Georges Drobot : het licht in ce icoon

 

 

Het licht in de icoon

Door Vader Georges Drobot

 

christus22222.jpg

 

 

Het licht is van groot belang in de orthodoxe Kerk, om niet te zeggen van essentieel belang. Het woord “licht” komt voortdurend terug in de liturgische teksten – in de loop van de celebraties alsook in het persoonlijk gebed steekt men telken opnieuw de olielampen of de kaarsen aan. Het fysisch licht – dit van de sterren of de lichtbronnen – wordt het symbool van het eeuwige licht van het Koninkrijk van God.

De sacrale kunst van de orthodoxe Kerk, of het nu gaat om iconen, mosaïeken en fresco’s die de muren van een kerk versieren, is essentieel een liturgische kunst. Ze geven in beelden de geschiedenis van het heil weer dat verlicht wordt door de teksten van de kerkvaders en liturgische teksten, die gelezen of gezongen worden gedurende de diensten. Welnu, de orthodoxe liturgische cyclussen stemmen overeen met het cosmisch rythme  volgens dewelke onze aarde leeft. “Bidt zonder ophouden” (1 Thess.5,17) is het gebod dat het gebedsleven van elke christen regelt . Dit onophoudelijk gebed, eeuwig, incarneert zich in de cyclussen van de aardse tijden en wordt geregeld door het verloop van de zon.

De dagelijkse liturgische cyclus begint ’s avonds, volgens het Bijbelwoord : “Er was een avond en er was een morgen, het was  dag (Gen 1) Op het uur van het slapengaan, zingt men in de vespers de hymne van de heilige Sophronius van Jeruzalem : “ Vriendelijk licht der heilige glorie des onsterfelijken, hemelsen en heilige Vaders, Jezus Christus. Weer aangeland bij zonsondergang, schouwend het avondlicht. Zingen wij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest een lofzang van God”. Dit “vriendelijk licht” is geen eenvoudige woordelijke uitdrukking om te spreken van het ongeschapen licht van het Koninkrijk van God. Het drukt hier het visioen uit van de weerspiegeling van het goddelijk licht van de geschapen wereld, dat deze zang vervult van dankzegging. Het zachte, vriendelijke licht van de avond doet de verwachting van het opkomende licht van de morgen van de Verrijzenis levendig voor ogen houden.

Vervolgens komt de morgen die begint met de verheerlijking van God, schepper van het menselijk geslacht, aan wie hij de bekwaamheid geeft om het licht te zien – dit licht dat voor ons brand en dat wij met  onze ogen kunnen aanschouwen, het fysieke licht, en dat wat onze ziel kan waarnemen : het ongeschapen licht van het Koninkrijk. Op het einde van de Metten, roept de priester :” Eer aan U die ons het licht laat zien!”, en de assistent antwoordt hem :”Eer aan God in de hoge en vrede op aarde aan de mensen van goede wil…”.

 De lofprijzing tot God, Schepper en Gever van het licht is een onophoudelijke lofprijzing die het leven van de mens bepaalt of juister gezegd die al zijn daden oriënteert en  eindigt met ze te transfigureren : dat is de lering van de orthodoxe Kerk. Zo een “getransfigureerd” wezen transfigureert alles : zijn omgeving, de mensen die hem ontmoeten, de natuur die hem omringt, zoals wij het bijvoorbeeld weten van de heilige Serafim van Sarov. Hij heeft  anderen het licht van het koninkrijk laten  zien waarin hij reeds verkeerde vóór het einde van zijn leven, en hij groette hen die kwamen om hem te zien met de woorden : “Christus is verrezen, mijn vreugde !”.

Dus is het niet verbazingwekkend dat de liturgische diensten van Pasen diegene zijn die het goddelijk licht bezingen op een bijna onophoudelijke wijze. En als men weet, dat de zondag voor de christen de dag is van de Verrijzenis en haar licht, dan kan men zich voorstellen dat de sacrale kunst zal pogen te laten zien wat een paasgezang zegt : “ Vandaag is alles vervuld van licht : de hemel, de aarde en zelfs de hel. Dat gans de schepping de verrijzenis van Christus bezinge waarin onze kracht ligt.

De spiritualiteit van deze kunst die onafscheidelijk is van het liturgisch leven van de Kerk drukt zich vooreerst uit in de onderworpenheid, de gehoorzaamheid van de artist-iconograaf (schilder van iconen, miniaturen, fresco’s of mozaïeken) aan zijn spiritueel doel, dit verklaart het instrumentele aspect van zijn werk. Het is moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om het lichtgevend visioen van de spirituele wereld weer te geven in de gangbare vormen van kunst, want sprekend over het concrete – de menswording van het Woord van God, moet hij de spiritualiteit proberen weer te geven in zijn structuur. De “materiële” realiteit van de incarnatie sluit elke vorm van non-figuratieve vormen uit, “ het van zijn stoffelijk omhulsel ontdoen”, en de notie van het ongeschapen transfigurerend licht, dat ons het Koninkrijk van God onthult, laat geen naturalisme toe.

Onafscheidelijk van het leven van de orthodoxe Kerk, is de icoon dikwijls gekenmerkt als “theologie in kleuren”. Zoals elke waarachtige theologie, hangt de icoon af van de mystieke en theologische ervaring  van zijn auteur (want de Kerk van het Oosten scheidt nooit de mystiek van de theologie die, volgens haar noodzakelijk aanvullend  zijn binnen elke menselijke poging om God te benaderen) Het is bovendien zo dat de makers van deze theologische beelden welke de iconen zijn meestal onbekend blijven. Dit is vooral te wijten aan het feit dat zij een waarheid verkondigen welke oneindig meer belangrijk is dan hun eigen persoon. Door het ongeschapen goddelijk licht te tonen en de spirituele realiteit te bezingen, beschouwt de iconenschilder slechts de opperste waarheid die hem zichzelf doet vergeten. Daardoor is zijn persoonlijkheid getransfigureerd door het antwoord dan van boven komt. Ziedaar hoe, door zichzelf te vergeten of veeleer door meer transparant te worden voor de spirituele wereld, de iconograaf dit kan aantonen in zijn werk.

Om een beetje het woord ‘Icoon” te begrijpen in de orthodoxe wereld zou men het woord moeten schrijven met een grote “I”, want de ICOON is het beeld bij uitstek van de persoon of de afgebeelde gebeurtenis. Zij wil aan de toeschouwer de essentie zelf, de diepe waarheid van de personen en de dingen aantonen, zoals ze zich openbaren aan het eeuwige licht waarin ze baden en hen doordringt. De icoon toont ons geen uiterlijk voorkomen  van het moment, maar openbaart ons door haar transparantie de absolute betekenis van het voorgestelde. Zij is openbaring en lering, deelnemer en deelgenomene in de uitwisseling die zich heeft voltrokken tussen haar en door haar, tussen hem die ervoor bidt en de spirituele wereld. Immers, zo moet de functie van de icoon gezien worden volgens de formulering die tot stand is gekomen op het VIIe Oecumenisch Concilie welke de controverse moest sluiten rond de legitimiteit van de iconen : de ICOON moet de mens overtreffen in wat hijaan zijn fysieke blik voorstelt en zijn geest helpen om zich te richten op zijn Archetype.

Het fysieke licht staat ons toe om de goddelijke schepping waar te nemen en ze te integreren in ons bewustzijn op een wijze die helemaal specifiek is, verschillend van deze welke onze andere zintuigen ons bieden. Het goddelijk licht openbaart de zijnden en de dingen in hun waarheid en in hun schoonheid waarmee de Schepper hen heeft bekleed bij het begin, zonder dat een schaduw hen komt bezoedelen. De grote zieners waarvan de Bijbel ons de getuigenissen biedt, hebben gepoogd om hun visioenen van deze wereld zonder duisternis te beschrijven evenals zij hen de menselijke taal hebben toegestaan. Bijvoorbeeld : het visioen van Johannes : “En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de stad Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God; en zij had de heerlijkheid Gods, en haar glans geleek op een zeer kostbaar gesteente, als de kristalheldere diamant (…)De stad was van zuiver goud, gelijkend op zuiver glas (…) De stad had geen nood aan de zon noch aan de maan om haar te verlichten, want de glorie van God verlichtte hem (…) Er zal geen nacht meer zijn : en zij hebben geen nood aan een lamp, noch aan licht, want de heer God zal hem verlichten” (Apoc.21,10-11;18,23-22,5).

In de iconen (de schilderijen op hout, de fresco’s of de mozaïeken) is er geen bron van bepaald licht noch van schaduw. De gezichten en de lichamen schijnen van binnenuit te verlichten, door het licht dat God ze geeft “aan elke mens die op de wereld komt”, volgens een liturgisch gebed, dat vervolgt :” Dat de weerschijn van het licht van uw aangezicht zijn sporen mag achterlaten…” De  silhouetten van de personnages en het decor maken zich los op een lichte achtergrond, meestal verguld, maar ook een artistiek middel die korte metten maakt met de zwakke wil om een indruk van diepgang te geven, een verre illusie te scheppen. De icoon zegt de waarheid, zij wil geen illusie geven van wat dan ook. Zij wil iets betekenen, de weg tonen,zoals een verkeersteken of symbool (waarvan de reden van bestaan zich op een totaal ander vlak situeert), zij zal nooit effecten van optische illusie wekken.

Om dezelfde reden, ’t is te zeggen,om  te getuigen van een wereld van zuiver licht, gebruikt de icoon heldere kleuren die kunnen op elkaar gelegd worden, maar zich niet vermengen en zo hun glans zouden verliezen. De zieners van de Bijbel zoeken hun visioenen uit te drukken door het gekleurde licht te vergelijken met kostbare stenen of goud : “ In mijn visioen zag ik hoe een storm uit het noorden op kwam zetten : een grote wolkenmassa waar vuur in opflitste en die omgeven was door een gloed : de wolkenmassa schitterde als blinkend metaal(…) Boven het gewelf dat boven hun hoofden was gespannen zag men zoiets als een safiersteen in de vorm van een troon. En daarop, op wat dus een troon leek te zijn, was een mensengestalte zichtbaar. Ik zag een schittering als van metaal; boven zijn middel fonkelde die gestalte als metaal alsof er vuur in zijn binnenste gloeide, en onder zijn middel scheen hij vuur dat een gloed uitstraalde. Zoals de boog er uit ziet, die in de regentijd in de wolken staat, zo was de aanblik van de gloed die hij uitstraalde. Aldus openbaarde zich de heerlijkheid van Jahweh” (Ezechiël 1,4 ; 26-28). De oude Russische iconografen verkozen de weerschijn van deze schittering te zien in de modeste bloemen op het veld, waarvan zij zich inspireerden in hun gekleurde composities.

De tempel, de kerk is de  bevoorrechte liturgische ruimte, de plaats waar men bijeenkomt “in Naam van Jezus Christus”, volgens zijn gebod, waar de cherubijnen de troon van God omringen, zoals de orthodoxe liturgische hymne het zegt, om de Eucharistie te celebreren die de dankzegging bij uitstek is. Deze plaats is dus het symbool zelf van de geschapen wereld zoals zijn Schepper het ziet, zonder tijdelijke en ruimtelijke limieten. Een Syrisch gedicht uit de  VIe eeuw beschrijft op deze wijze de kerk van de heilige Sophia van Edessa (toegewijd in feite aan Christus die de wijsheid is – Sophia van God : “ haar uitgestrekte en schitterende bogen stellen de vier delen van de wereld voor, de veelheid en haar kleuren doet denken aan de roemrijke regenboog in de wolken (…). Haar dak uitgestrekt als de hemel : haar colommen, gewelfd en gesloten, zij is versiert met gouden mozaïeken, zoals het firmament met schitterende sterren. En haar verheven koepel is vergelijkbaar met de hemel der hemelen” Ten slotte besluit de auteur van het gedicht “Verheven zijn de mysteries van deze Tempel betreffende de hemelen en de aarde : in haar wordt de verheven Drie-eenheid op een typische wijze voorgesteld (’t is te zeggen, symbolisch), als ook het Heilsplan van onze Redder”.

De mozaïeken of de fresco’s die een kerk versieren stemmen dus overeen met dit ideaal programma. Het is het ontroerend licht van de ondergrond van de mozaïeken of de ruimtes, dikwijls in het blauw, en de ondergrond van de fresco’s  proberen de kwaliteit van het licht zonder verval van het eeuwig Koninkrijk van God te tonen. Nadat wij het belang van het beeld, zijn typische strengheid hebben gegeven(omdat, zoals wij hebben gezien, de icoon de waarheid van elk personage  moet meedelen, dus moeten de karakteristieken gerespecteerd worden),is het zo dat de orthodoxe kerken geen geschilderde ramen hebben, nochtans zijn zij zeker ook ontstaan van uit dezelfde wil om een wereld te tonen die gemaakt is van licht en transparantie. Zoals de icoon die, bij afwezigheid van diepgang, het menselijk psychisme verplicht om terug tot zichzelf te komen om het Archetype te vinden en dit vertrekkend vanuit de diepte van zijn spiritueel zijn. Zo staat de orthodoxe kerk  aan de rusteloze menselijke geest niet toe om van het uitwendige te vertrekken maar het opnieuw te centreren in het licht van het beeld van Christus die het gebouw domineert, om het nogmaals  te zeggen, het goddelijk beeld moet teruggevonden worden in het innerlijke van onszelf, dat ons zal leiden naar zijn Archetype.

Meestal zijn we ver van dit ideaal, vooral op onze dagen. Uit gewoonte zien wij de geschiedenis van de kunst, ook de sacrale kunst, als een evolutie, welbepaald als een vooruitgang. Welnu, de evolutie is niet synoniem met perfectie – dikwijls omvat zij de vernieling van de verworven wijsheid, de culturen, de kunstvormen en zelfs — de mens.

De kunst wordt gezien als een weerspiegeling van haar tijd. En indien deze tijd is geplaatst onder het teken van de vernieling ? Dus, als een weerspiegeling van de tijd zal de kunst aan zelfdestructie doen. Tenslotte, de geschiedenis van de kunst is een geschiedenis van schepping en destructie. Deze voortdurende strijd is de oorzaak van enorme verliezen en wij bewaren er weinig van. Het is altijd gemakkelijker van de vernielen dan van te scheppen….

In de loop van het scheppingsproces, schept en vernielt de mens, vergist hij zich en gaat achteruit, om tenslotte opnieuw te scheppen. Maar de enige activiteit van de mens die aanvaardbaar is ,is zijn scheppende activiteit, want de mens is geschapen naar het beeld van zijn Schepper,  en zijn geschiktheid om te scheppen is de goddelijke vonk die hij van God heeft gekregen. De creativiteit komt dus op de tweede plaats, hij bereikt slechts de oorspronkelijke waarde indien hij zich richt op zijn Bron en wanneer hij zijn licht uitstraalt. Wanneer de mens deze Bron van scheppende energie vergeet, dan wordt zijn activiteit al vlug destructief.

Wanneer ik denk aan alles wat vernield is in de loop van de evolutie van de kunst en aan alles dat ook nu nog weloverwogen wordt vernield, dan heb ik lust om met Jesaja uit te roepen :” schildwacht wat denkt je van de nacht ?(Jes.21,11) Het is door het licht te zoeken dat men bemerkt dat alleen het goddelijk Licht ons de essentie van het licht kan mededelen. “In uw licht zullen wij het licht zien !” (Psalm 36,10). Moge het zich verder openbaren in de iconen !

Vader Georges drobot : Uittreksel van : Lumière et théophanie – L’Icone, Numero hors série de la revue Connaissance des religions, 1999.

Vertaling : Kris Biesbroeck

Cyrille Argenti : Leven en bidden als christenen in de wereld van vandaag

 

Leven en bidden als Christenen in de wereld van vandaag

Cyrille Argenti 

Wat karakteriseert de wereld van vandaag en in wat verschilt hij van de wereld van gisteren ? Vanaf de VIe eeuw, getekend door het keizerrijk van Justinianus tot aan Byzantium en de regering van Clovis in Gallië, leefden de landen die gesitueerd zijn in een cirkelboog dat zich uitstrekt van Armenië tot Ierland, in het Christendom. Het christendom was de religie die erkend werd door de staat, en minstens theoretisch, door de meerderheid van de bevolking. Vanaf de VIIe tot de XIVe eeuw ontwikkelde  deze toestand zich in geheel Europa waar zij bleef voortbestaan tot aan het einde van de XXe eeuw. Vanaf Griekenland tot Scandinavië institutionaliseerden de Kerk en de Staat hun  verhouding. De bisschoppen kroonden de koningen of de keizers. De definitie van goed en kwaad werd gegeven door het Evangelie, wat niet betekende dat men altijd voor het goede koos ! Immers, zelfs indien de principes van de christelijke moraal werden aanvaard als normatief, dan nog werden ze niet met kracht toegepast door de regeringen en het geheel van de bevolking.

Sedert het einde van de XIXe eeuw, is deze situatie veranderd. Vooreerst – de ontwikkeling – vlug en belangrijk – van de wetenschappen en de techniek hebben de geesten getransformeerd. Velen waren  verblind door de wetenschappelijke uitvindingen en de nieuwe technologieën, nl. dat de wetenschap alle problemen van de mensheid zou kunnen oplossen. Er waren twee wereldoorlogen nodig om de illusie van het sciëntisme in te zien en zich bewust te worden  van de ambiguïteit van de vooruitgang, die buitengewone werktuigen voortbracht zowel ten goede als ten kwade, en die tegelijk de atoombom als de vaccins voortbracht. Gedurende deze tijd heeft de wetenschap het geloof van de troon gestoten in duizenden geesten (…)

De evolutie van de zeden heeft een ingrijpende verandering teweeg gebracht tussen de gehuwden en het gezin; zij heeft het huwelijk in diskrediet gebracht en een verhoging van het aantal echtscheidingen, vele jongeren willen zich niet meer engageren. Zij komen in een soort desillusie terecht die nog verergerd wordt door de opkomst van aids, die, als gevolg van seksuele overdracht, het idee heeft verspreid van een “liefde die doodt””.

Kortom, wij leven in een maatschappij die zijn schuilplaatsen heeft verloren. Een maatschappij die in de war gebracht is en verbijsterd, die begerig is om zowel de ideeën van het boeddhisme en het Hindoeïsme aan te nemen – zoals de theorie van de reïncarnatie – als de esoterische leerstellingen of theorieën die verspreid worden door sekten die uit Amerika komen (Mormonen, getuigen van Jehova, enz..), of nog de fantasierijke verbeeldingen van de apocriefe Evangelies.

Dit alles mengt zich onder de schapen van het christelijk geloof op een verwarrende en incoherente wijze,  en doet een soort van syncretisme ontstaan, die ons vreemd genoeg herinnert aan datgene wat heerste in de IIe eeuw van onze tijdsrekening, ten tijde van het “gnostiscisme”, die met zoveel energie is bestreden door de heilige Ireneüs. Maar in die tijd had het christelijk taalgebruik – dat gans nieuw was –  een groot impact  , dezelfde woorden, herhaald en beluisterd gedurende eeuwen, heeft dat impact verloren. In onze dagen, die men kan kenmerken als “post-christelijk” is de christelijke woordenschat opgebruikt. Een nieuwe taal uitvinden die actueel is en die bekwaam is de eeuwige waarheden uit te drukken is één van de moeilijkheden van de hedendaagse evangelisatie.

Het geloof in de verrezen Christus belijden

Hoe moet men in zo een wereld als christen – en bovendien als orthodox – zijn geloof uitdrukken in het dagelijks leven ? De bekoring van de christenen vandaag is om futloos te worden, te verzwakken, de boodschap van Christus af te zwakken om de wereld niet te schokken. Men praktiseert een laf christendom. Men durft de maagdelijkheid van Maria niet meer te bevestigen om niet lachwekkend over te komen. Men durft niet meer te verkondigen dat Christus is verrezen met een echt lichaam van “vlees en been” om niet de indruk te wekken dat men in mythes gelooft. Men durft de ene God in drie personen niet meer te verkondigen om de rede niet meer te stoten.

Vanaf dat moment spreekt men van de Heer Jezus alsof Hij slechts een mens was, een grote ingewijde of groter dan de profeten. Men herleid het Goede Nieuws volgens dewelke God de mensen heeft bezocht tot een moraliserende boodschap, tot een reeks bevelen en verboden. Kortom, men doet het zout zijn smaak verliezen; met wat zal men het terugkrijgen ?

Leven als christen vandaag, is leven van het Goede Nieuws in zijn volle verbazingwekkende volledigheid. Het is belijden dat het lichaam van de Verrezene, die nog altijd de sporen van de nagels heeft en de lans, een nieuwe schepping doet ontstaan waarop de dood geen vat meer heeft. Het is elke dag ontdekken dat Jezus van Nazareth, de Gekruisigde, waarlijk levend is want echt verrezen. Wij zijn dus geen slaven meer van de angst voor de dood. In tegenwoordigheid van een overledene, zingen wij het troparium van Pasen “Christus is verrezen uit de doden, door de dood heeft Hij de dood overwonnen”. De wanhoop van de ongelovige in plaats van de rustige hoop van de gelovigen die roept : “Laat rusten, o Christus, hem die gij hebt uitverkoren om het licht van Uw Aanschijn te aanschouwen, in de zachtheid van uw schoonheid”.

Zo is de Verrijzenis het fundament van ons geloof, maar zijn wij intiem en reëel hiervan overtuigd ? Stellen wij deze vraag voor God; laat ons het opnieuw onderzoeken door een intense bezinning en tijd voor noodzakelijke studie. Alleen voor het aangezicht van God, alleen in het verborgene van mijn geweten, moet ik mij afvragen : “Ben ik intiem ervan overtuigd dat Christus waarlijk verrezen is in zijn glorierijk lichaam, in zijn getransfigureerd lichaam ?”

In het Credo, dat wij elke zondag lezen in de loop van de Goddelijke Liturgie, belijden wij evenzeer dat Christus “de enige Zoon van God is, licht van licht, ware God van de ware God, één in wezen met de Vader, door wie alles geschapen is”. Daar verkondigen wij dat Hij de Schepper is, dat Hij God is als Zijn Vader, dat Hij dezelfde God is als de Vader en de Heilige Geest. Dit geloof is de steen waarop de Kerk is gebouwd (…). Omdat wij waarlijk geloven in de komst in het vlees van “de Ene van de Heilige Drievuldigheid, de deïficatie van ons vlees is het doel van ons dagelijks en reëel leven, dat wij willen doordrongen zien  van de Heilige Geest. Daarom plaatsen wij een icoon in het centrum van onze woonplaats en boven het huwelijksbed. De persoonlijke band met de Heer ontwikkeld zich en wordt verduidelijkt in de beschouwing van de heilige Iconen,  die een van aangezicht-tot-aangezicht geven tussen de orthodoxe christen en Christus. De iconen weerspiegelen ook de ervaring van de gelovige getuigen van Christus, profeten, apostelen, martelaren, al onze vaderen in het geloof. Hoe meer wij ons hiermee vertrouwd maken, doorheen hun icoon, hun leven en hun geschriften, hoe meer wij de weg terugvinden die leidt naar de Meester die ons gemeenschappelijk is. De icoon is daar opdat de God die mens geworden is aanwezig zou zijn op elk moment van de dag en de nacht, opdat Christus ons zou zien leven en wij ons levend zouden voelen onder het heiligmakende gezicht van God.

Maar wanneer wij de zondagen communiceren, zijn wij dan werkelijk ervan overtuigd dat wij “het lichaam” van de Verrezene nuttigen,van God die mens geworden is en “zijn bloed” drinken ? Wanneer wij de icoon van Christus in ons huis plaatsen, drukken wij dan waarlijk ons geloof uit van God de Zoon die mens geworden is en die ons reële leven binnentreedt, dagelijks, vleselijk ? Wanneer wij, op het feest van de Theofanie gezegend water nemen en daarmee het doopsel van Christus herdenken in de wateren van de Jordaan, denken wij dan waarlijk dat de Heilige Geest, die de wateren zegent, ook de materie zegent en de ganse schepping vernieuwt ? Kort, door elk van deze daden, drukken wij ons geloof in de Menswording van het goddelijke Woord in het dagelijkse leven concreet uit.

Het is zeer belangrijk om te bidden tot de Heilige Geest. God, die de mens geschapen heeft naar Zijn beeld, ’t is te zeggen naar het beeld van de Drie-eenheid heeft van de mensen geen geïsoleerde individuen gemaakt noch  kuddedieren, maar onderscheiden personen die slechts bestaan in relatie met elkaar, een onvervangbare verscheidenheid van eenieder. De Drie-eenheid is dus het model van de echtelijke relaties, van de sociale verhoudingen, van de kerkelijke structuren. Leven als christen in een maatschappij, is zonder ophouden dit trinitair model voor ogen te houden, waardoor de onvervangbare persoonlijkheid van eenieder openbloeit volgens zijn eigen roeping, in volle vrijheid, in een communio van liefde. Zeker, wij zijn genoeg realist om de omvang van het egoïsme te erkennen – de onze inbegrepen – , de macht van de onruststoker (de duivel) en de wet van de jungle die regeert over de gemeenschappen. Maar het trinitaire model – dat “het sociale programma van de christen” bevat – dat ons leven liefheeft, voorziet in de permanente dynamiek die ons gelijdelijkaan omvormt en een betekenis geeft aan al onze activiteiten in de schoot van ons gezin, in het sociale milieu, in onze Kerk. Vraag is : inspireert het trinitaire model de kwaliteit van onze menselijke relaties ?

