Waarom de goddelijke liturgie ?

WAAROM DE GODDELIJKE LITURGIE ?

 

1.GEHOORDE OPWERPINGEN. 

Te dikwijls is men geneigd om de Goddelijke Liturgie of Eucharistische Celebratie te beschouwen als een “plechtigheid” of een “viering”, waarop wij moeten aanwezig zijn, die wij moeten bijwonen, die een deel van onze zondag in beslag neemt, die ons belet van een volledige vrije dag te hebben, die ons belet van vele andere plannen uit te voeren, die ons belet van gedurende die tijd te werken, te studeren of op bezoek te gaan of misschien anderen te ontvangen.

 Is de Goddelijke Liturgie dan de “spelbreker” van onze zondag?

Daarbij – zo hoorde ik soms opwerpen – om naar God toe te gaan is er toch geen “Liturgie” nodig ! “Ik voel me echt «gelovige» ook zonder Goddelijke Liturgie. Ik heb er echt geen behoefte aan. Ik kan thuis ook bidden. Daarom ben ik toch geen slechte christen omdat ik niet naar de Liturgie kom !”

 2. CHRISTEN ZIJN IS NIET ALLEEN CHRISTUS’ LEER VOLGEN.

Het is echt nodig ons over dit alles even te bezinnen. Inderdaad (orthodox) christen zijn is niet alleen Christus’ leer, ons gebracht door Zijn Heilige Evangeliën, willen volgen. Dan zou onze godsdienstige beleving gewoon de uitbouw betekenen

van een levensregel, die we weliswaar aankleven, doch die “paralel” zou kunnen geplaatst worden naast vele andere

overtuigingen die aan het menselijk gedrag richting kunnen geven.

Orthodox christen zijn is heel iets anders : het is Christus ontmoeten, Christus in ons leven plaatsen, leven in Christus.

Dit kan slechts door het voortdurend persoonlijk gebed (dat ons tot deïficatie brengt) en door de Goddelijke Mysteriën (of Sacramenten) en dan vooral in en door de Eucharistie, het communautair gebed, tijdens hetwelk wij ons axeren op het groot Godmenselijk heilsgebeuren.

3. ONZE ROEPING TOT DEÏFICATIE.

Ons persoonlijk gebed brengt ons tot “deïficatie”, d.w.z. tot deelachtig­heid aan de goddelijke genade. God dringt dit niet op. God nodigt ons hiertoe uit. En die uitnodiging is voortdurend tot ieder van ons gericht. God strekt als het ware voortdurend Zijn hand naar ons uit. Ieder van ons kan dit vrijelijk beantwoorden. Niemand wordt ertoe gedwongen. Of wij zouden het ook nog op een andere wijze kunnen duidelijk stellen : de Heilige Geest straalt voortdurend Zijn goddelijk Licht naar ons uit en ieder van ons is geroepen om zich open te stellen om dit Licht te ontvangen. Pas dàn zal het ons “doordringen”, “transfigureren”, “deïfieren”, “vergoddelijken”. Of nog duidelijker gezegd : pas dàn zal het ons deelachtig maken aan de goddelijke natuur.

De mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Het beeld bezitten wij door de Schepping. De gelijkenis kunnen wij verwerven door onze samenwerkende vrije wil. Wij bezitten ze “in vermogen”. Het leven van de christen zal er een zijn van

opgang tot verwerving van de “gelijkenis aan God”. Van de “voltooiing van het goddelijk beeld in hem”. Door de samenbundelende krachten van God en de mens zelf (we noemen dit “synergie”) kan hij tot “vergoddelijking” komen.

Immers : zoals Christus-God onze menselijke natuur heeft aangenomen kunnen ook wij deelachtig worden aan Zijn goddelijke natuur.

Christen zijn is dus geen leer volgen met geboden en verboden. De christen is geroepen om, in alle vrijheid, door het voortdurend persoonlijk gebed (vooral door het Jezusgebed : “Heer, Jezus Christus, Zoon van God, heb medelijden met mij.”) de Heilige Geest in zich te laten doordringen, en derhalve als Ikoon van God medewerker te worden aan Zijn “voortdurende” Schepping, dààr waar Hij ons zal weten te plaatsen.

In deze context spreekt men niet van een “moraal”, die ons moet leiden of die wij moeten volgen, zelfs niet van een christelijke moraal. De enige realiteit van ons bestaan als christen, de enige echt-menselijke natuur is er één van vereniging met God. Geenszins een onderwerping aan een wet, die ons het leven zuur maakt, wel een getrouwheid aan het beeld van God.

4. ONZE PERSOONLIJKE ONTMOETING EN    MYSTERIE­VOLLE VERENIGING MET CHRISTUS.

Er is echter veel meer : Christus-God is niet alleen Diegene, die wij gewoonlijk in ons tijdsgebeuren weten te situeren, wiens Menswording omzeggens 2.000 jaren geleden heeft plaatsgehad.

In de dimensie van de eeuwigheid, die realiteit die buiten elke tijd staat, brengt dezelfde Christus-God zijn goddelijke aanwezigheid in ons midden. In de dimensie van de eeuwigheid actualiseert zich de getuigenis van Jezus’ Leven, Dood en Verrijzenis ook voor ons. Deze getuigenis, dit gebeuren dringt echter slechts tot ons door IN de kerk, DOOR de HEILIGE GEEST.

En het is de Goddelijke Liturgie die ons de “dimensie van het Rijk Gods”, de “dimensie van de eeuwigheid” opent.

In en door de Goddelijke Liturgie worden wij aan het “tijdsgebondene” van deze wereld (met zijn zorgen en lasten) onttrokken om deelachtig te worden aan het Goddelijk gebeuren. Naast het persoonlijk spiritueel leven (persoonlijk gebed of gebed-ademhaling zouden wij kunnen zeggen) vinden wij in de Goddelijke Liturgie, dit mysterievol Eucharistisch gebeuren, het gebed-voedsel, waar het gebed voedsel wordt en het voedsel gebed.

Slechts in de Kerk, in en door de Eucharistie, kan de mens “deelnemen” aan Christus, wiens aanwezigheid de Heilige Geest ons brengt in de “Mysteriën”. Als wij tot Hem willen naderen, komen wij in de Kerk tot een persoonlijke ontmoeting van personen, tot de intieme vereniging met de Levende Christus, dank zij de Heilige Geest. Christus treedt langs de Kerk tot het intiemste van ons bestaan.

Zo is de Eucharistie de uitdrukking en de beleving van de ganse Kerk. In de Eucharistie ontmoet ieder van ons Christus, en rond en door dezelfde Eucharistie zijn wij veren
igd in hetzelfde geloof en in dezelfde liefde. De Heilige Geest, die niet

ophoudt neer te dalen over het “Lichaam van Christus” maakt van de Kerk (dit is het geheel der christenen, die persoonlijk door de Eucharistie verenigd zijn) de bewaarster van de Waarheid. De Eucharistie is derhalve het beeld van de “eenheid” bij uitstek.

De sacramentele handeling van de priester bestaat erin de komst van de Heilige Geest af te smeken over de gemeenschap

en van te attesteren (te getuigen) van het verhoren hiervan. De leken-gelovigen zijn dank zij de Epiklesis mede-liturgen in een samen handelen met de apostolische getuigenis van het priesterschap.

5. DE GODDELIJKE LITURGIE “OMVORMT” ONS LEVEN.

Bij het overwegen van al het voorgaande is het duidelijk dat alwie nalaat van regelmatig te participeren aan de Goddelijke Liturgie, meteen ook de mysterievolle vereniging van God zelf met zijn persoon uitsluit.

Onze regelmatige participatie aan de Goddelijke Liturgie “omvormt” ons leven van mogelijke eenzaamheid, zwakheid, tegenslag en ontmoediging in een leven van “Goddelijke Aanwezigheid”, van sterkte en vreugde. Ons “tijdelijk aards leven” wordt voortdurend opnieuw geënt, geaxeerd op de “eeuwige Goddelijke dimensie”, waar alles zonder einde is.

Door de Goddelijke Liturgie wordt ons christenzijn niet langer meer een “religieuze situering” of een “godsdienstige opvatting”. Het wordt de intiemste vereniging van ons bestaan met God zelf, dank zij de kracht van de Heilige Geest. Als

getransfigureerde wezens putten wij in de Goddelijke Liturgie de kracht om onze zending in de wereld te vervullen, om “Gods Licht te weerkaatsen”, om Zijn Boodschap uit te dragen bij allen, die Hij op onze weg zal weten te plaatsen.

Zonder de Goddelijke Liturgie is tenslotte ook de christelijke Communauteit een dode letter. Want Christus alleen, dank zij dezelfde kracht van de Heilige Geest, brengt ons in de Eucharistie tot éénheid, tot gemeenschap, tot Kerk.

6. CONCLUSIE.

De vraag “moet een orthodox christen iedere zondag aan de Goddelijke Liturgie deelnemen” is zinloos.

Inderdaad: ons christenzijn definieert zich niet met een reeks geboden of verboden. Ons christenzijn realiseert zich slechts door de vrije beantwoording van onze roeping tot “deïficatie” en door onze aanvaarding tot voortdurende intieme vereniging met Christus. De Goddelijke Liturgie – en zij alleen – biedt ons die mogelijkheid in de Goddelijke Mysteriën.

Het is derhalve duidelijk dat iemand, die zich aan de Goddelijke Liturgie onttrekt, die niet regelmatig participeert,

zichzelf ook buiten die “Goddelijke vereniging” plaatst, het Voedsel zal missen dat onontbeerlijk is voor zijn spiritueel leven.

Wie niet eet en drinkt, sterft. Wie spiritueel niet eet en drinkt, “sterft” ook. En dit reikt veel verder dan de vraag naar “moeten” of “niet moeten” ! Het gaat om ons “leven in Christus”, om ons christenzijn !

 Vader Ignace Peckstadt

 

alle teksten van de CD : ‘Mijn ziel love de Heer’

 

 “Mijn ziel love de Heer”

Nederlandstalige orthodoxe gezangen

Koor van de Orthodoxe parochie

Heilige Apostel Andereas. Gent.

 

VESPERS

 

1   Psalm 103 (104)

Zegen de Heer mijn ziel,

Heer mijn God, Gij zijt onnoemelijk groot

Gij hebt U zelf met licht omgord als met een kleed.

Heer, mijn God, Gij doet bronnen ontspringen

in de dalen stromen wateren.

Hooggeprezen zijt Gij,

o Heer, mijn God, geprezen zij Gij.

Ja, hoe groot zijn uw werken o Heer;

Gij hebt alles met wijsheid gemaakt.

Ere zij U, o mijn God, ere zij U.

Gij hebt alles met wijsheid gemaakt.

Eer aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest

nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Alleluia, alleluia, alleluia, ere zij U, o God,

Alleluia, alleluia, alleluia, ere zij U, o God,

Alleluia, alleluia, alleluia, ere zij U, o God,

 

2   Kathisma  (Vespers Zaterdagavond)

Gelukkig de man die niet gegaan is naar de raad der goddelozen.

Alleluia, alleluia, alleluia.

Want de Heer kent de weg der gerechten, maar de weg der goddelozen voert ten verderve

Alleluia, alleluia, alleluia.

Dient de Heer in vreze en verheugt u in Hem met beving

Alleluia, alleluia, alleluia,.

Zalig zijn allen die op Hem vertrouwen

Alleluia, alleluia, alleluia.

Sta op.o Heer red mij o mijn God

Alleluia, alleluia, alleluia.

Bij de Heer.is redding, en over uw volk is uw zegen

Alleluia, alleluia, alleluia.

Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest

Alleluia, alleluia, alleluia.

nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Alleluia, alleluia, alleluia.

Alleluia, alleluia, alleluia. Ere zij U o God.

Alleluia, alleluia, alleluia. Ere zij U o God.

Alleluia, alleluia, alleluia. Ere zij U o God.

Ere zij U o God.

3   Lichtpsalm “Heer ik roep tot U” toon 5

Heer ik roep tot U, verhoor mij toch (Toon 1)

verhoor mij toch o Heer.

Verhoor de stem van mijn smeking wanneer ik tot U roep.

Verhoor mij toch, o Heer.

Laat mijn gebed nu opgaan

als wierook voor uw aangezicht

en de opheffing van mijn handen

zoals het avondoffer

Heer, verhoor mij toch.

 

4   1e en 2e Stichiren van de Verrijzenis, toon 1

Neem aan onze avondgebeden, o Heilige Heer

en schenk ons de vergeving van de zonden.

Immers Gij alleen..

Toont aan de wereld de opstanding

 

Komt alle volkeren rondom Sion

En geef eer aan Hem

Die uit de doden is opgestaan

want Hij is onze God

die ons bevrijdt heeft van onze misdaden

 

5   1e Stichier van de Verrijzenis, toon 2

Nadat Gij gekruisigd begraven werd,

verkondigde Engel U als de Meester

en sprak tot de vrouwen:

komt en ziet waar de Heer gelegen heeft;

want Hij is opgestaan zoals Hij had gezegd,

als de Almachtige.

Daarom aanbidden wij U

Die alleen ontsterfelijk zijt:

Levenschenkende Christus, ontferm U over ons.

 

6   1e Stichier van de Verrijzenis, toon 4

Uw levendmakend kruis,

Aanbidden wij zonder ophouden o Christus God.

en wij roemen uw Opstanding

want daardoor hebt Gij de bedorven natuur

der mensen vernieuwd o Almachtige,.

en ons de weg naar de hemel getoond.

Gij alleen goed en menslievende

7   1e en 3e Stichier van de Verrijzenis, 0toon 8

De avondgezang,

En de dienst van het Woord offeren wij u. o Christus

omdat Gij u verwaardigd hebt ons te verlossen

door Uw Opstanding

 

Heer, Heer, verlaat mij niet

want voor uw aangezicht

maar gewaardig u om ons te verlossen

door uw Opstanding.

 

8   Avondhymne

Vriendelijk Licht der heilige glorie

des onsterfelijken, hemelsen en heilgen Vaders Jezus
Christus.

Weer aangeland bij zonsondergang,

schouwend het avondlicht

zingen wij de Vader en de Zoon,

en de Heilige Geest een lofzang als God.

Waardig is het U zalig te prijzen met heilige stem,

Zoon van God, Gij levenschenker.

Daarom roemt U de kosmos.

 

9   Prokimen van de Zaterdagavond, toon 6

Wijsheid! avondprokimen !

V De Heer regeert, met majesteit is Hij omkleed.

K De Heer regeert, met majesteit is Hij omkleed.

V Met macht is de Heer aangedaan en omgord.

K De Heer regeert, met majesteit is Hij omkleed.

V Ook heeft Hij de aarde gevestigd en zij zal niet wankelen.

K De Heer regeert, met majesteit is Hij omkleed.

V Heiligheid komt uw huis toe o Heer  tot in lengte van dagen.

K De Heer regeert, met majesteit is Hij om u.

V De Heer regeert

K met majesteit is Hij om u.

 

10 Kantiek van Symeon, toon 6

Nu laat Gij o Heer

uw dienaar gaan in vrede naar uw woord,

want mijn ogen hebben uw heil aanschouwd,

dat Gij bereid hebt voor het oog van alle volkeren.

Een licht tot verlichting van de heidenen

en tot glorie van uw volk Israël.

11 Troparion van de Moeder Gods, toon 4

Moeder Gods en Maagd

verheug U, hoogbegenadigde Maria.

De Heer zij met U

Gij zijt de gezegende onder de vrouwen

en gezegend is Jezus

de vrucht van uw schoot

Want Gij hebt doen geboren worden de Verlosser van onze zielen.

12 “Onder uw hoede” (D. Bortnjanski, bew.: Xavier V.)

Onder uw hoede vluchten wij,

Maagd en Moeder van onze God.

Hoor onze smeking in alle noden

en verlos ons uit het gevaar.

Gij die alleen ongeschonden en gezegend zijt.

Alheilige Moeder Gods bescherm ons.

 

 

METTEN

 

13 “God is Heer en Hij is ons verschenen”, toon4

 V God is Heer en Hij is ons verschenen,

    Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren

K God is Heer en Hij is ons verschenen.

     Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren

V belijdt de Heer want Hij is goed

    in eeuwigheid duurt zijn erbarmen.

K God is Heer en Hij is ons verschenen

   Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren

V Ik zal niet sterven, maar leven, en de werken des Heren verkondigen.

K God is Heer en Hij is ons verschenen.

     Gezegend is Hij die komt in de Naam des Heren.

V De steen die de bouwlieden hadden verworpen,

    deze is tot hoeksteen geworden,

    door de Heer is dit geschiedt,

    het is wonderbaar in zijn ogen.

K God is Heer en Hij is ons verschenen.

 

14 Polyeleos (Znamenni zang, bew.: Xavier V.)

Looft de naam des Heren, Alleluia.

Looft gij dienaren de Heer, Alleluia

Gezegend zij de Heer uit Sion

Die woont in Jeruzalem. Alleluia.

Belijd de Heer want Hij is goed, Alleluia, alleluia.

want eeuwig duurt zijn barmhartigheid. Alleluia.

Belijd de God des Hemels, alleluia, alleluia

Want eeuwig duurt zijn barmhartigheid, Alleluia

15 Opstandingstroparia I en II, toon 5

 Gezegend zijt Gij, o Heer,

leer mij uw gerechtigheid.

Het leger der Engelen stond verwonderd, toen het U

zag in de gedaante des doods,

de kracht van de dood varnietigend,Verlosser.

Met U hebt Gij Adam opgeheven, en met hem hebt Gij

Allen uit de hades bevrijd.

Gezegend zijt Gij, o Heer,

leer mij uw gerechtigheid.

Gij vrouwen die Hem gevolgd zijt

Waarom mengt Gij in Uw medelijden

de wierook met tranen

De stralende engel riep in het graf de myrondraagsters toe

Ziet het graf en leert van mij

De Verlosser is opgestaan uit het graf

 

GODDELIJJKE LITURGIE

 

16 Vredeslitanie

Gezegend zij het Koninkrijk van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest

nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, Amen

Laa
t ons de Heer in vrede bidden, Kyrie eleyson

Voor de hemelse vrede en de redding van onze zielen bidden wij de Heer:

Kyrie eleyson

Om vrede voor de gehele wereld, het welzijn der heilige kerken God, en om de eenheid van allen bidden wij de Heer

Kyrie eleyson

Voor dit heilig Godshuis en voor hen die er  met geloof , eerbied en vreze Gods binnentreden

Bidden wij de Heer

Kyrie eleyson

Voor onze Aartsbisschop Panteleimon, voor de geheel de geestelijkheid en voor gans het volk, bidden wij de Heer

K

Voor onze Koning Albert en onze Koningin Paola , voor de regering van dit land, bidden wij de Heer

K

Voor deze stad en alle steden en dorpen van het gehele land en voor alle gelovigen die er wonen bidden wij de Heer

K

Voor goed weer, overvloed van de vruchten der aarde, en om vredige tijden, bidden wij de Heer

K

Voor de reizigers ter land ter zee en in de lucht, de zieken, de lijdenden, de gevangenen en hun redding, bidden wij de Heer

K

Voor onze bevrijding uit elke verdrukking, toorn, gevaar en nood, bidden wij de Heer

K

Help ons en red ons, wees barmhartig, en bescherm ons, o God, door Uw Genade.

Onze alheilige, ongeschonden,hooggezegende, roemrijke Koningin, Godsmoeder, en altijdmaagd Maria, met alle Heiligen gedenkend, bevelen wij aan Christus God; onszelf, en elkaar, en geheel ons leven aan.

Aan U o Heer

Want U komt toe alle heerlijkheid, eer en aanbidding :

Vader, Zoon en Heilige Geest;

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen

 

Amen

 

17 1e Antifoon van Pasen (harm.: Paul M.)

Juicht voor de Heer, gehele aarde,

zingt een psalm voor zijn naam.

Door de gebeden van de heilige Moeder Gods

Heiland, hoor naar ons.

Zegt tot God: hoe ontzagwekkend zijn Uw werken,

de grootheid van uw kracht doet uw vijanden wijken voor U.

Door de gebeden van de heilige Moeder Gods

Heiland, hoor naar ons.

Hij heeft mijn ziel in leven gehouden

Hij heeft mijn voeten niet prijsgegeven aan de branding.

Door de gebeden van de heilige Moeder Gods

Heiland, hoor naar ons.

Komt en hoort, gij allen die God vreest

Ik zal u verhalen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.

Door de gebeden van de heilige Moeder Gods

Heiland, o red ons

Eer aan de Vader , de Zoon en de Heilige Geest,

nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, amen.

Door de gebeden van de heilige Moeder Gods

Heiland, hoor naar ons.

18 3e Antifoon: de Zaligspreking

In Uw koninkrijk, denk toch aan ons o Heer

Zalig zij die arm zijn van Geest

Want hun behoort het Rijk der Hemelen

Zalig zij die treuren

Want zij zullen getroost worden

Zalig zij die zachtmoedig zijn

Want zij zullen de aarde bezitten

Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid

Want zij zullen verzadigd worden

Zalig zij die barmhartig zijn

Want hun zal geschieden barmhartigheid

Zalig zij die zuiver zijn van hart

Want zij zullen God zien

Zalig zij die vrede stichten

Want zij zullen kinderen Gods worden genoemd

Zalig zij die vervolg worden om de gerechtigheid

Want het Rijk der hemelen behoort hun toe

Zalig zijt gij wanneer gij zult gesmaad en vervolgd worden

En wanneer men valselijk allerlei kwaad zal zeggen om mijnentwil

Verheugt en verblijdt u

Want groot is uw beloning in de hemel.

19 Kleine Intocht

Wijsheid staat op !

Kom laten wij Christus aanbidden

En buigen voor Hem

Red ons o zoon van God

Gij die uit de doden verrezen zijt

Wij die u bezingen Alleluia

20 Troparion van de Verrijzenis, toon 1

Terwijl de steen

Door de Joden verzegeld was

En de soldaten uw allerzuiverst Lichaam bewaakten.

Zijt Gij na drie dagen opgestaan o Verlosser

Om aan de wereld leven te schenken.

Daarom riepen de hemelse machten u toe

O Levensschenkende.

Ere zij Uw Verrijzenis, o Christus

Ere zij Uw Koninkrijk

Ere zij Uw voorzienigheid o enig menslievende

21 Troparion en Kondakion van de Verrijzenis, toon 2

Toen Gij het onsterfelijke leven nederdaalde tot de dood

Hebt Gij de onderwereld gedood,
door de bliksem de Godheid

En toen Gij de gestorvenen opwekte uit de onderwereld

Riepen alle machten der hemelen

O Christus onze God

Schenker des levens,

Ere zij U

22 Troparion van de Verrijzenis, toon 3

Dat hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen

Want de Heer heeft de kracht van Zijn arm getoond.

Door Zijn dood is de dood vertreden

En werd Hij de eerstgeborene uit de doden.

Hij heeft ons verlost uit de diepte der hel

En aan de wereld grote genade geschonken.

23 Troparion van de heilige Aposlel Andreas, toon 4

Gij zijt de eerstgeroepene der Apostelen

En de broeder van Petrus.

Bidt daarom Heilige Andreas tot de meester van het heelal;

Om aan de wereld vrede te schenken

En aan onze zielen de grote genade.

24 Troparion en Kondakion van de Verrijzenis, toon 7

 Door Uw kruis, zijt Gij de overwinnaar van de dood

En hebt Gij het paradijs geopend voor de rover.

De droefheid der myrondraagsters hebt Gij veranderd in vreugde

En Gij hebt hen gezonden tot de Apostelen

Om te verkondigen

Dat Gij waart Verrezen

O Christus onze God

Om aan de wereld grote genade te schenken.

Niet langer houdt de onderwereld

De gestorvenen vast

Want christus is er afgedaald

En heeft diens kracht vernietigd;

De hades is geboeid

De profeten jubelen en roepen

De Verlosser is de gelovigen verschenen,

Verheft u in het geloof der opstanding

25 Troparion en Kondakion van de Verrijzenis, toon 8

Gij zijt uit de hoge neergedaald o Barmhartige

En zijt drie dagen in het graf gebleven

Om ons van het lijden te bevrijden, Gij zijt ons leven

En onze verrijzenis Heer

Ere zij U

Nadat Gij zijt opgestaan uit het graf

Hebt Gij de doden opgewekt

En Adam weer doen opstaan, de einden

der wereld jubelen.

Over uw ontwaken uit de doden

O Albarmhartige

26 Trisagion (T.Popesco, bew.: Paul M.)

Sfinte dumne zeule

Sfinte tare sfinte farde moarte

milu este neprenoi

 

Heilige God

Heilige Sterke

Heilige onsterfelijke

Ontferm U over ons

 

Sfinte dumne zeule

Sfinte tare Sfinte farde moarte

Milu este neprenoi

 

Eer aan de Vader de Zoon en de Heilige Geest

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen

 

Heilige onsterfelijke

Ontferm U over ons

 

Sfinte dumne zeule

Sfinte tare

Sfinte farde moarte

Milueste Neprenoi

 

 

27 Prokimen van de Verrijzenis, toon 7

De Heer schenkt Zijn volk kracht

De Heer zegent Zijn volk met vrede

Offert de Heer glorie en eer

Offert de Heer de heerlijkheid van Zijn Naam.

De Heer…….

De stem des Heren over de wateren

De Heer der glorie doet de donder rollen

De Heer…..

28 Alleluia, toon 1

Wijsheid staat op

Alleluia…

Het is goed de Heer te belijden

En psalmen te zingen voor Uw Naam Allerhoogste

Alleluia….

Om ’s morgens uw barmhartigheid te verkondigen

En uw waarheid in de nacht

 Alleluia

29 Dringende Litanie

Zeggen wij allen met geheel onze ziel, zeggen wij uit geheel ons hart :

Kyrië eleyson

 Heer Almachtige God, God onzer Vaderen, wij smeken u : luister en wees barmhartig

God, wees ons barmhartig volgens Uw grote barmhartigheid;

wij smeken U : luister en wees barmhartig.

Kyrie eleyson, (3 X)

Ok bidden wij voor de vrome Orthodoxe Christenen,

Ook bidden wij voor de Aartsbisschop Panteleimon

Ook bidden wij voor onze  Koning Albert, onze Koningin Paola

De regering van dit land en voor allen die er wonen.

Ook bidden wij voor alle Orthodoxe Patriarchen,

Metropolieten en bisschoppen, voor de priesters en diakens;

 voor de monniken en monialen;

en voor het gehele volk.

Ook bidden wij voor de zieke dienaren en dienaressen Gods,

opdat God hen moge sparen en redden en te hulp komen in hun ziekte.

Ook bidden wij voor onze overledenen, en voor alle overleden

broeders en zusters die ons zijn voorafgegaan.

Ook bidden wij voor hen die goede vrucht dragen en helpen

in deze heilige en eerbiedwaardige kerk.

Voor hen dier er werken, voor hen die er zingen en voor

heel het rondomstaande volk, dat van U grote en rijke

Barmhartigheid verwacht.

Ook bidden wij voor hen die U zoekn,

Voor hen die u nog niet zoeken,

Voor hen die U aanroepen zonder U te kennen

En voor hen die weerstaan aan Uw genade.

Want Gij zijt een barmhartige en menslievende God, en tot U zenden wij onze lof : Vader, Zoon en Heilige Geest;

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

 Amen

 

30 Cherubijnenhymne (Dvoretsky, bew.: Paul M.)

 Wij die in dit mysterie

  verzinnebeelden de Cherubijnen

  En die de hymne zingen

  D’hymne driemaal heilig aan de levensschenkende

  Drie-eenheid.

  Laat ons terzijde, laat ons ter zijde stellen

  Alle zorgen van deze wereld. Amen

 Om de Koning te ontvangen van het heelal

  Onzichtbaar begeleid

  door de engelenkoren.

  Alleluia,alleluia,alleluia

31 Eucharistische Canon (Feofanovskoje)

P. Laat ons eerbiedig staan;

Laat ons met vreze staan;

Laat ons aandachtig zijn

Om het heilig offer in vrede op te dragen.

K. Gift van Vrede, een offer van lof, van Lof

P.De genade van onze Heer Jezus Christus

De liefde van God de vader

En de gemeenschap van de Heilige Geest,

Zij met u allen.

K. En met uw Geest.

P. Omhoog de harten

K. Wij heffen ze omhoog tot onze Heer

P. Laat ons de heer dankzeggen

K. Het is recht en waardig, recht en waardig te aanbidden de

Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Drie-eenheid , één -wezenlijk en ondeelbaar, één-wezenlijk en ondeelbaar.

P.Wij danken U ook voor deze Eucharistie, die Gij uit onze handen wilt aanvaarden, terwijlGij toch beschikt over duizenden Aartsengelen en tienduizenden Engelen, over Cherubijnen en Serafijnen, met zes vleugels en vele ogen, hoog opwiekend

Het triomflied zingend, roepen, luid jubelend en zeggend :

K. Heilige, Heilig, Heilig is de Heer Sabaot.

De hemel en aarde zijn vol van Uw heerlijkheid. Hosanna ;hosanna in de hoge.

Gezegend is Hij die komt in de Naam van de Heer.

Hosanna, hosanna in de hoge

P. Offeren wij U het uwe, genomen uit het Uwe, namens alles en voor allen.

K. Wij prijzen U

Wij loven U

Wij zeggen U dank, o Heer,

En wij bidden U, en wij bidden U,

O Onze God, O onze God, O onze God

 

32 Hymne tot de Moeder Gods (melodie uit Wit-Rusland)

Het is waarlijk passend u zalig te prijzen

Moeder van God.

Zalig geprezen en ongeschonden,

Moeder van onze God.

Gij eerbiedwaardiger dan de Cherubijnen

en onvergelijkelijk roemvoller

dan de Serafijnen,

Die zonder smet, God, het Woord hebt gebaard.

gij moeder van God, U prijzen wij

 

33 “Onze Vader” (N. Rimsky-Korsakov)

 Onze Vader die in de hemelen zijt

Geheiligd zij Uw Naam

Uw Rijk kome,

Uw wil geschiede op aarde  als in de hemel.

Geef ons heden ons dagelijks brood

En vergeef ons onze schulden

Zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren

En leid ons niet in bekoring

Maar verlos ons van DE kwade

 

34 “Koning van de Hemel” toon 6

 Koning van de Hemel

Trooster Geest der waarheid,

die overal tegenwoordig zijt

en met wie alles vervuld is,

Schatkamer van alle goed,

Gever van het leven.

Kom en verblijf in ons, zuiver ons van alle smet

En red onze zielen o algoede

 

35 Communiezang

 Ontvang het Lichaan van Christus

Drink aan de bron der onsterfelijkheid.

Alleluia, (3 X)

 

36 “We hebben het ware Licht aanschouwd” toon2

 God red Uw volk en zegen Uw erfdeel.

 Wij hebben het ware Licht aanschouwd

Wij hebben de Hemelse Geest ontvangen.

Wij hebben het ware geloof gevonden.

Wij aanbidden de ondeelbare drie-eenheid,

Want ’t is zij die ons heeft gered

 

37 Psalm 33 (34)

 Ik wil de Heer zegenen ten alle tijden,

Altijd blijve Zijn lof in mijn mond.

In de Heer verheft zich zijn ziel,

Dat de zachtmoedigen het horen en zich verheugen.

 Verheerlijkt de Heer met mij.

Laat ons tesamen zijn Naam verheffen.

Ik zocht de Heer en Hij heeft mij verhoord,

Hij heeft mij bevrijd uit al mijn beproevingen.

Vreest de Heer gij al zijn heiligen.

Want  voor wie Hem vrezen is er geen gebrek.

Rijken werden arm en noodlijdend,

Maar wie de Heer zoeken zal het aan geen enkel goed ontbreken.

 Eer aan de  Vader en de Zoon

En aan de Heilige Geest,

Nu en altijd en in de eeuwen der eewen.

Amen

 

Dienst der overledenen

 

38 Kondakion van de overledenen en

     “Eeuwige gedachtenis”

Met Uw Heiligen,

Laat rusten, o Christus,

De ziel van uw dienaar(es)

Waar geen smart noch droefheid is,

Doch waar leven is zonder einde.

 

Eeuwige gedachtenis (3 X)

VASTEN- EN PAASTIJD

 

39 “Nu dienen” uit de liturgie van de Voorafgewijde Gaven

      (D. Bortjanski, bew. Paul M.)

Nu dienen met ons tezamen hemelse machten

onzichtbaar bij ons.

Want de Koning der eeuw’ge heerlijkheid treedt nu

in ons aller midden.

