De ervaring van de heilige Geest in de orthodoxe kerk

De ervaring van de Heilige Geest in de orthodoxe Kerk

Door Elisabeth Behr Sigel

 

Orthodoxe theologen en spirituele mensen onderlijnen het verborgen , mysterieuze karakter van de Derde  Persoon van de drie-eenheid.  Zij constateren een soort anonimiteit van de Geest, waarvan de volle openbaring enkel op het einde der tijden wordt verwacht. De geest heeft geen eigen naam. Spiritualiteit en heiligheid behoren toe aan de Drie  goddelijke Personen. Terzelfdertijd  heeft de Geest vele namen. Alles wat de mensheid verheft boven zichzelf, alles  wat het werk en de uitstraling is van de Heilige Geest. “Gij hebt vele namen, hoe zal ik je noemen, Gij die men niet kan noemen ?” roept Gregorios van Nazianze uit. ” Uw naam, zo begeerd en voortdurend aanroepen, niemand kan zeggen wie het is”, zingt de byzantijnse mystieker Symeon de Nieuwe Theoloog.

De Geest heeft geen onthuller in de andere goddelijke Persoon, stellen de Kerkvaders vast. “De beelden zelf waarmee de Schrift de Geest beschrijft blijven duister”, schrijft de monnik van de Oosterse Kerk. “Hij is een vlam, zalving, parfum. Hij is een duif die vliegt en rust – en hij is tegelijk niets van dit alles” (Een monnik van de Oosterse Kerk, de duif en het lam, Chevetogne, 1979,pp.13-14). De Geest, is de anonieme God die in de wereld aanwezig is zonder zich ermee te vermengen. Zijn persoon  verbergt zich tegelijk in hem aan wie hij zich geeft, Christus, waarvan hij de tegenwoordigheid actualiseert, en in hen aan wie Hij zich geeft.

Er is dus ook een kenose van de Geest, zoals er een kenose van de Zoon van God is. De Geest ontledigt zich en verootmoedigt zich als persoon om de Zoon des mensen  te openbaren  en in de mensen.

“Zijn tegenwoordigheid is verborgen in de Zoon zoals de adem en de stem verdwijnt  voor het woord die zij hoorbaar maken” schrijft Paul Evdokimov (L’Esprit Saint dan la Tradition orthodoxe, p88). Het is in de volheid der tijden, in de veelheid van de verlichte aangezichten door hen, de menselijke personen die hij geheiligd heeft, het is in de Kerk-mensheid die de  vrouw geworden is,omhuld met de zon uit de Apocalyps (Hand.12,1-2), dat de persoon van de geest onthuld zal worden. De geest kennen, hier en nu, betekent zijn kracht ontvangen, maar het is ook, zoals de heiligen het getuigen, zich laten binnenleiden in het mysterie van zijn tederheid, het zichzelf wegcijferen, de vreugde, in de wederzijdse zelfgave. Zo is het einde van de christelijke existentie, het Koninkrijk van God waarvan wij de komst afsmeken.  Het is kenmerkend dat in  sommige zeer oude teksten van het Onze Vader, het afsmeken van het Koninkrijk van God wordt vervangen door de vraag : “dat uw Geest kome”.

In dit perspectief betekent Pinksteren de ultieme  openbaring die wij zouden kunnen ontvangen in dit aardse leven, een anticipatie van deze waarnaar wij verlangen – en waarnaar wij gaan in geloof en hoop. De gave van de Heilige geest kondigt zich aan en bevat de cosmische transfiguratie in kiem, de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, het hemels Jeruzalem waar God elke traan wist. Daarom komen op de dag van Pinksteren de gelovigen naar de Kerk met groene takken en bloemen. Zij symboliseren het nieuwe van de Geest, die van de verrezen Christus,die vloeit op de aarde en op de mensen, de goddelijke belofte vervullend : ” In zal een nieuwe Geest over hen zenden, ik zal uit hun lichaam het hart van steen  weghalen en zal hen een hart van vlees geven ” (Ez.2,19).

Eén van de specifieke uitingen van dit veranderen van hart is de staat van de ziel welke de Russen oumilénié noemen,  “ontroering” : pijnlijke vreugde, gemengd met tranen, universele godsvrucht, exstase wanneer het hart zich verblijd  over de dimensies van het universum, van gans de schepping die in barensweeën verkeert en die  zuchtend streeft – maar met hoop – naar de openbaring van de Zonen en dochters van God ( cf. Rom.8,18-23). Van de woestijnvaders tot de byzantijnse mystiekers en de russen, van Ephraïm de Syriër tot Symeon de  Nieuwe Theoloog, van Tikhon en Seraphim van Sarov tot Aliocha Karamazov ( personnage uit de roman “De gebroeders Karamazov van Dostoïevski) en in de anonieme ‘russische pelgrim”, doorkruisen de accenten van deze smartelijke vreugde de oosterse spiritualiteit in een immense doxologie.

Het meest gewoon gebed gericht tot de Geest in de orthodoxe Kerk aanroept hem als ‘Koning van de hemel’. De koninklijkheid van de Geest wordt nochtans nooit in  de kerkelijke godsvrucht beschouwd als een soort ‘derde rijk’ die zou volgen op dat van de Vader en de Zoon, als een nieuwe openbaring, volgens de illusie van sommige duizendjarige secten en die dikwijls gevolgd worden door nobele en grootmoedige geesten. De orthodoxe godsvrucht scheidt nooit de geest van de Zoon en de Vader. Zijn koninklijkheid, schrijft de Monnik van de Oosterse Kerk, bestaat erin “zijn onderwerpen te doen buigen naar diegene die gezegd heeft tot Pilatus : “Ik ben koning” (Joh.18,37). De functie van de Geest is om Jezus aan de mensen mede te delen, zijn genade,  het inzicht in Zijn Woord en Zijn verrijzenis. En terzelfdertijd in hen en onder hen het rijk van de Zoon te grondvesten. Hij toont hen met hem en in hem en door hem het rijk van de Vader, totdat God in allen zij (cf. 1 Kor.15,24-28).

De gave van de Geest zou in dit perspectief niets anders zijn dan een buitengewone gave, alleen gegeven aan sommigen. Leven in de Heilige Geest, dat is de roeping van elke Christen en tenslotte de ultieme roeping van elk menselijk zijn. In zijn beroemd onderhoud met Nicolas Motolitov, zegt de heilige Seraphim van Sarov, een Russische heilige uit de XIXe eeuw, aan zijn leerling en vriend : “Het gebed, de vasten, de waken en elk ander Christelijk werk zijn goed op zichzelf. Echter, het is niet in hun vervulling dat het doel van het christelijk leven bestaat. Het zijn slechts middelen. Het waarachtig doel van het christelijk leven is de verwerving van de Heilige Geest”. De heilige Seraphilm van Sarov doet niets anders dan – in de taal van een simpele Russische monnik, een taal waarin men niet te veel de termen moet benadrukken – de vaste leer van de Kerk te onderwijzen, Helaas, dikwijls  verduisterd door het ritualisme en het legalisme, maar altijd aangepast voor de authentische spirituelen.

Tien eeuwen voor Sint Seraphim, vermaande Symeon de Nieuwe Theoloog zijn tijdgenoten : ” Het zegel van de Geest is vanaf nu gegeven aan de gelovigen…aangespoord door dit geloof, loop zoals het behoort om het doel te bereiken….Klopt totdat men u opent en   dat gij binnen de bruidskamer de Bruid kunt aanschouwen”. Dit appel en nog andere analoge die verspreid worden door deze bijbel van de mystiek van de Oosterse Kerk, dat de philocalie is, miljoenen orthodoxen hebben niet opgehouden het te bemediteren : hesychasten van de Athos berg, monniken-eremijten van Rusland en Moldavië, leerlingen van Nil van de Sora (Sorsky) of de staretz Païssii Velitchkovski, maar ook eenvoudige leken, mannen en vrouwen levend in deze wereld, zoals de beroemde Verhalen van de Russische pelgrim. Vandaag nog, is het spirituele gebed of het gebed van het hart de geheime bron die de orthodoxe  vroomheid  besproeien. Een gebed waarvan de naam van Jezus in zekere zin de materie vormt en waarvan de kracht de Adem is, de onuitsprekelijke Geest verenigt met de menselijke adem.

De Geest en de Kerk

De persoonlijke bewustwording van de inwoning van de Geest, “God is intiemer dan mijn intiemste”, situeert zich nochtans in een kerkelijke context. De Kerk is, volgens de orthodoxe opvatting, bij uitstek “de plaats waar de Heilige Geest werkzaam is”. Deze definitie is ons gegeven door Vader nicolas Afanassieff in zijn boek “L’Eglise de l’Esprit Saint” (De Kerk van de Heilige Geest). Het werd hernomen door de libanese metropoliet Georges Khodr in een communicatie die hij gedaan heeft op het theologisch colloquium over de heilige Geest te Rome (maart 1982) : “De Kerk is geactualiseerd op de dag van Pinksteren door de Geest en in de Geest. Zij is de plaats waar de Heilige Geest handelt en de Geest is haar principe van activiteit door de charisma’s”. En Georges Khodr citeert het gezang van de grote vespers van Pinksteren : “De Geest doet de profeten opspringen als een bron ; hij stelt de priesters aan ; de zondaars, hij maakt theologen , hij vormt de Kerk”. En om de woorden van de heilige Johannes Chrysostomos  op te roepen : ” Indien de Geest niet aanwezig was in haar midden, dan zou zij niet blijven bestaan. Indien zij blijft bestaan, dan is dit een teken van de aanwezigheid van de Geest”.

Er is geen tegenstelling in dit perspectief tussen “het instituut” en de “Charisma’s”. Er zijn verschillende functies in de Kerk. Spanningen ontwikkelen zich, te wijten aan de menselijke zonde. Maar de Geest  is de enige bron van de gaven die aan ieder gegeven worden met het oog op het bouwen van het gemeenschappelijk spirituele huis, waarvan alle gelovigen de kostbare en noodzakelijke stenen zijn. Als plaats waar de Heilige Geest handelt beschikt de Kerk niet over hem als haar eigendom, krachtens een magische priesterlijke macht die de  bedienaar zou bezitten. Als gave en gever geeft de Geest zich in vrijheid. Hij is de persoon-gave die zichzelf geeft om met de Zoon, de wil van de Vader te vervullen. Hij is het antwoord van de Vader op het nederige en vertrouwvolle gebed van de Kerk, conform de woorden van het evangelie : “Vraagt en gij zult verkrijgen…Klopt en er zal u worden opengedaan. Als gij dus , die slecht zijt, de goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer dan zal uw hemelse vader zijn heilige Geest geven aan hen die erom vragen.”(Luc.11,13). De orthodoxe eucharistische liturgie bereikt haar hoogtepunt in de épiclese : een dringend gebed gericht tot God om Zijn Heilige Geest te zenden, tegelijk over de gaven om ze te veranderen in het lichaam en bloed van Christus en over de gelovigen opdat het ontvangen van deze gaven voor hen zouden zijn “zuivering van de ziel, vergeving der zonden, communicatie met de Heilige Geest en vervulling van het Koninkrijk der hemelen “. Zo is elke eucharistie de actualisatie van zowel Pasen als Pinksteren, communio, door en in de Heilige Geest voor de gelovigen ten overstaan van de bevrijdende verlossing van het heil dat vervuld is door Christus eenmaal voor allen (Hebr.10,10) “Wij hebben het ware licht aanschouwd, wij hebben de Heilige Geest ontvangen” zingen de gelovigen na de eucharistische communie.

Zo sterk uitgedrukt in de eucharistische epiclese, vergezeld en authentificeert  de Geest alle sacramenten. Zij is de ademhaling van de Kerk : gans het leven van de Kerk is epicletisch, ’t is te zeggen, afwachting, aanroeping en ontvangst van de Geest. De figuur van de kerk is de biddende die men ziet op de muren van de catacomben : de vrouw rechtop, haar lege,open handen omhoog naar de hemel gericht. Als gemeenschappelijk werk, volgens de ethymologische betekenis van het woord, actualiseert de liturgie het gebed van de Geest en de bruid : “Kom, Heer Jezus…Maranatha” (Apoc.22,17-20). Als antwoord doet de Heer de bruid deelnemen aan haar Pasen. Zo is de dialoog die het liturgisch gebed uitdrukt, als een echo van de eeuwige dialoog, in het intertrinitaire leven, van de Duif en het Lam. “De liturgische bijeenkomst”, schrijft Georges Khodr, “is een bruidsvergadering die  de bewoners van hemel en aarde omvat en zelfs het universum. Haar bezieler, de daadwerkelijke liturgie, is de Geest “gever van het leven”. Aanwezig in de christelijke bijeenkomst, zingt de Geest in haar, spreekt hij ten beste in haar bij de Vader. De Kerk smeekt de Geest heiligmaker en verlichter  dat zij haar zet – en in haar elke gelovige- in de staat van het gebed” (Georges Khodr, “L’Esprit Saint dans la Tradition orthodoxe” SOP, supplément n° 68np.7).). Dit gebed sluit de Kerk niet op in haarzelf. Zij verruimt haar tot wereldse dimensies. Als wij, door de Heilige Geest, de aanwezigheid van de Heer midden onder ons kunnen waarnemen, dan worden wij opgeroepen om zijn aangezicht waar te nemen in elk menselijk wezen, vooral in de minsten van onze broeders.

Wanneer de priester, op het einde van de eucharistische liturgie zegt : “Laat ons heengaan in vrede”, dan wil dit zeggen, zoals vader Bobrinskoy eraan herinnert, dat wijzelf dragers zijn geworden van de Geest, dat wij geroepen zijn om het Goede Nieuws te zijn voor de wereld, verenigt met hem die het Goede Nieuws in persoon is.

Als gratis gave wordt de genade van de Geest gegeven aan de gelovige voor de geestelijke strijd in zijn eigen hart en in de wereld. Zij is Koninklijke en priesterlijke zalving die zichtbaar wordt in de cultus “in geest en waarheid” waartoe de mensheid is geroepen (cf.Joh.4,24). : offerande van zichzelf en het nutteloze universum waarvan hij de woordvoerder is, aan de Vader als de bron van de liefde zonder grenzen. Een offerande die de werken van een authentische menselijke cultuur zou kunnen veranderen in een cultus. Zo is de doelgerichtheid kenbaar gemaakt door het sacrament van het chrisma zoals het wordt  toegekend in de orthodoxe kerk, na het doopsel. Wij vermelden hierbij de zalving met het heilig chrisma over alle leden en in het bijzonder over de zintuigen, die het menselijk wezen in relatie stelt met zijn gelijken en met de wereld, deze zalving consacreert hem totaal aan God, opdat zijn ganse leven, hier en nu wordt veranderd, in afwachting van de uiteindelijke cosmische transfiguratie.

De Geest en de éénheid van de Kerk

Een voorafbeelding van de éénheid in Christus in de schepping in haar geheel, op het einde der tijden  wanneer “God alles in allen zal zijn” (1 Kor.15,28),is de éénheid van de Kerk in orthodox perspectief,  als een  gave van de Geest. Het is de geest die de Kerk bijeenbrengt; een vergadering van hen die Hij heeft geroepen uit het Oosten en het Westen om ondergedompeld te worden in de dood van Christus en te verrijzen met Hem door hen het nieuwe leven te schenken in de uitstraling van de trinitaire liefde.

Zoals Vader Jean Meyendorf  opmerkt,  (Jean Meyendorf, Introduction à la théologie Byzantine, pp232-233, Seuil, 1975) dat in de byzantijns liturgische taal, de griekse term koinonia – Communio -specifiek de aanwezigheid van de Geest in de eucharistische  bijeenkomst aanduidt. Aldus is het idee evident dat de communio van de Vader, de Zoon en de Geest – deze communicatie van de Heilige Geest die de mens binnenleidt in het goddelijke leven, en de communio-communauté die er is tussen de mensen, in Christus, door de Geest, niet alleen worden aangeduid met hetzelfde woord maar ook geworteld zijn in  dezelfde realiteit. De eucharistische communio is een gave bij uitstek van de Geest, ze geeft vorm aan en actualiseert sacramenteel, de Kerk in haar volheid en dit in een gegeven plaats en tijd.

Door de uitstorting van de Geest, wordt een virtuele
gemeenschap van zondaars veranderd zodat het Lichaam van Christus in hen aanwezig is, “De Kerk is één, heilig, katholiek en apostolisch”.

Deze band tussen de sacramentele eucharistie en de éénheid van de Kerk die zij actualiseert door de gave van de Heilige Geest wordt sterk uitgedrukt in het anafoor  van Sint Basilius : “Wij bidden en smeken u, o Heilige der Heiligen, opdat door uw goedheid, uw Heilige Geest over ons en over de gaven die wij nu offeren kome, en dat hij ze zegent, heiligt en kenbaar maakt als het kostbaar Lichaam van onze Heer en God, en deze kelk als het kostbaar Bloed van onze Heer en Verlosser Jezus Christus… en dat de Geest ons allen, die het Brood en de Kelk delen, in de gemeenschap van de Heilige Geest, moge verenigen.”

Geworteld in de gemeenschap van de Drie Goddelijke Personen is de kerkelijke communie ook een communio tussen personen. Traditioneel wordt in de Kerk van het Oosten ieder die communiceert genoemd bij zijn naam. “Het is omdat ieder van ons de tempel van de Heilige Geest is en dat wij gezamenlijk het “lichaam van Christus” vormen” (Un Moine de l’Eglise d’Orient, op.cit.p21). Eén van de thema’s uit de byzantijnse hymnologie van Pinksteren is de parallel tussen de “verwarring van Babel” en de harmonie die gegrondvest is door de nederdaling van de Geest onder de vorm van vurige tongen die op ieder rustte, “Hij riep ons allen op tot éénheid, zo verheerlijken wij ook met één stem de Alheilige  Heilige Geest” (Kondakion van Pinksteren).

De gave van de geest heft de pluraliteit van personen niet op. Hij schaft deze onuitsprekelijke verschillen tussen de één en de ander niet af. Maar door de uitstorting van de Geest, triomfeert God op de zaaier van verdeeldheid – diabolos –  die de verschillen omvormt tot een instrument van scheiding, onderdrukking, wederzijdse uitsluiting. De Geest is de ziel van de symfonie van de schepping die sacramenteel wordt geanticipeerd in de Kerk, maar die zich slechts ten volle zal realiseren wanneer de tijden vervuld zijn.

Het empirische leven van de historische Kerken ontkent dikwijls deze visie, die nochtans ingeschreven staat in de diepten van het kerkelijk geweten. Moge de kerk worden zoals ze is in de gedachten van de levende God ! Mogen wij Kerk worden door de altijd vernieuwende uitstorting van de Geest !

Koning van de hemel, trooster, Geest der Waarheid

Die overal tegenwoordig zijt en met wie alles vervuld is.

Schatkamer van alle goed, en Gever van het leven

Kom en verblijf in ons

Zuiver ons van alle smet, en red onze zielen, O Algoede.

 (Uittreksel uit : Quelques aspects de le théologie et de l’experience de l’Esprit Saint dans l’Eglise orthodoxe aujourd’hui”, Contacts, Vol.36)

 Vertaling : Kris Biesbroeck

Het berouw : Silouan de Athoniet

HET BEROUW

Door de Heilige Silouan de Athoniet

 Siluan

Mijn ziel heeft u gekend, Heer, en ik verkondig uw barmhartigheid aan uw volk. Volkeren der aarde, laat u niet vermorzelen door de last van het leven. Strijd alleen tegen de zonde en vraag hulp aan de Heer; Hij zal het u geven, want hij is barmhartig en houdt van ons.

O volkeren van de aarde ! Het is met tranen dat ik deze zinnen schrijf. Mijn ziel verlangt ernaar dat gij de Heer moge leren kennen en dat gij zijn barmhartigheid en zijn Glorie .moge beschouwen. Ik ben tweeënzeventig jaar, weldra zal ik sterven en ik schrijf u over de barmhartigheid van God welke de Heer mij heeft doen kennen door de Heilige Geest; en de Heilige Geest heeft mij geleerd om alle mensen lief te hebben. Oh ! Hoe zou ik u willen plaatsen op een hoge berg opdat gij, vanaf de hoogte, het zachte en barmhartige gelaat van de Heer zou mogen zien, en dat uw harten zouden jubelen van vreugde. Ik zeg u de waarheid : ik vind niets goeds in mij en ik heb vele zonden bedreven, maar de genade van de Heilige Geest heeft ze uitgewist. En ik weet dat de Heer, aan hen die strijden tegen de zonde, niet alleen vergiffenis zal schenken, maar tevens zal de genade van de Heilige Geest zijn ziel verblijden en hem een zachte en diepe vrede schenken.

O Heer, Gij houdt van uw schepsel. Wie kan uw liefde begrijpen en  er de zachtheid van smaken, indien gij mij niet leidt door uw Heilige Geest !

Ik bid u, Heer : verspreidt de genade van de Heilige Geest over de mensen, opdat zij uw liefde kunnen kennen. Verwarm de afvallige harten van de mensen opdat zij u loven in vreugde en het lijden van de wereld vergeten

O Gezegende trooster, ik vraag het u met de tranen in de ogen :  troost de bedroefde harten van de mensen. Geef aan alle volkeren dat zij uw stem mogen horen die hen met zachtheid zegt : ” Uw zonden zijn u vergeven”. Ja, Heer, het is in uw macht om mirakels te doen , maar er bestaat geen groter mirakel dan de zondaar te helpen in zijn val. Het is gemakkelijk een heilige te beminnen : hij is het waardig. Ja, Heer, luister naar het gebed van de aarde. Alle volkeren zijn in lijden gedompeld; allen zijn getroffen door de zonde; allen zijn beroofd van uw genade en blijven in de duisternis.

O volkeren van gans de aarde ! Laat ons de Heer aanroepen en ons gebed zal verhoord worden, want de Heer verheugd zich over het berouw van de mensen; alle hemelse machten verwachten ons opdat, ook wij, ons zouden verheugen over de zachtheid en de liefde van God en de schoonheid van zijn Gelaat zouden mogen zien.

Wanneer de mensen de vreze voor God bewaren, dan is het leven op aarde vreedzaam en zacht. Maar in onze dagen zijn de mensen geneigd volgens hun goeddunken en hun eigen rede te leven. Zij hebben de heilige geboden verlaten. Zij denken van op aarde de vreugde te vinden door de Heer voorbij te gaan, niet wetende dat alleen de Heer onze vreugde is en dat de ziel van de mens slechts het geluk kan vinden  in de Heer. Hij verwarmt en maakt onze ziel levendig zoals de zon de bloemen op het veld verwarmt, en zoals de wind hen doet heen en weer waaien. Hij geeft hen het leven. De Heer heeft ons alles gegeven opdat wij hem zouden verheerlijken. Maar de wereld begrijpt het niet. En hoe zou men kunnen begrijpen datgene wat men niet gezien noch gesmaakt heeft ! Ik ook, toen ik in de wereld was, dacht ik dat dit het geluk was : genieten van de gezondheid, mooi zijn, rijk en door de anderen bemind worden. Ik werd ijdel. Maar toen ik de Heer leerde kennen door de Heilige Geest, ben ik begonnen met al het geluk van deze wereld te beschouwen als rook die door de wind gedragen wordt. Maar de genade van de Heilige Geest verblijdt de ziel en vervult haar met vreugde, en, in een diepe vrede beschouwd zij de Heer, terwijl zij de aarde vergeet.

Heer, maak dat de mensen zich tot u keren, opdat allen uw liefde zouden kennen, en dat zij , in de Heilige Geest uw zacht gelaat mogen zien; dat allen op aarde genieten van dit visioen en door te zien zoals gij zijt, de gelijken van u mogen worden.

Glorie aan de Heer die ons het berouw geschonken heeft, en door dit berouw zullen wij allen gered worden, zonder uitzondering. Alleen zullen zij die  geen berouw hebben  niet gered kunnen worden : het is hierin dat ik hun wanhoop zie, en ik ween veel uit medelijden voor hen. Zij hebben niet gekend hoe groot Gods medelijden is door de Heilige Geest. Maar indien de ganse ziel de Heer kende, wist hoeveel hij van ons houdt, dan zou niemand wanhopen en nooit mopperen. Elke ziel die de vrede heeft verloren, moet berouw hebben, en de Heer zal hem zijn zonden vergeven. Dan zal de vreugde en de vrede opnieuw in zijn ziel regeren. Men heeft geen nood aan andere getuigen, want de Heilige Geest zelf getuigt dat de zonden zullen zijn vergeven. Ziehier een teken dat de zonden vergeven zijn : indien je de zonde haat, dan heeft de Heer uw zonden vergeven.

Waar wachten wij nog op ! Dat iemand uit de hoge Hemelen ons een hemelse lofzang zingt ! Maar in de hemel leeft alles door de Heilige Geest, en op aarde heeft de Heer ons diezelfde Heilige Geest gegeven. In de kerken zijn de goddelijke diensten vervuld van de Heilige Geest; in de woestijnen, op de bergen, in de grotten en overal leven asceten van Christus door de Heilige Geest; en indien wij hem behouden, zullen wij bevrijd worden van iedere duisternis, en het eeuwige leven zal vanaf hier beneden in onze zielen verblijven.

Indien alle mensen zouden berouw hebben en oog hebben voor Gods geboden, dan zou het Paradijs hier op aarde zijn , want het “Rijk van God is in ons binnenste”. Het Koninkrijk Gods is de Heilige Geest, en de Heilige Geest is dezelfde in de Hemel als op aarde.

Aan wie berouw hebben  geeft de Heer het Paradijs en het eeuwig Koninkrijk, en hij geeft zichzelf. In zijn grote barmhartigheid zal hij onze zonden niet aanrekenen, zoals hij ze ook niet aanrekende aan de gekruisigde dief naast hem.

Heer, groot is uw barmhartigheid. Wie zal in staat zijn u dank te zeggen zoals het hoort  voor de Heilige Geest die gij ons gegeven hebt op aarde ?

Heer, groot is uw rechtvaardigheid. Gij hebt aan uw apostelen beloofd : “Ik laat u niet als wezen achter”. Nu ervaren wij deze barmhartigheid en onze ziel voelt dat de Heer ons liefheeft. Maar diegene die het niet voelt, moet zich bekeren en leven volgens de wil van God. Dan zal de Heer hem zijn genade geven die zijn ziel zal leiden. Maar als gij een mens ziet die zondigt, en je hebt geen medelijden met hem, dan zal de genade u weerhouden worden.

Hij heeft ons bevolen om lief te hebben; de liefde van Christus heeft medelijden met alle mensen, en de Heilige Geest leert de ziel om de goddelijke geboden na te leven, en hij geeft hen de kracht om het goede te volbrengen.

 Heilige Geest, laat ons niet in de steek. Wanneer gij met ons zijt voelt de ziel uw aanwezigheid en zij vi
ndt in God haar schoonheid, want gij doet ons branden van liefde voor God.

De Heer heeft de mensen zodanig liefgehad, dat hij hen heeft geheiligd door de Heilige Geest en hen gelijkvormig aan hem heeft gemaakt. De Heer is barmhartig, en ook aan ons geeft de Heilige Geest de macht om barmhartig te zijn. Broeders, laten wij ons vernederen zodat wij door het berouw een medelijdend hart verwerven. Dan zullen wij de Glorie van de Heer zien : het is door de genade van de Heilige Geest dat de ziel en de geest haar kennen.

Diegene die werkelijk berouw heeft is klaar om alle soorten van lijden te verdragen : honger en gebrek, koude en warmte, ziekte en armoede, misprijzen en vervolging, onrechtvaardigheid en laster, – want zijn ziel richt zich tot de Heer in een zuiver gebed, vergetende wie op aarde is. Maar diegene die gehecht is aan zijn goederen en aan het geld zal nooit de zuivere geest van God kunnen hebben, omdat in zijn ziel zich deze voortdurende bezorgdheden bevinden : wat doen met dit geld ?  Indien hij geen ernstig berouw heeft en niet bedroefd is omdat hij God heeft beledigd, zal hij sterven in zijn hartstochten zonder God te hebben gekend.

Wanneer men van u afneemt wat ge hebt, geef het, want de goddelijke liefde kan niets weigeren; maar hij die de liefde niet gekend heeft kan niet barmhartig zijn, want de vreugde van de Heilige Geest is niet in zijn ziel.

Indien de Heer door zijn lijden ons op aarde de Heilige Geest heeft gegeven die van de Vader komt, en zijn Lichaam en zijn Bloed, dan is het evident dat hij ons ook al de rest zal geven die wij nodig hebben. Laten wij ons totaal geven aan de wil van God, dan zullen wij de goddelijke voorzienigheid zien, en de Heer zal ons zelfs datgene geven wat waar wij niet op wachten. Maar diegene die zich niet overgeeft aan de wil van God, zal nooit zijn Voorzienigheid zien ten opzichte van ons.

Dat wij ons niet bedroeven over het verlies van onze goederen : het loont de moeite niet. Het is mijn eigen vader die mij dat heeft geleerd. Indien een  onheil kwam over het huis, dan bleef hij kalm. Op een zekere dag brandde ons huis en de mensen zeiden : “Ivan Petrovitch, deze brand heeft u geruïneerd”, maar hij antwoordde : “Met de hulp, van God zal ik het herstellen”. Op een zekere dag toen wij langs ons veld wandelden, zei ik hem: “Zie, ze hebben onze schoven en ons graan gestolen”, en hij antwoordde mij : “En dan, mijn kleine, de Heer heeft het graan doen groeien voor ons; wij hebben er genoeg. Maar indien iemand steelt, dan is het omdat hij nood heeft aan eten”. Het overkwam mij dat ik tot hem zei : “Gij geeft veel aalmoezen, maar ginder achter leven ze beter en geven minder”. Maar hij antwoordde : “En dan ! de Heer zal ons geven wat we nodig hebben” En de Heer heeft zijn hoop niet teleurgesteld.

Vanaf het moment dat een barmhartig iemand berouw heeft, dan zal de Heer zijn zonden vergeven. Hij die barmhartig is denkt niet aan de zonden die je bedreven hebt. Zelfs als men hem beledigt of als men neemt van wat hem toekomt, dan blijft hij kalm, want hij kent de barmhartigheid van de Heer, en deze barmhartigheid van de Heer kan niemand ons ontnemen, want ze komt vanuit de hoge, zij is bij God.

Alle kuise en nederige mensen, gehoorzaam, sober en vol berouw zijn tot de Hemelen opgestegen : zij zien onze Heer Jezus Christus in de Glorie, horen de hymnen der Cherubijnen en herinneren zich niets meer van wat aards is. Maar wij, op aarde, wij zijn opgewonden zoals het stof dat door de wind heen en weer wordt gejaagd, en onze geest blijft gehecht aan aardse dingen.

Oh! Hoe is mijn geest zwak ! Een kleine kaars of een lichte adem volstaat om hem uit te doven; maar de geest der Heiligen is ontbrand zoals het brandend braambos, en vreest geen enkele wind. Wie zal mij zo een  vurigheid geven zodat de liefde mij noch des nachts nog overdag met rust laat ! De liefde van de Heer is brandend. Voor hem verdragen de heiligen alle lijden en ontvangen zij de macht om mirakelen te doen. Zij genazen zieken, deden doden opstaan, wandelden op het water,  werden opgeheven in de lucht op het uur van het gebed. Door hun gebed, deden zij het water uit de hemel vallen. Maar ikzelf : het is slechts de nederigheid en de liefde van Christus die ik wil leren, opdat ik niemand zou kwetsen en zou bidden voor alle mensen zoals voor mijzelf.

Ik, ongelukkige ! Ik, die zo weinig van God houd, ik schrijf over de liefde van God. Daarom ben ik bedroefd  zoals Adam wanneer hij uit het paradijs werd gejaagd.  Ik snik en ik roep : “Heb medelijden met mij, o God, heb medelijden met uw gevallen schepsel. Hoeveel keer heb je mij uw genade geschonken, maar omwille van mijn ijdelheid heb ik ze niet behouden. Nochtans kent mijn ziel u, mijn Schepper en mijn God. Daarom zoek ik naar u al wenend, zoals Jozef die weende over zijn vader Jacob op het graf van zijn moeder, toen hij werd meegenomen als slaaf in Egypte.

“Ik heb u beledigd door mijn zonden, gij richt u van mij af en mijn ziel smacht naar u.

“O Heilige Geest, verlaat mij niet. Wanneer gij u verwijdert, komen de slechte gedachten in mij op en mijn ziel verlangt vol tranen naar u.

“O Al-Heilige Souvereine Moeder van God, gij ziet mijn droefheid : ik heb de Heer beledigd en hij heeft mij verlaten. Maar ik smeek om uw goedheid : red mij, ik die een schepsel van God ben die in zonde ben gevallen ; red mij, uw dienaar”

Als ge denkt aan het kwaad van anderen, dan is dit het teken van een slechte

 Vertaling : Kris Biesbroeck

Waarom laten de orthodoxen olielampjes branden ?

Waarom laten de orthodoxen olielampjes branden ?

olielamp

Eén van de gewoontes welke  orthodoxe Christen hebben om God te aanbidden en om hun godsvrucht uit te drukken, is om zowel in de kerk als thuis olielampjes te doen branden.

Daar zijn verschillende redenen voor.

Wij laten olielampjes branden om aan te duiden dat ons geloof licht is. Christus heeft gezegd : “Ik ben het Licht der wereld”. Het licht van de lamp doet ons denken  aan het licht waarmee Christus onze zielen verlicht.

Wij doen olielampjes branden om ons eraan te herinneren dat gans ons bestaan licht moet uitstralen als dit van de heiligen, welke de heilige Paulus bestempelt als “zonen van het licht”.

Wij laten een olielamp branden om ons te beschermen tegen slechte daden en sombere passies.  Zijn licht verdrijft de duisternissen van ons innerlijk en zet ons op de lichtgevende weg van het Evangelie.

Wij branden olielampen als teken van erkentelijkheid jegens God. Zo danken wij Hem om ons in het leven in goede gezondheid te behouden en om Hem te danken voor zijn oneindige Liefde, door dewelke het heil  aan allen gegeven is.

Wij steken een olielamp aan opdat het bescherming moge zijn tegen de machten van het Kwaad, dat ons zonder ophouden achtervolgt. Vooral op het moment van ons gebed probeert hij ons van God af te wenden. De demonen houden van de duisternis en zijn bang van het licht van Christus en van hen die Christus liefhebben.

