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Моли1твэ же скончaвшейсz, глаг0летъ діaконъ ко свzщeннику, показyzй къ вост0ку десни1цею, держS вкyпэ и3 nрaрь треми 2 пeрсты: Бlгослови,2 вLко, сhй вх0дъ. И# сщ7eнникъ, блг cвлsz, глаг0летъ: Бlгословeнъ вх0дъ сhхъ твои1хъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Посeмъ tх0дитъ ко свzти1телю, и 3ли2 и 3гyмену, діaконъ, и 3 цэлyетъ є3ђліе, ѓще предстои1тъ: ѓще же ни2, цэлyетъ сіE свzщeнникъ. И # сп0лньшусz же конeчному тропарю2, вх0дитъ діaконъ посредЁ, и 3 стaвъ пред8 їерeемъ возвышaетъ мaлw рyцэ, и3 показyzй с0е є3ђліе, глаг0летъ велеглaснw: Премyдрость, пр0сти. Тaже поклони1всz, сaмъ же и3 свzщeнникъ созади2 є3гw2, вх0дитъ во сhй nлтaрь: и3 діaконъ ќбw полагaетъ с0е є3ђліе на сёй трапeзэ.

Пэвцh же пою1тъ: Пріиди1те, поклони1мсz и3 припадeмъ ко хrтY. спаси1 ны сн7е б9ій, во сhхъ ди1венъ сhй, пою1щыz ти2, ґллилyіа. [є3ди1ножды.] Ѓще же недёлz: Воскресhй и 3з8 мeртвыхъ, пою1щыz ти2, ґллилyіа. [є3ди1ножды.] Тaже, nбы 6чныz тропари2: и3 є3гдA пріи1дутъ въ послёдній тропaрь, гlетъ діaконъ ко їерeю, приклонS вкyпэ главY, и3 nрaрь въ руцЁ держS треми2 пeрсты: Бlгослови,2 вLко, врeмz трисaгw. Їерeй же, знaменуz є3го,2 глаг0летъ: Ћкw съ є3си2 б9е нaшъ, и3 тебЁ слaву возсылaемъ, nц7Y, и3 сн7у, и3 с0му дƒу, нhнэ и3 при1снw. Скончaвшусz же тропарю2, прих0дитъ діaконъ бли1зъ свzтhхъ дверeй, и3 показyzй nрарeмъ, пeрвэе ќбw ко їкHнэ хrт0вэ глаг0летъ: ГDи, спаси2 бlгочести 6выz, и3 ўслhши ны2. Тaже нав0дитъ, глаг0лz ко внЁ стоsщымъ велеглaснw: И# во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Пэвaему же трис0му, глаг0летъ їерeй моли1тву сію2.

Моли1тва трисaгw пёніz: Б9е сhй, и 4же во сhхъ почивazй, трисhмъ глaсомъ t серафjмwвъ воспэвaемый и3 t херувjмwвъ славосл0вимый, и3 t всsкіz нбcныz си1лы покланsемый, и 4же t небытіS во є4же бhти приведhй всsчєскаz, создaвый человёка по џбразу твоемY и3 по под0бію, и3 всsкимъ твои1мъ даровaніемъ ўкраси1вый, даsй просsщему премyдрость и3 рaзумъ, и3 не презирazй согрэшaющагw, но полагazй на спасeніе покаsніе, спод0бивый нaсъ, смирeнныхъ и3 недост0йныхъ рбъ твои1хъ, и3 въ чaсъ сeй стaти пред8 слaвою сaгw твоегw2 жeртвенника, и3 д0лжное тебЁ поклонeніе и3 славосл0віе приноси1ти: сaмъ, вLко, пріими2 и3 t ќстъ нaсъ грёшныхъ трисyю пёснь, и3 посэти1 ны бlгостію твоeю, прости2 нaмъ всsкое согрэшeніе в0льное же и 3 нев0льное, њсвzти2 нaшz дyшы и3 тэлесA, и3 дaждь нaмъ въ препод0біи служи1ти тебЁ вс дни6 животA нaшегw, моли1твами сhz бцdы, и3 всёхъ свzтhхъ, t вёка тебЁ бlгоугоди1вшихъ. Ћкw съ є3си2 б9е нaшъ, и3 тебЁ слaву возсылaемъ, nц7Y, и3 сн7у, и3 с0му дƒу, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Сeй же скончaвшейсz, глаг0лютъ и3 сaми, їерeй же и3 діaконъ, трис0е: творsще вкyпэ и3 покл0ны три2 пред8 с0ю трапeзою. Тaже глаг0летъ діaконъ ко їерeю: Повели2, вLко.

И# tх0дита къ г0рнему мёсту: и3 свzщeнникъ tходS глаг0летъ: Бlгословeнъ грzдhй во и 4мz гDне. Діaконъ: Бlгослови2, вLко, г0рній пrт0лъ. Їерeй же: Бlгословeнъ є3си2 на пrт0лэ слaвы цrтвіz твоегw2, сэдsй на херувjмэхъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. [зри2] [Вёдательно, ћкw свzщeннику не подобaетъ на г0рнее мёсто восходи1ти, нижE сэдёти на нeмъ: но сэдёти во странЁ г0рнzгw пrт0ла, и 3з8 ю4жныz страны2.] И# по и 3сполнeніи трисaгw, діaконъ, пришeдъ пред8 сы6z двє1ри, глаг0летъ: В0нмемъ. Їерeй же возглашaетъ: Ми1ръ всBмъ. И# чтeцъ глаг0летъ: И# дƒови твоемY. И# діaконъ пaки: Премyдрость. И# чтeцъ, прокjменъ, pал0мъ дв7довъ. Посeмъ діaконъ: Премyдрость. И# чтeцъ надписaніе ґп cла: Къ ри1млzнwмъ, [и 3ли2, Къ корjнfzнwмъ, и 3ли2, Къ галaтwмъ] послaніz сaгw ґп cла пavла чтeніе. И# пaки діaконъ: В0нмемъ. Ґпcлу же и 3сп0лньшусz, глаг0летъ свzщeнникъ: Ми1ръ ти2. И# Чтeцъ: И # дƒови твоемY. Діaконъ: Премyдрость. И# чтeцъ: Ґллилyіа. Ґллилyіа же пэвaему, и3 пріeмъ діaконъ кади1льницу и3 fmміaмъ, прих0дитъ къ свzщeннику, и3 пріeмъ благословeніе t негw2, кади1тъ сyю трапeзу џкрестъ, и3 nлтaрь вeсь, и3 свzщeнника. Свzщeнникъ же глаг0летъ моли1тву сію2. Моли1тва прeжде є3ђліа:

Возсіsй въ сердцaхъ нaшихъ. чlвэколю1бче вLко, твоегw2 бGоразyміz нетлённый свётъ, и3 мhслєнныz нaши tвeрзи џчи, во є3ђльскихъ твои1хъ проповёданій разумёніе: вложи2 въ нaсъ и 3 стрaхъ блажeнныхъ твои1хъ зaповэдей, да плотскz п0хwти вс попрaвше, дух0вное жи1тельство пр0йдемъ, вс, ћже ко бlгоугождeнію твоемY, и3 мyдрствующе и3 дёюще. тh бо є3си 2 просвэщeніе дyшъ и3 тэлeсъ нaшихъ, хrтE б9е: и3 тебЁ слaву возсылaемъ, со безначaльнымъ твои1мъ nц7eмъ, и3 пресhмъ и 3 бlги1мъ и3 животворsщимъ твои1мъ дƒомъ, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ, ґми1нь. Діaконъ же, кади1льницу tложи1въ на nбhчное мёсто, прих0дитъ къ сщ7eннику, и3 подклони1въ є3мY главY свою2, держS и3 nрaрь со сhмъ є3ђліемъ крaйними пeрсты, си1рэчь, во џномъ мёстэ сhz трапeзы, глаг0летъ: Бlгослови,2 вLко, бlговэсти1телz сaгw ґп cла и3 є3ђлjста, и 4м>къ. Сщe7нникъ, знaменуz є3го2, глаг0летъ: БGъ, мlтвами сaгw, слaвнагw, всехвaльнагw ґп cла и3 є3ђлjста, и 4м>къ, да дaстъ тебЁ глаг0лъ бlговэствyющему си1лою мн0гою, во и 3сполнeніе є3ђліа возлю1бленнагw сн 7а своегw2, гDа нaшегw ї}са хrтA. Діaконъ же рeкъ: Ґми1нь, и3 поклони1всz с0му є3ђлію, в0зметъ є,5 и3 и 3зшeдъ сhми двeрьми, предходsщымъ є3мY лампaдамъ, прих0дитъ и3 стои1тъ на ґмвHнэ, и 3ли2 на ўчинeнномъ мёстэ.

Їерeй же, стоS пред8 с0ю трапeзою и3 зрS къ зaпаду, возглашaетъ: Премyдрость, прости2, ўслhшимъ сaгw є3ђліа. Тaже: Ми1ръ всBмъ. Лю1діе: И# дƒови твоемY. Діaконъ: T и4м>къ сaгw є3ђліа чтeніе. Ли1къ: Слaва тебЁ гDи, слaва тебЁ. Сщe7нникъ: В0нмемъ. Ѓще же сyть двA дікона, то є3ди1нъ да глаг0летъ: Премyдрость, пр0сти. Тaже, и3: В0нмемъ. И # сп0лнившусz є3ђлію, глаг0летъ сщ7eнникъ: Ми1ръ ти 2 бlговэствyющему. Ли1къ: Слaва тебЁ гDи, слaва тебЁ. И# tшeдъ діaконъ дaже до сhхъ дверeй, tдаeтъ с0е є3ђліе свzщeннику, и3 затворsютсz пaки свzты6z двє1ри. Діaконъ, стaвъ на nбhчномъ мёстэ, начинaетъ си1це: Рцeмъ вси2 t всеS души2, и3 t всегw2 помышлeніz нaшегw рцeмъ. Ли1къ: ГDи поми1луй. ГDи вседержи1телю, б9е nц7ъ нaшихъ, м0лимъ ти сz, ўслhши и 3 поми1луй. Ли1къ: ГDи поми1луй. Поми1луй нaсъ б9е, по вели1цэй ми1лости твоeй, м0лимъ ти сz,

ўслhши и3 поми1луй. Ли1къ: ГDи поми1луй, три1жды. Е#щE м0лимсz њ бlгочести1вэйшемъ, самодержaвнэйшемъ, вели1комъ гDрэ нaшемъ їмперaторэ ніколaэ ґлеxaндровичэ всеS рwссjи: њ держaвэ, побёдэ, пребывaніи, ми1рэ, здрaвіи, спасeніи є3гw2, и3 гDу бGу нaшему наипaче поспэши1ти и3 пособи1ти є3мY во всёхъ, и3 покори1ти под8 н0зэ є3гw2 всsкаго врагA и3 супостaта. Ли1къ: ГDи поми1луй, три1жды. Мlтва прилёжнагw молeніz: ГDи б9е нaшъ, прилёжное сіE молeніе пріими2 t твои1хъ рбъ, и 3 поми1луй нaсъ по мн0жеству ми1лости твоеS, и3 щедрHты тво низпосли2 на ны2, и3 на вс лю1ди тво, чaющыz t тебE богaтыz ми1лости. Е#щE м0лимсz њ супрyгэ є3гw2, бlгочести1вэйшей гDрнэ їмператрjцэ ґлеxaндрэ fе0дwровнэ: њ мaтери є3гw2, бlгочести1вэйшей гDрнэ їмператрjцэ марjи fе0дwровнэ: њ наслёдникэ є3гw2, бlговёрномъ гDрэ цесарeвичэ и3 вели1комъ кн7зэ геHргіи ґлеxaндровичэ, и3 њ всeмъ цaрствующемъ д0мэ. Ли1къ: ГDи поми1луй, три1жды. Е#щE м0лимсz њ сёйшемъ прави1тельствующемъ сmн0дэ [ѓще под8 митрополjтомъ, приглаг0летъ: и3 њ митрополjтэ нaшемъ,

є3гHже џбласть,] и3 всeй во хrтЁ брaтіи нaшей. Ли1къ: ГDи поми1луй, три1жды. Е#щE м0лимсz њ всeмъ и 4хъ хrтолюби1вомъ в0инствэ. Ли1къ: ГDи поми1луй, три1жды. Е#щE м0лимсz њ брaтіzхъ нaшихъ, сщ7eнницэхъ, сщ7енномонaсэхъ, и3 всeмъ во хrтЁ брaтствэ нaшемъ. Ли1къ: ГDи поми1луй, три1жды. Е#щE м0лимсz њ бlжeнныхъ и3 приснопaмzтныхъ, сёйшихъ патріaрсэхъ правослaвныхъ, и3 бlгочести1выхъ цRёхъ, и 3 благовёрныхъ цRи1цахъ, и3 создaтелехъ сhz nби1тели сеS, и3 њ всёхъ преждепочи1вшихъ nц7ёхъ и3 брaтіzхъ, здЁ лежaщихъ, и 3 повсю1ду правослaвныхъ. Ли1къ: ГDи поми1луй, три1жды. Е#щE м0лимсz њ плодоносsщихъ и3 добродёющихъ во сёмъ и 3 всечестнёмъ хрaмэ сeмъ, труждaющихсz, пою1щихъ и 3 предстоsщихъ лю1дехъ, њжидaющихъ t тебE вели1кіz и3 богaтыz млcти. Ли1къ: ГDи поми1луй, три1жды. Возглашeніе: Ћкw ми1лостивъ и3 чlвэколю1бецъ бGъ є3си,2 и3 тебЁ слaву

возсылaемъ, nц7Y, и3 сн7у, и3 с0му дƒу, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Ѓще ли бyдетъ њ ўс0пшихъ приношeніе, діaконъ и 3ли2 свzщeнникъ глаг0летъ є3ктенію2 сію2: Поми1луй нaсъ б9е, по вели1цэй млcти твоeй, м0лимъ ти сz, ўслhши и3 поми1луй. Ли1къ: ГDи поми1луй, три1жды. Е#щE м0лимсz њ ўпокоeніи дyшъ ўс0пшихъ рабHвъ б9іихъ, и 4м>къ, и3 њ є4же прости1тисz и 5мъ всsкому прегрэшeнію, в0льному же и3 нев0льному. Ли1къ: ГDи поми1луй, три1жды. Ћкw да гDь бGъ ўчини1тъ дyшы и4хъ, и 3дёже прaведніи ўпокоsютсz. Ли1къ: ГDи поми1луй, три1жды. Ми1лости б9іz, цrтва нбcнагw, и3 њставлeніz грэхHвъ и 4хъ, ў хrтA безсмeртнагw цRS и3 бGа нaшегw пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. Діaконъ: ГDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй.

Сщe7нникъ: Б9е духHвъ, и3 всsкіz пл0ти, смeрть попрaвый и3 діaвола ўпраздни1вый, и3 жив0тъ мjру твоемY даровaвый: сaмъ, гDи, пок0й дyшы ўс0пшихъ рбъ твои1хъ, и 4м>къ, въ мёстэ свётлэ, въ мёстэ ѕлaчнэ, въ мёстэ пок0йнэ, tню1дуже tбэжE болёзнь, печaль и3 воздыхaніе. всsкое согрэшeніе, содёzнное и 4ми сл0вомъ, и 3ли2 дёломъ, и 3ли2 помышлeніемъ, ћкw бlгjй чlвэколю1бецъ бGъ, прости2: ћкw нёсть человёкъ, и 4же жи1въ бyдетъ, и3 не согрэши1тъ: тh бо є3ди1нъ кромЁ грэхA, прaвда твоS прaвда во вёки, и3 сл0во твоE и 4стина. Возглaсъ: Ћкw ты2 є3си2 воскресeніе и3 жив0тъ и3 пок0й ўс0пшихъ рбъ твои1хъ, и 4м>къ, хrтE б9е нaшъ, и3 тебЁ слaву возсылaемъ, со безначaльнымъ твои1мъ nц7eмъ, и3 пресhмъ и3 бlги1мъ и 3 животворsщимъ твои1мъ дƒомъ, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Діaконъ: Помоли1тесz, њглашeнніи гDви. Ли1къ: ГDи поми1луй. Вёрніи, њ њглашeнныхъ пом0лимсz, да гDь поми1луетъ и 5хъ. Ли1къ: ГDи поми1луй.

Њгласи1тъ и 5хъ сл0вомъ и 4стины. Ли1къ: ГDи поми1луй. Tкрhетъ и 5мъ є3ђліе прaвды. Ли1къ: ГDи поми1луй. Соедини1тъ и 5хъ сёй своeй соб0рнэй и3 ґп cльстэй цeркви. Ли1къ: ГDи поми1луй. Спаси2, поми1луй, заступи2 и3 сохрани2 и 5 хъ, б9е, твоeю бlгодaтію. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њглашeнніи, главы6 вaшz гDви приклони1те. Ли1къ: ТебЁ гDи. Мlтва њ њглашeнныхъ, прeжде сaгw возношeніz: ГDи б9е нaшъ, и 4же на выс0кихъ живhй и3 на смирє1нныz призирazй, и 4же спасeніе р0ду чlвёческому низпослaвый, є3динор0днаго сн7а твоего2 и3 бGа, гDа нaшего ї}са хrтA: при1зри на рабы6 тво њглашє1нныz, подкл0ншыz тебЁ сво вы6z, и 3 спод0би | во врeмz бlгополyчное бaни пакибытіS, њставлeніz грэхHвъ и3 nдeжди нетлёніz, соедини2 и 5хъ сёй твоeй соб0рнэй и3 ґп c льстэй цeркви, и3 сопричти2 и 5хъ и 3збрaнному твоемY стaду. Возглашeніе: Да и3 тjи съ нaми слaвzтъ пречестн0е и 3 великолёпое и4мz твоE, nц7A, и3 сн7а, и3 сaгw дƒа, нhнэ и 3

при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. И# простирaетъ ґнтіми1нсъ свzщeнникъ. Діaконъ глаг0летъ: Е#ли1цы њглашeнніи, и 3зыди1те. Ѓще ли є4сть вторhй діaконъ, возглашaетъ и3 т0й: Њглашeнніи, и 3зыди1те. Тaже пaки пeрвый: Е#ли1цы њглашeнніи, и 3зыди1те. Да ни кто2 t њглашeнныхъ: є3ли1цы вёрніи, пaки и3 пaки ми1ромъ гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Ѓще ли же є3ди1нъ т0чію їерeй, тогдA глаг0летъ си1це: Е#ли1цы њглашeнніи, и 3зыди1те, њглашeнніи и 3зыди1те, є3ли1цы њглашeнніи и 3зыди1те: да ни кто2 t њглашeнныхъ, є3ли1цы вёрніи, пaки и3 пaки ми1ромъ гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Мlтва вёрныхъ, пeрваz, по є4же распрострeти ґнтіми1нсъ: Бlгодари1мъ тS гDи б9е си1лъ, спод0бившаго нaсъ предстaти и 3 нhнэ с0му твоемY жeртвеннику, и3 припaсти ко щедр0тамъ

твои 6мъ њ нaшихъ грэсёхъ, и3 њ людски1хъ невёдэніихъ. пріими2 б9е молeніе нaше, сотвори1 ны дост0йны бhти, є4же приноси1ти тебЁ молє1ніz и3 мольбы6, и3 жє1ртвы безкрHвныz њ всёхъ лю1дехъ твои1хъ: и3 ўдовли2 нaсъ, и 5хже положи1лъ є3си2 въ слyжбу твою2 сію,2 си1лою дƒа твоегw2 сaгw, неwсуждeннw и 3 непреткновeннw въ чи1стэмъ свидётельствэ с0вэсти нaшеz, призывaти тS на всsкое врeмz и3 мёсто: да послyшаz нaсъ, ми1лостивъ нaмъ бyдеши, во мн0жествэ твоеS бlгости. Заступи2, спаси2, поми1луй и3 сохрани2 нaсъ б9е, твоeю благодaтію. Ли1къ: ГDи поми1луй. Премyдрость. Возглашeніе: Ћкw подобaетъ тебЁ всsкаz слaва, чeсть и3 поклонeніе, nц7Y, и 3 сн7у, и3 с0му дƒу, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Діaконъ: Пaки и3 пaки ми1ромъ гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Е#гдA сщ7eнникъ є3ди1нъ слyжитъ, сі не глаг0летъ: Њ свhшнэмъ ми1рэ, и3 спасeніи дyшъ нaшихъ, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй.

Њ ми1рэ всегw2 мjра, бlгостоsніи сhхъ б9іихъ цRквeй и3 соединeніи всёхъ, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ сёмъ хрaмэ сeмъ, и3 съ вёрою, бlгоговёніемъ и3 стрaхомъ б9іимъ входsщихъ в0нь, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ и 3збaвитисz нaмъ t всsкіz ск0рби, гнёва и3 нyжды, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Мlтва вёрныхъ, вторaz: Пaки, и3 мн0гажды тебЁ припaдаемъ, тебЁ м0лимсz, благjй и 3 человэколю1бче, ћкw да призрёвъ на молeніе нaше, њчи1стиши нaшz дyшы и3 тэлесA t всsкіz сквeрны пл0ти и3 дyха, и3 дaси нaмъ непови1нное и3 неwсуждeнное предстоsніе сaгw твоегw2 жeртвенника. дaруй же б9е, и3 молsщымсz съ нaми преспёzніе житіS и3 вёры и3 рaзума дух0внагw: дaждь и5мъ всегдA со стрaхомъ и3 люб0вію служaщымъ тебЁ, непови1ннw и 3 неwсуждeннw причасти1тисz сhхъ твои1хъ тинъ, и3 небeснагw твоегw2 цrтвіz спод0битисz. Заступи2, спаси2, поми1луй и3 сохрани2 нaсъ б9е, твоeю благодaтію. Ли1къ: ГDи поми1луй.

Діaконъ: Премyдрость. Вх0дитъ діaконъ сёверными двeрьми. Возглашeніе: Ћкw да под8 держaвою твоeю всегдA храни1ми, тебЁ слaву возсылaемъ, nц7Y, и3 сн7у, и3 с0му дƒу, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Мlтва ю 4же твори1тъ свzщeнникъ въ себЁ, херувjмской пёсни пэвaемэй: Никт0же дост0инъ t свzзaвшихсz плотски1ми похотьми2 и 3 сластьми2 приходи1ти, и 3ли2 прибли1житисz, и 3ли2 служи1ти тебЁ, цRю2 слaвы: є4же бо служи1ти тебЁ, вели1ко и3 стрaшно и3 самёмъ нбcнымъ си1ламъ. но nбaче неизречeннагw рaди и3 безмёрнагw твоегw2 человэколю1біz, непрел0жнw и3 неизмённw бhлъ є3си 2 человёкъ, и3 ґрхіерeй нaмъ бhлъ є3си2: и3 служeбныz сеS и3 безкр0вныz жeртвы свzщеннодёйствіе прeдалъ є3си2 нaмъ, ћкw вLка всёхъ. тh бо є3ди1нъ, гDи б9е нaшъ, владhчествуеши нбcными и3 земнhми, и 4же на пrт0лэ херувjмстэ носи1мый, и 4же серафjмwвъ гDь, и3 цRь ї}левъ, и 4же є3ди1нъ съ, и3 во сhхъ почивazй. тS u5бо молю2 є3ди1наго благaго и3 благопослушли1ваго: при1зри на мS грёшнаго и3 непотрeбнаго рабA твоего2, и3 њчи1сти мою2 дyшу и3 сeрдце t с0вэсти лукaвыz, и3 ўдовли1 мz, си1лою

сaгw твоегw2 дƒа, њблечeна благодaтію свzщeнства, предстaти сёй твоeй сeй трапeзэ, и3 свzщеннодёйствовати с0е и3 пречcтое твоE тёло, и3 честнyю кр0вь. къ тебё бо прихождY прикл0нь мою2 вhю, и3 молю1 ти сz, да не tврати1ши лицA твоегw2 t менE, нижE tри1неши менE t џтрwкъ твои1хъ: но спод0би принесє1ннымъ тебЁ бhти, мн0ю грёшнымъ и3 недост0йнымъ раб0мъ твои1мъ, дарHмъ си 6мъ. тh бо є3си2 приносsй и 3 приноси1мый, и3 пріeмлzй и3 раздавaемый хrтE б9е нaшъ, и3 тебЁ слaву возсылaемъ, со безначaльнымъ твои1мъ nц7eмъ, и 3 пресhмъ, и3 благи1мъ, и3 животворsщимъ твои1мъ дƒомъ, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. И # сп0лнившейсz же мlтвэ, глаг0лютъ и3 тjи херувjмскую пёснь, три1жды: по к0емждо же скончaніи, покланsютсz по є3ди1нощи. И % же херувjмы тaйнw њбразyюще, и3 животворsщей трbцэ трисyю пёснь припэвaюще, всsкое нhнэ житeйское tложи1мъ попечeніе. Ћкw да цRS всёхъ под8и1мемъ, ѓгGльскими неви1димw дорmноси1ма чи1нми. Ґллилyіа, ґллилyіа, ґллилyіа. Пaки tверзaютсz сы6z двє1ри. Тaже пріeмъ діaконъ кади1льницу, и3 fmміaмъ вложи1въ, прих0дитъ ко свzщeннику, и3 пріeмъ благословeніе t негw2, кади1тъ сyю трапeзу џкрестъ и3 nлтaрь вeсь, и3 свzщeнника: глаг0летъ же и3 н7-й pал0мъ, и3 тропари 2 ўмили1тєльныz, є3ли 6ка и 3зв0литъ вкyпэ со свzщeнникомъ. и 3

tх0дита въ предложeніе, предходsщу діaкону, и3 кади1тъ сz, въ себЁ молsсz: Б9е, њчи1сти мS грёшнаго. три1жды. Глаг0летъ ко свzщeннику: Возми2 вLко. И# свzщeнникъ, взeмъ воздyхъ, возлагaетъ на лёвое рaмо є3гw2, глаг0лz: Возми1те рyки вaшz во сz, и3 блг cви1те гDа. Тaже сhй дjскосъ пріeмъ, возлагaетъ на главY діaкона, со всsкимъ внимaніемъ и3 бlгоговёніемъ, и 3мёzй вкyпэ діaконъ и 3 кади1льницу на є3ди1номъ t пeрстwвъ, сaмъ же сhй поти1рь въ рyцэ пріeмъ: и 3сх0дzтъ же сёверною стран0ю, предходsщымъ и 5мъ лампaдамъ, и3 њбх0дzтъ хрaмъ, молsщесz. Діaконъ глаг0летъ: Бlгочести1вэйшаго, самодержaвнэйшаго, вели1каго гDрz нaшего їмперaтора ніколaz ґлеxaндровича всеS рwссjи, да помzнeтъ гDь бGъ во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и 3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Тaже сщ7eнникъ: Супрyгу є3гw2, бlгочести1вэйшую гDрню, їмператрjцу ґлеxaндру fе0дwровну: мaтерь є3гw2, бlгочестив1эйшую гDрню, їмператрjцу марjю fе0дwровну, да помzнeтъ гDь бGъ во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Наслёдника є3гw2, бlговёрнаго гDрz, цесарeвича и3 вели1каго кн7зz геHргіz ґлеxaндровича, и3 вeсь цaрствующій д0мъ, да помzнeтъ гDь бGъ во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ.

Діaконъ гlетъ: Сёйшій прави1тельствующій сmн0дъ, да помzнeтъ гDь бGъ во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и 3 во вёки вэкHвъ. Тaже сщ7eнникъ: Всёхъ вaсъ, правослaвныхъ хrтіaнъ, да помzнeтъ гDь бGъ во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Си1це да глаг0летъ ѓще є3ди1нъ є4сть сщ7eнникъ служaй, и3 кромЁ діaкона. Ѓще же служaщіи сщ7eнницы мн0зи, си1це да гlютъ: Діaконъ: Бlгочести1вэйшаго, самодержaвнэйшаго, вели1каго гDрz нaшего їмперaтора ніколaz ґлеxaндровича всеS рwссjи, да помzнeтъ гDь бGъ во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и 3 во вёки вэкHвъ. Пeрвый сщ7eнникъ: Супрyгу є3гw2, бlгочести1вэйшую гDрню, їмператрjцу ґлеxaндру fе0дwровну, да помzнeтъ гDь бGъ во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Вторhй: Мaтерь є3гw2, бlгочести1вэйшую гDрню, їмператрjцу марjю fе0дwровну, да помzнeтъ гDь бGъ во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ.

Трeтій: Наслёдника є3гw2, бlговёрнаго гDрz цесарeвича и3 вели1каго кн7зz геHргіz ґлеxaндровича, и3 вeсь цaрствующій д0мъ, да помzнeтъ гDь бGъ во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Четвeртый сщ7eнникъ, ѓще же ни2, діaконъ: Сёйшій прави1тельствующій сmн0дъ, да помzнeтъ гDь бGъ во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Пsтый сщ7eнникъ, ѓще же ни2, пaки пeрвый: Всёхъ вaсъ, правослaвныхъ хrтіaнъ, да помzнeтъ гDь бGъ во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Вшeдъ же діaконъ внyтрь сhхъ двeрей, стои1тъ њдеснyю, и3 хотsщу сщ7eннику вни1ти, глаг0летъ къ немY діaконъ: Да помzнeтъ гDь бGъ сщ7eнство твоE во цrтвіи своeмъ. И# свzщeнникъ къ немY: Да помzнeтъ гDь бGъ свzщеннодіaконство твоE во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и 3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. И# свzщeнникъ ќбw поставлsетъ сhй поти1рь на сyю трапeзу: сhй же дjскосъ взeмъ со главы2 діaкона, поставлsетъ и3 т0й на сyю трапeзу, глаг0лz: Благоoбрaзный їHсифъ, со дрeва снeмъ пречcтое твоE тёло,

плащани1цею чи1стою њбви1въ, и3 благоухaньми во гр0бэ н0вэ закрhвъ, положи2. Во гр0бэ пл0тски, во ѓдэ же съ дш7eю ћкw бGъ, въ раи1 же съ разб0йникомъ, и3 на пrт0лэ бhлъ є3си2 хrтE, со nц7eмъ и3 дƒомъ, вс и 3сполнszй неwпи1санный. Ћкw живон0сецъ, ћкw раS краснёйшій вои1стинну, и3 всsкагw черт0га цaрскагw kви1сz свэтлёйшій хrтE гр0бъ тв0й, и3ст0чникъ нaшегw воскресeніz. Тaже покр0вцы ќбw взeмъ t свzщeннагw дjскоса, и3 сaгw потирS, полагaетъ на є3ди1ной странЁ свzтhz трапeзы: воздyхъ же t діaконz рaма взeмъ, и3 покади1въ покрывaетъ и 4мъ сz, глаг0лz: Благоoбрaзный їHсифъ, со дрeва снeмъ пречcтое твоE тёло, плащани1цею чи1стою њбви1въ, и3 благоухaньми во гр0бэ н0вэ закрhвъ, положи2. И# пріeмъ кади1льницу t діaконовы руки2, кади1тъ сz три1жды, глаг0лz: Ўблажи2 гDи, бlговолeніемъ твои1мъ сіHна, и3 да сози1ждутсz стёны їерусали 6мскіz: тогдA благоволи1ши жeртву прaвды, возношeніе и3 всесожегaємаz, тогдA возложaтъ на nлтaрь тв0й тельцы2. И# tдaвъ кади1льницу, и3 њпусти1въ фелHнь, приклони1въ же главY,

глаг0летъ діaкону: Помzни1 мz, брaте и3 сослужи1телю. И# діaконъ къ немY: Да помzнeтъ гDь бGъ свzщeнство твоE во цrтвіи своeмъ. Тaже и3 діaконъ, поклони1въ и3 сaмъ главY, держS вкyпэ и3 nрaрь треми2 пeрсты десни1цы, гlетъ ко свzщeннику: Помоли1сz њ мнЁ, вLко сhй. И# свzщeнникъ: Дƒъ сhй нaйдетъ на тS, и3 си1ла вhшнzгw њсэни1тъ тS. И# діaконъ: Т0йже дƒъ содёйствуетъ нaмъ вс дни6 животA нaшегw. И# пaки т0йжде: Помzни1 мz, вLко сhй. И# свzщeнникъ: Да помzнeтъ тS гDь бGъ во цaрствіи своeмъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. И# діaконъ, рeкъ: Ґми1нь. и3 цэловaвъ десни1цу сщ7eнника, и3сх0дитъ сёверными двeрьми, и3 стaвъ на nбhчномъ мёстэ, глаг0летъ: И # сп0лнимъ моли1тву нaшу гDви. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ предложeнныхъ честнhхъ дарёхъ, гDу пом0лимсz.

Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ сёмъ хрaмэ сeмъ, и3 съ вёрою, бlгоговёніемъ и3 стрaхомъ б9іимъ входsщихъ в0нь, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ и 3збaвитисz нaмъ t всsкіz ск0рби, гнёва и3 нyжды, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Мlтва проскомjдіи, по поставлeніи б9eственныхъ дарHвъ на сёй трапeзэ. ГDи б9е вседержи1телю, є3ди1не се, пріeмлzй жeртву хвалeніz t призывaющихъ тS всёмъ сeрдцемъ. пріими2 и3 нaсъ грёшныхъ молє1ніz и3 принеси2 ко с0му твоемY жeртвеннику, и3 ўдовли 2 нaсъ приноси1ти тебЁ дaры же и3 жє1ртвы дƒHвныz њ нaшихъ грэсёхъ и3 њ людски1хъ невёдэніихъ, и3 спод0би нaсъ њбрэсти 2 благодaть пред8 тоб0ю, є4же бhти тебЁ благопріsтнэй жeртвэ нaшей, и3 всели1тисz дƒу благодaти твоеS бlг0му въ нaсъ, и3 на предлежaщихъ дарёхъ си1хъ, и3 на всёхъ лю1дехъ твои1хъ. Діaконъ: Заступи2, спаси2, поми1луй и3 сохрани2 нaсъ б9е твоeю бlгодaтію. Ли1къ: ГDи поми1луй. ДнE всегw2 совершeнна, свsта, ми1рна и3 безгрёшна, ў гDа

пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. ЃгGла ми1рна, вёрна настaвника, храни1телz дyшъ и3 тэлeсъ нaшихъ, ў гDа пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. Прощeніz и3 њставлeніz грэхHвъ и3 прегрэшeній нaшихъ, ў гDа пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. Д0брыхъ и3 полeзныхъ душaмъ нaшымъ, и3 ми1ра мjрови, ў гDа пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. Пр0чее врeмz животA нaшегw въ ми1рэ и3 покаsніи скончaти, ў гDа пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. Хrтіaнскіz кончи1ны животA нaшегw, безболёзненны, непостhдны, ми1рны и3 д0брагw tвёта на стрaшнэмъ суди1щи хrт0вэ пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. Пресyю, пречcтую, пребlгословeнную, слaвную вLчцу нaшу бц dу, и 3 приснодв7у мRjю со всёми сhми помzнyвше, сaми себE, и 3

другъдрyга, и3 вeсь жив0тъ нaшъ хrтY бGу предади1мъ. Ли1къ: ТебЁ гDи. Возглашeніе: Щедр0тами є3динор0днагw сн7а твоегw2, съ ни1мже бlгословeнъ є3си2, со пресhмъ и3 бlги1мъ и3 животворsщимъ твои1мъ дƒомъ, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Їерeй: Ми1ръ всBмъ. Ли1къ: И# дƒови твоемY. Діaконъ: Возлю1бимъ другъдрyга, да є3диномhсліемъ и 3сповёмы. Ли1къ: Nц7A, и3 сн7а, и3 сaго дƒа, трbцу є 3диносyщную, и 3 нераздёльную. И# сщ7eнникъ покланsетсz три1жды, гlz тaйнw: Возлюблю2 тS гDи, крёпосте моS, гDь ўтверждeніе моE, и 3 прибёжище моE. три1жды. И# цэлyетъ сz си1це, ћкоже сyть покровeны, пeрвэе верхY сaгw дjскоса: тaже верхY сaгw потирS, и3 крaй сhz трапeзы пред8 соб0ю. Ѓще ли бyдутъ свzщeнникwвъ двA, и 3ли2 мн0жае, то и3 nни 2 цэлyютъ сz вси2, и3 другъдрyга въ рaмена. Настоsтель же

глаг0летъ: хrт0съ посредЁ нaсъ. И# tвэщaетъ цэловaвый: И # є4сть, и3 бyдетъ. Тaкожде и3 діaкони, ѓще бyдутъ двA и 3ли2 три2, цэлyютъ кjйждо nрaрь св0й и 3дёже кrтA џбразъ, и3 другъдрyга въ рaмена, т0жде глаг0люще, є4же и3 свzщeнницы. Под0бнэ же и3 діaконъ спокланsетсz, на нeмже стои1тъ мёстэ, и3 цэлyетъ nрaрь св0й, и 3дёже є4сть кrтA џбразъ, и3 тaкw возглашaетъ: Двє1ри, двє1ри премyдростію в0нмемъ. Сщe7нникъ же воздвизaетъ воздyхъ, и3 держи1тъ над8 сhми дарми2. Ѓще же и 3нjи бyдутъ сщ7eнницы служaщіи, тaкожде воздвизaютъ сhй воздyхъ, и3 держaтъ над8 сhми дарми2, потрzсaюще, и3 глаг0люще къ себЁ, ћкоже и3 лю1діе, и 3сповёданіе вёры: Вёрую во є3ди1наго бGа nц7A вседержи1телz, творцA нб7у и3 земли2, ви 6 димымъ же всBмъ и3 неви 6 димымъ. И# во є3ди1наго гDа ї}са хrтA, сн7а б9іz, є3динор0днаго, и 4же t nц7A рождeннаго прeжде всёхъ вBкъ. Свёта t свёта, бGа и 4стинна t бGа и 4стинна, рождeнна, не сотворeнна, є 3диносyщна nц7Y, и 4мже вс бhша. Нaсъ рaди человBкъ, и3 нaшегw рaди спасeніz, сшeдшаго съ нб7съ, и 3 воплоти1вшагосz t дƒа са и3 мRjи дв7ы, и3 вочеловёчшасz. Распsтаго же за ны2 при понтjйстэмъ пілaтэ, и3 страдaвша, и 3 погребeнна, и3 воскrшаго въ трeтій дeнь по писaніємъ. И # возшeдшаго на нб7сA, и3 сэдsща њдеснyю nц7A. И# пaки грzдyщаго

со слaвою, суди1ти живы 6мъ и3 мє1ртвымъ, є3гHже цrтвію не бyдетъ концA. И# въ дƒа сaго, гDа, животворsщаго, и 4же t nц7A и 3сходsщаго, и 4же со nц7eмъ и3 сн7омъ спокланsема и3 сслaвима, глаг0лавшаго прbр0ки. Во є3ди1ну сyю соб0рную и3 ґп cльскую цRковь. И #сповёдую є3ди1но кRщeніе, во њставлeніе грэхHвъ. Чaю воскrніz мeртвыхъ: И# жи1зни бyдущагw вёка. Ґми1нь. Діaконъ: Стaнемъ д0брэ, стaнемъ со стрaхомъ, в0нмемъ, с0е возношeніе въ ми1рэ приноси1ти. Ли1къ: Ми1лость ми1ра, жeртву хвалeніz. И# сщ7eнникъ ќбw взeмъ воздyхъ t сhхъ, и3 цэловaвъ и5, полагaетъ на є3ди1но мёсто, глаг0лz: Бlгодaть гDа: Діaконъ же поклони1всz, вх0дитъ во сhй nлтaрь. И# пріи1мъ ріпjду, вёетъ сz бlгоговёйнw. Возглашeніе: Бlгодaть гDа нaшегw ї}са хrтA, и3 любы2 бGа и3 nц7A, и3 причaстіе сaгw дƒа, бyди со всёми вaми. Ли1къ: И# со дƒомъ твои1мъ. Сщe7нникъ: ГорЁ и 3мёимъ сердцA. Ли1къ: И $мамы ко гDу. Сщe7нникъ: Бlгодари1мъ гDа.

Ли1къ: Дост0йно и3 прaведно є4сть, покланsтисz nц7Y, и3 сн7у, и 3 с0му дƒу, трbцэ є3диносyщнэй и3 нераздёльнэй. Сщe7нникъ же м0литсz: Дост0йно и3 прaведно тS пёти, тS бlгослови1ти, тS хвали1ти, тS бlгодари1ти, тебЁ покланsтисz на всsкомъ мёстэ вLчествіz твоегw2: тh бо є3си2 бGъ неизречeненъ, недовёдомь, неви1димь, непостижи1мь, при1снw сhй, тaкожде сhй, ты2 и 3 є3динор0дный тв0й сн7ъ, и3 дƒъ тв0й сhй. ты2 t небытіS въ бытіE нaсъ привeлъ є3си2, и3 tпaдшыz возстaвилъ є3си2 пaки, и3 не tступи1лъ є3си2 вс творS, д0ндеже нaсъ на нб7о возвeлъ є3си,2 и 3 цrтво твоE даровaлъ є3си2 бyдущее. њ си1хъ всёхъ благодари1мъ тS, и3 є3динор0днаго твоего2 сн7а, и3 дƒа твоего2 сaго, њ всёхъ, и 4хже вёмы, и3 и 5 хже не вёмы, kвлeнныхъ и3 неsвленныхъ бlгодэsніихъ бhвшихъ на нaсъ. бlгодари1мъ тS и3 њ слyжбэ сeй, ю4же t рyкъ нaшихъ пріsти и 3зв0лилъ є3си.2 ѓще и3 предстоsтъ тебЁ тhсzщы ґрхaгGлwвъ, и3 тмы6 ѓгGлwвъ, херувjми, и3 серафjми шестокрилaтіи, многоoчи1тіи возвышaщіисz пернaтіи. Возглашeніе: Побёдную пёснь пою1ще, вопію1ще, взывaюще и 3 глаг0люще. Ли1къ: Съ, съ, съ гDь саваHfъ, и 3сп0лнь нб7о и3 землS слaвы твоеS, њсaнна въ вhшнихъ, бlгословeнъ грzдhй во и 4мz гDне, њсaнна въ вhшнихъ. И# здЁ пaки діaконъ, пріи1мъ сyю ѕвэзди1цу t сaгw дjскоса,

твори1тъ кrтA џбразъ верхY є3гw2, и3 цэловaвъ ю5 полагaетъ. Тaже прих0дитъ, и3 стaнетъ на деснёй странЁ: и3 взeмъ ріпjду въ рyцэ, њмaхиваетъ ти1хw со всsкимъ внимaніемъ и3 стрaхомъ, верхY сhхъ дарHвъ, ћкw не сёсти мyхамъ, ни и 3н0му чесомY таков0му. Ѓще же нёсть ріпjды, твори1тъ сіE со є3ди1нэмъ покр0вцемъ. Сщe7нникъ м0литсz: Съ си1ми и3 мы2 блажeнными си1лами, вLко человэколю1бче, вопіeмъ и3 глаг0лемъ: съ є3си2 и3 пресъ, ты2 и3 є3динор0дный тв0й сн7ъ, и3 дƒъ тв0й сhй. съ є3си2 и3 пресъ, и3 великолёпна слaва твоS, и 4же мjръ тв0й тaкw возлюби1лъ є3си2, ћкоже сн7а твоего 2 є3динор0днаго дaти: да всsкъ вёруzй въ него2 не поги1бнетъ, но и 4мать жив0тъ вёчный, и 4же пришeдъ, и3 всE є4же њ нaсъ смотрeніе и 3сп0лнивъ, въ н0щь въ ню1же предаsшесz, пaче же сaмъ себE предаsше, за мірскjй жив0тъ, пріeмъ хлёбъ во сы6z сво и 3 пречи 6стыz и3 непоро6чныz рyки, бlгодари1въ и3 бlгослови1въ, њсвzти1въ, преломи1въ, дадE сы 6мъ свои 6мъ ў§нкHмъ и3 ґп cлwмъ, рeкъ: Возглашeніе: Пріими1те, kди1те, сіE є4сть тёло моE є4же за вы2 ломи1мое во њставлeніе грэхHвъ. Ли1къ: Ґми1нь.

Семy же глаг0лемому, показyетъ свzщeннику діaконъ сhй дjскосъ, держS и3 nрaрь треми2 пeрсты десни1цы. Под0бнэ, и3 є3гдA глаг0летъ свzщeнникъ: Пjйте t неS вси2: споказyетъ и3 сaмъ сhй поти1рь. Сщe7нникъ тaйнw: Под0бнэ и3 чaшу по вeчери, глаг0лz: Возглашeніе: Пjйте t неS вси2, сіS є4сть кр0вь моS н0вагw завёта, ћже за вы2 и3 за мнHгіz и 3зливaемаz, во њставлeніе грэхHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Свzщeнникъ м0литсz: Поминaюще ќбw спаси1тельную сію2 зaповэдь, и3 вс же њ нaсъ бы 6вшаz: кrтъ, гр0бъ, триднeвное воскресeніе, на нб7сA восхождeніе, њдеснyю сэдёніе, втор0е и3 слaвное пaки пришeствіе. Возглашeніе: Тво t твои1хъ тебЁ приносsще, њ всёхъ и3 за вс. Семy же глаг0лему, діaконъ tлагaетъ ріпjду, и3 прел0жъ рyцэ кrтоoбрaзнэ, и3 под8eмъ сhй дjскосъ, и3 сhй поти1рь, и 3 поклони1тсz ўмилeннэ. Ли1къ: ТебE поeмъ, тебE бlгослови1мъ, тебЁ бlгодари1мъ гDи, и 3 м0лимъ ти сz, б9е нaшъ.

Свzщeнникъ же м0литсz: Е#щE прин0симъ ти2 словeсную сію2 и3 безкр0вную слyжбу, и 3 пр0симъ, и3 м0лимъ, и3 ми1ли сz дёемъ, низпосли2 дƒа твоего 2 сaго на ны2, и3 на предлежaщыz дaры сі. И# діaконъ ќбw tлагaетъ ріпjду, и3 прих0дитъ бли1зъ ко їерeю, и 3 покланsютсz џба три1жды пред8 с0ю трапeзою, молsщасz въ себЁ и3 глаг0люща: ГDи, и 4же пресaго твоего2 дƒа въ трeтій чaсъ ґп cлwмъ твои 6мъ низпослaвый, того2 благjй не tими2 t нaсъ: но њбнови2 нaсъ молsщихъ ти сz. Стjхъ: Сeрдце чи1сто сози1жди во мнЁ б9е, и3 дyхъ прaвъ њбнови 2 во ўтр0бэ моeй. Пaки: ГDи, и 4же пресaго твоего2 дƒа: Стjхъ: Не tвeржи менE t лицA твоегw2, и3 дƒа твоегw2 сaгw не tими2 t менE. И# пaки: ГDи, и4же пресaго твоего2 дƒа: Тaже главY подклони1въ діaконъ, и3 показyz со nрарeмъ сhй хлёбъ, глаг0летъ тaйнw: Бlгослови2 вLко, сhй хлёбъ. Сщe7нникъ же востaвъ, знaменуетъ три1жды сы6z дaры, глаг0лz:

И# сотвори2 ќбw хлёбъ сeй честн0е тёло хrтA твоегw2. Діaконъ: Ґми1нь. И# пaки діaконъ: Бlгослови2 вLко, сyю чaшу. И# свzщeнникъ благословлsz глаг0летъ: Ґ є4же въ чaши сeй, чcтнyю кр0вь хrтA твоегw2. Діaконъ: Ґми1нь. И# пaки діaконъ, показyz и3 nбо сz, гlетъ: Бlгослови2 вLко, nбо. Свzщeнникъ же, бlгословлsz nбо сz, гlетъ: Преложи1въ дƒомъ твои1мъ сhмъ. Діaконъ: Ґми1нь, ґми1нь, ґми1нь. И# главY подклони1въ діaконъ свzщeннику, и3 рeкъ: Помzни1 мz, сhй вLко. Свzщeнникъ же глаг0летъ: Помzнeтъ тS гDь бGъ во цrтвіи своeмъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Діaконъ же рeкъ: Ґми1нь. прех0дитъ, на нeмже пeрвэе стоsше мёстэ, и3 взeмъ ріпjду, њмaхиваетъ сz ћкw и3 прeжде.

Свzщeнникъ же м0литсz: Ћкоже бhти причащaющымсz во трезвёніе души2, во њставлeніе грэхHвъ, въ пріwбщeніе сaгw твоегw2 дƒа, во и 3сполнeніе цrтвіz нбcнагw, въ дерзновeніе є4же къ тебЁ, не въ сyдъ, и 3ли2 во њсуждeніе. Е#щE прин0симъ ти2 словeсную сію2 слyжбу, њ и 5же въ вёрэ почи1вшихъ, прaoц7эхъ, nц7ёхъ, патріaрсэхъ, прbр0цэхъ, ґп cлэхъ, проповёдницэхъ, є3ђлjстэхъ, мyченицэхъ, и 3сповёдницэхъ, воздeржницэхъ, и3 њ всsкомъ дyсэ прaведнэмъ въ вёрэ скончaвшемсz. Діaконъ же кади1тъ сyю трапeзу џкрестъ, и3 поминaетъ же х0щетъ живы6z и3 мє1ртвыz. Свzщeнникъ же возглашaетъ: И # зрsднw њ пресёй, пречcтэй, пребlгословeннэй, слaвнэй вLчцэ нaшей бцdэ и3 приснодв7э мRjи. Ли1къ поeтъ: Дост0йно є4сть ћкw вои1стинну, блажи1ти тS бцdу, приснобlжeнную, и3 пренепор0чную, и3 мрь бGа нaшегw. Ч Cтнёйшую херувмъ, и3 слaвнэйшую без8 сравнeніz серафмъ, без8 и 3стлёніz бGа сл0ва р0ждшую, сyщую бцdу тS величaемъ. Діaконъ поминaетъ дjптmха, си1рэчь помsнникъ ўс0пшихъ.

Свzщeнникъ же м0литсz: Сaгw їwaнна прор0ка, предтeчи и3 крести1телz, сhхъ слaвныхъ и 3 всехвaльныхъ ґп cлъ, сaгw, и 4м>къ, є3гHже и3 пaмzть совершaемъ, и3 всёхъ сhхъ твои1хъ: и 4хже моли1твами посэти2 нaсъ б9е, и 3 помzни2 всёхъ ўс0пшихъ њ надeжди воскrніz животA вёчнагw, и3 ўпок0й и 5хъ, и3дёже присэщaетъ свётъ лицA твоегw2. Е#щE м0лимъ тS, помzни2 гDи всsкое є3п cкпство правослaвныхъ, прaвw прaвzщихъ сл0во твоеS и 4стины, всsкое пресвЂтерство, во хrтЁ діaконство, и3 всsкій свzщeнническій чи1нъ. Е#щE прин0симъ ти2 словeсную сію2 слyжбу њ вселeннэй, њ сёй соб0рнэй и3 ґп cльстэй цRкви, њ и 5же въ чистотЁ и3 честнёмъ жи1тельствэ пребывaющихъ: њ бlгочести1вэйшемъ, самодержaвнэйшемъ, вели1комъ гDрэ нaшемъ їмперaторэ ніколaэ ґлеxaндровичэ всеS рwссjи: њ супрyгэ є3гw2, бlгочести1вэйшей гDрнэ, їмператрjцэ ґлеxaндрэ fе0дwровнэ: њ мaтери є3гw2, бlгочести1вэйшей гDрнэ, їмператрjцэ марjи fе0дwровнэ: њ наслёдникэ є3гw2, бlговёрномъ гDрэ, цесарeвичэ и3 вели1комъ кн7зэ геHргіи ґлеxaндровичэ, и3 њ всeмъ цaрствующемъ д0мэ: њ всeй палaтэ, и3 в0инствэ и 4хъ. Дaждь и 5мъ гDи ми1рное цrтво, да и3 мы2 въ тишинЁ и 4хъ ти1хое и3 безм0лвное житіE поживeмъ, во всsкомъ бlгочeстіи и3 чистотЁ. И# по пёніи стіхA, свzщeнникъ возглашaетъ: Въ пeрвыхъ помzни2 гDи, сёйшій прави1тельствующій сmн0дъ,

и 5хже дaруй сы 6мъ твои 6мъ цRквамъ, въ ми1рэ цёлыхъ, чcтнhхъ, здрaвыхъ, долгодeнствующихъ, прaвw прaвzщихъ сл0во твоеS и 4стины. И# пэвцы2 пою1тъ: И# всёхъ, и3 вс. Діaконъ поминaетъ помsнникъ живhхъ. Свzщeнникъ же м0литсz: Помzни2 гDи грaдъ сeй, въ нeмже живeмъ, и3 всsкій грaдъ и 3 странY, и3 вёрою живyщихъ въ ни1хъ. Помzни2 гDи плaвающихъ, путешeствующихъ, недyгующихъ, стрaждущихъ, плэнeнныхъ, и 3 спасeніе и 4хъ. Помzни2 гDи плодоносsщихъ, и3 добротворsщихъ во сhхъ твои1хъ цRквахъ, и3 поминaющихъ ўбHгіz, и3 на вс ны 2 ми1лwсти тво низпосли2. Возглашeніе: И# дaждь нaмъ є3ди1нэми ўсты2 и3 є3ди1нэмъ сeрдцемъ слaвити и 3 воспэвaти пречcтн0е и3 великолёпое и 4мz твоE, nц7A, и3 сн7а, и 3 сaгw дƒа, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Возглашeніе: И# да бyдутъ ми1лwсти вели1кагw бGа и3 сп 7са нaшегw ї}са хrтA со всёми вaми.

Ли1къ: И# со дƒомъ твои 6мъ. Діaконъ, пріeмъ врeмz t свzщeнника, и3 и 3 зшeдъ, стaвъ на nбhчномъ мёстэ, глаг0летъ: Вс сы6z помzнyвше, пaки и3 пaки ми1ромъ гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ принесeнныхъ и3 њсвzщeнныхъ честнhхъ дарёхъ, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Ћкw да чlвэколю1бецъ бGъ нaшъ пріeмъ | во сhй и3 пренбcный и3 мhсленный св0й жeртвенникъ, въ воню2 бlгоухaніz дух0внагw, вознисп0слетъ нaмъ б9eственную бlгодaть и3 дaръ сaгw дƒа, пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Њ и 3збaвитисz нaмъ t всsкіz ск0рби, гнёва и3 нyжды, гDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Свzщeнникъ же м0литсz: ТебЁ предлагaемъ жив0тъ нaшъ вeсь и3 надeжду, вLко человэколю1бче, и3 пр0симъ, и3 м0лимъ, и3 ми1ли сz дёемъ, спод0би нaсъ причасти1тисz нбcныхъ твои1хъ и3 стрaшныхъ тинъ, сеS

свzщeнныz и3 дух0вныz трапeзы, съ чи1стою с0вэстію, во њставлeніе грэхHвъ, въ прощeніе согрэшeній, во nбщeніе дƒа сaгw, въ наслёдіе цrтвіz нбcнагw, въ дерзновeніе є4же къ тебЁ, не въ сyдъ и 3ли2 во њсуждeніе. Діaконъ: Заступи2, спаси2, поми1луй и3 сохрани2 нaсъ б9е, твоeю благодaтію. Ли1къ: ГDи поми1луй. ДнE всегw2 совершeнна, свsта, ми1рна и3 безгрёшна, ў гDа пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. ЃгGла ми1рна, вёрна настaвника, храни1телz дyшъ и3 тэлeсъ нaшихъ, ў гDа пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. Прощeніz и3 њставлeніz грэхHвъ и3 прегрэшeній нaшихъ, ў гDа пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. Д0брыхъ и3 полeзныхъ душaмъ нaшымъ, и3 ми1ра мjрови, ў гDа пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. Пр0чее врeмz животA нaшегw въ ми1рэ и3 покаsніи скончaти, ў

гDа пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. Хrтіaнскіz кончи1ны животA нaшегw, безболёзнены, непостhдны, ми1рны и3 д0брагw tвёта на стрaшнэмъ суди1щи хrт0вэ пр0симъ. Ли1къ: Подaй гDи. Соединeніе вёры, и3 причaстіе сaгw дƒа и 3спроси1вше, сaми себE, и 3 другъдрyга, и3 вeсь жив0тъ нaшъ хrтY бGу предади1мъ. Ли1къ: ТебЁ гDи. Свzщeнникъ возглашaетъ: И# спод0би нaсъ, вLко, со дерзновeніемъ, неwсуждeннw смёти призывaти тебE нбcнаго бGа nцA7, и3 глаг0лати. Лю1діе: Џ§е нaшъ, и4же є3си2 на нб7сёхъ, да си1тсz и 4мz твоE, да пріи1детъ цaрствіе твоE: да бyдетъ в0лz твоS, ћкw на нб7си2, и 3 на земли.2 хлёбъ нaшъ насyщный дaждь нaмъ днeсь, и3 њстaви нaмъ д0лги нaшz, ћкоже и3 мы2 њставлsемъ должникHмъ нaшымъ: и3 не введи2 нaсъ во и 3скушeніе, но и 3збaви нaсъ t лукaвагw. Свzщeнникъ: Ћкw твоE є4сть цrтво, и3 си1ла, и3 слaва, nц7A, и3 сн7а, и3 сaгw

дƒа, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Тaже: Ми1ръ всBмъ. Ли1къ: И# дƒови твоемY. Діaконъ: Главы6 вaшz гDви приклони1те. Ли1къ: ТебЁ гDи. Сщe7нникъ м0литсz: Бlгодари1мъ тS, цRю2 неви1димый, и 4же неисчeтною твоeю си1лою вс содётельствовалъ є3си2, и3 мн0жествомъ ми1лости твоеS t небытіS въ бытіE вс привeлъ є3си2: сaмъ вLко, съ нб7сE при1зри на подкл0ншыz тебЁ главы6 сво, не бо2 подклони1ша пл0ти и 3 кр0ви, но тебЁ стрaшному бGу. ты2 u5бо вLко, предлежщаz всBмъ нaмъ во благ0е и 3зравнsй, по коегHже своeй потрeбэ: плaвающымъ сплaвай, путешeствующымъ спутешeствуй, недyгующыz и 3сцэли2, врачY дyшъ и3 тэлeсъ. Возглашeніе: Бlгодaтію, и3 щедр0тами, и3 человэколю1біемъ є3динор0днагw сн7а твоегw2, съ ни1мже бlгословeнъ є3си,2 со пресhмъ и3 бlги1мъ и 3 животворsщимъ твои1мъ дƒомъ, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ.

Ли1къ: Ґми1нь. Сщe7нникъ же м0литсz: Вонми2, гDи ї}се хrтE б9е нaшъ, t сaгw жили1ща твоегw2, и3 t прест0ла слaвы цaрствіz твоегw2, и3 пріиди2 во є4же њсвzти1ти нaсъ, и4же горЁ со nц7eмъ сэдsй, и3 здЁ нaмъ неви1димw спребывazй: и3 спод0би держaвною твоeю рук0ю преподaти нaмъ пречи1стое тёло твоE и3 честнyю кр0вь, и3 нaми всBмъ лю1демъ. Сeй моли1твэ глаг0лемэй, діaконъ стоsй пред8 сhми двeрьми, њпоzсyетсz nрарeмъ кrтови1днw. Тaже покланsетсz свzщeнникъ, под0бнэ и3 діaконъ, на нeмже стои1тъ мёстэ, гlюща тaйнw, три1жды: Б9е, њчи1сти мS грёшнаго, и3 поми1луй мS. Е#гдa же ви1дитъ діaконъ сщ7eнника простирaюща рyцэ, и 3 прикасaющасz с0му хлёбу, во є4же сотвори1ти свzт0е возношeніе, возглашaетъ: В0нмемъ. Сщe7нникъ же, возносS сhй хлёбъ, возглашaетъ: Сz сы6мъ. Ли1къ: Е#ди1нъ съ, є3ди1нъ гDь, ї}съ хrт0съ, во слaву бGа nц7A, ґми1нь. И# пою1тъ ли1цы кінwнjкъ днE, и 3ли2 сaгw. Діaконъ же вх0дитъ во сhй nлтaрь, и3 стaвъ њдеснyю свzщeнника держaщагw сhй хлёбъ, глаг0летъ: Раздроби2, вLко, сhй хлёбъ.

