Canonische discipline in de Orthodoxe Kerk

Canonische discipline van de orthodoxe Kerk

 

Ik geloof waarlijk, zoals ik het zo dikwijls bevestig in het Credo, «in de Kerk ». Ik kan niet ontkennen dat  de teksten die de Kerk heeft geschreven in de loop van haar geschiedenis, canons genoemd, mij zowel bevallen als hinderen. Deze teksten hebben als doel om de grenzen te definiëren van het ware leven die de christen niet zomaar achter zich kan laten, zonder aan deze  vormende daad voorbij te gaan. Een daad waardoor de hemelse Vader de christen  behandelt als zijn enige Zoon, dit wil zeggen , Hij geeft hem er een vergoddelijkende gave van Zijn heilige Geest mee.

De kerkelijke Canons tonen ons de weg die wij moeten gaan opdat ons leven in de Kerk niet slechts een natuurlijke sociaal leven zou zijn, maar ook opdat wij de autonomie van onze natuurlijke individualiteit zouden overschrijden door het ontvangen van de Heilige Geest en door de ervaring van onze deïficatie (…) Maar daarvoor moeten wij twee dwalingen vermijden . De ene bestaat erin

Dat wij zouden zeggen : het verleden is voorbij bij het begin van dit derde millennium, het is hoog tijd om een aggiornamento door te voeren. Als we zo denken dan miskennen wij volledig de diachronische (= historische ontwikkeling) en synthetische (op een synthese berustend)dimensie, en dit zonder onderbreking doorheen de periode van de kerkelijke Traditie en de eenheid van de Kerk.

Indien de kerkelijke canons ons voor alles spreken over de mogelijkheden van onze vergoddelijking in het zijn-in-communio van de Kerk, dan is het ware leven waarvan zij spreken ook het ware leven voor ons, hoe ver we nu ook mogen verwijderd zijn van hun auteurs. Er is nochtans nog een tweede dwaling waar we moeten op letten : men moet de christenen nu ook niet beangstigen met de canons door hen op een fanatieke wijze te bestoken door een automatische toepassing ervan. Gaan we in deze tijd een christen excommuniceren die de kerk verlaat vóór de anaphora zonder medisch motief ?

Zal men een moordenaar die berouw heeft, de heilige communie onthouden  tot aan het einde van zijn leven, en voor zeven jaar iemand die overspel heeft gepleegd ? Voor een  goed gebruik van de canons moeten wij voor ogen houden  dat, indien in de Oudheid de heilige Kerk, nochtans zo goed, zo moederlijk, zich streng heeft opgesteld, dat het is omdat ook nog in onze dagen, zonde exstreem zwaar is en dat wij als gevolg hiervan haar als zodanig moeten behandelen, zelfs al moet dit gebeuren met minder zware straffen. Want vroeger gaf de Kerk de communie voor zeven jaar niet aan iemand die echtbreuk had gepleegd of tot het einde van zijn leven niet aan iemand die een moord had bedreven. Wij hebben ook nu nog het recht niet om ons tevreden te stellen om zo een zonde in de biecht te belijden en direct na de biecht te communiceren  » 

 

Vader André Borrély, in Orthodoxes à Marseille octobre-Novembre 2002.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

 

 

 

André Borrély : Het doopsel, betekenis en riten

HET DOOPSEL : BETEKENIS EN RITEN

Door Vader André Borrély

 

 

1. Het doopsel verandert radicaal de wijze van bestaan van de mens.

 

1.1. Het doopsel in de eniggeboren Zoon

 

Binnen de Orthodoxie is het feest van 6 januari, het feest van de Theofanie, van het doopsel van Jezus door Johannes in de Jordaan. Het is het fundament van het doopsel van de catechumenen. De wijding van het doopwater voltrekt zich door het lezen van een gedicht van de Heilige Sophronius, patriarch van Jerusalem van 634 tot 638. Het is hetzelfde gedicht dat gelezen wordt op het moment van de zegening van het water op 6 januari. En dat wat de hemelse Vader verkondigt met betrekking tot zijn Zoon, de eniggeboren zoon, op het moment van Zijn doop in de Jordaan, dat verkondigt de kerk op haar beurt bij de doop van elk nieuwgeborene. Op het moment dat Jezus uit het water opsteeg hoorde men een stem uit de hemel : ‘Gij zijt mijn welbeminde Zoon in wie ik mijn welbehagen stel’  In het spoor van Wellhausen, merkt P. Lagrange op dat er in het Oud testament geen groot verschil bestaat tussen ‘welbeminde-zoon’ en ‘énige zoon’. Door het doopsel, wordt de mens een uniek wezen in deze wereld, onvervangbaar. Als herschapen mens in de wateren van het doopsel, naar het beeld van de Trinitaire God en om op Hem te gelijken, moet de mens, evenals God, niet volgens een cataphatische, maar volgens een apophatische

benadering gezien worden. In het grieks betekent ‘kataphasis’ : bevestiging, en ‘apophasis’ : negatie. Omdat hij een persoon is die geschapen is naar het beeld van de Zoon om te gelijken op de goddelijke Drie-eenheid,  deelt de mens aan het ‘ongekend-zijn’ van de drie goddelijke Personen. Hij is in wezen mysterie, dit wil zeggen: onuitputtelijk door zijn rijkdom, onpeilbaar door zijn diepte, waarvan dus men meer met zekerheid kan zeggen wat het niet is, dan wat het wél is. Het christelijk doopsel heeft als fundamenteel doel, de wijze van bestaan van deze bepaalde nieuwe mens te omvormen, door de aanwezigheid in hem van de Drie-ene, moeilijk onder woorden te brengen, onvatbaar voor de rede, niet te herleiden, niet te vervangen God.

 

Juist door het doopsel gaat de mens van een biologische wijze van existeren naar een kerkelijke wijze van bestaan. Dit is wat de orthodoxie ‘deïficatie’ noemt waarin hij de kwintessens van het heil in Christus ziet. Voor de orthodoxie, bestaat het heil hoofdzakelijk in het feit dat de mens niet (zeker) aan de substantie van God deelheeft, maar wel aan zijn persoonlijk bestaan. Het heil is de realisatie, in de schoot van de mensheid, van het trinitaire leven, het is de uitbreiding ‘ad extra’ van de wijze van bestaan van de drie goddelijke Personen. Voor de orthodoxie is het feest van 6 januari onlosmakelijk verbonden met het feest van de doop van Christus en deze van de Heilige Drie-eenheid. Daarom spreken wij van Theophanie, liever dan van Epiphanie. Elke Theophanie is een Epiphanie, maar elke Epiphanie is niet noodzakelijk deze van de Drie-enige God. Het troparium dat de kerk voortdurend herhaalt op de dag van 6 januari onderlijnt het trinitaire karakter van het feest : ‘Toen Gij Heer, gedoopt werd in de Jordaan, werd de aanbidding der heilige Drie-eenheid geopenbaard : de Vader heeft van U getuigd, en noemde U Zijn geliefde Zoon, de geest, in de gedaante van een duif, bevestigde de waarheid van dit woord. Gij verschijnt ons, o Christus God, en hebt de wereld verlicht : Ere zij U’. Welnu tijdens de dienst van de doop, lezen wij het einde van het Evangelie volgens Mattheüs die ons zegt dat het in de naam van de Vader, en de Zoon en de Heilige Geest is dat de leerlingen werden uitgezonden door de verrezen Christus om in de wereld te getuigen aan alle natiën (Matth.28,19). En het is door drie onderdompelingen dat de celebrant de catechumenen dopen : in de Naam van de Vader, in de Naam van de Zoon en in de Naam van de Heilige Geest. Gedoopt worden wil zeggen : binnengeleid worden in de levenswekkende  act waardoor de Vader de volheid van zijn goddelijk leven meedeelt aan Zijn unieke Zoon, ’t is te zeggen : zijn Heilige Geest. En deze vergoddelijkende binnenleiding betekent voor de mens de omvorming van individu tot persoon. Het is van deze omvorming dat de Kerk droomt wanneer zij de celebrant doet zeggen, in verband met de toekomstige dopeling, in het laatste gebed van de dienst van het catechumenaat : ‘ Ontneem hem de oude mens en bekleedt hem met de nieuwe mens voor het eeuwig leven… opdat gij niet meer een kind van het vlees zult zijn, maar een zoon (dochter) van Uw Koninkrijk’ ‘Een kind van het vlees’ of ook nog ‘de oude mens’, het is de mens, levend een natuurlijk leven, biologisch, onderworpen aan alle noodwendigheden van het menselijk bestaan in zijn gevallen staat. Het is het menselijk bestaan in zijn gevallen toestand, verdierlijkt door de zwakte van de zonde, broos, zwakzinnig, vergankelijk, bederfelijk, aards.

 

1.2. Het individu en de persoon

 

De existentie van het individu, is de biologische, genetische existentie. Het verschil met de persoonlijke existentie ligt hem hierin, dat het individu niet bestaat als vrijheid, maar als noodzaak. Ik word geboren in de wereld zonder dat ik erom gevraagd heb. En dit biologisch bestaan leidt onvermijdelijk en wanhopig naar de dood. De biologische wijze van existeren is tragisch wat betreft het niet erin slagen om een persoon te worden op biologisch, natuurlijk  niveau. Het heil ons gebracht door Christus is de realisatie in de mens van de goddelijke gelijkenis. Het is het feit, dat de mens niet meer als individu bestaat, maar als een persoon.

Het christelijk doopsel betekent dat de mens als persoon ophoudt om zijn nagestreefd doel te ontlopen door wat Maurice Blondel noemt zijn ‘willende wil’ (volonté voulante’), ’t is te zeggen zijn diepe wil, dat wat de mens wil zonder dat hij het wilt en dat hij niet kan verhinderen het te willen. Het doopsel betekent dat de twee bestandsdelen van het biologisch bestaan, te weten de ‘eros’ en het ‘menselijk lichaam’, ophouden voertuigen tot de dood te zijn Het doopsel heeft als essentiële betekenis, de bepalende wijze van de menselijke existentie te veranderen. Het gaat niet om een morele verbetering, maar om een ‘anangenesis’, een her-geboorte, een herstel, van een nieuwe geboorte als persoon, van een omsmelting van het gehele menselijk plasma. Deze notie anangenese, organische  her-geboorte is uitgedrukt in de eerste brief van Petrus : ‘Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die in Zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden…. Want gij zijt wedergeboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levend en blijvend woord van God (1 Petrus 1,3 en 23). De eros en het door de zonde verdierlijkt lichaam zijn gedoopt, ’t is te zeggen dat zij  een verandering in hun wijze van bestaan niet verloochenen, maar juist een inspanning zullen doen om het te veranderen. Zij worden dan zaad van het spirituele en onvergankelijk lichaam. Een goed begrepen christelijke ascese is fundamenteel een transfiguratie en een vergeestelijking van het lichaam , en van gans het zintuiglijk menselijk leven, die het ongeschapen en goddelijk licht moet laten schijnen, zoals een kristallen vaas de zonnestralen. De doop geeft de mens de zekerheid dat de persoonlijke existentie naar het beeld en de gelijkenis met God een historische realiteit is, waarvan de mogelijkheid ons gegeven is door Christus de Redder.. Hij is de Redder in deze duidelijke zin, dat Hij aan de mensen de realiteit zelf van de peroon heeft medegedeeld. Allen zoals wij zijn, delen de menselijke natuur in stukken : wij zijn min of meer mensen, min of meer intelligent, min of meer begiftigd met verstand, min of meer deugdzaam. In Jezus van Nazareth, waarlijk God en waarlijk mens, is de volheid van de mensheid  gemanifesteerd : Ecce Homo (zie de mens). Ziedaar de waarachtige mens, de mens die volledig mens is omdat Hij volledig God is. In Jezus Christus is ons geopenbaard dat God alleen waarachtig mens is en dat wij slechts waarachtig mens kunnen worden tenzij in Jezus Christus. Zeggen dat God ons vergoddelijkt of dat Hij ons totaal vermenselijkt, of nog dat Hij ons redt of deïfieerd : het gaat hier altijd om dezelfde werkelijkheid.

Het doopsel betekent fundamenteel het verwerpen van de ketterij van Nestorius : Christus kan ons niet verlossen omdat Zijn hypostase slechts een biologische hypostase is. In Jezus Christus is er geen onderscheid tussen menselijk en goddelijk. Deze mens was volledig goddelijk in Zijn menselijkheid en volledig menselijk in zijn goddelijkheid. Jezus van nazareth is als waarachtig God en als waarachtig mens komen getuigen van de mogelijkheid voor de menselijke persoon om te ontsnappen aan de tragische toestand van de verscheurde menselijke natuur, van de fundamentele vervreemding die de dood voor de menselijke vrijheid voorstelt.. Het doopsel maakt van elke mens een perfecte mens, ’t is te zeggen, een waarachtig mens, een authentieke hypostase, vooraf geroepen voor de vrijheid en de liefde. Het doopsel verleent aan de mens een manier van bestaan op eenzelfde wijze als waarop de drie Hypostasen van de Drie-eenheid bestaan. Het doopsel betekent voor elke mens dat de christologie geen realiteit is die slechts op Jezus Christus van toepassing zou zijn. Door het doopsel is de christologie in het existentiële bereik van de mens zelf gekomen. De menselijke natuur kan worden gehypostasieerd, ’t is te zeggen : men kan het op zich nemen, onafhankelijk van de tragische noodzaak van de biologische wijze van existeren die wanhopig leidt tot de dood. Het doopsel betekent de mogelijkheid die zomaar aan de mens wordt gegeven om te gaan leven op de wijze zoals Jezus van Nazareth heeft geleefd. : door zijn bestaan te bevestigen als persoon, door niet meer te gaan steunen op de wetten van zijn verscheurde biologische natuur, maar door te steunen op een relatie met de goddelijke Drie-eenheid die fundamenteel een relatie is van vrijheid en liefde. Indien het onze Vader – spijtig genoeg té dikwijls verkeerd vertaald – het fundamentele gebed is van de Christenen, dan is het omdat het ons de essentie zelf geeft van het doopsel. Inderdaad, door het doopsel treedt de mens binnen in de algemeen eeuwige act waarin de Vader zijn Enige Zoon de volheid van zijn vaderlijk Leven meedeelt, ’t is te zeggen de Heilige Geest. Door het doopsel wordt de mens zoon van God, hij identificeert zich met de hypostase van de Zoon.

 

1.3 Het kerkelijk bestaan.

 

Het doopsel verleent aan de mens een wijze van bestaan dat geheel kerkelijk is. De kerkelijke wijze van existeren is de menselijke existentie als gedoopte en wordt gedefinieerd als een zijn-in-communio. Wanneer Jezus zegt tot Nicodemus : ‘Gij moet opnieuw geboren worden’ (Joh.3,7), dan spreekt hij hem over de mogelijkheid voor de mensen, om zo te leven dat ze zich niet zouden laten bepalen door de wetten van de biologie en het instinctief-affectieve , door de gevallen  natuur, losgemaakt van God en verdierlijkt door de zonde. Dit is een onopeisbaar geschenk van God.

 

De kerk is essentieel de plaats waar, in de geschiedenis der mensen, de niet biologische wijze van het menselijk bestaan zich realiseert. De Kerk is het god-menselijk model in de schoot waarvan de mens geboren wordt tot het Trinitaire leven, niet slechts gedurende één uur, de dag van zijn doopsel en zalving, maar voor gans de duur van zijn leven :  de dag van zijn huwelijk, of zijn priesterwijding, wanneer hij communiceert aan het Lichaam en bloed van de Verrezene, wanneer hij de ziekenzalving ontvangt of de goddelijke vergeving van zijn fouten. De celebratie van het doopsel strekt zich uit over gans zijn christelijk bestaan, in de viering van elk van de andere sacramenten. Deze laatste zijn niets anders dan god-menselijke daden door dewelke de Heilige Geest handelend in de Kerk het werk van de vergoddelijking van de mens verder zet dat begonnen is bij het doopsel. Het gaat hier nogmaals en nogmaals om de realisatie in de mens van een wijze van bestaan dat niet meer bepaald wordt door de noodzaak van een biologisch bestaan. Authentisch de realiteit van mijn doopsel beleven betekent dat mijn echte vader niet diegene is die me biologisch heeft voortgebracht, maar mijn Vader in de hemel, dat mijn waarachtige broeders, niet mijn biologische broeders zijn, maar de leden van de Kerk, dat mijn waarachtige familie niet mijn biologische familie is,maar de Kerk. In het derde Evangelie vreest Jezus niet om te bevestigen :’Zo iemand tot Mij komt, en zijn vader niet haat, zijn moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, hij kan mijn leerling niet zijn'(Lucas 14,26). De Evangelist Mattheüs drukt dezelfde eis uit in een verzachte vorm wanneer hij het heeft over diegene die zijn naasten meer bemint dan Jezus. Hetzelfde wanneer men komt te zeggen aan Jezus dat zijn moeder en zijn broeders buiten staan en Hem willen zien. Jezus antwoordt hierop : ‘Mijn moeder en mijn broeders zijn zij die het woord van God aanhoren en het in praktijk brengen’ (Lucas 8,21). Noteren wij  hierbij dat deze tekst wordt gelezen in de Byzantijnse Liturgie op het feesten van de Moeder Gods. Iemand dopen is niet zijn kerkelijk en biologisch bestaan als gelijken te stellen, het is hem de overwinning laten behalen van het eerste op het laatste.

 

1.4. Men moet het doopsel vieren in de loop van de zondagse Liturgie.

 

Waarom is het zo belangrijk om het doopsel toe te dienen in de schoot van de goddelijke Liturgie , ’t is te zeggen in de schoot van de parochiale gemeenschap ? Té veel priesters geven toe aan de druk van de familie die van het doopsel een familiale aangelegenheid willen maken, de zaterdag namiddag of de zondag namiddag, indien het al niet gebeurt ten huize van de ouders van het kind ! In de grote traditie van de Kerk doopte men altijd tijdens de liturgieën van Pasen of Pinksteren, van Kerstmis of op het feest van de Theofanie. Het is daarom dat men ook vandaag nog altijd geen ‘Heilige God, heilige Sterke, Heilig Onsterfelijke’ zingt, maar het ‘Gij allen die gedoopt zijt in Christus, Gij hebt u met Christus bekleedt’ Gelukkig is er een zeker aantal orthodoxe priesters die families uitnodigen, indien zij minstens in staat zijn  om het te begrijpen, om hun kinderen de zondag morgen ten laten dopen, wanneer de ganse parochiale gemeenschap samen is voor de eucharistische viering. In de Orthodoxie viert men slechts éénmaal de eucharistie op dezelfde dag en in dezelfde kerk. Dit opdat iedereen – burgers en proletariërs, kinderen en volwassenen  – samen hun eigen respectievelijke biologische en sociale wijzen van existeren  zouden transcenderen. Het doopsel bewerkstelligt een overwinning op het relationeel netwerk van het biologisch bestaan. Het bevrijdt de mens van elke relatie die bepaald wordt door zijn biologische identiteit. Hen liefhebben die ons door de bloedband nabij zijn, is gehoorzamen aan biologische wetten. De andere mensen liefhebben – al zijn ze van rechts of links , zwart of blank, rijk of arm – in de eucharistische communio van de Kerk, is hetzelfde als de vrijheid gelijkstellen aan het zijn zelf van de mens, het is getuigenis afleggen van het feit dat de natuur de persoon niet bepaalt, maar dat het integendeel de persoon is die de natuur de mogelijkheid biedt om vrij te existeren. Het doopsel betekent de vrijheid van de persoon ten overstaan van de natuur, ’t is te zeggen de mogelijkheid om lief te hebben zonder iemand uit te sluiten. De roeping van de gedoopte is om de eenzijdigheid, iets wat inherent is aan het biologisch bestaan, te transcenderen. Zonen worden van de Kerk door het doopsel, is essentieel de mogelijkheid verwerven lief te hebben  zonder onderscheid. De nieuwe geboorte door het doopsel in de schoot van de ‘Ecclesia mater’ maakt van de persoon een ledemaat van een relationeel netwerk welke elk exclusivisme uitsluit. In de wateren van het doopsel heeft de radicale differentiatie plaats tussen de persoonlijke hypostase en het biologisch individueel leven waarvan de horizont de dood is.

 

2. De doopriten

 

2.1. De exorcismen en de verzaking aan de Satan.

 

De overgang van de biologische en individuele existentie naar het existentieel persoonlijke en kerkelijke existeren wordt op verschillende manieren uitgedrukt in de doopviering.

Eerst en vooral hebben wij de exorcismen en de verzaking aan de Satan. De orthodoxe Kerk begrijpt de ultieme vraag van het Onze Vader – verlos ons van het kwaad – niet alsof het gaat om bevrijding van het metaphysisch kwaad, van een abstractie. De betekenis van de tekst is veeleer: Onttrek ons aan de Slechte, de Sluwe, de Boosdoener, ’t is te zeggen : de Duivel. Zijn eerste hoofdstuk samenvattend bevestigt de Apostel Johannes ons : ‘We weten dat wie uit God  is geboren, niet zondigt, maar wie uit God is geboren (dit wil zeggen Jezus) waakt over zichzelf, en de Boze ( o Ponèros : het is hetzelfde woord als wat in het Onze Vader nogal eens slecht wordt vertaald met ‘het kwade’) heeft geen vat op hem. We weten, dat we uit God zijn, maar dat de hele wereld in kwaad verkeerd’ (1 Joh. 5,18). Het gaat hier over een heel concreet iemand, een zeer reëel iemand, een goed gedefinieerd iemand. Bij de vestiging van zijn Koninkrijk is Jezus op een heuvel met iemand die Hij de vijand noemt, de Prins van deze wereld, de Satan. Het komt er anderzijds niet op neer bevrijd te worden door de Demon : door de bevrijdende menswording zijn wij van nu af aan reeds bevrijd. Wij moeten daarentegen een terugkeer vrezen in kracht van de Tegenstander, de Antichrist. De zege over de wereld, ’t is te zeggen over de zonde en de dood van het gedode maar verrezen Lam, is reeds op het essentiële vlak gerealiseerd. Dood voor de zonde, is de gedoopte met Christus verrezen, en door deze verrijzenis wordt hij een medeburger van de hemel en de tempel van de Heilige Geest. De draak van de Apocalyps is op aarde neergeworpen (Apoc.12,13), maar hij bezit een macht om de mensen op de proef te stellen.

 

Drie exorcismen zijn rechtstreeks tot Satan gericht :’Satan, ga uit van dit schepsel, en keer daar niet meer terug…ga uit en trek wag van deze, met het kruis bezegelde, nieuwgekozen strijder van Christus onze God …’ En de celebrant vraagt met nadruk aan de Heer Sabaoth, aan de God van Israël : ‘Heer Sabaoth, God van israël, Gij die alle ziekten en gebreken geneest : zie neer op Uw dienaar (…). Doorvors en onderzoek ‘hem), drijf de onreine geesten uit, en reinig het werk van Uw handen (’t is de zeggen : de catechumeen) en maak gebruik van Uw alles overgheesrende macht, en doe (hem) zgevieren over het boze in zichzelf, en over de slechte geesten’ …Vervolgens, vraagt de priester aan de catechumeen om zich naar het westen te keren, naar daar waar de zon gaat slapen en die ons dus symbolisch spreekt over de duisternissen. Dan nodigt de priester de catechumeen uit om te ‘verzaken aan de duivel, aan al zijn werken, aan al zijn engelen, aan al zijn diensten en aan al zijn luister’.

 

2.2. Het zich ontdoen van de klederen

 

De catechumeen wordt vervolgens in het baptisterium binnengeleid. ‘van zodra ge zijt binnengetreden, zegt de Heilige Cyrillos van Jerusalem, moet gij u ontdoen van uw klederen’. Ten tijde van de Kerkvaders ging het om een volstrekte naaktheid. Het afleggen van de kleren is het symbool van het zich ontdoen van de oude mens en zijn biologisch bestaan. Pseudo-Denys ziet in dit zich ontdoen van de kleren ook het zich ontdoen van gans het voorafgaande leven van de catechumeen. Door zich te ont-kleden getuigt de toekomstige christen van de ernst van zijn besluit om zijn vroegere biologische existentie uit te roeien,  ’t is te zeggen, hij doet een belofte tot de dood om zich te engageren in een gans andere wijze van existeren : de kerkelijke en persoonlijke existentie. Door zich van zijn kleren te ontdoen geeft de doopkandidaat  duidelijk aan dat hij wenst te verzaken aan al zijn passies en aan de begeerten van het vlees, en dat hij ernaar verlangt om de oorspronkelijke  onschuldige naaktheid van Adam, (dit wil zeggen van de mensheid) van vóór de val terug te verwerven. De catechumeen bevindt zich nog buiten het paradijs. Hij deelt nog altijd in de ‘ballingschap’ van Adam in het ‘Oosten van de tuin van Eden’. Zijn binnenleiding in het babtisterion betekent dat deze ballingschap een einde neemt. Het gaat er voor de catechumeen om, om de oude mens af te leggen alsof men een oud kledingstuk aflegt. Na de doop gaat hij een ander kleed krijgen : het Koninklijke kleed van onvergankelijkheid dat hem door de verrezen Christus, de nieuwe Adam, zal worden geschonken. Het kleed van licht, het Koninklijke kleed die toestaat om te verschijnen in het nieuwe Eden, in de Kerk, om zo deel te kunnen nemen aan het bruiloftfeest van het Lam, aan de goddelijke Eucharistische Liturgie, aan de goddelijke Communie. Door de zonde verloor de eerste Adam de onschuld en de oprechtheid van de naaktheid. Hij begon schaamte te krijgen en deed kleren aan. De catechumeen die  op weg is om gedoopt te worden zal een tegenovergestelde weg doorlopen. Hij ontdoet zich van zijn kleren, die noodzakelijk waren geworden na de zondeval, en naakt zal hij het lichtend en verijzenisvolle kleed ontvangen van de nieuwe Adam.

 

Merken wij hierbij ook nog op dat de nieuwe Adam, Christus, op het kruis ook volledig ontbloot werd, vernederd voor de heilige vrouwen, en vooral voor zijn moeder. De catechumeen is niet groter dan Hem, die hij toch beschouwt als zijn enige meester. Zoals Hij moet ook de catechumeen zich vernederen door zijn naaktheid, opdat hij het zou transcenderen  in het kleed der verrijzenis. De kledij van vóór het doopsel stelt de bederfelijke mens voor. Theodor van Mopsueste zegt tot de catechumeen : ‘Uw kleren moeten weggenomen worden, teken van sterfelijkheid, en door het doopsel zult gij u het kleed der onsterfelijkheid aantrekken’. Door zich uit te kleden duidt de catechumeen symbolisch aan dat hij zich van het oude kleed  van bederf en zonde, het kleed waarmee Adam werd bekleed na de zondeval wil ontdoen. Het zich ontdoen van de kleren tijdens de doop symboliseert de breuk met het verleden. Hij gaat erom, dat de gedoopte de uiterlijke tekenen van de zondige en verscheurde mensheid waarvan de wijze van bestaan biologisch is, ruilt : een bestaan gekenmerkt door de vergankelijkheid van het graf ruilen voor het schitterende kleed van de nieuwe Adam, de Verrezene, die aan de wereld een andere manier van bestaan heeft geopenbaard , het bestaan van de persoon, het zijn-in-communio, het  kerkelijk bestaan. Deze ruil is het tegenovergestelde van dat wat de eerste Adam had gedaan : hij heeft zijn onschuldige naaktheid geruild voor een ellendige bekleding. Het afleggen van de kleren van de catechumeen betekent voor hem een bevrijding : hij legt de kleren af van de oude mens opdat hij de glorie van de eerste Adam zou terugvinden, dit wil zeggen van de mensheid zoals God ze oorspronkelijk had gewild. De nieuw gedoopte zal de glorievolle naaktheid van de oorspronkelijke mensheid van voor de val, terugvinden. En indien nu tegenwoordig het moeilijk denkbaar is om aan onze catechumenen een totale naaktheid voor te stellen, naaktheid die ook onze Heer Jezus christus ten deel is gevallen, op heilige Vrijdag, dan is het alleen omdat wijzelf, onze catechumenen,onze kerkelijke gemeenschappen, maar ook alle gedoopten, niet meer dezelfde vurigheid hebben als de gemeenschappen van de eerste eeuwen. Orthodoxen, wij leven niet op het niveau van onze theologie. Wij gaan voort , samen met de onverdeelde Kerk, om dat lat hoog te leggen, maar wij komen er niet meer toe om een sprong te maken. ! En omwillen van die zwakheid, dragen onze gemeenschappen niet meer de catechumenen zoals ze gedragen werden in de tijd waarin de levenskracht van de primitieve Kerk heel intens was binnen het kerkelijk lichaam. In deze context van verval wordt de naaktheid beleefd als puur vernederend, dit wil zeggen, als de enige naaktheid van de zondige mens die ontdaan is van zijn kleed van glorie. Het komt er dus op aan, dat wij de naaktheid opnieuw zouden moeten zien als een deelname aan de vernederende naaktheid  van de nieuwe Adam op het kruis, op heilige Vrijdag. Door zich van zijn klederen te ontdoen, kan en moet de catechumeen zich bewust zijn van zijn toestand als zondaar, ‘ongelukkig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt’, om de termen te hernemen van de boodschap gericht aan de Kerk van Laodicea (Apoc.3,17) Indien de catechumeen zich zo ontdoet van zijn klederen dan is het om vrij te zijn in zijn pogen om de duivel te weerstaan en uiteindelijk zich te bekleden met de nieuwe mens, om gelijk te worden met de Verrezene, met de nieuwe Adam. Zich zo om-kleden betekent zich losmaken van de duisternissen en zich bekleden met het licht.

 

Op onze dagen, zou de Heilige Cyrillus van Jeruzalem helaas niet meer tot onze catechumenen durven zeggen wat hij tegen hen zij in zijn tijd : ‘O wonder ! Gij zijt geplaatst onder de ogen van allen, en gij hebt geen schroom. Het is, omdat gij  uzelf in waarheid het beeld van onze eerste vader Adam wilt voorhouden. Adam was naakt in het aards paradijs en schaamde zich niet’.

 

De naaktheid op de dag van het doopsel betekent dus tegelijk het afleggen van de bederfelijkheid en de vrees voor de zonde, de terugkeer naar de oorspronkelijke onschuld en de ongedwongenheid van de paradijselijke staat. De Heilige Gregorios van Nyssa schrijft in een homilie van Pasen : ‘ Voortaan zal Adam, wanneer je zijn naam noemt, geen schaamte meer hebben, hij zal zich onder het verwijt van zijn handelswijze niet meer verbergen onder de bomen van het paradijs. De belofte hervinden, dat alles duidelijk zal worden op de laatste dag’. Eenmaal dat hij de oude klederen heeft afgelegd, symbool voor de oude mens, zal de catechumeen die weldra de nieuw gedoopte zal zijn het nooit meer opnieuw moeten doen : het doopsel is onomkeerbaar.. En indien in de eerste eeuwen van de Kerk men de tendens had om het doopsel naar de leeftijd van ongeveer dertig jaar of zelfs later te verschuiven, zelf in christelijke families, dan is het omdat men dacht dat men na de doop niet meer kon zondigen. Het is over dit thema dat de eerste brief van Johannes handelt op het einde,wij hebben het reeds geciteerd : ‘We weten, dat wie uit God geboren is, niet zondigt, maar wie uit God is geboren, waakt over zichzelf, en de Boze heeft geen vat op hem’ (1 Joh.5,18). Het is om dit geloof van de Kerk mee te delen dat de nieuw gedoopte, bij het verlaten van het doopwater niet zijn oude kleren van sombere kleur aantrekt, maar witte kleren, klederen die licht uitstralen, klederen die ons spreken over de verrijzenis van de nieuwe Adam en de nieuwe tuin van Eden die hij door te verrijzen uit het doopwater heeft herschapen. Die nieuwe tuin van Eden is de Kerk.

Vervolgens komt de onderdompeling en het opstaan uit het water.

 

2.3. De drievoudige onderdompeling en oprijzen uit het water.

 

De doop-epiclese is een aanroeping van de levengevende actie van de Heilige Geest, opdat zijn energieën door de onderdompeling in het water de catechumeen zou omvormen : van de oude mens  in een verrezene. Door zijn overvloedige en chaotische aanwezigheid spreekt het water tot de mens – aan Noë en aan Jonas – over verdrinking en verstikking, over bedolven worden en dood, over zondvloed en dood. Maar tegelijk is het voor hem een bron van vruchtbaarheid en leven. Zo bieden de Nijl en de Jordaan de mogelijkheid tot hygiëne en het lessen van de dorst. Het water dat opwelt uit de rots van de woestijn verkondigt en verzinnebeeldt het water dat in overvloed zal stromen op de dag van de Messias, symbool van een nieuwe uitstorting en van een onuitputtelijke spirituele vruchtbaarheid. Welnu, de celebratie van de doop betekent en vooronderstelt dat de dagen van de Messias aangebroken zijn, want Christus is verrezen. Het opstaan uit het water betekent de vreugde om opnieuw te kunnen ademen, en dit door de Heilige Geest in te ademen. Het water verzinnebeeldt de verrijzeniskracht van de Geest. Het water omsluit de catechumeen als een graf, maar de Geest omvormt het graf tot baarmoeder. In zijn Kerkelijke Hiërarchie noemt Pseudo-Denys bewonderenswaardig het baptisterium ‘de baarmoeder van elke afstamming’. Dodelijk als het is, wordt het water levengevend en moederlijk. De gedoopte rijst op uit het water van de doopvont en dit laatste wordt een leeg graf, naar het voorbeeld van het graf van Joseph dat de myrondraagsters leeg vonden op die morgen van Pasen. Een gedoopte die tenvolle zich bewust is van zijn doopsel moet onder ogen zien dat zijn werkelijke dood zich achter hem bevindt, want hij heeft een einde genomen met zijn doopsel. Hij hoeft de biologische dood, dit van het individu dat onderworpen is aan de natuurlijke noodzaak, niet meer te vrezen. Gedurende de eerste eeuwen van de Kerkgeschiedenis noemde men de christenen : zij die niet meer de dood vrezen. Het woord dopen komt van het griekse ‘baptein’, dat duiken, wegzinken, onderdompelen betekent.  Van dit werkwoord ‘baptein’ komt een ander werkwoord voort, ‘baptizein’, dat ook dezelfde betekenis heeft van duiken, wegzinken, onderdompelen. In christelijke taal ‘dopen door onderdompeling’. De drievoudige onderdompeling/opstaan uit het water gebeurt door een volledige onderdompeling van de gedoopte in het graf van het golvende water, opdat zo het graf met Christus en de verrijzenis met hem die gedoopt wordt worden gesymboliseerd. De totale onderdompeling spreekt ons over een graflegging. In zijn commentaar van de brief aan de Romeinen, spreekt Pater Lagrange over de Russische en griekse pelgrims, dus orthodoxen, die in de tijd dat P.Lagrange in Palestina leefde (tussen 1890 en 1935), baadden in de Jordaan op de dag van de Theofanie, de 6e januari. Ze waren gekleed in linnen ochtendjassen, die ze nadien meenamen naar huis opdat ze hen als lijkwade zouden kunnen gebruiken na hun dood. Het is daarom dat de bijbeltekst die wordt gelezen in de loop van een doopselviering deze is van de brief aan de Romeinen hoofdstuk 6,3-11, waar Paulus spreekt over het christelijk doopsel : ‘Wij allen die gedoopt zij tot gemeenschap met Christus Jezus, we zijn gedoopt tot de gemeenschap met Zijn Dood. In de gemeenschap met Zijn Dood zijn we dus begraven met Hem door het Doopsel, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de glorie van de Vader uit de doden is opgewekt. Want wanneer wij met Hem zijn samengegroeid door het beeld van Zijn Dood, dan zullen ook we het ook wezen door dat van Zijn Verrijzenis. Dit weten we : onze oude mens is gekruisigd met Hem, opdat het zondige lichaam ten onder zou worden gebracht, en wij niet langer slaven van de zonde zouden zijn; want wie dood is,is vrijgemaakt van de zonde. Welnu, zijn we met Christus gestorven, dan geloven we ook, dat we met Hem zullen leven. We weten, dat Christus, opgestaan uit de doden, niet meer sterft, en dat de dood geen macht meer over Hem heeft; want Zijn sterven was een sterven voor de zonde ééns en voor al, maar Zijn leven is een leven voor God. Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God in Christus Jezus’.