Wij bevestigen, volgens het evangelie van Johannes, dat de  Heilige Geest “voortkomt uit de Vader” en dat Christus ons hem zendt (Joh.15,26). Wij roepen zijn nederdaling  “over ons” en over de “heilige gaven” in de loop van de Liturgie. Wij bevestigen met de heilige Seraphim van Sarov, dat “het doel van het leven is : de verwerving van de Heilige Geest”. Maar gaat dit zomaar ? Deze verwerving is zij werkelijk het doel van ons leven ? Nemen wij Pinksteren evenzo au serieux als de Verrijzenis? Welke plaats heeft de heilige Geest in ons bestaan ?  Beginnen wij elke dag opnieuw met direct de vernieuwing van de gave van de Heilige Geest te vragen :” Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid, gij die overal tegenwoordig zijt en alles vervult, Schatkamer van alle goed en Gever van het leven, kom en verblijf in ons, zuiver ons van alle smet en redt onze zielen, Gij die goed zijt” ? Op een meer algemene wijze, nemen wij de “werking van de Heilige Geest”au serieux om ons leven te richten en er zijn bemiddeling op elk moment te vragen ? Rekenen wij op onszelf en op onze eigen wil, ziek en zondig, of rekenen wij op Hem, de Heilige Geest, om “ons te bezoeken en onze zwakheden te genezen” ? Smeken wij Christus met geloof wanneer wij ons bewust worden van onze fouten, onze zonde, onze  ondergang, dat Hij ons Zijn Heilige Geest zou zenden om ons te zuiveren, ons te genezen, ons te veranderen, ons om te vormen, om van ons nieuwe schepselen te maken ? (…)

Persoonlijk gebed

Christen zijn, is vertrouwen hebben op de tussenkomst van de Geest van God in ons leven en voor onze persoon, om ze om te vormen naar het beeld van het leven van de persoon van de God-Mens. Het betekent dus dagelijks tijd vrijmaken om tot God te bidden in de naam van de Heer Jezus opdat de Geest die op Hem rust, zich uitspreidt over ons; het is in dit contact met de geest van Christus  de energiebron zoeken die onze persoonlijkheid zal oriënteren en een betekenis geeft aan ons leven. Maar wat is bidden ? Vooreerst is het geen gebeden opzeggen –een bandrecorder kan dat beter dan jij. Om te bidden moet men zich vooreerst voor het aanschijn van de levende God plaatsen, ’t is te zeggen in het aangezicht van de icoon van Christus. De levende God is tot ons gekomen. Hij heeft het gelaat van een mens aangenomen : dit van Christus. Doorheen zijn icoon, bekijkt Hij ons. Hij is altijd voorgesteld van vóór,, Hij die ons bekijkt; zijn blik ontmoet de onze. Dit van aangezicht tot aangezicht, van Persoon tot persoon, is het begin van het gebed.

Maar “wij weten niet te bidden zoals het hoort”, en “de Geest komt ons te hulp in onze zwakheid (…) Hij spreekt ten beste voor ons in onuitsprekelijk  verzuchtingen” zegt sint Paulus (Rom,8,26). Het is daarom dat het past om elk gebed te beginnen, maar ook elke andere daad die wij stellen, en gans de dag, met een aanroeping van de Heilige Geest. De heilige Basilios, in zijn “verhandeling over de Heilige Geest”, schrijft “Het is de Heilige Geest die het gelaat van Christus verlicht, Hij is het die ons de Vader doet kennen”. De aanroeping van de Heilige Geest leidt ons dus naar een trinitair gebed. Bidden, is naar de ontmoeting gaan van de “twee handen” die ons de Vader aanreikt : de Zoon die tot ons gekomen is als mens en die tot ons gesproken heeft met een mensenmond, en de Heilige Geest die over ieder van ons is nedergedaald, verzameld in de Kerk, onder de vorm van vurige tongen, op de dag van Pinksteren. Bidden, is de Heilige Geest verwerven om de Zoon te ontmoeten en de Vader te leren kennen (…)

Orthodoxie en orthopraxie

Maar is ons dagelijks leven wel een afspiegeling van de “theologie” die wij menen te belijden en onze godsvrucht ? Wij geloven dat Jezus van Nazareth de Christus, de Zoon van de levende God is, en nochtans is het zo dat in ons dagelijks leven – in ons gezin, op ons werk, gedurende onze vrije tijd, in onze affectieve relaties –  onze wijze van gedraging weinig verschilt met deze van onze omgeving, van onze geburen of collega’s die voor het merendeel ongelovig of onverschillig zijn voor de Persoon van Christus.

Hoe kan ons geloof groeien of moet zij onze familiale of sociale gedragingen wijzigen ? Wat onderscheidt onze wijze van leven van dit van de ongelovigen ? Hoe getuigen van de verrezen Christus in ons leven van elke dag ?

Voor velen die zich christen noemen heeft de moeilijkheid om dit probleem op te lossen hen geleid tot een ontwijking ervan door hun leven ervoor af te schermen. Enerzijds “praktiseren zij de religie” door hun aanwezigheid en hun deelname aan de diensten van de Kerk – “zij gaan naar de mis” -, ofwel door een persoonlijk gebed thuis. Anderzijds leven zij in de maatschappij op dezelfde wijze als de andere personen. Hun “religieus leven” en hun leven in de profane wereld zijn niet op mekaar afgestemd, zij weerkaatsen mekaar niet. Zodanig dat “de lekenstaat” de Kerken heeft kunnen kenmerken als “culturele assosiaties”. Zo beperken zij de “cultus”, de religie wordt een “privé zaak” zonder invloed op het sociale leven.

Dit probleem is in realiteit niet echt nieuw. Het was reeds in werkelijkheid, de houding van “religieuze” mensen in Israel , zo de verontwaardigheid opwekkend van Gods profeten.

Ik haat, ik misprijs uw feesten, voor uw plechtigheden walg ik (…) Uw offers  behagen mij niet. Verwijder van mij het geluid van uw lofzangen (…) maar dat het recht vloeit als water, en de rechtvaardigheid als een stortvloed die niet opdroogt (Amos 5,21-24. Cf.ook Jesaja 1,11-19.)

Kort, God heeft slechts behagen in gebeden en lofzangen dan die welke voortkomen  uit een rechtvaardige instelling in het sociale leven. Een cultus die ons leven niet omvormt is een hypocrisie. Een liturgisch leven dat niet uitmondt in wat Johannes Chrysostomos noemt “het sacrament van de broeder” is niet christelijk, maar een “heidense religie” religieus. Het is daarom dat Christus heeft gezegd, in twee zinnen uit het Oude Testament : “Gij zult de Heer uw God beminnen met gans uw ziel en gans uw geest, en uw naaste als uzelf. Doe dit en gij zult leven”. God aanbidden en zijn broeder dienen zijn één en hetzelfde; de cultus van het dagelijks leven afschermen is heidendom.

Het is niet hij die zegt : “Heer! Heer !” maar hij die de wil van mijn Vader die  het koninkrijk zal binnengaan “ (Matth 7,21). Het gaat er niet alleen om de waarheid te ontdekken en te belijden, men moet ook, zoals Christus zegt in het evangelie van Johannes “de waarheid doen” (Joh.3,21). Zonder dat is ons geloofsleven, het gebed, de communie slechts iets uiterlijks,een leugen, hypocrisie en Farizeïsme . De orthodoxie is het rechte geloof, de rechte verheerlijking. Maar er is geen orthodoxie zonder rechtzinnige daden, zonder orthodpraxie.

Geloven en glorie brengen aan God volgens de orthodoxie vereist evenzeer een manier van leven, een wijzen van handelen. Deze wijze van zijn, deze gedraging is beschreven door Christus in het sermoen op de berg (Matth 5-7). Het rust op een fundamenteel principe : de mens geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God.

De evangelische liefde in het dagelijks leven

Gans deze wijze van zijn, gans het geloof dat wij in ons leven uitdrukken, hetzij in ons gezin, op het werk, in onze vrije tijd of in ons affectief leven, moet zich incarneren in ons dagelijks leven. Het fundamentele principe van deze praktijk is zeer simpel : God heeft de mens geschapen – de gehele mens – naar Zijn beeld en gelijkenis, ’t is te zeggen als een persoon die slechts werkelijke bestaat in een communio van liefde met de anderen, en niet als een individu – een entiteit die opgesloten zit in de kooi van zijn egoïsme – of een anoniem nummer in een kudde-collectiviteit. Indien wij dus God aanbidden, dan verheerlijken wij Hem door zijn beeld te respecteren, ’t is te zeggen door elk menselijk wezen, vriend of vijand, sympathiek of onsympathiek, collaborateur of vijand – te behandelen als een broeder  die Christus zo heeft liefgehad dat Hij zijn leven ervoor heeft gegeven. Iedere man of vrouw is dus een persoon op weg naar het heil dat wij in de mate van onze mogelijkheden – al was het maar door een glimlach -, moeten aan bijdragen. Als wij een moordenaar in de gevangenis moeten opzoeken –“Ik was in de gevangenis en gij hebt mij bezocht” (Matth 25,36)- hoeveel te meer moeten wij ons interesseren voor het geluk en de vooruitgang van een rivaal of een tegenstander… Want hij is ook geschapen met het doel : zijn ultieme vergoddelijking.

In het gezin, op het werk en in de Kerk, zoeken wij onophoudelijk om met de ander te communiceren in het respect van zijn persoonlijkheid. Niet om hem te onderwerpen, te overheersen of hem op te nemen in een groep door hem ermee te assimileren, maar om hem lief te hebben zoals hij is, of veeleer zoals God hem oproept om te worden. Dit alles opdat hij ten volle het plan van de Schepper voor hem zou realiseren, door  de ontplooiing van zijn eigen gaven in dienst van de gemeenschap waarin hij leeft.

In het gezin : indien men christen is moet men van een ouder, een kind, een echtgenoot, een echtgenote, een broer, een zuster houden en niet zoeken om hen in bezit te nemen, te domineren, er profijt uit te trekken of hem voor zichzelf te willen. Het is het verlangen zijn eigen vrije ontplooiing te schenken en te zoeken wat men hem kan geven –“ Er is meer vreugde door te geven dat door te ontvangen” (Handelingen 20,35) – om hem te ondersteunen, hem te helpen om beter te worden, om zijn projecten te helpen realiseren en niet die welke wijzelf hem willen opleggen. Dit om hem te troosten, hem het maximum aan vreugde te schenken, opdat hij zich bemind zou voelen Waarlijk beminnen heeft niets te zien met sentimentaliteit; het is verlangen en hem aanmoedigen om zijn vergoddelijking te verkrijgen, want daarvoor werd hij geschapen. In deze zin mag men vooral niet vergeten om de voornamen  van de leden van ons gezin te vernoemen – levenden zowel als overledenen – bij het begin van de Goddelijke Liturgie, opdat hierdoor de Heilige Geest zou uitstralen over hen gedurende gans de week. De diptieken (lijst met namen  die men herdenkt, beginnend in twee colommen, één voor de levenden en een andere voor de overledenen), zijn de band tussen de liturgie en elke persoon die wij liefhebben en zouden moeten liefhebben.

In het professionele leven: Werken betekent voor een christen : een weerspiegeling geven van het Koninkrijk in de aardse realiteit en de materie van deze wereld. Het is wat schoonheid brengen in het leven. Of men loodgieter is of straatveger, het gaat erom de wereld mooier te maken. Een christelijk metser is op zijn manier een iconograaf. Indien het Evangelie ons een bepaalde visie heeft gegeven van het koninkrijk van God, dan proberen wij door onze arbeid er een planafruk van te maken in het domein waar onze activiteit wordt uitgeoefend. Dit kan zijn bijvoorbeeld de sfeer zijn welke een verpleegster tracht  te brengen in haar dienst, of de schoonheid welke de meubelmaker geeft aan het meubel dat hij maakt, de kleine notie van warmte welke een secretaris tracht te brengen in zijn bureau…. In elke arbeid kan de christen een klein beetje licht binnenbrengen, een klein deeltje van de hemel. Het volstaat hiervoor dat hij tijdens de Liturgie van de zondag heel aandachtig de lezingen van het epistel en het Evangelie volgt, dat hij zich afvraagt hoe men in het vervolg dit alles in de praktijk kan omzetten. Indien het Woord van God ons hart raakt, dan zal het ons leven veranderen en onze wijze van werken transformeren. De parabels van Christus en al zijn leringen zijn altijd dicht bij het dagelijks leven.

Elke  gezel van de arbeid en collega ,ondergeschikte of meerdere – is nooit een nummer of een robot, maar een persoon die God wil redden. Hij moet ons interesseren; wij moeten zoeken om met hem een menselijk contact te onderhouden, zijn zorgen en verzuchtingen ontdekken, een glimlach geven. Zelfs een cigaret aanbieden is reeds een toenadering. Het is een antenne die op de ander gericht is. Laten wij ons dus inspannen om op elk ogenblik het ijs te breken, het masker af te nemen, de koelheid van de professionele taal achter zich te laten, het hart van een onbekende te raken, een kleine dienst bewijzen aan hem of haar die ons een rotstreek heeft aangedaan, een vriendelijk woord voor hen die ons kortaf of kwetsend is geweest, ons ongeduld temperen, waken over ons slecht humeur, de vrede in het hart hebben en rondom ons doen heersen.

Wanneer wij de vorige dag gecommuniceerd hebben, laat ons er dan aan herinneren dat wij dragers van Christus geworden zijn in onze arbeidsplaats Als Hij in ons hart aanwezig is, zal deze aanwezigheid onbewust uitstralen rondom ons. Want deelnemen aan de eucharistie, is  God de toestemming geven om de meest intieme band te smeden die er is, op het niveau zelf van het zijn. Deze band kan vervolgens geleidelijk aan gestalte krijgen op het niveau van het bewustzijn en de dagelijkse omgang.

Wat tenslotte telt is niet zozeer wat wij doen of zeggen, maar wie we zijn. De goede boom kan slechts goede vruchten voortbrengen. Laat ons glimlachend en vrolijk zijn omwille van de Verrezen Christus,  tot vrede gebracht en vrede brengend, want wij zijn vergeven en verzoend. Anderzijds ben ik  wrevelig,  gekweld, prikkelbaar, agressief , het spel van de jungle spelend met wie mij omringt, hoe kan ik getuige van Christus zijn ?

In onze vrije tijd en ons affectief leven: om zijn taak zo goed of beter te kunnen volbrengen is het nodig dat wij ons van tijd tot tijd ontspannen. Het gaat hier niet om plezier te zoeken door zich van anderen te bedienen, maar om in de vriendschap en de liefde datgene te zien wat wij kunnen geven. De christen wil in de ander altijd een persoon zien, een doel op zich, nooit een middel. In onze vrije tijd, laat ons dan het menselijk contact zoeken en niet het plezier, de persoonlijke rijkdom die in de ander verborgen zit en niet de sensaties. Het nastreven van sensaties des-humaniseert de mens.

De Heer komt !

De andere dus beminnen, maar niet de liefde liefhebben. Uittreden uit zichzelf, de ander helpen, hem beter willen door hem te aanvaarden zoals hij is. Per slot van rekening, iemand waarachtig liefhebben, is zijn eeuwig geluk willen, ’t is te zeggen zijn vergoddelijking.

Leven als christen is het prachtige risico nemen om datgene niet te doen waar wij zin in hebben, noch dat waartoe de maatschappij of de omgeving ons  aanspoort te doen, maar datgene te doen  wat het Woord van God ons voorschrijft.

Dit alles is geen utopie, want wij geloven dat Christus ons zijn Heilige Geest heeft gezonden – die voortkomt uit de Vader – over zijn Kerk en over elk van zijn leerlingen op de dag van Pinksteren, en dat diezelfde Geest, dagelijks aanroepen, ons hart kan veranderen van een stenen hart naar een hart van vlees. Hij kan als een levende bron een woestijn omvormen tot oase, een vagebond in een heilige en, waarom niet, onszelf tot dienaren Gods.

De tijd van de “sociologische christenen”, ’t is te zeggen van hen die christen waren omdat de sociale structuren het zo verlangden, is voorbij. De tijd van de lauwe christenen, die Christus “uitbraakt uit Zijn mond” (Apoc.3,16)is voorbij. In een samenleving die steeds meer heidens wordt, laten wij meer en meer orthodoxe christenen worden, ’t is te zeggen steeds authentieker levende leerlingen van God die mens geworden is en dit door onze manier van leven en gans onze wijze van zijn.

De christenen zullen dan diegenen worden waartoe zij geroepen zijn : het licht van de wereld van vandaag, zoals ook zij die leefden in het tijdperk van Nero en Diocletianus.

De Heer komt !

(Vader Cyrille Argenti – vertaling uit het Frans : Kris Biesbroeck)

Papathomas : De orthodoxe kerk en de secularisatie

De orthodoxe Kerk en de secularisatie

Prof.Hdr.Archim.Grigorios D.PAPATHOMAS

Deken van het Orthodox Theologisch seminarie”H.Platon”

 

De definities die vandaag de dag worden gegeven voor secularisatie in de theologische en kerkelijke wereld, zijn meer gebonden aan haar gevolgen, veeleer dan aan haar oorsprong. Om het fenomeen van de secularisatie met betrekking tot de Kerk te illustreren, gebruiken wij termen als : vervalsing, vervreemding, verwijdering, afwijking, geest van deze wereld  enz…, want juist het vertrekpunt van deze definities is niet van theologische aard, maar moreel. Onze aandacht is dus altijd gericht op de gevolgen van het fenomeen voor de Kerk en niet op zijn oorzaken.

Om het fenomeen, het probleem van de secularisatie te benaderen in haar voornaamste oorzaak, zou men deze moeten beschouwen als een soort permanente bekoring van de Kerk, die feitelijk de derde bekoring van Christus is : de bekoring waar de Heer voor geplaatst wordt door de geest van de wereld bij het begin van zijn openbaar leven (Mt.4,8-11). Maar waarom weigert Christus om zich te onderwerpen aan de bekoring ? Is het alleen uit trouw aan de zending die Hij van de Vader heeft ontvangen, ofwel door iets veel dieper ? Het  blijkt dat deze weigering om zich aan de bekoring te onderwerpen ontbreekt, wanneer men er niet tegen strijdt, dit aanleiding geeft tot secularisatie.

De Kerk, zoals Christus ze gewild heeft bestaat niet uit een puur historisch organisme die zich telkens kan transformeren volgens de heersende ideologieën van de tijd door er zich aan  te passen ; een dergelijke aanpassing zou ze juist binnenleiden in de secularisatie. De Kerk is ook geen schuilplaats van individuele existenties, met het doel  hun individuele noden in te willigen. De Kerk bestaat als relatie en communio. In waarheid, het is de relatie van de wereld met God – in Christus – die Kerk genoemd wordt. En dit “in Christus”, plaats van ontmoeting van de wereld met God, toont ons dat het karakter van de Kerk diep “Theoanthropisch” is. De val betekent reeds een  afkeer van de mens tegenover God en een zich opsluiten in de wereld en de gescheiden schepping van God. Zij voert de mens en de wereld naar een zelfgenoegzaamheid, naar een zich opsluiten in zijn eigen ego, ’t is te zeggen in het egocentrisme.

In de tuin van Eden, kwam met Adam (Gen.3,17) de eerste en unieke gebeurtenis : een schepsel, de duivel, richt zich tot een ander schepsel, de mens, om te discussiëren , over de juistheid – zoniet over de wijgering – van de scheppingsact van God. Het gaat daar niet over een voorstel van totale weigering van God, maar over de verbetering van Zijn werk. In dit geval wordt het schepsel het criterium van dat wat moet zijn. Het wordt zelf het archetype van het beeld volgens welke de mens is geschapen. Maar deze is nochtans het beeld “van God”, en niet van het schepsel zelf. En door deze omkering van perspectief is het beeld van God ingesloten binnen een conceptie en een intra-seculiere ruimte. Alles wordt ten dienste gesteld van een seculier objectief. Zelfs “God” wordt gebruikt, geïdentificeerd ten dienste van een historische finaliteit.

De tweede gebeurtenis kwam met de persoon van Christus “op een zeer hoge berg” (Mt 4,8), waar de duivel zelf zich aan de dingen van de wereld tracht vast te klampen, door Hem voor te stellen om zich te fixeren op de dingen van deze wereld en de dimensie van de hemel en de eeuwigheid te weigeren :”ik zal u dit alles geven”(Mt 4,9). De duivel probeert dus om de existentie van Christus, Zijn menswording en Zijn eschatologisch perspectief zelf te seculariseren zou men kunnen zeggen.

Nochtans is Christus gekomen om de ganse wereld, zichtbaar en onzichtbaar  in Zichzelf te verenigen. Hij vormt in Zijn Lichaam – dat de Kerk is – de schepping in haar nieuwheid, de ganse waarneembare en onzichtbare wereld, door te verenigen wat ontbonden was. De Kerk kan niet gezien worden zonder de wereld, en de wereld zou niet echt bestaan zonder de Kerk, buiten haar relatie met Christus. Het werk van de Kerk bestaat in het ontvangen en de incarnatie van het geheel van de schepping volgens het project van de goddelijke economie, op weg naar de “gelijkenis”. Wanneer de Kerk deze weg en deze oriëntatie van “gelijkenis” verliest, dan maakt zij zich louter en alleen gelijkvormig aan de geschiedenis. Door het perspectief van het Koninkrijk ( van de gelijkenis) te verliezen, identificeert zij zich eenzijdig met de wereld en geeft hij zich over aan seculiere bedoelingen. Bij gevolg, zij seculariseert zich en opent de weg voor haar eigen verdere desoriëntatie. Dan wordt de Kerk door de wereld opgeslorpt in plaats dat de wereld door de Kerk wordt getransfigureerd. De Kerk bezwijkt aan de bekoring waaraan ook Christus heeft moeten weerstand bieden. Zij wint misschien de koninkrijken van deze wereld, zo onbeduidend en onzeker, maar ze verliest het komende Koninkrijk van God.

De vraag is dus gesteld : in welke mate is de Kerk in Europa en in de ganse wereld, vandaag de dag in de greep van de secularisatie en wat moet haar houding zijn tegenover dit fenomeen ?

a)De secularisatie zou kunnen een directe nefaste invloed hebben op de structuur en de identiteit zelf van de Kerk. Onder haar invloed wordt de eucharistische gebeurtenis, die het fundament van de Kerk is, aangetast. : de verzameling van de kerkelijke Gemeenschap en de communio glijden alzo af naar een individuele morele verbetering. De essentiële functies van de Kerk krijgen het karakter van een bureaucratie, het synodale systeem – in het begin een bijeenkomst voor de bevestiging van het geloof – wordt een mechanisme van controle op basis van seculiere democratische criteria , van het principe van de meerderheid in het beste geval. De hiërarchische en charismatische structuur wordt zo omvergeworpen. De sacramenten –“mysteriën” in de orthodoxe taal –  worden daden van privé en mondaine uitingen. Zij zijn niet meer gebeurtenissen van de eschatologische communio. De eenheid tussen de theologie en het kerkelijk leven is verbroken. De kennis maakt zich los van de liefde. De Kerk wordt een ideologisch mechanisme die zich verdedigt tegenover diegenen die haar niet aanvaarden. Alle middelen kunnen worden gerechtvaardigd….

b) De secularisatie is een langdurig proces, in gang gezet door verschillende  toevoegingen en de onttrekkingen in verband met de identiteit en de traditie van de Kerk, door “correcties” dus in verband met het scheppend en soteriologisch werk van God in de Kerk. Het is om deze reden dat de Kerkvaders zich zo streng toonden wanneer het ging over de transformatie van de structuur en de dogma’s van de Kerk, zelf al was het maar over een iota. En het is om dezelfde reden dat wij actueel met respect en begrip de aanhankelijkheid van de Kerken en de gelovigen constateren voor datgene wat ons is overgeleverd en is beleefd in elke kerkelijke traditie.

c)De orthodoxe Kerk draagt een bijzondere gevoeligheid in zich in dit verband, zoals de eindtekst van de Bijeenkomst van de Hiërarchie van het oecumenisch Patriarchaat , dat bijeengeroepen werd in de Phanar in september 1998, getuigt :”Wij (Orthodoxen) worden ook onderworpen aan de bekoring van de “secularisatie”; de opvatting komt hier op neer dat voor de wereld en alles wat relatief is  het leven zonder God en het opgaan in de wereld  is(…). God heeft ons geen “geest van vrees gegeven maar een geest van kracht en wijsheid” (2 Tim.1,7). Wij moeten in deze geest in deze geseculariseerde wereld, die alles tot zichzelf terugvoert, proberen te leven. Daarom zijn wij geroepen om in ons leven Hem te manifesteren die ons heeft geschapen, in onze woorden en daden het teken en het getuigenis offerend van kinderen van God in het licht van Zijn almacht”

d) Wanneer de secularisatie onverwachts komt, dan handelt de Kerk op twee verschillende manieren : zij wordt hetzij een deel van het staatsapparaat, ofwel tracht zij zich in de plaats te stellen van de Staat. In de orthodoxe landen is de secularisatie als persoonlijke zwakheid van de leden een weinig bekend fenomeen, evenals de tendens om te institutionaliseren,zowel in de recente geschiedenis als in de oudheid. De volgende oproep van de Heilige Johannes van Damascus in zijn “Tegen de vijanden van de iconen” is zeker geen toeval : “Het komt aan de hoogste instanties niet toe om regels te maken binnen de Kerk (…) De hoogste instanties moeten een politiek juiste gedraging hebben”. Maar de tendens van secularisatie heeft institutionele dimensies aangenomen na de Verlichting en de franse Revolutie, van daaruit is zij ook gegaan naar de landen van de Orthodoxe traditie en orthodoxe meerderheid onder de vorm van een inspanning om te moderniseren en zich conform te maken aan de europese geest.

Vanuit de vorige vraag, met een schets van de invloed die de Kerk ontvangt van de institutionele secularisatie, groeit de volgende vraag : Is de Kerk – het Christendom – in staat om het hoofd te bieden en de tendensen van de tegenwoordige mens naar een totale breuk met de communio met God,omver te werpen ?

Ons antwoord is positief, om volgende redenen :                                                                   

a)Omdat de Christen gelooft in de geopenbaarde waarheid. Dank zij dit geloof is hij zeker van het eschatologisch leven en bidt hij opdat het project van God zou vervuld worden in zijn persoon. Hij hoopt, en deze hoop verzwakt niet, volgens Sint Paulus (Rom.5,5).

b) Omdat de christelijk gelovige meer en meer de persoonlijke vrijheid van elke mens, die zijn eigen manier heeft en zijn eigen geloof heeft om zich met God Schepper te verenigen,  leert accepteren en respecteren. Hij die als God Vader “elke mens verlicht en heiligt die op de wereld komt” (Joh.1,9).

c) Omdat er een progressieve bewustwording is  voor het feit dat wij, om het project en de wil van God te vervullen,  uitgenodigd zijn om in ons leven de waarden – die terzelfdertijd  deugden zijn – tot de onze te maken : wederzijds respect, broederlijkheid en solidariteit, wederzijdse ondersteuning en tenslotte van de liefde, die zich verheft boven elk ander principe  en deugd.

d)Omdat de christelijke Kerken die wij vertegenwoordigen in Europa op verschillende manieren de beschikbaarheid en de wil hebben om opnieuw leven te geven aan de boodschap van het Evangelie in de wereld die nieuw schijnt  te zijn, maar die zich niet heeft losgemaakt van zijn wortels en alle menselijke middelen te gebruiken opdat een vreedzame en rechtvaardige coëxistentie voor de volkeren van Europa zou gerealiseerd worden.

e) Omdat, vertrouwend, de Kerk een belangrijke dialoog zou ondernemen in alle richtingen en in alle omstandigheden, en dit voor een bredere kennis van de ideeën van de mensen.

f) Omdat, heel eenvoudig, Christus verrezen is uit de doden !