Сщe7нникъ же раздроблsz и5 на четhре чсти со внимaніемъ и 3 благоговёніемъ, глаг0летъ: Раздроблsетсz раздэлsетсz ѓгнецъ б9іи, раздроблsемый и3 нераздэлsемый, всегдA kд0мый и 3 никогдaже и3ждивaемый, но причащaющыzсz њсвzщazй. Њ раздроблeніи сaгw ѓгнца. Подобaетъ тебЁ вёдати, q їерeе, ћкw раздроблsz сhй ѓгнецъ, полагaй чсти крeстнымъ знaменіемъ д0лу ко с0му дjскосу, заклaніемъ же горЁ ћкоже прeжде є3гдA закалaшесz. ЇИ & С, ќбw полагaй на вhшнэй странЁ сaгw дjскоса, же є4сть на вост0цэ: Х&С же, t д0лу є4же є4сть на зaпадэ: ґ є4же, НІ, t сёверныz страны2: КА же, съ полyденныz страны2, ћкоже здЁ и 3з8wбрази1сz.

* ЇИ & С, ќбw чaсть взeмъ, и 3сполнsй сyю чaшу. Х&С же, чaсть, раздроблsй свzщeнникwмъ и3 діaконwмъ. Ты6z же двЁ чсти сы6z, є4же НІ, и3 є4же, КА, причaстникwмъ да раздроблsеши на чсти млыz, є3ли1кw бyдетъ дов0льно по разсмотрeнію твоемY. Ґ t чaсти пресы6z бцdы, и3ли2 девzти1хъ чинHвъ сhхъ, и 3ли 2 и 3нhхъ є3ли1кw во сёмъ дjскосэ сyть, никaкоже кого2 да причасти1ши: т0чію t двою2 чстію, њстaвшею сaгw ѓгнца, да причащaеши.

*р.2, с. п 7а

Къ томyже тебЁ вёдомо бyдетъ и3 њ сeмъ, ћкw є3гдA растворsеши сhмъ ўкр0пцемъ б9eственную кр0вь вLчню, тогдA да вливaеши съ разсмотрeніемъ, є3ли1кw бhти дов0льно всBмъ хотsщымъ причасти1тисz. Тaкожде и3 t вінA и3 воды2, є3гдA прободaеши сhй ѓгнецъ, тогдA да вливaеши толи1кw, є3ли1кw бhти дов0льно всBмъ: послэди1 же никaкоже что2 да вливaеши, но т0чію t растворeніz є3ди1ною, є4же на сz сы 6мъ, и3 тaкw причащaй всёхъ t си1хъ. Діaконъ же, показyz nрарeмъ сhй поти1рь, глаг0летъ: И # сп0лни вLко, сhй поти1рь. Сщe7нникъ же взeмъ горЁ лежaщую чaстицу, ћже, ЇИ &С, твори1тъ съ нeю кrтъ верхY сaгw потирS, глаг0лz: И #сполнeніе дƒа сaгw. И# тaкw влагaетъ во сhй поти1рь. Діaконъ: Ґми1нь. И# пріeмлz теплотY, глаг0летъ къ сщ7eннику: Бlгослови2 вLко теплотY. Сщe7нникъ же бlгословлsетъ, глаг0лz: Бlгословeнна теплотA сhхъ твои1хъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и 3 во вёки вэкHвъ, ґми1нь. И# діaконъ вливaетъ, є3ли1кw дов0льно, кrтоoбрaзнw внyтрь сaгw потирS, глаг0лz: ТеплотA вёры, и 3сп0лнь дƒа сaгw, ґми1нь.

И# tстaвивъ теплотY, стои1тъ мaлw подaлэ. Сщe7нникъ же глаг0летъ: Діaконе, приступи2. И# пришeдъ діaконъ твори1тъ покл0нъ благоговёйнw, просS прощeніz. Сщ7eнникъ же держS сhй хлёбъ, даeтъ діaкону: и3 цэловaвъ діaконъ подаю1щую є3мY рyку, пріeмлетъ сhй хлёбъ, глаг0лz: Преподaждь мнЁ вLко, чcтн0е и3 с0е тёло гDа и3 бGа и3 сп 7са нaшегw ї}са хrтA. Сщe7нникъ же глаг0летъ: И $ м>къ, свzщеннодіaкону преподаeтсz чcтн0е и3 с0е и3 пречcтое тёло гDа и3 бGа и3 сп 7са нaшегw ї}са хrтA, во њставлeніе грэхHвъ є3гw2, и3 въ жи1знь вёчную. И# tх0дитъ созади2 сhz трапeзы, приклони1въ главY, и3 м0литсz ћкw и3 свzщeнникъ. Под0бнэ взeмъ и3 свzщeнникъ є3ди1ну чaстицу сaгw хлёба, глаг0летъ: Ч Cтн0е и3 прес0е тёло гDа и3 бGа и3 сп 7са нaшегw ї}са хrтA преподаeтсz мнЁ, и4м>къ, свzщeннику, во њставлeніе грэхHвъ мои1хъ, и3 въ жи1знь вёчную. И# приклони1въ главY м0литсz, глаг0лz:

Вёрую, гDи, и3 и 3 сповёдую, ћкw ты2 є3си2 вои1стинну хrт0съ, сн7ъ бGа живaгw, пришeдый въ мjръ грBшныz спасти2, t ни1хже пeрвый є4смь ѓзъ: є3щE вёрую, ћкw сіE сaмое є4сть пречи1стое тёло твоE, и3 сіS є4сть сaмаz честнaz кр0вь твоS. молю1сz u5бо тебЁ: поми1луй мS, и3 прости1 ми прегрэшє1ніz мо вHльнаz и3 невHльнаz, же сл0вомъ, же дёломъ, же вёдэніемъ и 3 невёдэніемъ: и3 спод0би мS неwсуждeннw причасти1тисz пречи1стыхъ твои1хъ тaинствъ, во њставлeніе грэхHвъ и3 въ жи1знь вёчную. Тaже: Вeчери твоеS тaйныz, днeсь сн7е б9ій, причaстника мS пріими2: не бо2 врагHмъ твои 6мъ тaйну повёмъ, ни лобзaніz ти2 дaмъ ћкw їyда, но ћкw разб0йникъ и3сповёдаю тS: помzни1 мz гDи, во цrтвіи твоeмъ. Да не въ сyдъ и 3ли2 во њсуждeніе бyдетъ мнЁ причащeніе сhхъ твои1хъ тинъ гDи, но во и 3сцэлeніе души2 и3 тёла. И# тaкw причащaютсz въ рукaхъ держи1магw со стрaхомъ и 3 всsцэмъ ўтвержeніемъ. Тaже востaвъ, пріeмлетъ nбёма рукaма съ покр0вцемъ сhй поти1рь, и3 причащaетсz три1жды и 3з8 негw2, глаг0лz: Ч Cтнhz и3 сhz кр0ве гDа бGа и3 сп 7са нaшегw ї}са хrтA, причащaюсz ѓзъ рaбъ б9ій, сщ7eнникъ и4м>къ, во њставлeніе грэхHвъ мои1хъ, и3 въ жи1знь вёчную, ґми1нь.

И# тaкw свои2 ўстнЁ, и3 сщ7eннагw потирS въ рукY держи1мымъ покр0вцемъ њтeръ, и3 глаг0летъ: СE прикоснyсz ўстнaмъ мои 6мъ, и3 tи1метъ беззакHніz мо, и 3 грэхи2 мо њчи1ститъ. Призывaетъ діaкона, глаг0лz: Діaконе, приступи2. И# діaконъ прих0дитъ и3 покланsетсz є3ди1ною, глаг0лz: СE прихождY къ безсмeртному цRю2: и3, Вёрую гDи, и3 и 3 сповёдую: всE. И# глаг0летъ сщ7eнникъ: Причащaетсz рaбъ б9ій діaконъ, и 4м>къ, чcтнhz и3 сhz кр0ве гDа и3 бGа и3 сп 7са нaшегw ї}са хrтA, во њставлeніе грэхHвъ свои1хъ, и 3 въ жи1знь вёчную. Причасти1вшусz же діaкону, гlетъ сщ7eнникъ: СE прикоснyсz ўстнaмъ твои 6мъ, и3 tи1метъ беззакHніz тво, и 3 грэхи2 тво њчи1ститъ. [зри2] Подобaетъ вёдати, ћкw ѓще сyть хотsщіи причащaтисz сhхъ тинъ, раздроблsетъ сщ7eнникъ. двЁ чсти сaгw ѓгнца њстaвшыz, є4же, НІ, и3 є 4 же КА, на млыz чстицы, ћкw бhти всBмъ причaстникwмъ дов0льно, и3 тaкw вложи1въ и 5хъ во сyю чaшу, причащaетъ по nбhчаю t тёла и3 кр0ве гDни, со всsкимъ nпaсствомъ.

Причащaетъ же и 5хъ, повнегдA рещи2 діaкону: Со стрaхомъ б9іимъ и3 вёрою приступи1те. Тaже приступaютъ хотsщіи причащaтисz: и3 тaкw и 4дутъ є3ди1нъ по є3ди1ному, и3 покланsютсz со всsцэмъ ўмилeніемъ и 3 стрaхомъ, согбeннэ рyцэ къ пeрсемъ и3мyще: тaже пріeмлетъ б9eствєнныz тйны. Сщe7нникъ же причащaz є 3го2 глаг0летъ: Причащaетсz рaбъ б9ій, и 4м>къ, чcтнaгw и3 сaгw тёла и3 кр0ве гDа и3 бGа и3 сп 7са нaшегw ї}са хrтA, во њставлeніе грэхHвъ и3 въ жи1знь вёчную. И# тaкw њтирaетъ є3мY ўстнЁ сhмъ покр0вцемъ, и3 цэлyетъ сyю чaшу, и3 поклони1всz tх0дитъ. ТогдA пріeмъ діaконъ сhй дjскосъ верхY сaгw потирS, и 3 глаг0лz воскре6сныz пBсни сі: Воскресeніе хrт0во ви1дэвше, поклони1мсz с0му гDу ї}су, є3ди1ному безгрёшному. кrтY твоемY покланsемсz хrтE, и3 с0е воскrніе твоE поeмъ и3 слaвимъ: тh бо є3си2 бGъ нaшъ, рaзвэ тебE и 3 н0го не знaемъ, и 4мz твоE и 3менyемъ. Пріиди1те вси2 вёрніи, поклони1мсz с0му хrт0ву воскrнію: сe бо пріи1де кrт0мъ рaдость всемY мjру. всегдA благословsще гDа, поeмъ воскrніе є3гw2: распsтіе бо претерпёвъ, смeртію смeрть разруши2.

Свэти1сz, свэти1сz, н0вый їерусали1ме, слaва бо гDнz на тебЁ возсіS. ликyй нhнэ, и3 весели1сz сіHне: тh же чcтаz красyйсz бцdе, њ востaніи рж cтвA твоегw2. Q пaсха вeліz, и3 свzщeннэйшаz хrтE! q мyдросте, и3 сл0ве б9ій и3 си1ло! подавaй нaмъ и 4стэе тебE причащaтисz, въ невечeрнэмъ дни2 цaрствіz твоегw2. Њтирaетъ с0ю гyбою ѕэлw2 д0брэ, со внимaніемъ и3 бlгоговёніемъ, глаг0лz словесA сі: Tмhй гDи, грэхи2 поминaвшихсz здЁ кр0вію твоeю честн0ю, мlтвами сhхъ твои1хъ. И# покрывaетъ сhй поти1рь покр0вцемъ, под0бнэ и3 на сhй дjскосъ возлагaетъ ѕвэзди1цу и3 покр0вцы. Тaже приглаг0летъ мlтву благодaрственную сщ7eнникъ: Бlгодари1мъ тS, вLко чlвэколю1бче, бlгодётелю дyшъ нaшихъ: ћкw и3 въ настоsщій дeнь спод0билъ є3си2 нaсъ нбcныхъ твои1хъ и 3 безсмeртныхъ тaинствъ. и 3спрaви нaшъ пyть, ўтверди1 ны во стрaсэ твоeмъ вс, соблюди2 нaшъ жив0тъ, ўтверди2 нaшz стwпы2, моли1твами и3 молeньми слaвныz бцdы и3 приснодв7ы мRjи, и3 всёхъ сhхъ твои1хъ. И# тaкw tверзaютъ двє1ри сaгw nлтарS, и3 діaконъ поклони1всz є3ди1ною, пріeмлетъ поти1рь со благоговёніемъ, и3 прих0дитъ во двє1ри, и3 возносS сhй поти1рь, показyетъ и5 лю1демъ, глаг0лz:

Со стрaхомъ б9іимъ и3 вёрою приступи1те. Ли1къ: Бlгословeнъ грzдhй во и 4мz гDне, бGъ гDь, и3 kви1сz нaмъ. Сщe7нникъ же благословлsетъ лю1ди, приглаг0лz возглaснw: Спаси2 б9е лю1ди тво, и3 благослови2 достоsніе твоE. И# њбращaютсz діaконъ же и3 сщ7eнникъ къ сёй трапeзэ, и 3 кади1тъ сщ7eнникъ три1жды, глаг0лz въ себЁ: Вознеси1сz на нб7сA б9е, и3 по всeй земли2 слaва твоS. Ли1къ же поeтъ: Ви1дэхомъ свётъ и 4стинный, пріsхомъ дƒа нбcнаго, њбрэт0хомъ вёру и 4 стинную, нераздёльнэй трbцэ покланsемсz: тa бо нaсъ спаслA є4сть. Тaже взeмъ сщ7eнникъ сhй дjскосъ, возлагaетъ на главY діaкона, и3 діaконъ пріeмъ и3 со благоговёніемъ, зрS внЁ къ двeремъ, ничт0же глаг0лz, tх0дитъ въ предложeніе, и 3 поставлsетъ и5. Сщ7eнникъ же поклони1всz, и3 пріeмъ сhй поти1рь, и3 њбрaщсz къ двeремъ, зрS на лю1ди, глаг0летъ тaйнw: Благословeнъ бGъ нaшъ: И# возглaснw: ВсегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь.

Да и 3сп0лнzтсz ўстA нaшz хвалeніz твоегw2 гDи, ћкw да поeмъ слaву твою,2 ћкw спод0билъ є3си2 нaсъ причасти1тисz сы 6мъ твои 6мъ, б9eствєннымъ, безсмє1ртнымъ и3 животворsщымъ тaйнамъ, соблюди2 нaсъ во твоeй сhни вeсь дeнь поучaтисz прaвдэ твоeй. ґллилyіа, ґллилyіа, ґллилyіа. И# и 3зшeдъ діaконъ сёверною двeрію, и3 стaвъ на nбhчномъ мёстэ, глаг0летъ: Пр0сти пріи1мше б9eственныхъ, сhхъ, пречcтыхъ, безсмeртныхъ, небeсныхъ и3 животворsщихъ, стрaшныхъ хrт0выхъ тинъ, дост0йнw благодари1мъ гDа. Ли1къ: ГDи поми1луй. Заступи2, спаси2, поми1луй и3 сохрани2 нaсъ б9е твоeю бlгодaтію. Ли1къ: ГDи поми1луй. Дeнь вeсь совершeнъ, съ, ми1ренъ и3 безгрёшенъ и 3спроси1вше, сaми себE и3 другъдрyга, и3 вeсь жив0тъ нaшъ хrтY бGу предади1мъ. Ли1къ: ТебЁ гDи. Їерeй же прsмw держS є3ђліе, согнyвъ ґнтіми1нсъ, твори1тъ над 8 ни1мъ кrтъ. Возглашaетъ: Ћкw ты2 є3си2 њсвzщeніе нaше, и3 тебЁ слaву возсылaемъ, nц7Y,

и3 сн7у, и3 с0му дƒу, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Їерeй: Съ ми1ромъ и 3зhдемъ. Ли1къ: Њ и 4мени гDни. Діaконъ: ГDу пом0лимсz. Ли1къ: ГDи поми1луй. Мlтва заамвHннаz возглaснw: Бlгословлszй бlгословsщыz тS гDи, и3 њсвzщazй на тS ўповaющыz, спаси2 лю1ди тво, и3 благослови2 достоsніе твоE, и 3сполнeніе цRкве твоеS сохрани2, њсвzти2 лю1бzщыz благолёпіе д0му твоегw2: ты2 тёхъ воспрослaви б9eственною твоeю си1лою, и 3 не њстaви нaсъ ўповaющихъ на тS. ми1ръ мjрови твоемY дaруй, цeрквамъ твои 6мъ, свzщeнникwмъ, бlгочести1вэйшему, самодержaвнэйшему, вели1кому гDрю нaшему їмперaтору ніколaю ґлеxaндровичу всеS рwссjи, в0инству, и3 всBмъ лю1демъ твои 6мъ: ћкw всsкое даsніе бlго, и3 всsкъ дaръ совершeнъ свhше є4сть, сходsй t тебE nц7A свётwвъ: и3 тебЁ слaву, и3 бlгодарeніе, и 3 поклонeніе возсылaемъ, nц7Y, и3 сн7у, и3 с0му дƒу, нhнэ и 3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Тaже: Бyди и 4мz гDне: три1жды.

И# pал0мъ lг: Благословлю2 гDа: Моли1твэ же глаг0лемэй, діaконъ стои1тъ на деснёй странЁ пред8 џбразомъ вLки хrтA, держS nрaрь св0й, главY прикл0нь, до совершeніz мlтвы: сeй же скончaвшейсz, сщ7eнникъ ќбw вх0дитъ сhми двeрьми, и3 tшeдъ въ предложeніе, глаг0летъ настоsщую мlтву: Мlтва, глаг0лемаz внегдA потреби1ти сz: И # сполнeніе зак0на и3 прор0кwвъ сaмъ сhй хrтE б9е нaшъ, и 3сп0лнивый всE n§еское смотрeніе, и 3сп0лни рaдости и3 весeліz сердцA нaшz, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Діaконъ же вшeдъ и3 сaмъ сёверною стран0ю, потреблsетъ сz со стрaхомъ, и3 со всsкимъ ўтверждeніемъ. [зри2] Сщ7eнникъ же и 3зшeдъ, даeтъ лю1демъ ґнтjдwръ. По скончaніи же pалмA, и3 раздаsніи ґнтjдwра, глаг0летъ: Благословeніе гDне на вaсъ, тогw2 бlгодaтію и3 чlвэколю1біемъ, всегдA, нhнэ и3 при1снw, и3 во вёки вэкHвъ. Ли1къ: Ґми1нь. Свzщeнникъ: Слaва тебЁ хrтE б9е, ўповaніе нaше, слaва тебЁ. Ли1къ: Слaва, и3 нhнэ: ГDи поми1луй, три1жды. Благослови2. Сщe7нникъ: Хrт0съ и 4стинный бGъ нaшъ, мlтвами пречcтыz своеS

мре [и3 прHчаz], и4же во сhхъ nц7A нaшегw ґрхіеп cкпа кwнстантjнz грaда їwaнна златоyстагw: и3 сaгw, и 4 м>къ, є3гHже є4сть дeнь, и3 всёхъ сhхъ, поми1луетъ и3 спасeтъ нaсъ, ћкw бlгъ и3 чlвэколю1бецъ. Ли1къ же многолётствуетъ їмперaтора. И# свzщeнникъ, вшeдъ во сhй nлтaрь, совлачи1тсz свzщeнныz nдeжды, глаг0лz: Нhнэ tпущaеши: Трис0е. И# по Џ§е нaшъ: Tпусти1тельный тропaрь, глaсъ }: Ќстъ твои1хъ ћкоже свётлость nгнS возсіsвши бlгодaть, вселeнную просвэти2: не сребролю1біz мjрови сокрHвища снискA, высотY нaмъ смиреномyдріz показA. но твои1ми словесы 2 наказyz, џ§е їwaнне златоyсте. моли2 сл0ва хrтA бGа, спасти1сz душaмъ нaшымъ. Слaва: Кондaкъ, глaсъ ѕ7. Под0бенъ: Е$же њ нaсъ: T нб7съ пріsлъ є3си2 б9eственную бlгодaть, и3 твои1ма ўстнaма вс ўчи1ши, покланsтисz въ трbцэ є3ди1ному бGу, їwaнне златоyсте, всебlжeнне прпdбне, дост0йнw хвaлимъ тS: є3си1 бо настaвникъ, ћкw б9eствєннаz kвлsz. И# нhнэ, бGор0диченъ:

Предстaтельство хрістіaнъ непостhдное, ходaтайство ко творцY непрел0жное, не прeзри грёшныхъ молeній глaсы: но предвари2, ћкw благaz, на п0мощь нaсъ вёрнw зовyщихъ ти2: ўскори2 на моли1тву, и3 потщи1сz на ўмолeніе, предстaтельствующи при1снw бцdе, чтyщихъ тS. И # ли2 ѓще х0щеши, рцы2 и3 дню2 тропaрь. ГDи поми1луй, вi7. Честнёйшую: Слaва, и3 нhнэ: и3 твори1тъ tпyстъ. Потреби1вшу же діaкону сz со всsкимъ nпасeніемъ, ћкw ничемY t ѕэлw2 др0бнэйшихъ пaсти крупи1цъ, и 3ли2 њстaтисz, наліsвъ во сyю чaшу t вінA и3 воды2, и3 потреби1въ, и3 сопрsтавъ гyбою всю2 мокротY. Тaже слагaетъ сы6z сосyды вкyпэ, и 3 њбвzзaвъ и 4хъ, полагaетъ на nбhчномъ мёстэ, глаг0лz: Нhнэ tпущaеши: и3 пр0чаz, ћкоже и3 сщ7eнникъ. И# њмывaетъ рyки на nбhчномъ мёстэ, и3 поклони1всz вкyпэ со сщ7eнникомъ, творsтъ tпyстъ, и3 бlгодарsще бGа њ всёхъ и 3сх0дzтъ. Конeцъ б9eственныz літургjи сaгw їwaнна златоyстагw.

De uitdagingen voor de Kerk op de drempel van het derde millennium

 

WELKE ZIJN DE UITDAGINGEN VOOR DE KERK OP DE DREMPELVAN HET DERDE MILLENIUM 

                                     

De  Kerk in haar bestaan en in haar tastbare aanwezigheid situeren ten overstaan van de uitdagingen die haar op een  directe of een meer indirecte  manier vanuit de maatschappij tegemoet komen. Een Kerk, wiens taak het is er- te-zijn voor mens en wereld . Dit is het onderwerp van een uiteenzetting van Michel  STAVROU, tijdens het XXIIe  Westeuropees orthodox congres te Blankenberge.  Michel STAVROU, 46 jaar, is gediplomeerde van de ‘Ecole centrale de Lyon’ en van het Instituut voor orthodoxe theologie te Parijs (Instituut Saint-Serge), waar hij momenteel dogmatische theologie doceert. Hij combineert dit met zijn werk als informaticaingenieur. Hij is tevens mede-secretaris van het comité voor  Katholiek-Orthodoxe dialoog in Frankrijk, en toegevoegd directeur aan het Instituut voor Oecumenische studies te Parijs. Hij is gehuwd en vader van een kind. In december 2004 heeft hij zijn doctoraatsthesis verdedigd aan de Sorbonne over het thema ‘La doctrine trinitaire de Nicéphore Blemmydès’.     (…)Het tijdperk waarin wij ons heden ten dage bevinden,op de drempel van het derde millenium is er een van  grote omwentelingen die te wijten zijn aan de technologische , politieke en economische veranderingen van de laatste tientallen jaren van vorige eeuw. Wij bevinden ons in een onomkeerbaar proces ,namelijk dat van de mondialisering, ondersteund door een revolutie op het gebied van techniek,electronika informatica en op het gebied van netwerken met de exponentiële ontwikkeling van het internet en van de spitstechnologieeën.Door de mondialisering wordt op wereldschaal een soort mega-samenleving geschapen die door allerlei netwerken met elkaar verbonden zijn. De informatica schept een situatie waarbij elke analyst-programmateur met de  anderen uit zijn werkomgeving verbonden is door bemiddeling van zijn  computer. Het is méér dan een voorstelling welke wij ons hiervan  maken, het is een voorbeeld van een leven in een gemondialiseerde wereld waarin wij zijn terechtgekomen. Binnen de context van deze wereldwijde veranderde situatie, stelt zich de vraag naar ons bestaan en dat van de gehele wereld. In onze post-moderne samenleving stelt zich bovendien het probleem van de verwerping van onze overgeërfde  waardensystemen en ideologieën die in het verleden zoveel betekenis hadden voor ons . Zo is er onder andere  de verwerping door velen van de traditionele religies, die verondersteld worden ouderwets en dogmatisch te zijn. Men constateert binnen het modernisme ook een vermindering van het naïve volksgeloof  en het opkomen van  een wetenschappelijk humanisme en een sectair laïcisme. Men constateert nochtans binnen onze samenleving een echte spirituele honger, vooral bij mensen  beneden de dertig jaar.. Velen gaan dan op zoek naar alternatieve vormen van religie  die echter dikwijls een ambigu en bedenkelijk karakter hebben  ; (…) De praktijk echter van de traditionele religies stort ineen. 

Religie, eucharistie, Kerk,

DE KERK EN HAAR VERHOUDING TOT DE EUCHARISTIE

Tegenover deze situatie van een wezenlijk veranderende wereld en tegenover de crisissen die dergelijke wereld met zich meebrengt, moeten wij om deze het hoofd te kunnen bieden, op de eerste plaats trachten terug te keren dot de eenvoudige vragen : wat betekent de Kerk voor ons ? Wat is de Kerk in wezen ? en wat is haar roeping ? In he
t credo, dat wij gezamenlijk opzeggen tijdens de goddelijke liturgie, zeggen wij over de Kerk : ‘Ik geloof in één,heilige, katholiek en apostolische Kerk’. Daardoor plaatsen wij ons geloof in de Kerk. De Kerk doet zich niet voor als een ‘menselijke’ onderneming, ze is een gave van God, die wij gemeenschappelijk hebben ontvangen en die ons gegeven is door hen die door Hem daartoe waren geroepen.(Dat is de betekenis zelf van het griekse woord ek-kaleô, waarvan het woord Kerk is afgeleid).
 En hoe schenkt de Kerk ons dit leven in God ? Doorheen de eucharistische bijeenkomst, die in haar liturgie begint met het Woord van God en eindigt met de communie van de Heilige Gaven van brood en wijn, door de Heilige Geest veranderd in het lichaam en bloed van Christus. En dit op vraag van de ganse gemeenschap. Anderzijds wordt de eucharistie altijd gecelebreerd in naam van de plaatselijke bisschop. Daardoor wordt de éénheid beleden met, enerzijds de plaatselijke gemeenschap, en anderzijds met de andere Kerken, zowel ruimtelijk  (conciliariteit) als in de tijd (apostolische opvolging). Aldus wordt de katholiciteit van de Kerk daadwerkelijk  gerespecteerd. De eenheid en de verscheidenheid worden op deze manier samengesmolten op een concrete plaats, en dit in de volheid van het leven dat wij ontvangen van de Al-hoge (…) De Kerk kan dus concreet worden gedefinieerd als de gemeenschap die samenkomt om de eucharistie te celebreren, met alles wat dit vooronderstelt,en met alles wat daaruit voortvloeit.(….) Dit betekent twee dingen : 1) Door in zijn bestaan te putten uit zijn toekomstig bestaan, smaakt de Kerk reeds op een reële wijze de eerste vruchten van het Koninkrijk. De Eucharistische communio is een voorafbeelding van de bijeenroeping van allen op het laatste oordeel. In het licht van de laatste dagen (eschata), is de Kerk in zijn authentiek bestaan het volk van God, verenigd uit alle natieën, uit alle menselijke condities, uit alle tijden.2) Als zijnde de ‘icoon’ van het Koninkrijk Gods, is de Kerk nog altijd niet de gelijke van haar prototype. Zij onderscheidt zich van het Koninkrijk. Zij draagt als een schat in lemen vaten de realiteit van het Koninkrijk met zich mee (2 Kor.4,7) 

DE MISSIONAIRE ROEPING VAN DE KERK 

De Kerk is niet enkel goddelijk, zij is God-menselijk. God heeft mensen nodig.’De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig’(Matt.,9,37)

Wij leven slechts door God en voor God opdat de mens zichzelf zou ontplooien en zijn vervulling zou vinden in God. De Kerk is dus niet enkel een bijeenroepen van Gods volk, maar evenzeer is ze het verspreide Godsvolk dat in de wereld de taak heeft om de wereld te ‘verkerkelijken’. Het einde van de liturgische Eucharistie geeft dit duidelijk weer : ‘ Laat ons in vrede heengaan.-In de Naam des Heren’. Dit heengaan is geen post-liturgisch gebeuren, maar maakt integraal deel uit van de eucharistische liturgie. Elk ogenblik van ons bestaan moeten we werken aan de komst van het Rijk Gods. De Heilige Gregorius van Nyssa heeft dit op een schitterende manier verwoord : Zolang mensen hun vervulling nog niet gevonden hebben in Christus, is onze taak als Christen nog niet ten einde. Christus is niet alleen in de menswording gevormd door de Heilige Geest, door een onophoudelijke werkzaamheid in de geschiedenis groeit Zijn lichaam nog voortdurend en verzamelt Hij het als ‘Kerk’.De Kerk, lichaam van Christus is dus een dynamische realiteit, een voortdurend groeien tot aan de laatste dag. Wij verwijzen hier ook naar de bijbelse beeldspraak over de Kerk: Volk van God op weg naar het Koninkrijk ; de Kerk,’Heilige stad’, gebouwd op de hoeksteen die Christus is en die zijn vervulling vindt in de komst van het Koninkrijk Gods (cf.Ef.2,22 ; 1 Kor.3,16)De Kerk als bruid die zich voorbereid op de bruidsgemeenschap met haar hemelse bruid (….) 

HET LEVEN VERKERKELIJKEN

 Het is in dit licht dat wij de verhouding van de Kerk met de Wereld moeten zien.De Kerk is geroepen om daadwerkelijk goede gist te zijn in het deeg van de wereld, om zo het Koninkrijk God op aarde tot vervulling te brengen. Kerk en wereld liggen in mekaars verlengde. Zoals Christus zichzelf heeft geofferd, zo  leeft ook de Kerk die zijn lichaam is, niet voor zichzelf. De Kerk leeft voor de wereld die God geschapen heeft uit zuivere goedheid, en die Hij geschapen heeft om in volle gemeenschap met Hem te treden op het feestmaal van de laatste dagen die het einde betekent van de Geschiedenis .Dit gegeven mogen we nooit vergeten, maar spijtig genoeg vergeten wij het zo dikwijls. Met Patriarch Athenagoras kunnen we zeggen dat :’de Kerk onze moeder is (…), de spil van de geschiedenis en
het hart van de wereld’ , ‘zelfs als de Kerk zijn eigen hart verloochent’, voegt Mgr. Georges Khodr, metropoliet van de Berg-Libanon er scherpzinnig aan toe (….)
 ‘Het leven verkerkelijken’, dit was het ordewoord van de stichters van het ‘ACER’ (Action chrétienne des étudiants russes – mouvement de jeunesse orthodoxe), om te onderlijnen dat geen enkel dimensie van ons leven mag ontsnappen aan de christianisering.Een christianisering die een gevolg moet zijn van onze gemeenschappelijke deelname aan de eucharistische maaltijd. Terzelfdertijd, wij moeten dit sterk onderlijnen, gaat dit proces van verkerkelijking van ons hart en van de wereld niet vanzelf ; als dit geleid wordt door de Heilige Geest vraagt het ook van ons een actieve medewerking in geduldige ascese en gebed, en dit in een tegendraadse , verscheurde wereld, waar ook wij nog deel van uitmaken. De ascese vertegenwoordigt het innerlijk werken aan onszelf  om ons te bevrijden van de fascinerende invloed die de wereld op ons uitoefent, opdat wij geen idolen zouden worden, maar ‘theofanieën’. De Kerk heeft zijn bestaansreden vanuit het komende Rijk ‘dat niet van deze wereld is’(Joh.18,36). Dat maakt, dat de kerk altijd in conflict zal komen met de wereld, zij kan met geen enkele menselijke institutie samenvallen. Wij zijn hier als pelgrims op doortocht, in de wereld, maar niet van de wereld. 

DE ONTMOETING TUSSEN  KERK  EN  CULTUREN

 

Op alle tijdstippen en op alle plaatsen is de Kerk geroepen om zich te engageren

voor een verkerkelijking van de cultuur, dit is haar roeping, haar missie. Dit proces noemen we : de inculturatie. Het is een dynamisch proces, door hetwelke

de boodschap van het evangelie en de kerkelijke Traditie worden binnengebracht in de locale cultuur, er zich als het ware in nestelt. Cultuur betekent de wijze waarop een groep mensen waarneemt, zich uitdrukt en uiteindelijk de werkelijkheid beleeft. Men ziet zich als het ware getransformeerd en tot op zekere hoogte gëevangeliseerd.

 Zonder dat dit eigenlijk ooit  theoretisch werd gefundeerd, heeft deze wijze van handelen, vanaf het begin van het Christendom een noodzakelijk element geweest voor de missionering.(….) De inculturatie is een vereiste vanuit het dogma van de incarnatie. ‘Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond’(Joh.1,14). Dit is het model van elke inculturatie. Het feit dat de Zoon van God gekomen is onder een bepaald volk, betekent niet dat Hij de specifieke cultuur van dat volk heeft geheiligd., de joodse cultuur in dit geval, en  waarvan men deel moet uitmaken om geheiligd te worden. Het concilie van Jeruzalem (Hand.15) heeft zich tegen deze joodse interpretatie uitgesproken. In het leven van de Kerk is de plaats van de Heilige Geest essentieel : het is de Geest die haar toestaat ‘eschatologisch’ te zijn (gericht op de voltooiing van de geschiedenis),met als gevolg, dat zij open moet staan voor elke cultuur ,waarvan de nederdaling  van de vurige tongen op Pinksteren hiervan een getuigenis is. Er bestaat geen twijfel over, dat wanneer de ‘inculturatie’ geslaagd is, zij beantwoordt aan de meest vruchtbare houding voor de kerkelijke missionering. Het onderscheidingsvermogen dat de Kerk in dit proces moet uitoefenen is van kapitaal belang. Zij moet zich in dit proces laten bijstaan door de dogmatische en liturgische Traditie , zodat de nieuwe culturele vormen zich kunnen laten leiden door het existentiële fundamentele perspectief dat ons het Evangelie van Christus brengt. Men kan zich de belangrijke gebeurtenis herinneren uit de tijd van de Kerkvaders, dat wat men genoemd heeft ‘ het hellenistisch doopsel’, de christianisering van de dominante grieks-latijnse cultuur, die op een ingewikkelde en progressieve manier tot stand is gekomen, zoals de geschriften van de apologetische Vaders van de 3e eeuw er een getuigenis over hebben afgelegd. Later was ook de evangelisatie van de Slaven in de 9e eeuw een zeer belangrijke vorm van inculturatie ‘….). 

EEN VERNIEUWING IN DE ERVARING VAN DE KATHOLICITEIT 

Iedereen weet dat de lange geschiedenis van de orthodoxie er een is geweest van tegenstand en tragische momenten : de invasies van de arabieren, de mongolen , de Turken, de kruisvaarders, de scheiding van de Westerse Kerk, de onafhankelijkheidsoorlogen, de Russische revolutie. Alhoewel de orthodoxe Kerk altijd heeft geleefd vanuit de volheid en het leven dat van God komt, zo constateert Vader Jean Meyendorff,’zijn de locale Kerken nog veraf zich overal aan te passen aan deze waarheid’. Het gevolg daarvan is een tekort aan samenwerking en uitwisseling , maar ook van spanningen en zelfs crisis-momenten tussen de autokefale Kerken onderling.Deze Kerken geven soms het gevoel dat de kerkelijke autokefalie voor hen een isolement inhoudt. Zelfs als een lokale Kerk de
katholiciteit ontvangt in de eucharistie, dan nog ontkent elke houding van zelfgenoegzaamheid deze katholiciteit.
  De orthodoxie , verspreid over de gehele wereld, lijkt vandaag de dag meer op een confederatie van Kerken die geen andere band hebben met elkaar dan deze van het geloof en de sacramenten. Geen enkele inter-orthodoxe structuur is er tot op heden in geslaagd om in het  dagelijks leven een oplossing te bieden aan de gemeenschappelijke problemen van de Kerken, en om een eenvormig getuigenis te geven van de orthodoxie (….).Dit is geen gevolg van een bepaalde tijdsgeest. Veel orthodoxe priesters vinden het al  langer  een dwingende noodzaak.Het concilie van Moscou van 1917-1918, waarvan de daadkracht ongelukkiglijk is teniet gedaan door de Revolutie, heeft toch, via de Russiche diaspora een groot deel van de orthodoxie beinvloedt. Verwijzen wij ook naar  metropoliet Sint Chrisostomos van Smyrna, die in 1918, vier jaar voor zijn martelaarschap ook gewezen heeft op de noodzaak van hervormingen. Hij vond het noodzakelijk dat niet alleen het theologisch en doctrineel onderwijs, maar ook het canoniek recht, het liturgisch leven, de muziek en de predicatie zouden geactualiseerd worden. Bijna een eeuw later is er wel een zekere vooruitgang te bespeuren op al deze domeinen, maar men wacht nog steeds op daadwerkelijk overleg en op een groot pan-orthodox concilie dat zich zou buigen over alle belangrijke en noodzakelijke domeinen in het leven van milioenen gelovigen. 

EEN NOODZAKELIJKE VERNIEUWING VAN HET THEOLOGISCH BEWUSTZIJN

 Bij gebrek aan tijd kunnen we hier niet alle actuele thema’s in de theologie behandelen. Ik zal mij beperken tot de dringende noodzaak van een verdieping van  de ecclesiologie en van de verandering in de benadering van de theologie.De orthodoxe theologie heeft de laatste eeuw een opmerkelijke periode gekend van vernieuwing, vooral in het Westen. Door veranderingen te brengen in de manier van aan theologie te doen is er een vernieuwende soteriologische (= leer van de verlossing – nvd vert.) en existentiële orientatie ontstaan ten aanzien van de Vaders. Nochtans dient opgemerkt dat deze vernieuwing de Kerken van de traditioneel orthodoxe landen weinig naar de diepte toe heeft doen veranderen.Zelfs bij hun bisschoppen en priesters niet. In het licht van de recente spanningen en crisisituaties onder de zusterkerken , constateert men dat hun hedendaagse ecclesiologische  structuren nog altijd meer onder de invloed staan van de socio-politieke situaties uit het verleden, dan onder de conciliaire beslissingen uitgedrukt in de theologie. Wenu, dit immobilisme is een hinderpaal voor de evangelisatie van de wereld. Wij moeten bijvoorbeeld constateren dat er, ondanks de eenstemmigheid die er is in verband met de terugkeer naar een eucharistische ecclesiologie, dit niet algemeen aanvaard en toegepast wordt. Men bemerkt een droevige tweespalt die dogma en spiritueel leven, ecclesiologie en canonisch recht, of nog theologie en geschiedenis tegenover mekaar plaatsen. Metropoliet Jean van Pergamo noteert in deze zin : ‘ De bisschoppen zijn beheerders geworden en het is haast een diskwalificatie voor hen  als ze theologen willen zijn. Dit alles leidt tot een marginalisering van de theologie met betrekking tot het leven, daarin begrepen het leven van de Kerk’. (….) Wij moeten ook vermijden om van onze theologie een wapen te maken tegen andersdenkenden, en dit met het besef het allemaal beter te weten. Het gaat er niet om het dogma te relativeren, maar het terug te brengen tot haar levende bron, veeleer dan het terug te brengen tot een steriele woordenstrijd.‘De ware theologie (….) vinden wij in de ontmoeting met Christus en in de beschouwing van Zijn mysterie’. Ons theologisch werk maakt deel uit van de exeprimentele stroom van de gemeenschap van de Heiligen, en kan niet beperkt worden door ze te plaatsen in een confessioneel getto door ideologische muren op te trekken. Als wij het orthodox geloof belijden, moeten we met meer aandacht de waarheid proberen te zoeken, in plaats van het kaf op te sporen in de ogen van onze gescheiden broeders.(….)Zo moet het orthodoxe geloof dat wij belijden op de hoogte staan van datgene wat wij belijden. 

DE LITURGISCHE VERNIEUWING

 Zoals wij hebben gezien is de liturgie geen vlucht uit de wereld, maar een voortdurende transformatie van onszelf  als leden van het lichaam van Christus.De celebratie van de liturgie moet de diepste essentie van ons menszijn raken.Er dient wel opgemerkt te worden, dat de eucharistie in vele gevallen niet meer beleefd wordt als een icoon van de bijeenroeping op de laatste dagen rond de Heer die komt, maar als een heilig ‘iets’, dat tegemoet moeten komen aan onze persoonlijke godsvrucht, een soort van ‘vlucht’ uit de wereld naar God toe. De betekenis van de gebaren, de tekens, de woorden van de diensten, soms ook de taal vormen heel dikwijls voor problemen. Veel gelovigen en priesters verwarren Traditie met ‘verstening’, en beschouwen de liturgie als een blok waaraan niet mag geraakt worden. Een zekere actualisering in de wijze van celebreren  zou zeker, zoals trouwens altijd is geweest,  welkom zijn. Moet  het liturgisch leven ook niet vergezeld gaan van een catechese, die vooral de nadruk zou leggen op de theologische betekenis van de diensten. Het antwoord op de uitdagingen  van de wereld aan het adres van de Kerk, kan slechts fundamenteel gegeven worden door de eucharistische gemeenschappen zelf, waar de Kerk zich in zijn volheid manifesteert. In de ons omringende antropocentrische en individualistische wereld, kan alleen een duidelijke beleving van het Evangelie, indien het zonder compromissen gebeurt, ons een antwoord geven op de bijna onbewuste verwachtingen die in de harten van de mensen leven. Onze zending in de wereld vereist dat er goed ingeplante, soliede en zichtbare gemeenschappen zouden zijn ; gemeenschappen  die werken op basis van een open christelijke cultuur, gevoed door het evangelie, de liturgie en de kerkelijke Traditie. Tegelijk moeten ze aandacht hebben voor de taal, de cultuur en de vragen van hun tijdgenoten. 

HET IS OP DE EERSTE PLAATS IN DE PAROCHIE DAT DE KATHOLICITEIT MOET BELEEFD WORDEN

 De ‘Weltanschauung’ van de orthodoxie, is de liturgie. De voornaamste plaats waar onze zending begint is de parochie. Het eerste getuigenis van de Kerk als eucharistische gemeenschap is een ‘teken’ te zijn , een sacrament van het goddelijk leven dat wij  van de verrezen Christus hebben ontvangen, zelfs voor er ook maar aan een bepaalde actie,  welke dan ook, gedacht wordt. Onze parochies moeten dus open en ontvankelijke  plaatsen blijven. Het is op de eerste plaats in de parochie dat men de katholiciteit moet beleven en dit door de eenwording van allen rond de eucharistische tafel. Dan pas kan  de katholiciteit uitstralen over de gehele wereld.’ Enkel het parochiaal leven, noteert Christos Yannaras, kan bijdragen tot een priesterlijke dimensie in de politiek, een profetische in de wetenschap, een  filantropische houding in de economie, en een sacramenteel karakter aan de liefde’. Ook de monasteries, als plaatsen van herbronning en getuigenis, hebben een grote rol te spelen. De monniken zijn geroepen om getuigenis af te leggen van de komst van Gods Koninkrijk, en dit door een leven van voortdurend berouw voor de Oude gevallen mens die in ons verblijft, maar ook door een leven te leiden in  nederigheid en vreugde omwille van het nieuwe heil  in Christus. Door hun sober leven en hun beschikbaarheid voor de naaste, brengen de monniken een evangelische boodschap zowel binnen  de Kerk als erbuiten , waar men hen dikwijls als raadselachtige , mysterieuze mensen beschouwd. Zij zijn de getuigen van Gods liefde en van de gratuiteit van het geloof in een wereld die in beslag genomen wordt door utilitarisme en activisme. Diegenen die de noodzaak van het bestaan van monniken niet inzien, zouden de tekst uit het evangelie eens moeten lezen over Martha en Maria, om te zien wie van beiden het beste deel heeft gekozen. Ten slotte heeft men de ontmoetingsgroepen, de bedevaarten, de verenigingen en broederschappen zoals het ACER-MJO of de orthodoxe Fraterniteit die dit grote congres hebben georganiseerd. Al deze groepen, verenigingen, broederschappen hebben een grote rol te spelen,  namelijk : de gelovigen helpen zich bewust te worden van het feit dat de Kerk  katholiek en conciliair  is omdat ze eucharistisch is. Dat help ons om verlost te geraken  uit de routine, uit de groepsmentaliteit, uit het phyletisme, en om beter bewust te worden van onze eigen taak in de maatschappij .Verenigingen zoals de orthodoxe Fraterniteit, of op wereldvlak Syndesmos dragen bij om de katholiciteit van de Kerk , dat een gave van Christus is,  nieuw leven in te blazen en aan te zetten tot daadwerkelijk engagement . 

EEN PROFETISCHE AANWEZIGHEID IN EEN GESECULARISEERDE MAATSCHAPPIJ

 Zoals Olivier Clément het  beschrijft : ‘ Christenen kunnen, met nederige kracht een zekere gevoeligheid, een zeker vuur, een zeker licht doen opstralen. Indien ze dat niet doen, dan zullen ze hun plaats niet vinden binnen de geseculariseerde samenleving. Hun plaats zal dan ingenomen worden door allerhande pseudo-religies’. Als christenen  hun   energie putten uit de eucharistische gemeenschap, eerste bron van elke zending,  is het zelfs mogelijk dat de Kerk  haar getuigenis op verschillende manier kan realiseren, volgens de omstandigheden en charisma’s van het Godsvolk. In het ene geval zal dat zijn als één lichaam, terwijl in andere gevallen groepen of personen geroepen zullen  worden in naam van allen te werken. Noch het gesloten communautarisme, noch het individueel piétisme zijn geschikt voor dergelijke opdracht. Alleen mensen ‘in gemeenschap ‘kunnen uitstralen, en hun getuigenis zal een profetische vorm aannemen door een woord of een opwekking die ‘de waarheid’ nastreeft, of door bepaalde concrete acties die het Evangelie in daden omzet.(….) Elke Christen wordt op het einde van de liturgie opgeroepen om Christus uit te stralen doorheen zijn activiteiten in de wereld. Het is een ‘ liturgie na de liturgie’Vooreerst moeten wij getuigen zijn van de vreugde en het vertrouwen in de toekomst, omdat Christus verrezen is.Vervolgens moeten wij een daadwerkelijke interesse vertonen voor de mensen die wij op onze weg tegenkomen. Het gaat om een ononderbroken inspanning om mensen te bevrijden van onrechtvaardige situaties, van slaafsheid, van angst en eenzaamheid  door gemeenschap te stichten.  Men mag niet vergeten dat elke orthodox tijdens van zijn doopsel de drievoudige waardigheid van ‘koni
ng, priester en profeet’ heeft ontvangen, en dit door de handoplegging tijdens de zalving. En omdat we, zoals de Apostel Paulus niet de mogelijkheid hebben om naar andere volkeren te gaan, zullen we het  getuigenis van Christus, binnen onze eigen leefwereld moeten brengen.
 

HET IS GOD ZELF, DIE DOORHEEN DE KERK, DE WERELD VERNIEUWT

 Hoe  kunnen we beter een  voorlopig besluit nemen, dan met deze woorden uit de apocalyps :‘zie, ik maak alles nieuw’? De Kerk waarin wij geloven , waarvan wij de leden zijn en waarin wij mogen meewerken aan haar groei, kan voor ons zijn zoals de bejaarde vrouw met haar altijd jonge gezicht waarvan de Pastor van Hermas in de 2e eeuw sprak.  Maar doorheen de Kerk is het uiteindelijk de gehele wereld zelf die God vernieuwt om haar voor te bereiden op de grote bruiloft van het Lam, op het grote mysterie dat  verborgen is sedert de grondvesting der wereld’ (Mat.13,35). En deze voltooing wil God realiseren met onze samenwerking., met Zijn volk. Deze grote uitdagingen waarvoor de Kerk bij het begin van het 3e millenium is komen te staan, belangen ons allemaal aan, zowel collectief als individueel. In deze wereld van voortdurende en irreversibele veranderingen zijn wij als gedoopten, als leden van het Godsvolk, geroepen om te werken aan het tegenwoordigstellen van de Kerk in ons hart, in ons gezin, in ons werk, kortom : in het volle leven. Maar dit kan maar als wij zelf leven vanuit de eucharistische gemeenschap, waaruit men het leven in Christus put. Zo wordt de Kerk een beetje meer zichtbaar in de wereld.De verwijzing naar het verleden, naar de nationale wortels en de familiale erfenis, die ons zo dierbaar is in de orthodoxie, heeft  maar een relatief balang ‘sub species aeternitatis’ . Het heeft maar  een betekenis  als we er een offerande aan God kunnen van maken , want dit is ‘eucharistie doen’ !Dan wordt alles getransfigureerd, overbodige zaken verdwiinen, en er blijft alleen de smaak over van het Evangelie in de levende ‘adem’ van de Traditie, en het parfum van het komende Rijk.  Overgenomen vanuit  de franse vertaling uit‘SOP’Vrij vertaald door Kris B.                    

Feest van de Kruisverering (14 september)


 

FEEST VAN DE KRUISVERHEFFING

14 september  

zenon1

De moeder van Keizer Constantijn had zich laten dopen in 313 en ondernam een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Zij zou daar, aldus de legende, bij Golgota drie kruisen hebben aangetroffen. Toen een doodzieke vrouw een van deze drie kruisen aanraakte en vervolgens genas, zou bisschop Makarius dit als het kruis van Christus hebben erkend en sedertdien werd het als zodanig vereerd. Het feest stelt de verering van het kruis als lijdenssymbool, als zegeteken en beschermend element van de Kerk centraal. “Immers, de prediking van het Kruis is wel een dwaasheid voor hen, die verloren gaan, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods” (1 Kor.1,18). De icoon toont Makarius terwijl hij, geflankeerd door diakens, het kruis vasthoudt.Op de voorgrond keizer Constantijn, tegenover hem zijn moeder Helena, vergezeld door hoogwaardigheidbekleders.

Geboorte van de Moeder Gods – 8 september

  

DE GEBOORTE VAN DE MOEDER GODS

8 SEPTEMBER

 

ikoon (439 x 658)

De canonische Evangeliën vertellen niets over de geboorte van de Moeder Gods. De eerste schriftelijke overleveringen iver de kinderjaren van maria zijn afkomstig uit de 2e eeuw. Ze zijn te vinden in het prote-evangelie van Jacobus, dat in het grieks werd opgetekend. Deze geschriften kennen nog altijd een grote populariteit, maar zowel in het oosten als in het westen als niet-canonisch beschouwd. Het proto-evangelie van Jacobus is zonder twijfel het uitgangspunt voor de uitbeelding van de geboorte van Maria. Anna en Joachim, de ouders van Maria, worden daarin afgeschilderd als een voornaam, vermogend en vroom echtpaar. De icoon toont het moment na de geboorte van Maria. Anna (Hanna = de begenadigde)zit op haar bed en wordt omringd door dienaressen. De vroedvrouw staat voor het bed van Anna, zodat deze alles goed kan overzien. Op haar ene arm houdt zij Maria, met de andere controleert zij de temperatuur van het water, dat een dienares in de wastobbe giet.Geheel rechts staat Joachim, de handen in dankbaarheid opgeheven..In het Jakobusevangelie wordt verteld : “…en Anna vroeg de vroedvrouw :’is het een jongen?’ De vroedvrouw zei :”een meisje” Dan spreekt Anna :”Het geluk is met mij op deze dag. Mijn ziel looft de Heer” Aanvankelijk werd het feest alleen in het oosten gevierd. Op het einde van de 7e eeuw introduceerde de roomse paus Sergius I, die van Griekse afkomst was, het tijdens zijn pontificaat (687-701) ook in het Westen.  

 

 Goddelijke liturgie in het PORTUGEES


A Divina

Liturgia

Liturgia é uma palavra grega e Significa “serviço público.” Na terminologia da Igreja, significa o Serviço Divino durante o qual são oferecidos os Santíssimos Corpo e sangue de nosso Senhor Jesus Cristo no Sacramento da Comunhão ou Eucaristia.

Eucaristia em grego, significa “agradecimento.” É um sacramento do Novo Testamento instituído por Jesus Cristo, nosso Salvador, antes de Sua paixão e morte.

Os Santos Apóstolos e Evangelistas Mateus, Marcos e Lucas descrevem com detalhes a instituição do sacramento da Eucaristia na Última Ceia do Senhor, na Quinta feira Santa (Mat. 26:26-29; Mar.14:20-24; Luc. 22:14-20): Tomando em Suas Santas mãos o pão, levantou os olhos aos Céus, deu graças e agradecimento ao Pai, Partiu o pão em pedaços e distribuiu-os, Dizendo: “Tomai e comei, este é o meu Corpo que é dado por vós.” Os apóstolos receberam o pão de Suas mãos e distribuíram entre si. E tomando o cálice, deu graças a Deus Pai e deu-o aos discípulos, dizendo: “Bebei dele todos, este é o meu Sangue do Novo Testamento, o qual é derramado por vós e por muitos, para a remissão dos pecados.” E tomaram dele todos, após o que, Jesus disse: “Fazei isto em memória de Mim.”

Os apóstolos seguiram fielmente este mandamento de Jesus e celebravam constantemente este sacramento. Assim faziam também todos os Bispos e Sacerdotes ordenados pelos apóstolos na Igreja por eles fundada, seguindo fielmente esta santa tradição até o século IV.

São Basílio o Grande, arcebispo de Cesaréia na Capadócia (+379), baseando- se em todas as tradições antigas da Igreja compôs a Divina Liturgia que é celebrada até os dias de hoje, 10 vezes por ano.

São João Chrisóstomo Arcebispo de Constantinopla (+404), sem alterar a essência da Liturgia de São Basílio, encurtou-a e, nessa forma abreviada, é celebrada em nossa Igreja todos os dias, inclusive domingos e dias santos.

Assim, o texto da parte mais importante da Liturgia remonta aos tempos apostólicos e, até hoje, é santa e fielmente seguido pela Igreja Ortodoxa, sem alterações. Do grego para o eslavo, usado na Igreja Russa, a Liturgia foi traduzida por São Cirílo, em meados do século IX. Já há mil anos que a Igreja Ortodoxa Russa vem celebrando a Santa Liturgia em eslavo. Somente agora, como conseqüência de nossa situação de exilados e imigrantes, e devido que para muitos fiéis nascidos na diáspora, a Liturgia em eslavo tornou-se difícil de entender e, devido ainda ao número crescente de conversões, tornou-se indispensável a tradução da Liturgia para o português, para melhor entendimento e assimilação do sacramento.

Ordem e

Conteúdo da Liturgia

A Santa Liturgia não só relembra, mas também repete a vida de nosso Salvador Jesus Cristo. Ela compõe-se de três partes:

1 – Proskomídia

2 – Liturgia dos Catecúmenos

3 – Liturgia dos Fiéis

1 – Proskomídia

É celebrada somente pelo sacerdote, dentro do altar, na mesa das oferendas, cuja localização é à esquerda do altar. Para a celebração da Liturgia durante a Proskomídia são preparadas as espécies do pão e do vinho. São trazidas cinco “prosforas” (pães especiais com o sinal da cruz impresso na parte superior) e vinho tinto natural de uva. Nesse ofício de Oblação, um dos pães e o vinho misturado com água, são preparados para o sacramento da comunhão. Deste pão é recortada uma parte em forma de cubo e colocada na Patena (um prato especial com suporte e coberto com a cruzeta). O vinho é colocado no cálice. Em seguida, ambos são cobertos com véus. A cerimônia da Proskomídia não consta deste livro, uma vez que o povo não participa da mesma.

2 – Liturgia dos Catecúmenos

Começa este livro com a Liturgia dos Catecúmenos, que vai até o momento em que é proclamada a ladainha convidando os catecúmenos a saírem. Dessa parte da Liturgia podem participar todas as pessoas, batizadas ou não. Nessa parte da Liturgia comemora-se o período de vida de Jesus, nosso Salvador, desde sua infância (cântico das Antífonas) até Seu aparecimento em público, pregações e ensinamentos, o que é simbolizado pela abertura das Portas Reais, Pequeno Intróito com o evangelho e leitura das Sagradas Escrituras do Novo Testamento (Carta dos Apóstolos e Evangelho).

Antigamente participavam dessa parte as pessoas que estavam se preparando para o Batismo, os catecúmenos, que eram instruídos na verdade da fé Cristã e que saiam da Igreja com a invocação da Ladainha “Catecúmenos, sai.”

3- Liturgia Dos Fiéis

Em seguida tem início a Liturgia dos Fiéis, durante a qual é celebrado o Sacramento da Eucaristia ou Comunhão. Dessa parte da Liturgia podem participar somente os Cristãos Ortodoxos batizados. Durante o Cântico do Hino dos Querubins, as Santas Oferendas são transportadas do Altar das Oferendas para o Altar Principal. É o “Grande Intróito,” que simboliza a entrada triunfal de Cristo em Jerusalém.

Durante o translado das Oferendas, o sacerdote reza para que o Senhor Deus se lembre em Seu Reino das autoridades eclesiásticas e civis e dos paroquianos, da irmandade, de todos os presentes e de todos os cristãos ortodoxos.

Antes da Consagração é cantado o Símbolo de Fé e, então tem início a principal e mais importante parte da Liturgia – a Eucaristia – que começa com as palavras “Demos graças ao Senhor.” Nesta oração são lembradas todas as dádivas divinas para a humanidade, canta-se o Hino de Louvor dos Serafins (Santo, Santo, Santo é o Senhor…), e é relembrada a instituição do sacramento da Sagrada Eucaristia e última ceia.

A Consagração do pão e vinho acontece durante o cântico “Nós Te Louvamos e…” Após a Consagração canta-se o Hino à Mãe de Deus: “É verdadeiramente digno e justo louvar-te …” Durante o qual o sacerdote reza a todos os Santos e são lembrados todos os cristãos ortodoxos vivos e falecidos.

A Comunhão é precedida pela oração “Pai Nosso.” Fecham-se as Portas Reais e a Cortina e o sacerdote toma a Comunhão no Altar. Este momento simboliza Jesus no

Sepulcro. Abrem-se as Portas Reais e o sacerdote traz o cálice para a comunhão dos fiéis, simbolizando a Ressurreição de Jesus e o acesso a todos ao Reino dos Céus.

Após a Comunhão, o Cálice com os santos Dons é levado para a mesa das Oferendas, simbolizando a Ascensão de Cristo.

A Liturgia termina com a benção final do sacerdote, quando todos os fiéis vêm beijar a Cruz.

A Santa Liturgia tem um grande significado para o cristão. Ela relembra e simboliza toda a vida terrena de nosso Senhor Jesus Cristo e todos os que participam de Seu Corpo e Sangue, misticamente participam da Santa Ceia e da Vida de CRISTO, com CRISTO e em CRISTO.

Quando um cristão ortodoxo se prepara para a comunhão, deve purificar previamente a sua alma através da Penitência e da confissão. Sem isso não é permitido receber a comunhão.

Confissão é o reconhecimento sincero de todos seus pecados, faltas e transgressões, acompanhado do mais profundo arrependimento e firme propósito de corrigir-se e viver de acordo com as leis e vontade de Deus. No Sacramento da Confissão é dada a absolvição, a certeza da misericórdia Divina. A penitência é sempre acompanhada pelo jejum e não se pode beber ou comer nada desde a véspera até a Comunhão.