‘…zich onderdompelen in de wateren van het doopsel, is zich onderdompelen in de dood van Christus. Deze drievoudige onderdompeling/opstaan uit het water wordt gevolgd door de epiclese, dit wil zeggen : de aanroeping van de Naam der drie goddelijke personen van de Heilige Drie-eenheid. De drievoudige handeling herinnert tegelijk aan het verblijf van Christus gedurende drie dagen in het graf van Jozef van Arimatea, en de drie Hypostasen van de Heilige Drie-eenheid in wiens naam de drievoudige onderdompeling/opstaan uit het water heeft plaatsgehad. In zijn uitleg van de Goddelijke Liturgie (Hoofdstuk 4) schrijft Nicolas Cabasilas : ‘Wij geven ons leven in ruil voor een ander. Welnu, ons leven geven is sterven. De Heer eist, door ons deelgenoten te maken van Zijn Verrijzenis, dat wij iets teruggeven voor deze grote gave, maar wat ? De navolging van Zijn Dood : en dit door driemaal ten verdwijnen in het doopwater als in een graf’.De dood door besprenkeling of door water alleen maar op het hoofd te laten vloeien (infusie) is slechts uit noodzaak toegestaan en dan nog in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij zieken. Het kan als dusdanig niet worden ingesteld als een algemene regel. De volledige onderdompeling (emersie) van de gedoopte in het water is van groot belang omwille van  het feit dat zij de graflegging van Christus immiteert. ‘Als in een graf, merkt de Heilige Johannes Chrysostomos op, want als wij het hoofd in het water dompelen wordt de oude mens wezenlijk begraven en bedolven, hij is in één keer gans verborgen, wanneer wij hem er terug uithalen is het de nieuwe mens die opstaat’. In zijn verhandeling Adversus Praxean, schrijft Tertullianus : ‘Zoals onze Redder drie dagen en drie nachten in de schoot van de aarde verbleef, zo bootsen de gedoopten met de drievoudige omderdompeling dit graf van de Heer na’. Hetzelfde bevestigt de Heilige Basilios : ‘ Het grote sacrament van het doopsel wordt gecelebreerd met drie onderdompelingen en door eenzelfde aantal epiclesen, opdat het symbool van de dood wordt verzinnebeeld en de gedoopten een verlichte ziel hebben door de uitstorting van de goddelijke kennis’. Zelfs in het Westen was de gewone manier van dopen deze van de onderdompeling en dit tot in de 14e eeuw. Daarvan heeft men nog het getuigenis bewaard in de vele baptisteria overal ter wereld, vooral in Italië. De 12e canon van het concilie van Neo-Caesarea ontneemt die priesters hun priesterschap, die om gezondheidsredenen het doopsel hadden aanvaard door een eenvoudige infusie. Thomas van Aquino beschouwt het doopsel door onderdompeling (emersie) ‘communior, laudabilior, tutior’ (Summa Theologica IIIa 66,7). Voor hem beeldt de onderdompeling op een meer expressieve wijze de graflegging van Christus uit, deze wijze van dopen is gemeenschappelijk en aanbevelingswaardiger (ibid. art 7.2). Het is de Engelse Theoloog Alexander of Hales (1180-1245) die als eerste de geldigheid van een doopsel zonder medische noodzaak door infusie heeft bevestigd. De mening van Alexander of Hales werd gedeeld door zijn leerling Bonaventura. De ambrosiaanse en de mozarabische riten bleven trouw aan de onderdompeling (emersie). Deze werd in Spanje gebruikt tot midden in de 18e eeuw. Op de vooravond van de Reformatie bevatte het engelse gebruik enkel de doop door onderdompeling. Nog in 1614 stelde Paus Paulus V het doopsel door onderdompeling van een kind voor als een alternatief voor de doop door infusie(water over het hoofd). Op dat moment was echter de algemene praktijk deze van de infusie (iets voor de Reformatie in de 16e eeuw).

 

Het water wast en zuivert niet alleen. Het doodt ook door te verdrinken en te stikken , maar diegene die eruit ontsnapt ervaart een zekere verrijzenis ! Het water dat het leven geeft is ook het water dat tot de dood kan leiden. Nicolas Cabasilas schrijft : ‘Het water verwoest een vorm van leven maar legt ook het andere bloot, het slokt de oude mens op en doet de nieuwe mens herrijzen’ (La vie en Christ II,9). In een artikel dat verschenen is in 1952 in ‘La Maison Dieu’ en getiteld : het symbolisme van de doopriten (Le symbolisme des rites baptismaux) Nr 32, p.6), Heeft Pater Louis Bouyer aan een rooms-katholieke autokritiek gedaan die zeer merkwaardig is. Hij schrijft : …’Er zijn bijna geen symbolen meer in onze riten zoals wij ze celebreren. Wij hebben op een ongevoelsmatige wijze het symbool vervangen door een soort abstract teken van het symbool, die voor het symbool ongeveer hetzelfde is als een pil nemen voor een maaltijd. Een echt symbool zegt méér dan alle woorden samen. Het is daarom dat Onze-Heer in de economie van de genademiddelen het symbool aan het woord heeft willen toevoegen, en dit, om te zeggen wat met het woord niet kan gezegd worden. Want het symbool is een levende act die de mens als geheel omvat, lichaam en ziel, en hem de waarheid die in een act abstract bleven doet ontdekken. Het symbool wordt als een realiteit ervaren in een concrete act. Wij zijn er daarentegen toe gekomen om met een vloed van  onmachtige woorden te trachten een zekere betekenis te geven aan schrale gebaren, woorden die ontdaan zijn van elke vorm van het reële leven. Het soort uitholling en  het doen verschrompelen van de oude doopritussen maakt dat het geen echte symbolen meer zijn, want ze zijn gedegradeerd tot het minimum dat de levendige verbeelding nog zou kunnen ontroeren… Welk verband bestaat er tussen de ervaring van een mens die enkele druppels water op het voorhoofd krijgt, die bovendien direct nadien worden afgeveegd en de ervaring van een mens die een echt bad neemt ? Indien men de dopen nog zou vieren zoals in het Oosten, waar men het kind, gans naakt, driemaal in het water dompelt tot boven het hoofd als in een echt bad, dan zouden de meest ongevoelige mensen voor de primitieve poëzie er zelfs nog iets van begrijpen. De arbeider die van een vuil en afmattend werk thuiskomt en die een goede douche gaat nemen, of zijn hoofd even onder het water steekt vooraleer hij de avond in zijn gezin of met vrienden gaat doorbrengen, weet perfect wat een propere huid kan doen. Hij gaat zich als een nieuw mens voelen nadat hij zich gewassen heeft. Maar wat kan hij spiritueel als gemeenschappelijk zien  wanneer hij in een parochie de pastoor ziet die amper drie druppels water haastig over het hoofd van het kind giet ? (pp.6-7)’. Het is ontegensprekelijk dat het verrichten van de infusie, ten koste van de  onderdompeling  het symbolisme verarmt, iets wat eigen is aan het christelijk doopsel. Het veroorzaakt een verduistering van de symbolische verwijzing naar de dood en  verrijzenis van Christus. Men kan hierbij nog opmerken dat de doop door infusie ook het symbool van de naaktheid doet verdwijnen. Gelukkig is men sedert Vaticanum II en in de nieuwe Catechismus van de katholieke Kerk bezig om het belang van de doop door onderdompeling (emersie) te herontdekken. De wens van de Orthodoxen is, dat het doopsel door onderdompeling meer en meer frequent gedaan wordt in het Westerse christendom. In de orthodoxe wereld heeft men ook dikwijls de tendens geconstateerd om over te gaan door de doop door infusie. Dit was ondermeer het geval in het noorden van Rusland, omwille van het klimaat. In de XIIe eeuw heeft bisschop Elie (1165-1186) de bewoners van Novgorod er voor gewaarschuwd dat zij zich niet mochten tevreden stellen met water op het hoofd te gieten tijdens het doopsel in plaats van de onderdompeling in het doopwater. Men kan deze waarschuwing ook terugvinden in 1274 (synode van Wladimir), en in de 14e en 15e eeuw, in de  brieven van de metropolieten Cyprianos (1390-1405) en Photius (1408-1437) aan de bewoners van Novgorod en Pskov. Maar deze praktijk was steeds slechts een marginaal fenomeen.

 

Vader André Borrély, rektor van de parochie van de heilige Ireneos te Marseille.

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

Franse tekst : http://www.orthodoxa.org/FR/orthodoxie/theologie/bapteme.htm

 

De vreemdeling

 DE VREEMDELING

 

ORTHODOX PERSPECTIEF

 

Deze uiteenzetting werd gegeven door Metropoliet Stephanos van Tallin naar aanleiding van een colloquium over migratie en integratie, georganiseerd door de raad van Christelijke Kerken van Estland.

Het bevat geen enkele originele tekst, maar is een compilatie van meerdere hedendaagse orthodoxe documenten in het Frans. Dit om aan te tonen dat er op dit vlak een algemene consensus bestaat bij orthodoxen van verschillende afkomst.

« In onze geseculariseerde beschaving waar iedereen de neiging heeft om geïsoleerd te leven met het doel om zich te beschermen tegen alle omringende onzekerheden, is het evident dat de vreemdeling slechts het object kan worden van een bijzonder wantrouwen. Zelfs al wordt hij niet met vijandschap bejegend, dan stoot hij toch op een kille onverschilligheid die hem dreigt te marginaliseren in een maatschappij die voor hem gesloten blijft.

Nochtans is de vreemdeling, de geëmigreerde de gestalte bij uitstek van de bijbelse mens, van het kind van Israël, maar ook, wat we maar al te vaak vergeten, van de christen op weg naar het Koninkrijk. De Apostel Petrus zegt het niet anders wanneer hij schrijft : Geliefden, ik vermaan u als pelgrims en vreemdelingen, u verre te houden van de vleselijke lusten die strijd voeren tegen de ziel (1 Petr.2,11). Ja, wij zijn allen vreemdelingen in deze wereld. Wij zijn allen als Abraham, die zijn land had verlaten zonder goed te weten waarheen hij zou gaan. Dit is de fundamentele act van het geloof : zich losmaken van zijn familie, om op weg te gaan naar het Koninkrijk.

Wij kennen allen de episode in de bijbel van de eik van Mamre en van de beroemde hospitaliteit van patriarch Abraham, die drie jonge vreemdelingen ontvangt. Het zijn engelen die hem in naam van God de geboorte komen melden van zijn zoon Isaac (Gen.18,1-8). Maar houden wij ook het vervolg goed voor ogen, namelijk, dat twee van dezelfde engelen  vervolgens naar Loth zouden gaan, waar ze het risico liepen om door de Sodomieten te worden gelyncht ?  en dit op het moment dat Loth hen zal voorstellen om hen zijn twee eigen dochters te geven om hen te doen afschrikken (Gen.19,9). Dit zal voor Paulus het voorwendsel zijn om te schrijven in zijn brief aan de Hebreeën : vergeet de gastvrijheid niet, want dank zij die gastvrijheid hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen (Hebr.13,2).

Het respect, de eerbetuiging die wij aan de vreemdeling en de geëmigreerden verschuldigd zijn wordt in het Nieuwe Testament nog duidelijker onderlijnd. Christus zelf drukt zijn voorliefde voor de vreemdeling uit. Herinner u de genezing van de tien melaatsen die onder hen één samaritaan telde : Hij viel op zijn aangezicht neer voor Jezus’voeten, en dankte hem : en dat was de Samaritaan. Heeft men niemand anders terug zien keren dan deze vreemdeling alleen, riep Jezus uit (Lucas 17/18). Zo was het ook met het beroemde « ik was vreemdeling en gij hebt mij opgenomen » (Matt.25,35-45) » van de parabel over het laatste oordeel. Hier zien wij het criterium waarmee we zullen beoordeeld worden. Het criterium die onze intrede in het Koninkrijk zal bepalen zal onze gedraging zijn tegenover de misdeelden, in het bijzonder de vreemdeling.

Onze eeuwige bestemming hangt dus af van onze gedraging ten overstaan van de vreemdeling, die niets anders is dan een geëmigreerde want in elke vreemdeling is Christus verborgen. Ontvang de geëmigreerde ook aan tafel, dan ontvang je Christus zelf; de vreemdeling afwijzen is Christus afwijzen, want uw eeuwig leven hangt af van uw  gastvrijheid of uw vreemdelingenhaat.

Ons engagement mag niet alleen afhangen van een bepaalde moraal, een humanistische of politieke ideologie – hoe eerbaar ze ook mogen zijn – onze houding moet uitgaan van ons geloof. Dit geeft een andere betekenis aan onze daden. In de zojuist geciteerde parabel van het laatste oordeel waar Christus zegt : wat gij aan je naaste hebt gedaan, heb je aan Mij gedaan, stelt Jezus geen categorische imperarief, maar hij vereenzelvigt zichzelf met de arme, met de kleinsten onder Zijn broeders. Door hen te dienen, dienen wij God zelf.

Natuurlijk is er een limiet aan het aantal en de frequentie waarmee wij gasten aan tafel kunnen uitnodigen, of aan het aantal emigranten dat een land kan opnemen. Het is hier niet de kwestie om het onmogelijke te vragen, zelfs al leert de geschiedenis ons dat in vele gevallen het vooral gaat over de kwaliteit van de ontvangst en het respect voor het anders zijn van de andere. Daardoor wordt een land wat het is. Wanneer paulus zegt in de brief aan de Galaten (3,28) dat er geen Jood noch Griek meer is, geen man of vrouw, dan wil hij zeggen dat de Jood en de Griek, de man en de vrouw, blijven zoals ze zijn en zich niet bevinden in een staat van fusie, noch in een dominante staat. Allen zijn geroepen om te leven in een totale gelijkheid. Ik herinner hier aan de twaalf aanbevelingen die zijn voorgesteld door de vertegenwoordigers van de Kerken van gans Europa (Anglikanen, Protestanten en Katholieken) op 8 oktober 2004 te Brussel met als titel « naar een evenwichtige benadering in de europese politiek in verband met migratie en asiel ». Wij hebben hier te maken met een zeer goed document, vatbaar om onze evangelische en theologische benadering van de materie te doen vooruitgaan op een positieve manier.

Daarentegen, wat zeker mag en zelfs moet worden veranderd, is de mentaliteit, onze houding ten overstaan van de emigrant. En anderzijds is het hetzelfde voor hem die emigreert, want hij heeft niet alleen rechten. Hij heeft ook plichten en moet rekenschap geven daar waar hij ontvangen wordt.

Dit alles omdat elk schepsel geschapen is naar het beeld van God, anders gezegd : naar het beeld van de Drie-eenheid. Omdat de mens geschapen is naar het beeld van God kan de mens zich niet autonoom ontwikkelen maar slechts in relatie met anderen. « Wij zijn, schrijft Bisschop Kallistos Ware, geroepen om op aarde de beweging naar een gedeelde liefde voort te zetten, naar de wederzijdse gave van zichzelf, de solidariteit, de dialoog en de wederkerigheid. Op die wijze existeert hij eeuwig in de Drie-eenheid ». Mijn naaste is dus mijn broeder; het is hij die ik overal tegenkom ; die ik probeer uit te nodigen, maar hij laat zich niet doen. Hoever ik ook probeer te vluchten, hij haalt mij terug in, hij is daar, hij kijkt, hij stelt vragen, hij vraagt, hij smeekt, en meestal gebeurt dit zonder woorden.

Mijn naaste is ook hij die mij niet op mijn gemak doet voelen omwille van de hevigheid van zijn wanhoop. « Ik was vreemdeling en gij hebt mij opgenomen», « De Heer beschermt de vreemdeling»…

Het thema van de vreemdeling, herhalen we het nogmaals, is constant aanwezig in de Bijbel, in de psalmen en in het Evangelie. Hoe vele malen komen we in de Bijbel het « gij zult de vreemdeling liefhebben » niet tegen ? Zesendertig maal en wellicht zesenveertig of zesenvijftig maal ? wat heeft het uiteindelijk voor belang, want het essentiële is : op elk moment bij onze naaste een levendige relatie te proberen ontdekken, opdat hij in onze ogen niet meer diegene is « die ons wil bedriegen of wil profiteren van ons », maar een persoon die door God bemind wordt, een persoon rijk door zijn geschiedenis, zijn cultuur, zijn bewustzijn, zijn geloof, iemand die wij willen ontmoeten, leren kennen en dienen.

Dit alles leidt ons tot deze actuele vraag : hoe moeten wij de vreemdeling ontvangen ?

Het gaat er om in hem iemand te zien die vragende is, iemand die nood heeft aan iets, die in een kwetsbare situatie verkeert. Iemand die de beslissing om zijn land en familie te verlaten niet lichtzinnig genomen heeft, en die  zich hier bij ons bevindt als drager van een dubbele boodschap.

De eerste boodschap is dat de geëmigreerde vreemdeling zich bevindt in een situatie van materiële armoede. Wij hebben de roeping om dit appel au serieux te nemen, want het is het appèl dat Christus tot ons richt in het Evangelie : wat gij aan de armen gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij gedaan. De tweede boodschap is, dat de vreemdeling ons uitnodigt om ons te verrijken met zijn aanwezigheid en zijn anders-zijn. Het Christendom is de religie van de relatie : relatie met God en relatie met de broeder. De andere is altijd verschillend. Dit verschil hindert ons en is soms onverdraaglijk,  maar het  kan ons ook rijker maken.  Saint-Exupéry schrijft in «Le Petit prince» : «Uw aanwezigheid maakt mij rijker». De vluchteling die in ons land aankomt kan ons rijker maken door zijn culturele verscheidenheid. Het is dus belangrijk dat wij deze gelegenheid niet laten voorbijgaan.

Vandaag, staat de mondialisering ons toe om niet alleen kapitaal, maar ook personen te verplaatsen. Het zou bijzonder onjuist zijn om de verplaatsing van kapitalen te aanvaarden zonder de vrije verplaatsing van personen, die juist omwille van hun verschillen het westen zouden kunnen helpen om een antwoord te geven op de echte vragen die zich stellen. Jacques delors zei dat Europa een ziel moet krijgen en dat Europa zich niet kan waarmaken op basis van een economische en juridische regeling. Europa moet een ziel krijgen, dat is evident. Maar dat is juist haar grote gebrek en daarvoor moet  zij zich inzetten.

Laten wij het doen, laten wij ons hart spreken, ons geweten, zoals de Barmhartige Samaritaan het gedaan heeft in het Evangelie. Laten we ons niet scheiden van hen onder onze broeders die de armsten zijn want wij weten niet op welke wegen van rechtvaardigheid, van waarheid, van vreugde en van liefde zij ons kunnen meevoeren.

Vrede, rechtvaardigheid, delen in de liefde : dit alles wordt ons duidelijk in de beproevingen die wij beleven als de meest constructieve waarden van deze mensheid die op zoek is naar meer menselijkheid. Er zijn zeker nog andere waarden in het innerlijke leven van de persoon. Maar de persoon is essentieel cummunio, zoals God communio is. Het is in deze communio dat de mens zich kan realiseren als beeld en gelijkenis van God, anders gezegd : als gedeïfieerde. En indien de mens als beeld van God, goddelijk is, dan zal hij het des te meer zijn indien hij zich te kennen geeft als beminde en beminnende.

Uit het Frans vertaald door Kris Biesbroeck

De teksten zijn genomen uit :

1. Cyrille Argenti: «N’aie pas peur»  Ed.du Cerf/Le sel de la Terre, Paris-Pully 2002,pp.288-296.

2. Revue SOP – Paris

a. n° 249/juin 2000 : Michel Evdokimov : «La trinité, force vivifiante au

         cœur de notre foi» pp.18-21

b. n° 240/juin 2000 : Tatiana Morozov : «Qui est mon prochain ?»pp.21-25.

c. n°256/mars 2001 : Thierry Verhelst : «Le sacrement du frère», pp.33-36.

d. n°265/Février 2002 : Michel Evdokimov :«Assayons de reconnaître le

Christ en tous ceux qui viennent vers nous», pp30-32.

e. n° 274/janvier 2003 : Georges Khodr : «Le dialogue suppose une osmose  créatrice à l’interieur des sociétés plurielles», pp.20-22.

 

Het Woord van god in het leven en de zending van de Kerk

Het Woord van God in het leven en de zending van de Kerk

 

Door de Oecumenische Patriarch Bartholomeüs 1e

 

 Kopie (7) van Ba(rtholomeus

Op uitnodiging van de paus van Rome Benedictus XVI heeft de Oecumenische Patriarch Bartholomeüs 1e een toespraak gehouden voor de synode van de bisschoppen van de rooms-katholieke Kerk over het algemene  thema van deze vergadering ‘Het Woord van God in de zending en het leven van de Kerk’. Deze tussenkomst had plaats in de Sixtijnse kapel na de celebratie van de vespers

 

Wij geven hier de integrale tekst van de toespraak.

 

Uwe Heiligheid ! synodale Vaders !.

Ik ervaar een gevoel van nederigheid, maar ook van vreugde om uitgenodigd te worden door Uwe Heiligheid om het woord te voeren op de 12e algemene gewone vergadering van de bisschoppensynode. Een historische ontmoeting van bisschoppen van de rooms-katholieke Kerk uit de gehele wereld, en samengekomen op éénzelfde plaats om te mediteren over het « Woord van God» en om met elkaar te beraadslagen over de ervaring en de uitdrukking van dit Woord « in het leven en de zending van de Kerk» .

Deze vriendschappelijke uitnodiging van Zijne Heiligheid aan onze nederige persoon is een teken dat vol is van zin en betekenis – wij zouden zelfs zeggen : een historische gebeurtenis op zich. Het is immers voor de eerste keer in de geschiedenis dat de gelegenheid wordt gegeven aan een oecumenische patriarch om zich te richten tot een synode van de rooms-katholieke Kerk, en dus kan mede participeren aan het leven van de zuster-Kerk op een zo hoog niveau. Wij zien daarin de vruchten van het handelen van de Heilige Geest die onze Kerken leidt om onze wederzijdse relaties nauwer en dieper te maken.. Het gaat hier om een stap in het licht van onze volle communio.

Het is wel bekend dat de orthodoxe Kerk een ecclesiologisch belangrijk belang hecht aan het synodale systeem. Samen met de primauteit vormt de synodaliteit het bestuur van de Kerk en haar organisatie. Zoals de internationale gemengde Commissie voor de theologische dialoog die tussen onze kerken gevoerd wordt, in haar document van Ravenna het heeft gezegd : de onderlinge samenhang van de synodaliteit en het primaatschap doorkruist alle niveau’s van het leven der Kerk : lokaal, regionaal en universeel. Daar wij vandaag het voorrecht hebben om ons tot uw synode te richten, groeit onze hoop om eens de dag te mogen beleven waar onze twee Kerken het volledig eens zullen zijn over de rol van het primaatschap en van de synodaliteit in het leven van de Kerk. Daaraan is  onze theologische commissie hard aan het werken.

Evangelisering en oecumenische dialoog

Het thema dat deze bisschopssynode heeft gekozen  heeft een  fundamentele betekenis, niet alleen voor de rooms-katholieke Kerk, maar ook voor allen die geroepen zijn  om in onze tijd van Christus te getuigen. De zending en de evangelisatie blijven een permanente plicht vormen voor de Kerk van alle tijden en overal. Zij maken deel uit van de natuur zelf van de Kerk omdat zij « apostolische » is, tegelijk in de zin van haar trouw aan de oorspronkelijke lering van de Apostelen, maar ook omdat zij het woord van God verkondigt in alle culturele verbanden en op elk moment. De Kerk moet dus het Woord van God herontdekken voor alle generatie en met vernieuwde kracht en overtuiging moet zij deze richten aan onze hedendaagse wereld, die in het diepste van haar hart dorst heeft naar Gods boodschap, een boodschap van vrede, hoop en liefde.

Deze plicht tot evangelisatie zou op een belangrijke wijze kunnen worden gewaardeerd en versterkt, indien alle christenen zich in een positie zouden bevinden van waaruit zij dit kunnen doen geleid door één stem en als een volledige herenigde kerk. In zijn gebed tot de Vader vóór zijn lijden heeft onze Heer klaar en duidelijk uitgedrukt dat de eenheid van de Kerk door en door verbonden is met Zijn opdracht « opdat de wereld gelove » (Joh.17,21). Het is dus gepast dat deze synode haar poorten heeft open gezet voor haar broederlijke gedelegeerden in een oecumenische geest. Zodat wij allen bewust zouden worden van onze gemeenschappelijke zending tot evangelisatie, maar ook van de problemen en moeilijkheden die aan de realisatie ervan verbonden zijn in de wereld van vandaag.

De fundamentele thema’s in het leven en de zending van de Kerk

Deze synode heeft zonder twijfel het thema van het Woord van God in de diepte en al haar aspecten bestudeerd, theologisch, praktisch en pastoraal. In onze nederige tussenkomst zullen wij ons beperken om met u enkele bedenkingen te delen over het thema van onze bijeenkomst, vertrekkend vanuit de manier waarop de orthodoxe traditie ze heeft benaderd in de loop der eeuwen en in het bijzonder vanaf de leringen van de griekse Vaders. Concreter, willen wij ons concentreren op drie aspecten van dit thema, te weten : het luisteren en de afkondiging van het Woord van God doorheen de Heilige Schriften, de contemplatie van het Woord van God in de natuur en boven alles in de schoonheid van de iconen en ten slotte, de ervaring en het aandeel van het Woord van God in de gemeenschap der heiligen en het sacramentele leven van de Kerk. Wij denken dat deze drie aspecten van groot belang zijn in het leven en de zending van de Kerk.

Wij zullen hierbij verwijzen naar een rijke patristieke traditie vanaf het begin van de 3e eeuw en die een  leer ontwikkeld heeft van de vijf spirituele zintuigen. Het Woord van God beluisteren, het Woord van God bemediteren en geraakt worden door het Woord van God zijn zovele spirituele manieren om het unieke goddelijk mysterie te ervaren. Steunend op het boek Spreuken – « Gij zult de kennis van Gods vinden »(2,5) – roept Origines van Alexandrië uit : « Deze zintuigen openbaren het zien in de contemplatie van de immateriële vormen : het gehoor voor de onderscheiding van de stem, de smaak voor het brood des levens te smaken, de reuk om de zachte spirituele parfums te waarderen, en de tastzin om het Woord van God te dragen dat begrepen wordt  door elk vermogen van de ziel ».

De spirituele zintuigen zijn op verschillende manieren beschreven – als de « vijf zintuigen van de ziel », of als de « goddelijke eigenschappen », en zelfs als « eigenschappen van het hart » of « van de geest ». Deze leer heeft de theologie van de Capadociërs  (vooral Basilios de Grote en Gregorios van Nyssa) geïnspireerd, evenals de theologie van de woestijnvaders (in het bijzonder Evagrius Ponticus en Macarios de Grote).

Het Woord van God beluisteren en verkondigen doorheen de Schrift

Tijdens elke celebratie van de liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos, bidt de celebrant « opdat wij waardig mogen zijn te luisteren naar het heilig Evangelie ». Waarom ? « wat wij hebben gehoord,en wat wij met onze  ogen hebben gezien, wat we mochten aanschouwen en onze handen mochten betasten met betrekking tot het Woord des Levens »(1 Joh.1,1) behoort op de eerste plaats en boven alles niet tot één van onze eigenschappen of een aangeboren recht dat wij zouden hebben als menselijke wezens. Het is een voorrecht en een gave die wij ontvangen als kinderen van de levende God. De christelijke Kerk is voor alles een Kerk gegrondvest op de heilige Schriften. Zelfs als de wijzen van interpreteren kunnen veranderen van de ene kerkvader tot de andere, van de ene  school tot de andere, in het Oosten of het Westen, de Schriften komen altijd tot ons als een levende realiteit en niet als dode letter.

Zo is in de context van een levendig geloof de Schrift het getuigenis van een levende geschiedenis, van de relatie tussen de levende God en een levend volk. Het Woord « dat door de profeten gesproken werd » (Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel), is gesproken met het inzicht beluisterd en gevolgd te worden. Het gaat vooreerst over een mondelinge en directe communicatie gericht tot de mensen, bestemd voor de mensen. De geschreven tekst is dus ervan afgeleid en ondergeschikt; de geschreven tekst staat altijd ten dienste van het gesproken woord. Deze wordt niet op een mechanische wijze overgebracht maar gecommuniceerd van geslacht tot geslacht als het levende woord. Door de mond van de profeet Isaïas belooft de Heer : « Want zoals regen en sneeuw uit de hemel vallen, en daar niet terugkeren, zonder de aarde te drenken (…)Zo is het ook met het woord uit mijn mond : niet ledig keert het tot mij terug » (Isaïas 55,10-11).

Meer nog : zoals de heilige Johannes Chrysostomos het uitlegt, toont het goddelijk Woord ons een diepe beschouwing over de diversiteit van de personen die het beluisteren en het ontvangen, en ook hun culturele contexten. De aanpassing van het goddelijk Woord aan de specifieke mogelijkheden en aan de bijzondere culturele context van ieder persoon toont ons de missionaire dimensie van de Kerk, geroepen om de wereld om te vormen door het Woord. In de stilte, evenals in de verkondiging, in het gebed evenzeer als in de actie, richt het goddelijk Woord zich tot de ganse wereld – « Maak alle volkeren tot mijn leerlingen » (Matt.28,19) – zonder enig voorrecht op het gebied van ras, cultuur, sexe of sociale status. Wanneer wij deze goddelijke zending volbrengen, dan kunnen we met zekerheid zeggen : « Zie ik blijf altijd bij u, tot aan het einde der wereld » (Matt. 28,20). Wij worden geroepen om het goddelijk Woord te verkondigen in alle talen : « Voor allen ben ik van alles geworden, om met alle middelen enigen te redden » (1 Kor. 9,22).

De Kerk in dienst van de sociale rechtvaardigheid

Bovendien, als leerlingen van het Woord van God moeten wij vandaag meer dan ooit een uitzicht bieden, over de grenzen van de sociale, politieke of economische orde heen, aan de noodzaak om de armoede uit te roeien, om  het evenwicht te bevorderen in een globaliserende wereld, om het fundamentalisme en het racisme te bestrijden en een religieuze tolerantie te ontwikkelen in een wereld in conflict. Door te antwoorden op de noden van de armen, de meest kwetsbaren en de marginalen van deze wereld, bepaalt de kerk haar grenzen ten overstaan van een globaliserende wereld. Alhoewel de theologische en spirituele taal verschilt van het technisch en economisch vocabularium, bezwijken de hinderpalen, die op het eerste gezicht religieuze bezorgdheden zijn ( zoals de zonde, het heil en de spiritualiteit), en de pragmatische (zoals de handel, de zaken en de politiek) voor de veelvuldige uitdagingen van de sociale rechtvaardigheid en de mondialisatie, want ze zijn niet ontoegankelijk.

Of dit nu  het leefmilieu, de vrede, de armoede of de honger, de opvoeding of de gezondheidszorg betreft, wij zien vandaag dat er hierover een grote gemeenschappelijke bezorgdheid en verantwoordelijkheid bestaat die op een bijzondere manier wordt ervaren, zowel door gelovigen als door niet gelovigen.

 Ons engagement zal niet verminderen noch ongedaan gemaakt worden omwille van de bestaande verschillen tussen disciplines of door meningsverschillen met hen die de wereld op een andere wijze voor ogen houden. Niettemin zijn de groeiende tekenen van een gemeenschappelijk engagement voor het welzijn van de mensheid en het leven van de wereld zeer bemoedigend. Deze ontmoeting van personen en instituties beloofd veel goeds voor de wereld. Dit engagement onderstreept de hoge roeping en de zending van de leerlingen en medestanders van het Woord van God, die erin moet bestaan hun politieke en/of religieuze verschillen te transcenderen om zo de zichtbare wereld om te vormen tot eer van de onzichtbare God.

Het Woord van God beschouwen

De onzichtbare is nooit zichtbaar geweest, tenzij in de schoonheid van de iconografie en de wonderwerken van de schepping. Volgens de woorden van de voorvechter van de heilige beelden, de heilige Johannes van Damascus, « als maker van hemel en aarde, was God het Woord de eerste om iconen te schilderen en voor te stellen ». Elke trek met het penseel in de iconografie – zoals elk woord in een theologische definitie, elke noot van een psalmzang of elke steen gebeiteld in een kapel of een grote kathedraal – drukt het goddelijk Woord uit in de schepping. Het is als een lofprijzing aan God doorheen elk levend wezen en alles wat ademt (cf. Psalm 150,5).

Toen de verering van de iconen terug in ere werd hersteld, interesseerde het 7e oecumenische concilie van Nicea zich niet voor de religieuze kunst : het was eenvoudigweg de bevestiging van de eerste bepalingen van de volheid van de menslijkheid van het Woord van God. Iconen zijn een zichtbare herinnering aan onze goddelijke roeping; zij nodigen ons uit, om ons te verheffen boven onze onbeduidende bezorgdheden en de dwingende vragen van deze wereld. Zij moedigen ons aan om het buitengewone te zoeken in het zeer eenvoudige, om ons te vervullen met dezelfde verwondering die ook de goddelijke verwondering in Genesis karakteriseerde : « God zag alles wat Hij gemaakt had : het was goed » (Gen.1,30-31). Het griekse woord (in de Septuagint) voor « goedheid », kallos impliceert – ethymologisch en symbolisch – een « appèl » . De iconen onderlijnen de fundamentele zending van de kerk die erin bestaat dat alle personen en alle dingen geschapen en geroepen zijn om ‘goed’ en ‘mooi’ te zijn.

De schoonheid van de iconen en van de natuur

De iconen doen ons de dingen op een andere manier zien, een andere manier ook om de realiteit te beleven, een andere manier om de conflicten op te lossen. Wij worden uitgenodigd om te aanvaarden wat de hymnologie van de zondag van Pasen noemt « een andere wijze van leven ». Want wij hebben een arrogante en misprijzende houding gehad tegenover de natuurlijke schepping. Wij hebben geweigerd om het Woord van God in de oceanen van onze planeet te zien, in de bomen van onze continenten, en in  de dieren die onze aarde bevolken. Wij die « deelgenoten willen worden aan de goddelijke natuur »(2 Petrus 1,4), hebben verzaakt aan onze eigen natuur die ons oproept om ons voldoende te buigen over het Woord in de schepping. Hoe kunnen wij de grote gevolgen van het goddelijk Woord dat vlees geworden is negeren ? Waarom hebben wij niet gemerkt dat de geschapen natuur in het verlengde ligt van het lichaam van Christus ?

De  oosterse theologen stellen altijd de kosmische dimensies in het licht van de goddelijke incarnatie. Het geïncarneerde Woord is wezenlijk in de schepping, ontsproten door een goddelijke tussenkomst. De heilige Maximos de Belijder legt de nadruk op het feit dat het Woord van God in alle dingen aanwezig is (cf. Koll.3,11), de goddelijke logos verblijft in het centrum van de wereld, aldus  zijn eerste en ultieme doel mysterievol openbarend (1 Petrus 1,20). Dit mysterie wordt bechreven door Athanasius van Alexandrië. « De Logos wordt door geen enkel ding duidelijk naar voor gebracht  maar hij bevat alles. Hij is in alles en tegelijk is hij buiten elk ding (…)de eerst-geborene van de ganse wereld onder al zijn aspecten ». De ganse wereld is een proloog op het Evangelie van Johannes. En wanneer de Kerk de breedste dimensies van het Woord van God, de kosmische, niet herkent, en haar bezorgdheden beperkt tot de zuiver spirituele, dan verwaarloost zij haar voortdurende zending om aan God te vragen haar om te vormen – altijd en overal – , « in al de plaatsen waar zij zich bevindt » – in de verontreinigde Kosmos.