 Vertaling : Kris Biesbroeck

De icoon van de opwekking van Lazarus

De icoon van de opwekking van Lazarus

 

Lazarus opwekking 11.jpg

(zie voor het verhaal: Evangelie van Johannes 11: 1-44)

We zien een ruimte, omgrensd door bergen, stadsmuren en architectonische elementen. Een vreemde werkelijkheid. Wat zijn dit voor een bergen, die daar machtig oprijzen – bedekt met het wit van de stilte? Wat zijn het voor een plaatsen, waar al die mensen vandaan komen? Het zwart doet vermoeden, dat zij in duisternis leven?

Het licht valt op de gestalte, in de opening van een grot. Van links komt een stoet mensen – volgelingen van Jezus. In het midden zien we een andere stoet: toeschouwers, een beetje terzijde. Jezus wordt begroet door twee vrouwen, die hem binnenhalen als een vorst: de ene smekend op haar knieën; de andere voorover in het stof, in aanbidding. Zij hebben in Jezus de Christus, de bevrijder herkend.

Waar zie jij jezelf staan: onder de volgelingen van Jezus?
Onder de mensen terzijde? Of bij de vrouwen in aanbidding?

Of herken jij jezelf in Lazarus: zó ingekapseld en gebonden, dat hij geen kant meer op kan? Dat is geen leven. Ze hebben Lazarus gebracht naar de plaats van zijn onmacht – de plaats waar je, menselijkerwijze gesproken – alle hoop moet laten varen.

Jezus kijkt geschokt: “Kom daaruit!”, roept hij. “Maak zijn windsels los!” Dat is de roep om op te staan, levend te worden, uít te komen.

Waar een mens de plaats van zijn onmacht bereikt, zal blijken of er zoiets bestaat als bevrijding, verlichting, genezing, een andere manier van kijken naar jezelf, naar de anderen, naar Christus – en wie hij was, wie hij is, wat hij doet:
zegenen – hen, die geen kant meer opkunnen.

Vooraan op de ikoon zien we twee harde werkers: zij lijken niet onder de indruk van het wonder. Ze doen wat gedaan moet worden: open dat graf. Weg met die steen. Is dat: geloven op gezag? De armen uit de mouwen: gewoon doen wat gedaan moet worden?

Bron : onbekend

Tikhon van Zadonsk : De Weg

DE WEG

(Uittreksel van de spirituele schat door de heilige Tikhon van Zadonsk)

 

Tikhon van Zadonsk.jpg

 Tikhon van Zadonsk

Christenen ! ons leven is als een weg, die de ene gemeente met een andere verbindt, een stad met een andere. Ons leven is een weg die wij voortdurend volgen. Of wij slapen of wakker zijn, wij volgen hem altijd. Wij ontlenen het aan onze geboorte en wij verlaten het bij onze dood. Voor sommigen is deze weg zeer lang, voor anderen is hij zeer kort, maar wat het ook is, zijn einde is door niemand gekend. Wij weten niet wanneer wij ons levenseinde zullen bereiken. Zo heeft de Heer, die alles voorziet, besloten, opdat wij altijd zouden leven in de verwachting van het einde, en dat wij ons erop zouden voorbereiden.

Sommige wegen zijn breed en uitgestrekt, andere zijn smal en eng. Zo gaat het ook met de weg van ons leven. Maar laten we even onderzoeken wat deze wegen zijn, breed of smal, dan zullen wij weten tot welk doel de ene en de andere leidt.

Op de brede weg bevindt zich het ongeloof, op de smalle weg bevindt zich het levendig geloof. Op de brede weg de afwezigheid van vrees, op de smalle weg de vrees voor God. Op de brede weg de eigenwil en de ongehoorzaamheid, op de smalle weg de onderwerping en de gehoorzaamheid. Op de brede weg de eigenliefde zonder grenzen, op de smalle weg de liefde voor God en deb medebroeder. Op de brede weg de liefde voor de ijdelheden van de wereld, op de smalle weg de vlucht voor deze ijdelheden. Op de brede weg het zoeken van eerbetuiging, van glorie en rijkdom, op de smalle weg het misprijzen  van alle zakelijke dingen. Op de brede weg de luxe en de begeerlijkheid, op de smalle weg de matigheid, de vasten, de onthouding. Op de brede weg de hoogmoed en de praal, op de enge weg de nederigheid. Op de smalle weg de zonden en de ongerechtigheid, op de smalle weg de deugden. Op de brede weg de perversiteit, de echtbreuk en alle onzuiverheden, op de smalle weg de onschuld en de zuiverheid. Op de brede weg de dronkenschap en de onzedelijkheid, op de smalle weg de soberheid en de kuisheid. Op de brede weg de diefstal, de beroving, de plundering, het geweld en alle onrechtvaardigheden, op de enge weg de verwijdering van dit alles en de vervulling van de rechtvaardigheid. Op de brede weg, de woede, de razernij, de wrok, de wraak in daden en woorden, op de smalle weg het misprijzen van de wraak, de zachtheid en het geduld. Op de brede weg de hardheid, de woestheid en de wreedheid, op de smalle weg de barmhartigheid en het medelijden. Op de brede weg de laster, het misprijzen, het oordeel en de grove beledigingen aan de naaste, op de smalle weg het zich onthouden van dit alles in een redelijke stilte. Op de brede weg de leugen, de boosaardigheid, de list en de hypocrisie, op de smalle weg de onschuld en de woorden die overeenkomen met de gedachten. Op de brede weg de woorden, daden en gedachten  die tegengesteld zijn aan de wil van God, op de smalle weg het waarachtig berouw en haar vruchten, de goede daden.

Gij ziet dus, Christen, hoe de wegen van ons leven verlopen ! De brede weg is tegengesteld aan God. Ze zijn Hem onaangenaam. De smalle, enge weg daarentegen is Hem wel aangenaam, want hij komt tegemoet aan Zijn heilige wil. De brede weg leidt de mens naar de ondergang, terwijl de rechte weg leidt naar het leven.

Satan trekt ons allen mee en leidt ons naar de brede weg, maar Christus Redder, die heeft geleden en voor ieder van ons gestorven is, roept ons op om de smalle weg te volgen. Denk erover na ! Naar wie moet men luisteren, naar Christus of naar Satan ? Welke weg moet ik kiezen ? de brede weg die naar de ondergang leidt, of de smalle weg die naar het leven leidt ? Christus onze Heer wil je leiden naar het eeuwige leven. Hij die u liefheeft en u gered heeft. Maar Satan, uw vijand, wil je met hem leiden tot het verderf. Luister naar de woorden van uw Redder, die uw aandacht verdienen, hou ze vast in uw hart, en laat u erdoor leiden ! Wees aandachtig voor uzelf en voor wat ze zeggen : “Ga binnen door de smalle poort. Breed en uitgestrekt is de weg die naar de ondergang leidt, en velen gaan die weg op. Maar smal is de weg die naar het leven leidt, maar weinigen kunnen hem vinden” (Matth.7,13-14) En de heilige Apostel voegt er aan toe : “Men moet heel wat tegenkantingen doorstaan om het Koninkrijk der Hemelen binnen te gaan” (Hand.14,22). “Leid mij Heer, op Uw wegen, en ik zal in Uw Waarheid wandelen; opdat mijn hart zijn vreugde vindt in het vrezen van Uw Naam “(Psalm 85,11). En van zijn kant leert ons psalm 118 ons hoe wij moeten bidden, opdat de Heer Zelf ons Zijn weg zou leren kennen en ons er op verder leiden.

Vertaling : Kris Biesbroeck

De heilige Nectarios van Aegina : De weg naar het geluk

DE HEILIGE NECTARIOS VAN AEGINA

 De weg naar het geluk

 

 

Nektarios van Aegina999.jpg

Icon by Rev.Christopher Klitou 

De heilige Nectarios is zonder twijfel één van de meest geliefde en de meest
vereerde heiligen van onze Kerk in de 20e eeuw.De bisschop van Pentapolis, de traumaturg van Egina is zeer populair in Griekenland maar ook in de orthodoxe
diaspora van het westen, waar zijn cultus wijd verbreid is. Dit omwille van zijn vele miraculeuze genezingen en tussenkomsten. Hijzelf heeft veel geleden omwille van de liefde tot God : laster, misprijzen en beledigingen. Hij toonde zich medelevend met de lijdenden die zich aan hem toevertrouwden. Zijn catechese,die doordrongen was van een diepe eenvoud, toont ons hoezeer hij dicht bij onze geestelijke bekommernissen staat en vooral voor deze van de minsten en de meest nederige onder ons.

De weg naar het geluk

Heilige Nectarios van Aegina

Niets is groter dan een zuiver hart, omdat zo een hart de troon wordt van God. En wat is er heerlijker dan de troon van God ? Niets ! God zegt over hen die een zuiver hart hebben : ‘Ik zal bij hen wonen en zal bij hen verblijven; Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn !’ (2 Kor.6,16). Wie durft nog te bevestigen dat zij gelukkiger zijn dan deze mensen ? Want van welke dingen zouden die mensen beweren verstoken te zijn ? Vinden ze niet alle gaven en alle weldaden van de Heilige Geest in hun gelukzalige zielen ? Wat ontbreekt hen dan nog ? Werkelijk, zij lijden om niets want zij bewaren in hun hart het meest waardevolle van de rijkdommen :
God zelf. Hoe vergissen de mensen zich wanneer zij geen rekening houden met zichzelf door elders het geluk te gaan zoeken : door naar verre landen te gaan, door gans de wereld rond te trekken met vele reizen, dromend van rijkdom en eer, door fortuinen na te streven en ijdele vermakelijkheden of om de dingen van deze wereld na te jagen, die slechts bittere gevolgen hebben ! Het bouwen van de toren van het
ware geluk buiten zijn eigen hart gelijkt op het bouwen van een huis dat op onstabiele fundamenten is gebouwd en heen en weer wordt geschut door veelvuldige aardbevingen. Zo een gebouw zal vroeg of laat vanzelf instorten. Mijn broeders, het ware geluk bestaat slechts in het binnenste van uzelf, en gelukkig is hij die dit heeft begrepen. Onderzoek dus uw hart en neem de tijd om u te buigen over uw eigen geestelijke toestand. Hebt u het vertrouwen in God verloren ? Is uw geweten er blij mee dat gij u afkeert van Gods geboden ? Veroordeelt dit geweten u wanneer ge onrechtvaardig handelt en liegt ?. Dat gij uw plichten tegenover God en tegenover uw naaste verwaarloost ? Onderzoek het dus nauwkeurig : het zou immers kunnen zijn
dat slechte gedachten en passies uw hart overrompelen en dat gij zo meegesleurd wordt langs kronkelende en ondoordringbare wegen….Helaas, wie zijn eigen innerlijk heeft verwaarloosd, blijft ook verstoken van alle goede dingen, om hen te vervangen door vele andere slechte dingen. Zo heeft hij de vreugde voor zichzelf verloren en is hij nu in bitterheid, droefheid en alle vormen van kommer terecht gekomen. Zonder innerlijke vrede, wordt hij overmand door ontreddering en angst. Eens de liefde verdwenen is, is het de haat die zich van hem heeft meester gemaakt.Door zich te beroven van de gaven en de vruchten die de Heilige Geest hem heeft gegeven op het moment van zijn doopsel, is hij vertrouwd geworden met alles wat van een mens een smerig en ellendig iemand maakt. Mijn broeders ! De God die vol barmhartigheid is wil slechts ons geluk zowel in dit als in het volgend leven.
Daarom heeft Hij de Kerk gesticht, om door haar gezuiverd te worden van onze zonden, om ons te heiligen, om ons te verzoenen met Hem, om ons te vervullen met Zijn hemelse zegeningen. En de armen van deze Kerk staan wijd voor u open. Laat ons vlug zijn, wij die een bezwaard hart hebben. Laat ons er vlug naartoe gaan en wij zullen zien dat de Kerk ons verwacht om onze zware last op zich te nemen en om ons te doen vertrouwen op God en ons hart te vervullen met gelukzaligheid en vreugde.

HET HEILIG DOOPSEL

“Gij allen die in Christus gedoopt zijt, Gij hebt u met Christus omkleed”(Gel.3,27).
Welke waarheden zitten in deze woorden van de Apostel Paulus ! De gedoopten in Christus hebben hun kleed van de oude mens, dat bezoedelt is door passies en slechte verlangens, afgelegd. Zij hebben zich omgord met het kleed van de nieuwe mens, anders gezegd, met Christus Zelf die leeft in het diepste van onszelf. Want de zin “Gij hebt u omkleed” (re-vêtu= her-kleed) heeft geen enkele band meer met het kleed dat wij droegen. Er is hier sprake van een andere realiteit, een realiteit die veel dieper is, van iets dat veel essentiëler is, en dat niemand meer ons kan uittrekken. Door het uitspreken van onze geloofsbelijdenis en het doopsel krijgen wij Christus als onze
ware kledij en worden zo ware kinderen van God, woonplaats van de Heilige Geest en tempels van de Allerhoogste. Wij zijn tot de heiligheid geroepen, tot de volmaaktheid en tot de divinisatie door de genade die ons dan wordt verleend. Wij worden vrij van elk bederf, want wij zijn opnieuw bekleed met onbederfelijkheid. Voortaan ontdaan van de zondige mens zijn wij opnieuw bekleed met gerechtigheid en genade.Wij hebben de dood verjaagd en het eeuwig leven gekregen. In feite : zijn wij ons werkelijk bewust van het engagement die wij met het doopsel op ons hebben genomen ? Hebben wij begrepen dat wij de plicht hebben om ons te gedragen als authentieke zonen van God en als waarachtige broeders van onze Redder ? Begrijpen wij goed, dat onze eerste plicht erin bestaat onze eigen wil in overeenstemming te
brengen met Gods wil , dat wij ons moeten bevrijden van de zonde , dat het voor ons een plicht is om ons met al onze krachten, met ziel en lichaam, voor de liefdadigheid in te zetten, dat het onze plicht is om God te loven en te aanbidden en om er op te letten dat wij onze blik moeten gericht houden op het moment dat wij definitief met Hem zullen verenigd zijn ? Hebben wij deze gedachte voor ogen : dat ons hart voortaan moet overvloeien van authentieke liefde opdat wij de naaste nooit uit het oog zouden verliezen ? Tenslotte, zijn wij ervan overtuigd dat onze unieke roeping erin bestaat de heiligheid en volmaaktheid te bereiken ?, dat wij levende iconen zijn van God, kinderen en erfgenamen van Zijn Koninkrijk, het Koninkrijk der hemelen ? Het is omwille van al deze redenen dat er geen einde mag komen aan onze spirituele strijd
opdat wij het appèl dat God tot ons heeft gericht waardig mogen zijn , en dit om te vermijden eens de belediging te moeten ondergaan niet goed geacht te worden omwille van onze daden. Ja, mijn broeders, laat ons in ons binnenste zegevierend de goede strijd strijden door ijver en zelfverloochening. Laat ons voortgaan op de weg met durf, zonder vrees, zonder struikelen, en dit zonder ophouden, in onze strijd tegen
de beproevingen : God is met ons, Hij is onze hulp en onze steun, Hij sterkt en versterkt ons op de moeizame weg van de deugd.

DE GEESTELIJKE STRIJD

Het doel van ons leven is het bereiken van de volmaaktheid en de heiligheid. Het is waardig te worden kinderen van God te zijn en erfgenamen van Zijn Koninkrijk. Laten we er op attent zijn dat dit komend leven ons niet ontzegd wordt, door voorrang te geven aan de dingen van dit leven. Wij mogen ons niet verwijderen van het doel en de betekenis van het ware leven door de voorkeur te geven aan de zorgen en beproevingen die inherent zijn aan de wereld hier beneden. De vasten, de waken en het gebed op zich kunnen de verwachte vruchten niet voortbrengen. Zij vormen op zichzelf niet het ware doel, het zijn slechts middelen om dit doel te bereiken. Versiert uw kaarsen met authentieke deugden. Strijdt zonder ophouden om de passies die bezit
van u hebben genomen te ontwortelen. Zuiver uw harten van elke smet opdat zij de woonplaats worden van God en opdat de Heilige Geest er Zijn gaven kan in uitstorten. Mijn welbeminden, mogen al uw zorgen en alles wat u in beslag neemt zich uitsluitend richten naar het doel dat we reeds hebben vermeld, dit doel dat we nooit mogen opgeven. Daarom moet uw gebed essentieel op God gericht zijn. Zoek God op elk moment van uw leven , maar zoek daar waar Hij te vinden is. En wanneer je Hem gevonden hebt, houdt, in navolging van de Cherubijnen en de Serafijnen, stand voor Hem met vrees en beven zodat uw hart de troon van God zal worden.Om de Heer te vinden echter, verneder u dieper dan aarde omdat God walgt van hoogmoedigen terwijl hij de nederigen van hart zijn liefde schenkt.. Het is daarom dat Hij door de mond van Jesaja zegt :” Diegene die mijn aandacht trekt , is de bedroefde, het berouwvolle hart dat Mijn Woord vreest.”(Jes.66,2). Strijd de goede strijd en God zal u sterker maken. Door deze strijd begrenzen wij onze eigen zwakheden, onze gebreken en onze persoonlijke tekorten Want deze onophoudelijke strijd is slechts de spiegel van onze spirituele situatie : diegene die deze strijd nooit gestreden heeft, is ook nooit in staat geweest om zijn reeële innerlijke toestand te kennen. Pas op voor wat je ‘uw kleine zonden’ noemt. Indien je door onachtzaamheid niet aan een zonde kunt weerstaan : wanhoop dan niet, richt u spoedig weer op, valt voor God op uw
knieën. Hij is diegene die u opnieuw kan oprichten. Sluit u niet op in uw grote
droefheid, het dient slechts om uw hoogmoed te bedekken. De situaties van grote droefheid en de momenten van wanhoop die zich van ons meester maken berokkenen ons veel schade en zullen uiteindelijk een groot gevaar voor u worden. Al te dikwijls zijn ze het werk van de duivel, opdat wij een einde zouden maken aan onze goede strijd. Wij vinden in onszelf ook zwakheden en fouten en passies waarvan de wortels dieper liggen, vele onder deze zijn echter erfelijk.Men maakt er zich echter niet van vrij door krampachtige uitwegen te zoeken, noch door overmand te worden door angst
en wanhoop. Men geneest ervan, door geduldig te zijn, vastberaden tegenover
zichzelf,door toewijding en door oplettend te zijn. Het is waar : de weg die naar de volmaaktheid leidt is lang en zwaar. Bidt God om kracht. Trotseert uw vallen met geduld en eenmaal weder rechtop, blijf niet stilzitten op de plaats van uw val en begin niet te huilen en te wenen , soms ontroostbaar. Zo doen kinderen gewoonlijk ook. Blijf zonder ophouden waakzaam en bid zonder ophouden om niet in bekoring te vallen. En als het gebeurt dat je terugvalt in de oude zondige gewoontes, wordt dan vooral niet wanhopig, want velen onder hen zijn natuurlijk sterk en het is uit gewoonte dat men het doet. Nochtans, met de tijd en met volharding, vindt men wel een middel om ze te overwinnen. Daarom : ver van u elke wanhoop !

HET GEBED

De eerste taak van de mens is het gebed. Als beeld van God heeft hij dorst naar Hem en het is met hartstocht en inspanning dat hij zich tot Hem richt. Hoe meer de mens bidt, hoe meer hij zich zal losmaken van de geneugten van dit leven, hoe meer hij zal genieten van de ware vreugde die van de hemel komt. Het is met de verworven kennis dat het ons mogelijk is hierover te getuigen. God aanvaardt elke gebed dat op een correcte manier tot Hem is gericht, dit wil zeggen, elke keer dat wij een gebed opzeggen in het bewustzijn van onze onvolmaaktheid en onze onwaardigheid. Men moet dan ook verzaken aan alle boosaardigheid dat in ons is, en ons onderwerpen aan
de goddelijke geboden. Dit veronderstelt, dat wij nederig zijn en ons zonder ophouden overgeven aan het echte spirituele. Leg al uw zorgen in Gods hand, Hij is uw redding. Heb geen vrees, laat geen onrust toe in uw hart, God doorgrondt de verborgen diepten van uw zielen en Hij antwoord hierop op Zijn manier. Vraag ook, verlies de moed niet en zeg bij uzelf : ik heb het recht niet om mij te beklagen als mijn gebeden niet worden verhoord. De wegen van de Allerhoogste zijn voor u onbekend. Daarom, blijf sereen en richt onophoudelijk uw blik op Hem. Uw smekingen en uw gebeden zijn op zichzelf geen zekerheid voor de volmaaktheid. Alleen de Heer leidt ons naar de
volmaaktheid, door in ons te komen wonen telkens als wij ons houden aan Zijn wil. Eén van het belangrijkste is niet om kost wat kost onze eigen verlangens te willen realiseren, maar wél Zijn voorschriften. Op dezelfde wijze als de engelen het nauwkeurig doen in de hemel. Daarom, indien Christus niet in ons woont, blijven al onze vragen en gebeden ijdel.

DE VREDE

De vrede is een goddelijke gave die rijkelijk wordt uitgedeeld aan hen die zich
verzoend hebben met God. Vrede gelijkt op het licht. Dit staat tegenover de zonde die duisternis is : een zondaar kan nooit een vredestichter zijn. Vecht tegen de zonde en laat u niet in de war brengen door opkomende hartstochten. Als gij er al zult uitkomen, dan zullen deze opkomende hartstochten veranderen in vreugde en vrede. Als gij bezwijkt (en maak dat het zover niet komt), dan zullen droefheid en ontreddering de bovenhand krijgen. En dan nog, als je een zware strijd hebt geleverd, gebeurt het nog dat de zonde u tijdelijk meesleept. Gij echter moet op dat moment volharden en op het einde zult gij als overwinnaar en vol vrede eruit te voorschijn komen. “zoek, om met iedereen in vrede te leven, zoek de volmaaktheid, zonder dewelke niemand de Heer zal zien” (Hebr.12,14) De vrede en de heiliging zijn twee noodzakelijke voorwaarden voor hen die met ijver op zoek gaan naar het gelaat van God. De vrede is het fundament waarop de heiligheid wordt gebouwd. Er is geen heiligheid in een vertroebeld en opvliegend hart. Wanneer de woede altijd blijft voortduren in onze zielen, dan wordt ze een oorzaak van haat en vijandschap. Het is daarom dat men zich vlug moet verzoenen met zijn broeder, om niet verstoten te worden van de goddelijke genade die onze harten heiligt ! Diegene die in vrede leeft met zichzelf, die zal ook anderen vrede brengen en verblijft in Gods vrede.

DE LIEFDE (Agapè)

Vraag iedere dag aan God om u de genade te geven om lief te hebben. Bewaar met alle nodige waakzaamheid de kwaliteit van uw relaties met de anderen en betuig hen uw respect want zij zijn ‘beelden’ van God. Laat u niet verrassen door de schoonheid van hun lichaam : wanneer het hart niet warm gemaakt wordt door het zuiver gebed, zal de liefde alleen tevreden zijn met het louter vleselijke, met als gevolg dat de gedachten verward worden en zal het hart herleid worden tot as. Diegene die op zijn hoede blijft, opdat de gave van de liefde in al zijn zuiverheid wordt bewaard, hij zal niet in de strikken van de kwade vallen. Als men de liefde op die manier beschouwd, dan zal men stap voor stap de liefde die in het evangelie tot een zo hoog niveau wordt verheven herleiden tot een puur sentimentele liefde.

HET ONDERSCHEIDINGSVERMOGEN

Ik raad u het verstand en de wijsheid aan in alle omstandigheden en het vermijden van alle soorten van uitersten. Heb een goed onderscheidingsvermogen. Verzwak uw lichaam niet door het buitensporigheden op te leggen. Herinner u, dat de ascese van
het lichaam als enig doel heeft om de ziel te helpen om de volmaaktheid te bereiken. De enige weg om ze te bereiken is de goede strijd van de ziel. Houdt de koort ook niet meer gespannen dan noodzakelijk is. Weet dat God geen dwang oplegt wanneer Hij zijn gaven uitdeelt : wat wij van Hem ontvangen, is volledig gratis, want zijn genade is zonder grenzen. Probeer ook niet hogerop te geraken door u buitensporige asceses op te leggen als gij niet eerst de deugden bezit zonder dewelke gij het risico loopt om te dwalen in grootsheid en stoutmoedigheid. Zolang men gebukt gaat onder de passies, loopt men het risico om zich te misleiden, zoals dit gebeurt bij de stompzinnigen en de zelfingenomenen. Aan diegenen die los gekomen zijn van hun passies worden de gaven van de goddelijke genade uitgedeeld als beloning en dit in alle discretie en zonder dat zij het zelfs ook maar enigszins verwachten.

DE ARROGANTIE

De arrogantie van de rede gelijkt op de satanische hoogmoed die God verloochent en is een belediging tegenover de Heilige Geest. Daarom is zij moeilijk te genezen. De hoogmoed van het hart daarentegen is geen product van satanische hoogmoed, want zij vindt haar oorsprong in verschillendesituaties en doorheen vele gebeurtenissen : rijkdom, eer, roem en dit zowel geestelijk als fysiek (verstand, schoonheid, kracht,
vaardigheid…). Dit alles reikt tot de hersenen van de dwazen, zij worden ijdel en vervallen tenslotte in het atheïsme…. Zeer dikwijls heeft de Heer medelijden met hen en gebruikt Hij Zijn goddelijke pedagogie opdat zij terug zouden keren tot de redelijkheid. Dan zal hun hart, met een diep berouw, ophouden met het nastreven van ijdele roem en hen genezen. Het lijkt mij juist om te zeggen dat gans onze spirituele gerichtheid zich moet concentreren op de noodzaak om in het diepste van ons hart de arrogantie en de hoogmoed alsook hun handlangers, te neutraliseren. Als wij dit alles
vervangen door een waarachtige nederigheid, zijn wij er zeker van dat we alles zullen ontvangen. Want dáár waar nederigheid in Christus is, dáár zal ook een hergroepering zijn van alle deugden die rechtstreeks naar God leiden.