Todo cristão ortodoxo deve comungar o mais freqüentemente possível, porém, no mínimo quatro vezes ao ano (no período das 4 Quaresmas). Aquele quer por negligência deixar passar mais de um ano sem a confissão e comunhão, deixa de fazer parte do Santo Rebanho de Cristo (cânone apostólico). É como se ele mesmo tivesse se excomungado.

Durante a Liturgia todos que estiverem no templo devem orar com reverência, de pé, participando de todas as orações e cânticos, como se todos fossem um só coração. Esta oração em conjunto eleva a alma da baixeza material do mundo e proporciona-lhe a leveza e a paz Divina dos Santos no Reino de Deus. É necessário aprender as orações desde criança. Quem não sabe rezar não pode ser um autêntico cristão. Os Santos Apóstolos nos exortam a rezar continuamente, todos os dias, em casa e em viagem, trabalhando ou descansando. Na Igreja a oração tem significado especial, pois é feita em conjunto e não em particular. Essa oração pública, unida, é parte importante da Liturgia, bem como de todo ofício religioso celebrado na Igreja.Essas orações em conjunto cultivam e educam no indivíduo os sentimentos de amor, fé, caridade e esperança, fortalecendo nosso espírito cristão. A educação religiosa é fundamental e importantíssima uma vez que eleva a mente e o coração ã verdadeira existência cristã, direcionando e orientando todos os nossos atos no caminho indicado pelo fundador do cristianismo: nosso Senhor e Salvador Jesus Cristo e seus Santos Apóstolos.

Portanto, fiquem firmes na fé Apostólica Ortodoxa, reta e verdadeira. Sejam verdadeiros filhos da Igreja e soldados de Cristo, como foram nossos antepassados. A ortodoxia é nosso tesouro espiritual que devemos desenvolver e aumentar, crescendo e nos aperfeiçoando na fé e na Caridade de Cristo.

Reverendo Arcipreste

GEORGE PETRENKO

Liturgia

Diácono: Abençoa, Soberano.

Sacerdote: Bendito seja o Reino do Pai, e do Filho e do Espirito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

Ladainha da Paz

Diácono: Em paz, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor, tem piedade.

Sacerdote: Pela paz celestial e salvação de nossas almas, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Pela paz do mundo inteiro, pela estabilidade das Santas Igrejas de Deus e pela união de todos, oremos ao Senhor

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Por este Santo Templo e por aqueles que nele entram com fé, veneração e temor a Deus, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Pelo episcopado Ortodoxo da Igreja Russa, pelo nosso Reverendíssimo Senhor Metropolita Vitali, primaz da Igreja Russa no exílio, pelo nosso Reverendo Senhor Arcebispo (ou Bispo), pelo venerável presbitério, diaconato em Cristo, e por todo o Clero e povo, oremos a Senhor.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Pela sofredora Nação Russa e seu povo dos inimigos visíveis e invisíveis e firme-nos na união de espírito, amor fraterno e devoção, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Por este país por seus governantes e forças armadas e por todo país cristão, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Por esta cidade, por todas as cidades e países e pelos fiéis que nelas habitam, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Pela salubridade do ar, pela abundância dos frutos da terra e por tempos pacíficos, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Pelos navegantes, viajantes, enfermos, sofredores, prisioneiros e pela sua salvação, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Para que sejamos livres de toda aflição ira e necessidade, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Protege-nos, salva-nos, tem piedade de nós e guarda-nos, ó Deus, pela Tua Graça.

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Comemorando nossa Santíssima, Puríssima Bem Aventurada e Gloriosa Senhora, a Mãe de Deus e sempre Virgem Maria, com todos os Santos, encomendemo-nos mutuamente uns aos outros e toda a nossa vida a Cristo Deus.

Coro: A ti, ó Senhor.

Sacerdote: Porque a Ti pertence toda glória, honra e adoração, Pai Filho e Espirito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

O coro canta

A primeira Antífona

– Salmo 102

Coro: Bendize, ó minha alma,o Senhor, Bendito és Tu, ó Senhor. Bendize, ó minha alma, ó Senhor, e todas as coisas que há dentro de mim, o Seu Santo Nome. Bendize, ó minha alma, o Senhor, e não esqueças nenhum dos Seus benefícios. É Ele quem perdoa todas as tuas culpas, e quem sara todas as tuas enfermidades. É Ele quem resgata da morte a tua vida, e quem te coroa de misericórdia e de graça. É Ele quem sacia de bens a tua vida, renova-se como a da águia a tua juventude. O Senhor faz obras de justiça e defende o direito de todos os oprimidos, faz conhecer a Moisés os Seus caminhos, aos filhos de Israel as Suas obras. O Senhor é misericordioso e compassivo, lento para a ira e muito clemente. Não está sempre a contender, nem guarda ressentimento para sempre, não nos trata segundo os nossos pecados, nem nos retribui segundo as nossas culpas. Porque quanto o céu está elevado acima da Terra, tanto prevalece a Sua misericórdia sobre os que O temem. Quanto o oriente dista do ocidente, tanto Ele afasta de nós os nossos delitos. Como um pai se compadece dos seus filhos, assim se compadece o Senhor dos que O Temem. Porque Ele sabe bem de que somos formados, lembra-Se que somos pó. Os dias do homem são semelhantes ao feno, como a flor do campo assim floresce. Apenas é tocada pelo vento, já não existe, nem o seu lugar o conhece mais. Mas a misericórdia do Senhor estende-se desde a eternidade, e para sempre sobre os que O temem. E a Sua justiça com os filhos, com aqueles que guardam a sua aliança e se lembram dos Seus mandamentos para os observar. O Senhor estabeleceu o Seu trono no céu e o Seu reino domina todas as coisas. Bendizei o Senhor todos os Seus anjos, vós que sois poderosos em força, que executais as Suas ordens prontos para obedecer a Sua palavra. Bendizei o Senhor, vós, todos os exércitos, vós Seus ministros, que fazeis a Sua vontade. Bendizei o Senhor, vós todas as Suas obras em todos os lugares do Seu domínio. Bendize, ó minha alma, o Senhor, e todas as coisas que há dentro de mim, o Seu Santo Nome; bendito és Tu ó Senhor.

Terminada a Antífona, o diácono ou sacerdote entoa

A pequena Ladainha

Diácono: Novamente, em paz, oremos ainda ao Senhor.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono::Protege-nos, salva-nos, tem misericórdia de nós e guarda-nos, ó Deus, pela Tua Graça.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Comemorando a nossa Santíssima, Puríssima, Bem Aventurada e Gloriosa Senhora, a Mãe de Deus e sempre Virgem Maria, com todos os Santos, encomendemo-nos mutuamente uns aos outros e toda nossa vida a Cristo Deus.

Coro: A Ti, ó Senhor.

Sacerdote: Porque a Ti pertence o domínio, e Teu é o reino, o poder e a glória, Pai, Filho e Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

O coro canta

a Segunda Antífona

– Salmo 145

Coro: Louva, ó minha alma, o Senhor, eu louvarei o Senhor durante a minha vida, cantarei Salmos ao meu Deus enquanto existir. Não confies nos príncipes, nem no homem que não podem salvar. Quando se for, o seu espírito voltará ao seu pó, então se desvanecerão todos os seus projetos. Ditoso aquele de quem é protetor o Deus de Jacó, cuja esperança está no Senhor, seu Deus.

Que fez o céu, e a terra, o mar e todas as coisas que neles há. Que conserva eternamente a fidelidade, faz justiça aos oprimidos, dá pão aos famintos. O Senhor dá liberdade aos cativos, o Senhor abre os olhos aos cegos, o Senhor endireita os encurvados, o Senhor ama os justos. O Senhor protege os peregrinos, ampara os órfãos e a viúva, mas embaraça os caminhos do pecador. O Senhor reinará para sempre o Teu Deus, Ó Sião, de geração em geração.

Glória ao Pai, ao Filho e ao Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos Amém. Ó Filho único, Verbo de Deus, que embora imortal condescendeste para a nossa salvação em encarnar no seio da Santíssima Mãe de Deus e sempre Virgem Maria, e te tornaste homem sem sofrer alteração, foste crucificado, Cristo Deus, vencendo a morte com a Tua morte, Tu que fazes parte da Trindade Santíssima e És glorificado com o Pai e o Espírito Santo, salva-nos.

Terminada a Antífona, o diácono ou sacerdote entoa

A pequena Ladainha

Diácono: Novamente, em paz, oremos ainda ao Senhor.

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Protege-nos, salva-nos, tem misericórdia de nós e guarda-nos ó Deus pela Tua Graça.

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Comemorando a Nossa Santíssima, Puríssima, Bem Aventurada e Gloriosa Senhora, a Mãe de Deus e sempre Virgem Maria com todos os Santos,, encomendemo-nos mutuamente, uns aos outros e toda a nossa vida a Cristo Deus.

Coro: A Ti ó Senhor.

Sacerdote: Pois Tu és um Deus bom e benevolente e a Ti rendemos glória, Pai, Filho e Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

O coro canta

A terceira Antífona

Coro: Em Teu reino lembra-Te de nós, ó Senhor, quando chegares ao Teu reino. Bem aventurados os pobres de espírito, porque deles é o reino dos céus. Bem aventurados os que choram, porque eles serão consolados. Bem aventurados os mansos, porque possuirão a terra. Bem aventurados os que têm fome e sede de justiça, porque serão saciados. Bem aventurados os misericordiosos, porque obterão misericórdia. Bem aventurados os limpos de coração, porque verão a Deus. Bem aventurados os pacíficos, porque serão chamados filhos de Deus. Bem aventurados os que sofrem perseguição por amor da justiça, porque deles é o reino dos céus. Bem aventurados sois vós quando vos caluniarem e perseguirem e, mentindo, disserem mal de vós por minha causa. Alegrai-vos e exultai-vos, porque é grande a vossa recompensa nos céus.

Intróito

Diácono: A Sabedoria! Estejam atentos!

Coro: Vinde, adoremos e prostremo-nos diante de Cristo. Salva-nos, Filho de Deus, que ressuscitaste dos mortos, a nós que Te cantamos: Aleluia.

(Nos dias de semana… que és admirável nos teus Santos). (Nas festas de nossa Senhora… pelas orações da Mãe de Deus).

O coro canta então os tropários e kondákios próprios do dia

Triságio

Sacerdote: Pois Tu és Santo, ó Deus nosso, e a Ti rendemos glória, Pai, Filho e Espirito Santo, agora e sempre.

O diácono sai pela Porta Real e voltando-se com o orárion para o Ícone de Cristo, diz:

Diácono: Senhor, salva os devotos (…) e ouve-nos.

Coro: Senhor, salva os devotos (…) e ouve-nos.

Diácono: E por todos os séculos dos séculos.

Coro: Amém.

Santo Deus, Santo Poderoso, Santo Imortal, tem piedade de nós (3 vezes).

Glória ao Pai, ao Filho e ao Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos. Amém.

Santo Imortal, tem piedade de nós.

Santo Deus, Santo Poderoso Santo Imortal, tem piedade de nós.

Diácono: Estejamos atentos.

Sacerdote: Paz a todos.

O leitor, parado no meio da Igreja, responde.

Leitor: E a teu espirito.

Diácono: Sabedoria.

Leitor: Prokimenon.

Coro: (canta o Prokimenon).

Diácono: Sabedoria.

Epístola

Leitor: Leitura da Epístola do Apóstolo São Paulo aos…

Diácono: Estejamos atentos.

Leitor: (Lê a Epístola).

Terminada a leitura,o sacerdote diz:

Sacerdote: Paz a ti.

Leitor: E ao teu espírito.

Diácono: Sabedoria.

Leitor: Aleluia.

Coro: Aleluia, Aleluia, Aleluia.

Diácono: Abençoa, Senhor, o anunciante do Evangelho do Apóstolo e Evangelista (…nome do santo).

Sacerdote: Que Deus pelas orações do santo, glorioso e ilustre Apóstolo e Evangelista (nome…) te conceda a palavra para anunciar com grande poder o cumprimento do Evangelho de Seu Filho amado, Nosso Senhor Jesus Cristo.

Diácono: Amém.

Sacerdote: Sabedoria. Atentos ouçamos o Santo Evangelho. Paz a todos.

Coro: E ao teu espírito.

Evangelho

Diácono: Leitura do Santo Evangelho, segundo São…

Coro: Glória a Ti, Senhor, glória a Ti.

Sacerdote:Estejamos atentos.

Sacerdote:Paz a ti,anunciante.

Coro:Glória a Ti, Senhor, Glória a Ti.

O diácono parado diante das Portas Reais, entoa a ladainha insistente:

Ladainha Insistente

Diácono: Digamos todos, com toda a nossa alma, e com todo o nosso espírito, digamos:

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Senhor Onipotente, Deus de nossos pais, nós Te suplicamos: ouve-nos e tem piedade de nós.

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Tem piedade de nós, ó Deus, segundo a Tua grande misericórdia, nós Te suplicamos ouve-nos e tem piedade de nós.

Coro: Senhor tem piedade (três vezes).

Diácono: Oremos ainda pelo Episcopado Ortodoxo, da Igreja Russa, pelo nosso Reverendíssimo Senhor Metropolita Vitali, primaz da Igreja Russa no exílio e pelo nosso Reverendo Senhor Bispo (…) e por todos nossos irmãos em Cristo.

Coro: Senhor tem piedade (três vezes).

Diácono: Oremos ainda pela sofredora Nação Russa e seu povo Ortodoxo, tanto na terra natal como na diáspora, e pela sua salvação.

Coro: Senhor tem piedade (três vezes).

Diácono: Oremos ainda para que Ele liberte o seu povo do amargo tormento das autoridades ímpias e firme-nos na união de espirito, amor fraterno e devoção.

Coro: Senhor, tem piedade (três vezes).

Diácono: Oremos ainda por este país, pelos seus governantes e forças armadas e por todos os países cristãos.

Coro: Senhor tem piedade (três vezes).

Diácono: Oremos ainda pelos nossos irmãos, sacerdotes, monges e por toda nossa irmandade em Cristo.

Coro: Senhor tem piedade (três vezes).

Diácono: Oremos ainda pelos bem aventurados e sempre lembrados Patriarcas Ortodoxos, pelos devotos reis e rainhas e pelos fundadores desta Santa Igreja e por todos os nossos pais e irmãos ortodoxos falecidos, que descansam aqui ou em qualquer outro lugar.

Coro: Senhor tem piedade (três vezes).

Diácono: Ó médico de corpos e de almas, com devoção e coração aflito, a Ti recorremos e sofrendo, imploramos: cura as doenças, elimina os vícios e paixões da alma e do corpo de Teus servos (nome…) e perdoa-lhes ó Bondoso, todos os pecados voluntários e involuntários e ergue-os rapidamente do leito e da doença, nós Te imploramos: ouve-nos e tem piedade de nós.

Coro: Senhor tem piedade (três vezes).

Diácono: Oremos ainda pelos benfeitores e os que trazem suas oferendas a este Santo Templo, pelos que nele trabalham, cantam e pelo povo aqui presente, que esperam de Ti grande e abundante misericórdia.

Coro: Senhor tem piedade (três vezes).

Sacerdote: Pois Tu és um Deus misericordioso e benevolente, e a Ti rendemos glória, Pai, Filho e Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

Oração Pela Salvação da Rússia

Diácono: Oremos ao Senhor.

Coro: Senhor tem piedade.

Sacerdote: Senhor Jesus Cristo, nosso Deus, aceita de nós Teus indignos servos, esta suplicante oração e, perdoando-nos todos os nossos pecados, lembra-Te de nossos inimigos, que nos odeiam e ofendem, não lhes retribuas pelos seus atos, mas segundo Tua grande misericórdia, converte-os os infiéis à Fé verdadeira e devota; os fiéis ao afastamento do mal e para atos de bondade. Por Tua graça e pela Tua força onipotente, livra-nos a todos e a tua Santa Igreja de todas as situações maléficas. Liberta a nação Russa dos impiedosos ateus e do seu poderio; Deus misericordioso, ouve os sofridos lamentos dos Teus fiéis servos, que na aflição e penúria, dia e noite clamam a Ti, e livra suas vidas da perdição.

Envia a paz e a tranqüilidade, amor e firmeza e rápida reconciliação a este Teu povo, que redimiste pelo Teu precioso sangue. Revela-Te também àqueles que Te abandonaram e aos que não Te procuram, para que nenhum deles pereça, mas todos se salvem e alcancem o pleno conhecimento da verdade. E que todos em um só pensamento e no incessante amor, glorifiquem Teu puríssimo nome, paciente e bondoso Senhor, pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

Se for dia de semana e houver oferenda pelos falecidos, o diácono ou o sacerdote entoa a Ladainha pelos Falecidos.

Ladainha Pelos Falecidos

Diácono: Tem piedade de nós ó Deus e segundo a Tua grande misericórdia, nós te suplicamos: ouve-nos e tem piedade de nós.

Coro: Senhor tem piedade (três vezes).

Diácono: Oremos ainda pelo eterno descanso dos servos de Deus, falecidos (nomes..). e pelo perdão de seus pecados voluntários e involuntários.

Coro: Senhor tem piedade (três vezes).

Diácono: Para que Deus nosso Senhor os acolha onde habitam os justos.

Coro: Senhor tem piedade (três vezes).

Diácono: Peçamos a nosso Senhor Jesus Cristo, Rei Imortal e Deus nosso, que tenha misericórdia deles, conceda a remissão de seus pecados e os receba nos céus.

Coro: Concede-nos, Senhor.

Diácono: Oremos ao Senhor.

Coro: Senhor, tem piedade.

Sacerdote: Deus dos espíritos e dos corpos, Tu que esmagaste a morte, debelaste o demônio e que doaste a vida ao mundo, que Te pertence, concede agora, Senhor, o repouso às almas de Teus servos falecidos (nomes…) num lugar luminoso, abundante e confortável, onde não exista dor nem tristeza nem lamentação. Perdoa-lhes, ó Deus bom e misericordioso, todos os pecados cometidos por pensamento, palavra ou ação, porque não há ser humano que não peque. E Tu, na verdade És o único sem pecado e a Tua justiça é eterna, e a Tua palavra é a verdade. Pois Tu és ó Deus nosso Senhor Jesus Cristo, a ressurreição o descanso e a vida de Teus servos falecidos (nomes) e Te glorificamos juntamente com, o Teu eterno Pai e Teu Santíssimo, bom e vivificante Espírito agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

O sacerdote fecha as Portas Reais.

Ladainha Dos Catecúmenos

Diácono: Catecúmenos, orai ao Senhor.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Fiéis, oremos pelos catecúmenos, para que o Senhor tenha piedade deles.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Que Ele os instrua na palavra da verdade.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Que Ele lhes revele o Evangelho da justiça.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Que Ele os una à Sua Igreja Santa,Universal e Apostólica.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Salva-os, tem misericórdia deles, auxilia e protege-os, Senhor, pela Tua Graça.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Catecúmenos, inclinai as vossas cabeças diante do Senhor.

Coro: A Ti, ó Senhor.

Sacerdote: Que possam eles conosco glorificar também o Teu Nobre e Sublime Nome. Pai, Filho e Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

Liturgia Dos Fiéis

Diácono: Saiam os catecúmenos, catecúmenos saiam. Saiam todos os catecúmenos. Que nenhum dos catecúmenos permaneça, mas todos os fiéis, novamente em paz, oremos ainda ao Senhor.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Protege-nos, salva-nos, tem misericórdia de nós e guarda-nos, ó Deus, pela Tua Graça.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Sabedoria.

Coro: Senhor, tem piedade

Sacerdote: Porque a Ti pertencem toda glória, honra e adoração Pai, Filho e Espirito Santo, agora e Sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

Diácono: Novamente oremos, ainda em paz, ao Senhor.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Protege-nos, salva-nos, tem misericórdia de nós e guarda-nos, ó Deus, pela Tua graça.

Coro: Senhor, Tem piedade.

Diácono: Sabedoria.

Sacerdote: Pois estando sempre guardados sob Tua proteção, a Ti rendemos glória, Pai,Filho e Espirito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

O sacerdote ou diácono abre as Portas Reais e incensa o santuário e o “Iconastas” e o coro canta o Hino dos Querubins.

Hino dos Querubins

Coro: Místicamente representando os Querubins e cantando à Vivificante Trindade o hino Trissantíssimo, deixemos de lado agora todas as preocupações terrenas.

Grande Intróito

Sacerdote: Que o Senhor Deus se lembre em Seu reino do Episcopado Ortodoxo da Igreja Russa, do nosso Reverendíssimo Senhor Metropolita Vitali, primaz da Igreja Russa no exílio, do nosso reverendo Senhor Bispo (…) de São Paulo e do Brasil, e de todo o clero e monges e de toda a hierarquia eclesiástica, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Sacerdote: Que o senhor Deus Se lembre em Seu reino da sofredora nação Russa e de seu povo ortodoxo, tanto na terra natal como na diáspora, deste País, de seus governantes e das forças armadas e de todos os países cristãos, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Sacerdote: Que o Senhor Deus se lembre em Seu reino, de todos os que sofrem perseguição e torturas por causa da Santa fé Ortodoxa, dos fundadores, construtores, benfeitores e de todos os paroquianos e irmãos desta Santa Igreja e de todos vós fiéis cristãos ortodoxos, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

Coro: Afim de podermos receber do alto o Rei de todos, invisivelmente acompanhado das legiões angélicas, Aleluia, aleluia, Aleluia.

Fecham-se as Portas Reais e a cortina. O diácono ou sacerdote entoa:

A ladainha suplicante

Diácono: Completemos nossa oração ao Senhor.

Coro: Senhor, Tem piedade.

Diácono: Pelos preciosos dons oferecidos, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor, Tem piedade.

Diácono: Por este Santo Templo e por aqueles que nele entram com fé, veneração e temor de Deus, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor, Tem piedade.

Diácono: Para que sejamos livres de toda aflição, ira e necessidade, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor, Tem piedade.

Diácono: Protege-nos, salva-nos, tem misericórdia de nós e guarda-nos, ó Deus, pela Tua Graça.

Coro: Senhor, Tem piedade.

Diácono: Que todo este dia seja perfeito, santo, pacífico e sem pecado, peçamos ao Senhor.

Coro: Concede-nos Senhor.

Diácono: Um anjo de paz, guia fiel e guardião de nossas almas e corpos, peçamos ao Senhor.

Coro: Concede-nos Senhor.

Diácono: O perdão e remissão de nossos pecados e transgressões, peçamos ao Senhor.

Coro: Concede-nos Senhor.

Diácono: Todas as coisas boas e proveitosas para nossas almas e pela paz do mundo, peçamos ao Senhor.

Coro: Concede-nos Senhor.

Diácono: Que nos conceda passar o resto de nossa vida na paz e no arrependimento, peçamos ao Senhor.

Diácono: Que nossa vida tenha um fim cristão, irrepreensível, pacífico e sem sofrimento, por uma sentença favorável perante o temível tribunal de Cristo, peçamos ao Senhor.

Coro: Concede-nos Senhor.

Diácono: Comemorando a Nossa Santíssima, Puríssima, Bem Aventurada e Gloriosa Senhora, e Mãe de Deus e sempre Virgem Maria. Com todos os Santos, encomendemo-nos mutuamente uns aos outros e toda nossa vida a Cristo Deus.

Coro: A Ti, ó Senhor.

Sacerdote: Pelas misericórdias do Teu Filho Unigênito, com o qual És abençoado juntamente com o Teu Santíssimo, Bom e Vivificante Espírito, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

Sacerdote: Paz a todos.

Coro: E a teu espírito.

Diácono: Amemo-nos uns aos outros, para que num só pensamento professemos:

Coro: O Pai, o Filho e o Espírito Santo, Trindade consubstancial e indivisível.

Diácono: As portas, as portas, com sabedoria estejamos atentos.

Abre-se a cortina das Portas Reais.

Símbolo de Fé de Nicéia

(Coro e/ou fiéis).

CREIO em um só Deus, Pai onipotente, criador do céu e da terra e de todas as coisas visíveis e invisíveis. E em um só senhor, Jesus Cristo, Filho Unigênito de Deus, nascido do Pai antes de todos os séculos, Luz de Luz, Deus verdadeiro de Deus verdadeiro, gerado e não feito, consubstancial ao Pai, por quem foram feitas todas as coisas. O Qual por causa de nós homens e por causa de nossa salvação desceu dos céus e se encarnou pelo Espírito Santo e da Virgem Maria e se fez homem. E foi crucificado por nossa causa, sob o poder de Pôncio Pilatos; padeceu e foi sepultado e ressuscitou ao terceiro dia, segundo as Escrituras. E subiu aos céus e está sentado à direita do Pai e novamente virá com glória para julgar os vivos e os mortos, e cujo reino não terá fim. E no Espírito Santo, Senhor Vivificante que do Pai procede e que é juntamente com o Pai e o Filho adorado e glorificado, e que falou pelos profetas. E na Igreja Una, Santa, Universal e Apostólica. Confesso um só batismo para a remissão dos pecados. Espero a ressurreição dos mortos e a vida do século futuro. Amém.

Diácono: Fiquemos de pé com reverência. Fiquemos com temor. Estejamos atentos para oferecer em paz a Santa Oblação (sacrifício).

Coro: A misericórdia da paz, o Sacrifício de louvor.

Sacerdote: A graça de nosso Senhor Jesus Cristo, o Amor de Deus Pai e a comunhão do Espírito Santo estejam com todos vós.

Coro: E com teu espírito.

Sacerdote: Elevemos ao alto nossos corações.

Coro: Já os temos no Senhor.

Sacerdote: Demos graças ao Senhor.

Coro: É digno e justo adorar o Pai, o Filho e o Espírito Santo, Trindade consubstancial e indivisível.

Sacerdote: O hino triunfal cantando, clamando, bradando e dizendo.

Coro: Santo, Santo, Santo é o Senhor dos exércitos. O céu e a terra estão cheios de Tua glória. Hosana nas alturas. Bendito seja o que vem em nome do Senhor, Hosana nas alturas.

Sacerdote: Tomai e comei, este é o Meu Corpo, que é partido por vós, para a remissão dos pecados.

Coro: Amém.

Sacerdote: Bebei dele todos, este é o Meu Sangue do Novo Testamento, que é por vós e por muitos derramado, para a remissão dos pecados.

Coro: Amém.

Sacerdote: O que é Teu, do que é Teu, a Ti oferecido por tudo e por todos.

Coro: Nós Te louvamos, bendizemos, agradecemos a Ti, ó Senhor e Te suplicamos, ó Deus nosso.

Nos dias de semana faz-se aqui a grande

reverência, pois é o momento de transsubstanciação.

Sacerdote: E, especialmente, pela nossa Santíssima, Puríssima, Bem Aventurada e gloriosa Soberana, Mãe de Deus e sempre Virgem Maria.

Coro: É verdadeiramente digno louvar-Te, ó Mãe de Deus, sempre Bem Aventurada e Imaculada,e Mãe de nosso Deus, Mais honorável que os Querubins e incomparavelmente mais gloriosa que os Serafins, que ao Verbo de Deus deste nascimento sem mácula. És verdadeiramente a Mãe de Deus e nós Te exaltamos.

Na Liturgia de São Basílio, canta-se este Hino à Nossa Senhora.

Hino Á Nossa Senhora

Coro: Em Ti, ó cheia de graça rejubila-se toda a criação: o conjunto dos anjos e o gênero humano. Ó Templo Santificado e paraíso vivo, Louvor virgem, onde Deus se encarnou, e sendo Deus antes dos séculos, tornou-se criança. Ele fez Seu trono em Teu seio e Teu ventre mais vasto que os céus. Em Ti, ó cheia de graça, rejubila-se toda a criação: Glória a Ti.

Sacerdote: Lembra-Te, Senhor, antes de todos, do Episcopado Ortodoxo da Igreja Russa, e do nosso reverendíssimo Senhor Metropolita Vitali, primaz da Igreja Russa no exílio, e de nosso Reverendo Senhor Bispo (..). e conserva-os para as Tuas Igrejas em paz, íntegros, honrados, com saúde e por longos anos, pregando fielmente a palavra da Tua verdade.

Coro: E de todos e de tudo.

Sacerdote: E concede-nos que, com uma só boca e um só coração glorifiquemos e louvemos Teu Nobilíssimo e Majestoso Nome, Pai, Filho e Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

Sacerdote: E que as misericórdias do grande Deus e Salvador nosso, Jesus Cristo, estejam com todos vós.

Coro: E com teu espírito.

Diácono: Tendo comemorado todos os Santos, novamente em paz, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor tem piedade.

Diácono: Pelos Preciosos Dons aqui oferecidos e consagrados, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Para que nosso benevolente Deus, recebendo-os em Seu Santo, Celestial e Espiritual altar, em perfume de espiritual suavidade, nos conceda a Divina Graça e o Dom do Espírito Santo, oremos ao Senhor.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Para que sejamos livres de toda aflição, ira e necessidade, oremos ao Senhor.

Coro: Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Protege-nos, salva-nos, tem misericórdia de nós e guarda-nos, ó Deus, pela Tua Graça.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Que todo este dia seja perfeito, santo, pacífico e sem sofrimento, peçamos ao Senhor.

Coro: Concede-nos Senhor.

Diácono: Um anjo de paz, guia fiel e guardião de nossas almas e corpos, peçamos ao Senhor.

Coro: Concede-nos Senhor.

Diácono:O perdão e remissão de nossos pecados e transgressões, peçamos ao Senhor.

Coro: Concede-nos Senhor.

Diácono: Todas as coisas boas e proveitosas para nossas almas e pela paz do mundo, peçamos ao Senhor.

Coro: Concede-nos Senhor.

Diácono: Que nos conceda passar o resto de nossa vida em paz e no arrependimento, peçamos ao Senhor.

Coro: Concede-nos Senhor.

Diácono: Que nossa vida tenha um fim cristão, irrepreensível, pacífico e sem sofrimento, por uma sentença favorável perante o temível tribunal de Cristo, peçamos ao Senhor.

Coro: Concede-nos Senhor.

Diácono: Suplicando a união da fé e a participação do Espírito Santo, encomendemo-nos mutuamente uns aos outros e toda a nossa vida a Cristo Deus.

Coro: A Ti, ó Senhor.

Sacerdote: E concede-nos, Senhor, que ousemos com toda confiança e sem condenação invocar a Ti, ó Deus Pai Celestial, e dizer-Te:

Pai Nosso

(coro e/ou fiéis).

PAI nosso que estás no céu, santificado seja o Teu Nome, venha a nós o Teu reino, seja feita a Tua vontade, assim na terra como no céu. O pão nosso de cada dia nos dá hoje e perdoa-nos as nossas dívidas, assim como nós perdoamos aos nossos devedores, e não nos deixes cair em tentação, mas livra-nos do maligno.

Sacerdote: Pois Teu é o reino, o poder e a glória, Pai,Filho e Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém

Sacerdote: Paz a Todos.

Coro: E a teu espírito.

Diácono: Inclinai vossas cabeças ao Senhor.

Coro: A Ti, ó Senhor.

Sacerdote: Pela graça, misericórdia e amor de Teu Filho Unigênito, com o qual És bendito, juntamente com o Teu Santíssimo Bom e Vivificante Espírito, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

Diácono: Estejamos atentos.

Sacerdote: O que é Santo, aos Santos.

Coro: O único Santo, o único Senhor, Jesus Cristo, na Glória de Deus Pai. Amém.

O coro canta, então, a antífona da comunhão, bem como outros hinos, de acordo com o dia ou a festa da Igreja. Neste momento o celebrante comunga no altar e prepara a comunhão para os fiéis.

Os fiéis, que se preparam para comungar os Preciosos Corpo e Sangue de nosso Senhor Jesus Cristo, dirigem-se para perto do altar, beijam a imagem no meio da Igreja, fazem uma inclinação de cabeça aos fiéis presentes, pedindo-lhes perdão e ficam à espera da comunhão com toda fé e devoção, tendo a mente completamente voltada à misericórdia de Deus, orando em silêncio.

Comunhão

Abrem-se as Portas Reais e o sacerdote traz o Cálice Sagrado dizendo:

Sacerdote: Com fé e temor de Deus, aproximai-vos.

Coro: Bendito seja o que vem em nome do Senhor, o Senhor é Deus e se manifestou a nós.

Sacerdote: Creio, Senhor, e confesso que em verdade Tu És Cristo, Filho de Deus vivo e que vieste ao mundo para salvar os pecadores, do qual eu sou o primeiro. Creio ainda que este é o Teu Puríssimo Corpo e que este é Teu Próprio e Precioso Sangue. Suplico-Te, pois, tem misericórdia de mim e perdoa-me as minhas faltas voluntárias e involuntárias, que cometi por palavras ou ações, com conhecimento ou por ignorância e concede-me, sem condenação, receber Teus puríssimos Mistérios para a remissão dos pecados e para a vida eterna. Amém.

De Tua ceia mística, aceita-me hoje como participante, ó filho de Deus pois não revelarei Teu Mistério aos Teus inimigos,

Nem Te darei o beijo como Judas, mas como o ladrão me confesso: lembra-Te de mim, Senhor, no Teu reino, Que não seja para Teu juízo ou condenação a recepção de Teus Santos Mistérios, Senhor, mas para a cura da alma e do corpo. Amem.

Coro: Recebei o Corpo de Cristo, bebei da Fonte da Vida.

Quando termina a comunhão, o coro canta:

Coro: Aleluia, Aleluia, Aleluia.

O sacerdote coloca o cálice no altar e, voltando-se para o povo, os abençoa e diz:

Sacerdote: Salva, ó Deus, o Teu povo e abençoa a Tua herança.

Coro: Vimos a Luz Verdadeira, recebemos o Espírito Celestial, encontramos a verdadeira fé, adoramos a Trindade indivisível: Ela nos salvou.

O sacerdote, após incensar os Sagrados Dons, toma-Os nas mãos e voltando-se para o povo, diz:

Sacerdote: Eternamente, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém. Que os nossos lábios, Senhor, estejam cheios de Teus louvores, para que cantemos a Tua Glória, pois concedestes participar dos Teus Santos, Divinos, Imortais e Vivificantes Mistérios. Conserva-nos na Tua Santidade, para o dia inteiro aprender a Tua verdade. Aleluia, Aleluia, Aleluia.

Diácono: Atentos. Tendo recebido os Divinos, Santos, Preciosos, Imortais, Celestiais, Vivificantes e Temíveis Mistérios, agradeçamos dignamente ao senhor.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Protege-nos, salva-nos, tem piedade de nós e guarda-nos, ó Deus pela Tua Graça.

Coro: Senhor, tem piedade.

Diácono: Tendo pedido que este dia inteiro seja perfeito, santo, pacifico e sem pecado, encomendemo-nos mútuamente uns aos outros e toda nossa vida a Cristo Deus.

Coro:,A Ti, ó Senhor.

Sacerdote: Pois Tu és a nossa santificação e a Ti rendemos glória, Pai Filho e Espírito Santo, Agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

Sacerdote: Saiamos em paz.

Coro: Em nome do Senhor.

Diácono: Oremos ao Senhor.

Coro: Senhor, tem piedade.

Sacerdote: Senhor, Tu que abençoas os que Te bendizem a santificas os que em Ti confiam, Salva o Teu povo e abençoa a Tua herança, guarda a plenitude da Tua Igreja, santifica os que amam a magnificência da Tua Casa. Glorifica-os com o Teu divino poder e não nos abandone, nós que confiamos em Ti. Dá a paz ao Teu mundo, às Tuas Igrejas, aos sacerdotes e a todo Teu povo. Porque toda boa dádiva e todo dom perfeito vem do alto, procedente de Ti, ó Pai das luzes, e a Ti rendemos glória, ação de graças e adoraçao, Pai, Filho e Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém. Bendito seja o nome do Senhor de agora e por toda a eternidade (três vezes).

Sacerdote: A benção do Senhor esteja sobre vós pela Sua graça e Seu amor pela humanidade, a todo o momento, pelos séculos dos séculos.

Coro: Amém.

Sacerdote: Glória a Ti, Cristo Deus, esperança nossa, glória a Ti.

Coro: Glória ao Pai, ao Filho e ao Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos. Amém.

Coro: Senhor, tem piedade. (três vezes). Abençoai.

Sacerdote: Que Cristo, nosso verdadeiro Deus ressuscitado dos mortos, pelas orações de Sua Puríssima Mãe, dos santos gloriosos e ilustres Apóstolos, do nosso Pai entre os Santos, João Chrisóstomo, Arcebispo de Constantinopla, dos Santos (…), dos Santos justos antepassados de Deus, Joaquim e Ana e de todos os santos, tenha piedade de nós e nos salve, pois Ele é infinitamente bom e benevolente.

Coro: Amém.

Estas palavras da bênção final variam de acordo com o dia da semana e a festa.

Os fiéis aproximam-se do celebrante e, um a um, beijam a Cruz e recebem o pão bento.

*** *** ***

Orações de Agradecimento

Depois da Comunhão.

Sacerdote: Glória a Ti, ó Deus (três vezes).

Primeira Oração

Agradeço-Te, Senhor meu Deus, por não teres rejeitado a mim pecador, mas por permitir-me ser participante de Teus Santos Mistérios.

Agradeço-Te por me ter permitido, embora indigno, receber os Teus Puríssimos Dons Celestiais. Porém, Senhor Benevolente, que morreste e ressuscitaste por nossa causa, e nos destes estes temíveis e Vivificantes Mistérios para o bem e a santificação de nossas almas e corpos,concede para que em mim eles sejam para a cura do corpo e da alma, para a libertação de todo inimigo, para a iluminação dos olhos do meu coração, para a paz das minhas forças espirituais, para uma fé inquebrável, para um amor sincero, para plenitude da sabedoria, cumprimento dos Teus mandamentos, aumento da Tua divina graça e ajuntar-me ao Teu reino para que, mantido por Eles na Tua Santidade, sempre me lembre da Tua graça e não viva mais para mim, mas para Ti, nosso Senhor e Benfeitor. E assim, ao partir dessa vida na esperança da vida eterna, possa alcançar o descanso esterno, onde é constante a voz dos que se rejubilam e incessante a felicidade dos que contemplam a beleza indizível de Tua face. Pois Tu és, o Cristo nosso Deus, o desejo verdadeiro e a felicidade inefável dos que Te amam, e a Ti louva toda a criação, por toda a eternidade. Amém.

Segunda Oração

De São Basílio, O Grande

Ó Cristo Deus Soberano, Rei dos séculos e Criador de todas as coisas, agradeço-Te por todos os bens que me tens dado e pela comunhão dos Teus puríssimos e vivificantes Mistérios. Rogo-Te, misericordioso e amante da humanidade, guarda-me sob Tua proteção, à sombra das Tuas asas e conceda-me, até o meu último suspiro, com consciência pura, receber dignamente os Teus Santos Dons para a remissão dos pecados e alcançar a vida eterna. Pois tu és o Pão da Vida, a Fonte da Santidade, Doador de Bens. A Ti rendemos glória, juntamente com o Pai e o Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Terceira Oração

De São Simeão Metafrastes

Por Tua vontade me deste o Teu corpo em alimento, ó fogo que consome os indignos. Não me consumas ó meu Criador, porém entra em meus membros, em todo o meu ser, no coração e na alma. Queima os espinhos de todos os meus pecados, purifica a alma, santifica os pensamentos, firma as ligaduras juntamente com os ossos. Ilumina os meus cinco sentidos, fixa todo o meu ser no Teu amor. Guarda, protege e livra-me de toda ação ou palavra destruidora da alma. Purifica-me, lava-me e adorna-me Torna-me bondoso, compreensivo e iluminado. Faça-me morada somente de Teu Espírito e nunca do pecado. Que esta Tua casa, pela entrada da comunhão, fuja de todo o mal e de todo o vício, como do fogo. Apresento diante de ti as orações de todos os santos, das potestades.

Angelicais, do Teu precursor, dos sábios apóstolos, juntamente com Tua pura e Imaculada Mãe, cujas preces ó Cristo meu, aceita com compaixão e faz deste teu servo um filho de luz. Somente Tu trazes, ó bondoso, a santidade e a luz às nossas almas e, diariamente nós Te rendemos glória, que a Ti é devida como Deus e Senhor.

Quarta Oração

Que o Teu Santo Corpo seja para a minha vida eterna, ó Senhor Jesus Cristo, nosso Deus, e o Teu precioso Sangue para a remissão dos pecados. Que seja este agradecimento para minha alegria, saúde e satisfação e no dia do Teu terrível segundo advento permita-me ficar à mão direita da Tua glória, pelas orações de Tua Mãe puríssima e de todos os santos.

Quinta Oração

Santíssima Soberana, Mãe de Deus, luz de minha alma obscurecida, minha esperança, meu abrigo, meu refúgio, minha consolação e alegria: agradeçoTe por teres permitido que eu, embora indigno, recebesse o puríssimo Corpo e preciosíssimo Sangue de Teu Filho. Tu, de quem nasceu a Verdadeira Luz, ilumina os olhos da sabedoria de meu coração. Tendo dado nascimento à Fonte da Imortalidade, renova minha vida, morta pelo pecado. Bondosa Mãe de Deus misericordioso, tem misericórdia de mim e dá-me humildade em meus pensamentos, coração contrito, devoção e liberdade à minha mente escravizada. Torna-me digno, até o meu último suspiro, de receber sem condenação a santidade destes puríssimos Sacramentos, para a cura da alma e do corpo. E dá-me lágrimas de arrependimento e confissão, para que eu possa louvar-Te e glorificar-Te todos os dias de minha vida, porque Tu és bendita e gloriosa por todos os séculos. Amém.

Agora, Senhor, deixa ir em paz o Teu servo, segundo a Tua palavra. Porque os meus olhos viram a Tua salvação que preparaste ante a face de todas as nações. Luz para iluminação dos povos e glória de Teu povo Israel.

Santo Deus, Santo Forte, Santo Imortal, tem piedade de nós (três vezes).

Glória ao Pai, ao Filho e ao Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos. Amém.

Santíssima Trindade, tem piedade de nós; Senhor, purifica-nos de nossos pecados; Soberano, perdoa as nossas transgressões. Santo, visita-nos e cura nossas fraquezas, por Teu santo nome.

Senhor, tem piedade (três vezes).

Glória ao Pai, ao Filho e ao Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos.

Pai nosso que está no céu, santificado seja o Teu nome, venha a nós o Teu reino, seja feita a tua vontade, assim na terra como no céu. O pão nosso de cada dia nos dá hoje e perdoa-nos as nossas dívidas, assim como nós perdoamos aos nossos devedores e não nos deixes cair em tentação, mas livra-nos do mal.

Sacerdote: Pois Teu é o reino, o poder e a glória, Pai, Filho e Espírito Santo, agora e sempre e pelos séculos dos séculos

Leitor: Amém.

De Teus lábios, como iluminação do fogo, brilhou a graça que iluminou o mundo. Não procurou para o mundo tesouros da avareza, mas mostrou-nos a altura da humildade. Ó Pai João Chrisóstomo, cujas palavras nos instruirão, roga ao verbo Cristo Deus pela salvação de nossas almas.

Glória ao Pai, ao Filho e ao Espírito Santo. Do céu recebeste a graça Divina e por Teus lábios ensinas a todos a adorar o único Deus na Trindade, ó João Chrisóstomo, Santo e Bem Aventurado, dignamente Te louvamos, Tu és nosso mestre e nos revelas as coisas divinas.

Agora e sempre e pelos séculos dos séculos. Amém. Firme Protetora dos Cristãos, constantemente intercedendo junto ao Criador, não desprezes o apelo dos pecadores mas, na tua bondade, ajuda-nos,a nós que confiantemente clamamos por Ti. Sê solicita em ouvir as nossas petições, pronta em defender-nos, ó Mãe de Deus, que sempre protege aqueles que Te veneram.

Senhor, tem piedade. (12 vezes).

Mais honorável que os querubins e incomparavelmente mais gloriosa que os Serafins, que ao verbo de Deus deste nascimento sem mácula: És verdadeiramente a Mãe de Deus e nós Te exaltamos.

Glória ao Pai, ao filho e ao Espírito Santo agora e sempre e pelos séculos dos séculos. Amém. Senhor, tem piedade, (3 vezes). Abençoai.

Sacerdote: Que Cristo, nosso verdadeiro Deus ressuscitado dos mortos, pelas orações de Sua Puríssima Mãe, de nosso Pai São João Chrisóstomo, Arcebispo de Constantinopla e de todos os Santos, tenha piedade de nós e nos salve,pois Ele é infinitamente bom e nos ama.

Leitor: Amém.

Rua Paratiquara, 151 – Vila Alpina

Cep: 03209-040 – São Paulo – Brasil

Copyright

Direitos Autorais Reservados

Tradução

Reverendo Arcipreste George Petrenko

Editoração E Revisão

Ana Berenice M. Baranov

Apresentação

São Paulo, Outubro De 1997.

 

(divina_liturgia.doc, 08-05-99)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Goddelijke liturgie van Joh Chrysostomos in het ROEMEENS

 

 

DUMNEZEIASCA LITURGHIE

a sfântului IOAN GURĂ DE AUR

Arhiepiscopul Constantinopolului

Liturghia Catehumenilor

Sfintele uşi sunt deschise şi perdeaua ridicată. Diaconul, stând în faţa uşilor împărăteşti zice cu glas mare:

Diaconul: Binecuvântează, părinte.

Preotul, având capul descoperit, ia Sfânta Evanghelie cu amândouă mâinile, o ridică puţin şi face semnul Sfintei Cruci pe sfântul antimis, începând cu capătul de sus, apoi cu cel de jos, la stânga şi la dreapta zicând:

Preotul: Binecuvântată este împărăţia Tatălui şi a Fiului şi a Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Preotul închide sfintele uşi, iar diaconul zice ectenia mare. Dacă nu este diacon o zice preotul din altar.

Ectenia Mare

Diaconul: Cu pace Domnului să ne rugăm.

În timpul ecteniei mari strana răspunde după fiecare ectenie de cerere.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Pentru pacea de sus şi pentru mântuirea sufletelor noastre, Domnului să ne rugăm.

Pentru pacea a toată lumea, pentru bună starea sfintelor lui Dumnezeu Biserici şi pentru unirea tuturor, Domnului să ne rugăm.

Pentru sfântă biserica aceasta şi pentru cei ce cu credinţă, cu evlavie şi cu frică de Dumnezeu intră într-însa, Domnului să ne rugăm.

Pentru Prea Fericitul Părintele nostru (N) Patriarhul Bisericii Ortodoxe Române, pentru (Înalt-) Prea Sfinţitul (Arhi-) Episcopul (şi Mitropolitul) nostru (N), pentru cinstita preoţime şi cea întru Hristos diaconime, şi pentru tot clerul şi poporul, Domnului să ne rugăm.

Pentru (aici se pomeneşte Cârmuirea ţării, după îndrumările Sfântului Sinod), Domnului să ne rugăm.

Pentru sfânt locaşul acesta, ţara aceasta şi pentru toate oraşele şi satele şi pentru cei ce cu credinţă locuiesc într-însele, Domnului să ne rugăm.

Pentru buna-întocmire a văzduhului, pentru îmbelşugarea roadelor pământului şi pen tru vremuri paşnice, Domnului să ne rugăm.

Pentru cei ce călătoresc pe ape, pe uscat şi prin aer, pentru cei bolnavi, pentru cei ce se ostenesc, pentru cei robiţi şi pentru mântuirea lor, Domnului să ne rugăm.

Aici se pot adăuga şi alte ectenii pentru felurite cereri.

Pentru ca să fim izbăviţi noi, de tot necazul, mânia, primejdia şi nevoia, Domnului să ne rugăm.

Apără, mântuieşte, miluieşte şi ne păzeşte pe noi, Dumnezeule, cu harul Tău.

Pe Preasfânta, curata, preabinecuvântata, mărita stăpâna noastră, de Dumnezeu Născătoarea şi pururea Fecioara Maria, cu toţi sfinţii să o pomenim.

Când strana cântă Preasfântă Născătoare…, preotul zice încet rugăciunea antifonului întâi.

Strana: Preasfântă Născătoare de Dumnezeu miluieşte-ne pe noi.

Diaconul: Pe noi înşine şi unii pe alţii şi toată viaţa noastră lui Hristos Dumnezeu să o dăm.

Strana: Ţie, Doamne.

Rugăciunea Antifonului întâi

Preotul: Doamne Dumnezeul nostru, a Cărui stăpânire este neasemănată şi slavă neajunsă, a Cărui milă este nemăsurată şi iubire de oameni negrăită, Însuţi Stăpâne, după milostivirea Ta, caută spre noi şi spre sfântă biserica aceasta, şi fă bogate milele Tale şi îndurările Tale cu noi şi cu cei ce se roagă împreună cu noi.

Cu glas tare, preotul zice ecfonisul:

Preotul: Că Ţie se cuvine toată slava, cinstea şi închinăciunea, Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Strana cântă acum antifonul întâi. La încheierea antifonului, diaconul stă din nou înaintea sfintelor uşi, îşi ridică orarul şi zice ectenia mică.

Ectenia Mică

Diaconul: Iară şi iară cu pace, Domnului să ne rugăm.

Strana: Doamne, miluieşte.

Diaconul: Apără, mântuieşte, miluieşte şi ne păzeşte, pe noi, Dumnezeule, cu harul Tău.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Pe Preasfânta, curata, preabinecuvântata, mărita stăpâna noastră, de Dumnezeu Născătoarea şi pururea Fecioara Maria, cu toţi sfinţii să o pomenim.

Când strana cântă Preasfântă Născătoare…, preotul zice încet rugăciunea antifonului îal doilea.

Strana: Preasfântă Născătoare de Dumnezeu miluieşte-ne pe noi

Diaconul: Pe noi înşine şi unii pe alţii şi toată viaţa noastră lui Hristos Dumnezeu să o dăm.

Strana: Ţie, Doamne.

Rugăciunea Antifonului al doilea

Preotul: Doamne Dumnezeul nostru, mântuieşte poporul Tău şi binecuvântează moştenirea Ta; plinirea Bisericii Tale o păzeşte, sfinţeşte pe cei ce iubesc podoaba casei Tale, Tu pe aceştia îi prea măreşte cu dumnezeiască puterea Ta şi nu ne lăsa pe noi, cei ce nădăjduim întru Tine.

Cu glas tare preotul zice ecfonisul.

Preotul: Că a Ta este stăpânirea şi a Ta este împărăţia şi puterea şi slava, a Tatălui şi a Fiului şi a Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Strana cântă acum antifonul al doilea. La încheierea antifonului, diaconul stă iarăşi în faţa icoanei Născătoarei de Dumnezeu, ridică orarul şi zice ectenia mică.

Ectenia Mică

Diaconul: Iară şi iară cu pace, Domnului să ne rugăm.

Strana: Doamne, miluieşte

Diaconul: Apără, mântuieşte, miluieşte şi ne păzeşte, pe noi, Dumnezeule, cu harul Tău.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Pe Preasfânta, curata, preabinecuvântata, mărita stăpâna noastră, de Dumnezeu Născătoarea şi pururea Fecioara Maria, cu toţi sfinţii să o pomenim.

Când diaconul intră în altar pe uşa dinspre miazăzi, stă la locul său la sfânta masă şi se înclină în faţă preotului, în timp ce preotul zice rugăciunea antifonului al treilea.

Strana: Preasfântă Născătoare de Dumnezeu miluieşte-ne pe noi

Diaconul: Pe noi înşine şi unii pe alţii şi toată viaţa noastră lui Hristos Dumnezeu să o dăm.

Strana: Ţie, Doamne.

Rugăciunea Antifonului al Treilea

Preotul: Cel ce ne-ai dăruit nouă aceste rugăciuni obşteşti şi împreună-glăsuite, Cel ce şi la doi şi la trei, care se unesc în numele Tău, ai făgăduit să le împlineşti cererile, Însuţi, şi acum, plineşte cererile cele de folos ale robilor Tăi dându-ne nouă, în veacul de acum, cunoştinţa adevărului Tău, şi în cel ce va să fie, viaţă veşnică dăruindu-ne.

Cu glas tare, preotul zice ecfonisul:

Preotul: Că bun şi iubitor de oameni eşti şi Ţie slavă înălţăm, Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

În timp ce strana cântă antifonul al treilea sau Fericirile, preotul şi diaconul fac trei închinăciuni înaintea Sfintei Mese. Preotul ridică Sfânta Evanghelie şi o dă diaconului. Diaconul merge înaintea preotului în jurul altarului. Ei ies pe uşa dinspre miazănoapte şi se opresc în mijlocul bi sericii.

Intrarea mică

Diaconul, stând în mijlocul bisericii, în faţa preotului şi puţin în dreapta sa, zice:

Diaconul: Domnului să ne rugăm. Doamne miluieşte.

Preotul zice Rugăciunea Intrării:

Stăpâne Doamne, Dumnezeul nostru, Cel ce ai aşezat în ceruri cetele şi oştile înge rilor şi ale arhanghelilor spre slujba slavei Tale, fă ca împreună cu intrarea noastră să fie şi intrarea sfinţilor îngeri, care slujesc împreună cu noi şi împreună slăvesc bunătatea Ta. Că Ţie se cuvine toată slava, cinstea şi închi nă ciunea, Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor. Amin.

După rugăciune, diaconul, ţinând orarul în mâna dreaptă, arată către răsărit cu mâna dreaptă şi zice:

Diaconul: Binecuvântează, părinte, sfânta intrare.

Preotul, binecuvântând către sfântul altar, zice încet:

Preotul: Binecuvântată este intrarea sfinţilor Tăi, totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor. Amin.

Ei se închină de două ori. Diaconul îi dă Sfânta Evanghelie preotului să o sărute. Amândoi mai fac o închinăciune. Dacă însă în biserică este arhiereu (sau la mănăstire, stareţ), ei îl înlocuiesc pe preot şi diaconul duce Sfânta Evanghelie celui mai mare să o sărute, sărutând şi el mâna acestuia. După ce se termină cântarea, diaconul, stând înaintea sfintelor uşi, înalţă Sfânta Evanghelie cu icoana Învierii spre popor şi zice:

Diaconul: Înţelepciune, drepţi!

Diaconul intră în sfântul altar prin sfintele uşi. Preotul se pleacă către străni, intră în altar şi, luând Sfânta Evanghelie, o aşează pe Sfânta Masă.

Strana: Veniţi să ne închinăm şi să cădem la Hristos. Mântuieşte-ne pe noi, Fiul lui Dumnezeu,

(Duminica) Cel ce ai înviat din morţi, pe noi, cei ce-Ţi cântăm Ţie: Aliluia.

(în zilele săptămânii) Cel ce eşti minunat întru sfinţi…

La praznicile împărăteşti, în loc de Veniţi să ne închinăm…, se cântă stihurile speciale.

După această cântare se cântă troparele şi condacele potri vite.

După ce se cântă condacele, diaconul, stând între sfintele uşi, cu faţa către credincioşi şi, ţinând orarul în mâna dreaptă, zice:

Diaconul: Domnului să ne rugăm.

Şi întorcându-se în dreapta preotului îşi pleacă capul către acesta.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul zice cu glas încet către preot:

Diaconul: Binecuvântează, părinte, vremea cântării celei întreit-sfinte.

Preotul îl binecuvântează pe cap zicând:

Preotul: Că sfânt eşti Dumnezeul nostru şi Ţie slavă înălţăm, Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh, acum şi pururea, – (Pauză)

La sărbătorile mai însemnate şi mai cu seamă când slujba se face în sobor, preotul se opreşte după cuvintele : … acum şi pururea, iar diaconul se apropie de sfintele uşi şi arătând cu orarul către icoana Mântuitorului, zice:

Diaconul: Doamne, mântuieşte pe cei binecredincioşi.

Cei care se află în altar cântă zicând aceleaşi cuvinte.

Diaconul: Doamne, mântuieşte pe cei binecredincioşi (de două ori)

De fiecare dată, strana răspunde cu aceleaşi cuvinte.

Diaconul: Şi ne auzi pe noi.

Este de asemenea obiceiul ca cei din altar să cânte Şi ne auzi pe noi.

După aceasta, diaconul, cu glas mare şi înălţând orarul, zice:

Diaconul: Şi în vecii vecilor.

Când slujeşte preotul singur, zice el însuşi: Doamne, mântuieşte pe cei binecredincioşi. Apoi el cântă singur: Şi ne auzi pe noi, după care zice: Şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Sfinte Dumnezeule, Sfinte tare, Sfinte fără de moarte, miluieşte-ne pe noi.

Slavă Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh şi acum şi pururea şi în vecii vecilor. Amin.

În zilele de praznic, se poate zice şi altă cântare.

În timpul acestei cântări, preotul citeşte în taină:

Rugăciunea Cântării celei Întreit-sfinte

Preotul: Dumnezeule cel sfânt, Care întru sfinţi Te odihneşti, Cel ce cu glas întreit-sfânt eşti lăudat de serafimi şi slăvit de heruvimi şi de toată puterea cerească închinat; Cel ce dintru nefiinţă întru fiinţă ai adus toate; Care ai zidit pe om după chipul şi asemănarea Ta şi cu tot harul Tău l-ai împodobit; Cel ce dai înţelepciune şi pricepere celui ce cere, şi nu treci cu vederea pe cel ce greşeşte, ci pui pocăinţa spre mântuire; Care ne-ai învrednicit pe noi, smeriţii şi nevrednicii robii Tăi, şi în ceasul acesta, a sta înaintea slavei sfântului Tău jertfelnic şi a-Ţi aduce datorita închinare şi preaslăvire: Însuţi Stăpâne, primeşte şi din gurile noastre, ale păcătoşilor, întreit-sfânta cântare şi ne cercetează pe noi întru bunătatea Ta. Iartă-ne nouă toată greşeala cea de voie şi cea fără de voie; sfinţeşte sufletele şi trupurile noastre şi ne dă nouă să slujim Ţie cu cuvioşie în toate zilele vieţii noastre. Pentru rugăciunile Preasfintei Născătoarei de Dumnezeu şi ale tuturor sfinţilor care din veac au bine-plăcut Ţie. Că sfânt eşti Dumnezeul nostru şi Ţie slavă înălţăm, Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor. Amin.

Preotul şi diaconul se închină înaintea Sfintei Mese de fiecare dată când se cântă Sfinte Dumnezeule…

La SlavăŞi acum…, diaconul, de la locul lui, arătând cu orarul spre proscomidiar, zice către preot:

Diaconul: Porunceşte, părinte.

Preotul merge la proscomidiar îşi pleacă capul şi zice:

Preotul: Binecuvântat este cel ce vine întru numele Domnului.

Apoi diaconul arată către scaunul de sus şi zice:

Diaconul: Binecuvântează, părinte, scaunul cel de sus.

Diaconul rămâne în dreptul colţului sfintei mese. Preotul, se întoarce către Sfânta Masă, apoi merge către scaunul cel de sus, zicând:

Preotul: Binecuvântat eşti pe scaunul slavei împărăţiei Tale, Cel ce şezi pe heruvimi, totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor. Amin.

Preotul stă cu faţa către credincioşi în dreapta scaunului de sus, locul din mijloc fiind rezervat episcopului.

După SlavăŞi acum…, diaconul stând între sfintele uşi zice:

Diaconul: Puternic.

Şi strana cântă Sfinte Dumnezeule….

Apostolul

După plinirea Cântării celei întreit-sfinte, diaconul venind între sfintele uşi, cu faţa spre credincioşi, zice:

Diaconul: Să luăm aminte.

Preotul: Pace tuturor.

Cititorul: Şi duhului tău.

Clericii merg şi stau înaintea scaunului înalt.

Cititorul stă în mijlocul bisericii cu faţa la altar şi cântă prochimenul Apostolului. Apoi diaconul zice:

Diaconul: Înţelepciune.

Şi citeţul: Din Epistola către…

Diaconul: Să luăm aminte.

Cititorul, cu faţa la altar, citeşte Epistola.