Zie, het volmaakte, het heilige Mysterium

wordt op speren binnengedragen.

 Wilt met geloof en met liefde Hem naderen, opdat gij deel hebt

aan het eeuwige leven.

Alleluia, Alleluia,alleluia

 

40 “De edele Jozef

Troparion van Goede Vrijdag, toon2

De ed’le Jozef heeft u van het kruis

Genomen U o Heer. In smetteloos

welriekend linnen heeft

Hij U gehuld.

 

Toen Gij in ’t dodenrijk zijt afgedaald

O onsterfelijk leven

Hebt Gij hades vernietigd

Door uw God’lijk licht.

 De myrondraagsters kwamen Aan Uw graf

O Heer en God, maar de engel aan het graf sprak hun toe

 Zie deze myronbalsem is passend voor wie

Gestorven zijn, maar Christus is de

Onvergankelijke Heer

 

41 3e Antifoon van Pasen

 Dat God verrijze en dat zijn vijanden verstrooid mogen worden.

 Christus verrezen uit de doden,door zijn dood overwon Hij de dood,en schenkt terug het leven aan hen in het graf.

Zoals rook verwaaid moge zij verwaaien.

Christus verrezen uit de doden,door zijn dood overwon Hij de dood,en schenkt terug het leven aan hen in het graf.

 

Dit is de dag die Heer gemaakt heeft,laten we juichen en ons verheugen.

 

Christus verrezen uit de doden,door zijn dood overwon Hij de dood,en schenkt terug het leven aan hen in het graf.

 

Eer aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest,nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen

 

Christus verrezen uit de doden,door zijn dood overwon Hij de dood,en schenkt terug het leven aan hen in het graf.

 

42 Troparion van Pasen:

In het Roemeens (har,: Paul M.)

Christos a inviat din mortz

Cu morte pre moarte calkînd

Chi chelor

Din mormîntur viatsa daruin

dule

In het Grieks (harm.: Paul M.

Christos anesti ek nekron

tanaton thanaton patisas

ketis entis mnimassin

zoin charissamenos.

In het Kerkslavisch

Christos voskresje iz mjertvych

smertijoe smjert poprav

ie soesjtsjiem vo grobjech

zjivot darovav.

 

43 Heilwens

 Schenk o Heer aan uw dienaars  een welvarend en vredig leven,

gezondheid , heil en voorspoed in alles wat zij ondernemen,

en schenk hen nog vele jaren

 

Mno  gaja ljeta (nog vele jaren)

Mno gaja ljeta

Mno gaja ljeta

 

 

De inbreng van de westerse orthodoxe theologie (Zizioulas Metropoliet)

 

 

 


De inbreng van de westerse orthodoxe theologie


Door Metropoliet Johannes  (Zizioulas)

zizioulas

Toespraak gehouden te Parijs naar aanleiding van het ontvangen van de titel van Doctor honoris causa aan het orthodoxe instituut van Saint-Serge op 10 februari 2008.

De pioniers van de moderne orthodoxe theologie

De eer die mij op dit moment te beurt is gevallen komt van een instelling die in onze tijd een beslissende bijdrage heeft geleverd aan de theologie. Wat zou de theologie vandaag zijn, zonder de bijdragen van een Georges Florovsky, van een Serge Boulgakov, of een Nicolas Afanassieff, om maar enkele te noemen van diegenen die in dit instituut hebben onderricht? Deze namen, zoals ook deze van Vladimir Lossky, hebben een onuitwisbare stempel gedrukt op de hedendaagse theologie, in die mate, dat het grootste deel van de theologie van de 20e eeuw – orthodox zowel als niet-orthodox – als het ware een commentaar is van hun theologisch werk. Persoonlijk heb ik het voorrecht gehad om één van deze grote theologen te mogen ontmoeten, te weten de betreurde Vader Georges Florovsky, die ik als professor had aan de universiteit van Harvard, en waarvan de invloed van beslissende invloed was op mijn denken. En, hoewel ik Vladimir Lossky, noch Nicolas Afanassieff nooit persoonlijk heb ontmoet, was gans mijn theologische arbeid een dialoog met hun bijdrage. Lossky heeft onze geest opengesteld voor de apofatische natuur van de theologie, en heeft ons daardoor bevrijdt van het rationalisme van de moderne schoolse theologie. Afanassieff heeft onze aandacht gevestigd op het centrale karakter van de goddelijke Eucharistie binnen de ecclesiologie. Ik ben op enkele punten niet akkoord geweest met zowel de ene als met de andere, maar dit is een heel natuurlijk gegeven binnen een dialoog. Het blijft een feit, dat alles wat mijn generatie gerealiseerd heeft op het vlak van de theologie, gegrondvest is op de fundamenten die deze grote geesten hebben gelegd.

Het is op deze zuilen van de moderne orthodoxe theologie dat ik op dit moment mijn gedachten richt, dit met een diepe dankbaarheid, en ik bid onze Heer dat Hij ze mag opnemen onder de heiligen, aan de zijde van de grote leraren en herders van Zijn Kerk.

“De orthodoxe Kerk is op dit moment stevig ingeplant in west Europa en Amerika”

Op deze plechtige bijeenkomst is het juist en goed om even dieper na te denken over hun erfenis en over de taak die deze pioniers van de hedendaagse orthodoxe theologie ons hebben nagelaten, en die de basis hebben gelegd van de orthodoxe aanwezigheid in het Westen. Eén van de grote zegeningen van God aan Zijn Kerk op onze dagen is, dat de orthodoxie voortaan geen exclusief ‘Oosterse’ realiteit meer is, iets exotisch, zoals het altijd is geweest in de ogen van de westerse christenen. De orthodoxe Kerk is momenteel sterk ingeplant in west Europa en Amerika, en zij draagt er op een imposante wijze toe bij om te getuigen van het Evangelie van Christus in deze delen van de wereld.

Ziehier, lijkt mij, de belangrijkste bijdragen van de westers orthodoxe theologie:

               1. De westers orthodoxe theologie heeft niet alleen de orthodoxie beter leren kennen, ze heeft ook ertoe bijgedragen dat zij een groter respect geniet in het Westen. Orthodoxe denkers als Nicolas Berdiaev, en verder, Olivier Clément, zijn in dialoog getreden met de westerse filosofische gedachte, terwijl theologen als Florovsky en Lossky de theologie hebben binnengebracht in het centrum van de oecumenische discussies. Het zou niet overdreven zijn te stellen dat het concilie van Vaticanum II niet alleen de orthodoxe theologie in overweging heeft genomen, maar dat het ook in grote mate erdoor is beïnvloed. Katholieke theologen van formaat als een Yves Congar, een Henri de Lubac en anderen, waren in voortdurende dialoog met de orthodoxe theologie, terwijl Vaticanum II de idee ontwikkelde van de katholiciteit van de locale Kerk vanuit de bezieling van de eucharistische ecclesiologie zoals ze voorgesteld is door Nicolas Afanassieff. De westerse orthodoxe theologie heeft de orthodoxe Kerk geplaatst in het centrum van de oecumenische dialoog van onze tijd.

De herwaardering van de pneumatologie en het hesychasme

             2. Nauwkeuriger gezegd heeft de westerse orthodoxe theologie bijgedragen tot een grotere waardering van de pneumatologie binnen de theologische gedachte. Theologen zoals Paul Evdokimov, de betreurde Nikos Nissiotis en Vader Boris Bobrinskoy hebben de christomonistische (alles wordt tot Christus herleidt -nvdv) tendensen in de westerse theologie bekritiseerd en hebben de orthodoxen zelf bewuster gemaakt van het belang van de Heilige Geest in het leven van de Kerk. Dit alles heeft belangrijke gevolgen gehad, niet alleen theologisch, maar ook binnen de domeinen van de spiritualiteit en de eredienst voor alle christelijke gemeenschappen.

            3. Het in ere houden van de theologie van de heilige Gregorios Palamas, voornamelijk zoals ze benadrukt werd in de theologische kringen van dit instituut, is ook een van de beslissende bijdragen van de westerse orthodoxe theologie. Hier moeten wij nog Vladimir Lossky in herinnering brengen voor wat het eigen theologische aspect betreft, en ook de betreurde Jean Meyendorff, die de eerste kritische editie van de werken van Palamas heeft tot stand gebracht. Alsook talrijke studies over de theologie van deze Griekse Vader. Een onmetelijke belangstelling voor het hesychasme, in de gehele orthodoxe wereld, is hier het gevolg van, vooral met de kritische uitgave van de teksten van Palamas door de betreurde professor Panayotis Christou in Griekenland en de theologische studies gerealiseerd door de betreurde vader Dumitru Staniloaë over de hesychastische theologie, in Roemenië. Aspecten van deze theologie, zoals het onderscheid tussen essentie en energieën van God, zijn vandaag de dag gemeengoed geworden binnen de orthodoxe theologie, en  hoewel sommigen, zoals ik, het nodig achten een buitensporig neopalamisme te moeten bekritiseren, kan niemand het feit ontkennen dat deze eminente Kerkvader veel verschuldigd is aan de westerse orthodoxe theologen, namelijk, dat zij het voor de eerste keer geplaatst hebben  in het centrum van de orthodoxe theologie.

De vernieuwing van het liturgische leven en van de spiritualiteit

            4. Een andere dimensie van de theologie is door de westerse orthodoxe theologen naar voor gebracht: deze van de liturgie, en in het bijzonder, van de e
ucharistie
. In verband met de eucharistische ecclesiologie heeft de betreurde vader Alexandre Schmemann datgene wat Afanassieff tot stand heeft gebracht vervolledigd en uitgebreid. De orthodoxen zijn ertoe gebracht om het centrale karakter van het liturgische leven in al de aspecten van de theologie en de spiritualiteit meer te gaan appreciëren, ondanks het feit dat de orthodoxen het gedurende de ganse geschiedenis anders hadden beleefd, het is iets wat de schoolse orthodoxe theologie had verwaarloosd te doen.

Daaraan is het te danken dat vele dwalingen zijn rechtgezet, voornamelijk o.a. de buitensporig zeldzame deelname aan de heilige communie enz. Men kan hier spreken van een liturgische renaissance in de orthodoxe kerk van vandaag die te wijten is aan de ontplooiing van de liturgische en eucharistische theologie binnen de westerse en hedendaagse orthodoxe theologie.

               5. Wij moeten ook het belang van de westerse orthodoxe theologie vermelden voor de ontwikkeling van het monastieke leven binnen de orthodoxe Kerk overal ter wereld. Door de theologie meer als een empirisch gegeven te benaderen dan als een intellectueel gegeven, de moderne orthodoxe theologie sluit nauwkeuriger aan bij mystieke en ascetische theologen als de Heilige Symeon de Nieuwe Theoloog en de Hesychasten, wat van invloed is op de wederzijdse beïnvloeding van de ascetische theologie en de dogmatische theologie.

Grote monastieke figuren zoals de betreurde vader Sophrony van Essex in Engeland, hebben de theologie binnengebracht in het ascetische leven, terwijl vader Dumitru Staniloaë in Roemenië het tegenovergestelde heeft gedaan door een empirische benadering van de leer te geven. Dit heeft westerse christenen tot de orthodoxie gebracht, en het heeft zo bijgedragen tot een versterking van de orthodoxe aanwezigheid in het westen.

“De toekomst van de eucharistische ecclesiologie”

Dit zijn maar enkele van de belangrijkste bijdragen die de westerse orthodoxe theologie in het verleden heeft bijgebracht aan de orthodoxe oikoumenè . Maar hoe zit het voor de toekomst? Wat is het belang ervan voor de toekomst van de orthodoxie? Ik zal hierop proberen te antwoorden door enkele bescheiden overwegingen naar voor te brengen.

Ik zal beginnen met de toekomst van de eucharistische ecclesiologie. Nauw verbonden met deze vraag is het feit, dat weldra veel belangrijke problemen tot uiting zullen komen binnen de orthodoxe Kerk. Het eerste probleem dat zich stelt, is het probleem dat ontstaan is door de zogenaamde orthodoxe diaspora. De eucharistische ecclesiologie eist dat er slechts één lokale Kerk is in elke plaats, verenigt in één enkele eucharistie, onder één enkele bisschop. Wij weten allen dat dit principe niet wordt gerespecteerd. Dit feit schept een tegenstelling tussen theologie en leven, tussen theorie en praktijk. Als deze situatie nog lang op deze weg zal voortgaan, zal de eucharistische ecclesiologie een grap worden. Het probleem van de orthodoxe diaspora moet zonder uitstel opgelost worden. De orthodoxe Kerk in het westen kan niet meer georganiseerd worden op een nationale basis. Zij moet gevormd worden vanuit haar lokale dimensie, en niet vanuit een nationaliteit.

Het andere probleem dat verbonden is met de eucharistische ecclesiologie en waar de orthodoxe Kerk al mee werd geconfronteerd is de moeilijkheid om de individuele vroomheid te verzoenen met het kerkelijke ethos. De eucharistische ecclesiologie is van nature anti-individualistisch. De vroomheid van haar kant heeft de neiging om individualistisch te zijn. In onze moderne wereld, die gekenmerkt wordt door mobiliteit, is het moeilijk voor de lokale Kerken om stabiele gemeenschappen te blijven van mensen die elkaar goed kennen en die verenigd zijn in de communie. Er is dus een tendens onder de orthodoxen om naar gelijk welke eucharistische gemeenschap te gaan, volgens hun voorkeur, en voorbijgaan aan het feit dat zij behoren tot een bepaalde lokale Kerk. Als dit zo doorgaat, zal het individualisme weldra de kerk overspoelen. De horizontale dimensie van de eucharistie zal daardoor verdwijnen en de Kerk zal verdwijnen.

“De eenheid van de Kerk op het regionale en universele niveau”

Dit gevaar kan verder geaccentueerd worden door een ander nieuw feit. De groeiende autoriteit van het monachisme kan ertoe leiden dat het bisschoppelijk ministerie overbodig wordt in de Kerk. De eucharistische ecclesiologie die niet gecentreerd is op de bisschop – dit is één van de zwakke punten uit de ecclesiologie van Afanassieff – maakt van de bisschop gewoon een beheerder en niet de eucharistische proestôs (= hij die voorgaat, de eerste – nvdv). Dit stelt het sacramentele fundament van de bisschoppelijke autoriteit binnen de Kerk in vraag en leidt tot een scheiding tussen de leer en het canonieke recht. Behalve in de eucharistie moeten de bisschop en de lokale Kerk onderling afhankelijk zijn, anders kan de eucharistische ecclesiologie een echt gevaar worden voor de orthodoxe Kerk van de toekomst.

Identieke bemerkingen kunnen gemaakt worden vanuit het standpunt van de éénheid van de Kerk op regionaal en universeel niveau. Indien de eucharistische ecclesiologie beperkt wordt tot de lokale Kerk, dan zullen wij de kerkelijke éénheid op het niveau van de geografische regio’s veel ruimer moeten beschouwen, namelijk als een eenvoudige administratieve zaak. Dit zou belangrijke gevolgen hebben zowel voor de éénheid van de orthodoxe Kerken zelf als voor hun gesprekken met de katholieken, die aan de universele Kerk een fundamenteel belang willen toekennen. De eucharistische ecclesiologie zal essentieel zijn voor de toekomst van de theologische dialoog, voornamelijk tussen orthodoxen en katholieken. Wij moeten ons richten naar deze theologie als naar onze gids in onze oecumenische relaties, maar wij moeten haar tegelijkertijd bevrijden van haar oorspronkelijk ‘lokalisme‘.

Ten overstaan van de uitdagingen van de huidige wereld “het geloof duiden in existentiële termen”

De toekomst – die al voor de deur staat- brengt nieuwe problemen met zich mee, problemen waarmee de orthodoxie in het verleden niet mee geconfronteerd werd. Sta mij toe hier enkele ervan te vermelden en tegelijk het belang van de erfenis van de westerse orthodoxe theologie te onderstrepen om hieraan het hoofd te bieden.

Er is op de eerste plaats, de snelle omvorming van de westerse samenlevingen in multiculturele gemeenschappen. De orthodoxe theologie moet het hoofd bieden aan het feit dat de zogenaamde ‘orthodoxe landen’ in hun zuivere vorm niet meer zullen bestaan. De westerse orthodoxie, die geleerd heeft om te bestaan in een niet-orthodoxe omgeving, moet haar ervaringen doorgeven aan de rest van de orthodoxe Kerken. Niet alleen over hoe te overleven, maar ook hoe zij hun niet-orthodoxe omgeving kunnen beïnvloeden. De oecumenische dialoog is voor de toekomst een conditio sine qua non voor de orthodoxe theologie. En ze moet in de praktijk niet alleen de christenen insluiten, maar ook de andere religies. Anders zal de orthodoxe Kerk zich zien omvormen tot een “getto”, onbekwaam om een rol te spelen
in de maatschappij.

Daarom moet de orthodoxe theologie voorbereid zijn om haar geloof te vertolken in existentiële termen. Twee gebieden in het bijzonder doen beroep op dergelijke interpretatie. Het eerste heeft betrekking op de existentiële noden van de menselijke persoon. Er bestaat in onze tijd een groeiende bezorgdheid met betrekking tot de waardigheid en de menselijke vrijheid, een bezorgdheid die vooral te wijten is aan de ontwikkeling van de technologie en de wetenschap. Het cruciale thema van de theologie in onze tijd zou moeten zijn: wat betekent de Persoon. De orthodoxe theologie zou moeten putten uit haar rijke theologische traditie, voornamelijk uit de leer over de Heilige Drie-Eenheid, een begrijpen van de menselijke persoon die in staat is de existentiële zorgen van het menselijke wezen in onze tijd tegemoet te treden.

Het ander probleem waarmee de mensheid vandaag wordt geconfronteerd is de ecologische crisis. De orthodoxe theologie heeft in het verleden dit probleem niet in overweging genomen, omdat dit probleem toen nog niet bestond. Het is de plicht van de orthodoxe theologie van vandaag om haar theologische traditie te interpreteren in de richting van dit probleem. De eucharistische theologie en de ascetische ervaring kunnen onschatbare bronnen zijn van inspiratie voor de ontwikkeling van een ‘ecologische theologie’, zo sterk noodzakelijk vandaag.

“De orthodoxe Traditie interpreteren voor de wereld”

De orthodoxe theologie kan niet functioneren in een culturele leegte.(…) Zij is dus geroepen om een belangrijke rol te spelen door de orthodoxe Traditie te interpreteren voor de wereld. Deze moeilijke taak kan niet volbracht worden als wij ons isoleren van andere christenen die hier in het Westen leven, want de problemen zijn onze gemeenschappelijke problemen. Een dialoog met de cultuur tegelijk met de oecumenische dialoog moet nagestreefd worden.

Wij zijn allen dankbaar voor hen die de orthodoxe stem hebben laten horen en die respect hebben afgedwongen in het Westen. Dat de Heer hun werk zegene opdat zij ook voor de toekomst hun vruchten mogen dragen.     

Uit SOP Maart 2008, vertaling : Kris Biesbroeck

Het Evangelie verkondigen aan de wereld van vandaag

 


Het Evangelie verkondigen aan de wereld van vandaag

Door Archimandriet Symeon (Cossec)

Tekst van de conferentie gegeven op 31 mei 2008 in het Instituut St.Serge te Parijs ter gelegenheid van de pastorale bijeenkomst van het Aartsbisdom van de Russische parochies in West Europa.

pantokrator 23

Het lijkt mij normaal dat christenen en vooral de voorgangers zich de vraag stellen : ‘Hoe moeten wij aan de wereld van vandaag het Evangelie verkondigen ?’. De reden hiervoor is te vinden in het feit,dat wij in een geëvolueerde wereld leven, die nog altijd verder zal evolueren. De wijze waarop wij leven en denken toont ons het specifiek eigen karakter van onze tijd aan. De bewustwording van onze verantwoordelijkheid zet ons ertoe  aan om erover na te denken en te proberen oplossingen te vinden voor de manier waarop wij een dynamische pastoraal moeten beleven in overeenstemming met de wereld waarin we leven.

Het is niet mijn bedoeling om u een gebruiksaanwijziging te geven die  compleet is en die ons zou toestaan om onze problematiek definitief op te lossen : het zou verwaand en volkomen nutteloos zijn en vlug achterhaald. Ik zal trachten enkele persoonlijke bedenkingen naar voor te brengen waarvoor ik uw geduld en begrip vraag, want ze zijn  enkel het resultaat van datgene wat ik zelf tot op vandaag heb kunnen ervaren.

Versta dit zo : wat ik u voorstel is sterk beperkt door de subjectiviteit en het particularisme van datgene wat ik heb beleefd en wat ik in mijn dagelijks leven als monnik en priester heb ondervonden.

De eerste gedachte die mij voor de geest is gekomen in verband met het onderwerp dat ons hier interesseert is deze :

Hoe heeft Christus zijn taak opgevat toen Hij geconfronteerd werd met het in praktijk brengen van Zijn goddelijke zending ? Door Zijn menswording, was Hij geïncultureerd in de joodse beschaving van die tijd. Wat heeft Hij met deze cultuur gedaan ? Hij bevond zich voor menselijke wezens die niet in overeenstemming leefden met het judaïsme : Hoe heeft Hij hierop gereageerd ?  Hij moest het heil tot de mensen brengen die Hem omringden en door hen aan de gehele wereld, en dit ging niet vanzelf ! Diegenen die Hij ontmoette leefden in de verwachting van een tijdelijk heil : bevrijd te worden van het Romeinse juk ! De joodse hiërarchie was zeker van zichzelf wanneer het ging over de wijze van leven volgens de wet van Mozes. Hoe heeft hij de goddelijke boodschap, de goede boodschap van het heil, geopenbaard aan allen ? En wij kunnen deze lijst van vragen nog verder aanvullen !

Als wij de manier waarop de Heer Jezus zich gedraagt, vóórdat Hij in het openbaar sprak, onder ogen nemen, wat zien wij dan ?

Vanaf het moment dat Hij door Johannes gedoopt werd , trok Hij zich terug in de woestijn : het is niet de eerste maal dat wij zien dat Christus zich terugtrekt. Hij stijgt dikwijls in de boot van de leerlingen om naar de ‘andere oever’ te gaan, naar daar waar Hij de noodzakelijke rust zal vinden voor het gebed met Zijn Vader.

Wij lezen het ook in het Evangelie volgens Mattheüs, na de boodschap dat Johannes de Doper onthoofd is : (cf.14,v13). ‘Bij dit nieuws trok Jezus zich terug in de boot naar een afgelegen verlaten plaats’ en verder in vers 21 :’Nadat Hij de menigte had weggezonden, ging hij de berg op om op een afgelegen plaats te bidden’ en vervolgens, op het ultieme moment, nog altijd volgens Mattheüs (cf.26,v36) : ‘Toen kwam Jezus met hen op een domein Gethsemani genaamd en Hij sprak tot Zijn leerlingen ‘blijf hier terwijl ik verderop ga bidden’.

Deze enkele voorbeelden tonen ons klaar en duidelijk, dat Jezus telkens wanneer Hij voor een belangrijk moment stond (publiek leven of Lijden), of wanneer Hij opnieuw het woord ging nemen, zich telkens terugtrok om te bidden.

Het besluit lijkt simpel en wellicht banaal, maar moeten  we ze ons niet in de herinnering brengen in het licht van de spanningen die ons omringen, ook ten overstaan van het activisme dat ons in bezit neemt en vooral voor de verantwoordelijkheden die ons  worden opgelegd.

Wij moeten eerst God vinden voordat wij het woord God uitspreken, wij moeten Christus eerst ontmoeten voordat wij kunnen leven met Hem.

Hoe kunnen wij dat in ons leven waarmaken ? Voor ieder zal dit op een andere manier zijn : de middelen zullen verschillen naargelang onze situatie in de wereld, men is gehuwd met een bevoorrechtte familie en tegelijk priester zijnde. Een monnik in een monasterium heeft niet dezelfde middelen dan hij die in de wereld woont. Een Bisschop die belast is met een bisdom dat consequent is zal een betere oplossing vinden of de minst slechte… Maar het is duidelijk, dat niets kan gebeuren vanuit een bevoorrecht moment indien het niet vertrekt vanuit de stilte, de afzondering, het gebed, en dit om het pastoraal werk opnieuw centraal te kunnen stellen,om te kunnen getuigen van het enig essentiële : De goddelijke Liefde die ons redt.

Wij mogen geen schrik hebben om ons terug te trekken daar waar wij leven, om Hem te ontmoeten die alles in allen is. Een hoek van het bureau, een gebedshoek, een stukje tuin, de anonimiteit van het stedelijk vervoer, een verblijf in de natuur, een tijd van bezinning in een monasterie en veel andere plaatsen kunnen ons voorbereiden om de zending die de onze is te vervullen. En zoals de Heer Jezus het ons getoond heeft, om te gaan putten daar waar het levend water te vinden is !

Laat ons nu even nagaan hoe Christus zich gedragen heeft tegenover de omringende cultuur. De bloedverwantschap van Jezus is joods. Als tweede persoon van de Drie-eenheid, als Woord die vlees geworden is, komt Hij onder ons wonen ( dit is de basis van de theologie van de incarnatie), Hij is perfect verwant met de cultuur van het land waarin Hij geboren is. Het is door deze inculturatie dat hij langzaamaan de goddelijke boodschap, waarvan Hij de gemandateerde is, heeft overgedragen. Wij zien de Heer die zich aankleedt als alle mensen van zijn tijd, wij vinden Hem etend en drinkend met hen die Hem omringen, op een oosterse manier : in het eenvoudig en broederlijk delen met elkaar. Hij zal het religieuze respecteren en ze verinnerlijken, Hij ging trouw naar de synagoge, hij wisselde van gedachten met de wetsgeleerden over de wet zoals de gewoonte het wilde, en veel andere dingen nog. Om samen te vatten : het betekent dat de Redder de culturele schat ontving van Zijn voorvaders, dat Hij uit deze schat putte maar zonder er  zich erdoor te laten vervreemden van zichzelf. Elke cultuur heeft behoefte om overgedragen te worden. Hij zal aan deze beweging deelnemen met het onderscheidingsvermogen die Hem toekomt : Hij is niet gekomen om de wet op te heffen (de wet was een integrerend deel van de joodse cultuur), maar hem te vervullen. Dit wil zeggen : om de ontwikkeling aan te moedigen van wat goed is en te verwerpen alles w
at hinderlijk, nutteloos en voorbijgestreefd is.

Laten we dit nu wat verder ontwikkelen : in deze cultuur, waarin de Heer zich incarneert, waarin Hij zich perfect integreert zal Hij zich als zodanig niet laten vangen door Zijn afwijkend gedrag : datgene wat Hij moet verkondigen is het heil van de mens door God en niet het heil van de mens door de mens. Welnu, het was de gewoonte van sommige Farizeeën ( niet alle Farizeeën waren slecht !) om alles tot hen terug te brengen op een hoogmoedige wijze. Dit is een slechte manier om de wet van Mozes toe te passen : het leven van de eredienst (cultus) was reeds sedert lang tot een cultuur omgevormd voor de Hebreeën en hun kinderen. Dit was een gevaarlijke schending welke wij  vandaag een afwijkend fundamentalisme zouden noemen : de zogenaamde cultuur ‘van de eredienst’ (cultus) had de neiging om gebruikt te worden voor egoïstische belangen waar God vanzelfsprekend  afwezig was…. De Heer zal zich door de valstrikken van deze beweging niet laten strikken. Hij zal ze met kracht aan de kaak stellen en zich voornemen om die kennis over te dragen waarvan het belang een experimenteel karakter zal hebben : Hij zal aan allen laten zien hoe men de liefde tot God en de mensen moet beoefenen.  Dit zal als gevolg hebben dat Hij dikwijls uit noodzaak gedwongen werd om tegendraads te handelen voor datgene wat de mensen daadwerkelijk aanbelangde, en dit tot verbazing van velen die wakker geschut werden door de schoonheid van de Zaligsprekingen : vervulling van de wet waarvan het duidelijk op zijn kop zetten van vele dingen meer dan één zal verbazen !.

Misschien moeten wij hier een verband zien tussen cultuur en traditie. De traditie voedt zich aan de cultuur en deze laatste verduidelijkt zich in het geheel van de openbaring van het denken en het christelijk leven ons gegeven door Christus.

Om te resumeren zouden we kunnen zeggen dat de Heer door te emigreren vanuit Zijn plaats binnen de Heilige Drie-eenheid, om in onze wereld te gaan wonen,aanvaard heeft om geconfronteerd te worden met de joodse cultuur, door dewelke Hij ons het grote nieuws van het universele heil heeft gebracht en zo alles wat Hij als Schepper aan de mens had gegeven, tot ontwikkeling kan brengen en voltooien. Zo zuivert Hij alles wat de mens heeft besmet en geeft Hij hem toegang tot de ware cultuur : deze van de Liefde, de echt ware en fundamentele kennis, die eenmaal ze doorgegeven is de enig ware Traditie wordt.

Wat moeten wij dan vandaag de dag dan heel concreet doen ?

Zeker de houding van Jezus volgen. Geen schrik hebben van onze cultuur, van onze beschaving. Wij moeten alles wat diegenen die ons zijn voorgegaan hebben verworven gebruiken, maar zonder slaafsheid, met gezond  verstand en een creatieve geest. Veel intellectuelen hebben, na de Russische emigratie van rond de jaren 1920, gezocht om banden te leggen met de cultuur welke ze ontmoetten in hun land van aankomst. Zowel door de ballingen als door de orthodox geworden westerlingen wordt deze emigratie uit Rusland gezien als een opzettelijk plan van God, om het orthodox geloof bekend te maken buiten haar traditioneel culturele ruimte. Maar dit werd ook mogelijk door de openheid van de Russen voor de cultuur waarin ze leefden. Zij beschouwden zich als de erfgenamen van een schat : zij wilden hem delen met hen die God riep om dit te ontdekken. De vertaling van de liturgische en spirituele teksten, alsook de celebratie in de taal van het land in vele kerken hebben dit geloof doen kennen zoals het beleefd werd. Citeren wij in dit verband het werk van metropoliet Antoine van Souroge, deze grote predikant van het Evangelie, onvermoeibare spirituele Vader voor allen die het vroegen. En wat moeten wij niet zeggen van een Paul Evdokimov, van een Vladimir Lossky en hun werk op het theologisch vlak, van een Leonid Ouspensky op het vlak van de iconen, om slechts de meest schitterende te vermelden. Zij waren allen geworteld in hun erfenis en tegelijk totaal openstaand voor de cultuur van de andere. Zij waren bereid om het met hen te delen .

Vader Cyrille Argenti zaliger gedachtenis zegt ons, tussen zoveel andere woorden door, dit : ‘Voor de orthodoxie is de zending essentieel het scheppen van een locale Kerk met haar eigen cultuur… Het gaat er niet om de cultuur van de moeder-kerk te exporteren, noch om de cultuur als zodanig van het land van zending te aanvaarden. Het gaat om een nieuwe schepping, om een werk van de Kerk gericht op een nieuwe culturele schepping met alles wat dit inhoudt’

Vandaag wordt heel mooi werk verricht op het plan van de liturgische zang door het monasterie van Cantauque. Geholpen door grote specialisten van de traditionele byzantijnse muziek, hebben de monniken deze zang weten aan  te passen aan de franse taal en aan de muzikale sensibiliteit van ons land (wat niet eenvoudig is). Deze nieuwe schepping is een mooie realisatie die allen die gevoelig zijn voor de projecten van deze aard moet aanmoedigen.

Wij hebben nieuwe kerken nodig voor onze verschillende gemeenschappen : moet men systematisch kerken bouwen met koepels of byzantijnse modellen nabootsen ? Met het risico dat men zich met dit type niet  in het landschap integreert !.

Zouden er niet voldoende architecten te vinden zijn die voldoende creativiteit weten aan de dag te leggen om ons voorstellen te doen van kerk-modellen die in harmonie zouden staan met de omgevende natuur en die evenzeer de liturgische noden respecteren van onze parochies en monasteria?.

Waar is de Basilios van vandaag die ons een theologie van hoog niveau heeft nagelaten en die plaatsen wist te creëren  om de armen en zieken troost te bieden : waar zijn de basiliossen van vandaag ? De Heilige Basilios wist dat er geen breuk mogelijk was tussen de liturgie en de concrete uitoefening van de liefde.