Wij doen een olielamp branden om ons eraan te herinneren dat wij ons offers moeten opleggen van allerlei soort. Op dezelfde manier als de lont door het vuur wordt verteerd door de vlam van de lamp, op dezelfde manier moet onze vrije wil zich laten consumeren door de vlam van Christus’liefde en zich laten onderwerpen aan de wil van God.

Als wij een olielamp aansteken, dan weten wij dat  zij niet kan branden zonder de hulp van onze handen. Zo is het ook met de olielamp van ons hart :  zij kan niet branden zonder de handen van God. De inspanningen van onze deugden zijn gelijk aan de lont en de olie.  Om ontstoken te worden en te verlichten hebben zij het “vuur” van de Heilige Geest nodig.

Tekst van Diaken georges Geka

Vertaling : Kris Biesbroeck

Zondag van het kruis – Schmemann

Derde zondag van de vasten – zondag van het Kruis

 

cross

Hier komt het hema van het Kruis naar voren, en wordt ons gezegd (Marcus 8,34-9,1)

Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden ? Want wat zou een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven ?

Vanaf de derde zondag beginnen de lezingen uit de Hebreeënbrief ons de betekenis van Christus’offer duidelijk te maken, waardoor we toegang hebben gekregen “tot het binnenste heiligdom, achter de voorhang”, dit wil zeggen tot in het heilige der heiligen van Gods Koninkrijk (vgl Derde zondag Hebr.4,14 -5,6; vrierde zondag, Hebr 6,13-20 en Vijfde zondag Hebr.9,11-14) waarbij de lezing uit het Evangelie van Marcus het vrijwillige lijden van Christus aankondigt :

….De Zoon des Mensen wordt overgeleverd in de handen der mensen en zij zullen Hem ter dood brengen….

En zijn Opstanding :

en na drie dagen zal Hij opstaan. (Marcus 10,32-45)

(Bron : De grote vasten – Alexander Schmemann p.106)

Oproep tot waakzaamheid

Oproep tot waakzaamheid

De hulp die de Russisch Orthodoxe Kerk kan geven aan Europa

Door Aartsbisschop Hilarion van Volokolomsk

 

Gedurende mijn reizen in Europa, vooral in de landen met een protestantse traditie,sta  ik altijd verbaasd om het aantal kerken te zien die door hun parochianen verlaten zijn. Vooral deze die cafés geworden zijn of clubs, of magazijnen of  een profane plaats. Er is iets zeer betreurenswaardig in dit trieste spektakel. Ik kom uit een land, waar decenniën lang de kerken werden gebruikt voor niet godsdienstige doelen. Vele cultusplaatsen werden volledig verwoest, andere werden omgevormd tot “musea van het atheïsme”nog andere werden heringericht om toevertrouwd te worden aan seculiere instituties. Het is één van de karakteristieken van wat men noemt “het militante atheïsme”, dat gedurende 70 jaar mijn land heeft gedomineerd en dat pas zeer recent is ineengestort. Maar wat is in west Europa de oorzaak van dergelijke fenomenen ?  Is het het feit dat de plaats van de religie in de schoot van de westerse maatschappij zodanig is verminderd in de loop van de laatste decennia ? Hoe komt het dat de religie minder en minder haar plaats heeft in de publieke sfeer ?  En nog : waarom deze vermindering van de religieuze aanwezigheid in Europa ? Valt zij samen met het toenemende proces  in de politieke sfeer, het financiële,het economische en het sociale ? (…)

Na de tweede wereldoorlog, wanneer Europa in ruïne lag, is de noodzaak van een pan-europese solidariteit een noodzaak geworden, niet alleen voor het overleven van het continent,maar voor dit van de gehele wereld (…)

De aanwezigheid van de “grote broer” achter het ijzeren gordijn deed ook het Westen reageren voor de integratie en de eenwording. In principe heeft dit processus alleen maar economische, militairen en politieke dimensies gehad. En nochtans is in de loop der tijden de noodzaak steeds sterker gegroeid voor een culturele ruimte, voor een unieke Europese civilisatie. Er is dus een noodzaak gegroeid om een nieuwe ideologie te ontwikkelen, universeel,  door de ideologische en religieuze spanningen te reduceren die bestaan tussen de verschillende volkeren. Dit zou een vreedzame coëxistentie bevorderen tussen de verschillende culturen in de schoot van één Europese civilisatie. Om een ideologie te scheppen van dergelijke omvang, moeten de culturele,ideologische en religieuze tradities van Europa verminderd worden tot een gemeenschappelijke noemer. De rol van deze noemer werd gespeeld door het na-christelijk westerse humanisme, waarvan de essentiële principes werden geformuleerd in het tijdperk van de verlichting en “uitgetest” tijdens de franse Revolutie.

Het model van een nieuw Europa dat gefundeerd is op deze ideologie veronderstelt  het opbouwen van een open maatschappij, geseculariseerd, waarin de religie slechts in de privé sfeer een plaats heeft. De religie moet worden gescheiden van de Staat en de maatschappij : zij moet zonder invloed zijn op de sociale ontwikkeling en mag niet inwerken op het politieke leven. Dergelijk model reduceert de sociale dimensie van elke religie niet alleen tot nul, maar het vormt een uitdaging voor de missionaire roeping van vele religieuze gemeenschappen. Voor de christelijke Kerken vertegenwoordigt dit model een waarachtige intimidatie, want het neemt hen de mogelijkheid af om het Evangelie te verkondigen aan “alle natiën”, om Christus te verkondigen aan de ganse wereld (…) In de Sovjet-Unie  is de religie gedurende 70 jaar vervolgd geweest, er waren verschillende golven van vervolging, elk had haar eigen particuliere karakter. Op het einde van de jaren 20 en gedurende de jaren 30 waren de vervolgingen de vreselijkste. Een groot gedeelte van de clerus werd vermoord, alle monasteria werden gesloten, alsook de scholen voor theologie en de meerderheid van de kerken. Een minder brutale periode volgde op het einde van de tweede wereldoorlog : monasteria werden heropend alsook enkele scholen. In de jaren 60 kwam dan weer een nieuwe golf van vervolgingen die de gehele vernietiging van de religie tot doel had. Dit zou moeten gerealiseerd worden voor de jaren 80.

Maar midden de jaren 80, was niet alleen de Kerk nog levendig en zij ontwikkelde zich zelf, als was het langzaam (…) Er is in elk geval iets dat nooit veranderde : het verbod van de religie om uit het getto te treden waarin zij was geïsoleerd door het atheïstisch regime.(…)

Vandaag de dag heeft het processus dat in Europa aan de gang is een zekere gelijkenis met dat uit de Sovjet-unie. Voor de religie is het militante secularisme even gevaarlijk als het was onder het militante atheïsme. Beiden zijn erop gericht om de religie uit de publieke en politieke sfeer te bannen, om hen te verbannen in een getto en hen op te sluiten binnen het domein van de private devotie. Niet geschreven regels van “political correctness” worden meer en meer toegepast op religieuze instituties. In vele gevallen heeft dit tot gevolg, dat de gelovigen hun overtuigingen niet meer openlijk durven uit te drukken,in deze mate dat de publieke uitdrukking van een religieuze overtuiging zou kunnen beschouwd worden als een schending van hen die dezelfde mening niet erop na houden.(…)

De resultaten van deze politiek zijn evident. In sommige landen, vooral in deze die niet overwegend katholiek of orthodox zijn, de statige kathedralen, die nog enkele decennia geleden duizenden gelovigen bevatten die in gebed waren, zijn voor de helft leeg geworden. De  religieuze communauteiten vernieuwen zich niet. De seminaries voor theologie sluiten bij gebrek aan roepingen, de eigendommen van de kerk worden verkocht, de cultusplaatsen zijn omgevormd tot centra voor profane activiteiten. Nogmaals het is onbetwistbaar dat in vele gevallen de Kerken zelf verantwoordelijk zijn voor de situatie, maar toch mag men  het destructieve element niet onderschatten van het secularisme. De religie is werkelijk uit de publieke sfeer gebannen en wordt meer en meer gemarginaliseerd door de geseculariseerde maatschappij. En dit alles ondanks het feit dat in gans het Westen en vooral in Europa de meeste mensen nog in God geloven. (…)

De Russische orthodoxe Kerk kan dus Europa helpen door zijn unieke ervaring van overleven tijdens de meest harde vervolgingen en haar strijd tegen het militante atheïsme. Zij die tevoorschijn kwamen uit het getto op het moment waarop de politieke situatie veranderde, hebben hun plaats teruggevonden in de maatschappij en herdefiniëren  hun sociale verantwoordelijkheden (…).

In tegenstelling tot vele landen van west Europa, beleven Rusland en de andere republieken van de ex-sovjet unie een religieuze renaissance : Miljoenen mensen komen terug tot God, overal worden kerken en monasteria gebouwd. De russisch orthodoxe Kerk is onweerlegbaar één van de Kerken in de wereld die het meest groeien, en heeft geen tekort aan roepingen : integendeel, duizenden jongeren zijn ingeschreven in de scholen voor theologie om hun leven aan God te wijden (…)

“De basissen van de sociale leer van de russisch orthodoxe Kerk”, een document dat het concilie van bisschoppen heeft aangenomen in 2000, is het geschreven bewijs dat deze Kerk (…) een intellectueel potentieel
heeft die toestaat om evenwichtige en begrijpelijke antwoorden te geven. Door deze tekst te lezen – de eerste tekst van zijn genre in gans de geschiedenis van de orthodoxe christenheid – begrijpt iedereen dat hij tot een Kerk behoort die niet meer in een getto leeft maar veeleer vol kracht is. Hard getroffen door het militante atheïsme, is deze kerk toch nooit vernietigd geworden. Integendeel, zij is uit deze verschrikkelijke vervolgingen  verjongd tevoorschijn gekomen. Nedergedaald ter helle en verrezen uit de doden, heeft deze Kerk werkelijk veel te zeggen aan de wereld.(…)

Voor de russisch orthodoxe Kerk kan er niet slechts één ideologisch model bestaan, noch een uniek systeem van spirituele en morele waarden die zonder onderscheid wordt opgelegd aan alle europese landen. De russisch orthodoxe Kerk wenst een Europa dat gebaseerd is op een waarachtig pluralisme, een Europa waar de verscheidenheid van culturele, spirituele en religieuze tradities volledig aanwezig zijn. Deze pluraliteit van tradities moet weerspiegeld worden in alle wetteksten en gerespecteerd worden door alle tribunalen in hun oordeel. Indien de wetten en de beslissingen van het gerecht slechts steunen op de principes die geworteld zijn in het westers geseculariseerd humanisme – met haar bijzondere opvatting over de vrede en de tolerantie, de vrijheid , de rechtvaardigheid, het respect voor de rechten van de mens, enzovoorts – dan riskeert zij om niet geaccepteerd te worden door een groot deel van de Europese bevolking, en vooral door diegenen die, omwille van hun toebehoren tot een religieuze traditie een verschillende visie hebben over deze principes. (…)

De oude totalitaire dictatuur mag niet vervangen worden door een nieuwe dictatuur van  mechanismen van een paneuropees bestuur. (…) Voor de russisch orthodoxe Kerk moet elke staat het recht hebben om wetten te maken zoals ze willen over het huwelijk en het gezin, de vraagstukken van bioethiek en de opvoedingsmodellen. De landen van de orthodoxe traditie aanvaarden bijvoorbeeld niet de wet die euthanasie legaliseert, huwelijken onder homoseksuelen, drugshandel, het houden van bordelen, pornografie enz..Meer nog, wij geloven dat elk land het recht moet hebben om zijn eigen relatie -model te ontwikkelen met betrekking tot de Staat en de Kerk . Een wetgeving die er zich toe beperkt om aan de burgers het recht op de religieuze vrijheid te garanderen, schept in feite de voorwaarden voor een wilde concurrentie tussen religies en belijdenissen. Wij moeten daarentegen samen de voorwaarden scheppen opdat de democratische vrijheden van een individu, inbegrepen het recht op religieuze zelfbeschikking, niet in tegenspraak zijn met het rechten van de nationale gemeenschappen om hun integriteit te bewaren, hun trouw aan de tradities, hun sociale ethiek en hun religie. Dit zijn bijzonder belangrijke elementen, vooral als het gaat om een reglementering die betrekking heeft op bewegingen of  religies die een destructief en extremistisch karakter hebben, en wanneer men het bewijs heeft van schendingen van de religieuze vrijheden door de traditionele religies, waarvan de uitbreiding in bepaalde delen van Europa de publieke en sociale orde bedreigen.(…)

Botsingen en confrontaties zullen onvermijdelijk zijn tussen religieuze instituten van de ene kant en de geseculariseerde wereld aan de andere kant, indien er geen enkele garantie wordt gegeven aan de religieuze gemeenschappen. Deze kunnen plaats vinden op verschillende niveaus en over verschillende vragen gaan, maar het is niet moeilijk om in het merendeel van de gevallen te voorzien, dat zij zullen gaan over de problemen  van moraal, waarvan de religieuze gemeenschappen een verschillende visie erop nahouden dan de moderne maatschappij.  Er is reeds een onderscheid die voldoende duidelijk is tussen het systeem van waarden van de traditionele religies en die welke de geseculariseerde wereld karakteriseren.

 “De basissen van de sociale leer” is niet een handboek voor privé gebruik : het is een publiek document waarin de russisch orthodoxe Kerk haar officiële standpunten bekend maakt op een open en ontegensprekelijke wijze.De taal van dit document verschilt van dat binnen de seculiere maatschappij : het begrip zonde bijvoorbeeld, is wezenlijk afwezig in de woordenschat van het secularisme. Maar de Kerk oordeelt dat zij het volle recht heeft om haar stellingnamen publiek te verkondigen, niet alleen wanneer zij overeenstemmen met de algemeen geldende opinies, maar ook in het geval dat zij ervan afwijken. Er zijn verschillende stellingnamen ontwikkeld in “de basissen van de sociale leer van de russisch orthodoxe Kerk” die eventueel niet overeenstemmen met de standaards  van het secularisme. Bijvoorbeeld, de Kerk ziet in abortus “een zware zonde”, gelijk aan moord en verklaart dat “vanaf de conceptie ieder tussenkomst tegen het leven van het komende menselijk wezen crimineel is “.De Kerk weigert ook als “tegennatuurlijk en moreel onaanvaardbaar”, het systeem van het draagmoederschap, alsook elke vorm van buitenlichamelijke inseminatie. Het klonen wordt gezien als een “uitdaging zonder zijn gelijke tot de natuur zelf van het menselijk wezen en het beeld van God die erin geborgen zit, zij maken wezenlijk deel uit van de vrijheid en de uniciteit van de persoon”. De therapie die de foetus voor wetenschappelijke doeleinden gebruikt, wordt gezien als “absoluut onaanvaardbaar”. Euthanasie is veroordeeld als een “vorm van moord”.Verandering van sekse wordt gezien als een “rebellie tegenover de Schepper”, welke de Kerk niet toelaat : als een persoon van een andere sekse die verschillend is aan die welke hij oorspronkelijk had zich aanbiedt om het doopsel te ontvangen, dan wordt hij gedoopt volgens de “sekse welke hij had op het moment van zijn geboorte”(…).

De Kerk heeft het recht om haar canonische tradities te volgen, veeleer dan de geseculariseerde wet. Volgens de sociale leer van de russisch orthodoxe Kerk,”wanneer de menselijke wet volledig de goddelijke norm verwerpt, die een absolute waarde heeft, om haar te vervangen door een norm die tegengesteld hieraan is, dan eindigt deze laatste met een wet te zijn en wordt  hij illegaal, welke ook het juridisch karakter is waarop hij steunt”.Dus  “voor alles wat betreft de exclusieve aardse orde der dingen, moet de orthodoxe christen gehoorzamen aan de wet, hoe onvolmaakt en ongunstig hij ook mag zijn. Maar waar de wet het eeuwige heil zou bedreigen en een geloofsverzaking tot gevolg zou hebben, of de verplichting om een zonde te bedrijven in de ogen van God en de naaste, dan is de christen geroepen om met durf zijn geloof te belijden, omwille van de liefde tot God en van zijn waarheid voor het heil van zijn ziel, voor het eeuwig leven. Hij zal moeten protesteren met legale middelen tegen de schending van de wetten en geboden van God door wetten die gegeven worden door de maatschappij of de Staat. En indien dit onmogelijk en ondoeltreffend zou zijn, dan zal hij moeten overgaan tot burgerlijke ongehoorzaamheid” (IV,9)

Het is evident dat de ongehoorzaamheid aan de burgerlijke wet een extreem middel is. Een particuliere Kerk kan dit maar aanvaarden in buitengewone omstandigheden. Maar het is een mogelijkheid die hij niet a priori mag uitsluiten in het geval een geseculariseerd systeem van waarden het enige zou zijn die van kracht is in Europa.

Ik geloof dat de solidariteit tussen de europese christenen meer en meer duidelijk moet worden al naar gelang het processus van een gemeenschappelijk systeem van waarden vooruitgang vindt. Het is slechts gezamenlijk dat de christenen,  samen met de verantwoordelijken van andere traditionele religies in Europa in staat zullen zijn om hun
identiteit te bewaren, om het militante secularisme te bestrijden en de andere uitdagingen van de moderniteit te trotseren. De russisch orthodoxe Kerk is klaar om samen te werken, op het interconfessionele of interreligieuze niveau, maar ook op het politieke, sociale en alle andere niveaus , samen met al diegenen die niet onverschillig zijn voor de toekomstige identiteit van Europa, met allen die geloven dat de traditionele religieuze waarden deel uitmaken van deze identiteit.

Ik wil tenslotte commentaar geven op het recente vonnis van het Europese Hof van de Rechten van de Mens tegen Italië, ’t is te zeggen, het verbod om kruisbeelden te plaatsen in de Italiaanse scholen. Dit vonnis gaat in tegen het recht van elke Staat om haar tradities en identiteit te bewaren; het is dus een aantasting op het onschendbaar principe van het authentieke pluralisme van de tradities. Het is een onaanvaardbare uiting van het militante secularisme. De werkzaamheden van het Europese Hof moeten geen cynische klucht worden. De ultraliberale houding die de doorslag heeft gegeven bij de aanvaarding van deze beslissing moet niet de overhand hebben in Europa. De oorsprong van Europa is christelijk. Het kruisbeeld is een universeel symbool en het is absoluut  ontoelaatbaar dat, om aan de ultraliberale en atheïstische modellen te voldoen, men Europa en haar sociale instituties berooft van haar symbolen die de volkeren hebben gevormd en verenigd gedurende zo vele eeuwen. Het kruisbeeld is geen symbool van geweld, maar van verzoening. Ik denk dat we op al deze domeinen kunnen samenwerken met de katholieke Kerk om de christelijke traditie te verdedigen tegenover het militante secularisme of het agressief liberalisme.

In dit kader wil ik, als conclusie de volgende vraag stellen : zijn wij bezig met een Europa op te bouwen dat volstrekt atheïstisch en seculier is, waar God verdrongen is uit de maatschappij en de religie in een privé getto wordt opgesloten, of zal het nieuwe Europa waarachtig het huis worden van verschillende religies, openhartig, gastvrij en pluralistisch ? Ik geloof dat dit de vraag is welke de Kerken van Europa en de religieuze gemeenschappen zich moeten stellen, een vraag waar de mensen uit de politiek de plicht hebben om te antwoorden. Het is rond deze vraag dat de dialoog tussen de religieuze gemeenschappen en de europese politieke instituties moet geconcentreerd zijn.

Uit : DIAKONIA -N° 67  Jan-febr.maart 2010. Tijdschrift van de orthodoxe Broederschap “Alle Heiligen van België)

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

Johannes Chrysostomos : verbazingwekkend modern

Een portret

Johannes Chrysostomus (344-407): verbazingwekkend modern

Chrysostomos johannes marginem of chludov Psalter

“Wil je het lichaam van de Verlosser eer brengen? Hij die heeft gezegd: “Dit is mijn lichaam” heeft ook gezegd: “Want ik had honger en jullie gaven mij niet te eten; alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan!” (Mt 25:42,45) Eer Christus dus door je bezittingen te delen met de armen” (Preek 50 over Matteüs).

Wie is toch deze man, die in het Oosten de bijnaam ‘Gulden Mond’ kreeg vanwege zijn gave om gebed uit te drukken in de taal van de poëzie? Welke aspecten van zijn leven kunnen ons in deze tijd nog steeds inspireren?

Het leven van Johannes Chrysostomus kent drie hoofdlijnen: zijn bijzondere talent om het goede nieuws van Christus vol vuur te verkondigen in de culturele taal van zijn tijd; de sterke nadruk die hij legde op de sociale implicaties van het evangelie; zijn inspanning om de schoonheid van het gemeenschappelijk gebed te vergroten en om theologische waarheden te vertalen in poëzie.

Johannes Chrysostomus werd geboren in Antiochië, in het huidige Turkije, in een familie van aristocraten. Geïnspireerd door het geloof van zijn moeder, bestudeerde hij de Schrift onder leiding van meesters uit de school van Antiochië, die de bijbelse gedachtewereld probeerden te vertalen naar de Griekse manier van denken, zonder de oorspronkelijke betekenis ervan te verliezen.

Zich losmakend van zijn moeder, die hem als een ‘huismonnik’ dichtbij zich wilde houden, gaat hij de bergen in en begint een leven van gebed en eenzaamheid, helemaal afgescheiden van de wereld. Dan komt hij in een gewetenscrisis: moet hij de maatschappelijke problemen ontvluchten om zuiver te blijven in zijn verbondenheid met het evangelie, of moet hij juist de wereld in gaan om de liefde van Christus, die hij graag en bij herhaling ‘de mensenvriend’ noemt, te verspreiden?

Hij kiest er uiteindelijk voor om zijn radicale breuk met de wereld ongedaan te maken en keert terug naar Antiochië, waar hij in 386 tot priester wordt gewijd. Hij wordt beroemd vanwege zijn talent om de teksten uit de bijbel in verband te brengen met het dagelijks leven en de vragen van de gewone mens. Soms praat hij twee uur achterelkaar, onder instemming en applaus van zijn toehoorders. Als antwoord op de luxe en het achteroverleunen van de rijken, onderstreept hij het belang van de gemeenschap van goederen, van werken en van de vrijlating van slaven. Hij roept op om zowel individueel als collectief samen te delen en lanceert zelfs een plan om de armoede in Antiochië uit te bannen. Solidariteit betekent voor hem meer dan handelen vanuit een goed geweten; het is een sacrament, een teken van de daadwerkelijke aanwezigheid van Christus in onze wereld. Hij preekte vaak over de uitspraak van Jezus: “Alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken hebben gedaan, hebben jullie ook voor Mij gedaan.” Hij trok daaruit de conclusie dat de arme een ‘andere Christus’ is en dat het ‘sacrament van het altaar’ zich ‘op straat moet voortzetten’ door het ‘sacrament van de broeder of zuster’.

In 397 wordt Johannes, vanwege zijn talenten als prediker, tegen wil en dank benoemd als aartsbisschop van de hoofdstad van het Oosterse Rijk. In Constantinopel laat hij, tegemoetkomend aan de behoeften van het volk, vele ziekenhuizen en opvangcentra bouwen en verkondigt hij de goede boodschap op het platteland en zelfs aan de Goten die zich in de regio hebben gevestigd.

Hij hangt zeer gedurfde politieke opvattingen aan en verzet zich tegen een minister die het recht op asiel wil afschaffen. Later beschermt hij diezelfde minister voor een opstand als hij, in ongenade gevallen, zijn toevlucht zoekt in de basiliek. Hij probeert om de hoge geestelijkheid meer nederigheid bij te brengen en om het keizerlijke hof te herinneren aan de oproep van het evangelie.

Dit gaat te ver voor zijn vijanden, die tegen hem samenspannen en hem in 404 naar Armenië verbannen. Hij verblijft daar 3 jaar onder huisarrest. Maar zijn briefwisselingen en de grote stroom bezoekers, waaronder velen uit Antiochië, brengen onrust teweeg bij de gevestigde macht, die hem uiteindelijk nog verder wegvoert, naar de oevers van de Zwarte Zee. Na de lange voetreis is hij uitgeput en bereidt zich in Comana voor op zijn dood. In het wit gekleed ontvangt hij de eucharistie, bidt voor degenen die hem omringen en geeft de geest, terwijl hij zegt: “Aan God komt alle eer toe.”

Enkele vragen die kunnen helpen om het leven van Johannes Chrysostomus te laten doorklinken in ons eigen leven:

- Vanwege zijn roeping kon Johannes niet altijd tegemoet komen aan de verlangens van zijn moeder. Moet ook ik soms ingaan tegen de verwachtingen die anderen van mij hebben?

- Johannes benadrukt het ‘sacrament van de broeder of zuster’. Welke plaats nemen anderen en hun verlangens in in mijn leven?

- Johannes beleefde zijn monastieke roeping uiteindelijk midden in de maatschappij. Welke opdracht heb ik in de maatschappij te vervullen? Welke plaats bekleden christenen in deze tijd in de politiek? Kan het soms nodig zijn om, omwille van het geloof in Christus, je te verzetten tegen de macht of tegen de heersende opvattingen?

Tekst geciteerd in de “Brief uit Calcutta” – Taizé communauté p.3

De waarde van het sacrament van de biecht

DE WAARDE VAN HET SACRAMENT

VAN DE BIECHT

 

Het sacrament van de biecht  vertegenwoordigt een grote waarde in het christelijk leven, omdat :

1.Het een middel  van bevrijding is die ons leidt naar het heil doorheen het berouw. ‘De Heer, staat geschreven bij Ezechiël 18/23, wil niet de dood van de zondaar maar ziet liever dat hij zijn leven betert en in leven blijft’. Deze terugkeer naar Gods wil is communio met Hem en een geestelijke wedergeboorte van de mens in zijn geheel.

2.Het is een daadwerkelijk middel tot genezing van onze innerlijke

Wonden en helpt ons ons psychologisch evenwicht te regelen. De droefheden, de dagelijkse angsten, de persoonlijke, sociale en familiale problemen veroorzaken veel confrontaties, tot in het intiemste van de mens. Een goede biechtvader zal de personen helpen om uit hun persoonlijke moeilijke situaties te geraken. Het doel is om de gezondheid van de ziel en het vervolmaken van de mens terug te vinden.

3. Het is voor de mens een teken van geestelijke en morele vooruitgang, omdat het bijdraagt om levenshoudingen te kiezen die in overeenstemming zijn met Gods wil. Hierin verschijnt de biechtvader als een raadsman van het leven. Hij garandeert aan diegene die biecht de innerlijke vrede van de ziel. Hij leert hem om goed en kwaad van elkaar te scheiden en bemoedigt hem om het hoofd te bieden aan de dagelijkse problemen van het bestaan. Hij verhindert hem om fouten te bedrijven. Hij leert hem zijn passies te ontvluchten en om deugdzamer te worden.

4. Het is een middel tot heiliging, want hij die met een oprecht hart biecht, ontvangt de goddelijke genade die hem spiritueel opnieuw doet geboren worden. Door de biecht ontvangt men de vrede en de liefde van God en is men gesterkt in zijn strijd tegen de kwade.

5. Het brengt het geweten tot rust. De beslissing nemen om zich te beteren, draagt op een beslissende wijze bij tot de bevrijding van het gevoel van schuld. Door de biecht, doet de mens beroep op de goddelijke barmhartigheid en ontvangt hij raadgevingen om zijn eigen leven te beteren.

6. Het leert de mens om zichzelf beter te leren kennen. Het sacrament van de biecht laat ons toe bewust te worden van onszelf opdat wij ons zouden bevrijden van ons egoïsme en de innerlijke harmonie te hervinden, zonder dewelke wij ons niet kunnen ontdoen van ons schuldgevoel en onze passies. Deze daadwerkelijke terugkeer naar de bevrijding van onze passies en weer de weg te gaan van de beoefening der deugden helpt ons om onze spirituele reinheid te hervinden, die een gevolg zijn van onze zonden.

St. Gregorius van Nyssa schrijft in verband met de waarde van de biecht:  ‘De Heilige Schriften verlenen aan de biecht een dubbele betekenis, enerzijds is het een delging van onze zonden en anderzijds een dankzegging. Zo opent deze dubbele betekenis ons de weg naar een deugdzaam leven. De delging scheidt ons van de kwade en verzwakt hem in ons en de dankzegging doet in ons de erkentelijkheid tegenover God groeien voor zijn weldaden. Anders gezegd : als je angstig bent door de herinnering aan een bepaald kwaad, dan kan het lezen van psalm 51(50) u aanzetten tot zuivering en het ware berouw. Als uw leven daarentegen, zich richt op het goede, dan versterkt het u op deze weg, door u aan te zetten uw dankbaarheid tegenover God uit te drukken.

+Archimandriet Damien ZAFIRIS

in EPHIMERIOS, Athene, januari 2004,p.15

Vertaling : Kris Biesbroeck

De geestelijke strijd voor de eenheid van de kerk

De geestelijke strijd voor de éénheid van de Kerk

(metropoliet Georges (Khodr)

 Khodr

Metropoliet Georges Khodr

Wat ons gewoonlijk voor de geest komt wanneer wij spreken van de éénheid van de Kerk, dat is de theologische dialoog tussen het Oosten en het Westen (…) Men vergeet dat de ontmoetingen tussen de Kerken voor alles ontmoetingen zijn tussen mensen  zoals zij door het leven gevormd zijn, met elk mogelijk denkbaar verschil dat ieder van hen heeft kunnen bereiken op de Schaal der deugden, om de titel van het boek van de heilige Johannes Climacos te hernemen. En de kerkelijke gemeenschappen zijn gevormd door deze mensen  die het huis van God opbouwen of afbreken.

Deze gemeenschappen zijn dus het product van de geschiedenis. Niets wordt gedaan of gezegd, zonder het lijden van de Geschiedenis, zonder de passies van de culturen, en zelfs dikwijls, zonder de belangen van de politiek die zich van onze harten meester maakt. Handelend op het rationele plan, zijn wij dikwijls het slachtoffer van het innerlijk lawaai dat ons onrustig maakt. Daarom heeft Barsanuphe van Gaza kunnen schrijven : “iedere gedachte waarin de rust en de nederigheid niet overheerst is niet van God”. De gedachte aan de zuivere staat is een  beeld van de geest. De mens is iemand die geheel geschikt  is voor God indien de gloeiende vlam van de godheid het hart verbrandt.

De persoonlijke strijd en de kerkelijke strijd.

De persoonlijke spirituele strijd en de kerkelijk geestelijke strijd zijn nauw met elkaar verbonden (…) Het is mij overkomen, reeds gedurende vele jaren, te denken dat het verval van de aardse Kerk het meest sprekende bewijs is van  het feit dat de Heilige Geest de aanwezigheid van Christus onder ons  in stand houdt. In het verval is de spirituele strijd tegen de prins van deze wereld, zoals de heilige Basilios de Grote het uitdrukt in zijn kleine verhandeling over het geloof,  vooreerst deze van de martelaren in hun vervolgingen. “Niemand heeft grotere liefde dan hij die, zijn leven geeft voor zijn vrienden” (Joh.15,13). Het bloed is het meest welsprekende woord. Alleen de martelaren zijn  niet bijeengeroepen op het oordeel.

Zij die leven als de martelaren keuren tezelfdertijd hen af en sporen hen aan in hun Kerk en in andere, die verzaakt hebben aan de strijd . Zij die hun leven gegeven hebben in situaties van politieke oppressie en die voortdurend de vervolging hebben aanvaard, openlijk of verholen, en die gezwegen hebben door hun getuigenis van de stilte “voor het geloof dat overgeleverd is aan de heiligen eenmaal voor allen” (Judas 3), gronden hun eigen Kerk en alle andere op de Rots (Mt 16,18).

Het is deze kracht die de Kerk onwrikbaar maakt tot in de eeuwen der eeuwen. De voortdurend gekruisigde kerken kunnen  de paaszang aanheffen met een zelf ondervonden overtuiging. Deze kerken tonen ons onvoorspelbare wegen van vernieuwing. Christus kiest onder hen zijn getuigen die het leven doorgeven aan hen die als dood worden beschouwd. En het nieuwe leven schept een nieuwe theologie met nooit gehoorde woorden, een theologie die adem is en dus gebed (…).

De eenheid van de Kerk, als gave van communio

De apostel Paulus heeft op zijn persoonlijke manier voor de jonge Kerken het Evangelie van de vrede en de communio vertaald. Het begin en de bron van de kerkelijke communio is de liefde van Jezus Christus die niet geconditioneerd is door onze spirituele situatie.” Want Christus is voor goddelozen gestorven op de gestelde tijd, toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren ” (Rom.5,6). Hij herneemt dit idee twee verzen verder onder de vorm van een spiritueel crescendo en hij zegt : ” God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven toen wij nog zondaars waren” (Rom.5,8). De eenheid van de Kerk is een gave van communio door de dood-verrijzenis van de Messias. Zij is als het beeld van de trinitaire eenheid dat gemanifesteerd is in het mysterie van het heil. De Kerk leeft van de theologia  in de economie. Wanneer Paulus ons aanspoort in de brief aan de Efesiërs om de eenheid van Geest te bewaren door de band van de vrede, dan vergeet hij niet dat deze inspanning is gerealiseerd omdat er “één enkele Heer is,één enkel geloof, één enkele doop, één enkele God en Vader van allen is die boven alles staat, en door allen in allen” (Ef.4,5-6).