Diaconul ia cădelniţa cu tămâie şi vine către preot pentru a primi binecuvântarea , apoi cădeşte Sfânta Masă împrejur şi în sfântul altar şi pe preot, apoi iese din altar şi cădeşte după rânduială icoanele, jeţul arhieresc, strănile, pe citeţ şi, din mijlocul bisericii, pe ceilalţi credincioşi. Apoi, intră în sfântul altar, cădind.

Evanghelia

Întorcându-se către Sfânta Masă, preotul citeşte încetişor rugăciunea dinaintea Evangheliei.

Preotul: Străluceşte în inimile noastre, Iubitorule de oameni, Stăpâne, lumina cea curată a cunoaşterii Dumnezeirii Tale şi deschide ochii gândului nostru spre înţelegerea evanghelicelor Tale propovăduiri. Pune în noi şi frica fericitelor Tale porunci, ca toate poftele trupului călcând, vieţuire duhov nicească să petrecem, cugetând şi făcând toate cele ce sunt spre bună-plăcerea Ta. Că Tu eşti luminarea sufle te lor şi a trupurilor noastre, Hristoase Dumneze ule şi Ţie slavă înălţăm, împreună şi Celui fără de început al Tău Părinte şi Preasfântului şi bunului şi de viaţă făcătorului Tău Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor. Amin.

Diaconul, isprăvind de cădit, pune cădelniţa la locul ei, se apropie de preot şi primeşte de la el Sfânta Evanghelie şi, închinându-se înaintea Sfintei Evanghelii, o ia cu amândouă mâinile şi pune capătul orarului peste ea.

După citirea Apostolului, preotul stă între sfintele uşi cu faţa spre credincioşi şi zice:

Preotul: Pace ţie, cititorule.

Citeţul: Şi duhului tău

Strana: Aliluia! Aliluia! Aliluia!

Diaconul iese cu Sfânta Evanghelie prin sfintele uşi. Înaintea lui merg doi purtători cu sfeşnice cu lumânări; diaconul zice:

Diaconul: Binecuvântează, părinte, pe binevestitorul Sfântului Apostol şi Evanghelist (N)

Preotul, binecuvântându-l, zice:

Preotul: Dumnezeu, pentru rugăciunile Sfântului, întru tot lăudatului Apostol şi Evanghelist (N) săţi dea ţie, celui ce binevesteşti, cuvânt cu putere multă, spre plinirea Evangheliei iubitului Său Fiu, a Domnului nostru Iisus Hristos.

Diaconul: Amin.

În zilele săptămânii, preotul binecuvântează pe diacon în taină.

După aceasta, diaconul (sau preotul dacă nu este diacon) stă între sfintele uşi cu faţa către credincioşi, şi zice:

Diaconul: Înţelepciune, drepţi, să ascultăm Sfânta Evanghelie.

Preotul: Pace tuturor!

Preotul stă între sfintele uşi, cât timp diaconul citeşte din Sfânta Evanghelie.

Strana: Şi duhului tău.

Diaconul: Din Sfânta Evanghelie de la (N) citire.

Strana: Slavă Ţie, Doamne, slavă Ţie.

Preotul sau diaconul al doilea zice:

Preotul: Să luăm aminte.

Dacă nu este diacon, preotul citeşte Sfânta Evanghelie, dintre sfintele uşi, având de-a dreapta şi de-a stânga câte un sfeşnic cu lumânare aprinsă.

După citirea Sfintei Evanghelii, diaconul îndreaptă cartea către preot care zice::

Preotul: Pace ţie, celui ce ai binevestit.

Strana: Slavă Ţie, Doamne, slavă Ţie.

Preotul, primind Sfânta Evanghelie de la diacon, o sărută şi-i binecuvântează pe credincioşi cu ea în semnul crucii după care o aşează pe Sfânta Masă deasupra sfântului antimis.

După citirea textului Evangheliei, urmează de obicei tâlcuirea ei (predica).

După predică, dacă se ţine acum, se închid sfintele uşi, iar diaconul stând în faţa sfintelor uşi, în mijlocul bisericii, zice:

Ectenia cererii stăruitoare

Diaconul: Să zicem toţi, din tot sufletul şi din tot cugetul nostru să zicem.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Doamne, Atotstăpânitorule, Dumnezeul părinţilor noştri, rugămu-ne Ţie, auzi-ne şi ne miluieşte.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Miluieşte-ne pe noi, Dumnezeule, după mare mila Ta, rugămu-ne Ţie, auzi-ne şi ne miluieşte.

Strana: Doamne miluieşte (de 3 ori).

În acest timp, preotul zice în taină Rugăciunea cererii stăruitoare.

Diaconul sau, dacă nu este diacon, preotul, zice:

Diaconul: Încă ne rugăm pentru Prea Fericitul Părintele nostru (N), Patriarhul Bisericii Ortodoxe Române, şpentru (Înalt-) Prea Sfinţitul (Arhi-) Episcopul (şi Mitropolitul) nostru (N)ţ, şi pentru toţi fraţii noştri întru Hristos.

Încă ne rugăm (aici se pomeneşte Cârmuirea tării, după îndrumările Sfântului Sinod), pentru sănătatea şi mântuirea lor.

Încă ne rugăm pentru fraţii noştri: preoţi, ieromonahi, ierodiaconi, diaconi, monahi şi monahii şi pentru toţi cei întru Hristos fraţi ai noştri.

Încă ne rugăm pentru fericiţii şi pururea pomeniţii ctitori ai sfânt locaşului acestuia şi pentru toţi cei mai dinainte adormiţi părinţi şi fraţi ai noştri dreptmăritori creştini, care odihnesc aici şi pretutindeni.

Încă ne rugăm pentru mila, viaţa, pacea, sănătatea, mântuirea, cercetarea, lăsarea şi iertarea păcatelor robilor lui Dumnezeu enoriaşi, ctitori şi binefăcători ai sfântului locaşului acestuia.

Aici se pot pune ectenii pentru diferite cereri.

Încă ne rugăm pentru cei ce aduc daruri şi fac bine în sfânta şi întru tot cinstită bise rica aceasta, pentru cei ce se ostenesc, pentru cei ce cântă şi pentru poporul ce stă înainte şi aşteaptă de la Tine mare şi multă milă.

Rugăciunea cererii stăruitoare

Preotul: Doamne Dumnezeul nostru, primeşte această rugăciune stăruitoare de la robii Tăi şi ne miluieşte pe noi, după mulţimea milei Tale, şi trimite îndurările Tale peste noi şi peste tot poporul Tău, care aşteaptă de la Tine mare şi multă milă.

Preotul: Că milostiv şi iubitor de oameni Dumnezeu eşti şi Ţie slavă înălţăm, Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

*

* *

Ectenia pentru pomenirea morţilor

Acum se poate zice ectenia pentru cei chemaţi, potrivit cerinţelor parohiei. De obicei nu se zice în zilele de duminică, în sărbătoarea Învierii sau în zilele de sărbătoare:

Diaconul: Miluieşte-ne pe noi, Dumnezeule, după mare mila Ta, rugămu-ne Ţie, auzi-ne şi ne miluieşte.

Strana: Doamne miluieşte. (de 3 ori)

Diaconul: Încă ne rugăm pentru odihna sufletelor adormiţilor robilor lui Dumnezeu (N), şi pentru ca să li se ierte lor toată greşeala cea de voie şi cea fără de voie.

Strana: Doamne miluieşte. (de trei ori)

Diaconul: Ca Domnul Dumnezeu să aşeze sufletele lor unde drepţii se odihnesc.

Strana: Doamne miluieşte. (de trei ori)

Diaconul: Mila lui Dumnezeu, împărăţia cerului şi iertarea păcatelor lor, de la Hristos, Împăratul cel fără de moarte şi Dumnezeul nostru, să cerem.

Strana: Dă Doamne.

Diaconul: Domnului să ne rugăm.

Strana: Doamne miluieşte.

Preotul: Dumnezeul duhurilor şi a tot trupul, Care ai călcat moartea şi pe diavolul l-ai surpat şi ai dăruit viaţă lumii Tale, Însuţi Doamne, odihneşte sufletele adormiţilor robilor Tăi (N), în loc luminat, în loc cu verdeaţă, în loc de odihnă, de unde a fugit toată durerea, întristarea şi suspinarea. Şi orice greşeală au săvârşit ei cu cuvântul, cu lucrul, sau cu gândul, ca un Dumnezeu bun şi iubitor de oameni, iartă-le lor. Că nu este om, care să fie viu şi să nu greşească; numai Tu singur eşti fără de păcat; dreptatea Ta este dreptate în veac şi cuvântul Tău, adevărul.

Diaconul: Domnului să ne rugăm.

Preotul: Că Tu eşti învierea şi viaţa şi odihna robilor Tăi (N), Hristoase, Dumnezeul nostru, şi Ţie slavă înălţăm, împreună şi Celui fără de început al Tău Părinte şi Preasfântului şi bunului şi de viaţă făcătorului Tău Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Diaconul, sau dacă nu este diacon, preotul:

Diaconul: Întru fericita adormire, veşnică odihnă dă, Doamne, sufletelor adormiţilor robilor Tăi, celor ce s-au pomenit acum, şi le fă lor veşnică pomenire.

Şi se cântă, în altar o dată, apoi la străni de două ori: Veşnică pomenire.

Strana: Veşnică pomenire.

Ectenia pentru cei chemaţi

Preotul începe să desfacă sfântul antimis. Totuşi Ectenia şi Rugăciunea pentru cei chemaţi pot fi omise în unele situaţii. În acest caz antimisul se desface la zicerea Ecteniei Cererii Stăruitoare, înaintea ecfonisului. Dacă se omite Ectenia pentru cei chemaţi, diaconul zice acum Ectenia pentru credincioşi.

Diaconul: Rugaţi-vă cei chemaţi, Domnului.

Preotul desface partea din stânga sa.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Cei credincioşi, pentru cei chemaţi să ne rugăm, ca Domnul să-i miluiască pe dânşii.

Preotul desface partea din dreapta sa.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Să-i înveţe pe dânşii cuvântul adevărului .

Preotul desface partea de jos.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Să le descopere lor Evanghelia dreptăţii.

Preotul desface pertea de sus.

Strana: Doamne miluieşte.

Apoi preotul începe să şteargă cu buretele sfântul antimis, din toate părţile, spre îndoitura din dreapta.

Diaconul: Să-i unească pe dânşii cu Sfânta Sa sobornicescă şi apostolească Biserică.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Mântuieşte, miluieşte, apără şi-i păzeşte pe dânşii, Dumnezeule, cu harul Tău.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Cei chemaţi, capetele voastre Domnului să le plecaţi.

Strana: Ţie, Doamne.

Rugăciunea pentru cei chemaţi

Preotul citeşte în taină:

Preotul: Doamne Dumnezeul nostru, Cel ce întru cele de sus locuieşti şi spre cei smeriţi priveşti, Care ai trimis mântuire neamului omenesc pe Unul-Născut Fiul Tău şi Dumnezeu, pe Domnul nostru Iisus Hristos, caută spre robii Tăi cei chemaţi, care şi-au plecat grumajii înaintea Ta, şi-i învredniceşte pe dânşii, la vremea potrivită, de baia naşterii celei de a doua, de iertarea păcatelor şi de veşmântul nestricăciunii; uneşte-i pe dânşii cu sfânta Ta sobornicească şi apostolească Biserică şi-i numără pe dânşii cu turma Ta cea aleasă.

Preotul zice ecfonisul în timp ce însemnează cruciş cu buretele deasupra sfântului antimis. Apoi îl sărută şi îl pune la locul lui, sus în dreapta antimisului.

Preotul: Ca şi aceştia împreună cu noi să slăvească preacinstitul şi de mare cuviinţă numele Tău, al Tatălui şi al Fiului şi al Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Diaconul zice din mijlocul bisericii:

Diaconul: Câţi sunteţi chemaţi, ieşiţi.

Iar de este un al doilea diacon, zice şi acesta, dintre sfintele uşi:

Cei chemaţi, ieşiţi.

Apoi iarăşi diaconul, din mijlocul bisericii:

Câţi sunteţi chemaţi, ieşiţi.

Diaconul, dintre sfintele uşi:

Ca nimeni dintre cei chemaţi (să nu rămână).

Dacă este numai un singur diacon, ori de slujeşte preotul singur, preotul zice tot dialogul:

Câţi sunteţi chemaţi, ieşiţi.

Cei chemaţi, ieşiţi.

Câţi sunteţi chemaţi, ieşiţi.

Ca nimeni dintre cei chemaţi (să nu rămână).

Liturghia CredincioŞilor

Prima ectenie pentru credincioşi

Diaconul, din mijlocul bisericii, zice:

Diaconul: Câţi suntem credincioşi, iară şi iară cu pace Domnului să ne rugăm.

Strana: Doamne miluieşte.

Se închide perdeaua de la sfintele uşi. Strana cântă din nou:

Strana: Doamne miluieşte.

Preotul citeşte în taină Prima rugăciune pentru credincioşi

Diaconul: Apără, mântuieşte, miluieşte şi ne păzeşte pe noi, Dumnezeule, cu harul Tău.

Strana: Doamne miluieşte.

Rugăciunea întâi pentru credincioşi

Preotul: Mulţumim Ţie, Doamne, Dumnezeul Puterilor, Care ne-ai învrednicit pe noi a sta şi acum înaintea sfântului Tău jertfelnic şi a cădea la îndurările Tale, pentru păcatele noastre şi pentru păcatele cele din neştiinţă ale poporului. Primeşte Dumnezeule, rugăciunea noastră; fă-ne să fim vrednici a-Ţi aduce rugăciuni, cereri şi jertfe fără de sânge pentru tot poporul Tău; şi ne învredniceşte pe noi, pe care ne-ai pus întru această slujbă a Ta, cu puterea Duhului Tău celui Sfânt, ca fără de osândă şi fără de sminteală, întru mărturia curată a cugetului nostru, să Te chemăm pe Tine în toată vremea şi în tot locul şi, auzindu-ne pe noi, milostiv să ne fii nouă, întru mulţimea bunătăţii Tale.

Diaconul: Înţelepciune!

Preotul: Că Ţie se cuvine toată slava, cinstea şi închinăciunea, Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

A Doua Ectenie pentru Credincioşi

Diaconul: Iară şi iară cu pace, Domnului să ne rugăm.

Strana: Doamne miluieşte. (acum şi la urmă toa rele ectenii de cerere)

Următoarele ectenii de cerere se zic numai dacă slujeşte şi un diacon. Dacă preotul slujeşte singur, el citeşte în taină a doua Rugăciune pentru credincioşi.

Diaconul: Pentru pacea de sus şi pentru mântuirea sufletelor noastre, Domnului să ne rugăm.

Pentru pacea a toată lumea, pentru bunăstarea sfintelor lui Dumnezeu Biserici şi pentru unirea tuturor, Domnului să ne rugăm.

Pentru sfântă biserica aceasta şi pentru cei ce cu credinţă, cu evlavie şi cu frică de Dum nezeu intră într-însa, Domnului să ne rugăm.

Pentru ca să fim noi izbăviţi de tot necazul, mânia, primejdia şi nevoia, Domnului să ne rugăm.

Dacă preotul slujeşte singur el continuă de aici.

Diaconul : Apără, mântuieşte, miluieşte şi ne păzeşte pe noi, Dumnezeule, cu harul Tău.

Strana: Doamne miluieşte.

Rugăciunea a doua pentru credincioşi

Preotul: Iarăşi şi de multe ori cădem la Tine şi ne rugăm Ţie, Bunule şi Iubitorule de oameni, ca privind spre rugăciunea noastră, să curăţeşti sufletele şi trupurile noastre de toată necurăţia trupului şi a duhului şi să ne dai nouă să stăm nevinovaţi şi fără de osândă înaintea sfântului Tău jertfelnic. Şi dăruieşte, Dumnezeule, şi celor ce se roagă împreună cu noi spor în viaţă, în credinţă şi în înţelegerea cea duhov nicească. Dă lor săŢi slujească totdeauna cu frică şi cu dragoste şi întru nevinovăţie şi fără osândă să se împărtăşească cu Sfintele Tale Taine şi să se învrednicească de cereasca Ta împărăţie.

Diaconul: Înţelepciune.

Diaconul intră în altar prin uşa dinspre miazănoapte.

Preotul: Ca sub stăpânirea Ta totdeauna fiind păziţi, Ţie slavă să înălţăm, Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Strana cântă cântarea heruvimică până la: Ca pe împăratul…

Strana: Noi, care pe heruvimi cu taină închipuim şi făcătoarei de viaţă Treimi întreit-sfântă cântare aducem, toată grija cea lumească să o lepădăm.

Preotul citeşte în taină Rugăciunea din timpul cântării heruvimice:

Rugăciunea din timpul

cântării heruvimice

Preotul: Nimeni din cei legaţi cu pofte şi cu desfătări trupeşti nu este vrednic să vină, să se apropie, sau să slujească Ţie, Împăratul slavei; căci a sluji Ţie este lucru mare şi înfricoşător chiar pentru puterile cele cereşti. Dar, totuşi, pentru iubirea Ta de oameni cea negrăită şi nemăsurată, fără mutare şi fără schimbare Te-ai făcut om, şi Arhiereu al nostru Te-ai făcut, şi, ca un Stăpân a toate, ne-ai dat slujba sfântă a acestei jertfe liturgice şi fără sânge; că singur Tu, Doamne Dumnezeul nostru, stăpâneşti cele cereşti şi cele pământeşti, Care Te porţi pe scaunul heruvimilor, Domnul serafimilor şi Împăratul lui Israel, Cel ce singur eşti Sfânt şi întru sfinţi Te odihneşti. Deci pe Tine Te rog, Cel ce singur eşti bun şi binevoitor, caută spre mine păcătosul şi netrebnicul robul Tău, şi-mi curăţeşte sufletul şi inima de cugete viclene; şi învredniceşte-mă, cu puterea Sfântului Tău Duh, pe mine, cel ce sunt îmbrăcat cu harul preoţiei, să stau înaintea sfintei Tale mese acesteia şi să jertfesc sfântul şi preacuratul Tău Trup şi scumpul Tău Sânge. Căci la Tine vin, plecându-mi grumajii mei şi mă rog Ţie: Să nu întorci faţa Ta de la mine, nici să mă lepezi dintre slujitorii Tăi, ci binevoieşte săŢi fie aduse darurile acestea de mine păcătosul şi nevrednicul robul Tău. Că Tu eşti Cel ce aduci şi Cel ce Te aduci, Cel ce primeşti şi Cel ce Te împarţi, Hristoase, Dumnezeul nostru, şi Ţie slavă înălţăm, împreună şi Celui fără de început al Tău Părinte şi Preasfântului şi bunului şi de viaţă făcătorului Tău Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor. Amin.

După ce preotul a zis rugăciunea, el şi diaconul zic în taină cântarea heruvimică de trei ori, făcând câte o închinăciune la fiecare sfârşit.

Cântarea heruvimică

Preotul: Noi, care pe heruvimi cu taină închipuim şi făcătoarei de viaţă Treimi întreit-sfântă cântare aducem, toată grija cea lumească să o lepădăm…

Diaconul: …Ca pe Împăratul tuturor, să primim pe Cel înconjurat în chip nevăzut de cetele îngereşti. Aliluia, aliluia, aliluia.

Şi de nu s-a făcut mai înainte acoperirea Cinstitelor Daruri la proscomidiar, se face acum. Se ridică apoi perdeaua şi se deschid sfintele uşi. Diaconul dă cădelniţa preotului, şi, luând o lumânare aprinsă merge înaintea preotului care tămâiază Sfânta Masă împrejur, altarul tot şi ieşind prin sfintele uşi, tămâiază icoanele şi pe credincioşi. Preotul zice în taină Psalmul 50 până la versul Jertfa lui Dumnezeu, duhul umilit…. Dacă este timp el poate zice şi alte tropare de umilinţă. Întorcându-se la Sfânta Masă, preotul dă cădelniţa diaconului. Amândoi fac apoi două închinăciuni înaintea Sfintei Mese, zicând:

Preotul: Dumnezeule, curăţeşte-mă pe mine păcătosul şi mă miluieşte.

După aceea preotul sărută sfântul antimis, Sfânta Cruce şi Sfânta Masă. Diaconul sărută numai Sfânta Masă. Mai fac apoi amândoi o închinăciune şi se întorc plecându-se, dintre sfintele uşi, către credincioşi. Merg după aceea la proscomidiar şi închinându-se de trei ori, zic:

Dumnezeule curăţeşte-mă pe mine păcătosul şi mă miluieşte.

Diaconul: Ridică, părinte.

Preotul, luând Aerul îl pune pe umerii diaconului, zicând:

Preotul: Ridicaţi mâinile voastre la cele sfinte şi binecuvântaţi pe Domnul.

El dă sfântul disc diaconului, care îl ţine în dreptul frunţii. Preotul însuşi ia sfântul potir. Diaconul iese înaintea preotului prin uşa dinspre miazănoapte făcând Ieşirea cu Cinstitele Daruri sau Vohodul. Dacă sunt doi diaconi, preotul pune mai întâi pe umerii celui de al doilea un Aer, dându-i apoi cădelniţa. Al doilea diacon merge înaintea diaconului întâi. Iar de slujeşte numai preotul, face el singur Vohodul, având Aerul pe umeri, potirul în mâna dreaptă şi discul în mâna stângă.

Când sunt mai mulţi preoţi şi diaconi, cel dintâi dintre preoţi, împreună cu diaconii, se pleacă către credincioşi. Apoi vin şi ceilalţi preoţi începând de la cei cu rang mai mare, care se închină după rânduială şi vin în faţa proscomidiarului, având în mâna dreaptă fiecare câte o sfântă cruce, şi, la nevoie, chiar cartea Dumnezeieştii Liturghii. Preotul care a făcut Proscomidia poartă copia şi linguriţa. Şi fac Vohodul, mergând unul după altul în urma preotului celui dintâi şi când ajung în mijlocul bisericii, se întorc cu faţa spre apus. Când nu sunt diaconi, atât sfântul disc cât şi sfântul potir se iau de către întâiul dintre preoţi.

Ieşind deci din sfântul altar, întâiul dintre diaconi zice cu glas mare:

Ieşirea cu Cinstitele Daruri

Diaconul: Pe voi pe toţi, dreptmăritorilor creştini, să vă pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa, totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin. (Acum şi la următoarele ectenii de cerere)

Al doilea diacon, mergând înaintea primului diacon, se opreeşte în faţa icoanei Sfintei Fecioare. Primul dintre diaconi intra în altar şi stă în dreapta, aşteptându-l pe preot să intre cu Sfântul Potir. Când preotul intră în altar, al doilea diacon îl cădeşte şi apoi intră şi el prin uşa dinspre miazănoapte. Înainte de a intra în altar, preotul zice următoarele ectenii de cerere:

Preotul: Pe Prea Fericitul Părintele nostru (N), Patriarhul Bisericii Ortodoxe Române, şpe (Înalt-) Prea Sfinţitul (Arhi-) Episcopul (şi Mitropolitul) nostru (N)ţ, să-l pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa.

Pe (aici se pomeneşte Cârmuirea ţării, după îndrumările Sfântului Sinod), să-i pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa.

Pe fraţii noştri: preoţi, ieromonahi, ierodiaconi, diaconi, monahi şi monahii şi pe toţi cei din clerul bisericesc să-i pomenească Domnul Dumnezeu întru înpărăţia Sa.

Pe adormiţii întru fericire patriarhi ai Bisericii Ortodoxe Române, Miron, Nicodim, Justinian şi Iustin, să-i pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa.

Pe fericiţii şi pururea pomeniţii ctitori ai sfântului locaşului acestuia şi pe alţi ctitori, miluitori şi făcători de bine, să-i pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa.

Pe ostaşii români căzuţi pe câmpurile de luptă pentru apărarea ţării, să-i pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa.

Pe cei ce au adus aceste daruri şi pe cei pentru care s-au adus, vii şi morţi să-i pomenască Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa.

Pe toţi cei adormiţi din neamurile noastre, strămoşi, moşi, părinţi, fraţi, surori şi pe toţi cei dintr-o rudenie cu noi, pe fiecare după numele său, să-i pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa.

Nu se citesc acum pomelnice.

Întâiul dintre preoţi zice, făcând semnul Sfintei Cruci cu potirul spre credincioşi:

Preotul: Şi pe voi pe toţi, dreptmăritorilor creştini, să vă pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa, totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Strana cântă mai departe cântarea heruvimică de la Ca pe Împăratul… până la sfârşit.

Strana: …Ca pe Împăratul tuturor, să primim pe Cel înconjurat în chip nevăzut de cetele îngereşti. Aliluia, aliluia, aliluia.

Când preoţii intră în altar, întâiul dintre diaconi zice către preotul care duce sfântul potir:

Diaconul: Preoţia ta să o pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa.

Preotul zice către diacon:

Preotul: Diaconia ta să o pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa, totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Diaconul: Amin.

Şi pune sfântul potir pe antimis şi ia sfântul disc de la diacon, îl aşează pe Sfânta Masă în stânga sfântului potir, întocmai ca la proscomidiar, zicând:

Preotul: Iosif cel cu bun chip de pe lemn luând preacurat trupul Tău, cu giulgiu curat înfăşurându-l şi cu miresme, în mormânt nou îngropându-l, l-a pus.

În mormânt cu trupul, în iad cu sufletul, ca un Dumnezeu, în rai cu tâlharul şi pe scaun împreună cu Tatăl şi cu Duhul ai fost, Hristoase, toate umplându-le, Cel ce eşti necuprins.

Ca un purtător de viaţă şi mai înfrumuseţat decât raiul cu adevărat şi decât toată cămara împărătească mai luminat s-a arătat, Hristoase, mormântul Tău, izvorul învierii noastre.

Se închid sfintele uşi şi perdeaua lor. Preotul ia aco-perămintele de pe sfântul disc şi de pe sfântul potir, le pune pe Sfânta Masă. După ce a luat Aerul de pe umerii diaconului, îl cădeşte, apoi îl aşează peste Cinstitele Daruri, zicând:

Preotul: Iosif cel cu bun chip de pe lemn luând preacurat trupul Tău, cu giulgiu curat înfăşurându-l şi cu miresme, în mormânt nou îngropându-l, l-a pus.

Luând cădelniţa, preotul cădeşte Cinstitele Daruri de trei ori, zicând:

Preotul: Fă bine, Doamne, întru bunăvoirea Ta, Sio nului, şi să se zidească zidurile Ierusalimului.

Diaconul: Atunci vei binevoi jertfa dreptăţii, prinosul şi arderile de tot, atunci vor pune pe altarul Tău viţei.

Preotul dă înapoi cădelniţa. Plecându-şi capul, zice către diacon:

Preotul: Pomeneşte-mă, frate şi împreună-slujitorule.

Diaconul: Preoţia ta să o pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa.

Apoi diaconul îşi pleacă capul şi ţinând orarul cu trei degete ale mâinii drepte, zice:

Diaconul: Roagă-te pentru mine, părinte.

Preotul: Duhul Sfânt să vină peste tine şi puterea Celui preaînalt să te umbrească.

Diaconul: Acelaşi Duh să lucreze împreună cu noi în toate zilele vieţii noastre. Pomeneşte-mă, părinte.

Preotul îl binecuvântează pe diacon şi zice:

Diaconul: Să te pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa, totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Diaconul: Amin.

Diaconul sărută dreapta preotului, iese prin uşa dinspre miazănoapte şi mergând la locul cel obişnuit, înaintea sfintelor uşi, zice:

Diaconul: Să plinim rugăciunea noastră Domnului.

Strana: Doamne miluieşte. (Acum şi la urmă toarele ectenii de cerere)

Diaconul: Pentru Cinstitele Daruri ce sunt puse înainte, Domnului să ne rugăm.

Pentru sfântă biserica aceasta şi pentru cei ce cu credinţă, cu evlavie şi cu frică de Dumnezeu intră într-însa, Domnului să ne rugăm.

Pentru ca să fim izbăviţi noi de tot necazul, mânia, primejdia şi nevoia, Domnului să ne rugăm.

Apără, mântuieşte, miluieşte şi ne păzeşte pe noi, Dumnezeule, cu harul Tău.

După aşezarea Cinstitelor Daruri pe Sfânta Masă, diaconul îşi urmează ectenia, în timp ce preotul zice în taină Rugăciunea punerii-înainte.

Dacă sunt mai mulţi preoţi, Sărutul Păcii poate să înceapă în timpul acestei ectenii de cerere.

Diaconul: Ziua toată desăvârşită, sfântă, în pace şi fără de păcat, la Domnul să cerem.

Strana: Dă Doamne. (Acum şi la următoarele ectenii de cerere)

Diaconul: Înger de pace, credincios îndreptător, păzitor al sufletelor şi al trupurilor noastre, la Domnul să cerem.

Milă şi iertare de păcatele şi de greşelile noastre, la Domnul să cerem.

Cele bune şi de folos sufletelor noastre şi pace lumii, la Domnul să cerem.

Cealaltă vreme a vieţii noastre în pace şi întru pocăinţă a o săvârşi, la Domnul să cerem.

Sfârşit creştinesc vieţii noastre, fără durere, neînfruntat, în pace şi răspuns bun la înfricoşătoarea judecată a lui Hristos, să cerem.

Pe Preasfânta, curata, preabinecuvântata, mărita stăpâna noastră, de Dumnezeu Născătoarea şi pururea Fecioara Maria, cu toţi sfinţii să o pomenim.

Strana: Preasfântă Născătoare de Dumnezeu, miluieşte-ne pe noi.

Diaconul: Pe noi înşine şi unii pe alţii şi toată viaţa noastră lui Hristos Dumnezeu să o dăm.

Strana: Ţie, Doamne.

Rugăciunea punerii – înainte

Preotul: Doamne, Dumnezeule, Atotţiitorule, Cel ce eşti singur Sfânt, Care primeşti jertfă de laudă de la cei ce Te cheamă pe Tine cu toată inima, primeşte şi rugăciunea noastră a păcătoşilor şi o du la sfântul Tău jertfelnic; fă-ne vrednici a-Ţi aduce Ţie daruri şi jertfe duhovniceşti, pentru păcatele noastre şi pentru cele din neştiinţă ale poporului. Şi ne învredniceşte să aflăm har înaintea Ta, ca să fie bineprimită jertfa noastră şi să se sălăşluiască Duhul cel bun al harului Tău peste noi, peste aceste daruri puse înainte şi peste tot poporul Tău.

Preotul: Cu îndurările Unuia-Născut Fiului Tău, cu Care eşti binecuvântat, împreună cu Preasfântul şi bunul şi de viaţă făcătorul Tău Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Preotul stă cu faţa spre credincioşi şi îi binecuvântează.

Sărutul păcii

Preotul: Pace tuturor.

Strana: Şi duhului tău.

Diaconul: Să ne iubim unii pe alţii, ca într-un gând să mărturisim.

Strana: Pe Tatăl, pe Fiul şi pe Sfântul Duh, Treimea cea de o fiinţă şi nedespărţită.

Preotul se închină de trei ori, zicând de fiecare dată:

Preotul: Iubi-Te-voi, Doamne, virtutea mea, Domnul este întărirea mea şi scăparea mea şi izbăvitorul meu.

Imnul aceasta îl poate cânta clerul din altar, corul sau un cântăreţ.

Preotul sărută sfântul disc, sfântul potir şi marginea Sfintei Mese. Diaconul, face semnul crucii şi sărută crucea de pe orarul său.

De vor sluji mai mulţi preoţi, cel dintâi dintre preoţii împreună-slujitori, după ce s-a închinat Cinstitele Daruri, trece în partea dinspre miazăzi a altarului. Al doilea preot sărută şi el Cinstitele Daruri şi merge la cel dintâi care zice: Hristos în mijlocul nostru! Al doilea preot răspunde: Este şi va fi! Se sărută unul pe altul pe umeri şi cel dintâi zice: Totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor. Amin. Cel de-al doilea preot trece în dreapta celui dintâi şi aşteaptă amândoi până ce ceilalţi preoţi sărută Sfintele Daruri şi vin la ei să schimbe sărutul păcii.

Dacă sunt mai mulţi diaconi, ei nu sărută Cinstitele Daruri, ci fiecare sfânta cruce de pe orarul său şi apoi unul pe altul, rostind aceleaşi cuvinte şi făcând întocmai ca şi preoţii.

Diaconul care a zis ectenia zice de la locul său cu glas tare:

Diaconul: Uşile, uşile, cu înţelepciune să luăm aminte!

Se ridică perdeaua sfintelor uşi. Preotul ridică Aerul deasupra Cinstitelor Daruri şi îl clatină singur, ori cu ceilalţi preoţi împreună-slujitori, dacă sunt mai mulţi. El zice, împreună cu credincioşii, Simbolul credinţei şi după cuvintele şi a înviat a treia zi sărută Aerul şi îl aşează la o parte împreună cu celelalte acoperăminte.

Simbolul credinţei (Crezul)

Cred întru unul Dumnezeu, Tatăl atotţiitorul, Făcătorul cerului şi al pământului, al tuturor celor văzute şi nevăzute.

Şi întru unul Domn Iisus Hristos, Fiul lui Dumnezeu, Unul Născut, Care din Tatăl S-a născut mai înainte de toţi vecii: Lumină din Lumină, Dumnezeu adevărat din Dumnezeu adevărat, născut iar nu făcut, Cel de o fiinţă cu Tatăl, prin Care toate s-au făcut;

Care pentru noi oamenii şi pentru a noastră mântuire, S-a pogorât din ceruri şi S-a întrupat de la Duhul Sfânt şi din Fecioara Maria şi S-a făcut om;

Şi S-a răstignit pentru noi în zilele lui Ponţiu Pilat şi a pătimit şi S-a îngropat;

Şi a înviat a treia zi, după Scripturi;

Şi S-a înălţat la ceruri şi şade de-a dreapta Tatălui;

Şi iarăşi va să vină cu slavă să judece viii şi morţii, a Cărui împărăţie nu va avea sfârşit.

Şi întru Duhul Sfânt, Domnul de viaţă Făcătorul, Care din Tatăl purcede, Cel ce împreună cu Tatăl şi cu Fiul este închinat şi slăvit, Care a grăit prin prooroci.

Întru una, sfântă, sobornicească şi apostolească Biserică;

Mărturisesc un botez spre iertarea păcatelor;

Aştept învierea morţilor;

Şi viaţa veacului ce va să fie. Amin.

Pregătirea pentru Sfinţirea

Cinstitelor Daruri

Diaconul: Să stăm bine, să stăm cu frică, să luăm aminte, Sfânta Jertfă cu pace a o aduce.

Strana: Mila păcii, jertfa laudei.

Diaconul îşi face semnul crucii, intră în sfântul altar, ia un acoperământ şi apără cu evlavie Cinstitele Daruri. Se deschid sfintele uşi. Preotul, luând în mână o cruce de pe Sfânta Masă, şi stând între sfintele uşi, îi binecuvântează pe credincioşi zicând:

Preotul: Harul Domnului nostru Iisus Hristos şi dragostea lui Dumnezeu Tatăl şi împăr tăşirea Sfântului Duh, să fie cu voi cu toţi.

Strana: Şi cu duhul tău.

Preotul, înălţând Sfânta Cruce, zice tot cu faţa spre credincioşi:

Preotul: Sus să avem inimile.

Strana: Avem către Domnul.

Preotul se întoarce către icoana Mântuitorului, se pleacă şi zice:

Preotul: Să mulţumim Domnului.

Preotul se întoarce apoi la Sfânta Masă. Se închid sfintele uşi şi perdeaua.

Strana: Cu vrednicie şi cu dreptate este a ne închina Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh, Treimei celei de o fiinţă şi nedespărţită.

Rugăciunile de sfinţire a Cinstitelor Daruri:

Preotul: Cu vrednicie şi cu dreptate este a-Ţi cânta Ţie, pe Tine a Te binecuvânta, pe Tine a Te lăuda, Ţie a-Ţi mulţumi, Ţie a ne închina, în tot locul stăpânirii Tale; căci Tu eşti Dumnezeu negrăit şi necuprins cu gândul, nevăzut, neajuns, pururea fiind şi acelaşi fiind: Tu şi Unul-Născut Fiul Tău şi Duhul Tău cel Sfânt. Tu din nefiinţă la fiinţă ne-ai adus pe noi, şi căzând noi, iarăşi ne-ai ridicat şi nu Te-ai depărtat, toate făcându-le, până ce ne-ai suit la cer şi ne-ai dăruit împărăţia Ta ce va să fie. Pentru toate acestea mulţumim Ţie şi Unuia-Născut Fiului Tău şi Duhului Tău celui Sfânt, pentru toate pe care le ştim şi pe care nu le ştim; pentru binefacerile Tale cele arătate şi cele nearătate, ce ni s-au făcut nouă. Mulţumim Ţie şi pentru Liturghia aceasta, pe care ai binevoit a o primi din mâinile noastre, deşi stau înaintea Ta mii de arhangheli şi zeci de mii de îngeri, heruvimii cei cu ochi mulţi şi se rafimii cei cu câte şase aripi, care se înalţă zburând…

Diaconul, sau dacă nu este diacon, preotul face cu sfânta steluţă semnul crucii deasupra sfântului disc, atingând cu ea în cele patru părţi ale sfântului disc, când preotul zice cu glas tare:

Preotul: Cântare de biruinţă cântând, strigând, glas înălţând şi grăind:

Preotul sărută sfânta steluţă şi o pune deoparte.

Strana: Sfânt, Sfânt, Sfânt, Domnul Savaot! Plin este cerul şi pământul de slava Ta! Osana întru cei de sus! Binecuvântat este cel ce vine întru numele Domnului! Osana întru cei de sus!

Diaconul stă în dreapta preotului, apără Cinstitele Daruri cu un acoperământ. Preotul zice în taină:

Preotul: Cu aceste fericite Puteri şi noi, Iubitorule de oameni, Stăpâne, strigăm şi grăim: Sfânt eşti şi Preasfânt, Tu şi Unul-Născut Fiul Tău şi Duhul Tău cel Sfânt. Sfânt eşti şi Preasfânt şi slava Ta este plină de măreţie. Căci Tu ai iubit lumea Ta atât de mult încât pe Unul-Născut Fiul Tău L-ai dat, ca tot cel ce crede într-Însul să nu piară, ci să aibă viaţă veşnică. Şi Acesta venind şi toată rânduiala cea pentru noi plinind, în noaptea întru care a fost vândut şi mai vârtos Însuşi pe Sine S-a dat pentru viaţa lumii, luând pâinea cu sfintele şi preacuratele şi fără prihană mâinile Sale, mulţumind şi binecuvântând, sfinţind şi frângând, a dat Sfinţilor Săi Ucenici şi Apostoli, zicând:

Diaconul, ţinând orarul cu trei degete de la mâna dreaptă, arată preotului sfântul disc, preotul, arătând cu dreapta Sfântul Agneţ, zice:

Preotul: Luaţi, mâncaţi, acesta este Trupul Meu, Care se frânge pentru voi spre iertarea păcatelor.

Strana: Amin.

Preotul continuă, zicând în taină:

Preotul: Asemenea şi paharul după cină zicând:

Diaconul arată cu orarul sfântul potir, când preotul, arătând cu dreapta spre sfântul potir, zice:

Preotul: Beţi dintru acesta toţi, acesta este Sângele Meu, al Legii celei noi, Care pentru voi şi pentru mulţi se varsă, spre iertarea păcatelor.

Strana: Amin.

Preotul continuă zicând în taină:

Preotul: Aducându-ne aminte, aşadar, de această poruncă mântuitoare şi de toate cele ce s-au făcut pentru noi: de cruce, de groapă, de învierea cea de a treia zi, de suirea la ceruri, de şederea cea de-a dreapta, şi de cea de a doua şi slăvită iarăşi venire.

Diaconul pune acoperământul deoparte şi stând în faţa Sfântei Mese ia sfântul disc cu mâna dreaptă, şi sfântul potir cu cea stângă, cu mâna dreaptă peste cea stângă în chip de cruce, le înalţă deasupra sfântului antimis la Ţie Ţi-aducem…, coborându-le, face semnul crucii cu ele deasupra antimisului, în timp ce preotul zice:

Dacă nu este diacon, preotul face el cele de mai sus.

Preotul: Ale Tale dintru ale Tale, Ţie Ţi-aducem de toate şi pentru toate.

Strana: Pe Tine Te lăudăm, pe Tine Te binecuvântăm, Ţie Îţi mulţumim, Doamne, şi ne rugăm Ţie, Dumnezeul nostru.

În timpul acestei cântări preotul şi diaconul se închină de trei ori înaintea Sfintei Mese, zicând:

Clericii: Dumnezeule, curăţeşte-mă pe mine păcătosul şi mă miluieşte.

Apoi preotul ridicându-şi mâinile zice troparul Ceasului al III-lea:

Preotul: Doamne, Cel ce ai trimis pe Preasfântul Tău Duh, în ceasul al treilea, Apostolilor Tăi, pe Acela, Bunule, nu-L lua de la noi, ci ni-L înnoieşte nouă, celor ce ne rugăm Ţie.

Diaconul: Stih 1: Inimă curată zideşte întru mine, Dumnezeule, şi duh drept înnoieşte întru cele dinlăuntru ale mele.

Preotul şi diaconul se pleacă din nou şi preotul, ridicându-şi mâinile, zice:

Preotul: Doamne, Cel ce ai trimis pe Preasfântul Tău Duh, în ceasul al treilea, Apostolilor Tăi, pe Acela, Bunule, nu-L lua de la noi, ci ni-L înnoieşte nouă, celor ce ne rugăm Ţie.

Diaconul: Stih 2: Nu mă lepăda de la faţa Ta şi Duhul Tău cel Sfânt nu-L lua de la mine.

Preotul şi diaconul se pleacă din nou şi preotul, ridicându-şi mâinile, zice:

Preotul: Doamne, Cel ce ai trimis pe Preasfântul Tău Duh, în ceasul al treilea, Apostolilor Tăi, pe Acela, Bunule, nu-L lua de la noi, ci ni-L înnoieşte nouă, celor ce ne rugăm Ţie.

Diaconul: Slavă Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh. Şi acum şi pururea şi în vecii vecilor. Amin.

Cuvintele diaconului care urmează nu se spun de către preot când acesta este singur. Când sunt mulţi preoţi, numai cel dintâi sfinţeşte Cinstitele Daruri.

Preotul zice în taină:

Preotul: Încă aducem Ţie această slujbă duhov nicească şi fără de sânge, şi Te chemăm, Te rugăm şi cu umilinţă la Tine cădem: Trimite Duhul Tău cel Sfânt peste noi şi peste aceste Daruri, ce sunt puse înainte.

Diaconul îşi pleacă capul, arată cu orarul sfânta pâine şi zice încet:

Diaconul: Binecuvântează, părinte, sfânta pâine.

Preotul binecuvântează peste Sfântul Agneţ, zicând:

Preotul: Şi fă, adică, pâinea aceasta, Cinstit Trupul Hristosului Tău.

Diaconul: Amin.

Diaconul arată spre Sfântul Potir şi zice:

Diaconul: Binecuvântează, părinte, sfântul potir.

Preotul binecuvântează sfântul potir, zicând:

Preotul: Iar ceea ce este în potirul acesta, Cinstit Sângele Hristosului Tău.

Diaconul: Amin.

Diaconul arată către amândouă Sfintele, şi zice:

Diaconul: Binecuvântează-le, părinte, pe amândouă.

Preotul face odată semnul crucii asupra sfântului disc şi asupra sfântului potir, zicând:

Preotul: Prefăcându-le cu Duhul Tău cel Sfânt.

Diaconul: Amin, Amin, Amin.

Preotul şi diaconul se pleacă de trei ori, până la pământ. Apoi diaconul zice:

Diaconul: Pomeneşte-mă, părinte, pe mine păcătosul.

Preotul: Să te pomenească Domnul Dumnezeu întru împărăţia Sa, totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Diaconul: Amin.

Diaconul apără Sfintele Taine cu acoperământul. Dacă este numai un preot, el acoperă sfântul potir cu un acoperământ mic. Apoi continuă:

Preotul: Pentru ca să fie celor ce se vor împărtăşi, spre trezirea sufletului, spre iertarea păcatelor, spre împărtăşirea cu Sfântul Tău Duh, spre plinirea împărăţiei cerurilor, spre îndrăznirea cea către Tine, iar nu spre judecată sau spre osândă.

Încă aducem Ţie această slujbă duhovnicească pentru cei adormiţi întru credinţă: strămoşi, părinţi, patriarhi, prooroci, apostoli, propovăduitori, evanghelişti, mucenici, mărturisitori, pustnici şi pentru tot sufletul cel drept, care s-a săvârşit întru credinţă.

Preotul şi diaconul cad în genunchi privind spre dumneze iescul Trup şi Sânge al Domnului. Terminându-se la strană imnul Pe Tine Te lăudăm…, preotul ridică perdeaua uşilor împărăteşti şi tămâind Sfintele Taine zice:

Preotul: Mai ales pentru Preasfânta, curata, prea binecuvântata, mărita stăpâna noastră, de Dumnezeu Născătoarea şi pururea Fecioara Maria:

Preotul dă cădelniţa diaconului care cădeşte Sfânta Masă împrejur, proscomidiarul, altarul, pe preot şi pe cei din altar. Dacă preotul slujeşte singur, el cădeşte numai în faţa Sfintei Mese. Diaconul pune cădelniţa la o parte şi citeşte pomelnicul bisericii pentru cei adormiţi. În acest timp la strană se cântă Axionul.

Axionul Născătoarei de Dumnezeu

La praznicele împărăteşti, axionul poate fi altul.

Strana: Cuvine-se cu adevărat să te fericim Născă toare de Dumnezeu, cea pururea feri ci tă şi prea nevinovată şi maica Dum nezeului nostru. Ceea ce eşti mai cinstită decât heruvimii şi mai mărită fără de ase mănare decât se rafimii, care fără stricăciune pe Dumnezeu Cuvântul l-ai născut, pe tine cea cu adevărat Născătoare de Dumnezeu te mărim.

Înainte de terminarea Axionului Născătoarei de Dumnezeu se săvârşeşte sfinţirea anafurei. Luând de la diacon vasul cu anafură, preotul îl atinge de sfântul disc şi de sfântul potir, zicând în taină:

Preotul: Binecuvântată este anafura sfinţilor Tăi, Doamne, totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor. Amin.

Trebuie ştiut că: anfura se taie de obicei din prescura din care s-a scos Sfântul Agneţ. Dacă sunt credincioşi mulţi şi nu ajunge numai o prescură, se poate tăia şi prescura a doua, din care s-a scos părticica întru cinstea şi pomenirea Preasfintei Născătoare de Dumnezeu. Prin urmare, aceste două prescuri trebuie să fie întregi şi mai mari decât celelalte.

Preotul continuă:

Preotul: Pentru Sfântul Ioan Proorocul, Înaintemergătorul şi Botezătorul, pentru Sfinţii măriţii şi întru tot lăudaţii Apostoli, pentru Sfântul (N), a cărui pomenire o săvârşim, şi pentru toţi sfinţii Tăi; cu ale căror rugăciuni, cercetează-ne pe noi, Dumnezeule. Şi pomeneşte pe toţi cei adormiţi întru nădejdea învierii şi a vieţii celei de veci şi-i odihneşte pe dânşii, Dumnezeul nostru, acolo unde străluceşte lumina feţei Tale.

Încă Te rugăm: Pomeneşte, Doamne, pe toţi episcopii ortodocşi, care drept învaţă cuvântul adevărului Tău, toată preoţimea, cea întru Hristos diaconime şi tot cinul preoţesc şi monahicesc.

Încă aducem Ţie această slujbă duhovnicească pentru toată lumea, pentru sfânta sobornicească şi apostolească Biserică; pentru cei ce în curăţie şi în viaţă cinstită vieţuiesc, pentru (aici se pomeneşte cârmuirea ţării, după îndrumările Sfântului Sinod). Dă lor, Doamne, paşnică ocârmuire, ca şi noi, întru liniştea lor, viaţă paşnică şi netulburată să trăim, în toată cucernicia şi curăţia.

Dacă este timp, preotul citeşte încet pomelnicele viilor şi morţilor. Pentru cei vii zice:

Pentru mântuirea şi iertarea păcatelor robilor lui Dumnezeu (N).

Iar pentru cei morţi zice:

Pentru iertarea păcatelor şi odihna sufletelor robilor lui Dumnezeu (N), în loc luminat, de unde a fugit toată durerea, întristarea şi suspinarea; odihneşte-i, Dumnezeul nostru, şi-i sălăşluieşte pe dânşii unde străluceşte lumina feţei Tale.

Acum preotul şi diaconul se spală pe mâini. După terminarea axionului Născătoarei de Dumnezeu, preotul spune cu glas tare:

Preotul: Întâi pomeneşte, Doamne, pe Prea Fericitul Părintele nostru (N), Patriarhul Bisericii Ortodoxe Române, şpe (Înalt-) Prea Sfinţitul (Arhi-) Episcopul (şi Mitropolitul) nostru (N)ţ, pe care-l dăruieşte sfintelor Tale biserici în pace, întreg, cinstit, sănătos, îndelungat în zile, drept învăţând cuvântul adevărului Tău.

Strana: Pe toţi şi pe toate.

Diaconul pomeneşte încet la proscomidiar pomelnicul bi sericii pentru cei vii. Preotul se roagă în taină:

Preotul: Adu-Ţi aminte, Doamne, de oraşul (sau: de satul, sau: de sfânt locaşul) acesta, în care vieţuim şi de toate oraşele şi satele şi de cei ce cu credinţă vieţuiesc într-însele. Adu-Ţi aminte, Doamne, de cei ce călătoresc pe ape, pe uscat şi prin aer, de cei bolnavi, de cei ce pătimesc, de cei robiţi şi de mântuirea lor. Adu-Ţi aminte, Doamne, de cei ce aduc daruri şi fac bine în sfintele Tale biserici, şi îşi aduc aminte de cei săraci; şi trimite peste noi toţi milele Tale.

Cu glas tare preotul spune următorul ecfonis:

Preotul: Şi ne dă nouă, cu o gură şi cu o inimă, a slăvi şi a cânta preacinstitul şi de mare cuviinţă numele Tău, al Tatălui şi al Fiului şi al Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Diaconul înconjoară Sfânta Masă spre colţul din stânga plecându-şi capul şi preotul îl binecuvântează. Apoi diaconul iese prin uşa dinspre miazănoapte, mergând în mijlocul bisericii pentru rostirea ecteniei.

Strana: Amin.

Preotul, stând în dreptul sfintelor uşi se întoarce către cre dincioşi şi, binecuvântându-i cu mâna, zice ecfonisul:

Preotul: Şi să fie milele marelui Dumnezeu şi Mântuitorului nostru Iisus Hristos cu voi cu toţi.

Strana: Şi cu duhul tău.

Se lasă perdeaua.

Ectenia de dinaintea Rugăciunii Domneşti

Diaconul: Pe toţi sfinţii pomenindu-i, iară şi iară cu pace, Domnului să ne rugăm.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Pentru Cinstitele Daruri ce s-au adus şi s-au sfinţit, Domnului să ne rugăm.

Ca Iubitorul de oameni, Dumnezeul nostru, Cel ce le-a primit pe Dânsele în sfântul, cel mai presus de ceruri şi duhov nicescul Său jertfelnic, întru miros de bună mireasmă duhovnicească, să ne trimită nouă dumneze iescul har şi darul Sfântului Duh, să ne rugăm.

Pentru ca să fim izbăviţi noi de tot necazul, mânia, primejdia şi nevoia, Domnului să ne rugăm.

În timp ce diaconul îşi urmează ectenia, preotul zice în taină rugăciunea de dinaintea Rugăciunii Domneşti:

Diaconul: Apără, mântuieşte, miluieşte şi ne păzeşte pe noi Dumnezeule cu harul Tău.

Ziua toată desăvârşită, sfântă, în pace şi fără de păcat, la Domnul să cerem.

Strana: Dă, Doamne.

Diaconul: Înger de pace, credincios îndreptător al sufletelor şi al trupurilor noastre, la Domnul să cerem.

Milă şi iertare de păcatele şi de greşelile noastre, la Domnul să cerem.

Cele bune şi de folos sufletelor noastre şi pace lumii, la Domnul să cerem.

Cealaltă vreme a vieţii noastre în pace întru pocăinţă a o săvârşi, la Domnul să cerem.

 

 

 

Sfârşit creştinesc vieţii noastre, fără durere, neînfruntat, în pace şi răspuns bun la înfricoşătoarea judecată a lui Hristos, să cerem.

Unirea credinţei şi împărtăşirea Sfântului Duh cerând, pe noi înşine şi unii pe alţii şi toată viaţa noastră lui Hristos Dumnezeu să o dăm.

Strana: Ţie, Doamne.

Rugăciunea de dinaintea Rugăciunii Domneşti

Preotul: Ţie, Stăpâne, Iubitorule de oameni, Îţi încredinţăm toată viaţa şi nădejdea noastră şi cerem şi ne rugăm şi cu umilinţă cădem înaintea Ta: Învredniceşte-ne să ne împărtăşim cu cuget curat, cu cereştile şi înfricoşătoarele Tale Taine ale acestor sfinte şi duhovniceşti mese, spre lăsarea păcatelor, spre iertarea greşelilor spre împărtăşirea cu Sfântul Duh, spre moştenirea împărăţiei cerurilor, spre îndrăznirea cea către Tine, iar nu spre judecată, sau spre osândă.

Cu glas tare preotul zice ecfonisul:

Preotul: Şi ne învredniceşte pe noi, Stăpâne, cu îndrăznire, fără de osândă, să cutezăm a Te chema pe Tine, Dumnezeul cel ceresc, Tată, şi a zice:

Cel mai mare sau strana zice rar şi desluşit (dacă nu o cântă credincioşii) rugăciunea:

Rugăciunea Domnească

În timpul rugăciunii, diaconul îşi pune orarul cruciş peste piept.

Toţi: Tatăl nostru, Care eşti în ceruri, sfinţească-se numele Tău, vie împărăţia Ta, facă-se voia Ta, precum în cer aşa şi pe pământ; pâinea noastră cea spre fiinţă dă-ne-o nouă astăzi, şi ne iartă nouă greşelile noastre, precum şi noi iertăm greşiţilor noştri, şi nu ne duce pe noi în ispită, ci ne izbăveşte de cel rău.

Preotul zice ecfonisul:

Preotul: Că a Ta este împărăţia şi puterea şi slava, a Tatălui şi a Fiului şi a Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Ridicând puţin perdeaua, preotul zice:

Preotul: Pace tuturor.

Strana: Şi duhului tău.

Diaconul: Capetele voastre, Domnului să le plecaţi.

Strana: Ţie, Doamne.

Preotul zice în taină rugăciunea de după Rugăciunea Domnească:

Preotul: Mulţumim Ţie, Împărate nevăzut, Cel ce toate le-ai făcut cu puterea Ta cea nemăsurată şi cu mulţimea milei Tale din nefiinţă la fiinţă toate le-ai adus. Însuţi, Stăpâne, caută din cer spre cei ce şi-au plecat Ţie capetele lor; că nu le-au plecat trupului şi sângelui, ci Ţie, înfricoşătorului Dumnezeu. Tu deci, Stăpâne, cele puse înainte nouă tuturor, spre bine le întocmeşte, după trebuinţa deosebită a fiecăruia: cu cei ce călătoresc pe ape, pe uscat şi prin aer împreună călătoreşte, pe cei bolnavi îi tămăduieşte, Cel ce eşti doctorul sufletelor şi al trupurilor noastre.

Preotul zice cu glas tare:

Preotul: Cu harul şi cu îndurările şi cu iubirea de oameni a Unuia-Născut Fiului Tău, cu Care eşti binecuvântat, împreună cu Preasfântul şi bunul şi de viaţă făcătorul Tău Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Preotul se roagă în taină:

Preotul: Ia aminte, Doamne Iisuse Hristoase, Dumnezeul nostru, din sfânt locaşul Tău şi de pe scaunul slavei împărăţiei Tale şi vino ca să ne sfinţeşti pe noi, Cel ce sus împreună cu Tatăl şezi şi aici în chip nevăzut, împreună cu noi eşti. Şi ne învredniceşte, prin mâna Ta cea puternică, a ni se da nouă Preacuratul Tău Trup şi Scumpul Tău Sânge şi prin noi la tot poporul.

Preotul şi diaconul se închină de trei ori, zicând în taină de fiecare dată:

Clericii: Dumnezeule, curăţeşte-mă pe mine păcătosul şi mă miluieşte.

Diaconul sau, dacă nu este diacon, preotul zice cu glas tare:

Diaconul: Să luăm aminte…

Preotul, luând Sfântul Trup cu amândouă mâinile, Îl înalţă în semnul Sfintei Cruci, deasupra sfântului disc, zicând :

Preotul: …Sfintele, sfinţilor.

Strana: Unul Sfânt, unul Domn, Iisus Hristos, întru slava lui Dumnezeu-Tatăl. Amin.

Sfânta Împărtăşanie

Această cântare se schimbă în funcţie de zilele săptămânii şi se pot zice acum şi alte cântări.

Strana: Lăudaţi-l pe Domnul din ceruri; lăudaţi-L pe El întru cele înalte. Aliluia, aliluia, aliluia!

Diaconul intră în sfântul altar şi stă în dreapta preotului care ia Sfântul Trup în mâini. Diaconul zice:

Diaconul: Sfărâmă, părinte, Sfântul Trup.

Preotul sfărâmă Sfântul Trup în patru părţi, cu luare-aminte şi cu evlavie, zicând:

Preotul: Se sfărâmă şi se împarte Mielul lui Dumnezeu, Cel ce se sfărâmă şi nu se desparte, Cel ce se mănâncă pururea şi niciodată nu se sfârşeşte, ci pe cei ce se împărtăşesc îi sfinţeşte.

Aşează cele patru părţi pe sfântul disc în semnul crucii astfel:

Diaconul arată cu orarul sfântul potir, zicând:

Diaconul: Plineşte, părinte, sfântul potir.

Preotul ia părticica, însemnată cu IS, face cu dânsa semnul Sfintei Cruci deasupra sfântului potir, şi zice:

Preotul: Plinirea potirului credinţei Sfântului Duh.

Pune părticica în sfântul potir. Apoi îşi şterge degetele cu buretele, deasupra sfântului disc.

Diaconul: Amin.

Diaconul ia căldura şi zice:

Diaconul: Binecuvântează, părinte, căldura.

Preotul binecuvântează căldura, zicând:

Preotul: Binecuvântată este căldura sfinţilor Tăi, Doamne, totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Diaconul, sau dacă nu este diacon, preotul zice:

Diaconul: Amin

Diaconul toarnă apoi în chipul Sfintei Cruci atât cât chibzuieşte că ajunge să încălzescă Sfintele, zicând:

Diaconul: Căldura credinţei plină de Duhul Sfânt. Amin.

Preotul împarte cu copia părticica HS în tot atâtea părticele câţi clerici împreună-slujitori sunt. El le pune pe partea de jos a sfântului disc. Cei prezenţi fac trei închinăciuni şi cer apoi iertare unul de la altul. Apoi preotul zice:

Preotul: Apropie-te, diacone.

Diaconul trecând prin partea de răsărit a Sfintei Mese, vine la stânga preotului. Ţinând palmele întinse cruciş, dreapta peste stânga, zice:

Diaconul: Dă-mi mie, părinte, Cinstitul şi Preasfântul Trup al Domnului şi Dumnezeului şi Mântuitorului nostru Iisus Hristos.

Preotul, având buretele între degetele de la mâna stângă, ia una din bucăţile din părticica HS şi ţinând-o deasupra buretelui, o dă diaconului, zicând:

Preotul: Cinstitul şi Preasfântul Trup al Domnului şi Dumnezeului şi Mântuitorului nostru Iisus Hristos se dă ţie diaconului (N), spre iertarea păcatelor tale şi spre viaţa de veci.

Diaconul, primind părticica din Sfântul Trup în palma dreaptă, răspunde:

Diaconul: Amin. Hristos în mujlocul nostru.