DE CHRISTELIJKE WAARDIGHEID

Christenen moeten volgens het bevel van Christus streven naar de volmaaktheid en de heiligheid. De volmaaktheid en de heiligheid beginnen eerst met het graven van een diep spoor in de ziel om vervolgens onze gedachten, onze verlangens, onze woorden en onze daden te doordringen. Op deze manier zal alles wat onze ziel vervult ook uiterlijk overgaan op het karakter van de ganse mens. Ook zullen wij ons op dezelfde wijze met fijngevoeligheid gedragen jegens allen. Dat onze woorden en daden ook de
genade van de Heilige Geest uitstralen, waarvan wij in het diepste van ons hart de dragers zijn. Gans ons zijn zal getuigen dat datgene wat verheerlijkt moet worden, de naam van God zelf is. Wie zal Zijn woorden afmeten, wie zal ook Zijn daden afwegen. Wie aandacht heeft voor wat hij zegt, heeft ook aandacht voor wat hij onderneemt. Hij zal nooit de maat van welvoeglijkheid overschrijden. Want ijdele woorden brengen haat, vijandschap, droefheid, twistgesprekken en allerhande ontreddering teweeg, ook oorlogen. Fijngevoeligheid dus en diep respect ! Dat er nooit kwetsende woorden over onze lippen komen, woorden die niet eerst gekruid zijn door Gods genade. Dat de woorden die wij spreken vol goedheid mogen zijn, als komen ze van Christus zelf en dat ze een afstraling mogen zijn van de wijze waarop wij onze eigen ziel ontwikkelen.

DE LOFPRIJZING (doxologie)

De plicht van de christen bestaat erin, altijd God te prijzen, zowel met zijn lichaam als met zijn geest. Anderzijds zijn beiden het eigendom van God, en om die reden hebben wij niet het recht noch om ze te ontluisteren noch om ze te doen ontaarden. Elk zijnde die zich eraan herinnert dat zijn lichaam en geest aan God toebehoort wordt gegrepen door godsvrucht en mystieke vrees ervoor, en dit behoed hen voor de zonde door in permanente relatie te blijven met Hem die de oorzaak zelf is van hun heiliging, de Heer onze God. Zo zal elke mens eer brengen aan God iedere keer dat hij zich eraan herinnert dat hij, zowel met zijn lichaam als met zijn geest, geheiligd is door God, en dat hij op die manier verenigd is met Hem. Dit wordt iedere keer mogelijk wanneer hij zijn eigen wil in overeenstemming brengt met de goddelijke voorschriften. Zo aangenaam te zijn voor God, is getuigen dat men niet meer voor zichzelf leeft, maar voor God. Het is bouwen aan het Koninkrijk der hemelen hier op aarde. Alles wordt aanleiding om de naam van God te verheerlijken en reeds hier beneden de goddelijke glans van het ware licht dat zacht en vrolijk is te doen schijnen. Zo verkondigen wij het ook tijdens de celebratie van de vespers :’Phôs hilaron…. Vriendelijk licht der heilige glorie, van de onsterfelijke Vader, heilig en gelukzalige Jezus Christus…!’ Als wij daadwerkelijk de beslissing nemen om zo te handelen, zullen wij zelf de rechte weg zijn, die diegenen die Hem nog niet hebben ontmoet en gekend, rechtstreeks naar God leidt.

Uit de Franse vertaling (Uitgegeven door het Monastère du Paraklet
.-Oropos-Attique/Grèce,1997). Vertaling Kris Biesbroeck

.

 

Kallistos Ware : Mijn weg naar de orthodoxie (deel 2)

ONGEWOON EN TOCH VERTROUWD

MIJN WEG NAAR DE ORTHODOXIE

 

Deel II – Vervolg

De Kerk als communio

  Deze drie elementen – traditie, martelaarschap en stilte – volstonden reeds om mij te overtuigen van de waarheid en de gegrondheid van de Orthodoxie. Het beslissende argument om mij niet alleen tevreden te stellen om de Orthodoxie van buitenaf te beschouwen, maar te verlangen om er binnen te treden, werd mij gegeven door de woorden die ik hoorde in Augustus 1956, op de zomerconferentie van het ‘Fellowship of st.Alban and st.Sergius’. Men vroeg aan Vader Lev Gillet om de term ‘Orthodoxie’ te definiëren . Hij antwoordde : ‘ Een Orthodox is iemand die de apostolische traditie aanvaardt en die leeft in communio met de bisschoppen die de institutionele meesters zijn van deze traditie’

   Het tweede deel van deze bevestigingdeze welke ik in schuine letters heb weergegeven – was bijzonder betekenisvol voor mij. Ik dacht aan mijzelf : ja, als Anglicaan heb ik de vrijheid om de apostolische traditie te beschouwen als mijn eigen private idee. Maar kan ik eerlijk gezegd zeggen  dat deze apostolische traditie unaniem onderwezen wordt door de Anglicaanse bisschoppen met dewelke ik in communio ben ? De Orthodoxie: ik erkende het meteen met een heldere intuïtie, is niet zuiver een persoonlijke geloofsmaterie; zij veronderstelt ook een uitwendige en zichtbare communio in de sacramenten met de bisschoppen die de getuigen zijn van de waarheid, gemandateerd door God. De kwestie kon niet vermeden worden : indien de Orthodoxie wil zeggen : communio, was het dan mogelijk voor mij om werkelijk Orthodox te zijn zolang ik Anglicaan bleef ?

     Deze weinige woorden uitgesproken door Vader Lev Gillet schiepen geen enkel rumoer in de vergadering, maar ze betekenden wél voor mij een kritische ommekeer. Het idee, dat ze in mijn geest teweegbrachten – dat het Orthodoxe geloof onverbreekbaar verbonden is met de eucharistische communio – werd bevestigd door twee lezingen welke ik heb gegeven op dat moment. Vooreerst, viel ik op de briefwisseling tussen Alexis Khomiakov en de Anglicaan (wat hij toen was) William Palmer, lid van het Magdalen College van de universiteit van Oxford. Palmer had aan Khomiakov een exemplaar gestuurd van zijn werk ‘A Harmony of Anglican Doctrine with the Doctrine of the Catholic Church of the East’. Hierin hernam hij zin voor zin de Grote russische Catechismus van de heilige Philaret, metropoliet van Moscou : bij elke bevestiging citeerde hij passages van Anglicaanse bronnen die dezelfde leer bevestigden. In zijn antwoord ( gedateerd op 28 november 1846) maakte Khomiakov hem duidelijk dat hij evengoed een ander volume kon schrijven met citaten van andere Anglicaanse auteurs – met evenveel autoriteit als die welke Palmer citeerde – die rechtstreeks in tegenspraak waren met het onderricht van de Catechismus van Philaret (…).

     De woorden van Khomiakov waren streng maar juist, ze bevestigden datgene wat Vader Lev Gillet had gezegd. In deze periode, was ik ertoe gekomen datgene te geloven wat de Orthodoxe Kerk gelooft : maar ‘de manier en het proces’ door dewelke ik dit geloof had bereikt waren daadwerkelijk ‘protestants’. Mijn geloof was slechts een ‘ persoonlijk opinie’ en niet ‘het geloof van de gemeenschap’, want ik kon niet zeggen dat mijn Anglicaanse broeders allen geloofden zoals ik of dat mijn geloof dit was dat onderwezen werd door alle Anglicaanse bisschoppen met wie ik in communio was. Het is door volwaardig lid te worden van de orthodoxe Kerk – door binnen te treden in de volle en zichtbare communio met de Orthodoxe bisschoppen, die de geïnstitutionaliseerde meesters zijn van het Orthodoxe geloof – dat ik de ‘zekerheid van de waarheid’ kon bekomen.

    Enkele maanden later las ik een getypte tekst van een artikel over de ecclesiologie van de heilige Ignacius van Antiochië, geschreven door de grieks-amerikaanse theoloog Vader Romanides. Daar heb ik voor de eerste keer, onder een volledig ontwikkelde vorm,het perspectief van de ‘eucharistische ecclesiologie’ ontmoet.. Dit werd achteraf gepopulariseerd door de geschriften van Vader Nicolas Afanassief en van metropoliet Jean (Zizoulas) van Pergamo. Bij de eerste lezing gaf de interpretatie welke Vader John gaf aan de brieven van Sint Ignace mij de onmiddellijke overtuiging; wanneer ik de brieven zelf consulteerde, kregen mijn overtuigingen volledige bevestiging (…)

         De eenheid van de Kerk zoals de bisschop van Antiochië voor het ogen  had, is niet enkel een theoretisch idee, maar een praktische realiteit, gevestigd en zichtbaar gemaakt door de deelname van de ganse locale gemeenschap aan de heilige mysteriën, de eenheid wordt niet van buitenaf opgelegd door een juridische macht, maar zij ontstaat van binnen uit door het ontvangen van de communie.

De Kerk is boven alles een eucharistisch organisme die ontstaat door de celebratie van het sacrament van het Avondmaal van de Heer, ‘totdat Hij wederkeert’ (1Kr.11,26). In deze zin gaf sint Ignatius , verklaard door Vader John Romanides, mij de belangrijke ontbrekende schakel. Khomiakov had gesproken over de organische eenheid van de Kerk, maar hij had het niet in verband gebracht met de eucharistie. Vanaf het moment dat ik de integrale band tussen de kerkelijke eenheid en de sacramentele communie had begrepen, kwam alles in orde.

Maar wat betekende dit voor mij , ik die (nog altijd) er buiten stond, onbekwaam om de sacramenten te ontvangen in de Orthodoxe Kerk ? Op Pasen 1957 woonde ik voor de eerste maal de nachtdienst bij. Ik was van plan om later in de morgen de communie te ontvangen in een Anglikaanse kerk (dat jaar vielen het Orthodoxe en Westerse Pasen op dezelfde dag), maar toen ik terugkwam van de Orthodoxe celebratie, wist ik dat dit onmogelijk was. Ik had de Verrijzenis van Christus gevierd  met de Orthodoxe Kerk, op een manier dat zij volledig  en niet voor herhaling vatbaar was. Indien ik nadien ergens anders de communie zou hebben ontvangen, dan zou dit voor mij – voor mij persoonlijk – onwerkelijk en oneerlijk geweest zijn.

Na dit alles communiceerde ik nooit meer aan een Anglicaans altaar, zodat ik meerdere maanden zonder communiceren bleef. Ik sprak in september 1957 met Madeleine, de vrouw van Vladimir Lossky. Zij toonde mij het risico van mijn situatie aan, levend in een ‘no man’s land’ . ‘Gij kunt zo niet verdergaan, zei zij. De eucharistie is ons mystiek voedsel; zonder haar sterven we van honger’ (…)

Wees niet trots op het uiterlijke….

Dit bleef een argument dat in sterke mate vreesaanjagend was. Indien de Orthodoxe Kerk werkelijk de enig ware Kerk van Christus op aarde is, hoe kan het  dan, vroeg ik mij af, dat zij in het Westen in haar uiterlijke vorm zich zo etnisch en nationalistisch voordoet, zo weinig geïnteresseerd is in haar missionaire taak, zo verdeeld  in parallelle jurisdicties, die dikwijls met mekaar in conflict liggen ?.

In principe is de Orthodoxie er zeker  van en is ze altijd duidelijk geweest in haar vordering, de enig ware Kerk te zijn . Zoals ik las in de boodschap van de Orthodoxe gedelegeerden op de vergadering van de Oecumenische raad van kerken te Evanston (1954) :

Als besluit, komen wij ertoe om onze diepste overtuiging uit te drukken, dat de heilige Orthodoxe Kerk de enige is die volledig en intact ‘ het geloof die haar werd toevertrouwd éénmaal voor allen aan de heiligen’ heeft bewaard.. Dit is niet omwille van onze menselijke verdienste, maar omdat het God behaagt om het te bewaren als een ‘schat in lemen vaten,want de overvloed van  kracht komt  van God’(2 Kor.4,7).

Er scheen nochtans een gapende kloof te bestaan tussen de principes en de Orthodoxe praktijk . Indien de Orthodoxen geloofden dat zij werkelijk de enig ware Kerk zijn, waarom leggen ze met zoveel kracht obstakels op de weg van diegenen die er met overtuiging willen toetreden ? In welke zin was de Orthodoxie werkelijk ‘één’, terwijl, bijvoorbeeld er in Noord Amerika ten minste negentien verschillende Orthodoxe jurisdicties bestonden met niet minder dan dertien bisschoppen in de stad New York alleen ? Verschillende van mijn anglicaanse vrienden argumenteerden dat de Orthodoxe Kerk niet méér één was dan de Anglicaanse communio – zelfs minder volgens sommigen – en dat de stap ernaartoe zetten mij zou doen vallen van Charybde naar  Scylla.

Op dat moment werd ik geholpen door de woorden van Vladimir Lossky : Hoevelen hebben de Zoon van God herkend in de ‘man van smarten’ ?  Men moet ogen hebben om te zien, en een open oordeelsvermogen in de Heilige Geest om de volheid daar te herkennen waar het uiterlijk oog slechts beperkingen en gebreken waarneemt (…). Om de overwinning  te kunnen  onderscheiden  van de mislukking, de kracht van God die zich verwezenlijkt in zwakheid, de ware Kerk in zijn historische realiteit, moet men , volgens de woorden van de sint Paulus ‘ niet de geest van de wereld, maar de Geest die van God komt’, ontvangen, ‘ opdat wij de zaken van God zouden kennen die ons zijn gegeven door Zijn genade’ (1 Kor.2,12).

Als ik de empirische situatie van de Orthodoxie in de Westerse wereld van de XXe  eeuw onder ogen nam, was ik in werkelijkheid geconfronteerd met een duidelijke ‘mislukking’ en een duidelijke ‘zwakte’. De Orthodoxen zelf ontkennen dit  niet. Maar door ze in haar diepste dimensie te bekijken, kon ik ook ‘de ware Kerk in het innerlijk van haar historische dimensie’ zien.De etnische bekrompenheid en de Orthodoxe intolerantie, hoe diep ze ook mogen verankerd zijn, maken geen deel uit van de essentie van de Kerk, maar tonen ons een vertekend beeld en een verraad aan haar vrije natuur – Er zijn natuurlijk ook positieve aspecten aan het Otyhodox Christelijk nationalisme. Voor wat betreft het juridisch  pluralisme in de Orthodoxe Kerk in het Westen: er zijn specifieke historische oorzaken, de meest helderziende onder de Orthodoxe leiders hebben dit altijd beschouwd als een voorlopige  oplossing, die slechts voorlopig en tijdelijk is. Meer nog, er is een duidelijk verschil tussen de scheidingen die de overhand hebben in de schoot van het Anglicanisme en deze welke men vindt in de schoot van de Orthodoxie. De Anglicanen zijn (voor het grootste deel) één in hun uiterlijke organisatie, maar diep verdeeld in hun geloofsovertuigingen en hun vormen van openbare cultus. De Orthodoxen daarentegen  zijn enkel verdeeld in hun uiterlijke organisatie, maar sterk verenigd in hun geloof en cultus (…)

Verder kijkend,over  het  uiterlijk en zichtbaar falen van de Orthodoxie heen, deed ik een acte van geloof in ‘ de dingen die men niet ziet’ (2 Kor.4,18), in  haar fundamentele éénheid en onderliggende doctrinele  traditie, liturgisch en spiritueel.

Om binnen te treden in het Orthodoxe huis, moest ik aan een bijzondere poort aankloppen. Welke ‘jurisdictie’ ging ik kiezen ? Ik voelde mij sterk aangetrokken door de Russische Kerk in ballingschap, de Kerk buiten de grenzen (hors frontières) zoals men het gemeenlijk  noemt. Ik bewonderde er vooral haar trouw aan de liturgische, ascetische en monastieke erfenis van de Orthodoxie. Ik was slechts zestien jaar toen ik het boek had gelezen van Helen Waddel, ‘The Desert Fathers’, en sindsdien was ik gefascineerd  door de monastieke geschiedenis van het Christelijk Oosten . Ik ontdekte dat het grootste deel van de monasteria toebehoorden aan de russische Kerk buiten de grenzen. In West Europa had ik twee vrouwenkloosters bezocht die er van afhingen : deze van de ‘Aankoniging (Annuntiatio)’ te Londen en deze van de Moeder Gods te Lesna ( aan de buitenkant van Parijs). Ik werd er in beiden warm onthaald. Ik bewonderde ook de manier waarop de Kerk buiten de grenzen de nieuwe martelaren en de belijders vereerden die hadden geleden onder het juk van de Soviëts  Van de andere kant, was ik voor een stuk verlegen door het canonisch isolement van de synode in ballingschap. In de jaren vijftig was dit isolement minder dan nu, want in die periode waren er nog regelmatig concelebraties tussen de russische clerus in ballingschap en de bisschoppen en priesters van het Oecumenisch Patriarchaat. Maar ik zag dat de Orthodoxe Kerk in ballingschap meer en meer afgesneden werd van de wereld- Orthodoxie, en dat maakt mij bezorgd.

Ondanks mijn liefde voor de russische spiritualiteit, werd het mij duidelijk dat het best was voor mij om mij te voegen bij het Grieks diocees van Groot Brittanië, onder de obedientie van de Patriarch van Constantinopel. Daar ik klassiek filoloog was , had ik een goede kennis van het Nieuwtestamentisch en byzantijns grieks, en in die tijd had ik nog geen Kerkslavisch gestudeerd. Als ik lid werd van het Oecumenisch Patriarchaat, dan zou ik ook geen partij moeten kiezen tussen de verschillende rivaliserende russische groepen en kon ik ook mijn vriendschappelijke relaties onderhouden met zowel de leden van het Patriarchaat van Moscou als met de russische Kerk in ballingschap. Nog belangrijker :’Constantinopel was de moeder-Kerk van wie Rusland het geloof had ontvangen. Het leek mij juist, in mijn zoektocht naar de Orthodoxie, om naar de bron terug te keren.

Ik ging dus opnieuw bisschop Jacques d’apamée opzoeken en ik was zeer verbaasd dat hij tevreden was om mij praktisch onmiddellijk terug te zien.. Hij verwittigde mij echter :’Maar begrijp goed dat wij voor niets ter wereld u tot priester zullen wijden : wij hebben slechts behoefte aan Grieken’. Dit verontrustte mij niet, want ik was gelukkig mijn toekomst in God handen te kunnen leggen. Ik was zeer tevreden dat de deur eindelijk voor mij openging., en ik werd opgenomen zonder mijn condities  te stellen. Ik beleefde mijn opname in de Orthodoxie niet als iets dat ik met recht ‘opeiste’ , maar eenvoudig als een vrije en onverdiende gave van Gods genade. Ik was gelukkig en rustig wanneer bisschop Jacques mij als spirituele vader, Vader Georges Chérémétieff gaf, wat mij toeliet om dicht bij de russische Kerk in ballingschap te blijven.

Ik kwam zo aan het einde van mijn weg, of beter gezegd aan een nieuwe en beslissende etappe van een weg die was begonnen vanaf mijn jeugdjaren, en die, door Gods genade, zal voortduren tot in eeuwigheid. Een weinig na Pasen 1958, de vrijdag van de stralende week, op het feest van de Levende Bron, ontving ik de Myronzalving in de  griekse kathedraal van de heilige Sofia, te Londen-Bayswater. Ik was eindelijk thuis gekomen (…)

Binnen de Orthodoxie heb ik werkekijk bijna overal waar ik kwam, warmte, vriendschap en totale liefde vol mededogen gevonden, en ik heb zeker het voorrecht gehad om levende heiligen te ontmoeten. Deze die hadden voorspeld dat ik, eens Orthodox geworden, mij zou afsnijden van mijn eigen volk en mijn nationale cultuur hebben zich vergist. Door de Orthodoxie te omhelzen ben ik niet minder ‘engelsman’ geworden, maar juist een meer authentieke ‘engelsman’. Ik heb de oude wortels van mijn engels-zijn herontdekt, want de Christelijke geschiedenis van mijn land gaat reeds tot vele eeuwen voor het schisma tussen Oost en West. terug. Ik herinner mij een gesprek met twee Grieken, kort na mijn opneming. ‘Dit moet voor u wel heel moeilijk zijn, merkte de eerste op, om de Kerk van uw vaders te verlaten’. Maar de tweede zei me :’ Jij hebt de Kerk van uw vaders niet verlaten, jij bent er teruggekeerd’. Hij had gelijk.

Het is onnodig om het te verduidelijken : mijn leven als Orthodox was niet altijd de ‘hemel op aarde’. Dikwijls was ik ten diepste ontmoedigd ; Maar heeft Christus zelf  ons niet gewaarschuwd dat leerling-zijn wil zeggen ‘uw kruis opnemen’?. Achtenveertig jaar later kan ik uit gans mijn hart bevestigen dat de visie op de Orthodoxie, die ik had vanaf mijn eerste dienst van de vigilie in 1952 de juiste en ware was. Ik ben niet teleurgesteld.

Ik zou slechts één voorbehoud willen maken  : dat wat ik niet kon  op prijs stellen in 1952, maar dat ik nu klaarder inziezie, is het diep raadslachtig karakter van de Orthodoxie, zijn talrijke tegenstellingen en polariteiten.. De paradox van het Orthodoxe leven in de XXe eeuw  is samengevat in de woorden van Vader Lev Gillet, zelf Westerling die de weg naar de Orthodoxie is gegaan. Het zijn woorden die dichter bij het hart van de dingen staan dan alles wat ik mij kan herinneren van  andere.woorden :

O wonderlijke Orthodoxe Kerk, zo arm en zo zwak, die als bij mirakel stand houdt temidden van de wisselvalligheden en strijd, Kerk van contrasten, tegelijk zo traditioneel en zo vrij, zo archaïsch en zo levendig, zo ritualistisch en zo persoonlijk mystiek. Kerk waar de parel van grote waarde, het Evangelie,zo zorgvuldig is bewaard, dikwijls onder een laag stof ; Kerk die dikwijls niet wist hoe te handelen, maar die als geen ander de vreugde van Pasen weet te bezingen.

                                                           Uittreksel uit : Kallistos Ware,

                                                           Approches de Dieu dans la voie

                                                           Orthodoxe, Cerf/Le Sel de la terre,

                                                           2004. Vertaald uit de franse vartaling

                                                           van Françoise Lhoest door Kris Biesbroeck

                                                                                                                                                                 

Kallistos Ware : Mijn weg naar de orthodoxie 1

ONGEWOON EN NOCHTANS VERTROUWD :

MIJN WEG NAAR DE ORTHODOXIE (deel 1)

 

Kallistos Ware.jpg

 

 

Als weerklank van het bezoek van Mgr. Gabriël en Mgr. Kallistos Ware, bisschop van Diokleia,  zaterdag 1e Oktober en zondag 2 Oktober, geven we hier in twee delen een uittreksel van het boek van Mgr Kallistos Ware : ‘Approches de Dieu dans la voie orthodoxe’ , Cerf/Le sel de la terre, 2004

“Vandaag verenigen hemel en aarde zich”

Hymne van de vigilie van Kerstmis

 

“O wonderbare Orthodoxe Kerk !”

Vader Lev Gillet

Een afwezigheid en een tegenwoordigheid

Ik herinner mij de dag nog heel goed waarop mijn weg naar de Orthodoxie is begonnen. Het is gebeurd op een onverwacht moment, een zaterdag namiddag in de zomer van 1952. Ik was toen zeventien jaar. Ik wandelde op de Buckingham Palace Road, dicht bij het Victoria station in het centrum van Londen, toen ik voorbij een neogotische kerk uit de XIXe eeuw passeerde. Zij was groot en licht bouwvallig. Ik had die kerk nog nooit opgemerkt. Er was geen enkel uithangsbord  aan de buitenkant – publieke relaties waren nooit de sterke kant van de Orthodoxie in de westerse wereld – maar ik herinner mij een koperen plaat met deze eenvoudige woorden: ”Russische kerk”.

Toen ik de kerk van de heilige Philippus – want zo noemde die kerk – binnenkwam dacht ik dat ze volledig leeg was. Buiten, op straat, scheen de zon heerlijk, maar aan de binnenzijde was het koud en somber zoals in een kelder. Mijn ogen geraakten gewend aan het voornoemde. Het eerste wat mijn aandacht trok was een afwezigheid : geen banken, geen stoelen netjes op een rij; vóór mij strekte zich een  uitgestrekte ruimte uit met een  geboende houten vloer.

Opeens heb ik gemerkt dat de kerk niet helemaal leeg was, er waren, verspreid in het schip en de zijbeuken, enkele gelovigen, hoofdzakelijk bejaarden. Er hingen iconen aan de muur,verlicht met kleine lampjes en kaarsen voor de iconostase. Ergens zong een koor, maar men kon het niet zien. Na enige tijd verliet een diaken het heiligdom en ging de kerk rond om de iconen en de  gelovigen te bewieroken. Ik merkte dat zijn brokante kleding oud was en een beetje kapot.