 

Het is daar dat men bemerkt dat het leven van de drie-eenheid zich weerspiegelt in het kerkelijk leven.  Indien er dus een onenigheid is in een Kerk of tussen Kerken, dan is dit een aanslag bij de mensen van hun gelijkheid met de drie-eenheid. Paulus hoopt dat wij “allen tesamen komen tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon, tot de volmaakte Man , tot de gehele omvang van de volheid van de Christus” (Ef.4,13). Hij stelt deze volmaaktheid van het geloof tegenover de ketterijen  die ons beloeren. Men wacht erop tot wanneer hij de ketterijen zou behandelen, maar hij spreekt alleen over het blijven in de liefde en hij nodigt ons uit om te groeien ” naar Christus toe. Hij is het hoofd”. Het lijkt erop dat voor hem de liefde de genezing van de ketterij inhoudt en de bron van de orthodoxie van het geloof. Er is nooit bij de apostel van de natiën een onafhankelijkheid tussen geloof, liefde en rangorde in de Kerk. De bronnen van éénheid  is voor hem tegelijk ook de handelende aanwezigheid van de Geest, van de Heer, de Vader (Ef.4,4-6) en de convergerende werkzaamheden van de ministeries (Ef.4,7-13). De ministeries zijn het werk van de Geest. Zij zijn in wezen een veelheid van ministeries en toch vormen zij een eenheid “Tot opbouw van het lichaam van Christus” (Ef.4,12). De Geest blijft de hypostase van de veelheid van de charismas en hun eenheid. Wij zijn in dezelfde économie van de Zoon en de Geest als in de kerkelijke éénheid en  verscheidenheid .

“Wij moeten alle schatten van de locale Kerken bewaren”

Door te mediteren over het mysterie van de Kerk zoals het bij Paulus naar voor komt, kan men begrijpen dat, in de éénheid van de Kerk de diversiteit van de Kerken niet verdwijnt omwille van de veelheid van Charismas van de diverse Kerken. Ik voeg eraan toe dat dit onderscheid niet formeel is in het corpus paulien, maar het fundament is er. Dit staat ons toe om te zeggen dat de verscheidenheid van gaven in de locale Kerken een gave van God is en dat niets de opslorping ervan, die een aanslag zou zijn op deze rijkdom door God gewild ,kan toestaan. De spirituele strijd zo bekeken bestaat erin de verscheidenheid in de rijkdom en het zien van de rijkdommen in de enige “schatkamer van alle goeds” waarvan het inleidende gebed tot de heilige Geest spreekt in de orthodoxe Kerk, te erkennen. Zo moeten wij dankbaar zijn voor de schoonheid van de gaven ontvangen door de patriarchaten en de verschillende autocephale Kerken. Ik weet ni
et of er verschillende manieren bestaan om de orthodoxie bij de Grieken, de Russen, de Arabieren en de anderen aan te voelen. Maar er is ongetwijfeld een veelheid van gevoeligheden in de benadering van dit of dat aspect van het kerkelijk leven. Gij kunt bijvoorbeeld, de exegese niet ontkennen wanneer gij u richt tot Arabische orthodoxen, omdat hun historisch en cultureel milieu in de eerste eeuwen vervuld is geweest van exegese en enige tijd daarna verrijkt is geworden door de griekse filosofie. Zelfs indien alle orthodoxen in gelijke mate van de liturgie houden, is het onloochenbaar dat de Russen leven van de zang, met zeer lange diensten, met muziek en de schoonheid van iconen… Deze schatten moet men bewaren in de locale Kerken. Er is een spirituele strijd aan de gang met het oog op het behoud van al onze schatten.

In een bredere visie : het Westen is het Westen en het Oosten is het Oosten, en zij kunnen en moeten Christus ontmoeten zonder hun inculturatie te verliezen. Het is niet wenselijk dat de soberheid van de westerse liturgie zou verdwijnen om de glorie van Byzantium na te streven. Wij moeten er voor vechten dat de romeinse Kerk de betekenis  van haar hiërarchische orde behoudt. Men moet voor ogen hebben hoe de Heer de romeinse Kerk mooier maakt. Wij moeten gevoelig worden voor haar grote godsvrucht, voor haar ernst bij de behandeling van de geschiedenis en de cultuur, voor haar vaste wil om religieuzen en priesters aan te trekken. Niets in de beschaving waarin zij leeft ontsnapt aan de analyse van het geloof. Wij kunnen niet meer ontkennen met wat de Heer de Kerken uit de reformatie allemaal heeft begiftigd. Het Woord van God belevend toont  duidelijk de liefde aan die de protestanten hebben onderhouden voor de persoon van Jezus. Deze constante zorg om de Bijbel te bestuderen is een legaat voor ons allen. De Kerk van de Vaders was ook bijbels en liturgisch. De broederlijke correctheid dringt zich op.

“De schat in aarden vaten”

Ik herneem Paulus die zo dikwijls spreekt over het gebed voor de Kerk en de Kerken. “Bidt en smeekt in de Geest bij elke gelegenheid en op allerlei wijze. Houdt daartoe nachtwaken, waarbij gij met volharding God smeekt voor alle heiligen”(Ef.6,18-19). Hij smeekt dus klaar en duidelijk over alle gelovigen, de één voor de ander(…) Wanneer een gemeenschap leert dat een ander zich in droefheid bevindt, dan kan dit voor de medebroeders een oorzaak zijn van fysische of morele beproevingen. Dit wordt rechtstreeks uitgedrukt met het begrip  koinonia(…)  Echter, ondanks de schoonheid van de eucharistie en om de uitdrukking van de liturgie na het anafoor te hernemen, ondanks het feit dat zij “de vervulling is van het Koninkrijk”, de schat blijft in aarden vaten. De broosheid van de mensen verbergt het mysterie. De conflicten in de Kerk zijn van alle tijden, omdat niet alle gelovigen tot de heiligheid wensen te komen. Indien het heil daar nog niet is, indien de theôsis de gemeenschap niet ononderbroken transfigureert, dan zullen wij de schat niet behouden en bevestigen wij onze natuur als fragile vaten.

Vanaf de eerste tijd van de Kerk van Korintië, spreekt Paulus over de verdeeldheden en zijn twisten. De apostel zegt dat de gelovigen  een verschillende persoonlijke loyaliteit hadden : “Ik ben van Paulus”, en “ik ben van Apollo”, en “ik ben van Kephas, ” en ik, van Christus” (1 Kor.1,12) (…) De situatie is nog erger in Galatië :” Ik sta verbaasd dat gij zo spoedig afvalt van Hem die u riep tot de genade naar een ander evangelie; maar er is geen ander, er zijn alleen maar lieden die u verontrusten en het evangelie van Christus willen perverteren”(Gal.1,6-7). Er is daar een wanorde op het vlak van het onderricht, de wil om een ander evangelie te prediken dan dat van Paulus. Hier, zoals bij de Kortntiërs schrijft hij : “Mij moge God ervoor bewaren op iets anders te roemen dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij gekruisigd is en ik voor de wereld” (Gal.6,14) (…)

“Weten te luisteren naar wat de Heer zegt tot de Kerken”

In de spirituele strijd voor de eenheid van de Kerk staat de geloofwaardigheid van de Kerk op aarde in functie van haar getuigenis van de kerkelijke communio. Welnu, de kerkelijke communio heeft een taal, deze van de vriendschap vooreerst. De vriendschap is de minimuumeis die wij kunnen verwachten om een evangelische taal te spreken, het is de voorwaarde om een kerkelijk wezen te zijn , die noodzakelijk op de zending is gericht.

De eerste zorg van het ware geloof is uitgedrukt door het woord van de liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos : ” Laten wij elkaar beminnen opdat wij in dezelfde geest de Vader, de Zoon en de heilige Geest zouden belijden” In het vooruitzicht van  een goede gesteldheid in het geloof, laat ons “gevoelens van medelijden, goedheid, nederigheid, zachtheid, geduld, de één de ander verdragend (…) mekaar vergeven,  cultiveren”(Koll.3,13-13). Het is in deze gesteldheid dat wij van mekaar kunnen  leren om het Woord van God te beluisteren. Met andere woorden, aanvaarden om eerst leerlingen van Christus te worden door te luisteren wat de Geest zegt doorheen de broeder of zuster. Dat diegene die woorden van God heeft , ze uitspreke. De gave van God moet gedeeld worden opdat de Kerk zou leven. De gehoorzaamheid aan de Heer vereist dat wij zijn wil herkennen die hij in de harten van zijn welbeminde leerlingen heeft gelegd. Dit vereist een grote nederigheid van allen, en vooral van de leden van het episcopaat, die moeten weten te luisteren  naar wat de Heer zegt tot de Kerken, ’t is te zeggen, dikwijls tot leken met een zuiver hart die dikwijls de heilige schrift lezen en bestuderen. Van de kant van bisschoppen en priesters : God kiest wie hij wilt en deelt hen de mysteries van het Koninkrijk  en het woord mede dat ons versterkt in het vandaag van God.

Een ander heilsmysterie van de ganse Kerk is de gemeenschappelijke diakonia van de armen, die ons de zekerheid geven dat wij dezelfde Christus in hen dienen. Wij moeten in herinnering brengen dat het aan de armen is dat het Koninkrijk der hemelen is gepredikt, zij zijn  de kleine broeders van Jezus en hun weide is God. Er is voor ons geen hemelse voeding als wij geen leven van delen met hen leiden. Zij zijn het altaar waarop wij een verhevener  offer aanbieden dan dat wat wij offeren op het altaar van de liturgie, om een inspirerende gedachte van Johannes Chrysostomos  te hernemen.

Ten slotte, het is deze weg van onthechting die voorbereidt op de eenheid, wij kunnen slechts in God gefundeerd zijn als wij verzaakt hebben aan onze eigen persoonlijke belangen en onze godsvruchtige hoogmoed. De waarheid zal u kronen en dient uw historische ijdelheid niet, wat de bekoring ook mag zijn. In deze zin spreekt Paulus van hen die “hun eigenbelang zoeken, niet die van Christus Jezus” Filipp.2,21). In dezelfde zin vermeldt hij ook diegenen die christus “verkondigen uit nijd en strijd” ( Filipp. 1,15), en dit in contrast met Christus die” die zich van Zichzelf heeft ontdaan  en het bestaan van een slaaf op zich heeft genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden, en als mens verschenen heeft hij zich vernederd, Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan een Kruis” (Filipp.2,7-9).

 

“Heiligheid en éénheid vormen een geheel”

De kénose is onze w
eg naar onze voortdurende verrijzenis in Christus in een leven van gebed voor de ganse Kerk.” God schept behagen in de gebeden van allen die de vrede liefhebben. Het grootste offer aan God opgedragen is onze vrede, het is onze broederlijke eendracht; want door de éénheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, is het volk één” (heilige Cyprianus van Carthago).

Dit brengt er ons toe te zeggen dat de spirituele strijd en de éénheid van de Kerk één geheel vormen. Een strijd van iedereen en van alle Kerken voor de Kerk van God. Een strijd door het bevrijdend woord en de heiligheid van leven. Heiligheid en éénheid vormen één geheel. De enige bezorgdheid voor de éénheid is in feite een theologisch redevoering in de enge betekenis van het woord,  terwijl de spirituele strijd de éénheid benadert in de diepte vanuit het leven in Christus, dat niets anders is, door onze verrijzeniservaring, dan onze  in met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Wat voor hindernissen op deze weg ! Wij hebben ze naar voor gebracht. Het doel van deze ascese en deze goddelijke contemplatie op onze weg naar een ultiem einde in de glorie is, dat wij de echte heiligheid vragen voor onze Kerk en al dezen die de Drie-eenheid aanroepen, die alle gemeenschappen tot “kerk-maakt” die waarachtig in de Drie-eenheid geloven. Indien wij leven vanuit de gemeenschap van de goddelijke personen, dan proeven wij reeds de goddelijkheid in haar geheel en het Koninkrijk is dan midden onder ons.

Een waarachtige éénheid is dan reeds gerealiseerd, in het bijzonder tussen de Roomse Kerk en de orthodoxe. Nochtans, Rome is uitgenodigd om duidelijkheid te brengen over het vraagstuk te weten of de banvloek die uitgesproken is over de anti-infaillibilisten (oud-katholieken)ook op de orthodoxen van toepassing is. Indien de orthodoxen geen object uitmaken van een veroordeling, dan blijven zij trouw aan hun theologie en het romeinse dogma wordt voor hen een theologoumenon (’t is te zeggen een afzonderlijke theologische opinie, lokaal, geen dogma). Ik weet niet of dit mogelijk is. Maar als een geestelijke strijd moet worden geleid door de Kerk van Rome, dan is het wel deze. Indien ons voorstel denkbaar is, dan maken wij ons voor niets ongerust. Het essentiële van onze onderlinge afwijking zal dan zijn opgegeven. Het schisma die ons nu scheidt zou slechts een breuk zijn in het binnenste van de ene Kerk.

Het belangrijkste is van alles tesamen te overdenken voor de glorie van God die het lichaam van Christus bekleedt. Ja of neen, zijn wij in een waarachtige communio en niet slechts in een bijna – communio ? Waarom geven wij ons vandaag de vredeskus, opdat de enige strijd er niet meer in zou bestaan om de éénheid na te streven, maar om te verkondigen en te zingen ?

Vertaling : Kris Biesbroeck

De Weg

DE WEG

(Uittreksel uit de spirituele schat door de heilige Tikhon van Zadonsk)

 

Een onontwarbare kluwen weg, omhoog een geel begroeide berg op

 

Christenen ! ons leven is als een weg, die de ene gemeente met een andere verbindt, een stad met een andere. Ons leven is een weg die wij voortdurend volgen. Of wij slapen of wakker zijn, wij volgen hem altijd. Wij ontlenen het aan onze geboorte en wij verlaten het bij onze dood. Voor sommigen is deze weg zeer lang, voor anderen is hij zeer kort, maar wat het ook is, zijn einde is door niemand gekend. Wij weten niet wanneer wij ons levenseinde zullen bereiken. Zo heeft de Heer, die alles voorziet, besloten, opdat wij altijd zouden leven in de verwachting van het einde, en dat wij ons erop zouden voorbereiden.

Sommige wegen zijn breed en uitgestrekt, andere zijn smal en eng. Zo gaat het ook met de weg van ons leven. Maar laten we even onderzoeken wat deze wegen zijn, breed of smal, dan zullen wij weten tot welk doel de ene en de andere leidt.

Op de brede weg bevindt zich het ongeloof, op de smalle weg bevindt zich het levendig geloof. Op de brede weg de afwezigheid van vrees, op de smalle weg de vrees voor God. Op de brede weg de eigenwil en de ongehoorzaamheid, op de smalle weg de onderwerping en de gehoorzaamheid. Op de brede weg de eigenliefde zonder grenzen, op de smalle weg de liefde voor God en de medebroeder. Op de brede weg de liefde voor de ijdelheden van de wereld, op de smalle weg de vlucht voor deze ijdelheden. Op de brede weg het zoeken van eerbetuiging, van glorie en rijkdom, op de smalle weg het misprijzen  van alle zakelijke dingen. Op de brede weg de luxe en de begeerlijkheid, op de smalle weg de matigheid, de vasten, de onthouding. Op de brede weg de hoogmoed en de praal, op de enge weg de nederigheid. Op de smalle weg de zonden en de ongerechtigheid, op de smalle weg de deugden. Op de brede weg de perversiteit, de echtbreuk en alle onzuiverheden, op de smalle weg de onschuld en de zuiverheid. Op de brede weg de dronkenschap en de onzedelijkheid, op de smalle weg de soberheid en de kuisheid. Op de brede weg de diefstal, de beroving, de plundering, het geweld en alle onrechtvaardigheden, op de enge weg de verwijdering van dit alles en de vervulling van de rechtvaardigheid. Op de brede weg, de woede, de razernij, de wrok, de wraak in daden en woorden, op de smalle weg het misprijzen van de wraak, de zachtheid en het geduld. Op de brede weg de hardheid, de woestheid en de wreedheid, op de smalle weg de barmhartigheid en het medelijden. Op de brede weg de laster, het misprijzen, het oordeel en de grove beledigingen aan de naaste, op de smalle weg het zich onthouden van dit alles in een redelijke stilte. Op de brede weg de leugen, de boosaardigheid, de list en de hypocrisie, op de smalle weg de onschuld en de woorden die overeenkomen met de gedachten. Op de brede weg de woorden, daden en gedachten  die tegengesteld zijn aan de wil van God, op de smalle weg het waarachtig berouw en haar vruchten, de goede daden.

Gij ziet dus, Christen, hoe de wegen van ons leven verlopen ! De brede weg is tegengesteld aan God. Ze zijn Hem onaangenaam. De smalle, enge weg daarentegen is Hem wel aangenaam, want hij komt tegemoet aan Zijn heilige wil. De brede weg leidt de mens naar de ondergang, terwijl de rechte weg leidt naar het leven.

Satan trekt ons allen mee en leidt ons naar de brede weg, maar Christus Redder, die heeft geleden en voor ieder van ons gestorven is, roept ons op om de smalle weg te volgen. Denk erover na ! Naar wie moet men luisteren, naar Christus of naar Satan ? Welke weg moet ik kiezen ? de brede weg die naar de ondergang leidt, of de smalle weg die naar het leven leidt ? Christus onze Heer wil je leiden naar het eeuwige leven. Hij die u liefheeft en u gered heeft. Maar Satan, uw vijand, wil je met hem leiden tot het verderf. Luister naar de woorden van uw Redder, die uw aandacht verdienen, hou ze vast in uw hart, en laat u erdoor leiden ! Wees aandachtig voor uzelf en voor wat ze zeggen : “Ga binnen door de smalle poort. Breed en uitgestrekt is de weg die naar de ondergang leidt, en velen gaan die weg op. Maar smal is de weg die naar het leven leidt, maar weinigen kunnen hem vinden” (Matth.7,13-14) En de heilige Apostel voegt er aan toe : “Men moet heel wat tegenkantingen doorstaan om het Koninkrijk der Hemelen binnen te gaan” (Hand.14,22). “Leid mij Heer, op Uw wegen, en ik zal in Uw Waarheid wandelen; opdat mijn hart zijn vreugde vindt in het vrezen van Uw Naam “(Psalm 85,11). En van zijn kant leert ons psalm 118 ons hoe wij moeten bidden, opdat de Heer Zelf ons Zijn weg zou leren kennen en ons er op verder leiden.

Vertaling : Kris Biesbroeck

Bartholomeüs : De eenheid als roeping

De eenheid als roeping, bekering en zending

Oecumenisch Patriarch Bartholomeüs Ie

Naar aanleiding van de plenaire sessie van ‘Foi et Constitution’, de theologische commissie van de oecumenische Raad van Kerken (ORK), die gehouden werd van de 7e tot de 13e october te Kolympari in Kreta (Griekenland), heeft de oecumenische patriarch Bartholomeüs Ie, die hiervoor speciaal uit Istanbul was gekomen, de openingstoespraak gehouden over het thema : ” De eenheid als roeping, bekering en zending”.

Bartholomeüs Ie, 69 jaar oud en sedert november 1991 aartsbisschop van Constantinopel en oecumenisch patriarch, en als zodanig primus inter pares (eerste onder zijn gelijken) in het episcopaat van de orthodoxe Kerk. Hij voelt zich zeer betrokken bij de dialoog tussen de christenen, voornamelijk tussen de orthodoxe Kerk en de rooms Katholieke Kerk. Hij is bekend voor zijn nooit aflatende ijver om ook de dialoog en de verzoening te bevorderen tussen de christelijke wereld, de Moslims en de Joden. Hij heeft ook heel wat initiatieven opgezet met als doel : de bescherming van de natuurlijke omgeving.

(…) Het thema van deze plenaire sessie is : “Geroepen om één Kerk te zijn; zij zullen verenigd zijn in uw handen”.(…). Laten wij ons inspannen om samen ons engagement te hernieuwen ten dienste van de dialoog en de eenheid, en laten wij er zorg voor dragen dat onze besprekingen een offerande zijn aan God in het gebed, om aldus ons verlangen “dat allen één zijn” uit te drukken (Joh.17,21), als antwoord op het bevel en het appèl van onze Heer.

De eenheid als roeping

In dit engagement echter, willen wij beginnen met dankzeggingen  en verheerlijking opdat wij ons datgene zouden opleggen, wat wij in de gedachte en de orthodoxe spiritualiteit noemen : de apophatische benadering. Het apophatische onderricht steunt op de overtuiging dat God van nature en als definitie boven het menselijk begrijpen staat; anders, indien wij God zouden kunnen begrijpen en vatten, dan zou God, God niet zijn. Dit is het onderricht van de grote mystiekers zoals de heilige Gregorios van Nyssa, in de 4e eeuw, en de heilige Gregorios Palamas in de 14e eeuw, die de radicale transcendentie alsmede de relatieve immanentie van God hebben onderlijnd. Zij steunden hun theologie op de principiële bevestigingen van de Schrift, volgens dewelke “niemand God kan zien” (Ex 33,20; Joh.4,12; Joh.1,18). Deze Kerkvaders hebben God verkondigd als zijnde onkenbaar en nochtans persoonlijk gekend. God als onzichtbaar en nochtans bereikbaar. God  als veraf en nochtans intens nabij – de oneindige en onbereikbare God die intiem wordt en zich in de wereld heeft geïncarneerd.  De onkenbaarheid en de onbereikbaarheid van God verplicht  ons finaal tot een geest van nederigheid en aanbidding.

Indien de apophatische houding ons vertrekpunt is, dan kunnen wij naar waarde beoordelen hoe de eenheid van de Kerk, zoals de eenheid van God, een zoektocht is die nooit eindigt, een reis die altijd blijft duren. Zelfs in het komende tijdperk, zoals de heilige Gregorios van Nysse zei, is de groei in het goddelijk leven zonder einde en van een oneindige volmaaktheid; zij is in feite een constante vooruitgang doorheen etappen van voortdurende vervolmaking. Deze oriëntering eist van ons de bekwaamheid tot geduld veeleer dan ongeduld. Wij zouden ons niet mogen laten frustreren door onze menselijke beperktheden die ongelukkiglijk de oorzaak zijn van onze meningsverschillen en onze verdeeldheden. Ons volhardend  en altijd actueel zoeken naar eenheid getuigt van het feit dat datgene wat wij nastreven zich zal voltrekken volgens de tijd van God en niet volgens de onze; zij is op dezelfde wijze de vrucht van de hemelse genade en het goddelijke kairos.

De eenheid als bekering

Indien de eenheid – die wij met volharding nog altijd nastreven – effectief een gave van God is, dan eist zij een gevoel van diepe nederigheid en geen hoogmoedige, opdringende houding, wat dat ook moge zijn. Dit betekent dat wij geroepen zijn om de anderen te leren kennen in zoverre dat zij ons kunnen inspireren met hun getuigenissen in de tijd. Dit impliceert tegelijk dat ,als wij onze wijze van handelen opleggen – of zij  nu “conservatief” of “liberaal” is – aan anderen, dat een teken is van arrogantie en hypocrisie. De authentieke nederigheid vereist van ons allen een opening naar het verleden en de toekomst; met andere woorden, naar het voorbeeld van de oude god Janus, worden wij opgeroepen om te getuigen van het respect voor de beleefde wegen van het verleden en de beschouwing van de toekomstige stad die wij nastreven (Hebr.132,14). Dit  terugkeren naar het verleden maakt zeker deel uit van de bekering.

Uit : SOP

Vertaling : Kris Biesbroeck

Getcha job : Hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft

Hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft

 

Archimandriet Job Getcha

 

De vraag : hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft is niet gemakkelijk te behandelen, maar zij blijft niettemin actueel. Wij pretenderen niet hierop een antwoord of antwoorden te hebben. Daarom stellen wij voor hier samen over na te denken, door stil te blijven staan bij vier punten : de kracht van de christelijke boodschap, de zwakheden van de Kerk in haar missie, de beschikbare middelen voor de christelijke missie in de wereld van vandaag en tenslotte de zwakheden van de hedendaagse wereld.

De kracht van de christelijke boodschap

Indien men vandaag iemand vraagt wat het christendom is, dan kan men zich in het beste geval aan een antwoord verwachten als : “Het christendom is een monotheïstische religie, gesticht op het leven en de leringen van Jezus van Nazareth”. Men stelt in feite het christendom voor als één van de drie monotheïstische religies, als één van de drie religies van het boek, en deze definitie doet ons onmiddellijk denken aan een tekst, aan de stichter van het boek, aan een reeks regels, wetten, bevelen, leringen.

Maar in feite is het christendom geen religie. Het komt niet voort uit een stichter van een boek. Het is ook geen eenvoudige filosofie uitgewerkt door een groot meester. Het is vóór alles een gebeurtenis, vooreerst dat van de Incarnatie, van het binnendringen van God schepper in de schepping, in de geschiedenis, alsook van zijn heilswerk die gerealiseerd is in de dood en verrijzenis van Christus. Sint Paulus zegt ons : “Indien Christus niet is verrezen, dan is onze prediking ijdel, en uw geloof ook” (1 Kor.15,14). Het christendom is dus een boodschap van hoop en een bron van vreugde voor de mensheid : dit van de verlossing uit de boeien van de dood en de zonde . Het is daarom dat de heilige Serafim van Sarov, telkens hij iemand ontmoette, hem groette zeggende : “Mijn vreugde, Christus is verrezen !”.

Alhoewel geïncarneerd in de wereld, introduceert het christianisme ons in het eeuwige leven. “Welnu, het eeuwig leven, – vertelt ons het evangelie volgens Johannes, is dat ze u erkennen, u de enige ware God en hem die gij gezonden hebt, Jezus Christus” (Joh.17,3). Het christendom geeft ons de mogelijkheid tot een nieuw leven. In het christendom is niets onmogelijk. De geïncarneerde God is geen boosaardige God, veeleisend, maar integendeel, Hij die de mensheid komt genezen, ze vernieuwen,  de zonden vergeven en ze redden. Het heil, in christelijk perspectief, zoals het wordt naar voor gebracht bij de oosterse Vaders, is een proces van genezing en verzoening.

Eén van de sterke punten van de christelijke traditie, bijzonder dierbaar aan de oosterse traditie, is het idee van déificatie en divinisatie. Het is gebaseerd op de woorden van de apostel Petrus die ons oproept om “deelgenoten van de goddelijke natuur” te worden (2 Petrus 1,4). Deze uitnodiging werd op de volgende manier geïnterpreteerd door Ireneüs van Lyon : ” Het Woord van God is mens geworden, en de Zoon van God, de Zoon des mensen opdat de mens, door zich te vermengen met het Woord en aldus  het aangeworven verwantschap op zich te nemen, Zoon van God te worden” . De heilige Athanasios van Alexandrië wordt op zijn beurt de woordvoerder van deze theologie van de divinisatie door aldus zijn verhandeling over de Incarnatie samen te vatten : ” (God) is mens geworden opdat wij god zouden worden” (Athanasius van Alexandrië, de L’Incarnation du verve, 312).

Het patristisch thema over de déificatie of de divinisatie (qevwsi”)  is op een bijzondere wijze tot een erepunt van gemaakt vanaf de VIe eeuw in het Corpus Dionysion. Immers ,voor  de auteur die zich identificeert als Dionysios de Areopagiet, is het heil (swthriva) “slechts mogelijk  door de déificatie van hen die gered zijn (qeoumenwn). En de divinisatie (qevwsi”) is gelijken op God en ons verenigen met Hem voor zover wij het kunnen”. Nadenkend over de kerkelijke hierarchie als wijze van overdracht van de goddelijke energieën, is Dionisios van mening dat de déificatie zich realiseert door de sacramenten van de Kerk Hiervan geeft hij een commentaar in zijn verhandeling : ” Het is door de tastbare symbolen (aijsqhtw’n sumbovlwn) dat wij ons zo  veel als wij kunnen verheffen tot aan de goddelijke contemplaties” .

Het is op hetzelfde plan van de déificatie of de divinisatie (qevwsi”) dat de hesychasten, vanuit deze dionissische traditie, in de XIVe eeuw het heil van de mens zullen plaatsen. De heilige Gregorios Palamas zegt ongeveer hetzelfde als de heilige Athanasios wanneer hij zegt : ” Door mens te worden en de dood op zich te nemen, vormt Christus de mensen om tot zonen van God, door hen te doen communiceren aan de goddelijke onsterfelijkheid (koinwnou;”poihvsa” th’ “qeina”ajqanasiva”)”. Aldus doet zich het heil voor in het dynamisch perspectief van de vereniging van de mens met God, een vereniging die slechts mogelijk is vanaf het moment dat God geïncarneerd is.

De hesychastische  byzantijnse monniken van de 14e eeuw leggen de nadruk op het feit dat het gebed en de sacramenten van de Kerk de twee middelen zijn waarvover de mens beschikt om zijn vereniging met God te realiseren. “Welnu, men verenigt zich met Hem”, zegt ons de heilige Gregorios Palamas, “zoveel als mogelijk is, door met hem gelijke deugden te delen, en door de vraag en de vereniging in het gebed met God te delen”. In verband met de sacramenten schrijft de heilige Gregorios Palamas : ” Hij verleent een volmaakte  verlossing, niet alleen aan de natuur die hij ons verleent in een onvergankelijke vereniging, maar aan iedereen die gelooft in Hem.. Met dit doel stelde hij het goddelijk doopsel in, hij bepaalt de wetten die leiden tot het heil, hij predikt aan allen de vergeving en communiceert zijn eigen lichaam en zijn eigen bloed. Het is niet eenvoudigweg de natuur, maar de hypostase van elke gelovige die het doopsel ontvangt, die leeft volgens de  goddelijke geboden en Hij communiceert ons met het vergoddelijkend brood  en de kelk”. Hieruit blijkt dat, om de liturgische theologie van de hesychasten te karakteriseren, het passend is dat men zich richt op het gebed en de sacramenten, zonder de vasten te vergeten die vanaf de antieke monastieke traditie een bepaald ritme geeft aan de ontmoeting van de mens met God.

Cabasilas zal van zijn kant zal het heil van de mens plaatsen op het plan van de deificatie of de divinisatie (qevwsi”). Sprekend over de christelijke initiatie, schrijft hij : ” Kan er een groter teken van goedheid en filantropie bestaan dan deze door dewelke wij, badend in het water, hij de zonden bevrijdt van de smet, door de zalving met myron, regeert hij vanuit het koningschap dat in de hemelen is en ontvangt aan zijn tafel, door zijn lichaam en zijn bloed te offeren ? Mensen worden goden en zonen van God, onze natuur ontvangt de eer die wij aan God verschuldigd zijn, en het stof is opgewaaid tot een zo hoge glorie dat zij zelfs de eer en de goddelijkheid verkrijgt van de goddelijke natuur zelf”.

Daaruit volgt dat het sterke punt van het christendom niet zodanig een doctrineel systeem is, een morele code, een f
ilosofie van het leven, maar een ervaring van persoonlijke ontmoeting met God die elke mens kan doen doorheen de liturgie. In een middeleeuwse Slavische tekst, de Kroniek van het verleden, vertelt men ons dat het beslissende moment van de bekering van het Russische volk de ervaring was die de legaten van prins Vladimir van Kiev hadden tijdens de liturgie in de Haya Sophia te Constantinopel : ” wij wisten niet meer of we in de hemel waren of op aarde, want er is beslist niets op aarde boven deze schittering de schoonheid . Wij kunnen het niet beschrijven. Het enige wat wij weten, is, dat God midden de mensen woont, en dat hun liturgieën alle andere cultussen overtreft. Wij kunnen deze schoonheid niet vergeten”.

Maar zo een ervaring is niet gereserveerd voor de Middeleeuwen, maar blijft, ook vandaag nog, actueel. Vele van onze tijdgenoten kunnen ervan getuigen, zoals bijvoorbeeld de metropoliet Kallistos Ware het deed in verband met zijn ontdekking van de orthodoxe Kerk, toen hij nog een jong student was :

 Ik ging de kerk van de heilige Pilippus binnen – zo was de naam van de kerk (russisch orthodoxe kerk te Londen), het eerste wat met trof, was dat ze leeg was. Buiten op straat scheen de zon, maar binnenin was het fris, hol klinkend en somber.  Al naar gelang mijn ogen gewend raakten aan het halfdonker was een zekere afwezigheid het eerste wat mijn  aandacht trok. Er waren geen banken, noch stoelen die netjes op een rij stonden; het geboende parket strekte zich voor mij uit als een grote lege ruimte. Plotseling realiseerde ik mij dat de kerk niet geheel leeg was. Er waren enkele gelovigen, het merendeel ouderen die verspreid waren over het schip en de dwarsbeuk. Op de muur brandden lampen voor de iconen, alsook kaarsen voor de iconostase naar het oosten gericht. Een onzichtbaar koor zong in de zijkant. Op een zeker ogenblik kwam een diaken uit het heiligdom en kwam de gehele kerk, de iconen  en de gelovigen bewieroken. Ik merkte dat zijn kledij van brokant oud en versleten was. Mijn indruk van een afwezigheid werd plotseling omgevormd in een gevoel van aanwezigheid. Ik voelde dat de kerk, verre van leeg, vervuld was met een menigte van onzichtbare gelovigen die mij van alle kanten omringden. Intuitief realiseerde ik mij dat wij, de zichtbare gemeenschap, deel uitmaakten van een veel grotere gemeenschap, en dat wij naargelang wij baden, wij weggevoerd werden in een daad die veel groter was dan de onze, in de onzichtbare celebratie die alles omvat, die tijd en eeuwigheid verenigt, de dingen van hierbeneden met de dingen van hierboven”.

Metropoliet Kallistos spreekt ons ook over een Godservaring doorheen de liturgie. In het Christendom is de leer in feite onscheidbaar van de verheerlijking van God. Voor vader Georges Florofsky, “het christendom is een liturgische religie. De Kerk voor alles een biddende gemeenschap. De liturgie komt eerst, de discipline daarna”. Het is doorheen de liturgie dat de waarachtige verheerlijking een uit uitdrukking wordt van het waarachtige geloof, dat de “lex orandi” (de regel van het gebed) “lex credendi”” (regel van het geloof) wordt. Vader Cyprianus Kern houdt eraan te herinneren dat de religieuze en theologische opvoeding in het oude Byzantium of het oude Rusland vóór alles overgedragen wordt door de liturgie : ” Er bestonden geen seminaries, academieën of faculteiten van Theologie, maar de God en mensdragende monniken en de godvruchtige christenen dronken het levend water van de kennis van God uit de stichieren, de canons, de catechesen, de inleidingen en de syndaxaria. Het koor en het ambon van de kerk vervingen dus de professorenstoel”. Van zijn kant, schrijft metropoliet Kallistos in zijn bekend boek, L’Orthodoxie – L’Eglise des sept conciles : ” Sommige leerstellingen, die niet officieel werden gedefinieerd, zijn door de Kerk ondersteund met een innerlijke overtuiging die zo evident is en zo een serene eenstemmigheid heeft dat dit gelijkstaat met een expliciet geformuleerde formule (…) Deze innerlijke Traditie ‘op mysterieuze wijze overgedragen” is bewaard gebleven in de Kerkelijke celebraties. Lex orandi lex credendi : ons geloof drukt zich vooral uit in ons gebed”. Het is dus doorheen de liturgie dat de mens God kan ontmoeten, kennis ervan kan nemen en hem kennen, niet enkel op een eenvoudige intellectuele wijze, maar op een diepere wijze, meer intiem, existentieel.