Preotul: Este şi va fi.

Diaconul sărută dreapta preotului şi se duce în partea de răsărit a Sfintei Mese şi plecându-şi capul aşteaptă să ia şi preotul părticica din Sfântul Trup. Preotul pune buretele sub degetul mijlociu al mâinii drepte, între arătător şi inelar, iar cu stânga ridică părticica sa şi o pune în palma dreaptă, zicând:

Preotul: Cinstitul şi Preasfântul Trup al Domnului şi Dumnezeului şi Mântuitorului nostru Iisus Hristos se dă mie preotului (N), spre iertarea păcatelor mele şi spre viaţa de veci.

Îşi şterge degetele cu buretele, deasupra sfântului disc şi aşezând palma stânga sub mâna dreaptă, se pleacă înaintea Sfintei Mese şi împreună cu diaconul zic în taină rugăciunile dinaintea împărtăşirii:

Rugăciunile dinaintea Împărtăşaniei

Cred, Doamne, şi mărturisesc că Tu eşti cu adevărat Hristos, Fiul lui Dumnezeu celui viu, Care ai venit în lume să mântuieşti pe cei păcătoşi, dintre care cel dintâi sunt eu. Încă cred că Acesta este însuşi Preacurat Trupul Tău şi Acesta este însuşi Scump Sângele Tău. Deci mă rog Ţie: Miluieşte-mă şi-mi iartă greşelile mele cele de voie şi cele fără de voie, cele cu cuvântul sau cu lucrul, cele întru ştiinţă şi întru neştiinţă. Şi mă învredniceşte, fără osândă, să mă împărtăşesc cu Preacuratele Tale Taine, spre iertarea păcatelor şi spre viaţa de veci. Amin.

Cinei Tale celei de taină, Fiul lui Dumnezeu, astăzi, părtaş mă primeşte, că nu voi spune vrăjmaşilor Tăi, Taina Ta, nici sărutare Îţi voi da ca Iuda, ci ca tâlharul mărturisindu-mă strig Ţie: Pomeneşte-mă, Doamne, în împărăţia Ta.

Nu spre judecată sau spre osândă să-mi fie mie împărtăşirea cu Sfintele Tale Taine, Doamne, ci spre tămăduirea sufletului şi a trupului.

Preotul şi diaconul se împărtăşesc, cu părticelele pe care le ţin în mâini, cu frică şi cu toată evlavia, ştergându-şi după aceea mâna cu buretele deasupra sfântului antimis.

Preotul, luând cu amândouă mâinile şi cu un acoperământ sfântul potir, se împărtăşeşte de trei ori dintr-însul, zicând:

Preotul: Mă împărtăşesc eu, robul lui Dumnezeu, preotul (N), cu Cinstitul şi Sfântul Sânge al Domnului şi Dumnezeului şi Mântuitorului nostru Iisus Hristos, spre iertarea păcatelor mele şi spre viaţa de veci. Amin.

Apoi îşi şterge preotul buzele sale şi sfântul potir cu aco perământul şi zice:

Preotul: Iată S-a atins de buzele mele şi va şterge fărădelegile mele şi de păcatele mele mă va curăţi.

Încă ţinând sfântul potir cu un acoperământ, cheamă pe diacon, zicând:

Preotul: Apropie-te, diacone.

Diaconul vine, se închină şi zice:

Diacon: Iată vin la nemuritorul Împărat.

Diaconul ia cu stânga colţul liber al acoperământului şi îl aşează sub bărbie, iar cu dreapta apucă de marginea pos tamentului sfântului potir, spre a înlesni preotului lucrarea, iar preotul îl împărtăşeşte de trei ori, zicând:

Preotul: Se împărtăşeşte robul lui Dumnezeu, diaconul (N), cu Cinstitul şi Sfântul Sânge al Domnului şi Dumnezeului şi Mântui to rului nostru Iisus Hristos, spre iertarea păcatelor sale şi spre viaţa de veci.

Şi diaconul zice:

Diaconul: Amin.

După ce s-a împărtăşit diaconul, preotul zice:

Preotul: Iată s-a atins de buzele tale şi va şterge fărădelegile tale şi de păcatele tale te va curăţi.

Diaconul îşi şterge apoi buzele şi sfântul potir cu aco perământul.

(Tipicul american) Când sunt mai mulţi credincioşi pregătiţi să se împărtăşească, sfărâmă cu grijă cele două sfinte părţi NI şi KA în sfântul potir. Părticica Preasfintei Născătoarei de Dumnezeu, a sfinţilor, a viilor şi a morţilor nu se pun în potir ci se lasă pe sfântul disc, până ce se vor cumineca toţi credincioşii. Când diaconul pune părticelele NI şi KA în potir, zice:

(Tipicul românesc) Punând întâi părticelele NI şi KA una după alta în sfântul potir, diaconul (sau dacă nu este diacon, preotul), zice:

Diaconul: Învierea lui Hristos văzând, să ne închinăm Sfântului Domnului Iisus, unuia Celui fără de păcat. Crucii Tale ne închinăm, Hristoase, şi sfântă Învierea Ta o lăudăm şi o slăvim; că Tu eşti Dumnezeul nostru, afară de Tine pe altul nu ştim, numele Tău numim. Veniţi toţi credincioşii să ne închinăm sfintei Învierii lui Hristos, că iată a venit prin cruce bucurie la toată lumea. Totdeauna binecuvântând pe Domnul, lăudăm Învierea Lui, că răstignire răbdând pentru noi, cu moartea pe moarte a stricat.

(Tipicul românesc) Când pune în sfântul potir părticica Născătoarei de Dumnezeu, diaconul (dacă nu este diacon, preotul) zice:

Diaconul: Luminează-te, luminează-te, noule Ierusalime, că slava Domnului peste tine a răsărit. Saltă acum şi te bucură, Sioane, iar tu, Curată, Născătoare de Dumnezeu, veseleşte-te întru Învierea Celui născut al tău.

(Tipicul românesc) Când pune în sfântul potir, părticelele pentru cele nouă cete ale sfinţilor, diaconul (sau dacă nu este diacon, preotul) zice:

Diaconul: O, Paştile cele mari şi preasfinţite, Hristoase! O, Înţelepciunea şi Cuvântul lui Dumnezeu şi Puterea! Dă-ne nouă să ne împărtăşim cu Tine, mai cu adevărat, în ziua cea neînserată a Împărăţiei Tale.

(Tipicul românesc) Diaconul sau preotul trage după aceea uşor cu buretele miridele pentru vii şi pentru morţi, şi le pune în sfântul potir, zicând:

Diaconul: Spală, Doamne, păcatele celor ce s-au pomenit aici, cu Cinstit Sângele Tău, pentru rugăciunile sfinţilor Tăi.

Diaconul sau preoţii, ştergând apoi bine sfântul disc şi sfântul antimis, ia părticelele rămase şi le pune în sfântul potir pe care după aceea îl acoperă. Pune apoi pe sfântul disc Aerul, întocmit, apoi sfânta steluţă, iar peste ea acoperământul. După aceea, preotul citeşte în taină rugăciunea de mulţumire.

* Adesea, predica se ţine acum.

Rugăciunea de mulţumire

Preotul: Mulţumim Ţie, Stăpâne, Iubitorule de oa meni, Dătătorule de bine al sufletelor noastre, că şi în ziua de acum ne-ai învrednicit pe noi de cereştile şi nemuritoarele Tale Taine. Îndreptează calea noastră, întăreşte-ne pe noi, pe toţi, întru frica Ta; păzeşte viaţa noas tră, întăreşte paşii noştri, pentru rugă ciunile şi mijlocirile măritei Născătoarei de Dum nezeu şi pururea Fecioarei Maria şi pentru ale tuturor sfinţilor Tăi.

Preotul şi diaconul îşi spală mâinile. Când se termină pre dica, se ridică perdeaua şi se deschid sfintele uşi, iar diaconul, închinându-se o dată, primeşte sfântul potir de la preot şi, stând între sfintele uşi, înalţă potirul şi zice:

Diaconul: Cu frică de Dumnezeu, cu credinţă şi cu dragoste să vă apropiaţi.

Strana: Binecuvântat este Cel ce vine în numele Domnului. Dumnezeu este Domnul şi s-a arătat nouă!

În Săptămâna Luminată strana cântă: Hristos a înviat… (o dată).

Întorcându-se spre sfântul altar, diaconul dă sfântul potir preotului. Credincioşii se apropie, unul câte unul, să se împărtăşească cu Sfintele Daruri. Preotul, stând cu faţa către ei şi ţinând în mâini sfântul potir, zice rugăciunile dinaintea împărtăşaniei:

Preotul: Cred, Doamne, şi mărturisesc…, Cinei Tale celei de taină…, Nu spre judecată sau spre osândă…,

Credincioşii vin unul după altul cu umilinţă şi cu frică, închinându-se şi ţinând mâinile strânse la piept. Preotul zice fiecăruia:

Preotul: Se împărtăşeşte robul lui Dumnezeu (N) cu Cinstitul şi Sfântul Trup şi Sânge al Domnului şi Dumnezeului şi Mântuitorului nostru Iisus Hristos, spre iertarea păcatelor lui şi spre viaţa de veci.

În timpul împărtăşirii credincioşilor, strana cântă: Trupul lui Hristos primiţi…, Cinei Tale celei de taină sau alte cântări.

Strana: Trupul lui Hristos primiţi şi din izvorul cel fără de moarte gustaţi. Aliluia, aliluia, aliuluia!

Cei împărtăşiţi îşi şterg buzele cu sfântul acoperământ şi sărută sfântul potir închinându-se.

La încheierea împărtăşirii credincioşilor, preotul, ţinând cu amândouă mâinile sfântul potir (sau, de nu este nimeni de împărtăşit, luându-l de la diacon) îi binecuvântează pe cre dincioşi cu sfântul potir şi zice

Preotul: Mântuieşte, Dumnezeule, poporul Tău şi binecuvântează moştenirea Ta.

Strana: Am văzut lumina cea adevărată, am pri mit Duhul cel ceresc; am aflat credinţa cea adevărată, nedespărţitei Treimi închi nându-ne, că Aceasta ne-a mântuit pe noi.

De la Paşti până la Înălţare: Hristos a înviat… (o dată)

De la Înălţare până la Rusalii: Înălţatu-Te-ai întru mărire…

În timpul cântării, preotul pune sfântul potir pe sfântul antimis şi diaconul pune în sfântul potir celelalte părticele de pe sfântul disc.

Preotul tămâiază Sfintele Daruri de trei ori, zicând:

Preootul: Înalţă-Te peste ceruri, Dumnezeule, şi peste tot pământul slava Ta.

Preotul dă cădelniţa diaconului, care le ridică deasupra capului şi, trecând prin faţa Sfintei Mese, se întoarce spre credincioşi arătându-le sfântul disc, apoi îl duce la proscomidiar şi-l pune acolo.

Preotul se închină de trei ori în faţa Sfintei Mese şi zice în taină:

Preotul: Binecuvântat este Dumnezeul nostru…

Dacă nu este diacon, preotul se închină de trei ori înaintea Sfintei Mese, ia sfântul disc cu mâna stângă şi sfântul potir cu mâna dreaptă şi ţinând sfântul potir deasupra sfântului disc, zice în taină: Binecuvântat este Dumnezeul nostru…

Sfârşindu-se de cântat la strană: Am văzut Lumina cea adevărată, preotul se întoarce către credincioşi, zicând cu glas mare:

Preotul: …totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Să se umple gurile noastre de lauda Ta, Doamne, ca să lăudăm mărirea Ta; că ne-ai învrednicit pe noi să ne împărtăşim cu sfintele, dumnezeieştile, nemuritoarele, preacuratele şi de viaţă făcătoarele Tale Taine. Întăreşte-ne pe noi întru sfinţenia Ta, toată ziua să ne învăţăm dreptatea Ta. Aliluia, aliluia, aliluia!

În timpul acestei cântări, preotul merge la proscomidiar şi pune sfântul potir acolo (iar dacă nu este diacon, duce şi sfântul disc). Preotul cădeşte Sfintele de trei ori, nezicând nimic. Diaconul, având capul acoperit, merge în faţa sfintelor uşi şi zice ectenia (dacă nu este diacon, următoarea ectenie se zice de către preot). Preotul se întoarce la Sfânta Masă şi strânge sfântul antimis, începând cu partea de răsărit şi continuând cu cea de apus, cea de miazăzi şi în urmă cea de miazănoapte.

Ectenia de mulţumire

Diaconul: Drepţi, primind dumnezeieştile, sfintele, preacuratele, nemuritoarele, cereştile şi de viaţă făcătoarele, înfricoşătoarele lui Hristos Taine, cu vrednicie să mulţumim Domnului.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Apără, mântuieşte, miluieşte şi ne păzeşte pe noi, Dumnezeule, cu harul Tău.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul: Ziua toată desăvârşită, sfântă, în pace şi fără de păcat cerând, pe noi înşine şi unii pe alţii şi toată viaţa noastră, lui Hristos Dumnezeu, să o dăm.

Strana: Ţie, Doamne.

Diaconul merge înaintea icoanei Mântuitorului şi aşteaptă acolo cu capul plecat, până la sfârşitul rugăciunii amvonului.

Preotul face cruce peste sfântul antimis cu Sfânta Evanghelie, zicând ecfonisul:

Preotul: Că Tu eşti sfinţirea noastră şi Ţie slavă înălţăm, Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Aşează Sfânta Evanghelie pe Sfânta Masă, aşa cum era la începutul Sfintei Liturghii.

Strana: Amin.

Preotul, având capul acoperit şi privind spre credincioşi zice:

Preotul: Cu pace să ieşim.

Strana: Întru numele Domnului.

Diaconul: Domnului să ne rugăm.

Strana: Doamne miluieşte.

Preotul, luându-şi Liturghierul, iese prin sfintele uşi, merge în mijlocul bisericii, face o închinăciune către altar şi zice rugăciunea amvonului.

Rugăciunea amvonului

Preotul: Cel ce binecuvântezi pe cei ce Te binecuvântează, Doamne, şi sfinţeşti pe cei ce nădăjduiesc întru Tine, mântuieşte poporul Tău şi binecuvântează moştenirea Ta. Plinirea Bisericii Tale o păzeşte; sfinţeşte pe cei ce iubesc podoaba casei Tale; Tu pe aceştia îi preamăreşte cu dumnezeiască puterea Ta; şi nu ne lăsa pe noi cei ce nădăjduim întru Tine. Pace lumii Tale dăruieşte, bisericilor Tale, preoţilor, (aici se pomeneşte Cârmuirea ţării, după îndrumările Sfântului Sinod) şi la tot poporul Tău. Că toată darea cea bună şi tot darul desăvârşit de sus este, pogorând de la Tine, Părintele luminilor, şi Ţie slavă şi mulţumire şi închinăciune înălţăm, Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Dacă credincioşii aduc daruri întru cinstirea şi pomenirea Sfântului sau pentru sărbătoare (colivi, brânză şi ouă, struguri, pârgă de poame, ori alte roade), se cântă la strană troparele şi condacul sărbătorii.

Strana: (Cântarea cuvenită)

Preotul tămâind zice:

Preotul: Domnului să ne rugăm.

Strana: Doamne miluieşte.

Preotul, stând lângă daruri, zice cu glas mare rugăciunea potrivită cu felul de daruri (rugăciunile de acest fel se găsesc mai departe în Liturghier).

Preotul: (Zice rugăciunea potrivită din Liturghier)

Strana: Amin.

Strana cântă:

Strana: Fie numele Domnului binecuvântat… (de 3 ori)

În Săptămâna LuminatăHristos a înviat… (de trei ori)

Strana continuă cu Psalmul 33 (de trei ori):

Strana: Bine voi cuvânta pe Domnul…

Preotul se pleacă spre credincioşi, în dreapta şi în stânga, şi intră prin sfintele uşi. Diaconul intră prin uşa dinspre miazănoapte. Merg către proscomidiar unde îşi descoperă şi îşi pleacă capetele amândoi. Preotul zice următoarea rugăciune:

Preotul: Plinirea Legii şi a proorocilor Tu însuţi fiind, Hristoase, Dumnezeul nostru, Cel ce ai plinit toată rânduiala părintească, umple de bucurie şi de veselie inimile noastre, totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor. Amin.

Diaconul, din sfintele uşi, zice:

Diaconul: Domnului să ne rugăm.

Strana: Doamne miluieşte.

Diaconul îşi descoperă capul, se întoarce la proscomidiar şi consumă ce a rămas din Sfintele Taine. El curăţă sfântul potir cu vin şi apă. Apoi îl şterge cu un ştergar anume pregătit şi pune sfântul potir cu celelalte obiecte liturgice.

Preotul, acoperindu-şi capul, binecuvântează pe credincioşi dintre sfintele uşi:

Preotul: Binecuvântarea Domnului peste voi toţi cu al Său har şi cu a Sa iubire de oameni, totdeauna, acum şi pururea şi în vecii vecilor.

Strana: Amin.

Otpustul

Preotul se pleacă către icoana Mântuitorului şi zice:

Preotul: Slavă Ţie, Hristoase Dumnezeule, nădejdea noastră, slavă Ţie.

Strana: Slavă. Tatălui şi Fiului şi Sfântului Duh. Şi acum şi pururea şi în vecii vecilor. Amin.

Doamne miluieşte. Doamne miluieşte. Doamne miluieşte.

Întru numele Domnului, părinte, binecuvântează.

Preotul: Cel ce a înviat din morţi…; iar de nu va fi duminică zice: Hristos, Adevăratul Dumnezeul nostru, pentru rugăciunile Preacuratei Maicii Sale, ale Sfinţilor, măriţilor şi întru tot lăudaţilor Apostoli, ale Sfântului (N) (al cărui hram îl poartă biserica), ale celui între sfinţi Părintelui nostru Ioan Gură de Aur, arhiepiscopul Constantinopolului, ale Sfântului (N), a cărui pomenire o săvârşim, ale Sfinţilor şi drepţilor dumnezeieşti Părinţi Ioachim şi Ana şi pentru ale tuturor sfinţilor, să ne miluiască şi să ne mântuiască pe noi, ca un bun şi de oameni iubitor.

Strana: Amin.

Preotul se întoarce cu faţa spre icoana Mântuitorului şi zice:

Preotul: Pentru rugăciunile sfinţilor părinţilor noştri, Doamne Iisuse Hristoase, Dumnezeul nostru, miluieşte-ne pe noi.

Strana: Amin.

Preotul se întoarce în altar şi închide sfintele uşi şi perdeaua. Ieşind prin uşa diaconului, el (sau altcineva anume rânduit) împarte anafura credincioşilor. Când se termină aceasta, se întoarce în altar şi, dacă nu este diacon, el însuşi consumă Sfintele Taine. Preotul şi diaconul îşi scot veşmintele şi zic rugăciunile de mulţumire.

________________________________________________________________________

La divina liturgia di san Giovanni Crisostomo 


 

LA DIVINA LITURGIA

DI

SAN GIOVANNI CRISOSTOMO

 

Il Diacono: Benedici, signore.

Il Sacerdote, elevando il s. Vangelo e facendo con esso un segno di croce, ad alta voce dice:

Benedetto il regno del Padre, del Figlio e dello Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Quindi il Diacono dice le invocazioni di pace, mentre i Cori cantano alternativamente, con ogni devozione: Kyrie, eleison.

In pace preghiamo il Signore.

Per la pace che viene dall’alto e per la salvezza delle anime nostre, preghiamo il Signore.

Per la pace del mondo intero, per la prosperità delle Sante Chiese di Dio e per l’unione di tutti, preghiamo il Signore.

Per questa santa dimora, e per coloro che vi entrano con fede, pietà e timor di Dio, preghiamo il Signore.

Per il nostro beatissimo Patriarca (o piissimo Metropolita, o Arcivescovo, o Vescovo) N., per il venerabile presbiterio e per il diaconato in Cristo, per tutto il clero e il popolo, preghiamo il Signore.

Per i nostri Governanti e per le Autorità civili e militari, preghiamo il Signore.

 

Per questa città (o santo monastero, o paese), per ogni città e paese, e per i fedeli che vi abitano, preghiamo il Signore.

Per la salubrità del clima, per l’abbondanza dei frutti della terra e per tempi di pace, preghiamo il Signore.

Per i naviganti, i viandanti, i malati, i sofferenti, i prigionieri, e per la loro salvezza, preghiamo il Signore.

Per essere liberati da ogni afflizione, flagello, pericolo e necessità, preghiamo il Signore.

Soccorrici, salvaci, abbi pietà di noi e custodiscici, o Dio, con la tua grazia.

Facendo memoria della tuttasanta, immacolata, benedetta, gloriosa Signora nostra, Genitrice di Dio e sempre vergine Maria, insieme con tutti i Santi, raccomandiamo noi stessi, gli uni gli altri, e tutta la nostra vita a Cristo Dio.

Il Coro: A te, o Signore.

Preghiera della prima Antifona, sommessamente.

Signore Dio nostro, la cui potenza è incomparabile, la misericordia immensa e l’amore per gli uomini ineffabile: tu, o Sovrano, per la tua clemenza volgi lo sguardo su di noi e sopra questa santa dimora, e largisci a noi e a quanti pregano con noi copiose le tue misericordie e la tua pietà.

A voce alta: Poiché ogni gloria, onore e adorazione si addice a Te, Padre, Figlio e Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

I Cori cantano la prima antifona, o il primo salmo dei Tipici, secondo la prescrizione rituale. Durante il canto, il Diacono, fatto un inchino profondo, si sposta e va a collocarsi davanti all’lcone della Genitrice di Dio, rivolto verso quella del Cristo, tenendo l’Orarion con tre dita della destra.

Al termine dell’Antifona, ritornato al posto consueto, fatto un inchino profondo, dice:

Ancora preghiamo in pace il Signore.

Il Coro: Kyrie, eleison.

 

Soccorrici, salvaci, abbi pietà di noi e custodiscici, o Dio, con la tua grazia.

Il Coro: Kyrie, eleison.

Facendo memoria della tuttasanta, immacolata, benedetta, gloriosa Signora nostra, Genitrice di Dio e sempre Vergine Maria, insieme con tutti i Santi, raccomandiamo noi stessi, gli uni gli altri, e tutta la nostra vita a Cristo Dio. Il Coro: A te, o Signore.

Preghiera della seconda Antifona, sommessamente.

Signore, Dio nostro, salva il tuo popolo e benedici la tua eredità ; custodisci in pace tutta quanta la tua Chiesa, santifica coloro che amano il decoro della tua dimora ; tu, in cambio, glorificali con la tua divina potenza e non abbandonare noi che speriamo in te.

A voce alta: Poiché tua è la potenza, il regno, la forza e la gloria, Padre, Figlio e Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

I Cori cantano la seconda Antifona o il secondo salmo dei Tipici. ll Diacono si comporta come durante la prima Antifona.

Alla fine dell’Antifona, o del salmo dei tipici, si aggiunge:

O unigenito Figlio e Verbo di Dio, che pur essendo immortale, hai accettato per la nostra salvezza d’incarnarti nel seno della santa Genitrice di Dio e sempre vergine Maria: Tu, che senza mutamento, ti sei fatto uomo e fosti crocifisso, o Cristo Dio, con la tua morte calpestando la morte ; Tu, che sei uno della Trinità santa, glorificato con il Padre e con lo Spirito Santo, salvaci.

Al termine dell’lnno O unigenito Figlio, il Diacono dice la piccola litania:

Ancora preghiamo in pace il Signore.

Il Coro: Kyrie, eleison.

Soccorrici, salvaci, abbi pietà di noi e custodiscici, o Dio, con la tua grazia.

Il Coro: Kyrie, eleison.

 

Facendo memoria della tuttasanta, immacolata, benedetta, gloriosa Signora nostra, Genitrice di Dio e sempre vergine Maria, insieme con tutti i Santi, raccomandiamo noi stessi, gli uni gli altri, e tutta la nostra vita a Cristo Dio.

Il Coro: A te, o Signore.

Il Diacono entra nel s. vima per la porta sud.

Preghiera della terza Antifona, sommessamente.

Tu che ci hai concesso la grazia di pregare insieme unendo le nostre voci, Tu che hai promesso di esaudire le suppliche anche di due o tre uniti nel tuo nome ; Tu, anche ora, esaudisci le richieste dei tuoi servi a loro bene, e concedi nella vita presente la conoscenza della tua verità, e nel secolo futuro la vita eterna.

A voce alta: Poiché tu sei Dio buono e amico degli uomini, e noi rendiamo gloria a Te, Padre, Figlio e Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Mentre i Cori cantano la terza Antifona, o i Macarismi, giunti al Gloria, il Sacerdote e il Diacono fanno tre profondi inchini davanti alla s. Mensa. Si aprono le Porte sante.

Il Sacerdote, preso il s. Vangelo, lo consegna al Diacono. Escono dalla porta Nord, preceduti dai ceroferari e fanno il piccolo Introito mentre il Coro canta uno o più Apolitikia.

Stando al posto consueto, ambedue chinano la testa. Il Diacono dice sottovoce: Preghiamo il Signore. Il Sacerdote recita la seguente preghiera.

Preghiera dell’Introito. Sommessamente.

Sovrano Signore, Dio nostro, che hai costituito nei cieli schiere ed eserciti di Angeli ed Arcangeli a servizio della tua gloria, fa che al nostro ingresso si accompagni l’ingresso degli Angeli santi, che con noi celebrino e glorifichino la tua bontà.

Poiché ogni gloria, onore e adorazione si addice a Te, Padre, Figlio e Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli. Amìn.

Terminata la preghiera, il Diacono, tenendo l’Oràrion con tre dita, dice al

 

Sacerdote, indicando l’oriente con la destra:

Benedici, signore, il santo ingresso.

Il Sacerdote, benedicendo, dice sommessamente:

Sia benedetto l’ingresso dei tuoi Santi in ogni tempo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli. Amìn.

Quindi il Diacono porge a baciare il s. Vangelo al Sacerdote, mentre egli bacia la mano del Sacerdote stesso.

Al termine del Doxasticòn dei Macarismì o della terza Antifona, il Diacono, stando nel mezzo, davanti al Sacerdote, solleva le mani mostrando il s. Vangelo e facendo con esso il segno della croce, dice a voce alta:

Sapienza! In piedi!

E si canta l’Isodikòn:

Venite, adoriamo e prostriamoci davanti a Cristo. O Figlio di Dio, ammirabile nei Santi (Se è Domenica, si dice: …che sei risorto dai morti), salva noi che a te cantiamo: Alliluia.

Nelle feste del Signore si canta l’Isodikòn della Festa.

Quindi fatto un inchino profondo, entrano nel s. Vima attraverso le Porte regie, e il Diacono depone il s. Vangelo sopra la s. Mensa.

I Cantori dicono i consueti Tropari, mentre il Sacerdote recita la seguente preghiera.

Preghiera dell’Inno Trisagio. Sommessamente.

Dio santo, che dimori nel santuario e sei lodato con l’inno trisagio dai Serafini e glorificato dai Cherubini e adorato da tutte le Potestà celesti: Tu, che dal nulla hai tratto all’essere tutte le cose, che hai creato l’uomo a tua immagine e somiglianza, adornandolo di tutti i tuoi doni ; Tu, che dài sapienza e prudenza a chi te ne chiede e non disprezzi il peccatore, ma hai istituito la penitenza a salvezza ; Tu, che hai reso noi, miseri e indegni tuoi servi, degni di stare anche in quest’ora dinanzi alla gloria del tuo santo altare e di offrirti l’adorazione e la glorificazione a te dovuta: Tu stesso, o Sovrano, accetta anche dalle labbra di noi peccatori l’inno trisagio, e volgi nella tua bontà lo sguardo su di noi.

Perdonaci ogni colpa volontaria ed involontaria: santifica le anime nostre e i nostri corpi, e concedici di renderti santamente il culto tutti i giorni della nostra vita, per l’intercessione della santa Genitrice di Dio e di tutti i Santi, che sin dal principio dei secoli ti furono accetti.

Giunti i cantori all’ultimo Tropario, il Diacono, piegando la testa e tenendo l’Oràrion in mano con tre dita, dice al Sacerdote:

Benedici, signore, il tempo del Trisagion.

E il Sacerdote, segnandolo con la croce, dice a voce alta:

Poiché tu sei santo, o Dio nostro, e noi rendiamo gloria a te, Padre, Figlio e Spirito Santo, ora e sempre.

Il Diacono viene vicino alle s. Porte, e prosegue dicendo ad alta voce, rivolgendosi a quelli di fuori:

E nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn. E si canta l’inno trisagio.

Santo Dio, Santo Forte, Santo Immortale, abbi pietà di noi (tre volte).

Gloria al Padre, al Figlio e allo Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli. Amìn.

Santo Immortale, abbi pietà di noi.

Il Diacono: Più forte!

Il Coro: Santo Dio, Santo Forte, Santo Immortale, abbi pietà di noi.

In alcune feste, invece del Trisagio, si canta:

Quanti siete stati battezzati in Cristo, di Cristo vi siete rivestiti. Alliluia.

Nella terza Domenica della santa e grande Quaresima e nella festa dell’universale Esaltazione della preziosa e vivificante Croce, si canta:

Adoriamo la tua Croce, o Sovrano, e glorifichiamo la tua santa Risurrezione.

Mentre si canta il Trisagio, anche il Sacerdote e il Diacono lo recitano, accompagnandolo con tre inchini profondi davanti alla s. Mensa.

Quindi il Diacono dice, rivolto al Sacerdote:

 

Comanda, signore.

Si recano al Trono. Nell’andare, il Sacerdote dice:

Benedetto colui che viene nel nome del Signore.

Il Diacono: Benedici, signore, la superna Cattedra.

Il Sacerdote: Benedetto sei Tu, sul trono di gloria del tuo regno, assiso sui Cherubini, in ogni tempo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli. Amìn.

Al termine del Trisagio, il Diacono si porta davanti alle Porte sante e dice:

Stiamo attenti!

Il Lettore recita i versetti del Prokìmenon.

Il Diacono: Sapienza!

Il Lettore dice il titolo della lezione dell’Apostolo.

Il Diacono: Stiamo attenti.

Terminata la lettura del brano dell’Apostolo, il Sacerdote dice:

Pace a te, che hai letto.

Mentre il Lettore canta l’Alliluia con i versetti, il Diacono, messo l’incenso nel turibolo, si avvicina al Sacerdote e ne riceve la benedizione. Tracciata la croce, incensa tutto intorno la s. Mensa, il Santuario, le sacre Iconi ed il Sacerdote.

Il Sacerdote, stando davanti alla s. Mensa, dice sommessamente la seguente preghiera:

Preghiera prima del Vangelo

O Signore, amico degli uomini, fa risplendere nei nostri cuori la pura luce della tua di

vina conoscenza, e apri gli occhi della nostra mente all’intelligenza dei tuoi insegnamenti evangelici. lnfondi in noi il timore dei tuoi santi comandamenti, affinché, calpestati i desideri carnali, noi trascorriamo una vita spirituale, meditando ed operando tutto ciò che sia di tuo gradimento. Poiché tu sei la luce delle anime e dei corpi nostri, o Cristo Dio, e noi rendiamo gloria a te insieme con il tuo eterno Padre e il tuo Spirito santissimo, buono e vivificante, ora e sempre, e nei secoli dei secoli. Amìn.

Il Diacono, deposto il turibolo, si accosta al Sacerdote e, piegando la testa, prende il s. vangelo dalle mani del Sacerdote e, tenendo l’Oràrion con la punta delle dita, dice:

Benedici, signore, colui che va ad annunziare il Vangelo del santo glorioso Apostolo ed Evangelista N. (Matteo, o Marco, o Luca, o Giovanni).

Il Sacerdote, segnandolo con la croce, dice:

Dio, per intercessione dell’ Apostolo ed Evangelista N., ti conceda di annunziare con grande efficacia la sua parola, in adempimento del Vangelo del suo diletto Figlio e Signore nostro, Gesù Cristo.

Il Diacono conclude: Amìn. Quindi, facendo una metania, prende il vangelo e, preceduto dai ceroferari, esce dalle Porte Sante recandosi all’ambone o neI luogo stabilito.

ll Sacerdote, stando davanti alla s. Mensa, rivolto verso occidente, dice ad alta voce:

Sapienza! In piedi! Ascoltiamo il santo Vangelo. Pace a tutti.

Il Coro: E al tuo spirito.

Il Diacono: Lettura del santo Vangelo secondo N. (Matteo, o Marco, o Luca, o Giovanni).

Il Coro: Gloria a te, o Signore, gloria a te.

Il Sacerdote: Stiamo attenti!

Terminato il Vangelo, il Coro dice: Gloria a te, o Signore, gloria a te.

Il Diacono si reca fino alle Porte sante e consegna al Sacerdote il s. vangelo. Questi nel prenderlo dice al Diacono:

Pace a te, che hai annunciato la buona novella.

Baciando il s. Vangelo e tracciando con esso un segno di croce verso il

popolo, lo depone sulla s. Mensa.

Nuovamente si chiudono le Porte sante.

Il Diacono, stando al suo consueto posto, dice la grande Litania, mentre i due Cori cantano, alternativamente, con ogni devozione: Kyrie, eleison (tre volte).

Diciamo tutti con tutta l’anima, e con tutta la nostra mente diciamo:

Signore onnipotente, Dio dei Padri nostri, ti preghiamo, esaudiscici ed abbi pietà.

Abbi pietà di noi, o Dio, secondo la tua grande misericordia ; noi ti preghiamo, esaudiscici ed abbi pietà.

Preghiera della grande supplica. Sommessamente.

Signore, nostro Dio, accetta dai tuoi servi questa insistente supplica ed abbi pietà di noi secondo l’abbondanza della tua misericordia, e fa discendere i tuoi benefici su di noi e su tutto il tuo popolo, che da te attende copiosa misericordia.

Preghiamo ancora per il nostro beatissimo Patriarca N. (o per il nostro piissimo Metropolita, o Arcivescovo, o Vescovo) e per il venerato presbiterio.

Preghiamo per i nostri fratelli, sacerdoti, ieromonaci, diaconi, ierodiaconi e monaci, e per tutti i nostri fratelli in Cristo.

Preghiamo ancora per implorare sui servi di Dio, che dimorano in questa città (o paese) (o sui fratelli di questo santo monastero) misericordia, vita, pace, sanità, salvezza, protezione, perdono e remissione dei peccati.

Preghiamo ancora per i beati e indimenticabili fondatori di questa santa chiesa (o monastero), e per tutti i padri e fratelli nostri defunti, che qui piamente riposano, e per gli ortodossi di tutto il mondo.

Preghiamo ancora per coloro che presentano offerte e operano il bene in questo santo e venerato tempio, e per coloro che qui prestano servizio e cantano, e per tutto il popolo qui presente che da te attende grande e copiosa misericordia.

A voce alta: Poiché tu sei Dio misericordioso e amico degli uomini, e noi rendiamo gloria a te: Padre, Figlio e Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli

dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Il Diacono dice, mentre i cori rispondono, alternativamente: Kyrie, eleison.

Catecumeni, pregate il Signore.

Fedeli, preghiamo per i catecumeni.

Affinché il Signore abbia misericordia di loro.

Li istruisca nella parola della verità.

Riveli loro il Vangelo della giustizia.

Li unisca alla sua santa Chiesa, cattolica e apostolica.

Salvali, abbi pietà di loro, soccorrili e custodiscili, o Dio, con la tua grazia.

Catecumeni, chinate il vostro capo al Signore.

Il Coro: A te, o Signore.

Preghiera dei catecumeni, detta sommessamente dal Sacerdote, prima di dispiegare l’Iletòn:

Signore, Dio nostro, che abiti nel più alto dei cieli e riguardi alle più umili creature, che per la salute del genere umano mandasti l’unigenito tuo Figlio e Dio, il nostro Signore Gesù Cristo, rivolgi lo sguardo sui tuoi servi catecumeni, che a te hanno chinato il loro capo, e rendili degni, nel tempo propizio, del lavacro della rigenerazione, della remissione dei peccati e della veste dell’incorruttibilità ; uniscili alla tua santa Chiesa, cattolica ed apostolica, e annoverali tra l’eletto tuo gregge.

A voce alta: Affinché, insieme con noi, anch’essi glorifichino l’onorabilissimo e magnifico tuo nome, Padre, Figlio e Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Il Sacerdote dispiega l’Iletòn.

Il Diacono: Catecumeni, uscite tutti! Catecumeni, uscite! Tutti voi catecumeni, uscite! Non rimanga nessun catecumeno. Tutti noi fedeli, ancora preghiamo in pace il Signore.

Il Coro: Kyrie, eleison.

Soccorrici, salvaci, abbi pietà di noi e custodiscici, o Dio, con la tua grazia.

Il Coro: Kyrie, eleison.

Sapienza!

Prima preghiera dei fedeli, detta sommessamente dal Sacerdote, dopo aver dispiegato l’Iletòn:

Rendiamo grazie a Te, o Dio delle Potestà, che ci degni del favore di stare anche ora davanti al tuo santo altare e d’implorare prostrati le tue misericordie per i nostri peccati e per le mancanze del popolo. Accogli, o Dio, la nostra preghiera. Rendici degni di offrirti preci, suppliche e sacrifici incruenti per tutto il tuo popolo ; e rendi capaci noi, ai quali hai affidato questo tuo ministero per la potenza dello Spirito Santo, d’invocarti in ogni tempo ed in ogni luogo, senza condanna e senza colpa con la pura testimonianza della nostra coscienza: ascoltaci e sii a noi propizio nell’immensa tua bontà.

A voce alta: Poiché ogni gloria, onore, e adorazione si addice a Te: Padre, Figlio e Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Il Diacono: Ancora preghiamo in pace il Signore.

Il Coro: Kyrie, eleison.

Soccorrici, salvaci, abbi pietà di noi e custodiscici, o Dio, con la tua grazia.

Il Coro: Kyrie, eleison.

Sapienza!

Seconda Preghiera dei fedeli, detta sommessamente dal Sacerdote:

Di nuovo e più volte ci prostriamo dinanzi a te e ti preghiamo, o buono e amico degli uomini, affinché Tu, riguardando benigno alla nostra preghiera, purifichi le anime nostre e i nostri corpi da ogni impurità della carne e dello spirito, e ci conceda di stare, liberi da colpa e da condanna, davanti al tuo santo altare. Dona, o Dio, anche a quelli che pregano con noi il progresso nella vita, nella fede e nell’intelligenza spirituale. Concedi loro che ti servano sempre con timore ed amore, e partecipino senza colpa e senza condanna ai tuoi santi misteri e siano resi degni del tuo celeste regno.

A voce alta: Affinché, custoditi sempre dalla tua potenza, rendiamo gloria a Te: Padre, Figlio e Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Il Diacono entra nel sacro vima per il lato Nord e si aprono le sante Porte.

Il primo Coro incomincia a cantare lentamente e melodiosamente l’Inno Cherubico:

Noi che misticamente raffiguriamo i Cherubini, e alla Trinità vivificante cantiamo l’inno trisagio, deponiamo ogni mondana preoccupazione.

Mentre si canta l’Inno Cherubico, il Sacerdote dice sommessamente la seguente preghiera.

Preghiera dell’Inno Cherubico

Nessuno che sia schiavo di desideri e di passioni carnali è degno di presentarsi o di avvicinarsi o di offrire sacrifici a Te, Re della gloria, poiché il servire Te è cosa grande e tremenda anche per le stesse Potenze celesti. Tuttavia, per l’ineffabile e immenso tuo amore per gli uomini, ti sei fatto uomo senza alcun mutamento e sei stato costituito nostro sommo Sacerdote, e, quale Signore dell’universo, ci hai affidato il ministero di questo liturgico ed incruento sacrificio. Tu solo infatti, o Signore Dio nostro, imperi sovrano sulle creature celesti e terrestri, tu che siedi su un trono di Cherubini, Tu che sei Signore dei Serafini e Re di Israele, Tu che solo sei santo e dimori nel santuario. Supplico dunque Te, che solo sei buono e pronto ad esaudire: volgi il tuo sguardo su di me peccatore e inutile tuo servo, e purifica la mia anima e il mio cuore da una coscienza cattiva ; e, per la potenza del tuo Santo Spirito, fa che io, rivestito della grazia del sacerdozio, possa stare dinanzi a questa tua sacra mensa e consacrare il tuo corpo santo ed immacolato e il sangue tuo prezioso. A Te mi appresso, inchino il capo e ti prego: non distogliere da me il tuo volto e non mi respingere dal numero dei tuoi servi, ma concedi che io, peccatore e indegno tuo servo, ti offra questi doni. Tu infatti, o Cristo Dio nostro, sei l’offerente e l’offerto, sei colui che riceve i doni e che in dono ti dai, e noi ti rendiamo gloria insieme con il tuo Padre senza principio, e il santissimo, buono e vivificante tuo Spirito, ora e sempre, e nei secoli dei secoli. Amìn.

Durante il canto dell’Inno Cherubico, il Diacono, preso il turibolo, vi mette l’incenso e, tracciata una croce, si avvicina al Sacerdote. Presane la benedizione , incensa intorno la s. Mensa, tutto il Santuario, iI Sacerdote, infine le sacre Iconi e tutto il popolo. Recita il salmo 50 e i tropari penitenziali a sua scelta. Rientrato nel santuario, depone il turibolo.

Quindi il Sacerdote e il Diacono recitano l’Inno Cherubico davanti alla s. Mensa.

Il Sacerdote: Noi che misticamente raffiguriamo i Cherubini, e alla Trinità vivificante cantiamo l’inno trisagio, deponiamo ogni mondana preoccupazione.

Il Diacono: Affinché possiamo accogliere il Re dell’universo, scortato invisibilmente dalle angeliche schiere. Alliluia, alliluia, alliluia.

Baciano poi la s. Mensa e, fatto un nuovo inchino profondo, rivolti al popolo chinano le loro teste. E così, precedendo il Diacono, vanno alla Pròtesi. Il Diacono incensa i s. Doni recitando tra se stesso tre volte: O Dio, sii propizio a me peccatore e abbi pietà di me. Dice poi, rivolto al Sacerdote: Eleva, o signore. Il Sacerdote prende l’Aìr e ponendolo suIle spalle del Diacono, dice:

Elevate le vostre mani verso le cose sante e benedite il Signore.

Quindi preso il s. Disco, ricoperto dal velo, lo pone sulla testa del Diacono con ogni attenzione e riverenza ; il Diacono regge con un dito anche il turibolo. Il Sacerdote prende il s. Calice tra le mani. Escono per il lato Nord, preceduti dai ceroferari. Girano processionalmente nel Tempio, facendo il grande Introito e dicendo:

Il Signore Dio si ricordi di tutti noi nel suo regno in ogni tempo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Il Coro, completa l’Inno Cherubico:

Affinché possiamo accogliere il Re dell’universo, scortato invisibilmente dalle angeliche

schiere. Alliluia, alliluia, alliluia.

Il Diacono, entrando per le s. Porte, si ferma sulla destra e, mentre il Sacerdote sta per entrare, gli dice:

Il Signore Dio si ricordi del tuo sacerdozio nel suo regno in ogni tempo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Ed il Sacerdote a lui:

Il Signore Dio si ricordi del tuo diaconato (o ierodiaconato) nel suo regno, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Sacerdote depone il s. Calice sulla sacra Mensa e, preso il s. Disco dalla testa del Diacono, lo colloca sul lato destro della Mensa.

Nuovamente si chiudono le s. Porte e la tenda.

Il Sacerdote quindi, tolti i veli dal s. Disco e dal s. Calice, li colloca in un canto della s. Mensa. Prende poi l’Aìr dalle spalle del Diacono, e, incensatolo, ricopre i s. Doni, dicendo:

Giuseppe d’Arimatea, deposto dalla croce l’intemerato tuo corpo, lo involse in una candida sindone con aromi e, resigli i funebri onori, lo pose in un sepolcro nuovo.

Prende il turibolo dalle mani del Diacono e incensa i s. Doni tre volte, dicendo:

Allora offriranno vitelli sul tuo altare (tre volte).

Restituito il turibolo, abbassa il Felònion e, chinata la testa, dice al Diacono:

Ricordati di me, fratello e concelebrante.

Ed il Diacono a lui:

Il Signore Dio si ricordi del tuo sacerdozio nel suo regno.

E il Sacerdote al Diacono:

Prega per me, o mio concelebrante.

Il Diacono: Lo Spirito Santo discenderà su di te e la potenza dell’Altissimo ti adombrerà.

Il Sacerdote: Lo stesso Spirito concelebrerà con noi tutti i giorni di nostra vita.

Il Diacono, chinando anche egli il capo mentre regge l’Oràrion con tre dita della destra, dice al Sacerdote:

Ricordati di me, signore santo.

Il Sacerdote: Il Signore Dio si ricordi di te nel suo regno in ogni tempo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Diacono, detto Amìn, bacia la destra del Sacerdote ed esce. Dal posto consueto, dice:

Compiamo la nostra preghiera al Signore.

I Cori alternativamente: Kyrie, eleison.

Per i preziosi doni offerti, preghiamo il Signore.

Per questa santa dimora, e per coloro che vi entrano con fede, pietà e timor di Dio, preghiamo il Signore.

Per essere liberati da ogni afflizione, flagello, pericolo e necessità, preghiamo il Signore.

Preghiera dell’Offerta, detta sommessamente dal Sacerdote, dopo la deposizione dei Doni divini sulla s. Mensa:

Signore, Dio onnipotente, tu che solo sei santo e accetti il sacrificio di lode da coloro che

t’invocano con tutto il cuore, accogli anche la preghiera di noi peccatori, e fa che giunga al tuo santo altare. Rendici atti ad offrirti doni e sacrifici spirituali per i nostri peccati e per le mancanze del popolo. Dégnati di farci trovare grazia al tuo cospetto, affinché ti sia accetto il nostro sacrificio, e lo Spirito buono della tua grazia scenda su di noi, su questi doni qui presenti e su tutto il tuo popolo.

Soccorrici, salvaci, abbi pietà di noi e custodiscici, o Dio, con la tua grazia.

Il Coro: Kyrie, eleison.

Chiediamo al Signore che l’intero giorno sia perfetto, santo, tranquillo e senza peccato.

I Cori alternativamente: Concedi, o Signore.

Chiediamo al Signore un angelo di pace, guida fedele, custode delle anime nostre e dei nostri corpi.

Chiediamo al Signore la remissione e il perdono dei nostri peccati e delle nostre colpe.

Chiediamo al Signore ogni bene, utile alle anime nostre, e la pace per il mondo.

Chiediamo al Signore la grazia di trascorrere il resto della nostra vita nella pace e nella penitenza.

Chiediamo una morte cristiana, serena, senza dolore e senza rimorso, e una valida difesa dinanzi al tremendo tribunale di Cristo.

Facendo memoria della tuttasanta, immacolata, benedetta, gloriosa Signora nostra, Genitrice di Dio e sempre vergine Maria, insieme con tutti i Santi, raccomandiamo noi stessi, gli uni gli altri, e tutta la nostra vita a Cristo Dio.

Il Coro: A te, o Signore.

Il Sacerdote, a voce alta: Per la misericordia del tuo unigenito Figlio, con il quale sei benedetto insieme con il santissimo, buono e vivificante tuo Spirito, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Il Sacerdote: Pace a tutti.

Il Coro: E al tuo spirito.

Il Diacono: Amiamoci gli uni gli altri, affinché in unità di spirito, professiamo la nostra fede.

Il Coro: Nel Padre, nel Figlio e nello Spirito Santo: Trinità consustanziale e indivisibile.

Il Sacerdote fa tre inchini e dice sommessamente:

Ti amerò, o Signore, mia forza ; il Signore è mio sostegno, mio rifugio e mio liberatore.

Bacia quindi i s. Doni, così come sono ricoperti, prima il s. Disco, poi il s. Calice e la s. Mensa davanti a Iui. Parimenti anche il Diacono fa tre inchini profondi, nel luogo dove sta, e bacia il suo Oràrion dove è il segno della

croce e poi dice a voce alta:

Le porte! Le porte! Con sapienza stiamo attenti.

Si apre la tenda.

Il Sacerdote, sollevando l’Aìr e dispiegandolo sopra i Doni, lo agita.

Il popolo, o, com’è d’uso, colui che presiede, recita:

Credo in un solo Dio Padre, onnipotente Creatore del cielo e della terra, di tutte le cose visibili e invisibili. E in un solo Signore, Gesù Cristo, unigenito Figlio di Dio, nato dal Padre prima di tutti i secoli; Luce da Luce, Dio vero da Dio vero; generato, non creato; consustanziale al Padre; per mezzo di lui tutte le cose sono state create. Per noi uomini e per la nostra salvezza discese dal cielo; e per opera dello Spirito Santo si è incarnato nel seno della vergine Maria e si è fatto uomo. Fu pure crocifisso per noi sotto Ponzio Pilato, e patì efu sepolto e il terzo giorno è risuscitato, secondo le Scritture. È salito al cielo e siede alla destra del Padre. E di nuovo verrà, nella gloria, per giudicare i vivi e i morti: e il suo regno non avrà fine. E nello Spirito Santo, che è Signore e dà la vita, e procede dal Padre e con il Padre e il Figlio è adorato e glorificato: e ha parlato per mezzo dei profeti. In una, santa, cattolica e apostolica Chiesa. Professo un solo battesimo per il perdono dei peccati. Aspetto la resurrezione dei morti e la vita dell’era ventura. Amìn.

Il Diacono: Stiamo con devozione, stiamo con timore attenti ad offrire in pace la santa oblazione.

Il Coro: Offerta di pace, sacrificio di lode.

Il Diacono fa un inchino profondo ed entra nel s. vima per il lato Sud.

Il Sacerdote, tolto l’Aìr dai santi Doni, lo depone in disparte; poi si rivolge al popolo e dice a voce alta:

La grazia del nostro Signore Gesù Cristo, l’amore di Dio Padre e la comunione dello Spirito Santo siano con tutti voi (e benedice il popolo).

Il Coro: E con il tuo spirito.

Il Sacerdote, alzando le mani, prosegue ad alta voce:

Innalziamo i nostri cuori.

Il Coro: Sono rivolti al Signore.

Il Sacerdote, volgendosi verso oriente, dice:

Rendiamo grazie al Signore.

Il Coro: È cosa buona e giusta adorare il Padre, il Figlio e lo Spirito Santo: Trinità consustanziale e indivisibile.

Mentre il Diacono agita con devozione il Ripidio sopra i sacri Doni, il Sacerdote prega sommessamente:

È degno e giusto celebrarti, benedirti, lodarti, ringraziarti, adorarti in ogni luogo del tuo dominio. Poiché tu sei il Dio ineffabile, inconcepibile, invisibile, incomprensibile, sempre esistente e sempre lo stesso: Tu e il tuo unigenito Figlio e il tuo Santo Spirito. Tu dal nulla ci hai tratti all’esistenza e, caduti, ci hai rialzati ; e nulla hai tralasciato di fare fino a ricondurci al cielo e a donarci il futuro tuo regno. Per tutti questi beni rendiamo grazie a te, all’unigenito tuo Figlio e al tuo Santo Spirito, per tutti i benefici a noi fatti che conosciamo e che non conosciamo, palesi ed occulti. Ti rendiamo grazie altresì per questo sacrificio, che ti sei degnato di ricevere dalle nostre mani, sebbene ti stiano dinanzi migliaia di Arcangeli e miriadi di Angeli, i Cherubini e i Serafini dalle sei ali e dai molti occhi, sublimi, alati,

Prosegue quindi ad alta voce:

i quali cantano l’inno della vittoria, esclamando e a gran voce dicendo:

In questo momento iI Diacono prende l’Asterisco dal s. Disco, traccia sopra di esso un segno di croce e, baciandolo, lo pone in disparte.

Il Coro: Santo, Santo, Santo, il Signore dell’universo: il cielo e la terra sono pieni della tua gloria. Osanna nell’alto dei cieli. Benedetto colui che viene nel nome del Signore. Osanna nell’alto dei cieli.

Il Sacerdote prega sommessamente:

Noi pure, o Signore, amico degli uomini, con queste beate Potenze esclamiamo e diciamo: Sei santo, tutto santo,Tu e il tuo unigenito Figlio e il tuo Santo Spirito. Sei santo, tutto santo e magnifica è la tua gloria. Tu hai amato il mondo a tal segno da dare l’unigenito tuo Figlio, affinché chiunque crede in Lui non perisca, ma abbia la vita eterna. Egli, compiendo con la sua venuta tutta l’economia di salvezza a nostro favore, nella notte in cui veniva tradito, o, piuttosto, consegnava se stesso per la vita del mondo, prese il pane nelle sue mani sante, innocenti e immacolate, e, dopo aver rese grazie, lo benedisse (e

benedice), lo santificò, lo spezzò e lo diede ai suoi santi discepoli e apostoli, dicendo:

II Sacerdote, a capo chino, alzando con riverenza la destra, mentre il Diacono indica il s. Disco e regge l’Oràrion con tre dita della destra:

Prendete, mangiate: questo è il mio Corpo, che per voi viene spezzato in remissione dei peccati.

Il Coro: Amìn.

Quindi segna con la croce il s. Calice, dicendo sommessamente:

Similmente anche il calice, dopo che ebbe cenato, dicendo:

Piegando la testa, con la mano sollevata, con riverenza, dice a voce alta, mentre il Diacono gli indica il s. Calice e regge l’Oràrion con tre dita della destra:

Bevetene tutti: questo è il mio Sangue, del Nuovo Testamento, che viene sparso per voi e per molti in remissione dei peccati.

Il Coro: Amìn.

Il Sacerdote prega sommessamente:

Memori dunque di questo precetto del Salvatore e di tutto ciò che è stato compiuto per noi: della croce, della sepoltura, della resurrezione al terzo giorno, dell’ascensione ai cieli, della sua presenza alla destra del Padre, della seconda e gloriosa venuta.

Ad alta voce: Gli stessi doni, da Te ricevuti, a Te offriamo in tutto e per tutto.

Il Coro: A Te inneggiamo, Te benediciamo, Te ringraziamo, o Signore, e Ti supplichiamo, o Dio nostro.

Il Sacerdote prega sommessamente:

Ancora ti offriamo questo culto spirituale e incruento; e ti invochiamo e ti preghiamo, e ti supplichiamo: manda il tuo Spirito Santo su di noi e sopra i Doni qui presenti.

Il Diacono depone il Ripìdion e si accosta al Sacerdote ; ambedue fanno tre inchini profondi davanti alla s. Mensa. Quindi il Diacono, a capo chino,

indicando con l’Oràrion il s. Pane, dice sommessamente:

Benedici, signore, il santo Pane.

Il Sacerdote, rialzando il capo, fa il segno della croce sul s. Pane, dicendo:

E fa di questo Pane il prezioso Corpo del tuo Cristo.

Il Diacono: Amìn.

E di nuovo il Diacono, indicando con l’Oràrion il s. Calice:

Benedici, signore, il santo Calice.

E il Sacerdote, benedicendo, dice:

E fa di ciò che è in questo Calice il prezioso Sangue del tuo Cristo.

Il Diacono: Amìn.

Nuovamente il Diacono, indicando con l’Oràrion ambedue le Specie, dice:

Benedici, signore, ambedue le Cose sante.

E il Sacerdote, benedicendo ambedue le Cose sante, dice:

Trasmutandole per virtù del tuo Santo Spirito.

Il Diacono: Amìn, amìn, amìn.

E dopo aver inchinato il capo al Sacerdote e detto: Ricòrdati di me peccatore, o signore santo, si pone nel luogo dove stava prima, e, preso il Ripìdion, ventila i s. Doni, come prima.

Il Sacerdote prega sommessamente:

Affinché, per coloro che ne partecipano, siano purificazione dell’anima, remissione dei peccati, unione nel tuo Santo Spirito, compimento del regno dei cieli, titolo di fiducia in te e non di giudizio o di condanna.

Ti offriamo inoltre questo culto spirituale per quelli che riposano nella fede: Progenitori, Padri, Patriarchi, Profeti, Apostoli, Predicatori, Evangelisti, Martiri, Confessori, Vergini, e per ogni anima giusta che ha perseverato fino alla fine nella fede.

Preso il turibolo, incensa tre volte la s. Mensa, dicendo ad alta voce:

In modo particolare ti offriamo questo sacrificio per la tuttasanta, immacolata, bene¬

detta, gloriosa Signora nostra, Genitrice di Dio e sempre vergine Maria.

Consegna il turibolo aI Diacono, che incensa intorno alla s. Mensa, e commemora i morti e i vivi che vuole.

Il Coro: È veramente giusto proclamare beata te, o Deipara, che sei beatissima, tutta pura e Madre del nostro Dio. Noi magnifichiamo te, che sei più onorabile dei Cherubini e incomparabilmente più gloriosa dei Serafini, che in modo immacolato partoristi il Verbo di Dio, o vera Genitrice di Dio.

Nelle feste del Signore e della Genitrice di Dio e nelle loro Apòdosi, si canta l’Inno dell’Ode nona.

Il Sacerdote prega sommessamente:

Per il santo profeta e precursore Giovanni Battista, per i santi gloriosi e insigni Apostoli, per il Santo N., di cui celebriamo la memoria, e per tutti i tuoi santi: per le loro preghiere, o Signore, visitaci benevolmente.

Ricordati anche di tutti quelli che si sono addormentati nella speranza della resurrezione per la vita eterna.

Qui il Sacerdote commemora i defunti che vuole.

E fa che riposino ove risplende la luce del tuo volto.

Ancora ti preghiamo: ricordati, o Signore, di tutto l’episcopato ortodosso, che dispensa rettamente la tua parola di verità, di tutto il presbiterio, del diaconato in Cristo e di tutto il clero.

Ancora ti offriamo questo culto spirituale per tutto il mondo, per la Santa Chiesa cattolica e apostolica, per coloro che vivono nella castità e nella santità, per i nostri governanti e per le autorità civili e militari. Concedi loro, o Signore, un governo pacifico, affinché noi pure in questa loro pace trascorriamo piamente e degnamente una vita quieta e tranquilla.

A voce alta: Ricordati in primo luogo, o Signore, del nostro beatissimo Patriarca N., e del nostro piissimo (Metropolita, o Arcivescovo o Vescovo N.), e

concedi alle tue sante Chiese che essi vivano in pace, incolumi, onorati, sani, longevi e dispensino rettamente la tua parola di verità.

Il Diacono, stando davanti alle Porte sante, commemora i vivi. Poi dice a voce alta:

E ricordati, o Signore, di quelli che ciascuno ha in mente, e di tutti e di tutte. Il Coro: E di tutti e di tutte.

Il Sacerdote prega sommessamente:

Ricordati, o Signore, della città (o paese, o monastero) in cui dimoriamo, e di ogni città e paese, e dei fedeli che vi abitano. Ricordati, o Signore, dei naviganti, dei viandanti, dei malati, dei sofferenti, dei prigionieri e della loro salvezza. Ricordati, Signore, di coloro che presentano offerte e si adoperano per il bene delle tue sante Chiese e di quanti si ricordano dei poveri, e largisci su noi tutti la tua misericordia.

A voce alta: E concedici di glorificare e di lodare con una sola voce e con un sol cuore l’onorabilissimo e magnifico tuo nome, Padre, Figlio e Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Rivolto quindi al popolo e benedicendolo, dice a voce alta:

E le misericordie del grande Dio e Salvatore nostro Gesù Cristo siano con tutti voi.

Il Coro: E con il tuo spirito.

Il Diacono, preso il permesso dal Sacerdote, esce e dal solito posto dice:

Ricordando tutti i santi, preghiamo ancora in pace il Signore.

I Cori alternativamente: Kyrie, eleison.

Per i preziosi doni offerti e santificati, preghiamo il Signore.

Affinché il misericordioso nostro Dio, accettandoli in odore di soavità spirituale nel suo altare santo, celeste e immateriale, ci mandi in contraccambio la grazia divina e il dono dello Spirito Santo.

Per essere liberati da ogni afflizione, flagello, pericolo e necessità, preghiamo il Signore.