Het is niet nodig om de hard rock muziek te copiëren om in de kerk te zingen, noch om onze iconostases te realiseren in plastiek om de cultuur van vandaag en hier te beleven. Maar wellicht zullen we bv. moeten proberen om datgene wat onze voorvaderen hebben gedaan met de iconostase in de tijd van de eerste kerk, aan te passen, om zo toe te staan dat in onze heiligdommen de sacrale ruimte goed bewaard blijft, en die tevens zou toelaten dat de celebraties van de heilige mysteriën goed zichtbaar blijven.

Alles wat ik kom te onderlijnen, en deze voorbeelden zijn zeker niet voldoende, vraagt een waarachtige houding van innerlijke ommekeer, nederigheid, begrip voor de ander en het nastreven van de goddelijke wil. De Apostel Petrus, Paulus en de andere apostelen hebben een solide basis gelegd voor onze Kerk. Het is door het luisteren naar de Heilige Geest en in de trouw aan Christus dat zij zich hebben weten aan te passen aan de noden en aan de verschillende culturen van hen die zij ontmoetten, maar ook om oplossingen te zoeken voor de verschillende problemen die zich stelden : moet men, of niet, de ritus van de besnijdenis bewaren ? Paulus was er voor om dit niet op te leggen aan de heidenen die zich bekeerden, Petrus had een andere mening ! Na een confrontatie werd een oplossing gevonden in het gebed en in de liefde dat op de twee de overhand kreeg en in het verlangen van de innerlijke bekering van ieder.

De Apostel Paulus zegt :  ‘Er zijn geen joden noch grieken meer.
..’, wij weten goed wat hij hiermee bedoelde. Wij moeten in dezelfde zin verder gaan, en hopelijk zullen we niet horen wat op een bepaalde dag een vreemde orthodoxe hiërarch mij zei : ‘Wij kunnen mekaar niet verstaan want we hebben niet dezelfde cultuur..’.

Op de vraag : ‘Hoe moeten wij het Evangelie vandaag de dag verkondigen ?’, kunnen we antwoorden door het woord en het leven. Wat is het meest belangrijke : getuigen : getuigen door het woord of door het leven ? In de periode van de antieke vervolgingen , evenals gedurende de vervolgingen die velen onder onze broeders hebben gekend in de communistische landen, hebben sommige martelaren (dus zij die getuigenis hebben afgelegd van hun geloof) hun mond gebruikt om zich te verdedigen en zijn tot het uiterste gegaan, tot aan het geven van hun leven voor Christus.  Anderen hebben daarentegen het wapen van de stilte gebruikt, zoals lammeren die men naar de slachtbank leidt. De Heer zelf heeft aan Pilatus en aan diegenen die Hem ondervroegen geantwoord, maar Hij had weten te zwijgen op andere momenten. Wat zeker is, is dat zij allen getuigen zijn door de authenticiteit van hun leven.

Een woord is overtuigend indien het de waarachtige , eerlijke en oprechte uitdrukking  is van een authentieke ervaring.

Het is nu enkele jaren geleden dat ik de gelegenheid had om mooie woorden te beluisteren over de barmhartigheid van God en over datgene wat wij moeten beleven met onze broeders. De priester die zich uitdrukte had echt het talent van een redenaar en zijn uiteenzetting heeft mij overtuigd. Later, toen hij een belangrijke hiërarchische post bekleedde, zou ik graag in hem de voortzetting hebben gezien van een waarachtige apostel van de evangelische barmhartigheid, maar helaas, hij stelde daden die zozeer in tegenspraak waren met zijn woorden, dat ik voortaan niet meer kon instemmen met zijn woorden. Een simpele vraag om vergiffenis zou alles weer hebben kunnen goedmaken, maar die dag is er nooit gekomen…. Wanneer ik een klein kind was, werd ik opgevoed door religieuzen. Ik herinner me nog steeds één van hen : ik heb hem nooit horen praten, maar zijn blik, zijn nederigheid, zijn steeds vrolijk gezicht hebben mij getekend tot op vandaag en ik dank God voor deze man die zonder ook maar één woord te zeggen, mij heeft doen inzien tot wat een waarachtige band met God kan leiden.

Ik zal niet verder uitweiden met voorbeelden : geheel de wereld zal het begrepen hebben : het woord evenals het leven kunnen helpen om het Evangelie te verkondigen, maar dan enkel op voorwaarde dat men eerlijk is en dat men de hypocrisie in de vuilbak gooit met een goed deksel erop.

Wat wil zeggen ‘het Evangelie verkondigen’ ? Het betekent de Blijde Boodschap verkondigen, te weten, dat God ons liefheeft en ons zonder voorwaarde bemint en dat wij hiervan getuigen zijn.

Men moet vandaag, meer dan gisteren, getuigen van deze onvoorstelbare liefde die God kenmerkt!. Maar hoe ? Vooreerst door nogmaals te kijken hoe Jezus heeft gehandeld.

Herinneren wij ons de ontmoeting met de Samaritaanse, Jezus vroeg haar te drinken.Herinneren wij ons de ontmoeting met Zacheüs aan wie Jezus vroeg om een maaltijd klaar te maken.Herinneren wij ons  ook de zondares die Jezus toestond om Zijn voeten te zalven met haar tranen en ze af te drogen met haar haar, tot grote ergernis van Zijn gasten.

En vervolgens nog de overspelige vrouw die op het punt stond gelyncht te worden. Jezus redde haar, en veroordeelde haar ook niet, maar hij nodigde haar met zachtheid uit om niet meer te zondigen….

Ik zal hier eindigen met de parabel van de verloren Zoon, een hoogtepunt van de uitdrukking van Gods barmhartigheid, er bestaat geen grotere manifestatie van Liefde zonder voorwaarde welke de schepper geeft aan Zijn schepsel, ondanks zijn vrijwillige verwijdering….

Waar is het oordeel ?

Waar is de veroordeling ?

Waar is het misprijzen ?

Waar en wanneer voert de Heer hen mee in de schuld ?

Wij moeten zeer waakzaam zijn voor de manier waarop wij allen die ik kom te citeren, gaan behandelen : deze uitleg zou voor ons moeten volstaan om te begrijpen wat dient gedaan te worden om het Evangelie vandaag de dag aan de wereld te verkondigen !

Als je het wilt, laten we ook nog het medelijden eraan toevoegen, die maakt dat Jezus lijdt met hen die lijden, weent met hen die wenen. Dit zet Hem ertoe aan de zieken te genezen, de gebrekkigen te doen opstaan, het zicht te geven aan de blinden en de zoon van de weduwe van Naïm  en Zijn  vriend Lazarus te doen opstaan uit de doden.

Vergeten we ook niet de vergiffenis aan de beulen, zijn geduld met Zijn leerlingen.

Maar dit volstaat niet !

Men moet handelen naar het beeld van wat Jezus heeft gedaan. Wij moeten alles doen om barmhartig te zijn; wij moeten alles doen om niet te oordelen, om niet te veroordelen, om niet te misprijzen en verder, om niet het gevoel van schuld te geven in het hart van diegene die voor ons staat en die wacht op onze liefde !

Wij moeten categorisch elke moraliserende houding weigeren die slechts een gevoel geeft van afwijzing en die elke poging van begrip en liefde uitsluit.

In de wereld van vandaag worden wij, als wij het Evangelie moeten verkondigen, geconfronteerd met dezelfde situatie als die waar Christus mee geconfronteerd werd : er zijn altijd kwaadaardige mensen, dieven, leugenaars, hypocrieten, moordenaars, prostituees van allerlei soort, overspelige mannen en vrouwen….

Maar er zijn ook een heleboel nieuwe vormen van zwakheid, van bekoringen, van situaties die we niet gewoon zijn noch op voorbereid of zo weinig…

Wat moeten wij doen ten overstaan van vrouwen die abortus plegen  : moeten we hen zeggen dat het goed is en hen bemoedigen in hun laksheid ? Zeker niet. Moeten we hen zeggen dat ze veroordeeld zijn en dat God hen in geen enkel geval zal vergeven (ik ken een vrouw die uitgesloten werd van de sacramentele communie omwille van een abortus) ?. Neen, dit is niet de goede houding : het antwoord op deze vraag kennen wij : Christus legt eerst vanuit Zijn liefde een verzachtende zalf op de wonde veroorzaakt door de zonde (als er al sprake is van zonde….), vervolgens is Hij medelijdend en barmhartig en moedigt Hij aan om niet meer terug te vallen in de zwakheid.

Wat moeten wij doen en zeggen ten overstaan van jongeren die meer en meer ‘als’ gehuwden leven zonder het sacrament van het huwelijk te hebben ontvangen? Leven zij in zonde ? Ik denk niet dat dit de goede oplossing is. Wellicht is het beter hen uit te leggen, zonder te oordelen, dat zij zich hierdoor van de genade beroven, maar dat zij op het geschikte moment altijd nog het sacrament ku
nnen ontvangen. En vervolgens is het wellicht gepast dat wij begrijpen dat sommige jongeren angst hebben om zich te engageren en dat deze angst dikwijls gevoed wordt door weinig bemoedigende voorbeelden die wij hen hebben gegeven ! Hoeveel vrouwen en mannen hebben hun partner bedrogen en verbergen hypocriet hun fout door hun partner te laten geloven dat alles goed gaat. Dikwijls slepen zij daarmee ook hun omgeving mee in de miserie. Dat diegene die nooit gezondigd heeft de eerste steen werpe….

Ten overstaan van deze situaties is het van belang eerst proberen te begrijpen waarom dit gebeurt of bestaat, vooraleer men zich overgeeft aan het oordeel of de veroordeling. En indien dit niet gaat door middel van het intellect, dan moet men het doen vanuit het hart!

Er zijn nog heel wat zaken die men niet begrijpt, nl. alles wat betrekking heeft op de seksualiteit is zeer complex : niemand kan het ontkennen en vele priesters worden geconfronteerd met moeilijke situatie wanneer zij hun problemen aan hem komen toevertrouwen. Of het nu gaat om situaties binnen of buiten het huwelijk, binnen het priesterschap of het monachisme. Wie begrijpt bv. Het feit, dat twee personen van hetzelfde geslacht zich tot mekaar aangetrokken voelen : geen enkele wetenschappelijke, sociologische of een andere is toereikend, en zelfs indien er al een uitleg voor zou zijn, wat zullen wij doen ? Tot wat dient de verwerping, de veroordeling, het misprijzen, het schuldgevoel ? Dit is nooit de houding van de Heer geweest. Wat moeten wij doen om waarachtige getuigen van het Evangelie van Christus te zijn ? Laten wij misschien beginnen met nederig te zijn, laten we geen beoordelaars zijn.  Laten wij proberen om te doen begrijpen wat liefde is, of wat het niet is.  Dat het niet goed is de ander te gebruiken als een instrument van plezier (en dit geldt voor elke vorm van seksuele gerichtheid). Men kan  de vraag van de integriteit en zelfs van onthouding naar voor brengen, maar dan niet onder de vorm van een systematische verplichting maar als een mogelijke keuze die in vrijheid overwogen kan worden. Indien men het lijden die uit deze situaties voorkomt heeft bemind en begrepen, dan is men dicht bij datgene wat Christus zou hebben gedaan in onze plaats. Indien men de persoon zou hebben aangemoedigd om de zonde te vermijden, door te verduidelijken dat het niet de seksuele daad zelf is die een zonde is, maar datgene wat men ermee doet, zal gehandeld hebben als een herder.

Het lijkt me dat de verschillende spirituele verantwoordelijken (leken, diakens,priesters,bisschoppen) pastorale bijeenkomsten zouden moeten organiseren om al deze nieuwe ethische vragen te behandelen.

Niet om wetten voor te schrijven en leringen ex-cathedra, maar om samen te zoeken naar een evangelische aanpak van de verschillende vragen die onze broeders en zusters uit ons midden raken. Men heeft er alles bij te winnen om niet laks te zijn, noch om als rechters op te treden die veroordelen, maar wel om te zoeken hoe in waarheid te beminnen : ziedaar wellicht de voornaamste en meest waarachtige ascese van de authentieke herder….

Het zou ook passen om te spreken over de verkondiging van het Evangelie aan jongeren (en minder jongeren) die zich drogeren met alle mogelijke vormen van verdovende middelen en alcohol. Wij moeten hier dezelfde besluiten trekken als bij het voorgaande : geen onnodige oordelen, geen oneerbiedige veroordeling, maar luisteren naar diegene die door een gebrek aan liefde moet lijden en  meegesleept wordt in valse oplossingen: nogmaals wil ik benadrukken, dat we hen die in zulke situaties zijn beland duidelijk moeten maken dat zij door God worden bemind,en ook door ons, zoveel als in onze mogelijkheid ligt. Wij moeten hen zeggen dat Christus hen nooit zal verwerpen(citeer in dit geval het Evangelie) en dat gans Zijn barmhartigheid hen wordt verleend wanneer zij vallen…. Dat Jezus niet gekomen is voor hen die zich sterk achten, maar voor hen die zwak zijn, ‘een arme heeft geroepen, God luistert naar hem’ zegt de psalmist. Wij moeten in deze woorden geloven en er van overtuigd zijn dat ze ook aan ons worden gezegd, wie we ook zijn !

Wellicht zullen sommigen onder u me zeggen : gij hebt niet gesproken over de manier waarop wij het Evangelie moeten verkondigen aan de atheïsten, de niet-gelovigen en de onverschilligen. Er bestaan dialogen met deze verschillende categorieën van mensen, en ik denk dat dit een goede zaak is, maar het lijkt me dat datgene wat het meest ontbreekt aan deze problematiek een zekere evidentie van de liefde is, iets wat de aandacht trekt, de opmerkzaamheid, het hart….

Datgene wat het meest van al ontbreekt is dat deze mensen zouden kunnen zeggen ‘ziet hoe ze elkaar liefhebben’ ! Nog onlangs heeft een atheïst die de moed had om aan een liturgie deel te nemen die ik in Bretagne celebreerde mij bevestigt dat het hem onmogelijk is in God te geloven zolang diegenen die zich op Hem beroepen, de evidentie van de onenigheid manifesteren. Waarschijnlijk was dit een gemakkelijke rechtvaardiging ? Maar indien dit zo niet  was ? Gaan wij soms niet te ver in onze geruststellende zelfrechtvaardiging. In elk geval als we gans ons leven zoeken om als christenen onder mekaar, van welke kleur ze ook zijn, lief te hebben, dan is dit zeker geen verloren zaak en het zal een goede manier blijven om het Evangelie te verkondigen aan de wereld van vandaag !.

Ik wil u een tekst citeren die mij zeer aanspreekt. Hij is geschreven door Vader Lev Gillet, de monnik van de Oosterse kerk. Het is een uittreksel van het werk , getiteld : de eucharistische offerande. Hij richt zich tot priesters, maar je zal zien dat deze tekst evengoed van toepassing is voor ieder van ons :

‘De priester moet er op de eerste plaats zijn  voor hen die lijden.  Als hij in één zin gans de boodschap van Christus moet samenvatten, dan moet hij zich houden aan dit woord van de Heer : ‘Kom tot Mij, gij allen die belast en beladen zijt en ik zal u verkwikken.’ Want de taak van een priester bestaat erin om alle fysisch en moreel lijden, elke nood aan…    te oriënteren op de Redder.  Het is hier onmogelijk om in concrete details te treden over de hulp die de priester moet geven om het menselijk lijden te verzachten. Want elk geval is op een zekere manier, origineel en uniek. Men kan voor de verschillende gevallen geen algemeen regel opleggen. Datgene wat zeker is en toepasbaar in alle gevallen, is, dat het niet voldoende is om aan de gekwetste ziel een liefdevolle vermaning te geven, of hen te begeleiden naar geschikte instellingen. De priester heeft niets gedaan zolang hijzelf niet de last van de andere heeft gedeeld, zonder dat hijzelf ook niet heeft getracht om deze last te dragen (op een manier die verschilt naargelang van de situatie, en ze moet geleid worden door de genade) zolang zijn medelijden hem niets ‘kost’ en hem niet op weg zet naar een duidelijk offer. Onder diegenen die lijden heb je op de eerste plaats de zondaars. Hun kwaad vereist van de priester een nederigheid, die de zonde veroordeelt maar nooit de zondaar. Het vereist eveneens een voetwassing, gedaan  met fijngevoeligheid en een bijzondere tederheid.

Hoe kan de priester de voeten van de zondaar wassen ? Misschien door met hem te praten, misschien door hem het goede dat in elke mens aanwezig is van de zonde te leren onderscheiden en door de zondaar te helpen om zich te concentreren op deze lichtstraal en hem te doen groeien. Maa
r zeker door het gebed en door een zwijgzame, handelende liefde. Hij moet de zondaar liefhebben, over de grenzen van zijn zonde heen (dit is alleen mogelijk door de genade)… Heer Jezus leer mij meer en meer de diepten van Uw barmhartige liefde te doorgronden en deze liefde te verkondigen aan allen die Gij mij op mijn weg laat ontmoeten.’

Ik wil deze zin, door Christus gericht aan een heilige franse moniale van de orde van de Augustinessen : Moeder Yvonne de Beminde, meegeven :’Ik maak geen enkel onderscheid tussen een onschuldig hart en een bezoedeld hart. Het is diegene die mij het meeste liefheeft die mij het dierbaarst is !.

Wij moeten hier besluiten en plaats laten voor vragen en dialoog.

Als wij niet volledig kunnen antwoorden op deze immense vraag die het thema van onze diocesane bijeenkomst vormt, lijkt mij deze houding de moeite waard om voor te stellen : in de mate dat wij onvoldaan zullen blijven voor de manier waarop wij vandaag getuigen proberen te zijn, in de mate dat wij zullen zoeken hoe wij in waarheid moeten zeggen tot hen die ons omringen, dat ALLEN DOOR GOD BEMIND WORDEN ! , zal de Heer zijn werk kunnen verderzetten doorheen zijn apostelen, zijn gelovigen, zijn herders !. Laten we ons niet vergissen, het is eerst God die zich aan ons openbaart en deze openbaring heeft geen einde : zoals Vader Alexander Men het heeft gezegd : ‘Het christendom begint pas!’

Vertaling : Kris Biesbroeck

drie eenheid111

PINKSTEREN (Artikel)

 


HOOGFEEST VAN PINKSTEREN


      Zie ook het artikel over de ICOON van Pinksteren

Pinksteren 5

 Pinksteren : moderne icoon

Op deze achtste zondag van het Pascha, vieren wij het heilige Pinksterfeest (vijftigdagenfeest). In een hevige stormvlaag deelt Christus aan zijn Apostelen de Heilige Geest mede, onder de gedaante van vurige tongen: in geweldige kracht komt de Geest over de vissers. Door de gebeden van de Heilige Apostelen, Christus onze God, ontferm U over ons.

                                                          (Synaxarion)

Pinksteren wordt ook wel in de liturgische boeken genoemd als “De Zondag van de Vijftigste Dag”.  Een benaming die op zich genomen over de inhoud van het feest dus niets meedeelt.

Uit de Heilige Schrift weten we dat vijftig dagen na Pasen de H. Geest onder de gedaante van vurige tongen over Christus’ leerlingen neerdaalde.

Vóór zijn Hemelvaart, had Christus aan zijn leerlingen de nederdaling van de Heilige Geest beloofd en daarom bleven “zij allen eensgezind volharden in het gebed samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus en met zijn broeders”  (Hand. 1,14) te Jeruzalem.

En negen dagen later had inderdaad deze Nederdaling van de Heilige Geest plaats, precies op de dag van het grote Joodse feest der “Pentecostes” of vijftig dagen, waarbij “die heilige dag”  (Lev. 23,21) werd gevierd waarop de Heer aan Mozes de Wet of Tien Geboden gaf, toen het volk van Israël aan de voet van de berg Sinaï kampeerde, vijftig dagen na de doortocht van de Rode Zee en de uittocht uit Egypte.

In het nieuwe Verbond krijgt de “doortocht” zijn nieuwe betekenis in de Dood-Verrijzenis van Christus en de “uittocht” in de overgang van de mens uit de zondige wereld naar het Koninkrijk Gods. Bovendien wordt in het Nieuwe Testament het feest der “Pentecostes” geheel hernieuwd door de vestiging van de “nieuwe wet”, de nederdaling van de Heilige Geest over de leerlingen van Christus.

Plotseling kwam er uit de hemel een gedruis als of er een hevige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren, was er vol van. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen nederzette. Zij werden allen vervuld van de Heilige Geest…  (Hand. 2,2-4).

En door de kracht die zij van boven ontvingen, begonnen de Apostelen te prediken en getuigenis af te leggen van Jezus als de verrezen Christus, de Koning en de Heer. Dit ogenblik wordt algemeen beschouwd als dat van het Ontstaan van de Kerk.

In de orthodoxe traditie is de Zondag van Pinksteren echter tevens het feest der Drieëenheid. Immers, de nederdaling van de Heilige Geest houdt de volledige revelatie in van de Heilige Drieëenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest. De volheid van de Godheid manifesteert zich in de nederdaling van de Geest en door deze manifestatie toont en schenkt de Godheid zich geheel aan de wereld van Haar Schepping.

Ons Pinksterfeest is de herdenking en de viering van dit feit.

In de plechtige morgen-officie van het feest wordt de Ikoon van de dag uitgedragen, die de Drieéénheidsikoon is, de voorstelling namelijk van de drie Engelen die bij Abraham te gast waren (Genesis 18) en waarin de Kerkvaders veelal een openbaring zagen van de Heilige Drie-Eenheid. Blijkbaar is Pinksteren dus vooral de dag waarop het mysterie van de ene God in drie Personen wordt gevierd.

De liturgische teksten van het feest geven daartoe ruimschoots aanleiding.

Komt, volken, om de Driepersoonlijke Godheid te aanbidden: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Want buiten alle tijd brengt de Vader voort de medeëeuwige en medetronende Zoon, en de Heilige Geest is in de Vader en wordt verheerlijkt met de Zoon. Eén Macht, één Wezen, één Godheid: wij allen aanbidden en zeggen: Heilig zijt Gij God die door de Zoon alles geschapen hebt, tezamen met de energie van de Heilige Geest. Heilig is de Sterkte, door wie wij de Vader mogen kennen, en door Wie de Heilige Geest in de wereld gekomen is. Heilig is de Onsterfelijke, de Geest die in de wereld gekomen is. Heilig is de Onsterfelijke, de Geest, de Trooster, Die uitgaat van de Vader, en Die rust in de Zoon. Heilige Drie-Eenheid, ere zij U.”                                  (uit de Vesperdienst)

In dit gezang en in nog vele andere nodigt de Kerk haar kinderen uit het mysterie van Gods Eénheid in Drie Personen te beschouwen en te bezingen. Toch zou het een onjuiste voorstelling zijn van Pinksteren, wanneer hierbij geen aandacht zou besteed worden aan de neerdaling van de Heilige Geest.

Het is waar, de tweede Pinksterdag is uitsluitend gewijd aan de H. Geest en de Ikoon van die dag is bij voorkeur een voorstelling van Zijn komst in de gedaante van vurige tongen.

Maar ook al op de eerste dag wordt reeds hetzelfde feit gevierd. Er wordt een verband gelegd tussen de viering van de Heilige Drie-Eenheid en de komst van de Heilige Geest.

“De Heilige Geest is het Leven en de Levendmaker; het Licht en de Schenker van het licht; de Goede en de Bron van goedheid; door Hem wordt de Vader gekend, door Hem wordt de Zoon verheerlijkt en door allen gekend.”

“Wij hebben het ware Licht aanschouwd.

Wij hebben de Hemelse Geest ontvangen.

Wij hebben het ware geloof gevonden.

Wij aanbidden de ondeelbare Drie-Eenheid,

want ’t is Zij Die ons heeft gered.”

Telkens weer opnieuw komt men in de Goddelijke Liturgie er op terug dat er tussen de komst van de Heilige Geest en de verering van de Heilige Drie-Eenheid een verband bestaat; dat de H. Geest door de Vader werd gezonden na de verlossing van het menselijk geslacht door de Zoon; en dat door de komst van de H. Geest het Goddelijk heilsplan met betrekking tot de verlossing van het mensdom pas volledig werd geop
enbaard.

Zo zien we dus, dat deze sterke benadrukking van het geheim van de Heilige Drie-Eenheid op Pinksteren nog niet zo vreemd is.

De oude profetie van Joël wordt door Petrus herhaald en bevestigd in zijn eerste redevoering tot de Kerk van Christus (Hand. 2,14-17): Petrus trad naar voren met de elf en verhief zijn stem om het woord tot hen te richten: “…Het zal geschieden in de laatste dagen, zegt God, dat Ik mijn Geest zal uitstorten over alle mensen…”

In de viering van Pinksteren beleven wij wat aan ons moet geschieden en in werkelijkheid al geschiedt in de Kerk vandaag. Wij zijn allen gestorven en wij zijn allen verrezen met de Koning-Verlosser, en wij hebben allen de Heilige Geest ontvangen. Wij zijn de “tempel van de Heilige Geest”.  De Geest Gods woont in ons. Als leden van de Heilige Kerk hebben wij in het Sacrament van het H. Vormsel “het Zegel van de Heilige Geest”  ontvangen. Pinksteren is in ons allen voltrokken !

Vader Bernard Peckstadt

Didachè in het Portugees

 

Didache no português

Atos – Capítulo 15

Segundo a Peshitta Jerusalém (manuscrito aramaico do 1o. Século) Traduzido por Sha’ul Bentsion

Didache

1 Então alguns que tinham descido de Yehudá ensinavam aos irmãos: Se não vos circuncidardes, segundo o costume da Torá, não podeis ter a vida eterna. 2 Tendo Sha’ul e Bar Naba muita disputa e discussão com eles, os irmãos resolveram que Sha’ul e Bar Naba e mais alguns dentre eles subissem a Yerushalayim, aos sh’lichim e aos anciãos, por causa desta disputa. 3 Eles, pois, sendo acompanhados pela Kehilá por um trecho do caminho, passavam pela Fenícia e por Shomeron, contando a conversão dos goyim; e davam grande alegria a todos os irmãos. 4 E, quando chegaram a Yerushalayim, foram recebidos pela Kehilá e pelos sh’lichim e anciãos, e relataram tudo quanto Elohim fizera por meio deles

5 Mas alguns da seita dos p’rushim, que tinham crido, levantaram-se dizendo: É necessário primeiro circuncidá-los, para então mandar-lhes observar a Torá de Moshe. 6 Congregaram-se pois os sh’lichim e os anciãos para considerar este assunto. 7 E, havendo grande discussão, levantou-se Shimon e disse-lhes: Irmãos, bem sabeis que já há muito tempo Elohim me elegeu dentre vós, para que os goyim ouvissem da minha boca a palavra das Boas Novas e confiassem. 8 E Elohim, que conhece os corações, testemunhou a favor deles, dando-lhes a Ruach HaKodesh, assim como a nós; 9 e não fez distinção alguma entre eles e nós, purificando os seus corações pela fé. 10 Agora, pois, por que tentais a Elohim, pondo sobre a cerviz dos talmidim um jugo [isto é, pondo uma responsabilidade nas costas dos talmidim] que nem nossos pais nem nós pudemos suportar? 11 Mas cremos que temos a vida eterna pela graça do Senhor Yeshua, do mesmo modo que eles também. 12 Então toda a multidão se calou e escutava a Bar Naba e a Sha’ul, que contavam quantos sinais e prodígios Elohim havia feito por meio deles entre os goyim.

13 Depois que se calaram, Ya’akov, tomando a palavra, disse: Irmãos, ouvi-me: 14 Shimon relatou como primeiramente Elohim visitou os goyim para tomar dentre eles um povo para o seu Nome. 15 E com isto concordam as palavras dos profetas; como está escrito: 16 Depois destas [coisas] voltarei, e reedificarei o tabernáculo de David, que está caído; reedificarei as suas ruínas, e tornarei a levantá-lo; 17 para que o remanecente dos homens busque a YHWH [Marya/MarYah], sim, todos os goyim, sobre os quais é invocado o meu nome, diz YHWH que fez todas estas [coisas]. 18 As obras de Elohim são conhecidas desde a antigüidade. 19 Por isso, julgo que não se deve perturbar aqueles, dentre os goyim, que se convertem a Elohim, 20 mas escrever-lhes que se abstenham da impureza daquilo que é sacrificado [aos ídolos], da imoralidade sexual, do que é estrangulado, e do sangue. 21 Porque Moshe, desde as primeiras gerações, tem em cada cidade homens que o proclamam, e que o lêem a cada Shabat nas sinagogas. 22 Então os sh’lichim e os anciãos com toda a Kehilá escolheram homens dentre eles e os enviaram à Antioquia com Sha’ul e Bar Naba, a saber: Yehudá, chamado Bar Saba, e Sila, homens que eram líderes entre os irmãos. 23 E por meio deles escreveram o seguinte: Os sh’lichim e os anciãos, irmãos, aos irmãos dentre os goyim em Antioquia, na Síria e na Cilícia, shalom. 24 Portanto ouvimos que alguns homens que ensinam dentre vós, que alegam terem sido enviados por nós, aos quais nada mandamos, vos têm perturbado com palavras, confundindo as suas almas, dizendo que vós deveis primeiro serem circuncidados para então observar a Torá, o que não os mandamos [dizer] 25 Por isto, todos nós reunidos, escolhemos alguns homens e os enviamos com os nossos amados Bar Naba e Sha’ul, 26 homens que têm se comprometido em prol do nome de nosso Senhor Yeshua HaMashiach. 27 Enviamos portanto Yehudá e Sila, os quais também por palavra vos anunciarão as mesmas coisas. 28 Porque pareceu bem à Ruach HaKodesh e a nós não vos impor maior encargo além destas coisas necessárias: 29 Que vos abstenhais das coisas sacrificadas aos ídolos, e do sangue, e da [carne] estrangulada, e da imoralidade sexual; e destas coisas fareis bem de vos guardar.Portanto o caminho da vida é este: 30 Primeiramente, deveis amar a Elohim, que vos criou. Depois, ao próximo como si mesmo. E vós nunca devereis fazer a outros aquilo que não desejais que os outros

vos façam. 31 E destes dizeres, o ensinamento é este: Abençoai a todos os que vos amaldiçoam, e orai pelos vossos inimigos, e jejuai por todos aqueles que vos perseguem. Pois o que há de bom em amar apenas àqueles que vos amam? Acaso não fazem as nações o mesmo? Mas vós deveis amar àqueles que vos odeiam; e vós não deveis ter inimigos. 32 Afastai-vos de todo yetser hará e desejos mundanos. Se alguém vos bater na face direita, volta a ele a outra também. Esta prática vos conduzirá à perfeição. Se alguém vos pedir para caminhar uma milha, ide com ele duas ao invés. Se alguém vos tomar a túnica, dai também a ele o vosso agasalho. Se alguém tomar algo de vós, não cobreis de volta, pois que proveito há nisso? 33 Dai a todo aquele que pedir a vós, e não pedi nada em troca, pois o Pai deseja que demos a todos de nossas próprias b’rachot, as quais são dádivas gratuitas. Feliz é aquele que dá conforme a mitsvá, pois este é inocente. Ai daquele que recebe, pois se tendo necessidade receber, ele é inocente. Mas se, não tendo real necessidade, receber, será punido por ter recebido sem razão. E será confinado e examinado por essas coisas conforme o que fez, e não escapará até que pague a última moeda. 34 Agora, acerca disto, também foi dito: Que a vossa tsedaká fique suada pela firmeza da palma de vossas mãos, até que saibais para quem dar. 35 A segunda das mitsvot deste ensinamento é esta: Não adulterarás; não cometerás pederastia; não cometerás prostituição; não praticarás encantamentos; não conjurarás; não assassinarás uma criança que ainda não nasceu; não cobiçarás as propriedades de teu próximo; não cometerás perjúrio; não levantarás falso testemunho; não cometerás lashon hará; não guardarás rancor. 36 Não terás mente dobre, nem língua dobre, pois a língua dobre é uma armadilha que te levará à ruína. 37 Tua fala não será falsa, nem vã, mas cheia de bondade. 38 Não desejarás as posses de outro, nem serás ganancioso, nem um hipócrita, nem disposto a fazer o mal, nem arrogante. Não tomarás conselho maligno contra teu próximo. 39 Não odiarás a homem algum, mas repreenderás a alguns, e acerca desses tu os sustentarás em tuas orações. E a esses tu os amarás mais do que tua própria vida. 40 Meu filho, foge de qualquer mal e de qualquer aparência do mal. 41 Não viverás uma vida repleta de raiva, pois a raiva conduz ao assassinato. Nem serás invejoso ou incitarás brigas, pois nenhuma destas coisas são adequadas para um seguidor do Mashiach. 42 Meu filho, não te preenchas de luxúria, pois a luxúria leva à prostituição. Nem cometerás lashon hará nem olharás [para alguém] com olhar de arrogância, pois todas essas coisas conduzem à infidelidade, e não são adequadas para um seguidor do Mashiach. 43 Meu filho, não te associes àquele que lida com feitiçaria, porque tais práticas