Het is niet  verbazingwekkend dat de zondag van Pasen, wanneer de paas- celebratie haar hoogtepunt bereikt, de orthodoxe christenen zingen : « Nu is alles vervuld van het goddelijk licht : de hemel, de aarde en alles op aarde. Dat de gehele schepping zich verheuge ». Elke authentische, « ernstige ecologie », is dus onverbreekbaar verbonden met de dieper liggende theologie : «zelfs een steen, schrijft Basilios de Grote, draagt het zegel van het Woord van God. Dat is waar voor een mier, een bij en een mug, de kleinste schepselen. Want hij ontvouwd de wijde oceanen en stelt de oneindige zeeën ten toon; en hij schept de holle angel van de bij». Basilios herinnert ons hier niet slechts aan de geringe rol van de mens in de wijdse en schitterende schepping van God, hij onderlijnt alleen onze centrale rol in het heilsplan van God voor de ganse wereld.

Het Woord van God aanvoelen en delen

Het woord van God «treedt buiten zichzelf in een eeuwigdurende extase’»(Denys de Areopagiet), zoekende met passie om « in ons te wonen » (Joh.1,14), opdat de wereld het leven in overvloed zou hebben (Joh.10,10). De barmhartigheid van God is wijdverbreid en verdeeld « om de voorwerpen van zijn weldaden te vermenidvuldigen » (Gregorios de Theoloog). God neemt al onze zwakheden op zich, « Hij die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij, behoudens de zonde » (Hebr.4,15), om ons datgene te offeren wat van God is en om van ons goden te maken door de genade.«Voor U is Hij arm geworden, terwijl Hij rijk was, om U door Zijn armoede te verrijken » zegt de apostel Paulus (2 Kor.8,9), aan wie dit jaar juist werd toegewijd. Zo is het Woord van God : wij brengen het glorie en eer.

Het woord van God incarneert zich tenvolle in de schepping, vooral doorheen het sacrament van de eucharistie.  Het is dáár dat het woord vlees wordt en ons niet alleen toestaat het te horen en te zien, maar ook om het aan te raken met onze eigen handen, zoals de heilige Johannes het zegt (1 Joh.1,1), en van Hem een deel van ons lichaam en ons bloed te maken, volgens de woorden van de heilige Johannes Chrysostomos.

In de Heilige eucharistie is het beluisterde woord zowel gezien als gedeeld («koinonia»). Het is geen toeval indien in de eerste eucharistische documenten, zoals bijvoorbeeld in de Apocalyps en de Didachè, de eucharistie geassocieerd wordt aan de profetie, en de bisschoppen die haar celebreerden werden beschouwd als de opvolgers van de profeten (bijvoorbeeld, het martelaarschap van Polycarpus). De eucharistie werd reeds beschreven door Paulus (1 Kor.11) als de «verkondiger» van de dood van Christus en Zijn tweede komst. Het doel van de Schrift is fundamenteel de verkondiging van het Koninkrijk en de aankondiging van de eschatologische dingen. De eucharistie geeft ons een voorsmaak van het Koninkrijk en zij is, in deze betekenis, de verkondiging van het Woord bij uitstek. In de eucharistie worden het Woord en het sacrament slechts één realiteit. Het Woord houdt op «woorden» te zijn en wordt een persoon , die alle menselijke wezens en de gehele schepping incarneert.

De gemeenschap van de heiligen

en de sacramenten van het leven

Doorheen het leven van de Kerk, weerspiegelt zich de « kenose » (de leer dat Christus Zijn goddelijke gestalte heeft afgelegd om mens te worden) en de communio met het woord van God in de levens van de heiligen als de voelbare menselijke ervaring van het woord van God in onze samenleving. Op die wijze, transformeert zich het woord van God in het lichaam van de gekruisigde en verheerlijkten Christus.  Daaruit volgt dat de heiligen een organische relatie vormen met de hemel en de aarde, met God en met de ganse schepping. In de ascetische strijd, verzoend de heilige het Woord en de wereld. Door het berouw en de zuivering, is de heilige vervuld – zoals Abba Isaac de Syriêr- van medelijden voor elk schepsel, wat overeenkomt met de nederigheid en de uiterste volmaaktheid.

Het is daarom dat de heilige met vurigheid en een onvoorwaardelijke en onweerstaanbaar aanzien bemint. Doorheen de heiligen kennen wij het Woord zelf van God, omdat – zoals de heilige Gregorios Palamas het bevestigt – « God en zijn heiligen dezelfde glorie en dezelfde  glans delen ». In de discrete aanwezigheid van een heilige leren wij hoe de theologie en de actie samenvallen. In de medelijdende liefde van de heilige, ervaren wij God « onze Vader » en de barmhartigheid van God  als « onwankelbaar blijvend »(Psalm 135,70). De heilige wordt verteerd door het vuur van Gods liefde : daarom deelt de heilige de genade mee en kan hij niet de minste manipulatie of misbruik in de maatschappij of de natuur aanvaarden. De heilige doet eenvoudigweg dat wat « goed en juist » is (Liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos), door de mensheid altijd haar  waardigheid te geven en door de schepping te eren. « Zijn woorden hebben de kracht van de daad en zijn stilte de macht van een redevoering » (heilige Ignatios van Antiochië).

En in de gemeenschap der heiligen is iedereen geroepen om « als vuur te worden » (Apophtegmen van de woestijnvaders), om zo de wereld te raken door de mystieke kracht van het Woord van God. Dit op zo een wijze dat – zoals Christus aan het Kruis – de wereld ook zou kunnen zeggen : « Iemand heeft mij geraakt ! » (cf. Matt.9,20).Het  kwade kan slechts uitgeroeid worden door de heiligheid, en niet door hardheid. En de heiligheid brengt in de maatschappij een zaadkorrel die geneest en ons omvormt. Verrijkt door het leven der sacramenten en de zuiverheid van het gebed, kunnen wij dieper doordringen in het mysterie van het Woord van God.  Het is zoals met de tektonische platen van de aardkorst : de diepste lagen moeten slechts enkele millimeter bewegen om de oppervlakte van onze planeet doorheen te schudden. Maar opdat dergelijke spirituele revolutie zou plaatsvinden, moeten wij eerst de ervaring hebben van een radicale ommekeer « een metanoia » – een bekering van onze  gedragingen, gewoontes en daden – want zo gebruiken wij het Woord van God slecht of misbruiken wij de gaven van God en de schepping van God.

De bekering van de harten en het sacrament van de broeder

Zo een bekering is zeker onmogelijk zonder de goddelijke genade ; men bereikt ze niet door de grootst mogelijke inspanning te leveren of met de menselijke wil. « Voor de mensen is het onmogelijk, maar voor God is alles mogelijk »(Matt.19,26). De spirituele verandering heeft plaats wanneer onze lichamen en onze zielen gegrift zijn op het levende Woord van God, wanneer onze cellen de levendige bloedstroom bevatten die voorkomt van de sacramenten, wanneer we openstaan om alles met allen te delen. Zoals ons de heilige Johannes Chrysostomos eraan herinnert, kan  het sacrament van « onze naaste » niet gescheiden worden  van het sacrament van het « altaar ». Ongelukkiglijk zijn wij de roeping om te delen vergeten, samen met de verplichting die er uit voortvloeit. De sociale ongerechtigheid en de onwettelijkheid, de armoede in de wereld en de oorlog, de vervuiling en de ontaarding van ons leefmilieu vloeien voort uit onze onbekwaamheid of ons tekort aan wil om te delen. Als wij zeggen dat wij het sacrament van het altaar bezitten, dan kunnen wij niet verzaken aan het sacrament van onze naaste, of het vergeten, want het vertegenwoordigt een fundamentele voorwaarde voor de realisatie van het Woord van God in de wereld, in het leven en in de zending van de Kerk.

Dierbare broeders in Christus, wij hebben de leer van de kerkvaders onderzocht naar hun spirituele betekenis door de kracht te analyseren van het beluisteren en het uitspreken van het Woord van God in de Schriften, om het Woord van God te zien in de iconen en in de natuur, alsook om het Woord van God aan te voelen in de heiligen en de sacramenten. Welnu, opdat wij trouw zouden blijven aan het leven en de zending van de Kerk, moeten wij persoonlijk getransformeerd worden door dit Woord. De Kerk moet als een moeder zijn, die gedragen wordt door wat zij eet, maar die, tezelfdertijd, voedt doorheen het voedsel. Zonder voedsel kunnen wij het niet volhouden. Wanneer de wereld de vreugde van de verrijzenis van Christus niet deelt, dan is dat een aanslag op onze rechtschapenheid en ons engagement om het Woord van God te beleven. Voor de celebratie van elke liturgische liturgie, bidden de orthodoxe christenen dat dit Woord zou « gebroken en geconsumeerd, uitgedeeld en gedeeld» worden in de communie. En  «wij weten allen,dat wij gegaan zijn door de dood naar het leven, omdat wij onze broeders » en zusters liefhebben (1 Joh.3,14).

«De wereld transfigureren in het licht van de verrijzenis »

De uitdaging waarmee wij worden geconfronteerd is de onderscheiding van het Woord van God ten overstaan van het kwaad, de transfiguratie van de minste detail en van alle dingen van deze wereld in het licht van de Verrijzenis. De overwinning is reeds aanwezig in het diepste van de Kerk, elke keer dat wij de ervaring mogen ondervinden van de genade van de verzoening en de communio. Dat ieder van ons strijde – in zijn het diepste van zijn hart en in de wereld – om de kracht van het Kruis te herkennen, dan beginnen wij het feit te erkennen dat elke daad van rechtvaardigheid, elke vonk van schoonheid, elk woord van waarheid gelijdelijkaan de schors van het kwaad kan wegnemen. Over de grenzen heen van onze zwakke inspanningen, hebben we nochtans de verzekering van de Geest die « onze zwakheden tegemoet komt » (Rom.8,26), en aan onze kant blijft om ons te verdedigen en te «versterken » (Joh.14,16). Dit, door ons « om te vormen , zoals de heilige Symeon de Nieuwe Theoloog het zo kernachtig uitdrukt over alles wat het Woord van God ons zegt over het Rijk Gods : parel, mosterdzaadje, gist, water, vuur, brood, leven en mystieke bruiloftskamer ».

Zo is de kracht en de genade van de Heilige Geest, die wij bij wijze van conclusie aanroepen tijdens deze tussenkomst, aan Uwe heiligheid onze dankbaarheid uitdrukkend, als ook aan iedereen van jullie hier aanwezig, met onze zegen : Koning van de hemel, Trooster, Geest der Waarheid, Gij die overal tegenwoordig zijt en allen vervult, schatkamer van alle goeds schenker van het leven, kom en verblijf in ons, zuiver ons van alle smet en redt onze zielen. Gij die  goedheid zijt en  de samenleving liefhebt. Amen.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

Nectarios van Aegina : Hymne aan de goddelijke liefde

DE HEILIGE NECTARIOS VAN AEGINA

 

HYMNE AAN DE GODDELIJKE LIEFDE

Nektarios van Egina
 

 De goddelijke eros(wij gebruiken het woord eros in de betekenis van de Vaders. Het is de werkzame, dynamische liefde, die de ziel dwingt om uit zichzelf te treden, naar God toe) is de volmaakte liefde voor God, die zich uit als een onverzadigbaar verlangen van het goddelijke. De goddelijke eros wordt in het gezuiverde hart geboren of woont in de goddelijke genade.

 De eros voor God is een goddelijke gave. Het wordt aan de onschuldige ziel gegeven door de goddelijke genade die haar bezoekt en zich aan haar openbaart.

 De goddelijke eros richt zich tot niemand zonder een goddelijke openbaring. De ziel die de openbaring niet heeft ontvangen, is niet onder invloed van de genade en blijft ongevoelig voor de goddelijke liefde.

 De geliefden van het goddelijke voelen zich gestuwd naar de goddelijke liefde door Gods genade, geopenbaard aan de ziel, en die handelt in het gezuiverde hart. Het is de ziel die hen heeft getrokken naar God toe.

 Diegene die aangegrepen wordt door God is eerst zelf door God bemind. Het is pas daarna dat hij het goddelijke bemint.

 De geliefde van het goddelijke is vooreerst bemind door God, vervolgens heeft hij de Hemelse Vader bemind.

 Het hart van hem die de Heer liefheeft sluimert nooit; hij waakt omwille van de intensiteit van zijn liefde.

 Indien de mens slaapt uit de noodzaak van zijn  natuur, dan waakt het hart voor de lofprijzing van God.

 De gekwetste ziel door de goddelijke eros zoekt niets meer buiten het hoogste Goed, zij keert zich van alles af, gevoelt voor alles een onverschilligheid.

 De ziel die aangegrepen is door God verheugt zich over de woorden van God en brengt zijn tijd in Zijn tabernakels door.

 Zij verheft haar stem om de wonderdaden van God te verkondigen, en wanneer zij staande blijft, spreekt zij over Zijn glorie en Zijn majesteit.

Zij bezingt God en looft hem zonder ophouden.

 Zij dient Hem met ijver.

 De goddelijke eros maakt zich meester van gans deze ziel, verandert ze en maakt ze zich eigen.

 De ziel, verliefd op God, heeft het goddelijke gekend en deze kennis heeft zijn goddelijk eros doen ontvlammen.

 De ziel, verliefd op God, is zeer gelukkig, want zij heeft de goddelijke raadsman ontmoet die haar verlangens heeft vervuld.

 Elk verlangen, elke genegenheid, elk vervoering die vreemd is aan de goddelijke liefde werpt zij ver van zich als verachtelijk en haar onwaardig.

 O met hoeveel liefde voor het goddelijke, richt de ziel die gedragen wordt door de liefde van God, de liefde voor God ten hemel ! Deze liefde die is als een kleine wolk maakt zich meester over de ziel en voert haar naar de eeuwige, nooit opdrogende bron van liefde, en vervult haar met het eeuwige licht.

 De ziel die gegrepen is door de goddelijke eros, verheugt zich ten allen tijde. Zij is vreugdevol, zij springt op van vreugde, zij danst, want zij voelt zich geborgen in de liefde van de Heer, als op een rustig water.

 Niets van wat in deze wereld bedroefd maakt kan haar rust en haar vrede komen verstoren, geen droefheid kan haar vreugde en vrolijkheid wegnemen

 De liefde voert de ziel van de goddelijke beminde naar de hemel. Verbaast ziet zij zichzelf gescheiden van de lichamelijke zintuigen, van haar lichaam zelf. Door zich volledig aan God over te geven, vergeet zij zichzelf.

 De goddelijke eros bezorgt haar de vertrouwelijkheid met God; de vertrouwelijkheid geeft haar durf, de durf de smaak en de smaak de honger.

 De ziel die geraakt wordt door de goddelijke eros kan niet meer aan andere dingen denken, noch iets anders verlangen.

 Zij zucht onophoudelijk en zegt : «Heer, wanneer zal ik naar U toe komen en wanneer zal ik je aangezicht zien ? Mijn ziel verlangt naar U toe te gaan zoals een hinde verlangt naar stromend water ».

 Zo is de goddelijke eros die van de ziel een gevangene maakt.

O liefde, echt en blijvend !

O liefde, gelijkenis met het goddelijk beeld !

O liefde zachte vreugde van mijn  ziel !

O liefde goddelijke volheid van mijn hart !

O liefde, onophoudelijke bezinning van mijn geest !

 Gij bezit altijd mijn ziel, gij omringt haar met vriendelijkheid en warmte.

 Gij maakt haar levengevend en richt haar op tot de goddelijke liefde

 Gij vervult mijn hart en doet het branden van goddelijke liefde, Gij wekt mijn verlangen voor de Hoogste Raadsman op.

 Door uw levengevende kracht versterkt gij de kracht van mijn ziel; gij maakt haar bekwaam om aan de goddelijke liefde de dienst op te dragen die haar toekomt.

 Gij maakt U meester van mijn geest en bevrijd hem van aardse bindingen.

Gij bevrijdt hem opdat hij zonder hindernissen zou opstijgen naar de goddelijke liefde in de hemelen.

Gij zijt de kostbaarste schat voor de gelovigen, de meest eerbare gave van de goddelijke charisma’s.

Gij zijt de goddelijke schittering van mijn ziel en mijn hart.

Gij zijt die de getrouwen maakt tot zonen van God.

Gij zijt het sieraad van de gelovigen en gij eert uw vrienden.

Gij zijt het enige eeuwigdurende goed, want gij zijt eeuwig.

Gij zijt het kleed van schoonheid van de vrienden van God, die zich zo gekleed tonen aan de goddelijke liefde.

Gij zijt de heerlijke geneugten, want gij zijt de vrucht van de heilige Geest.

Gij leidt de geheiligde gelovigen binnen in het Koninkrijk der Hemelen.

Gij zijt het zachte parfum van de gelovigen.

 Door U communiceren de gelovigen in het paradijs van de weldaden.

Door U richt het licht van de spirituele zon zich op in de ziel.

Door U openen zich de spirituele ogen van de gelovigen.

Door U nemen de gelovigen deel aan de goddelijke glorie en het eeuwig leven.

Door U ontstaat in ons het verlangen naar de hemelen.

 

Gij zijt het die het koninkrijk van God vestigt op aarde.

Gij zijt het die de vrede verbreid over de mensen.

Gij zijt het die maakt dat de wereld gelijkt op de hemel.

Gij zijt het die de mensen met de engelen verenigt.

Gij zijt het die onze harmonieuze gezangen doet opstijgen tot God.

Gij zijt het die in alles de overwinnaar bent.

Gij zijt het die boven alle dingen staat.

Gij zijt het die in werkelijkheid over het universum regeert

Gij zijt het die met wijsheid de wereld richt.

Gij zijt het die alles draagt en bewaart.

 

GIJ valt nooit !

 

O liefde, volheid van mijn hart !

O liefde, teder beeld van Jezus de zeer tedere.

O liefde, heilig zinnebeeld van de leerlingen van de Heer.

O liefde, symbool van Jezus de tedere.

Zegen mijn hart door uw verlangen.

Vervul het met weldaden, goedheid en vrolijkheid.

Maak van mijn hart de woonplaats van de zeer Heilige Geest.

Ontbrand het geheel met uw goddelijk vuur, opdat mijn armzalige passies

zouden verteerd worden, dat ze geheiligd worden door uw onophoudelijke lofprijzing.

 Vervul mijn hart met de zachtheid van uw liefde, opdat ik alleen nog Jezus de zeer tedere zou liefhebben, Christus onze Heer. En dat ik voor Hem de hymne zonder einde zou zingen met gans mijn ziel, met gans mijn hart, met al mijn krachten en met gans mijn geest. Amen !

 

Vertaling : Kris Biesbroeck.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hervorming en Orthodoxie

HERVORMING EN ORTHODOXIE 

kruis55555

 

 

 

Interview  van N. Smelt met Vader Thomas POTT(Chevetogne) 

 

N. Smelt (NS): De liturgie van de Oosterse Kerk, eeuwen en eeuwen oud en voor de gemiddelde kerkganger onveranderd, gebonden aan precies vastgelegde teksten, rituelen en melodieën. De orthodoxie heeft geen Tweede Vaticaanse Concilie gekend, dat zorgde voor een liturgische revolutie. De Orthodoxe liturgie lijkt nog steeds voor eeuwig en altijd, maar de werkelijkheid is veel genuanceerder. De Benedictijnse monnik Thomas Pott van de abdij van Chevetogne in België, waar Latijnse en Byzantijnse rites en levensstijl al jaar en dagharmonisch samengaan, heeft vorige maand in Rome met succes een proefschrift verdedigd waarin hij aantoont hoe al eeuwenlang ook de liturgie van de orthodoxe kerken zich voortdurend ontwikkelt, aanpast en verandert. In `Schriftgeleerden’ geeft hij een toelichting op zijn onderzoek naar het ogenschijnlijk onverenigbare: hervorming en orthodoxie.

Père Thomas Pott (TP): Een actief ingrijpen van de mens in de structuur van de liturgie heeft wel zeker plaats gehad. Ik heb bestudeerd, hoe dat ingrijpen van de mens er concreet heeft uit gezien, wat hij heeft gedaan en wat dat zegt over zijn relatie met de liturgie.

NS: Als de mens aan liturgiehervorming doet, doet hij dat dan, omdat hij anders is gaan geloven of omdat hij vindt dat het oude geloof een nieuwe uitdrukking moet gaan krijgen, in andere woorden en gebaren gestalte moet krijgen?

TP: Het is heel verschillend en het ligt er ook aan wie er hervormt. Er zijn bijvoorbeeld monastieke liturgie-hervormingen, parochiële hervormingen en kathedrale hervormingen. Je moet altijd kijken wie is degene die erachter zit, welke groep zit erachter. Wat je vaak ziet in de geschiedenis van de Byzantijnse liturgie is dat het charisma van een monnik, zoals bijvoorbeeld Theodorus Studites, een sterke impuls geeft aan een liturgische hervorming of aan een liturgisch beweging, die je achteraf herkent als een liturgische hervorming.
De beweegredenen van de hervormingen kunnen heel verschillend zijn. Er zijn hervormingen of veranderingen in de liturgie geweest, die gemotiveerd waren vanuit de idee dat de liturgie niet meer overeenstemde met wat de mensen precies geloofden. Meestal was het echter een geleidelijk aanpassen of een op de voet volgen.
Bijna altijd zie je dat de liturgie spontaan evolueert en dat het ingrijpen van de mens zich beperkt tot een goedkeuren of een afkeuren van die ontwikkeling door bijvoorbeeld het uitvaardigen van een decreet, het opnemen van een verandering in een nieuw manuscript, of vanaf de 17e eeuw door het uitgeven van een nieuw liturgisch boek.

NS: In de geschiedenis van de Kerk hebben we geweldige strijd gezien om het ware geloof, zoals de verschillende concilies die elkaar te vuur en te zwaard bestreden hebben om te komen tot de formulering van bijvoorbeeld het Credo van de Katholieke Kerk. Daarna hebben we vooral in de Westerse Kerk de strijd gezien tussen theologen, met name in de tijd van de Reformatie. Dat heeft ook de wijze van liturgie vieren beïnvloedt. Zien we zoiets ook in de Orthodoxe Kerken? Een vechten om de waarheid die zijn weerslag vindt in het kerkelijk leven in de liturgie.

TP: In het begin zeer zeker. Bijvoorbeeld, het Credo van Nicea-Constantinopel is in de Byzantijnse liturgie in de 6e eeuw ingevoerd door een monofysitische patriarch om daarmee te laten zien dat hij van het geloof van Nicea-Constantinopel was. De volgende patriarch, een orthodoxe patriarch, kon dat niet zomaar terugdraaien.
Dus op die manier is het Credo in de liturgie gekomen, en zie je dat de theologische polemiek verantwoordelijk was voor die invoering. Later is dat minder duidelijk. In de periode die ik vooral heb bestudeerd, de periode van de 8e tot de 14e-15e eeuw, hebben theologische discussies niet veel invloed op de liturgie gehad.

NS: Welke invloed heeft de tweespalt tussen de Kerk van Constantinopel en de Kerk van Rome gehad op de vormgeving van de liturgie?

TP: Ik denk dat in de periode van de 10e tot 12e eeuw de liturgische families al gevormd waren. Je kunt dan al duidelijk spreken van een Byzantijnse liturgie, van een Romeinse liturgie. En ook het wederzijds onbegrip of het onbehagen dat men voelde naar elkaar toe, was al gegroeid.
Binnen de Byzantijnse liturgie zijn er niet veel zaken die hun oorsprong vinden in de polimiek met andere kerken.

NS: In hoeverre is de Byzantijnse liturgie een klerikale liturgie?

TP: Enerzijds is de Byzantijnse liturgie heel klerikaal en anderzijds helemaal niet. In de Byzantijnse liturgie celebreren als het ware alle mensen mee. Er is natuurlijk een zekere afstand door onder meer de iconostase, maar meestal is er in de Byzantijnse kerken geen echte afstand tussen gelovigen en priester.

NS: Maar een niet-orthodox gelovig mens ervaart toch een zekere afstand tussen de priester en de mensen in de kerk. Is het een ander levensgevoel, een andere mentaliteit die de orthodox denkende en gelovige mens heeft?

TP: Ja, zeker een andere mentaliteit. Maar je kunt ook zeggen dat men in de Latijnse liturgie heeft geprobeerd die afstand te verkleinen, maar dat men niet het beoogde effect heeft verkregen, want liturgie is essentieel ritus en ritus is ook mysterie. En mysterie wordt ook uitgedrukt door symbolische handelingen, ook door afstand. In de Latijnse ritus is het altaar vaak op een verhoging geplaats of er was een communie bank tussen de gelovigen en het altaar. Er was altijd een zekere afscheiding.

NS: Het heilige moet het heilige blijven en niet te dicht bij het profane komen.

TP: Het gaat er in liturgie om, dat het profane heilig wordt. Er zijn echter een aantal stappen die men niet kan overslaan. Daarin werkt liturgie ook pedagogisch: door fysieke objecten of omstandigheden bevindt de mens zich in een situatie die beantwoordt of overeenkomt met zijn geestelijke of theologische situatie.

NS: Is de theologische situatie van mensen in de Orthodoxe Kerk zoveel anders als van mensen in de Westerse kerken, in de Latijnse ritus?

TP: Nee, die is precies hetzelfde, maar wordt misschien anders beleefd. Ik denk dat er in het Oosten veel minder de behoefte is om alles te zien, alles te voelen, alles te begrijpen. Men heeft veel meer het besef in een traditie te staan die overgeleverd is van generatie op generatie, waarin men ingewijd moet worden.
Als ik iets niet begrijp, dan is het niet zozeer dat die ritus niet goed is, maar misschien ben ik zelf ook niet op de hoogte van die ritus. Juist vandaag de dag is het een probleem dat het overbrengen van de traditie van generatie op generatie is onderbroken, zowel in het Westen als in het Oosten.
In Rusland is immers het meegeven van die liturgische traditie door het communisme onderbroken.

NS: Is het niet opmerkelijk, dat in de voormalige Sowjet-Unie, in Rusland en in de andere republieken die daar uit zijn voortgekomen, er weer een geweldige belangstelling is gekomen voor de orthodoxe liturgie? De kerken bloeien daar op en men weet toch vrij gemakkelijk opnieuw aan te sluiten bij de oude traditie.

TP: Maar er zijn ook veel mensen die weer snel ontmoedigd worden. Alexander Men, een belangrijke Russische theoloog en priester, vroeg zich nog voor de val van het communisme af of de Kerk wel in staat zou zijn om haar taak op zich te nemen. En dat is een probleem waar West en Oost met elkaar verenigd zijn, want ook bij ons is het moeizame moment gekomen om de traditie door te geven, terwijl wij tegelijkertijd moeten antwoorden op de serieus kritische vragen van de jeugd.

NS: Zou je je ook kunnen afvragen of secularisatie, modern levensgevoel, moderne verhoudingen in onze samenleving wel samengaan met eeuwenoude liturgieën om daarin je geloof, je geloof in de wereld te beleven? Kun je je geloof in de 21e eeuw beleven in vormen van de 10e, 11e, 12e eeuw?

TP: Die vraag is heel scherp gesteld, waarop je moet antwoorden dat dat niet kan, als die vorm niet de vorm wordt van de 21e eeuw. En hij wordt de vorm van de 21e eeuw, doordat hij door de eenentwintigste eeuwer wordt geleefd. Dus echt geleefd en niet alleen maar als ritueel wordt nagedaan.
Dat is ook weer een vraag die zowel aan de Westerse als aan de Oosterse Kerken wordt gesteld en die ze moeten beantwoorden; namelijk in hoeverre zijn we actueel, in hoeverre is onze liturgie in staat de mensen in het mysterie binnen te voeren. Waarbij men zich altijd moet afvragen of de liturgie voldoende is aangepast aan de gelovigen.
Misschien kan een zeker taalgebruik worden veranderd of moet men misschien een concessie doen in de lengte van de dienst. Dat zijn in feite slechts secundaire vragen.
De belangrijkste vraag is of de mens van vandaag – de Duitsers zeggen `kultfähig’ – in staat is een liturgische mens te zijn of is dat al niet meer zo. En als het wel zo is, kan hij dan verder met onze liturgie.

NS: Oftewel de vraag: hoe pastoraal, hoe mensgericht moet de liturgie zijn?

TP: Ik denk niet, dat liturgie op de eerste plaats pedagogisch moet zijn. Mensen hebben er mijns inziens genoeg van om te veel te worden bemoederd in de liturgie of door de liturgie.
Als liturgie een manier van leven is, het uitdrukken op een heel intense wijze van wat ons leven is, dan is het aspect van het mysterie heel belangrijk.

NS: Het hele levensritme van deze tijd lijkt echter haaks te staan op de sfeer, de uitdrukkingsmiddelen van die oude liturgieën. Hoe kan een mens van deze tijd zichzelf daarin herkennen?

TP: Zeker is, dat er een zekere aanpassing moet zijn of een initiatie. Het neerhalen van de liturgie op het niveau van de mens die nauwelijks is voorbereid op wat liturgie is, heeft helemaal geen zin. Daar zou men de liturgie mee kapot maken.

NS: Kan de orthodoxe, de Byzantijnse liturgie de oecumene in de weg staan? Of kan ze juist bijdragen tot de bevordering van die oecumene?

TP: Liturgie kan nooit een sta in de weg zijn; voor geen enkele liturgie. En bij die vraag moet je je ook afvragen, wat is oecumene, wat versta ik daar onder? Als oecumene is: ze moeten maar zo snel mogelijk onze gebruiken accepteren, want dat zijn de enige juiste; ja, dan is het een sta in de weg. Maar dat kan nooit tot iets goeds leiden.
Men kan alleen maar van andere christenen wensen, dat zij zo overtuigd mogelijk en zo oprecht mogelijk hun eigen tradities leven. Of het nu over orthodoxen of over protestanten gaat, of over katholieken.
Men moet geen angst hebben voor zijn eigen tradities, zoals je vaak ziet bij katholieken die als ze met andersgelovigen samenkomen, bang zijn voor een aanatal gebruiken die ze hebben, zoals wierook. Dat mag dan plotseling niet meer.
Het is uitsluitend door heel authentiek zich zelf te zijn, dat men de ander als authentiek zichzelf kan accepteren. En dat is de enige weg van een echte oecumene tussen gelijkwaardigen; en niet alleen een aanpassing van mij aan de ander of van de ander aan mij.

 


©
Uit de “Kroniek van Chevetogne”, uitgave van de Stichting Sint Benedictus

 

De Kerk in de moderne wereld

De Kerk in de moderne wereld 

 Een boek van Stavros Fotiou


kruis2228

 

Hoe moeten wij antwoorden op de cruciale vragen waarmee de kerk geconfronteerd wordt in de moderne wereld ? Dat is de vraag die Stavros Fotiou zich stelt in een klein boekje dat onlangs verschenen is onder de titel: ‘L’ Eglise dans le monde moderne’ (Editions du Cerf, 96 pagina’s – 14 €) en uit het Engels vertaald door Vader Michel Evdocimov. Wij geven hier enkele uittreksels uit het eerste hoofdstuk van dit boekje , getiteld : Naar een samenleving gericht op de persoon : de grote uitdaging van de XXIe eeuw.

Stavros FOTIOU is Cyriotisch theoloog en professor in de theologie en de christelijke opvoeding op het departement van onderwijs aan de universiteit van Nicosia.

Wij leven in een wereld die tragisch irrationeel en irrationeel tragisch is : een wereld die honger heeft  in de schoot van een massaconsumptie en een wereld van eenzaamheid in de schoot van een massacultuur. Een wereld van geweld en vervreemding, een wereld waar de enen ontstoken zijn van brood, anderen van vrijheid en nog anderen van een leven dat zin geeft.(…)

In het begin  wilde de mens zich een paradijs scheppen op aarde, maar hij heeft de dood gevonden in de ovens van Auschwitz of in het vuur van Hiroshima. Om te ontsnappen  aan de afwezigheid van zingeving en aan de afgrond van  het niets dat hen treft, probeert het individu het heil te vinden in religies die de illusie geven dat men er zijn redding kan vinden door er in te vluchten. Dat is de reden waarom men zijn toevlucht neemt tot dergelijke religieuze groeperingen die de eenheid van de persoon vernietigen en de historische ontwikkeling onderschatten. Een subjectiviteit zonder limieten en de ontbinding van het zijn in de onpersoonlijke essentie  van het universum, dit zijn de twee polen van een religie van zo een individu.(…)

Ten overstaan van deze impasse

Ten overstaan van deze impasse kan men twee oplossingen geven. De eerste nodigt ons uit om ons geloof in het individu te hernieuwen, dit, om een beter inzicht te hebben van zijn belangen op langere termijn, zodat, dank zij een politiek van vrijwillige beperking, wij een on-evenwicht binnen de natuur zouden vermijden. Deze oplossing staat gelijk met een vlucht in de toekomst, waar wetenschap en technologie een messiaanse rol zullen spelen (althans zo denkt men) De tweede oplossing dwingt ons om naar de pre-moderne structuren op het gebied van de sociale orde en naar de collectivistische concepten terug te keren. Bij deze oplossing vlucht men naar het verleden om er steun te zoeken, dit verduidelijkt waarom het fundamentalisme terug onder de schijnwerpers staat.

Noch de ene, noch de andere van deze vooropgestelde oplossingen zullen er in slagen om op een betekenisvolle manier de oorzaak van het probleem te overstijgen. Het gaat hier om een individualistische visie op de mens en het leven. Uiteindelijk zullen zich slechts twee opties aan ons opdringen. Als eerste optie : de  ‘fortuinlijke’ consumenten van het Noorden kunnen zich  goed verbergen achter een economisch chauvinisme , kunnen zich omvormen tot een select clubje  van ‘geprivilegieerde egoïsten’, en kunnen zo hun land omvormen tot een on-inneembare vesting voor alles wat beschouwd wordt als sociaal onaanvaardbaar, onderontwikkeld of derde wereld. Dit is de oplossing van de ‘één-dimensionele mens’ die zich wel bewust is dat zijn wijze van consumeren, waar hij als het ware door verdoofd is. Hij zal anderen meetrekken in de armoede, de dood , ja  zelfs ganse volkeren.

De tweede optie van de mensheid op weg is : een nieuwe visie op de wereld, een nieuw begrip van wat het eerste en het meest essentiële is in het leven. Wij hebben geen nood om ons huidig waardensysteem te verbeteren, maar wel, om aan onze noden nieuwe prioriteiten te geven. Wij moeten een nieuwe manier van leven voorstellen, een alternatieve manier van leven, die totaal is en voor allen toegankelijk  zonder de minste voorwaarde. Wat wij uiteindelijk moeten doen is, een nieuwe kijk ontwikkelen op de mens, de wereld, de geschiedenis. Een nieuwe mening die nieuwe objectieven zal weten te stellen om ons bestaan verder te kunnen zetten. Ziedaar, waarom het belangrijk is dat wij eens te meer ons de vraag stellen naar de zin van ons bestaan. Wat is God ? Wat is de mens ? Wat is de liefde ? Wat verstaan wij onder de woorden leven, eros en dood ?

God als communio van Personen

Indien datgene wat Max Weber, Werner Sobart en andere specialisten hebben gezegd juist is, te weten : dat achter elke theorie over de mens en de gemeenschap er een ontologisch concept van de realiteit bestaat die ermee overeenstemt. Welnu, elke wijze van alternatief leven die wij hier voorleggen, moet van bij het begin een ander ontologisch fundament vinden. Inderdaad, de ontologie die het onderwerp is van onze zoektocht is deze van de orthodoxe Kerk, gecentreerd rond de persoon.

Vanuit dit standpunt gezien zijn de relaties tussen God, de mens en de natuur dialogen en inter-persoonlijk. Ziedaar waarom het mogelijk is om aan de mensheid een wijze van leven te geven waarin alle verschillende elementen van de kosmos die uiterlijk aan mekaar tegengesteld zijn, harmonieus kunnen co-existeren. Niets bestaat als geïsoleerd, niets is in tegenstelling met wat dan ook. Binnen dit kosmisch proces dat wij leven noemen groeit en mengt zich alles.