Il Sacerdote prega sommessamente:

A te affidiamo tutta la nostra vita e la nostra speranza, o Signore, amico degli uomini, e ti invochiamo e ti supplichiamo: dégnati di farci partecipare con pura coscienza ai celesti e tremendi misteri di questa sacra e spirituale mensa, per la remissione dei peccati, per il perdono delle colpe, per l’unione nello Spirito Santo, per l’eredità del regno dei cieli, per una maggiore fiducia in te, e non a nostro giudizio o condanna.

Il Diacono: Soccorrici, salvaci, abbi pietà di noi e custodiscici, o Dio, con la tua grazia.

Il Coro: Kyrie, eleison.

Chiediamo al Signore che l’intero giorno sia perfetto, santo, tranquillo e senza peccato.

I Cori, alternativamente: Concedi, o Signore.

Chiediamo al Signore un angelo di pace, guida fedele, custode delle anime nostre e dei nostri corpi.

Chiediamo al Signore la remissione e il perdono dei nostri peccati e delle nostre colpe.

Chiediamo al Signore ogni bene, utile alle nostre anime, e la pace per il mondo.

Chiediamo al Signore la grazia di trascorrere il resto della nostra vita nella pace e nella penitenza.

Chiediamo una morte cristiana, serena, senza dolore e senza rimorso, e una valida difesa dinanzi al tremendo tribunale di Cristo.

Chiedendo l’unità della fede e l’unione nello Spirito Santo, affidiamo noi stessi, gli uni gli altri, e tutta la nostra vita a Cristo Dio.

Il Coro: A te, o Signore.

Il Sacerdote a voce alta:

E concedici, o Signore, che con fiducia e senza condanna osiamo chiamare

Padre Te, Dio del Cielo, e dire:

Il popolo o, com’è d’uso, chi presiede:

Padre nostro, che sei nei cieli, sia santificato il tuo nome, venga il tuo regno, sia fatta la tua volontà, come in cielo così in terra. Dacci oggi il nostro pane quotidiano, e rimetti a noi i nostri debiti come noi li rimettiamo ai nostri debitori, e non ci indurre in tentazione, ma liberaci dal maligno.

Il Sacerdote, a voce alta:

Poiché tuo è il regno, la potenza e la gloria, Padre, Figlio e Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Il Sacerdote: Pace a tutti.

Il Coro: E al tuo spirito.

Il Diacono: Inchinate il vostro capo al Signore.

Il Coro: A te, o Signore.

Il Sacerdote prega sommessamente:

Rendiamo grazie a Te, o Re invisibile, che con la tua infinita potenza hai creato l’universo, e nell’abbondanza della tua misericordia dal nulla hai tratto all’esistenza tutte le cose. Tu, o Signore, volgi dal cielo lo sguardo su quanti hanno chinato la fronte davanti a te, poiché non l’hanno inchinata alla carne e al sangue, ma a Te, Dio tremendo. Tu dunque, o Signore, per il bene di noi tutti appiana il cammino di nostra vita secondo la necessità di ciascuno: naviga con i naviganti, accompagna i viandanti, risana i malati, tu medico delle anime e dei corpi nostri.

A voce alta: Per la grazia, la misericordia e la benignità dell’ unigenito tuo Figlio, con il quale sei benedetto insieme con il santissimo, buono e vivificante tuo Spirito, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Il Sacerdote prega sommessamente:

Signore Gesù Cristo nostro Dio, riguarda a noi dalla tua santa dimora e dal

trono di gloria del tuo regno, e vieni a santificarci, Tu che siedi in alto con il Padre e sei invisibilmente qui con noi. Dègnati con la potente tua mano di far partecipi noi e, per mezzo nostro, tutto il popolo, dell’immacolato tuo Corpo e del prezioso tuo Sangue.

Il Sacerdote e il Diacono, dal proprio posto, fanno tre metanie con l’invocazione:

O Dio, sii propizio a me peccatore e abbi pietà di me.

Intanto il Diacono si cinge l’Oràrion a forma di croce.

Quando poi vede il Sacerdote stendere le mani e toccare il s. Pane per fare l’Elevazione, dice ad alta voce:

Stiamo attenti!

Il Sacerdote, elevando il s. Pane, dice a voce alta:

Le Cose Sante ai Santi.

Il Coro: Solo uno è Santo, solo uno è Signore: Gesù Cristo, per la gloria di Dio Padre. Amin.

Si canta il Kinonikòn del giorno o della Festa.

Si chiude la tenda.

Quindi il Diacono entra nel s. vima per il lato Sud e, stando alla destra del Sacerdote, che regge il s. Pane, dice:

Spezza, signore, il santo Pane.

Il Sacerdote, spezzandolo in quattro parti, con ogni attenzione e riverenza, dice:

Si spezza e si spartisce l’Agnello di Dio: Egli è spezzato e non si divide, è sempre mangiato e mai si consuma, ma santifica coloro che ne partecipano.

Le dispone nel s. Disco in forma di croce.

Il Diacono, indicando con l’Oràrion il s. Calice, dice:

Riempi, signore, il santo Calice.

Il Sacerdote, presa la particola posta in alto, traccia con essa una croce sopra il s. Calice, dicendo:

Pienezza di fede, di Spirito Santo.

E la immerge nel s. Calice.

Il Diacono: Amìn.

Prende quindi lo Zeon e dice al Sacerdote:

Benedici, signore, lo Zeon.

Il Sacerdote lo benedice, dicendo:

Benedetto il fervore dei tuoi Santi, ora e sempre, e nei secoli dei secoli. Amìn.

Il Diacono versa nel s. Calice una dose sufficiente di Zeon, dicendo:

Fervore di fede, pieno di Spirito Santo.

Deposto lo Zeon, si discosta alquanto, mentre il Sacerdote, chinata la testa, prega dicendo:

Credo, o Signore, e confesso che tu sei veramente il Cristo, Figlio del Dio vivente, che sei venuto nel mondo per salvare i peccatori, il primo dei quali sono io. Credo ancora che questo è veramente il tuo Corpo immacolato e questo è proprio il tuo Sangue prezioso. Ti prego dunque: abbi pietà di me e perdonami tutti i miei peccati, volontari e involontari, commessi con parole, con opere, con conoscenza o per ignoranza. E fammi degno di partecipare, senza mia condanna, ai tuoi immacolati misteri, per la remissione dei peccati e la vita eterna.

Poi:

Del tuo mistico convito, o Figlio di Dio, rendimi oggi partecipe, poiché non svelerò il mistero ai tuoi nemici, né ti darò il bacio di Giuda, ma come il ladrone ti prego: ricordati di me, o Signore, nel tuo regno.

E se vuole:

Signore, non son degno che tu entri nella sordida casa dell’anima mia ; ma, come ti degnasti di giacere in una spelonca e in un presepe di animali, e di

assiderti nella casa di Simone il lebbroso, accogliendo la peccatrice colpevole simile a me, tu stesso dégnati di entrare nel presepe della stolta anima mia e nell’immondo corpo di me morto e lebbroso. E come non disprezzasti la bocca impura della peccatrice, che baciava gli immacolati tuoi piedi, così, Signore Dio mio, non disprezzare neppure me peccatore, ma, come buono e amico degli uomini, fammi degno di partecipare del tuo santissimo Corpo e del tuo Sangue.

O Dio nostro, condona, rimetti, perdona tutti i miei peccati, con cui ti offesi, sia con cognizione, sia per ignoranza, sia con la parola, sia con l’opera ; perdonali tutti, buono e misericordioso come sei ; per l’intercessione della tua purissima Madre sempre Vergine rendimi degno di ricevere il prezioso ed immacolato tuo Corpo a salute dell’anima mia e del mio corpo. Poiché tuo è il regno, e tue sono la potenza e la gloria nei secoli dei secoli. Amìn.

E per finire:

O Signore, la partecipazione dei tuoi misteri non mi torni a giudizio o a condanna, ma a salvezza dell’anima e del corpo.

Il Sacerdote prende una particola del s. Pane e dice:

A me N., sacerdote, si dona il prezioso e santissimo Corpo del Signore, Dio e Salvatore nostro Gesù Cristo, per la remissione dei peccati e la vita eterna.

Si comunica così con il s. Pane, con timore e rispetto. Quindi dice:

Diacono, avvicinati.

Il Diacono, accostandosi, fa devotamente una metania e, chiedendo perdono, dice:

Dammi, o signore, il prezioso e santissimo Corpo del Signore, Dio e Salvatore nostro Gesù Cristo, per la remissione dei miei peccati e la vita eterna.

Il Sacerdote, preso il s. Pane, lo depone nella palma del Diacono, dicendo:

A te N., diacono, viene dato il prezioso, santissimo e immacolato Corpo del Signore,

Dio e Salvatore nostro Gesù Cristo, per la remissione dei tuoi peccati e la vita eterna.

Il Diacono, baciata la mano che gli ha posto il s. Pane sulla palma, si reca dietro la s. Mensa, e, chinato il capo, lo consuma.

Quindi il Sacerdote, prendendo il s. Calice con il velo, dice:

A me N., sacerdote, si dona anche il prezioso e santissimo Sangue del Signore, Dio e Salvatore nostro Gesù Cristo, per la remissione dei miei peccati e la vita eterna.

Sorbisce tre volte e, asciugatosi con il velo le labbra e asterso il s. Calice, bacia questo dicendo:

Questo ha toccato le mie labbra, cancellerà le mie iniquità e mi purificherà dai miei peccati.

Invita quindi il Diacono, dicendo:

Diacono, di nuovo, avvicinati.

Il Diacono, avvicinandosi, fa una metania e dice:

Di nuovo mi avvicino al Re Immortale.

Dammi, o signore, il prezioso e santissimo Sangue del Signore e Salvatore nostro Gesù Cristo, per la remissione dei miei peccati e la vita eterna.

Il Sacerdote, facendogli sorbire tre volte dal s. Calice, dice:

A te N., diacono, si dona pure il prezioso e santissimo Sangue del Signore, Dio e Salvatore nostro Gesù Cristo, per la remissione dei tuoi peccati e la vita eterna.

Comunicatosi il Diacono, il Sacerdote dice:

Questo ha toccato le tue labbra, cancellerà le tue iniquità e ti purificherà dai tuoi peccati.

Si apre quindi la porta del s. vima. Il Diacono, fatto un profondo inchino, prende il s. Calice con riverenza, si reca alla s. Porta e, sollevandolo, lo mostra al popolo, dicendo:

Con timore di Dio, con fede e amore, avvicinatevi.

Il Coro: Amìn, amìn. Benedetto colui che viene nel nome del Signore; il Signore è Dio ed è apparso a noi.

I fedeli si accostano per comunicarsi. Il Sacerdote, distribuendo a

ciascuno la comunione, dice:

Il servo (o la serva) di Dio N., riceve il prezioso e santissimo Corpo e Sangue del Signore, Dio e Salvatore nostro Gesù Cristo, per la remissione dei suoi peccati e la vita eterna.

Mentre si comunicano i fedeli, i cori cantano in modo andante, una o più volte, secondo il numero dei comunicanti:

Del tuo mistico convito, o Figlio di Dio, rendimi oggi partecipe, poiché non svelerò il mistero ai tuoi nemici, né ti darò il bacio di Giuda, ma come il ladrone ti prego: ricordati di me, o Signore, nel tuo regno.

Dopo la divina comunione, il Sacerdote benedice il popolo. dicendo a voce alta:

Salva, o Dio, il tuo popolo e benedici la tua eredità.

Il Coro: Abbiamo visto la vera luce, abbiamo ricevuto lo Spirito celeste, abbiamo trovato la vera fede, adorando la Trinità indivisibile, poiché essa ci ha salvati.

Nelle feste del Signore si canta il Tropario della festa.

Il Sacerdote e il Diacono ritornano alla s. Mensa. Il Sacerdote incensa tre volte, dicendo tra sè:

Sii Tu esaltato sopra i cieli, o Dio, e su tutta la terra si espanda la tua gloria.

Quindi, preso il s. Disco, lo pone sulla testa del Diacono. Questi, presolo con riverenza, guardando verso la porta e senza dire nulla, si reca alla Protesi e ve lo ripone. Il Sacerdote, fatto un inchino profondo e preso il s. Calice, rivolto verso la porta guardando il popolo, dice sommessamente:

Benedetto il nostro Dio.

Ad alta voce: In ogni tempo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Depone il Calice sulla protesi.

Il Coro: Amìn. E, se c’è l’uso, canta:

Che la nostra bocca sia ripiena della tua lode, Signore, perché ci hai fatti degni di partecipare ai tuoi santi, immacolati ed immortali misteri. Conservaci nella

tua santità, affinché proclamiamo la tua gloria, meditando ogni giorno la tua giustizia: Allìluia, allìluia, allìluia.

Il Diacono esce dal Santuario, e dal solito posto dice:

In piedi! Dopo aver partecipato ai divini, santi, immacolati, immortali, celesti,

vivificanti misteri di Cristo, rendiamo degne grazie al Signore.

Il Coro: Kyrie, eleison.

Soccorrici, salvaci, abbi pietà di noi e custodiscici, o Dio, con la tua grazia.

Il Coro: Kyrie, eleison.

Chiedendo che l’intero giorno trascorra santamente, in pace e senza peccato, affidiamo noi stessi, gli uni gli altri, tutta la nostra vita a Cristo Dio.

Il Coro: A te, o Signore.

Il Sacerdote aggiunge sommessamente la preghiera di ringraziamento:

Ti rendiamo grazie, o Signore amico degli uomini, benefattore delle anime nostre, perché anche in questo giorno ci hai resi degni dei tuoi celesti e immortali misteri. Dirigi la nostra via, confermaci tutti nel tuo timore, custodisci la nostra vita, rendi sicuri i nostri passi, per le preghiere e le suppliche della gloriosa tua Madre e sempre vergine Maria e di tutti i tuoi Santi.

A voce alta: Poiché tu sei la nostra santificazione, e noi rendiamo gloria a te: al Padre, al Figlio e allo Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Il Sacerdote: Procediamo in pace.

Il Coro: Nel nome del Signore.

Il Diacono: Preghiamo il Signore.

Il Coro: Kyrie, eleison.

Preghiera dell’opisthàmvonos detta a voce alta dal Sacerdote fuori del vima:

O Signore, tu che benedici coloro che ti benedicono e santifichi quelli che

hanno fiducia in te, salva il tuo popolo e benedici la tua eredità. Custodisci tutta quanta la tua Chiesa, santifica coloro che amano il decoro della tua casa; Tu, in contraccambio, glorificali con la tua divina potenza, e non abbandonare noi che speriamo in te. Dona la pace al mondo che è tuo, alle tue Chiese, ai sacerdoti, ai governanti, all’esercito e a tutto il tuo popolo; poiché ogni beneficio e ogni dono perfetto viene dall’alto e discende da te, Padre della luce. E noi rendiamo gloria, grazie e adorazione a Te, Padre, Figilo e Spirito Santo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn. Sia benedetto il nome del Signore da questo momento e per l’eternità (tre volte).

Terminata la preghiera, il Sacerdote rientra per le Porte sante e, rivolto verso la Protesi, dice questa preghiera:

Preghiera detta sommessamente prima che il Diacono raccolga i santi Doni:

O Cristo Dio nostro, Tu che sei la perfezione della Legge e dei Profeti e hai compiuto

tutta la missione ricevuta dal Padre, riempi di gioia e di felicità i nostri cuori, ora e sempre, e nei secoli dei secoli. Amìn.

Il Diacono entra per il lato Nord e, stando davanti aIla Porta, dice ad alta voce:

Preghiamo il Signore:

Il Coro: Kyrie, eleison.

Il Sacerdote, benedicendo il popolo, dice:

La benedizione e la misericordia del Signore scendano su di voi con la sua grazia e la sua benignità in ogni tempo, ora e sempre, e nei secoli dei secoli.

Il Coro: Amìn.

Il Sacerdote: Gloria a te, o Cristo Dio, speranza nostra, gloria a te.

Il Coro, o il lettore: Gloria al Padre, al Figlio e allo Spirito Santo; ora e sempre, e nei secoli dei secoli. Amìn. Kyrie, eleison (tre volte). Benedici, o signore santo.

Il Sacerdote, rivolto al popolo, dà il Congedo:

(Se è Domenica: Il Risorto dai morti ), Cristo nostro vero Dio, per l’intercessione della tuttasanta e immacolata Sua Madre, per la virtù della preziosa e vivificante Croce, per la protezione delle venerande e celesti Potestà incorporee, per le suppliche del venerato e glorioso Profeta e Precursore Giovanni Battista, dei gloriosi e santi Apostoli, dei santi gloriosi e vittoriosi Martiri, dei nostri santi Padri teofori, del nostro santo Padre Giovanni Crisostomo, arcivescovo di Costantinopoli, del Santo (N., titolare della chiesa), del Santo (N., del giorno), dei santi e giusti progenitori del Signore Gioacchino ed Anna, e di tutti i Santi, abbia pietà di noi, e ci salvi, poiché è buono e amico degli uomini.

Il Coro: Amìn.

Il Diacono raccoglie con ogni timore e cura i s. Doni in modo che neppure una minima parte ne cada, o venga trascurata. Lava quindi le mani nel luogo consueto.

Il Sacerdote, uscito, distribuisce l’antidoron al popolo, dicendo ad ognuno:

La benedizione e la misericordia del Signore scenda sopra di te.

Entrato poi nel s. Vima, depone le vesti sacerdotali, dicendo:

Ora, Signore, lascia che secondo la tua parola il tuo servo se ne vada in pace, perché i miei occhi hanno mirato il tuo Salvatore, che tu hai preparato al cospetto di tutti i popoli, qual luce che illumina le genti e gloria del tuo popolo Israele.

Aggiunge il Trisagio ed il resto, l’Apolitichion del giorno, se vuole, o il Tropario del Crisostomo:

La grazia, che come fiaccola luminosa s’è irradiata dalla tua bocca, ha illuminato l’universo; tu hai lasciato al mondo i tesori della tua generosità, ci hai mostrato il vertice dell’umiltà, o Padre Giovanni Crisostomo, ammaestrandoci con le tue parole, intercedi presso Cristo Dio Verbo affinché salvi le anime nostre.

Kyrie, eleison (12 volte). Gloria al Padre … Tu che sei più onorabile…

Fa l’Apòlisi e, facendo un inchino profondo e ringraziando Dio per tutti i benefici, esce.


 

 

De Heilige Jozef

DE HEILIGE JOZEF

02864_saint_joseph_ioan_popa_tnl
 

 

                 

Evangelie volgens Mattheüs 2,13-23

 

Homelie gehouden door Vader  René op 31 december 1995 in de Crypte van de Franstalige Orthodoxe Parochie te Parijs (Rue Daru)

 

 

            Van de voorouders of ouders van de Heer die wij deze zondag vieren, is de heilige Jozef voor ons de meest boeiende. Noch sint Mattheüs, noch sint Lucas zeggen ook maar iets over de persoon van Jozef zelf, tenzij dat hij de adoptievader is van Jezus. Zelf een bescheiden en ver verwijderde afstammeling van David, heeft Jozef ertoe bijgedragen om Jezus te doe binnentreden in de stam van David. Daarom ook heeft hij aan de Zoon van Maria de naam Jezus gegeven, volgens het woord van de Engel.

 

            Nochtans houdt de  terughoudendheid van de Evangelisten op zichzelf een onderricht in. De stilte van de Schrift laat de grote eigenschappen van de figuur van Jozef doorschemeren.

 

            Vooreerst is er zijn geloof. Wanneer Jozef de boodschap van de Engel aangaande het goddelijk moederschap van Maria ontvangt, dan stelt hij geen enkele vraag. Hij luistert, hij zegt dank. God  heeft gesproken, dit volstaat. Wat een verschil met Zacharias, nochtans priester van de Allerhoogste, aan wie God de komende   geboorte  voorspelt van Johannes de Doper. Zacharias is in verwarring, stelt zich vragen, discussieert, zoekt een teken. Jozef, die door het gebeuren met Maria in de war kon worden gebracht, aanvaardt zonder vraag noch twijfel.  Zijn geloof is volledig, onvoorwaardelijk.

 

            Een andere trek van Jozef is zijn nederigheid. Jozef spreekt niet. Hij is een zwijgzame, ’t is te zeggen een arme, een echte ‘arme van geest’. Hij gehoorzaamt aan elk bevel van de engel : ‘neem het kind en zijn moeder,’beveelt de engel herhaaldelijk.‘Hij nam het kind en zijn moeder,’onthult ons de evangelist eenvoudigweg . Datgene wat hij doet en wat hij weet is zuivere nederigheid. Jozef onderwerpt zich geheel aan Gods woord, in de volledige offergave van zijn persoon.In deze zin verbindt dit geloof zich met dat van Maria, in het aanvaarden van hetzelfde mysterie, dit van de tegenwoordigheid van God in Jezus.

 

            Het geloof en de nederigheid van Jozef zijn wezenlijk voor zijn heiligheid. Jozef aanvaardt niet alleen de realiteit van de maagdelijke geboorte van Christus, hij aanvaardt niet alleen om de verbintenis met Maria op zich te nemen, maar hij beleeft dit huwelijk in zijn volle werkelijkheid. Jozef was diegene die zijn leven opofferde voor zijn vrouw, in naam van hun zoon Jezus Christus. Het huwelijk van Jozef met Maria werd door hun wederzijdse heiligheid een nieuwe werkelijkheid, die de eenheid van Christus met zijn Kerk voorafbeeldt. Het is een vooruitlopen op het Koninkrijk, een aanvang van de komende wereld.

            Laatste karaktertrek van Jozef. De Kerk acht Anna en Joachim, de ouders van de Moeder van God  als heilig en rechtvaardig. Waarom rechtvaardig ? Omdat door hen, door de geboorte van de Moeder Gods, Gods gerechtigheid, die niets anders is dan zijn Plan voor het heil van de wereld zal kunnen vervuld worden. Eveneens, omdat Jozef in het bestaan van Maria heeft gedeeld, zonder enige twijfel, zonder de minste reserve, en omdat hij haar roeping als Moeder van de Redder heeft gerespecteerd, is ook Jozef deelgenoot geworden van het Heilsmysterie. Om die reden heeft ook hij deelgenomen aan de komst van  Gods rechtvaardigheid in de wereld en verdient hij ook rechtvaardig genoemd te worden. Wanneer Jozef Maria vergezelt naar Bethlehem, wanneer hij Maria en Jezus vergezelt naar Egypte en hen terugbrengt naar Nazareth, wanneer hij met Maria Jezus aanbiedt in de tempel, wanneer hij Jezus bij
hem opvoedt te Nazareth, in stilte en  discretie, vervult Jozef op mysterieuze wijze het plan van God. Hij is werkelijk een rechtvaardige voor God en de wereld.

 

            Ten slotte, wij kunnen het kort samenvatten, Jozef had een unieke verhouding met de Heer. Jozef had de verantwoordelijkheid voor de opvoeding, zijn onderricht en het leerproces van zijn geadopteerde Zoon, op alle vlakken van cultuur en religie. Alles wat betreft de menselijke natuur van Christus is voortgekomen uit de liefde en het gezag van Jozef, in eenheid met de Moeder van God wel te verstaan. De liefde en de ervaring van Jozef zullen Jezus geleid hebben in Zijn kinderjaren en zelfs in Zijn tienertijd, want op de leeftijd van twaalf jaar kende Jezus altijd Zijn vader. Voor zijn tijdgenoten in Nazareth  zal Jezus altijd de zoon van de schrijnwerker zijn. Voor de aanvang van Zijn openbaar leven toen hij dertig jaar was, heeft Jezus zeker deelgenomen aan het werk van Zijn adoptievader. Hij heeft hen slechts verlaten om het werk in vervulling te brengen van Zijn Vader in de hemel.

 

            Indien Jezus bij het begin van Zijn leven onderworpen was aan Zijn adoptievader, leefde Hij niet minder in Zijn goddelijke persoon in totale communio met Zijn hemelse Vader. Zo leefde Jozef  dicht bij de incarnatie van de Ene van de Heilige Drieeenheid. In de bijzondere band van Jezus met Jozef, zijn het vooral de goddelijke energieën van Jezus die zich zonder ophouden uitgestort hebben over Jozef. Jozef zal er zich bewust van geweest zijn een deelgenoot te zijn  van Jezus, een vereniging, een volstrekte en onzegbare communio, en door Hem met gans de Heilige Drieeenheid.

 

            Deze unieke roeping van Jozef brengt ons terug in herinnering dat voor God armoede een waardigheid is, de stilte en de duisternis een deugd, en de gehoorzaamheid aan zijn wil een voorbeeld voor allen die op hun beurt willen binnentreden in het mysterie van het heil.

 

Vrij vertaald uit ‘Bulletin de la Crypte’

N° 348 – dec.2006 door Kris B.

 

 Twee aspecten van de Kerk

TWEE ASPECTEN VAN  DE KERK

  

 

(uit : essai sur la théologie mystique

de l’église d’Orient’ Vladimir Lossky – hst. IX – pp. 171 vv.)

 

 

 

                        De rol van de twee goddelijke personen, gezonden in de wereld is niet dezelfde,alhoewel de Zoon en de Heilige Geest op aarde hetzelfde werk vervullen : zij scheppen de Kerk welke de vereniging met god voltrekt. (zoals wij hebben gezegd), de Kerk is terzelfdertijd het lichaam van Christus en de volheid van de Heilige Geest., ‘alles in allen vervullend’. De eenheid van het lichaam heeft betrekking tot de natuur, die verschijnt als ‘de enige mens’in Christus; de volheid van de Heilige Geest heeft betrekking op de personen, op de veelheid van menselijke hypostases, waarvan elk een alles en niet alleen een deel vertegenwoordigt.Zo zal de mens tegelijk een deel, een lid van het lichaam van Christus zijn dor zijn natuur, maar ook, als persoon, een zijn die in zich het ‘al’ bevat. De Heilige Geest die als een koninklijke zalving rust over de menselijkheid van de Zoon, hoofd van de Kerk, zich mededelend aan elk lid van dit lichaam,schept , om het zo te zeggen, meerdere Christussen, meerdere gezalfden van de Heer : personen op weg naar de déificatie naast de Goddelijke persoon. De Kerk als zijnde het werk van Christus en van de Heilige Geest. De ecclesiologie heeft een dubbel fundament, zij is geworteld zowel in de christologie als in de pneumatologie.

 

            Pater Y Congar bevestigt in zijn boek over de gescheiden Christenen, dat ‘ de oosterse gedachte in verband met de ecclesiologie, vanaf het begin, voor ogen heeft dat wat het inhoudelijk leert over de goddelijke realiteiten, veeleer dan zijn aardse aspect en zijn menselijke implicaties.De innerlijke realiteit van de eenheid in het geloof en in de liefde, veeleer dan de concrete eisen van de kerkelijke communio. Men heeft de relatief zwakke ecclesiologie van de Griekse Vaders opgemerkt, zegt hij. De waarheid is dat zij in grote mate blijven steken zijn  in een christologie en meer nog in een pneumatologie, de Kerk ziende in Christus en in de Heilige Geest, veeleer dan in zijn kerk-zijn als dusdanig’.

 

            ‘Pater Congar heeft in zekere zin gelijk : de oosterse theologie beschouwd de kerk nooit buiten Christus en de Heilige Geest. Nochtans, dit is zeker geen zwakheid in de benadering van de ecclesiologie : dit betekent veeleer dat voor de oosterse ecclesiologie ‘ het Kerk-zijn’ als zodanig uiterst complex is : zij is niet van deze wereld, alhoewel zij genomen is uit deze wereld, bestaande in de wereld en voor de wereld. De Kerk kan dus niet herleid worden zuiver en alleen tot zijn ‘aards aspect’ en tot de ‘menselijke implicaties’, zonder zijn ware natuur te verloochenen die ze onderscheidt van elke andere menselijke gemeenschap. Pater Congar zoekt tevergeefs in de oosterse dogmatische traditie een sociologie van de Kerk en laat, zonder het te merken, de buitengewone canonische rijkdom van de orthodoxe Kerk, terzijde : de zo verscheidene canons, de buitengewone en schitterende byzantijnse commentatoren zoals Aristide, Balsamon, Zonaras, de moderne canonische literatuur. De canons die het leven van de Kerk in haar aards aspect regelen, zijn onscheidbaar van de christelijke dogma’s. Het zijn geen juridische statuten om het zo te zeggen, maar toepassingen van de kerkelijke dogma’s, van de geopenbaarde traditie, op elk vlak van de moderne samenleving.

In het licht van deze canons verschijnt deze maatschappij als een  ‘totalitaire collectiviteit’, waar ‘het recht van de individuen’ niet bestaat; maar tezelfdertijd is elke persoon in dit lichaam het doel en kan het niet beschouwd worden als een middel. Het is de enige gemeenschap waar de harmonie van de individuele belangen  met deze van de collectiviteit geen onoplosbaar probleem vormt, want de uiterste verzuchtingen van elkeen komen overeen met het hoogste doel van allen, en dit laatste kan niet gerealiseerd worden ten koste van de belangen van iemand anders.

 

            Het gaat hier niet, om het zo te zeggen,over individuën en collectiviteiten, maar om menselijke personen, die hun volmaaktheid slechts kunnen bereiken in de eenheid   van natuur. De incarnatie is het fundament van deze eenheid van natuur ; het Pinksteren is de bevestiging van de veelheid van personen in de Kerk.

 

            Op het vla
k van de ecclesiologie, bevinden wij ons opnieuw voor het onderscheid tussen de natuur en de personen, onderscheid dat wij voor de eerste maal gezien hebben toen wij het dogma hebben onderzocht van de Drieeenheid in de oosterse traditie. Dit is niet verwonderlijk, want zoals Gregorius van Nyssa het zegt : ‘ Het Christendom is een immitatie van de goddelijke natuur’.(1) De Kerk is een beeld van de Heilige Drieeenheid. De Vaders herhalen het voortdurend, de canons bevestigen het, – bij voorbeeld, de beroemde canon 34 van de Apostolische Regels’  die de synodale administratie organiseertt van de metropolitaanse provincies, ‘ opdat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest worden verheerlijkt’ in de orde zelf van het kerkelijk leven.Het is in het licht van het dogma van de Heilige Drieeenheid dat de meest bewonderenswaardige eigenschap van de Kerk – deze van de katholiciteit – zich manifesteert in zijn ware betekenis, strikt christelijk, die niet kan vertaald worden door de abstracte term van ‘universaliteit’.Want de strikte betekenis van het woord ‘katholiciteit’ bevat niet alleen de eenheid, maar ook de veelheid ; het duidt een overeenkomst aan tussen de twee of, veeleer, een zekere gelijkheid van de eenheid met de veelheid, die maakt dat de Kerk katholiek is in zijn geheel, zoals  ook in elk van zijn delen. De volheid van alles is niet een som der delen, elk deel bezit dezelfde volheid van het ‘alles’.Het mirakel van de katholiciteit openbaart  in het leven zelf van de Kerk de orde van leven eigen aan de Heilige Drieeenheid. Het dogma van de Drieeenheid , ‘katholiek’ bij uitstek is het model, de ‘canon’ van alle canons van de Kerk, het fundament van elke kerkelijke economie. Wij zullen de kwesties van canonische orde hier terzijde laten, ondanks het belang dat een studie over de intieme band tussen het trinitaire dogma en de administratieve structuur van de orthodoxe Kerk zou kunnen hebben. Dit zou ons te ver verwijderen van ons onderwerp die zich richt op theologische elementen die betrekking hebben op de vraag naar de eenheid met God. Het is alleen vanuit dit standpunt dat wij ons voornemen de oosterse ecclesiologie te bestuderen : De Kerk, als het milieu waar zich de vereniging van de menselijke personen met God realiseert. (p174-midden)

 

Vrij vertaald : Kris Biesbroeck

Didachè in het GRIEKS

ΔΙΔΑΧΗ ΤΩΝ ΔΩΔΕΚΑΑΠΟΣΤΟΛΩΝ

Διδαχὴ κυρίου διὰ τῶν δώδεκα ἀποστόλων τοῖς ἔθνεσιν.

I

  1. Ὁδοὶ δύο εἰσί, μία τῆς ζωῆς καὶ μία τοῦ θανάτου, διαφορὰ δὲ πολλὴ μεταξὺ τῶν δύο ὁδῶν.
  2. Ἡ μὲν οὖν τῆς ζωῆς ἐστιν αὕτη· πρῶτον ἀγαπησεις τὸν θεὸν τὸν ποιήσαντά σε, δεύτερον τὸν πλησίον σου ὡς σεαυτόν· πάντα δὲ ὅσα ἐὰν θελήσῃς μὴ γίνεσθαί σοι, καὶ σὺ ἄλλῳ μὴ ποίει. 3. Τούτων δὲ τῶν λόγων ἡ διδαχή ἐστιν αὕτη· εὐλογεῖτε τοὺς καταρωμένους ὑμῖν καὶ προσεύχεσθε ὑπὲρ τῶν ἐχθρῶν ὑμῶν, νηστεύετε δὲ ὑπὲρ τῶν διωκότων ὑμᾶς· ποία γὰρ χάρις, ἐὰν ἀγαπᾶτε τοὺς ἀγαπῶντας ὑμᾶς; οὐχὶ καὶ τὰ ἔθνη τὸ αὐτὸ ποιοῦσιν; ὑμεῖς δὲ ἀγαπᾶτε τοὺς μισοῦντας ὑμᾶς, καὶ οὐχ ἕξετε ἐχτρόν. 4. ἀπέχου τῶν σαρκικῶν καὶ σωματικῶν ἐπιθυμιῶν· ἐὰν τίς σοι δῷ ῥάπισμα εἰς τὴν δεξιὰν σιαγόνα, στέψον αὐτῷ καὶ τὴν ἄλλην, καὶ ἔσῃ τέλειος· ἐὰν ἀγγαρεύσῃ σέ τις μίλιον ἕν, ὕπαγε μεταυτοῦ δύο· ἐὰν ἄρῃ τις τὸ ἱμάτιόν σου, δὸς αὐτῳ καὶ τὸν χιτῶνα· ἐὰν λάβῃ τις ἀπὸ σοῦ τὸ σόν, μὴ ἀπαίτει· οὐδὲ γὰρ δύνασαι. 5. παντὶ τῷ αἰτοῦντί σε δίδου καὶ μὴ ἀπαίτει· πᾶσι γὰρ θέλει δίδοσθαι ὁ πατὴρ ἐκ τῶν ἰδίων χαρισμάτων. μακάριος ὁ διδοὺς κατὰ τὴν ἐντολήν· ἀθῷος γάρ ἐστιν. οὐαὶ τῷ λαμβάνοντι· εἰ μεν γὰρ γὰρ χρείαν ἔχων λαμβάνει τις, ἀθῷος ἔσται· ὁ δὲ μὴ χρείαν ἔχων δώσει δίκην, ἱνατί ἔλαβε καὶ εἰς τί· ἐν συνοχῇ δὲ γενόμενος ἐξετασθήσεται περὶ ὧν ἔπραξε, καὶ οὐκ ἐξελεύσεται ἐκεῖθεν, μέχρις οὗ ἀποδῷ τὸν ἔσχατον κοδράντην. 6. ἀλλὰ καὶ περὶ τούτου δὲ εἴρηται· Ἱδρωσάτω ἡ ἐλεημοσύνη σου εἰς τὰς χεῖράς σου, μέχρις ἂν γνῷς τίνι δῷς.

II

  1. Δευτέρα δὲ ἐντολὴ τῆς διδαχῆς· 2. οὐ φονεύσεις, οὐ μοιχεύσεις, οὐ παιδοφθορήσεις, οὐ πορνεύσεις, οὐ κλέψεις, οὐ μαγεύσεις, οὐ φαρμακεύσεις, οὐ φονεύσεις τ´κνον ἐν φθορᾷ, οὐδὲ γεννηθὲν ἀποκτενεῖς, οὐκ ἐπιθυμήσεις τὰ τοῦ πλησίον. 3. οὐκ ἐπιορκήσεις, οὐ ψευδομαρτυρήσεις, οὐ κακολογήσεις, οὐ μνησικακήσεις. 4. οὐκ ἔσῃ διγνώμων οὐδὲ δίγλωσσος· παγὶς γὰρ θανάτου ἡ διγλωσσία. 5. οὐκ ἔσται ὁ λόγος σου ψευδής, οὐ κενός, ἀλλὰ μεμεστωμένος πράξει. 6. οὐκ ἔσῃ πλεονέκτης οὐδὲ ἅρπαξ οὐδὲ ὑποκριτὴς οὐδὲ κακοήθης οὐδὲ ὑπερήφανος. οὐ λήψῃ βουλὴν πονηρὰν κατὰ τοῦ πλησίον σου. 7. οὐ μισήσεις πάντα ἄνθρώπον, ἀλλὰ οὓς μὲν ἐλέγξεις, περὶ δὲ ὧν προσεύξῃ, οὓς δὲ ἀγαπήσεις ὑπὲρ τὴν ψυχήν σου.

III

  1. Τέκνον μου, φεῦγε ἀπὸ παντὸς πονηροῦ καὶ ἀπὸ παντὸς ὁμοίου αὐτου. 2. μὴ γίνου ὀργίλος, ὁδηγεῖ γὰρ ἡ ὀργὴ πρὸς τὸν φόνον, μηδὲ ζηλωτὴς μηδὲ ἐπιστικὸς μηδὲ θυμικός· ἐκ γὰρ τούτων ἁπάντων φόνοι γεννῶνται. 3. τέκνον μου, μὴ γίνου ἐπιθυμητής, ὁδηγεῖ γὰρ ἡ ἐπιθυμία πρὸς τὴν πορνείαν, μηδὲ αἰσχχρολόγος μηδὲ υψηλόφθαλμος· ἐκ γὰρ τούτων ἁπαντων μοιχεῖαι γεννῶνται. 4. τέκνον μου, μὴ γίνου οἰωνοσκόπος, ἐπειδὴ ὁδηγεῖ εἰς τὴν εἰδωλολοατρίαν, μηδὲ ἐπαοιδὸς μηδὲ μαθηματικὸς μηδὲ περικαθαθαίρων, μηδὲ θέλε αὐτὰ βλέπειν· ἐκ γὰρ τούτων ἁπάντων εἰδωλολατρία γεννᾶται. 5. τέκνον μου, μὴ γίνου ψεύστης, ἐπειδὴ ὁδηγεῖ τὸ ψεῦσμα εἰς τὴν κλοπήν, μηδὲ φιλάργυρος μηδὲ κενόδοξος· ἐκ γὰρ τούτων ἁπάντων κλοπαὶ γεννῶνται. 6. τέκνον μου, μὴ γίνου γόγγυσος, ἐπειδὴ ὁδηγεῖ εἰς τὴν βλασφημίαν, μηδὲ αὐθάδης μηδὲ πονηρόφρων· ἐκ γὰρ τούτων ἁπάντων βλασφημίαι γεννῶνται. 7. ἴσθι δὲ πραΰς, ἐπεὶ οἱ πραεῖς κληρονομήσουσι τὴν γῆν. 8. γίνου μακρόθυμος καὶ ἐλεήμων καὶ ἄκακος καὶ ἡσύχιος καὶ ἀγαθὸς καὶ τρέμων τοὺς λόγους διὰ παντός, οὓς ἤκουσας. 9. οὐχ ὑψώσεις σεαυτὸν οὐδὲ δώσεις τῇ ψυχῇ σου θράσος. οὐ κολληθήσεται ἡ ψυχή σου μετὰ ὑψηλῶν, ἀλλὰ μετὰ δικαίων καὶ ταπεινῶν ἀναστραφήσῃ. 10. τὰ συμβαίνοντά σοι ἐνεργήματα ὡς ἀγαθὰ προσδέξῃ, εἰδὼς ὅτι ἄτερ θεοῦ οὐδὲν γίνεται.

IV

  1. Τέκνον μου, τοῦ λαλοῦντός σοι τὸν λόγον τοῦ θεοῦ μνησθήσῃ νυκτὸς καὶ ἡμέρας, τιμήσεις δὲ αὐτὸν ὡς κύριον· ὅθεν γὰρ ἡ κυριότης λαλεῖται, ἐκεῖ κύριός ἐστιν. 2. ἐκζητήσεις δὲ καθἡμέραν τὰ πρόσωπα τῶν ἁγίων, ἵνα ἐπαναπαῇς τοῖς λόγοις αὐτῶν. 3. οὐ ποθήσεις σχίσμα, εἰρηνεύσεις δὲ μαχομένους· κρινεῖς δικαίως, οὐ λήψῃ πρόσωπον ἐλέγξαι ἐπὶ παραπτώμασιν. 4. οὐ διψυχήσεις, πότερον ἔσται ἢ οὔ.
  2. Μὴ γίνου πρὸς μὲν τὸ λαβεῖν ἐκτείνων τὰς χεῖρας, πρὸς δὲ τὸ δοῦναι συσπῶν. 6. ἐὰν ἔχῃς διὰ τῶν χειρῶν σου, δώσεις λύτρωσιν ἁμαρτιῶν σου. 7. οὐ διστάσεις δοῦναι οὐδὲ διδοὺς γογγύσεις· γνώσῃ γάρ, τίς ἐστιν ὁ τοῦ μισθοῦ καλὸς ἀνταποδότης. 8. οὐκ ἀποστραφήσῃ τὸν ἐνδεόμενον, συγκοινωνήσεις δὲ πάντα τῷ ἀδελφῷ σοῦ καὶ οὐκ ἐρεῖς ἴδια εἶναι· εἰ γὰρ ἐν τῷ ἀθανάτῳ κοινωνοί ἐστε, πόσῳ μᾶλλον ἐν τοῖς θνητοῖς;
  3. Οὐκ ἀρεῖς τὴν χεῖρα σου ἀπὸ τοῦ υἱοῦ σου ἢ ἀπὸ τῆς θυγατρός σου, ἀλλὰ ἀπὸ νεότητος διδάξεις τὸν φόβον τοῦ θεοῦ. 10. οὐκ ἐπιτάξεις δούλῳ σου ἢ παιδίσκῃ, τοῖς ἐπὶ τὸν αὐτὸν θεὸν ἐλπίζουσιν, ἐν πικρίᾳ σου, μήποτε οὐ μὴ φοβηθήσονται τὸν ἐπἀμφοτέροις θεόν· οὐ γὰρ ἔρχεται κατὰ πρόσωπον καλέσαι, ἀλλἐφοὓς τὸ πνεῦμα ἡτοίμασεν. 11. ὑμεῖς δὲ οἱ δοῦλοι ὑποταγήσεσθε τοῖς κυρίοις ὑμῶν ὡς τύπτῳ θεοῦ ἐν αἰσχύνῃ καὶ φόβῳ.
  4. Μισήσεις πᾶσαν ὑπόκρισιν καὶ πᾶν ὃ μὴ ἀρεστὸν τῷ κυρίῳ. 13. οὐ μὴ ἐγκαταλίπῃς ἐντολὰς κυρίου, φυλάξεις δὲ ἃ παρέλαβες, μήτε προστιθεὶς μήτε ἀφαιρῶν. 14. ἐν ἐκκλησίᾳ ἐξομολογήσῃ τὰ παραπτώματά σου, καὶ οὐ προσελεύσῃ ἐπὶ προσευχήν σου ἐν συνειδήσει πονηρᾷ· αὕτη ἐστὶν ἡ ὁδὸς τῆς ζωῆς.

V

  1. Ἡ δὲ τοῦ θανάτου ὁδός ἐστιν αὕτη· πρῶτον πάντων πονηρά ἐστι καὶ κατάρας μεστή· φόνοι, μοιχεῖαι, ἐπιθυμίαι, προνεῖαι, κλοπαί, εἰδωλολατρίαι, μαγεῖαι, φαρμακίαι, ἁρπαγαί, ψευδομαρτυρίαι, ὑποκρίσεις, διπλοκαρδία, δόλος, ὑπερηφανία, κακία, αὐθάδεια, πλεονεξία, αἰσχρολογία, ζηλοτυπία, θρασύτης, ὕψος, ἀλαζονεία. 2. διῶκται ἀγαθῶν, μισοῦντες ἀλήθειαν, ἀγαπῶντες ψεῦδος, οὐ γινώσκοντες μισθὸν δικαιοσύνης, οὐ κολλώμενοι ἀγαθῷ οὐδὲ κρίσει δικαίᾳ ἀγρυπνοῦντες οὐκ εἰς τὸ ἀγαθόν, ἀλλεἰς τὸ πονηρόν· ὧν μακρὰν πραΰτης καὶ ὑπομονή, μάταια ἀγαπῶντες, διώκοντες ἀνταπόδομα, οὐκ ἐλεοῦντες πτωχόν, οὐ πονοῦντες ἐπὶ καταπονουμένῳ, οὐ γινώσκοντες τὸν ποιήσαντα αὐτούς, φονεῖς τέκνων, φθορεῖς πλάσματος θεοῦ, ἀποστρεφόμενοι τὸν ἐνδεόμενον, καταπονοῦντες τὸν θλιβόμενον, πλουσίων παράκλητοι, πενήτων ἄνομοι κριταί, πανθαμάρτητοι· ῥυσθείητε, τέκνα, ἀπὸ τούτων ἁπάντων.

VI

  1. Ὅρα, μὴ τίς σε πλανήσῃ ἀπὸ ταύτης τῆς ὁδοῦ τῆς διδαχῆς, ἐπεὶ παρεκτὸς θεοῦ σε διδάσκει. 2. εἰ μὲν γὰρ δύνασαι βαστάσαι ὅλον τὸν ζυγὸν τοῦ κυρίου, τέλειος ἔσῃ· εἰ δοὐ δύνασαι, ὃ δύνῃ, τοῦτο ποίει. 3. περὶ δὲ τῆς βρώσεως, ὃ δύνασαι βάστασον· ἀπὸ δὲ τοῦ εἰδωλοθύτου λίαν πρόσεχε· λατρεία γάρ ἐστι θεῶν νεκρῶν.

VII

  1. Περὶ δὲ τοῦ βαπτίσματος, οὕτω βαπτίσατε· ταῦτα πάντα προειπόντες, βαπτίσατε εἰς τὸ ὄνομα τοῦ πατρὸς καὶ τοῦ υἱοῦ καὶ τοῦ ἁγίου πνεύματος ἐν ὕδατι ζῶντι. 2. ἐὰν δὲ μὴ ἔχῃς ὕδωρ ζῶν, εἰς ἄλλο ὕδωρ βάπτισον· εἰ δοὐ δύνασαι ἐν ψυχρῷ, ἐν θερμῷ. 3. ἐὰν δὲ ἀμφότερα μὴ ἔχῃς, ἔκχεον εἰς τὴν κεφαλὴν τρὶς ὕδωρ εἰς ὄνομα πατρὸς καὶ υἱοῦ καὶ ἁγίου πνεύματος. 4. πρὸ δὲ τοῦ βαπτίσματος προνηστευσάτω ὁ βαπτίζων καὶ ὁ βαπτιζόμενος καὶ εἴ τινες ἄλλοι δύναται· κελεύεις δὲ νηστεῦσαι τὸν βαπτιζόμενον πρὸ μιᾶς ἢ δύο.

VIII

  1. Αἱ δὲ νηστεῖαι ὑμῶν μὴ ἔστωσαν μετὰ τῶν ὑποκριτῶν. νηστεύουσι γὰρ δευτέρα σαββάτων καὶ πέμπτῃ· ὑμεῖς δὲ νηστεύσατε τετράδα καὶ παρασκευήν. 2. μηδὲ προσεύχεσθε ὡς οἱ ὑποκριταί, ἀλλὡς ἐκέλευσεν ὁ κύριος ἐν τῷ εὐαγγελίῳ αὐτοῦ, οὕτω προσεύχεσθε· Πάτερ ἡμῶν ὁ ἐν τῷ οὐρανῷ, ἁγιασθήτω τὸ ὄνομά σου, ἐλθέτω ἡ βασιλεία σου, γενηθήτω τὸ θέλημά σου ὡς ἐν οὐρανῷ καὶ ἐπὶ γῆς· τὸν ἄρτον ἡμῶν τὸν ἐπιούσιον δὸς ἡμῖν σήμερον, καὶ ἄφες ἡμῖν τὴν ὀφειλη ὡς καὶ ἡμεῖς ἀφίεμεν τοῖς οφειλέταις ἡμῶν, καὶ μὴ εἰσενέγκῃς ἡμᾶς εἰς πειρασμόν, ἀλλὰ ῥῦσαι ἡμᾶς ἀπὸ τοῦ πονηροῦ· ὅτι σοῦ ἐστιν ἡ δύναμις καὶ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας. 3. τρὶς τῆς ἡμέρας οὕτω προσεύχεσθε.

IX

  1. Περὶ δὲ τῆς εὐχαριστίας, οὕτως εὐχαριστήσατε· 2. πρῶτον περὶ τοῦ ποτηρίονυ Εὐχαριστοῦμεν σοι, πάτερ ἡμῶν, ὑπὲρ τῆς ἁγίας ἀμπέλου Δαυεὶδ τοῦ παιδός σου· σοὶ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας. 3. περὶ δὲ τοῦ κλάσματος· Εὐχαριστοῦμέν σοι, πάτερ ἡμῶν, ὑπὲρ τῆς ζωῆς καὶ γνώσεως, ἧς ἐγνώρισας ἡμῖν διὰ Ἰησοῦ τοῦ παιδός σου. σοὶ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας. 4. ὥσπερ ἦν τοῦτο τὸ κλάσμα διεσκορπισμένον ἐπάνω τῶν ὀρέων καὶ συναχθὲν ἐγένετο ἕν, οὕτω συναχθήτω σου ἡ ἐκκλησία ἀπὸ τῶν περάτων τῆς γῆς εἰς τὴν σὴν βασιλείαν. ὅτι σοῦ ἐστιν ἡ δόξα καὶ ἡ δύναμις διὰ Ἰησοῦ Χριστοῦ εἰς τοὺς αἰῶνας. 5. μηδεὶς δὲ φαγέτω μηδὲ πιέτω ἀπὸ τῆς εὐχαριστίας ὑμῶν, ἀλλοἱ βαπτισθέντες εἰς ὄνομα κυρίου· καὶ γὰρ περὶ τούτου εἴρηκεν ὁ κύριος· Μὴ δῶτε τὸ ἅγιον τοῖς κυσί.

X

  1. Μετὰ δὲ τὸ ἐμπλησθῆναι οὗτως εὐχαριστήσατε· 2. Εὐχαριστοῦμέν σοι, πάτερ ἅγιε, ὑπὲρ τοῦ ἁγίου ὀνόματός σου, οὗ κατεσκήνωσας ἐν ταῖς καρδίαις ἡμῶν, καὶ ὑπὲρ τῆς γνώσεως καὶ πίστεως καὶ ἀθανασίας, ἥς ἐγνώρισας ἡμῖν διὰ Ἰησοῦ τοῦ παιδός σου· σοὶ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας. 3. σύ, δέσποτα παντοκράτορ, ἔκτισας τὰ πάντα ἕνεκεν τοῦ ὀνόματός σου, τροφήν τε καὶ ποτὸν ἔδωκας τοῖς ἀνθρώποις εἰς ἀπόλαυσιν, ἵνα σοι εὐχαριστήσωσιν, ἡμῖν δὲ ἐχαρίσω πνευματικὴν τροφὴν καὶ ποτὸν καὶ ζωὴν αἰώνιον διὰ τοῦ παιδός σου. 4. πρὸ πάντων εὐχαριστοῦμέν σοι, ὅτι δυνατὸς εἶ· σοὶ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας. 5. μνήσθητι, κύριε, τῆς ἐκκλησίας σου, τοῦ ῥύσασθαι αὐτὴν ἐν τῇ ἀγάπῃ σου, καὶ σύναξον αὐτὴν ἀπὸ τῶν τεσσάρων ἀνέμων, τὴν ἁγιασθεῖσαν, εἰς τὴν σὴν βασιλείαν, ἣν ἡτοίμασας αὐτῇ· ὅτι σοῦ ἐστιν ἡ δύναμις καὶ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας. 6. ἐλθέτω χάρις καὶ παρελθέτω ὁ κόσμος οὗτος. Ὡσαννὰ τῷ θεῷ Δαυείδ. εἴ τις ἅγιός ἐστιν, ἐρχέσθω· εἴ τις οὐκ ἔστι, μετανοείτω· μαρὰν ἀθά· ἀμήν. 7. τοῖς δὲ προφήταις ἐπιτρέπετε εὐχαριστεῖν ὅσα θέλουσιν.

XI

  1. Ὃς ἂν οὖν ἐλθὼν διδάξῃ ὑμᾶς ταῦτα πάντα τὰ προειρημένα, δέξασθε αὐτόν· 2. ἐὰν δὲ αὐτὸς ὁ διδάσκων στραφεὶς διδάσκῃ ἄλλην διδαχὴν εἰς τὸ καταλῦσαι, μὴ αὐτοῦ ἀκούσητε· εἰς δὲ τὸ προσθεῖναι δικαοσύνην καὶ γνῶσιν κυρίου, δέξασθε αὐτὸν ὡς κύριον.
  2. Περὶ δὲ τὼν ἀποστόλων καὶ προφητῶν, κατὰ τὰ δόγμα τοῦ εὐαγγελίου οὕτω ποιήσατε. 4. πᾶς δὲ ἀπόστολος ἐρχόμενος πρὸς ὑμᾶς δεχθήτω ὡς κύριος· 5. οὐ μενεῖ δὲ εἰ μὴ ἡμέραν μίαν· ἐὰν δὲ ᾖ χρεία, καὶ τὴν ἄλλην· τρεῖς δὲ ἐὰν μείνῃ, ψευδοπροφήτης ἐστίν. 6. ἐξἐρχόμενος δὲ ὁ ἀπόστολος μηδὲν λαμβανέτω εἰ μὴ ἄρτον, ἕως οὗ αὐλισθῇ· ἐὰν δὲ ἀργυριον αἰτῇ, ψευδοπροφήτης ἐστί.
  3. Καὶ πάντα προφήτην λαλοῦντα ἐν πνεύματι οὐ πειράσετε οὐδὲ διακρινεῖτε· πᾶσα γὰρ ἁμαρτία ἀφεθήσεται, αὕτη δὲ ἡ ἁμαρτία οὐκ ἀφεθήσεται. 8. οὐ πᾶς δὲ ὁ λαλῶν ἐν πνεύματι προφήτης ἐστίν, ἀλλἐὰν ἔχῃ τοὺς τρόπους κυρίου. ἀπὸ οὖν τῶν τρόπων γνωσθήσεται ὁ ψευδοπροφήτης καὶ ὁ προφήτης. 9. καὶ πᾶς προφήτης ὁριζων τράπεζαν ἐν πνεύματι οὐ φάγεται ἀπαὐτῆς, εἰ δὲ μήγε ψευδοπροφήτης ἐστί. 10. πᾶς δὲ προφήτης διδάσκων τὴν ἀλήθειαν, εἰ ἃ διδάσκει οὐ ποιεῖ, ψευδοπρφήτης ἐστί. 11. πᾶς δὲ προφήτης δεδοκιμασμένος, ἀληθινός, ποιῶν εἰς μυστήριον κοσμικὸν ἐκκλησίας, μὴ διδάσκων δὲ ποιεῖν, ὅσα αὐτὸς ποιεῖ, οὐ κριθήσεται ἐφὑμῶν· μετὰ θεοῦ γὰρ ἔχει τὴν κρίσιν· ὡσαύτως γὰρ ἐποίησαν καὶ οἱ ἀρχαῖοι προφῆται. 12. ὃς δἂν εἴπῃ ἐν πνεύματι· δός μοι ἀργύρια ἢ ἕτερά τινα, οὐκ ἀκούσεσθε αὐτοῦ· ἐὰν δὲ περὶ ἄλλων ὑστερούντων εἴπῃ δοῦναι, μηδεὶς αὐτὸν κρινέτω.

XII

  1. Πᾶς δὲ ὁ ἐρχόμενος ἐν ὀνόματι κυρίου δεχθήτω· ἔπειτα δὲ δοκιμάσαντες αὐτὸν γνώσεσθε, σύνεσιν γὰρ ἕξετε δεξιὰν καὶ ἀριστεράν. 2. εἰ μὲν παρόδιός ἐστιν ὁ ἐρχόμενος, βοηθεῖτε αὐτῷ, ὅσον δύνασθε· οὐ μενεῖ δὲ πρὸς ὑμᾶς εἰ μὴ δύο ἢ τρεῖς ἡμέρας, ἐὰν ᾖ ἀνάγκη. 3. εἰ δὲ θέλει πρὸς ὑμᾶς καθῆσθαι, τεχνίτης ὤν, ἐργαζέσθω καὶ φαγέτω. 4. εἰ δὲ οὐκ ἔχει τέχνην, κατὰ τὴν σύνεσιν ὑμῶν προνοήσατε, πῶς μὴ ἀργὸς μεθὑμῶν ζήσεται Χριστιανός. 5. εἰ δοὐ θέλει οὑτω ποιεῖν, χριστέμπορός ἐστι· προσέχετε ἀπὸ τῶν τοιούτων.

XIII

  1. Πᾶς δὲ προφήτης ἀληθινὸς θέλων καθῆσθαι πρὸς ὑμᾶς ἄξιός ἐστι τῆς τροφῆς αὐτοῦ. 2. ὡσαύτως διδάσκαλος ἀληθινός ἐστιν ἄξιος καὶ αὐτὸς ὥσπερ ὁ ἐργάτης τῆς τροφῆς αὐτοῦ. 3. πᾶσαν οὖν ἀπαρχὴν γεννημάτων ληνοῦ καὶ ἅλωνος, βοῶν τε καὶ προβάτων λαβὼν δώσεις τὴν ἀπαρχὴν τοῖς προφήταις· αὐτοὶ γάρ εἰσιν οἱ ἀρχιερεῖς ὑμῶν. 4. ἐὰν δὲ μὴ ἔχητε προφήτην, δότε τοῖς πτωχοῖς. 5. ἐὰν σιτίαν ποιῇς, τὴν ἀπαρχὴν λαβὼν δὸς κατὰ τὴν ἐντολήν. 6. ὡσαύτως κεράμιον οἴνου ἢ ἐλαίου ἀνοίξας, τὴν ἀπαρχὴν λαβὼν δὸς τοῖς προφήταις· 7. ἀργυρίου δὲ καὶ ἱματισμοῦ καὶ παντὸς κτήματος λαβὼν τὴν ἀπαρχήν, ὡς ἂν σοι δόξῃ, δὸς κατὰ τὴν ἐντολήν.

XIV

  1. Κατὰ κυριακὴν δὲ κυρίου συναχθέντες κλάσατε ἄρτον καὶ εὐχαριστήσατε, προεξομολογησάμενοι τὰ παραπτώματα ὑμῶν, ὅπως καθαρὰ ἡ θυσία ὑμῶν ᾐ. 2. πᾶς δὲ ἔχων τὴν ἀμφιβολίαν μετὰ τοῦ ἑταίρου αὐτοῦ μὴ συνελθέτω ὑμῖν, ἕως οὗ διαλλαγῶσιν, ἵνα μὴ κοινωθῇ ἡ θυσία ὑμῶν. 3. αὕτη γάρ ἐστιν ἡ ῥηθεῖσα ὑπὸ κυρίου· Ἐν παντὶ τόπῳ καὶ χρόνῳ προσφέρειν μοι θυσίαν καθαράν. ὅτι βασιλεὺς μέγας εἰμί, λέγει κύριος, καὶ τὸ ὄνομά μου θαυμαστὸν ἐν τοῖς ἔθνεσι.