conduzem à idolatria, nem com quem opera encantamentos, nem com que adora às estrelas e os snais, nem com um mago, nem mesmo segue àqueles que buscam tais coisas, ou permaneça na companhia deles; pois todas essas coisas conduzem à idolatria, e não são adequadas para um seguidor do Mashiach. 44 Meu filho, não mintas, pois a mentira conduz ao roubo, nem seja ganancioso nem orgulhoso; pois todas essas coisas conduzem ao roubo, e não são adequadas para um seguidor do Mashiach. 45 Meu filho, não andeis murmurando, pois isto conduz à blasfêmia, nem busqueis a tua própria vontade, nem penseis pensamentos malignos; pois todas essas coisas fazem operar a blasfêmia. 46 Mas sede manso, porque é o manso quem herdará a terra. 47 Sejas paciente quando sofredes injustiça e compassivo e sem malícia e calmo e amável para com todos, sempre bem atento a tudo o que ouviste. 48 Não te exaltes; nem te permitas ser insolente. 49 Não andeis com os orgulhosos, mas te mantem na companhia dos que são íntegros e humildes. 50 Quaisquer provações e tribulações que encontrares, receba-as para seu próprio bem, sabendo que nada é feito sem o conhecimento de Elohim. 51 Meu filho, lembra-te daquele que te ensina a Palavra de Elohim. Noite e dia e o honrarás como quem honra ao Senhor; para sempre que e onde quer que Divar seja falado, o Senhor está presente. 52 Além disso, siga diariamente àqueles que andam como os santos, para poderes encontrar descanso em suas palavras. 53 Não causes divisão, mas sede pacífico mesmo com quem está sempre incitando controvérsia; julgues corretamente e, ao exortar, não sejas parcial a favor daqueles que transgridem a Torá. 54 Não duvides [de Elohim] se algo ocorrerá ou não. 55 Não te encontres de mão estendida para receber dinheiro a todo o tempo, mas sim recolhida, como quem dá. 56 Se reterdes qualquer coisa [de um necessitado], por tuas mãos pagarás o preço de seus pecados. Não hesites em dar, nem murmures quando der; ou [Elohim] te ensinará o que é um bom empregador. 57 Não voltes tua face dos que estão em necessidade, porém, reparte tudo com teu irmão; e não digas que são seus próprios bens, pois toda boa coisa provém do Pai. Se vós partilhais a vida eterna, quanto mais as coisas que perecerão? 58 Não remova sua mão de seu filho ou filho; porém, ensina-lhes o profundo temor de Elohim desde a sua mocidade. 59 Não dês ordem a teus criados enquanto estiveres irado, pois eles têm fé no mesmo Elohim; porquanto podem se ofender e deixarem de reverenciar ao Elohim

que está acima de ambos: mestre e criado. Porque Ele não chama de acordo com aparência exterior, mas a todo aquele a quem a Ruach preparou. 60 E vós criados sede submissos a vossos mestres como que ao Senhor, em modéstia e reverência. Desprezai toda a hipocrisia e tudo o que não agrada a YHWH, conforme mostrado em Suas mitsvot. 61 Nunca abandones as mitsvot de YHWH; mas guarda o que recebeste, sem acrescentar ou remover delas. 62 Na companhia de seus irmãos confessarás teus pecados; e nunca digas uma oração tendo uma consciência má. Este é o caminho da vida. 63 E o caminho da morte é este: Primeiramente, todas estas coisas são más e malditas: assassinato, adultério, luxúria, prostituição, roubo, idolatria, magia, feitiçaria, estupro, falso testemunho, hipocrisia, coração dobre, engado, arrogância, depravação, obstinação, ganância, fala vulgar, ciúme, excesso de confiança, arrogância, ostentação; perseguição ao bem, ódio à verdade, amar a mentira, não reconhecer retidão, não se apegar ao bem nem julgar de maneira íntegra, não desejar ver o bem mas sim o mal; 64 destes estão longe a mansidão e a persistência – amam vaidades, buscam vingança, não mostram misericórdia ao pobre, não obram pelo aflito, recusam-se a conhecer Àquele que os fez, infanticidas, destruidores daquilo que Elohim criou, voltando deliberadamente a face de quen está em necessidade, enquanto afligem a quem está sofrendo, defensores dos ricos, opositores da Torá, julgando aos pobres e pecando descaradamente. 65 Filhos, mantende-vos bem longe de tais coisas, e que aqueles que as praticam sequer sejam achados em vossa companhia. 66 Cudeis para que ninguém se desvie da halachá deste ensino, pois se alguém vos ensinar a se desviar, estará vos fazendo se afastarem de Elohim. 67 Pois se fordes capazes de suportar todo o jugo de YHWH, sereis perfeitos; mas se não puderdes fazer tudo o que é requerido, façais o que fordes capazes, a medida que aprenderdes. 68 Acerca da comida, façais o que fordes capazes; mas sede muito cautelosos daquilo que é sacrificado a ídolos; pois é para serviço de deuses mortos. 69 Acerca da imersão, deveis imergir desta maneira: 70 Tendo primeiramente ensinado [à pessoa] todas estas coisas, imergi em água corrente. 71 Mas vós não tiverdes nenhuma água corrente, imergi em outra água; e se a água não for fria, que seja morna. 72 Mas se vós não tiverdes água suficiente para a imersão, derramai da água três vezes sobre a cabeça. 73 Mas antes da imersão, que aquele que imergir jejue, bem como o que desejar

ser imergido, e se possível todos os que estiverem por testemunhas. Mas ao menos deve jejuar aquele que desejar ser imergido, por um ou dois dias antes da imersão. 74 Mas não façais seus jejuns junto aos hipócritas, porque eles jejuam no primeiro e quinto dias. Ao invés disso, é nossa tradição jejuar no quarto dia e antes do Shabat. 75 Não oreis como os hipócritas; mas sim como Yeshua ordenou nas Boas Novas: 76 Nosso Pai Celestial, santificado seja o Teu Nome. Venha o Teu Reino. Seja feita a Tua vontade assim no céu, como na terra. Dá-nos o pão da nossa necessidade hoje. Perdoa as nossas dívidas, tal como perdoamos aos nossos devedores. E não permita que sejamos levados à provação, mas livra-nos do maligno. Pois teu é o Reino, o poder e a glória para todo o sempre. Amen 77 Assim deveis orar três vezes ao dia, tal como o Senhor nos ensinou. 78 Agora relativo ao Seder de Pessach, dai graças desta maneira: Primeiro, acerca do cálice: 79 Nós te agradecemos, nosso Pai, pela sagrada Videira Vida de David teu servo, que Tu nos fizeste conhecer através de Teu Servo Yeshua; a Ti seja a glória para todo o sempre. 80 Acerca da matsá partida, dai graças desta maneira: 81 Nós te agradecemos, nosso Pai, pela vida e pelo conhecimento que Tu nos trouxeste através de Teu Servo Yeshua; a Ti seja a glória para todo o sempre. 82 Tal como esta matsá foi quebrada e espalhada em montes, e foi reunida e se tornou uma, assim também que a Tua santa Kehilá seja reunida dos confins da terra para o Teu Reino; pois Tua é a glória e o poder através de Yeshua HaMashiach para todo o sempre. 83 Não permitas que alguém coma ou beba no Seder de Pessach, salvo se tiverem sido imergidos no nome do Senhor. Pois acerca disso Yeshua disse: “Não pendureis ornamentos sagrados em cachorros.” 84 Mas depois da refeição do Seder de Pessach, dai graças ao Pai Celestial desta maneira: 85 Nós Te agradecemos, ó santo Pai Celestiall, pois Tu fizeste o Teu Nome tabernacular em nossos corações, e pelo conhecimento e pela fé e pela vida eterna, os quais Tu nos fizeste conhecer através de Teu Servo Yeshua; a Ti seja a glória para todo o sempre. 86 Tu, El-Shadai, criaste todas as coisas por causa de Teu Nome; Tu dás comida e bebida aos homens para alegria, a fim de que eles possam dar graças a Ti; mas a nós tu dás livremente do alimento e da bebida espiritual, e da vida eterna através de Teu Servo Yeshua HaMashiach Ben Elohim. 87 Acima de todas as coisas nós Te agradecemos e o reconhecemos que Tu és El-Shadai; a Ti seja a glória para todo o sempre. 88 Lembra-te, YHWH, da Tua Kehilá, para livrá-la de todo mal e para aperfeiçoá-la

em teu amor, e reajuntá-la dos quatro ventos, santificados para Teu Reino, o qual Tu preparaste para ela; a Ti seja o poder e a glória para todo o sempre. 89 Que venha a graça, e que este mundo passe. Salva-nos, Elohim de David! 90 Que todo o que é santo venha; que todo o que não é santo se arrependa. Vem Senhor! Amen. 91 Permitas que os profetas dêem graças tanto quanto desejarem.. 92 Portanto, recebas a todo aquele que vier ensinando estas coisas que vos escrevemos. 93 Mas se o mestre se voltar e ensinar outro ensinamento contrário a este, nem sequer o escutes. 94 Mas se ele ensina de modo a aumentar a retidão e o conhecimento de YHWH, receba-o como ao Senhor. 95 Mas acerca dos emissários e profetas, ajas de acordo com a determinação das Boas Novas: 96 Que todo emissário que vem a vós seja recebido como vós receberíeis ao Senhor. 97 Mas ele não permanecerá dentro de tua casa por mais de um ou dois dias, salvo se houver uma necessidade. Mas se ele permanecer por três dias, pode ser um falso profeta. 98 E quando o emissário partir, que ele não leve nada consigo, exceto por porção suficiente de pão para o período necessário até que encontre pouso. Se ele pedir dinheiro, pode ser um falso profeta. 99 Não tentareis ou julgareis a qualquer profeta que fala na Ruach; porque todo pecado será perdoado, mas [se o profeta peca], este não será perdoado e o próprio Mashiach o condenará por seu mal. 100 Mas nem todo o que fala na Ruach é um profeta; mas somente se ele se apega à Torá do Mashiach. 101 Portanto serão conhecidos o profeta falso e o profeta verdadeiro em seus caminhos. 102 E todo profeta que pede uma refeição enquanto [fala] na Ruach não será o primeiro a participar dela, a menos que ele realmente seja um falso profeta. 103 E todo emissário ou profeta que ensina a verdade, mas não caminha de acordo com o que ele ensina, é um falso profeta. 104 E todo profeta, provado verdadeiro, operando em prol do mistério da Kehilá no mundo, mas não ensinando outros fazer o que ele faz, não será julgado entre você, mas seu juízo será executado por Elohim; pois foi assim com os profetas antigos. 105 Mas qualquer que, enquanto profetizando ou falando na Ruach, disser “Dai-me dinheiro” ou pedir qualquer outra coisa, tal como algo por pagamento pelo seu

ensino, não o escuteis. Mas se ele vos diz para darem em favor de outros que estão em necessidade, que ninguém o julgue, pois foi movido pela Ruach para falar. 106 Recebas a todo aquele que vem no Nome do Senhor, e prova-o e procura conhecê-lo posteriormente; assim terás discernimento entre a direita e a esquerda.. 107 Se aquele que vem viajou a pé, assistí-o em todas as suas necessidades tanto quanto puderes; mas ele não deve permanecer contigo mais de dois ou três dias, salvo se for necessário. 108 Mas se ele deseja permanecer contigo, e tem uma habilidade, que ele trabalhe para ganhar seu alimento e abrigo. Mas se ele tem nenhuma habilidade, de acordo com sua compreensão, cuida para que ele, como seguidor do Mashiach, não viva em vosso meio sem trabalhar. Ele não precisa ser pago em dinheiro, mas o seu alimento e abrigo poderão ser pagamento suficiente. 109 Mas se ele se recusa fazer a parte dele e reclama por não receber dinheiro, então está se valendo indevidamente do Mashiach. Observa cuidadosamente, e mantenha distância de tais pessoas. 110 Mas todo emissário ou profeta verdadeiro que desejar viver contigo ou em tua comunidade é merecedor de apoio. O ensinamento de um verdadeiro emissário ou profeta lhe será por trabalho, se não tiver nenhuma habilidade específica. 111 Semelhantemente, um verdadeiro mestre é por si merecedor, como o trabalhador, de apoio. 112 Logo, toda primícia dos produtos da videira e da eira, e dos bois e das ovelhas, tu tomarás e darás aos profetas, pois eles são os vossos cohanim g’dolim debaixo [da autoridade] do Mashiach. 113 Mas se tu não tiverdes nenhum profeta, dá o que fores capaz aos que tu sabes que estão em necessidade. 114 Se fizerdes uma porção de massa, toma a primícia, conforma a mitsvá. 115 Semelhantemente, quando tu abrirdes uma jarra de vinho ou óleo, toma da primícia e dá aos emissários ou aos profetas [vivendo contigo]; bem como de dinheiro ou vestes ou qualquer outra posse que tiver, toma as primícias, conforme tua possibilidade, e dá de acordo com a mitsvá. 116 Mas reuní-vos em cada um dos dias do Senhor: o Shabat, quando a Torá é lida, e nos Moadim, e parti do pão, e dai graças após terdes confessado vossos pecados, a fim de que vosso sacrifício seja puro. 117 Mas não permitas que alguém que está guardando rancor contra seu irmão, ou que está irado com seu irmão, reunir-se contigo para jantar contigo, até que tenha se reconciliado, para que teu sacrifício não seja profanado. 118 Pois isto é o que foi falado por YHWH, o Elohim sobre todos: 119 “Em todo lugar e a todo tempo, ofereçereis a mim um sacrifício; porque grande Rei eu sou, diz YHWH, e Meu Nome é maravilhoso entre as nações.” 120 Portanto, apontai para vós supervisores e anciãos, dignos perante o Senhor,

dentre os homens mansos, e que não sejam amantes de dinheiro, e verdadeiros e aprovados; pois eles também lhes serão por profetas e mestres. 121 Portanto não os menosprezeis, antes a eles dai honra, juntamente com os profetas e mestres. E exorteis uns aos outros – não em ira, mas no shalom, conforme sabeis que está escrito nas Boas Novas. 122 Mas àqueles que agem de uma maneira incorreta um contra o outro, não lhes permita falar, nem os deixe ter notícias de vós até que tenham tido tempo suficiente para se arrependerem. 123 Recitareis todas as tuas orações, e dareis tuas esmolas e fareis tuas obras, conforme sabeis que é instruído nas Bos Novas do Senhor Yeshua Ben Elohim. 124 Sejas observante, por razão de tua própria vida. 125 Não permitais que vossas lâmpadas se extingüam, nem percam de vista vossas sandálias; mas estejais sempre preparados, pois não sabeis a hora em que o Senhor virá. 126 Mas reuní-vos sempre que possível, buscando aquilo que beneficia as vossas almas, pois nada do tempo de vossa fé será por benefício caso vós não estejais aperfeiçoados no Caminho no último dia. 127 Pois ocorrerá que nos últimos dias, quando muitos falsos profetas e muitos dos que causam corrupção forem multiplicados, e algumas das ovelhas se tornarem lobos, o amor de alguns se transformará em ódio. 128 Pois quando aumentar a oposição à Torá, eles odiarão e perseguirão uns aos outros, e então os malignos aparecerão alegando serem filhos de Elohim; 129 e o maligno, que é senhor deles, realizará sinais e prodígios, e a terra será entregue nas mãos do maligno, e ele fara tudo contra a Torá, coisas que nunca foram feitas antes desde o princípio, e muitos crerão naquilo que verão, das obras das mãos do maligno e das obras das mãos dos seus servos; e eles alegarão ter visões, e terem visto o Senhor os visitando em seus aposentos privados, dando a eles segredos e visões de morte. 130 Então toda a humanidade virá para o fogo da provação, e muitos tropeçarão e perecerão; mas aqueles que permanecerem firmes em sua fé serão resgatados da maldição. 131 E então os sinais da verdade aparecerão: Primeiro, o sinal dos céus descendo, e então o sinal do som do shofar. 132 E terceiro, a ressurreição dos mortos, contudo não de todos, porque os jutos se levantarão primeiro, e é dito: “O Senhor virá e todos Seus santos com Ele.” 134 Então o mundo verá a YHWH Yeshua vindo sobre as nuvens do céu. Sede firmes no Senhor. 135 Então eles, tendo-se despedido, desceram a Antioquia e, havendo reunido a assembléia, entregaram a carta. 136 E, quando a leram, alegraram-se pela consolação.

137 Depois Yehudá e Sila, que também eram profetas, exortaram os irmãos com muitas palavras e os fortaleceram. 138 E, tendo-se demorado ali por algum tempo, foram pelos irmãos despedidos no shalom, de volta aos que os haviam mandado. 139 Mas Sha’ul e Bar Naba demoraram-se em Antioquia, ensinando e pregando com muitos outros a palavra do Senhor. 140 Decorridos alguns dias, disse Sha’ul a Bar Naba: Tornemos a visitar os irmãos por todas as cidades em que temos anunciado a palavra do Senhor, para ver como vão. 141 Ora, Bar Naba queria que levassem também a Yochanan, chamado Marcus. 142 Mas a Sha’ul não parecia razoável que tomassem consigo aquele que desde a Panfília se tinha apartado deles e não os tinha acompanhado no trabalho. 143 E houve entre eles tal desavença que se separaram um do outro, e Bar Naba, levando consigo a Marcus, navegou para Chipre. 144 Mas Sha’ul, tendo escolhido a Sila, partiu encomendado pelos irmãos à graça do Senhor. 145 E passou pela Síria e Cilícia, fortalecendo as kehilot.

 

 

 

De inwijding van een Kerk


Naar aanleiding van de inwijding van de nieuwe Orthodoxe Kerk in Brugge geef ik dit artikel ter bezinning over de betekenis van een Kerkwijding

 De inwijding van een kerk

Wanneer er sprake is om een kerk te bouwen, hoort men nogal dikwijls deze opmerking : Waarom een kerk bouwen, een plaats voor de eredienst en de aanbidding ? Wij staan ons niet meer onder de oude Wet, en Christus heeft gezegd :  “Er komt een uur, waarin gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden…maar er komt een uur, en het is er reeds, waarin de ware aanbidders de Vader in geest en waarheid zullen aanbidden” (Joh. 4,21-24)Kerk Brugge

De verblijfplaats van God onder de mensen

In werkelijkheid spreekt Christus over zichzelf. De Samaritaanse vergist zich niet en antwoordt : “Diegene die men Christus noemt moet komen”. Het is Christus immers, Hij die de Waarheid is, Hij is de geheiligde plaats, de Tempel waar wij samen zullen komen en de Vader zullen aanbidden. Hij heeft het heel duidelijk bevestigd : “Breek deze tempel af, en in drie dagen zal Ik hem weer opbouwen….” (Joh.2,19-21).

Een kerk is dus een uiting van de Incarnatie. De materiële opbouw roept op, en meer nog, brengt de “verblijfplaats van God onder de mensen”aanwezig, het Lichaam van Christus waar wij de Vader zullen ontmoeten en die ons in eenheid zal bijeenbrengen.

“Zoals dit zichtbaar gebouw gemaakt is om ons lichamelijk te verenigen, zo is ook dit ander gebouw die wijzelf zijn, gemaakt opdat God er geestelijk zou in wonen. Het zichtbare gebouw wordt nu gewijd, het andere zal het zijn op het einde der tijden, tijdens de komst van de Heer, wanneer ons lichaam zal bekleed worden met onvergankelijkheid”. (Heilige Augustinus)

“Indien de geheiligde tijd overeenkomt met de diepe nostalgie van de eeuwigheid, dan beantwoordt de geheiligde ruimte aan de dorst naar het verloren Paradijs” (Paul  Evdokimov -L’Orthodoxie)

De vereniging van aarde en hemel

De kerk is ook naar het Oosten gericht. Want het aardse Paradijs lag in het Oosten, en het is in het Oosten dat Christus, het Licht der wereld, de Zon der gerechtigheid, volgens het Evangelie zal wederkeren : “Want zoals de bliksem uitschiet van het Oosten, en flitst tot het Westen : zo zal ook de komst van de Mensenzoon zijn”(Matt.24,27).

De vorm van de kerk is deze van een kruis die het menselijk lichaam voorstelt, de mens als micrcosmos. Het schip van de kerk is het lichaam, de dwarsbeuk zijn de armen, de apsis is het hoofd, het altaar is er het hart van…

Paul Evdokimov schrijft : “Een tempel is geen geografische plaats maar een kosmische, door zich niet op het horizontale maar op het verticale te situeren die alle punten op het hemelse richten” (l’Orthodoxie).

De Tempel -de kerk- verenigt het aardse vierkant met de hemelse cirkel – de koepel. Het zijn uiterst belangrijke symbolen. De koepel, verenigt met de kubus van het gebouw drukt het mysterie uit van de God-Mens.

Hier rust de cirkel op een vierkant die achtkoekig wordt : symbool van de Achtste Dag, van de verrezen Christus, van de Nieuwe Schepping.

Zo spreek ons de kerk, vanuit haar architectuur zelf, van de vereniging van aarde en hemel en ook van de  transfiguratie van de tijd. De riten van de kerkwijding zullen deze realiteit op een sacramentele wijze uitdrukken.

De wijding

De wijding of “consecratie” van een kerk is één van de plechtigste en oudste liturgische ceremonieën , omdat de traditie ons het  relaas heeft overgeleverd over de wijding van de basiliek van Tyrus in 314, en van de Anastasis te Jerusalem in 335. Van nature zijn de riten ervan en de consecratie verbonden met de wijdingen uit het Oude Testament, deze van Mozes en van Salomon.

De fundering en de constructie van de kerk worden gekenmerkt door liturgische handelingen : het planten van een kruis op de plaats waar het altaar zal komen, het plaatsen van een hoeksteen gericht op het Oosten met daarin relieken van martelaren en een document met de datum van de bouw, de naam van de Bisschop en andere personaliteiten, zowel religieuze als burgerlijke. De bouw van deze plaats toegewijd aan God heeft dus een heilig karakter vanaf het begin.

De eigenlijke consecratie maakt van dit gebouw het “huis van God”.

Diegenen die aan de consecratie van een kerk deelnemen moeten altijd in hoge mate het symbolisch karakter van de gebaren en gebeden van dit liturgisch gebeuren voor ogen houden.

De aardse kerk en de tempel waar ze bijeenkomt is een afbeelding hier beneden van het eeuwige heiligdom waar Christus triomfantelijk is binnengetreden nadat Hij Zijn verlossend werk heeft volbracht. Deze hemelse Kerk, waarnaar Christus is opgestegen na Zijn Hemelvaart, begeleidt door engelen die Zijn komst hebben aangekondigd aan de hogere Krachten, roepende : ” Richt u op, eeuwige poorten, opdat de Koning der Glorie binnentrede !”, is de wens en de verzuchting van elke christen.

De geconsacreerde kerk moet “de hemel op aarde” vertegenwoordigen; alles moet er geheiligd worden : het is de schittering van de eeuwige Glorie, van de Heiligheid van God zelf die er moet heersen. Het is daarom dat men het altaar consacreert en vervolgens de andere delen van de kerk. Dit is een ceremonie die voorafgaat aan  de celebratie van het Heilige offer. Maar deze consecratie zal altijd verder gezet worden door de lofprijzing, de eucharistische liturgie, de iconenverering van al diegenen die naar de kerk zullen komen. Zo zal de geconsacreerde en ingehuldigde kerk, naarmate zij ouder wordt meer en meer vervuld worden met verborgen mysterieën – en diegene die er zal binnentreden, zal meer en meer zijn ziel opgeheven en verenigd weten met diegenen die de troon van God aanschouwen en het geslachte Lam voor ons.

Teken van eeuwigheid

De kerk is een teken dat gegrondvest is op de rots en gericht is op het Oosten vanwaar zij is ontstaan en waarheen de Heer der Glorie  zal terugkeren. Elke maal dat Christenen er samenkomen voor de Goddelijke Liturgie,wijzen zij de betekenis van de geschiedenis aan : een wereld van tijd en ruimte en gericht op de eeuwigheid, naar het ongeschapen Licht. Gericht op het Oosten, aan het altaar die ons verbindt met het eeuwige, zal de Priester, in naam van de Heer en in naam van de Bisschop, opvolger der apostelen, o
ok in naam van het Godsvolk,  dit brood en deze wijn , vruchten van de aarde en van het geschapen licht offeren. En dit brood en deze wijn zullen het Lichaam en Bloed van Christus worden, opdat de communio van de wereld en van het Rijk Gods zou gestalte krijgen.

Men begrijpe dus het plechtig karakter welke de inbezitname door God van een plaats op deze aarde die kerk geworden is kenmerkt : waakgebeden, zegeningen met wijwater zowel langs de binnenkant als aan de buitenkant van de kerk om elke invloed van de duivel te verwijderen, zalving met heilige Olie (Chrisma), aanwezigheid van relieken van martelaren – zoveel riten die ons herinneren aan het doopsel van christenen.

Eenmaal gezuiverd, gezegend, geconsacreerd, zal de kerk verlicht worden en klaar zijn voor de Goddelijke Liturgie, die God werkelijk aanwezig zal brengen in Zijn Lichaan en Zijn Bloed gegeven voor allen, en die een waarachtige gave van de Vader is : het geïncarneerde Woord door Maria, in de stad Nazareth.

Vertaling : Kris B

 

Week na Hemelvaart : Vaders van Nicea

 


Zondag na Hemelvaart

 VADERS VAN NICEA


Vaders eerste oecumenisch concilie

Kondakion :

De Verkondiging der Apostelen, evenals de dogma’s van de Vaderen, bewaren de Kerk in eenheid van Geloof. Zij draagt het bruilofskleed der waarheid, geweven door de Theologie vanuit de hoge, om het grote geloofsmysterie recht te prediken en te verheerlijken

Prokimen :

Gezegend zijt Gij, Heer, God onzer Vaderen, en lofwaardig en heerlijk is Uw Naam in eeuwigheid. (Dan.3,26,55)

Gij zijt rechtvaardig in alles wat Gij aan ons hebt gedaan : al Uw werken zijn waarheid.

Gezegend zijt Gij dier zetelt op de troon der heerlijkheid van Uw Koninkrijk.


 

Het Concilie van Nicea

Op de 7e zondag na Pasen vieren wij de God-gewijde Vaders van het eerste Oecumenisch Concilie.

Reeds in de eerste eeuwen werd dit Concilie herdacht. De Heer Jezus deed aan de kerk de grote belofte : ‘Ik wil Mijn Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen’ (Mt.16.18)

Alhoewel de Kerk grote vervolgingen heeft moeten doorstaan, toch heeft ze gezegevierd. De Heilige Martelaren gaven het getuigenis van de waarheid van Gods Woord. Ze werden ervoor ter dood gebracht. Maar het zwaard van de vervolgers werd vernietigd door het kruis van Christus.

De vervolgingen van de Christenen nam een einde in de 4e eeuw, maar ketterijen stonden binnen de Kerk zelf op, o.a. het Arianisme. Arius was een priester uit Alexandrië, een zeer trotse man, vol ambitie. Hij ontkende de goddelijke natuur van  Christus en Zijn gelijkheid met God de Vader. Valselijk getuigde hij dat de Redder niet consubstantieel is met de Vader, maar enkel een geschapen zijn.

Een lokaal concilie met Patriarch Alexander van Alexandrië veroordeelde de valse leer van Arius. Desondanks verspreidde zijn valse leer zich over het ganse Oosten. Hij kreeg zelfs steun van sommige Oosterse bisschoppen.

Keizer Constantijn onderzocht die leer. Hij consulteerde bisschop Hosius van Cordova, die de Keizer meedeelde dat de ketterij één van de gevaarlijkste was tegen  het meest fundamentele dogma van de Kerk. Zo besloot de Keizer om een Oecumenisch Concilie bijeen te roepen . In 325 kwamen 318 bisschoppen samen in Nicea. Zij vertegenwoordigden de Christelijke kerken van verschillende landen.

Onder de bisschoppen waren er ook veel belijders, die de vervolgingen nog hadden meegemaakt. Ook grote namen uit de Kerk waren aanwezig zoals : de Heilige Nikolaas van Myra in Lycia, de heilige Spiridon bisschop van Tremithios en anderen.

Keizer Constantijn nam aan alle sessies deel.

Arius bleef arogant, maar werd geëxcommuniceerd.

Tevens werd door het Concilie het Symbolum van het geloof vastgelegd : het Credo van Nicea. Er werd ook beslist dat het Christelijk paasfeest nooit mag samenvallen met het Joodse Paasfeest, maar op de eerste zondag na de eerste volle maan van de Lente.

Betekenis van de hemelvaart van Christus

 

“In heerlijkheid zijt Gij opgestegen, o Christus onze God,

Gij hebt Uw leerlingen verblijd door de belofte van de Heilige Geest,

want door Uw zegen leerden zij, dat Gij de Zoon van God zijt,

en de Verlosser van de wereld”

(troparion van het feest)

 Indien we aandachtig de teksten en hymnen van het feest beleven dan ontdekken we dat Hemelvaart een einde is maar ook een begin is van iets. Het is de zo duidelijke overgang van het begin van de Handelingen der Apostelen, het vijfde Evangelie: de woorden en daden van het mensgeworden Woord zijn volbracht, de prediking en de handelingen van zijn discipelen beginnen.

Het ene aspect is gericht op de hemelse eeuwigheid, het andere aspect op de aardse tijdelijkheid. Het ene duidt op de vervulling van de tijden en momenten waaraan de Zoon zich had onderworpen uit gehoorzaamheid aan de Vader en uit liefde voor de mensen; kortom het volbrengen van de heilseconomie. Het andere duidt op de ons resterende tijd, de ons geboden gelegenheid om de werken van de Heer openbaar te maken door te getuigen. De kerk spreekt wel degelijk over de handelingen der apostelen.

Vandaar ook een dubbele verwachting: deze van ons mensen die hopen in de tijd op een verre of nabije komst van de Heer en deze andere verwachting van de Heer in de eeuwigheid van de hemel, Zijn wachten op het aardse oordeel.

De Godmens Jezus Christus heeft zijn historische manifestatie nu beëindigd. Maar alle mensen hebben de heiligheid nog niet bereikt, de geschiedenis is nog niet volbracht, zij is nog in wording, ingeschreven in de tijd. Maar dit wordt ook verder gedragen in de eeuwigheid van God onder de vorm van een God die wacht, geduldig, als de vader in de parabel van de verloren zoon, die de mens liefheeft.

Deze gebeurtenis van Hemelvaart vervult zich over dagen, wat duidt op een overbrugging van twee aspecten, twee verwachtingen, die heden worden geopenbaard. Als christen kunnen wij de opgang van Hemelvaart niet enkel letterlijk begrijpen. De Olijfberg is de plaats van de Hemelvaart. De hemel in het religieuze symbolisme duidt op een hoogte, centrum, opgang en onbereik-baarheid. De Berg staat dichter bij de Hemel, vandaar het heilige karakter van bergen in alle godsdiensten; het is de ontmoetingsplaats tussen de hemel en de aarde. De Hemelvaart is dus het overstijgen van de wereldse orde en ruimte van de mensheid.

God heeft begrip voor de wereldse lotgevallen die wij zijn, Hij heeft geduld zolang de nieuwe mensheid niet gerealiseerd is in Christus, door de kracht van de Heilige Geest, die komende is met Pinksteren. Maar Hemelvaart gaat ook ons aan, diegenen die getuigen van het mensgeworden Woord, tot het einde der tijden. De duur van onze getuigenis is ongekend, wij weten niet wanneer wij de limieten van onze tijd zullen hebben bereikt.

Met het feest van Hemelvaart beleven wij één van de wonderbaarlijkste mysteries van het christendom. Het is het mysterie van de vereniging van de menselijke natuur, verheerlijkt in Jezus Christus, in de goddelijke natuur, van de aanwezigheid van de materie in de “hemel”; een mysterie gerealiseerd door God in Jezus Christus. Het is het mysterie van de godmenselijkheid. De Griekse benaming van het feest “Analèpsis” vestigt er onze aandacht op. Dit woord betekent opnieuw herstellen, heropnemen, het onvolmaakte vervolmaken; het gaat dus om een beeldspraak want voor God bestaat geen ruimte, geen tijd, geen dimensies; het zijn beelden in woorden om de goddelijke natuur van de Alheilige Drie-Eenheid aan te duiden waarin de ganse schepping baadt.