Mijn eerste indruk van een afwezigheid had plotseling plaats gemaakt voor een gevoel van aanwezigheid die mij overmande. Ik voelde dat de kerk, schijnbaar leeg, vol was – vol van ontelbare onzichtbare gelovigen, die mij van alle kanten omringden. Intuïtief heb ik begrepen dat wij, het zichtbare volk van gelovigen,deel hadden aan een groter goed. Wanneer wij bidden, dan worden wij opgenomen in iets dat veel groter is dan onszelf, in een onverdeelde celebratie die alles omvat, die tijd en eeuwigheid verenigt, de realiteiten van hier beneden en die van hierboven. Jaren later heb ik de vreemde schok ervaren van de erkenning van de dingen die reeds lang  vertrouwd waren, en dit terwijl ik in de Eerste Russische kroniek las over de bekering van de Heilige Vladimir. Teruggekeerd in Kiev vertelden de russische ambassadeurs aan de prins dat zij hadden deelgenomen aan de Goddelijke Liturgie te Constantinopel : “ Wij wisten niet meer of we in de hemel waren of op aarde. Want er is op aarde geen dergelijke pracht, wij wisten niet hoe het te beschrijven. Wij weten alleen dat God daar verblijft onder de mensen {…….} Wij konden die schoonheid niet vergeten”. Ik was verstomd toen ik die woorden las, zij sloten perfect aan bij wat ik had ervaren tijdens die russische vigilie in Sint Philippus, in Buckingham Palace Road. Het decor was het enige verschil met de pracht van het Byzantium van de Xe eeuw, maar zoals de gezanten van de heilige Vladimir had ik ook ‘de hemel op aarde’ ontmoet. Ook ik had de directheid gevoeld van de hemelse liturgie, de nabijheid van de engelen en de heiligen, de ongeschapen schoonheid van het koninkrijk van God. “Nu celebreren de hemelse machten onzichtbaar met ons” (Liturgie van de voorafgewijde gaven) Ik verliet de kerk vóór het einde van de dienst. Toen ik buiten over datgene wat ik meemaakte dieper nadacht, was ik getroffen door twee zaken. Ten eerste, ik wist in het geheel niet hoelang ik binnengebleven was : misschien alleen maar een twintigtal minuten, maar het kan ook twee uur geweest zijn., ik was niet in staat om het precies te zeggen. Ik bevond mij op een plan waar het uur van het uurwerk  geen enkel belang meer.Toen ik vervolgens terug op straat kwam, werd ik onmiddellijk als met een golf meegesleurd door het lawaai van het Londense verkeer.. Het lawaai moet hoorbaar geweest zijn langs de binnenkant van de kerk, maar ik had het niet opgemerkt.

Ik was in een andere wereld geweest, waar tijd en lawaai geen enkele betekenis hadden, een wereld die meer reëel was – ik zou zelfs zeggen, meer solide dan deze van het Londen van de XXe eeuw tot dewelke ik plotseling  was teruggekeerd.

    Het officie van de vigilies waren helemaal in het kerkslavisch gecelebreerd; met mijn verstand verstond ik er geen letter van. Nochtans, toen ik de kerk verliet zei ik tegen mijzelf met overtuiging : hier ben ik thuis, ik ben aangekomen daar waar ik thuishoor. Het gebeurt dikwijls – vreemd,  is het niet ?- dat wij voordat wij een bepaalde iets hebben geleerd over een persoon, een plaats of een object, men reeds met zekerheid weet : hier heb je de persoon die ik zal liefhebben, ziehier de plaats waarheen ik moet gaan, ziehier het thema dat ik moet bestuderen , heel mijn leven, en onmiddellijk. Vanaf het moment dat ik had deelgenomen aan dat officie in de kerk van  Sint Filippus, in de Buckingham Palace Road, voelde ik diep in mijn hart dat ik geroepen  werd door de Orthodoxe Kerk. Deze kerk is reeds lang verdwenen : zij is afgebroken ongeveer vier jaar na mijn bezoek.

    Ik ben dankbaar dat mijn eerste contact met de Orthodoxie er niet een was via  de lezing van boeken, ook niet via de ontmoeting met orthodoxen in een sociale context, maar wél via de deelname aan een officie. De Kerk, zoals de Orthodoxen ze kennen, is op de eerste plaats een liturgische gemeenschap, die haar waarachtige identiteit uitdrukt door de aanroeping en de lofprijzing. De cultus komt eerst, de leer en de wetenschap komt op de tweede plaats. Ik heb dus het geluk gehad om de Orthodoxie te leren kennen door deel te nemen aan een gemeenschappelijk gebed.

Ik heb de Orthodoxe Kerk niet ontmoet als een theorie of een ideologie, maar als een specifiek en concreet feit, een celebrerende aanwezigheid.

“Dit is het wat ik altijd heb geloofd”

   Achteraf gezien werd het duidelijk dat mijn beslissing reeds genomen was deze namiddag van de zomer van 1952. Maar voordat ik opgenomen werd in de Orthodoxe Kerk, wachtte ik in feite bijna zes jaar. In Groot Britannië, in de jaren 1950, was het zeer ongewoon voor een Westerling om te willen binnentreden in de Orthodoxe Kerk, en de meerderheid van mijn engelse vrienden spanden zich met alle macht in om het mij uit mijn hoofd te praten. ‘Gij zult gans uw leven een zonderling zijn, was hun verwijt. God heeft u cultureel in het Westen geplaatst, vlucht de moeilijkheden niet en de uitdaging van uw historische erfenis’. ‘Hoe mooi de Orthodoxe liturgie ook is: is er geen tragische afgrond tussen de principes en de Orthodoxe praktijk ?, vroegen ze mij’ Was mijn toenadering tot de Orthodoxie niet te veel geïdealiseerd, té sentimenteel ? Was ik niet bezig met een zekerheid en bescherming te zoeken die ik hier op aarde niet vond en die wij niet te zoeken hebben ?

    Nog meer verbazing kwam er toen de meeste orthodoxen bij wie ik om raad ging, mij in het geheel niet aanmoedigden. Zij waren eerlijk en realistisch – ik ben er hen zeer dankbaar om – door mijn aandacht te vestigen op de historische tekortkomingen van de Orthodoxe Kerk, alsook op de specifieke moeilijkheden waarmee ze geconfronteerd worden binnen de Westerse wereld. Op vele domeinen, zegden zij mij bij wijze van waarschuwing, is de Orthodoxe Kerk ver verwijderd van de ‘hemel op aarde’. Wanneer ik bij de hulpbisschop van de griekse kathedraal in Londen, Mgr.Jacques (Vivros) van Apamée, op bezoek ging, sprak hij vriendelijk en lang met mij, maar hij vroeg mij met aandrang om lid te blijven van de Anglikaanse Kerk in dewelke ik was grootgebracht. Een russisch priester, die ik eveneens om raad vroeg, antwoordde mij precies hetzelfde.

   Op dat moment was ik verbaasd. . In de loop van mijn lectuur  was ik er van overtuigd geraakt dat de Orthodoxie er aanspraak op maakte niet alleen één van de vele ‘denominaties’ te zijn, maar de waarachtige Kerk van Christus op aarde. Nochtans, de orthodoxen zelf schenen mij te zeggen : ‘Ja, de Orthodoxie is waarlijk de enige ware kerk, maar jij mag er vooral niet intreden. Zij is er alleen voor ons. Grieken, Russen en andere Oosterlingen’. Het zich hechten aan de waarheid die redt, scheen af te hangen van een geboorte-accident en van geografie.

    In de tussentijd, en vóór het bezoek aan Mgr. Jacques, was ik begonnen met verschillende orthodoxe contacten te leggen. Kort na mijn eerste ervaring in het bureau van de russische kerk te Londen, begon ik mijn studies aan de Universiteit van Oxford. Gedurende vier jaar studeerde ik klassieke letteren, oud grieks en latijn, een beetje moderne filosofie; daarna ging ik aan de universiteit nog twee supplementaire jaren Théologie volgen – Ik wil er aan toevoegen : ik ben nooit naar een Anglicaans theologisch college gegaan, noch heb ik een wijding ontvangen in de Anglicaanse Kerk. In Oxford had ik het geluk om van geboorte Orthodoxe Christenen te ontmoeten. In het bijzonder heb ik kennis gemaakt met Nicolas Zernov die een lectoraat waarnam over de Oosters-Orthodoxe cultuur. Ik herinner mij vooral zijn grootmoedige gastvrijheid en deze van zijn vrouw Militza, de stimulerende en verbazingwekkende gesprekken die zij hielden met hun vele bezoekers. Ik ontmoette eveneens Vader (en toekomstige aartsbisschop) Basils Krivochène die voorging in de kleine russische kerk van Oxford en die zijn klassieke editie voorbereidde over de catechesen van de Heilige Symeon de nieuwe theoloog. Er opende zich een nieuwe wereld voor mij, toen ik de beschrijving hoorde die de Heilige Symeon gaf over zijn visioenen van het goddelijk en ongeschapen Licht. Ik begon de plaats te waarderen welke de Orthodoxie geeft aan het mysterie van de transfiguratie van Christus.

    Toen ik in Oxford was en onder invloed van mijn goede vriend en oude schoolkameraad, Donald (A.M.Allchin), werd ik een actief lid van het  genootschap van St Alban en St. Sergius, waarvan het doel is, een toenadering tussen de Oerthodoxie en het Anglikanisme.teweeg te brengen. De zomerconferenties van dit genoodschap hadden op mij een beslissende invloed. Ik hoorde er anglikanen zoals Aartsbisschop Michaël Ramsey, Vader Derwas Chitty en professor H.A.Hodges. Zij zagen allen in de Orthodoxie de integrale volheid van de Christelijke traditie, tot dewelke het Anglikanisme moet terugkeren. Zij hielden voor ogen, dat de anglikanen zouden kunnen toetreden tot de volheid van het orthodoxe geloof en tezelfdertijd toch anglikaan zouden  kunnen blijven. Op die wijze zou er een toenadering kunnen groeien  tussen anglikanen en orthodoxen.

    Hun enthousiasme deed mijn verbeelding ontvlammen, maar een deel van mijzelf bleef onvoldaan.. Ik had het verlangen om orthodox te worden, geheel en zichtbaar. Hoe meer ik leerde over de Orthodoxie, hoe meer ik begreep dat het dit was wat ik altijd geloofd had in het diepste van mijn hart, maar nooit tevoren  was het voor mij zo goed verwoord. Ik vond de Orthodoxie niet archaïsch, vreemd of exotisch. Voor mij was het doodeenvoudig niet anders dan het Christianisme.

“De Kerk is één”

   Mijn eerste contacten met de orthodoxe wereld  waren vooral met de russen. Ik verslond ‘A Treasury of Russian Spirituality’ van Georges P. Fédorov en ‘With the Russian Pilgrims to Jerusalem’ van Stephen Graham. Ik voelde mij onmiddellijk aangetrokken tot de Heilige Seraphim van Sarov, waarvan ik de geschiedenis las: ‘Flame in the Snow’, een licht geromantiseerde maar aangrijpende biografie geschreven door Julia de Beausobre. Op meer  theologisch vlak, was het korte essai van Alexis Khomiakov een cruciale stap op mijn weg  ‘de Kerk is één’, waar ik deze visie van communio geformuleerd vond, die ik zelf voor de eerste maal had ervaren als een levende realiteit in de russische kerk van Londen  {……}.

   Veel later, toen ik mij nog meer verdiept had in de orthodoxe theologie zag ik de limieten van de slavische kerkleer van Khomiakov in, maar op dat moment gaf hij mij net datgene wat ik nodig had . Ik werd ook enorm geholpen door het artikel van Vader George Florofsky : “Sobornost ; the Catholicity of the Church”. Daarin legde hij het accent op de essentiële natuur van de Kerk, als een eenheid in diversiteit, volgens het beeld en de gelijkenis van God en de Heilige Drieeenheid.{…..}.

   De Katholiciteit, voegde Vader George eraan toe, “betekent zichzelf zien in een ander en in de beminde”, het is in de Katholiciteit van de Kerk, en alleen daar, dat de “spijtige dualiteit en spanning tussen vrijheid en autoriteit  verdwijnt”. Sedertdien heb ik niet opgehouden om telkens terug te keren naar dit artikel, dat op twintig bladzijden méér zegt dan andere auteurs in ganse volumes {…..}

 Traditie, martelaarschap en stilte

 Terwijl ik mijn kennis van de Orthodoxie verdiepte,  trokken drie zaken die ik heel intens in mij opnam, mijn bijzondere aandacht. Vooreerst merkte ik in de hedendaagse Orthodoxe Kerk – ondanks de interne spanningen en haar menselijk falen – een levendige en ononderbroken continuïteit met de Kerk van de apostelen en martelaren, de Vaders en de Oecumenische concilies. Deze levendige continuïteit was voor mij samengevat in de woorden: volheid en heelheid, maar vooral in  de term traditie.De Orthodoxie bezit, niet door een menselijke verdienste, maar door Gods genade, een volheid van geloof en spiritueel leven, een volheid waarbinnen het dogma en het gebed, de theologie en de spiritualiteit er een organisch en integraal deel van vormen. Zij is in deze betekenis de Kerk van de Heilige Traditie.

  Ik houd eraan om in deze context in het bijzonder het woord ‘volheid’ te onderlijnen. De Orthodoxie heeft de volheid van het leven in Christus, maar zij heeft geen exclusief monopolie op de waarheid. Ik geloofde vroeger niet, en ook nu nog geloof ik niet dat er een absolutie tegenstelling is tussen het Orthodoxe ‘licht’ en de  niet-orthodoxe ‘duisternissen’ Wij moeten ons niet voorstellen dat, omdat de Orthodoxie de volheid van de Heilige Traditie bezit, de  niet-Orthodoxe Christelijke gemeenschappen niets zouden bezitten. Integendeel, ik ben nooit overtuigd geweest door de strenge eisen volgens dewelke het sacramentele leven en de genade van de Heilige Geest slechts kunnen bestaan binnen de zichtbare limieten van de Orthodoxe Kerk. Vladimir Lossky heeft zeker gelijk wanneer hij beweert dat  de niet–orthodoxe gemeenschappen, ondanks hun uiterlijke scheiding, toch door onzichtbare banden met de Orthodoxe Kerk verbonden zijn.

   Aldus , nog volgens Lossky, waarvan ik graag het standpunt overneem, gaan de niet-orthodoxe gemeenschappen op een  andere wijze voort met deel te nemen aan het genadeleven van de Kerk. Het is ook  niet minder waar dat, wanneer deze niet-orthodoxe gemeenschappen ook een deel van de reddende en levendmakende  waarheid bezitten, het slechts binnen de Orthodoxie is dat men de volheid van deze waarheid kan vinden.

    Ik was vooral onder de indruk door de manier waarop de orthodoxe denkers, wanneer zij spraken over de Kerk als deze van de Heilige Traditie, terzelfdertijd onderlijnden dat deze traditie niet statisch, maar dynamisch is, niet defensief maar verkennend, niet gesloten en  als afgedaan beschouwd, maar open naar de toekomst. De traditie, ik heb het geleerd van de auteurs die ik bestudeerde, is geen simpele herhaling van datgene wat in het verleden  is naar voor gebracht, maar een actieve manier om de ervaring van het Christelijk Mysterie in het heden opnieuw tastbaar te maken. De enig ware traditie is levendig en creatief, gevormd door de eenheid van de menselijke vrijheid met de genade van de Geest. Dit levendig dynamisme is voor mij geresumeerd in de  bondige formulering van Vladimir Lossky : “De traditie {…} is het leven van de Heilige Geest in de Kerk”, en hij gaat er dieper op in door er aan toe te voegen :”Men kan zeggen dat de ‘traditie’ de kritische geest van de Kerk vertegenwoordigt”. In de traditie kan men niet futloos blijven.{….}.

   Ik heb ontdekt dat de traditie – zoals het leven van de Heilige Geest binnen de Kerk – alles omhelst. In het bijzonder begrijpt zij het geschreven woord van de Bijbel, want er is geen tweedeling tussen de Schrift en de traditie. De Schrift bestaat binnenin de traditie;  het is zelfs  zo dat de traditie niets anders is dan de manier waarop de Schrift begrepen en beleefd is binnen de Kerken, en dit aan alle generaties. Ik zou de Orthodoxe Kerk daarom niet alleen ‘traditioneel’ noemen, maar ook scripturaal. Het is niet zonder reden dat het Evangelieboek in elke orthodoxe cultusplaats in het centrum op de heilige tafel  rust. Het zijn de Orthodoxen, eerder dan de protestanten die de ware evangelisten zijn – moesten de Orthodoxen in de praktijk even zo de Bijbel bestuderen als de protestanten het doen !

    Lossky en Florovsky verzekerden mij in hun geschriften : geheel zoals het leven in de Heilige Geest, omhelst de traditie  niet alleen alles, maar zij is ook onuitputbaar. Vader George Florovsky formuleert het aldus : “De traditie is de constante inwoning van de Geest, en niet alleen maar de herinnering van woorden. De traditie is een charismatisch principe en niet alleen een historisch{…} Het is de mededelende ervaring van de genade in de Kerk{…},welke in zijn katholieke volheid {…}nooit uitgeput is geraakt in de Heilige Schrift, noch in de orale traditie, noch in de definities. Zij kan niet, zij moet niet uitgeput geraken.

 {…}Deze  ontroerende en levengevende opvatting van de traditie die ik in de Orthodoxie ontdekte kreeg meer en meer een grotere betekenis voor mij. Ik vond altijd méér dan de levende continuïteit, waarvan de Orthodoxe kerk het getuigenis droeg. Dit miste ik in het anglicanisme waarin ik van jongsaf aan werd grootgebracht.

De continuïteit werd verzwakt, zoniet gebroken in de middeleeuwen, door de ontwikkelingen binnen het latijnse Westen .Zelfs, indien  voor vele anglicanen vanaf de XVI e eeuw de engelse Reformatie een poging was om terug te keren tot de Kerk van de Oecumenische concilies en de kerkvaders, in welke mate kan deze poging daadwerkelijk worden beschouwd als een succes ? De “Orthodoxie” van de anglicaanse Kerk scheen in het beste geval  impliciet meer een verzuchting en een verre hoop, dan een onmiddellijke en praktische realiteit.

   Ik zal altijd dankbaar blijven voor mijn anglicaanse opvoeding. Ik zou mij nooit willen engageren in een negatieve polemiek tegen de Communio waar ik begonnen ben om Christus te erkennen als mijn Redder. Ik herinner mij nog altijd met dankbaarheid de schoonheid van de gezongen officies in de abdij van Westminster, wanneer ik mijn opleiding kreeg aan de school van Westminster. In het bijzonder herinner ik mij de grote processies met het kruis, de kaarsen en de vaandels gedurende de gezongen eucharistie op het patroonsfeest van de Heilige Edouard de Belijder. Ik ben ook dankbaar voor de banden die ik heb gesmeed op school en aan de universiteit, met de leden van de gemeenschap van Sint-Franciscus, zoals met Pater Algy Robertson, pater Guardian en zijn jonge leerling , broeder Peter. Het zijn de anglicaanse franciscanen die mij de plaats van de zending in het binnenste van het christelijk leven hebben bijgebracht en de waarde van de sacramentele schuldbelijdenis.

    Ik beschouwde altijd mijn beslissing om de Orthodoxie te omhelzen als de bekroning van alles wat goed was in mijn anglicaanse ervaring : een bevestiging en geen afstand nemen van.. Nochtans, ondanks al mijn liefde en erkentelijkheid, kan ik toch niet zwijgen over datgene wat mij in de war heeft gebracht in de jaren 1950, en die mij vandaag de dag nog meer in de war brengt : de extreme verscheidenheid in het geloof en de praktijk en de conflicten die er bestaan in de schoot van de anglicaanse Communio. Ik was vooral(en ben nog altijd) in de war door de tegenstrijdige standpunten van de anglo-katholieken en de evangelisten over de artikels van het geloof, die even belangrijk zijn als de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie en de gemeenschap van de Heiligen. Moeten de geconsacreerde elementen beschouwd worden als het werkelijk Lichaam en Bloed van de Redder ? Kunnen we bidden voor de overledenen en  vragen aan de Heiligen en de Moeder van God, om voor ons te bidden ? Het zijn geen marginale vragen, waarop christenen het niet zomaar met elkaar oneens kunnen zijn. Het zijn fundamentele vragen voor ons leven in Christus. Hoe kon ik verder leven in een christelijk lichaam die aan zijn leden toestond om verschillende standpunten in te nemen die in deze kwesties dmetraal tegenover mekaar stonden?

    Ik was nog meer in de war door het bestaan in de schoot van het anglicanisme, van een ‘liberale’ vleugel, die de goddelijkheid van Christus , Zijn maagdelijke geboorte, Zijn wonderen en Zijn Verrijzenis in het lichaam in twijfel trekt. De woorden van Sint Thomas weerklonken in mijn oren :” Mijn Heer en Mijn God !” (Joh.20,28). Ik hoorde Sint Paulus tot mij zeggen :”Indien Christus niet is verrezen, is onze prediking waardeloos, en ook is uw geloof dan waardeloos”(1 Kor.15,14). Voor mijn eigen heil, had ik nood om te behoren tot een Kerk die zich trouw houdt  aan de christelijke fundamentele leringen met betrekking tot de Drieeenheid en de persoon van Christus. ,Waar kon ik zo een Kerk vinden ? Niet in het anglicanisme, helaas ! Het had niet deze continuïteit en deze volheid van de levendige traditie die ik zocht.

    Wat  in verband met Rome ? In de jaren 1950, vóór het tweede Vatikaans concilie, ik was toen  in alles een lid van de Kerk van Engeland die op een katholieke wijze dacht en onvoldaan was over het anglikaans relativisme. Het zou voor mij het meest evidente geweest zijn , dat ik een Rooms katholiek zou worden. Er was in feite een christelijke communio die niet minder was  dan in de Orthodoxe Kerk. Zij maakte ook  aanspraak op een ononderbroken continuïteit met de apostelen en de martelaren, met de eerste concilies en de Vaders. Het is bovendien een Kerk met een westerse cultuur. Waarom zou ik mijn blik richten op de Orthodoxe Kerk ? Kon mijn levendige traditie niet gevonden worden in iets wat dichterbij was ?

    Nochtans, wanneer ik  de neiging had om toenadering te zoeken met Rome, twijfelde ik. Dat wat mij weerhield was niet essentieel de vraag in verband met het filioque, alhoewel de lezing van Lossky mij het belang ervan had doen inzien. Het fundamenteke probleem was de universele aanspraak van de Paus en zijn onfeilbaarheid. Mijn studies over de eerste eeuwen van het christendom hadden mij klaar en duidelijk gemaakt dat de Oosterse Vaders zoals de heilige Basilios de grote en de heilige Johannes Chrysostomos – maar ook de westers Vaders zoals de heilige Cyprianus en de heilige  Augustinus –de natuur van de Kerk op aarde radicaal anders zagen dan deze van het eerste Vatikaans concilie. De leer over het primaatschap van Rome, speciaal sedert de Xe eeuw, had de continuïteit van de traditie binnen de romeinse communio ernstig aangetast. Het was alleen in de Orthodoxe Kerk dat ik de verzekering had om datgene te vinden wat ik zocht : de levende en niet aangetaste aanwezigheid van  het verleden

   Mijn overtuiging dat het slechts binnenin de Orthodoxie was dat ik de ononderbroken continuïteit met de Kerk van de apostelen en de Vaders vond – en dit in zijn ganse volheid , werd nog versterkt door twee andere aspecten van de Orthodoxie, die ik meer en meer begon op te merken . Het eerste was de frequentie van de vervolgingen en het martelaarschap binnen  de recente Orthodoxe ervaring – vooreerst die van de Turken, vervolgens, in de XXe eeuw, onder het communisme.  Er was iets die de Orthodoxe Kerk van nu direct verbond met de pre-Constantijnse periode van de eerste drie eeuwen. ‘Mijn kracht vervult zich in zwakheid’ (2 Kor. 12,9). Ik zag deze woorden zonder ophouden sedert de val van Byzantium vervuld in de geschiedenis van de Orthodoxie. Naast hen , die een duidelijke en zichtbare  marteldood hebben ondergaan, zijn er ontelbare anderen die in de Orthodoxie Christus

nederig hebben gevolgd door een leven te leiden van innerlijk martelaarschap : De kenotische Heiligen (die afstand gedaan hebben van de wereld : nvd vertaler), die een bewijs geleverd hebben van een zachte, edelmoedige en medelijdende liefde, zoals de heilige Xenia van St.Petersburg, de heilige Seraphim van Sarov, de heilige Johannes van Cronstadt en de heilige Nectarius van Egina. Ik vond datzelfde kenotisch medelijden in de geschriften van Dostojevsky en Tolstoï. Twee heiligen hebben mij vooral getroffen, want ik was pacifist vanaf de leeftijd van zeventien jaar : de prinsen van Kiev in de XIe eeuw, de twee broers Boris en Gleb. Zij hebben ‘de passie ondergaan’ in hun weigering om hun bloed te vergieten om zich te verdedigen, in hun verwerping van geweld en in hun onschuldig lijden zag ik een voorbeeld van de centrale boodschap van het kruis van Christus.

    Behalve het martelaarschap, was er een ander aspect van de Orthodoxie die ik begon te appreciëren, namelijk, de  mystieke theologie van de Oosterse Christen. Ik begreep dat de traditie niet enkel het overleveren van leerstellige definities inhield, maar ook het overleveren van een spiritualiteit. Er kan geen enkele vorm van scheiding of oppositie bestaan tussen beide. Zoals Vladimir Lossky het juist uitdrukt :’ Er is geen{…} christelijke mystiek zonder theologie, maar vooral, er is geen theologie zonder mystiek {…}. Mystiek wordt hier dus gezien als een volmaaktheid, het hoogtepunt van alle theologie, een theologie bij uitstek’.

    Ik voelde mij aangetrokken tot de Orthodoxie door de liturgische diensten, met hun rijke symboolwaarde en hun muziek. Ik zag nu hoe deze ‘iconische’ cultusvorm in het Oosten een tegengewicht vormde met de ‘niet-iconische’ of apophatische praktijk van het hesychastisch gebed, die beelden en gedachten achterwege laat. In het verhaal van een russische pelgrim en de geschriften van ‘Een monnik van de Oosterse kerk’ – archimandriet Lev Gillet, Orthodox aalmoezenier van het genootschap van St.Alban en St.Sergius -, heb ik geleerd hoe men het hesychasme of de stilte van het hart, door het voortdurend herhalen van het Jezusgebed kan bereiken. De heilige Isaac de Syriër toonde mij dat alle woorden hun volheid bereiken in de stilte, zoals  dienaars stil worden wanner hun meester in hun midden komt.

 

                                                                                  (Vervolgt)

 Vertaling : Kris B.

Isaak de Syriër bloemlezing

Isaak de Syriër :

Over de schade die de bittere ijver, die zich in ijver voor God vermomt, veroorzaakt, en over de hulp die de zachtmoedigheid en andere deugden verlenen

Eerste verzameling, discours 58

Deel 2

 

Isaac_the_Syrian (groot formaat).jpg

 

Isaak de Syriër (van Ninive)

13.