Deze harmonieuze eenheid van de vele delen in het geheel, gaat in de kosmos voor, want het is de wijze van bestaan van God zelf, een harmonieuze communio van drie personen :  het ‘ik’, het ‘jij’ en ‘de ander’., de beminnende, de beminde en de mede-beminde; één drie en drie in één; elk met de ander, doorheen de ander, voor de ander. Het ‘is het mysterie van een unieke God in drie onderscheiden personen, verenigd in een heilige orde zonder ondergeschiktheid, gelijk in waardigheid; elke persoon gesitueerd met en niet tegen de ander, in een opperste verscheidenheid en in een opperste communio, elk, communicerend met de anderen in een eeuwigdurende beweging, in een eeuwige liefdesdans.  De mensheid heeft als roeping om zich te transformeren tot de gelijkheid met God die het archetype is, het model van de volheid van het persoonlijke leven in de volheid van de communio'(Elisabeth Behr-Sigel).  In deze harmonieuze harmonie is elke persoon een eenheid en enig en tegelijkertijd bestaand in een volstrekte eenheid met de anderen. Existentie betekent co-ëxistentie , leven betekent liefde; dit zijn de vergelijkingen die een ontologie,  gecentreerd op de persoon, ons geeft.

Christus zelf is de incarnatie van het personalisme

Jezus Christus biedt zich aan om deel te nemen aan deze drievoudige communio van liefde, en verbindt er zich toe dat we zo komen tot een harmonieuze eenheid met God, met de naaste en met de natuur. Christus zelf is de incarnatie van het personalisme, het empirisch bewijs dat de mens kan leven volgens de existentiële wijze van het personalisme. Het gevolg hiervan is, dat persoon zich stelt tegenover individu. Het individu onderscheidt zich door de verdeling, de afstand, de scheiding. De persoon kenmerkt zich door zijn relatie met de anderen, de nabije, de eenheid. Een persoon zijn betekent uitgaan uit zichzelf door voorbij te gaan aan het ‘ik’ en zich te richten op het ‘jij’, om aldus het ‘wij’ te vormen. Het individu behoort tot de categorie van het nummer, hij is een onpersoonlijk object, en om deze reden is hij vervangbaar. Een massa staat niet vijandig voor het individualistisch concept, ze is er om zo te zeggen het product van. De persoon daarentegen treedt binnen in een spirituele categorie, hij vormt een uniek zijnde die zijn gelijke niet gehad heeft in het verleden, niets kan hem vervangen. Een persoon laat voor hem alleen de ganse wereld voorbijgaan en zijn waarde is gelijk met deze van gans de kosmos.

De persoon ‘is de horizont waarin de waarheid van het zijn zich openbaart, niet als een eenvoudige natuur, voorwerp van het individualisme’ (metropoliet Jean Zizioulas). Een persoon is een menselijk wezen die een harmonieuze relatie met God onderhoudt en dus, met als gevolg, met zijn naaste en met de natuur.

De innerlijke wereld van de persoon  is dus een wereld van harmonie en vriendschappelijke verstandhouding. De drie delen van de ziel : de rationele geest, de emoties en de wil, denken in het hart, voelen in het hart, drukken in het hart hun wil uit wanneer zij er toe komen om de betekenis van hun leven te realiseren. De gedachte is rationeel, het gevoel is vaststaand, en de wil richt zich op de actie. Meer nog,  doorheen de nous (het intellect als drager van de geest) introduceert het bewustzijn de waargenomen objecten  door de zintuigen in een permanente communio met de objecten die zich aan de gedachte aanbieden. Daardoor geven ze het voortdurende empirische bewijs van de dialectische verhouding tussen de geest en de materie. Het menselijk wezen is een levend organisme van psychosomatische uitwisselingen. Elementen die zich wederzijds aanvullen en in wisselwerking treden , ziedaar datgene wat toestaat om alles te verenigen in een voortdurende stroom van de totaliteit van het leven. Elk dualisme is op die manier verwijderd : het biologische tegenover het sociale, het organische tegenover het niet-organische, of het theoretische tegenover het praktische. (…)

Bijna alles is biologisch geprogrammeerd, maar bijna alles blijft open om aan het menselijk ras toe te staan om al zijn potentiële energieën aan te wenden. Alle delen van het geheel handelen eensgezind en werken samen aan de oprichting van een dynamische aanpak van het leven: zo is het dat de innerlijke wereld haar rol vervult. Wanneer zij relaties onderhouden  met hun naasten, kunnen de mensen zeggen dat het leven van anderen een essentieel element vormt van hun leven. Zij worden levenden wanneer zij een deel van zichzelf aan anderen geven. Het bestaan laat zich voelen in haar geheel, hun bewustzijn wordt zo ruim als de dimensies van het universum, zij weten dat het ‘heil…zich afspeelt in de communio; er zou dus geen scheiding zijn van welke orde ook tussen ons persoonlijk heil en het heil van de wereld, alle twee zijn zij rechtstreeks verbonden. Ons eigen heil is door  kracht verbonden aan het heil van elk ander menselijk zijn, want ‘onze broeder is ons leven’ (Metropoliet Kallistis Ware). (…)

De brede rotsachtige kloven overbruggen van het modernisme

Een leven dat totaal naar God toe gekeerd is, naar de mens en de natuur: dat is in algemene termen de ontologie van de Kerk gecentreerd op de persoon. Alleen deze opvatting van het leven waar alles in geïntegreerd is, alleen dit model van maatschappij dat gecentreerd is rond de persoon, is in staat om al de risico’s van de moderne wereld uit de weg te gaan, zoals enkele voorbeelden dit zullen verduidelijken.

In de eerste plaats transcendeert een maatschappij gecentreerd op de persoon  alle ostakels die veroorzaakt worden door het nationalisme en het kosmopolitisme, want de waarheid omvat in eenzelfde beweging het nationale en het universele. De liefde voor het vaderland vertegenwoordigt zo een eigen manier om de waarheid te beleven op een gegeven plaats, zoals een verzuchting naar vrijheid en een vruchtbare ontmoeting met het reële. Een patriot is een waakzame dokter, een politieker die de waarheid spreekt. Een patriot is een burger die zijn  belastingen betaalt zonder een zuur gezicht te trekken of een professor die in dienst staat van zijn studenten. Een patriot is hij die mensen gevoelig maakt voor een kritische geest, die ons aanzet om te breken met alles wat ons buiten het rechte pad brengt en er ons van bevrijdt. Eenzelfde houding zal het functioneren  van onze instituties verbeteren, de zelfdiscipline versterken en alle dingen die zo noodzakelijk zijn om de kwaliteit van het leven te verbeteren.

De liefde voor zijn land is niet synoniem met provincialisme, en universeel zijn is niet verzaken aan zijn eigen identiteit. Elke natie, elk volk kan meedoen aan het leerproces van de waarheid, elk op zijn eigen manier, zonder het bewijs te leveren van een bekrompenheid van geest die het  kleinste verschil catalogeert als een vreemd en vijandig element. De persoon ziet ‘elk gelaat van de mens als het gelaat van Christus, en het minste verschil in ras, ethniciteit of cultuur ziet hij als een verrijking voor ons allen, als een veelheid van gaven, als een variatie van mogelijkheden, veeleer dan een motief voor wrok en rivaliteit’ (bisschop Demetrios Trakatellis). Alle natiën  worden opgeroepen om op voet van gelijkheid deel te nemen aan de dingen van de wereld, om de authentieke waarden waarvan zij de dragers zijn  aan te wenden en te ontwikkelen. Het verwijderen van elke vorm van vreemdelingenhaat of overdreven vroomheid, en het in het licht stellen van de solidariteit en het wederzijds respect zijn de fundamentele  trekken van een maatschappij gecentreerd rond de persoon. (…)

Een maatschappij gecentreerd rond de persoon overwint ook de obstakels van het sektarisme en het syncretisme tussen de culturen (…) De verscheidenheid wordt gezien als een basiselement van het leven. Van hieruit gezien is er in een dergelijke maatschappij geen mindere of meerdere meer, ze zijn gewoon anders. Er is geen sektarisme meer en geen mensen die als het ware op een eiland leven, hun doel is om zich open te stellen voor de anderen in een dialoog waar de standpunten op mekaar worden afgesteld en men zich met elkaar verzoend. Gedurende dit proces kan ieder die ongelijk is, die verenigt, die gewoon is of verschillend, samenleven. Eenheid betekent niet dat iedereen gelijk moet zijn; verschillend zijn leidt niet tot isolement. (…).

De profeten van het modernisme worden overtroffen

Een personalistische maatschappij zal niet alleen de familiale hindernissen hierboven beschreven overwinnen, maar zij zal veel verder gaan dan de ideeën van de grote profeten van het modernisme. Vooreerst, zal zij Nietzsche overtreffen met betrekking tot het thema van de volledige bevrijding van de mens, zij openbaart de God van de totale vrijheid. Het beeld van God dat een personalistische gemeenschap projecteert  op de mensen staat diametraal tegenover de twee heersende opvattingen over God die het modernisme naar voor brengt.  Een personalistische maatschappij verwerpt een eerste dwalend beeld, deze van de ijskoude God van  scholastieke filosofie en het rationalisme, zelfvoldaan in haar schoonheid en onverschillig ten overstaan van de mensheid en de geschiedenis. Tegenover deze passieve en eenzame God geeft de Kerk ons een God die zichzelf offert voor de mensheid en die de geschiedenis binnentreedt om haar te omvormen. Op dezelfde manier is de God van de Kerk geen politieagent van de hemel en de aarde, met een streng en nors gezicht, die de minste daden van de mensen nauwlettend gadeslaat, en die met genot wacht om elke inbreuk te straffen. Hiertegenover staat de God van de Kerk die haar mensen liefheeft en hen een boodschap van liefde meedeelt. (…)

Zo handelend overstijgen wij elke spanning en polariteit tussen theorie en praktijk, geloof en kennis, het goddelijke en het menselijke. In dit opzicht is het geloof geen privé-zaak van fanatieke religieuzen die rekenen op een beloning. Het is de hartstocht die de deelgenoot is van het offer, een krachtige levendige act  die gericht is op het verenigen van hemel en aarde, in een totale omvorming van de ganse kosmos. Volgens Nietzsche betekent christen zijn : de hemel liefhebben en de aarde vervloeken. Volgens de christelijke waarheid wordt de aarde echter evenzeer bemint als de hemel.  Zolang de aarde niet hemels zal worden, zullen de kinderen hun ouders doden. Zolang de hemel niets aards zal worden, zullen ouders hun kinderen doden. De liefde voor de aarde moet reiken tot het verst verwijderde punt van de aarde, dat de hemel is. De liefde voor de hemel moet reiken tot aan het verst verwijderde  punt van de hemel, dat de aarde is. Alleen dan zal het mysterie van de aarde de hemel ontmoeten. (…)

De grote uitdaging van de nieuwe eeuw

Ongeveer in het midden van de 20e eeuw, de 6e augustus 1945, is de eerste atoombom gevallen op Hiroshima. De orthodoxe Kerk celebreerde op die dag het feest van de transfiguratie van Christus. Achter deze gebeurtenis zit het eeuwig probleem van de mensheid verborgen : de scheiding en de eenheid, het verstoord evenwicht of de transfiguratie. Als laatste analyse bestaat de essentiële nood van de mensen erin, de zin voor hun leven te vinden, een project dat in staat is om de geschiedenis te leiden tot een punt van volmaaktheid, een doordringen van het eschaton in de geschiedenis, een getuigenis van een god-menselijke spiritualiteit. Dit is de taak waarvoor de Kerk zich moet inzetten. Dit project van een maatschappij zoals ze door de Kerk wordt voorgesteld is een uitdaging voor de menselijke vrijheid. Wij moeten bijgevolg doorheen een overgangsfase : van een status waarin de mens een nummer is,  naar een authentiek bestaan; van het individualisme naar het personalisme; van een toestand waarin de mens onderworpen is aan de informatica naar dit van beschaafde zijnden. Uiteindelijk zullen wij ons in die tussenperiode bevinden die gaat van de noodzaak naar de vrijheid.

 Uit SOP 333 – december 2008

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

De parochie

                                                               

 

kerkje tekening 54

             

 

 

                               DE PAROCHIE                        

 

                                                               

De Parochie is de oudste institutie van de Kerk. Zij heeft beproevingen doorstaan en weerstand geboden voor het welzijn van de christenen, gedurende gans haar bestaansgeschiedenis. De parochie is geen ‘deeltje’ van de Kerk. Zij IS de kerk. Want  niets ontbreekt aan de parochie opdat zij een Kerk zou zijn. De parochie is onze kerkelijke gemeenschap in een bepaald gebied.  Overal waar het volk van God, het priesterschap en het heilig Altaar is, daar is de Kerk. Welnu, de Kerk bevat deze drie elementen : het zijn de christenen met hun priester, die in naam van de bisschop de Goddelijke Liturgie celebreren.  Onze parochie is onze Kerk. Ieder christen, als lid van zijn parochie, behoort toe aan de Kerk. Iedereen in zijn parochie is verenigd met de Kerk en blijft ermee in contact. Het in zijn eigen kerk dat elke gelovige is gedoopt. In het doopregister van die kerk is zijn naam ingeschreven, op dezelfde wijze als hij ingeschreven is in de registers van zijn geboorteplaats, om zijn rechten als burger te kunnen uitoefenen.  Door zijn doopsel ontvangt de gedoopte ook nog een ander burgerschap : dit van het koninkrijk der hemelen. In diezelfde parochieregisters zal men ook de namen schrijven van alle kinderen die later zullen geboren worden, de dag van hu doopsel, het huwelijk en hun begrafenis. Dit inschrijven in de registers van de parochie is een heilige daad, want de registers zijn in zekere zin kopieën van de boeken van God zelf. Iedereen kan zo de band herkennen die zijn parochie verbindt met de Kerk waaruit ze is ontstaan. Wij zijn allen broeders, want wij hebben een nieuwe geboorte gekend door het doopsel dat wij ontvingen uit dezelfde doopvont . Wij zijn allen één lichaam, want wij ontvangen allen dezelfde communie aan dezelfde kelk die ons verenigt met Christus en met elkaar. Wij zijn allen parochianen van een kleine gemeenschap van christenen in de schoot van een grotere gemeenschap, die de Kerk is. Juist daarom moet men niet breken met de parochie om welke reden dan ook. Vooreerst, wat betreft  onze kerkelijke praktijk : de kerk is ons sacraal verblijf, het is de cultusplaats in de parochie. Het is waar, dat de cultus die er gecelebreerd wordt er is voor alle christenen, maar vooral wordt ze gecelebreerd voor allen die deel uitmaken van deze parochie (zoals wij het in de loop van onze diensten zeggen) : de voorgangers, het koor, zij die bidden en zij die dienen. Voor hen die goed doen en de weldoeners van de parochie waarin ze dagelijks leven. Het is een zeer slechte gewoonte, en zelfs een zonde om zijn parochie om verschillende redenen te verlaten en om de Goddelijke Liturgie ergens anders te gaan meevieren. Dit geldt ook voor het doopsel, het huwelijk, de collieven enz… Buiten het feit, dat dit kan gezien worden als een soort misprijzen ten overstaan van de heilige waaraan de kerk is toegewijd, en die de beschermer en behoeder is van de ganse parochiale infrastructuur. Het is ook een tekort aan  medevoelen en zelfs van een zekere onverschilligheid voor alles wat er in de parochie wordt gedaan en leeft. Wij moeten aandacht hebben voor de noden van de parochie. Niet alleen alles in de steek laten en elders gaan, maar we moeten  haar ook datgene schenken wat in onze mogelijkheden ligt voor haar voorspoed en dus voor het welzijn van allen. De parochie is onze eigen tuin, en men laat zijn eigen tuin niet in de steek om ergens anders de bloemen te gaan besproeien !. Men zegt terecht dat wij de parochie kunnen definiëren als de kleine cel van de grote Kerk. Indien wij in de Kerk geloven, indien wij haar welzijn voor ogen hebben, dan moeten wij beginnen met al onze aandacht te richten op onze eigen parochie.

Uit Exapla – Uitg. Tertios – Katerini – Griekenland

Vertaling : Kris Biesbroeck

          

Ireneos van Lyon : de Kerk

IRENEOS VAN LYON

 Irenaeus van Lyon

 

De Kerk

 

De nieuwe Wet van de Heilige Geest

 

89. Reeds Jesaja leert ons dat Christus ons niet tot de Mozaïsche Wet wil terugvoeren, – Hij heeft immers de Oude Wet tot een einde gebracht – maar dat men door het geloof en de liefde voor Gods Zoon voortaan een nieuw leven moet leiden, door de krachtige bijstand van het goddelijk Woord (Jes.43,18-21) : Denk niet meer aan wat gebeurd is, blijf niet steeds denken hoe het vroeger was. Voorwaar, Ik doe iets nieuws; reeds staat het op het punt te gebeuren en gij zult het meemaken. Ik leg een weg aan in de woestijn. Ik laat stromen vloeien door de dorre aarde, om Mijn uitverkoren volk te drenken, het volk dat Ik Mij verworven heb om mijn deugden te verkondigen.

‘Woestijn’ en ‘dorre grond’ dat waren de heidenen vóór zij geroepen werden, want het Woord was nog niet onder hen gekomen, en zij waren nog niet gedrenkt met de Heilige Geest, die een nieuwe weg had geopend van vroomheid en gerechtigheid, en die rijke bronnen han doen ontspringen : de door de profeten beloofde Heilige Geest, die uitgestort was over geheel de aarde.

 De uitstorting van de Heilige Geest

90. Bij onze roeping gaat het dus om de vernieuwing door de Geest en niet om de oude letter (Rom.7,6), zoals jeremia profeteerde (31,31-34) : Zie, er komen dagen, spreekt de  Heer, dat Ik met het huis Israël en het huis Juda een nieuw Verbond zal sluiten; niet zoals dat welk Ik met hun vaderen gesloten heb in de tijd dat Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte te leiden. Doch zij hielden zich niet aan dit Verbond en daarom heb ik Mij niet meer met hen bezig gehouden, zegt de Heer.

Maar dit is het nieuw Verbond dat Ik na deze dagen met Israël sluiten zal : Ik leg hun Mijn Wet in de geest en grif die in hun hart. Zo zal Ik hun God zijn en zij zullen Mijn volk wezen. Voortaan zullen zij niet meer elkander onderrichten : Ken de Heer, want allen, klein en groot, zullen Mij kennen. Want Ik wil aan hen hun schulden vergeven, en hun zonden wil Ik niet meer gedenken.

Ook de heidenen worden geroepen

91. Ook de geroepen heidenen zullen deze Beloften erven en zij zullen deel uitmaken van dit Nieuwe Verbond. Dat leert ons Jesaja waar hij zegt (17,7vv) : Zo zegt de God van Israël : Te dien dage zal de mens zijn hoop stellen op zijn Schepper, en zijn ogen zullen opzien naar de Heilige van Israël; en zij zullen niet langer heil verwachten op de altaren der afgoden, het werk van hun eigen handen, dat hun vingers hebben vervaardigd.

Dit woord is dus gesproken over hen die de afgoden hebben verlaten, en die geloven aan God onze Meester, de Heilige van Israël. Deze Heilige van Israël nu is Christus, en wij zien op tot Hem die verschenen is onder de mensen. Maar wij hebben onze hoop niet gesteld op andere goden, het werk van mensenhanden.

God onder de mensen

92. Het Woord Gods is onder ons beschikbaar geworden, immers Gods Zoon is tot Mensenzoon geworden, om gekend te worden door ons die Hem vroeger nooit hadden gekend. Daarover sprak het Woord zelf door de mond van Jesaja (Jes.65,1) : Ik ben verschenen aan hen die niet naar Mij hadden gevraagd, en ik ben gevonden door hen die Mij niet hebben gezocht. Ik zeide : ‘Hier ben Ik’ tot een volk dat Mijn Naam nog niet had aangeroepen.

Geroepen tot heiligheid

93. De profeet Hosea heeft in het Boek der Twaalf Profeten aangekondigd (2,25) : Ik zal tot Niet-Mijn Volk zeggen : Mijn volk zijt gij; en de niet-geliefde zal bemind zijn. En in plaats van tot hen te zeggen : ge zijt Mijn volk niet, zal men hen noemen : Kinderen van de levende God.

Zo heeft ook Johannes de Doper gezegd (Matt.3,9) : God kan uit deze stenen kinderen voor Abraham verwekken. Want nadat onze harten zich hebben afgekeerd van de steenverering en wij vrijgemaakt zijn, zien wij God in het geloof en worden wij kinderen van de door het geloof gerechtvaardigde Abraham (Gal.3,6-8). En daarom zegt God door de profeet Ezechiël (11,19) : En ik zal hun een ander hart geven en in hun binnenste een nieuwe geest leggen; het stenen hart zal ik wegnemen uit hun binnenste en Ik zal hun geven een hart van vlees, opdat zij wandelen volgens Mijn voorschriften, en Mijn wetten overdenken en onderhouden. Zij zullen Mijn volk zijn en Ik wil hun God zijn.

De nieuwe gemeente

94. Door het vleesgeworden Woord van God, die onder de mensen woont, is de roeping der heidenen tot stand gebracht en de verandering van hun hart, zoals het staat bij Zijn leerling Johannes (1,14) : Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Daardoor heeft de Kerk zovele uitverkorenen voortgebracht, want noch Mozes, noch de Engel (Elia) is onze voorspraak, maar de Heer Zelf heeft ons gered (Jes.63,9), door velen als kinderen te geven aan de Kerk, talrijker dan de Synagoge : de Gemeente der eerstelingen, zoals Jesaja heeft gerofeteerd (54,1) : Jubel onvruchtbare, die niet gebaard hebt. Deze onvruchtbare, die in de voorafgaande tijd geen kinderen aan God kon schenken, is de Kerk, zoals de Profeet vervolgt : Jubel het uit van vreugde, zij die geen weeën heeft gehad, want talrijker zijn de kinderen van de eenzame dan die van de gehuwde. Immers, de oude synagoge had een man, de Wet.

De roeping der heidenen

95. Ook Mozes zegt in Deuteronomium dat de heidenen de eersten, het weerspannig volk daarentegen de laatsten zouden zijn (32,21) : Gij hebt Mijn naijver opgewekt door wat geen God is, en Mij vertoornd door uw afgoden. Daarom zal Ik uw naijver opwekken door wat geen volk is, en uw toorn door verstandelozen.

Want de Joden hadden de ware God verlaten om eredienst te bewijzen aan godheden die slechts niets zijn. Zij doodden Gods profeten en profeteerden voor de Baäl, de afgod der Kananieten. Hem die werkelijk Gods Zoon was, hebben zij minachtend verworpen, en zij gaven de voorkeur aan Barrabas die wegens moord gevangen was (Markus 15,7). Zij hebben de eeuwige Koning verloochend en een tijdelijke Caesar als koning erkend (Joh.19,15). Daarom heeft het God behaagd Zijn erfdeel over te dragen aan de heidenen hoewel zij niet tot de stad Gods behoorden en zelfs niet wisten wie Gpd was.

Volmaakter dan de oude Wet

96. Dank zij deze roeping is ons het leven verleend, en heeft God het geloof van Abraham in ons tot leven gebracht. We moeten dus niet meer achterwaards zien, dxz. Terugkeren tot de Oude Wet. Wij hebben immers de Heer der Wet ontvangen, de zoon van God. Door te geloven in Hem, leren wij God beminnen uit geheel ons hart en onze naaste als onszelf (Matt.27,39). Maar de liefde tot God sluit elke zonde uit, en het liefhebben van de naaste kan niet samengaan met hem kwaad te doen (Rom.13,10). Daarom hebben wij geen wet nodig als pedagoog (Gal.3,25) : zie, wij spreken met de Vader en staan voor Zijn Aangezicht, omdat wij kinderen zijn in de boosheid (1 Kor.14,20), maar vol kracht in gerechtigheid en reinheid . De Wet hoeft niet te zeggen : Gij zult niet echtbreken (Ex.20,14) tegen hen die zelfs niet denken aan een vreemde vrouw. Evenmin : Gij moogt niet doden tegen wie uit zijn hart alle gevoelens van toorn en haat verdrijft.

Ook niet : Gij zult niets begeren wat uw naaste toebehoort  tot hen die zich niet inlaten met aardse dingen omdat zij schatten verzamelen in de hemel. Noch : Oog om oog, tand om tand tot wie niemand voor vijand doch allen voor naaste houdt en daarom zelfs geen hand kan uitsteken om zich ergens over te wreken.

Ook zijn er geen Tienden te vragen van wie al zijn bezit offert aan God, en die vader en moeder en alle verwanten verlaat om Gods Woord te volgen. Het is niet nodig te gebieden één dag in rust en zonder werk door te brengen aan iemand die iedere dag Sabbath viert, dwz. Die in de tempel van God, het menselijk lichaam (1 Kor.3,16), God waardig dient en elke uur de gerechtigheid beoefent.

Reeds door de Profeten had de Heer gezegd : Barmhartigheid wil IK en geen offer, kennis van God en geen brandoffer. Zelfs al slacht de goddeloze voor Mij een rund dan zal het zijn alsof hij een hond wurgde; en brengt hij een spijsoffer, dan zou het zijn of hij zwijnebloed bracht (Hos6,6 , Jes.66,3). Wie echter de Naam des Heren aanroepen, zullen gered worden. Want er is geen andere naam onder de hemel waardoor de mensen gered worden (Hand.4,12) dan die van God, d.i. van Gods Zoon, Jezus Christus, aan Wie zelfs de demonen en boze geesten en alle opstandige krachten zich moeten onderwerpen.

God helpt Zijn gelovigen

97. Wanneer nu de naam van de onder Pontius Pilatus gekruisigde Jerzus Christus wordt aanroepen, wordt Satan van de mensen verdreven; want waar ook maar iemand bidt, die in Hem gelooft en Hem aanroept onder het volbrengen van Zijn wil, daar komt Jezus nabij : daar is Hij tegenwoordig om de gebeden te verhoren van hen die zich met een rein hart tot Hem richten.

Nu wij zo de verlossing ontvangen hebben, loven wij zonder ophouden God die ons door Zijn oneindige, onbegrensde, ondoorgrondelijke wijsheid heeft gered; en Die ons vanuit het hoogste der hemelen het heil verkondigt heeft, namelijk de zichtbare komst van onze Heer, Zijn leven in ons menselijk vlees. Uit onszelf zouden wij zulk een heerlijkheid nooit hebben kunnen bereiken, maar hetgeen voor mensen onmogelijk is, blijkt toch mogelijk voor God (Luc.19,27).

Ook de profeet Jeremia heeft daarover gesproken in het boek Baruch (3,29-41) : Wie is opgeklommen naar de hemel om haar uit de wolken naar beneden te brengen ? Wie over zee gevaren en bracht haar hier voor kostelijk goud ? Niemand vond haar weg of kende haar pad. Maar de Alwetende kent haar door Zijn inzicht. Hij heeft de aarde voor altijd geordend en haar vervuld met viervoeig vee. Hij zendt het licht uit en roept het terug, het gehoorzaamt aan Zijn woord. De stereen stralen vol vreugde op hun plaats; Hij roept ze tevoorschijn en zij antwoorden : ‘Hier zijn wij’, jubelend van blijdschap om hun schepper. Zo is onze God, niemand is met Hem te vergelijken.

Uit Hem stamt de wijsheid in al wat bestaat en Hij gaf haar aan Jacob, Zijn dienaar en aan Israël, Zijn beminde. Daarna verscheen de Wijsheid op aarde en woonde onder de mensen. Zo is het met het Boek van Gods Geboden, de altijd-blijvende Wet. Allen die de Wet onderhouden, zullen leven; maar wie haar verlaten, zullen sterven.

Het gaat hier over de Zoon Gods, die van de Vader heerschappij over ons leben ontving, en  Die haar, toen Hij op aarde verscheen en onder de mensen woonde, naar beneden bracht tot ons die zo ver van Hem verwijderd waren. Zo heeft Hij de Geest van God de Vader met Gods schepsel verenigd, opdat de mens naar Gods icoon en gelijkenis zou zijn.

Gevolgtrekkingen

98. Dit is de lieflijke waarheid zoals deze gepredikt wordt, en dit is de wijze van onze verlossing. Dit is de weg die leidt tot het leven, welke door de Profeten voorzegd en door Christus ten uitvoer is gebracht. Zo is het door de Apostelen overgeleverd en door de Kerk in heel de wereld aan haar kinderen overgedragen. Deze waarheid moeten we dan ook ongerept bewaren in goede gezindheid om God te behagen door goede werken en daarop onze wil en onze verlangens richten.

Mogelijke dwalingen

99. Laat niemand zich dus inbeelden dat God de Vader iemand anders is dan onze Schepper, zoals sommige ketters het voorstellen. Want zij hebben minachting voor God die het Zijn is, en wat wij aanbidden is een niets, want zij construeren zich een Vader die iets veel verheveners is dan onze Schepper en denken op die manier iets gevonden te hebben dat groter is dan de waarheid.

Dat is in feite goddeloosheid en belediging tegen hun God en hun Schepper. Dat hebben we uitvoerig beargumenteerd in ons boek tegen de zogenaamde Gnosis.

Weer anderen zien neer op de nederdaling van de Mensenzoon en het feit dat Hij vlees geworden is. We hebben in dit boek laten zien hoe de Profeten hebben voorspeld dat juist daardoor de mensheid tot volmaaktheid gebracht zal worden, en dat vormt ook de inhoud van de prediking der Apostelen. Ook zule mensen moeten we dus rekenen tot de ongelovigen. Nog anderen weigeren de gaven te erkennen van de heilige Geest en verwerpen de mogelijkheid van de profetie, terwijl juist het aanvaarden daarvan het goddelijk leven voortbrengt in de mens. Jesaja had zulke mensen op het oog waar hij zegt (1,30) : Want als een ontbladerende terebint en als een waterloze tuin, zo zullen zij worden. Zij zijn waardeloos voor God, omdat zij geen vrucht kunnen voortbrengen.

100. Zo is de dwaling op schikwekkende wijze weggeraakt van de drie hoofdwaarheden waarmee wij bezegeld zijn door de Doop. Want het gaat ofwel tegen de Vader, ofwel zij verwerpen de heilseconomie van de vleeswording van de Zoon, ofwel zij verzetten zich tegen de Heilige Geest doordat zij de profetie verachten.µ

Wij moeten er voor oppassen deze dwaling niet in onszelf toe te laten en ons onttrekken aan het gezelschap van zulke leraars, wanneer wij tenminste willen behagen aan God en het heil willen ontvangen dat van Hem afkomstig is.

Eer aan de alheilige Drie-eenheid en de ene Godheid : aan de Vader en aan de Zoon en aan de alles vooruitziende Geest. In de eeuwen der eeuwen.

AMEN

Uit : Ireneos van Lyon : Het Christengeloof

Uitgave van het orthodox klooster van Den Haag

Icoon van de Drie-eenheid – Roeblov

OUD TESTAMENTISCHE TRINITEIT

Van Andreï Roeblov – ca.1412

Tretjakov-Galerij  –  Moscou

 

drieeenheid 1

Deze wereldberoemde icoon was bestemd voor de iconenwand in het door de Heilige Sergius van radonesj gestichte klooster te Zagorsk (ongeveer 70 km. Van Moscou verwijderd). De voor de icoon benutte gegevens berusten op de allegorische verklaring van het zeer bekende hoofdstuk 18 uit het boek Genesis. Daar wordt verhaald, dat aan Abraham drie engelen verschenen en door hem gastvrij werden ontvangen onder de eik van Mamre. Links zou God e Vader herkennen, in het midden Christus en rechts de Heilige Geest (maar dit is slechts een hypothese !) De volstrekte gelijkheid tussen de goddelijke personen is nimmer zo verheven uitgebeeld. Hoogste spirituele expressie, ritmische bewogenheid, glans der tinten geven aan het geheel een weergaloze schoonheid.

Het is de opgave van de schilder om zijn beeld zo te schilderen dat hij deze goddelijke werkelijkheid zichtbaar maakt. Dan komt het bij de meditatie en de verering van die icoon tot een echte ontmoeting met God.

Dat was het opzet van Andreï Roeblov : zijn Godsontmoeting meedelen opdat ook wij die zouden ervaren. Hij bediende zich bij dit ‘spreken zonder woorden’ van kleuren, vormen en symbolen, waarmee zijn kunstvolle hand zo eenmalig trefzeker kon omgaan. Luisteren wij nu bij dit ‘spreken zonder woorden’ naar de taal van het schilderij, om zo de diepte en de zin van zijn boodschap in ons op te nemen.

We kijken even naar de opbouw van de icoon : een rechthoek, waarin een cirkel, en in het midden een driehoek. Rechthoek en driehoek samen zijn het fundament van de icoon. De plaats van de engel in het midden is door de loodrechte middenas vastgelegd. De twee diagonalen bepalen de plaats van de twee andere engelen.Hun hoofden komen niet buiten de diagonalen. De cirkel is het symbool van de goddelijke volmaaktheid, omdat er in God begin noch einde is. Eigenlijk is de cirkel zo bepalend voor het beeld van de drie personen dat alles war er buiten staat gerust weg zou mogen vallen, zonder afbreuk te doen aan de waarde van de icoon. In het midden zien we een gelijkzijdige driehoek. Reeds in de vroegchristelijke kunst gold de driehoek als symbool van de drie-eenheid Gods. De bovenste rand van de tafel is de grondlijn aan wiens uiteinde de beide andere engelen zitten. De driehoek heeft zijn hoogste punt in het hoofd van de middelste engel en valt over zijn rechterschouder in de handen van de engel links. Over zijn linkerschouder echter loopt een  lijn in de richting van de rechterhand van de engel die rechts zit. Rechthoek en driehoek geven de icoon een doorzichtige samenstelling, geborgenheid en eenheid. Toch doet de icoon helemaal niet stroef of gekunsteld aan. Het hoofd van de engel in het midden buigt over de middellijn naar links, terwijl de kelk op tafel iets naar rechts verschoven is. Het schijnbaar verstoorde evenwicht is daarmee weer hersteld.

De neiging naar links van het hoofd van de engel in het midden wordt nog versterkt door de naar links overhellende boom achter hem. Een gelijkaardige neiging naar links vertoont ook de engel rechts. De richting van de berg boven de engel rechts – niet alle reproducties laten deze berg voldoende tot zijn recht komen – deze richting verduidelijkt de beweging van zijn hoofd nog eens en onderstreept die beweging. Door deze neiging naar links van de hoofden is Roeblov erin geslaagd een levendige en gesloten gemeenschap tussen de drie personen van zijn icoon op te roepen. De drie engelen vormen een eenheid die het resultaat is van een beweging van de twee engelen rechts naar de engel links toe. Deze engel links heeft een  rechte houding. De beweging van de twee anderen maakt duidelijk dat hij deze neiging naar hen toe aanvaardt.

We konden duidelijk zien dat er een beweging naar links te erkennen is. Men kan zich afvragen of er ook van links naar rechts een beweging te ontdekken valt. Dan zou zich de kring sluiten. Het feit dat de pelgrimsstokken van links naar rechts steeds sterker overhellen schijnt op die beweging te wijzen. Bij aandachtig toezien kan men inderdaad een beweging naar rechts erkennen. De uitgestrekte, zegenende vingers van de engelen links en in het midden, duiden op een beweging, die vanuit de schoot van de engel links over zijn rechterhand van de engel in het midden gaat. Deze beweging naar rechts loopt verder door naar de rechterhand van de engel rechts. Hier vloeit ze dan spontaan over via de linkerarm van de rechtse engel in de reeds beschreven lijn van de hoofden naar links, die ook de berg en de boom in dezelfde beweging opneemt en vormt zo een volledige kringloop.