“Nadat Gij de heilsorde had volbracht omwille van ons,

En het hemelse met het aardse verenigd had,

Zijt Gij in heerlijkheid opgestegen, Christus onze God,

Zonder van ons heen te gaan, zodat er geen scheiding kwam,

En hen die Gij liefhebt, roept Gij toe: Ik ben met u en niemand tegen u”

(kondakion van het feest)

Aan ons om onze hemelvaart te ondernemen, om te herstellen, opnieuw op te nemen wat verloren dreigt te gaan. Daarvoor leven we verder in de tijd, de tijd van het begin en het einde, de tijd van een permanent einde en de tijd van een permanent begin. Het feest van Hemelvaart is hiervan het principe en het archetype. Het feest van Pinksteren als gevolg van het feest van Hemelvaart zal ons de kracht geven om te begrijpen dat we de Godmens moet volgen, in ons herstellen en ons ernaar te vormen op weg naar de heiligheid van onze totale mens, naar lichaam en ziel.

vader Dominique

 

Nadat Gij de heilsorde had volbracht,

en het hemelse met het aardse verenigd had,

zijt Gij opgestegen in heerlijkheid, o Christus onze God,

zonder van ons heen te gaan zodat er geen scheiding kwam.

En hun die Gij liefhebt, roept Gij toe :

Ik ben met u, en niemand tegen u.

Kondakion van Hemelvaart

Over de innerlijke vrede (Vader Victor)


 


 



OVER DE INNERLIJKE VREDE

Door Vader Victor ( Higoumen van het monasterie van La Faurie – Frankrijk)

    


    

vreugde 1

           

               Wij kennen het woord van de Heilige Seraphin, " verwerf eerst de innerlijke vrede en velen zullen in uw nabijheid rust vinden". Dit is vandaag  een belangrijk woord want wij leven in een maatschappij van activisme en consumptie. Wij hebben wel een goede wil, wij zijn edelmoedig, maar wij willen vooral "doen". Welnu, het belangrijkste is eerst en vooral iemand te

          Laten wij ons dus bevragen over deze toestand van innerlijke vrede .Gewoonlijk kennen wij twee soorten van vrede : vooreerst de afwezigheid van oorlogen tussen landen, afwezigheid van conflicten op het niveau van de mensen Deze  geheel negatieve houding waar men niet wil lastig gevallen worden of in de war worden gebracht is zeker positief.  "Bouwen wij aan de vrede,laat ons in rust leven" ! Maar er is een derde soort vrede "die geen afwezigheid van oorlogen inhoudt, maar een deugd is die ontstaat vanuit de kracht van de ziel". Het is de filosoof Spinoza die er ons een goede definitie van geeft. Een deugd : "Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u, niet gelijk de wereld die geeft"(Joh.14,27), verkondigt het Evangelie . Het bevestigt dat de vrede die wij moeten zoeken zich moet vestigen in het binnenste van onszelf, en voortkomt uit "God, de vader van het licht". "Voor de vrede die van boven komt en het heil van onze zielen, vraagt de liturgie van de Heilige Johannes Chrisostomos: laat ons de Heer bidden".

          Deze vrede die van boven komt en die bezit neemt van het menselijk hart is zeker een genade, wat van ons afhangt is simpelweg onze beschikbaarheid om ze te aanvaarden. Dit is de synergie, de ontmoeting tussen de menselijke inspanning en de goddelijke Genade : "God werkt en de mens ademt", zal men grappig zeggen. Welnu, wat is er in het binnenste van onszelf, dat ons hindert bij deze innerlijke vrede ?

          Als we ons richten tot de vaders, zoals bijvoorbeeld tot de Heilige Gregorius van Nyssa, zullen we er  ontdekken dat deze vrede van het hart, noodzakelijk om de Geest te kunnen ontvangen, vooral gehinderd wordt door onze gedachten. De gedachte blijft een ambivalent fenomeen, een tegenstrijdigheid (antinomie), want enerzijds is zij het merkteken van God in de mens, maar tezelfdertijd is zij het die de mens van Hem scheidt.

           Wanneer wij bijvoorbeeld willen bidden, dan zullen twee vormen van gedachten bij ons binnendringen : phantasmate en logismos die duidelijk omschreven bekoringen doen naar voor komen en die elk om een specifieke bestrijding ervan  vragen.

           Eerst de "Phantasmata’, van het griekse woord "beeld zonder bestendigheid". Het zijn beroeringen, verstrooiingen die onze aandacht gaan versnipperen. Er komt een herinnering, een zorg, een beeld… te voorschijn, woekerende gedachten die, in het uiterste geval ons de indruk geven van "dat denkt in ons",

           Naast deze tegenstrijdige gedachten, komen de "logismoi" , passionele gedachten van angst, verlangen, woede, of andere. Zij zijn nog meer fijnzinnig en  verwarrend, zij brengen ons in een staat van emotionele opwinding.

              Wij moeten dus, voor zover het in onze macht ligt en zonder te vergeten onze toevlucht te nemen tot de Goddelijke genade, er de strijd mee aanbinden, om ons zo in staat te stellen deze innerlijke vrede te verwerven, die zo belangrijk is om de Geest te ontvangen.

Hoe ?

             Voor wat de phantasmata betreft, het zijn mentale beelden die voortkomen uit onze herinneringen die opnieuw gaan opduiken. Wij weten het maar al te goed, dat wij in de  samenleving van vandaag bijna ononderbroken beïnvloedt worden door alle soorten beelden, voorstellingen, opinies, publiciteit of propaganda, enz..Het is van al deze zaken dat wij ons moeten ontlasten, en daarom blijft een zekere onthouding van de zintuigen en de gedachte onontbeerlijk. Dit zal  waarden als eenzaamheid en inkeer doen ontstaan. Evenzo wast en  zuivert de liturgie ons van een geheel van beelden, gewaarwordingen en indrukken die ons niet direct naar God voeren, zelfs al kunnen  ze ons soms verblinden. Wij kunnen bijvoorbeeld dikwijls menen dat het zich solidair voelen met de lijdende wereld, dat bidden voor het menselijke verdriet en ontreddering, ons zou verplichten om op de hoogte te blijven en te weten wat er in de wereld gebeurt, om er op een oprechtere manier te kunnen voor bidden, terwijl God weet wat de mens nodig heeft, waaraan hij lijdt. Onze voorbede houdt zeker in, dat wij een luisterend oor zijn voor de zijnden, maar niet noodzakelijk is dit voor gebeurtenissen of anekdotes van het dagelijks bestaan.

            Wat betreft de "logismoi" : inwendige opwellingen van emoties, gehechtheid of revoltes, zij zijn ergens opgewekt door verlangens of uit angsten die nogal dikwijls voortkomen uit een verafgoding van zichzelf., verkrampt door de eigenwil. Zich hiervan gelijdelijkaan los te maken, is proberen  dit woord van het "Onze Vader", dat de essentie uitmaakt van het Evangelie zelf : "dat Uw wil geschiede op aarde als in de hemel", volkomen te "leven".
   
           Wij stellen de geboden gelijk met de Wil van God, en dit is in zekere zin juist, maar we vatten het op een té legalistische manier op in plaats van een spirituele. Het is belangrijk, dat wij hier inzien dat er tussen de Decaloog en de Zaligsprekingen een totale ommekeer van zienswijze bestaat : "gij zult niet doden", bijvoorbeeld, zal worden "zalig de zachtmoedigen".Welnu, de zachtmoedigheid  is niet slechts het respect voor sommige regels, het is een manier van "zijn". Daaruit volgt dat de geboden voor een Christen geen morele regels meer zullen zijn, maar een omschrijving, op een humane wijze, van de eigenschappen van God. De goddelijke eigenschappen in zich opnemen, niet om Christus in Zijn handelen na te bootsen, maar om te handelen volgens Zijn Geest, of beter om de H.Geest te laten handelen, "het is niet meer ik die leef, het is Christus die leeft
in mijzelf", dat is het doel. Maar hoe onbegrijpelijk de wil van God ook is, zij is nog wat zij is. Want niets ontsnapt aan Zijn almacht. Maar de realiteit is dikwijls moeilijk aanvaardbaar voor ons.Er is een werkelijkheid die wij niet willen aanvaarden, maar waarvan we ons rekeninschap geven dat dit te wijten is aan onze beperkingen, onze passies en onze zwakheden.En deze bewustwording roept in het binnenste van onszelf gevoelens op, niet van een daadwerkelijk berouw,zoals dat van de tollenaar, maar van een ontevredenheid in de zin van :"hoe kan een persoon en ook wijzelf zulke lelijke dingen doen". En het is vanaf dat moment dat er in ons alle soorten van angsten, schuldgevoelens,wroeging en uiteindelijk verzet en ontkenning van zichzelf gaat ontstaan. Terwijl zijn naaste  beminnen als zichzelf een juiste zelfkennis veronderstelt.

            Wij kunnen de realiteit dus weigeren uit zwakheid en er zich zelfs bewust van zijn, maar wij kunnen de realiteit ook weigeren  vanuit goede bedoelingen, vanuit het besef dat deze weigering een deugd is ! Hoe kunnen wij deze oorlogen aanvaarden, dit onheil, deze miserie, deze wereld met mensen die voortdurend met elkaar in de clinch liggen ?….Hoe kunnen wij deze ziekten,onvolkomenheden, epidemieën aanvaarden ?…Dit alles lijkt ons schandalig en nochtans ! Het gaat er niet om het kwaad in de wereld op te hemelen, maar om te erkennen dat Christus de vrede niet preekt in de zin waarop wij het verstaan" Er zullen oorlogen zijn en onlusten, en de mensen zullen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, maar gij, verheug u en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing komt nabij" (Lc.9.26.28), zegt het Evangelie nog. Verheug u, niet over het kwaad in de wereld, dit is duidelijk, maar op de voorafgaande tekens van dat wat het waarlijk goede zal zijn., het komende Koninkrijk : dit Koninkrijk van God dat binnen in onzelf is.

             In dit perspectief is er in de menselijke orde een kwaad, volgens de Heilige Cassianus, die in de ogen van de Eeuwigheid niet noodzakelijk negatief is. Het is alleen een kwestie van bevrijding, onthechting en beschikbaarheid. Het is een gemeenplaats van te zeggen dat vele mensen die opgesloten zaten in de goulags getuigd hebben van het feit dat het juist in deze omstandigheden was dat zij het meest tot vrede kwamen en dicht bij God. Men is verplicht om te erkennen dat het niet altijd in de meest menselijk gelukkige omstandigheden is dat wij ons diepste  en rijkste "innerlijk" leven leren kennen. Het gaat hier niet om masochist te zijn, om ascese en zelfkastijding te verwarren, wat vanuit het standpunt van de orthodoxie de ketterij dicht benadert, maar het gaat om het op zoek te gaan naar het énig noodzakelijke, zonder zich te laten beïnvloeden door moeilijkheden en problemen, wetend, dat het lijden dat ons kan overkomen daar is als hoeksteen om ons onze innerlijke toestand te laten zien. Het lijden dat ons overkomt zal dan beleefd worden als een teken van onze inspanningen, van onze mislukkingen. Het zijn onontkoombare beproevingen op onze weg die leidt naar God.

             En voor ons, monniken en monialen, is er wellicht een derde niveau van de wil van God. Soms hebben wij ons in Gods dienst gesteld zonder ons veel rekenschap te geven of wij ons geplaatst hebben in Zijn dienst zoals  Hij het van ons verwacht of zoals wij hem zouden willen dienen. Wij  kunnen ons dikwijls realiseren dat wij in de loop van ons bestaan, ongemerkt een spiritueel project hebben opgebouwd. Een project, dat zeker waardevol is, bewonderenswaardig zelfs, maar dat uiteindelijk slechts ons eigen project was. Op dat moment kunnen wij ons geconfronteerd weten met neerslachtigheid, conflicten, ontredderingen, en ons op de rand voelen van een echte spirituele crisis. Maar het is juist dan dat wij het werkelijke begin kunnen naderen, dat, waartoe God ons uitnodigt.

            En daar onze uiteenzetting deze is over de innerlijke vrede, kan men , om te besluiten eraan herinneren, dat wanneer Christus  na Zijn verrijzenis verschijnt aan zijn leerlingen Hij verduidelijkt, dat Hij het doet :  "alle poorten waren gesloten", hun zeggende "Vrede zij met u". Het is pas als we ontdekken dat alle uitwegen, alle menselijke verwachtingen gesloten zijn, en dat we geen enkele hoop meer hebben, deze van de wereld, deze van ons verstand, deze van ons spirituele droombeeld zelf, het is op het moment van deze grote nederlaag, deze tegenslag, als wij het kunnen aanvaarden als de wil van God, dat wij  kunnen ontdekken dat Christus werkelijk aanwezig is en dat Hij op het dieptepunt van onze ontreddering ons zegt : "de Vrede zij met U"

        Vertaling : Kris Biesbroeck 

hsw05

 

De Kerk als het lichaam van Christus

 

DE KERK ALS HET LICHAAM VAN CHRISTUS

Hij (Christus) is het hoofd

van het lichaam, de Kerk (Coll.1,18)

..en alles heeft Hij onder Zijn voeten gesteld.

En Hij heeft Hem aan de Kerk geschonken

als Hoofd van alles.

         In de Heilige Schrift wordt de Kerk herhaalde malen het Lichaam van Christus genoemd.

Thans verheug ik (Paulus) mij, dat ik voor u lijden mag,…ten bate van zijn Lichaam, de Kerk (Coll.1,24) schrijft de Apostel Paulus over zichzelf.

Apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars zegt hij, zijn ons door Christus gegeven…om  het Lichaam van Christus op te bouwen (Ef.4,11-12).

Terzelfdertijd worden in de Goddelijke Liturgie brood en wijn gemaakt tot het Lichaam en Bloed van Christus, en de gelovigen nemen er deel aan. Christus zelf heeft dit zo bevolen, in gemeenschap met Zijn Apostelen tijdens het Mystieke Avondmaal. En dit met de woorden : Neemt en eet, dit is Mijn Lichaam;….drinkt allen hieruit, want dit is Mijn Bloed van het Nieuwe Verbond.(Matt.26,26-28).

Hoe is het Lichaam van Christus tegelijk de Kerk en het Heilig Mysterie ?

         Zijn de gelovigen zelf tegelijk  leden van het Lichaam, de Kerk, en deelnemers aan het Lichaam van Christus in het Heilig Mysterie ?

In geen van beide gevallen wordt de naam ‘Lichaam van Christus’ figuurlijk gebruikt, maar eerder in de meest actuele betekenis van het woord. Wij geloven dat de Heilige Mysteriën, ondanks het feit  dat zij uiterlijk de substantie hebben van brood en wijn, het waarachtige Lichaam en Bloed van Christus zijn. Op dezelfde wijze geloven en belijden wij dat Christus de Zoon van de levende God is die in de wereld is gekomen om de zondaars te redden, Hij is de ware mens en Zijn Vlees, genomen uit de Maagd Maria was werkelijk menselijk vlees.  In lichaam en ziel was Christus een echt mens ,zoals alle andere mensen,  uitgezonderd de zonde. Tezelfdertijd bleef Hij ook de ware God. In deze menswording was de Goddelijke natuur noch verminderd noch veranderd door Zijn ‘Zoon van God’-zijn; bovendien was ook de menselijke natuur niet veranderd in deze menswording, maar behield alle menselijke kwaliteiten.

Voor altijd onveranderd en niet verward, ondeelbaar en onscheidbaar, Godheid en mens-zijn waren voor altijd verenigd in de éne persoon van onze Heer Jezus Christus.

De Zoon van God is mens geworden om de mensen deelgenoten te maken van de Goddelijke natuur (2 Petr.1,4), om hen te bevrijden van zonde en dood, en om hen onsterfelijk te maken.

Door onszelf met Christus te verenigen ontvangen wij de Goddelijke genade die mensen de kracht geeft voor de overwinning over de zonde en de dood. Door Zijn lering heeft de Heer Jezus Christus de mensen de weg getoond hoe zij de zonde kunnen overwinnen, en hij schenkt hen het eeuwige leven door hen door Zijn verrijzenis deelgenoten te maken van Zijn eeuwig koninkrijk.  Om deze genade te ontvangen is het noodzakelijk om intens contact met Hem te hebben. Hij trekt allen naar zich toe door Zijn goddelijke liefde, en verenigt hen met Hemzelf. De Heer verenigt allen die Hem liefhebben met elkaar door hun deelname aan het leven van de ene Kerk.

De Kerk is de eenheid in Christus, de innigste vereniging met Christus van allen die waarlijk in Hem geloven en Hem liefhebben. Hun eenheid is door Christus.

De Kerk bestaat uit beide aspecten : haar aardse en haar hemelse, want de Zoon van God kwam op aarde en werd een mens, opdat Hij alle mensen naar de hemel zou kunnen leiden, en hen onderdanen  van het Paradijs zou kunnen maken.Hij bracht hen terug tot de oorspronkelijke staat van zondeloosheid en ongeschondenheid, en bracht hen terug in eenheid met Hem.

Dit wordt ons gegeven door de Goddelijke genade, maar ook de mens moet een inspanning leveren. God redt Zijn gevallen schepselen door Zijn liefde voor hen, maar ook de liefde van de mens voor zijn Schepper is even noodzakelijk. Zonder dat kan hij niet gered worden. Door ons streven te richten op God en trouw te blijven aan de nederige liefde van de Heer krijgt de menselijke ziel de kracht om zichzelf te zuiveren van de zonde en sterker te worden om de strijd tegen de zonde tot een goed einde te brengen.

Het lichaam neemt ook aan deze strijd deel, het is nu een verzamelplaats en een instrument van de zonde, maar toch is het voorbestemd om een instrument van  rechtschapenheid en een vat van heiligheid te zijn.

God schiep de mens door Zijn goddelijke adem in het bezielde lichaam dat Hij eerder uit aarde had geschapen, te blazen . Het lichaam was  voorbestemd om een instrument van de geest te worden, een subject waardoor God zich zou manifesteren in de materiële wereld. Doorheen het lichaam en zijn afzonderlijke ledematen, openbaart de geest  de  eigenschappen en kwaliteiten welke God hen gegeven heeft naar Zijn eigen beeld ,  Het is daarom ook dat het lichaam een openbaring van het beeld van God wordt genoemd, en beiden worden genoemd en het is de waarheid : ‘ons sieraad geschapen naar het beeld van God’ (sticheron uit de begrafenisdienst).

Nadat de eerst geschapen mensen zich van hun schepper hadden verwijderd, begon het lichaam meester te worden over de ziel. Daarvoor was het omgekeerd : het lichaam was ondergeschikt aan de ziel. In plaats van Gods wet, begon de wet van het vlees de mens te overheersen.

De zonde, die de mens had afgesneden van de levensbron trok de mens uit elkaar. De eenheid van geest, ziel en lichaam was geschonden en de dood kwam in de wereld. De ziel was niet langer omringd door stromen van leven , het voedsel voor de ziel. Daardoor werd het lichaam bederfelijk en begon de ziel weg te kwijnen.

Christus is in de wereld gekomen om het gevallen beeld in de mens te herstellen en om terug te keren tot de vereniging met Hem Wiens beeld hij is. God herstelt de mens tot zijn oorspronkelijke goedheid  in al haar volheid.

Door genade en heiligheid aan de geest te verlenen, zuivert  Christus ons ook , Hij maakt ons sterker, geneest ons en heiligt ziel en lichaam.

         Hij daarentegen die de Heer aanhangt, is één geest met Hem (1 Cor.6,17). De mens die de vereniging met de Heer heeft bereikt, moet  een instrument worden van de heer, moet Hem dienen voor de vervulling van Zijn wil, en moet zo zelf een deel worden van het Lichaam van Christus.

         Voor de volledige heiliging is het nodig dat het lichaam van de dienaar van de Heer in eenheid is met het Lichaam van Christus. Dit krijgt zijn vervulling in het Mysterie van de Heilige Communie. Het waarachtige Lichaam en het waarachtige Bloed van Christus welke wij ontvangen wordt een deel van het grote Lichaam van Christus.

    &n
bsp;    Natuurlijk is het zo, dat de vereniging met Christus niets anders is dan een vereniging van ons lichaam met het Lichaam van Christus, maar het volstaat niet. Het communiceren aan het Lichaam van Christus wordt pas heilzaam wanneer wij in de geest naar Hem toe willen gaan en ons op die manier met Hem verenigen. Als we communiceren aan het Lichaam en Bloed van Christus en we ondertussen ons in de geest van Hem afkeren, dan is dit gelijk aan hen die Hem geselden, Hem bespotten en Hem kruisigden. hun contact met Hem leidt dan niet tot hun redding en genezing, maar tot hun veroordeling.

         Maar zij, die in vroomheid, liefde en bereidheid eraan deelnemen, verenigen zich heel intens met Hem en worden zo instrumenten van Zijn Goddelijke wil.

         Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en ik in Hem, zei de Heer (Joh.6,57)

         In vereniging met de Verrezen Heer, en door hem met de eeuwige Drie-eenheid ,ontvangt men de kracht voor het eeuwig leven en wordt men zelf onsterfelijk.

         Zoals de Vader die leeft, Mij heeft gezonden, en Ik leef voor de Vader, zó zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij (Joh.6,57)

         Allen die in God geloven en zichzelf met Hem verenigen door zichzelf aan Hem weg te schenken en ook door het ontvangen van Zijn Goddelijke genade, bouwen tesamen aan de Kerk van Christus, wiens hoofd Christus zelf is, en zij die er zich bij aansluiten zijn haar leden.

         Christus, die onzichtbaar is voor het menselijk oog, heeft Zichzelf duidelijk op aarde geopenbaard in Zijn Kerk, op dezelfde wijze als de onzichtbare menselijke geest zichzelf openbaart doorheen het lichaam. De Kerk is om twee redenen het Lichaam van Christus  : enerzijds, omdat haar leden verenigd zijn met Christus door middel van Zijn Goddelijke Mysterieën, en anderzijds, omdat Christus door haar werkt in de wereld.

         Wij nemen deel aan het Lichaam en Bloed van Christus als we naderen tot de heilige Mysterieën. Zo worden wij leden van Christus’Lichaam : de Kerk.

         Dit gebeurt niet onmiddellijk. Het volledig deelnemen aan het leven van de Kerk is reeds een overwinning over de zonde en een volledige zuivering ervan. Alles wat zondig is vervreemdt ons in zekere zin van de Kerk, en houdt ons buiten de Kerk. Dit is de reden waarom er gebeden wordt over elke penitent gedurende de biecht, verzoen ons en verenig hem/haar met de Heilige Kerk”. Door berouw wordt een christen gereinigd en is hij dichter met Christus verenigd om tot de Heilige Mysterieën te naderen. Later echter zal het kwaad van de zonde zich opnieuw meester van hem maken en hem van Christus en de Kerk doen vervreemden. Telkens opnieuw is er berouw en communio nodig.

         Zolang het leven van een mens duurt, tot aan het heengaan van zijn ziel uit het lichaam, zolang men leeft zal de strijd tussen zonde en rechtschapenheid duren. Hoe groot de spirituele en morele staat van iemand ook mag zijn, de mogelijkheid zal altijd blijven bestaan van een min of meer terugvallen in de afgrond van de zonde. Daarom is het communiceren aan het heilig Lichaam en Bloed van Christus, dat onze relatie met Hem versterkt en ons verkwikt met de levende stromen van de genade van de Heilige Geest, door middel van de Kerk, noodzakelijk voor iedereen. Het grote belang om deel te nemen aan de heilige Mysterieën hebben we gezien in het leven van de heilige Onuphrius de grote. Engels brachten hem en andere kluizenaars de Heilige Communie, en in het leven van de Heilige Maria van Egypte zien we waaruit haar laatste wil na jaren als kluizenares te hebben geleefd bestond : deel te kunnen nemen aan de heilige Mysterieën. Er zijn nog gelijkaardige voorbeelden te noemen in het leven van de Heilige Sabbatius van Solovki en vele anderen. Niet ten onrechte zei de Heer, “voorwaar,voorwaar Ik zeg u : zo gij het vlees van de mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, dan hebt gij het leven niet in u” (Joh.6,53).

         Als wij deelnemen aan de heilige Communie dan ontvangen wij de Verrezen Christus in ons, de overwinnaar van de dood. Hij schenkt ons de overwinning over zonde en dood.

         Als wij in onszelf de genadevolle gave van de Communie bewaren, dan ontvangen wij de verzekering en de voorsmaak van het gezegende eeuwige leven voor ziel en lichaam.

         Tot aan de ‘Dag van Christus’, Zijn Tweede Komst en het Oordeel over de gehele wereld zal de strijd tegen  de zonde in individueel in elke persoon afzonderlijk en gezamenlijk in de gehele mensheid, doorgaan.

         De aardse kerk verenigt allen die herboren zijn door het doopsel en die het kruis op zich hebben genomen van de strijd tegen de zonde en die Christus volgen, de krijgsheer van deze strijd. De Goddelijke Eucharistie, het bloedeloos offer en het deelnemen daaraan, heiligt en sterkt ons en maakt hen die het Lichaam en Bloed van Christus ontvangen, waarachtige leden van Zijn Lichaam, de Kerk. Alleen bij de dood zal bepaald worden of iemand een waarachtig lid van de Kerk is gebleven tot zijn laatste adem, of integendeel de zonde over hem heeft gezegevierd die de genade in hem heeft uitgedoofd die hij in de Heilige Mysterieën heeft ontvangen en die hem met Christus verenigden.

Wie als lid van de aardse Kerk zijn vertrouwen heeft gesteld  op de genade, gaat van de aardse Kerk over tot de hemelse Kerk; maar hij die de aardse Kerk verlaat gaat niet over tot de hemelse, want de aardse kerk is de weg naar de hemelse.

         Hoe meer iemand staat onder de invloed van de genade van de Communie en hoe sterker iemand zich heeft verenigd met Christus, hoe meer iemand het genoegen mag beleven in de gemeenschap met Christus in Zijn komend Rijk.

         Het is belangrijk om aan de Mysterieën van Christus deel te nemen  vlak voor het sterven, wanneer het lot van de mens voor eeuwig wordt bepaald. Het is noodzakelijk om juist voor de dood te trachten, als daar zelfs maar de geringste gelegenheid toe is, om de Heer te smeken ons waardig te achten eraan deel te nemen,en de zorg voor anderen af te smeken, opdat ook zij de Communie niet wordt onthouden voor het einde.

         Aangezien de zonde tot aan de dood voortgaat met haar werken uit te voeren in de ziel, zo is het lichaam verantwoordelijk voor de gevolgen ervan door in zichzelf het zaad van ziekte en dood te zaaien. Alleen de dood kan daar een einde aan maken. Alleen in de algemene opstanding zal de mens volledig vrij zijn. Hij die zichzelf in geest en lichaam in dit leven met Christus verenigt, zal bij Hem zijn in geest en lichaam in het komende leven. De genadevolle stromen van de levensscheppende Mysterieën van het Lichaam en Bloed van Christus zijn de bron van onze ee
uwige vreugde in de relatie met de Verrezen Christus en in de beschouwing van Zijn glorie.

         Dezelfde gevolgen van de zonde, die nog niet volledig uit het menselijke ras zijn verdreven, zijn niet alleen werkzaam in de mens afzonderlijk, maar door hem zijn ze werkzaam in de aardse activiteiten van ganse delen van de Kerk. Ketterijen, schisma’s en twisten steken voortdurend de kop op. Zij zaaien tweedracht onder de gelovigen. Misverstanden tussen locale Kerken of delen ervan hebben de Kerk sedert de oudheid in beroering gebracht. Gebeden om daar een einde aan te stellen worden herhaaldelijk gehoord in de Goddelijke Liturgieën.

         “Wij bidden voor de éénheid van de Kerken”, “éénheid tot de Kerken” (Triadic, Canon van de Verrijzenis, Toon 8) “maak de onenigheid binnen de kerk ongedaan” (dienst van de Aartsengelen, 8 Movember, 26 Maart, 13 Juli). Gelijkaardige  gebeden zijn eeuwenlang opgezegd door de Orthodoxe kerk. Zelfs op de Heilige en Grote Zaterdag, vóór het epitaphion van Christus, zegt de Kerk : “O gans onberispelijke Maagd, die het leven voortbracht, stop de schandalen binnen de Kerk, en geef vrede, want Gij zijt goed” (laatste vers van de tweede Stasi van de Treurzangen).

         Alleen wanneer Christus zal verschijnen op de wolken zal de verleider verbrijzeld worden, en zullen alle schandalen en verleidingen verdwenen zijn. Dan zal de strijd tussen goed en kwaad, tussen leven en dood ophouden, en de aardse kerk zal opgaan in de Triomferende Kerk, waarin God alles in allen zal zijn(1 Cor.15,28).

         In het komende Koninkrijk van Christus, zal er geen nood meer zijn om het Lichaam en Bloed van Christus te ontvangen. Als men waardig bevonden wordt zal men in de meest intieme gemeenschap met Hem zijn. Hij zal de vreugde vinden in het voor-eeuwige licht van de Levensschenkende Drie-eenheid. Hij  zal de gelukzaligheid ondervinden welke geen tong kan uitdrukken en wat onbegrijpelijk is voor onze zwakke geest. Om deze redenen wordt, nadat wij deelgenomen hebben aan de Heilige Mysterieën in de Liturgie, aan het altaar altijd het gebed gezegd die wij zingen gedurende de tijd van Pasen :”O Christus,Gij groot en heilig Pascha ! O Wijsheid, Woord en Kracht van God ! Verleen ons om volkomen te mogen deelnemen aan de komende dag van Uw Koninkrijk” (9e Ode, Canon van Pasen)

Nu wij Christus’opstanding aanschouwd hebben


“Nu wij Christus ‘opstanding aanschouwd hebben


– De betekenis van de verrijzenis voor de mens van vandaag –


Het feit dat we ons de vraag stellen in verband met “de verrijzenis voor de mens op vandaag” is een teken dat we op zijn minst twijfelen in verband met de verrijzenis. Dit brengt ons ook tot het berouw in de zin van meditatie, een moment van even stilstaan, van bezinning.

Om ons aan te moedigen leert de ascetische literatuur ons: “Kort is het bestaan, lang is de komende eeuwigheid, kort is de tijd van ons hedendaags leven”. De tijd is kort, de mens is zwak, de strijd is groot. We moeten dus onze tijd nuttig gebruiken.

We stellen ons dus de vraag naar de betekenis van de verrijzenis. Als deze een zin heeft, dan heeft ook ons leven en onze dood een zin, zoniet is alles absurd en wordt het leven eerder een lijdzaam drama.

Dezelfde vraagstelling werd al in de Handelingen van de Apostelen gesteld in Antiochië. Voor de eerste groep mensen is Christus levend en Hij is hun leven. Voor de andere christenen heeft Christus geleefd, is Hij gestorven en begraven. Voor de eerste groep is de verrijzenis een evidentie, iets klaar en duidelijk, iets dat zin geeft aan het leven. Voor de andere groep is de verrijzenis een leeg begrip. In het verhaal van de Handelingen der Apostelen zegt de wereldse overste van deze deelprovincie dat hij geen standpunt inneemt omdat hij het niet weet. Misschien kunnen we ons vereenzelvigen met een aspect van elk van deze drie standpunten.

De Kerk is ervan overtuigd dat de verrijzenis van Christus de realiteit is die alles verlicht, die de prepaschale tijd verlicht alsook de komende tijd welke geopenbaard wordt in de Apocalyps. Wij zien dus ons leven in het licht van de verrijzenis. De verrijzenis is het integrale element van de heilsgeschiedenis en van de geschiedenis van deze wereld.

Wij kunnen volledig de woorden van Patriarch Ignatius IV beamen als hij zegt: “persoonlijk aanvaard ik als globale en degelijke uitleg van mijn leven en van de geschiedenis, enkel deze uitleg die mij vanaf nu toelaat het drama van de dood voor ogen te zien en te overstijgen. Daarbuiten is er slechts leugen”. Dit wil zeggen dat wanneer wij geen levensfilosofie krijgen die ons daar een antwoord op geeft, dan houden we ons bezig met bijkomstigheden.

Wij verwachten dus de opstanding uit de doden, doden die we zelf zijn. De vraag die we ons stellen, ook in onze Paasdiensten, luidt: “Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel?”. De dood is het niet te ontcijferen raadsel waarvan de absurditeit alle zingeving teniet doet. Ons vertrekpunt zal dus niet zijn: wat is het raadsel van de dood, maar wat betekent de verrijzenis van Christus.