Een rechtvaardig mens, maar verstoten van wijsheid, is als een lamp in volle zon. Het gebed van wie zich beledigingen herinnert, is als een zaad dat op de rots is geworpen. Een asceet zonder barmhartigheid is als een onvruchtbare boom. Een verwijt dat voortkomt uit het begeren, is als een vergiftigde pijl. Een lofbetuiging die voortkomt uit dubbelhartigheid , is een verborgen valkuil. Een onredelijke raadgever is als een blinde leider. De kring van de spotters breekt het hart. Geregeld een wijs man bezoeken, is als een verfrissende bron. Een wijze raadgever is een veilige schutsmuur. Een onredelijke vriend en verstoten van wijsheid, is een vat vol onheil. Het is beter een huis in rouw te zien dan een wijze die een dwaas volgt. Het is beter bij wilde dieren te verblijven dan met begerige lieden. Het is beter en een graf te wonen dan met verdorven mensen. Verkies eerder te leven met gieren dan met hebzuchtige en onverzadigbare mensen. Heb liever een moordenaar als gezel dan een ruziemaker. Verkies het gezelschap van een zwijn boven dat van een gulzigaard, want de pens van een zwijn is beter in de mond van een gulzigaard. Verkies het gezelschap van melaatsen boven dat van trotsen.

14.

Wees vervolgd,maar vervolg niet. Wees gekruisigd, maar kruisig niet, lijd onrechtvaardigheid, maar bega geen onrechtvaardigheid. Word neergehaald, maar haal niet neer. Wees lankmoedig en geef geen blijk van slechts ijver. Zich als rechter gedragen, past niet in de zeden van de christenen. Er is niets dergelijks in het onderricht van Christus. Wees blij met wie blij zijn, en ween met wie wenen : dit is het teken van de helderheid van de ziel. Lijd mee met de zieken, maak je te doen met de zondaars, verheug je met wie berouw tonen. Wees de vriend van elke mens, maar blijf alleen in je gedachte. Deel in het lijden van allen, maar blijf lichamelijk ver van allen. Wijs niemand terecht, richt verwijten aan niemand, zelfs niet aan wie een heel slecht leven lijden. Spreid je mantel over de zondaar, en bedek hem. Als je niet in staat bent zijn zonden op je te nemen en het oordeel erover te dragen in zijn plaats, deel tenminste zijn schaamte, veeleer dan hem te schande te maken.

15.

Weet mijn broeder dat, als wij binnen in onze cel moeten blijven, dan is dat om de slechte handelingen van de mensen niet te kennen en om zodoende ze alle te kunnen beschouwen als heilige en goed, in de zuiverheid van onze geest. Als wij makers worden van verwijten, lieden (worden) die er op uit zijn om anderen te oordelen, onderzoekers, kritische geesten, wezens die steeds onvoldaan zijn, waarin zou ons leven uiteindelijk verschillen van dat van de bewoners  van de steden ? Wat is erger dan ons leven in de woestijn als we aan dit alles niet zouden verzaken ?

16.

Als je niet in staat bent om de stilte in je hart te bewaren, bewaar ten minste deze van je tong. Als je niet in staat bent om je gedachten te bedwingen, bedwing dan ten minste je zintuigen. Als je niet in staat bent om alleen te zijn in je gedachte, wees ten minste lichamelijk alleen. En als je de ascese van het lichaam niet kan beoefenen, wees dan ten minste kommervol in je gedachte. En als je gedurende de nachtwake niet kan blijven rechtstaan, blijf dan wakker terwijl je op je bed zit, of zelfs neerligt. Als je geen kracht hebt om twee dagen zonder voedsel te blijven, vast dan tenminste tot de avond, wees dan ten minste op je hoede voor de verzadiging. Als je niet zuiver bent in je hart, wees dan tenminste zuiver van lichaam. Als je geen kommer draagt in je hart, draag dan tenminste het berouw op je gelaat. Als je niet in staat bent om barmhartig te zijn, spreek dan in het bewustzijn uit dat je een zondaar bent. Als je geen vredestichter bent, wees dan tenminste geen stichter van verwarring. Als je niet in staat bent om vol vurigheid te zijn, wees dan tenminste nederig in je geest. Als je niet in staat bent om overwinnaar te zijn, veracht dan niet wie overwonnen is. Als je niet de moed hebt de mond te sluiten van wie over zijn naaste kwaad spreekt, hoed je er dan toch voor het eens te zijn met hem.

17.

Weet dat, als er een vuur uit je hart komt en (het) de anderen verbrandt, God je rekenschap zal vragen voor de zielen die door het vuur dat uit jou kwam, verteerd zijn. En als jij het vuur niet hebt aangestoken maar het eens waart met hem die het ontstak en er plezier in vond, weet dat je zijn metgezel zult zijn bij het oordeel.

18.

Als je van de zachtmoedigheid houdt, wees vredelievend. En als je de vrede waardig bent  bevonden, zal je ten allen tijde vol vreugde zijn. Zoek de wijsheid, en niet het goud. Bekleed je met nederigheid, en niet met purper. Verover de vrede, en geen (aards) koningschap. Wie de nederigheid niet bezit is niet verstandig. Wie niet vredelievend is, is niet nederig. En niemand is vredelievend zonder vreugdevol te zijn. Langs geen van de wegen waarop de mensen lopen op deze wereld, zal een mens de vrede vinden, vóór dat hij de ‘hoop op God’ is genaderd. Het hart kan geen vrede vinden te midden van de smarten en moeilijkheden die hij tegenkomt, zolang het niet tot deze joop gekomen is. Zij is het die vrede uitspreidt in het hart en er vreugde uitgiet. Het is van haar dat de aanbiddelijke en alheilige lippen van de Heer spraken toen Hij zei : ‘Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en ik zal u rust schenken’ (Matth.11,28). Nadert, zo zei Hij, tot de joop, en je zal rust vinden, ver van je zwoegen en je angsten.

19.

De hoop op God verheft het hart, en de vrees voor de hel breekt het (hart). Het licht van de gedachte verwekt het geloof. Het geloof verwekt de troost en de hoop, en de hoop sterkt het hart. Het geloof is een inwendige openbaring en als de gedachte verduisterd wordt, dan verbergt het geloof zich, gaat de vrees ons beheersen en onze hoop afsnijden. Het is niet het geloof dat voortkomt uit een onderricht van buitenaf dat de mens bevrijdt van hoogmoed en twijfel, maar het geloof dat ontwaakt en opgaat in het bewustzijn en dat men “epignosis” noemt of openbaring van de waarheid. Zolang de geest dankzij deze inwendige openbaring van God als God waarneemt, kan de vrees het hart niet naderen. Als we dan, opdat we nederig zouden worden, overgelaten worden aan de duisternis en dit bewustzijn (van God) verliezen, dan komt de vrees terug, tot de genade weerom dichterbij ons komt, door de nederigheid en het berouw.

20.

De Zoon van God heeft het kruis verduurd; laten wij dus, wij, zondaars, moed vatten en ons overgeven aan de rouwmoed. Als het aanlichten van de rouwmoed voor Achab de toorn van God afwendde (1 Kon.21,27-29), zal ook ons oprecht berouw heel zeker niet zonder voordeel voor ons blijven. En, als een opflakkering van nederigheid de toorn Gods van hem afwendde – en hij was niet oprecht – hoeveel te meer zal (een ongeveinsde nederigheid) van onzentwege dit bewerken als we op waarachtige wijze over onze fouten kommer voelen. De kommer van de gedachte kan dit (bewerken), beter dan gelijk welke lichamelijke ascese.

21.

De Heilige Gregorius (de Theoloog) heeft gezegd : “Een tempel van God is hij, die nauw met Hem verenigd is en die zonder ophouden bekommerd is over het oordeel !. Waarin bestaat de bezorgdheid over het oordeel, tenzij hierin dat men onophoudelijk zijn rust zoekt en dat men voortdurend in kommer is als men bedenkt dat men de volmaaktheid niet kan bereiken door de zwakheid van onze natuur ?

Onophoudelijk hierover bekommernis voelen, dat is zonder ophouden in zijn ziel de herinnering aan God bewaren. Zoals de gelukzalige Basilius het zegt : “Het gebed zonder verstrooiing is het (het gebed) dat in de ziel de voortdurende gedachte aan God voortbrengt. En het inwonen van God in ons betekent dat we God in onszelf bezitten, omdat de herinnering aan Hem er stevig is ingeplant”, (H.Baslios de grote, Brief 2, Aan Gregorius 4.). Zo worden wij de tempel van God. Dit is onze zorg en dit vermorzelt ons hart, om ons klaar te maken om in zijn rust binnen te gaan.

Hem zij de eer in de eeuwen.

(uit : Heiliging – 1-2/2008)

Bloemlezing uit Isaak de Syriër

Bloemlezing uit Isaac van Ninive (de Syriër)(Deel 1)

 

isaac de syriër.jpg

Isaak de Syriër

Over de schade die de bittere ijver, die zich in ijver voor God vermomt, veroorzaakt en over de hulp die de zachtmoedigheid en andere deugden verlenen.

Eerste verzameling, discours 58

1.

Een ijveraar zal nooit tot de vrede van de gedachten geraken. En hij die de vrede niet kent, kent evenmin de vreugde. Als, zoals men zegt, de vrede van de gedachte volmaakte gezondheid betekent, dan is de ijver om de anderen te verbeteren het tegenovergestelde van de vrede, en hij die door deze ijver wordt bewogen lijdt aan een erge ziekte

O mens ! Wanneer je ijvert tegen de gebreken van de anderen, heb je de gezondheid uit je eigen ziel verjaagd. Je zou er beter aan doen om zorg te dragen voor je eigen gezondheid. Als je kost wat kost de zieken wil verzorgen, weet dan dat zij meer nood hebben aan liefdevolle bezorgdheid dan aan berispingen.

Maar jij, in plaats van anderen te helpen, maakt jezelf ernstig ziek. De ijver om de anderen te verbeteren wordt onder de mensen niet beschouwd als een vorm van wijsheid, maar als een ziekte van de ziel die enggeestigheid noemt en diepe onwetendheid die voortkomen uit de grootmoedigheid en uit het geduld om de menselijke zwakheid te verdragen. Ook staat er geschreven “De sterke moet de onvolkomenheden van de zwakke dragen” (Rom 15,1), en “Richt de gevallenen op in een geest van zachtmoedigheid (Gal 6,1). De Apostel rekent de vrede en het geduld onder de vruchten van de Geest (cf Gal 5,22).

2.

Een hart dat zich pijnlijk te doen maakt omdat de ziekte en de zwakheid het lichaam verhinderen om zichtbare daden te stellen, levert op deze wijze een bijdrage aan alle lichamelijke werken. Deze werken, zonder de kommervolle smart (Dit gaat over een mens die steeds de anderen oordeelt en heel zijn ijver aanwendt om hen op te richten en hun fouten, of wat hij als zodanig beschouwt te verbeteren) van de gedachte, zijn als een lichaam zonder ziel. Hij die kommervolle smart voelt in zijn hart maar zijn eigen zintuigen alle vrijheid laat, gelijkt op een zieke die lijdt in zijn lichaam, maar zijn mond toelaat om alle soorten voedsel die voor hem schadelijk zijn, te eten. Wie kommervolle smart voelt in zijn hart, maar zijn zintuigen alle vrijheid laat, gelijkt op een man die een enige zoon heeft en hem beetje bij beetje doet sterven door zijn eigen handen. De smart van de gedachte is een kostbare gave in de ogen van God, en wie haar bezit zoals het hoort, gelijkt op een mens die gezond is in zijn ledematen. Maar de mens die zijn tong de vrije teugel laat om over de anderen te praten, ten goede of ten kwade, is een dergelijke genade niet waardig.

De rouwmoed die samengaat met geklets is als een doorboorde ton. De goede manieren die samengaan met het honen van anderen, zijn een zwaard dat in honing is gedrenkt. De zuiverheid en het bezoeken van vrouwen zijn als een leeuwin en een lam in hetzelfde huis.

3.

De werken die volbracht zijn zonder barmhartigheid, zijn in de ogen van God als een man die een zoon doodt onder de ogen van zijn vader. Hij die ziek is in zijn ziel en een ander corrigeert, gelijkt op een blinde die de weg wijst aan anderen. De barmhartigheid en de strikte rechtvaardigheid(letterlijk : rechtvaardig oordeel), als zij samen in éénzelfde ziel wonen, zijn als een mens die in éénzelfde huis God aanbidt en de afgoden. De barhartigheid is het tegendeel van de strikte rechtvaardigheid. Deze (laatste) bestaat in een billijke verdeling onder allen. Zij bedeelt aan elkeen wat hij verdient, helt niet over naar de ene kant noch naar de andere, is zonder partijdigheid in de verdeling. Maar de barmhartigheid is een “geraakt worden” opgewekt door de genade. Zij buigt zich over elkeen met mededogen, geeft aan wie tuchtiging waardig is, niet terug wat hij verdient, en ze overlaadt mateloos hij die een beloning waardig is.

Als de barmhartigheid aan de kant staat van het goede, dan staat de strikte rechtvaardigheid aan de kant van het kwade. Zoals het hooi en het vuur niet in eenzelfde plaats kunnen samen zijn, zo kunnen de strikte rechtvaardigheid en de barmhartigheid niet verblijven in éénzelfde ziel. Zoals een korrel zand niet opweegt tegen een grote hoeveelheid goud, zo weegt de strikte rechtvaardigheid van God niet door in vergelijking met zijn barmhartigheid.

4.

Gelijkend op een handvol zand dat in de oceaan valt zijn de fouten van alle vlees, in vergelijking met de voorzienigheid en de barmhartigheid van God. Zoals een bron die overvloedig stroomt en niet kan worden verstopt door een handvol zand, zo kan de barmhartigheid van de Schepper niet overwonnen worden door de kwaadwilligheid van de schepselen. Gelijkend op een mens die zaait in de zee en hoopt te oogsten is hij die wrok koestert en bidt. Zoals het niet mogelijk is de lichtende vlam van het vuur te verhinderen om te klimmen, evenzo kan niets verhinderen dat het gebed van de barmhartige opstijgt naar de hemel. Zoals het water zich naar de diepte toe verspreidt, evenzo (doet) de macht van de woede, als deze haar plaats heeft gevonden in onze geest. Hij die de nederigheid heeft verworven in zijn hart, is voortaan dood voor de wereld, en wie dood is voor de wereld, is afgestorven aan de hartstochten. Voor wie in zijn hart dood is voor zijn verwanten, is de duivel dood. Wie de begeerte heeft binnengehaald, heeft, met haar, de duivel binnengehaald.

5.

Er is een nederigheid die komt van de vreze Gods, en er is een nederigheid die van God zelf komt. Er is hij die nederig is omdat hij God vreest, en er is hij die nederig is omdat hij de vreugde gevonden heeft. Bij wie nederig is omdat hij de vreugde gevonden heeft, volgt daaruit de bescheidenheid van zijn ledematen, de goede orde van zijn zintuigen en te allen tijde een vermorzeld hart; bij de andere, bij hem die nederig is omdat hij de vreugde gevonden heeft, volgt daaruit een grote jubel (het grieks geeft : eenvoud), een verruimd hart dat zichzelf niet meer omvat. De liefde kent geen schaamte, daarom is zij niet in staat een juiste maat aan haar veruitwendigheden op te leggen. De liefde is van nature spontaan en ze vergeet de in acht te nemen grenzen. Gelukzalig die U Heeft gevonden, U, de haven van alle vreugde.

6.

De samenkomst van de nederigen wordt door God in gelijke mate bemind als de samenkomst van de serafijnen. Een kuis lichaam is voor God kostbaarder dan een zuivere offergave. Beide zaken, de nederigheid en de kuisheid, bereiden in de ziel een verblijf (het grieks heeft : waarborg) voor de Drie eenheid.

7.

Als je met vrienden onderweg bent, bewaar dan een gereserveerde houding. Door zo te handelen bewijs je hen een dienst en ook aan jezelf. Inderdaad, het gebeurt vaak dat de ziel onder voorwendsel van vriendschap, de teugels van de waakzaamheid loslaat. Wees wantrouwig voor gesprekken, zij bouwen niet altijd op. Houd in de vergaderingen de stilte in ere, want zij bespaart voor heel wat schade. Waak over je buik, maar meer nog over je gezichtsvermogen, want een huiselijk conflict is zonder twijfel minder erg dan een oorlog die zich buiten afspeelt. Denk niet broeder dat het mogelijk is de innerlijke gedachten te bestrijden, als het lichaam niet goed toegerust is en niet goed geordend. Vrees de gewoonten meer dan de vijand. Wie in zichzelf een gewoonte voedt, is als een man die het vuur voedt, want de kracht van de gewoonten, en evenzo die van het vuur, komt van wat men hem als voedsel geeft. Als de gewoonte je één keer vraagt haar voedsel te geven, en je het haar weigert, zal ze je in het vervolg krachteloos bevinden. Maar als je één keer haar wil involgt, zal ze je daarna met nog meer kracht aanvallen.

8.

Aangaande alle zaken, houd dit in gedachten : de hulp die de waakzaamheid biedt, is meer waard dan (de hulp) die van de (ascetische) werken komt. Wees niet de vriend van wie graag lacht en (van wie) de mensen graag aan het lachen brengt, want hij zal je de gewoonte van de verstrooiing doen aannemen. Bied geen glimlachend gezicht aan wie zich laat gaan in zijn manier van leven. Hoed je er echter voor om hem te haten. Als hij verlangt zich op te richten, reik hem dan de hand en draag zorg voor hem tot aan zijn dood. Maar als je zelf ziek bent, mijd het dan om voor hem te zorgen Zoals men heeft gezegd : reik hem het uiteinde van je stok, enz. (Isaak verwijst naar een apophtegma dat door zijn lezers gekend is). Spreek in de nabijheid van een zelfvoldaan en begerig mens met omzichtigheid, want terwijl jij spreekt, interpreteert hij in zijn binnenste wat jij zegt op zijn manier, en hij zal jouw goede woorden gebruiken om de anderen te doen vallen, en hij verdraait in zijn geest de betekenis van jouw woorden om ze dienstbaar te maken aan zijn ziekte. Van zodra hij, in jouw aanwezigheid, over iemand begint te spreken, versomber (dan) je gelaat. En door zo te handelen zal je voor God en voor hem blijk geven van waakzaamheid.

9.

Als je iets geeft aan een mens die behoeftig is, laat dan een blije gelaatsuitdrukking de gift die je hem geeft voorafgaan en troost hem in zijn kommer met welwillende woorden. Als je zo handelt zal de vreugde die zijn gedachte zal vervullen, het halen op de voldoening van zijn lichamelijke behoeften.

10.

De dag waarop je de mond opent om van iemand kwaad te spreken, weet dan dat je dood bent voor God en dat al je werken ijdel zijn gemaakt, zelfs als je denkt dat dit terecht is en dat het met de intentie is om op te bouwen dat je gedachte deze aanvechting om te spreken heeft gekend. Inderdaad, waartoe dient het om zijn eigen huis af te breken om dat van zijn gezel te herstellen.

11.

De dag waarop je moeite doet voor een mens, op een of andere wijze, met je lichaam of in je gedachte, zonder onderscheid te maken of hij nu goed is of slecht, beschouw jezelf die dag als een martelaar en als iemand die heeft geleden voor Christus en waardig is bevonden hem te belijden. Herinner je inderdaad dat Christus gestorven is voor de zondaars, en niet voor de rechtvaardigen (cf. Matth 9,13). Begrijp hoe het een grote zaak is als je bekommerd bent voor slechte mensen en om eerder goed te doen aan zondaars dan aan rechtvaardigen ! De Apostel brengt het ons in herinnering als een zaak die bewondering verdient (Rom.5,7-8).

12.

Als je ertoe geraakt om in je binnenste de gerechtigheid van de ziel te verwerven, maak je dan niet bezorgd om een andere gerechtigheid te zoeken. Dat al je werken worden voorafgegaan door de kuisheid van het lichaam en de zuiverheid van het geweten, want, zonder deze zijn al je daden ijdel voor God (letterlijk : leeg). Wees je ook bewust dat elke daad die je zonder bedachtzaamheid of onderscheiding volbrengt, eveneens ijdel is, zelfs al is ze (op zichzelf) goed, want God beschouwt als gerechtigheid wat met onderscheiding is volbracht en niet wat de vrucht is van het toeval.

Uit :  Heiliging 1-2/2008

Wordt vervolgd…..

Gods aanwezigheid ervaren

Gods aanwezigheid ervaren

 

Christus pantocrator 55577.jpg

 

Zijn wij ontmoedigd ? Vinden wij de zin van het leven niet ? zijn wij (nutteloos) angstig, ongerust en bezorgd ? Zijn wij in onze stresserende consumptiemaatschappij levensmoe geworden ? Hebben wij alle “houvast” verloren, zelfs bij de geliefden die ons omringen ?…

Weet en besef dan dat de mensgeworden Zoon Gods, Christus – die ons menselijk bestaan in al zijn consequenties deelde, behalve in de zonde – ons niet als weeskinderen achterliet. Zoals Hij het beloofd had kwam de Heilige Geest, dezelfde Onzichtbare God op de Apostelen neer, en ook op ons allen. Beseffen wij het wel iedere dag opnieuw dat God aanwezig is en blijft. Hij is geen “afwezige” ! Wij zouden slechts onze vrije ontmoeting met Hem in de intimiteit van ons hart missen, indien wij onszelf afsluiten, indien wij “blind” en “doofstom” blijven ten overstaan van Zijn zo verrijkende aanwezigheid. Hij dringt zich echter niet op ! Hij eerbiedigt onze menselijke vrijheid, met dewelke Hij ons bij onze schepping heeft bekleed. De Kerkvaders herhaalden het vaak : “God kan alles, behalve de mens te dwingen Hem lief te hebben”.

Langs ons persoonlijk gebed kunnen wij God in de intimiteit van ons hart ervaren. Bijzonder  sterke momenten zijn deze van het ontwaken en opstaan en deze van het slapengaan. Iedere dag opnieuw is een “schenking” van God, maar iedere dag is tevens opnieuw voor ons de grote “onbekende”, waarbij wij Zijn Aanwezigheid zo broodnodig hebben. In feite moeten wij beseffen hoe roekeloos het is het leven aan te gaan zonder Zijn leiding, zonder  Zijn bescherming , zonder Zijn liefde, zonder Zijn zegen. Ons morgengebed ( dat zo vaak in onze “jachtige” maatschappij vergeten of overgeslagen wordt !) zal niets anders zijn dan een gesprek met God, een intiem gesprek, waarbij wij ons hart in alle vertrouwen voor Hem openstellen. Vragen wij de Heilige Geest ons hierbij tegemoet te komen…want alleen zijn wij zwak.

En iedere avond, vóór het slapengaan, dienen wij opnieuw God te ontmoeten, om Hem te danken voor alles wat Hij ons tijdens de voorbije dag wist te geven. En zelfs mochten wij op die dag tegenkantingen, ziekte, lijden, problemen gehad hebben, dan weten wij dat Hij ons nooit in een hachelijke situatie alleen laat. Onoverkomelijke problemen bestaan voor God niet ! “Voor God is alles mogelijk “(Matth.19,26). Laten wij Hem tenslotte zeer nederig, in dezelfde intimiteit van ons hart, vergeving vragen voor alles wat wij in de voorbije dag verkeerd deden. Nogmaals : bidden is niets anders dan spreken met de Aanwezige God !

Maar ook in onze ontmoetingen met anderen is God aanwezig, op voorwaarde dat wij in Zijn Naam verenigd zijn. Jezus zegt het zelf : “ Want waar twee of drie verenigd zijn in Mijn Naam, daar ben ik in hun midden” (Matth.18,20). Onze relatie met de anderen wordt in een heilbrengende realiteit gebracht, wanneer wij God aldus in ons midden hebben. Denken wij vooral aan de realiteit van ons samenzijn in ons gezin. Met God in hun midden zullen echtgenoten bij hun levensproblemen nooit als antagonisten tegenover elkaar staan, maar werkelijk tot het besef komen dat zij met “drie” zijn. Gods aanwezigheid heiligt hun echtelijke liefde. Voor God is trouwens niets “onbekend” of “onzichtbaar” of “verborgen”. Hij doorziet al onze levensangsten, onze frustraties, onze zwakmenselijke conflicten, en Hij is zo dicht bij ons om dit alles op te lossen, om ons te “omvormen”, te “transfigureren”. Daar waar de wereld faalt en wanhoopt, daar leidt de aanwezige God, Die in ons midden is, ons op het pad van een harmonisch levensgeluk Zo gaat het eveneens in onze relatie met onze kinderen, met onze ouders, met familieleden, broers en zusters, met de leden van onze kerkelijke communauteit, met vrienden en kennissen. Als wij maar in Zijn Naam verenigd zijn, is Hij in ons midden…als de grote Aanwezige.

En wat dan te zeggen van het “summum” van Zijn Aanwezigheid : Zijn Aanwezigheid in de Heilige Eucharistie ! Jezus zegt inderdaad : “Want Mijn Vlees is echt voedsel en Mijn Bloed is echte drank. Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem” (Joh.6,56). Bij de heilige Gaven, waaraan wij in de Goddelijke Liturgie mogen communiceren, ontvangen wij echt het Kostbaar Lichaam en Bloed van Christus in ons. Dit verenigt ons in de diepste intimiteit met Hem. En langs Zijn Eucharistische aanwezigheid in ieder van ons, leden van de Kerkgemeenschap, worden wij ook innig spiritueel met mekaar verbonden, met een goddelijke band die sterker is dan de fysische bloedgemeenschap. Daarom brengt de Goddelijke Liturgie ons reeds in de dimensie van de eeuwigheid.