Indien het christendom een liturgische religie is, dan is het vooral omdat het chistelijk leven Christo-centrisch is, en dat Christus zich aan ons geeft doorheen de Kerk, doorheen de liturgie, doorheen de sacramenten. Op een bepaald dag vroeg ik aan een higoumen van een groot monasterie die een missionaire en pastorale roeping had over zijn manier van reageren. Hij zei me dat zijn gouden regel was, om Christus aan de wereld kenbaar te maken, om alles samen te brengen in Christus. Hij herinnerde mij eraan dat dikwijls, ongelukkiglijk, de gelovigen van de orthodoxe landen zo veel aandacht schenken aan miraculeuze iconen, aan  relieken van heiligen, aan mirakels enz…, en die zo het christendom  omvormen tot een magische religie. Al deze dingen zei hij, zijn niet slecht op zich onder voorwaarde dat de geest en de reden van bestaan van al deze dingen is : de incarnatie en de verrijzenis van Christus en het nieuwe leven die hij ons in hem schenkt. Het christelijk leven is een leven in Christus. Nicolas Cabasilas heeft zijn werk over het spirituele en sacramentele leven de titel gegeven “Het leven in Christus”. Ook de heilige Johannes  van Krohnstadt (1829-1908) zal ongeveer dezelfde titel gebruiken ” Mijn leven in Christus” voor zijn persoonlijk dagboek. De verrezen Christus doen kennen aan de wereld die niet gelooft is zonder twijfel de meest fundamentele zending van de Kerk.

De zwakheden van de Kerk in haar missie

Deze opdracht lijkt duidelijk voor ons, men moet bekennen dat de Kerk van vandaag goed de moeilijke positie van haar missie kent. Wij moeten bewust zijn van onze zwakheid in onze missie indien we er iets willen aan doen. Als voorbeeld blijven we even stilstaan bij vier zwakke punten die ons typisch lijken.

Het eerste zwak punt is, dat de Kerk al te dikwijls een gewoon instituut geworden is dat functioneert volgens de regels en de criteria van de mensen, daarbij vergetend dat zij boven alles het lichaam van Christus is en vol van de Heilige Geest. Al te dikwijls leven wij volgens twee modellen : het ene voor de uiterlijke wereld en de andere voor ons persoonlijk leven, het  ene voor ons leven van de Kerk en het andere voor ons leven van elke dag. Dikwijls gelijken wij op de missionaris die zei : “Doe wat ik je zeg en niet wat ik doe”. Welnu, met zo een hypocrisie  kan onze zending niet productief zijn. Hoe kan men in de wereld het vuur aansteken van het Woord van God, indien dit vuur in ons hart is uitgedoofd ? Indien wij de wereld willen raken , dan moeten wij dat doen met de vurigheid van ons hart, door onze gepassioneerde liefde voor Christus en door de uitstraling van de Heilige Geest in ons hart.

Ten tweede, dikwijls komt het christendom  naar voor, en dit vooral in het westen, als een morele code .Het is dit zwaarwegend moralisme, al te dikwijls hypocriet, dat de westerse wereld heeft verworpen, en vooral in de landen waar het geworden is tot een “verbod om te te gebieden”. Maar dit is niet vreemd aan de christen van het Oosten. Men spreekt nu meer en meer in de landen met een orthodoxe traditie van de sociale leer van de Kerk en men slooft zich uit om dikwijls de christelijke waarden van Europa te verdedigen. Dit alles heeft natuurlijk zijn plaats, haar reden van bestaan, voornamelijk in het pol
itieke domein, maar indien dit alles niet wordt beleefd en geïncarneerd is in onze bestaanswijze, in ons leven, dan blijft alles dode letter.

Al te dikwijls hechten we meer belang aan regels, aan het canonisch recht, dan aan het Evangelie en de Geest. Er is een anekdote die ons vertelt dat een priester biechtvader slechts twee boeken in zijn leven gebruikt : het Pidalion (verzameling van canons) en het Evangelie. Maar het blijkt dat het Pidalion het meest gebruikte boek is. Welnu, dit is geen fictieve geschiedenis. Een vriend vertelde mij op een dag dat hij biechtvader was. Na de biecht, vroeg hij aan de priester of hij kon communiceren. De priester antwoordde hem van niet, want hij had gedurende meerdere dagen niet gevast, hij had niet voldoende gebeden en canons opgezegd, en hij dus onwaardig was om te communiceren omwille van zijn zonden. Mijn vriend zei hem : ” Maar mijn Vader, zegt Christus ons niet : Diegene die mijn vlees eet en mijn bloed  drinkt heeft het eeuwige leven…

Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in Mij en ik in Hem” (Joh.6,54.56) ?  Daarop antwoordde de priester : “Maar wat komt Christus hier doen bij dit alles ?”.

Wat komt Christus hier doen bij dit alles ? Het is een vraag die wij ons dikwijls kunnen stellen in onze houding ten overstaan van  de Kerk en voornamelijk in onze benadering van de zending. Té dikwijls wordt het christendom samengevat als een oppervlakkig leven volgens  regels. En té dikwijls is het dit beeld dat wij geven aan de wereld die niet gelooft en die in het geheel niet wil leven volgens regels.

Een groot spiritueel uit de 20e eeuw, Geronda Porphyrios de Cavsokalivite die een groot deel van zijn leven aalmoezenier was van de polykliniek  van Athene hield eraan te onderlijnen dat een Christen niet moet leven uit verplichting, maar uit liefde. Hij verduidelijkt dit in een verhaal dat hij vertelde aan één van zijn leerlingen, de monnik Agapios :

“Een jong meisje kwam naar hier om te biechten. Zij zat in het eerste jaar van het lyceum. Op een bepaald moment zei ze mij :

-Vader, ik hou van een jongen en ik kan hem maar niet vergeten. Mijn geest is steeds bij hem. Je zou zeggen dat hij altijd daar is (zij toont de top van haar vinger). Als ik wil studeren : Niko is daar, ik eet, slaap, ik doe wat dan ook, Niko is daar. Wat moet ik doen Vader ?

-Mijn kind, zeg ik haar, jij bent nog jong. Heb een beetje geduld, tot wanneer je uw studies hebt beëindigd, en daarna zal Niko bij jou zijn. Span je nu  in om je studies te volgen.

Een week later is zij teruggekomen en zei mij :

-Mijn Vader, ik slaag er maar niet in mij te concentreren gedurende de lessen. Gans de dag, zonder ophouden,  is mijn geest en mijn hart bij Niko. Mijn Niko is aan mij geplakt en ik kan er mij niet van losmaken (…)

En nu ben je bezig te zeggen : Wat heeft dit alles met mij te maken ? Nochtans, antwoord mij, ik smeek het u. Heeft het kleine meisje zichzelf pijn gedaan om haar geest Niko in de herinnering te houden ? geheel niet. Dit alles overkwam haar op natuurlijke wijze, zonder dwang, uit liefde.  Het is ook dit wat ons overkomt als we van Christus houden met een gepassioneerde, goddelijke  liefde Dus, zonder de noodzaak om onszelf pijn te doen, ons te forceren of er de neiging toe te hebben, roepen wij met liefde Zijn heilige Naam…”.

Zo moeten wij niet leven volgens de regels, wij moeten ons niet gedragen als formalisten, niet handelen vanuit een geest van legalisme, maar wij moeten aangegrepen worden door de liefde van Christus die de waarachtige bron is van onze vreugde welke op haar beurt de wereld die niet gelooft zal doen ontbranden. Daarom moet de verplichting plaats maken voor de vreugde zoals de Geronda Porphyrios ons ergens anders uitlegt :

“Wat ge ook doet door u te forceren, het brengt een innerlijke tegenstand in uw ziel teweeg, het is schadelijk voor u. Ik heb dit meermalen gezegd. Ik heb verschillende  monniken en personen op leeftijd gezien die zich van de Kerk van God afscheidden omdat zij de innerlijke spanning of de spanning veroorzaakt door andere personen niet meer konden verdragen. Omwille van deze druk, stelt de mens zich niet alleen op tégen de Kerk, maar wil er ook niets meer van horen. Dit alles oefent op hen geen goede indruk uit, draagt geen enkele vrucht (…). Indien je je forceert met bidden dan zal je op een bepaald moment vermoeid worden van de druk die je op jezelf uitoefent, je zal het gebed laten vallen, en dan ? Indien je het doet uit verplichting, dan forceert je jezelf, en dan gaat alles terzijde. Een dergelijke druk kan er zelfs toe leiden dat je niet meer naar de kerk gaat. Ga op een andere manier naar de kerk : niet uit verplichting of uit druk, maar uit vreugde. Opdat dit zo zou zijn, moet men opmerkzaam zijn, opmerkzaam voor de diensten en zich verheugen, zich verheugen over de troparia, de lezingen, de gebeden. Wees waakzaam voor elk woord,  voor de zintuigen. Kan je dit begrijpen ? Het is hier dat de vreugde begint”.

Te dikwijls willen wij in onze zending regels opleggen, regels over de manier van zijn, zonder de liefde van Christus te beleven en te cultiveren. Zoals ons de Geronda Porphyrios aantoont, kan dergelijke houding in onze zending alleen maar tegenstand en het verwerpen van de wereld die niet gelooft opwekken.

Maar er is ook nog een derde punt in onze moeilijke positie. Het gaat vooreerst om onze taal en ons spreken. Het is belangrijk dat we de twee onderscheiden. Het lijkt  ons evident  dat wij niet aan zending kunnen doen  in een taal die voor onze toehoorders niet begrijpelijk is- de geschiedenis van de zending onder de slaven door Cyrillios en Methodios die een alfabet ontwikkelden en de liturgische  en heilige teksten vertaalden in een inheemse taal is er om ons eraan te herinneren -, het gebruik van een taal die gesproken wordt volstaat niet om begrepen te worden. Welnu, dikwijls spreken wij in onze zending een taal die slechts door ons alleen begrepen wordt. Om dit te illustreren, zal ik hiervan slechts één voorbeeld geven. Op een bepaalde dag, vroeg een kleine jongen aan zijn vader : “Papa, waarom zijn de tomaten rood?” De vader, een bioloog van beroep, antwoordt : “Omdat ze in hun vlees rode pigmenten bevatten zoals de beta-caroteen, licopeen, of vitamine b12” Het kind keek zijn vader met grote ogen aan en zei : “tot wie spreek je Vader ?”.

Papa, tot wie, spreek je? Het is een vraag die de wereld die niet gelooft ons zelfs niet durft stellen…. De christelijke boodschap is zeker de erfgenaam van een ganse cultuur en is doorgegeven doorheen een bepaalde cultuur. Zij gebruikt veel symbolen. Welnu, ongelukkiglijk, de antieke filosofische cultuur en de erfenis van het judeo-christianisme ontsnapt aan vele van onze tijdgenoten. Vader Cyrianus Kern maakte reeds de vorige eeuw duidelijk dat de liturgische byzantijnse diensten, met al haar rijkdom en haar hymnografie,  dikwijls onbegrijpelijk lijken te zijn voor de moderne mens. Dit onbegrip is dikwijls gebonden aan het gebruik van een oud liturgische taal, zoals het slavisch of het oude grieks, tegenwoordig onbekend voor de meerderheid van de gelovigen. Maar de moeilijkheid komt ook dikwijls voort uit een gebrek aan cultuur,
of veeleer, uit het feit dat wij leven in een andere cultuur : “gewoon aan het realisme van de ‘peredvizhnechestvo’ en de schoolsheid, wij begrijpen de waarachtige schoonheid niet meer van de niet aardse figuren van onze iconen en van de goddelijke openbaringen die uit een andere wereld komen. Opgevoed in de hedendaagse poëzie van de decadentie, begrijpen we de kerkelijke poëzie niet meer, noch de diepte van haar betekenis. Wij kennen zelfs de vitale, reële betekenis van onze goddelijke officies niet meer. Wij verstaan de interne inhoud ,die zeer rijk is, van onze liturgische theologie niet meer. De dienst heeft opgehouden om voor ons een bron van kennis van God te zijn. Teruggekeerd naar de kerk begrijpen wij niet meer wat gezongen wordt. Het moet dus uitgelegd worden, van een commentaar voorzien.

Tenslotte, een vierde moeilijke situatie kan verbonden zijn aan onze aarzeling om de uitdaging te trotseren van de moderniteit. Zeer dikwijls, associëren wij

het christendom, de christelijke boodschap of simpelweg de Kerk met een persoonlijke vorm uit het verleden. Men kan zich bijvoorbeeld inbeelden, dat de orthodoxe Kerk slechts goed kan functionneren dan in een monarchistisch regime, dat slechts een bio of vegetarisch regime aan de christenen toekomt, of nog, aangezien de cybernetische revolutie een plaag is voor de mensheid, leven wij in de laatste tijden sedert de opkomst van de computers en de draagbare telefoons op de Athos berg ! En dit heeft zijn weerslag op onze wijze van communiceren met de wereld die niet gelooft. Als we een schifting maken van de publicaties die onze kerken verspreiden met het doel om te missioneren , dan zal men merken dat zij dikwijls heruitgaven zijn van oude publicaties – zelfs uit de 19e eeuw –  of dat zij levenswijzen weerspiegelen die niet meer spreken tot de hedendaagse wereld. Bijvoorbeeld,  verschillende russisch orthodoxe tijdschriften brengen beelden van vrouwen  bedekt met een hoofddoek, wat aan de wereld van de ongelovigen doet geloven dat het christelijk leven kan samengevat worden tot een achteruitgaande mode of simpelweg gezegd, zich reduceert tot een folklore. Zelfs de grootste werken van de Kerkvaders, die hun frisheid en actualiteit bewaren, zijn niet onmiddellijk toegankelijk voor de wereld die niet gelooft omdat zij erom vragen omgezet te worden in een andere context.

De mogelijke middelen voor de missionering

Na kennis genomen te hebben van onze fouten, trachten wij nu na te denken over de middelen die ter onzer beschikking staan in onze zending.

Het eerste middel en het meest doeltreffende is zonder twijfel het getuigenis door ons voorbeeld. Als men de hypocrisie zoals in vele gevallen het geval is willen verhelpen, dan moeten wij in datgene wat wij prediken, zelf het goede voorbeeld geven. Om de waarheid te zeggen, het persoonlijk getuigenis is het meest doeltreffend middel om Christus te verkondigen. Dikwijls is het beter om het goede voorbeeld te geven dan iets aan te tonen met een briljante uiteenzetting. In dit verband kan men in de Apoftegmen van de woestijnvaders het volgende lezen : ” Drie Vaders hadden de gewoonte om elk jaar bij de gelukzalige Antoine te gaan. De twee eersten ondervroegen hem over de gedachten en over het heil van de ziel; de derde hield er een volledige stilte op na, zonder ook maar iets te vragen. Na enkele jaren, zei Abba Antoine hem : het is nu reeds zolang dat je hier komt en je stelt me geen enkele vraag ? Hij antwoordde hem : het volstaat me om jou te zien, Vader !”. Als een beeld zoveel waard is hoeveel te meer dan een beleefd voorbeeld !

Een tweede voorbeeld gaat samen met de ervaring, met een persoonlijke ontmoeting die verbonden is aan de heiligheid, aan de spirituele vreugde wanneer iemand de ervaring van de Heilige Geest meedeelt dan is dit in zekere zin de voortzetting van het persoonlijke voorbeeld. Eén van mijn vrienden die bekeerd is tot het christendom op oudere leeftijd heeft mij verteld wat voor hem bepalend was in zijn bekering. Het was niet zozeer het evangelie die hij gelezen had of de boeken die hij had geraadpleegd, maar de ervaring die hij gehad had met zijn spirituele vader. Wanneer hij student was in een militaire school,ontmoette hij een jonge priester die regelmatig de studenten kwam bezoeken. Hij preekte weinig, gaf hen geen les in moraal, deed ook geen lange uiteenzettingen, trouwens,  hij had geen bijzonder talent om overtuigend te preken. Maar hij organiseerde uitstappen, bezoeken, bedevaarten naar de kerken, naar de monasteria, naar de heilige plaatsen. En het is doorheen deze bezoeken dat mijn vriend de ervaring opdeed van heiligheid en de tegenwoordigheid van de Heilige Geest die hem naar Christus leidde en die hem aanzette om het evangelie te lezen en zich te interesseren in het leven van de heiligen en de geschriften van de Kerkvaders. Het is dat wat Sint Paulus overkwam, de ervaring van Christus op weg naar Damascus. Mijn vriend vroeg het doopsel na de heiligheid ervaren te hebben. Immers, zonder een metaphysische ervaring is het moeilijk om de transcendentie van God te begrijpen. Zonder de ervaring van de goddelijke openbaring, kan geen enkele mens op eigen kracht God kennen.  Naar aanleiding hiervan, herinneren wij ons de episode uit het leven van de heilige Séraphim van Sarov, wanneer hij aan zijn leerling Motovilov uitlegde dat het doel van het christelijk leven, de verwerving van de Heilige Geest is, terwijl zijn gezicht straalde van het goddelijke licht …. De ervaring van de heiligheid en de ervaring van de Heilige Geest kunnen de ongelovige tot het geloof brengen, beter dan met mooie uiteenzettingen.

Dit alles leidt er ons toe een derde middel in beschouwing te nemen. Het gaat over het monastieke leven als paradigma van het evangelisch leven. De oorsprong van het monastieke leven is het diep verlangen om de voorschriften van het evangelie in het dagelijks leven te beleven. Vader Georges Florofsky hield eraan om het monachisme te definiëren als een “hoogste vorm van evangelisch leven”, terwijl Vader Placide Deseille graag spreekt van een “evangelie in de woestijn” om het leven van de eerste monastieke Vaders te illustreren. De monasteria met  hun roeping van onthaal, zijn dikwijls doorheen de tijd, en dit vooral in het christelijke Oosten, waarachtige huizen van het volk geworden. ” Ga niet naar een psycholoog, ga naar een monasterie” zou men iemand kunnen horen zeggen tegen een depressieve vriend. En dit is niet nieuw. Alle Russische intellectuelen verbleven in monasteria. Dit was vooral het geval met Optina Pustyn, die niet alleen het Rusland van de 19e eeuw voorzag van grote staretsen, maar die tegelijk, door hen, grote denkers van de slavofiele beweging beïnvloedde, zoals o.a. I. Kireievski, en het was ook de bron van inspiratie voor de roman van F.Dostojevski, ‘De gebroeders Karamazov’. In dit verband zei Kireievski : ” Er is iets dat veel belangrijker is dan alle boeken en ideeën die mogelijk zijn : het voorbeeld van de starets, aan wie je al je gedachten kan zeggen, van wie je geen persoonlijke mening kunt aanhoren, maar de stem van de heilige Vaders”.

Het is daarom dat het monastieke leven, doorheen het voorbeeld van de incarnatie in het dagelijks leven van de evangelische leefregel, een beslissend getuigenis kan zijn voor de wereld die niet gelooft. Wij zullen hier slechts één recent voorbeeld geven, dit van het monasterie van de “Protection de la Mère de Dieu” van Solan in Frankrijk. Buiten het werk, de liturgische diensten en het onthaal die karakteristiek zijn voor elk monasterie, hebben de zusters van dit monasterie gekozen voor
een activiteit in de landbouw. Geïnspireerd door de oproep van de oecumenische patriarchen Dimitrios en Bartholomeüs voor het behoud van de schepping, hebben zij een exploitatiemethode ontwikkeld met de hulp van specialisten voor methodes die het leefmilieu respecteren. Hun project van bio-landbouw zal de aandacht trekken van velen in de regio, in de meerderheid ongelovigen. Zo is een vereniging ontstaan, de ‘Amis de Solan’. Het essentiële doel bestaat erin de zusters te helpen in het beheer en de exploitatie van hun landbouw domein en in de sensibilisatie voor het behoud van de natuurlijke omgeving. Zij zijn gevoelig voor de ethische en spirituele aspecten van de ecologische crisis. Echter, telkens wanneer meerdere personen, niet-gelovigen,het monasterie bezoeken, dan zijn het niet meer alleen de ecologische kwesties die hen in beslag nemen, maar ook de spirituele, de vragen over het geloof. En zo wordt een monastiek ecologisch project een vorm van getuigenis van het christelijk geloof in een wereld die niet gelooft en die de ongelovigen bekeert tot het christelijk geloof.

Een vierde en laatste middel waarover men beschikt, maar onze lijst is eigenlijk onuitputtelijk, is het internet. Dit middel is een uitstekend middel om jongeren te bereiken. Op een bepaalde dag zei een orthodox bisschop mij : “Indien je de jongeren wilt raken in uw zending, dan moet je naar daar gaan waar jongeren te vinden zijn. En waar leven de jongeren van vandaag ?  Zij leven in een virtuele wereld. Zij brengen hun dagen door met op het internet te surfen !”. De woorden van deze bisschop zijn waar. Op een bepaalde dag bracht ik een bezoek aan aan monasterium dat moeilijk te bereiken was, totaal verloren in de bergen. Ik vroeg aan de higioumen wie die de jongste monnik was en die ik niet kende ?. Hij zei me dat het een jongere was uit de hoofdstad die naar het monasterium gekomen was toen hij nog geen christen was, die het doopsel had gevraagd en die vervolgens was binnengetreden in het monasterium. “Maar hoe is hij ertoe gekomen om u hier te vinden?” vroeg ik aan de higoumen. “Het is eenvoudig” antwoordde de higoumen. “Hij heeft ons gevonden op het internet'”. Indien de technische vooruitgang indrukwekkend is, hoeveel te meer nog Gods voorzienigheid, voor zover wij het weten ten dienste te stellen van Hem!

De zwakheden van de wereld van vandaag

Bewust van deze middelen waarover wij beschikken, dan nog moeten wij de dorst van de wereld van vandaag kennen en zich realiseren wat zij van ons verlangt als Kerk. Het lijkt ons dat de wereld lijdt aan vier voornamelijke kwalen;

De eerste kwaal is het materialisme. De wereld van vandaag, zoals je weet is zeer gehecht aan materiële waarden : rijkdom, sociale slaagkansen, lichamelijk welzijn. Niettemin ervaren onze tijdgenoten al vlug, wanneer zij getroffen worden door ziekte of geconfronteerd worden met de dood van een naaste, dat dit alles maar voorbijgaand is, dat “alles maar ijdel” is. Ondanks het materialisme dat onze wereld kenmerkt is er toch een zoektocht naar spirituele waarden, zoals men kan merken uit de opkomst van “new age”, bouddhisme, zelfs de Islam. Het feit, dat een president van een lekestaat die openlijk zegt dat hij atheïst is, zoals François Mitterand, maar toch regelmatig naar de Sinaï trok, toont dit goed aan. Men moet zich bewust zijn van deze spirituele dorst en er een gepast antwoord op trachten te vinden.

De tweede kwaal is het relativisme. In onze wereld wordt alles in vraag gesteld, en vooral datgene wat als een evidentie wordt geaffirmeerd. Maar het relativisme heet experiment. Vanaf het moment dat men iets anders heeft kunnen ervaren dan wat gesteld werd kunnen wij een nieuwe theorie ontwikkelen. Vanaf dan, zelfs al is het gemeenplaats te bevestigen dat God niet bestaat. Indien iemand een Gods ervaring heeft gehad, dan kan hij het tegenovergestelde beweren, zoals Frossard : “God bestaat, ik heb Hem ontmoet !”.

De derde plaag van onze maatschappij is het individualisme. De urbanisatie en de globalisatie die de ontwikkeling van het individualisme begunstigen  stellen dikwijls de definitie in vraag van de mens als “een zijn in communio”, om de uitdrukking van metropoliet Jean van Pergame te hernemen. De technologische vooruitgang maakt, dat geleidelijkaan de machines en de automatische verdelers  het werk van de mens gaan overnemen. De revolutie van het internet heeft er voor gezorgd dat de communicatie zich voltrekt door bemiddeling van een computer. Dit alles draagt er toe bij om de menselijke relaties te des-humaniseren ofwel zijn de rechtstreekse ontmoetingen vervangen door ontmoetingen van individu tot machine. Dit heeft tot gevolg dat de wereld van vandaag lijdt aan eenzaamheid. De Kerk kan helpen hieraan iets te doen indien zij de kunst bezit om de vriendschap als alternatief aan te bieden. Op een bepaalde dag vroeg ik aan een missionaris die onder de jongeren werkt hoe hij handelde. Hij heeft mij iets zeer eenvoudigs gezegd : vóór alles, zelfs vooraleer zelfs te spreken over wat dan ook, zoek ik op de eerste plaats hun vriend te zijn. Vrienschap kan veel. Indien wij onze broederlijke liefde weten over te zetten op iemand die eenzaam is, dan zal hij zich voor ons openstellen en veel gemakkelijker onze boodschap aanvaarden.

Ten slotte kunnen wij als vierde malaise, het hedonisme naar voor brengen. De secularisatie die vandaag de dag de wereld overspoelt en een visie op de wereld voorhoudt zonder relatie met God, stelt grote problemen, want vertrekkende vanuit het principe dat de mens door God geschapen is naar Zijn beeld, is God ontkennen, eenvoudigweg de mens ontkennen. Wij constateren in onze maatschappij de groei van angst en vrees, isolement en eenzaamheid, individualisme en het afgesneden zijn van een maatschappij die de technische ontwikkeling in onze cybernetisch tijdperk met zich meebrengt. Deze verschijnselen kunnen de oorzaak vormen van conflicten, kunnen de haat aanmoedigen, depressies veroorzaken die dikwijls naar zelfmoord leiden en alle soorten van afhankelijkheden teweegbrengen, zij het alcoholisme, toxicomanie, seksuele ontsporingen of andere. De Kerk kan dit helpen verhelpen indien  zij een verspreider van de waarachtige vreugde weet te worden, de vreugde van Christus.

Het is dit wat de Geronda Porphyrios de Cavsokalivite ons uitlegt : “De vreugde is in Christus. Christus omvormt het lijden in vreugde. Dit is onze kerk, onze vreugde, dit is alles voor ons. En het is dit waarnaar de mens van vandaag op zoek is. Het is daarom dat hij vergift en drugs neemt opdat hij in die wereld van vreugde zou kunnen delen, maar het is een valse vreugde. Hij wordt ‘iets’ gewaar op dat moment, maar de volgende morgen is hij gebroken. Dit drukt hem voortdurend op het hart, het knaagt, het bedroeft hem, het verteert hem. De mens echter die zich volledig aan Christus geeft is geheel vernieuwd, vervuld van vreugde, ervaart de kracht en de grootheid en verheugt zich in het leven”.

Hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft ?

Het moment is aangebroken om te besluiten. Wij waren in staat om te antwoorden op de vraag : “Hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft ?” Zonder twijfel is deze uiteenzetting niet volledig.

Maar één zaak is zeker. Om te getuigen van Christus tegenover wie niet gelooft, moet men hem Christus leren kennen en niets anders. Men moet getuigen door zijn  eigen voorbeeld, door onze wijze van bestaan, door te communiceren, door te lev
en, zonder hypocrisie en zonder formalisme.  Men moet hem Christus leren kennen die geneest, die vergeeft en die bevrijdt. Voor alles moet men luisteren, aandacht hebben voor de noden van de wereld, en vervolgens moet men weten te spreken in een verstaanbare taal, weten te antwoorden op de vragen die hem kwellen.

Men moet geen schrik hebben voor de uitdagingen van de moderniteit. De uistralingen die er waren en de voorbeelden van de athonitische sprirituelen van de 20e eeuw, zoals de Gronda Porphyrios of de Geronda Païsios waar gans de wereld naar opkijkt maken duidelijk dat zij de inhoud van de ervaringen van de Kerk hebben weten door te geven in een taal en in categorieën die een antwoord waren op de op de bezorgdheden en de angsten van de moderne mens.

 Daarom, moeten wij vooral Christus willen dienen en tempels worden van de Heilige Geest. Indien wij zo de vrede verwerven, dan zouden miljoenen gered worden rondom ons, om de woorden van de Heilige Seraphim van Sarov te herhalen.

Vertaling : Kris Biesbroeck

Over de innerlijke vrede

OVER DE INNERLIJKE VREDE

 Door Vader Victor ( Higoumen van het monasterie van La Faurie – Frankrijk)

    Wij kennen het woord van de Heilige Seraphin, ” verwerf eerst de innerlijke vrede en velen zullen in uw nabijheid rust vinden”. Dit is vandaag  een belangrijk woord want wij leven in een maatschappij van activisme en consumptie. Wij hebben wel een goede wil, wij zijn edelmoedig, maar wij willen vooral “doen”. Welnu, het belangrijkste is eerst en vooral iemand te “zijn”.

   Laten wij ons dus bevragen over deze toestand van innerlijke vrede. Gewoonlijk kennen wij twee soorten van vrede : vooreerst de afwezigheid van oorlogen tussen landen, afwezigheid van conflicten op het niveau van de mensen Deze  geheel negatieve houding waar men niet wil lastig gevallen worden of in de war worden gebracht is zeker positief.  “Bouwen wij aan de vrede,laat ons in rust leven” ! Maar er is een derde soort vrede “die geen afwezigheid van oorlogen inhoudt, maar een deugd is die ontstaat vanuit de kracht van de ziel”. Het is de filosoof Spinoza die er ons een goede definitie van geeft. Een deugd : “Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u, niet gelijk de wereld die geeft”(Joh.14,27), verkondigt het Evangelie . Het bevestigt dat de vrede die wij moeten zoeken zich moet vestigen in het binnenste van onszelf, en voortkomt uit “God, de vader van het licht”. “Voor de vrede die van boven komt en het heil van onze zielen, vraagt de liturgie van de Heilige Johannes Chrisostomos: laat ons de Heer bidden”.

  Deze vrede die van boven komt en die bezit neemt van het menselijk hart is zeker een genade, wat van ons afhangt is simpelweg onze beschikbaarheid om ze te aanvaarden. Dit is de synergie, de ontmoeting tussen de menselijke inspanning en de goddelijke Genade : “God werkt en de mens ademt”, zal men grappig zeggen. Welnu, wat is er in het binnenste van onszelf, dat ons hindert bij deze innerlijke vrede ?

   Als we ons richten tot de vaders, zoals bijvoorbeeld tot de Heilige Gregorius van Nyssa, zullen we er  ontdekken dat deze vrede van het hart, noodzakelijk om de Geest te kunnen ontvangen, vooral gehinderd wordt door onze gedachten. De gedachte blijft een ambivalent fenomeen, een tegenstrijdigheid (antinomie), want enerzijds is zij het merkteken van God in de mens, maar tezelfdertijd is zij het die de mens van Hem scheidt.

 Wanneer wij bijvoorbeeld willen bidden, dan zullen twee vormen van gedachten bij ons binnendringen : phantasmate en logismos die duidelijk omschreven bekoringen doen naar voor komen en die elk om een specifieke bestrijding ervan  vragen.

  Eerst de “Phantasmata’, van het griekse woord “beeld zonder bestendigheid”. Het zijn beroeringen, verstrooiingen die onze aandacht gaan versnipperen. Er komt een herinnering, een zorg, een beeld… te voorschijn, woekerende gedachten die, in het uiterste geval ons de indruk geven van “dat denkt in ons”,

  Naast deze tegenstrijdige gedachten, komen de “logismoi” , passionele gedachten van angst, verlangen, woede, of andere. Zij zijn nog meer fijnzinnig en  verwarrend, zij brengen ons in een staat van emotionele opwinding.

  Wij moeten dus, voor zover het in onze macht ligt en zonder te vergeten onze toevlucht te nemen tot de Goddelijke genade, er de strijd mee aanbinden, om ons zo in staat te stellen deze innerlijke vrede te verwerven, die zo belangrijk is om de Geest te ontvangen.

Hoe ?

   Voor wat de phantasmata betreft, het zijn mentale beelden die voortkomen uit onze herinneringen die opnieuw gaan opduiken. Wij weten het maar al te goed, dat wij in de  samenleving van vandaag bijna ononderbroken beïnvloedt worden door alle soorten beelden, voorstellingen, opinies, publiciteit of propaganda, enz..Het is van al deze zaken dat wij ons moeten ontlasten, en daarom blijft een zekere onthouding van de zintuigen en de gedachte onontbeerlijk. Dit zal  waarden als eenzaamheid en inkeer doen ontstaan. Evenzo wast en  zuivert de liturgie ons van een geheel van beelden, gewaarwordingen en indrukken die ons niet direct naar God voeren, zelfs al kunnen  ze ons soms verblinden. Wij kunnen bijvoorbeeld dikwijls menen dat het zich solidair voelen met de lijdende wereld, dat bidden voor het menselijke verdriet en ontreddering, ons zou verplichten om op de hoogte te blijven en te weten wat er in de wereld gebeurt, om er op een oprechtere manier te kunnen voor bidden, terwijl God weet wat de mens nodig heeft, waaraan hij lijdt. Onze voorbede houdt zeker in, dat wij een luisterend oor zijn voor de zijnden, maar niet noodzakelijk is dit voor gebeurtenissen of anekdotes van het dagelijks bestaan.

  Wat betreft de “logismoi” : inwendige opwellingen van emoties, gehechtheid of revoltes, zij zijn ergens opgewekt door verlangens of uit angsten die nogal dikwijls voortkomen uit een verafgoding van zichzelf., verkrampt door de eigenwil. Zich hiervan gelijdelijkaan los te maken, is proberen  dit woord van het “Onze Vader”, dat de essentie uitmaakt van het Evangelie zelf : “dat Uw wil geschiede op aarde als in de hemel”, volkomen te “leven”.