Deze verrijzenis is een unieke gebeurtenis die een waarheid doorgeeft aan al wat IS. We gaan ons leven dus proberen te interpreteren in het licht van de verrijzenis, zowel het voorbije als het toekomstige leven. Ieders persoonlijk leven, ons communautair leven, het leven van de kosmos is als een raadsel, als een verzegeld boek dat zijn betekenis, zijn uitleg krijgt in het geslachtofferd en verrezen Lam.

Het beeld van het leven als een verzegeld boek dat geopend wordt, doet ons denken aan het beeld van de Apocalyps waar gesproken wordt over “zeven boeken, en elk zegel zal geopend worden”. De verrijzenis is dus een anticipatie (iets dat vooruitgeschoven wordt t.o.v. het einde), het is de Apocalyps, de openbaring bij uitstek. Daarbij is de verrijzenis geen historisch gebeuren in strikte zin, maar het is een gebeurtenis van het Koninkrijk van God, dat volgens het Evangelie onder ons en in ons is. Het lichaam van Christus, dat verrijst, is een lichaam dat in ons verrijst en dat geanimeerd wordt door de adem van de Heilige, Onsterfelijke God, de Heilige Geest.

De verrijzenis is dus een relationeel gebeuren. Zij wil opnieuw een relatie opbouwen tussen twee onafscheidbare delen, de schepping (met de schepselen) en de Schepper, waarbij deze onafscheidbare delen van binnenuit verlicht worden door dit verrezen lichaam. Door de verrijzenis worden we geestelijk “verlicht” over de goddelijke dimensie en de wereld.

De Heilige Johannes Klimakos (higoumen in het Katharinaklooster in de Sinaï, VIIde eeuw) raadt zijn medebroeders aan: “Laten wij ons haasten en ons niet sparen om zo vlug mogelijk in ons te doden wat ons doodt”. Daarmee bedoelt hij, wat ons belemmert om die relatie terug aan te gaan.

Laat ons nu even nadenken over dat berouw, die bezinning. We moeten geen schuldgevoel krijgen omdat we twijfelen aan de verrijzenis want dit is zeer menselijk, en dit omdat we juist mensen zijn. Deze vaststelling voert mij tot nederigheid, tot eenvoud, tot een niet triomferend gedrag.

De verrijzenis van Christus is ook de vervolmaking van een verwachting, want uiteindelijk stellen wij vast dat we leven wanneer we leven in het verrezen lichaam. De Heilige Johannes Klimakos zegt: “Ons gebed heeft niet de kracht van het vertrouwen”. We zouden graag willen vertrouwen. “Ons gebed heeft ook niet de vleugels van de zuiverheid om God te bereiken”.

De grote oproep is dit bewustzijn van die ééns en voor altijd verrezen Christus. Moge dit in ons een eeuwig gebeuren zijn. Mogen wij als schepselen ons vervolmaken in de verrijzenis van Christus. Moge ons leven een eeuwige doortocht – een eeuwig pascha – worden. Mogen wij voortdurend leven in die doortocht van het oude naar het nieuwe leven. Moge ons leven een voortdurend paasgebeuren worden.De Russische denker Serge Boelgakov zegt: “Als we de nar zijn van onszelf, bewegen we ons als een pop in ons eigen spiegelpaleis”. We zijn dan voortdurend bezig onszelf te bekijken en we voelen er ons zo goed bij! Vandaar de noodzaak van het berouw en de metanoia, de innerlijke ommekeer.

In de vesperdienst daarentegen zingen we in psalm 142 “…en geef het mij om niet met uitvluchten mijn zonden (mislukkingen) te verontschuldigen…”.

Onze idolatrie, onze zelfverering wordt doorbroken door het Kruis. Als wij het Kruis liefhebben is dit eigenlijk niets anders dan een bovennatuurlijke liefde voor God, een liefde die alles overstijgt, en zelfs het Kruis daarin aanvaardt. De grote oproep is dus kruisig uzelf. Dit betekent dat we moeten afsterven aan wat ons teveel hindert in de relatie met onze naaste en met God.

De verrijzenis van Christus, dat volle leven, dat het Kruis doorleefd heeft, en wat wij niet kunnen realiseren omdat het kruis voor ons te lastig is om aan af te sterven, omdat we te weinig mogelijkheden hebben, te weinig kracht hebben, heeft ons getoond en bewezen dat het een leven is dat het kruis overstegen heeft, dat het kruis doorleefd heeft – namelijk het verrezen lichaam van Christus – dat dit een geslaagd leven is, dat het een leven is in volle licht, dat het een leven is in de Drie-Eenheid.

Alles wat in de weg staat voor deze gemeenschap, om vrijwillig dat Kruis op te nemen, om vrijwillig af te sterven is de dood in al haar verschillende vormen, niet enkel in haar fysische of biologische vorm. De dood is niet de biologische ontbinding; het i
s uiteindelijk een laatst zichtbaar teken van de gevallen mens, van een mislukte relatie zoals het Griekse begrip betekent voor zonde: “de zonde (lees de dood) is het doel missen”.

Wat betekent dit alles nu persoonlijk voor ieder van ons? Het gaat over een totaal nieuw leven. Kon God niet gewoon door één woord de mens redden? Neen, de menswording is het feit dat God op een reële, vleselijke wijze deelneemt aan ieder van ons. Die menswording brengt het tot de verrijzenis. De verrijzenis in Christus, die ons allen gevraagd wordt, is deelnemen aan de grootste promotie, de grootste opgang die we de mens kunnen bieden. De grootste promotie is te kunnen verrijzen in Christus. Dit is in tegenstelling tot de opvatting van degenen die zich voortdurend verrechtvaardigen en zeggen dat ze niets anders kunnen. Zij ontkennen dat de mens méér kan dan leven volgens zijn natuur. De gehele dynamiek ligt vervat in het scheppingsverhaal. Wij zijn geschapen naar het beeld van God, voor de gelijkenis met God. We moeten dus die spiegel van de idolatrie doorbreken om op te gaan naar die verrijzenis in Christus. We leven dus niet meer voor onszelf, maar voor Hem, die voor ons gestorven en verrezen is.

Dit is ook zo in een liturgisch leven. Wij wonen de liturgische diensten eerst en vooral bij om dank te zeggen voor de wijze waarop God ons elke dag leidt in Zijn goddelijke pedagogie via ontmoediging, geluk en ervaring. Dat alles is het gegeven van God. De monniken in de woestijn herleiden alle gebeden tot dit ene gebed: “Indien het U past Heer, open voor ons de poort, en dan is het goed. Maar indien Gij de poort niet opent, dan moge Gij nog gezegend zijn omdat Gij deze poort, terwille van Uw gerechtigheid, voor mij gesloten houdt”.

In deze houding van het verlaten van onszelf en het ons overgeven aan God, bezitten we onszelf niet meer. “Dat Uw wil geschiede”, we behoren God toe. Dit is geen moraal, dit is een mysterie. Dit realiseert de Geest van God in ons persoonlijk leven, elke dag wanneer wij daartoe in staat zijn en wanneer wij de kracht hebben om daaraan te werken. Want soms zijn we moe of vertwijfeld of ontgoocheld. Vandaar dat nodige berouw in de zin van inkeer, meditatie, beschouwing om weer de “goddelijke draad” op te nemen.

De deelname aan de verrijzenis van Christus bestaat erin af te dalen in onze hades, in onze duistere diepten, maar die toch doordrongen zijn van het licht van de verrijzenis. Onze dood is een wijze van niet-in-relatie-zijn. Het is geen psychische wel een existentiële realiteit van een verbroken relatie. Deze relatie wordt gekenmerkt door afwezigheid van licht, gebrek aan gemeenschap. Het is een wijze van niet meer in relatie te leven met eerst en vooral zichzelf, met het koninkrijk dat in ons is, vervolgens met onze naaste.

De Heilige Ireneus van Lyon (IIde eeuw) ziet het als volgt. “Wat is de fysische dood nog wanneer gij reeds aan zo veel afgestorven zijt in dit leven? Dit is het laatste restje waaraan gij niet hebt kunnen afsterven in de loop van dit leven”. De Kerkvaders en Woestijnvaders spreken in dit verband over het vellen kleed als het enige dat dan nog op deze wereld rondloopt. Al de rest is al

gedeeltelijk overgegaan in een andere dimensie van zijn.

Hoe zouden wij deelachtig willen worden aan de verrijzenis zonder bewust te worden dat het hier gaat over een spirituele strijd. Het evangelie leert ons dat het Koninkrijk voor de geweldigen is. De Russische denker Tchaadaëv zegt dat het christelijke leven maar één limiet heeft, de hemel.Onze duisternis is ons egoïsme, onze onrechtvaardigheid, onze hardheid, onze leugen, onze verdeeldheid, onze koppigheid, onze hoogmoed, onze drang naar zelfbevestiging… Zijn we al begonnen met deze spirituele strijd? Is deze strijd wel nodig? Of leven we “volgens onze natuur”. Maar neen, de natuur mag gekwetst worden; de menselijke natuur wordt gekwetst, of wij het willen of niet.De auteur van het boek waarop wij ons hier voornamelijk gebaseerd hebben zegt verder: “we moeten toch niet wachten tot we allen grijze haren hebben om ons bewust te worden dat de dood in het hart van de mens leeft. Indien we toch zolang zouden wachten, dan bouwen we ons een wereldje op dat goed hermetisch afgesloten is, met strakke morele grenzen, met verboden vragen, vragen die we ons nooit zullen stellen”. “Maar”, zegt hij, “zulk een leventje redt de mens niet!”.

De strijd om aan onszelf te verzaken, zoals het evangelie ons vraagt, is een strijd die erin bestaat van neen te zeggen aan de dood en ja aan HIJ DIE (het leven) IS. De ascese, de oefening, is niets anders dan een “paas”-gebeuren, een gebeuren dat leven schenkt. Misschien kunnen we enkel in ons gebed vragen dat Onze Heer en God en Verlosser in het licht van Zijn verrijzenis ons moge verlichten om tot een waarachtig berouw te komen, om waarachtig bewust te worden waar het hier op aarde over gaat.

vader Dominique

Dit artikel is voornamelijk gebaseerd op het werk “la résurrection et l’homme d’aujourd’hui” van Patriarch Ignatius IV van Antiochië die een aantal lezingen gegeven heeft op oecumenische bijeenkomsten in Zwitserland.

Orthodox zijn in de westerse wereld

 


ORTHODOX ZIJN IN DE WESTERSE

WERELD


bannerLeftA_5_9

Door Vader Boris BOBRINSKOY

            

Deze titel is mij gesuggereerd, maar ik zou het hierbij niet willen laten. Het essentieel probleem blijft kortweg :  Christen te zijn in de wereld. Ik zal op deze vraag van de christelijke of orthodoxe identiteit nog terugkomen. Het is té gemakkelijk om de Oosterse orthodoxie te plaatsen tegenover het Westerse, die men trouwens nog nader moet bepalen : latijns, gereformeerd, a-religieus, niet-confessioneel, geseculariseerd. En wij zouden ons hiertegenover  roemen om onze Orthodoxie, om onze oosterse identiteit ?. Zeker, de orthodoxie heeft een tweeduizend jaar lange geschiedenis van cultuur, heiligheid, van martelaren achter de rug, dit is waar en belangrijk, maar dikwijls is dit maar heel oppervlakkig, eens verworven voor allen. Het is op de eerste plaats de term ‘westers’ die voor mij een probleem vormt. Voor het Christelijke en dus orthodoxe geweten is het waarachtige Oosten niet geografisch, maar vooral spiritueel. De waarachtige zon die in het Oosten opstaat om onze aarde te verlichten en te verwarmen is Christus, Zoon en rechtvaardigheid. ‘Ik ben het ware Licht…Diegene die me volgt gaat niet in de duisternis…en het licht scheen in de duisternis en de duisternis heeft het niet aanvaard’. Het Westen daarentegen zal de plaats zijn waar de zon ondergaat, symbool dus van de duisternis die de aarde bedekt. Welke aarde ? Deze aarde die God geschapen heeft uit liefde, die hij zo heeft liefgehad, dat Hij zijn Zoon heeft gezonden om Hem  aan de krachten van de prins van deze wereld te ontrukken. Wanneer een christen zich richt op Christus, naar het waarachtige Oosten, dan oriëntaliseert hij zich, maar oosters zijn is geen voorrecht van orthodoxen, het is een worden, een roeping van de gehele christen. Wanneer deze zelfde christen zich richt op het Westen, dit wil zeggen op de wereld, gesteld dat hij het licht van Christus weerspiegelt, dan  zal    hij een waarachtige oosterling blijven en aan de wereld de boodschap van liefde en leven overdragen. Maar als hij de boodschap van Christus vergeet, ze relativeert of verloochent, dan zal hij opgaan in de omringende wereld en zich erin isoleren en zich opsluiten in een ghetto of een ivoren toren.Zo betekent christen zijn in de wereld, het Licht van Christus , de Zon uit het Oosten, uitdragen in een Westen dat onze wereldbol omvat. Deze wereld is in de verwachting van de boodschap van het Evangelie, ze is wanhopig zoekende naar haar identiteit, haar eenheid, in een proces van mondialisering en een snelle technische vooruitgang die ons de grenzen van landen en continenten doet overschrijden. Een wereld doordrongen van tegengestelde stromingen, aan een overdreven nationalisme aan welke ook onze orthodoxe kerken niet zijn kunnen ontsnappen, maar ook een wereld  die verdorven is door de secularisatie die zijn eigen rijkdom ontkent of vergeet of verwerpt , maar ook haar christelijke geschiedenis, haar oorsprong en haar uiteindelijk gericht zijn op God. ‘Frankrijk, riep Johannes Paulus II uit, wat heb je gedaan met uw doopsel ?’ Deze zelfde vraag stelt zich aan elk van onze christelijke landen, zowel aan die van het Oosten als van het Westen. De doelstellingen van oosterlingen en westerlingen hebben een lange geschiedenis achter de rug, in het bijzonder in de twee duizend jaar van het Christendom, maar het is niet geloofwaardig, noch mogelijk om ons vandaag de dag onvoorwaardelijk op te sluiten in die categorieën die een te lang en dramatisch proces van wederzijdse vervreemding van de twee polen of longen van de christenheid  heeft teweeg gebracht : Rome, door de universele jurisdictie te bevestigen, en door romeinse bisdommen op te richten op traditioneel orthodoxe grond, inbegrepen Jeruzalem en Constantinopel. Terwijl in de 20e eeuw er een massale migratie van duizenden arabische , griekse of slavische orthodoxen  heeft plaatsgevonden in vreemde landen. Ontworteld, vermoord in hun lichaam en ziel, wezen, maar zoekende hoe zij de spirituele vlam van het geloof kunnen in stand houden. Orthodoxe parochies en bisdommen werden in deze landen van ontvangst opgericht. Voor de 3e en 4e generatie is West Europa of Noord-Amerika geen vreemde aarde meer, maar ons echte vaderland, zelfs al zijn we verdeeld  door onze dubbele identiteit, grieks-orthodox, arabieren, slaven, roemenen, maar zich daadwerkelijk engagerend in het culturele, sociale en politieke leven van het nieuwe vaderland. Het is hier dat ik hulde wil brengen aan, en onze grote erkentelijkheid voor ons vaderland Frankrijk dat voor onze ouders, en voor onszelf een gastland is geworden, gastvrij, waar onze kinderen zijn kunnen opgroeien, studeren, zich geïnstaleerd hebben, zich volledig integreren in de franse cultuur, zonder nochtans afstand te moeten doen van onze taal, cultuur en tradities van onze herkomst.Wij op een gewelddadige manier in deze westerse landen geworpen, wij hebben er de wil van God in herkend om er te wonen, er op te groeien, er te getuigen van ons geloof en de rijkdom van onze religieuze tradities, zonder nochtans te vallen in een primair prosiletisme, maar in respect voor de christelijke geschiedenis van dit land van ontvangst en in de openheid naar de christelijke kerken toe die wij geleerd hebben te kennen en lief te hebben. Wij hebben bij hen niet vermoede schatten van heiligheid en wijsheid gevonden. Zo is de oecumenische dimensie van ons christelijk leven een klaarblijkelijkheid geworden, een gebod om te gehoorzamen aan de Heer zelf. Plaatsen van eredienst zijn als paddestoelen na de regen  uit de grond geschoten, eerst nederige kapellen, daarna kerken. Monastieke gemeenschappen zijn gesticht doorheen gans Europa, jeugdorganisaties zijn opgericht, er is een theologische school opgericht , nu reeds meer dan 80 jaar geleden, in het hart van Parijs zelf. Zij heeft reeds honderden priesters, bisschoppen, theologen en catechisten gevormd. Ik zal er nog op terugkomen. Na een geschiedenis van 80 jaar, organiseert deze orthodoxe diaspora zich , sluit zich bij elkaar aan, en dit niet zonder pijn , dat is waar, ze structureert zich, vooral rond onze bisschoppen in de Vergadering van Orthodoxe Bisschoppen in Frankrijk.. Deze Vergadering is erkend door de franse staat en verleent haar toegang tot de instanties van de regering. De meeste van de oosterse patriarchaten zijn in deze Vergadering vertegenwoordigd : Constantinopel, Antiochië, Moscou, Belgrado, Bukarest, Tbilissi, maar ook de franse filosofische gemeenschappen, schrijvers, de kunsten, en dit alles in nauwe verbondenheid met de orthodoxe spiritualiteit en traditie. De 20e eeuw is een tijd geweest van ontmoeting en ontdekking  door het Westen van de Orthodoxe rijkdommen. Wij kunnen dit zelf bijna of niet vermoeden. De ontmoeting met de westerse religieuze of filosofische gedachte, om slechts enkele te vernoemen : Bergson, Mounier, Péguy, Congar, Daniélou, de Lubac, Boegner, Pierre Maury en zoveel anderen, was een gelegenheid voor een onschatbare wederzijdse verrijking.  Het instituut Saint Serge te Parijs en zijn erfgenaam, het Seminarie St.Vladimir te New York waren voorposten van een scheppende theologische reflexie, tegelijk wetenschappelijk, maar ook niet minder geworteld in het concrete leven van onze kerken, maar ook niet los te denken van een authentieke geestelijke ervar
ing, kerkelijk en persoonlijk . Ik wil hierbij vooral aan Vader Serge Boulgakov  denken, de stichter en deken van het instituut St.Serge, aan Vader Georges Florofsky, die samen met Vladimir Lossky de vertegenwoordiger is van de neo-patristieke orthodoxe stroming., Vader Nicolas Afanassieff, de baanbreker van de eucharistische ecclesiologie, die trouwens invloed heeft gehad op de vaders van Vaticanum II, Mgr Cassien die de nieuw-testamentische orthodoxe exegese heeft vernieuwd, Léon Zander, één van de meest geëngageerde personen in de oecumenische dialoog. Na deze eerste generatie stichters van het instituut moet men vooral denken aan figuren als Vader Alexandre Schmemann en Vader Jean Meyendorff die beiden naar de Verenigde-Staten zijn geëmigreerd. Zij waren de boegbeelden van het Seminarie St.Vladimir, de eerste als drager van een nieuwe visie op de liturgie en de eredienst, de tweede als geschiedkundige van de Byzantijnse  Theologie. Onder de levenden denken wij in Franktijk aan Olivier Clément, aan Mgr.Jean Zizioulas, aan Christos Yannaras, Mgr Kallistos, (Vader Lev Gillet, De monnik van de Oosterse Kerk, Elisabeth Behr-Sigel) en verder gans onze huidige generatie waarvan ik de namen niet vermeld. Ik moet hier ook enkele namen vermelden van enkele uitzonderlijke figuren van de orthodoxe gemeenschap van Antiochië, van Libanon, van Syrië, en zeker van de antiocheense diaspora in de wereld… Vooreerst, de huidige patriarch van Antiochië Ignace IV en zijn jeugdvriend, de metropoliet van de Berg Libanon Georges Khodre, beiden gediplomeerden van ons Instituut. Ik ben gelukkig voor de lange vriendschap die ons vanaf onze jeugdjaren heeft verenigd. Hun getuigenis , zowel binnen de orthodoxie als binnen de oecumene en wederzijdss ook met de Islam waarvan zij één van de beste kenners zijn, is onschatbaar. Wij herinneren eraan, dat zij in de eerste jaren die volgden op de tweede wereldoorlog, met nog anderen zoals Albert en Edouard Laham, Spiridon Khoury, Raymond Rizk, de gangmakers waren van een spirituele vernieuwing binnen de orthodoxe christenheid van Antiochië, door de stichting van het fameuze MJO (le mouvement de Jeunesse Orthodoxe au Proche-Orient) Onderlijnen we ook dat zij in een islamitische omgeving, niet alleen hun geloof en de rijkdommen van onze orthodoxe traditie wisten te behouden, maar ook een theologische vernieuwing wisten te tot stand te brengen door middel van hun bezieling voor een Beweging van Orthodoxe Jongeren, waaruit de beste theologen en mannen voor de Kerk van het Patriarchaat van Antiochië van vandaag zijn voortgekomen. Om te besluiten houd ik eraan vanaf nu  te antwoorden op de vraag : iIs er een  bijdrage, en zo ja, welk is de specifieke boodschap van deze bijdrage van de orthodoxie aan de westerse wereld waarin wij leven, en zeker aan kortweg ,de wereld ?

     Verrijzenis 147
    Ik zal hier vooreerst drie essentiële dimensies van ons geloof en onze ervaring vermelden :

1. De paas-overwinning van de Verrezene. Het is de fundamentele boodschap,die essentieel is voor de Kerk aan de wereld. Onderlijnen wij de actualiteit van deze boodschap in welke de ganse volheid van  het wezen van het christendom en deze van de  diaspora is samengevat.  Op lange termijn is het doel van de Bisschoppelijke raad om een eenvormige bisschoppelijke structuur te scheppen voor een lokale Kerk. Overigens, en ik gooi hier een knuppel in het hoenderhok, men kan de eenwording van de orthodoxe gemeenschappen in het Westen niet totaal scheiden van de toekomst van de oecumenische dialoog en de verwachting van onze kerkelijke eenheid met Rome en de niet-chalcedonische kerken. Maar daar raak ik een onderwerp aan die mij toebedeeld is. Ik zei het zojuist, de orthodoxe kerken zijn betrokken partij in het ontstaan van de oecumenische beweging, zich bewust zijnde dat de muren van onze scheidingen niet tot in de hemel reiken.. Zij moeten de actie en het oecumenische bewustzijn in het onderzoek naar een betere wederzijdse kennis aanmoedigen, door een waarachtige theologische dialoog aan te moedigen en niet meer in een geest van confrontatie en twist. Pas dan kunnen de theologische problemen worden aangeraakt, waaronder de meest wanhopige zoals het romeinse primaatschap, de voortkomst van de Heilige Geest en het probleem van de uniaten. Er is veel moed , intellectuele eerlijkheid en vertrouwen in het werk van de Heilige Geest nodig om zich  te engageren voor de hindernissen van de oecumenische dialoog, maar ik ben er van overtuigd dat er gelijdelijkaan zich een geest van vrede zal vestigen en dat theologische oplossingen vorm zullen krijgen. Er  zijn na de tweede wereldoorlog  bilaterale commissies  voor de dialoog opgericht, zowel op nationaal niveau als op internationaal niveau om de loop van de geschiedenis te proberen te overstijgen en om samen opnieuw onze gemeenschappelijke basis van voor de scheiding en conflicten te herstellen. Zo zullen wij door onze herinneringen aan de gebeurtenissen een daadwerkelijke therapie vinden voor onze scheidingen. Er is zeker enorm veel te zeggen over de aanwezigheid van de Orthodoxie in het Westen.  De Kerk levert ons de tijdgenoten en de zaden van heropleving  ontkiemen en ontluiken in onze harten en in onze levens. De Heilige Geest maakt ons tot tijdgenoten van de verrezen Christus. Gans het liturgisch en sacramentele leven van de Kerk zal een gelijkvormigheid zijn aan het mysterie van Christus’dood en verrijzenis.Zijn dood en verrijzenis bepalen de wet zelf van ons leven en ons worden, hier en nu. Wij kennen allen het impact van de dienst van Paasnacht op hen die er kunnen aan deelnemen, orthodoxen, christenen of zelfs ongelovigen. Ik was bijzonder in de war  bij het lezen van een brief afkomstig van gevangenen in een kamp voor gedeporteerden in  het hoge Noorden van de Noordpool, aan het monasterie van de Solovki, dat een van de gruwelijkste plaatsen is geworden voor de gevangenschap van gelovigen gedurende de grote vervolging van de jaren 30. Men beschreef er de nacht-celebratie van de vigilie van Pasen, door hen waarvoor het wellicht de laatste gelegenheid was en de laatste genade om te kunnen roepen dat ‘Christus is verrezen’.


kerk1

2.Het concept van Tradititie is essentieel  in het orthodoxe leven. Een noodzakelijk onderscheid dient gemaakt te worden tussen Traditie en tradities.Deze laatste zijn eerwaardig, maar relatief, locaal. In haar essentie bestaat de Traditie in de omvorming van de evangelische Boodschap  in tijd en ruimte, doorheen de categoriën van gedachten, de gevoeligheden van de naties, de culturen, in dat wat we de inculturatie noemen, iets dat tegelijk belangrijk maar delicaat is in de cultuur van een bepaalde tijd of land. Aldus zullen de grote christelijke families met hun kenmerkende liturgieën , hun theologische accenten, hun muziek en iconografie zich doorheen de geschiedenis ontwikkelen. Denken we hier aan de christenen van Irak en de semitische  talen, de antiocheense  en syrische traditie, de byzantijnse Orthodoxie en verder de  slaven en roemenen, de westerse families, romeins, milanees, celtisch, spaans. Vandaag de dag is het een franse orthodoxie die op zoek is naar zichzelf zonder de historische wortels van de locale christenheid en haar oosterse wortels te negeren. Men moet hier verduidelijken dat onze moderne maatschappijen diep getekend zijn door wat men zou
kunnen noemen : een  ‘ontwaarding’ van de traditie. Wat hierin overheerst is de continuïteit doorheen de wisseling van generaties alsook de autoriteit waarmee de traditie is bekleed om de huidige en toekomstige handelingen in goede banen te leiden. De moderniteit  toont  een definitieve breuk. Door haar ontwikkeling zelf veroorzaakt zij een breuk met de traditie, haar uitsluiting zowel op religieus, sociaal of familiaal vlak. Maar de overdracht zelf van het geloof gebeurt altijd in de Kerk, in het leven en het geweten, in het gezond verstand van de kerkelijke gemeenschap en een levendige liturgie, maar ook , en niet minder in een persoonlijke relatie door een  levendige overdracht van wat ik in de brede zin van het woord zou noemen :  een geestelijk ‘vaderschap’ (of ‘moederschap’). Wij kunnen hierbij nog verduidelijken dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen het geestelijk vaderschap in de strikte zin van het woord, als een waarachtige geboren worden in God, en anderzijds in de meest brede zin van het woord, door de uitwerking welke personen, heiligen van alle tijden , en  kerkvaders kunnen hebben in ons leven. In het verleden sinds de H.Ignatius van Antiochië of de H.Ireneüs, Basilios, de twee Grogoriussen, Johannes van Damascus, Gregorius Palamas, de spirituelen, Serafim van Sarov, Silouan de Athoniet, de heiligen dus van het verleden en het heden, deze heiligen die onder ons zijn wekken ons op en hun spirituele ‘gen’ vinden wij terug in onze eigen bestendigheid en identiteit. Ten slotte, deze kerkelijke traditie brengt ons terug naar de apostolische tijd, naar de Kerk van de apostelen en de martelaren, want de Kerk is altijd apostolisch en  de Kerk van de martelaren, en het is in de Heilige Geest dat de overdracht zich voltrekt in de trouw, zonder er iets aan toe te voegen of af te nemen.Ik zeg wel : zonder er iets aan toe te voegen. Het is op dit punt, dat de orthodoxen waakzaam moeten zijn en zich niet moeten laten overweldigen en laten inslapen door de rijkdommen van onze geschiedenis en onze tweeduizendjarige bestaan. Zij moeten in staat zijn om telkens opnieuw terug te keren naar het essentiële , dit wil zeggen, naar onze gemeenschappelijke christelijke boodschap.

3. De schoonheid. Deze derde titel zal ons misschien wat verbazen, maar het lijkt mij belangrijk om onze visie en de ervaring van de orthodoxie in verband met de schoonheid die voortvloeit uit de liturgische dienst, maar ook de innerlijke schoonheid en harmonie, die het vredige hart uitstraalt en verlicht, niet te negeren. Eén van de meest bekende verzamelingen  die de geschriften bevatten van de oosterse spirituelen, gaan terug vanaf de eerste eeuwen tot de 15e eeuw, en zijn verzameld door Nicodemus de Hagioriet in de 18e eeuw. Het is getiteld : Philocalia, dit wil zeggen : liefde voor het schone. Geheel de grote oosterse traditie van het gebed van het hart, van de aanroeping van de Naam Jezus, doorheen de strijd tegen de passies, is vervat in deze verzameling die zeer vroeg reeds in het slavisch, russisch, roemeens, en, vandaag in de meeste moderne talen waarvan ook in het frans is vertaald. Het thema van de schoonheid is zeer dikwijls verborgen gehouden in onze theologische handboeken, het volgt nochtans met kracht uit de lofprijzing van de psalmen over de schepping, uit de woorden van Jezus die zijn bewondering uitdrukt voor de lelies op het veld, en boven alles van de Schepper Zelf, die de zevende dag uitrustte van de mooie werken die Hij had geschapen. Deze schoonheid en harmonie vindt men terug in de liturgische dienst, in de gezichten van de iconen, maar niet minder ook in de vredevolle  en licht uitstralende gezichten van Christus. Maar spreken over iconen dwingt ons eraan te herinneren, dat de waarachtige icoon verborgen is in het diepste van ons hart, en deze moet men herontdekken, vernieuwen, herstellen. Zo impliceert het spreken over de liturgische dienst en de iconen hun intieme band met de innerlijke cultus, met de offerande van het hart en de onophoudelijke aanroeping van de Naam van Jezus, die wij toevertrouwen aan allen en aan de schepping in haar geheel. Het is een waarachtige voorsmaak van de helderheid en de vrede van het Koninkrijk.. Maar dit herstel van de harten en deze uitstraling achter en buiten onze kerkelijke gemeenschappen is het fundamentele werk en de gave van de Heilige Geest, van Hem waarvan de Heilige Serafim zei : ‘Verwerf een geest van vrede en duizenden zullen bij u het heil vinden’

Tot besluit: Gegrepen door het vuur van de Geest die ons aanzet om een inspanning te leveren om het eigen van de orthodoxe boodschap af te bakenen tegenover de westerse wereld en kortweg tegenover de wereld, aanroep ik tot besluit en als conclusie de Heilige Geest aan die ons  vernieuwt, ons opbouwt en ons gelijk maakt aan het beeld van Christus’ dood en verrijzenis, deze Geest die de  richting bepaalt van onze weg vanaf  de geboorte tot de dood, die ons opbouwt tot levendige en biddende gemeenschappen, en tenslotte, die ons zendt in de wereld om er de boodschap van liefde, vrede en hoop uit te dragen. Alleen het vuur van de Heilige Geest kan de wereld omarmen. Beleven wij vandaag de dag niet de pijnlijke en moeilijke coëxistentie van twee werelden , de Kerk en de omringende wereld ? Twee werelden die zodanig verwijderd zijn dat het soms lijkt alsof de goddelijke boodschap slechts met moeit kan verkondigd kan worden. Ligt de fout van deze pijnlijke coëxistentie van Kerk en wereld bij de wereld alleen ? Indien de wereld in de hel van de onwetendheid, van de zonde en het lijden verkeert, moeten wij ons toch maar herinneren, vooreerst aan ons zelf, en vervolgens aan de wereld, dat de poorten van de hel waarmee wij in aanraking komen en die een echo vindt in onszelf, dat deze poorten van de hel verbroken zijn door de onoverwinnelijke kracht van de Verrezene. Geloven wij dit werkelijk ? Geloven wij sterk in de paas-overwinneng van Christus en de roemrijke en actuele kracht van de levende Geest ? Zo is het werk van de Geest die ons gelijkvormig maakt aan Christus, die ons de liefde en het medelijden van de Vader openbaart. Door Christus en de H.Geest gaan wij naar de vader. Of zoals een russische filosoof het eens zei, ‘Ons sociaal programma, is de Heilige Geest’. Hij is volledig aan het werk in de wereld en doorheen ieder van ons. En terugkerend naar de titel van deze uiteenzetting, moeten wij misschien niet wat minder denken aan de Orthodoxie en wat meer aan het Evangelie en de Verrijzenis, moeten wij ons niet wat minder verheerlijken en ons gaan beroepen op de ‘oosterse’ rijkdommen , die maar al te dikwijls ‘slapend’ en ‘ondoeltreffend’ zijn. Vooral moeten wij getuigen zijn van Hem die gekomen is, niet om gediend te worden maar om te dienen en zijn leven te geven voor het heil van de wereld.