En de Christus-ikoon : ook langs haar manifesteert God Zijn aanwezigheid. Alhoewel onzichtbaar in Zijn wezen wil Hij ons op ondubbelzinnige wijze geruststellen en ons tonen dat Hij aanwezig is en dicht bij ons staat. De “onzichtbare” ziet en hoort ons. Telkenmale wij de Ikoon aanschouwen weten wij dat de onzichtbare aanwezige God ons eerst heeft aanschouwd. Want steeds is Zijn blik naar ons gericht, vanaf het moment dat wij Hem willen opzoeken en ontmoeten In het Mysterie van de Ikoon – door de kracht van de Heilige Geest – ervaren wij hoe de onzichtbare “Aanwezige” ons nooit verlaat. Daarom kussen wij de Ikoon, hierbij niet de afbeelding, het hout, de materie op het oog hebbende, maar het “prototype” ervan : de Menslievende God, Die ons aanschouwt. Daarom zal ook de centrale plaats van ons huis, van onze werk- of slaapkamer, de Christus-Ikoon zijn, manifestatie van Zijn aanwezigheid. En die goddelijke aanwezigheid geeft ons de zekerheid dat alles wat in Zijn handen berust, dat alles wat Hem toevertrouwd wordt, goed is.

“Gods aanwezigheid ervaren” is voor de christenen de roeping van iedere dag, de roeping van ieder moment. God dringt Zijn aanwezigheid nooit op. Hij wacht….tot wij Hem opmerken, tot wij ons vertrouwen in Hem stellen, tot wij ons hart voor Hem openen, tot wij langs het gebed tot Hem spreken. Geduldig blijft Hij en altijd aanwezig ! Niet voldoende kunnen wij Hem hiervoor danken!

Vader Ignace Peckstadt

Hoofdgedachten van de liturgie der iconenwijding

Hoofdgedachten van de liturgie der iconenwijding

 

mandylion 16 augustus.jpg

 

Het wezen van de icoon wordt ons het duidelijkst bij de liturgie van de iconenwijding, dat wil zeggen de door de priester verrichte gewijde handeling, waardoor een geschilderde icoon geschikt gemaakt wordt voor kerkelijk gebruik. Deze wijding is beslist noodzakelijk, want zij is de kerkelijke bevestiging van de identiteit tussen de geschilderde beeltenis en het hemels oerbeeld. De huidige liturgie van de iconenwijding vertoont nog duidelijk sporen van de conflicten, die in de tijd van de Beeldenstorm in de Kerk gewoed hebben. Ook in de 7e en de 8e eeuw hadden de tegenstanders van de heilige afbeeldingen zich vooral beroepen op het tweede van de tien geboden (Ex.20,4) : “Gij zult U geen godenbeelden maken, noch enig beeld van wat in de hemel daarboven, op aarde beneden, of in het water onder de aarde is !”, en zij hadden in de verering van afbeeldingen in de orthodoxe kerk een vergrijp gezien tegen het uitdrukkelijk verbod van God. Volgens hun opvatting hield de verering van de afbeeldingen in, dat daardoor God tekort wordt gedaan in de eer, die hem alleen toekomt. Op beide argumenten nu gaan de gebeden en lofzangen van de iconenwijding in. In het openingsgebed richt men zich namelijk tot God en laat dan duidelijk uitkomen, dat deze met zijn verbod alleen het vervaardigen van afgodsbeelden heeft bedoeld.”Gij hebt door een gebod verboden, afbeeldingen en gelijkenissen die U, de ware God mishagen, te maken om ze als de Heer te aanbidden en te dienen”.  Nadat dit is vastgesteld, wordt er echter met des te meer nadruk op gewezen, dat God zelf heeft bevolen  “beelden op te richten, waardoor niet de naam van vreemde, valse en niet bestaande goden, maar Uw allerheiligste en hoogverheven naam, die van de enig ware God wordt verheerlijkt”. Als zodanig worden vermeld de Ark des Verbonds met de beide gouden Cherubijnen, zowel als de Cherubijnen van verguld cypressenhout, die op Gods bevel aan de tempel van Salomon moesten worden aangebracht. Zo is God zelf na de afschaffing van de valse beelden- en afgodenverering begonnen met het afbeelden van de mysteriën van zijn rijk. De meest verheven afbeelding van zichzelf – zo gaat het wijdingsgebed verder – heeft God tot stand gebracht in zijn vleeswording, door de menswording van zijn Zoon, die het “Beeld van de onzichtbare God “Koll.1,15) is en de “afstraling van zijn Glorie” (Hebr.1,3). God zelf “de beeldhouwer van de hele zichtbare en onzichtbare schepping” heeft zichzelf afgebeeld in Jezus Christus, zijn volmaakte icoon. De menswording van de Zoon is de afbeelding, die God van zichzelf heeft gemaakt. Zo is God zelf de schepper van de eerste icoon, die zich in de gedaante van Christus voor ons mensen zichtbaar maakte.

En nu volgt de meest opvallende en voor ons West- europeanen meest onverwachte zinswending : van Christus zelf namelijk, de afbeelding van de Vader, hebben wij, zo wordt gezegd, een gedetailleerde, “niet door mensenhanden gemaakte” afbeelding, waarop de gelaatstrekken van de Godmens bewaard zijn gebleven. De liturgie zinspeelt hier op de reeds genoemde wonderbare afbeelding, die Christus aan koning Abgar van Edessa zond, evenals op de overlevering van de zweetdoek, waarmee Christus op weg naar Golgotha zijn aangezicht afwiste en waarop op wonderbare wijze de afbeelding van zijn gelaat achterbleef. Christus zelf heeft dus de eerste Christus-icoon gemaakt en daarmee zowel het schilderen van iconen als de iconenverering gewettigd – dit argument gebruikt men dus tegen het eerste bezwaar van de tegenstanders van iconen.

Het tweede bezwaar van de tegenstanders, dat God door de verering van de heilige afbeelding tekort wordt gedaan in de hem alleen toekomende eer, wordt weerlegd door een ander gezichtspunt, dat geheel ontwikkeld is uit de neo-platonische  bespiegeling over de afbeeldingen : “Wij verafgoden de iconen niet, maar weten, dat de eer, die aan de afbeelding bewezen wordt, opstijgt naar het afgebeelde wezen”. Niet de afbeelding als zodanig is voorwerp en ontvanger van de aanbidding, maar het afgebeelde wezen, dat er in “verschijnt”. Zo vindt men in de gebeden om voorspraak de uitdrukkelijke bede, dat de afbeeldingen niemand in de verleiding mogen brengen, de aan God alleen als de oorsprong van alle heiligheid toekomende verering op zichzelf te betrekken.

Uit :  Ernst Benz : De Oosters orthodoxe kerk, Aula boeken pp. 18-20

De heilige Antonios de Grote : de onthechting aan de materiële goederen

De heilige Antonios de Grote :

De onthechting aan de materiële goederen

 

athanasius25

 Athasasios de Grote

 

Antonius de grote12

Antonios de Grote (Bron :icoon gemaakt door Silouan  http://www.iconenschilder.nl/)

De heilige Athanasios de Grote, bisschop van Alexandrië beschreef een leven van een tijdgenoot, de heilige Antonios ( gestorven in 356), die de eerste bekende heremiet was van de egyptische woestijn.

Men zal opmerken dat de heilige Antonios zijn toespraken aan zijn gehoor aanpastte. De eerste egyptische monniken waren voor het merendeel eenvoudige mensen : de enkele geleerden onder hen (Arsenios, Evagrius bijvoorbeeld) werden met een zeker wantrouwen bekenen. Zij waren gewoon aan een zware arbeid : voor sommige was het monastieke leven niet minder comfortabel dan dat wat zij hadden verlaten (de heilige Augustinus onderlijnt ook dit punt voor zijn religieuzen van Hippo). Zij waren opgegroeid in een sterk gehiërarchiseerde maatschappij ( de autoriteit van de functionaris, van de grootgrondbezitter) : zij begrepen heel goed dat men hen Christus voorstelde als een veeleisende meester. De actuele lezer moet rekening houden met deze gegevens om volledig deze tekst te kunnen begrijpen.

Men vindt reeds hier, maar alleen maar even in herinnering gebracht, de samengang  van  ongecontroleerde verlangens die kunnen  leiden naar objectieve zonden. Evagre le   Pontique en vervolgens de heilige Johannes Climacos, onder andere,  ontwikkelen veel later dit kapitaal aspect van de kennis van de bewegingen van de ziel. En men zal merken dat, voor Antonios zoals voor vele Vaders, datgene wat “natuurlijk” is datgene is wat overeenkomt met de staat van zijn voor de val. De mens en de verscheurde wereld zijn tegennatuurlijk want ze staan averechts op het goddelijk project.

Deze tekst stemt overeen met een dubbele actualiteit. Vooreerst roept het de noodzakelijke strengheid op in deze voorbereidingstijd van de vasten die begint. Maar de actualiteit is ook ecologisch.                                                                              

In vele landen geven  ecologisten, die beïnvloedt zijn door het “neopaganisme” de joods-christelijk beschaving de verantwoordelijkheid voor het verspillen van de planetaire bronnen van bestaan. Het verhaal van de schepping, zoals het beschreven staat in het boek Genesis, zou aan de mensheid onbeperkte rechten gegeven hebben over de natuurlijke bronnen. Het is zelfs zo dat men vijf zes maal meer belangrijke  bronnen nodig zou moeten hebben opdat haar inwoners hetzelfde niveau van leven zouden hebben als de tegenwoordige westerlingen. Voor ons is de vraag naar de onthechting en het delen  dus brandend actueel. Teksten als deze van de heilige Antonios tonen ons dat een christendom dat correct wordt beleefd deze kritieken , die onjuist zijn ,niet verdient. Ze dragen bij om een antwoord te vinden op het actuele on-evenwicht.  Onder voorwaarde dat men de voorschriften volgt en de materiële goederen op de tweede plaats stelt.

Michel Feuillebois

Teksten van de heilige Antonios :

Het nut van een spiritueel onderhoud

Op een bepaalde dag kwamen alle monniken vragen dat hij het woord tot hen zou richten.  Hij zei hen als egyptenaar : de heilige schriften volstaan voor ons onderricht, maar het is goed dat wij mekaar wederzijds aansporen in het geloof, dat wij ons laten bezielen door redevoeringen. Gij, mijn zonen, gij geeft aan uw vader wat gij weet, ik, uw oudere, lever u over wat de ervaring mij heeft geleerd.

De ascetische strijd duurt niet lang. De zege zal eeuwig zijn

Dat onze gemeenschappelijke inspanning erin mag bestaan dat wij niets opgeven van wat we ondernomen hebben, ons niet te laten ontmoedigen in het werk, dat wij niet tegen onszelf zeggen “onze ascese duurt lang”. Daarentegen, eens we er zijn aan begonnen, vermeerderen wij elke dag onze ijver. Elk leven van de mens is kort en dicht bij de komende eeuwen. Alle dingen van de wereld worden verkocht, wordt gewisseld voor zijn waarde, maar de belofte van het eeuwige leven wordt goedkoop verkocht. Er is geschreven : “De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren en , indien wij sterk zijn tachtig jaren en wat meer is is slechts kommer en kwel” (Ps 89, 10) Indien wij dus deze tachtig jaren hebben laten voorbijgaan en zelfs onze honderd jaren in het ascetisch leven, dan zullen we niet alleen honderd jaren maar in de eeuwen der eeuwen regeren. Als wij hebben  gestreden op aarde, zullen wij geen aardse erfenis, maar een hemelse erfenis verwerven en dit vergankelijk lichaam zal veranderen in een onvergankelijk.

Alles verlaten is te weinig

Dus, mijn kinderen, laten wij ons niet afschrikken, laat ons niet denken dat de tijd lang is waarin we vele dingen kunnen doen. Het lijden van de huidige tijd is niets in vergelijking met de komende glorie die in ons zal gemanifesteerd worden (Rom 8,18). Laat ons niet geloven, als wij de wereld bekijken, dat wij aan veel verzaakt hebben. Gans de aarde is klein in vergelijking met de hemel. Indien wij dus gans de aarde zouden bezitten  en eraan verzaken,dat zou nog niet waardig zijn om het Koninkrijk te verwerven. Het is alsof wij één drachme zouden minachten om er honderd te winnen, zo ook zou  de meester van de aarde, door alles te verlaten,  maar weinig verlaten en het honderdvoudige terugkrijgen, hij die enkele meters van de aarde zou verlaten verliest in feite niets, en indien hij zijn huis verlaat en veel goud, dan heeft hij geen motief om zich te verheerlijken of lauw te worden. Anderzijds, datgene wat wij niet verlaten, wordt ons door de dood ontnomen en dit alles valt dikwijls dan in de handen van hen die wij niet zouden willen, zoals Ecclesiasticus schrijft (4,8). Waarom het niet verlaten door de deugd omwille van de erfenis van het koninkrijk ? Dat het verlangen naar bezit ons niet overweldigt. Welke  winst heeft het datgene te verwerven wat we niet kunnen meenemen ? Verwerven we dus veeleer wat we wel kunnen meenemen : de bedachtzaamheid, de rechtvaardigheid, de matiging, de kracht, de wijsheid, de liefde, de liefde voor de armen, het geloof in Christus, de zachtmoedigheid, de gastvrijheid. Indien wij dit alles bezitten zullen we ze terugvinden in het land van de zachtmoedigen.

Volharden tot het einde toe

Omwille van deze redenen en andere gelijkaardige, dat ieder er zich van overtuigt niet kleinhartig te zijn, vooral denkend een dienaar van Christus te zijn, hij moet een dienaar zijn. Een dienaar zegt niet : “ik heb gisteren gewerkt, vandaag rust ik”; hij meet de verleden tijd niet om op te houden met werken maar, elke dag, zoals geschreven staat in het Evangelie, heeft hij dezelfde ijver voor het werk en dit om zijn meester te behagen en zich niet in gevaar te brengen. Ook wij, laten wij elke dag volharden in het ascetisch leven, indien wij één dag verwaarlozen, dan zal de Heer ons niet vergeven omwille van de verleden tijd, maar zal hij zich irriteren over ons voor onze onachtzaamheid. Zo is geschreven in Ezechiël (18,24-26)  “Zo verliest Juda, op één nacht, de zware arbeid van de voorbije tijd”.

Leven als elke dag sterven

Het is daarom, mijn zonen, dat wij moeten zorg besteden aan de ascese, laat ons niet verslappen. De Heer werkt met ons samen : Er is geschreven : Wie het goede heeft gekozen, met Hem is God ten goede (cf. Rom.8,28). Om niet kleinzielig te zijn is het goed het woord van de apostel te overwegen : wij sterven elke dag  (1 Kor.15,31). Indien wij niet zullen zondigen. Ziehier hoe je dit moet verstaan. Elke dag wanneer wij opstaan, denken wij dat wij de avond niet meer zullen halen, en ’s avonds als wij slapen gaan denken wij dat wij de morgen niet meer zullen halen. Ons leven is van nature onzeker, elke dag wordt ons toegemeten door de Voorzienigheid. Zo levend dat wij niet zullen zondigen,  zullen wij naar niets verlangen, dan zullen wij voor niemand wrokgevoelens hebben , dan zullen wij niets oppotten op aarde, maar, elke dag leven in de mogelijkheid van de dood, zullen wij arm zijn en aan allen vergeven. Indien wij onze onzuivere gedachten niet geheel beheersen dan moeten wij er ons van afkeren als zaken die nietig zijn. Laten wij altijd strijden en altijd de dag van het oordeel voor ogen houden, want de grootste vrees en het gevaar voor de kwellingen verdrijven de zachtheid van het genot en verzwakken de ziel .

De deugd is in ons

Wij zijn dus zo begonnen met de weg van de deugd te bewandelen, laat ons strijden, meer strijden om te konen tot de toekomstige goederen (Fil.3,14). Dat niemand achterom ziet, zoals de vrouw van Lot (Gen.19,26), want de Heer zegt : Niemand, die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk Gods(Lucas 9,62). Naar achteromzien is niets anders dan veranderen van mening en de smaak voor de wereld hernemen. Vrees niet als je hoort spreken over de deugd, verwondert u niet voor de naam.  Zij is niet ver van ons, zij vormt zich niet buiten ons, het werk is in ons en zij is gemakkelijk, maar we moeten het natuurlijk willen. De Grieken reizen en steken de zee over om de letteren te bestuderen. Wij hebben  er geen nood aan om te reizen omwille van het koninkrijk der hemelen, noch om de zee over te steken voor de deugd. Wij gaan vooruit, de Heer heeft gezegd : Het koninkrijk der hemelen is binnenin u (Luc.15,21).De deugd heeft dus geen andere nood dan onze goede wil, want zij is in ons en komt uit ons voort.

Indien de ziel haar intelligent deel bewaart conform de natuur, dan krijgt de deugd gestalte. Zij is volgens de natuur als zij blijft zoals zij geschapen is, want zij is mooi en rechtschapen. Het is daarom dat Josua, zoon van Nun, zijn volk vermaande : Richt uw hart op de Heer, de God van Israël (Jozua 24,23), en Johannes de doper : Maak recht uw wegen (Matth.3,4).  Voor de ziel betekent rechtschapen zijn het intellect hebben volgens de natuur, zoals het geschapen werd, maar wanneer zij afdwaalt en verstoord geraakt met betrekking tot de natuur, dan spreekt men van de ondeugd van de ziel. De zaak is dus niet moeilijk; als wij blijven zoals we geschapen zijn, dan zijn we in de deugd, maar als we denken aan slechte dingen, dan zullen we als slecht geoordeeld worden. Indien de zaak zou moeten gezocht worden buiten ons, dan zou het moeilijk zijn, maar omdat zij in ons is,moeten we ons hoeden voor onzuivere gedachten en moeten wij onze ziel bij de Heer houden zoals in een depot, opdat hij zijn werk zou herkennen, zijn werk, zoals hij het gemaakt heeft.

Onze vijanden : de demonen

Laat ons dan strijden opdat de woede ons niet overheerst of dat het verlangen ons niet domineert. Er is geschreven :  De woede van de mens bewerkstelligt niet de rechtvaardigheid van God; als de begeerte bevrucht is, baart zij de zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort. Ons zo gedragend, laten wij met aandacht waken zoals geschreven is (Spreuken 4,23). Wij hebben verschrikkelijke vijanden, vol van nieuwe ideeën, de slechte demonen, en het is tegen hen dat onze strijd gaat, zoals de Apostel zegt : want

Wij hebben niet te strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef.6,12).

Saint ATHANASE, “Antoine le Grand, père des moines” Collection “foi vivante” n° 240 , traduction du Père B Lavaud, pp27-32 (Cerf)

 Nederlandse vertaling : Kris Biesbroeck

De parochie als eucharistische gemeenschap

DE PAROCHIE ALS EUCHARISTISCHE GEMEENSCHAP

Door Jean -Jacques Laham

Betekenis van de uitdrukking “Eucharistische gemeenschap”

De term “Gemeenschap” betekent “tesamen verenigd zijn”, een band rond eenzelfde centrum. Dit centrum kan een eigen belang, een activiteit, een identiteit zijn. De notie van gemeenschap herkrijgt dus zowel een notie van eenheid maar ook een cirkel, een limiet en dus een in zichzelf betrokken zijn. Vandaag de dag wemelt het van gemeenschappen, zij het via de groepen van Facebook, de  segmenten van de markt die personen groeperen rond dezelfde koop gedragingen – een doelgroep voor de marktleiders, de blogs die het kenmerk “communautair” dragen enz..

Anderzijds heeft het adjectief “Eucharistisch” onmiddellijk de notie van openheid tot gevolg. Het heeft betrekking op de term “Eucharistie”, dat betekent ” dankzegging”, dank – in het bijzonder voor het heilswerk van de Drie eenheid. Het gaat dus over een openheid tegenover God, maar ook impliciet over een openheid op allen die dezelfde Eucharistie celebreren ( want door te communiceren aan dezelfde Christus, zijn wij allen met elkaar verbonden. Door de Eucharistie worden wij één enkel lichaam, niet enkel in een denkbeeldige betekenis : indien een lid lijdt, lijden alle leden met hem om de heilige Paulus te parafraseren. Zo definieert de parochie zich als plaats die ons samenbrengt ( beweging van innerlijkheid) om ons te verenigen met een veel Grotere, en door deze Grotere met een groter aantal in de vergadering van mensen ( uitwendige beweging).

Een beweging die tegelijk van het horizontale naar het verticale en van het verticale naar het horizontale gaat.

De notie van de eucharistische gemeenschap kan ook in de praktijk verwijzen naar een tweede dynamiek, waar een neerdalende en een horizontale-sociale dimensie mekaar kruisen.

Volgens een eerste aanvoelen definieert de Eucharistie zich voor alles als mijn deelname aan het Lichaam en Bloed van de Verrezene. Mijn persoonlijke ontmoeting met God gaat vooraf – de communie wordt het middel waardoor in ben gered. Deze gevoeligheid is erop gericht dat de Eucharistie een middel wordt voor het persoonlijk heil, dat beantwoordt aan een persoonlijk appèl. Daarom ga ik naar de Kerk om mij met God te verenigen. De gelijktijdige houding van mijn geloofsgenoten zou voor mij in dit geval bijkomstig, secundair zijn.

Een tweede gevoeligheid zou de tendens hebben om voor alles het accent te leggen op het collectieve, op de sociale band. De parochie wordt gezien  als datgene wat mij bindt aan andere personen in functie van mijn identiteit en mijn religieus toebehoren. Voor mij primeert de geest van de gemeenschap, de ontmoeting met deze of die persoon (en is het overiging daarom dat ik ga kiezen naar welke parochie ik zal gaan). Elkeen van ons voelt zich zonder twijfel dichter bij de ene of de andere gevoeligheid. Het is ook mogelijk dat wij afwisselen en ons dikwijls meer herkennen in de “individualistische” dimensie, en soms meer in de “sociale” dimensie. Niettemin kan het lijken dat deze twee “neigingen”, indien de één de ander in evenwicht houdt,  in feite noodzakelijk  mekaar aanvullen en gans hun betekenis geven aan de parochie.

Zoals Mgr. Jean Zizioulas het vertelt in zijn boek “L’Eucharistie, l’Evêque et L’Eglise” over de historische achtergronden van de parochie, de communie aan de heilige Gaven (verticale dimensie) is tegelijk een “communio aan de heiligen” (’t is te zeggen in brede zin aan alle deelnemers aan het Lichaam en Bloed van Christus). Wanneer wij naderen tot Christus betekent dit bijna verplichtend  het naderen tot de anderen. Een beeld van de Vaders doet ons bewust worden van dit : stellen wij ons voor dat wij een grote cirkel vormen waarvan Christus het centrum is, hoe meer wij Christus nabij zijn, ’t is te zeggen hoe meer de straal van de cirkel zwak zal zijn, des te meer zal de afstand die ons van mekaar scheidt verminderen.

In verband hiermee nodigt de Basiliosliturgie ons uit direct na de épiclese deze dubbele communio, met God en de anderen te vragen : ” En wij allen die deelhebben aan het ene Brood en deze ene Kelk, verenig ons met elkaar in de communio van de enige Heilige Geest”

De eerste christenen,   een model van een eucharistische gemeenschap 

Het voorbeeld van de eerste Christenen, zoals beschreven in de handelingen der Apostelen, blijft voor ons zonder twijfel het juiste model van de eucharistische gemeenschap. Volgens de Handelingen der Apostelen 2,42-47, bleven de eerste “gedoopten “volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de Apostelen. En allen, die tot het geloof gekomen  en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk : en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood in hun huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele volk. En de Heer voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden” 

Wij vinden hier zo de dubbele dynamiek van de christelijke gemeenschap terug, innerlijk en uiterlijk, verticaal en horizontaal : essentieel gecentreerd op het Woord en het breken van het brood , de kring werd groter door aangroei, totaal gekeerd naar God verleent zij tegelijk een plaats aan de andere, doorheen de vreugde van de gemeenschappelijke maaltijd of het delen van de rijkdom.

Anderzijds karakteriseert deze eerste eucharistische gemeenschap zich door de verscheidenheid van  haar “manier van zijn” en haar actiedomein : de liturgie, het gebed , de theologie  ( want zo kan men “de leer van de Apostelen” noemen, het sociale, de missionaire actie …. In zekere zin schijnt geen enkel domein te ontsnappen aan de eucharistische gemeenschap

Het past van onze kant dat wij nu, tweeduizend jaar later, ons de vraag stellen of deze actie van de eucharistische gemeenschap actueel blijft en of onze parochie in staat is de vlam brandend te houden die aangestoken is door de eerste christenen.

DE “WIJZEN VAN ZIJN” VAN DE EUCHARISTISCHE GEMEENSCHAP

De parochie – een ervaring/een gemeenschappelijk leven op basis van ons gemeenschappelijk, geloof

Zelfs  al is het bijna banaal om ons eraan te herinneren, het geloof is de eerste voorwaarde van het bestaan van een parochie. Datgene wat de parochieonderscheidt van andere verenigingen, is voor alles het geloof, de aanhankelijkheid aan iets wat niet vanzelf gaat, en in feite aan Iemand, aan een Andere, een gans Andere. Het lijkt mij dat wij ons altijd zouden moeten afvragen hoe wij hoe wij ons geloof kunnen vermeerderen opdat wij niet vervallen in een simpel humanisme (of wellicht ook in een ritualisme). De parochiale gemeenschap steunt dus voor alles op mijn geloof, een persoonlijk en in
vrijheid opgenomen geloof die ik deel met alle leden van de gemeenschap. Het is hierbij legitiem om zich af te vragen, hoe wij dit geloof in het parochieleven kunnen uitdrukken, hoe wij reëel  de gelijkvormigheid tussen Eucharistie en Geloof kunnen bewerkstelligen ? Op deze vraag, kunnen twee antwoorden worden gegeven.

•1.     Door het eenvoudige feit van samen te komen en deel te nemen aan de liturgie.

Het geloof dat “God onder ons is” en Hij zich tegenwoordig stelt “telkens wanneer er twee of drie in Zijn naam verenigd zijn”. Dit uit zich in het simpele feit van een “vergadering” te vormen (wat de betekenis is van de term “Kerk”), in  dat wat vader Schmemann het sacrament van de vergadering heeft genoemd in zijn boek van het Sacrament van het Koninkrijk, ’t is te zeggen dit mirakel waardoor “zondige en onwaardige mensen het lichaam van Christus worden”. Zo ons geloof tonen, aan God een vrije kans laten om te handelen, de noodzaak inzien van samen te komen om zich met Christus te verenigen. Daaruit vloeit de noodzaak voort van een fysieke aanwezigheid in éénzelfde plaats, en verder nog een bewuste en totale deelname van alle gelovigen aan de Eucharistie, van een gemeenschappelijke actie die alle gelovigen impliceert (betekenis van het woord “liturgie”).