  Wij stellen de geboden gelijk met de Wil van God, en dit is in zekere zin juist, maar we vatten het op een té legalistische manier op in plaats van een spirituele. Het is belangrijk, dat wij hier inzien dat er tussen de Decaloog en de Zaligsprekingen een totale ommekeer van zienswijze bestaat : “gij zult niet doden”, bijvoorbeeld, zal worden “zalig de zachtmoedigen”.Welnu, de zachtmoedigheid  is niet slechts het respect voor sommige regels, het is een manier van “zijn”. Daaruit volgt dat de geboden voor een Christen geen morele regels meer zullen zijn, maar een omschrijving, op een humane wijze, van de eigenschappen van God. De goddelijke eigenschappen in zich opnemen, niet om Christus in Zijn handelen na te bootsen, maar om te handelen volgens Zijn Geest, of beter om de H.Geest te laten handelen, “het is niet meer ik die leef, het is Christus die leeft in mijzelf”, dat is het doel. Maar hoe onbegrijpelijk de wil van God ook is, zij is nog wat zij is. Want niets ontsnapt aan Zijn almacht. Maar de realiteit is dikwijls moeilijk aanvaardbaar voor ons.Er is een werkelijkheid die wij niet willen aanvaarden, maar waarvan we ons rekeninschap geven dat dit te wijten is aan onze beperkingen, onze passies en onze zwakheden.En deze bewustwording roept in het binnenste van onszelf gevoelens op, niet van een daadwerkelijk berouw,zoals dat van de tollenaar, maar van een ontevredenheid in de zin van :”hoe kan een persoon en ook wijzelf zulke lelijke dingen doen”. En het is vanaf dat moment dat er in ons alle soorten van angsten, schuldgevoelens,wroeging en uiteindelijk verzet en ontkenning van zichzelf gaat ontstaan. Terwijl zijn naaste  beminnen als zichzelf een juiste zelfkennis veronderstelt.

  Wij kunnen de realiteit dus weigeren uit zwakheid en er zich zelfs bewust van zijn, maar wij kunnen de realiteit ook weigeren  vanuit goede bedoelingen, vanuit het besef dat deze weigering een deugd is ! Hoe kunnen wij deze
oorlogen aanvaarden, dit onheil, deze miserie, deze wereld met mensen die voortdurend met elkaar in de clinch liggen ?….Hoe kunnen wij deze ziekten,onvolkomenheden, epidemieën aanvaarden ?…Dit alles lijkt ons schandalig en nochtans ! Het gaat er niet om het kwaad in de wereld op te hemelen, maar om te erkennen dat Christus de vrede niet preekt in de zin waarop wij het verstaan” Er zullen oorlogen zijn en onlusten, en de mensen zullen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, maar gij, verheug u en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing komt nabij” (Lc.9.26.28), zegt het Evangelie nog. Verheug u, niet over het kwaad in de wereld, dit is duidelijk, maar op de voorafgaande tekens van dat wat het waarlijk goede zal zijn., het komende Koninkrijk : dit Koninkrijk van God dat binnen in onzelf is.

    In dit perspectief is er in de menselijke orde een kwaad, volgens de Heilige Cassianus, die in de ogen van de Eeuwigheid niet noodzakelijk negatief is. Het is alleen een kwestie van bevrijding, onthechting en beschikbaarheid. Het is een gemeenplaats van te zeggen dat vele mensen die opgesloten zaten in de goulags getuigd hebben van het feit dat het juist in deze omstandigheden was dat zij het meest tot vrede kwamen en dicht bij God. Men is verplicht om te erkennen dat het niet altijd in de meest menselijk gelukkige omstandigheden is dat wij ons diepste  en rijkste “innerlijk” leven leren kennen. Het gaat hier niet om masochist te zijn, om ascese en zelfkastijding te verwarren, wat vanuit het standpunt van de orthodoxie de ketterij dicht benadert, maar het gaat om het op zoek te gaan naar het énig noodzakelijke, zonder zich te laten beïnvloeden door moeilijkheden en problemen, wetend, dat het lijden dat ons kan overkomen daar is als hoeksteen om ons onze innerlijke toestand te laten zien. Het lijden dat ons overkomt zal dan beleefd worden als een teken van onze inspanningen, van onze mislukkingen. Het zijn onontkoombare beproevingen op onze weg die leidt naar God.

    En voor ons, monniken en monialen, is er wellicht een derde niveau van de wil van God. Soms hebben wij ons in Gods dienst gesteld zonder ons veel rekenschap te geven of wij ons geplaatst hebben in Zijn dienst zoals  Hij het van ons verwacht of zoals wij hem zouden willen dienen. Wij  kunnen ons dikwijls realiseren dat wij in de loop van ons bestaan, ongemerkt een spiritueel project hebben opgebouwd. Een project, dat zeker waardevol is, bewonderenswaardig zelfs, maar dat uiteindelijk slechts ons eigen project was. Op dat moment kunnen wij ons geconfronteerd weten met neerslachtigheid, conflicten, ontredderingen, en ons op de rand voelen van een echte spirituele crisis. Maar het is juist dan dat wij het werkelijke begin kunnen naderen, dat, waartoe God ons uitnodigt.

   En daar onze uiteenzetting deze is over de innerlijke vrede, kan men , om te besluiten eraan herinneren, dat wanneer Christus  na Zijn verrijzenis verschijnt aan zijn leerlingen Hij verduidelijkt, dat Hij het doet :  “alle poorten waren gesloten”, hun zeggende “Vrede zij met u”. Het is pas als we ontdekken dat alle uitwegen, alle menselijke verwachtingen gesloten zijn, en dat we geen enkele hoop meer hebben, deze van de wereld, deze van ons verstand, deze van ons spirituele droombeeld zelf, het is op het moment van deze grote nederlaag, deze tegenslag, als wij het kunnen aanvaarden als de wil van God, dat wij  kunnen ontdekken dat Christus werkelijk aanwezig is en dat Hij op het dieptepunt van onze ontreddering ons zegt : “de Vrede zij met U”

 Vertaling : Kris Biesbroeck

Job Getcha : Hoe getuigen in een wereld die niet gelooft

Hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft

 Archimandriet Job Getcha

De vraag : hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft is niet gemakkelijk te behandelen, maar zij blijft niettemin actueel. Wij pretenderen niet hierop een antwoord of antwoorden te hebben. Daarom stellen wij voor hier samen over na te denken, door stil te blijven staan bij vier punten : de kracht van de christelijke boodschap, de zwakheden van de Kerk in haar missie, de beschikbare middelen voor de christelijke missie in de wereld van vandaag en tenslotte de zwakheden van de hedendaagse wereld.

De kracht van de christelijke boodschap

Indien men vandaag iemand vraagt wat het christendom is, dan kan men zich in het beste geval aan een antwoord verwachten als : “Het christendom is een monotheïstische religie, gesticht op het leven en de leringen van Jezus van Nazareth”. Men stelt in feite het christendom voor als één van de drie monotheïstische religies, als één van de drie religies van het boek, en deze definitie doet ons onmiddellijk denken aan een tekst, aan de stichter van het boek, aan een reeks regels, wetten, bevelen, leringen.

Maar in feite is het christendom geen religie. Het komt niet voort uit een stichter van een boek. Het is ook geen eenvoudige filosofie uitgewerkt door een groot meester. Het is vóór alles een gebeurtenis, vooreerst dat van de Incarnatie, van het binnendringen van God schepper in de schepping, in de geschiedenis, alsook van zijn heilswerk die gerealiseerd is in de dood en verrijzenis van Christus. Sint Paulus zegt ons : “Indien Christus niet is verrezen, dan is onze prediking ijdel, en uw geloof ook” (1 Kor.15,14). Het christendom is dus een boodschap van hoop en een bron van vreugde voor de mensheid : dit van de verlossing uit de boeien van de dood en de zonde . Het is daarom dat de heilige Serafim van Sarov, telkens hij iemand ontmoette, hem groette zeggende : “Mijn vreugde, Christus is verrezen !”.

Alhoewel geïncarneerd in de wereld, introduceert het christianisme ons in het eeuwige leven. “Welnu, het eeuwig leven, – vertelt ons het evangelie volgens Johannes, is dat ze u erkennen, u de enige ware God en hem die gij gezonden hebt, Jezus Christus” (Joh.17,3). Het christendom geeft ons de mogelijkheid tot een nieuw leven. In het christendom is niets onmogelijk. De geïncarneerde God is geen boosaardige God, veeleisend, maar integendeel, Hij die de mensheid komt genezen, ze vernieuwen,  de zonden vergeven en ze redden. Het heil, in christelijk perspectief, zoals het wordt naar voor gebracht bij de oosterse Vaders, is een proces van genezing en verzoening.

Eén van de sterke punten van de christelijke traditie, bijzonder dierbaar aan de oosterse traditie, is het idee van déificatie en divinisatie. Het is gebaseerd op de woorden van de apostel Petrus die ons oproept om “deelgenoten van de goddelijke natuur” te worden (2 Petrus 1,4). Deze uitnodiging werd op de volgende manier geïnterpreteerd door Ireneüs van Lyon : ” Het Woord van God is mens geworden, en de Zoon van God, de Zoon des mensen opdat de mens, door zich te vermengen met het Woord en aldus  het aangeworven verwantschap op zich te nemen, Zoon van God te worden” . De heilige Athanasios van Alexandrië wordt op zijn beurt de woordvoerder van deze theologie van de divinisatie door aldus zijn verhandeling over de Incarnatie samen te vatten : ” (God) is mens geworden opdat wij god zouden worden” (Athanasius van Alexandrië, de L’Incarnation du verve, 312).

Het patristisch thema over de déificatie of de divinisatie (qevwsi”)  is op een bijzondere wijze tot een erepunt van gemaakt vanaf de VIe eeuw in het Corpus Dionysion. Immers ,voor  de auteur die zich identificeert als Dionysios de Areopagiet, is het heil (swthriva) “slechts mogelijk  door de déificatie van hen die gered zijn (qeoumenwn). En de divinisatie (qevwsi”) is gelijken op God en ons verenigen met Hem voor zover wij het kunnen”. Nadenkend over de kerkelijke hierarchie als wijze van overdracht van de goddelijke energieën, is Dionisios van mening dat de déificatie zich realiseert door de sacramenten van de Kerk Hiervan geeft hij een commentaar in zijn verhandeling : ” Het is door de tastbare symbolen (aijsqhtw’n sumbovlwn) dat wij ons zo  veel als wij kunnen verheffen tot aan de goddelijke contemplaties” .

Het is op hetzelfde plan van de déificatie of de divinisatie (qevwsi”) dat de hesychasten, vanuit deze dionissische traditie, in de XIVe eeuw het heil van de mens zullen plaatsen. De heilige Gregorios Palamas zegt ongeveer hetzelfde als de heilige Athanasios wanneer hij zegt : ” Door mens te worden en de dood op zich te nemen, vormt Christus de mensen om tot zonen van God, door hen te doen communiceren aan de goddelijke onsterfelijkheid (koinwnou;”poihvsa” th’ “qeina”ajqanasiva”)”. Aldus doet zich het heil voor in het dynamisch perspectief van de vereniging van de mens met God, een vereniging die slechts mogelijk is vanaf het moment dat God geïncarneerd is.

De hesychastische  byzantijnse monniken van de 14e eeuw leggen de nadruk op het feit dat het gebed en de sacramenten van de Kerk de twee middelen zijn waarvover de mens beschikt om zijn vereniging met God te realiseren. “Welnu, men verenigt zich met Hem”, zegt ons de heilige Gregorios Palamas, “zoveel als mogelijk is, door met hem gelijke deugden te delen, en door de vraag en de vereniging in het gebed met God te delen”. In verband met de sacramenten schrijft de heilige Gregorios Palamas : ” Hij verleent een volmaakte  verlossing, niet alleen aan de natuur die hij ons verleent in een onvergankelijke vereniging, maar aan iedereen die gelooft in Hem.. Met dit doel stelde hij het goddelijk doopsel in, hij bepaalt de wetten die leiden tot het heil, hij predikt aan allen de vergeving en communiceert zijn eigen lichaam en zijn eigen bloed. Het is niet eenvoudigweg de natuur, maar de hypostase van elke gelovige die het doopsel ontvangt, die leeft volgens de  goddelijke geboden en Hij communiceert ons met het vergoddelijkend brood  en de kelk”. Hieruit blijkt dat, om de liturgische theologie van de hesychasten te karakteriseren, het passend is dat men zich richt op het gebed en de sacramenten, zonder de vasten te vergeten die vanaf de antieke monastieke traditie een bepaald ritme geeft aan de ontmoeting van de mens met God.

Cabasilas zal van zijn kant zal het heil van de mens plaatsen op het plan van de deificatie of de divinisatie (qevwsi”). Sprekend over de christelijke initiatie, schrijft hij : ” Kan er een groter teken van goedheid en filantropie bestaan dan deze door dewelke wij, badend in het water, hij de zonden bevrijdt van de smet, door de zalving met myron, regeert hij vanuit het koningschap dat in de hemelen is en ontvangt aan zijn tafel, door zijn lichaam en zijn bloed te offeren ? Mensen worden goden en zonen van God, onze natuur ontvangt de eer die wij aan God verschuldigd zijn, en het stof is opgewaaid tot een zo hoge glorie dat zij zelfs de eer en de goddelijkheid verkrijgt van de goddelijke natuur zelf”.

Daaruit volgt dat het sterke punt van het christendom niet zodanig een doctrineel systeem is, een morele code, een filosofie van het leven, maar een ervaring v
an persoonlijke ontmoeting met God die elke mens kan doen doorheen de liturgie. In een middeleeuwse Slavische tekst, de Kroniek van het verleden, vertelt men ons dat het beslissende moment van de bekering van het Russische volk de ervaring was die de legaten van prins Vladimir van Kiev hadden tijdens de liturgie in de Haya Sophia te Constantinopel : ” wij wisten niet meer of we in de hemel waren of op aarde, want er is beslist niets op aarde boven deze schittering de schoonheid . Wij kunnen het niet beschrijven. Het enige wat wij weten, is, dat God midden de mensen woont, en dat hun liturgieën alle andere cultussen overtreft. Wij kunnen deze schoonheid niet vergeten”.

Maar zo een ervaring is niet gereserveerd voor de Middeleeuwen, maar blijft, ook vandaag nog, actueel. Vele van onze tijdgenoten kunnen ervan getuigen, zoals bijvoorbeeld de metropoliet Kallistos Ware het deed in verband met zijn ontdekking van de orthodoxe Kerk, toen hij nog een jong student was :

Ik ging de kerk van de heilige Pilippus binnen – zo was de naam van de kerk (russisch orthodoxe kerk te Londen), het eerste wat met trof, was dat ze leeg was. Buiten op straat scheen de zon, maar binnenin was het fris, hol klinkend en somber.  Al naar gelang mijn ogen gewend raakten aan het halfdonker was een zekere afwezigheid het eerste wat mijn  aandacht trok. Er waren geen banken, noch stoelen die netjes op een rij stonden; het geboende parket strekte zich voor mij uit als een grote lege ruimte. Plotseling realiseerde ik mij dat de kerk niet geheel leeg was. Er waren enkele gelovigen, het merendeel ouderen die verspreid waren over het schip en de dwarsbeuk. Op de muur brandden lampen voor de iconen, alsook kaarsen voor de iconostase naar het oosten gericht. Een onzichtbaar koor zong in de zijkant. Op een zeker ogenblik kwam een diaken uit het heiligdom en kwam de gehele kerk, de iconen  en de gelovigen bewieroken. Ik merkte dat zijn kledij van brokant oud en versleten was. Mijn indruk van een afwezigheid werd plotseling omgevormd in een gevoel van aanwezigheid. Ik voelde dat de kerk, verre van leeg, vervuld was met een menigte van onzichtbare gelovigen die mij van alle kanten omringden. Intuitief realiseerde ik mij dat wij, de zichtbare gemeenschap, deel uitmaakten van een veel grotere gemeenschap, en dat wij naargelang wij baden, wij weggevoerd werden in een daad die veel groter was dan de onze, in de onzichtbare celebratie die alles omvat, die tijd en eeuwigheid verenigt, de dingen van hierbeneden met de dingen van hierboven”.

Metropoliet Kallistos spreekt ons ook over een Godservaring doorheen de liturgie. In het Christendom is de leer in feite onscheidbaar van de verheerlijking van God. Voor vader Georges Florofsky, “het christendom is een liturgische religie. De Kerk voor alles een biddende gemeenschap. De liturgie komt eerst, de discipline daarna”. Het is doorheen de liturgie dat de waarachtige verheerlijking een uit uitdrukking wordt van het waarachtige geloof, dat de “lex orandi” (de regel van het gebed) “lex credendi”” (regel van het geloof) wordt. Vader Cyprianus Kern houdt eraan te herinneren dat de religieuze en theologische opvoeding in het oude Byzantium of het oude Rusland vóór alles overgedragen wordt door de liturgie : ” Er bestonden geen seminaries, academieën of faculteiten van Theologie, maar de God en mensdragende monniken en de godvruchtige christenen dronken het levend water van de kennis van God uit de stichieren, de canons, de catechesen, de inleidingen en de syndaxaria. Het koor en het ambon van de kerk vervingen dus de professorenstoel”. Van zijn kant, schrijft metropoliet Kallistos in zijn bekend boek, L’Orthodoxie – L’Eglise des sept conciles : ” Sommige leerstellingen, die niet officieel werden gedefinieerd, zijn door de Kerk ondersteund met een innerlijke overtuiging die zo evident is en zo een serene eenstemmigheid heeft dat dit gelijkstaat met een expliciet geformuleerde formule (…) Deze innerlijke Traditie ‘op mysterieuze wijze overgedragen” is bewaard gebleven in de Kerkelijke celebraties. Lex orandi lex credendi : ons geloof drukt zich vooral uit in ons gebed”. Het is dus doorheen de liturgie dat de mens God kan ontmoeten, kennis ervan kan nemen en hem kennen, niet enkel op een eenvoudige intellectuele wijze, maar op een diepere wijze, meer intiem, existentieel.

Indien het christendom een liturgische religie is, dan is het vooral omdat het chistelijk leven Christo-centrisch is, en dat Christus zich aan ons geeft doorheen de Kerk, doorheen de liturgie, doorheen de sacramenten. Op een bepaald dag vroeg ik aan een higoumen van een groot monasterie die een missionaire en pastorale roeping had over zijn manier van reageren. Hij zei me dat zijn gouden regel was, om Christus aan de wereld kenbaar te maken, om alles samen te brengen in Christus. Hij herinnerde mij eraan dat dikwijls, ongelukkiglijk, de gelovigen van de orthodoxe landen zo veel aandacht schenken aan miraculeuze iconen, aan  relieken van heiligen, aan mirakels enz…, en die zo het christendom  omvormen tot een magische religie. Al deze dingen zei hij, zijn niet slecht op zich onder voorwaarde dat de geest en de reden van bestaan van al deze dingen is : de incarnatie en de verrijzenis van Christus en het nieuwe leven die hij ons in hem schenkt. Het christelijk leven is een leven in Christus. Nicolas Cabasilas heeft zijn werk over het spirituele en sacramentele leven de titel gegeven “Het leven in Christus”. Ook de heilige Johannes  van Krohnstadt (1829-1908) zal ongeveer dezelfde titel gebruiken ” Mijn leven in Christus” voor zijn persoonlijk dagboek. De verrezen Christus doen kennen aan de wereld die niet gelooft is zonder twijfel de meest fundamentele zending van de Kerk.

De zwakheden van de Kerk in haar missie

Deze opdracht lijkt duidelijk voor ons, men moet bekennen dat de Kerk van vandaag goed de moeilijke positie van haar missie kent. Wij moeten bewust zijn van onze zwakheid in onze missie indien we er iets willen aan doen. Als voorbeeld blijven we even stilstaan bij vier zwakke punten die ons typisch lijken.

Het eerste zwak punt is, dat de Kerk al te dikwijls een gewoon instituut geworden is dat functioneert volgens de regels en de criteria van de mensen, daarbij vergetend dat zij boven alles het lichaam van Christus is en vol van de Heilige Geest. Al te dikwijls leven wij volgens twee modellen : het ene voor de uiterlijke wereld en de andere voor ons persoonlijk leven, het  ene voor ons leven van de Kerk en het andere voor ons leven van elke dag. Dikwijls gelijken wij op de missionaris die zei : “Doe wat ik je zeg en niet wat ik doe”. Welnu, met zo een hypocrisie  kan onze zending niet productief zijn. Hoe kan men in de wereld het vuur aansteken van het Woord van God, indien dit vuur in ons hart is uitgedoofd ? Indien wij de wereld willen raken , dan moeten wij dat doen met de vurigheid van ons hart, door onze gepassioneerde liefde voor Christus en door de uitstraling van de Heilige Geest in ons hart.

Ten tweede, dikwijls komt het christendom  naar voor, en dit vooral in het westen, als een morele code .Het is dit zwaarwegend moralisme, al te dikwijls hypocriet, dat de westerse wereld heeft verworpen, en vooral in de landen waar het geworden is tot een “verbod om te te gebieden”. Maar dit is niet vreemd aan de christen van het Oosten. Men spreekt nu meer en meer in de landen met een orthodoxe traditie van de sociale leer van de Kerk en men slooft zich uit om dikwijls de christelijke waarden van Europa te verdedigen. Dit alles heeft natuurlijk zijn plaats, haar reden van bestaan, voornamelijk in het politieke domein, maar indien dit alles niet wordt b
eleefd en geïncarneerd is in onze bestaanswijze, in ons leven, dan blijft alles dode letter.

Al te dikwijls hechten we meer belang aan regels, aan het canonisch recht, dan aan het Evangelie en de Geest. Er is een anekdote die ons vertelt dat een priester biechtvader slechts twee boeken in zijn leven gebruikt : het Pidalion (verzameling van canons) en het Evangelie. Maar het blijkt dat het Pidalion het meest gebruikte boek is. Welnu, dit is geen fictieve geschiedenis. Een vriend vertelde mij op een dag dat hij biechtvader was. Na de biecht, vroeg hij aan de priester of hij kon communiceren. De priester antwoordde hem van niet, want hij had gedurende meerdere dagen niet gevast, hij had niet voldoende gebeden en canons opgezegd, en hij dus onwaardig was om te communiceren omwille van zijn zonden. Mijn vriend zei hem : ” Maar mijn Vader, zegt Christus ons niet : Diegene die mijn vlees eet en mijn bloed  drinkt heeft het eeuwige leven…

Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in Mij en ik in Hem” (Joh.6,54.56) ?  Daarop antwoordde de priester : “Maar wat komt Christus hier doen bij dit alles ?”.

Wat komt Christus hier doen bij dit alles ? Het is een vraag die wij ons dikwijls kunnen stellen in onze houding ten overstaan van  de Kerk en voornamelijk in onze benadering van de zending. Té dikwijls wordt het christendom samengevat als een oppervlakkig leven volgens  regels. En té dikwijls is het dit beeld dat wij geven aan de wereld die niet gelooft en die in het geheel niet wil leven volgens regels.

Een groot spiritueel uit de 20e eeuw, Geronda Porphyrios de Cavsokalivite die een groot deel van zijn leven aalmoezenier was van de polykliniek  van Athene hield eraan te onderlijnen dat een Christen niet moet leven uit verplichting, maar uit liefde. Hij verduidelijkt dit in een verhaal dat hij vertelde aan één van zijn leerlingen, de monnik Agapios :

“Een jong meisje kwam naar hier om te biechten. Zij zat in het eerste jaar van het lyceum. Op een bepaald moment zei ze mij :

-Vader, ik hou van een jongen en ik kan hem maar niet vergeten. Mijn geest is steeds bij hem. Je zou zeggen dat hij altijd daar is (zij toont de top van haar vinger). Als ik wil studeren : Niko is daar, ik eet, slaap, ik doe wat dan ook, Niko is daar. Wat moet ik doen Vader ?

-Mijn kind, zeg ik haar, jij bent nog jong. Heb een beetje geduld, tot wanneer je uw studies hebt beëindigd, en daarna zal Niko bij jou zijn. Span je nu  in om je studies te volgen.

Een week later is zij teruggekomen en zei mij -Mijn Vader, ik slaag er maar niet in mij te concentreren gedurende de lessen. Gans de dag, zonder ophouden,  is mijn geest en mijn hart bij Niko. Mijn Niko is aan mij geplakt en ik kan er mij niet van losmaken (…)

En nu ben je bezig te zeggen : Wat heeft dit alles met mij te maken ? Nochtans, antwoord mij, ik smeek het u. Heeft het kleine meisje zichzelf pijn gedaan om haar geest Niko in de herinnering te houden ? geheel niet. Dit alles overkwam haar op natuurlijke wijze, zonder dwang, uit liefde.  Het is ook dit wat ons overkomt als we van Christus houden met een gepassioneerde, goddelijke  liefde Dus, zonder de noodzaak om onszelf pijn te doen, ons te forceren of er de neiging toe te hebben, roepen wij met liefde Zijn heilige Naam…”.

Zo moeten wij niet leven volgens de regels, wij moeten ons niet gedragen als formalisten, niet handelen vanuit een geest van legalisme, maar wij moeten aangegrepen worden door de liefde van Christus die de waarachtige bron is van onze vreugde welke op haar beurt de wereld die niet gelooft zal doen ontbranden. Daarom moet de verplichting plaats maken voor de vreugde zoals de Geronda Porphyrios ons ergens anders uitlegt :

“Wat ge ook doet door u te forceren, het brengt een innerlijke tegenstand in uw ziel teweeg, het is schadelijk voor u. Ik heb dit meermalen gezegd. Ik heb verschillende  monniken en personen op leeftijd gezien die zich van de Kerk van God afscheidden omdat zij de innerlijke spanning of de spanning veroorzaakt door andere personen niet meer konden verdragen. Omwille van deze druk, stelt de mens zich niet alleen op tégen de Kerk, maar wil er ook niets meer van horen. Dit alles oefent op hen geen goede indruk uit, draagt geen enkele vrucht (…). Indien je je forceert met bidden dan zal je op een bepaald moment vermoeid worden van de druk die je op jezelf uitoefent, je zal het gebed laten vallen, en dan ? Indien je het doet uit verplichting, dan forceert je jezelf, en dan gaat alles terzijde. Een dergelijke druk kan er zelfs toe leiden dat je niet meer naar de kerk gaat. Ga op een andere manier naar de kerk : niet uit verplichting of uit druk, maar uit vreugde. Opdat dit zo zou zijn, moet men opmerkzaam zijn, opmerkzaam voor de diensten en zich verheugen, zich verheugen over de troparia, de lezingen, de gebeden. Wees waakzaam voor elk woord,  voor de zintuigen. Kan je dit begrijpen ? Het is hier dat de vreugde begint”.

Te dikwijls willen wij in onze zending regels opleggen, regels over de manier van zijn, zonder de liefde van Christus te beleven en te cultiveren. Zoals ons de Geronda Porphyrios aantoont, kan dergelijke houding in onze zending alleen maar tegenstand en het verwerpen van de wereld die niet gelooft opwekken.Maar er is ook nog een derde punt in onze moeilijke positie. Het gaat vooreerst om onze taal en ons spreken. Het is belangrijk dat we de twee onderscheiden. Het lijkt  ons evident  dat wij niet aan zending kunnen doen  in een taal die voor onze toehoorders niet begrijpelijk is- de geschiedenis van de zending onder de slaven door Cyrillios en Methodios die een alfabet ontwikkelden en de liturgische  en heilige teksten vertaalden in een inheemse taal is er om ons eraan te herinneren -, het gebruik van een taal die gesproken wordt volstaat niet om begrepen te worden. Welnu, dikwijls spreken wij in onze zending een taal die slechts door ons alleen begrepen wordt. Om dit te illustreren, zal ik hiervan slechts één voorbeeld geven. Op een bepaalde dag, vroeg een kleine jongen aan zijn vader : “Papa, waarom zijn de tomaten rood?” De vader, een bioloog van beroep, antwoordt : “Omdat ze in hun vlees rode pigmenten bevatten zoals de beta-caroteen, licopeen, of vitamine b12” Het kind keek zijn vader met grote ogen aan en zei : “tot wie spreek je Vader ?”.Papa, tot wie, spreek je? Het is een vraag die de wereld die niet gelooft ons zelfs niet durft stellen…. De christelijke boodschap is zeker de erfgenaam van een ganse cultuur en is doorgegeven doorheen een bepaalde cultuur. Zij gebruikt veel symbolen. Welnu, ongelukkiglijk, de antieke filosofische cultuur en de erfenis van het judeo-christianisme ontsnapt aan vele van onze tijdgenoten. Vader Cyrianus Kern maakte reeds de vorige eeuw duidelijk dat de liturgische byzantijnse diensten, met al haar rijkdom en haar hymnografie,  dikwijls onbegrijpelijk lijken te zijn voor de moderne mens. Dit onbegrip is dikwijls gebonden aan het gebruik van een oud liturgische taal, zoals het slavisch of het oude grieks, tegenwoordig onbekend voor de meerderheid van de gelovigen. Maar de moeilijkheid komt ook dikwijls voort uit een gebrek aan cultuur, of veeleer, uit het feit dat wij leven in een andere cultuur : “gewoon aan het realisme van de ‘peredvizhnechestvo’ en de schoolsheid, wij begrijpen de waarachtige schoonheid niet meer van de niet aardse figuren van onze ico
nen en van de goddelijke openbaringen die uit een andere wereld komen. Opgevoed in de hedendaagse poëzie van de decadentie, begrijpen we de kerkelijke poëzie niet meer, noch de diepte van haar betekenis. Wij kennen zelfs de vitale, reële betekenis van onze goddelijke officies niet meer. Wij verstaan de interne inhoud ,die zeer rijk is, van onze liturgische theologie niet meer. De dienst heeft opgehouden om voor ons een bron van kennis van God te zijn. Teruggekeerd naar de kerk begrijpen wij niet meer wat gezongen wordt. Het moet dus uitgelegd worden, van een commentaar voorzien.

Tenslotte, een vierde moeilijke situatie kan verbonden zijn aan onze aarzeling om de uitdaging te trotseren van de moderniteit. Zeer dikwijls, associëren wij

het christendom, de christelijke boodschap of simpelweg de Kerk met een persoonlijke vorm uit het verleden. Men kan zich bijvoorbeeld inbeelden, dat de orthodoxe Kerk slechts goed kan functionneren dan in een monarchistisch regime, dat slechts een bio of vegetarisch regime aan de christenen toekomt, of nog, aangezien de cybernetische revolutie een plaag is voor de mensheid, leven wij in de laatste tijden sedert de opkomst van de computers en de draagbare telefoons op de Athos berg ! En dit heeft zijn weerslag op onze wijze van communiceren met de wereld die niet gelooft. Als we een schifting maken van de publicaties die onze kerken verspreiden met het doel om te missioneren , dan zal men merken dat zij dikwijls heruitgaven zijn van oude publicaties – zelfs uit de 19e eeuw –  of dat zij levenswijzen weerspiegelen die niet meer spreken tot de hedendaagse wereld. Bijvoorbeeld,  verschillende russisch orthodoxe tijdschriften brengen beelden van vrouwen  bedekt met een hoofddoek, wat aan de wereld van de ongelovigen doet geloven dat het christelijk leven kan samengevat worden tot een achteruitgaande mode of simpelweg gezegd, zich reduceert tot een folklore. Zelfs de grootste werken van de Kerkvaders, die hun frisheid en actualiteit bewaren, zijn niet onmiddellijk toegankelijk voor de wereld die niet gelooft omdat zij erom vragen omgezet te worden in een andere context.

De mogelijke middelen voor de missionering

Na kennis genomen te hebben van onze fouten, trachten wij nu na te denken over de middelen die ter onzer beschikking staan in onze zending.

Het eerste middel en het meest doeltreffende is zonder twijfel het getuigenis door ons voorbeeld. Als men de hypocrisie zoals in vele gevallen het geval is willen verhelpen, dan moeten wij in datgene wat wij prediken, zelf het goede voorbeeld geven. Om de waarheid te zeggen, het persoonlijk getuigenis is het meest doeltreffend middel om Christus te verkondigen. Dikwijls is het beter om het goede voorbeeld te geven dan iets aan te tonen met een briljante uiteenzetting. In dit verband kan men in de Apoftegmen van de woestijnvaders het volgende lezen : ” Drie Vaders hadden de gewoonte om elk jaar bij de gelukzalige Antoine te gaan. De twee eersten ondervroegen hem over de gedachten en over het heil van de ziel; de derde hield er een volledige stilte op na, zonder ook maar iets te vragen. Na enkele jaren, zei Abba Antoine hem : het is nu reeds zolang dat je hier komt en je stelt me geen enkele vraag ? Hij antwoordde hem : het volstaat me om jou te zien, Vader !”. Als een beeld zoveel waard is hoeveel te meer dan een beleefd voorbeeld !

Een tweede voorbeeld gaat samen met de ervaring, met een persoonlijke ontmoeting die verbonden is aan de heiligheid, aan de spirituele vreugde wanneer iemand de ervaring van de Heilige Geest meedeelt dan is dit in zekere zin de voortzetting van het persoonlijke voorbeeld. Eén van mijn vrienden die bekeerd is tot het christendom op oudere leeftijd heeft mij verteld wat voor hem bepalend was in zijn bekering. Het was niet zozeer het evangelie die hij gelezen had of de boeken die hij had geraadpleegd, maar de ervaring die hij gehad had met zijn spirituele vader. Wanneer hij student was in een militaire school,ontmoette hij een jonge priester die regelmatig de studenten kwam bezoeken. Hij preekte weinig, gaf hen geen les in moraal, deed ook geen lange uiteenzettingen, trouwens,  hij had geen bijzonder talent om overtuigend te preken. Maar hij organiseerde uitstappen, bezoeken, bedevaarten naar de kerken, naar de monasteria, naar de heilige plaatsen. En het is doorheen deze bezoeken dat mijn vriend de ervaring opdeed van heiligheid en de tegenwoordigheid van de Heilige Geest die hem naar Christus leidde en die hem aanzette om het evangelie te lezen en zich te interesseren in het leven van de heiligen en de geschriften van de Kerkvaders. Het is dat wat Sint Paulus overkwam, de ervaring van Christus op weg naar Damascus. Mijn vriend vroeg het doopsel na de heiligheid ervaren te hebben. Immers, zonder een metaphysische ervaring is het moeilijk om de transcendentie van God te begrijpen. Zonder de ervaring van de goddelijke openbaring, kan geen enkele mens op eigen kracht God kennen.  Naar aanleiding hiervan, herinneren wij ons de episode uit het leven van de heilige Séraphim van Sarov, wanneer hij aan zijn leerling Motovilov uitlegde dat het doel van het christelijk leven, de verwerving van de Heilige Geest is, terwijl zijn gezicht straalde van het goddelijke licht …. De ervaring van de heiligheid en de ervaring van de Heilige Geest kunnen de ongelovige tot het geloof brengen, beter dan met mooie uiteenzettingen.