XV

  1. Χειροτονήσατε οὖν ἑαυτοῖς ἐπισκόπους καὶ διακόνους ἀξίους τοῦ κυρίου, ἄνδρας πραεῖς καὶ ἀφιλαργύρους καὶ ἀληθεῖς καὶ δεδοκιμασμένους· ὑμῖν γὰρ λειτουργοῦσι καὶ αὐτοὶ τὴν λειτουργίαν τῶν προφητῶν καὶ διδασκάλων. 2. μὴ οὖν ὐπερίδητε αὐτούς· αὐτοὶ γὰρ εἰσιν οἱ τετιμημένοι ὑμῶν μετὰ τῶν προφητῶν καὶ διδασκάλων.
  2. Ἐλέγχετε δὲ ἀλλήλους μὴ ἐν ὀργῇ, ἀλλἐν εἰρήνῃ ὡς ἔχετε ἐν τῷ εὐαγγελίῳ· καὶ παντὶ ἀστοχοῦντι κατὰ τοῦ ἑτέρου μηδεὶς λαλείτω μηδὲ παρὑμῶν ἀκουέτω, ἕως οὗ μετανοήσῃ. 4. τὰς δὲ εὐχὰς ὑμῶν καὶ τὰς ἐλεημοσύνας καὶ πάσας τὰς πράξεις οὕτω ποιήσατε, ὡς ἔχετε ἐν τῷ εὐαγγελίῳ τοῦ κυρίου ἡμῶν.

XVI

  1. Γρηγορεῖτε ὑπὲρ τῆς ζωῆς ὑμῶν· οἱ λύχνοι ὑμῶν μὴ σβεσθήτωσαν, καὶ αἱ ὀσφύες ὑμῶν μὴ ἐκλυέσθωσαν, ἀλλὰ γίνεσθε ἕτοιμοι· οὐ γὰρ οἴδατε τὴν ὥραν, ἐν ᾗ ὁ κύριος ἡμῶν ἔρχεται. 2. πυκνῶς δὲ συναχθήσεσθε ζητοῦντες τὰ ἀνήκοντα ταῖς ψυχαῖς ὑμῶν· οὐ γὰρ ὠφελήσει ὑμᾶς ὁ πᾶς χρόνος τῆς πίστεως ὑμῶν, ἐὰν μὴ ἐν τῷ ἐσχάτῳ καιρῷ τελειωθῆτε. 3. ἐν γὰρ ταῖς ἐσχάταις ἡμέραις πληθυνθήσονται οἱ ψευδοπροφῆται καὶ οἱ φθορεῖς, καὶ στραφήσονται τὰ πρόβατα εἰς λύκους, και ἡ ἀγάπη στραφήσεται εἰς μῖσος. 4. αὐξανούσης γὰρ τῆς ἀνομίας μισήσουσιν ἀλλήλους καὶ διώξουσι καὶ παραδώσουσι, καὶ τότε φανήσεται ὁ κοσμοπλανὴς ὡς υἱὸσ θεοῦ, καὶ ποιήσει σημεῖα καὶ τέρατα, καὶ ἡ γῆ παραδοθήσεται εἰς χεῖρας αὐτοῦ, καὶ ποιήσει ἀθέμιτα, ἃ οὐδέποτε γέγονεν ἐξ αἰῶνος. 5. τότε ἥξει ἡ κτίσις τῶν ἀνθρώπων εἰς τὴν πύρωσιν τῆς δοκιμασίας, καὶ σκανδαλισθήσονται πολλοὶ καὶ ἀπολοῦνται, οἱ δὲ ὑπομείναντες ἐν τῇ πίστει αὐτῶν σωθήσονται ὑπαὐτου τοῦ καταθέματος. 6. καὶ τότε φανήσεται τὰ σημεῖα τῆς ἀληθείας· πρῶτον σημεῖον ἐκπετάσεως ἐν οὐρανῷ, εἶτα σημεῖον φωνῆς σάπιγγος, καὶ τὸ τρίτον ἀνάστασις νεκρῶν. 7. οὐ πάντων δέ, ἀλλὡς ἐρρέθη· Ἥξει ὁ κύριος καὶ πάντες οἱ ἅγιοι μεταὐτοῦ. 8. τότε ὄψεται ὁ κόσμος τὸν κύριον ἐρχόμενον ἐπάνω τῶν νεφελῶν τοῦ οὐρανοῦ.

http://www.ccel.org/ccel/lake/fathers2.v.html

 Didachè in het NEDERLANDS


 


 

Didachè Apostolorum

Vertaald uit het Engels.

Versie 1.0.1

©2012 copyright

Dit werk mag gekopieerd worden voor studiedoeleinden.

Voor commerciële doeleinden is kopiëren echter verboden.

De Didachè Apostolorum (Leer van de Apostelen) werd in 1873 ontdekt. Het bewaard gebleven geschrift dateert van 1056 en werd geschreven aan het einde van de 1e eeuw, tussen 90 en 100 na Christus. Dit betreft het oudst bewaard gebleven kerkelijk document en is mogelijk geschreven voor de heiden-Christenen. Het is een korte Catechese.

De tekst tussen haken is bijgevoegd om de leesbaarheid van de zinnen te bevorderen. Wat tussen haken staat, staat dus niet in de originele tekst of de Grondtekst.

Deze versie geldt als eerste vertaling.

Datum: 25 september 2012.

———

Hoofdstuk 1. De Twee Wegen en het Eerste Gebod. Er zijn twee wegen, een van leven en een van de dood, maar het verschil tussen de twee wegen is groot. Dit is de weg naar het leven: Ten eerste, zult gij God, die u heeft gemaakt, liefhebben, ten tweede, heb uw naaste lief zoals u zelf, en doe niet aan een ander, wat u niet zelf zou willen worden aangedaan. En dit is de leer van deze woorden: Zegent hen die u vervloeken, en bidt voor uw vijanden, en vast voor wie u vervolgen¹. Want welke verdiensten hebt gij als gij liefheeft die u liefhebben? Doen de heidenen niet hetzelfde? Maar hebt lief, die u haten, en gij zult geen vijanden hebben. Onthoudt u van de vleselijke en wereldse begeerten. Als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe, en gij zult volmaakt zijn. Als iemand u dwingt een mijl te gaan, ga dan twee mijlen met hem mee. Als iemand uw mantel ontneemt, geef hem ook uw onderkleed. Als iemand steelt wat van u is, vraag het dan niet terug, want inderdaad, daartoe bent u niet in staat. Geef aan ieder die u iets vraagt, en vraag het niet terug, want het is de wil van de Vader dat onze eigen zegeningen aan allen worden meegedeeld. Gelukkig is hij die geeft volgens het gebod, want hij is onschuldig. Wee hem die neemt, want als hij neemt omdat hij het nodig heeft, hij is onschuldig, maar wie neemt en het niet nodig heeft zal rekenschap moeten afleggen, waarom en voor welk doel hij genomen heeft. En tijdens zijn opsluiting zal hij, worden onderzocht met betrekking tot hetgeen hij gedaan heeft, en hij zal niet vrijgelaten worden totdat hij de laatste penning betaald heeft. En ook met betreffende dit, het is gezegd: Laat uw aalmoezen zweten in uw handen, totdat u weet aan wie u moet geven.

Hoofdstuk 2. Het tweede gebod:. Zware zonde Verboden En het tweede gebod van het onderwijs:, Gij zult niet moorden, gij zult geen overspel plegen, gij zult geen pederastie plegen, gij zult geen ontucht plegen, gij zult niet stelen, gij zult geen magie beoefenen , gij zult geen hekserij beoefenen, gij zult geen kind vermoorden door abortus, noch (een kind) doden wat al geboren is. Gij zult niet de dingen van uw buurman begeren, gij zult niet zweren, gij zult geen valse getuigenis afgeven, gij zult geen kwaad spreken, gij zult ​​geen wrok hebben. Gij zult niet dubbelhartig, noch dubbel van tong zijn, want een dubbele tong is een strik des doods. Uw toespraak is niet vals, noch leeg, maar getuigt van uw levenswandel. Gij zult niet gierig, noch roofzuchtige, noch een hypocriet, noch tot het kwaad geneigd, noch hooghartig zijn. Gij spreekt geen kwaad tegen uw naaste. Gij zult niet iemand haten, maar sommigen zult gij berispen, en met betrekking tot sommigen zult gij bidden, en sommigen zult gij meer liefhebben dan uw eigen leven liefhebben.

Hoofdstuk 3. Andere Verboden Zonden. Mijn kind, vlucht al het kwaad, en van elke schijn van kwaad. Wees niet gevoelig voor toorn, want toorn leidt tot moord. Wees niet jaloers, noch twistziek, noch driftig, want uit al deze dingen komen moord voort. Mijn kind, wees niet wellustig, want wellust leidt tot ontucht. Spreek geen vuile taal, heb geen glurende ogen, want uit al deze dingen wordt overspel voortgebracht. Mijn kind, wees geen waarzegger, omdat het leidt tot afgoderij. Wees geen tovenaar, noch een astroloog, houdt u zich niet bezig met reinigingsriten, weiger al deze dingen te doen, want uit al deze dingen wordt afgoderij veroorzaakt. Mijn kind, wees geen leugenaar, want een leugen leidt tot diefstal. Heb het geld niet lief, noch wees ijdel, want uit al deze dingen komen diefstal voort. Mijn kind, wees geen mopperaar, omdat het naar Godslastering leidt. Weest niet eigenzinnig, noch kwaad van hart, want uit al deze dingen komen Godslasteringen voort.

Integendeel, weest zachtmoedig, want de zachtmoedigen zullen de aarde beërven2. Weest lankmoedigheid, medelijdend en argeloos en zachtmoedig en goed en blijf altijd beven voor de Woorden die gij gehoord hebt. Gij zult uzelf niet verheffen, noch uw ziel hoogmoedig laten worden. Hecht uw ziel niet aan trotsen, maar ga om met rechtvaardigen en nederigen. Aanvaard alles wat er ook gebeurt met de kennis dat buiten God om niets gebeurt.

Hoofdstuk 4. Diverse Voorschriften. Mijn kind, denk dag en nacht aan hem die het woord van God tot u spreekt, en eer hem zoals u met de Heer zou doen. Waar dan ook de Vorstelijke Regel wordt verkondigd, daar is de Heer. En gij zult dag na dag de heiligen zoeken opdat gij rust moogt vinden bij hun woorden. Gij zult geen verdeeldheid zoeken, maar breng bijeen hen die strijden voor de vrede. Oordeel rechtvaardig en bestraf overtredingen zonder aanziens des persoons. Gij zult iets niet onbeslist oordelen wanneer iets niet of wel zal zijn. Gij zult uw hand niet uitstrekken om te ontvangen, noch sluiten om te geven. Indien gij iets bezit door het werk van uw handen dan zult gij het weggeven als losprijs voor uw zonden. Aarzel niet om te geven, noch zult gij klagen wanneer gij geeft, omdat gij weet wie de Goede Beloner is. Gij zult u niet afwenden van de arme, maar eerder alle dingen delen met uw broeder, en niet zeggen dat het uw eigen bezittingen zijn. Want als gij gemeenschap hebt aan iets wat onsterfelijk is, hoeveel te meer in dingen die sterfelijk zijn? Ga niet uw handen aftrekken van uw zoon of dochter, maar leer ze eerder in hun jeugd de vrees voor God. Ga niets doen wat uw slaaf of slavin doet verbitteren, die op dezelfde God hopen, anders zouden zij de vrees voor God verliezen, die boven beiden (heer en meester) staat, want hij komt niet diegenen roepen naar uiterlijke schijn, maar hen wier Geest Hij heeft voorbereid. En gij slaven, gij moet onderdanig aan uw meesters zijn in eerbied en ontzag3, omdat uw meester het beeld is van God. Gij zult alle hypocrisie haten en alles wat niet welgevallig is aan de Heer. Verlaat onder geen voorwaarden de Geboden van de Heer, maar bewaar wat u hebt ontvangen, zonder iets toe te voegen en zonder iets daaraan weg te laten. In de kerk zult gij uw zonden belijden, en gij zult niet in de buurt komen in uw gebedsplaats met een slecht geweten. Dit is de manier van leven.

Hoofdstuk 5. De weg naar de dood En de weg van de dood is dit: In de eerste plaats dit is het kwaad met vervloekingen: moorden, overspel, lust, hoererij, diefstal, afgoderij, tovenarij, hekserij, verkrachting, valse getuigenissen, hypocrisie, dubbelhartigheid, bedrog, hoogmoed, verdorvenheid, eigenzinnigheid, hebzucht, vuile praat, jaloezie, overmoed, zelfverheffing, opschepperij, vervolgers van het goede, haters van de waarheid, minnaars van de leugen, zij kennen het loon van de gerechtigheid niet, zien het belang niet voor het goede, noch het rechtvaardig oordeel, kijken niet naar dat wat goed is, maar naar het boze, van wie zachtmoedigheid en geduld ver weg zijn, minnaars van ijdelheden, die wraak nastreven, geen medelijden hebben met een arme, niet werken voor de gekwelden, niet wetend van Hem die hun Schiep, kindermoordenaars, vernietigers van het werk van God, zich afkeren van de arme, hen kwelt die bedroefd zijn, voorsprekers van de rijken, wetteloze rechters van de armen, volslagen zondaars. Kinderen, verlost u van dezen.

Hoofdstuk 6. Tegen valse leraren, en voedsel geofferd aan afgoden. Ziet toe, en zorgt ervoor dat niemand van deze weg van de Leer afdwaalt , want (afdwaling) leert u van God te scheiden. Want als u in staat bent om het gehele juk van de Heer te dragen, zult u volmaakt zijn, maar als u niet in staat bent om dit te dragen, draag waar u toe in staat bent. En met betrekking tot voedsel, draag bij waar u toe in staat bent, maar wat aan afgoden geofferd is, daarvoor moet u uiterst voorzichtig zijn, want het is de dienstverlening aan dode goden.

Hoofdstuk 7. Over de Doop En betreffende de doop, doop op deze wijze: Na al deze dingen eerst gezegd te hebben, doop in de naam van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest, in stromend water. Maar als gij geen stromend water hebt, doop dan in ander water, en als ge niet dopen kunt in koud water, doe het dan in warm water. Maar als u geen van beide hebt, giet water drie keer op het hoofd in de naam van Vader, Zoon en Heilige Geest. Maar voor de doop, laat degene die doopt, de gedoopten en anderen (die daartoe in staat zijn) gaan vasten, maar draag de dopeling op een of twee dagen voor de doop te vasten.

Hoofdstuk 8. Vasten en gebed (het Onze Vader). Maar laat niet uw vasten samenvallen met de huichelaars, want zij vasten op de tweede en de vijfde dag van de week. In plaats daarvan vast op de vierde dag en de (dag van de) Voorbereiding (vrijdag). Bid niet zoals de huichelaars, maar zoals de Heer bevolen heeft in Zijn Evangelie, zoals deze:

Onze Vader die in de hemel zijt, Uw naam worde geheiligd. Uw Rijk kome. Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schuld zoals ook wij vergeven onze schuldenaren. En breng ons niet in bekoring, maar verlos ons van de kwade, want van U is de macht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid 4 ..

Bid dit drie keer per dag.

Hoofdstuk 9. De Eucharistie. Aangaande nu de Eucharistie, dank op deze manier. Ten eerste, met betrekking tot de beker:

Wij danken U, onze Vader, voor de heilige wijnstok van David, Uw knecht, die U aan ons bekend heeft gemaakt door Jezus uw knecht. U zij de heerlijkheid tot in eeuwen der eeuwen.

En met betrekking tot het gebroken Brood:

Wij danken U, onze Vader, voor het leven en de kennis die U aan ons bekend gemaakt hebt door Jezus uw knecht, tot U zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Zoals dit gebroken Brood werd verspreid over de heuvels, en werd verzameld en EEN werd, laat dus uw Kerk verzameld worden tot aan de einden der aarde in Uw Koninkrijk, want van U is de heerlijkheid en de macht door Jezus Christus tot in eeuwen der eeuwen.

Maar laat niemand eten of drinken van uw Eucharistie, tenzij ze zijn gedoopt in de naam van de Heer, want met betrekking tot dit heeft de Heer ook gezegd: “Geef niet wat Heilig is aan de honden.”

Hoofdstuk 10. Gebed na de Communie Maar nadat u verzadigd bent, geef op deze manier dank:

Wij danken U, heilige Vader, voor uw heilige naam, dat Gij het mogelijk gemaakt hebt om te wonen in onze harten, en voor de kennis en het geloof en de onsterfelijkheid, die Gij aan ons bekend gemaakt hebt door Jezus uw knecht, aan U zij de glorie tot in eeuwigheid. Gij, Almachtige Meester, die alles geschapen heeft omwille van Uw Naam; U gaf eten en drinken aan de mensheid voor de vreugde, opdat zij U danken, maar voor ons hebt Gij geestelijk Eten en Drinken gegeven en het eeuwige leven door Uw Dienaar. Voor alles danken wij U, dat U machtig bent, aan U zij de glorie tot in eeuwigheid. Vergeet Heer, Uw kerk niet, om het te bevrijden van alle kwaad en maak het volmaakt in Uw liefde, en verzamel het uit de vier windstreken, geheiligd voor Uw Koninkrijk dat Gij voor haar bereid hebt, want van U is de macht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Laat de genade komen, en laat deze wereld voorbijgaan. Hosanna aan de Zoon Gods van David! Als iemand heilig is, hij kome, als iemand is niet zo, laat hem zich bekeren. Marán-athá(*). Amen.

Maar sta toe dat de profeten Dankzegging doen zoveel als zij dit verlangen.

Hoofdstuk 11. Met betrekking tot Leraren, Apostelen en Profeten. Wie dan ook komt en u leert al deze dingen die zijn gezegd, ontvangt hem. Maar als de leraar zelf afgedwaald is en een andere leer verkondigt die deze Leer vernietigt, luister niet naar hem. Maar als hij leert om de gerechtigheid en de kennis van de Heer te vergroten, ontvangt hem dan als de Heer. Maar met betrekking tot de apostelen en profeten, handel volgens het voorschrift van het Evangelie. Laat elke apostel die tot u komt worden ontvangen als de Heer. Maar hij mag niet langer dan een dag aanwezig zijn, of twee dagen als het nodig is. Maar als hij drie dagen blijft, is hij een valse profeet. En als de apostel vertrekt, laat hem voldoende brood nemen tot de volgende verblijfplaats. Als hij ​​om geld vraagt, dan is hij een valse profeet. En elke profeet die spreekt in de Geest zult gij niet beproeven of oordelen, want elke zonde zal vergeven worden, maar deze zonde zal niet vergeven worden. Maar niet iedereen die spreekt in de Geest is een profeet, maar alleen als hij de weg van de Heer volgt. Daarom zal van hun levenswijzen de valse profeet en de profeet bekend zijn. En elke profeet die om een maaltijd vraagt in de Geest, zal het niet eten, tenzij hij inderdaad een valse profeet is. En elke profeet die de Waarheid leert, maar niet doet wat hij leert, hij is een valse profeet. En elke profeet, die bewezen heeft waarachtig te zijn, en werkt aan het mysterie van de Kerk in de wereld, maar niet onderwijst aan anderen om te doen wat hij zelf doet, mag niet onder u worden geoordeeld, want God zal over hem oordelen, want zo deden ook de oude profeten. Maar wie zegt in de Geest, Geef me geld, of iets anders, daar zult gij niet naar hem luisteren. Maar als hij vraagt om iets voor anderen die in nood zijn, laat niemand hem oordelen.

Hoofdstuk 12. Ontvangst van de christenen , maar ontvangt iedereen die komt in de naam van de Heer, en stel hem daarna op de proef, want gij zult rechts en links kunnen onderscheiden. Als hij een reiziger is , zult gij hem bijstaan ​​zo ver als gij in staat bent, maar hij zal niet meer dan twee of drie dagen bij u blijven, indien nodig. Maar als hij bij u wil blijven, en een ambacht heeft, laat hem dan werken en eten. Maar als hij volgens uw kennis – geen ambacht heeft, zorg ervoor dat geen Christen werkeloos5 blijft. Maar als hij wil niet werken, hij is handelaar in het Christendom. Ziet er op toe van dezen weg te blijven.

Hoofdstuk 13. Ondersteuning van de Profeten. Maar iedere ware profeet die wil leven onder u is zijn levensonderhoud waard. Dus ook elke ware leraar en arbeider is waardig levensonderhoud te ontvangen. De eerste vruchten, dus van de producten van wijnpers en dorsvloer, van runderen en van schapen, zult gij nemen en te geven aan de profeten, want zij zijn uw hogepriesters. Maar als gij geen profeet hebt, geef het (goed dan) aan de armen. Als gij een partij deeg maakt, neem de eerstelingen en geeft volgens het gebod. Dus ook als gij een kruik wijn of olie opent, neemt u de eerstelingen en geeft het aan de profeten, en van het geld en de kleding en van elk bezit, neemt u de eerstelingen, en geeft volgens het gebod.

Hoofdstuk 14. Christelijke bijeenkomst op de dag des Heren. Maar elke dag des Heren komt u bijeen en breekt het Brood, en zeg dank na uw zonden te hebben beleden, dat uw offer rein zal zijn. Maar laat niemand die in onmin staat samen te komen met u, totdat zij verzoend zijn, opdat uw offer niet zal worden ontheiligd. Want dit is het, waarvan gesproken is door de Heer: “In elke plaats en tijd biedt mij een zuivere offerande aan, want Ik ben een grote Koning, zegt de Heer, en mijn naam is geweldig onder de volken6.”

Hoofdstuk 15. Bisschoppen en diakens. Benoem daarom, voor uw zelf, bisschoppen en diakens die de Heer waardig zijn, zachtmoedige mannen, en geen minnaars van geld, waarheidsgetrouw en betrouwbaar, want ook zij zijn in de dienst zoals van profeten en leraren. Daarom veracht hen niet, want zij zijn uw geëerde personen, samen met de profeten en leraren. En berisp elkaar, niet in toorn, maar in vrede, zoals staat in het Evangelie. Maar voor iedereen die ageert tegen een ander, laat niemand spreken, noch laat hij iets van u horen totdat hij berouw toont. Maar wat betreft uw gebeden en aalmoezen en al uw daden, handel zoals het staat in het Evangelie van onze Heer.

Hoofdstuk 16. Waakzaamheid, de wederkomst van de Heer. Waakt over uw leven. Laat uw lampen niet uitgeblust worden, noch uw lendenen losgemaakt, maar wees bereid, want gij weet niet het uur waarop onze Heer zal komen. Maar kom vaak samen, op zoek naar de dingen die bevorderlijk zijn voor uw zielen, want de hele tijd van uw geloof zal niet baten, als gij niet volmaakt zijt in het laatste ogenblik. Want in de laatste dagen zullen de valse profeten en de verdervers worden vermenigvuldigd, en de schapen zullen veranderen in wolven, en de liefde zal veranderd worden in haat, want wanneer wetteloosheid toeneemt, zullen zij elkaar haten en vervolgen en elkander overleveren, en dan zal de misleider van de wereld als Zoon van God verschijnen, en hij zal tekenen doen en wonderen, en de aarde zal in zijn handen worden overgeleverd, en hij zal boosaardige dingen doen die nog nooit zijn voorgekomen sinds het begin. Dan zal de schepping van de mens terecht komen in het vuur van beproeving, en velen zullen tot struikelen worden gebracht en zullen vergaan, maar wie volhardt in het geloof wordt gered van de vloek zelf. En dan zal het teken van de waarheid komen: ten eerste, het teken van een uitspanning in de hemel, dan het teken van het geluid van de bazuin. En ten derde, de opstanding van de doden – maar niet van alle, maar zoals er wordt gezegd: “De Heer zal komen en al Zijn heiligen met Hem7.” Dan zal de wereld de Heer zien komen op de wolken van de hemel.

Noten:

(*)Marán-athá is een Aramees woord en betekent Onze Heer kome. Zie ook 1 Korinthiërs 16 : 22

  1. Zie Matteus 5 vers 43 tot 48
  2. Zie Matteus 5 vers 4
  3. Zie 1 Petrus 2 vers 18
  4. Zie Matteus 6 vers 9
  5. Zie 1 Tessaloncia 3 vers 12
  6. Zie Malakias (Maleachi) 1 vers 11
  7. Zie Matteus 25 vers 31 en Judas 1 vers 14 (geciteerd uit het Boek Henoch)

10th December 2013 geplaatst door Liefde en Trouw aan de Kerk

 

 

 Over de sacramenten (deel 2)

ORTHODOX RITUEEL  – de sacramenten – deel 2

Zalving – Eucharistie – Vergeving

 

(Vri vertaald uit het boek : Orthodoxie – Metropoliet Kallistos (Ware)

door Kris B.

 

ZALVING

 

De zalving volgt onmiddellijk na het doopsel. De priester neemt een speciale olie, het heilig chrisma (myron), en zalft het kind met  een kruisteken : eerst op het voorhoofd, dan de ogen, de neus, de mond en de oren, de borst, de handen en de voeten. Bij elke zalving, zegt hij : ‘ Zegel en gave van de Heilige Geest,Amen’ Het kind, dat ingelijfd is in Christus door het doopsel, ontvangt zo de gave van de Heilige Geest en wordt een laikos (leek), een lid van het Godsvolk (laos). De zalving is een verderzetten van Pinksteren : dezelfde Geest die zichbaar over de apostelen  verscheen in vurige tongen, daalt onzichtbaar neer over de nieuw gedoopte.

 

Door deze zalving wordt elk lid van de Kerk een profeet, en neemt hij deel aan het koninklijk priesterschap van Christus. Alle christenen , juist omdat zij gezalfd zijn, zijn geroepen om bewuste getuigen te zijn van de waarheid. ‘ Gij echter hebt een zalving(chrisma) van de Heilige en gij weet dat allen’ (I joh.,II,20).

In het westen wordt de zalving gegeven door een bisschop (4), maar in het oosten wordt de zalving gegeven door een priester. Wel is het zo, dat het chrisma moet worden gezegend door een bisschop (volgens een streng  orthodoxe  gebruik, is het slechts een bisschop die aan het hoofd staat van een autocephale Kerk, welke het voorrecht heeft om het heilig chrisma te wijden). Zo is, zowel in het westen , als in het oosten de bisschop betrokken bij het christelijk initiatiesacrament : in het  westen op een direkte manier, in het oosten op een indirekte.

De zalving is ook gebruikt als sacrament van verzoening. Als een orthodox afvallig is en wilt

(4) Momenteel is het zo, dat ook in de rooms-katholieke Kerk, de zalving niet alleen meer door de bisschop wordt toegediend. Ook gewone priesters kunnen het doen. Gewoonlijk zijn het de hoofden van een dekenij (dekens), en medewerkers van de bisschop die de zalving toedienen, maar ook de bisschop zelf.

 

terugkeren naar zijn religie, dan is het met het sacrament van de zalving dat men hem opnieuw opneemt. Hetzelfde geldt voor rooms-katholieken die orthodox worden : het patriarchaat van Constantinopel en de griekse Kerk ontvangen hen algemeen gezien met de zalving (myronzalving). Maar de Russische Kerk vraagt hen alleen een geloofsbelijdenis en geen zalving met chrisma. Anglikanen en protestanten worden altijd met een zlving opgenomen.

 

Zo spoedig mogelijk na de myronzalving zal het orthodoxe kind te communie gaan. Zijn oudste herinneringen aan de Kerk zullen deze zijn van zijn naderen tot de heilige gaven van het lichaam en bloed van Christus. Hij gaat niet, zoals bij de rooms katholieken, te communie op de leeftijd van zes-zeven jaar, of op de leeftijd van de adolescentie zoals bij de anglikanen., maar het is nooit uitgesloten.

 

EUCHARISTIE

 

De eucharistie wordt gecelebreerd in alle orthodoxe Kerken onder een van de vier verschillende  vormen :

 

1.      De liturgie van de Heilige Johannes Chrysostomos (gewoonlijk is dit de liturgie van de zondagen en de weekdagen).

2.      De liturgie van de Heilige Basilius de Grote (gebruikt tien maal per jaar, zij verschilt uiterlijk een weinig van deze van de Heilige Chrisostomos, maar de persoonlijke gebeden van de priester zijn wat langer)

3.      De liturgie van de Heilige Jacobus, broeder van Christus (één maal per jaar gebruikt, op de dag van de Heilige Jacobus, 23 oktober, en dit slechts op enkele plaatsen (5).

4.      De liturgie van de voorafbereidde gaven (gebruikt de woensdagen en de vrijdagen gedurende de grote Vasten, en de drie eerste dagen van de Heilige Week. Het zijn liturgieën zonder consecratie, waarin de communie wordt uitgedeeld met de geconsacreerde elementen van de vorige zondag).

 

Ziehier, in grote lijnen, de structuur van de liturgie van de Heilige Johannes Chrysostomos en van de Heilige Basilius :

 

I.       De voorbereidingProthese of Proscomidie : voorbereiding van het brood en de wijn welke tijdens de liturgie zullen gebruikt worden.

II         De liturgie van de catechumenen – Synaxe

a. Begin van de dienst (Enarxis) (6).

Grote litanie of vredeslitanie

      Psalm 102 (103)

                                       Kleine litanie

                                       Psalm 145 (146) gevolgd door de hymne Eniggeboren Zoon en         

                                       Woord van God

(5) Tot voor kort was zij slechts in gebruik te Jeruzalem en op het griekse eiland Zante.Zij is hernomen door onder andere de Patriarchale Kerk van Constantinopel, de Kathedraal (griekse) van Londen en het russisch monasterie van Jordanville (USA)

(6) Strikt begint de Synaxe met de kleine intocht ; De Enarxis bij het begin van de dienst was vroeger een aparte dienst.

                                                           

 

 

 

       Kleine liturgie

       De zaligsprekingen ( met de troparia van de dag).

     

       b.  Kleine intrede, gevolgd door de intredehymne of het introïtus van

                                        Het trisagion :’Heilige God, Heilige Sterke, Heilige Onsterfelijke

                                        Ontferm U over ons’ (driemaal of meer gezongen)

 

c.       Lezing uit de Schrift.

                                        Prokimenon – verzen (hoofdzakelijk genomen uit de psalmen)

                                        Uit de brieven

                                        Alléluia negen maal gezongen ( drie maal drie met verzen)

                                        Evangelie

                                        Predikatie ( soms naar het einde van de dienst overgebracht)

 

d.      Gebeden voor de Kerk

Dringende litanie

Litanie voor de overledenen

Litanie voor  de Catechumenen en wegzending van de catechumenen.

 

                   III        De liturgie van de gelovigen (of eucharistie)

 

a.       Twee korte litanieën leiden tot de grote intrede die gevolgd   

Wordt door de smekende litanie.

 

b.      Vredeskus en credo

 

c.       Eucharistisch gebed

 

Dankgebed dat eindigt met de woorden van Christus : Dit is mijn

Lichaam…….Dit is mijn bloed……

Anamnese. De priester gedenkt de dood van Christus, de graflegging, de verrijzenis, de hemelvaart en de tweede komst ; en offert de heilige gaven aan God.  

Epiclese. Aanroeping van de Heilige Geest over de heilige gaven.Gedachtenis aan alle leden van de Kerk : De Moeder van God, de heiligen, de overledenen, de levenden.

Smeeklitanie, gevolgd door het Onze-Vader.

 

d.      Opheffing en breking van de geconsacreerde gaven.

 

e.       Communie van de priester en de gelovigen.

 

f.        Einde van de dienst, dankgebeden, eindzegen en uitdeling van 

het gezegend brood of  antidoron.

 

Het eerste deel van de liturgie, de dienst van de voorbereiding, wordt gecelebreerd door de priester en de diaken, in de prothesis. Het gemeenschappelijk deel van de dienst bevat twee delen : synaxe (hymen, gebeden, lezingen uit de schrift) en  de eucharistie : synaxe en eucharistie waren oorspronkelijk twee afzonderlijke diensten, maar sedert de IV e  eeuw zijn zij samengesmolten tot één dienst. In elk van de twee vindt men een processie : de kleine en de grote intocht. Het evangelie wordt in processie rond het altaar gedragen tijdens de kleine intocht, en tijdens de grote intocht wordt worden het brood en de wijn (die op voorhand klaargemaakt zijn) binnengedragen en op het altaar gezet. De kleine intocht komt overeen met het intrïtus van de westerse rite (oorspronkelijk was dit het begin van het publieke deel van de dienst, maar tegenwoordig wordt het  ze voorafgegaan door verschillende litanieën en psalmen) ; De grote intocht is een offer-processie. Syntaxe en eucharistie hebben elk een hoogtepunt : in de syntaxe is het de lezing van het Evangelie, in de eucharistie is het de epiclese van de Heilige Geest.

 

Het orthodoxe geloof in verband met de eucharistie is zeer duidelijk weergegeven in het eucharistisch gebed. De priester leest met zachte stem het begin va
n de dankzegging, tot wanneer hij aan de woorden van Christus tijdens het laatste avondmaal komt :’ Neemt, eet, dit is mijn lichaam…Drink allen hieruit, dit is mijn bloed…’. Deze passage wordt steeds met volle stem gelezen opdat allen het zouden horen. Dan gaat de priester met zachte stem voort met de anamnese:

 

‘ Dit verlossend gebod indachtig, stellen wij nu tegenwoordig alles wat voor ons geschied is : het kruis, het Graf, de Opstanding op de derde dag, de Hemelvaart, de Troon ter rechterzijde, en de Wederkomst in heerlijkheid en..

 

(en nu met harde stem)

 

Offeren wij het uwe, genomen uit het uwe, namens alles en voor alles.

 

De Epiclese wordt gewoonlijk met zachte stem gebeden, maar het is geen algemene regel :

 

‘Zend uw heilige Geest neer over ons en over deze voor U neergelegde gaven’

En maak dit brood het kostbaar lichaam van uw Christus

En wat in deze kelk is, het kostbaar bloed van uw Christus

Ze herscheppend door uw Heilige Geest. Amen, Amen, Amen ‘(7).

 

De priester en de diaken buigen nu voor de heilige gaven die nu geconsacreerd zijn.

Het is evident, dat orthodoxen en katholieken het ‘ moment van de consecratie’ anders opvatten. Volgens de latijnse theologie is de consecratie op het moment  van de instellingswoorden : ‘Dit is mijn Lichaam….Dit is mijn Bloed’. Volgens de orthodoxe theologie is de consecratie niet voltooid voor het einde van de epiclese. En de orthodoxe Kerk veroordeeld de aanbidding van de heilige gaven voor dit moment, als artolatrie (aanbidding van brood). Er is nochtans geen enkel gegeven in de orthodoxe theologie die ons moet doen geloven dat de consecratie voltooid is alleen maar na de epiclese, noch dat de instellingswoorden maar bijkomstig zijn of van weinig belang. Voor de orthodoxe Kerk vormt

het eucharistisch gebed een ondeelbaar   geheel waarvan de drie belangrijkste fasen ,

(7) Anamnese en epiclese, zoals hier naar voor gebracht komen van de liturgie van de             Heilige Johannes Chrisostomos ; in deze van Sint Basilius is het licht verschillend.

 

 

dankzegging,anamnese, epiclese een integrerend deel vormen van de ene consecratorische daad. Maar het is duidelijk, dat, als er een consecratie-moment moet worden gekozen, het zeker voor het amen van de epiclese moet zijn.(8).

 

Tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie.

 

De woorden van de epiclese bewijzen overvloedig dat de orthodoxe Kerk gelooft dat het brood en de wijn, na de consecratie, werkelijk het lichaam en het Bloed van Christus zijn : het zijn geen symbolen, maar realiteiten. Nochtans, terwijl de orthodoxie de realiteit van de verandering bevestigt, zal zij nooit proberen uit te leggen hoe dit gebeurt. Het eucharistisch gebed gebruikt een neutrale term ‘metaballo’ : Veranderen, anders worden. Het is juist, dat in de XVII eeuw enkele orthodoxe auteurs , en zelfs concilies, de latijnse term ‘transsubstantiatie’ ( in het grieks : metaousios) hebben gebruikt, evenals het scholastieke onderscheid tussen substantie en accidenten (9).Maar de Vaders van Jeruzalem voegden er terzelfdertijd aan toe, dat het gebruik van deze termen geen uitleg geeft over het ‘hoe’  van de verandering, want dit is een mysterie dat altijd onbegrijpelijkr moet blijven (10). Nochtans, ondanks deze lichte afkeuring, hebben vele orthodoxen dit compromis met de latijnse en scholastieke terminologie aanvaard, en in 1838, heeft de russische Kerk een vertaling uitgegeven van de acten van Jeruzalem, waarin het merkwaardig is vast te stellen, dat het woord ‘transsubstantiatie’  is weerhouden, maar door een vernuftige paragraaf men de technische termen van substantie en accidenten heeft kunnen vermijden(11).

Hedendaagse orthodoxe schrijvers gebruiken nog de term transsubstantiatie, maar ze benadrukken twee punten.Ten eerste : er kunnen veel andere termen gebruikt worden om de betekenis van de consecratie aan te duiden. De term transsubstantiatie heeft voor hen geen beslissende autoriteit. Ten tweede : het gebruik ervan betekent niet noodzakelijk dat men de ideeën van de Aristotelische filosofie aanvaardt.

 

Het orthodox standpunt is helder samengevat in de ontwikkelde Catechismuus van Philaret, metropoliet van Moskou (1782-1867), dat bekrachtigd is door de russische Kerk in 1839 :

                                                                                                                                                                (8) Het lijkt erop dat de canon van de romeinse liturgie geen epiclese heeft; maar verschillende orthodoxe liturgisten, waaronder Nicolas Cabasilas, zien de paragraaf ‘Supplices te’ als een feitelijke epiclese. De hedendaagse katholieken, met enige notabele uitzonderingen zien het echter niet zo.

(9) De middeleeuwse filosofie maakt een onderscheid tussen substantie (dat wat een ding maakt tot wat het is) en de accidenten, of de kwaliteiten die aan de substantie toebehoren (Alles wat de zintuigen waarnemen : volume, gewicht,vorm,kleur, smaak, reuk enz..) De substantie is iets wat inzichzelf bestaat (ens per se), maar de accidenten bestaan enkel in iets anders (ens in allo). Door dit onderscheid op de eucharistie toe te passen komt men tot de leer van de transsubstantiatie : volgens deze leer, heeft er op het moment van de consecratie een verandering in de substantie plaats, terwijl de accidenten blijven  wat ze waren ; de substantie van brood en wijn is veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus, maar de accidenten van brood en wijn blijven zichbaar voor de zintuigen.

(10)  Zonder twijfel denken ook veel rooms-katholieken op dezelfde wijze

(11)  Dit is een interessant voorbeeld van de wijze waarop de Kerk ‘selectief’ omgaat met het      aanvaarden van de decreten van de  locale Concilies.

                                                           

 

‘Vraag : Hoe moeten wij het woord ‘transsubstantiatie’ verstaan ?

Antwoord : …..het woord transsubstantiatie zegt ons niet hoe het brood en de wijn zijn veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus, maar het betekent alleen dat het brood en de wijn werkelijk het Lichaam en Bloed van de Heer zijn geworden’ (12)

 

En de Catechismus vervolgt met een citaat van Johannes van Damascus :

 

‘Als je wilt weten hoe dit gebeurt, volstaat het te weten dat dit door de Heilige Geest is…..

wij weten niets méér : het woord van God is waar, actief en almachtig, maar ondoorgrondbaar in zijn daden’ (13).

 

Het heilg sacrament wordt in bijna elke orthodoxe parochiekerk bewaard, meestal op het altaar, maar er is geen reglement hiervoor. Het worden er echter geen publieke vereringsplechtigheden  voor gehouden, zoals dit het gebruik is in de romms-katholieke Kerk.Er is geen uitstalling en zegen van het Heilig sacrament. Er is ook geen theologische grondslag (in de zin van onderscheiden van een liturgische reden) voor. Tijdens de liturgie zegent de priester de gelovigen met de geconsacreerde elementen, maar nooit daar buiten.

De Eucharistie : offer. Voor de orthodoxe Kerk is de eucharistie een offer. De orthodoxe leer is opnieuw heel duidelijk aangegeven in de tekst van de liturgie zelf: ‘offeren wij het Uwe, genomen uit het Uwe, namens alles en voor alles’. Datgene dat geofferd wordt in de eucharistie, is Christus zelf, en het is Christus, die in de Kerk, het offer vervult : Hij is de priester én het slachtoffer, Gij ,Christus onze God, zijt het immers Die offert en geofferd wordt

(14).Wij offeren het U : de eucharistie is geofferd aan God, de Heilige Drieeenheid, niet alleen aan de Vader, maar ook aan de Heilige Geest en aan Christus zelf. Zo ook wanneer wij vragen : wat is het offer van de eucharistie? Door wie is het geofferd ? Aan wie is het geofferd ? Het antwoord is altijd : Christus (15).

 

Wij offeren het U voor allen : volgens de orthodoxe theologie is de eucharistie een verzoenend offer ( in het grieks : thusia hilastirios ) en dit voor levenden en doden.Het is dus het offer van Christus dat geofferd wordt in de eucharistie, maar wat wil dit zeggen ?

De theorieën van de theologen zijn veelzijdig op dit punt; de Kerk heeft er enkele als ongeschikt verworpen, maar heeft zich anderzijds nooit  definitief ingelaten met een of andere specifieke uitleg van het eucharistisch offer. Nicolas Cabasilas vat op deze wijze het orthodoxe standpunt samen :

 

            ‘Vooreerst, het is noch een simpel beeld, noch een symbool, maar een werkelijk offer, en , ten tweede, het is niet het brood dat geofferd wordt, maar het werkelijk Lichaam van Christus; ten derde, Het Lam Gods is slechts éénmaal geofferd  en voor allen… In de eucharistie bestaat het offer niet in de bloedige offerande van het Lam, maar in de transformatie van het brood in het Lam van het offer (16)’.

 (12)  The Doctrine of the Russian Church, traduit par RWBlackmore, London, 1845,p.92

 (13)  Sur la Foi orthodoxe, IV,13 (P.G., XCIV, 1145A).

 (14)  Ingetogen gebed van de priester voor de grote intocht.

 (15)  Plechtig bepaald door het concilie van Constantinopel in 1156(P.G.,CXL,176-177)

 (16)  Explication de la divine Liturgie,32

 

 

 

           De eucharistie is geen herdenking noch een denkbeeldige tegenwoordigstelling van het offer van Christus, maar een reëel offer. Nochtans is het geen nieuw offer, ook niet een

herhaling van het offer op de Calvarie, het Lam is geofferd ‘eenmaal voor allen’. Alle elementen van het offer – de menswording, het laatste avondmaal, de kruisiging, de verrijzenis, de hemelvaart (17) worden niet herhaald in de eucharistie, maar worden ‘tegenwoordig gesteld’ . ‘ Gedurende de liturgie, door zijn heilige  kracht  , worden wij geprojekteerd naar het punt waar de eeuwigheid de tijd kruist, en op dat moment worden wij reële tijdgenoten  van de bijbelse gebeurtenissen.’. ‘ Alle Heilige Kerkelijke avondmalen zijn niets anders dan  één eeuwig en enige avondmaal, dat van Christus vanuit de hoge.Dezelfde goddelijke act, heeft op een bepaald moment van de geschiedenis plaatsgehad in de geschiedenis, en offert zich nog altijd in het sacrament’(18).

 

            Het wordt gegeven op een klein lepeltje dat een deel van het brood en wijn bevat. De gelovige ontvangt het rechtop. Voor de communie is een strikte vasten vereist : vanaf middernacht mag niets gegeten of gedronken worden (19). Algemeen gezien communiceren (vele) orthodoxen slechts vijf of zes-maal per jaar; niet uit lauwheid tegenover het sacrament, maar uit gewoonte. Recent zijn enkele parochies in Griekenland en in Rusland teruggekeerd tot de oorspronkelijke wekelijkse communie, en het lijkt erop dat dit dit ook frequenter is geworden in de landen van het (vroegere) oostblok. Men kan alleen hopen, dat dit gebruik zich verder zal ontwikkelen in de komende jaren.

 

            Na eindzegen van de liturgie, komen de gelovigen het kruis kussen, het kruis dat de priester hen geeft, en zij ontvangen een klein stukje brood, genaamd  antidoron’ : het is gezegend, maar niet geconsacreerd, alhoewel het genomen is uit hetzelfde brood dat gebruikt werd bij de consecratie. In de meeste orthodoxe parochies,  zijn ook de niet-orthodoxen uitgenodigd om dit antidoron te ontvangen, teken van broederlijkheid en christelijke liefde.

 

VERGEVING

 

            Een orthodox kind ontvangt de heilige communie heel vroeg. Wanneer hij groot genoeg is om goed en kwaad van mekaar te onderscheiden, en begrip heeft van wat zonde is ( dit rond de leeftijd van zes, zeven jaar), dan ontvangt het een nieuw sacrament : dat van de vergeving of de biecht ( in het grieks metanoia of exomologisis). Door dit sacrament worden de zonden, bedreven na de doop vergeven, en de zondaar hervindt hierdoor opnieuw de verzoening met de Kerk : daarom wordt dit ook genoemd een ‘tweede doop’.Het gaat daarbij ook om een een morele kuur voor de genezing van de ziel, want de priester geeft niet alleen  de absolutie, maar ook geestelijke leiding.

 

            Oorspronkelijk was de biecht publiek, daar de zonde niet alleen een misdrijf is tegenover God, maar ook tegenover de gemeenschap. Nochtans is de biecht sedert eeuwen, zowel in het Oosten als in het Westen, een persoonlijk onderhoud geworden tussen priester en 

(17)        Het offer van Christus bevat véél meer dan zijn dood alleen : dit is een heel belangrijk punt in de leer van de Kerkvaders en van de orthodoxie.

(18)        P.Evdokimov, L’orthodoxie,p.208 en p.241

(19)        ‘Zij die de Keizer uitnodigen, reinigen hun huis ; zo ook jij die God wil ontvangen in het huis van uw lichaam, en  voor de verlichting van uw leven moet dit lichaam eerst geheiligd worden door vasten’ (Gennade, Les cent Chapitres). In geval van ziekte of een dringende noodzaak, kan de biechtvader hiervan dispenseren.

 

 

gelovige. De priester is gehouden tot absolute geheimhouden van wat hem in de biecht is gezegd.

 

            Er is in de orthodoxe Kerk gaan ‘biechtstoel’ aanwezig zoals in de rooms-katholieke Kerken : biechteling en priester staan gewoonlijk voor de iconostase, dikwijls achter een scherm, of in een plaats daarvoor voorbehouden, terwijl  in het westende biechteling geknield zit. In de orthodoxe ker blijven biechteling en priester rechtopstaan ( alhoewel het ook zittend kan gebeuren). De biechteling staat voor een verhoogde standaard bedekt met een doek, vergelijkbaar met deze welke gebruikt wordt om de ikonen op te leggen en op dewelke zich een kruis en een ikoon van Christus bevindt, of een evangelieboek. De priester staat een weinig aan de zijde ervan, en deze houding duidt, duidelijker dan in het westen, aan dat het God is die oordeelt, en dat de priester slechts een getuige is. Dit wordt nog meer onderlijnd door wat de priester zegt voor het aanhoren van de belijdenis : ‘ Mijn kind, Christus is onzichtbaar aanwezig om uw belijdenis te ontvangen. Heb geen schaamte, vrees niet en verberg niets. Maar zegt alles zonder terughoudendheid wat gij misdaan hebt, om de vergeving van onze Heer Jezus Christus te ontvangen. Kijk naar Zijn ikoon voor u, ik ben slechts een getuige om getuigenis af te leggen voor Hem over alles wat je mij zult toevertrouwen. Indien je een of ander voor mij verbergt verdubbel je je zonden. Heb moed, Jij bent gekomen tot de geneesheer. Waak er u voor ongenezen terug te keren’ (20).

 

            Daarna ondervraagt de priester de penitent en geeft hem raad. De penitent knielt of buigt het hoofd waarop de priester zijn stola legt, en, het hand ondersteunend geeft hij de vergeving. De formules die hiervoor gebruikt worden zijn verschillend : in de griekse tekst, in de derde persoon ( God vergeeft U), in de slavische tekst in de eerste persoon (Ik vergeef U). Ziehier de griekse tekst :

 

            ‘Alles wat jij aan mijn nederige persoon hebt toevertrouwd, of alles  wat gij verzuimt hebt  te zeggen, door onwetendheid of vergetelheid, wat het ook is, dat God U vergeve in deze wereld en in de andere..Heb geen angst meer, ga in vrede’.

 

En de tekst van de slavische formule :

 

          &nbs
p;
‘Dat onze Heer en God, Jezus Christus, door de genade en de overvloed van Zijn liefde voor de mensen, U alle overtredingen moge vergeven, mijn kind. En ik, onwaardige priester, vergeef je, door de kracht die mij gegeven is door Hem, en onthef je van al uw zonden’

 

            Deze formule in de eerste persoon is onder latijnse invloed ingevoerd door Pierre de Moghila in  Oekraine, en door de russische Kerk aangenomen in de XVIIIe eeuw.

 

             De priester kan, als hij het nuttig vindt een penitentie opleggen (epitimia), maar dit  is niet essentieel voor het sacrament, en het is iets wat zelden voorkomt. Het is de gewoonte van de orthodoxen om  zich toe te vertrouwen aan een ‘geestelijke vader’, dit is niet noodzakelijk de priester van hun parochie (21). Wat betreft de frequentie van de biecht bestaan er ook geen regels, dit wordt overgelaten aan  de discretie van de geestelijke vader.

(20)  Een aansporing die men vindt in de slavische boeken, maar niet in de griekse.

(21)  De orthodoxe Kerk heeft ook leken als geestelijke leiders, zij kunnen de biecht aanhoren, raad geven, de penitent van Gods vergeving verzekeren, maar zij kunnen de sacramentele absolutie niet geven. Daarvoor zendt hij hem naar een priester.  

.In het geval van minder frequente communies, moet de gelovige biechten voor te communiceren, maar in het geval van frequente communies moet de gelovige niet telkens voor de communie biechten.

(wordt vervolgd) 

 

 






 



 

 Over de sacramenten

ORTHODOX RITUEEL       DE SACRAMENTEN

                                   

                             Uit het boek :  l’orthodoxie       Metropoliet Kallistois (Ware)

Vrij vertaald door Kris Biesbroeck

 

 

‘Hij die zichtbaar onze verlosser was, is nu tegenwoordig in de sacramenten’

 

Heilige Leo de Grote

 

 

DEEL 1

 

 

             De sacramenten bekleden een speciale p
laats in de christelijke eredienst. De Grieken noemen ze
mysteries : ‘Men noemt het mysterie’, schreef de Heilige Chrysostomos, ‘ omdat datgene wat wij geloven, niet datgene is wat wij zien, maar wij zien iets en geloven iets anders…Wanneer ik hoor spreken over het lichaam van Christus, dan begrijp ik dit in een bepaalde betekenis, en de ongelovige zal dit in een andere betekenis zien’(1). Deze dualiteit van wat zichtbaar en onzichtbaar is in elk sacrament is het karakteristieke  onderscheid . Het is juist  zoals de Kerk, zowel zichtbaar als onzichtbaar. Er is in elk sacrament een uiterlijk teken en een geestelijke genade.De christen is bij zijn  doopsel ondergedompeld in het water, dat hem heeft gereinigd, en hij is tegelijkertijd gezuiverd van zijn zonden. In de eucharistie ontvangt hij datgene wat uiterlijk brood en wijn lijkt, maar in werkelijkheid het lichaam van Christus is.

 

De Kerk neemt voor het merendeel van de sacramenten materiele elementen – water, wijn,olie – wat in feite voertuigen zijn van de Heilige Geest. En in deze zin is het zoals  de incarnatie, wanneer Christus het materiele vlees heeft aangenomen dat het voertuig van de Heilige Geest werd. In deze zin is het ook een anticipatie met de apocatastase, of de uiteindelijke verlossing van de materie op de laatste dag.

De orthodoxe Kerk telt 7 sacramenten. Fundamenteel zijn het dezelfde als in de rooms-katholieke Kerk.

I  . Doopsel

II   Mironzalving

III  Eucharistie.

IV  Berouw of biecht

V   Handoplegging ( bij wijdingen)

VI  Huwelijk

VII Ziekenzalving.

 

Deze lijst was pas bij het begin van de XVII, onder latijnse invloed, definitief. De orthodoxe auteurs van vroegere tijden, verschilden aanzienlijk wat hun aantal betrof : Johannes van Damascus noemt er twee, Denys de Areopagiet noemt er zes, Josaph, metropoliet van Efese (XVe eeuw ) noemt er tien ; sommige byzantijnse theologen zijn akkoord met het nummer zeven, maar niet altijd voor wat betreft de keuze van de sacramenten. Tot vandaag heeft het getal zeven geen absolute dogmatische betekenis in de orthodoxe theologie. Het wordt meestal gebruikt voor het gemak in het onderricht en de catechese. Zij die denken in termen van ‘zeven sacramenten’ moeten voorzichtig zijn  en misverstanden proberen te vermijden welke dit kan meebrengen :


(1)Homélies sur I Cor., VII,1 (P.G.,LX,55)

 


                                                            

 

Ten eerste, alhoewel alle sacramenten  echt zijn, toch hebben ze niet allemaal dezelfde orde van belangrijkheid,  er is een zekere hiërarchie tussen de sacramenten. De eucharistie, bijvoorbeeld, is het hart van de christelijke beleving, van een ander orde is de ziekenzalving. Onder de zeven sacramenten, heeft het doopsel en de eucharistie een bijzondere plaats, om een uitdrukking te gebruiken die aangenomen is door het Comitee van roemeense en anglikaanse theologen te Boekarest in 1935. Deze twee sacramenten  hebben ‘een voorrangspositie onder de goddelijke mysteries’.

 

Ten tweede, Wanneer men spreekt over de zeven sacramenten, dan mag men ze nooit scheiden van andere handelingen die ook een sacramenteel karakter hebben en die sacramentaliën worden genoemd, zoals bijvoorbeeld het ontvangen van het monastieke habijt, de zegening van het water op Epiphanie, de uitvaartliturgie, en de zalving van een monarch. In al deze handelingen is er steeds tegelijk een zichtbaar teken en een onzichtbare genade. De orthodoxe Kerk gebruikt ook een hele reeks geringere zegeningen, die ook van sacramentele aard zijn : zegening van het koren, wijn, olie, fruit, zegening van de velden en huizen, van verschillende objecten. Deze diensten hebben dikwijls een meer prozaisch en realistisch doel, want er zijn gebeden voor het zegenen van voertuigen en van treinen en zelfs  bvoor het uitroeien van ongedierte  (2). Er bestaat geen strenge limiet tussen de essentiële en minder essentiële  sacramenten : het christelijk leven moet in zijn geheel bekeken worden, als één groot mysterie of één groot sacrament waarvan de verschillende aspecten zich uitdrukken in een grote variëteit van vormen en wijzen, de ene één maal in gans het leven, een ander misschien dagelijks.

 

De sacramenten zijn persoonlijk : het is door hen dat Gods genade zich individueel openbaart aan elke christen; en om die reden noemt de orthodoxe Kerk bij de meeste sacramenten de gelovige bij zijn naam. Op het moment van de Heilige Communie zegt de priester :’ De dienaar Gods N.ontvangt het kostbare en heilige lichaam en bloed van God Pnze Heer.’ En bij de ziekenzalving : ‘ Heilige Vader….genees uw dienaar N. van de kwalen  die zijn ziel en lichaam overkomen’

 

DOOPSEL(3)

 

In de orthodoxe Kerk van vandaag, zijn  zoals in de Kerken van de eerste eeuwen, de drie Christelijke initiatiesacramenten , doopsel, vormsel (myronzalving), eerste communie, nauw met mekaar verbonden. Een orthodox, die lid wordt van Christus ontvangt tegelijk alle privileges.  De kinderen worden niet alleen op zeer jonge leeftijd gedoopt, maar eveneens gevormd en ontvangen ook de heilige communie. ‘Laat de kinderen geworden en verhindert ze niet tot Mij te komen, want voor zodanigen is het koninkrijk der hemelen’ (Matt.,XIX,14).

Er zijn twee essentiële elementen in de doop : de aanroeping van de Drieeenheid, en de drievoudige onderdompeling..


(2) ‘De oosterse volksreligie in Europa is liturgisch en ritueel, maar niet geheel losgemaakt van deze wereld.. Een religie die voortdoet met vervloekingen uit te spreken over rupsen of om dode ratten uit de bodem van een put te halen, kan bezwaarlijk voorwenden om zuiver mystiek te zijn’ (The Byzantine Patriarchate, 1e edit.,p198)

(3) In deze paragraaf, zoals ook in de volgende, zijn de sacramenten beschreven volgens de actuele byzantijnse ritus, maar we mogen  de andere vormen van westers orthodoxe riten niet vergeten. (Er bestaan in het westen  o.a. kerken , waar orthodoxen de mis opdragen volgens de westerse ritus – noot van de vertaler)

De priester zegt :’ De dienaar Gods N. is gedoopt in de naam van de Vader, Amen. De Zoon,Amen. En de Heilige Geest, Amen !’  En bij elke vermelding van één van deze namen van de heilige-Drieeenheid, dompelt de priester het lichaam van het kind  volledig onder het water, of ten minste, giet water over zijn lichaam. Indien het kind dat gedoopt moet worden té ziek is om een onderdompeling te ondergaan en het daardoor zelfs zijn leven riskeert, volstaat het om water over zijn voorhoofd uit te gieten ; maar anders is een onderdompeling een noodzaak.

 

De orthodoxie ziet met droefheid hoe het westers christendom afstand heeft genomen van deze primitieve rite van doop door onderdompeling.Ze stelt zich tevreden met een weinig water te gieten over het voorhoofd van de catechumeen. Voor de orthodoxie is de onderdompeling essentieel (uitgezonderd in kritieke omstandigheden), want, zonder onderdompeling is er geen verband tussen het uiterlijk teken en de innerlijke betekenis, en het symbolisch karakter van het sacrament verdwijnt. Het doopsel betekent een mystiek ‘begraven’ worden en een opstanding met Christus. (Rom.,VI,4-5 ; Kolossenzen, II,12) ; en het uiterlijk teken is de onderdompeling gevolgd door het opheffen uit het water van het doopsel. Wij ontvangen in het doopsel de vergeving van al onze zonden, oorspronkelijke en actuele ; ‘ wij bekleden ons met Christus’, wij worden leden van Zijn Lichaam, de Kerk. Als aandenken aan deze dag dragen de orthodoxen  een klein kruisje om de hals.

Het is over het algemeen een priester of een bisschop die doopt, maar het kan ook een diaken zijn, of in sommige gevallen zelfs een leek, maar hij moet christen zijn. De rooms katholieke Kerk staat ook een doopsel toe dat toegediend wordt door iemand die geen christen is. De orthodoxe Kerk erkend dat doopsel niet. De persoon die doopt moet zelf gedoopt zijn.

Metropoliet Kallistos (Ware): Zie, ik maak alles nieuw

 ZIE, IK MAAK ALLES NIEUW’

  –Metropoliet Kallistos (Ware)-

 

 

          Naar aanleiding van het XIIe orthhodox congres van West-Europa

          gehouden te Blankenberge, werd aan Bisschop Kallistos (Ware) gevraagd

          een uiteenzetting te geven over het thema van het congres ‘Zie,ik maak

          alles nieuw’(Apoc.21,5)

 

Bisschop Kallistos,71 jaar oud, is een gerenomeerd theoloog. Hij is hulp-

bisschop van het aartsdiocees van het oecumenisch patriarchaat in Engeland

 Hij  was monnik  in het klooster van de Heilige Johannes de Evangelist op Patmos (Griekenland), en lange tijd hoogleraar patristiek aan de universiteit van Oxford. Hij is de auteur van verschillende werken, waarvan onder andere:Orthodoxie,L’Eglise des sept Conciles (DDB,1968; 2e édition : Cerf / Le Sel de la Terre,2002), Le Royaume intérieur (Cerf / Le Sel de la terre,1993 ; 4e édition : 2004), Tout ce qui vit est saint (Cerf / Le sel de la terre,2003, Aproche de Dieu dans la voie orthodoxe (Cerf / Le Sel de la terre,2004)

 

          (…) Hoe hebben de eerste toehoorders van Christus gereageerd, toen ze Hem voor de eerste maal in het openbaar hoorden preken ? ‘Allen waren verbaasd’ zo staat er bij Marcus,  ‘en zij vroegen zich af : wat kan dat toch zijn ?