Midden in deze kringloop staat een kelk op tafel. De ruimte die vrijblijft tussen de knieën van de engelen, die aan beide uiteinden van de tafel zitten, duidt nog eens de vorm van een kelk aan. Nu weliswaar in een vereenvoudigde vorm.

De vorm van de kelk vinden we dan nog een keer terug in het gedeelte helemaal onder, in de ruimte die vrij blijft tussen de twee voetbanken van de twee uiterste engelen.

Van zo groot belang was voor Roeblov deze enen kelk dat wij zijn vorm verschillende keren op de icoon terugvinden. De kelk zelf, de tafel waarop hij staat, de ruimte tussen de voetbankjes, en tenslotte in zijn grootste vorm getekend door de lijnen van de twee uiterste engelen vormen, te beginnen bij hun voeten en doorlopend tot aan hun schouders. Als wij deze laatste vorm van de kelk nauwkeurig bekijken, lijkt de engel in het midden er bijna helemaal in te verdwijnen. Voor Roeblovs tijdgenoten was de betekenis van deze meervoudige symbolen duidelijk. Ze willen niet alleen verwijzen naar het gastmaal bij Abraham, maar ook op het unieke offer van Jezus op Calvarië, dat wij bij iedere Liturgie gedenken en ontvangen.

De opening aan de voorkant van de tafel onderstreept dit nog eens uitdrukkelijk. Alle stenen altaren in de byzantijnse kerken hebben een dergelijke opening die relieken bevatten opdat ieder bij de viering aandachtig zou zijn : we voelen ons verbonden met de martelaren van heel de Kerk.

Concentreren wij ons nu op de kleuren van de icoon.

In verschillende schakeringen verdeelt zich de blauwe kleur over de drie engelen. Blauw is de kleur van de godheid en de hemelse waarheid. Zacht, bijna in een zilveren kleur, komt het blauw van onder de vleugels der engelen te voorschijn. De grootste oppervlakte van dit blauw  zien wij bij de engel in het midden. En het is een krachtig blauw. De vele plooien van zijn gewaar laten een rijke nuancering toe van het blauw in licht en donker. Bij de beide andere engelen is blauw de kleur van het onderkleed. Alleen een klein smal streepje blauw zien we bij de engel links. Maar een rijker blauw en een groter gedeelte zien we bij de engel rechts. Alle nuanceringen van het blauw duiden waarschijnlijk de ons geopenbaarde kennis aan die wij bezitten over de hemelse waarheid en godheid, van de drie goddelijke personen. Het hoogtepunt van de kleurencompositie is zeker het donkerrood op het onderkleed van de engel in het midden. De oranjeachtige streep op de rechterschouder die dit rood onderbreekt, laat deze kleur nog feller uitkomen.

Wat is daar nu de betekenis van ?

De jeugdige gelaatstrekken van de engelen, waarvan niemand ouder of jonger genoemd kan worden, tonen dat er in de goddelijke Drie-eenheid geen vroeger of later , geen gisteren of morgen, maar alleen het tijdloze NU van de drie goddelijke Personen bestaan. De jeugdige gestalten verenigen in zich de kracht en de bevalligheid van de beide geslachten, want bij God is er geen onderscheid tussen man en vrouw; in Hem die als de ene drievuldig is, wordt de verscheidenheid niet opgeheven maar ver-eend en vervuld.

Iedere persoon die door de Russische monnik wordt geschilderd is altijd op een ander betrokken. Roeblov die zelf in een broederlijke gemeenschap leefde, weet dat leerling-zijn niets anders betekent dan een in Jezus afgestorven leven te leiden, arm te worden aan zijn eigen ‘ik’, om rijk te worden naar de inwendige mens. De geestelijke vrucht wordt alleen geboren uit offerbereidheid en overgave van zichzelf. Roeblov legt in al zijn iconen de kracht tot deemoed, zoals hij die zelf wel ontvangen heeft van Jezus, door wie hij zich geroepen wist.

Wat is nu de geestelijke inhoud, de spiritualiteit en de theologie van Roeblovs Drievuldigheidsicoon ? Toen Abraham in het dal van Mamre op het middaguur voor zijn tent zat, ontving hij in de personen van de drie mannen het bezoek van God zelf. ‘Filoxenia’ -dit wil zeggen gastvrijheid – noemt de orthodoxe kerk deze icoon. Gastvrijheid betekent voor een Oosterling echter méér dan aan een vreemde voedsel en een dak boven zijn hoofd geven. Gastvrijheid betekent ook tafelgemeenschap (communio): vandaag een eigen, bijzonder innige vorm van vriendschap. Met de voorstelling van dit éénmalig bezoek van God aan Abraham is Roeblovs icoon echter geenszins verklaard. In de drie bezoekers ziet en schildert de Russische meester de Heilige Drie-eenheid. Daarom de bijzondere cirkel en de vorm van een driehoek., een verwijzing naar Gods eeuwigheid en Gods Drie-persoon-zijn. De aureolen die de hoofden van de engelen omstralen schijnen als drie zonnen in de helderste kleuren van de icoon. De Oosterse Kerk omschrijft dit zo : ze zijn  immers in drie personen het ene licht van drie zonnen. De bezoekers zitten rond de tafel waarop één beker staat : de éne , voor allen gemeenschappelijke spijs en drank. Ook het goud van hun vleugels en het blauw dat ze in hun kleding en onder hun vleugels dragen wijst op één godheid, die alles gemeenschappelijk heeft. Alle drie hebben ze dezelfde pelgrimsstok die erop wijst dat God geen egpïstische of in zich berustende God is, maar de ene God die op tocht gegaan is naar zijn schepping toe. Twee grote gespreksthema’s vullen de ruimte. Twee thema’s die nauw met elkaar verbonden zijn. Daarom is het bijeenzijn van de drie nu van zo grote betekenis. Ze hebben een belangrijke beslissing te treffen en ze willen dat doen in een goddelijke eensgezindheid.

Roeblov zelf wilde dat men zijn icoon verstond als het besluit van de Heilige Drie-eenheid tot de menswording van de Zoon. En daarmee komt er een volledig nieuwe trek in de afbeelding van de Drie-eenheid. We staan daarmee aan de oorsprong van het denken over God. Want zolang God is heeft Hij zich tot de wereld uitgesproken . Ook als de wereld zich ven Hem afkeert, houdt Hij er van. Daarom moet deze beslissing van de Heilige Drie-eenheid genomen worden. Het worstelen om het ‘ja’ van de Vader is nog niet afgesloten. Het definitieve Ja tot deze opdracht is nog in wording. Met dit ‘ja’ van de Zoon, wil de Vader de wereld verlossen. Dit is het eerste gespreksthema van de Drie. De verlossing en bevrijding van de wereld uit alle demonische macht.

En het tweede thema : God wil de wereld naar zich toe trekken, thuis laten komen bij Hem en opnieuw één met de wereld zijn. Daarom wil de Vader afstand doen van de Zoon, koste wat het wil, opdat de Zoon de mensen zou benaderen, als het ware aan huis zou gaan bezoeken. De beraadslaging tot dit ‘Ja’ zien wij op de icoon. Dit ‘Ja’ wordt des te belangrijker, omdat het voor de Zoon niet een ‘Ja’ is, dat wellicht roem en eer meebrengt, het is het bewuste ‘Ja’ voor een leven van mislukkingen, fiasco’s, dood. Dood aan een Kruis. Wat zal het antwoord zijn van de Zoon ? Wordt het slechts een ‘Ja’ woord ?

De Geest :

De engel rechts die (waarschijnlijk) de Heilige Geest verzinnebeeldt, stemt zonder voorbehoud toe en laat  zijn grenzeloze bereidheid en beschikbaarheid erkennen. In zijn gelaatsuitdrukking zien wij de Trooster, die troost brengt en troostend bijstaat. Zoals een Russische Theoloog het ooit zei, is Hij de goede bron van alle goedheid. Met deze overgave troost Hij de Zoon Jezus, die om de wereld te redden, zich vernederen en ontledigen laat tot in de Godsverlatenheid toe om onder de mensen als hun dienaar te zijn, om hen te redden uit hun ik-zucht en liefdeloosheid.

Daarom kan de engel die de Heilige Geest mogelijks kan verzinnebeelden, niets anders dan zich naar de Zoon toebuigen. Maar moet dan de Zoon alléén in de wereld komen en de Geest niet ? Ja, ook Hij ! Hij zal niet enkel de Zoon begeleiden, Hij zal ook de mensen tot Hem voeren. Het zal Pinksteren worden op aarde, waar Hij zich zal uitstorten op alles en allen die Hem verwachten. Ja, ook Hij zal in de wereld komen om allen binnen te voeren in het wezen van God. Vuur wil Hij zijn, volheid van Gods liefdegloed. Hij zal mensen ervoor warm maken dat zij tot elkaar komen in éénheid en als broers eendrachtig samenwonen, opdat er vrede op aarde kan komen. Want liefde zoekt naar eenheid. Deze opdracht van de Heilige Geest schijnt aanvaard. Zo zal geschieden.

Bij het blauw komt in zijn bovenkleed ook nog het groen. . Zo openbaart zich Gods geest die door Zijn werken het heelal, de gehele schepping tot leven brengt en nieuw zal maken. Bewust van Zijn oneindige volheid en kracht, neigt zich de engel die de Heilige Geest verzinnebeeldt zich tot de engel in het midden met een liefdevol en beslist ja.

De Zoon :

De engel in het midden verzinnebeeldt (waarschijnlijk) de Zoon. Hij is het Woord van in de beginnen van de eeuwige Vader. De engel die de Zoon verzinnebeeldt, keert zich luisterend en  antwoordend tot de Vader. Wij zijn hier getuigen van een moment van het gesprek binnen het goddelijk samenzijn en hun eeuwige eensgezindheid. Omdat God geen zwijgende God is, geen oer-eenzame, geen éénvoudig-persoonlijke, maar een drievoudig persoonlijke God is, daarom zijn ze hier bijeen om in een gesprek het heil van de wereld voor te bereiden.

Er is hier geen tegenspraak van de zoon te ontdekken. Hier is enkel luisterende bereidheid tot een gruwelijke weg. Het bloedrood onderkleed herinnert aan het purper van de Byzantijnse Keizers, maar ook aan de ernst van de liefde, waarmee Jezus in plaats van de mensen gehoorzaam wil zijn. Een weg die leidt tot de dood aan het Kruis. Deze weg wil voorzeker overwogen en bezonnen zijn.

Alleen bij Hem is het blauw van de hemelse godheid en waarheid tot bovenkleed geworden. Want juist in Jezus wil de godheid zich openbaren en veruitwendigen.

De boom achter de middelste engel stelt de levensboom van het paradijs voor. Volgens een oude legende met een diepe zin, werd het Kruis van Golgotha gemaakt uit de levensboom uit het Paradijs. Zal Hij het kunnen dragen ?

Zijn hoofd neigt zich naar links, naar de vader. Zijn knie, zijn armen en de geopende vingers, die aan een zegenend gebaar doen denken, wijzen naar rechts, naar de Heilige Geest. Als wou Hij verwijzen naar Hem, die uit alles wat hij bevrijdt, de goddelijke bijstand die hem terzijde staat in leven en sterven duidelijk wordt.

De Vader :

De engel links zit zo te zeggen helemaal rechtop op zijn troon. Hij verzinnebeeldt (waarschijnlijk) God de vader. De bijna loodrecht gehouden pelgrimsstok in Zijn hand onderlijnt de rechte houding. Zijn bovenkleed in roze en goud, kleuren die de hoogste in rang aanduiden, verraden in Hem de ‘Oorsprong’, de bron van alle goedheid en daarom van alle leven.

Van  Zijn blauw onderkleed is enkel maar een heel smalle streep te zien. De Vader woont in het ontoegankelijk licht. Geen mens heeft Hem ooit gezien, of is in staat Hem te zien. Het is voor de Christelijke kunst steeds bijzonder moeilijk geweest de Vader voor te stellen. Want Hij heeft zich als Vader nooit aan de mensen getoond. Alleen in Zijn Zoon wil Hij zich aan de wereld tonen.

Wanneer de byzantijnse kunstenaars God de Vader als de Albeheerser, als de Pantocrator wilden afbeelden in de koepels der kerken, lieten ze het beeld van Jezus op zich inwerken en zetten dit laatste in de plaats van de ongenaakbare, onzichtbare God de Vader, de Pantocrator. Jezus is toch het beeld van de onzichtbare God.

Ook Roeblov wil op zijn manier de onzichtbaarheid en ontoegankelijkheid van God de Vader aanwijzen, die hij in de engel links  (waarschijnlijk) voorstelt. Daarom schildert hij van het onderkleed maar een kleine smalle streep, nauwelijks zichtbaar onder Zijn bovenkleed. Van de drie goddelijke Personen heeft de Vader zich op directe wijze het minst aan de wereld geopenbaard.

Roeblov is er in geslaagd de drie Personen van de Drie-eenheid niet alleen in gesprek met elkaar te tonen. Hij maakt ons de innigste band van een één-zijn in liefde zichtbaar, die bepalend zijn voor het drievoudig persoonlijk leven van God.  Het grote thema van deze icoon is de beweging van de éné persoon naar de andere toe. Hier trekt niemand iets naar zich toe, want onze God is niet zoals de goden der wereld, die aan zichzelf denken, die naar zich toe trekken, voor zich opeisen. Onze God leeft in betrokkenheid op de ander en kijkt voortdurend naar de ander uit. Ja, inderdaad, hier wordt , niet geëist. Hier neigt zich de ene persoon naar de ander, en schenkt hem Zijn liefde.

Het is uit dank voor deze overgrote liefde van de Vader, dat zich de Zoon en de Heilige Geest dankbaar antwoordend  overgeven. Deze beweging van het dankbaar antwoord is zo sterk, zo geweldig, dat ze als een stormgloed het intiem goddelijk bereik overstijgt.

Dit gebeuren wil de hele schepping in de vreugde en de Vrede, in de dankbaarheid en overgave betrekken. Ook de berg en de boom op de achtergrond, beeld van levenloze en levende natuur, moeten helemaal aan deze beweging, die alles door Jezus naar de Vader stuwt, deelnemen.

Vanuit deze beweging van steeds circulerende liefde, van de ene goddelijke persoon naar de andere toe, moet de beslissing  van de Zoon getroffen worden. Hier wordt de wil van de drie personen geboren. Hun eenheid in liefde wil ons mensen binnendragen in het geopende en gastvrij op ons wachtende Vaderhuis. Thuiskomen, thuis-zijn ! De mens staat voor de uitnodigende blik van de Vader, die hem wil binnenleiden in Zijn goddelijke Liefde. Hij wil hem van alle kanten met liefdevolle kracht omgeven, als het ware zijn hand boven hem houden, met deze macht der liefde hem nieuw maken, zodat het doen en laten van de mens louter liefde zou zijn.

God heeft een doel : het god-verlaten zijn, het zijn zonder God moet een einde nemen. De Vader wil zijn mensen omvormen tot liefde : Hij wil dat iedereen vol wordt van liefde, thuiskomt in de liefde, en uiteindelijk zelf liefde wordt. Dit alles wil Hij waarmaken. Wat voor een heilige bedoeling, wat voor een wonderbare liefde !

De Kelk

In het midden van de icoon staat op de tafel een kelk, met een kleine kalfskop daarin. Het kalf was in veel wetten van het Oude Testament bestemd voor het offer. Het wordt op Roeblovs icoon tot zinnebeeld van Gods zoenoffer. Zo ziet het raadsbesluit van de Drie-ene God eruit. Jezus Christus zal tot zoenoffer voor de zonden van de mensen worden.

Bescheiden maar toch vastbesloten is het gebaar waarmee de Vader naar de kelk wijst.

Dit gebaar is tegelijkertijd bevel en uitnodiging. Maar ook een bewijs van de allergrootste liefde. De Vader bestemt zijn eigen Zoon voor het offer. De Zoon heeft het bevel verstaan en buigt zich beamend naar de vader toe.

De hand van de Zoon rust zwaar op de tafel. En ook Zijn gezicht toont dat hij zich de ernst van de opdracht bewust is. Biddend en zoekend naar hulp neigt zich daarom de stok van de Zoon naar de Heilige Geest, die vol stille weemoed zijn bereidheid om mee te werken aan het verlossingswerk tot uitdrukking brengt bij het begin en bij de voltooiing. Hij is de bijstand, die hem terzijde staat.

Kruis als levensboom

De verlossing zal werkelijkheid worden op de levensboom van het kruis. Het hout van het kruis is bereid en neigt zich naar de Zoon toe om Hem als zijn schoonste vrucht aan te nemen. Dit heilsgebeuren wordt door het Bloed tot werkelijkelijkheid.  Maar niet door het Bloed van Jezus Christus, die het eens en voorgoed zal vergieten om zo verlossing te bewerken voor alle tijden.

Het bloedrode onderkleed wijst op de bloedige voltrekking van dit verlossingswerk. Waarom is uw gewaad zo rood en zijn uw kleren als die van een druivenperser, vraagt de profeet Jesaja aan de Messias ? En het antwoord luidt : ‘Ik heb geheel alleen de wijnpers getreden en van mijn volk was er niemand om mij te helpen’. Golgotha, schande en dodenheuvel, voor de stadsmuren van Jeruzalem. Daar valt de Mensenzoon definitief in de handen van de mensen. Zijn leven dat de Zoon offert, neemt de Vader aan als plaatsvervangend voor de gehele schuld van alle mensen. Hij heeft het doorstaan. Het is volbracht. Jezus’dood betekent een brug voor ons. De weg naar de Vader is open. De dood is mee opgenomen in de zege.

Pelgrimsstok

De pelgrimsstok in de hand van de engel wijst naar onder, naar de plaats waar de mensen wonen, uit het donker vanwaar God zo ver is, kan de mens bevrijd worden. Zonde en dood moeten wijken voor het goddelijk licht en de vreugde. Nu is het verlossingswerk van de Drie-ene God volop bezig. God zelf trekt de mens omhoog uit zijn liefdeloosheid en zijn ik-zucht waarin hij gevallen was en plaatst hem in de navolging van Christus. Zij die verloren waren horen het reddend woord en aanvaarden het. Al zijn uw zonden rood als scharlaken, ze zullen witter worden dan sneeuw. Dat mogen all weer thuisgekomen verloren zonen beleven. God zelf droogt hun tranen van berouw en boete. Het zal wel niet louter toevallig zijn dat de groep van de Drie-eenheid maar één weg openlaat waarlangs wij toegang hebben tot Hem. De achtergrond is door de vleugels van de engelen afgeschermd. Ook van de zijkanten is geen toegang. Het perspectief van de zitbanken sluit de toegang af en verplicht ons de engelengroep eerbiedig rond te gaan tot we er voor staan, voor het altaar tegelijkertijd.

Maar kijk ! Helemaal beneden tussen de voetbanken van de engelen links en rechts blijft er een ruimte vrij. Deze groene ruimte heeft de vorm van een kelk die naar boven naar het altaar wijst.

Hier wordt ons toegang verleend tot de gemeenschap van de Drie-persoonlijke God. De opening die wij aan de voorzijde van roeblov’s altaar zien wil ons duidelijk maken van welke aard onze roeping zal zijn. De opening is voor de relieken van de martelaren bestemd. Ook wij zijn geroepen om getuigen van Christus te zijn tot aan het uiteinde der aarde. Ook voor ons blijft er slechts één toegang om tot de kring der heilige Drie-eenheid te geraken. Het is de toegang die aan de opening van de relieken van de martelaren voorbijgaat. Langs deze weg worden wij mee opgenomen in het eeuwige drievoudig-persoonlijke gesprek, niet als stomme toeschouwers of als dove toehoorders, maar als actieve gesprekspartners, als leerlingen van Jezus die het Oude en voorbij gaande laten voor wat het is, om Hem te volgen en te dienen die het eerst Zijn leven voor ons gaf. Mag het ons ook veel kosten, hier gaat het erom Jezus lief te hebben, zich aan Hem over te geven en Hem te eren door de inzet van ons hele leven. Hier roept de Heer van het leven ons toe : ‘Komt allen tot Mij die uitgeput en onder lasten gebukt gaat en volgt Mij na’.

Abba ! Vader !

En Gods heilige Geest, die ons alle waarheid leert, roept biddend in ons : ‘Abba, Vader!’.

Door de Heilige Geest zijn wij echt opgenomen binnen de kringloop van de liefde, die ons van alle kanten omgeeft. En als wij in de Heilige Geest opnieuw geboren worden, dan hebben wij ook een levendige hoop en een roeping dat dit alle moeite waard is te leven.

In de navolging van Jezus bereikt ons leven en ons liefhebben in de Heilige Geest het doel van alles : de Vader.

Het onmogelijke is voor de mens mogelijk geworden. Er is uit dit besluit in liefde van de Drie-ene iets nieuws geboren. Door Hem en met Hem is leefbare gemeenschap haalbaar geworden. Het broederlijk samenzijn van mensen in stad en land, in de kerk en andere gemeenschappen, komt voort uit dit heilig voorbeeld. Gods eenheid in liefde bewerkt onder ons deze heilige broederlijke eenheid in liefde.

‘God, hebt Gij een doel met ons leven, roept Gij ons tot deze navolging ? Wilt Gij dat wij één zijn in uw Liefde Ja, Vader, uw wil geschiede ! Ook onder ons. Mogen wij door uw Heilige Geest vol worden van Uw Liefde!’

De duitse tekst is van Gerhard Jan Rötting (Jesus-Bruderschaft)

Vertaling en bewerking : Kris B.

 

Kallistos Ware : Over de dood en de Verrijzenis

•                         

Over de dood en de verrijzenis

(Pour le texte en français : cliquez ici !)

Door Metropoliet Kallistos Ware

 Verrijzenis 5

DE KONINKLIJKE DEUREN OPENEN ZICH !

In de cultus van de russisch Orthodoxe Kerk, blijven de  centrale deuren van de iconostase tijdens de gebeden, die het begin van de Eucharistie voorafgaan, gesloten. Wanneer de Goddelijke Liturgie begint, gaan de deuren open, het heiligdom komt tevoorschijn en de priester zingt  het inleidend zegengebed.

Het is dit essentieel moment dat prins Eugène Troubetskoï (1863-1920), filosoof en russisch religieus, opriep in zijn laatste woorden op zijn sterfbed : ” De koninklijke deuren openen zich ! De grote Liturgie kan beginnen”. Voor hem was de dood geen poort die zich sluit maar een poort die zich opent, geen einde, maar een begin. Naar het voorbeeld van de eerste Christenen heeft hij de dag van zijn dood ervaren als een geboortedag.

Ons menselijk bestaan kan vergeleken worden met een boek. De meeste mensen beschouwen hun leven hier beneden als de  reële tekst, zij zien het toekomstige leven ,althans de voornaamste periodes ervan, – in de mate natuurlijk dat ze geloven in de realiteit ervan – als een  eenvoudig aanhangsel. Een authentieke christelijke houding is juist het tegenovergestelde. Ons huidig leven is in werkelijkheid niets meer dan het voorwoord., de inleiding op het boek ; het toekomstige leven vormt daarentegen de belangrijkste  gebeurtenis. Het moment van de dood vormt niet de conclusie van het boek, maar het begin van het eerste hoofdstuk. In verband met dit eindpunt, dat in werkelijkheid een vertrekpunt is, moet men zich twee dingen voor ogen stellen die zo evident zijn, dat men ze gemakkelijk vergeet. Vooreerst is de dood een onoverkomelijk en zeker feit. Vervolgens is de dood een mysterie. Wii moeten dus de dood beschouwen met tegengestelde gevoelens, met matigheid en realisme enerzijds,en met vrees en verwondering anderzijds.

In dit leven is er slechts één ding waar we zeker kunnen van zijn : wij zullen allen sterven – ten minste, indien  Christus’wederkomst niet daarvóór gebeurt. De dood is het enige feit dat vaststaat, dat onvermijdelijk is, waar de mens moet op rekenen. En indien ik het probeer te vergeten, indien ik mij wil verbergen voor haar onvermijdelijk karakter ervan, dan ben ik al verloren. Het ware humanisme in onscheidbaar van het bewustzijn van de dood. Het is slechts door de realiteit van mijn nakende dood te trotseren en te aanvaarden dat ik waarachtig zal kunnen leven. Zoals D.H.Lawrence het heeft geconstateerd : “Zonder de zang van de dood is de zang van het leven onbeduidend en belachelijk”. Door de dimensie  van de dood beroven  wij het leven van  haar  ware grootheid.

Metropoliet Antoine van Souroge heeft het ook met kracht gezegd :  “De dood is de hoeksteen van onze houding tegenover het leven. Zij die angst hebben voor de dood, hebben ook angst voor het leven. Het is onmogelijk om geen angst te hebben voor het leven met al zijn complexiteiten en al zijn gevaren, indien  men angst heeft voor de dood (….). Indien wij schrik hebben voor de dood, zullen wij nooit klaar zijn om het ultieme risico te nemen, dan zullen wij ons leven laten voorbijgaan op een lafhartige, behoedzame en angstvallige manier. Het is slechts door de dood onder ogen te durven zien, door de plaats te bepalen die haar toekomt en ook onze plaats ten overstaan van haar, dat wij in staat zullen zijn om zonder vrees te leven en tot het uiterste van onze mogelijkheden te gaan” . (1)

Nochtans zou ons realisme en ons besluit om een betekenis te geven aan de dood niet mogen leiden tot een beperking van een tweede waarheid : het mysterieuze karakter van de dood.  Ondanks alles wat de verschillende religieuze tradities ons ook mogen vertellen : wij begrijpen bijna niets van “dit onbekend land waaruit geen enkele reiziger  terugkeert….” . Het is waar  wat Hamlet zegt : dat “de vrees voor de dood de wil in verwarring brengt”. Wij moeten weerstaan aan de bekoring om té ver te gaan zoeken en té veel te gaan zeggen.  Men moet de dood niet banaliseren . Het is een onoverkoombaar en zeker feit, maar ook de grote onbekende.

De Heilige Isaak de Syriêr (VIIe eeuw) drukt heel goed de eenvoudige realistische houding uit die men moet hebben ten overstaan van de dood : “Leg in uw hart, o mens, de gedachte dat je moet vertrekken. Zeg zonder ophouden : Zie, de engel die mij komt zoeken staat aan de poort. Waarom ben ik hier , om te doen alsof er niets aan de hand is  ? Mijn vertrek is voor altijd ; er zal geen terugkeer zijn’. Breng de nacht door met deze gedachte, mediteer hierover tijdens de ganse dag. En wanneer het moment van het vertrek komt, aanvaart het met vreugde, zeggende : ‘Kom in vrede ! Ik wist dat je zou komen en ik heb niet verwaarloosd  om op mijn weg te doen wat mij hiertoe nuttig zou kunnen zijn”  (2).

Over de plaats van de dood in ons leven en ons standpunt hiertegenover, volstaat het om drie dingen goed voor de geest te houden. Vooreerst : de dood is dichter bij ons dan wij het vermoeden. Vervolgens : zij is in geheel niet natuurlijk , zij is totaal tegengesteld aan het goddelijk plan, alhoewel zij toch een gave van God is. Tenslotte : het is een scheiding die geen scheiding is.

 LEVEN – DOOD,  DOOD – LEVEN

De dood is niet eenvoudigweg een ver verwijderde gebeurtenis die onze aards bestaan komt afsluiten, het is een gebeurtenis die reëel tegenwoordig is, die zich als maar verder rondom ons en in ons  voltrekt. “Elke dag zie ik de dood van nabij”, zegt de Apostel Paulus (1 Kor.15,31) ; “Elk ogenblik is de tijd van de dood” ,gaat T.S. Eliot nog verder. Alles wat leeft is een vorm van dood ; wij sterven de ganse tijd. Maar in deze dagelijkse ervaring wordt elke dood gevolgd door een nieuwe geboorte : elke dood is tevens een vorm van leven. Leven en dood staan niet tegenvover elkaar, zij sluiten mekaar niet uit, maar zijn met mekaar verweven. Gans ons menselijk bestaan is een mengeling van dood en verrijzenis. ” Als stervenden, en zie, toch zijn wij in leven” (2 Kor.6,9). Onze reis op deze aarde is een onophoudelijk Pasen, een voortdurende tocht van de dood naar een nieuw leven. Tussen onze aanvankelijke geboorte en onze uiteindelijke dood is gans de loop van ons bestaan samengesteld uit een reeks  “kleine” dood en geboorten.

Telkens wanneer wij gedurende de nacht inslapen, hebben wij een voorsmaak van de dood ; elke keer dat wij de volgende morgen ontwaken is het alsof wij opstaan uit de dood. Een joodse zegenspreuk zegt : “Gezegend zijt Gij o Heer onze God, Koning van het heelal, die elke ochtend uw wereld herschept” . Zo gaat het ook op dezelfde manier met ons : elke morgen als we ontwaken, zijn wij als herschapen. Wellicht zal ook onze ultieme dood op dezelfde wijze een  “herschepping” zijn, een inslapen gevolgd door  een ontwaken.

Wij hebben geen schrik om elke nacht in te slapen, omdat wij weten dat wij terug zullen ontwaken de volgende morgen. Kunnen wij dan ook niet hetzelfde vertrouwen hebben tegenover ons ultieme inslaping bij de dood ? Zouden wij dan niet kunnen rekenen op een ontwaken, herschapen, in de eeuwigheid ?

Dit model van leven-dood vinden wij ook, een beetje verschillend, in het proces van onze groei. In elke etappe moet er iets in ons sterven om naar de volgende etappe in ons leven te gaan. De overgang van zuigeling naar kind, van kind naar de adolescentie, van de adolescentie naar de rijpe volwassenheid, betekent telkens ee innerlijke dood die een voorwaarde is voor de geboorte in iets nieuws. En deze overgangsperiodes, in het bijzonder deze van het kind naar de adolescentie, kunnen een bron van crisis zijn, zelfs zeer pijnlijke. Maar indien wij op een bepaald moment deze noodzaak om te sterven weigeren te aanvaarden, dan kunnen wij ons niet ontwikkelen tot echte personen. Zoals Georges MacDonald het schrijft in zijn roman Lilith, “Je zal dood zijn in de mate dat je zal weigeren te sterven” . Het is juist de dood van het oude, dat het nieuwe mogelijk maakt in ons. Zonder de dood kan er geen nieuw leven zijn.

Indien volwassen worden een vorm van dood zijn is, zo is het ook met betrekking tot het begin, de scheiding van een plaats of een persoon die we hebben liefgehad. Het zijn scheidingen in onze voortdurende groei naar rijpheid. Ten minste moeten wij op een dag de moed hebben om onze vertrouwde omgeving te verlaten, van ons te scheiden van onze actuele vrienden en van nieuwe banden te smeden. Wij zullen nooit kunnen realiseren wat we allemaal in ons hebben, ons daadwerkelijk beschikbaar vermogen. Door té lang te blijven steken in het oude, weigeren wij de uitnodiging te aanvaarden voor het nieuwe. Om de woorden van Cecil Day Lewis te hernemen : ” De differentiatie begint bij een vertrekpunt, en het is in de keuze van het loslaten dat men getuigt van de liefde”.

Een ander soort loslaten die wij op een dag zullen moeten trotseren is bv. de ervaring van het afwijzen, wanneer wij gaan solliciteren voor werk – hoeveel jongeren die pas afgestudeerd zijn van school of universiteit moeten vandaag de dag doorheen deze bijzondere vorm van de dood gaan ! Het afwijzen in de liefde. Er is dan iets wat werkelijk afsterft in ons wanneer wij ontdekken dat onze liefde zonder antwoord blijft en dat iemand anders de voorkeur geniet in onze plaats. En nochtans kan deze dood een bron zijn van nieuw leven. Voor vele jongeren is het mislukken in de liefde juist het begin van de rijpheid, hun inwijding in het volwassen zijn. De droefheid, het verlies van een geliefde, betekent tevens een dood in het hart van diegene die achterblijft. Wij hebben de indruk dat een deel van onszelf er niet meer is, dat wij beroofd zijn van een ledemaat. De droefheid wanneer men ze het hoofd biedt en innerlijk heeft aanvaard, maakt van ons meer authentisch levende mensen dan voordien.

Voor vele gelovigen, is de dood van het geloof – het verlies van onze meest intense zekerheden (minstens de in het oog springende) over God en de betekenis van het bestaan – bijna even traumatiserend als het verlies van een vriend of een echtgenoot. Maar dit is ook een ervaring van dood-leven waar wij moetedoorheen gaan opdat ons geloof zou rijpen. Het authentieke geloof is een permanente dialoog met de twijfel. God overtreft oneindig datgene wat wij over Hem kunnen zeggen; onze geestelijke concepten zijn afgodsbeelden die moeten gebroken worden. Om volkomen levend te zijn, moet ons geloof voortdurend sterven.

In al deze gevallen zien wij dat de dood geen destructief, maar een creatief karakter heeft. Het is door de dood dat de verrijzenis komt. Iets wat sterft is iets wat geboren wordt ten leven. Is de dood die ons bij het einde van ons aardse leven overkomt niet van dezelfde orde ? Is zij niet de uiterste en meest formidabele dood-verrijzenis onder alle andere die wij hebben gekend sedert onze geboorte ? Verre van er totaal van afgesneden te zijn is de dood de meest omvangrijke en de meest volledige uitdrukking van alles wat wij in de loop van ons leven hebben meegemaakt. Indien de kleine vormen van dood waardoor wij moesten passeren ons geleid hebben naar iets wat ons overtreft, naar een verrijzenis, waarom zou dit dan ook niet waar zijn van het grote moment van de dood, wanneer de tijd gekomen is om deze wereld te verlaten ?

Maar het is niet alles. Voor de Christenen haalt dit model van dood – verrijzenis, dat zich  herhaalde malen heeft voorgedaan in ons leven , zijn diepste betekenis in het leven, de dood en de Verrijzenis van onze Redder Jezus Christus. Onze eigen geschiedenis moet begrepen worden in het licht van Zijn geschiedenis die wij elk jaar celebreren gedurende de Heilige Week, maar ook elke zondag in de Eucharistische Liturgie. Al onze kleine vormen van sterven en verrijzen vormen doorheen de geschiedenis een eenheid met Zijn  definitieve Dood en Verrijzenis, onze kleine vormen van Pasen worden opgeheven en herbevestigd in Zijn grote Pasen. De dood van Christus, volgens de liturgie van de Heilige Basilios, is een “scheppende dood van leven”. Zeker van zijn voorbeeld geloven wij dat ook onze dood  “een schepping ten leven” kan zijn. Christus is onze voorloper en aanvang. Zoals ook de orthodoxe Kerk in de homilie toegewezen aan de Heilige johannes Chrysostomos het  bevestigt tijdens de Paasnacht : “Dat niets de dood vreze, want de dood van Christus is ons geopenbaard; Hij heeft ze doen verdwijnen na (…) te hebben ondergaan. Christus is Verrezen, nu heerst het leven. Christus is verrezen, er is geen dood meer  in het graf” (3).

 DE DOOD IS A-NORMAAL

De dood is dus onze gezel tijdens gans ons leven, als een dagelijkse permanente ervaring en herhaald tot in het oneindige. Nochtans, hoe vertrouwd zij ook is, ze blijft altijd een niet-natuurlijk gegeven. De dood maakt geen deel uit van het vooropgestelde plan van God voor Zijn schepping. God heeft ons geschapen, niet opdat wij zouden sterven, maar opdat wij zouden leven. Meer nog, Hij heeft ons geschapen als een ondeelbare eenheid. Vanuit het standpunt van de Joden en de Christenen, moet de menselijke persoon gezien worden in termen van ‘geheel’ (holistisch) zijn : wij zijn geen ziel die tijdelijk gevangen zit in een lichaam en die ernaar verzucht om eruit bevrijd te worden, maar een geïntegreerde totaliteit die lichaam en ziel omvat. Carl Gustav Jung had gelijk toen hij  de nadruk legde op wat hij een ‘mysterieuze waarheid’ noemde : “De geest is het levend lichaam gezien vanuit het innerlijke, en het lichaam is de uiterlijke manifestatie van de levende geest – de twee zijn werkelijk één”. Indien wij als dusdanig een scheiding maken tussen ziel en lichaam, dan is de dood een hevige aanslag op de eenheid van de menselijke natuur.