Vertaling : Kris B.

De Heilige Isaac de Syriër

 

 


 

                            “DE LIEFDE REGELT ALLES”

         DE HEILIGE ISAAK DE SYRIER _ 4E EEUW 

                       

isaac_le_syrien


                           

Eerste Hoofdstuk                     
God, het   universum en  de mensen

II/5, 18
De wereld is vermengd met God.En de schepping en de schepper zijn één geworden. God, zoals Isaac hem verstaat, is voor alles overvloediger dan de oceaan (II,3, 72), een liefde zonder maat en zonder grenzen. De goddelijke liefde gaat alle menselijk begrip te boven en overtreft elke beschrijving door het woord. Ze wordt tegelijkertijd weerspiegeld in de activiteit van God met betrekking tot de geschapen wereld en met betrekking tot de mensen: Van al zijn werken is er niet één dat niet geheel en al werk is van barmhartigheid, van liefde en mededogen. Zie, dàt is het begin en het eindpunt van heel zijn handelen met betrekking tot ons.

(II,39,22)De schepping van de wereld en het komen van God op de aarde in een menselijk lichaam (vlees) hadden beide slechts één en hetzelfde oogmerk: aan de wereld zijn onbegrensde liefde openbaren. (II,3, 6, 79) Het motief voor het bestaan van de wereld en het motief voor de komst van Christus in de wereld zijn identiek: de manifestatie van de grote liefde van God die beide in beweging bracht opdat zij zouden bestaan. De spiegel (waarin wij) de liefdekracht van God kunnen zien is de komst van Christus in de wereld. De spiegel voor de liefde van Christus zijn de verschillende vormen van zijn vernedering. 
 
     

II, 38, 1-2 O diepte van de rijkdommen, o verheven geest en wijsheid van God! Welke goedheid vol mededogen, welke overvloed aan welbehagen, behoren de Schepper! Hoe (verheven) was niet zijn oogmerk en hoe (overvloedig) was niet zijn liefde als Hij die deze wereld schiep en tot het bestaan voerde! Welk mysterie had Hij niet op het oog als de schepping tot bestaan kwam! Het is uit liefde dat Hij de wereld tot het bestaan voerde, uit liefde dat Hij haar zal leiden naar die wonderbare omvorming, en het is uit liefde dat de wereld zal opgeslokt worden in het grote mysterie van Hem die de bewerker is van dit alles. Het is uiteindelijk de liefde die alles regelt in de schepping. 

II/10,24Het is Hij die, wonend in het licht van zijn natuur, heeft gewild dat de hele schepping tot de donkere wolk van zijn eeuwige glorie nadert. Het is Hij die de kroon van zijn eeuwigheid heeft gegeven aan de schepping, uit zijn handen voortgekomen…. Het is Hij die aan de oorsprong ligt van de volheid, volheid die Hij beslist heeft te delen in de eeuwigheid van zijn Koninkrijk. Het is Hij die het zijn is en de Heer, verhoogd boven elk secundair begrip, en zijn wil is de bron van de natuur. Van Hem vloeien uit, als van een bron, de werelden, de geschapen dingen en de naturen, zonder getal en zonder grenzen. …..Wat men van God kan gewaarworden en kan kennen is datgene wat Hij in zijn liefde op zich heeft genomen ten onzer gunste. 

II/ 38,5Bij de Schepper is er geen verandering, nog eerdere of latere bedoelingen ( die Hij zou hebben): er is haat noch ergernis in zijn natuur, noch grotere noch kleinere plaats in zijn liefde. Er is noch vooraf, noch erna in zijn kennis. Want
  als allen geloven dat de schepping is beginnen te bestaan als een gevolg van degoedheid en de liefde van de Schepper, dan weten we dat, in de natuur van de Schepper, dit eerste motief niet vermindert en evenmin zich wijzigt. 

I/51 (244) = Touraille 58 (312); PR 50 (345)Zoals een zaadkorrel geen gewicht van betekenis heeft tegenover een grote hoeveelheid goud, zo heeft het gebruik dat God maakt van zijn rechtvaardigheid geen gewicht van betekenis tegenover zijn barmhartigheid. De zonden van het vlees zijn als een handvol zand dat men in zee werpt als men ze vergelijkt met de geest van God. En zoals een handvol stof een fel stuwende bron niet kan hinderen, zo evenmin wordt de barmhartigheid van God gestuit door de ondeugden van zijn schepselen. 
 

I/71 (344-345) = Touraille 81 (395); PR 74 (507-508)En wat is dat een erbarmend hart? Dat is een hart dat brandt voor heel de schepping, voor de mensen, voor de vogels, de dieren, de boze geesten en voor al wat geschapen is. Als hij aan dezen denkt, storten de ogen van een barmhartig mens overvloedige tranen. Dank zij het machtige en hevige erbarmen dat zijn hart aangrijpt, en dank zij zijn groot medelijden, wordt zijn hart vernederd en kan hij het horen of zien van de minste wonde of pijn in de schepping niet verdragen. Het is daarom dat hij zonder ophouden gebeden en tranen aanbiedt, zelfs voor de dieren zonder verstand, voor de vijanden van de waarheid en voor hen die hem benadelen, opdat zij zouden beschermd zijn en barmhartigheid verkrijgen. Evenzo bidt hij zelfs voor de slangen, ter wille van het grote medelijden dat mateloos brandt in zijn hart, naar het beeld van God. 

II/ 5, 22-23O Christus ,bekleed met licht als met een mantel (Ps 104(103),2), die ter wille van mij, uzelf voor Pilatus zag gesteld, bekleed mij met de kracht die de heiligen heeft overschaduwd, en die, dank zij (deze kracht),deze wereld van strijd hebben overwonnen. Moge uw godheid, Heer, behagen stellen in mij en mij geleiden boven de wereld uit om met u te zijn, O Christus. De cherubijnen met de talrijke ogen zijn niet bij machte U aan te kijken door de heerlijkheid van uw Aanschijn, ook niet als uw gelaat ter wille van uw liefde werd bespuwd. Neem de schaamte weg van mijn gelaat en verleen dat het ongesluierd voor u mag toeven, op het uur van het gebed.  

Tweede Hoofdstuk
De weg van de eenzame of hij die alleen leeft in een cel

II/ 6, 76Wil je de mens van God kennen?Je zal hem herkennen aan zijn voortdurend stilzwijgen,aan zijn tranen en aan het feit dat hij voortdurend acht slaat op zichzelf.  

I/ 64 (314) =Touraille 34 (213°; PR 65 (457)Houd van alle mensen, maar hou je ver van allen. ….Weinig overtuigd en zeldzaam zijn zij die begrijpen dat wij, die in de eenzaamheid leven, ons niet opsluiten achter een deur, binnenskamers, om de deugd te beoefenen, maar, integendeel, om zelfs aan de deugd te sterven. 

I/64 (310-311) = Toraille 34 (213); PR 65 (450-452)Houd van de stilte, want zij brengt je dicht bij een vrucht die de tong niet kan uitdrukken. Laten we ons dwingen tot stilte, en vanuit deze stilte zal iets ontluiken dat naar de (eigenlijke) stilte zelf zal leiden. 

I/65 (321) = Touraille, Lettres, 3 (461); PR 66 (470)De stilte is het mysterie van de toekomstige eeuwen, maar de woorden zijn de instrumenten van deze wereld.….Zie dat is het voordeel dat ik uit de rust (quiétude) haal: als ik de plaats waar ik verblijf houd verlaat, is mijn geest ledig (vrij) van elke voorbereiding op een strijd. Hij legt zich toe op een hogere activiteit. 

II/ 3, 4, 75Weet dat een kort leven, in gerechtigheid en volgens het verlangen van God,  beter is dan talloze dagen doorgebracht die zijn toorn uitlokken. 
 
Derde  Hoofdstuk
De beproevingen op de weg van God 

I, 42 (209) = Touraille 46 (261); PR 39 (298)God verleent geen grote gaven zonder grote beproevingen. II/ 33, 3Ik heb deze dingen vaak ervaren, en wat ik erin heb ontdekt komt overeen met wat ik er hier zojuist over gezegd heb, bij wijze van herinnering en ter
wille van de broederlijke liefde, want talrijk zijn zij die voordeel halen uit deze ervaringen.

 I/ 42 (208) = Touraille 46 (260); PR 39 (298)Moge, zolang je onderweg bent op de weg van de stad van het Koninkrijk en je de stad van God nadert de heftigheid van de bekoringen die je tegenkomt een teken voor je zijn. Hoe dichter je komt, en hoe meer je vordert, hoe talrijker (de bekoringen) zullen zijn die je aanvallen. Daarom, van zodra je fellere bekoringen gewaar wordt op je weg, weet dan dat je ziel, op geheime wijze, een hoger niveau begint binnen te gaan, en dat er een genade wordt toegevoegd aan de staat waarin jij je bevond. Want God leidt de ziel tot de juiste verhouding van de genadevolle beloning die hij verleent binnen, doorheen de smart van de beproevingen. 
 
 I/ 42 (211) = Touraille 46 (263-264); PR 39 (302)
Als je me zou vragen waar de oorzaak ervan (van de beproevingen) is, zal ik je antwoorden dat ze in jou ligt. Omdat je de moeite niet hebt genomen om hun medicijn te vinden. Het medicijn dat is … de nederigheid van hart. 

I/ 50 (241) = Touraille 57 (308); PR 48 (339)Zij die door de golven van dit uur geteisterd worden, kennen uit ervaring de verandering die zal volgen als dit moment een einde neemt. God laat de ziel   niet in een dergelijke staat, zelfs niet voor de duur van een dag. Zonder dit (= deze ervaring van verandering die op de beproeving volgt) zou de ziel, vervreemd van elke duidelijke hoop, er toe komen zichzelf te gronde te richten. Snel zal God haar een uitweg verschaffen. 

II/ 3, 2, 23Zolang de nederigheid in de mens blijft, zal er geen verlatenheid zijn vanwege God, in geen enkele bekoring die het lichaam of het geweten beproeft, in geen van de hartstochten of tegenwerkingen, lichamelijk of op het niveau van de ziel. II/ 3, 1, 34Een verduisterde ziel is een tweede hel, maar een verlichte geest is de gezel van de serafijnen. 
 

Vierde Hoofdstuk
De nederigheid 

I/ 77 381 = Touraille 20 (137); PR 82 (575)De nederigheid is het kleed van de Godheid. 

I/ 5 (50-51) = Touraille 5 (87-88); PR 5 (77)Zalig hij die zich in alles vernedert, want hij zal in alles worden verhoogd.Want hij die zich vernedert ter wille van God, en die een gering gedacht heeft over zichzelf, wordt door God verheerlijkt. Wie hongert en dorst naar God, hem zal God dronken maken met de wijn waarvan de dronkenschap van hen die hem dronken, nooit verlaat.Wie naakt rondloopt ter wille van God, hem zal God bekleden met een kleed van onvergankelijkheid en glorie.Wie zichzelf arm maakt ter wille van de Heer, zal met ware rijkdom worden getroost.  

 I/ 68 (338) = Touraille 49 (273); PR 72 (499)De nederigheid, ook zonder de ascese, verkrijgt vergiffenis van talrijke schulden, maar zonder de nederigheid brengen de werken geen enkel voordeel. Integendeel. Ze maken grote ellende voor ons klaar. Verkrijg daarom zoals ik juist zei, vergeving van je slechte daden door de nederigheid. Wat het zout is voor het voedsel, dat is de nederigheid voor de deugd, machtig als zij is om tal van zonden te bedekken…; Als wij haar bezitten, zal zij ons tot zonen maken van God, en zelfs zonder goede werken zal zij ons aan Hem aanbieden. Want zonder nederigheid zijn alle werken ijdel: elke deugd en elk goed werk evenzeer. 

I/ 57 (338) = Touraille 37 (224); PR 82 (576-577) … De beloning wordt niet aan het goede werk gegeven, maar aan de nederigheid. Hij die haar (de nederigheid) benadeelt verliest het andere (het werk). 

I/ 71 (349) = Touraille 81 (402); PR 74 (516-517)De nederigheid gaat samen met bescheidenheid en met ingetogenheid, i.e. met de zuiverheid van de zintuigen, met een getemperde stem, met schaarse woorden, met de verachting van zichzelf, met sobere kleding, met een bescheiden levenswandel, met de blik naar de aarde, met overvloedig erbarmen, met tranen die gemakkelijk vloeien, met een eenzame ziel, met een vermorzeld hart, met een onvermogen om zichzelf in verwarring te brengen door woede, met zintuigen die geen verstrooiing meebrengen, met schamele bezittingen, met matigheid in de (inlossing van) de behoeften, met volharding, met geduld, met angstloosheid, met een moedig hart, dank zij de verachting ten aanzien van het huidige leven, met een geduldig dragen van de beproevingen, met overwogen gedachten en niet met lichtzinnige (gedachten), met een afwezigheid van slechte gedachten, met het bewaren van het mysterie, met bescheidenheid, met respect, en voor alles met de volgehouden rust en met de voortdurende verkondiging van zijn onwetendheid.

 I/ 71 (348-349) = Touraille 81 (400-401); PR 74 (516-517)Een nederig mens vindt er geen enkele vreugde in om samenkomsten te zien, de mengelmoes van de massa, het tumult, het geroep en geschreeuw, de overvloed,   de opsmuk, de luxe, en al wat soberheid mist.Zijn vreugde ligt niet in gesprekken, samenkomsten, lawaai. Niet in de verstrooiing van de zintuigen. Want voor alles houdt hij ervan bij zichzelf te verblijven en zich in te keren, alleen (= eenzaam) te toeven in de rust. Van alle dingen afgescheiden, en zichzelf te bewaken op een stille plaats. Niets betekenen, ontstentenis van goederen, ellende en armoede zijn hem altijd lief. Hij begeeft zich niet in ingewikkelde en wisselende kwesties, maar hij wenst steeds van werk en zorg bevrijd te zijn, om te verhinderen dat zijn gedachten hem wegtrekken uit zichzelf.Om al deze redenen beveiligt de nederige zich steeds voor de veelvuldigheid van de dingen (van de wereld) en zo kan men hem steeds in rust bevinden, vriendelijk, vredevol, bescheiden en vol respect. 

Wanneer wij de liefde bereikt hebben, hebben wij God bereikt en onze reis is ten einde. Wij hebben voet aan wal gezet op het eiland dat buiten de wereld ligt, waar de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zich bevinden : Hen zij alle eer en macht. Moge God ons waardig maken Hem te vrezen en te beminnen.Amen (H.Isaac de Syriër)

    

 

   

Orthodox zijn in de Westerse wereld

  


Orthodox zijn (goed!!!)
cooltext81068878
cooltext81068930


 Door Vader Boris BOBRINSKOY         

Deze titel is mij gesuggereerd, maar ik zou het hierbij niet willen laten. Het essentieel probleem blijft kortweg :  Christen te zijn in de wereld. Ik zal op deze vraag van de christelijke of orthodoxe identiteit nog terugkomen. Het is té gemakkelijk om de Oosterse orthodoxie te plaatsen tegenover het Westerse, die men trouwens nog nader moet bepalen : latijns, gereformeerd, a-religieus, niet-confessioneel, geseculariseerd. En wij zouden ons hiertegenover  roemen om onze Orthodoxie, om onze oosterse identiteit ?. Zeker, de orthodoxie heeft een tweeduizend jaar lange geschiedenis van cultuur, heiligheid, van martelaren achter de rug, dit is waar en belangrijk, maar dikwijls is dit maar heel oppervlakkig, eens verworven voor allen. Het is op de eerste plaats de term ‘westers’ die voor mij een probleem vormt. Voor het Christelijke en dus orthodoxe geweten is het waarachtige Oosten niet geografisch, maar vooral spiritueel. De waarachtige zon die in het Oosten opstaat om onze aarde te verlichten en te verwarmen is Christus, Zoon en rechtvaardigheid. ‘Ik ben het ware Licht…Diegene die me volgt gaat niet in de duisternis…en het licht scheen in de duisternis en de duisternis heeft het niet aanvaard’. Het Westen daarentegen zal de plaats zijn waar de zon ondergaat, symbool dus van de duisternis die de aarde bedekt. Welke aarde ? Deze aarde die God geschapen heeft uit liefde, die hij zo heeft liefgehad, dat Hij zijn Zoon heeft gezonden om Hem  aan de krachten van de prins van deze wereld te ontrukken. Wanneer een christen zich richt op Christus, naar het waarachtige Oosten, dan oriëntaliseert hij zich, maar oosters zijn is geen voorrecht van orthodoxen, het is een worden, een roeping van de gehele christen. Wanneer deze zelfde christen zich richt op het Westen, dit wil zeggen op de wereld, gesteld dat hij het licht van Christus weerspiegelt, dan  zal    hij een waarachtige oosterling blijven en aan de wereld de boodschap van liefde en leven overdragen. Maar als hij de boodschap van Christus vergeet, ze relativeert of verloochent, dan zal hij opgaan in de omringende wereld en zich erin isoleren en zich opsluiten in een ghetto of een ivoren toren.Zo betekent christen zijn in de wereld, het Licht van Christus , de Zon uit het Oosten, uitdragen in een Westen dat onze wereldbol omvat. Deze wereld is in de verwachting van de boodschap van het Evangelie, ze is wanhopig zoekende naar haar identiteit, haar eenheid, in een proces van mondialisering en een snelle technische vooruitgang die ons de grenzen van landen en continenten doet overschrijden. Een wereld doordrongen van tegengestelde stromingen, aan een overdreven nationalisme aan welke ook onze orthodoxe kerken niet zijn kunnen ontsnappen, maar ook een wereld  die verdorven is door de secularisatie die zijn eigen rijkdom ontkent of vergeet of verwerpt , maar ook haar christelijke geschiedenis, haar oorsprong en haar uiteindelijk gericht zijn op God. ‘Frankrijk, riep Johannes Paulus II uit, wat heb je gedaan met uw doopsel ?’ Deze zelfde vraag stelt zich aan elk van onze christelijke landen, zowel aan die van het Oosten als van het Westen. De doelstellingen van oosterlingen en westerlingen hebben een lange geschiedenis achter de rug, in het bijzonder in de twee duizend jaar van het Christendom, maar het is niet geloofwaardig, noch mogelijk om ons vandaag de dag onvoorwaardelijk op te sluiten in die categorieën die een te lang en dramatisch proces van wederzijdse vervreemding van de twee polen of longen van de christenheid  heeft teweeg gebracht : Rome, door de universele jurisdictie te bevestigen, en door romeinse bisdommen op te richten op traditioneel orthodoxe grond, inbegrepen Jeruzalem en Constantinopel. Terwijl in de 20e eeuw er een massale migratie van duizenden arabische , griekse of slavische orthodoxen  heeft plaatsgevonden in vreemde landen. Ontworteld, vermoord in hun lichaam en ziel, wezen, maar zoekende hoe zij de spirituele vlam van het geloof kunnen in stand houden. Orthodoxe parochies en bisdommen werden in deze landen van ontvangst opgericht. Voor de 3e en 4e generatie is West Europa of Noord-Amerika geen vreemde aarde meer, maar ons echte vaderland, zelfs al zijn we verdeeld  door onze dubbele identiteit, grieks-orthodox, arabieren, slaven, roemenen, maar zich daadwerkelijk engagerend in het culturele, sociale en politieke leven van het nieuwe vaderland. Het is hier dat ik hulde wil brengen aan, en onze grote erkentelijkheid voor ons vaderland Frankrijk dat voor onze ouders, en voor onszelf een gastland is geworden, gastvrij, waar onze kinderen zijn kunnen opgroeien, studeren, zich geïnstaleerd hebben, zich volledig integreren in de franse cultuur, zonder nochtans afstand te moeten doen van onze taal, cultuur en tradities van onze herkomst.Wij op een gewelddadige manier in deze westerse landen geworpen, wij hebben er de wil van God in herkend om er te wonen, er op te groeien, er te getuigen van ons geloof en de rijkdom van onze religieuze tradities, zonder nochtans te vallen in een primair prosiletisme, maar in respect voor de christelijke geschiedenis van dit land van ontvangst en in de openheid naar de christelijke kerken toe die wij geleerd hebben te kennen en lief te hebben. Wij hebben bij hen niet vermoede schatten van heiligheid en wijsheid gevonden. Zo is de oecumenische dimensie van ons christelijk leven een klaarblijkelijkheid geworden, een gebod om te gehoorzamen aan de Heer zelf. Plaatsen van eredienst zijn als paddestoelen na de regen  uit de grond geschoten, eerst nederige kapellen, daarna kerken. Monastieke gemeenschappen zijn gesticht doorheen gans Europa, jeugdorganisaties zijn opgericht, er is een theologische school opgericht , nu reeds meer dan 80 j
aar geleden, in het hart van Parijs zelf. Zij heeft reeds honderden priesters, bisschoppen, theologen en catechisten gevormd. Ik zal er nog op terugkomen. Na een geschiedenis van 80 jaar, organiseert deze orthodoxe diaspora zich , sluit zich bij elkaar aan, en dit niet zonder pijn , dat is waar, ze structureert zich, vooral rond onze bisschoppen in de Vergadering van Orthodoxe Bisschoppen in Frankrijk.. Deze Vergadering is erkend door de franse staat en verleent haar toegang tot de instanties van de regering. De meeste van de oosterse patriarchaten zijn in deze Vergadering vertegenwoordigd : Constantinopel, Antiochië, Moscou, Belgrado, Bukarest, Tbilissi, maar ook de franse filosofische gemeenschappen, schrijvers, de kunsten, en dit alles in nauwe verbondenheid met de orthodoxe spiritualiteit en traditie. De 20e eeuw is een tijd geweest van ontmoeting en ontdekking  door het Westen van de Orthodoxe rijkdommen. Wij kunnen dit zelf bijna of niet vermoeden. De ontmoeting met de westerse religieuze of filosofische gedachte, om slechts enkele te vernoemen : Bergson, Mounier, Péguy, Congar, Daniélou, de Lubac, Boegner, Pierre Maury en zoveel anderen, was een gelegenheid voor een onschatbare wederzijdse verrijking.  Het instituut Saint Serge te Parijs en zijn erfgenaam, het Seminarie St.Vladimir te New York waren voorposten van een scheppende theologische reflexie, tegelijk wetenschappelijk, maar ook niet minder geworteld in het concrete leven van onze kerken, maar ook niet los te denken van een authentieke geestelijke ervaring, kerkelijk en persoonlijk . Ik wil hierbij vooral aan Vader Serge Boulgakov  denken, de stichter en deken van het instituut St.Serge, aan Vader Georges Florofsky, die samen met Vladimir Lossky de vertegenwoordiger is van de neo-patristieke orthodoxe stroming., Vader Nicolas Afanassieff, de baanbreker van de eucharistische ecclesiologie, die trouwens invloed heeft gehad op de vaders van Vaticanum II, Mgr Cassien die de nieuw-testamentische orthodoxe exegese heeft vernieuwd, Léon Zander, één van de meest geëngageerde personen in de oecumenische dialoog. Na deze eerste generatie stichters van het instituut moet men vooral denken aan figuren als Vader Alexandre Schmemann en Vader Jean Meyendorff die beiden naar de Verenigde-Staten zijn geëmigreerd. Zij waren de boegbeelden van het Seminarie St.Vladimir, de eerste als drager van een nieuwe visie op de liturgie en de eredienst, de tweede als geschiedkundige van de Byzantijnse  Theologie. Onder de levenden denken wij in Franktijk aan Olivier Clément, aan Mgr.Jean Zizioulas, aan Christos Yannaras, Mgr Kallistos, (Vader Lev Gillet, De monnik van de Oosterse Kerk, Elisabeth Behr-Sigel) en verder gans onze huidige generatie waarvan ik de namen niet vermeld. Ik moet hier ook enkele namen vermelden van enkele uitzonderlijke figuren van de orthodoxe gemeenschap van Antiochië, van Libanon, van Syrië, en zeker van de antiocheense diaspora in de wereld… Vooreerst, de huidige patriarch van Antiochië Ignace IV en zijn jeugdvriend, de metropoliet van de Berg Libanon Georges Khodre, beiden gediplomeerden van ons Instituut. Ik ben gelukkig voor de lange vriendschap die ons vanaf onze jeugdjaren heeft verenigd. Hun getuigenis , zowel binnen de orthodoxie als binnen de oecumene en wederzijdss ook met de Islam waarvan zij één van de beste kenners zijn, is onschatbaar. Wij herinneren eraan, dat zij in de eerste jaren die volgden op de tweede wereldoorlog, met nog anderen zoals Albert en Edouard Laham, Spiridon Khoury, Raymond Rizk, de gangmakers waren van een spirituele vernieuwing binnen de orthodoxe christenheid van Antiochië, door de stichting van het fameuze MJO (le mouvement de Jeunesse Orthodoxe au Proche-Orient) Onderlijnen we ook dat zij in een islamitische omgeving, niet alleen hun geloof en de rijkdommen van onze orthodoxe traditie wisten te behouden, maar ook een theologische vernieuwing wisten te tot stand te brengen door middel van hun bezieling voor een Beweging van Orthodoxe Jongeren, waaruit de beste theologen en mannen voor de Kerk van het Patriarchaat van Antiochië van vandaag zijn voortgekomen. Om te besluiten houd ik eraan vanaf nu  te antwoorden op de vraag : iIs er een  bijdrage, en zo ja, welk is de specifieke boodschap van deze bijdrage van de orthodoxie aan de westerse wereld waarin wij leven, en zeker aan kortweg ,de wereld ?
          Ik zal hier vooreerst drie essentiële dimensies van ons geloof en onze ervaring vermelden : 


1. De paas-overwinning van de Verrezene. Het is de fundamentele boodschap,die essentieel is voor de Kerk aan de wereld. Onderlijnen wij de actualiteit van deze boodschap in welke de ganse volheid van  het wezen van het christendom en deze van de  diaspora is samengevat.  Op lange termijn is het doel van de Bisschoppelijke raad om een eenvormige bisschoppelijke structuur te scheppen voor een lokale Kerk. Overigens, en ik gooi hier een knuppel in het hoenderhok, men kan de eenwording van de orthodoxe gemeenschappen in het Westen niet totaal scheiden van de toekomst van de oecumenische dialoog en de verwachting van onze kerkelijke eenheid met Rome en de niet-chalcedonische kerken. Maar daar raak ik een onderwerp aan die mij toebedeeld is. Ik zei het zojuist, de orthodoxe kerken zijn betrokken partij in het ontstaan van de oecumenische beweging, zich bewust zijnde dat de muren van onze scheidingen niet tot in de hemel reiken.. Zij moeten de actie en het oecumenische bewustzijn in het onderzoek naar een betere wederzijdse kennis aanmoedigen, door een waarachtige theologische dialoog aan te moedigen en niet meer in een geest van confrontatie en twist. Pas dan kunnen de theologische problemen worden aangeraakt, waaronder de meest wanhopige zoals het romeinse primaatschap, de voortkomst van de Heilige Geest en het probleem van de uniaten. Er is veel moed , intellectuele eerlijkheid en vertrouwen in het werk van de Heilige Geest nodig om zich  te engageren voor de hindernissen van de oecumenische dialoog, maar ik ben er van overtuigd dat er gelijdelijkaan zich een geest van vrede zal vestigen en dat theologische oplossingen vorm zullen krijgen. Er  zijn na de tweede wereldoorlog  bilaterale commissies  voor de dialoog opgericht, zowel op nationaal niveau als op internationaal niveau om de loop van de geschiedenis te proberen te overstijgen en om samen opnieuw onze gemeenschappelijke basis van voor de scheiding en conflicten te herstellen. Zo zullen wij door onze herinneringen aan de gebeurtenissen een daadwerkelijke therapie vinden voor onze scheidingen. Er is zeker enorm veel te zeggen over de aanwezigheid van de Orthodoxie in het Westen.  De Kerk levert ons de tijdgenoten en de zaden van heropleving  ontkiemen en ontluiken in onze harten en in onze levens. De Heilige Geest maakt ons tot tijdgenoten van de verrezen Christus. Gans het liturgisch en sacramentele leven van de Kerk zal een gelijkvormigheid zijn aan het mysterie van Christus’dood en verrijzenis.Zijn dood en verrijzenis bepalen de wet zelf van ons leven en ons worden, hier en nu. Wij kennen allen het impact van de dienst van Paasnacht
op hen die er kunnen aan deelnemen, orthodoxen, christenen of zelfs ongelovigen. Ik was bijzonder in de war  bij het lezen van een brief afkomstig van gevangenen in een kamp voor gedeporteerden in  het hoge Noorden van de Noordpool, aan het monasterie van de Solovki, dat een van de gruwelijkste plaatsen is geworden voor de gevangenschap van gelovigen gedurende de grote vervolging van de jaren 30. Men beschreef er de nacht-celebratie van de vigilie van Pasen, door hen waarvoor het wellicht de laatste gelegenheid was en de laatste genade om te kunnen roepen dat ‘Christus is verrezen’.
 


2. Het concept van Tradititie is essentieel  in het orthodoxe leven. Een noodzakelijk onderscheid dient gemaakt te worden tussen Traditie en tradities. Deze laatste zijn eerwaardig, maar relatief, locaal. In haar essentie bestaat de Traditie in de omvorming van de evangelische Boodschap  in tijd en ruimte, doorheen de categoriën van gedachten, de gevoeligheden van de naties, de culturen, in dat wat we de inculturatie noemen, iets dat tegelijk belangrijk maar delicaat is in de cultuur van een bepaalde tijd of land. Aldus zullen de grote christelijke families met hun kenmerkende liturgieën , hun theologische accenten, hun muziek en iconografie zich doorheen de geschiedenis ontwikkelen. Denken we hier aan de christenen van Irak en de semitische  talen, de antiocheense  en syrische traditie, de byzantijnse Orthodoxie en verder de  slaven en roemenen, de westerse families, romeins, milanees, celtisch, spaans. Vandaag de dag is het een franse orthodoxie die op zoek is naar zichzelf zonder de historische wortels van de locale christenheid en haar oosterse wortels te negeren. Men moet hier verduidelijken dat onze moderne maatschappijen diep getekend zijn door wat men zou kunnen noemen : een  ‘ontwaarding’ van de traditie. Wat hierin overheerst is de continuïteit doorheen de wisseling van generaties alsook de autoriteit waarmee de traditie is bekleed om de huidige en toekomstige handelingen in goede banen te leiden. De moderniteit  toont  een definitieve breuk. Door haar ontwikkeling zelf veroorzaakt zij een breuk met de traditie, haar uitsluiting zowel op religieus, sociaal of familiaal vlak. Maar de overdracht zelf van het geloof gebeurt altijd in de Kerk, in het leven en het geweten, in het gezond verstand van de kerkelijke gemeenschap en een levendige liturgie, maar ook , en niet minder in een persoonlijke relatie door een  levendige overdracht van wat ik in de brede zin van het woord zou noemen :  een geestelijk ‘vaderschap’ (of ‘moederschap’). Wij kunnen hierbij nog verduidelijken dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen het geestelijk vaderschap in de strikte zin van het woord, als een waarachtige geboren worden in God, en anderzijds in de meest brede zin van het woord, door de uitwerking welke personen, heiligen van alle tijden , en  kerkvaders kunnen hebben in ons leven. In het verleden sinds de H.Ignatius van Antiochië of de H.Ireneüs, Basilios, de twee Grogoriussen, Johannes van Damascus, Gregorius Palamas, de spirituelen, Serafim van Sarov, Silouan de Athoniet, de heiligen dus van het verleden en het heden, deze heiligen die onder ons zijn wekken ons op en hun spirituele ‘gen’ vinden wij terug in onze eigen bestendigheid en identiteit. Ten slotte, deze kerkelijke traditie brengt ons terug naar de apostolische tijd, naar de Kerk van de apostelen en de martelaren, want de Kerk is altijd apostolisch en  de Kerk van de martelaren, en het is in de Heilige Geest dat de overdracht zich voltrekt in de trouw, zonder er iets aan toe te voegen of af te nemen.Ik zeg wel : zonder er iets aan toe te voegen. Het is op dit punt, dat de orthodoxen waakzaam moeten zijn en zich niet moeten laten overweldigen en laten inslapen door de rijkdommen van onze geschiedenis en onze tweeduizendjarige bestaan. Zij moeten in staat zijn om telkens opnieuw terug te keren naar het essentiële , dit wil zeggen, naar onze gemeenschappelijke christelijke boodschap. 