Een nieuwe leer met gezag ? (Mc.1,27). Op deze wijze reageerden de eerste toehoorders  van onze Heer. Zij waren getroffen door het ‘nieuwe’ van Zijn boodschap : ‘Wij hebben nooit zoiets gezien !’ (Mc,2,12). Jezus zelf verwees naar zijn lering, toen hij sprak over een ‘nieuwe wijn’ die moet gegoten worden in ‘nieuwe zakken’ (Mc.2,22). : ‘Een nieuw gebod geef ik u : Bemint elkander’

(Joh,13,34). En wanneer Hij de Eucharistie instelde, maakt Hij ons duidelijk wat dat nieuwe inhoudt : ‘Deze kelk is het nieuwe Verbond, in mijn bloed’ (1 Kor.11,25).

 

Zo is dit ‘nieuwe’ een bepalend element van de Blijde Boodschap dat Jezus Christus aan de mensheid heeft gegeven gedurende zijn aards leven. Vandaag de dag komt het Christendom bij ons over als iets waarmee we al te vertrouwd zijn. Velen hebben een nogal vijandige houding tegenover de Kerk aangenomen. Welnu, dit toont ons aan  hoezeer we verwijderd zijn geraakt van de Geest van de apostolische Kerk.

 

DE DOORBRAAK VAN DE KOMENDE TIJD IN DE HUIDIGE

 

 

Er zijn nochtans verschillende  wijzen van ‘nieuw zijn’. Door ‘nieuw’ kan men in eerste instantie een onverwacht iets,  iets aangrijpends of iets dat on -conventioneel is verstaan; het kan iets ziin wat wij voor de eerste maal horen of zien, of iets waaraan wij voorheen nog niet gedacht hadden. Maar in al  deze gevallen, is het ‘nieuwe’ niet noodzakelijk iets dat totaal verschillend is van datgene wat voorheen bestond : het kan eenvoudigweg een geevolueerd iets zijn, iets wat in het verlengde ligt van datgene wat wij reeds tevoren hebben gedaan of reeds wisten. ‘Het nieuwe’ waarover wij het hebben , betekent een radicale doorbraak . Een radicaal totstandkomen van een realiteit die totaal verschillend is met wat voorheen was, een revolutie, een totale breuk met het verleden.

 

Het is in deze tweede betekenis dat de prediking van Jezus en Zijn aardse leven ‘nieuw’ zijn..Het is juist  door de  menswording van de tweede persoon van de Heilige Drieeenheid   dat het ‘nieuwe’ onze verscheurde wereld is binnengetreden, en dit op een radicaal andere wijze dan het voorheen was.

Christus, de mensgeworden God , is diegene die  de ‘totaal Andere is, midden onder ons’, om een uitdrukking van Dietrich Bonhoeffer te gebruiken.

Christus’ aardse leven betekent de doorbraak van de komende wereld in de huidige; het is omdat ze eschatologisch is, dat zij ‘nieuw’ is, het is de onthulling van  het einde, de openbaring van de eeuwigheid in de schoot van  de tijd zelf,van het oneindige in de ruimte.zoals er een lange voorbereidingstijd is geweest voor de komst van Christus, zowel in het Oude Testament als in de Griekse filosofie, zo betekent de menswording zelf een totaal nieuw begin, een breuk in de continuïteit. Volgens een preek over Kerstmis, toegeschreven aan de Heilige Basilius, is de menswording van onze Heer ‘ de geboortedag van het menselijk geslacht’, en wij kunnen er aan toevoegen dat het de dag is van de geboorte van de wereld in haar geheel.

 

In dit perspectief, moeten we aandachtig de woorden van Christus in herinnering brengen, die het thema vormen  van dit congres ‘Zie, ik maak alle dingen nieuw’ (Apoc.21,5). Hij zegt niet : ‘ Ik maak totaal nieuwe dingen’ maar wel :’ Ik sta toe dat alle bestaande dingen op een ‘nieuwe’ manier zouden bestaan’. Het ‘nieuwe’ dat de geïncarneerde Heer ons brengt bestaat er niet in, dat er een totaal nieuwe orde van voorwerpen en personen in het bestaan worden geroepen. Neen, het ‘nieuwe’ bestaat erin dat de personen en de voorwerpen die reeds bestaan, tot een nieuw niveau van bestaan worden verheven, omgevormd (getransformeerd) en vervuld van de glorie van de komende tijd, die reeds aanwezig is. Het ‘nieuwe’ dat Christus heeft gebracht betekent geen totale breuk met alles wat voorheen bestond; het betekent veeleer dat alle dingen in Christus

in het licht van het laatste einde, veel helderder, doorschijnender zijn geworden.

 

EEN NIEUWE SCHEPPING, GETRANSFIGUREERD, VERGODDELIJKT.

 

Om dit te illustreren, kunnen we verwijzen naar de gedaanteverandering van Christus op de Berg Tabor. Het gaat hier zeker over een ‘nieuwe’ gebeurtenis, want het gaat hier over het binnentreden in de glorie van de Parousie, het goddelijk licht van de komende tijd, ‘t is te zeggen :  een verschillend niveau van realiteit. Maar de leerlingen werden niet opgenomen van de aarde om naar een andere wereld te worden gebracht. Zij bleven waar zij stonden, rond hen waren nog dezelfde rotsen, dezelfde planten; en Christus, alhoewel stralend van glorie, droeg nog altijd dezelfde kleren. Het mysterie van de Transfiguratie betekent niet dat al deze dingen zouden verdwijnen, maar dat ze omgevormd, getransformeerd zouden worden. Het menselijk lichaam van Christus heeft niet opgehouden tot dezelfde wereld te behoren waartoe het altijd heeft behoort, maar de schittering van de eeuwigheid straalde van zijn lichaam uit en het doorstraalde Hem. De rotsen en de planten blijven op de plaats waar ze altijd hebben gestaan, alhoewel ze door het ongeschapen licht, dat geen schemering kent werden verlicht . Niets is afgeschaft, weggenomen, maar alles is vergoddelijkt. Dus datgene wat zich heeft geopenbaard onder onze ogen bij de transfiguratie zijn geen ‘totaal nieuwe dingen’, maar juist ‘alle dingen nieuw gemaakt’.

 

Eenzelfde betekenis moet toegekend worden aan de uitdrukking van St.Paulus :

‘een nieuwe schepping’, ‘een nieuw schepsel’,’Als iemand in Christus is, is zij of hij een nieuwe schepping ; het oude is voorbij, zie, het nieuwe is daar’ (2 Kor.5,17 ; cf. Gal.6,15. (….)

 

‘EN ZIE, DOOR HET KRUIS IS DE VREUGDE IN DE WERELD GEKOMEN’

 

Eén van de karakteristieke kenmerken van dit radicale ‘nieuwe’ dat Christus ons brengt is het element ‘vreugde’. Vader Alexander Schmemann heeft op welsprekende wijze geschreven over het belang van de vreugde ; alhoewel hij het woord ‘nieuw’ niet gebruikt in het stukje dat ik ga citeren, toch heeft het er alles mee te maken. :’Vanaf het ontstaan is het Christendom de uitdrager van de vreugde geweest.(…)Indien dit niet zo is, dan is het christendoim onbegrijpelijk geworden, van zijn fundamentele opdracht afgedwaald.

Alleen als vreugde heeft het Christendom kunnen triomferen in de wereld, het heeft de wereld verloren als het de vreugde heeft verloren, wanneer het opgehouden heeft getuige te zijn(…).’Zie, ik verkondig u een grote vreugde’, zo begint het Evangelie ; en zie hoe het eindigt :’Zij aanbaden Hem, en keerden met grote blijdschap naar Jeruzalem terug’ (Luc.2,10 ; 24,52).

 

In herinnering brengend, alles  wat Vader Alexander Schmemann ons zegt over deze grote vreugde, moeten wij er toch nog dit aan toevoegen : Tot aan de tweede komst , gaat de vreugde die de mensgeworden Heer ons heeft gebracht gepaard met het dragen van het kruis. Het is niet zonder reden dat wij bij de doop een kruisje rond de hals hebben ontvangen, het is ook niet zonder reden dat gedurende een huwelijksviering  een kroon wordt geplaatst boven de hoofden van de echtelingen, het is niet alleen een teken van overwinning, maar ook van het martelaarschap. Zoals we het elke week zingen in de metten van de zondag :

‘Want zie, door het kruis is de vreugde in de wereld gekomen’. Door het kruis : er is geen andere weg.

 

DE VERRIJZENIS ALS NIEUW GEBEUREN

 

Door het feit, dat wij de term ‘nieuw’ verstaan in zijn diepere en wijdere betekenis, als de doorbraak van de komende eeuw in het heden, laat ons toe te zeggen ,dat de ‘nieuwe’ gebeurtenis bij uitstek, de gebeurtenis die boven alles en onvergelijkbaar nieuw is, de Verrijzenis van Christus is, ‘re-surgie’ uit het graf de derde dag. In de tijd had de  Verrijzenis plaats op de eerste dag van de week ; maar van zodra men het ging beschouwen vanuit een eschatologisch persectief, heeft men zich gerealiseerd dat zij plaatsvond op de achtste dag, de ‘nieuwe’ dag van de komende tijd, wanneer de tijd wordt getransfigureerd door de eeuwigheid.

 

Het ‘nieuwe’ van de Verrijzenis is eveneens sterk onderlijnd door Vader Dumitu Staniloaë, Roemeens theoloog en doctor in de theologie .(….) Volgens Vader Dumitru, is de verrijzenis van Christus absoluut nieuw, want zij betekent  een fundamentele verandering in de oriëntering van de tijd en de geschiedenis. De tijd, die zich richt naar de dood toe, is een tijd op-weg-naar het eeuwige leven toe, naar het Einde, Naar de toelomstige Tijd.En daar de verrijzenis de onthulling van het Eschaton inhoudt, kunnen wij zeggen dat de tijd en de geschiedenis, in plaats van een beweging te zijn van het verleden naar het heden, een beweging is geworden vanuit het toekomstige naar het heden : De geschiedenis komt tot ons vanuit de toekomst, vanuit de laatste dag, vanuit de uiteindelijke verrijzenis, waneer alle dingen nieuwgemaakt zullen zijn.(….)

 

OFFEREN WIJ HET UWE, GENOMEN UIT HET UWE

 

Hoe moeten wij nu binnentreden in dit ‘nieuwe’van de Verrijzenis en hoe kunnen wij het delen met anderen ? Wij kunnen een antwoord vinden, denk ik, in de woorden van de celebrant tijdens de goddelijke liturgie, juist voor de aanroeping van de H Geest over de goddelijke gaven : ‘Offeren wij het Uwe, genomen uit het uwe, namens allen en voor alles’.

 

 

Er zijn verschillende manieren om het menselijk dier te definiëren (…) Maar wij naderen zeker dichter tot de kern van de zaak indien wij de mens zouden bepalen als een eucharistisch dier, een dier wiens verheven opdracht erin bestaat te handelen als priester van de schepping en aan God de wereld als genadegave te offeren. Dit moet de eerste betekenis zijn van wat menselijk-zijn inhoudt : het is niet de ‘denkende’ mens, maar de ‘offerende’ mens, hij die offert. Het is door de offergave, door het dankgebed, door de doxologie, door aan God eer te bewijzen, dat wij onze werkelijke identiteit zullen vinden.

 

Dat is onze voornaamste taak als menselijke wezens, geschapen naar het beeld en de gelijkenis met God : De wereld omvormen in een ‘eucharistische offerande’. Ik ontleen deze laatste uitdrukking aan de Kerstboodschap van de Oecumenische Patriarch Dimitrios Ie, in 1989 : Wij moeten ons allen, binnen onze eigen situatie, persoonlijk verantwoordelijk  voelen voor de wereld die God ons in onze eigen handen heeft toevertrouwd,Niets van wat de Zoon van God op zich heeft genomen , en niets van wat hij met zijn eigen lichaam heeft gedaan mag verloren gaan, maar het moet een eucharistische offerande worden voor de Schepper, brood van leven, gedeeld met de anderen in rechtvaardigheid en liefde.Een lofzang voor alle schepselen van God.

 

‘ DE LIEFDE IS HET HART VAN DE MENS ALS MYSTERIE, GESCHAPEN NAAR HET BEELD VAN GOD EN ZIJN GELIJKENIS’

 

Nochtans, indien wij de wereld werkelijk willen veranderen in de eucharistische offerande, dan zijn er twe dingen noodzakelijk : het offer en de liefde. Vooreerst, er kan geen authentieke offerande zijn, zonder offer en zonder sterven aan zichzelf, zonder een kenotische geest en zonder ascese (hier moeten wij het asetisme in zijn ruimste betekenis zien). Zoals David, de koning van Israël  het zegt  :  ‘Ik wil aan mijn God geen offer opdragen, die mij niets kosten’ (2 Sam.24,24). (….)

 

Van de andere kant, en dit is wellicht nog het belangrijkste, er kan geen authentische offerande zijn zonder liefde. Zonder een werkelijke liefde voor God en voor de anderen, kunnen wij nooit de wereld omvormen tot een eucharistisch offer. Zoals Paul Evdokimov het heeft beschreven, de Philocalie

citerend :  het belangrijkste dat zich kan voordoen tussen God en de mens, en ook tussen een menselike persoon en een ander, is het feit te beminnen en bemind te worden.De liefde is in  het hart van het goddelijk mysterie van de Heilige Drieeenheid . Het is de liefde ook die in het hart is van het mysterie dat de mens is, geschapen naar het beeld en de gelijkenis met God.

 

Bij het begin van de moderne tijd nam René Descartes als uitgangspunt van zijn denken het Cogito ergo sum, ‘ Ik denk, dus ben ik’. Maar het feit van te kunnen denken, van argumenten te kunnen aanhalen en conclusies te kunnen trekken door gebruik te kunnen maken van ons verstand, van onze hersenen, is niet onze enige taak, zelf niet de belangrijkste voor ons als menselijke wezens. Hij zou beter gezegd hebben : Amo, ergo sum, ‘ik bemin, dus ben ik’, of hij kon het beter nog in de passieve zin uitdrukken : Amor, ergo sum, ‘Ik word bemind, dus ben ik’. Of zoals Vader Dumitru Staniloaë het heeft uitgedrukt : ‘In de mate dat ik niet bemind word door de anderen, blijf ik ook onverstaanbaar, onkenbaar voor mijzelf.

 

WIJ KUNNEN NIET REDDEN WAT WE NIET LIEFHEBBEN

 

In werkelijkheid is de liefde het enige ware antwoord op de hedendaagse ecologische crisis. Ik herinner mij, toen ik in de jaren 60 diaken was in het monasterie van de Heilige Johannes op Patmos, dat onze geronta, Vader Amphilochios, ons altijd zei : ‘ Weten jullie dat God ons een bijkomende gebod heeft gegeven dat wij niet in de Heilige Schrift terugvinden ? Het is het gebod om de bomen lief te hebben.’. Hij die de bomen niet liefheeft, geloofde hij, heeft Christus niet lief. ‘Wanneer jij een boom plant, zei hij ons, dan plant je hoop, dan plant je vrede, dan plant je liefde, en je zult de zegen van God ontvangen’ (….) Heeft hij hier geen gelijk als hij de noodzaak van de liefde beklemtoondt ?

Het is zeker de liefde, en zij alleen, die ons zal toelaten onze problemen op te lossen met betrekking tot onze leefwereld.. Wij kunnen niet redden wat we niet liefhebben.

 

Dit is dus de beste manier waarop we de grote vreugde kunnen beleven waarvan Vader Alexander Schmemann sprak ;  Het is de beste manier waarop we de ervaring van het ‘escatologische’ nieuwe  van de Verrijzenis van Christus kunnen beleven. ‘Offeren wij u het uwe, genomen uit het uwe, namens alles en voor alles’.Laten wij door onze vurige offergave en onze offerende liefde, de wereld, die Hij ons gegeven heeft, aan God aanbieden ; en dat wij met de wereld ook onszelf offeren. Dan pas zullen wij in staat zijn om te beamen wat de Redder wilde zeggen met deze woorden : ‘Zie, ik maak alle dingen nieuw’. Zo verstaan we ook het geheim van de ‘nieuwe hemel’ en de ‘nieuwe aarde’.

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

Uit ‘SOP’

 Ontwikkeling van de anaphora (euch.gebed) in de byzantijnse liturgie

ONTWIKKELING VAN DE ANAPHORA (EUCHARISTISCH GEBED)

  IN DE OOSTERSE LITURGIE    

 

 1. DE HANDELINGEN VAN JEZUS TIJDENS HET LAATSTE AVONDMAAL.

 
Voor het ontstaan van de liturgie moeten wij teruggaan naar het laatste avondmaal. We vinden de verhalen hierover bij de drie synoptische evangeliën en bij Paulus.Bij Johannes vinden we de instellingsverhalen niet. Als we deze vier verhalen (1.Kor.11,23-33 ; Mark.14,12-25 ; Matt.26,26-29 en Lc.22,15-20) met mekaar vergelijken, dan  valt ons op dat het verhaal bij Marcus en Mattheüs sterk op mekaar gelijken, evenals het verhaal van Paulus en Lucas, alhoewel Lucas zich duidelijk door Marcus heeft laten inspireren. Het verhaal van Paulus is het oudse (de brief zou geschreven zijn rond 55), maar hij verwijst naar een hem overgeleverde traditie die terug zou gaan op Jezus zelf : ‘Want zelf heb ik bij overlevering  van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb…(v23). Het is namelijk zo, dat door de praktijk van de eerste Christenen de gebeurtenissen van de instelling tot ons zijn gekomen. Samengevat komt het hier op neer :  Jezus heeft bij het begin brood in zijn handen genomen ,Hij heft het brood omhoog  , Hij heeft vervolgens een gebed van lofprijzing uitgesproken. . Dan heeft Hij het brood gebroken het aan zijn leerlingen gegeven,

Hij heeft van dat brood verklaard : Dit is mijn Lichaam (Paulus voegt hier nog aan toe :’ voor u, doet dit tot mijn gedachtenis‘, en Lucas : ‘dat voor u gegeven wordt’). Dan had de  eigenlijke maaltijd plaats.Pas op het einde van de maaltijd volgde  het eucharistisch handelen met de wijn gemengd met water.In de versie van Lucas luidt dit :’Evenzo, de beker, na de maaltijd, zeggende : deze beker is  het nieuwe verbond in mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt’ (Lc.v 30) Ook bij Paulus vinden wij deze toevoeging.. Bij  Mattheüs en Paulus vinden wij de constructie  enigszins anders : ‘”Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden’(Matt.28b-29a). Bij Paulus is het ongeveer dezelfde constructie., maar voegt eraan toe :’ doet dit, zo dikwijls gij die drinkt tot mijn gedachtenis’(1 Kor..11,26). Het verbond waarvan sprake verwijst naar het verbond dat God sloot met Mozes : ‘Zie, het bloed van het verbond dat de Here met u sluit, op grond van al deze woorden’ (Exodus, 24, 8). Een verwijzing  naar het nieuwe verbond vinden we  bij Jeremias : ‘Zie de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal..’(Jeremias, 31,31).

 

Uit bovenstaande kunnen we besluiten dat de instelling van de eucharistie plaatsvond tijdens een ‘maaltijd’. Vervolgens is hier reeds een eerste structuur merkbaar van een liturgie : brood nemen, dankgebed uitspreken, brood breken en uitdelen,   Hetzelfde met de beker. Ook inhoudelijk heeft jezus een belangrijk nieuw element aan toegevoegd : het brood en de wijn, worden tot lichaam en bloed van Hemzelf. Vervolgens de verwijzing naar het nieuwe verbond : het oude neemt hier een einde. Jezus sluit een nieuw verbond, dat reeds in het oude testament werd aangekondigd. Jezus is de vervulling van het oude verbond. En tenslotte : het is een gedachtenisviering , niet in de zin dat Zijn woorden louter symbolisch moeten worden opgevat, maar wel , dat telkens wanneer wij hetzelfde doen als Hij, Hijzelf zichzelf opnieuw tegenwoordig stelt.

 

2. DE JOODSE ACHTERGROND VAN DE EUCHARISTIE


Het ontstaan van de eucharistie  moet begrepen worden vanuit de praktijk van de Joodse religieuze maaltijden.. Jezus heeft de eucharistie ingesteld in het kader van het Joodse Paasmaal. In feite is het hier van minder belang, of dit was in het kader van een Paasmaal, dan wel gedurende een gewoon vriendenmaal ‘Het Joodse paasmaal is immers ritueel gezien een plechtiger vorm van een religieuze vriendenmaaltijd’ (A.Verheul : Grondstructuren van de eucharistie,Emmaüs, Brugge 1974).

.Om dergelijke maaltijden beter te begrijpen , moeten wij eerst iets zeggen over de ‘Beracha’ of zegenspreuken.

 
De ‘Beracha’ is de meest volmaakte gebedsvorm in de Joodse traditie. In de Beracha staat de Heer centraal. Hij wordt erkend in zijn liefdevol handelen. In de zegenspreuken wordt de Heer met name om drie dingen, die voor Hem het meest wezenlijk zijn geprezen.

In de eerste plaats wordt de Heer erkend als Schepper. Hij is de eigenaar, de koning en de schenker van alle dingen. Om al Zijn scheppingsgaven wordt Hij geloofd. Vervolgens wordt Hij geloofd, omdat Hij zich aan zijn volk geopenbaard heeft. Tenslotte wordt de Heer geprezen om Zijn belofte van de uiteindelijke Verlossing.

De ‘Beracha’ of zegenspreuk stelt de biddende gelovige in staat om ruimte te geven aan zijn gevoelens van verwondering en bewondering. Hij eert God om de wonderen die Hij verricht. Het handelen van de Heer boezemt de gelovige ontzag in. De aanspreekvorm in de ‘ Beracha’ is deels in de tweede persoon –‘Geprezen zijt Gij’ – deels in de derde persoon ‘(Hij) die ons ‘gesteld’ heeft…

 
Hoe verliep zo’n religeuze maaltijd ?

We baseren ons hiervoor op het boekje van A.Verheul, boven geciteerd.

 

Kort samengevat kunnen we zo’n maaltijd schematisch als volgt samenvatten :

Bij het begin van de maaltijd staat de voorzitter op ( men lag aan tafel) .

1.       Na een rituele handwassing drinkt iedereen uit de drinkbeker          Ieder spreekt voor zich een zegengebed uit (Beracha)

2.       Begin maaltijd :  De voorzitter staat op (men lag aan tafel.)          Hij spreekt een zegengebed tot Jahweh :’ Gezegend zijt Gij, heer onze God, koning van het heelal, die de aarde het brood doet voortbrengen ‘. Allen antwoorden : ‘Amen‘. Hij brak het brood en gaf ieder van de mede aanliggenden een stuk dat zij nuttigden.

3.       Eigenlijke maaltijd – naar einde toe opnieuw zegengebed –           tweede rituele handwassing

4.       Wijnbeker wordt aan de tafelvoorzitter gebracht, samen met  Water. Wijn wordt gemengd met water .

5.      Tafelvoorzitter vraagt toestemming aan mede-aanligge om Het zegengebed uit te spreken (Birkat-ha-zimmoen)  :          Bij drie gasten zei hij : ‘laat ons lofprijzen’          Bij vier :’ ‘zegent’          Bij tien en meer : ‘Laat ons de Heer onze God lofprijzen’           Bij honderd en meer : ‘Laat ons de Heer onze God lof-prijzen.

6.       Mede-aanzittenden geven hun toestemming met een lofspreuk :

7.       Opheffen van de drinkbeker en uitspreken van het grot
e 
 Zegengebed of Birkat-ha-mazon.

8.       Nadat hij het zegengebed had uitgesproken, liet hij ‘de beker der Zegeningen’ onder de medeaanliggenden rondgaan.

 
Staan we nog even stil bij de ritus met de beker (punt 7). De rite bestond hieruit, dat de tafelvoorzitter de beker een beetje hoog voor zich hield en na het gebed haar liet rondgaan en dat men daaruit dronk. Let er op, dat elke strofe eindigt met een korte zegenformule ‘Gezegend zijt gij Heer die…’ die het thema nog eens aangeeft. Er is dus sprake van een keten van Berachot (= meervoud van ‘Beracha’; ‘Beracha’ wordt in woordconstructies ‘birkat’.)Volgen we nu even de ritus van het grote zegengebed :

Inleidende dialoog : (V = Tafelvoorzitter ; A = antwoord van de mede-aanliggenden).

V : Laat ons de Heer, onze God lofprijzen. A.Gezegend zij de Naam van de Heer nu en altijd.

V. Met uw instemming zullen wij Hem zegenen, die ons in Zijn goederen heeft doen delen.

A.Gezegend zij Hij van Wiens gaven we hebben gegeten. Door zijn goedheid

Leven wij.

Dan volgt het uitspreken van de Birkat-ha-mazon ( bestaat uit drie afzonderlijke zegengebeden) :


Birkat-ha-zan
: Gezegend zijt Gij, Heer onze God, Koning van het heelal, die heel de wereld voedt met uw goedheid, uw mildheid en uw barmhartigheid. Gij geeft aan alle vlees zijn voedsel, want Gij voedt en houdt in leven iedereen. Al wat Gij, Heer, geschapen hebt geeft Gij te eten. Gezegend zijt Gij, Heer, die aan allen hun voedsel schenkt.

 
Birkat-ha-aretz : Wij zeggen U dank, Heer onze God, voor het goede en uitgestrekte begerenswaardige land, waarnaar uw liefde is uitgegaan en dat Gij aan onze vaderen als erfenis hebt geschonken. Wij zeggen U dank voor uw verbond dat Gij in ons vlees hebt bevestigd, voor de Wet, die Gij ons gegeven hebt, voor het leven, de mildheid, de genade en het voedsel dat Gij ons verschaft voortdurend en altijd. Voor al deze weldaden, Heer onze God, zeggen wij U dank en zegenen wij uw Naam. Moge uw Naam voortdurend door ons gezegend worden. Gezegend zijt Gij , Heer, voor het land en voor het voedsel.

 
Birkat-Yeroesjalayim : Heb medelijden, Heer onze God, met Israël, uw volk, Jeruzalem, uw stad, met Sion, het verblijf van uw heerlijkheid, met het koninklijk huis van David, uw gezalfde, het grote en heilig huis waarover Uw Naam is aangeroepen. God, onze Vader en onze koning, voed ons en houd ons in leven, verschaf ons spoedig hulp in onze tegenslagen. Laat ons niet afhankelijk zijn van de gaven der mensen want hun gaven zijn gering en hun beledigingen zonder maat. Moge uw heilige en vreeswekkende Naam voor ons een borg zijn. Dat Elia en ook de Messias, de zoon van David, nog komen tijdens ons leven. Moge het koninklijk huis van David, uw gezalfde, weer terugkomen en over ons heersen want Gij zijt de Enige, die ons redt ter wille van uw Naam. Doe ons weer opgaan naar Jeruzalem, geef ons weer de vreugde om haar, troost ons om Sion, uw stad. Gezegend zijt Gij , Heer, die Jeruzalem weer herbouwt.

 
De Birkat-ha-mazon, de Beracha bij uitstek bij de 3e bekerrite, is de kern, terwijl de brood-beracha aan belangrijkheid verliest.

Omwille van het grote belang van deze Joodse maaltijdriten, is het voor ons ook duidelijk waarom de eerste Christenen zo vaak verwijzen naar gemeenschaps-

maaltijden en dat daar vroeg of laat de idee ‘Maaltijd van de Heer’ werd  aan gekoppeld.In de evangelieën staan veel verhalen van Jezus die de maaltijd neemt met zondaars, tollenaars, farizeeërs, grote massa mensen. Het lijkt wel of de

evangelisten naar DE maaltijd toe werken. Met als hoogtepunt de maaltijd met de voetwassing (Joh.13). Philippus heeft het gezien : ‘Zalig hij die met u aanzit in het Koninkrijk’.

 
De tekst die Jezus zal gebruikt hebben is zeker deze van de Joods-zeligieuze maaltijd . De tekst spreekt voor zich en is in het licht van wat met Jezus aan de hand was ontzettend beladen. Hij voegde er immers aan toe ‘…want dit is mijn Bloed dat voor u wordt uitgegoten’ ter bekrachtiging van het nieuwe verbond. Jezus heeft er dus een andere , ‘nieuwe ‘ betekenis aan gegeven. Marcus en Mattheüs gebruiken voor de broodritus het woord ‘eulogein’ (zegenen) : ‘Gezegend zijt gij, Heer onze God, Koning van het heelal, die de aarde het brood doet voortbrengen’, Amen antwoordden allen. Jezus voegde aan die formule zijn woorden toe : ‘ Dit is mijn lichaam’’. Pas voor de uitgebreidere formule van de bekerrite gebruiken zij ‘eucharist
ein’ (danken). Lucas en paulus (1 Kor.11,23-26) gebruiken ‘eucharistein voor beide riten.  Dit is begrijpelijk : Lucas was geen Jood en Paulus schreef voor christenen uit de ‘heidenen’ voor wie dat onderscheid niet meer van belang was. Het ‘doet dit tot mijn gedachtenis’ staat alleen bij Lucas en Paulus, dus na ‘eucharistein’, dat kennelijk het begripswoord ‘EUCHARISTIE’ is geworden. ‘Eulogein’ komt in latere geschriften niet meer voor !.

 

 

3. VERDERE ONTWIKKELING IN DE VROEGE KERK

 

‘ En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk ; en telkens waren er die hun bezittingen en have verkochten, en ze uitdeelden aan allen die er behoefte aan hadden ; en voortdurend  waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst van het gehele volk. En de Heer voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden’. (Hand.2,44-47).

 

De praktijk van de maaltijden werden door de eerste christenen in ere gehouden

Er was op dit moment nog geen sprake  van een afzonderlijke  rite, los van een maaltijd..

De ons als oudste bewaarde tekst komt uit de ‘Didachè’, een ‘onderricht van de apostelen’. Dit gebed erin is nog een maaltijdgebed te noemen. Vermoedelijk te Antiochië ontstaan in ca 100 na X. De joodse drieledige beracha is herkenbaar :

‘ Inzake de eucharistie dankt als volgt :

 

eerst omtrent de beker :

 

1 ‘Onze Vader, wij danken U

voor de heilige wijnstok van David, Uw dienaar,

die ons door Uw dienaar Jezus hebt geopenbaard..

Aan u de eer in de eeuwen’

 

2.Vervolgens met betrekking tot het gebroken brood :

‘Onze Vader, wij danken U

voor het leven en voor het inzicht,

dat U ons door Jezus, Uw dienaar, hebt geopenbaard.

U zij lof in eeuwigheid !.

 

3.Zoals dit gebroken brood op de bergen verstrooid  was

En bijeengebracht  één  werd,

Laat zo uw Kerk van de uiteinden der aarde

In Uw Rijk bijeengebracht worden,

Want aan U is de heerlijkheid

en de macht door Jezus Christus in eeuwigheid

 

4.Niemand ete en drinken van uw eucharistie buiten diegenen die In de naam van de Heer gedoopt zijn. Want hierover heeft de Heer gezegd : ‘ Geeft het heilige niet aan de honden’ (Matt.7,6).

 

5. Nadat Gij u verzadigd hebt, dankt aldus :

Heilige Vader, wij danken U voor Uw heilige Naam

Waaraan U een woonplaats in onze harten hebt bereid,

En voor de kennis, het geloof en de onsterfelijkheid

Die U ons door Jezus, Uw dienaar, hebt geopenbaard.

U zij lof in eeuwigheid !

 

6.Gij, almachtige Heer, hebt alles geschapen

Omwille van Uw Naaam.

Voedsel en drank hebt U de mensen gegeven om te nuttigen,

Opdat zij U danken ;

Maar aan ons hebt U geestelijk voedsel en drank geschonken

En eeuwig leven door Uw dienaar.

Wij danken U voor alles, omdat U machtig zijt.

U zij lof in eeuwigheid.

 

7.Gedenk, Heer, Uw Kerk, haar te verlossen van alle kwaad

En haar in Uw liefde te voltooien,

En brengt haar, de geheiligde, van de vier windstreken

bijeen in Uw Rijk.

 

Dat Gij U Bereid hebt.

Want aan U is de macht en de heerlijkheid in eeuwigheid.

 

8.Dat de genade kome en de wereld verga.

Wie heilig is, kome  nabij ; wie het niet is, moet boete doen.

Heer, kom !

Amen.( genomen uit het boek : ‘De bijbel en het Christendom’ verschill.auteurs

4 delen. Deel 1 pp.64-65) De nummering van de bladz. is van mij.Strofe  1-4 vormt hst. 9/ strofe 5-8 vormt hst.10.

.

 

Commentaar :

 

Vers 1 : ‘eerst omtrent de beker’ : de tekst doelt op de eerste bekerritus. Zie: lc.22,17.

‘Dienaar’ : letterlijk ‘knecht’, kind, hulp, rechterhand

Aan U de eer in de eeuwen : de joodse zegenformule is een ‘eringsformule’(doxologie ) geworden.

 

Vers 2. : vervolgens met betrekking tot het gebroken brood : Verwijst naar de broodrite. Want aan U is de heerlijkheid …: weer een doxologie.

 

Vers 3 : op de bergen :  een mooi woord voor groene heuvels ? een associatie met de Berg van Jezus , van Mozes ?

Bijeengebracht worden : Eenheid was toen al een aandacht-vragend , want wezenlijk element

Door Jezus Christus in eeuwigheid : doxologie door ( en met en in) Hem.

 

Vers 4 : Niemend ete en drinke :  zie Paulus’aanwijzing in Kor.11,17vv : eerbiedig eten ; dit soort maaltijd is niet om je honger te stillen ; het gaat om iets heiligs.

 

Vers 5. : Nadat gij u verzadigd hebt : = na de maaltijd.Een goed moment om te danken. : Danken om Jezus Christus..Om dat dankzegg
en gaat het nu.

U zij lof…: doxologie.

 

Vers 6 : Danking om eten en drinken

Gij hebt alles geschapen : Joods (Gezegend zijt Gij, Heer onze God, koning van het heelal)

U zij lof.. : weer afsluiting met een doxa-woord.

 

Vers 7 : Smeking om de Kerk.

De vier windstreken …: ‘Uit het Oosten breng Ik uw kroost terug en uit het Westen verzamel Ik u. Tegen het Noorden zeg ik : Geef hier ! en tegen het Zuiden : Houd hen niet vast…’Jes.43,5vv.

Want aan U is de macht….. : slotdoxologie.

 

Vers 8. : Uitnodiging tot de communie

Heer kom (Maranatha) : de Heer komt (of : is gekomen).

 

Hier ontbreekt het instellingsverhaal. De apostelen deden wat de Heer deed en dat hebben zij doorgegeven aan hen die volgeling van Jezus wilden zijn. Het instellingsverhaal zal pas later komen, als legitimatie of inspiratie daartoe. Later, toen de maaltijd uitviel, en de eucharistie een aparte dienst ging vormen zijn de verzen 1-4 verdwenen. Maar het ter zake stellen van brood en wijn, evenals het naar voren brengen, aan het begin van de maaltijd is gebleven en heeft die plaats behouden, wat wij anaphora (offerande ), noemen.

 
Geleidelijk aan zal de maaltijd verdwijnen. Vinden wij hier een voorbeeld van in de ‘Traditio apostolica’ van Hippolytus (ca.250 te Rome) ? Hier verschijnen de instellingsverhalen wél.

We geven als voorbeeld de tekst van Hippolytus uit de ‘Traditio apostolica’ (uitg.ed Botte, Münster,1963). De vertaling is van Prof. H.Wegman (+) :

 
‘Wij danken U, God, door uw welbeminde Zoon Jezus Christus, die Gij op het einde der tijden als Redder naar ons hebt gezonden, als Verlosser en Boodschapper van uw wil. Hij is Uw Woord,

onafscheidelijk met U verbonden. Door Hem hebt Gij alles geschapen, in Hem uw welbehagen gesteld. Gij hebt Hem vanuit uw hemel gezonden in de schoot van een Maagd. In haar ontvangen is Hij mens geworden. Hij heeft zich geopenbaard als uw Zoon, geboren uit de Heilige Geest en uit de Maagd.

Hij heeft om Uw Wil te volbrengen en u een heilig volk te bereiden zijn handen uitgestrekt toen Hij leed : om door te lijden allen die in U vertrouwen van het lijden te verlossen.

Toen Hij zich vrijwillig overgaf de lijdensweg te gaan, om de dood te vernietigen, de hel met voeten te treden, de rechtvaardigen te verlichten, de geloofsregel te bevestigen en de opstanding te openbaren, nam Hij brood, sprak de dankzegging en zei : ‘Neemt en eet, dit is mijn lichaam, dat voor u zal worden gebroken’.

Zo ook de kelk en Hij sprak : ‘Dit is Mijn bloed dat voor u gegoten wordt. Als gij dit doet, doet het ter gedachtenis aan Mij’.

(Derhalve) Zijn dood en opstanding gedenkend bieden wij U aan het brood en de beker, terwijl wij U danken dat Gij ons waardig hebt gekeurd voor uw aangezicht te staan en U te dienen.

 
Wij vragen U Uw Heilige Geest te zenden over de gave van de heilige Kerk, in eenheid te verenigen al degenen, die deelnemen aan het heilige (mysterie). Vervul hen met de Heilige Geest ter bevestiging van het geloof en de waarheid, zodat wij U loven en verheerlijken door Uw Zoon Jezus Christus.

 
Door Hem mogen U worden gebracht glorie en eer, Vader, Zoon met de Heilige Geest, in de heilige Kerk, nu en in de eeuwen der eeuwen.

Amen’

 
Hier hebben we dus waarschiinlijk  reeds te maken met een eucharistieviering, die los staat van een maaltijd, met daarin – op het einde- een eerste aanzet van een epiclese.

Ik wil er tenslotte nog op wijzen, dat  Augustinus gewag maakt van zowel een eucharistie mét maaltijd als een eucharistie zonder maaltijd, en dit op witte donderdag:’ De  avonddienst  is toch voor de vasters  zo laat gezet ? Want nu is het overal verschillend, en dat hangt samen met dat al of niet eten en baden, en sommigen zeggen bovendien dat er tenminste één offer na de coena (=avondmaal) gecelebreerd moet worden omdat er geschreven staat  simili modo postquam coenatum est (= zo ook na de maaltijd).Wel, dit laatste argument is onzinnig. En wat de dubbele dienst betreft, ik houd het er voor dat de morgendienst er is voor de niet-vasters die een bad nemen (dus zonder maaltijd – noot van mijzelf), en de avonddienst voor de consequente vasters die wel geen bad nemen doch eerst laat hun coena gebruiken en dan ter kerke gaan. En wat dit laatste punt betreft, dat er bij ons hier dan des avonds en nog wel ontnuchterend wordt gecelebreerd en gecommuniceerd, dat gebeurt alleen op deze dag, en is een historische herinnering, aan het uur en de omstandigheden van het Laatste Avondmaal’Augustinus, uit de brieven aan Januarius.geciteerd in ‘Augustinus de zielzorger – F Van der Meer- deel II, p 22)

(nb.het baden stamt uit de tijd na 313, toen er elk jaar zeer veel dopelingen waren, die zich veertig dagen niet hadden gewast. Maar dan werd er niet gevast.Baden en vasten gingen niet samen.

Dat in de oudste teksten de instellingswoorden niet altijd voorkomen, wil daarom niet zeggen dat het niet gebeurde. Er zijn teksten bekend waarin deze wel vermeld worden :

Zoals bv. Bij Justinus (rond 165) in zijn ‘eerste apologie’ : we citeren : ‘ Na de voorlezing (van de apostelen of de profeten) houdt de voorganger een toespraak….Dan wordt brood, wijn en water gehaald, en de voorganger spreekt met krachtige stem de gebeden en dankzeggingen uit waarmee het volk instemt door met ‘Amen’ te antwoorden.Daarna wordt het geconsacreerde uitgedeeld waarvan iedereen zijn deel krijgt. (geciteerd in Bijbel en Christendom, verschillende auteurs, deel 1, p.62. ) In dezelfde apologie zegt hij nogmaals ongeveer hetzelfde, maar daar is wél sprake van het uidelen van de wijn :’Na de dankzegging….delen de diakens het brood, het water en de wijn uit aan alle aanwezigen en brengen de gave ook naar diegenen die afwezig zijn’( Bijbel en Christendom, op.cit.deel 1, p.67.)

De reden waarom de instellingsverhalen niet altijd voorkwamen is waarschijnlijk omdat het hier gaat om te  ‘doen wat de Heer deed’. Kennelijk was het gemeenschap zijn in Jezus Christus  voldoende basis voor de Eucharistie, zonder consecratiewaarden. De consecratie is anamnese, desnoods

het toppunt ervan, ‘ons’ brood hier en nu verbonden met ‘Zijn  Brood’ toen en

ginds

 
We vinden hier echter nog geen ‘Onze Vader’ :   ‘.Noch bij Justinus (rond 150), noch in de ‘Traditio apostolica’ van Hippolytus (rond 215) vinden we enige vermelding van het Onze Vader tijdens een eucharistieviering. De nuttiging sloot toen nog onmiddellijk bij het eucharistisch gebed aan . Zelfs wanneer wij in de eerste helft van de vierde eeuw, o.a. in de zgn Clementijnse liturgie en het euchologion van Serapion van Thmuïs de tendens gewaarworden om aan de communie enkele voorbereidende gebeden te laten voorafgaan, dan vinden wij daaronder nog  steeds niet het Onze Vader vermeld’ (A.Verheul, op.cit. p. 98-99)

Het is pas in de vierde eeuw dat zowel in Oost als West het  Onze Vader als voorbereidingsgebed op de communie verschijnt.  In het Oosten is er sprake van bij de schrijver van de mystagogische catechesen, bij Cyrillus van Jeruzalem (rond 385) of diens voorganger en in sommige homilieën van Johannes Chrysostomos., bij Gregorius van Nyssa en Faustus van Byzantium In het Westen zijn het vooral Ambrosius en Augustinus en Hiëronomus die er gewag van maken. (A.verheul : op.cit.p99)

 

4. VERDERE ONTWIKKELING VAN DE ANAPHORA IN DE    BYZANTIJNSE LITURGIE

 

 Waar tot nog toe de ontwikkeling voor Oost en West gelijklopend waren, gaan we ons nu vooral toespitsen op de ontwikkeling van de Byzantijnse liturgie.

Er zijn heel veel bronnen te vinden voor de liturgie in het Oosten, indirekte en direkte. We beperken ons tot de direkte bronnen :

Deze direkte bronnen hebben vooral betrekking op de liturgie van Jeruzalem, die van grote invloed is geweest. Jeruzalem en Palestina waren sinds Constantijn de pelgrimsoorden bij uitstek. Daar, in de grote kerken, gebouwd door de keizer en de keizerin, ontplooide zich een plaatselijke liturgie die een grote uitstraling heeft gekend. Een tweede belangrijk centrum was Antiochië.

We steunen ons voor dit onderzoek op het boek : ‘Geschiedenis van de christelijke eredienst in het Westen en in het Oosten, H.A.J Wegman, Gooi en sticht bv, Hilversum,1976.’

 

Direkte bronnen :

‘Itinerarium Aetheriae’
: rond 400- beschrijving van de eredienst te Jeruzalem – geen teksten

Het Armeens lectionarium : over de organisatie van de viering van het kerkelijk jaar – een leesrooster en de keuze van de kerkgebouwen voor de liturgie – alles te Jeruzalem.(420-450).

Het Georgisch lectionarium.

De catechesen van Cyrillus van Jeruzalem.

Constitutiones apostolicae : 5e eeuw – met betrekking tot de kerkorde in Antiochië. Boek VIII : gedetailleerde beschrijving van de Eucharistie.

Testamentum Domini nostri Jesu Christi : monophysitisch – gegevens ook over de eucharistie.

 

Belangrijk is, dat wij vooral uit deze bronnen veel kunnen leren over de christelijke initiatie : doopsel-zalving-eucharistie.

We hebben een zeer afgewogen voorbeeld van de ‘anaphora’ van Jeruzalem. We geven hiervan een poging tot reconstructie. (Wegman : p69 – franse tekst / vrije.vertaling is van mij) (we nemen alleen de tekst vanaf de instellingswoorden.:

1.Er is eerst een lofprijzing tot de Vader

2.dan volgt het Sanctus

3.vervolgens een Embolisme van het Sanctus

4.dan worden de wonderdaden van God in de geschiedenis aangegeven

5.De instellingswoorden :

‘Daar Hij zich ging onderwerpen aan de vrijwillige dood, Hij zonder zonden, voor ons zondaars, de nacht waarin Hij zou worden overgeleverd voor het leven en het heil van de wereld.

(De priester richt zich op, neemt het brood en zegent het met het teken van het kruis, en zegt : )

Het brood in zijn heilige en onbevlekte handen nemend en zonder zonden, en het aan U aanbiedend, God en Vader, dankte Hij U, sprak de zegen uit, Hij heiligde het,brak het en gaf het aan Zijn leerlingen  en apostelen zeggend :

Neemt, eet, dit is Mijn lichaam gebroken voor U en uitgedeeld tot vergeving der zonden.

(Het volk 🙂 Amen

(Vervolgens, na de kelk te hebben genomen, zegt hij met zachte stem, na het met het kruisteken te hebben gezegend )

Hetzelfde, nadat zij gegeten hadden, mengde hij de wijn en het water.Hij sprak de zegenbede uit,deelde het uit aan Zijn leerlingen en apostelen, zeggend:

(en het opheffend)

Drink allen hieruit, dit is mijn bloed, het bloed van het nieuwe Verbond, vergoten voor u en voor velen en uitgedeeld tot vergeving der zonden.

(Het volk : )Amen.

Vervolgens, zich oprichtend zegt hij met zachte stem )

Telkens Gij van dit brood eet en deze beker drinkt doe dit tot gedachtenis aan Mij.Verkondigend de dood des Heren totdat Hij wederkomt.

(En de aanwezige diakens antwoorden 🙂

Wij geloven en belijden.

(Het volk)

Wij verkondigen Uw dood, Heer, en wij belijden Uw Verrijzenis.

 

Anamnese (gedenken)

(Vervolgens maakt de priester het kruisteken en zich buigend zegt hij : )

Gedenken wij Zijn dood en verrijzenis uit de doden op de derde dag, van Zijn hemelvaart waar Hij zit aan Uw rechterhand, God en Vader, en van zijn tweede glorierijke wederkomst, wanneer Hij komt om levenden en doden te oordelen elk naar zijn werken ;  Wij offeren U dit heilig en onbloedig offer opdat wij niet naar onze fouten  en schulden zou
den beoordeeld worden, maar volgens uw barmhartigheid en menslievendheid. Delg de zonden uit van hen die tot U bidden.

(En Hij roept uit : )

Want Uw volk en Uw Kerk smeken U

 
(Het volk):

Heb medelijden met ons o Vader almachtig.

 

Epiclese

(En de priester terug rechtstaande zegt met zachte stem )

Heb medelijden met ons, o God, o Vader Almachtig, en zend over ons en over Uw gaven hier aanwezig, Uw Heilige Geest ;

(knielend zegt hij : )

De Heer en Levendmaker, die met U God en Vader en met uw Zoon troont, Hij die met U regeert, één in wezen en eeuwig met U. Hij die gesproken heeft door de Wet en de Profeten en in het Nieuwe Verbond, die gekomen is onder de gedaante van een duif over onze Heer Jezus Christus in de rivier de Jordaan, die is neergedaald over uw Heilige Apostelen onder de vorm van vurige tongen;

(en hij roept uit : )

Opdat Hij zou komen en hij van dit brood, het lichaam van Christus zou maken.

(Het volk : ) Amen

(De priester : ) en van deze beker het kostbaar bloed van Christus.

(Het volk : ) Amen

(De priester, zich oprichtend : ) Opdat zij het zouden worden voor allen die eraan deelnemen tot vergeving der zonden en voor het eeuwig leven voor de heiliging van zielen en lichamen, tot vruchbaarheid van onze goede werken, voor de bevestiging van Uw Heilige Kerk die Gij gebouwd hebt op de rots van het geloof, dat ze zou weerstaan aan de machten der hel, haar bevrijdend van elke ketterij en ergernissen die onrust brengen tot aan de voltooiing der tijden.

(En alleen de aanwezige geestelijken antwoorden : ) Amen

 

We hebben hier duidelijk te maken met een Antiochische anafora die als kenmerk heeft :

1.       Lofprijzing tot God, uitlopend op het driemaal heilig

2.       De gedachtenis van Gods heilshandelen (dankzegging – anamnese – met als centrum : het instellingsverhaal

3.       Jezus opdracht : doet dit tot mijn gedachtenis

4.        Epiclese.

 

(In de Alexandrijnse anafora is er ook een epiclese voor het instellingsverhaal)

 

De liturgie van Jeruzalem is model geweest voor de verdere ontwikkeling van de liturgie voor zowel het Oosten als het Westen.Alhoewel Jeruzalem reeds lang geen politiek centrum meer was, dat was eerst Antiochië en later Constantinopel), toch werd het door de Keizer een Kerkelijk centrum. Velen gingen er de heilige plaatsen bezoeken. Zo kwam ook  de rest van de Oosterse

 

Christenheid onder invloed van de liturgie van Jeruzalem.

 Het is ongeveer in dit tijdperk (300-600) dat de meeste ritussen vorm hebben

gekregen, zowel in Oost als in West. Meestal gecentreerd rond een bepaald centrum, een bepaalde lokale kerk. Vanuit een drang naar eenheid ontstond er een soort groepsvorming rond één centrale Kerk. Het gevolg hiervan was het ontstaan van verschillende ritussen (zowel in oost als in west).

 


5. DE VOORNAAMSTE RITUSSEN WELKE IN DEZE PERIODE ONTSTONDEN :

 

Alexandrië :

 

De metropool van Egypte – kerkelijk centrum

Door het monophysitisme (451) is de Kerk van Egypte verdeeld in :

 

          Orthodoxen : die hun eigenheid opgaven en zich met Constantinopel conformeerden

          De Kopten (monophysitisch)

De oude Alexandrijnse traditie moet men bij de Kopten zoeken (en Ethiopië)

 

Antiochië :

 

De Griekse stad in Syrië was lange tijd het politiek centrum, en daarom ook kerkelijk van grote betekenis.Daar ontwikkelde zich een eigen ritus die een grote uitstraling heeft gekend en met name Constantinopel heeft beinvloed.

In 451 werd de Kerk van Antiochië verdeeld in :

     

          Orthodoxen : (melkieten, volgelingen van de Keizer) die verbonden blijven met Constantinopel en de eredienst ervan overnamen( die zelf in oorsprong  Antiocheens is)

          De monofphisitische ritus van de Jacobieten, : hierin leeft vooral de Antiocheense traditie voort.Christenen van India (Malabar) hebben in de 17e eeuw deze traditie overgenomen Ook bij de Kopten was de invloed ervan groot.

          De Maronieten : Ontstaan in 681 (monotheletisme ) Zij hebben  de Syrische traditie bewaard, maar zijn sterk gelatisiseerd toen ze zich met Rome unieerden.

 

 

 Perzië :

 

Kwam met het Christendom in aanraking via Antiochië en vooral Edessa . Het Christendom is Syrisch, de Oost Syrische traditie  genoemd, met eigen acce,nten en gebruiken, die te maken hebben met hun geïsoleerd bestaan, die leefden buiten het Romeinse imperium. Deze Kerk is Nestoriaans geworden en heeft zich bijna geheel van de andere Kerken afgesloten (einde 5e eeuw). Hier zijn de oudste lagen van de eredienst goed bewaard gebleven en de gedachteniswereld van de joods-christelijke gemeenten is er nog in voelbaar .

 

Constantinopel :

 

Ondervond invloed van Antiochië en is theologisch bepaald door Capadocië (Gregorius van Nazianze was aartsbisschop van Constantinopel.). Constantinopel werd steeds machtiger, ook Kerkelijk, door de groeiende invloed van de Keizer, het overweldigde Antiochië en Jeruzalem.

De Byzantijnse ritus is een merkwaardige synthese van verschillende tradities. Er is een merkwaardige inbreng merkbaar van gans het oosters christendom.Het oosten heeft ook steeds over alle dwalingen gezegevierd, en er telkens rijker uit voortgekomen..Wat wij tegenwoordig de oosterse liturgie noemen is de Byzantijnse liturgie. In Alexandrië, in Oost-Europa, zelfs in Syrië, de koptische en Armeense traditie is de Byzantijnse invloed merkbaar.’ Door de opname van vele tradities en verwerking daarvan is de Byzantijnse traditie de uitdrukking van het Oosters christendom’ ‘The Byzantine synthese’(Schmemann)

(Bron : Geschiedenis van de Christelijke eredienst in het westen en het oosten, op.cit. pp.75-76)

 

6. DE ANAPHORA, INGEDEELD VOLGENS DE RITEN OF FAMILIES

 

De oosterse anaphora stemmen hierin overeen, dat zij als compositie geen veranderlijke gedeelten kennen.

 

De Oost-Syrische anaphora : een keuze :

 

1.       De anaphora van de Apostelen Addaï en Mari :

Het zijn de oudst bekende teksten (3e eeuw ?).Er is geen instellingsverhaal .Bovendien zijn er latere toevoegingen : sanctus en misschien de epiclese.Het is een gebed, semietisch van kleur : verheerlijking van de Naam Gods, vermelding van de zondigheid en begenadiging van de mens als heilseconomie van God. Het lijkt nog op een tafelgebed.: de verkondiging van Gods grote daden in Jezus tot op vandaag.

           

                                               

 2.       De anaphora van de apostel Petrus (maronietisch)

     Staat in verband met het vorige, maar door toevoegingen ontwikkeld.

 

3.      De anaphora van  Theodorus van Mopsueste

 

4.       De anaphora van Nestorius : Beïnvloedt door de west Syrische (Jeruzalemse ) traditie(zo ook die van Theodorus van Mopsueste)

De West-syrische anaphora :

 

1.        De anaphora van de 12 apostelen

 

2.         De anaphora van de H.Chrysostomos

          De teksten schijnen terug te gaan op een gemeenschappelijk ouder

          origineel uit het begin van de 4e eeuw (Antiochië).Kan overeenkomt

          hebben vertoond met die van Addai en  Mari en had waarschijnlijk geen

          sanctus met inleiding. Het auteurschap van Chrysostomos is omstreden.

          Het oude origineel heeft in de loop der tijden theologische toevoegingen

          gekregen.

Structuur :

a.in het eerste deel en de dankzeggen werden vermengd

b.Sanctus  met inleiding lijkt inderdaad een latere toevoeging. Er is een duidelijke onderbreking van de compositie.

c.Na het sanctus is er geen duidelijke anamnese (gedenken)van de

heilsdaden van God : één zin vormt de overgang naar het instellingsverhaal.

d. Anamnese

e. Epiclese

f. De smeekbeden

g. De doxologie.

De opbouw is eenvoudig, typisch Antiocheens.

. 

3.    De anaphora van Basilius.

          Er is een Byzantijnse lange versie en een Alexandrijnse korte versie.  Het

          is een typisch Griekse anaphora, die elke semitische trek heeft verloren

          en     waarin harmonie en theologische reflexie voorop staan.

     De opbouw is Antiocheens :

      a.Lofprijzing : waartoe de mens alleen in staat is door de Zoon en in de  

          Geest(Triniteitshymne)

      b.uitlopend in het Sanctus

.     c.Anamnese van Gods heilsdaden in de schepping en de herschepping,

         dat het werk is van de Zoon

      d. Het instelingsverhaal

      e.anamnese (offer-gedachtenis)

      f.De intercessiones

      g.De slotdoxologie

 

Vermelden wij ten slotte ook nog kort de Alexandrijnse anaphora.Deze verschillen van de Antiocheense door de opbouw van de anaphora. Meest opvallend is dat er ook een epiclese is voor de instellingsverhalen.

 

1.       De anaphora van Marcus : Grieks geschreven, de koptische vertaling is bekend.

Structuur :

a.Lofprijzing en dank tot God, die de mens geschapen heeft.

b.Het offer ( dankzeggend offeren wij een geestelijke en smetteloze cultus)

c.De smeekbeden voor de Kerk en de volkeren en allen die in nood verkeren.

d.Sanctus, met inleiding.

e.Eerste Epiclese, in aansluiting op ‘Vol zijn hemel en aarde van uw glorie’ –‘maak ook deze gaven vol van uw zegen door de Heilige Geest.

f.instellingsverhaal met anamnese

g. Epiclese

h. Doxologie.

  

2.       De anaphora van de papyrus Dêr-Balyzeh.

3.        De anaphora van Serapion : opvallende tekst waarin de Didachè wordt geciteerd en het instellingsverhaal wordt uitgelegd. De epiclese is een ‘logos’epiclese  

.(Bron : Geschiedenis van de eredienst in het Westen en het Oosten, op.cit.pp.101-103)

 

Voor ons is de anaphora van de H.C
hrisostomus van belang. De andere anaphora zijn eveneens van belang in die mate dat ze de anaphora van Chrisostomus hebben beïnvloed, maar ook omwille van hun eigen inbreng .Toch vinden we in alle anaphora ongeveer vergelijkbare elementen terug , zij het soms op een andere wijze en structuur.

In de verdere ontwikkeling zien we een grote Byzantijnse synthese naar voor komen.De Byzantijnse liturgie is vooral beïnvloed door de Antiochische ritus, maar anderzijns hebben de andere ritussen grote invloed ondergaan van de

Byzantijnse.

Ter afsluituing geef ik hier nog de structuur van de huidige anaphora binnen de Liturgie van de H.Chrisostomus , aan ons om de teksten met mekaar te vergelijken :

 

            DE EUCHARISTISCHE CANON :

 

a.      oproep om aandacht : Laat ons in vreze staan

b.      HET EUCHARISTISCH GEBED

          Het is recht en waardig….

          Heilig …(driemaal heilig)

          Herdenken van het Avondmaal

                C. CONSECRATIE

          De  instellingswoorden

          Offer van het lichaam en bloed met lied : ‘Wij prijzen U’

          Epiclese of aanroeping van de Heilige Geest

           D. GROOT GEBED

          Gedachtenis aan de heiligen, de overledenen en levenden

          Lofzang voor de moeder Gods

          Samenvattende litanie + stil gebed van de priester

          Onze Vader

           E  OPHEFFING, BROODBREKING en COMMUNIE

          Zegening, gebed

          Het heilige voor de Heiligen

          Broodbreking en gedachtenis

          Communiegebed

           F  COMMUNIE VAN PRIESTER EN DIAKEN

 &nbs
p;        
G  ZEGENING VAN VOLK MET DE KELK

           H  COMMUNIE VAN DE GELOVIGEN

    I   OVERBRENGING VAN DE GAVEN NAAR DE      PROTHESIS

          J   WEGZENDING VAN DE GELOVIGEN – KUSSEN VAN HET  

                      KRUIS EN UITDELEN VAN HET ANTIDORON.

 

 

BESLUIT

 

Deze uiteenzetting is verre van volledig , er is té weinig nog ingegaan op het tekstmateriaal.Té weinig is ook de geschiedenis van het ontstaan van de anaphora beschreven, omdat hiervoor dikwijls de nodige gegevens ontbreken. Toch is misschien iets naar voor gekomen van de rijkdom van de Byzantijnse synthese, welke wij in onze Kerk nu kennen, en dat het oosters Christendom zo heeft gekenmerkt. Het was mijn bedoeling ,kort maar toch verhelderend, een stukje geschiedenis van de anaphora naar voor te brengen. Het moge ons helpen tot een beter begrijpen van de orthodoxe liturgie in zijn geheel.

 

Kris Biesbroeck