Indien de dood iets is wat ons allen te wachten staat, dan is zij in het diepste zelf a-normaal. Zij is afschuwelijk en tragisch. Voor de dood van onze naasten en onze eigen dood, wat ons realisme, onze gevoelens van droefheid ook mogen zijn, is onze huivering en zelfs onze verontwaardiging gerechtvaardigd : “Kom niet zacht binnen in die goede nacht. Tiert, ga tekeer tegen het verdwijnen van het licht” zegt de dichter Dylan Thomas. Jezus zelf heeft geweend voor het graf van Zijn vriend Lazarus (Joh.11,35); en in de hof van Gethsemanie, was Hij vervuld van angst voor het dreigende vooruitzicht van zijn eigen dood (Matth.26,38). De Apostel Paulus beschouwd de dood als een ‘vijand die moet vernietigd worden’ (1 Kor.15,26) en hij heeft het nauw verbonden met de zonde : “De prikkel van de dood is de zonde” (1 Kor.15,56). Het is omdat wij allen leven in een verscheurde wereld – in een wereld met een verstoord evenwicht, waar onenigheid heerst, een gekke wereld, een afgestompte wereld – dat wij zullen sterven.

Nochtans, zelfs al is de dood een tragisch gebeuren, zij is ook en tezelfdertijd een zegen. Alhoewel zij geen deel uitmaakt van Gods plan met de mensheid, is zij toch een gave van God, een uitdrukking van Zijn barmhartigheid en Zijn medelijden. Voor ons mensen die in deze verscheurde wereld leven, gevangenen voor altijd in de vicieuze cirkel van de vijand en de zonde, is dit een vreselijke en ondraaglijk noodlot. Daarom heeft God ons een uitweg aangeboden. Hij heeft de eenheid van ziel en lichaam gebroken, om hen dan opnieuw te kunnen herscheppen en te verenigen op de laatste dag, als de lichamen zullen verrijzen, en hen mee te voeren naar de volheid van het leven. Hij is als de pottenbakker die door de profeet Jeremias wordt geobserveerd : “Ik daalde af bij de pottenbakker, maar de pot die de pottenbakker uit leem wilde maken, mislukte onder zijn hand; toen begon de pottenbakker opnieuw, en maakte er een andere pot van, juist als hij wilde” (Jeremias 18,4-5). De goddelijke pottenbakker legt zijn hand op de pot van onze nederigheid, beschadigd door de zonde, en Hij breekt hem om hem op zijn beurt te kunnen opnieuw maken en hem zijn oorspronkelijke schoonheid terug te geven. De dood, in deze betekenis is ook het instrument van ons herstel. Zoals de orthodoxe Kerk het zingt op haar begrafenisdienst : ” Eertijds hebt Gij me gehaald uit het niets om mij gelijkvormig te maken aan het beeld van God, maar ik heb uw wet geschonden en Gij hebt mij overgeleverd aan de aarde waaruit ik genomen was, laat mij nu terugkeren naar uw gelijkenis en herstel mijn eerste schoonheid” (4). In het epitaaf (grafschrift) welke hij voor zichzelf had samengesteld, schrijft Benjamin Franklin : ” Hier ligt het lichaam van Benjamin Franklin, drukker, als  een kaft van een oud boek, zijn inhoud is opgebruikt en verstoken van zijn letters en zijn goud. : ze voeden  de verzen ! Het werk zal echter niet verloren gaan, want zoals hij het geloofde, zal het opnieuw verschijnen in een nieuwe en veel mooiere editie, verbeterd en gewijzigd door zijn Auteur !”

Er is dus een dialectiek in onze verhouding tot de dood : maar de twee benaderingen zullen uiteindelijk niet tegenstrijdig zijn. Wij zien de dood als niet natuurlijk, a-normaal, tegengesteld aan het plan van de Schepper, maar we revolteren er niet tegen met droefheid en wanhoop. Wij beschouwen het ook als een deel van de goddelijke wil, een zegen en niet als een straf. Ze is ook een uitweg uit onze impasse, een middel van de genade, als de deur naar onze her-schepping. Het is onze terugweg. Om opnieuw de orthodoxe begrafenisdienst te citeren : ” Ik ben het verloren schaap : roep mij terug, o mijn Heiland, en red mij”. Wij naderen dus tot de dood met bereidwilligheid en hoop, met de Heilige Fransiscus van Assisië zeggend : “dat onze Heer zij geloofd voor onze zuster, de  lichamelijke dood” ; want doorheen deze lichamelijke dood, roept de Heer het kind van God tot zich terug. Over de grenzen van hun scheiding door de dood, zullen ziel en lichaam herenigd worden op de laatste dag. Deze dialectiek verschijnt duidelijk gedurende de orthodoxe begrafenis.  Niets wordt er gedaan om de droevige en schokkende realiteit van de dood te verduisteren. De kist blijft open, en het is dikwijls een pijnlijk moment wanneer familie en vrienden de één na de andere naderen om de overledene de laatste kus te geven. Nochtans is het tezelfdertijd, en dit op verschillende plaatsen het gebruik om geen zwarte klederen te dragen, maar witte dezelfde die men draagt voor de dienst van de Verrijzenis gedurende de paasnacht : want Christus, verrezen uit de doden, roept de overleden christenen op om Zijn eigen Verrijzenis te delen.  Het is niet verboden om te wenen tijdens een begrafenis; het is zelfs veeleer goed, want de tranen kunnen het effect hebben van een zalf en de wonde  is nog veel dieper wanneer de pijn wordt verdrongen. Maar we moeten niet diepbedroefd zijn “zoals de anderen die geen hoop hebben” (1 Thess.4,13). Onze droefheid, hoe hartverscheurend zij ook moge zijn, is geen wanhoop, want, zoals wij het belijden in de Geloofsbelijdenis : wij verwachten “de verrijzenis uit de doden en het leven van het komend rijk”.

COMMUNIO IN CHRISTUS

Ten slotte is de dood een scheiding die geen scheiding is. De orthodoxe traditie hecht het grootste belang aan dit punt. Levenden en doden behoren tot één enkele familie. De afgrond van de dood is niet onoverkomelijk want we kunnen elkaar terug ontmoeten rond het altaar van God. De Russische schrijver Iulia de Beausobre (1893 – 1977) zegt : “De Kerk (…) is het punt waar de doden, de levenden en hen die nog moeten geboren worden mekaar ontmoeten, in wederzijdse liefde zich verenigend rond de rots van het altaar om hun liefde voor God te verkondigen” (5). Het is dit, wat ook een andere Russische auteur, de priester Macaire Gloukharev (1792 – 1847), zegt in een brief aan een gelovige in rouw :  “In Christus leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Levenden en doden : wij zijn allen in Hem. Het zou juister zijn om te zeggen : wij zijn allen levend in Hem, er is geen dood. Onze God is geen God van doden, maar een God van levenden. Het is uw God, het is de God van de overledene. Er is slechts één God, en gij zijt verenigd in de Enige. Je kan alleen mekaar voor enige tijd niet zien, opdat de toekomstige ontmoeting vreugdevoller zou zijn. Dan zal niemand u deze vreugde kunnen ontnemen. Maar zelfs nu leef je samen; zij is alleen maar naar een andere kamer gegaan en heeft er de deur gesloten… De spirituele liefde kent geen zichtbare scheiding” (6).

Hoe kan men deze permanente communio handhaven ? Er is vooreerst een valse weg die sommigen aantrekkelijk vinden, maar die de orthodoxe traditie absoluut verwerpt. Neen, de communio tussen levenden en doden heeft niets te maken met de relevante praktijken van het spiritisme of magie. In een authentiek christendom is er geen plaats voor technieken die zich richten op het communiceren met doden, zoals het beroep doen op mediums bv. In feite zijn deze technieken zeer gevaarlijk. Diegenen die deze technieken opzoeken stellen zich dikwijls bloot aan demonische krachten. Het spiritisme is ook een uitdrukking van ongegronde nieuwsgierigheid, van het soort zoals iemand die probeert door het sleutelgat te kijken van een gesloten deur. Zoals Vader Alexander Eltchaninoff (1881 – 1934) : “Wij moeten nederig het bestaan van het Mysterie erkennen, en niet pogen om via een diensttrap naar omhoog gaan om aan de deuren te luisteren” (7)

Na datgene wat we tot hiertoe gezegd hebben, en de levens van de heiligen leren het ons, zijn er zeker gevallen waar doden rechtstreeks met mekaar in contact treden, of het nu in een droom is of doorheen visioenen. Maar we moeten van onze kant, niet proberen deze contacten te forceren.

Elk kunstmatig middel die er op gericht is om de doden te manipuleren is in strijd met het christelijk geweten. De communio die ons met de doden verenigt situeert zich niet op het psychisch niveau, maar op het spirituele, en de plaats waar wij met mekaar in contact treden is geen salon, maar de eucharistische tafel. Het enig geldig fundament van onze communio met de doden is de communio in het gebed, vooral in de celebratie van de Goddelijke Liturgie. Wij bidden voor hen, en terzelfdertijd zijn wij er zeker van dat ook zij voor ons bidden; en het is door deze wederzijdse voorbede dat wij verenigd worden over de grenzen van de dood heen, in een band van intense  en eeuwigdurende eenheid.

Bidden voor de doden is voor een orthodox christen niet zomaar een bijzaak, een optie ; het is daarentegen een aanvaard en onveranderlijk element van onze dagelijkse cultus. De gebeden die wij zeggen  zijn veelvuldig : “Vat van wijsheid die de mensen bemint en alles leidt in het licht van  het heil. Enige Schepper van wie allen ontvangen die tot  U bidden. Schenk Uw rust o Heer aan de zielen van Uw dienaars, want hun hoop is op U gericht, onze Auteur, onze Schepper en onze God”, en ook nog “Laat rusten onder Uw heiligen, de zielen van Uw dienaars, in een plaats waar geen smart, droefheid en geweegklaag is, maar waar het eeuwige leven is”, en nog : ” Schenk o Heer aan Uw dienaars de rust en plaatst hen in  het Paradijs,daar waar de koren der rechtvaardigen en heiligen schitteren als de sterren; geef hen, Heer, de rust en vergeef hen al hun zonden”.

Onder deze gebeden zijn er met een sombere ondertoon; zij roepen de mogelijkheid op van een eeuwige scheiding met God : “Van het vuur dat niet uitdooft, van de duisternissen zonder licht, van het knarsen der tanden, van de wormen die voortdurend knagen en van elke diepste smart, red onze overleden gelovigen”.

Deze voorbeden voor de doden hebben geen onverbiddelijke limieten. Voor wie bidden wij ? Stricto senso, in de publieke liturgische celebraties staan de orthodoxe regels de nominatieve gebeden niet toe, tenzij voor hen die gestorven zijn in de zichtbare communio met de Kerk. Maar er zijn gevallen waarbij onze gebeden veel langer zijn. Gedurende de vespers van Pinksterenzondag, worden zelfs gebeden gedaan voor hen die in de hel zijn : “Gij die op dit uitzonderlijk volmaakt en zaligmakend feest u gewaardigd hebt onze voorbeden te aanvaarden voor hen die in de hel zijn, en die ons in hoge mate de hoop gegeven hebt dat Gij de overledenen zult verlossen uit hun droefenis die hen verplettert, en geef hen hun verlichting…”(8).

Wat is de leerstellige basis van dit constante gebed voor de doden ? Hoe is het te verrechtvaardigen vanuit theologisch standpunt ? Het antwoord op deze vragen is buiengewoon eenvoudig en direct. De basis is onze solidariteit in de wederzijdse liefde. Wij bidden voor de doden omdat wij hen beminnen. De anglicaanse Aartsbisschop William Temple noemt dergelijke gebeden “het ministerie van de liefde”; en hij bevestigt het met de woorden welke elke orthodoxe christen tot de zijne zou willen maken : “Wij bidden niet voor hen omdat God hen zou verwaarlozen als we het niet doen. Wij bidden voor hen omdat wij weten dat Hij hen bemint en er zorg voor draagt, en wij vragen het voorrecht om onze liefde voor hen met die van God te verenigen”. En zoals Pusey het zegt : ” Weigeren om voor de doden te bidden is een zo koude gedachte, zo tegenstrijdig met de liefde, dat om deze enkele reden alleen al zij niet juist kan zijn .

Vanaf dat moment is geen enkele uitleg of rechtvaardiging van het gebed voor de overledenen nodig of zelfs mogelijk. En dergelijk gebed is eenvoudigweg de spontane uitdrukking van onze liefde voor elkaar. Hier op aarde bidden wij voor de anderen, waarom dan ook niet verder bidden  voor hen na hun dood ? Hebben zij opgehouden te bestaan      en zouden wij daarom moeten ophouden om voor hen te bidden ? Levenden of doden, wij zijn allen leden van eenzelfde familie. Zo moeten levenden en doden tussenbeide komen de een voor de ander. In de Verrezen Christus is er geen scheiding tussen doden en levenden; zoals Vader Macarius Gloukharev het zegt : “Wij zijn allen levend in Hem, er is geen dood”. De fysische dood kan de banden niet uiteen halen van de liefde en van het wederzijds gebed die ons allen verenigt in één  en hetzelfde Lichaam.

Zeker, wij begrijpen niet juist hoe een dergelijk gebed in het voordeel is van de overledenen. Zo ook, wanneer wij bidden voor de levenden, kunnen wij niet uitleggen hoe deze voorbede hen kan helpen. Wij weten uit onze eigen ervaring, dat onze bede voor onze naaste  werkt, en daarom doen we het verder. Echter, of zij zijn gericht op levenden of doden, deze gebeden werken op een manier die mysterievol blijft. Wij zijn onbekwaam om binnen te dringen in de juiste interactie van het gebed, in de vrije wil van een andere persoon, in de genade en de voorkennis van God. Wanneer wij bidden voor de overledenen, volstaat het te weten dat hun liefde blijft groeien en dat zij zo behoefte hebben aan onze steun. Laten wij de rest aan God over.

Indien wij daadwerkelijk geloven dat wij voordeel hebben van een ononderbroken  en blijvende communio met de doden, zullen wij de zorg moeten hebben om, in de mate van het mogelijke, over hen te praten, nu en niet in het verleden. Wij zullen niet zeggen “wij hebben elkaar lief gehad”, “wij waren zo gelukkig samen”, maar we zullen zeggen “wij houden nog van elkaar – nu méér dan ervoor”, “zij is mij dierbaarder dan ooit”, “wij zijn zo gelukkig samen”. Ik ken een Russische dame, lid van de gemeenschap van Oxford, die hardnekkig weigert dat men haar ‘weduwe’ noemt. Haar man is echter reeds jaren overleden, toch kan ze niet ophouden om te zeggen :”Ik ben zijn echtgenote, niet zijn weduwe”. Zij heeft gelijk.

Als we leren om over de doden zo te spreken, in het heden en niet in het verleden, zal dit ons helpen om een probleem op te lossen dat dikwijls bron is van angst voor vele mensen. Het komt te gemakkelijk voor dat men een verzoening met iemand waarvan we verwijderd zijn tot later uistelt . En dan komt de dood, voordat men zich met mekaar heeft verzoend. In een bitter zelfverwijt zijn we dan geneigd om te zeggen : “te laat, te laat, de mogelijkheid is voor altijd verdwenen, er kan niets meer gedaan worden”. Maar wij vergissen ons geheel, want het is niet te laat. En op dat moment kunnen wij naar huis terugkeren, en in ons avondgebed kunnen wij ons rechtstreeks tot de gestorven vriend wenden met wie we ruzie hadden. Wij kunnen dezelfde woorden gebruiken als toen hij nog levend en aanwezig was, en wij kunnen zijn vergeving vragen en onze liefde herbevestigen. Vanaf dat ogenblik zal onze wederzijdse relatie veranderd zijn. Zonder zijn gezicht te zien, noch zijn antwoord te horen, zonder te weten hoe onze woorden hem zullen bereiken, voelen wij in ons hart dat hij en ik een nieuwe aanvang hebben gemaakt. Het is nooit te laat om te herbeginnen.

DE VERRIJZENIS VAN HET LICHAAM

Blijft nog de vraag die zo dikwijls gesteld wordt en onmogelijk te beantwoorden is met onze kennis : de verrijzenis van het lichaam.Wij hebben gezegd dat de menselijke persoon in het begin door God geschapen werd als een ondeelbar eenheid van lichaam en ziel, en dat wij over de grenzen van de scheiding door de fysische dood, de ultieme hereniging van lichaam en ziel verwachten op de laatste dag. Een hollistische anthropologie (= een anthropologie die de gehele mens bestudeert nvdv) zet ons aan, om niet alleen in de onsterfelijkheid van de ziel te geloven, maar in de verrijzenis van het lichaam. Het lichaam maakt immers een integraal deel uit van de ganse menselijke persoon, gans onsterfelijk moet ook lichaam én ziel inhouden. Wat is in dit geval de relatie tussen ons actueel lichaam en onze verrijzenis in de komende tijd ? Hebben wij in deze verrijzenis hetzelfde lichaam als nu of een nieuw lichaam ?

Het beste antwoord is wellicht het volgende :  het lichaam zal terzelfdertijd het zelfde zijn en een ander. Christenen  verstaan de verrijzenis van het lichaam nogal dikwijls op een  simplistische en kortzichtige manier. Zij stellen zich voor dat de essentiële materiële elementen van het lichaam, die opgelost en verspreid zijn door de dood, op één of andere manier terug bijeengebracht zullen worden op de dag van het oordeel, zodat het opnieuw samengesteld lichaam exact dezelfde minuscule delen van materie zal hebben als ervoor.

Maar zij die een continuïteit bevestigen tussen ons actuele lichaam en ons lichaam op de laatste dag, hebben niet noodzakelijk zo een letterlijke visie over de dingen.De Heilige Gregorios van Nyssa bijvoorbeeld, in “De schepping van de mens” en “de Ziel en de verrijzenis”, geeft ons een meer overwogen en verbeeldingrijke voorstelling. De ziel schenkt aan het lichaam een duidelijk verschillende vorm (eidos); zij markeert het lichaam met een merkteken of iets dat karakteristiek is, en  niet van buitenaf is opgelegd , maar vanuit het innerlijk. Het is dit merkteken dat het lichaam het karakter of de innerlijke geestelijke staat van de persoon uitdrukt. In de loop van ons leven hier op aarde zullen de fysische componenten verschillende malen van vorm veranderen, maar in zoverre de vorm die door de ziel wordt uitgedrukt, een continuïteit bezit die niet door deze lichamelijke veranderingen onderhevig is, kan men zeggen dat ons lichaam hetzelfde blijft. Er is een oorspronkelijke lichamelijke voortzetting, omdat er een voortzetting (continuïteit) is in de vorm gegeven door de ziel. Zoals C.S. Lewis het zegt : “Mijn vorm blijft één, alhoewel de materie waarvan ze gemaakt is voortdurend verandert. Ik ben in dit opzicht als de kromming van een waterval”.

Tijdens de ultieme verrijzenis, vervolgt de Heilige Gregorios, zal de ziel ons verrezen lichaam tekenen met hetzelfde merkteken die het had gedurende dit leven. Het is niet nodig dat dezelfde fragmenten bijeengebracht worden; hetzelfde merkteken volstaat opdat het lichaam hetzelfde zou zijn. Tussen ons huidig lichaam en ons verrezen lichaam zal er dus een waarachtige continuïteit zijn, die men nochtans niet moet interpreteren op een té naïeve materialistische manier.

Daaruit volgt : indien het lichaam in deze betekenis hetzelfde blijft in de verrijzenis, zal het evenzeer verschillend zijn. Zoals de Apostel Paulus het zegt ; “Een ziele-lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst !”(1 Kor.15,44). “Geestelijk” mag hier niet geïnterpreteerd worden in de betekenis van “niet materieel”. Het verrezen lichaam zal altijd een materieel lichaam zijn, maar tezelfdertijd zal het getransformeerd worden door de macht en de glorie van de Geest. Zo zal het bevrijd worden van alle beperkingen van de stoffelijkheid zoals we dit nu kennen .

Voorlopig kennen wij de materiële wereld en onze eigen materiële lichamen slechts in het toestand van val, de kenmerken begrijpen die de materie zal bezitten in een niet gevallen wereld gaat ons verbeeldingsvermogen ver te boven.

Wij kunnen slechts in beperkte mate raden naar de transparantie en de vitaliteit, de lichtheid en de gevoeligheid waarmee ons verrezen lichaam, tegelijk materieel en spiritueel, zal worden bekleed op het einde der tijden. Zoals de heilige Efrem de Syriër (+373) het schrijft : “Kijk naar dit individu waarin een leger demonen hun woonplaats heeft gezocht : men wist niet dat ze zich daar bevonden omdat hun leger zich veel fijner en subtiler voordeed dan de ziel. In één lichaam, en volledig, heeft dit leger kunnen verblijven. Maar de lichamen  der rechtvaardigen, die opstaan op de dag der verrijzenis zijn honderd maal fijner en eveneens subtiler . Ze gelijken op een geest die in staat zal zijn te groeien naar eigen wens, samen te krimpen en klein te worden. Als iets kleins, is hij op één plaats, groot geworden, is hij overal… Maar inwelke mate zal dit paradijs nog volstaan voor al deze geesten, waarvan de substantie zo subtiel is dat zelfs de gedachten het niet kunnen vatten.(9) Dit is misschien wel de beste beschrijving die wij zouden kunnen bedenken over de glorie van de verrijzenis. Laten wij de rest over aan de stilte. “Datgene wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard” (1 Joh.3,2). Twee weken voor zijn dood vroeg men aan Ralph Vaughan Williams wat het toekomstige leven voor hem betekende. Hij antwoordde : “Muziek, muziek. Maar in de komende wereld, zal ik geen muziek maken, met alle moeilijkheden en wisselvalligheden dat dit tot gevolg heeft. Ik zal muziek zijn” “Je bent muziek zolang de muziek duurt”, schrijft T.S.Elioth. En in de hemel is de muziek eeuwig.

NOTAS

1. Sobernost, « On Death », 1-2,1979,p.8

2. Oeuvres spirituelles, » 34e discours » , Desclée de Brouwer, 1981, p. 215 (texte modifié sur la base de la traduction anglaise effectuée directement à partir du syriaque par le Monastère de la Sainte Transfiguration, Boston, Massachusetts, 1984, p. 315).
3. Pentecostaire, t.1, Grieks College van Rome, 1978, pp. 21-22.
4. Grand Euchologe et Arkhiératikon, Diaconie apostolique, 1992, p. 212.
5. Creative Suffering, Londres, 1940, p. 44.
6. 5. Tyszkiewicz et Dom Th. Belpaire, Écrits d’ascètes russes, Éditions du Soleil Levant, 1957, p. 104.
7. Ecrits spirituels, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 29), 1979, p. 42.
8. Pentecostaire, t.2, Grieks College van Rome, 1978, pp. 249-50.
9. » La Harpe de l’Esprit » , in Sebastian Brock, L’Oeil de Lumière, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 50), pp. 222-223.

Extrait du livre Le royaume intérieur, Cerf/Le Sel de la Terre, 1993.
Traduit de l’anglais par Lucie et Maxime Egger.

Vertaling nederlands : Kris Biesbroeck

kruisoosters

 

De Heilige Vaders volgend…. 5Florofsky)

„De heilige Vaders volgend “:

Vader Georges Florovsky en de Patristieke Traditie

De Heilige Vaders volgend…. Het was gebruikelijk in de Oude Kerk om leerstellige verklaringen in te leiden met uitdrukkingen als deze. Het decreet van Chalcedon begint precies met deze woorden. Het zevende Oecumenisch concilie begint haar beslissingen betreffende de Heilige Iconen zelfs op een explicietere en gedetailleerde vorm : ‘na het Goddelijk geïnspireerd onderricht van onze Heilige Vaders en de Traditie van de Katholieke Kerk (Denzinger 302).

Het was duidelijk méér dan enkel een beroep doen op de ‘oudheid’. De kerk beklemtoont namelijk altijd de identiteit van haar geloof voor allen. Deze identiteit en vereenzelviging met de Apostolische tijd is juist de opvallenste symboliek en teken van rechtzinnig geloof. Zoals de beroemde zin van Vincent van Lerins het zegt : ‘de Katholieke Kerk moet er zelf voor zorgen dat het het geloof van allen is, en dat het door allen geloofd moet worden (in ipsa item catholica ecclesia magnopere curandum est ut id teneamus quod ubique, quod semper, quod ab omnibus  creditum est)'(Commonitorium c. 2-3). Nochtans is de ‘oudheid’ op zich geen adequaat bewijs van het ware geloof. De archaïsche formules kunnen volkomen misleidend zijn.Vincent van Lerins was zich daar wel van bewust . Oude  gewoontes op zich garanderen nog niet de waarheid. Zoals de Heilige Cyprianus het zei : ‘Een verleden zonder waarheid, is een grote vergissing’ (Antiquitas sine veritate vetustas erroris est).

De ware traditie, volgens de Heilige Ireneüs  is slechts een traditie van ‘waarheid’ (traditio veritatis). En deze ‘ware traditie’ (true tradition) wordt slechts gewaarborgd door een vaststaand charisma van waarheid (charisma veritatis certum) door datgene dat vanaf het begin in de Kerk is bewaard in een ononderbroken successie van het Apostolisch ambt door de bisschoppen  : ‘Wie de apostolische successie  aanneemt moet de genade van de waarheid zeker ontvangen’ (qui cum episcopatus successione charisma veritatis certum acceperunt)

Aldus is de ‘traditie’ in de Kerk niet slechts een continuïteit van het menselijk geheugen, van riten en gewoontes. De traditie is daarentegen de continuïteit van Gods hulp, de voortdurende werking van de Heilige Geest. De Kerk is niet gebonden door de ‘tekst’, de ‘brief’ op zich, zij wordt constant bewogen door de ‘Geest’. Dezelfde Geest, de geest der Waarheid, die gesproken heeft door de profeten, die de Apostelen begeleidde, die de Evangelisten verlichtte, en die nog werkzaam is in de Kerk en haar in het volle begrip van de goddelijke waarheid leidt, van glorie tot glorie.

De heilige Vaders volgend… Dit is geen verwijzing naar een abstracte traditie, naar formules en voorstellen. Het is vooral een beroep doen op personen, op heilige getuigen.  Het getuigenis van de Vaders behoort wezenlijk en intrinsiek, tot de eigenlijke structuur van het orthodox geloof. De Kerk is evenzeer gebonden aan het kerygma ( heilsboodschap, verkondiging) van de Apostelen als aan de dogma’s van de Vaders. Allebei horen wezenlijk samen. De kerk is inderdaad ‘Apostolisch’, maar ze is ook ‘Patristisch’. En het is slechts door het ‘Patristisch’ zijn dat de Kerk onophoudelijk ‘Apostolisch’ is. De vaders leggen getuigenis af van de Apostoliciteit van de traditie. Er zijn twee stadia te herkennen die aan de basis liggen van het Christelijk geloof. Ons eenvoudig geloof moest structuur verwerven.Er was een innerlijke drang daartoe, een noodzaak in de overgang van Kerygma naar dogma. Inderdaad, de dogma’s van de Vaders zijn essentieel hetzelfde ‘eenvoudige’ kerygma die ons eens overgeleverd is en waarvan de apostelen getuigenis hebben afgelegd, eens en voor altijd. Maar nu is het kerygma-behoorlijk uitgesproken en ontwikkeld in een samenhangend geheel van onderling samenhangende getuigenissen. De apostolische prediking word niet alleen bewaard in de Kerk : ze leeft in de Kerk . In deze zin dat de leer van de kerkvaders een permanente deel is van het Christelijk geloof, een constante maatstaf of beslissend kenmerk  van het oude geloof, een ‘testis antiquitatis'(= getuigenis van het oude’), maar bovenal en vooreerst, een getuigenis van het oude geloof, ‘testis veritatis'(=getuigenis van de waarheid’). Bijgevolg is ons eigentijds beroep op de Vaders veel meer dan een historische verwijzing  naar het verleden. De opinie van de Vaders is een intrinsieke omschrijving  van de orthodoxe theologie, niet in mindere mate als de Heilige Schrift. Het kan er nooit van gescheiden worden. De Vaders zelf waren altijd dienaars van het Woord, en hun theologie was wezenlijk exegetisch. Dus, zoals het recent nog werd gezegd, ‘de Katholieke Kerk van alle tijden is niet enkel een kind van de Kerk der Vaders, maar ze is en blijft de Kerk van de Vaders(6).

Het belangrijkste onderscheid van de Patristieke theologie was haar ‘existentieel’ karakter. De Vaders theologiseerden, zoals de Heilige Gregorius van Nazianze het zei, ‘ op de wijze van de Apostelen, en niet op de wijze van Aristoteles’ (alieutikos ouk aristotelikos (Hom. 23,12). Hun theologie was altijd een ‘kerygmatische theologie’, zelfs wanneer het logischerwijze opgesteld en bekrachtigd werd met intellectuele argumenten. De uiteindelijke referentie was nog altijd het geloof, het spirituele bevattingsvermogen. Het volstaat in dit verband de namen te vermelden van de heilige Athanasios, de heilige Gregorius van Nazianze, de heilige Maximos de belijder. Hun theologie was een getuigenis. Los van het leven in Christus  heeft de theologie niets te getuigen. Indien de theologie los staat van een leven in geloof, zal ze al vlug degenereren tot inhoudloze redeneringen., een nutteloze ‘polylogia'(woordkramerij), zonder geestelijke gevolgen. De Patristieke theologie was geworteld in een daadwerkelijk geloofsgetuigenis. Het was geen zelf-verhelderende ‘discipline’ die met argumenten kon worden verduidelijkt zoals bij Aristoteles, zonder een voorafgaand spiritueel engagement. Deze theologie kon enkel worden ‘gepredikt’, of ‘verkondigd’ en niet eenvoudigweg ‘gedacht’ worden op een schoolse manier. Het werd gepredikt van op de preekstoel, verkondigd in het gebed en de heilige riten en kreeg haar daadwerkelijke gestalte in de gehele structuur van het Christelijk leven. Zo een theologie kan nooit worden gescheiden van het gebedsleven en van de praktijk van de deugd. ‘Het hoogtepunt van de zuiverheid. ‘Het hoogtepunt van zuiverheid is het begin van de theologie’ zegt de Heilige Johannes Klimakos (Scala Paradisi, grade 30). Anderzijds is theologie altijd, zo was het ook vroeger, niet meer dan ‘propaideutic’ (= een aanzet tot..), want haar uiteidelijke doel en bedoeling is en was  getuigenis te brengen van het Mysterie van de levende God in woord en daad. Theologie is geen doel op zichzelf, het is ‘maar’ een weg. Theologie geeft ons niet meer dan een ‘intellectuele contourvorm’ van het overgeleverde geloof, een ‘noetisch’ (= verstandelijk) getuigenis ervan. Alleen in een act van geloof wordt deze intellectuele contour gevuld met een levende inhoud. Maar toch is deze intellectuele contour onontbeerlijk. Christologische formules zijn actueel alleen maar van betekenis voor de gelovige, voor hen die de levende Christus hebben ontmoet, en Hem hebben aanvaard als God en Redder, voor hen die echt geloven in Hem, in Zijn Lichaam de Kerk. In deze betekenis is de theologie nooit een zelf – verhelderende discipline. Ze roept voortdurend op tot een geloofsvisie. ‘Wat wij hebben gezien en gehoord, dat verko
ndigen wij u’. Los van deze ‘verkondiging’ zijn theologische formules zonder gevolg. Om deze redenen mogen formules nooit uit hun spirituele context genomen worden. Het is volslagen misleidend om bepaalde voorstellen, dogmatische of doctrinele, los van elkaar te beschouwen en ze te onttrekken uit het totale perspectief waarin ze alleen zinvol en gegrond zijn. Het is een gevaarlijke gewoonte zich te bedienen van ‘citaten’ van de Vaders en zelfs van de Schrift,en ze buiten de totale structuur van het geloof te behandelen, in dewelke ze waarachtig  levend zijn. ‘De Vaders’ volgen betekent niet slechts dat men hun zinnen citeert. Het betekent : hun mening verwerven, hun ‘phronema’ ( Grieks woord, in de orthodoxe theologie heeft het de betekenis van denkrichting, mening, opvatting). De orthodoxie maakt er aanspraak op om deze mening bewaard te hebben en ze te hebben getheologiseerd ‘ad mentem Patrum’ (in de geest van de Vaders). Op dit punt kan een belangrijke twijfel worden opgeworpen. De naam ‘Kerkvaders’ is normaal gesproken beperkt tot de leraren van de  Oude Kerk. En men veronderstelt momenteel dat hun gezag, indien erkend bij allen, zou afhangen van hun ‘ouderdom’, dit wil zeggen, van hun vergelijkende chronologische nabijheid van de ‘Primitieve Kerk’, tot het begin van het Apostolisch tijdperk van de Christelijke geschiedenis. Welnu, reeds de Heilige Jeronimos zelf voelde zich verplicht om dit geschil te betwisten : de Geest ademt inderdaad in alle tijden. Inderdaad, er was geen vermindering van ‘gezag’, en geen vermindering van de noodzaak van de geestelijke kennis in de loop van de Kerkgeschiedenis, natuurlijk altijd onder de controle van de eerste getuigen en de openbaring. Jammer genoeg is de tendens tot ‘vermindering’, als het tenminste niet gaat om een flagrant ‘verval’, vandaag één van de gebruikelijke  ontwerpen van historisch denken geworden. Het wordt algemeen,  bewust of onbewust, verondersteld, dat de vroege kerk , zoals ze was, dichter bij de bron van het geloof stond. In de rangorde van de tijd is het natuurlijk waar. Maar betekent dit ook dat de vroege Kerk eigenlijk het mysterie van de openbaring kende en begreep, of om het anders te zeggen ‘beter’ en ‘vollediger’ dan alle volgende tijden, zodat niets dan een ‘herhaling’ is overgebleven voor de komende tijden? Als een toegeving aan onze eigen ontoereikendheid en mislukking, als handeling van bescheiden zelf-kritiek kan een ophemeling van het verleden eervol en gezond zijn. Maar het is gevaarlijk om van hieruit het beginpunt van onze theologie van de Kerkgeschiedenis te maken of zelfs van onze theologie van de Kerk. Het wordt algemeen aanvaard dat ‘het tijdperk van de Kerkvaders’ is beëindigd, en dienovereenkomstig als een ‘oude vorming’ moet worden beschouwd, archaïsch en verouderd. De grens van de ‘Patristische tijd’ wordt verschillend gedefinieerd. Het is gebruikelijk om de Heilige Johannes van damascus als de ‘laatste Vader’ in het Oosten en de Heilige Gregorius de Grote of Isidorus van Sevilla als de laatste westerse Kerkvader te beschouwen. Deze keuze is meer dan eens betwist. Bijvoorbeeld, kan de Heilige Theodoor de Studiet niet gerekend worden onder de Vaders? In het westen suggereerde reeds Mabillon dat Bernardus  van Clairvaux, de doctor melifluus (honingvloeiende doctor) ‘de laatste van de Vaders was en zeker niet ongelijk met de vroegere’ (7). Anderzijds kan niet betwist worden dat de ‘tijd van de Vaders’ veel vroeger tot haar einde is gekomen dan zelfs de Heilige Johannes van Damascus. Het is gemakkelijk genoeg om zich de formule in herinnering te brengen van de ‘Consensus quinquesaecularis’,(nl. die de traditie, als een levende en gezaghebbende macht van de Kerk beperkt tot de overlevering van de eerste vijf eeuwen) die de ‘gezaghebbende’ periode van de Kerkgeschiedenis tot het Concilie van Chalcedon beperkte. Het was namelijk een protestantse formule. Maar de meer gebruikelijke Oosterse formule van de ‘zeven Oecumenische Concilies’ is echter niet veel beter, wanneer het ertoe neigt, zoals het gewoonlijk doet, het geestelijk gezag van de Kerk te beperken tot de eerste acht eeuwen. Alsof het ‘Gouden tijdperk’ van de Kerk reeds voorbij is en wij nu waarschijnlijk vertoeven in een ijzeren tijdperk, veel lager dus op de schaal van spirituele sterkte en authoriteit. Psychologisch is deze houding vrij begrijpelijk, maar het kan  theologisch niet worden gerechtvaardigd. De Vaders van de vierde en de vijfde eeuw zijn namelijk veel indrukwekkender dan de recentere, en hun intrinsieke grootheid kan niet worden in vraag gesteld. Maar toch bleef de Kerk na Chalchedon zeer levendig. In feite,  een overbeklemtoning van de ‘eerste vijf eeuwen’  vertekent op een gevaarlijke wijze een theologische visie en verhindert  het juiste verstaan van het dogma van Chalcedon zelf. Het decreet van het zesde Oecumenisch Concilie wordt dan enkel beschouwd als een soort ‘appendix’ van Chalcedon, en de beslissende theologische bijdrage van de Heilige Maximos de Belijder wordt gewoonlijk volledig genegeerd. Een té sterke beklemtoning  van de ‘acht eeuwen’ verduistert onvermijdelijk de erfenis van Byzantium. Er bestaat nog altijd een tendens  om ‘Byzantijns’ als een inferieur gevolg, of zelfs als een decadente epiloog te beschouwen van het patristieke tijdperk. Waarschijnlijk zijn wij nu meer dan voordien, bereid om het gezag van de Vaders te aanvaarden. Maar ‘Byzantijnse theologen’ worden nog altijd niet gerekend tot de Vaders. In feite echter was de Byzantijnse theologie méér dan een slaafse ‘herhaling’ van de patristiek. Het was een organische voortzetting van de patristieke inspanningen. Het is voldoende om de Heilige Symeon de Nieuwe Theoloog in de elfde eeuw, en de Heilige Gregorios Palamas  in de veertiende eeuw te vermelden. Een beperkende verplichting van Zeven Oecumenische Concilies spreekt eigenlijk het basisprincipe  van de Levende Traditie in de Kerk tegen. Alle Zeven, maar niet slechts zeven.