Dit alles leidt er ons toe een derde middel in beschouwing te nemen. Het gaat over het monastieke leven als paradigma van het evangelisch leven. De oorsprong van het monastieke leven is het diep verlangen om de voorschriften van het evangelie in het dagelijks leven te beleven. Vader Georges Florofsky hield eraan om het monachisme te definiëren als een “hoogste vorm van evangelisch leven”, terwijl Vader Placide Deseille graag spreekt van een “evangelie in de woestijn” om het leven van de eerste monastieke Vaders te illustreren. De monasteria met  hun roeping van onthaal, zijn dikwijls doorheen de tijd, en dit vooral in het christelijke Oosten, waarachtige huizen van het volk geworden. ” Ga niet naar een psycholoog, ga naar een monasterie” zou men iemand kunnen horen zeggen tegen een depressieve vriend. En dit is niet nieuw. Alle Russische intellectuelen verbleven in monasteria. Dit was vooral het geval met Optina Pustyn, die niet alleen het Rusland van de 19e eeuw voorzag van grote staretsen, maar die tegelijk, door hen, grote denkers van de slavofiele beweging beïnvloedde, zoals o.a. I. Kireievski, en het was ook de bron van inspiratie voor de roman van F.Dostojevski, ‘De gebroeders Karamazov’. In dit verband zei Kireievski : ” Er is iets dat veel belangrijker is dan alle boeken en ideeën die mogelijk zijn : het voorbeeld van de starets, aan wie je al je gedachten kan zeggen, van wie je geen persoonlijke mening kunt aanhoren, maar de stem van de heilige Vaders”.

Het is daarom dat het monastieke leven, doorheen het voorbeeld van de incarnatie in het dagelijks leven van de evangelische leefregel, een beslissend getuigenis kan zijn voor de wereld die niet gelooft. Wij zullen hier slechts één recent voorbeeld geven, dit van het monasterie van de “Protection de la Mère de Dieu” van Solan in Frankrijk. Buiten het werk, de liturgische diensten en het onthaal die karakteristiek zijn voor elk monasterie, hebben de zusters van dit monasterie gekozen voor een activiteit in de landbouw. Geïnspireerd door de oproep van de oecumenische patriarchen Dimitrios en Bartholomeüs voor het behoud van de schepping, hebben zij een exploitatiemethode ontwikkeld met de hulp van s
pecialisten voor methodes die het leefmilieu respecteren. Hun project van bio-landbouw zal de aandacht trekken van velen in de regio, in de meerderheid ongelovigen. Zo is een vereniging ontstaan, de ‘Amis de Solan’. Het essentiële doel bestaat erin de zusters te helpen in het beheer en de exploitatie van hun landbouw domein en in de sensibilisatie voor het behoud van de natuurlijke omgeving. Zij zijn gevoelig voor de ethische en spirituele aspecten van de ecologische crisis. Echter, telkens wanneer meerdere personen, niet-gelovigen,het monasterie bezoeken, dan zijn het niet meer alleen de ecologische kwesties die hen in beslag nemen, maar ook de spirituele, de vragen over het geloof. En zo wordt een monastiek ecologisch project een vorm van getuigenis van het christelijk geloof in een wereld die niet gelooft en die de ongelovigen bekeert tot het christelijk geloof.

Een vierde en laatste middel waarover men beschikt, maar onze lijst is eigenlijk onuitputtelijk, is het internet. Dit middel is een uitstekend middel om jongeren te bereiken. Op een bepaalde dag zei een orthodox bisschop mij : “Indien je de jongeren wilt raken in uw zending, dan moet je naar daar gaan waar jongeren te vinden zijn. En waar leven de jongeren van vandaag ?  Zij leven in een virtuele wereld. Zij brengen hun dagen door met op het internet te surfen !”. De woorden van deze bisschop zijn waar. Op een bepaalde dag bracht ik een bezoek aan aan monasterium dat moeilijk te bereiken was, totaal verloren in de bergen. Ik vroeg aan de higioumen wie die de jongste monnik was en die ik niet kende ?. Hij zei me dat het een jongere was uit de hoofdstad die naar het monasterium gekomen was toen hij nog geen christen was, die het doopsel had gevraagd en die vervolgens was binnengetreden in het monasterium. “Maar hoe is hij ertoe gekomen om u hier te vinden?” vroeg ik aan de higoumen. “Het is eenvoudig” antwoordde de higoumen. “Hij heeft ons gevonden op het internet'”. Indien de technische vooruitgang indrukwekkend is, hoeveel te meer nog Gods voorzienigheid, voor zover wij het weten ten dienste te stellen van Hem!

De zwakheden van de wereld van vandaag

Bewust van deze middelen waarover wij beschikken, dan nog moeten wij de dorst van de wereld van vandaag kennen en zich realiseren wat zij van ons verlangt als Kerk. Het lijkt ons dat de wereld lijdt aan vier voornamelijke kwalenDe eerste kwaal is het materialisme. De wereld van vandaag, zoals je weet is zeer gehecht aan materiële waarden : rijkdom, sociale slaagkansen, lichamelijk welzijn. Niettemin ervaren onze tijdgenoten al vlug, wanneer zij getroffen worden door ziekte of geconfronteerd worden met de dood van een naaste, dat dit alles maar voorbijgaand is, dat “alles maar ijdel” is. Ondanks het materialisme dat onze wereld kenmerkt is er toch een zoektocht naar spirituele waarden, zoals men kan merken uit de opkomst van “new age”, bouddhisme, zelfs de Islam. Het feit, dat een president van een lekestaat die openlijk zegt dat hij atheïst is, zoals François Mitterand, maar toch regelmatig naar de Sinaï trok, toont dit goed aan. Men moet zich bewust zijn van deze spirituele dorst en er een gepast antwoord op trachten te vinden.

De tweede kwaal is het relativisme. In onze wereld wordt alles in vraag gesteld, en vooral datgene wat als een evidentie wordt geaffirmeerd. Maar het relativisme heet experiment. Vanaf het moment dat men iets anders heeft kunnen ervaren dan wat gesteld werd kunnen wij een nieuwe theorie ontwikkelen. Vanaf dan, zelfs al is het gemeenplaats te bevestigen dat God niet bestaat. Indien iemand een Gods ervaring heeft gehad, dan kan hij het tegenovergestelde beweren, zoals Frossard : “God bestaat, ik heb Hem ontmoet !”.

De derde plaag van onze maatschappij is het individualisme. De urbanisatie en de globalisatie die de ontwikkeling van het individualisme begunstigen  stellen dikwijls de definitie in vraag van de mens als “een zijn in communio”, om de uitdrukking van metropoliet Jean van Pergame te hernemen. De technologische vooruitgang maakt, dat geleidelijkaan de machines en de automatische verdelers  het werk van de mens gaan overnemen. De revolutie van het internet heeft er voor gezorgd dat de communicatie zich voltrekt door bemiddeling van een computer. Dit alles draagt er toe bij om de menselijke relaties te des-humaniseren ofwel zijn de rechtstreekse ontmoetingen vervangen door ontmoetingen van individu tot machine. Dit heeft tot gevolg dat de wereld van vandaag lijdt aan eenzaamheid. De Kerk kan helpen hieraan iets te doen indien zij de kunst bezit om de vriendschap als alternatief aan te bieden. Op een bepaalde dag vroeg ik aan een missionaris die onder de jongeren werkt hoe hij handelde. Hij heeft mij iets zeer eenvoudigs gezegd : vóór alles, zelfs vooraleer zelfs te spreken over wat dan ook, zoek ik op de eerste plaats hun vriend te zijn. Vrienschap kan veel. Indien wij onze broederlijke liefde weten over te zetten op iemand die eenzaam is, dan zal hij zich voor ons openstellen en veel gemakkelijker onze boodschap aanvaarden.

Ten slotte kunnen wij als vierde malaise, het hedonisme naar voor brengen. De secularisatie die vandaag de dag de wereld overspoelt en een visie op de wereld voorhoudt zonder relatie met God, stelt grote problemen, want vertrekkende vanuit het principe dat de mens door God geschapen is naar Zijn beeld, is God ontkennen, eenvoudigweg de mens ontkennen. Wij constateren in onze maatschappij de groei van angst en vrees, isolement en eenzaamheid, individualisme en het afgesneden zijn van een maatschappij die de technische ontwikkeling in onze cybernetisch tijdperk met zich meebrengt. Deze verschijnselen kunnen de oorzaak vormen van conflicten, kunnen de haat aanmoedigen, depressies veroorzaken die dikwijls naar zelfmoord leiden en alle soorten van afhankelijkheden teweegbrengen, zij het alcoholisme, toxicomanie, seksuele ontsporingen of andere. De Kerk kan dit helpen verhelpen indien  zij een verspreider van de waarachtige vreugde weet te worden, de vreugde van Christus.

Het is dit wat de Geronda Porphyrios de Cavsokalivite ons uitlegt : “De vreugde is in Christus. Christus omvormt het lijden in vreugde. Dit is onze kerk, onze vreugde, dit is alles voor ons. En het is dit waarnaar de mens van vandaag op zoek is. Het is daarom dat hij vergift en drugs neemt opdat hij in die wereld van vreugde zou kunnen delen, maar het is een valse vreugde. Hij wordt ‘iets’ gewaar op dat moment, maar de volgende morgen is hij gebroken. Dit drukt hem voortdurend op het hart, het knaagt, het bedroeft hem, het verteert hem. De mens echter die zich volledig aan Christus geeft is geheel vernieuwd, vervuld van vreugde, ervaart de kracht en de grootheid en verheugt zich in het leven”.

Hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft ?

Het moment is aangebroken om te besluiten. Wij waren in staat om te antwoorden op de vraag : “Hoe getuigen van Christus in een wereld die niet gelooft ?” Zonder twijfel is deze uiteenzetting niet volledig.

Maar één zaak is zeker. Om te getuigen van Christus tegenover wie niet gelooft, moet men hem Christus leren kennen en niets anders. Men moet getuigen door zijn  eigen voorbeeld, door onze wijze van bestaan, door te communiceren, door te leven, zonder hypocrisie en zonder formalisme.  Men moet hem Christus leren kennen die geneest, die vergeeft en die bevrijdt. Voor alles moet men luisteren, aandacht hebben voor de noden van de wereld, en vervolgens moet men weten te spreken in een verstaanbare taal, weten te antw
oorden op de vragen die hem kwellen.

Men moet geen schrik hebben voor de uitdagingen van de moderniteit. De uistralingen die er waren en de voorbeelden van de athonitische sprirituelen van de 20e eeuw, zoals de Gronda Porphyrios of de Geronda Païsios waar gans de wereld naar opkijkt maken duidelijk dat zij de inhoud van de ervaringen van de Kerk hebben weten door te geven in een taal en in categorieën die een antwoord waren op de op de bezorgdheden en de angsten van de moderne mens.

Daarom, moeten wij vooral Christus willen dienen en tempels worden van de Heilige Geest. Indien wij zo de vrede verwerven, dan zouden miljoenen gered worden rondom ons, om de woorden van de Heilige Seraphim van Sarov te herhalen.

Vertaling : Kris Biesbroeck

Over de Heilige Communie

OVER DE HEILIGE COMMUNIE

binnen de orthodoxe Kerk

“Christenen moeten de Heilige gaven ontvangen, hoe dan ook. ‘Als je het vlees van de mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, dan hebt ge het leven niet in U….Want Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij ik in hem’ (Joh.6,53-56). Het niet communiceren is zonde : een zeer zware zonde, omdat hij het bloed van Christus, Zijn Kruis en Zijn Offer misprijst. Hij misprijst Christus zelf” ( Arcim.Basileou Mpakogannh : H Jeia Koinwnia, p.53) Verwijzingen naar dit boekje zullen in ’t vervolg aangeduid worden met : JK

Het doet soms pijn, om de grote verscheidenheid van opvattingen binnen de Kerk over de Heilige Communie waar te nemen. Alles heeft te maken met bepaalde tradities, opvattingen, die soms plaatselijk zijn, maar die in de praktijk soms heel ver af staan van wat de Orthodoxie ons leert. Is het normaal, dat men in de ene kerk niet mag communiceren, dat men er zelfs de gelegenheid  niet toe krijgt, en in de kerk van het volgend dorp het helemaal geen probleem is, integendeel. Wij worden vaak bestookt met argumenten vóór of tégen de frequente communie. Vooral de argumenten tégen zijn dikwijls van een ongeloofwaardig, zelfs onaanvaardbaar gehalte. Wij komen hier op terug. Op zoek gaande in enkele boeken en websites heb ik geprobeerd een aantal vragen in verband met dit onderwerp te beantwoorden, in respect voor ieders overtuiging, doch steeds de waarheid van de Heilige Schrift, de Kerkvaders en Grote heiligen volgend.

Hoe is de praktijk van het Communiceren geevolueerd ?

           In de Handelingen van de apostelen staat : ‘ En allen die tot het geloof gekomen  en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er die hun bezittingen en have verkochten, en ze uitdeelden aan allen die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst van het gehele volk'(Hand.2,44-47). Dit was het gebruik in de allereerste periode van de Kerk. Iedereen deed mee, belangrijk was een zuiver hart, vol eenvoud en blijdschap.

 De eerste Christenen hielden de praktijk van de maaltijd in ere. Er was toen nog geen afzonderlijke ritus, los van de maaltijd.

Justinus (uit Palestina afkomstig en rond 165 gedood in Rome) zegt in zijn eerste apologie : ‘Op de dag die men zondag noemt, komen allen die in steden of op het platteland wonen bijeen.Er wordt uit de  geschriften van de apostelen en profeten gelezen… dan houdt de voorganger een toespraak….Dan wordt brood en wijn gehaald, en de voorganger spreekt met luide stem gebeden en dankzeggingen uit waarmee het volk instemt door met ‘Amen’ te antwoorden.Daarna wordt het geconsacreerde brood uitgedeeld, waarvan IEDER zijn deel krijgt . Door de diakens wordt het naar de afwezigen gebracht’. (Bijbel en Christendom, deel 1 p.62).

Pas veel later werd de Eucharistie een liturgie apart, zonder maaltijd.

Nog later, onder de Turkse overheersing en de synodale periode in de Russische Kerk, is het communiceren zeldzaam geworden. Waarschijnlijk niet uit onachtzaamheid, maar wél door een verlammend respect voor het Heilige.

Nochtans is de communie het noodzakelijk antwoord, het noodzakelijk compliment op het eucharistisch gebed. Het zegengebed en het gezamenlijk nuttigen maken  samen de grondstructuur uit van de Eucharistie (naar A.Verheul : Grondstructuren van de Eucharistie,pp.82-83). Er was ooit een periode, waarop diegenen die niet communiceerden, vóór de consecratie de kerk verlieten. Dat heeft men echter in grote mate kunnen verhinderen, alhoewel het op sommige plaatsen nog gebeurt.

   Een bijkomende reden, waarom de communiepraktijk verminderde, was waarschijnlijk de biecht-boetepraktijk. Men kreeg na de biecht een boete opgelegd, en men mocht pas communiceren, wanneer die boete volbracht werd. Het is nochtans geen gebruik in de Orthodoxe Kerk  een boete op te leggen. Dit gebruik is aan het Westen ontleend. In de Orthodoxie gelooft men dat de biecht alle zonden vergeeft, een boete hoeft niet. God is de barmhartige, en vergeeft de mens als hij oprecht berouw heeft. God schenkt ons Zijn genade, wij moeten ze niet ‘verdienen’. Christus heeft onze zonden op zich genomen.

   Over de situatie vandaag schrijft Mgr.Kallistos : ‘Recent zijn er in Griekenland en de Russische diaspora parochies die teruggekeerd zijn naar de oorspronkelijke primitieve gewoonte van de wekelijkse communie, en het blijkt dat het achter het ijzeren gordijn (het boek is van 1963 ! ) nog frequenter is geworden. Men kan hopen dat deze beweging zich in de komende tijden verder zal ontwikkelen en breder zal worden’ (L’Orthodoxie, p 385).

  Het roept heel wat vragen op, wanneer men in een orthodox land in de ene kerk niet eens de mogelijkheid heeft om te comunnie te gaan (nader in vreze Gods en met liefde…en de priester draait zich onmiddellijk weer om : ongehoord !), en men je in de andere bijna komt halen om deel te nemen aan de communie (heb ik zelf ervaren op de Athosberg : in het klooster Xenofontos ging niemand ter communie (reden : men ging direct na de liturgie eten, en men kan toch niet het lichaam van Christus ontvangen als men direct nadien moet eten !!??) terwijl het in het Russicon en vooral in Simonos Petros geen enkel probleem was, integendeel men nodigde u uit (en zonder voorafgaande biecht !)om te komen communiceren.

Hoe dikwijls te Communie gaan ?

   Hier heerst onenigheid. Sommigen zeggen : dikwijls – twee tot driemaal per week, of zelfs elke dag. Anderen zeggen : slechts 3-4 maal per jaar. (JK, p.53)

De eerste Christenen communiceerden elke zondag. Zij kwamen allen samen in één of ander huis, lazen uit de schriften van het Oude Testament, hielden liturgie en communiceerden.

     Het is pas in de loop van de geschiedenis dat de frequente communie is beginnen af te nemen (zie boven). De Heilige Simeon van Thessaloniki evenals  Metropoliet Filaret van Moscou spreken  van 40 maal per jaar, anderen spreken van 3-4 maal per jaar. Het is vooral in de 4e eeuw dat de communie zeldzaam wordt.Er waren zelfs Bisschoppen die gedurende jaren niet celebreerden, noch communiceerden ! Zij verkozen de jacht en banketten boven de eucharistie en de communie. De Heilige Johannes Chrysostomos constateert dat sommige Christenen maar communiceren op het feest van Theophanie, in de vasten en op Pasen. Men ging dit ‘zelden’ communiceren zelfs gaan aanvaarden.

   Toch zien we doorheen de geschiedenis een oproep tot het veelvuldig communiceren.

Wanneer de Heilige Johannes Chrisostomos en andere Heilige Vaders de gelovigen aanzetten om dikwijls ter communie te gaan, dan willen zij breken met de slechte gewoonte van het zelden communiceren.

Voor de Heilige Communie is het nodig te vasten. Het best communiceert een Christen één of tweemaal per maand (volgens o.a. Filaret van Moscou), en dit, opdat de gelovige zich voldoende en in alle rust kan voorbereiden. In de vasten kan men regelmatiger communiceren. Indien mogelijk elke zondag ( o.a.Heilige Simeon van Thessaloniki). Dat men geen 5 weken is zonder de Heilige Communie (letterlijk :geen 40 dagen zonder de H. Kelk te naderen) (Simeon van Thessaloniki) (vrij uit :JK,p.55)

   Diezelfde Heilige Johannes Chrysostomos heeft ook gezegd : ‘Christus heeft ons de mogelijkheid gegeven om Zijn lichaam te eten, door ons tot een nog grotere vriendschap te verheffen en door ons zijn wens tegenover ons te tonen, want, aan hen die het wensen, toont Hij zich niet alleen, maar Hij laat hen ook toe om Hem aan te raken, Hem te eten en zich in Zijn lichaam te integreren om zich met Hem te verenigen en volop hun ziel te bevredigen’ (H.Joh.Chrysostomos, Homelie 46, over de H.Johannes 2)

  Vandaag ziet men een heropleving van de frequente Communie. Dit vraagt tijd, maar God is ons hierin nabij. Maar voegen we er aan toe :’ Wie zullen wij prijzen ? zegt de H. Johannes Chrysostomos,  hem die geregeld communiceert ? of hem die zelden communiceert ?’ En hij antwoordt: noch de één noch de ander, maar hem die met een zuiver geweten communiceert’ (JK,p56).

Verschil  Communio en Communie van de Heilige gaven.

     Alhoewel beide een nauwe band hebben met elkaar  : men kan niet communiceren zonder dat men in communio leeft met de anderen. Toch is er een onderscheid.

‘Communio’ betekent : leven in de gemeenschap van gelovigen, de Kerk, verzameld rond het altaar, samen met de priester. In éénheid van geloof. In Liefde voor mekaar. Bij de ‘Communie van de H.Gaven’, biedt Christus zich persoonlijk aan ons aan. Wij gaan met een zuiver hart en groot verlangen het lichaam en bloed van Christus ontvangen, tot vergeving der zonden. De Communie van de gaven doet ons groeien naar de communio met elkaar. Christus gaat ons leiden vanuit ons innerlijk, opdat wij vanuit Christus zouden leven. ‘Gaat nu allen heen in vrede’ zegt de priester op het einde van de liturgie. Wij hebben Christus ontvangen en kunnen nu in vrede heengaan.

Moet men biechten voor de Communie ?

     “In sommige kerken was vroeger de biecht vereist om te kunnen communiceren. Men moest bijna zonden uitvinden om te kunnen communiceren. De rituele en automatische binding tussen de twee sacramenten van berouw en Eucharistie ontnam de eerste zijn geloofwaardigheid en de tweede zijn blijmoedige inhoud van deelname aan het Eucharistisch banket. Wanneer, daarentegen, men ophield de biecht als voorafgaande aan de Communie te eisen, hielden de gelovigen, van deze last bevrijd, dikwijls op te biechten, en communiceerden soms zonder de noodzaak aan te voelen hun levensstijl in vraag te stellen. Zo loopt de Communie zelf het gevaar een rituele en mechanische daad te worden, waarin men het vreeswekkend aspect vergeet van de offerende liefde, die ons haar Bloed schenkt en ons haar Leven brengt.

Indien het dus zeker niet noodzakelijk is, ja zelfs niet raadzaam is om iedere keer dat men communiceert te biechten – des te meer dat het normaal is in iedere liturgie te communiceren om de oproep te beantwoorden ‘nadert met vreze Gods, in geloof en in Liefde’, en om nadien te zingen :’Wij hebben het ware licht aanschouwd’ – blijft het niettemin essentieel voor het vervolmaken van ons leven in Christus, systematisch onze levensstijl en ons gedrag terug in vraag te stellen door een regelmatige biechtpraktijk. Het ritme van deze praktijk is in functie van de vrije beoordeling van ons eigen geweten’ (Uit de toespraak van Vader Cyrille Argenti over de VERZOENING op het achtste westeuropees Orthodox Congres te Blankenberge).

          Vooral in de Russische kerk en vele ex-communistische landen houdt men aan dit gebruik van te biechten voor de communie vast, alhoewel in het westen en op de Athos (en waarschijnlijk ook in vele Russische parochies) dit niet meer vereist wordt. Zo hoeft men in de Russische Kerk van Amsterdam en in het Russicon op de Athos enkel de zegen te vragen aan de priester (kwestie van te weten wie die vreemdeling is die te communie gaat !)

Na wat hierboven gezegd is, kunnen we besluiten. Het is een vaststaand feit dat de binding boete-Eucharistie niet juist is. De eerste Christenen namen de maaltijd, en allen kwamen tot de tafel des Heren. Ook de jonge Kerk heeft dit gebruik in deze zin gekend. Het is pas later, vooral tijdens de Turkse bezetting, en de Russische Synodale periode dat men de Communie-praktijk grondig reduceerde.Maar ook een bepaalde opvatting over biecht-boete heeft deze trend doen voortzetten.

    Gelukkig maken we al geruime tijd een tendens gewaar om terug te keren tot de gewoontes van de eerste Kerken, en dus ook naar een diepere deelname aan de Heilige Liturgie.

Traditie en tradities

Eén van de balangrijke kenmerken van de Orthodoxie is haar gehechtheid aan de Traditie. Nogal dikwijls wordt dit feit aangeduid om de gewoonte van het niet-frequent communiceren goed te praten :’het is de traditie binnen deze of die geloofsgemeenschap’. Een onderscheid tussen Traditie en tradities kan hier opheldering brengen.

We citeren hiervoor uit het boek van bisschop Kallistos Ware (L’Eglise des sept conciles pp.270-271) :

‘Alles wat uit het verleden komt heeft niet dezelfde waarde en is niet noodzakelijk juist. Zo deed het één van de bisschoppen op het concilie van Carthago in 257 opmerken. :’De Heer heeft gezegd : ik ben de Waarheid; Hij heeft niet gezegd : Ik ben de gewoonte’. Er is een verschil tussen de Traditie en tradities : vele tradities zijn menselijk en toevallig, het zijn godvruchtige opinies (of erger), maar ze zijn geen daadwerkelijk deel van de ene Traditie van de Christelijke boodschap bij uitstek.

Het is noodzakelijk, dat wij ons ondervragen over het verleden. In de Byzantijnse periode en later, hebben de orthodoxen zich daarover te weinig ondervraagd, en een zekere stagnatie is hiervan dikwijls het gevolg geweest. Vandaag kan deze houding niet voortduren : een betere scholing, het meer en meer incontact treden met westerse christenen, de secularisatie en het atheïsme hebben de orthodoxen ertoe gedwongen om deze erfenis beter te bestuderen, en een meer subtiele differentiëring tussen Traditiie en tradities te maken. Dit onderscheid is niet altijd gemakkelijk te maken. Het is ook nodig, dat wij de fouten van de ‘oud gelovigen’ als deze van de ‘levende Kerk’ proberen te vermijden : de enen zijn gevallen in een  extreem conservatisme, de anderen, daarentege
n, in een modernisme of een theologisch liberalisme welke de Traditie  verwoest. Nochtans zijn de orthodoxen, ondanks hun gebreken,

Vandaag beter geplaatst dan hun voorgangers, om een meer onpartijdig oordeel te vellen. Het zijn vooral haar contacten met het Westen die de orthodoxen toestaat terug te keren tot haar eigen erfenis.

De waarachtige trouw aan het verleden moet een creatieve trouw zijn. De orthodoxie kan zich niet voldaan voelen met een ‘steriele theologie van herhaling’, dit wil zeggen, met een herhalen van formules waarvan men de zin niet meer begrijpt. Er is niets mechanisch aan een goed begrepen trouw aan de Traditie, het is niet slechts een overbrengen en tegelijk er zich eenvoudigweg niet meer interesseren aan datgene wat ons is gegeven. Een orthodox die zich bezint ziet de Traditie vanuit het innerlijke, het doordringt de geest. Om in de Traditie te leven, is het niet voldoende  om zich intellectueel te hechten aan een systeem van doctrines, want de Traditie is heel wat anders dan abstracte stellingen. Het is een levend iets, een persoonlijke ontmoeting met Christus, in de Heilige Geest. In de orthodoxe opvatting is de Traditie niet statisch, maar dynamisch, het is geen  erfgift dat passief wordt overgenomen, maar het is de levende en actuele ervaring van de Heilige Geest. Alhoewel innerlijk onveranderbaar – want God verandert niet- neemt zij voortdurend nieuwe vormen aan, die zich wederzijds aanvullen, zonder er iets aan te veranderen. De orthodoxen praten dikwijls alsof de periode van formules voorbij is, maar het is niet zo, en wellicht zullen wij ooit een nieuw oecumenisch concilie zien samenkomen die een verrijking zal brengen door nieuwe verklaringen.

Dit idee van een levende Traditie is duidelijk uitgedrukt door Georges Florofsky :

‘ De Traditie is het getuigenis van de Heilige Geest, de voortdurende openbaring en de voortdurende boodschap van het goede nieuws….Om de Traditie te aanvaarden en te begrijpen, moeten wij leven in de Kerk, moeten wij ons bewust zijn van de levende genade van de aanwezigheid van de Heer, moeten wij er de adem van de Heilige Geest voelen…De Traditie is geen principe dat beschermt en bewaart; zij is essentieel een principe van groei en van herstel… De Traditie is niet alleen maar een woordelijk herdenken maar ze is de eeuwige woonplaats van de Heilige Geest.'(Sobornost : the Catholicity of the church, in ‘the church of God’ pp.64-65)

De traditie is het getuigenis van de Heilige Geest : in de woorden van Christus :’Wanneer Hij zal komen, de Geest van Waarheid, zal Hij u naar de volle Waarheid leiden’ (Joh.XVI,13).

Deze goddelijke belofte is de bron van de orthodoxe devotie ten aanzien van de Traditie.’

Besluit :

Als we eerlijk willen staan tegenover God, bestaat er niet zoiets als een volgen van een bepaalde taditie, omdat het nu eenmaal zo de ‘gewoonte’ is. Orthodoxen moeten durven terugkeren naar de  oorspronkelijke betekenis van de Traditie. Gelukkig keren in onze tijd vele orthodoxen terug naar de oorspronkelijk Christelijke leer. Als Christenen moeten we de leiding van de Heilige Geest hierin erkennen.

Enkele getuigenissen van Heiligen, Kerkvaders en theologen over de Heilige Communie 

    Nicodemus de Hagioriet (1748-1809) was in zijn tijd een vurige voorstander van de frequente Communie. Hij werd omwille van dit standpunt ernstig aangevallen, maar een concilie van  Constantinopel (1819) gaf hem gelijk. Voorstanders van de frequente Communie doen graag beroep op het grote gezag van deze Heilige.

   De Heilige Johannes van Cronstadt legde de nadruk op het veelvuldige communiceren; alhoewel de leken in zijn tijd maar een 4-5 maal per jaar communiceerden. Hij legde wel de nadruk op het biechten. Aangezien hij geen tijd had om individuele biechten te houden, voerde hij een soort gemeenschappelijke biecht in . Allen beleden luidop en tegelijk hun zonden.Johannes van Cronstadt heeft nog een andere vernieuwing aangebracht : nl. het meer ‘open’ maken van de ikonostase, zodat iedereen kon zien wat er aan het altaar gebeurde.

   Ook Vader Georges Khodre, libanees priester van het Patriarchaat van Alexandrië wilde het frequent Communiceren in ere herstellen. Dit deed hij via een jeugd-beweging die hij stichtte in 1941-1942.

    ‘De heilige Communie is een onontkoombare plicht voor elke gelovige, omdat hij via dit sacrament zich met Christus en met andere gelovigen verenigt. Wij zijn geroepen van dikwijls te Communiceren en niet slechts twee  of drie maal per jaar. Het regelmatig Communiceren heeft een bijzonder nut, maar mag echter geen aanleiding zijn tot het verlies van onze noodzakelijke eerbied voor het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus'(gevonden op de internetsite van de Griekse Kerk in Nederland : www.grieksegids.nl/kerkfotos/kerk.htm)

  Mgr Kallistis : zie het boven reeds geciteerde citaat.

     In diezelfde zin als Mgr.Kallistos schrijft ook O.Clement (L’Eglise Orthodoxe,p. 95.)

   Alexander Schmemann : ‘Wij nemen deel aan de Heilige Communie ‘alleen maar’ omdat wij toegewijd, dit is heilige gemaakt zijn door Christus en in Christus. Wij nemen eraan deel om heilig te worden, d.w.z. om de gave der heiligheid in ons leven waar te maken’ (Biecht en Communie,p.38, gecit. in ‘Een open venster op de Orthodoxe Kerk, Ignace Peckstadt, p.12)

    ‘Ideaal gezien is het hele leven van een christen, en zo zou het natuurlijk moeten zijn, een voortdurende voorbereiding voor de communie, zoals ook de ‘geestelijke’ vrucht van de communie dat is en zou moeten zijn’ (Schmemann ‘biecht en communie’ p.41)

    ‘Diep geloof en gevoel van ‘onwaardigheid’ is de enige weg om God in ons te ontvangen, zoals wij het trouwens telkens in de Goddelijke Liturgie bidden : ‘God wees ons zondaars genadig’ en verder ‘Menslievende Meester, Heer Jezus Christus mijn God, maak dat deze Heilige Geheimen mij niet tot veroordeling strekken door mijn onwaardigheid maar tot genezing van ziel en lichaam’ (gebed van de Heilige Johannes Chrysostomos voor de Communie)

   In hetzelfde boek van Vader Ignace Peckstadt vindt men nog meer getuigenissen. Lees in dit verband vooral de bladzijden : 81-84.

   Eén van de martelaren van Optina Poestyn , Vader Vasily, één van de drie nieuwe heiligen van de Russische Kerk en vermoord in 1993 zegt in zijn dagboek : ‘De ellende van ons land is te wijten aan het onbegrip van de Russische priesterstand (en daardoor hun veronachtzamen) van  de frequente communie’ (Een bloedig Pasen, p.243) In voetnoot staat volgende aantekening ‘Met de priesterstand wordt hier de witte geestelijkheid genoemd, de getrouwde priesters. In de 18e eeuw was
in de Russisch-orthodoxe Kerk de traditie ontstaan dat een gelovige slechts éénmaal per jaar te communie hoefde te gaan. Nog steeds gaan vele kerkbezoekers weinig te communie. Een gewoonte die inderdaad een actieve geloofsbeleving in de weg staat.’

In het boek : een eigen kijk op de icoon en de Kerk, zegt archimandrit Zenon, Monnik en iconograaf :

‘De Eucharistie is een maaltijd, een Agape : je kan er enkel aan ‘deelnemen’, niet

toekijken hoe anderen eten, wat trouwens onwelvoeglijk zou zijn ! Waarom denk je, moesten de catechumenen buiten gaan net voor de communie ? Precies omdat alle aanwezigen deelnemen aan de offerande wat ook deelnemen aan de Eucharistie betekent; welnu, de catechumenen, dit zijn nl. de niet-gedoopten, mochten noch aan de offerande, noch aan de Eucharistie deelnemen.Ik herhaal het : men kan bij de liturgie niet spreken van ‘aanwezigheid’, enkel van ‘deelneming'(….) Een zogenaamde ‘geestelijke communie is volkomen ondenkbaar. De Kerk kent enkel de reële communie.De eucharistie is heilig, maar ze is ook voedsel. Men kan ze niet reduceren tot een symbool en metafysische gevoelens koesteren’ (p.53-54)

De Heilige Basileios de Grote raadde de Christenen aan viermaal per week samen te komen voor de liturgische viering : op maandag, vrijdag, zaterdag en zondag. Als ideaal stelde hij evanwel de dagelijkse communie voor.Eén van de Oecumenische Concilies heeft beslist – en dat werd nooit herroepen – dat wie zonder geldige reden niet aan twee of drie eucharistische vieringen heeft deelgenomen uit de kerkgemeenschap uitgestoten wordt, of juister zichzelf van Christus uitsluit. (geciteerd in het boekje van Zenon p.55). Verder zegt Zenon nog : ‘In onze grote catechese wordt gezegd dat wie gered wil worden viermaal per jaar de communie moet ontvangen of ten minste éénmaal. In onze tijd lijkt dit absurd : niemand onderhoudt dit voorschrift. Het leven heeft er anders over beslist. Ook de H.Johannes van Kronstadt gaf andere aanbevelingen’ p.55.