3. De schoonheid. Deze derde titel zal ons misschien wat verbazen, maar het lijkt mij belangrijk om onze visie en de ervaring van de orthodoxie in verband met de schoonheid die voortvloeit uit de liturgische dienst, maar ook de innerlijke schoonheid en harmonie, die het vredige hart uitstraalt en verlicht, niet te negeren. Eén van de meest bekende verzamelingen  die de geschriften bevatten van de oosterse spirituelen, gaan terug vanaf de eerste eeuwen tot de 15e eeuw, en zijn verzameld door Nicodemus de Hagioriet in de 18e eeuw. Het is getiteld : Philocalia, dit wil zeggen : liefde voor het schone. Geheel de grote oosterse traditie van het gebed van het hart, van de aanroeping van de Naam Jezus, doorheen de strijd tegen de passies, is vervat in deze verzameling die zeer vroeg reeds in het slavisch, russisch, roemeens, en, vandaag in de meeste moderne talen waarvan ook in het frans is vertaald. Het thema van de schoonheid is zeer dikwijls verborgen gehouden in onze theologische handboeken, het volgt nochtans met kracht uit de lofprijzing van de psalmen over de schepping, uit de woorden van Jezus die zijn bewondering uitdrukt voor de lelies op het veld, en boven alles van de Schepper Zelf, die de zevende dag uitrustte van de mooie werken die Hij had geschapen. Deze schoonheid en harmonie vindt men terug in de liturgische dienst, in de gezichten van de iconen, maar niet minder ook in de vredevolle  en licht uitstralende gezichten van Christus. Maar spreken over iconen dwingt ons eraan te herinneren, dat de waarachtige icoon verborgen is in het diepste van ons hart, en deze moet men herontdekken, vernieuwen, herstellen. Zo impliceert het spreken over de liturgische dienst en de iconen hun intieme band met de innerlijke cultus, met de offerande van het hart en de onophoudelijke aanroeping van de Naam van Jezus, die wij toevertrouwen aan allen en aan de schepping in haar geheel. Het is een waarachtige voorsmaak van de helderheid en de vrede van het Koninkrijk.. Maar dit herstel van de harten en deze uitstraling achter en buiten onze kerkelijke gemeenschappen is het fundamentele werk en de gave van de Heilige Geest, van Hem waarvan de Heilige Serafim zei : ‘Verwerf een geest van vrede en duizenden zullen bij u het heil vinden’  


Tot besluit: Gegrepen door het vuur van de Geest die ons aanzet om een i
nspanning te leveren om het eigen van de orthodoxe boodschap af te bakenen tegenover de westerse wereld en kortweg tegenover de wereld, aanroep ik tot besluit en als conclusie de Heilige Geest aan die ons  vernieuwt, ons opbouwt en ons gelijk maakt aan het beeld van Christus’ dood en verrijzenis, deze Geest die de  richting bepaalt van onze weg vanaf  de geboorte tot de dood, die ons opbouwt tot levendige en biddende gemeenschappen, en tenslotte, die ons zendt in de wereld om er de boodschap van liefde, vrede en hoop uit te dragen. Alleen het vuur van de Heilige Geest kan de wereld omarmen. Beleven wij vandaag de dag niet de pijnlijke en moeilijke coëxistentie van twee werelden , de Kerk en de omringende wereld ? Twee werelden die zodanig verwijderd zijn dat het soms lijkt alsof de goddelijke boodschap slechts met moeit kan verkondigd kan worden. Ligt de fout van deze pijnlijke coëxistentie van Kerk en wereld bij de wereld alleen ? Indien de wereld in de hel van de onwetendheid, van de zonde en het lijden verkeert, moeten wij ons toch maar herinneren, vooreerst aan ons zelf, en vervolgens aan de wereld, dat de poorten van de hel waarmee wij in aanraking komen en die een echo vindt in onszelf, dat deze poorten van de hel verbroken zijn door de onoverwinnelijke kracht van de Verrezene. Geloven wij dit werkelijk ? Geloven wij sterk in de paas-overwinneng van Christus en de roemrijke en actuele kracht van de levende Geest ? Zo is het werk van de Geest die ons gelijkvormig maakt aan Christus, die ons de liefde en het medelijden van de Vader openbaart. Door Christus en de H.Geest gaan wij naar de vader. Of zoals een russische filosoof het eens zei, ‘Ons sociaal programma, is de Heilige Geest’. Hij is volledig aan het werk in de wereld en doorheen ieder van ons. En terugkerend naar de titel van deze uiteenzetting, moeten wij misschien niet wat minder denken aan de Orthodoxie en wat meer aan het Evangelie en de Verrijzenis, moeten wij ons niet wat minder verheerlijken en ons gaan beroepen op de ‘oosterse’ rijkdommen , die maar al te dikwijls ‘slapend’ en ‘ondoeltreffend’ zijn. Vooral moeten wij getuigen zijn van Hem die gekomen is, niet om gediend te worden maar om te dienen en zijn leven te geven voor het heil van de wereld.
 

cross2

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

         

OVER HET GEBED : Metropoliet Anthony

 


 OVER HET GEBED

De visie van Metropoliet Anthony  

ma1n

 Het is opvallend hoeveel boeken er tegenwoordig verschijnen over het gebed. Iedereen, die zich enigszins in deze materie verdiept, kan de nodige auteurs en titels noemen. De meesten van hen zijn westerlingen, hoewel ook de schrijvers uit Zuid-Oost-Azië en uit het Verre Oosten in het middelpunt van de belangstelling staan. Het is echter verheugend, dat ook de Orthodoxie een stevig woord meespreekt. Een van de meest prominente schrijvers in de westerse wereld is de Russische exarch in West-Europa, Anthony Bloom, Metropoliet van Soerozj.Van zijn hand verschenen de volgende werken over het gebed:– Living Prayer, 1966 (Nederlandse titel: Tijd voor gebed, 1973),– School for Prayer, 1970 (Nederlandse titel: De weg naar binnen, 1972),– God and Man, 1971,– Meditations on a Theme, 1972. 7RGCAF3V1DCCABD7CSKCAPLBSMVCAS6TTMMCAG1X77PCAH5QZF9CA3ZYB9MCAHV7J6XCAEWH9TICACNAP4RCAR6ZZ5FCAKG4K0DCA7WPR9XCAXIX07XCAUAIWESCAOW7X8ZCAGYG1DXCAZ79U1V
Deze werken zijn voor een groot gedeelte de neerslag van televisietoespraken, die metropoliet Anthony voor de BBC gehouden heeft. Het is gebleken, dat deze toespraken een zeer grote belangstelling genoten hebben. De daaruit voortgekomen boeken zijn bestsellers geworden. Dit alles doet de volgende vragen rijzen: wie is eigenlijk Metropoliet Anthony Bloom en wat is de reden, dat zijn gedachten zo aanslaan? 


De levensweg van Metropoliet Anthony.

 Anthony Bloom werd op 19 juni 1914 te Lausanne geboren. Zijn vader was lid van het corps diplomatique van het Russische keizerrijk. Zijn moeder was de zuster van de bekende Russische componist Aleksandr Skrjabin. Tijdens de verwarde dagen van de uitbrekende eerste wereldoorlog keerde het gezin Bloom naar Rusland terug. Daarop volgde een diplomatieke post in Perzië. Tijdens de Russische revolutie moest het gezin Perzië verlaten. Na een avontuurlijke zwerftocht door het Midden-Oosten belandden de Blooms in India. Een wrakke boot bracht hen vandaar naar Gibraltar en na een lange omzwerving door Europa vestigde het gezin zich in 1923 uiteindelijk in Frankrijk. Over de religieuze sfeer in het gezin Bloom is in de geschriften van Metropoliet Anthony niet veel te vinden. De vele jaren van omzwervingen hebben een regelmatig kerkelijk leven uiteraard onmogelijk gemaakt. Van zijn vader citeert hij de volgende uitspraak, die diepe indruk op hem gemaakt heeft: “Vergeet nooit, dat  het er niets toe doet of je leeft of sterft. Wat ter zake doet is alleen waarvoor je leeft en waarvoor je bereid bent te sterven”.  (De weg naar binnen, p. 9) Op zich genomen heeft deze uitspraak nog geen religieuze strekking. Van zijn moeder zegt hij, dat zij een wondere vrouw was: heel eenvoudig en open. Zij was het ook, die hem in het kritieke jaar van zijn leven het Evangelie in handen gaf. Dat kritieke jaar moet omstreeks 1930 gelegen hebben. “Tot aan die tijd”,  zegt hij, “was ik ongelovig en erg agressief antikerkelijk. Ik kende geen God, en alles wat met de idee van God te maken had, interesseerde me niet en haatte ik zelfs” (“De weg naar binnen”, p. 11).  Een religieuze invloed van zijn ouders was nauwelijks mogelijk, aangezien het gezin in Parijs geen gemeenschappelijke woning bezat en Anthony naar een kostschool gestuurd werd. Rond 1930 echter kreeg het gezin een eigen woning. De jonge Anthony voelde zich daardoor geconfronteerd met ‘volmaakt geluk’, maar ervoer tevens, dat geluk ondraaglijk is, als het niet ergens op gericht staat. Daarom nam hij het besluit zichzelf een jaar te geven om te zien of het geluk en het leven überhaupt enige zin hadden. Als hij in de loop van dat jaar geen enkele zin kon vinden, zou hij zelfmoord plegen. Volkomen onverwacht kwam er licht in de duisternis. Op een bijeenkomst van de Russische jeugdbeweging in Parijs, waar hij alleen maar uit fatsoen naar toe gegaan was, sprak een priester over Christus en over het christendom. Hij deed dat op een manier, die Anthony ten zeerste afstootte. Thuis gekomen vroeg hij aan zijn moeder het Evangelie en begon hij Markus te lezen. “Toen ik het begin van het Markusevangelie zat te lezen”, zo luiden zijn eigen woorden, “bemerkte ik, nog voordat ik bij het derde hoofdstuk aankwam, plotseling, dat er aan de andere kant van de tafel iemand aanwezig was. En de zekerheid, dat het Christus was die daar stond, was zo sterk, dat zij mij altijd is bijgebleven… Ik werd er in mijzelf volkomen zeker van dat Christus leeft en dat aan bepaalde dingen geen twijfel mogelijk is”  (Id. blz. 13-14). Na de middelbare school ging Anthony naar de Sorbonne, waar hij natuurkunde, scheikunde en biologie studeerde. Na te zijn afgestudeerd ging hij medicijnen doen, welke studie hij in 1939 voltooide. Omdat hij in 1937 de Franse nationaliteit had aangenomen, moest hij in de oorlog dienst doen als legerarts. Tevens nam hij actief deel aan het ondergronds verzet. Tijdens en na de oorlog zette hij zijn artsenpraktijk voort, maar er kam een nieuwe dimensie in zijn bestaan, doordat hij in 1943 in stilte zijn monniksgeloften aflegde. In 1948 werd hij priester gewijd en in januari 1949 vertrok hij naar Engeland om kapelaan te worden van het anglicaans-orthodox genootschap van Sint Alban en Sint Sergije.  In 1950 werd hij tot zielzorger van de Russische patriarchale parochie in Londen benoemd. In 1958 volgde zijn bisschopswijding en in 1962 werd hij aartsbisschop van de Russische Kerk in Groot-Brittannië en Ierland. In 1963 werd hij patriarchaal exarch voor West-Europa om tenslotte in 1966 bekleed te worden met de waardigheid van metropoliet. De weg van Metropoliet Anthony is duidelijk niet de weg van de doorsnee orthodoxe geestelijke. Het is een weg vol verrassingen: van diplomatenzoon tot berooide vluchteling, van ongelovige tot gelovige, van arts tot priester. Bij dit alles heeft hij, naar zijn zeggen, zijn eigen aard niet verloochend. Ondanks alle veranderingen is hij Rus gebleven. Daarom is zijn stem in het tegenwoordige gesprek over het gebed juist zo belangrijk. 


 Bronnen van de spiritualiteit van Metropoliet Anthony

ACVCADG8PWNCA4QDZ1CCAK344XWCAR5KSW1CAWYOSGECAMPNMW1CASM1KDUCABZGEQ9CA1EKGVDCASDZJGICACD6LE3CABNKX1DCAHW25AOCAJ8EUQNCAL5FZ56CA2OYR5OCA9PXB9TCAPFDLZ5

  Uiteraard heeft het lange verblijf in West-Europa Metropoliet Anthony niet onberoerd gelaten. In zijn bronnen komen westeuropese auteurs voor, zoals bv. Juliana van Norwich, de Engelse mystica van rond het jaar 1400. Hij illustreert zijn voordrachten met voorbeelden uit de hagiografie van de latijnse Kerk en citeert de Franse en Engelse literatuur. Maar verder blijkt uit alles, dat hij in de orthodoxe traditie staat. Graag verwijst hij naar de ononderbroken leer van de Orthodoxe Kerk. Sprekend over de methodiek van het bidden zegt hij: “De oude kerkvaders en de hele orthodoxe traditie leren, dat we met de inspanning van onze wil onze aandacht moeten richten op de woorden van het gebed, dat we uitspreken” (Tijd voor gebed, blz. 46 en 87). Wie zijn dan voor Metropoliet Anthony deze orthodoxe vaders? Het zijn de kerkvaders, zoals Athanasios, Johannes Chrysostomos, Gregorios van Nazianze en Johannes van Damaskinos. Het zijn de leraren van het monastieke leven: Efraïm de Syriër, Maximos, Johannes Klimakos, Izaäk de Syriër en Symeon de Nieuwe Theoloog. Naast deze stemmen uit het oosters monachisme klinkt het geluid van Russische monniken en startsi, zoals bv. van Ambrosios van Optina, van de onbekende Russische pelgrim, van Serafim van Sarov, van vader Jan van Kronstadt en vooral van Theofan de Kluizenaar.  XBHCABUJJC1CAKFP5G0CAM6QDIYCAV94IORCALNRY0KCALZP2JWCA0UYVAXCAZ97LTHCAV18VEUCALLLSC0CAVMEOZ5CA0RERBSCAHGGOIPCA4AMNGSCALO0HKOCAC4G0U2CAKK21O5CALE4BZR
Deze bronnen zijn voor een groot gedeelte van monastieke aard. Uiteraard hangt dit samen met zijn zeer bewuste toetreding tot de monastieke levenswijze in 1943. Als Russische monnik plaatst hij zich in de traditie van de Apophthegmata Patrum, die ook door hem aangehaald worden. Moderne auteurs, zoals bv. Dietrich Bonhoeffer, J. Robinson en anderen, die over het gebed geschreven hebben, noemt hij niet met name, hoewel het toch niet uitgesloten is, dat hij door hen beïnvloed is.    
      


  Het godsbeeld van Metropoliet Anthony . Om iets c
oncreets te kunnen zeggen over het gebed in de opvatting van Metropoliet Anthony is het vanzelfsprekend op dehemelvaart 1 modern !! eerste plaats nodig iets over zijn opvattingen over God te weten. Men krijgt de indruk, dat hij ook hier weer zeer sterk in de orthodoxe traditie geworteld staat. Die traditie benadrukt zeer sterk de onkenbaarheid van God of, beter gezegd, zijn totaal anders-zijn. Het is de apofatische theologie, waarvan Vladimir Lossky zo’n kernachtige karakteristiek heeft gegeven in het hoofdstuk “Les Ténèbres divines” in zijn werk “Theologie Mystique de l’Eglise d’Orient” – Aubier – Ed. Montaigne – 1944.
 Ook bij Metropoliet Anthony komt dit anders-zijn van God sterk naar voren. Sprekend over het godsprobleem zegt hij: “We dragen in ons hoofd een aantal voorstellingen van God rond die we uit boeken hebben gehaald, in de kerk hebben opgedaan, van volwassenen hebben overgenomen toen we nog kinderen waren of van de clerus toen we groter werden. Dikwijls beletten ons die voorstellingen de ware God te ontmoeten. Ze zijn niet helemaal verkeerd, er zit wel een zekere waarheid in maar toch zijn ze totaal ontoereikend… Zet alle valse voorstellingen, alle afgodsbeelden opzij.  Als een hulp daartoe suggereer ik (voor deze week) het volgend gebed: Help mij, o God, elke valse voorstelling van U op te geven, hoezeer het mij ook moge verontrusten”. Dezelfde gedachte verwoordt Metropoliet Anthony ook in zijn boek Meditations on a Theme, waar hij schrijft (blz. 70-71): “De H. Gregorios van Nazianze zei in de vierde eeuw, dat we, wanneer we uit de Schriften, uit de traditie en de ervaring van de Kerk alles verzameld hebben, wat mensen over God te weten hebben kunnen komen, en daaruit een samenhangend beeld gevormd hebben, dat we dan nog maar een afgodsbeeld gecreëerd zouden hebben, hoe mooi het ook mag zijn. Zo gauw we een beeld van God maken en zeggen: «Kijk, dit is God», vervormen we de dynamische, levende, onuitsprekelijke, oneindig diepe God, die onze God is, tot iets beperkts van menselijke afmetingen, omdat alle geopenbaarde kennis nu eenmaal menselijke dimensies aanneemt”. Steeds opnieuw waarschuwt hij ervoor de ware God te vervangen door een valse God, door een afgod, door een vrucht van onze verbeelding. “Wanneer we spreken van ‘voor God komen staan’ denken wij bijna onvermijdelijk, dat wij hier staan en God daar, buiten ons. Indien we God boven ons, voor ons, rondom ons zoeken, zullen we Hem nooit vinden… Daarom moeten we beginnen met delven naar de binnenkamer, naar de plaats diep in de kern van ons wezen waar God ons verwacht en waar zijn Rijk in volheid aanwezig is.” Het lijkt er toch sterk op, dat men in deze formuleringen een echo vindt van het ‘Honest-to-God-debate’. De andersheid van God wordt sterk geaccentueerd en wij kunnen Hem niet bepalen vanuit onze persoon, Hem niet boven ons plaatsen, maar moeten Hem zoeken diep in de kern van ons wezen.Hoe staat deze God, die tegelijkertijd geheel transcendent en geheel immanent is, ten opzichte van de schepping? Laat Hij aan de schepping, aan het saeculum, haar eigen ontwikkeling, door Hem gedragen als diepste draagkracht? Men krijgt niet de indruk, dat Metropoliet Anthony sterk op deze vraagstelling ingaat. Toch lijkt het wel in die richting te gaan, waar de metropoliet zegt: “Ofschoon wij weten, dat God almachtig is, kan Hij geen wonderen verrichten, zolang wij denken dat Hij niets om ons geeft; daartoe zou Hij zijn wil moeten opdringen en dat doet Hij nooit, omdat zijn verhouding tot de wereld berust op zijn absolute eerbied voor de vrijheid en de rechten van de mens.” Deze woorden suggereren, dat mensheid en schepping een zelfstandige ontwikkeling hebben, in diepste wezen uiteraard gedragen door God. Of we een dergelijke uitspraak moeten kenmerken als een secularistieverschijnsel, valt moeilijk te zeggen. Wel schijnt de mens, volgens zijn visie, van het begin af aan meer geschikt, meer toegerust om zelfstandig op deze aarde te werken. Volgens hem die daarbij steunt op de H. Athanasios, begint onze vergoddelijking op het moment dat we geschapen worden. God schenkt de mens onmiddellijk zijn ongeschapen genade om hem met zich te verenigen. “De orthodoxe leer kent geen ‘natuurlijke mens’ aan wie naderhand de genade wordt toegevoegd. Hetzelfde scheppende woord roept ons tot het bestaan en tot onze uiteindelijke bestemming: dat wij in God zouden leven en Hij in ons, dat Hij alles in allen zou zijn”. Deze meerdere bekwaamheid, deze grotere ‘afheid’ van de mens zou men ook kunnen terugvinden in de volgende woorden van Metropoliet Anthony: “Te dikwijls worden we opgeslorpt door wat om ons heen gebeurt, door al de bijkomstigheden welke radio, televisie en nieuwsbladen ons opdringen: gedurende die enkele minuten (van bezinning) echter moeten we ons ontdoen van alles wat niet de kern van ons leven raakt… Zo komen we tot de ontdekking dat we sukkelaars zijn die God nodig hebben, niet om een leemte te vullen, maar om Hem te ontmoeten”.  Interpreteert men teveel, wanneer men zegt, dat Metropoliet Anthony hier de gedachte verwoordt, dat God geen ‘Lückenbüßer’ is? Is hier ongemerkt geen invloed te bespeuren van Dietrich Bonhoeffer? Men wendt zich niet tot God om leemten (Lücken) op te vullen, maar om Hem te ontmoeten, misschien beter nog: door Hem ontmoet te worden. Een plaats van bijzondere godsontmoeting is het kerkgebouw. Over de kerkwijding zegt Metropoliet Anthony, dat daardoor voor God een bepaald territorium veroverd wordt op een ontheiligde wereld, die door de duivel bewerkt is. Hoewel de woorden niet genoemd worden, wordt hier duidelijk gewerkt met de begrippen ‘sacraal’ en ‘profaan’. Toch betekent dit ‘profaan’ bij hem niet, dat de wereld godverlaten is. Hij zegt: “In de wereld is God aanwezig als een vreemde, een pelgrim, iemand die van deur tot deur gaat en nergens zijn hoofd te ruste kan leggen; Hij gaat door de wereld als de koning die verworpen werd en uit zijn rijk verbannen en nu is teruggekeerd om zijn volk te redden. In de kerk daarentegen is Hij thuis, het is zijn woonstede… Buiten de kerk doet Hij wat Hij kan, wanneer Hij kan…”.  Ook deze woorden lijken meer in de richting te wijzen van de ‘machteloze’ God, die niet van buitenaf tussenbeide wil komen in menselijke processen, waarvan Hij trouwens zelf de drager is. Misschien zit in deze beschrijving van het godsbeeld teveel interpretatie. Dit komt dan ook wel gedeeltelijk hierdoor, dat hij niet expliciet over seculariteit en secularisatie spreekt. Van de andere kant moeten we toch een verklaring zoeken voor het feit dat zoveel mensen zich door Metropoliet Anthony aangesproken voelen. Het zijn toch mensen van deze tijd, hoofdzakelijk westerlingen, die het bloed van de secularisatie door hun aderen voelen stromen. 


Jezus Getsemanie

              Het gebed volgens Metropoliet Anthony.

 Uiteraard kleurt dit beeld van God zeer sterk de visie, die Metropoliet Anthony op het gebed heeft. Het kan onmogelijk de bedoeling zijn om hier alle aspecten van het gebed te behandelen. We doen hier en daar een greep, hopend daarmee de meest saillante punten aan te raken. Zoals reeds bij de behandeling van de bronnen werd opgemerkt, hecht hij grote waarde aan de traditie. Uiteraard strekt zich deze tendens ook uit over het gebed. In Meditations on a Theme  zegt hij: “Zo dikwijls zeggen we, waarom bidden met woorden, die door anderen gewaarmerkt (coined) zijn? Drukken mijn eigen woorden niet precies uit, wat er in mijn hart en in mijn geest leeft? Nee, dat is niet genoeg. Wat we nl. beogen is niet eenvoudigweg lyrisch uitdrukken wat wij zijn, wat wij hebben geleerd en wat wij willen. Op dezelfde manier waarop we van de grootmeesters van de muziek en van de kunst leren, wat muzikale en artistieke schoonheid is, zo leren wij ook van de meesters van het geestelijk leven, die bereikt hebben waarnaar wij streven, en die waarachtige, levende en waardige leden van het lichaam van Christus geworden zijn; van hen moeten wij leren, hoe we moeten bidden, hoe wij de voorwaarden en de gesteldheid van geest, wil en hart kunnen vinden, die ons tot christenen maken. Dit is ook een daad van zelfonderwerping, waardoor we iets groters en waarachtigers dan onszelf toestaan in ons te leven en ons vorm, stimulans en richting te geven”. Metropoliet Anthony wil hiermee echter geenszins zeggen, dat men de gebeden van anderen per se moet nabidden, hoewel hij er op zijn tijd grote waarde aan hecht. “Het eerste waar het eigenlijk op aan komt”,  zegt hij, “is vorm, stimulans en richting te geven”. Naast de woorden, die men voor het gebed kiest, is ook de lichaamshouding zeer belangrijk. Hij citeert het advies van Theofan de Kluizenaar over de houding bij het gebed: “Wees noch te slap, noch te gespannen, gelijk een vioolsnaar die op een bepaalde toonhoogte moet klinken; houd het lichaam rechtop, de schouders naar achter, het hoofd in een gemakkelijke houding, de spanning van elke spier naar het hart gericht”. “Velen in onze moderne wereld”, aldus Metropoliet Anthony, “hebben de zin voor het gebed verloren en beschouwen de lichamelijke houding als bijkomstig, ofschoon ze dit allerminst is. Laten wij het niet vergeten: de mens is niet een ziel die in een lichaam vertoeft, maar hij bestaat uit lichaam en ziel en wij worden geroepen, volgens de H. Paulus, om God te verheerlijken in onze geest en in ons lichaam”. Een andere voorwaarde voor het gebed is, dat het gedragen moet worden door Jezus Christus. Het gebed van de christen is het gebed van Christus, zijn Vader van geslacht tot geslacht in telkens andere omstandigheden aangeboden door diegenen, die door genade en deelname Christus in deze wereld tegenwoordig stellen. Als aan de voorwaarden, die hier echter niet uitputtend opgenoemd worden, voldaan is, kan men er dan zeker van zijn God existentieel, voelbaar te zullen ontmoeten in het gebed? Met Metropoliet Anthony kunnen we hier uiteraard geen antwoord op geven. God is immers een persoon en de mens kan God niet door middel van een bepaalde ‘techniek’ dwingen tot een ontmoeting. Dan zou er geen sprake meer zijn van een persoonlijke verhouding en ontmoeting. Zoiets kunnen we wel doen met een idee, met een produkt van onze verbeelding of met de verschillende idolen die wij tegenover ons kunnen plaatsen ter vervanging van God. We kunnen iets dergelijks echter niet doen met de levende God. Wat hier duidelijk doorspeelt is zijn visie op God. God is de onkenbare, de geheel andere, de soeverein. Het is niet de mens zelf, die door zijn gebed, hoe voortreffelijk ook, een bepaalde voelbare reactie in zich oproept. Het is God, die datgene als antwoord in de mens laat opwellen, waarvoor hij vatbaar is. Op een andere plaats zegt hij: “In onze inspanning om te leren bidden zijn emoties praktisch van geen belang; wat we God moeten aanbieden is een vast besluit Hem trouw te zijn en Hem in ons te laten betijen. Van ons gebed wordt niet een of andere gemoedstoestand verwacht, maar een diepe omvorming van heel onze persoonlijkheid. Wat we beogen is voor God te verschijnen, in Zijn tegenwoordigheid op te gaan, Hem al onze noden voor te leggen, van Hem kracht en sterkte te ontvangen en alles wat nodig is, opdat zijn wil in ons volbracht mag worden. Dit laatste is het enige doel van ons gebed. Het is ook de enige maatstaf van een goed gebed, niet een of andere mystieke ervaring of vroom gebed… Bij overweging of gebed kan concentratie alleen worden bereikt door het te willen. Ons geestelijk leven steunt op geloof en vastberadenheid – en alle eventuele vreugde komt van God”. Daarom moet men bij het gebed niet bang zijn, wanneer men God slechts kan benaderen in de naaktheid van het geloof of zijn tegenwoordigheid helemaal niet ervaart. Het is onbelangrijk of men deze ervaart of niet en een gevoel van verrukking is geen garantie voor de godsontmoeti
ng, noch draagt het ertoe bij.
Er moeten andere voorwaarden vervuld worden en de belangrijkste is, dat degene die zich aan het gebed wijdt, zichzelf moet zijn. Degene die bidt moet de woorden zoeken die bij hem of haar passen en zich niet als het ware aan het gebed vertillen. En wanneer hij toch bepaalde, voorafbestaande teksten wil gebruiken, zal hij ernaar moeten streven zich tot de hoogte van die teksten op te werken. Dit afstand-doen van het gevoelsmatige, dit geduldig wachten op God, tot Hij zich wil openbaren, kan men misschien wel zien als de voornaamste boodschap, die Metropoliet Anthony aan de mens van deze tijd wil brengen. De christen van deze tijd is iemand, die graag iets wil ervaren, wil voelen. Men probeert diensten en gebeden zo samen te stellen, dat ze de individuele bidder of de gemeenschap iets doen. Uiteraard is zo’n activiteit niet af te keuren en zit er iets goeds in. Wil God immers zelf niet, dat de mens zich door het lichamelijke en door het woord zo optimaal mogelijk tot Hem richt? “We moeten God echter niet benaderen”, zegt hij desalniettemin, “om allerhande gevoelens te ondervinden noch om deelachtig te worden aan enige mystieke ervaring. Wij gaan naar God om in zijn tegenwoordigheid te staan; verkiest Hij ons daar bewust van te maken, Hij zij geprezen – maar wil Hij ons zijn werkelijke afwezigheid laten voelen, Hij zij nog geprezen, want Hij is vrij te komen en te gaan. Hij is even vrij als wij zijn, ofschoon wij gewoonlijk niet naar Hem toegaan als iets anders ons meer boeit. Laat Hij ons echter zijn tegenwoordigheid niet voelen, dan is het omdat we iets te leren hebben omtrent Hem en omtrent onszelf. Maar de afwezigheid die ons in het gebed pijnigt, het besef dat Hij er niet is, maakt ook deel uit van onze verhouding tot God en is zeer kostbaar”. In deze visie op het gebed past ook de regelmaat, die Metropoliet Anthony inzake het gebed voorstaat. Gebed is immers geen gevoelskwestie. Het is niet aan de mens God voor te schrijven hem binnen de zoveel tijd een gevoel van zaligheid te geven. Het gaat om het expliciet ter beschikking willen staan van God op persoonlijk niveau. Daarom zal men ook niet verbaasd moeten zijn over dorheid in het gebed en zelfs af en toe de moed moeten hebben om te zwijgen in plaats van gebeden te formuleren. Men moet er eenvoudig de tijd voor nemen en dan maar wachten op God. Aan het slot van deze beschouwing moet men constateren, dat er nog heel wat vragen open blijven. Daar is bv. de kwestie van de verhouding van het persoonlijke tot het liturgische gebed. Een andere zeer belangrijke vraag is: waarom hebben zijn televisie­toespraken en zijn boeken zo’n overweldigende belangstelling getrokken? Ongetwijfeld speelt zijn doorleefde en overtuigde betoogtrant hierin een grote rol. Hij is overtuigd van wat hij zegt, omdat hij het zelf zeer intensief doorleefd heeft. Hij is tot geloof gekomen na een zeer zware crisis, tijdens welke hij de zinloosheid van zijn eigen leven zag en zelfs met de gedachte aan zelfmoord speelde. Hij heeft toen de aanwezigheid van Christus zeer levendig gevoeld. Ook de stap van arts naar monnik en priester zal niet zonder nadenken gebeurd zijn. Dit alles duidt op een zeer bewuste keuze, die in zijn optreden naar buiten duidelijk naar voren komt. Daarbij heeft hij de gave om zijn gedachten op een zeer eenvoudige en begrijpelijke manier te brengen. Men hoeft zich niet te kwellen met de vraag: wat bedoelt hij eigenlijk? Het is voorts duidelijk, dat zijn godsvoorstelling de moderne mens aanspreekt. Het is het beeld van een liefhebbende God, wiens anders-zijn-dan-de-mensen, wiens vrijheid echter sterk benadrukt wordt. Het is blijkbaar een godsbeeld, dat past bij de seculariserende tendens, die de Kerken binnendringt en leeft in de harten van vele christenen. Als wij het oeuvre van Metropoliet Anthony zouden moeten karakteriseren, zouden we misschien het best kunnen zeggen: het is een stuk mystieke theologie in de beste oosterse zin van het woord. P.AL(overgenomen uit “Het Christelijk Oosten”26ste jaargang – 1974 – afl. 1)met dankbaarheid.  

banner blauw