De zeventiende eeuw was een kritieke periode in de geschiedenis van de Oosterse Theologie. Het onderricht in de theologie was op dat ogenblik van het traditioneel patristiek patroon afgeweken en had invloed uit het Westen ondergaan. De theologische gewoontes en reglementen werden geleend van het Westen en bovendien was het eclectisch, zowel van de laat Romeinse Scholastiek of de Post-Tridentijnse tijden en van de verschillende theologieën van de Reformatie. Deze ontleningen beïnvloedden sterk de theologie van de zogenaamde ‘Symbolische boeken’ van de Oosterse Kerk, die niet kunnen gezien worden als een authentieke stem van het christelijk Oosten. De stijl van theologiseren was veranderd, maar toch impliceerde dit geen verandering in doctrine. Het was inderdaad een pijnlijke en dubbelzinnig ‘Pseudomorphosis'(oneigenlike vorm) van de Oosterse Theologie, die zelfs in onze tijd nog zijn sporen heeft nagelaten.Deze Pseudomorphosis  van Oosterse Theologie betekende eigenlijk een splinter in de ziel van het Oosten, om één van de favoriete uitdrukkingen van Arnold Toynbee te gebruiken. In het leven van de Kerk is echter de traditie van de Vaders nooit onderbroken geweest. De ganse structuur van de Oosterse Liturgie, in een inclusieve betekenis van het woord, is nog altijd grondig Patristisch. Het leven van gebed en meditatie volgt nog altijd het oude patroon. De Filokalia, die beroemde encyclopedie van Oosterse godsvrucht en ascetisme, die geschriften van vele eeuwen omvat, van de Heilige Antonios van Egypte tot de Hesychasten van de veertiende eeuw, wordt meer en meer het handboek van begeleiding voor iedereen die in onze tijd de Orthodoxe Praktijk entousiast willen beleven. Het gezag van zijn samensteller, de Heilige Nicodemus van de Berg Athos, is onlangs nog versterkt door zijn canonisatie in de griekse Kerk. In deze zin kan worden gezegd dat het ‘tijdperk van de Vaders’ nog altijd levendig aanwezig is  in het leven van de Kerk. Zal het ook in de scholen, op het vlak van theologische re
search en het onderricht niet worden verdergezet ? Moeten wij de opvatting van de Kerkvaders niet terug de plaats geven die haar toekomt in het theologisch denken en belijden ? Herstellen, zeker, niet als een archaïsche houding en gewoonte,  en niet als een eerbiedwaardig overblijfsel, maar als een existentiële houding, als een spirituele oriëntatie. Eigenlijk leven wij nu reeds in een tijdperk van heropleving en herstel. Maar toch is het niet genoeg om een ‘Byzantijnse Liturgie’ te houden, om een Byzantijnse stijl in de Iconografie en Kerkelijke architectuur te herstellen, om Byzantijnse vormen van gebed en zelf-discipline te beoefenen. Men moet naar de eigenlijke wortels van de traditionele vroomheid terugkeren die ons altijd als een heilige erfenis is nagelaten. Men moet de patristieke gedachte terugkrijgen. Anders zal men nog altijd het gevaar lopen van een interne scheiding tussen het ‘traditionele’ model van ‘vroomheid’ en het niet-traditionele model van het ‘verstand’. Als toegewijden hebben de orthodoxen altijd gestaan in de ‘traditie’ van de Vaders. Zij moeten ook als theologen in de zelfde traditie van de Vaders staan. Er is geen andere manier waarop wij de integriteit van het Orthodox bestaan kunnen behouden en beveiligen.

Het volstaat hierbij te verwijzen naar de discussies op het Congres van Orthodoxe theologen, gehouden te Athene op het einde van het jaar 1936. Het was een representatieve vergadering : acht theologische faculteiten  uit 6 verschillende landen waren vertegenwoordigd. Twee belangrijke problemen waren opvallend op de agenda : vooreerst, de ‘Externe invloeden op de Orthodoxe Theologie sedert de val van Constantinopel’; verder : ‘De authoriteit van de Vaders’. Het feit van de groei van de orthodoxie in de Westerse wereld werd erkend en grondig geannaliseerd. Enerzijds werd het gezag van de Vaders opnieuw beklemtoond en een ‘terugkeer naar de Vaders’ werd bepleit en goedgekeurd. Het moet echter een creatieve terugkeer zijn. Een element van zelf-kritiek moet daarin worden geïmpliceerd. Dit brengt ons tot het concept van een Neopatristieke synthese, als taak en doel van de Orthodoxe theologie vandaag. De erfenis van de Vaders is een uitdaging voor onze generatie binnen en buiten de Orthodoxe Kerk. Haar onderhoudende macht werd meer en meer erkenbaar en erkend in de recente decennia, en dit in diverse hoeken van een verdeeld Christendom. Het groeiend beroep op de patristische traditie is één van het meest kenmerkend feit voor onze tijd. Dit appel is voor de Orthodoxie van wezenlijk belang en een dringende noodzaak, omdat de ganse traditie van de Orthodoxie altijd patristisch is geweest. Men moet zowel de problemen als de antwoorden van de Vaders herwaarderen. In deze studie zal de vitaliteit van de patristieke gedachte en haar eeuwigdurende opportuniteit naar voor komen. ‘Onuitputtelijk is het voedsel van de Vaderen’ (Inexhaustum est penu Patrum) heeft Louis Thomassin, een Frans Oratoriaan (Kath.priester) uit de zeventiende eeuw,en één van de voornaamste patristische geleerden van zijn tijd, het goed gezegd(8).

Eindnota’s

6. Louis Bouyer, Le renouveau des etudes patristiques, in „La Vie Intellectuelle.” Fevrier 1947, p. 18.

7. Mabillon, in het Voorwoord aan Bernard Opera, n. 23, Migne, P.L., CLXXXII, c. 26, onlangs geciteerd in de Encycliek van Paus Pius XII, Doctor Mellifluus (1953); English translation of the Encyclical in Thomas Merton, The last of the Fathers, NY,1954.

8.L. Thomassin, Dogmata theological, vol. I, Praefatio,p.XX

Vertaling : Kris Biesbroeck

Originally published in The Collected Works of Georges Florovsky (Belmont, MA: Nordland Publishing Co., 1987), Vol. IV, “Patristic Theology and the Ethos of the Orthodox Church,” Part II, p. 15-22. This is an excerpt from an approx. 20

Oecumenisch concilie - zevende (450 x 630)

 Het 7e Oecumenisch Concilie

Georiënteerd naar de bron, gekeerd naar de wereld

GEORIENTEERD NAAR DE BRON, GEKEERD NAAR DE WERELD

door 

Vader Boris Bobrinskoy

 mgo11

 

        Onlangs is mij door onze geliefde zusterparochie, de ‘antiocheense’ parochie van St.Etienne (Parijs) gevraagd om te spreken over het thema ‘Orthodox zijn in de westerse wereld’. Het is mij een genoegen om met U het eerste punt, over de  grondbeginselen zelf : Oosten-oosters en Westen-westers te hernemen.

Sedert wij weten dat de aarde een bol is, weten we ook dat er achter een Nabije-Oosten ook een Midden Oosten is ,en nog verder een Verre Oosten. Hetzelfde geldt voor het Westen. Men komt in het Verre Westen en uiteindelijk reiken de extremen mekaar en worden ze zelfs één met mekaar in goed en kwaad, enerzijds in de voorliefde van een ‘orientalisme’ zonder voorbehoud noch gezond verstand, en anderzijds in een versmelting met wat het Westen meedraagt aan vaagheid of aan spirituele vernielzucht.

 Zeker, in de tweeduizendjarige geschiedenis van het Christendom zal men spreken van het Joods-Christelijk, semitische Oosten of het arabisch,  byzantijns,  slavische, in één woord, het orthodoxe Oosten, en het latijnse Westen, germaans, anglo-saksisch, in één woord, rooms katholiek of protestants. Vervolgens de eeuwen van de verlichting, het positivisme, het secularisme, het atheïsme….Tegnwoordig is deze geo-historische afbakening verouderd en de grenzen tussen het Oosten en het Westen zijn voor het grootste gedeelte verdwenen. Het  latijnse of gereformeerde Westen wil zich als ‘universeel’ zien, en de oosterse kerken daarentegen zijn in de 20e eeuw uitgezwermd in een massale Diaspora die in  alle landen van West-Europa en de Nieuwe Wereld  vele parochies en orthodoxe bisdommen hebben doen ontstaan, die, enerzijds, verbonden blijven met hun oorspronkelijke Moederkerk, en anderzijds zoekend zijn om zich te organiseren, te verenigen, zich te structureren in lokale kerken.

Bovendien kent de materialistische secularisatie geen grenzen aan de snelle technologische vooruitgang, die grenzen opheft van landen en zelfs van continenten, en gericht is op een mondialisering waar het begrip natie, vaderland, cultuur in vraag wordt gesteld en voorgesteld wordt als verouderd en achterhaald.

Deze beschouwingen tonen goed het relatief karakter aan van het geografische en historisch besef van het Oosten en het Westen, en nodigt ons uit om dit onderwerp uit te diepen in zijn waarachtige dimensie, deze van de Openbaring van Christus waarin we de ultieme drijfveer vinden om ons te ‘oriënteren’. Vanaf de Christelijke oudheid heeft de Kerk het bewustzijn gehad van het feit dat het waarachtige Oosten, daar waar de zon opgaat, Christus zelf is. Diegene welke de liturgische teksten van de Kerstmis noemen ‘het Oosten uit de hoge’ of ‘de Zon der gerechtigheid’. Hij is het waarachtige Licht van de wereld die hen komt verlichten die in de duisternis zijn.

Wat het Westen betreft, het symboliseert enerzijds de ganse wereld die gevangen is in de duisternis van de onwetendheid, en dus in de verwachting leeft van de verlichting door de goddelijke Zon. Anderzijds zal het Westen ook de plaats zijn van de prinsen van de duisternis, van hem die zich onrechtmatig Christus’heerschappij toeeigent, van hem die Christus zal bekoren in de woestijn en Hem alle koninkrijken der wereld zal geven, van hem ten slotte,  waartoe wij geroepen zijn om eraan te verzaken, en dit vanaf ons doopsel en voor ons ganse leven.Daarom is de catechumeen, tijdens de doop-geloften gericht op het Westen en wordt hij uitgenodigd om aan de Satan te verzaken ; vervolgens richt hij zich op het Oosten en verbind hij er zich toe Christus toe te behoren, wat hij bevestigt door het opzeggen van de geloofsbelijdenis.

De doop-riten bepalen en vervolmaken ons ganse leven, en gans onze weg naar het Koninkrijk is een onophoudelijk en ononderbroken op weg gaan naar het waarachtige Oosten, terzelfdertijd is het een getuigenis tegenover het Westen, ’t is te zeggen tegenover de ganse wereld van het Heilsevangelie. Zo is ‘oosters’ zijn geen voorrecht die men heeft vanaf de  geboorte, of een natie of een cultuur, maar een roeping, een ‘worden’. ‘Men wordt niet als Christen geboren, zei Tertullianus in de 3e eeuw, men wordt het.

 Wij hebben eraan herinnerd, wat de eerste en essentiële betekenis van de begrippen ‘Oost’ en ‘West’ is, nu kunnen we terugkeren naar onze gewone kategorieën, zoeken om in onze orthodoxe traditie datgene af te bakenen wat essentieel en universeel is, maar ook om bij onze ‘westerse’ broeders deze zelfde essentiële werkelijkheden te ontdekken,  dikwijls in kiem , zonder dewelke het christendom zelf niet alleen zijn smaak, maar ook zijn transcendente en eeuwige waarheid verliest.

Welke zijn deze realiteiten die de Orthodoxie zoekt om mee te dragen en over te dragen en die wij waarnemen bij onze broeders. Dit kan wellicht het voorwerp zijn van latere uitgaven, en waarom ook niet een gelegenheid om onder mekaar van gedachten te wisselen.

Vrienden, lezers, orthodoxen in geloof en hart, laten we ons naar het ware Oosten keren, waar we ook zijn, ‘ ver-oosteren’ wij onszelf, ’t is te zeggen, laten we ons verlichten door Hem die het Licht der wereld is, en dan, laat ons geen vrees hebben om ons naar het ‘ Westen’ toe te keren, ’t is te zeggen, naar de wereld, zonder ons nochtans te ‘ver-westeren’ , want het is naar de wereld dat de Heer ons zijn Geest gezonden heeft die zal spreken en getuigen in ons en door ons.

Père Boris

Uit : Bulletin de la crypte n° 351 – Maart 2007-03-23

Vrij vertaald door Kris B.

 

       

 

 

Boodschap van de Orthodoxe Primaten

 

GROOTSE BIJEENKOMST VAN DE ORTHODOXE PRIMATEN IN KONSTANTINOPEL

Konstantinopel – Op uitnodiging van Zijne Alheiligheid de Oecumenische Patriarch Bartholomeos heeft in het teken van het jaar 2008, toegewijd aan de Heilige Apostel Paulus, een bijeenkomst plaats gehad van de primaten van alle lokale Orthodoxe Kerken wereldwijd. Deze Synaxis of Bijeenkomst heeft van 9 tot 12 oktober 2008 plaatsgevonden in Konstantinopel, in de Fanar, het Heilig Centrum van de Orthodoxie…

 

BOODSCHAP VAN DE ORTHODOXE PRIMATEN

2008

In de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest,

1. Door de genade van God zijn de Primaten en de Vertegenwoordigers van de lokale Orthodoxe Kerken bijeengekomen van 10 tot 12 oktober 2008, in Fanar,op uitnodiging en onder leiding van de Eerste onder hen, Zijn Alheiligheid de Oecumenische Patriarch Bartolomeos, ter gelegenheid van de proclamatie van dit jaar als het jaar van de Heilige Paulus, Apostel der Naties. Wij hebben in broederlijke liefde beraadslaagd over onderwerpen die de Orthodoxe Kerk aanbelangen en tijdens onze deelname aan de feestelijkheden bij deze gelegenheid hebben wij ook samen de Heilige Eucharistie gevierd in de zeer heilige patriarchale kerk van de Oecumenische Troon, vandaag 12 oktober 2008, zondag van de Heilige Vaders van het 7de Oecumenische Concilie van Nicea. Tijdens deze dagen werden wij gesterkt door de gaven van de Goddelijke Voorzienigheid, die de Apostel van de Naties ontving, en dat hem van een “prachtig gekozen werktuig” van God voorzag (Hand. 9, 15), een schitterend model van apostolische zending voor het lichaam van de Kerk. De hele Orthodoxe Kerk zal tijdens dit jaar onzes Heren deze Apostel eren en hem als voorbeeld stellen voor trouw bij de hedendaagse getuigenis van ons geloof “in hen die nabij zijn en hen die veraf zijn” (Ef. 2, 17).

    2. De Orthodoxe Kerk die weet hoe de leringen van de Apostel der Naties uit te leggen, zowel in vreedzame als in moeilijke tijden, tijdens de tweeduizend jaar bestaan, kan en moet deze boodschap doorgeven in deze tijd, niet alleen omwille van de hereniging in Christus van het hele mensdom, maar ook omwille van de allesomvattendheid van Zijn werk van Redding, waardoor alle afscheiding in de wereld zal verdwijnen en de eenheid van natuur van alle mensen zal bevestigd worden. Toch betekent het trouw uitdragen van deze boodschap van redding het overstijgen van de interne conflicten binnen de Orthodoxe Kerk ontstaan door nationalistische, etnische en ideologische extreme stellingen uit het verleden. Alleen zo kan de Orthodoxe boodschap de noodzakelijke invloed hebben in de wereld van vandaag.

    3. Geïnspireerd door de lering en het werk van Apostel Paulus, benadrukken wij eerst en vooral het belang van de plicht van de zending voor het leven van de Kerk en in het bijzonder voor het priesterschap van ons allen, overeenstemmend met de laatste opdracht van onze Heer: “Gij zult mijn getuigen zijn, niet alleen in Jeruzalem, maar ook in Judea en Samaria en tot aan de uiteinden van de aarde.” (Hand. 1,8) De evangelisatie van Gods volk, maar ook van hen die niet in Christus geloven, is de hoogste plicht van de Kerk. Deze plicht mag niet op een agressieve manier of door enige vorm van bekeringsijver vervuld worden, maar met liefde, nederigheid en eerbied voor de persoonlijkheid van elk individu en de culturele eigenheid van elk volk. Alle Orthodoxe Kerken moeten bijdragen aan deze zendingsmissie, volgens de canonieke voorschriften.

    4. De Kerk van Christus vervult haar zending in een snel veranderende wereld, die nu onderling verbonden is door moderne middelen voor communicatie, transport en technologie. Tegelijkertijd echter groeit ook de vervreemding, de scheiding en het aantal conflicten. Voor de christenen ligt de oorsprong van deze toestand in de vervreemding van God. Veranderingen in sociale structuren of gedragsregels volstaan niet om deze toestand te verbeteren. Voor de Kerk kan zonde enkel overwonnen worden dank zij de samenwerking van God en de mensheid.

    5. In dergelijke omstandigheden is de hedendaagse getuigenis van de Orthodoxie over de steeds groeiende problemen een noodzaak, niet enkel om de oorzaken aan te duiden, maar ook om de nadruk te leggen op de tragische gevolgen die ze veroorzaken. De vele nationalistische, ideologische en religieuze contrasten, zijn een constante voedingsbodem voor gevaarlijke verwarring, niet alleen waar het de onbetwistbare ontologische eenheid van het menselijk ras betreft, maar ook waar het diens heilige schepping betreft. De heiligheid van de menselijke persoon is vervat in de gerechte aanspraken van het “individu”, terwijl zijn relatie met de rest van de heilige schepping onderworpen is aan zijn eigenmachtig gebruik of misbruik ervan. Deze vervreemding in de wereld zorgt voor een onrechtvaardige ongelijkheid in de verdeling van de goederen van Gods schepping tussen individuen en zelfs volkeren. Zij zorgt ervoor dat biljoenen mensen de noodzakelijke basisgoederen ontzegd worden en in armoede worden geduwd, dat er massale volksverhuizingen ontstaan, dat er nationalistische, religieuze en sociale conflicten en discriminaties ontstaan, die een bedreiging vormen voor de traditionele interne sociale samenhang. Deze gevolgen worden nog meer weerzinwekkend omdat zij onlosmakelijk verbonden zijn met de vernietiging van het natuurlijke milieu en het gehele ecosysteem.

    6. De Orthodoxe Christenen zijn medeverantwoordelijk voor de huidige crisis van deze planeet, samen met anderen, gelovigen of niet, omdat ze toegelaten hebben en kritiekloos tot vergelijken gekomen zijn over extreme menselijke keuzes, zonder die op een geloofwaardige wijze te toetsen aan Gods woord. Daarom hebben zij nu als voorname plicht ervoor te zorgen dat de verdeling van de wereld ophoudt. De christelijke leer over de ontologische eenheid van het menselijk ras en haar heilige schepping, naar voren gebracht in het hele heilswerk van Christus, vormt de basis voor de interpretatie van de relatie tussen God en mens.

    7. Heel wat moderne staten hebben de neiging godsdienst uit de samenleving te weren. Het principe van een seculiere staat mag behouden blijven, maar het is onaanvaardbaar dit principe uit te leggen als een totale uitsluiting van de godsdienst op elk gebied van het openbare leven.

    8. De kloof tussen rijk en arm groeit dramatisch door de financiële crisis, meestal het resultaat van het zoeken naar woekerwinsten op economisch vlak en door corrupte financiële activiteiten, die door een gebrek aan antropologische aspecten en gevoelens, helemaal niet de noden van de mensheid dienen. Een leefbare economie weet een evenwicht te houden tussen doeltreffendheid, rechtvaardigheid en sociale solidariteit.

    9. Wat de relatie tussen het christelijk geloof en de natuurwetenschappen betreft, wenst de Orthodoxe Kerk geen zeggenschap over wetenschappelijk onderzoek noch enige positie in te nemen bij een wetenschappelijke vraag. Vanuit Orthodox standpunt is de vrijheid van onderzoek een gave van God aan de mensheid. Wat niet belet dat de Orthodoxie meteen de nadruk legt op de gevaren die bepaalde wetenschappelijke verwezenlijkingen inhouden, ook op de grenzen van wetenschappelijke kennis, en het bestaan van een andere “kennis”, die niet meteen binnen het bereik van de wetenschap ligt. Deze andere “kennis” blijkt in vele gevallen nodig om de juiste grenzen van vrijheid te bepalen en de vruchten van de wetenschap te gebruiken vrij van egoïsme en met eerbied voor de waarde van de menselijke persoon.

    10. De Orthodoxe Kerk gelooft dat technologische en economische vooruitgang niet moet leiden tot vernietiging van het milieu en uitputting van de natuurlijke bronnen. De hebzucht om materiële verlangens te bevredigen leidt tot verarming van de menselijke ziel en zijn omgeving. Wij mogen niet vergeten dat de aardse goederen niet in de eerste plaats ons bezit zijn, maar een gave van God. “Aan de Heer behoort de aarde en al wat zij omvat, het vaste land en zijn bewoners” (Ps. 23/1). Wij moeten er ons van bewust zijn dat niet alleen de huidige generatie, maar ook alle generaties na ons recht hebben op natuurlijke rijkdommen die de Schepper ons geschonken heeft.

    11. Daar wij elke vredevolle inspanning voor rechtvaardige oplossingen bij opkomende conflicten steunen, juichen wij de houding van de Kerken van Rusland en Georgië toe en hun broederlijke’ samenwerking tijdens het militaire conflict dat onlangs ontstond. Zo vervulden deze twee Kerken hun opdracht tot verzoening. Wij hopen dat hun gezamenlijke inspanningen zullen meehelpen de tragische gevolgen van dit militair conflict te boven te komen en mogen leiden tot een spoedige verzoening van de volkeren.

    12. In de steeds grotere verwarring van deze tijden staan gezin en families onder zware druk. In een geest van begrip voor de nieuwe complexe sociale toestand, is de kerk verplicht om voor de jonge en grote gezinnen te zoeken naar spirituele hulp en algemene steun. Wij richten onze gedachten vooral naar de jongeren en roepen hen op om actief deel te nemen aan zowel het sacramentele en het heiligende leven, als aan de zending en het sociale werk van de Kerk en hun problemen en verwachtingen over te dragen naar de Kerk; zij zijn immers niet alleen de toekomst maar ook het heden van de Kerk.

    13. Als Primaten en Vertegenwoordigers van de Zeer Heilige Orthodoxe Kerken, ons ten volle bewust van de hierboven aangehaalde problemen, en bezig die meteen aan te pakken als “dienaars van Christus en rentmeester van Gods mysteries” (1 Kor. 4,1), verkondigen en bevestigen wij van op deze Zetel van de Eerste onder de  Kerken:

            a) onze onwankelbare houding en verplichting om de eenheid van de Orthodoxe Kerk te bewaren in het geloof eens en voor altijd geschonken aan de heiligen (Jud. 3), het geloof van onze Vaderen in een gezamenlijke Eucharistie en een getrouw naleven van de canons van het kerkelijk bestuur om de problemen die soms voorkomen tussen ons, op te lossen in een geest van liefde en vrede.

            b) onze wens om elke canonieke anomalie ontstaan door historische omstandigheden en pastorale noden, zoals in de zogenaamde Orthodoxe Diaspora vlug op te lossen op een wijze die elke mogelijke invloed weert die vreemd is aan de Orthodoxe Kerkleer. Daarom verwelkomen wij ook het voorstel van de Oecumenische Patriarch om Panorthodoxe Vergaderingen te beleggen in het komende jaar 2009 over dit onderwerp, maar ook om het Heilig en Groot Concilie verder voor te bereiden. In overeenkomst met de besluiten en de toepassingen van de Panorthodoxe Bijeenkomst in Rhodos, zullen alle Autokefale Kerken uitgenodigd worden.

            c) ons verlangen om, ondanks alle moeilijkheden, de theologische dialogen met alle christenen verder te zetten, evenals de interreligieuze gesprekken, vooral met het Judaïsme en de Islam, in de wetenschap dat dialoog de enige weg is om de geschillen tussen de volkeren op te lossen, vooral in tijden zoals nu, waar elke vorm van scheiding ook die in naam van een religie inhoudt en een bedreiging is voor de vrede onder de mensen en hun eenheid.

            d) onze steun voor initiatieven door het Oecumenisch Patriarchaat, zowel als door andere Orthodoxe Kerken, voor de bescherming van het milieu. De huidige ecologische crisis die te wijten is aan zowel spirituele als ethische redenen, zorgt ervoor dat de Kerk verplicht is haar bijdrage te leveren door de spirituele zin die haar ter beschikking staat voor het behoeden van Gods schepping voor de menselijke inhaligheid. Daarom bevestigen wij opnieuw dat 1 september, de eerste dag van het kerkelijk jaar, aangeduid werd als een speciale dag van gebed voor het behoud van Gods schepping en steunen wij de inbreng van het onze natuurlijke omgeving zowel op het gebied van catechese als van homilieën en algemeen pastoraal werk van onze Kerken, wat nu hier en daar al het geval is.

            e) de beslissing om verder te gaan met de nodige acties om een inter-orthodox comité te vormen om zich te buigen over de bio-etische problemen waar de wereld van vandaag van de Orthodoxie een antwoord op verwacht. Terwijl wij deze zaken voorleggen aan het Orthodoxe volk over heel de wereld en aan de hele oecumene bidden wij “telkens weer” dat vrede, rechtvaardigheid en Gods liefde eindelijk de overhand moge krijgen in het leven der mensen

            “Aan Hem die bij machte is oneindig meer te volbrengen dan al wat wij door de kracht die in ons werkt kunnen vragen of bedenken, aan Hem zij de heerlijkheid in de kerk en in Christus Jezus, iedere generatie weer, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen” (Ef. 3, 20-21).

            In de Fanar, 12 oktober 2008

            + Bartholomeos van Konstantinopel

            + Theodoros van Alexandrië

            + Ignatios van Antiochië

            + Theophilos van Jeruzalem

            + Alexis van Moskou

            + Amfilochij van Montenegro (vertegenwoordiger van de Kerk van Servië)

            + Laurentiu van Transylvanië (vertegenwoordiger van de Kerk van Roemenië)

            + Dometiyan van Vidin (vertegenwoordiger van de Kerk van Bulgarije)

            + Gerasim van Zugdidi (vertegenwoordiger van de Kerk van Georgië)

            + Chrysostomos van Cyprus

            + Hieronymos van Athene

            + Jeremia van Wroclaw (vertegenwoordiger van de Kerk van Polen)

            + Anastasios van Tirana

            + Kristof van Tsjechië en Slowakije

             

             

             

            PRIMATEN 2008

             

             

             

             

            Spirituele raadgevingen van de Heilige Seraphim van Sarov

            SPIRITUELE RAADGEVINGEN  VAN DE HEILIGE SERAPHIM VAN SAROV

             

            Serafim van Sarov666

            God

             God is een vuur die de harten  en het innerlijke van de mens doet ontvlammen. Als wij in ons hart het koude zien dat van de duivel komt – want de duivel is koud-  laten wij dan onze toevlucht zoeken tot de Heer en Hij zal ons hart komen verwarmen met een volmaakte liefde, niet alleen ten overstaan van Hem, maar ook ten overstaan van de naaste. En de kilheid van de duivel zal vluchten voor Zijn aanschijn . Daar waar God is, daar is geen kwaad …. God toont u Zijn liefde voor de mensheid niet alleen als wij het goede doen,  maar ook wanneer wij Hem beledigen en daardoor zijn gramschap verdienen….Zeg niet dat God rechtvaardig is, leert ons de heilige Isaak de Syriër… David noemt Hem ‘rechtvaardig’, maar zijn Zoon heeft ons veeleer getoond dat Hij goe en barmhartig is. Waar is zijn rechtvaardigheid ? Wij waren zondaars, en Christus is voor ons gestorven (Homelie 90).

             De redenen waarom Christus in de wereld is gekomen :

            1.De liefde van God voor de mensheid. “Ja, God heeft de wereld zo lief gehad, dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat maar het eeuwig leven zou bezitten” (Joh.3,17).

            2. Het herstel van het goddelijk beeld in de gevallen mens en de gelijkenis met dit beeld, zoals de Kerk het zingt ( Eerste Canon van Kerstmis, gezang 1).

            3. Het heil van de zielen. ” God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar opdat de wereld door Hem zou gered worden” (Joh.3,17)

            Het geloof :

            Voor alles moet men in God geloven,” want Hij bestaat, en is de beloner voor  hen die Hem liefhebben”(Hebr.11,6). Het geloof is, volgens de heilige Antiochus het begin van onze vereniging met God….Het geloof zonder de werken is dood (Jac.2,26). De werken van het geloof zijn : de liefde, de vrede, de lankmoedigheid, de bermhartigheid, het dragen van het kruis en het leven volgens de Geest. Alleen zo een geloof is van belang. Er kan geen waarachtig geloof zijn zonder werken.

            De Hoop :

            Allen die standvastig hopen op God richten zich op Hem en worden  verlicht door de klaarheid van het eeuwige licht. Indien de mens zijn eigen zaken verwaarloost voor de liefde tot God en om goed te doen, wetend dat God hem niet zal verlaten, dan is zijn hoop wijs en waar. Maar indien de mens zich teveel met zijn eigen zaken inlaat en zich alleen maar tot God richt wanneer er problemen zich voordoen, en wanneer hij ziet dat hij er niet kan uitkomen met eigen middelen, dan is zo een hoop onecht en ijdel. De ware hoop zoekt voor alles het Rijk van God, overtuigd dat alles wat in het leven nodig is voor het leven hier op aarde hem zal gegeven worden. Het hart kan niet in vrede leven voordat hij deze hoop heeft  verworven.

            De liefde van God :

            Hij die de volmaakte liefde van God heeft bereikt, leeft in deze wereld alsof hij er niet in leeft. Want hij beschouwd zichzelf als vreemdeling voor wat hij ziet, geduldig het onzichtbare verwachtende….. Gericht op God, wil hij God slechts beschouwen….

            Waarmee moet men de ziel uitrusten ? :

            Met het woord van God, want het woord van God, zoals Gregorios de Theoloog zegt, is het brood der engelen waaraan de zielen die dorsten naar God zich voeden.

            Hij moet de ziel ook uitrusten met de kennis betreffende de Kerk : hoe heeft  zij datgene wat zij heeft moeten doorstaan  kunnen bewaren tot vandaag. Men moet dit weten, niet met de bedoeling om over de mensen te regeren, maar voor het geval er vragen gesteld worden waarop  wij geroepen zouden zijn te antwoorden. Maar vooral moet men het voor zichzelf doen : om de innerlijke vrede te verwerven, zoals de psalmist zegt :  “Die uw wet beminnen, genieten een heerlijke vrede, Heer”, of ” Grote vrede voor hen die uw Wet liefhebben” (Ps.118,165).

            De vrede van de ziel :

            Er is niets boven de vrede in Christus, waardoor de aanvallen van de bovenaardse en aardse geesten worden vernietigd. “Want niet tegen vlees en bloed geldt onze strijd, maar tegen heerschappijen en machten, tegen wereldheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de lucht” (Ef.6,12). Een redelijk mens richt zijn geest op het innerlijk en doet het in zijn hart neerdalen. Dan zal Gods genade hem verlichten en zal hij zich in een vreedzame en  opper-vreedzame staat bevinden : vreedzame, want zijn geweten is in vrede ; opper-vreedzaam, want in het diepste van zichzelf beschouwt hij de genade van de Heilige Geest…..

            Kan men zich niet verheugen wanneer men met onze vleselijke ogen  de zon ziet ? Nog veel groter is onze vreugde wanneer onze geest met ons innerlijk oog, Christus ziet, Zon van gerechtigheid. Aldus delen wij de vreugde van de engelen. De Apostel heeft hieromtrent gezegd “Maar ons vaderland is in de hemel” (Fil.3,20). Diegene die de weg van de vrede bewandelt, verzamelt als met een lepel, de gaven van de genade. De Vaders die in de vrede en de genade van God leefden, leefden lang. Een mens die in vrede leeft kan  ook aan anderen het licht doorgeven die de geest verlicht…. Maar hij moet zich de woorden van de Heer in gedachten brengen :” Huichelaar, trek eerst de balk uit uw eigen oog, dan zult gij zien hoe ge de splinter uit het oog van uw broeder moet trekken” (Matt 7,5).

            Deze vrede heeft Onze Heer Jezus Christus voor Zijn dood als een onschatbare rijkdom nagelaten aan Zijn leerlingen , toen Hij zei : “Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef Ik u” (Joh.14,27). De Apostel spreekt ook in deze termen :”En de vrede Gods, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en zinnen bewaren in Christus Jezus” (Fil.4,7). Indien de mens de goederen van deze wereld niet misprijst, dan kan hij de vrede niet bezitten.  De vrede verwerft men doorheen beproevingen. Diegene die wil behagen aan God, moet doorheen vele beproevingen gaan.  Niets draagt meer bij tot de innerlijke vrede dan de stilte en, indien het mogelijk is, het voortdurend gesprek met zichzelf en zelden met de anderen. Wij moeten dus onze gedachten, onze verlangens en onze daden  richten op de verwerving van de Vrede van God. Wij moeten ononderbroken roepen met de Kerk : “Heer ! Geef ons de vrede !”.

            Hoe kunnen wij de vrede van de ziel bewaren ?

            Wij moeten ons uit alle kracht inzetten om de vrede van het hart te bewaren. Wij mogen niet verontwaardigd zijn wanneer anderen ons beledigen. Wij moeten elke uitbarsting van woede vermijden en ons intellect en hart behoeden voor elke ondoordachte handeling. Een voorbeeld van hoe wij ons gematigd moeten gedragen is ons voorgeho
            uden door Gregorios de Thaumaturg. Aangekomen op een publieke plaats waar een publieke vrouw hem de prijs vroeg voor overspel, dat hij zogezegd met haar zou hebben , in plaats van zich kwaad te maken zei hij rustig tot zijn vriend : Geef haar wat zij vraagt. Nadat zij het geld genomen had werd de vrouw door een demon op de grond geworpen. Maar de heilige verjoeg de demon door het gebed.