Men kan zo doorgaan, men moet al heel lang zoeken om een Kerkvader te vinden die voorstander is van het niet-frequent communiceren, zo men er al één kan vinden.

Het communiceren is een belangrijk moment binnen de liturgie, een liturgie is maar volledig, als men ook tot de kelk genaderd is. Het is een sterk moment, wij ontvangen het lichaam van Christus, om vanuit Hem verder te kunnen leven ! Wij gaan te communie ‘tot vergeving van onze zonden’.Zo is de Heilige Communie, evenals het sacrament van de ziekenzalving zelf zondenvergevend.

Een bekende canon van de Kerk, die nog altijd geldig is, zegt zelfs dat diegenen die niet regelmatig communiceren ‘geexcommuniceerden’ zijn: Al de gelovigen die de Kerk binnenkomen en de schriftlezingen volgen, maar niet blijven voor de gebeden en de Heilige Communie moeten worden geëxcommuniceerd, want zij veroorzaken wanorde in de Kerk ( 9e apostolische Canon)

  Ook in de Katholieke Kerk was tot vorige eeuw de communiepraktijk niet frequent. Dank zij acties, onder andere bij ons, van Priester Poppe, met zijn eucharistische kruistocht en de ‘bond van het Heilig Hart’, is in de Katholieke Kerk de frequente communie een normaal onderdeel geworden van elke misviering.

Besluit :

  Uit alles wat gezegd is, blijkt de frequente deelname aan de Heilige mysterieën het dichtst aan te sluiten bij het Evangelie, de Kerkvaders en de Eerste Kerk. Dit mag ons echter niet hoogmoedig maken. Iedereen volgt hierin zijn geweten. Het belangrijkste is niet HOEVEEL, maar HOE wij communiceren. Dit alles in respect voor ieders persoonlijk geweten.

    Waar wij westerlingen de  meeste  moeite mee hebben is de argumentatie van de tegenstanders van de frequente Communie : Welk voedsel we ingenomen hebben, of we daarna niet direct gaan eten, of we de dag ervoor de liefde niet bedreven hebben, of we onze mond gespoeld hebben, tot zelfs of we onze tong geraspt hebben, zeggen dat alles Communie is (men bedoelt eigenlijk ‘communio’), uit traditie, of we gebiecht hebben enz… Men leest en hoort dergelijke dingen ( zie : JK, p. 64-66).Wat hierbij opvalt, is, dat er geen eenduidig antwoord gegeven wordt op de vraag waarom men maar een paar maal per jaar communiceert. De ene zegt dit, de ander zegt dat…

     In veel orthodoxe landen die jarenlang onder het juk van het communisme geleefd hebben, is er gedurende die jaren weinig kans geweest om zich grondig hierover te bezinnen. Een tekort aan boeken en degelijke theologische scholing maakte dat vele priesters geen of weinig studies hadden gedaan, soms geheel niet. Het enig godsdienstig onderricht kwam van  ouders of grootouders, die dikwijls vast zaten aan bepaalde tradities. Het valt ook op, dat vele migranten uit die landen hier soms een veel behoudsgezinder standpunt innemen dan in hun eigen land van herkomst. Terwijl het juist goeddenkende theologen zijn aangevuld met een grondige kennis van de Bijbel en de Kerkvaders die ons een dieper inzicht in de betekenis van de Heilige Communie kunnen geven.                                                                                                                

  Maar Jezus kent het hart van elke mens. God is Barmhartig, hij is Liefde en een levengevende bron. Moge de Heilige Communie ons aanzetten tot verdieping van ons liturgisch en sociaal leven met en voor elkaar.

Kris Biesbroeck

 

        

 

 

 

Cyrille Argentie : Liturgie en leven

De Liturgie en het leven

Door Vader Cyrille Argentie

Hoe dikwijls heeft ieder van ons niet horen zeggen van deze of die persoon “Men ziet hem in de Kerk, maar wanneer wij hem zien leven, zou hij beter atheïst zijn”. Deze zin, die ongelukkiglijk klassiek geworden is, roept ons op : Hoe kan de liturgie terug worden wat ze moet zijn, het centrum en de uitstraling van ons leven ?  Hoe komt het ook dat wij dikwijls de indruk hebben van het tegendeel ?

Voor en na de verrijzenis van Christus.

Wij denken dikwijls dat wij naar de kerk gaan om te bidden. Dat is waar, maar wij kunnen ook bidden in onze kamer, alleen met God. De Liturgie is méér dan een simpel gebed : het is een actie, in afwachting van , en als antwoord op wat God doet. Want indien ze een “daad van het volk” is – dat is de betekenis van het griekse woord leitourgia –  is zij essentieel een daad van God; ze verdient dan ook goed de naam van Goddelijke Liturgie.

In werkelijkheid maakt men dikwijls van de liturgie een karikatuur. De mensen komen er dikwijls om zich te bezinnen, zoals ze naar een voetbalmatch gaan om zich te ontspannen, naar de zee om te baden of aan het bureau om te werken. Alsof er een “kleine hoek” zou zijn waar men naartoe gaat om een moment van vrede te vinden, van rust, vooraleer zijn werk te hervatten  zoals voordien : “Och, hoe heeft het koor goed gezongen !” of : “Och wat heeft de priester goed…of veeleer, hoe heeft hij slecht gepredikt.”

Proberen we nu naar de grond van de zaak te gaan. En daarvoor moeten wij naar het gedrag kijken van de leerlingen van Jezus voor en na zijn verrijzenis. De avond van Grote Donderdag, op de berg van Olijven, wanneer Jezus zijn doodstrijd doormaakt in de hof van Gethsemani, slapen de apostelen Petrus, Jacobus en Johannes. Op het ogenblik van zijn aanhouding, laten de leerlingen Hem in de steek  en vluchten, zoals Jezus het had aangekondigd : “De schapen  van de troep zullen verstrooid worden” (Mat.26,31).

Wanneer Jezus verschijnt voor her Sanhedrin, loochent Petrus Hem tot driemaal toe. Leerlingen die slapen, de verstrooide kudde, gelovigen op de vlucht, Petrus die zijn meester verloochent, is het verwonderlijk dat Jezus dan zegt : ” Mijn ziel is ten dode toe bedroefd” (Matt.26,38). En hij besluit : ” het is de macht van de duisternis” (Luc.22,53). Men vind vele van deze karakteristieke kenmerken, gesteltenissen van de ziel en houdingen – vlucht, verstrooiing, verdeeldheid, droefheid,  slaperigheid, krachten van de duisternis –  in de huidige samenleving terug, rondom ons en wellicht ook in ons eigen harten, in onze eigen verhouding tot het leven. Een soort van angst en vrees, van gebrek aan moed en hoop, er genoeg van hebben. Dit komt voor bij alle leeftijden, zelfs bij de jongeren.

Beschouwen wij nu de houding van de leerlingen na de Verrijzenis, zoals het opgeschreven staat in de eerste hoofdstukken van de Handelingen der Apostelen. De morgen van Pinksteren citeert  Petrus – die angst van  schrik had gehad van een klein dienstmeisje in de voorhof van de hogepriester, David : “Mijn hart is vreugdevol, en mijn tong jubelt”. Dan, vol van durf, voegt hij eraan toe : ” deze Jezus die gij gekruisigd hebt heeft God tot Heer en Christus gemaakt” (Hand.2,36). De heilige Lucas beschrijft aldus het leven van de eerste christenen : “Zij bleven volharden in het onderricht der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. En allen die tot het geloof gekomen  en bijeengekomen waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen die er behoefte aan hadden, en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het hele Volk. En de Heer voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden”.(Hand.42-47).

Vóór de Verrijzenis overheerste de verstrooiing, de slaperigheid, de droefheid, de laksheid, de vlucht, de tranen. Na de Verrijzenis regeerde de vreugde, de vrolijkheid, de kracht, de  toewijding, de broederlijkheid, de éénheid. Anders gezegd, het Kruis, de Verrijzenis, Pinksteren hebben de zielstoestand het hart van de personen en van de christelijke gemeenschap totaal veranderd. De gelovigen verschillen, niet enkel als individuen, maar ook als gemeenschap. De Verrijzenis en Pinksteren heeft hen omgevormd. Zij zijn waarachtige nieuwe mensen geworden die de ganse romeinse wereld zouden kunnen veroveren. De verandering zal een veertigtal jaar duren, het Evangelie zal verspreid worden over de ganse omtrek van de middellandse zee.

Wat is het verband met de liturgie ? Christus is niet verrezen en de heilige Geest is niet neergedaald op de dag van Pinksteren voor simpelweg de mensen van één generatie en de joden van Jeruzalem ten tijde van Pontius Pilatus, maar voor alle mensen van alle tijden. De plaats en het moment waar de mensen  kunnen veranderen door de verrijzenis van Christus en Pinksteren is juist de Goddelijke Liturgie. Deze is de plaats en het moment waar, door de Heilige Geest, Christus voor de mensen van vandaag doet wat hij onder Pontius Pilatus heeft gedaan. Bijgevolg, de verandering die zich heeft afgespeeld in de harten van de leerlingen en de christelijke gemeenschap op het moment van de Verrijzenis en Pinksteren, moet  hetzelfde kunnen tot stand brengen in de harten van alle leden , van elke christelijke gemeenschap van vandaag, wanneer de liturgie wordt gecelebreerd. Het is de reden om één van hen te zijn.(…)

Dankzegging

Komen wij nu aan het gedeelte genaamd de “liturgie van de gelovigen”, de eucharistische liturgie. Men hoort dikwijls zeggen : “ik heb de eucharistie ontvangen”. Dit is evident nonsens die aantoont dat we er niets van begrepen hebben, want ethymologisch betekent eucharistie ‘eucharistô’ : ‘dank u’. De eucharistie meemaken, is dank  zeggen, iemand danken. Het grote eucharistische gebed begint met de woorden :  ” laat ons de heer dankzeggen”, en het koor antwoordt : “Dit is recht en waardig”, terwijl de priester herneemt : “het is recht en waardig u te prijzen, te bezingen en te danken…”.

De Goddelijke liturgie is dus een dankzegging gericht tot de vader. Waarom ? Vooreerst voor de schepping, voor ons te hebben gebracht van het niets tot het zijn. Vervolgens voor gans het werk van zijn Zoon, actueel gemaakt en doeltreffend vandaag door de werking van de Heilige Geest. De celebratie zou dus moeten samengaan met een vloed van erkenning tegenover de Vader , de Zoon en de heilige Geest, en dit van de kant van hen die eraan deelnemen, voornamelijk de bedienaar die de dankzegging van de gemeente voorzit. Erkenning tegenover de Vader, want hij “heeft zo de wereld liefgehad, dat hij zijn Zoon heeft gezonden opdat al wie geloven in Hem niet zouden ten onder gaan, maar het eeuwige leven hebben” (Joh.3,16) Erkenning tegenover de Zoon, want Hij heeft zichzelf geofferd op het Kruis, het is geen kleinigheid te weten, te erkennen dat het bloed van Christus voor mij vergoten is, voor mij persoonlijk en voor ons allen tezamen. Erkenning tenslo
tte tegenover de Heilige Geest, want hij geeft ons vandaag dit leven van God dat Christus heeft gegeven op het Kruis.

Ziedaar, waarom de heilige Necarius, in het begin van deze eeuw, het gebed dat de Grote Intrede voorgafgaat niet kon zeggen zonder te wenen, zozeer was zijn erkenning en het bewustzijn van zijn onwaardigheid intens. Maar wij, vandaag, priesters en leken, wij wenen niet wanneer wij de dood en de verrijzenis van onze Redder celebreren, Hij die overgeleverd was in de handen van de mensen die Hem hebben gedood.Wij doen in het beste geval niets anders dan tot “inkeer”komen met ons hart van steen, in plaats van te trillen van liefde en erkenning met een hart van vlees. Nochtans heeft de aarde gebeefd van ontzetting, de zon is verduisterd, de ganse schepping heeft geschut omwille van de  verschrikkelijke strijd van God. Alle krachten hebben zich gebundeld met die van de Prins van deze wereld om Christus te kruisigen, zich van Hem ontdoen die op weg was om onze arme wereld uit de greep van de tiran te bevrijden, onze povere wereld, “die  kreunt onder de pijn van het baren.(Rom.8,22).In tegenwoordigheid van dit liefdesmysterie, van deze beslissende triomf van de Gekruisigde-Verrezene die gezegd heeft : “Vader vergeef hen, want ze weten niet wat ze doen” (Luc.23,34), wij, volk van God, laat ons  godvruchtig  stralend blijven. O Heer, verander onze harten van steen in harten van vlees en onze ondankbaarheid in een grote kreet van dankzegging.

De offerande van zichzelf

Hoe drukt deze dankzegging zich uit ? Door een offerande. Dit is het cruciale punt.  Eertijds zij men vooral niet “de priester leest de mis”, wat grote nonsens is. Men zei ook niet :”De priester celebreert de liturgie”, wat reeds iets beter is. Maar men verklaarde : “De priester is hij die de heilige gaven offert”. Sint Clémens van Rome, toen hij schreef  aan de christenen van Korintië in het jaar 95 , sprak van “presbyters” (van het grieks presbyteroï : “ouderen”), als “zij die de gaven  offeren”. De offerande van brood en wijn in naam van het volk, werd dus door de eerste christenen beschouwd als de meest karakteristieke daad en het belangrijkste in het ambt van priesters. Hij had ook een essentiële plaats in het leven van de gelovigen. In de IVe eeuw, bedreigde de ketterse gouverneur van Cappadocië de heilige Basilios met de dood, omdat deze hem de offerande had geweigerd. Als ketter wist hij, dat men een christen herkende door zijn offerande van brood en wijn en door het feit dat zij als aanvaardbaar werd beoordeeld. Vandaag, helaas, zijn de dingen veranderd. De offerande van brood en wijn komt niet meer naar voor als de belangrijkste en centrale daad van een priester, zij is het nog minder voor de gelovigen.

Om de betekenis van deze offerande goed te begrijpen, vergeten wij een ogenblik de industriële beschaving. Veronderstellen wij dat wij nog altijd landbouwers zijn, wij hebben het jaar doorgebracht met het werk op het land en met graan te zaaien, wij hebben het geoogst, gemalen, het omgevormd tot bloem, wij hebben het brood gebakken. In ons leven als landbouwer stelt het brood ons ganse leven voor, de vrucht van een gans jaar noeste arbeid. Zo gaat het ook met de wijn van de wijnbouwer. Het is gans onze arbeid en gans ons leven, gans onze persoon en gans de schepping die, als leden van de Kerk en met gans de Kerk, wij met het brood en de wijn offeren in de liturgie, volgens het woord van Sint Paulus : “Ik vermaan u, uzelf te offeren als een heilige en aangenaam offer voor God”(Rom.12,1).

Ik toon u mijn uurwerk, het is niet meer van mij, en ik heb het niet meer voor mij. Offeren, is dus ophouden het voor u te houden, verzaken aan alle egoïsme om zich aan God aan te bieden. Zich offeren met het brood en de wijn, is tenslotte zich associëren met het Kruis van Christus door de totale gave van zichzelf.

Het is dus zeer belangrijk dat de gelovige die de zondag naar de kerk komt, de dag des heren en Zijn verrijzenis, zijn brood  voor de offerande meebrengt (“prosfoor”), zijn wijn en zijn  diptieken ( van een grieks woord dat betekent “dubbel blad”. Het gaat om een dubbele lijst – onder de vorm van een stukje papier of een klein boekje – waar de gelovige zijn eigen voornaam en deze van alle personen : levenden en doden opschrijft die hij wil aanbieden, (“offeren” aan God en hen herdenken), die hij geeft aan de diaken of de priester. Het is ongelukkiglijk te betreuren dat wij moeten constateren dat een groot aantal gelovigen vandaag er niet meer aan denken, en niets meer aanbrengen. Maar hoe kan men gaven offeren in naam van het volk, indien het volk ze niet heeft aangebracht ? Indien de priester naar de bakker gaat om brood te kopen, dan is het niet meer de offerande van het volk.

Indien wij daadwerkelijk ons leven willen verbinden met de liturgie, dan is het essentieel dat wij ons voor God tonen met alles wat we zijn en alles wat we hebben. Deelnemen aan de Goddelijke liturgie wil zeggen : doorheen onze prosforen en onze diptieken, onszelf offeren aan onze Schepper, met gans onze familie en met allen waaraan we denken, onze vrienden – maar ook onze vijanden -, de levenden en de doden. (…).

Wij hebben allen onze zorgen en onze kwellingen : “Hoe kan ik er mij aan onttrekken, hoe ga ik tegen het einde van de maand de eindjes aan elkaar knopen ?”  Deze zorgen opzij zetten, betekent ons tekort aan vertrouwen  verwijderen, elke vrees verjagen voor de volgende dag om in een daad van vertrouwen  gans onze hoop op het altaar van God neer te leggen. Het is al ons egoïsme verwijderen om onszelf te offeren in een act van totaal vertrouwen, op het moment zelf waarop de diaken, terwijl hij de gelovigen voorbijgaat, de woorden van de goede moordenaar uitspreekt : “Gedenk ons allen Heer, wanneer gij in uw Koninkrijk komt”. Het is aan de voet van het Kruis dat wij onze zorgen van deze wereld moeten neerleggen alsmede gans ons leven, ons daardoor associërend met het Kruis van Christus. Dit doende, openen wij de vensters en de luiken op de grote hemel daarbuiten, op de adem van de Geest, op de almacht van God. (…)

Het voortdurend Pinksteren

Zich op die wijze aan God aanbieden met dankzeggingen  en in naam van de ganse bijeenkomst, zal de offerande van de Kerk – niet alleen het brood en de wijn, maar gans onze persoon en de ganse gemeenschap – overgegeven zijn aan het licht en de werking van de Geest. Het is daarom dat de celebrant het onze Vader bidt in naam van allen : ” Wij vragen u, wij smeken u, zendt over ons en over deze gaven uw Heilige Geest”. Waarom ? Opdat hij deze offerande van de Kerk zou veranderen in de offerande van Christus op het Kruis. Het brood is dan daadwerkelijk veranderd in het lichaam en de wijn in het bloed van onze Heer God en Verlosser Jezus Christus, opdat allen die  deelhebben “aan dit zelfde brood en deze zelfde kelk communiceren aan dezelfde Heilige Geest”, en opdat wij zouden deelhebben aan “de volheid van het koninkrijk der hemelen”.

Door te zeggen “Dit is mijn lichaam…Dit is mijn bloed”, bevestigt Christus door de werking van de Heilige Geest een actuele realiteit. De verscheurde materie wordt het lichaam van de Verrezene, en het koninkrijk van God midden onder ons !. Zo is Pinksteren geen gebeurtenis meer uit het verleden, maar wordt het een actuele realiteit. Het koninkrijk der hemelen is niet meer een ver afstaande realiteit, maar het object van een onmiddellijke ervaring. Als wij deelnemen aan
de Goddelijke Liturgie, is het juist om God te ontmoeten in de Persoon van de Heilige Geest die rust in het lichaam van de verrezen Christus die wij ontvangen tijdens de communie.

De Goddelijke Liturgie is juist het voortgezette Pinksteren, de Geest die neerdaalt over de gelovigen en de wereld, “vernieuwt het aangezicht der aarde” (Psalm 103,30). In het Oude testament deden de priesters van Baal veel gymnastiek, akrobatentoeren en magische gezangen om het vuur uit de hemel te aanroepen, maar niets haalde het uit. De Profeet Elias, daarentegen, nadat hij driemaal het altaar deed besproeien voor de offerande, aanriep de ware God die het vuur uit de hemel zendt en het vuur absorbeerde van de offerande.

Het vuur uit de hemel is de heilige Geest die neerdaalde op de dag van Pinksteren, en die neerdaalt in elke nieuwe liturgie op ons en de geofferde gaven. Het gaat hier niet meer om inkeer, maar om een waarachtige gebeurtenis : de Goddelijke Liturgie is dit “ontzettend” moment, waar God zelf in de Persoon van de Heilige Geest, ons bezoekt. Hij maakt van het brood “het lichaam van Christus” – het volk zegt Amen – en van de wijn “het bloed van zijn Christus” en het volk zegt opnieuw Amen – “hen veranderend door zijn Heilige Geest”, het volk antwoordt : Amen, amen, amen.

 Het is dus niet enkel de priester die vraagt. Door deze drievoudig Amen, is het het  ganse volk in de communautaire epiclese dat God daadwerkelijk op dat moment vraagt zijn Heilige Geest te zenden. Ik herinner mij een jonge vrouw die enkele jaren geleden overleden is en mij op een bepaalde dag zei : ” In mijn diepste voel ik door dit Amen op het moment van de épiclese  dat het in zekere mate van mijzelf afhangt of de Heilige Geest komt of niet komt”. (…) Ons Amen verenigt ons , verenigt elke persoon met het gebed van de priester.

Op dat moment, met de nederdaling van de heilige Geest, komt de verrezen Christus wezenlijk tegenwoordig. Hij zegt : “Dit is mijn lichaam”. Daarom zeggen wij na de communie “Wij hebben het ware licht aanschouwd”. Daarvoor, deden wij gedachtenis met erkentelijkheid van de dood en de verrijzenis van Christus. Nu is deze verrijzenis actueel geworden door de werking van de heilige Geest. Het is door de werking van diezelfde Geest dat de Zoon van God vlees geworden is en dat het brood het mysterievolle lichaam wordt van de verrezen Christus. Daarom kan ons leven veranderen.

Dat wat op het spel staat is niet de tegenwoordigheid van de Verrezene, de liturgie zal niets aan ons leven veranderen. Daarentegen, het is omdat de Verrezene bij ons in de liturgie aanwezig is zoals hij bij zijn leerlingen  was ten tijde der Apostelen, dat wij kunnen hopen dat hij na de liturgie dezelfde verandering zal teweegbrengen in onze houding, gedachten en ons leven, als bij de leerlingen na de Verrijzenis. Daarbuiten heeft de épiclese, zoals gans de liturgie trouwens geen enkele betekenis. Als het alleen gaat om het eten van brood en het drinken van wijn,  dan kan men evenzeer naar de bakker of de bistro op de hoek gaan.

Vleselijke vereniging met Christus.

De goddelijke Liturgie loopt uit op de communie : “Neemt, eet, drink allen” (Matth.26,26-27). Welnu “diegene die mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in mij en ik in hem” (Joh.6,5-6).  De Goddelijke Liturgie is dus gericht op deze intieme vereniging met Christus en de communicerenden, een vereniging die hun manier van zijn volledig kan transformeren en doet leven als ingelijfden in de verrezen Christus.

Indien wij echt geloven in de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus, indien wij inzien dat dit het lichaam van Christus is (1 Kor.11,21), dan geven wij er ons rekenschap van dat de communie een daadwerkelijke vleselijke vereniging is tussen de Zoon die vlees geworden is en de communicerende. Het is om deze vereniging mogelijk te maken dat Christus zijn bloed heeft “vergoten” op het Kruis. Geen enkel gebed, geen enkele deugd, geen enkele gedraging kan deze waarachtige bloedtransfusie die het leven geeft en waardoor wij één lichaam worden met Christus, vervangen. Het gaat er dus niet om “naar de mis te gaan” of   te “assisteren aan de mis” : gans het verloop van de Goddelijke Liturgie is georiënteerd naar het hoogste moment waarop de diaken of de priester zegt : “Nader in vreze Gods, met geloof en in liefde” en waarop de gelovigen die hebben geantwoord op deze uitnodiging  om deel te nemen aan het banket van het Koninkrijk uitroepen : “Wij hebben het ware licht aanschouwd, wij hebben de Heilige geest ontvangen, wij hebben het ware geloof gevonden, wij aanbidden de onscheidbare drie-eenheid, want ’t is hij die ons heeft gered”.(…)

Persoonlijke transformatie.

Waarom vragen wij dat het brood het lichaam van Christus wordt en de wijn het bloed van Christus ? Het gaat er niet om dat de verrezen Christus aanwezig komt alleen maar om hem te aanbidden, maar opdat wij eraan zouden communiceren en, dit doende, opdat wij zouden worden getransformeerd. Het doel van de eucharistie, is de verandering van ons leven : ” Opdat zij (de heilige gaven) worden voor hen die ze ontvangen soberheid van de ziel, vergeving van zonden, communio met de Heilige Geest , volheid van het koninkrijk Gods” (…).

Deze omvorming door het lichaam en bloed van Christus heeft niets automatisch noch mechanisch in zich, want de communie heeft geen magisch effect op de gelovigen. Zij kan maar op twee voorwaarden vruchten dragen : indien zij voorafgaat aan een oprechte bekering en indien zij gevolgd wordt door een trouwe en blijvende trouw aan  de ontvangen Christus.

De waarachtige bekering correspondeert aan een “ommekeer”, een her-oriëntatie  van gans ons wezen naar God toe, aan het waarachtige engagement om onze gedragingen en onze levenswijze te veranderen. De zekerheid van dit engagement wordt bevestigd door een effectieve verzaking aan een zondig leven. Daarom moet de communie voorafgegaan worden door een verzoening met onze vijanden, de breuk met onze geliefde of maîtresse, de verzaking aan uitbuiting of haat. Dergelijke beslissingen zouden utopisch en niet werkbaar zijn, zouden vrome wensen blijven indien zij niet zouden uitlopen op de eucharistische communie door dewelke “wat onmogelijk is bij mensen, mogelijk is voor God”.

Het trouwe volgen van Christus houdt ook in dat de tegenwoordigheid van Christus, ontvangen in de communie, gevolgd wordt door een gehechtheid die alle dagen voort duurt, een trouw en een waakzaamheid op elk moment.  Dit naar het voorbeeld van het huwelijk dat wordt voorbereid door de verloofden en een engagement waarin men zijn egoïstisch leven van celibatair begraaft, en dat gevolgd wordt door een gans leven van trouw en toewijding.

Daarentegen, indien men communiceert zonder geloof, machinaal, onbewust of op een onverantwoordelijke wijze,dan zal het lichaam van Christus – gloeiende kolen – de communicerende  verschroeien in plaats van hem te verwarmen en te verlichten. “Daarom, zegt Sint Paulus, zijn er onder ons zovele zieken en zwakken, en een zeker aantal zijn dood”(1,Kor.11,30). Maar wanneer wij communiceren met vertrouwen in hun vergevende kracht, genezen en getransfigureerd door de Heilige Geest, wanneer het lichaam van de Verrezene opstraalt, dan worden wij
beetje bij beetje een “nieuwe schepping” . Wij weerspiegelen de heerlijkheid van de Heer en wij zijn “getransformeerd in dit beeld, gaande van heerlijkheid naar heerlijkheid, zoals door de Heer, die Geest is”. (2 Kor 3,18) (…)

De gemeenschap in Christus

De verandering die zich realiseert in de communie is niet enkel individueel en vertikaal :

Tussen God en mij. Het is ook horizondaal : tussen de broeders en zusters en mij. Door te communiceren aan dezelfde Christus, communiceren de gelovigen als leden van éénzelfde lichaam. Zo wordt door de Goddelijke liturgie een gemeenschap geschapen die in communio treedt niet enkel met alle andere eucharistische bijeenkomsten verspreid over de wereld, maar ook met alle communicerenden van het verleden sinds de Apostelen, en zelfs sinds de profeten en alle rechtvaardigen van het oude testament die Christus hebben aangekondigd en verwacht. Zo wordt door de Goddelijke Liturgie “het lichaam van Christus opgebouwd totdat wij allen komen tot de eenheid in het geloof en tot de kennis van de Zoon van God (…) naar het voorbeeld van Christus in zijn volheid” (Ef.4,12-13), opdat “gans het universum onder hun  hoofd, Christus,  wordt bijeengebracht” (Ef.1,10). Op dezelfde wijze dat de schepping is meegesleept in de val van de mens, op dezelfde wijze wordt gans de schepping vernieuwd wanneer de mens, die hem verbindt met de Schepper, in zijn integriteit zal hersteld worden. De Goddelijke Liturgie is de haard van waaruit gans de schepping wordt vernieuwd.

De communio met de Heilige Geest die zich realiseert door de communie aan het heilige brood en de heilige wijn zal dus de gemeenschap binden in Christus. Niet magisch, want het is niet omdat we eenmaal samen de eucharistie zullen gecelebreerd hebben, dat wij ons voor altijd hebben verenigd. Maar wanneer een gemeenschap regelmatig communiceert met vreze Gods, geloof en liefde, dan verbindt zij zich geleidelijk aan met Christus.

In de eucharistie is alles gemeenschap : de offerande, want wij offeren niet enkel onze persoon, maar het leven van de ganse gemeenschap, met haar zwakheden, haar discussies, haar verschillen en haar hinderpalen. De épiclese, want wij vragen de komst van de Heilige Geest over ons allen. De communie, want zij realiseert geleidelijk aan de éénheid van de gemeenschap en maakt hierdoor Kerk.

Zeker, wij hervallen dikwijls in dezelfde fouten nadat wij de communie hebben ontvangen, maar ook de gemeenschap hervalt dikwijls in haar  routine, haar verschillen en haar disputen nadat de communie is ontvangen in de Goddelijke Liturgie. Maar we mogen ons niet laten ontmoedigen. Indien wij volharden, dan zal de communie geleidelijk aan onze gemeenschap transformeren. Een gemeenschap van personen die samen communiceren, zondag na zondag, wordt geleidelijk aan de Kerk, ’t is te zeggen : de plaats van Christus’aanwezigheid (…).

Door te volharden in de épiclese en de communie, zal onze gemeenschap geleidelijk aan  getuigen van deze grote woorden waar van wij  genieten, in die mate dat ik ze met moeite durf uitspreken : “liefde”, “rechtvaardigheid”, “vrijheid”.

Het is door de werking van de Heilige Geest dat deze woorden geleidelijk aan realiteiten kunnen worden in een gemeenschap. Een gemeenschap die eucharistie viert en die communiceert kan doordrongen worden door het Woord van God en door de Geest van God. Het is dus de Geest zelf die getuigt van het bestaan van de verrezen Christus in de maatschappij. Dat is ons opzet.

 Vertaling : Kris Biesbroeck

De patristieke fundering van de sacamenten van de Kerk

De patristieke fundering van de sacramenten van de Kerk

Metropoliet Kallistos Ware

 

Toespraak gehouden in Moscou 13-16 november 2007

 

“Het zijn de sacramenten die het Lichaam van Christus vormen” schreef de heilige Nicolas Cabasilas. Ze zijn, zegt hij “vensters in de duistere wereld”. Wat dan, zijn de voornaamste thema’s in de Patristieke lering omtrent deze goddelijke activiteiten, zonder welke er geen leven in Christus mogelijk is ? Hoe verstonden de Vaders dit “venster” dat ons bestaan hier op aarde verlicht ?.

1 Het woord “sacrament

Dat wat de latijnse theologie sacramentum noemt is in de griekse theologie mysterion (in het de Slavische theologie aangeduid met het woord tainstvo). De twee woorden hebben een grondig verschillende betekenis. De latijnse term sacramentum betekent oorspronkelijk de eed van trouw door de romeinse soldaten, terwijl het in wettelijke termen de betekenis heeft van een belofte die onder ede gedaan werd onder redetwistende partijen. De Griekse term Mysterion anderzijds heeft een rijkere en diepere betekenis. Het woord komt ongeveer dertig maal voort in het Nieuwe testament , en nergens heeft het de betekenis van een liturgische ritus. Tegelijk betekent in het Nieuwe Testament “mysterie” niet, zoals het in het moderne gebruik de gewoonte is, een onopgeloste puzzel, een  raadsel of  enigma. In de eigenlijke Schriftuurlijke en theologische betekenis, daarentegen, is mysterie iets wat onthuld wordt voor ons verstaan, uiteindelijk nooit totaal en uitsluitend, daar het peilt naar de oneindige diepten van God.

In het Nieuwse Testament is het hoogste en fundamenteelste mysterie de menswording van Christus. Sint Paulus in de Kollosenzen 1,25-26 spreekt  over “het geheimenis (mysterie) dat eeuwen en geslachten verborgen is geweest”, en dat u geopenbaard is in Christus die de “hoop en de glorie”is. Zo ook in de Efesiërsbrief 1,9-10 sprekend over het mysterie van Gods wil zegt Paulus dat dit niets anders is dan het “plan ter voorbereiding van de volheid der tijden”,om in Christus alles in de hemel en op aarde bijeen te brengen of te verzamelen onder één hoofd, Jezus Christus. Meer in het bijzonder dit “mysterie” dat eerst verborgen was en nu geopenbaard, bestaat in de vereniging van Joden en heidenen onder één lichaam, Christus (Efesiërs 3,3-6).

De grote omvang van de term mysterion, waarbij het refereert naar de totaliteit van Christus’incarnerend werk, komt dikwijls voor  bij de vroege Kerkvaders Het is pas in de 3e en 4e eeuw dat het woord wordt gebruikt om meer nauwkeurig een liturgisch rite aan te duiden. De term gebruikend  in de bredere Nieuw Testamentische betekenis, spreekt Ignatios van Antiochië van de maagdelijkheid van Maria, haar kind baren en de dood als van “drie mysteries die om luid gechreeuw vragen, wat ons brengt tot de stilte van God” In dezelfde termen spreekt Clemens van Alexandrië over “het merkbaar mysterie” van de incarnatie, “God in de mens en de mens in God”. In de latijnse traditie verwijst Tertullianus  naar “het sacrament van de economie” (sacramentum oeconomiae”, daarmee bedoelt hij de reddende  ingreep van de geïncarneerde Christus in haar totaliteit. Maar hij gebruikt ook de term sacramentum in een meer beperkte betekenis, om er het doopsel en de eucharistie mee aan te duiden. Lang nadat de term mysterion haar technische betekenis had gekregen als een sacramentele rite, gaan de Griekse Vaders nog altijd verder met haar te gebruiken op een meer  uitgebreide en flexibele wijze. Wanneer we hen lezen is het belangrijk daarvoor  de patristieke teksten niet automatisch te lezen in de meer specifieke betekenis van het woord “sacrament”, zoals ze gevonden wordt in de Rooms Katholieke en Orthodoxe theologie.