            Indien het niet mogelijk is om zich niet  boos te maken, dan moet men minstens zijn tong intrekken….Opdat de vrede zou bewaard worden moet men de melancholie verjagen en trachten een vrolijke geest te hebben… Indien iemand niet aan zijn behoeften kan voldoen, is het moeilijk om de ontmoediging te bestrijden. Maar dit betreft de zwakke zielen. Opdat de innerlijke vrede zou bewaard blijven, moet men vermijden om anderen te beoordelen. Hij moet kijken in zichzelf en zich afvragen : “Wie ben ik ?”. Hij moet vermijden dat onze zintuigen, vooral het zien, ons niet in de war brengen : want de gave der genade behoort slechts toe aan hen die bidden en zich over hun ziel ontfermen.

            Zuiverheid van hart

            Wij moeten ons hart voortdurend beschermen voor onreine gedachten en indrukken volgend de woorden van de auteur van het boek der spreuken : ” Bewaar uw hart met alle ijver, want  daar ligt de oorsprong van het leven”(Spr.4,23). Zo wordt in het hart de zuiverheid geboren. “Welzalig zijn de zuiveren van hart, want zij zullen God zien” (Matt.5,8).  Het goede dat in het hart is gekomen moeten wij niet onnodig onthullen naar buiten toe : De geheimen van ons hart zijn een schat in het binnenste van je hart, zij moeten niet geopenbaard worden aan zichtbare en onzichtbare vijanden.

            Het hart dat verwarmd is door het goddelijk vuur, borrelt op als het vol is van levend water.Als dit water naar buiten toe uitgegoten wordt, wordt het koud en de mens  verstijft van de kou.

             Het gebed

             Diegenen die besloten hebben om God werkelijk te dienen moeten er zich in oefenen Hem steeds in gedachten te hebben en onophoudelijk innerlijk Jezus Christus te bidden : Heer Jezus Christus, Zoon van God, heb medelijden met mij, zondaar… Door zo te handelen en zich te behoeden voor verstrooiingen en in volle gemoedsrust te blijven, kan men tot God naderen en zich verenigen met Hem. Want, zegt de heilige Isaac de Syriër, buiten het ononderbroken gebed is er geen ander middel om tot God te naderen (Homelie 69).

            In de kerk is het goed om de ogen gesloten te houden, om verstrooiingen te vermijden.Men kan ze openen als men zich slaperig begint te voelen. Dan moet men zijn blik op een icoon richten of op een  kaars die ervoor brandt. Indien  onze geest zich tijdens het gebed verstrooit, dan moet men zich voor God vernederen en vergiffenis vragen….want, zoals de heilige Marcarius het zegt “de vijand wil slechts onze gedachten van God afkeren, van Zijn  ontzag en Zijn liefde” (Homelie 2).

            Wanneer het verstand en het hart verenigd zijn in het gebed, en wanneer het hart door niets meer vertroebeld wordt, dan vult het hart zich met geestelijke warmte.

            Het licht van Christus

            Om het licht van Christus in zijn hart te ontvangen, moet men, zoveel als mogelijk, zich losmaken van zichtbare dingen. Als men zijn hart op voorhand gezuiverd heeft door berouw en goede werken, als men vol van geloof is in de gekruisigde Christus en onze vleselijke ogen gesloten zijn, laat dan uw geest zich vol toewijding en vurigheid voor de Wel-beminde onderdompelen in het hart om de Naam van Onze Heer Jezus Christus uit te roepen . De mens vindt in de aanroeping van de Naam vertroosting en zachtheid, die ons aanzet  een hogere kennis te zoeken.

            Als door dergelijke oefeningen de geest geworteld is in het hart, dan zal het licht van Christus schijnen in ons binnenste. Hij zal onze ziel verlichten door Zijn goddelijk licht, zoals de profeet Malachias zegt : “Maar voor u, die Mijn Naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan” (Malakias,3,20). Dit licht is ook het leven, volgens de woorden van het evangelie : “In wat bestond, was Hij het leven, en het leven was het licht der mensen” (Joh.1,4).

            Wanneer de mens in het binnenste van zichzelf dit eeuwig licht aanschouwt, dan vergeet hij al wat vleselijk is, hij vergeet ook zichzelf en zou zich zelfs willen verbergen in het diepste der aarde, om toch maar niet van dit unieke goed te worden beroofd – God.

            De aandacht :

            Hij die de weg van de aandacht volgt moet niet trots zijn op zijn eigen verstand, maar moet zich richten  op wat de Schriften ons zeggen en hij moet de bewegingen van zijn hart en zijn leven vergelijken met het leven en de daden van de asceten die hem zijn voorafgegaan.  Zo is het veel gemakkelijker om zich te behoeden voor de kwade en klaar en duidelijk de waarheid te zien.

            De geest van een aandachtig mens is vergelijkbaar met een schildwacht op de muren van de binnenkant van Jeruzalem. Niemand ontsnapt aan zijn aandacht, noch “de duivel die als een brullende leeuw rondtrekt op zoek wie hij kan verslinden” (1 Petr.5,8), noch diegenen die “hun boog al gespannen houden om geniepig onschuldige harten te treffen” (Psalm 10,2).  Hij volgt de lering van de Apostel Paulus die gezegd heeft : “Grijp naar de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden op de boze dag, en pal te blijven staan, na alles te hebben volbracht” (Ef.6,13). Diegene die deze weg volgt moet geen aandacht hebben voor de geruchten die de ronde doen,noch voor de zaken van anderen….maar tot de Heer bidden : “Van al mijn onbewuste fouten, zuiver mij” (Psalm 18,13).

            Treed binnen in jezelf en zie welke passie in u reeds verzwakt zijn, welke het zwijgen zijn opgelegd als gevolg van de genezing van je ziel. Welke vernietigd zijn en u volledig hebben verlaten Ziet gij toe of een sterk en levendig lichaam reeds op de zweer van uw ziel drukt – dit levend vlees is de innerlijke vrede. Ziet gij ook welke passies er nog overblijven – lichamelijke of geestelijke ? En hoe reageert uw verstand ? Trekt het ten strijde tegen deze passies, of doet het alsof  het ze  niet ziet ? En ontstaan er geen nieuwe passies ? Door zo aandachtig te zijn kan je zien in welke mate je ziel gezond is.

             

            Uittreksel uit de ‘Instructions spirituelles’ in Irina Goraïnoff, Sérafim van Sarov

            Vertaald door kris B.

             

             

            De oosters orthodoxe kerken

            De oosters-orthodoxe kerken

            Informatie over de Orthodoxe kerk voor beginners en scholieren

            Mijn artikel gaat over de oosters-orthodoxe kerken. Dit is zeer interessant om een aantal redenen. Ten eerste is de oosters-orthodoxe kerk altijd onderbelicht geweest. Omdat wij zelf in West-Europa leven, weten we natuurlijk meer van de westerse kerktraditie. Om een goed beeld te krijgen van hoe de kerk in de middeleeuwen in elkaar zat is het ook een interessant onderwerp om te bestuderen. De oosters-orthodoxe kerk van is namelijk veel sterker aan de traditie gehecht dan de rooms-katholieke kerk .
            Ook met het oog op een reis naar Griekenland is het interessant en zelfs vereist wat te weten van de oosters-orthodoxe kerktraditie. Er zijn namelijk negen miljoen mensen bij de oosters-orthodoxe kerk in Griekenland aangesloten en het is daarmee in dit land het grootste geloof. Tot slot sluit het goed aan bij het onderwerp `Europa en de buitenwereld´, aangezien de oosterse traditie is gevoed door culturen van buiten Europa.

            In 1054 vond het grote schisma plaats. Dit schisma kwam natuurlijk niet zo maar uit de lucht vallen. Aan de scheuring in de kerk gingen vele gebeurtenissen vooraf, zoals is verteld in het hoofdstuk van Malinche. Gebeurtenissen, ontstaan door de grote cultuurverschillen tussen oost en west. Het oosten heeft een rijke geschiedenis van denken. In het oude Griekenland en de westkust van het huidige Turkije ligt de bakermat voor de westerse filosofie. Onder andere beïnvloed door nog oudere en oostelijkere culturen zoals bijvoorbeeld de Egyptische, maar ook de Etruskische, had het oosten een lange traditie van denken.
            Ook had het oostelijke deel van de kerk veel minder last van politieke schommelingen. Waar het westelijke deel door ondergang van het West-Romeinse Rijk en de volksverhuizing ernstig werd ontwricht, had het oostelijke deel de touwtjes strak in handen. De keizer en de patriarch (leider van de Griekstalige Kerk) gaven strakke leiding vanuit hoofdstad Constantinopel (ook wel bekend als Byzantium, het huidige Istanbul). Verder was in het westelijke deel Latijn de taal en in het oostelijke deel Grieks. Je zou aan de hand van deze gegevens kunnen stellen dat het oostelijke deel de zaakjes beter op orde had.
            Toch had Rome de macht. Dit stak het oostelijke deel van de Kerk en zij vonden dat Byzantium en de patriarch van Byzantium gelijkwaardig waren aan Rome en de paus. Al eerder hadden sommige gemeenschappen uit het oosten zich geërgerd aan de arrogante houding van Rome. Kleine schisma´s naar aanleiding van de concilies van Ephese (431) en Chalcedon (451) zijn daar bewijzen van.

            Ook zijn er theologische verschillen tussen het oostelijke en westelijke deel van de kerk. Een belangrijke kwestie staat ook wel bekend als de `filioque´-kwestie. Deze kwestie gaat over de heilige drieëenheid: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het gaat erom of de Heilige Geest alleen van de Vader uitgaat of ook van de Zoon (filioque). In het westelijke deel werd gedacht van wel, maar patriarch Michaël Caerularius verwierp deze stelling.
            Voor de oosters-orthodoxe kerk is de leer van de oude Concilies en Kerkvaders erg belangrijk.

            Een ander huidig kenmerk in het Oosten is het gebruik van de vele iconen (schildering met afbeelding van Christus, Maria en plaatselijke heiligen in de kerk en op de ikonostase). Deze worden vereerd door ze aan te raken, te kussen en er kaarsjes bij te branden. Deze verering komt voort uit het idee dat het ware zelf in het beeld aanwezig is. Door de opkomst van het neo-platonisme was deze gedachte erg in trek. Het stamt af van de bekende ideeënleer van Plato, die een scheiding maakt tussen twee werelden. Tegen deze verering kwam van twee kanten verzet. Enerzijds van de politiek, die de aanhangers van het nieuwe geloof – de moslims – wilde terugwinnen met een geloof zonder beeltenissen. Dit kennen we ook min of meer in de Rooms katholieke Kerk.   De hele kerkdienst is ook sterk liturgisch, een preek is kort en van ondergeschikt belang.

            Wie een oosters-orthodoxe kerkdienst bijwoont, merkt gelijk het verschil in beleving van geloof ten opzichte van het Westen. Overal in de kerk zijn iconen geschilderd en de diensten zijn plechtig en duren vaak lang. De mensen staan met hun gezicht naar het oosten waar zich het altaar en de ikonostase bevindt. De ikonostase is een muur van houten panelen om het altaar heen, dat als heilige plek wordt beschouwd, waarop de genoemde schilderingen te zien zijn.

            Na het schisma is de orthodoxe kerk weinig veranderd, behalve dan dat ze een beetje rust hadden. Er was in het Oost-Romeinse Rijk sprake van een stabiele samenleving. Waar Rome zich sterk ontwikkelde bleef de orthodoxe kerk nagenoeg hetzelfde. Mede hierdoor komt deze kerk op ons over als zeer ouderwets, maar in werkelijkheid is dit niet zo. Ze houdt sterk vast aan de traditie, omdat ze vreest, dat daardoor heel wat diepere waarden 

            Het totale huidige aantal aanhangers van de oosters-orthodoxe kerk, of zoals het ook wel wordt genoemd de Byzantijns-orthodoxe kerk wordt geschat op 150 miljoen. Deze mensen komen voornamelijk uit landen van het voormalige Oost-Romeinse Rijk en landen uit de voormalige Sovjet-Unie. Deze 18 landen met hun eigen nationale structuur, waarvan er negen een status van patriarchaat hebben. De oecumenisch patriarch van Constantinopel heeft een eerste plaats als primus inter pares.

            Ik hoop hiermee een goed beeld te hebben geschetst hoe de oosters-orthodoxe kerk in elkaar zit en wat haar kenmerken zijn. Ik vond het erg interessant om te bestuderen en ik denk ook dat mede door het schisma de culturele kloof tussen West- en Oost-Europa zo groot is.

            Bron : Scholieren.com

            Iconen : Niet zomaar religieuze schilderijtjes, doopplaats van Jezus , Athosberg..

            Iconen : Niet zomaar religieuze schilderijtjes

            EIBERGEN/ZWILLBROCK – Het is monnikenwerk, letterlijk én figuurlijk.

            Een icoon, hoe klein ook, schilder je niet zomaar tussen de bedrijven door. Er komt veel bij kijken en het doet je iets. “Het geeft je rust en je krijgt er kracht van”, ervaart Gonnie Aagten uit Ruurlo. “Het lijkt wel een soort van meditatie”, ondervindt de Haaksbergse Mariëlla van ’t Hof.

            De twee vrouwen leren het schilderen van iconen van de Eibergse kunstenares Marjan Nijhuis. Die begon zich jaren geleden de bijzondere techniek eigen te maken. “Ik heb altijd al iets gehad met religieuze beelden, schilderde bijvoorbeeld heel vaak Maria. Niet omdat ik nou zo gelovig ben, maar vooral vanuit mijn gevoel. Nu ik een tijdje bezig ben met het schilderen van iconen, verdiep ik me steeds meer in de verschillende tradities en de verfijnde techniek. Hoe verder je komt, hoe mooier de symboliek is. En hoe minder je weet, zoveel is er over geschreven.”

            Een icoon is een afbeelding van Christus, de Moeder Gods, van heiligen of verhalen uit de bijbel. Traditioneel wordt het maken van een icoon beschouwd als een een religieuze handeling. “Officieel begin je met een gebed, steek je een kaarsje op en luister je naar christelijke muziek terwijl je bezig bent”, weet Nijhuis. “Dat doen we niet, behalve dat we soms mooie muziek draaien. Maar er wordt hier ook altijd heel veel gelachen.”

            Elk nieuw schilderij is in feite een kopie van een bestaande icoon. “Er zijn mensen die het geen kunst vinden, maar reproducties”, aldus Nijhuis. “Maar je legt wel degelijk iets van jezelf in je eigen iconen. Hoewel je volgens strenge tradities te werk gaat, is het resultaat altijd heel persoonlijk.”

            Veertig iconen van de hand van Nijhuis en haar cursisten worden zondag in Zwillbrock gewijd. Nijhuis: “Zonder die wijding schilder je geen iconen, maar religieuze plaatjes.” Voor Gonnie Aagten heeft de wijding bijzondere toegevoegde waarde. “Persoonlijk heb ik het gevoel dat hij heilig wordt. Maar ik ben ook iemand die kaarsen laat wijden in de kerk.” Ook Mariëlla van ’t Hof neemt haar icoon mee naar Zwillbrock. “Ik ben protestants en ken vanuit mijn geloof de traditie niet om dingen te laten wijden. Ik denk ook niet dat ‘ie heilig verklaard wordt. Maar dat de icoon straks meer waard is dan een gewoon schilderij, daar geloof ik wel in.”

            JORDANIË HOOPT OP HALF MILJOEN TOERISTEN VOOR JEZUS’ DOOPPLAATS

            Bron: KerkNet

            BRUSSEL (Kerknet/Cathnews/Kath.net) – Jordanië levert grote inspanningen om de doopplaats van Jezus aan de oostelijke oever van de Jordaan uit te bouwen tot een toeristische trekpleister. Samen met de traditionele en tot aan de intifada druk bezochte bedevaartplaats op de westelijke oever maakt deze site in Jordanië er aanspraak op de enige echte plaats te zijn waar Jezus werd gedoopt. De voorbije jaren bezochten jaarlijks honderdduizend pelgrims en toeristen de site. De Jordaanse overheid hoopt dat dit aantal tot een half miljoen aangroeit, zodra de kerken zijn gebouwd en monniken hun intrek namen. Nog vóór het einde van dit jaar worden een Koptische, een Armeense, een Syrische en een Ethiopisch-orthodoxe kerk ingewijd. “Er worden ook nog een Russisch gastenhuis voor pelgrims en een Grieks-orthodox klooster opgetrokken”, zegt Dia Madani, hoofd van de Jordaanse commissie die met de bouwwerken is belast. Hij maakt zich sterk dat bedevaarders massaal de weg vinden naar deze site, eens de toeristische infrastructuur is voltooid.

            GRIMMIGE STRIJD OP ATHOSBERG

            Volgens Oostenrijkse media, die zich baseren op de Griekse radio, is er op de Noord-Griekse berg Athos opnieuw strijd uitgebroken tussen rivaliserende orthodoxe monniken. Een radicale groep monniken dreigt het door hen bezette klooster Esfighmenou op te blazen met dynamiet, benzine en gasflessen, als de politie pogingen doet hen uit hun klooster te verdrijven. Zaterdag ontstond er al tumult toen een andere groep “legale” monniken het klooster wilden binnendringen dat door “rebellerende” kloosterlingen bezet wordt. Belangrijk strijdpunt is de dialoog met de katholieke Kerk die door monniken van Esfighmenou, een van de 20 kloosters op de monnikenberg, afgewezen wordt. Sinds 35 jaar wordt elk contact met katholieken vermeden. De groep ging zover dat ze het geestelijk hoofd van de orthodoxe Kerk, de in Istanboel levende patriarch Bartholomeus I, excommuniceerden omdat hij een dialoog met de katholieke Kerk voert. De groep zelf is ook door een excommunicatie getroffen, uitgesproken door het abtenconcilie van de 19 andere kloosters. Hoe grimmig de strijd is toont een spandoek dat uit de raam van het klooster hangt met de woorden: “Orthodoxie of dood”. (kath.net/KN)

             

             

            De Orthodoxe kerk in Europa

            DE ORTHODOXE KERK IN EUROPA

            UITDAGINGEN EN VERLANGEN NAAR EENHEID

             Tekst van een uiteenzetting door Christos Yannaras, naar aanleiding van de 40e verjaardag van het interepiscopaal orthodox Comité in Frankrijk, de 17e november laatstleden gehouden te Parijs.

            Christis Yannares  is een alom bekend filosoof en theoloog in het Westen. Hij is professor emeritus van het instituut voor politieke wetenschappen te Athene en lid van de internationale Academie voor religieuze wetenschappen. Hij heeft in de loop van de laatste veertig jaar veel bijgedragen tot de vernieuwing van de orthodoxe theologie, vooral door zijn boeken die in verschillende talen werden vertaald, waaronder het frans : ‘De l’absence et de l’inconnaissance de Dieu d’aptès les écrits aréopagitiques et Martin Heidegger’ (Cerf,1971), ‘La liberté de la morale’ (Labor et fides, 1983, collection “Perspective orthodoxe”), ‘La foi vivante de l’Eglise. Introduction à la théologie orthodoxe’(Cerf , 1989), ‘Vérité et unité de l’Eglise’ (Axios,1990).

            De éénheid van de Kerk is geen organisatorisch probleem. Wij spreken van éénheid om de nieuwe wijze van bestaan aan te duiden die de Kerk verkondigt, een wijze die zich realiseert en openbaart in elke locale eucharistische gemeenschap.

            Alvorens te worden uitgedrukt als “evangelie”, blijde verkondiging, is het getuigenis van de Kerk een concreet gegeven : de beleving van een maaltijd waar de realisatie ervan de kerkelijke gemeenschap vormt. Deze maaltijd getuigt en openbaart een nieuwe wijze om het voedsel te ontvangen, ’t is te zeggen, om ons leven te verwezenlijken : ons leven verwezenlijken als relatie, als  bestaan, niet als individu die zich voedt en handelt om zich staande te houden en te overleven, om voort te bestaan, om te overleven, maar een bestaan als persoon die existeert als ‘communio’ in liefde, die existeert omdat hij bemint en aangezien hij bemint.

             “DE KERK IS GEEN RELIGIE”

            De Kerk is geen religie. De religie is een individualistische noodzaak, egocentrisch. De Kerk is een bestaan als communio. De religie is individualistisch, omdat zij de vrucht is van een  instinctieve impuls, van een natuurlijke noodzaak die elk menselijk individu domineert. Noodzaak om de angst voor de dood te neutraliseren,angst ook voor het onbekende transcendente . Noodzaak om het individu te versterken met ‘geopenbaarde’ zekerheden, met juridische garanties voor de individuele onsterfelijkheid.

            De Kerk heeft haar naam ontleend aan de‘ekklèsia’ (van ‘dèmos’), van de griekse stad, van de vergadering van burgers.  De burgers kwamen bijeen in de ‘ekklèsia’, vooral om datgene wat gebeurde in de stad verder te realiseren en te ontwikkelen, dit wil zeggen : een andere wijze van co-existentie (samenleven) te realiseren. De ‘stad’ was voor de oude grieken  geen samenleven dat op het ‘nut’ gericht was (‘koinônia tès chreias’), het was veeleer een gemeenschappelijke strijd opdat het leven ‘in waarheid’ een ‘waarachtig’, een reëel  leven zou zijn. De ‘ekklèsia’ van de burgers was bij uitstek de uitdrukkingswijze om een politiek van waarheid te realiseren.

            De waarheid betekende voor de grieken de realiteit van het zijn (‘ontôs on’).  Zij erkenden hun eeuwige oordeel en gelijk van het waarachtig zijn uit ervaring, als iets onaantastbaar, onveranderlijk, die de ‘zijnden’ vormt en de  betrekkingen  tussen de ‘zijnden’ , de logische relaties, van harmonie en schoonheid, die het universum tot ‘cosmos’ omvormden : een waarachtig sieraad.  De ‘stad’, de ‘polis’ en het politieke leven waren de plaats van de vrijwillige strijd van alle burgers om de collectiviteit te bepalen volgens de logica (de modus) van het reële zijn, van de wijze (modus) van de waarheid, de logica van de harmonische relaties en van de schoonheid.

             De communio van de Personen van de Drieene Godals wijze van bestaan.

            Zelfs voor christenen, verwijst de waarheid niet naar ‘bruikbare informaties’, maar naar de wijze van bestaan van het reële zijn. Maar het reële zijn is volgens de kerkelijke ervaring niet de rationaliteit a priori en de ondoorgrondelijkheid van de cosmische orde. Het reële zijn, het ware bestaan die de beperkingen van de tijd, de ruimte, de vergankelijkheid en de dood niet kent, is de communio van Personen, van het oorzakelijk trinitaire principe van het levend wezen. De wijze van bestaan van de trinitaire God, is de wijze van vrijheid met betrekking tot elke noodzakelijkheid en elke voorbeschikking, het is de onbegrensde vrijheid van de liefde. De God van christenen is liefde.

            De liefde heeft zich geopenbaard in de Kerk vanaf het allereerste moment van haar historische aanwezigheid als onbegrensde vrijheid, door middel van drie woorden die het oorzakelijke trinitaire principe definiëren : de woorden Vader, Zoon Geest. Vrij van elke noodzakelijkheid en van elke voorbestemming van haar onuitsprekelijk bestaan. God de Vader bestaat omdat Hij wil bestaan en Zijn vrije wil ‘hypostaseert’ (tot hypostase maken’) Zijn zijn door Zijn Zoon te doen ‘geboren’ worden en door de ‘voortkomst’ van de Heilige Geest : Vader, Zoon, Geest zijn woorden uit de menselijke taal die echter niet de betekenis hebben van individuele existenties (zoals gewoonlijk de namen van individuen: Peter, Paul, Jan enz…), maar het zijn hypostatische eenheden die bestaan in ‘relatie’, bestaanswijzen die uit zichzelf ontstaan. Zij ontstaan de één uit de andere, met de band van de liefde. Het kerkelijk leven beoogt deze wijze van trinitair leven te bereiken, een wijze om lief te hebben, een wijze om waarachtig te existeren.  De Kerk wil ‘deze éénheid die de Heilige Geest als meester heeft’ realiseren, zoals de heilige Isaac de Syriër het zegt. Wij verstaan deze éénheid vooral als communio aan dezelfde kelk, als het zoeken naar een leven als communio van liefde, een communio en zoeken die het lichaam van elke locale eucharistische gemeenschap vormt. En de kerkelijke ervaring getuigt van deze éénheid als wijze van bestaan, ze vormt tegelijk één enkel en uniek lichaam van alle afzonderlijke locale kerken samen, zij vormt ook de Kerk als universele realiteit.

            Eucharistie en éénheid van de KerkDe &eac
            ute;énheid van het universele lichaam van de Kerk wordt ook gerealiseerd door een gemeenschappelijke deelname van alle christenen aan dezelfde eucharistische kelk, ’t is te zeggen, aan dezelfde wijze van bestaan. De uiting van deze ware éénheid realiseert zich in een concrete institutie : de bisschoppensynode.

            De bisschoppensynode heeft niets te zien met een vergadering van directeurs van een onderneming of van een maatschappij. Ten eerste, omdat de bisschop niet de leider of de bestuurder is van een eucharistische gemeenschap, maar haar vader en dienaar.Verder, omdat de synode een verlengstuk is van het eucharistisch sacrament, een verlengstuk van de eucharistische wijze van bestaan.

            Elke bisschop die zich in de schoot van een bisschoppensynode uitdrukt, spreekt niet om zijn eigen gedachten uit te drukken, zijn eigen opinies en zijn bevindingen, zijn persoonlijke wijsheid, zijn theologische bekwaamheid, zijn godsvrucht en zijn deugden. Neen ! De bisschop spreekt op de synode als getuige van de eucharistische gemeenschap, in dienst van hen die onder zijn gezag staan. Hij drukt enkel zijn ervaring uit van de strijd welke zijn gemeenschap heeft met betrekking tot de wijze van eucharistische bestaan.

            Vanuit het gegeven, dat de deelneming aan de eucharistische kelk de realisatie is van een verandering in onze manier van bestaan, zo is het ook met betrekking tot de deelname van de bisschoppen aan een synode. Het is de realisatie en de manifestatie van de wijze(manier) die het bestaan bevrijdt van de tijd, de ruimte, van het verval en de dood, van de wijze waarop de existentiële realiteit van de Kerk overal ter wereld wordt bepaald. En zoals het ondenkbaar is dat aan de eucharistische maaltijd, Grieken, Russen of Fransen elk  aan verschillende spijzen communiceren, en niet aan hetzelfde brood en wijn van de gemeenschappelijke tafel, zo is het ook ondenkbaar dat elke bisschop naar voor komt met zijn eigen belangen, individuele of nationale.  Dat wat de eucharistie en de bisschoppelijke synode gemeenschappelijk hebben, is de mogelijkheid te bieden om onze manier van bestaan te veranderen, om de hoop uit te drukken van een overwinning op de dood. Een vervalsing van deze hoop is een zware verantwoordelijkheid.

            “Een dienst ten gunste van de realisatie van het ware leven”

            Wanneer de bisschoppen van de verschillende locale kerken tezamen de eucharistie celebreren, is er altijd maar één die in de celebratie ‘voorgaat’ naar het beeld van de monarchie van de vader , die de vorm is van de trinitaire éénheid. Zo gaat het ook bij een synode : er is altijd slechts één bisschop die voorgaat, nooit meerdere, nooit beurtelings. Voorgaan op de synode is geen macht, het is een dienst ten gunste van het realiseren van het ware leven.

            Hoe stelt men vast wie er in elke synode van bisschoppen moet voorgaan ? De kerkelijke ervaring van de vijftien eerste eeuwen heeft bijgedragen om het metropolitaans systeem tot stand te brengen : bij elke regionale synode gaat de bisschop van de grootste stad van de regio voor, van de moeder-stad (in het grieks : ‘metropolis’). Hij was de verantwoordelijke voor het bisdom met de meeste inwoners, hij had bijgevolg de bekwaamheden om een antwoord te bieden op de grootste verantwoordelijkheden, en bijgevolg ook de ervaring om de meest complexe problemen het hoofd te bieden.

            Op de synode van bisschoppen van een ganse provincie in het verenigd romeinse Rijk van die tijd, ging de bisschop van de belangrijkste stad voor : Rome in het Westen, het Nieuwe Rome – Constantinopel in het Oosten, Alexandrië in Egypte, Antiochië in het Midden-Oosten. Aan deze vier bisschoppen van de grootste administratieve centra van het Keizerrijk, die patriarchen genoemd werden, heeft men als bewijs van eer, de bisschop van Jeruzalem toegevoegd.

            Het criterium om deze vijf patriarchen aan te duiden, – zij vormden de pentarchie,  en drukten de zichtbare éénheid van de Kerk  uit –  was niet enkel de bekwaamheid om het voorzitterschap van de synode, als eucharistische dienst, waar te nemen. Het criterium was eveneens gebaseerd op de realiteit dat deze steden werden erkend als de grootste centra van het kerkelijk leven, van de theologische studie, van het liturgisch leven, van de christelijke kunst. Wij merken tot op onze dagen de vruchtbare theologische arbeid van de ‘school’ van Alexandrië, evenals de bijdrage van de Antiocheense ‘school’, alhoewel zeer verschillend van de vorige. Op het vlak van de christelijke kunst kennen wij de hoogtepunten die bereikt werden door de ‘school’ van Constantinopel alsook de inbreng van de traditie van Jeruzalem voor wat betreft de vorming van de kerkelijke cyclus.

            Orthodoxie of ‘nationale religie’

            De eenheid van de universele Kerk is tenietgedaan toen het nationalisme is komen opdagen als een politieke band van samenhang der volkeren. In een eerste etappe, is de ambitie van een natie om een rijk te vormen gepaard gegaan met de aanspraak om haar nationale Kerk de rang van patriarchaat te geven. De studie van deze band tussen de idee van het Rijk en het verlangen om een nationaal patriarchaat in te stellen was werkelijk fascinerend, men hoeft slechts de voorbeelden te nemen zoals deze van Karel de Grote (9e eeuw), van de tsaar der Bulgaren Symeon (10e eeuw), van de koning van Servië Etienne Dusan (14e eeuw, van de russische tsaar Ivan III (15e eeuw). In een tweede etappe, in de 19e eeuw,is de verbrokkeling van de kerkelijke éénheid volgens ethnische criterea  op een medogenloze wijze doorgevoerd. De één na de andere orthodoxe volkeren hebben zich bevrijd van het ottomaanse juk en zij hebben Staten gecreëerd  die het karakteristieke van de moderne westerse staten van die tijd kopieerden .( dit van de “Staat-natie”), wat hen ook ertoe bracht om de kerkelijke onafhankelijkheid te eisen. Zij hebben dus gekozen om het systeem van de patriarchale pentarchie te verlaten, en , in de meeste gevallen, om op hun beurt erkend te worden als een ‘patriarchaat’, aldus gaven zij hun status van locale Kerk op en werden zij ‘een Staatsreligie’.

            Er was reeds een precedent op het einde van de 16e eeuw, met de aanneming van de titel van patriarch door de metropoliet van Moscou in 1589, en die samenviel met de opkomende ambitie van Moscou om erkend te worden als het ‘Derde Rome’.  Later, in de 19e eeuw was er de oprichting van het nieuwe Koninkrijk der Grieken, in het zuiden van de Balkan , een Staat die 4/5e van de griekse bevolking buiten haar grenzen had en waarvan de Kerk die afgescheiden was van het oecumenisch patriarchaat  zich proclameerde tot ‘autocefale Kerk’. Vervolgens kwam er in 1879 de autocefalie  van de servische Kerk, en de toekenning van de titel van patriarchaat aan deze nationale Kerk in 1920. Vanaf 1855 heeft ook de Roemeense Kerk haar autofalie afgekondigd en werd op haar beurt in 1925 een patriarchaat. In 1937 werd de Kerk van Al
            banië erkend als autocefaal, en in 1945 de Kerk van Bulgarije, die in 1953 ook een patriarchaat werd.

            Daarom is de orthodoxie, die vroeger synoniem was van kerkelijke katholiciteit, geworden  tot een nationale religie (en dit tot op de dag van vandaag), ze is een autonome ideologische entiteit geworden in al die landen die ‘historisch als Orthodox’ worden bestempeld. Zo wordt de Orthodoxie geïdentificeerd met alle bijzondere kenmerken van elk van deze naties, met hun riskante politieke avonturen en de ambities van elk van deze kerken. Zij is een aanvullend element geworden van de heersende Staatsideologie. De term “patriarchaat” heeft vandaag de dag geen enkele kerkelijke betekenis meer, zij heeft geen enkel verband meer met de betekenis die ze had in het synodale kader van de pentarchie. Het verwijst alleen nog maar naar administratieve instellingen, die min of meer geseculariseerd zijn.

            “De éénheid van de Kerk is een wijze van bestaanen niet een wijze van administratief organiseren”

            Vandaag de dag begrijpt niemand meer wat de belijdenis van het geloof,namelijk dat de éénheid van de Kerk een wijze van bestaan is en niet een wijze van administratief organiseren,waarom de eenheid het geïncarneerde Evangelie van de overwinning op de dood is en geen ideologische en eenvormig disciplinaire organisatie die het Vaticaans  model zou willen kopiëren. Wij constateren voortdurend, dat zowel priesters als theologen van onze nationale orthodoxe kerken een verbazingwekkende ecclesiologie ontwikkelen die slechts een onrealiseerbare utopie is. Wij beleven werkelijk een tragedie.

            Deze tragedie bereikt haar hoogtepunt buiten de zogenaamde ‘orthodoxe ‘ landen, in de orthodoxe ‘diaspora’. Niemand zal de noodzaak afwijzen om in dezelfde stad orthodoxe parochies te hebben van verschillende talen. Maar het feit van verschillende bisschoppen te hebben voor elke taal, ’t is te zeggen, voor elke verschillende nationaliteit in dezelfde stad, vormt een negatie van wat de Kerk is. Hoe kunnen wij ons ‘broeders’ en ‘zusters’ noemen als we elk een verschillende vader hebben ?

            Het probleem kan niet opgelost worden door een beroep te doen op goede gevoelens, of door morele aansporingen. Het nationalisme is noch een dwaling van de geest, noch een fout met betrekking tot de regels van de christelijke moraal. Het is de negatie zelf van de waarheid van de Kerk, van de “religiosering” van het kerkelijk gebeuren.

            “Een engagement van alle orthodoxe in Frankrijk”(Geldt ook voor België)

             

            Bij deze herdenking van de 40e verjaardag van de stichting van het interepiscopale Comité in Frankrijk, brengen wij hulde aan de pioniers van deze beweging, opdat de éénheid van de Kerk als geïncarneerd Evangelie niet in de vergetelheid geraakt. Deze verjaardag zal een daadwerkelijk feest worden, een bron van vreugde, indien het echt het begin betekent van een engagement van alle orthodoxen van Frankrijk en hun bisschoppen, en dit met een dubbel objectief :

            – Vooreerst, dat de Vergadering van bisschoppen die het interepiscopaal Comité heeft opgevolgd haar waarachtige kerkelijke naam aanneemt, deze van een locale synode,die fungeert als een synode en met een voorzitter van de synode;

            – En vervolgens dat allen zich ertoe zouden engageren, dat de vertegenwoordiging van de orthodoxen bij de autoriteiten en bij de Europese instellingen te Brussel, één en enig zou zijn. Alleen zo kan de uitdrukking en het symbool van onze kerkelijke eenheid gestalte krijgen en niet het beeld van een verdeelde vertegenwoordiging zoals dat vandaag is, in kleine nationale groepjes, wat ronduit belachelijk is.

            Uit SOP 323/December 2007

            Vertaling : Kris B.