Er is een bijzondere reden waarom de bredere betekenis van het woord “mysterie” nooit vergeten mag worden, en dat is de weg waarin het de essentiële link tussen de sacramenten en de incarnatie wordt onderlijnd. Alle sacramenten hebben hun bron en gronding in de incarnatie van Christus. De “mysterievolle” daden van de Kerk zijn niets anders dan de levende en onophoudelijke voortzetting  van de incarnatie in ruimte en tijd. In de sacramenten wordt de constante en dynamische tegenwoordigheid van de incarnatie van Christus in de aanbidding van het volk van God verzekerd. In de woorden van Leo de Grote : ” Hij die zichtbaar was als onze redder gaat nu verder in de sacramenten “. Sacramentenleer is een tak van de Christologie.

Het woord mysterion heeft ook nog verdere weerklanken en associaties. Het roept in de geest het adjectief “mystiek” op. Dit wordt dikwijls gebruikt door de Vaders in combinatie met het substantief “contemplatie”, “gebed”, “theologie” en “verbond”. Het mystieke leven, zoals verstaan wordt door de Vaders, is gegrond op het oorspronkelijke mysterie van Christus’ menswording, en tegelijk is het nooit te scheiden van de sacramenten. In deze context is het vanzelfsprekend te denken aan Vladimir Lossky’s welbekende woorden “Verre van  wederzijds tegengesteld te zijn dragen en vervolledigen theologie en mystiek elkander. Het ene is ondenkbaar zonder het andere…Mystiek is…het hoogtepunt en de kroon van alle theologie : het is theologie bij uitstek”. Zeker mag Lossky’s  standpunt toegepast worden op de sacramenten. Sacramentele theologie en mystiek ondersteunen en vervolledigen elkaar. Het mystieke leven is onmogelijk zonder de sacramenten. Het mystieke leven is niets anders dan de perfectie en de kroon van onze sacramentele deelneming. Met de woorden van Myrrha Lot-Borodine : ” De ganse leer van de mystieke verlichting is…een bovennatuurlijke realiteit die inherent is in de onthulling van het doopsel, en, mogen we eraan toevoegen inherent in ons voortdurend ontvangen van de Eucharistie en de andere sacramenten.

2. De dubbele natuur van de sacramenten

In de catechismus van de Kerk van Engeland ,die ik van buiten moest leren als kind, wordt een sacrament gedefinieerd als ” het uitwendig en zichtbaar teken van een innerlijke en spirituele genade”. Een teken dat werkzaam is, dat  doeltreffend is en de oorzaak van wat het betekent. : uiterlijk en innerlijk, zichtbaar en onzichtbaar. Dit is ook de richting waarin de Vaders de natuur van het sacrament verstonden. Elk sacrament heeft twee aspecten : een uiterlijk en een innerlijk, een zichtbaar en een onzichtbaar. Om deze reden geven de Vaders gewoonlijk aan het sacrament de naam “symbool”, niet in een zwakke, maar in een sterke betekenis.

Reeds in het begin van de derde eeuw heeft Tertullianus duidelijk het dubbel karakter van de sacramenten aangeduid : ” Het vlees is gereinigd , moge de ziel brandschoon zijn; het vlees is getekend door het kruis, moge de ziel ook beschermd worden, het vlees is overschaduwd door de handoplegging, moge de ziel verlicht worden door de Heilige Geest, het vlees voedt zich met het lichaam en bloed van Christus, zo dat de ziel ook mag gevuld worden met God. “aan de sacramenten een anthropologische grondslag gevend, zegt de heilige Ambrosius van Milaan dat hun twe
evoudig karakter, zicht baar en onzichtbaar, overeenstemt met de twee-voudige natuur van de mens : lichaam en ziel. Zo wordt in het doopsel het lichaam gewassen met water, terwijl de ziel wordt gezuiverd door de Heilige Geest. St.Augustinus heeft hetzelfde in zijn gedachten in zijn geschriften over het eucharistisch brood en wijn : “Zij worden sacramenten genoemd, omdat één ding wordt gezien terwijl een ander wordt verstaan. Wat gezien wordt heeft een fysieke vorm, maar wat wij verstaan heeft spirituele vruchten”.

Griekse auteurs spreken ongeveer in parallelle termen. Volgens Theodor van Mopsueste is “elk sacrament de aanduiding van vele betekenissen en symbolen, van onzichtbare en  onuitsprekelijke realiteiten”. Ze worden sacramenten genoemd, schrijft St.Johannes Chrysostomos, omdat datgene wat wij geloven niet hetzelfde is als wat we zien, maar wij zien één ding en geloven een ander..  Wanneer ik het Lichaam van Christus hoor vernoemen, versta ik wat gezegd wordt, de ongelovige denkt dan aan iets anders.

Beide kenmerken van de sacramenten, zichtbaar en onzichtbaar, benadrukken , vanuit christelijk standpunt,met een uiterste helderheid de waarde van  materiële dingen en meer in het bijzonder van het menselijk lichaam. Zoals Tertullianus  in deze context benadrukt : : ” Het vlees is de spil van de verlossing” (caro salutis est cardo). Om deze reden wil men in de orthodoxe Kerk onverminderd de materialiteit van de sacramentle elementen bewaren : wij dringen er op aan, dat het doopsel zou gebeuren door onderdompeling, uitgezonderd in noodgevallen; voor de Eucharistie gebruiken wij levend brood en rode wijn; bij begrafenissen wordt het deksel van de kist genomen en wij kussen het dode lichaam.

De materialiteit van de sacramenten maakt duidelijk het verband, wij hebben het reeds benadrukt, tussen de “mysterievolle daad” van de Kerk en de menswording. Bij zijn menselijke geboorte nam de Redder het menselijk vlees aan (met een menselijke ziel), en maakte van dit materiële vlees een voertuig van de Geest. Zo ook wanneer we het water zegenen bij het doopsel, wanneer wij het brood zegenen in de Eucharistie, en wanneer wij de olie voor de ziekenzalving zegenen, dan omvormen wij deze materiële elementen  tot voertuigen van de Geest. Zoals we in verband met de incarnatie achterom kijken, zo kijken de sacramenten voorwaards, of beter, ze anticiperen  de apocatastasis , of de uiteindelijke verlossing op de laatste dag (zie : Romeinen 8,19-23). Zoals Minucius Felix bevestigt : ” Wij zijn in de verwachting  van de lente van het lichaam” (expectandum nobis etiam corporis ver est). De eschatologische lente van het lichaam, en meer in het algemeen, van de ganse natuur is reeds aanwezig in de spirituele materialiteit van de sacramenten.

3. De voorganger of de tussenpersoon van de sacramenten

In overeenstemming met de universele Patristieke traditie, Griekse en Latijnse, is de echte celebrant altijd Christus zelf, onzichtbaar  doch werkelijk aanwezig door de Heilige Geest. Dit is duidelijk uit de liturgische praxis van de orthodoxe Kerk. In geen enkele sacrament gebruikt de officiant het woord “ik”. Hij zegt niet “ik doop u”, maar “de dienaar Gods wordt gedoopt”, niet “ik wijd u”, maar “de goddelijke genade, die altijd heelt wat zwak is en opricht wat gebrekkig is, wijd de devote sub-diaken (naam)tot diaken, zoals de bisschop zegt tot God wanneer hij een diaken wijd (hetzelfde gebeurt voor de andere wijdingen).”het is niet door de handoplegging, maar door de zegen van Uw rijke barmhartigheid, dat de genade is gegeven aan hem die U waardig is”. Het is waar dat Peter Mohila in zijn Euchologion voor het sacrament van de boete de formule gebruikt “ik  vergeef u”; maar dit kan enkel gezien worden als een afwijking van de sacramentele traditie van de Orthodoxe Kerk.

Dit geloof in Christus als  de ware celebrant van alle sacramenten is bijzonder duidelijk in de Goddelijke Liturgie. Voor de zegen bij het begin zegt de diaken tot de priester. “Het is tijd voor de Heer om te handelen”, een citaat uit psalm 118(119).126). De liturgie, is niet enkel woorden uitspreken maar actie; bovendien is het niet op de eerste plaats onze actie, maar de actie van de Heer. De ware celebrant in elke Eucharistie is altijd Christus de enige hogepriester, wij, de clerus en het volk, zijn niet meer dan concelebranten met Hem. Ditzelfde punt wordt expliciet bevestigd  in het gebed die door de officiant wordt gezegd gedurende de Hymne van het Cherubicon , wanneer hij tot Christus zegt “Gij zijt het aan wie wij offeren en die geofferd zijt. Christus is beide : offer en offergave , beide, offeraar en offer, beide : priester en slachtoffer. De onmiddellijke deelname van Christus in de Eucharistische actie wordt ook uitgedrukt in het uitwisselen van groeten door de clerus gedurende de “vredeskus” : “Christus is in ons midden”.

Het zelfde verstaan van de sacramenten als een actie van Christus is bij de Vaders te vinden alsook in de liturgische teksten. Zoals St. Augustinus zei : “Het doopsel is werkzaam, niet door de deugd en de verdienste van hen die toedienen, maar door de verdienste van zijn intrinsieke heiligheid en waarheid, omwille van Hem die het ingesteld heeft”.Onder de griekse Vaders is het vooral St.Johannes Chrysostomos die speciaal zich over dit punt heeft uigesproken. “Het is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die alles vervuld” zegt hij. “De priester leent slechts zijn tong en levert zijn handen”.” Bij de heilige Communie is het de hand van Christus dat naar jou wordt uitgestoken”. “Gods gaven zijn niet het resultaat van enige verdienste van de priester, zij zijn volledig het werk van de genade. De functie van de priester bestaat er enkel in zijn mond te openen en het is God die vervult wat moet gedaan worden… De eucharistische offering  blijft dezelfde, of nu Peter of paul het zouden offeren. De offerande welke Christus geeft aan Zijn Apostelen is identiek met deze die nu geofferd wordt door de priester. Laatstgenoemde is helemaal niet ondergeschikt aan de vorm, want het is niet de mens die consacreert, maar Hij die de oorspronkelijke offerande heeft geconsacreerd”.

Hieruit volgt dat de geldigheid van de sacramenten niet in het gedrang komt door de onwaardigheid van de celebrant, noch hangt het af van het persoonlijk geloof van de ontvanger. Integendeel, als actie van Christus zelf hebben de sacramenten een objectief karakter.

4 Het getal van de sacramenten

Hier, als op andere gebieden, moeten eigen toegevingen gedaan worden voor het flexibel gebruik van de term mysterion bij de vaders. Wij moeten niet de vroegste bronnen lezen om de juiste betekenis te vinden voortgaande op Peter Lombard en de scholastiekers van de twaalfde eeuw, en die vervolgens zijn overgenomen door vele orthodoxe schrijvers. Bovendien maken de Griekse Vaders een scherp onderscheid tussen de sacramenten enerzijds en de andere riten van de Kerk die de Rooms Katholieke Kerk omschrijft als ‘Sacramentalia.

Vele auteurs – bijvoorbeeld St.Cyrillos van Jerusalem, St. Ambrosius, Theodoor van Mopsueste en Sint Cyrillos van Alexandrië – denken in termen van drie primaire “mysteries”, Doopsel, myronzalving en Eucharistie; maar deze lijst van drie moet niet noodzakelijk gezien worden als  volledig. Sint Nicolas cabasilas, in zijn
“leven in Christus “ benadrukt de zelfde drie mysteries, maar dan gaat hij ook de consecratie van het altaar beschouwen als een “mysterie”; misschien echter moet dit gezien worden als een uitbreiding van het sacrament van het chrisma. Sint Johannes van Damascus denkt anderzijds in termen van twee hoofd-sacramenten, Doopsel en Eucharistie. Sint Dyonisios de Aeropagiet spreekt van zes : Doopsel, Eucharistie, chrisma, wijding, monastieke  professie, en de begrafenis riten. Dezelfde lijst wordt gevonden bij Sint Theodoros de Studiet. In de tweede helft van de 13e eeuw noemt de monnik Job zeven sacramenten, maar ze komen niet echt overeen met de Westerse lijst; hij combineert penitentie met de ziekenzalving en hij sluit monastieke professie in. Hij gaat spreken over drie andere riten : hij ziet de consecratie en de broodverheffing ter ere van de Moeder Gods als een uitbreiding van de Eucharistie. Dit alles duidt erop dat de Griekse patristieke auteurs, wanneer zij de term mysterie gebruiken, niet te werk gaan met dezelfde precisie die gevonden wordt in de latijnse scholastiek.

Het is waar, dat in de latere Byzantijnse periode er een tendens is om de zelfde sacramenten te aanvaarden zoals in het Westen. Dit is het geval bv. Met Manuel Calecas in de 14e eeuw, en met Joseph Bryennice en Sint Symeon van Thessaloniki in de 15e eeuw. Op het concilie van Ferrara-Florence (1438-9) vonden de Grieken geen problemen met het aanvaarden van de latijnse lijst van zeven sacramenten. Maar Joasaph, Metropoliet van Ephesië (ook in de 15e eeuw) spreekt van tien sacramenten.In de 17e eeuw wordt de latijnse lijst van zeven standaard in de Orthodoxe Kerk : het wordt bv. gevolgd door Patriarch Jeremias II, door Gabriël Severus, door Metropoliet kritopoulos en door de synode van Jassy (1642) en van Jeruzalem (1672). Toch bekwam deze lijst nooit een strikt dogmatisch karakter in de Orthodoxe leer, maar het werd vooral gezien als bruikbaar in de leer. Het meer flexibel gebruik in de vroege Patristische periode is nooit op de achtergrond geraakt. In elk geval, wanneer de sacramenten zijn gecatalogeerd als zeven, mag eruit niet afgeleid worden dat deze zeven allen op gelijke voet van waardigheid staan, er bestaat een welomlijnde hiërarchie tussen hen, met het Doopsel en de Eucharistie als de voornaamste.

Als besluit doen we er goed aan met opnieuw te verwijzen naar de betekenis die eerder werd gegeven aan de term “mysterie” : het is, zeiden wij, iets dat onthuld wordt voor ons verstaan, maar nooit volledig onthuld. Dit betekent dat er een apofatische dimensie bestaat in de orthodoxe theologie van de sacramenten, zoals trouwen in alle andere aspecten van de theologie. Wij moeten altijd op onze hoede zijn om té veel te zeggen. Wanneer de Kerk spreekt van de sacramenten, dan is zij er zich van bewust hoeveel delen van de waarheid noodzakelijk onzegbaar blijven. Met de woorden van Sint Johannes Chrysostomos : ” Zij worden gezegd om mysteries te zijn, en zij zijn dat in waarheid, er is geen nood om de diepe kloof van de stilte te willen verklaren”. ” De verklaring van de Mysteries” merkt Sint Cyrillos van Alexandrië op, “is buitengewoon moeilijk, het is misschien beter de stilte te bewaren”. Laat ons deze waarschuwing in gedachten houden gedurende de huidige conferentie.

Bron : Website van Nouvelles Clés

Vertaling : kris Biesbroeck.

 

 

Welke spiritualiteit voor jongeren van vandaag ?

Welke spiritualiteit voor de jonge leken van vandaag ?

 Door vader Cyrille Argenti

Argenti Cyrille

 

“Spiritualiteit” betekent ethymologisch de activiteit van de geest. Voor een leerling van Jezus Christus heeft dit woord nochtans niet dezelfde betekenis als voor de adepten van verschillende “religies” en filosofische of morele systemen.

Voor een christen verwijst”Spiritualiteit” niet als zodanig naar de activiteit van de geest van de mens dan wel naar deze van de Heilige Geest. Zij vormt dus geen particulier aspect van het leven, zoals bijvoorbeeld “het intellect”, of de “affectiviteit” of de “seksualiteit”.  Er bestaat voor een christen geen eigen domein van de Geest – zoals er een domein zou kunnen zijn dat eigen is aan het intellect, het gevoel of de sekse; een hogere afdeling van  het menselijk leven en die zich zou opstapelen in de inferieure delen. Wij zijn de leerlingen  van God die vlees geworden is, van de “gezalfde” (Christus) van God, ’t is te zeggen van Hem die de zalving van de Heilige Geest heeft ontvangen van alle eeuwigheid, die gans het menselijk leven doordringt, gans zijn menselijke natuur – wil, verstand, hart, ziel en lichaam – van de Geest van God, die dezelfde Geest uitstort over de ganse persoon, over gans het leven van hen die geloven in Hem en zich bij Hem aansluiten.

Spiritualiteit is dus voor een orthodox christen, de werking van de Heilige Geest die verlicht, doordringt, transformeert, die de beslissingen, gedachten, gevoelens, daden, woorden , gedragingen, de ziel en het lichaam, het dagelijks leven, zelfs de dromen van een mens om hem te wortelen in God, levendig maakt. En indien God de bron is van een mens, de kracht van God, ’t is te zeggen de Heilige Geest, wordt het ook doorgegeven in elke plant, in de ganse mens. Omgekeerd, indien de goddelijke Geest doorheen de mens gaat, dan wordt God ook de wortel – de oorsprong. Het beeld is de Sint Paulus, die ons zegt dat wij door het doopsel “eenzelfde plant” (Symphytoi = samen groeien) worden met Christus (Rom.6,5), en ons uitnodigt om “geworteld te blijven in zijn liefde” (Ef.3,17).

Hoe kan zich dat vandaag de dag voor ons concreet en afzonderlijk realiseren voor de jongeren en de leken ?  Hoe kan een man of een vrouw die opgroeit in een geseculariseerde samenleving – waar God min of meer ontkend wordt, waar de incarnatie van het Woord en het bezoek van de Heilige Geest worden waargenomen niet als beleefde gebeurtenissen maar als een theologische vaktaal, waar de armoede synoniem is met mislukking en de maagdelijkheid  met simpelheid – kan hij de Heilige Geest ontvangen als zijn ganse leven  overhoop is gehaald en verlicht worden ?

De dorst naar God

Men moet eerst en vooral, dat is evident, het verlangen hebben om God te ontmoeten. Wenu, gans de opvoeding van onze tijdgenoten oriënteert hen naar het materiële, naar de kennis en het bezit van materiële dingen. Het hart en de geest zijn gevormd en geconditioneerd  om zich te interesseren voor de uiterlijke wereld, voor de schepselen, veeleer dan voor de Schepper. De christelijke spiritualiteit is gebaseerd op de tegenovergestelde beweging : zich keren naar het innerlijke om God te zoeken. Luisteren wij naar de psalmist : “Gelijk een hinde die naar waterbekken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen ?” (Psalm 42,2-3).

“O God Gij zijt mijn God, U zoek ik, mijn ziel dorst naar U, mijn vlees smacht naar U, in een dor en dorstig land, zonder water, Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd, ziende uw sterkte en uw heerlijkheid” (Psalm 63,2-3).

Mijn ziel heeft dorst naar God. Het is diezelfde dorst naar God die uitgedrukt wordt in het Hooglied, de liefdeskreet en het verlangen van de Sulamitische voor haar beminde en door haar, de Kerk voor haar God (Hooglied 3,1-6; 6,3).

Dit liefdevol verlangen, deze dorst naar God is de drijvende kracht van elke christelijke spiritualiteit. Wenu, deze dorst kan opdrogen, zij kan eindigen op een ontdekking.

De vreugde van het Goede Nieuws

Deze ontdekking hebben de apostelen van Jezus Christus gedaan. Daarom zal de aandachtige lezer van het Nieuwe Testament een rilling van blijdschap ervaren. Er is in het hart van de apostelen een onuitspreekbare vreugde die hun stem doet beven. Het Evangelie is daadwerkelijk voor hen het Goede Nieuws. Zij hebben er een openbaring in ontdekt; het koninkrijk van God – de onnoemelijk kostbare parel, de schat onder de grond verstopt is voor hen geen droom meer, geen utopische hoop, maar een nieuw ontdekte realiteit. Zij hebben de verrezen Christus gezien, zij hebben het ware licht gevonden, zij weten dat het koninkrijk van God komende is. (…) De klaarblijkelijkheid van het Goede Nieuws die zij ontvingen, deze zekere hoop, deze diepe vrolijkheid die te wijten is aan het ontdekken van de kracht en de liefde van God in Jezus Christus, hoe kunnen wij die terugvinden ?

De westerse maatschappij in de tijd van de heilige Louis, – de byzantijnse maatschappij in de XIVe eeuw – door al hun instellingen en gebruiken, hun wijze van denken en leven – introduceerden hun leden in de Kerk. De moderne maatschappij, sedert tientallen zoniet eeuwen, heeft opgehouden het christelijk geloof over te leveren. Vandaag , zoals in het begin van het christendom, wordt men christen uit persoonlijke overtuiging, door een persoonlijk antwoord op het appel van Jezus Christus. In feite heeft het wellicht altijd zo geweest. Het vertrekpunt van elke christelijke spiritualiteit is een relatie van persoon tot persoon.

Herlezen wij het eerste hoofdstuk van het evangelie volgens de heilige Johannes, verzen 35-51. Johannes de Doper bevindt zich op de oever van de Jordaan. De dag ervoor had hij Jezus gedoopt. Andreas en Johannes – de toekomstige evangelist die ons het incident vertelt – zijn aan de zijde van de Doper, waarvan zij de leerlingen zijn. Jezus komt voorbij, de Doper roept uit : “Zie het lam Gods !” Aarzelend lopen de twee leerlingen achter Jezus. Deze keert zich om : “Wat zoekt gij ?”

Het is de vraag die Hij ons ook vandaag stelt, aan ons die twijfelen en zoeken. Andreas en Johannes antwoordden Hem : “Waar verblijft gij ?”. Het is ook ons antwoord, want Hij is het die wij zoeken en zouden willen vinden.

Jezus antwoordt : “kom en zie”. Anders gezegd : het volstaat niet te zoeken, men moet zich in het water werpen. Want diegene die niets riskeert heeft niets. Men kan geen antwoord vinden door te filosoferen. Er is een daad van vertrouwen nodig. Laat ons geloven in het getuigenis van de apostelen en vooruit..

Het is dit wat Andreas en Johannes doen : ze zetten zich op weg en reeds dezelfde avond, gaat Andreas zijn broer Simon zoeken en zegt hem ” Wij hebben de Messias gevonden” (…)

Zonder lichamelijk aanwezig te zijn,
ziet Jezus ons en houdt ons in de gaten… Dat is de ontdekking, het geloof is een daad van zich aansluiten, het maakt ons één met Christus, het gaat door ons en begint ons te omvormen. Wij worden een levende steen van het hemelse Jeruzalem. Het spirituele leven, het leven van de Heilige Geest is in ons begonnen. Wij zijn binnengetreden in de nieuwe schepping. Desondanks dringt een keuze zich op.

De keuze

De keuze die wij moeten doen is de volgende : ofwel zijn  wij medeplichtig aan de consumptiemaatschappij, ofwel leven wij leven in Christus. Want men kan God niet dienen en de Mammon.

Zo kunnen wij ons gezin organiseren, ons werk, ons onderkomen, in het perspectief om te kopen en datgene te verwerven waar wij zin in hebben : de stereoinstallatie, de kleuren televisie , een Honda, een Porsche, de vakanties op de Bermuda eilanden…. Zovele zaken die op zichzelf niet slecht zijn, maar waarvan het angstig verlangen ons de gevangene maakt van alle raderwerk van de consumptiemaatschappij, waarvan de drijfveer de liefde voor het geld is. Luisteren wij naar wat Sint Paulus ons dienaangaande te zeggen heeft :” Wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te verzuchten zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord” (1 Tim. 6,9-10).

Omgekeerd kunnen wij “verzaken aan de begeerten van de tijd van onwetendheid” (1 Petr.1,14), om slechts dat te verlangen datwaarlijk wenselijk is, en van de ontmoeting met Christus het reële en concrete doel  te maken van ons leven in de wereld : ” Het gaat erom Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden. Niet dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik verlang ernaar, ik zoek of ik het  ook grijpen kan, omdat ik ook door Jezus Christus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik) : vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus” (Fil.3,10-14)

Dat is de ascese. Niet een ziekelijk zoeken naar een gemis of een lijden, maar een gepassioneerd zoeken naar de goddelijke volheid in Jezus Christus. Niets van het geschapene is slecht op zichzelf, maar alleen de Schepper is waarlijk verlangbaar. En om dit te bereiken, moet er een prijs betaald worden. En de prijs is “te verzaken aan de begeerten van de tijd van onwetendheid” om vervuld te geraken door de gave van God. Deze gave is niets anders dan de Heilige Geest, schatkamer van alle goed, gever van het leven. God zelf die zich aan ons geeft. Wij zijn wellicht begonnen met de verrijzenis van Christus ernstig te nemen, maar het is tijd, nu, om “de verwerving van de Heilige Geest” ernstig te nemen.

De revolutie van Christus

Hoe meer een christen verinnerlijkt om in het diepste van zijn hart en in de wortels van zijn zijn de Heilige Geest te vinden, des te meer hij zich zal openstellen voor de liefde tot zijn broeders en zusters. Des te meer hij de armoede en de soberheid zal opzoeken om alzo het “enig noodzakelijke” te vinden, des te meer hij de armen zal liefhebben. Des te meer hij het Rijk Gods in zichzelf zal zoeken, des te meer hij zal ontdekken dat dit koninkrijk voor allen is –hé koinê Basileia – zoals de heilige Johannes Chrysostomos het uitdrukt in zijn homilie van Paasnacht. Het koninkrijk van God in ons ontdekken doet in ons het verlangen en de wil ontstaan het Rijk van God en zijn gerechtigheid in de wereld te verkondigen. Een spiritualiteit die de onrechtvaardigheid in de wereld zou negeren zou een spiritualiteit van huichelaars zijn : ” wanneer gij zegt dat gij God liefhebt die gij niet ziet, maar uw broeder die gij wel ziet niet liefhebt, dan ben jij een leugenaar” (1 Joh.4,20).

Wij stellen ons dus niet tevreden met een soort spiritueel narcisme, maar laten wij met helderheid onze ogen openen voor wat in de wereld gebeurt. Wij weten dat in de consumptiemaatschappijen   die momenteel in vele landen aanwezig is, het goede christenvolk en vele anderen bezig zijn, met een verschrikkelijke onschuld om de ganse wereld te verslinden. Ja, de Prins van deze wereld oefent zijn heerschappij van onrecht uit over de wereld.

De profeet Daniël zag een grote steen die zich van de berg, zonder de hulp van menselijke handen, losmaakte  en stootte tegen het standbeeld dat alle koninkrijken van deze wereld symboliseerde. Het standbeeld vloog in stukken, de steen kwam geleidelijk aan op zijn plaats en bedekte de oppervlakte van de aarde. Deze steen, is Christus. Het betekent dat het rijk van Christus en zijn gerechtigheid dit moet vervangen van de Prins – en de prinsen – van deze wereld. Hoe kunnen wij, hoe moeten wij deelnemen aan deze revolutie, hoe  “verhaasten” (2 Petrus 3,12) “de komst van de dag van God” en de heerschappij van Zijn rechtvaardigheid ? Een spiritualiteit die christelijk wil zijn zal deze vraag niet ontwijken. (…)

Gaan wij ons tot dan tevreden stellen met een individualistisch piëtisme die alleen de bekering op het oog heeft – o hoe noodzakelijk-  van ons eigen hart, en ons niet meer interesseren voor het rijk van God in de wereld, terwijl de Heer ons heeft geleerd te bidden “Uw rijk kome op aarde als in de hemel”.

Kijken we dus wat Christus zelf heeft gedaan. Hij heeft weloverwogen verzaakt aan de drievoudige en satanische bekoring om te bezitten, te domineren en zich te laten bewonderen. Hij heeft verzaakt aan de rijkdom, aan de macht en aan de ijdele glorie. Hij heeft zichzelf overgeleverd aan de soberheid, aan de dood, aan de afdaling in de hel : “Hij die, in de gestalte Gods zijnde, heeft zichzelf ontledigd, en de gestalte van een dienstknecht op zich genomen (…)Hij  heeft zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het Kruis (Filipenzen 2,6-8).

Zo heeft Christus de macht van God bevrijd die tijdelijk verduisterd was door de zonde van de mensen en de heerschappij van het kwaad. Deze macht is glorierijk gemanifesteerd  door te verrijzen uit de dood;  zij heeft “hem uitermate verhoogd” (Fil.2,9), zo heeft ze de nieuwe schepping ingewijd, een effectieve aanwezigheid in deze wereld van de Verrezene en vervolgens van  Zijn Heilige Geest, levendig zaad van de vrijheid, rechtvaardigheid en de liefde.

Deze vruchten van de Heilige Geest zijn geen abstracte ideeën, maar goddelijke energieën die voortaan aan het werk zijn in de wereld. Telkens wanneer zij in de dagelijkse realiteit vorm aannemen, vormen zij zoveel tekenen van de heilige almacht van God en verkondigen de uiteindelijke triomf van het koninkrijk dat inmiddels op weg is. De verrijzenis van Christus bevestigt de meest radicale verandering van  de macht in de ganse geschiedenis.

Christus wil echter niet” komen zonder de uiteindelijke vervulling” (Hebr.11,40). Hij nodigt ons uit om voort te gaan in de nieuwe schepping, om met Hem vanaf nu binnen te treden in het komende Koninkrijk, om ons te
verbinden met zijn werk, want wij zijn medewerkers van God” (1 Kor.3,9)

Hoe moeten wij het doen ?

De deelname van de mens

Hoe moet de weg geopend worden voor de goddelijke interventie, voor de uitstorting van de Heilige Geest in onrechtvaardige situaties ? Meerdere houdingen zijn vereist en mogelijk : verzaken aan de dorst naar winst, de vergiftigde drijfveer van gans onze consumptiemaatschappij ; neen zeggen aan de wil tot macht, bron van alle tirannie , ophouden te leven voor uzelf, ophouden met te rekenen op de krachten van deze wereld, en dit door een daad van totaal vertrouwen in de goede macht van God : voor zover wij functioneren op verhoudingen die steunen op macht, laten wij ons meenemen in het raderwerk van de Prins van deze wereld, de Satan die al diegenen manipuleert, door het verlangen naar rijkdom, de dorst voor het plezier of de ambitie om carrière te maken, en zich zo aan zijn macht van de dood overleveren.

Men moet er daarentegen aan verzaken ons “geloof te plaatsen op de machten van deze wereld” (Psalm 146,3), ons te stellen onder de macht van het geld, de militaire macht, de politieke intriges. Indien wij aldus aanvaarden binnen te treden in het graf van Christus – dat is de echte betekenis van het doopsel -, wanneer wij werkelijk gans onze hoop stellen en gans ons vertrouwen op de enige macht van Hem die Christus uit de doden heeft doen opstaan – dat is het geloof -, dan zal de bevrijdende macht van de verrezen Christus zich manifesteren in de gebeurtenissen die de structuur vormen van ons dagelijks bestaan, het verandert de richting van deze gebeurtenissen en maakt de nieuwe schepping in ons leven en in de wereld in haar geheel kenbaar, door er tekenen van het komende Rijk  te planten.

Zo een spiritualiteit – dat vertrouwen is in het bewonderenswaardig werk van de Heilige Geest – overtreft het kader van de persoonlijke godsvrucht, want zij ontdekt in de ogen van onze broeders en zusters de werking en de tegenwoordigheid van God in de wereld : ” Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken”(Matth.5,16).

De gemeenschappelijke epiclese

Wanneer deze daad van vertrouwen en geloof, deze offerande die de mens doet aan God volgens het woord van de apostel : “ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden van God, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en God welgevallig offer” (Rom.12,1), dan is dat niet enkel een persoonlijke daad, wanneer een ganse gemeenschap – door zich te ontdoen van elke ambitie –  zich aan God offer in de vertrouwvolle verwachting van de nederdaling van de Heilige Geest en van de manifestatie van de heilige macht van God in zijn leven, dan noemt dit : Goddelijke Liturgie.

De eucharistische liturgie is niet, zoals sommigen ons willen doen geloven, zij, “die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben” (2 Tim 3,5), een “heilige” spektakel  of een “spiritueel” concert voor esthestisch geïnitieerden. Zij is een gedurfde daad van mannen en vrouwen, die geloven in de unieke waarde van de offerande die Christus heeft gedaan aan Zijn Vader (Ef.5,2),die geloof hebben in de bewonderenswaardige macht van de Heilige Geest die Hem heeft doen verrijzen (1 Petrus 3,18) en vertrouwen in de oneindige rechtvaardigheid van het Rijk van God  dat zo onthuld wordt, God dankend voor deze offerande,  die er eucharistie van maken en er zich mee verbinden door “mekaar en gans hun leven toe te vertrouwen” aan Christus God.

Zij zijn gespannen in de afwachting van de nederdaling van de Heilige Geest, die gans hun gemeenschap zal omvormen – met het brood en de wijn die zij ontvangen – in een ruimte van vrijheid, rechtvaardigheid en liefde, als levend teken van het komende Koninkrijk Gods.

Laten wij vanaf nu deze geloofsdaad stellen. Laat ons verzaken aan al onze  begeerten, leggen wij op het altaar van God – met onze offerande van brood en wijn – gans onze hoop neer, gans onze verlangens, al onze ambities, alles wat wij zijn en willen zijn. En laat ons, door een gemeenschappelijke epiclese, de macht van hierboven, de Heilige Geest ontvangen, die hen bezoekt die aan Christus toebehoren. Dan zullen wij God aan het werk zien onder ons. Zou dat niet de orthodoxe spiritualiteit zijn ?

(De teksten van Vader Cyrille Argenti zijn verschenen in verschillende tijdschriften, waarvan Contacts en Orthodoxes à Marseille, en zijn opgenomen in het werk van Cyrille Argenti , N’aie pas peur, Les el de la terre/Cerf, 2002)

 

Vertaling : Kris Biesbroeck