In verband hiermee, onze parochie is hierbij pionier geweest in deze herontdekking van de hechte band die bestaat tussen liturgie , eucharistie en de vergadering, in het bijzonder doorheen een grotere deelname en betrokkenheid van de gelovigen. De inspanningen om eventuele hindernissen te onderdrukken die zouden kunnen bestaan tussen clerus en leken, het opzeggen met luide stem van de zogeheten secrete gebeden en in het bijzonder van de eucharistische canon, het zoveel mogelijk celebreren van de doop tijdens een eucharistische liturgie zijn zoveel doorslaggevende voorbeelden.

Men kan zich nochtans afvragen of er nog geen andere manieren bestaan van “concelebratie” die onderzocht kunnen worden – bijvoorbeeld –

  • – Een grotere deelname van allen bij de zang
  • – Een regelmatiger deelname van alle gelovigen aan de proscomedie – die juist getuigt van onze eenheid met alle heiligen rond het Lam.
  • – Een gemeenschappelijke voorbereiding van allen aan de communie ( door een grotere deelname aan de vigilies)

 

•2.     Door het gemeenschappelijk gebed voor mekaar.

Elk woord tot God, dat met luide stem wordt uitgesproken of in het innerlijke van het hart, is een geloofsdaad die de hoop van de gemeenschap levendig houdt. Wij geloven in het bijzonder dat het gebed in de Kerk, in de gemeenschap wordt beluisterd, want mijn persoonlijk geloof wordt erdoor vervolledigd en versterkt. Er bestaan zo een aantal specifieke momenten in de liturgie waar de gebedsintenties meer specifiek zijn , meer particulier zijn, meer gedurfd ook, maar altijd in de onderwerping van Gods wil. Men kan denken aan de dringende gebeden na het Evangelie, waar wij bidden voor de anderen,  voor de dierbaren van de anderen ( de zieken, de zwangere vrouwen, de overledenen enz..). De Grote Intocht, waar het gebed na de épiclese ( voornamelijk  uitvoerig in de Basiliosliturgie) andere gelegenheden  geeft om onze persoonlijke intenties aan God op te dragen.

De roeping van onze parochie is zonder twijfel verbonden aan de ernst waarop wij de gebeden beschouwen. Hoe beluisteren wij de dikwijls lange lijst van de namen der zieken ? Hoe breiden wij ons gebed uit die wij tot de onze maken op de vraag van andere leden van de gemeenschap ? Kunnen wij  niet ergens anders andere intenties naar voor brengen die meer specifiek zijn ? (voor een huwelijk, voor een belangrijke reis, gedurende een oorlog, na een natuurramp enz…)

De parochie – een ervaring van de andere – De vreugde van het samen delen.

De ervaring van de andere in de parochie begint met het delen van een gemeenschappelijke ervaring ( hetzelfde geloof, dezelfde deelname aan het Lichaam en Bloed van Christus) die verdergezet wordt in een persoonlijke ontmoeting, waar de “mede-gelovige” zoals men kan zeggen , uit de anonimiteit komt. Datgene wat sterkte en eenvoud geeft aan deze ontmoeting, is evident de vreugde van de liturgie  die ons bezielt en die in de cafetaria of de agapen kan verder gezet worden. De eerste ervaring met de andere in de parochie uit zich onder het teken van de vreugde, vreugde die andere vormen van delen kan inhouden : eenvoudige vriendschap, Bijbelstudie, gebedsgroepen, delen van mekaars lasten/zorgen. Om dit nog een beetje uit te breiden kan men zeggen dat de catechese aan de kinderen geen ander objectief heeft dan deze vreugde over te dragen. Vreugde die gegeven wordt in de Kerk en gedeeld met de andere kinderen doorheen het spel, de vriendschap en het feest.

De “diensten” van de parochie

De ervaring van de vreugde  kan uitlopen op en vindt ook haar zin in de betekenis van “dienst”, waar iedereen volgens zijn charisma, volgens de tijd en de veelvuldige andere bezigheden, de dienst aan de gemeenschap kan versterken. De lijst van deze diensten is groot : het gezang, de zorg voor het kerkgebouw, de verslagen, de kaarsen, de kledij, de catechese, de boekhandel, de bibliotheek, de dienst aan het altaar, de internet-site…om maar de meest evidente te vernoemen. Deze lijst, verre van  volledig te zijn, moet altijd open blijven om geen enkel initiatief uit te sluiten. Men kan zich wellicht afvragen hoe men zich meer ten dienste kan stellen voor de zieken, de ouderen, voor hen die in nood zijn om zich te kunnen verplaatsen en vragen om mee te mogen rijden( er bestaat misschien al zo een lijst, maar werkt ze effectief ?), of hen die in nood zijn. Kan men geen afwisselende bezoeken organiseren om de zieken of ouderlingen te gaan bezoeken . Zou men er niet bij winnen indien we beter het bestaan zouden kennen van een sociale kas van de parochie ?

Respect voor mekaar

Elke ontmoeting met de andere (in de parochie of elders) blijft een voortdurende uitdaging ten opzichte van zichzelf, van zijn persoonlijk comfort, van een gevestigde orde. Maar in de parochie (meer dan elders) kunnen twee types van weerstand overwonnen worden voor een vreugdevolle ontmoeting met de andere.

Wij weten allen dat achter de grootste dienst en de mooiste zaak, zich gemakkelijk  gevoelens van een goed geweten, van zelfvoldaanheid, van macht ook schuilgaan. De overwinning op deze weerstand is ons gegeven door Christus, de Meester die onder ons is als diegene die dient. Vanaf dat moment impliceert elke gemeenschappelijke eucharistie een weigering tot macht, tot autoritair zijn, van prikkelbaarheid ook. In de parochie vindt elke dienst haar bron en energie in de Eucharistie ( teken en verwijzing naar het laatste avondmaal, de voetwassing, de dood van Christus voor ons).

De tweede weerstand is de opsluiting in zijn eigen comfort, ten nadele van het onthaal van de andere. Wellicht dat er in een parochie als de crypte (Rue daru – Parijs) die een  zeer verschill
end profiel heeft, het respect voor de verscheidenheid voor mekaar,tegelijk  op de proef wordt gesteld en vergemakkelijkt. Wij worden geconfronteerd met drie types van “verscheidenheid”, die drie specifieke wijzen van handelen impliceren :

  • a. Verscheidenheid van persoonlijkheden : respect voor personen die meer eenzaam, schuchter, gevoelig zijn – kunnen wij geen vorm van peterschap ontwikkelen, meer systematisch ( zoals tegenwoordig voor diegenen die zich op de orthodoxie voorbereiden) voor diegenen die reeds orthodox zijn en regelmatiger wensen te komen naar de crypte. Kunnen wij ons verzekeren dat deze peterschappen zullen worden opgevolgd ?

•b.     Verscheidenheid van groepen van een andere origine : russen, congolezen, kopten, libanezen en andere. Het idee om recent een parochiaal eetmaal te houden die rekening hield met de culinaire gewoontes van de verschillende culturen was voor de parochie een middel om deze verschillende groepen tegemoet te komen.

•c.      Verscheidenheid van generaties : Taal voor kinderen en volwassenen, verschillende noden van de ouderlingen – men kan het woord geven aan de kleinsten, theatervoorstellingen voor of door de jongsten kunnen van tijd tot tijd worden georganiseerd. Wellicht kunnen wij hier nog aan toevoegen : de sociale verscheidenheid die een andere karaktertrek van de crypte uitmaakt.

De parochie, een missionaire roeping (uitwendige dimensie)

De Eucharistie is een openheid op het hiernamaals van de communauteit. Zoals Christus draagt en offert de eucharistische gemeenschap in de liturgie aan de Vader alle lijden van de wereld. Verenigd met Christus, overwinnaar van dit lijden, gelooft zij dat zij een boodschap van hoop kan brengen aan de wereld, die nood heeft aan een uittreden uit zichzelf, een beweging van uitwendigheid. In het Mysterie van de Kerk, inspireert Vader Boris zich op de bewegingen van het hart om deze realiteit uit te drukken : “in de systole (fase waarin het hart zich samentrekt en het bloed in het lichaam pompt) heeft men het ophoping, de toevloed van het bloed in het hart. In de diastole( = fase waarin het hart zich ontspant en weer volzuigt met bloed), de vernieuwing van de cellen van het lichaam zelf hersteld door de goddelijke adem”. Zo ook de offerande van gans de wereld in de liturgie ( vooral bij de grote intocht), komt overeen met de offerande aan de wereld van de Blijde Boodschap, het getuigenis in onze levens van het bestaan van het Koninkrijk. Deze beweging van uitwendigheid vindt haar plaats in het “laat ons in vrede heengaan”, die in plaats van de liturgie af te sluiten, haar in feite opent op de wereld en opwekt om de “liturgie na de liturgie” te vieren, ’t is te zeggen, onze zending als christen. “Onze wereld die meer dan ooit in crisis verkeerd verwacht van de eucharistische gemeenschap dit getuigenis van de vreugde die het goede nieuws ons brengt, het reeds beleefde Koninkrijk, het Koninkrijk van de Ontmoeting voor dewelke alle “aardse voedsel” die de mens heeft niets vergeleken is (…), dat tevergeefs zijn dorst naar het absolute  misleidt” aldus Costi Bendali, libanees orthodox denker, die in het bijzonder heeft bijgedragen tot de vernieuwing die begonnen is door de Beweging van Orthodoxe Jongeren (MJO) in het Midden-Oosten. Deze openheid die indruk maakt op de gelovige (en die zijn bron put aan het innerlijk van het communautaire leven) kan verschillende vormen aannemen : doorheen een ontmoeting met andere christenen maar ook en wellicht vooral met de niet-gelovigen.

Openheid tegenover de andere christenen onder verschillende aspecten

Men zou hier kunnen een lijst opmaken van de veelvuldige openheden van de parochie met de andere christenen, in concentrische cirkels, personen dicht bij ons die omgaan met andere, niet orthodoxe christenen.

•a)    Met personen die de parochie verlaten hebben

De parochie strekt zich vooreerst uit in haar oud-leden die om persoonlijke redenen ( bijvoorbeeld een verhuis)vertrokken zijn. De vraag , te weten hoe men contact met hen kan onderhouden is reeds besproken ( bijvoorbeeld : via het tijdschrift, de web-site, via e mail)

•b)    Met ons bisdom

De parochie heeft slechts zin indien ze verbonden is met een bisschop, die garantie staat voor de eenheid van de Kerk en haar gelijkvormigheid met het evangelie, en dus garant voor de eucharistie. De communio met de bisschop verzekert de realiteit van onze Eucharistie en getuigt dat zij geen individuele en geïsoleerde ritus is maar een communio met de totaliteit van de gelovigen. Het is door de bisschop dat de openheid van de parochie met al de orthodoxe gelovigen mogelijk wordt gemaakt. Wij hebben in de crypte het geluk een bijzondere band te hebben met de bisschop, zowel geografisch (omwillen van zijn Kathedraal), als effectief. Het is goed om deze band voort te zetten.Deze eenheid met de bisschop drukt zich ook uit doorheen de relaties die wij kunnen ontwikkelen met de andere parochies van het bisdom. Acties zouden kunnen worden ondernomen om onze band te versterken hetzij met de parochie van de Heiligen Petrus en Paulus te Clapham, met wie wij verbonden zijn, hetzij met de Kathedraal, hetzij met parochies in de provincie.

•c)     Met de andere orthodoxe gemeenschappen van Parijs

De roeping van onze parochie kan anderzijds een versterking betekenen voor de banden met Orthodoxen. Het historisch gevolg van een aantal parochianen in de Fraterniteit getuigt reeds hiervan. Kan de aanwezigheid te Parijs van een grote verscheidenheid van orthodoxe kerken van verschillende tradities geen uitnodiging zijn om mekaar beter te leren kennen als orthodoxen onder mekaar en om onze eenheid te concretiseren ? Het bezoek aan parochies van andere tradities, het hernemen van een interparochiale catechese of nog, progressieve introductie, zonder syncretisme, van onze Russische traditie van de byzantijnse ritus zou een “brug” kunnen slaan tussen de verschillende orthodoxe gemeenschappen.

•d)    Met kerken /parochies van andere landen

Breder gezien, de crypte onderhoudt rechtstreekse banden met de orthodoxe parochies buiten de grenzen van het bisdom : in Rusland, in Afrika ( in het bijzonder met Vader Timothée in Benin), in Libanon. Deze relaties die te wijten zijn aan historische omstandigheden of door vriendschapsbanden ( dikwijls via het Instituut St.Serge) vormen factoren van openheid die zonder onderbreking moeten onderhouden worden.

•e)     Met de andere christelijke belijdenissen

Ten slotte, over de grenzen van de zuivere orthodoxe sfeer heen, heeft onze parochie het geluk deel te kunnen nemen aan een betere dialoog, hetzij met de zogenaamde christenen van het Oosten (dank zij onder andere Christine Chaillot), hetzij met Katholieken en Protestanten (als gevolg van de inzet van Danielle Gousseff)- , de crypte wordt  graag door sommigen
 gekenmerkt als “oecumenisch”, dikwijls in pejoratieve zin. Deze deelname aan kringen van bijbelbezinning of met het gebed met christenen van andere belijdenissen moet in feite een dubbel getuigenis vormen : voor de niet-Orthodoxen, de rijkdom van onze traditie; voor de anders Orthodoxen minder spontaan neigingen voor oecumenische ontmoetingen, met de kracht van het geloof en het gebed die ons laat communiceren met andere christenen.

Openheid over de grenzen heen van de “religieuze cirkel”

Het komt aan de parochie toe om uit te stralen over de grenzen van de religieuze sfeer en een wijze van uitdrukking te vinden in de profane wereld. In de conferentie die hij over dit thema heeft gegeven en welke is uitgegeven in een klein boekje getiteld “Getuigenis van de eucharistische gemeenschap” heeft Costi Bendali aangetoond dat “de christelijke gemeenschap zich niet mag ontdoen van deze essentiële dimensie van haar concreet historisch engagement, haar hoop op het Koninkrijk” En hij maakt hierbij duidelijk dat men het “heil aan wat zuiver religieus “is niet moet inperken. Hij onderlijnt dat “het heil van Christus een totale bevrijding inhoudt voor elke miserie, van elke beroving, van elke vervreemding”. Vader Cyril Argenti citerend, nodigt  hij ons uit om ons niet te “verbergen in de eucharistische celebratie en het strijdtoneel van deze wereld te ontvluchten. Vanaf dan kunnen wij ons afvragen hoe ertoe te komen om niet in een dualisme terecht te komen “spiritueel leven /dagelijks leven”,  hoe historische daden te stellen, hoe in nederigheid bijdragen om deze wereld te omvormen ? Deze vraag is zeer uitgebreid en verdient een diepe reflexie. Men zou twee voorbereidende voorstellen kunnen inbrengen, die niet de pretentie hebben om rond de vraag zelf heen te draaien.

•a)     De collecte van de vasten / de vasten van het delen

Het eerste betreft de band tussen ons vasten ( voornamelijk deze van de grote vasten) en de ondersteuning van de meest kwetsbaren.” Vasten om de meest armen onder ons te helpen”, dat is de betekenis van de omhaling in onze parochie in de vasten, die aldus wordt een “vasten van het delen”. Het staat ons immers toe mensen te helpen in hun noden met een som geld die wij gegeven hebben. Costi Benaldi toont dat het erom gaat “te antwoorden aan de consumptiemaatschappij door de bekering van het verlangen, niet om te verkwisten, maar om getransfigureerd te zijn in Christus, worden als Hem en in Hem, gave, onthaal en delen “.

•b)    Een “forum van verenigingen”.

De tweede suggestie  zou een appel kunnen inhouden van een investering in het dagelijks leven, onder de inspiratie van een heilige als Mère Marie, waarvan het leven van dienstbaarheid radicaal is geweest. Velen onder ons zijn reeds geëngageerd ten persoonlijke titel in verenigingen (ACAT, Montglofière, Saint Egidio )om maar de meest bekende te citeren. Zouden wij niet kunnen profiteren van de ervaringen van sommige parochianen om deze verenigingen beter te leren kennen ? Kan onze parochie niet discreet een soort van draaischijf  worden van belangeloze acties en dit zonder de inmenging  van de politiek ?

De verschillende wijzen van zijn van de eucharistische gemeenschap maken er een teken van  Gods aanwezigheid in de wereld van. Een gebed kan ons helpenom zich bewust te worden van deze bijzondere zending; een gebed dat voortdurend en telkens herhaald wordt  en waarvan wij de neiging hebben om het niet meer te beluisteren. Dit gebed duidt expliciet de roeping van de parochie aan die onze individualiteiten moet verenigen, de andere gelovigen en de gehele wereld rond Christus. Dit gebed is in feite een oproep, een vermaning, een bemoediging; gewoonlijk geformuleerd door de diaken en zij bevelen  ons aan om “onszelf, de anderen en heel ons leven aan Christus onze God” toe te vertrouwen.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

Persoonlijk pinksteren

Persoonlijk pinksteren

“Christificering” van de gelovigen

 

“Gij die in Christus zijt gedoopt, hebt u met Christus bekleed”, zingen wij bij elk doopsel. Het is een citaat van de heilige Paulus aan de galaten (3,27). Het christelijk leven, of veeleer, om te spreken zoals Sint Paulus en Nicolas CABASILAS ( kerkvader die leefde in de 14e eeuw), het leven in Christus bestaat niet alleen  in de praktijk brengen van Gods geboden : dit wordt gevraagd van een Jood  en een Moslim evenzeer als van een christen.

Het gaat onder andere, en vooral zoals Sint Paulus er ons aan herinnert in de Brief aan de Romeinen (6,5) dat wij “eenzelfde plant” worden, “Symphytoï” met Christus opdat Hij in ons verblijft en wij in Hem (Joh.6,5 en 17,23). ” Ik ben  de wijnstok, gij zijt de ranken” heeft Christus zelf gezegd tot zijn leerlingen (Joh.15,5).

Deze integratie van de christen  in het Lichaam van Christus realiseert zich door de zalving  in de Heilige Geest : “Gij bezit een zalving ( in het grieks “chrisma” ontvangen door  de Heilige Geest ( 1 Joh.11,20)”. “Diegene die ons  met u bevestigt in de Gezalfde en ons heeft gezalfd, is God” (2 Kor.1,21).

Het griekse woord “chrisma”, gebruikt zowel door Sint Jan als door de Heilige Paulus, verwijst onmiddellijk naar “Christos” ( in het Grieks “oint” – gezalfde en herinnert ons eraan dat de zalving van de Heilige Geest, de gave van de Heilige Geest, de gave van Pinksteren ons integreert in Christus, ons verenigt met Christus, op wie en in wie de zalving van de Heilige Geest rust, de zalving die van Hem de “gezalfde” maakt (“de Geest van God is met mij, Hij heeft mij gezalfd” – Hij heeft mij tot Christus gemaakt -“om het blijde nieuws aan de armen te verkondigen” (Jes.61,2). Christus schenkt dezelfde zalving aan zijn leerlingen om van hen “christoi”, “gezalfden”, christenen te maken. Het is deze gave welke ieder van ons is beginnen te ontvangen bij het opstijgen uit het doopwater, wanneer wij de “zegel van de gave van de Heilige Geest” hebben ontvangen, toen wij bezegeld werden met het Heilige olie, door de zalving, door onze  “chrismatisatie”. Deze zalving  betekent dus het begin van ons persoonlijk Pinksteren, ’t is te zeggen, de actualisatie voor ieder van ons, het ontvangen door ieder van ons vandaag van de gave die ons gegeven wordt door de ganse Kerk op de dag van Pinksteren.

Deze gave moeten wij onderhouden en aanwakkeren door de dorst en de hoop van een gans leven gericht op deze “verwerving van de Heilige Geest”, die, zoals de heilige Seraphim van Sarov er ons aan herinnert, het doel zelf ervan is en het elke betekenis geeft.

Wij onderhouden en wakkeren het aan als Kerk, telkens wanneer wij oprecht deelnemen aan de Goddelijke Liturgie, telkens wanneer wij communiceren aan de Heilige Mysteriën, met “vreze Gods, met geloof en in liefde”.

Het is door de eucharistische communie dat wij binnentreden in Christus en Hij in ons : “hij die mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in Mij en Ik in hem” (Joh.6,56). En het is door de werkzaamheid van de Geest dat het brood en de wijn verandert in het Lichaam en Bloed van Christus opdat ieder van ons zou veranderen en door te communiceren, leden zouden worden van dat zelfde lichaam. Het is zo dat de Heilige Geest, door ons met ziel en lichaam te verenigen met Hem die “het beeld van de onzichtbare God ” is (Kor.1,15), “de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen” (Hebr.1,3) ons meer en meer het schitterende beeld van God in elk van ons doet kennen, zodat wij  allen ” die met een aangezicht waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Heer, die Geest is” (2 Kor.3,18), “totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus” (Ef.4,13).

Geloven in Christus, volmaakt Beeld van God , de gelijkenis ten volle  realiseren volgens dewelke wij geschapen zijn, dat is het doel van het leven dat wij zouden kunnen bereiken als wij zonder ophouden de Vader smeken om ons Zijn adem in te blazen, Zijn Heilige Geest, om in ons het beeld van de Zoon te projecteren, en ons zo meer en meer gelijk te maken aan ons Goddelijk model en zo “ons te verenigen met de Goddelijke Schoonheid” (Kondakion van de Zondag van de Orthodoxie), Kort om ons tot christenen  te maken

Vader Cyrille Argenti

Vertaling : Kris Biesbroeck

De christen tegenover de uitdagingen van de eeuw

De christen tegenover de uitdagingen van de eeuw

Metropoliet Ephrem van Tripoli

 

Ephrem van Tripoli6

Ik ben onder  u vandaag, niet om een conferentie te geven, maar voor een eenvoudige  voordracht die ik graag de titel meegeef : “de christen tegenover de uitdagingen  van de eeuw”. Ik zal mij op de eerste plaats richten tot de leerlingen van het Lyceum. Zij maken deel uit van de nieuwe generatie van deze eeuw, zij zullen moeten deelhebben aan de wereld van vandaag en haar uitdagingen. Daar het niet gaat om een conferentie, zal ik mij onthouden anderzijds om een uiteenzetting te geven over de verdiensten en de karaktertrekken van de wereld van vandaag, want gij beleeft het volkomen. De ervaring is meer waard van elke uiteenzetting.

Beginnen wij met de specifieke trekken van onze samenleving voor ogen te nemen. Niets betwijfelt dat ons tijdperk moeilijk is ,ik kenmerk het als moeilijk, omdat ik geloof dat zij rechtschapenheid mankeert. Wat zijn nu eigenlijk de karakteristieken ?

“Een wereld die meer en meer materialistisch is”

Zoals gijzelf het zonder twijfel hebt gemerkt, constateren wij een grote wetenschappelijke vooruitgang, en meer in het bijzonder op het domein van de technologie. De technologische middelen evolueren op een buitensporig snel tempo, en dat van dag tot dag. Men moet dus een “bagage” (in de oorspronkelijke tekst in het Frans) hebben om in staat te zijn  deze snelle evolutie te kunnen volgen. Het volstaat een computer te openen en op het internet  te surfen om toegang te krijgen tot overvloedige en formidabele gegevens van feiten. Omwille van de afwezigheid van onderscheidingsvermogen is het zeer gemakkelijk om zich erin te verliezen. Niet wetend hoe het nuttige eruit te halen, voelt men zich als het ware verloren in deze enorme “bagage”, in de veelheid van de gegevens.

Zeker er is ook schijn van eenheid die ons tijdperk karakteriseert, men spreek in dit verband van “mondialisering”. De mens van vandaag leeft in de illusie dat hij bekwaam is; dank zij de middelen van communicatie en de media, om de ganse wereld te verenigen. Dit is gedeeltelijk waar. Ik zal u een voorbeeld geven. Wanneer de heilige-synode mij heeft verkozen, belde mij iemand vanuit Amerika, op het moment zelf dat de bisschoppen nauwelijks de vergaderzaal hadden verlaten. Zij had mijn verkiezing reeds vernomen ! Dus, in een tussentijd van amper vijf minuten hadden de vier hoeken van de wereld reeds vernomen dat er een bisschop was verkozen voor het diocees van Tripoli en zijn dependenties. Wie zijn wij ten overstaan van de wereld van vandaag om dergelijk echo op te wekken ? Het is slechts een eenvoudig voorbeeld om de uitgestrektheid en de vlugheid van de communicatiemiddelen vandaag de dag  te illustreren.

Maar de wereld waarin wij leven wordt gelijdelijkaan een materialistische wereld.  Weldra zullen jullie gespecialiseerde studies ondernemen en zullen jullie binnentreden in het domein van de economie. Op onze dagen  regelt de economie de wereld, en het is zij , dat heb je zonder twijfel al gemerkt, die de wereldcrisis heeft veroorzaakt.

“Het lichaam is geen koopwaar”

Echter, datgene wat wij vandaag de dag dikwijls  op wereldschaal noemen ” de cultuur van het lichaam”, betreft jullie meer. Hoe zit dat met deze “cultuur van het lichaam” ? Op onze dagen concentreren zich elke publicatie, alle media en alle producten die in de mode zijn zich op het lichaam van de mens. Er zijn geen publiciteitspanelen op de wegen die het lichaam niet laten zien en het  uitstallen, zeker die van de vrouw, en dit om meer producten te kunnen verkopen. Het lichaam wordt uitgebuit voor commerciële redenen. Het is mijn plicht om uw aandacht hierop te vestigen. Voor ons, christenen, is het lichaam geen koopwaar. Het kan dus geen middel zijn om meer geld te verdienen. Dàt is het standpunt van  de christen.

Je zal merken dat alle menselijke wezens, niet alleen de jongeren, maar ook de minder bejaarden en de ouderen  zich voornamelijk zullen voordoen in hun zo-zijn, en dit in elke institutie, zelfs in de schoot van de Kerk. Zij verzorgen hun klederen, zij zijn bezorgd om hun voorkomen, zij zoeken uit welke vest ze best zouden dragen, de beste das om te knopen, om er als de mooiste uit te zien. Ik vraag u – laten wij er over discussiëren en vragen stellen : ligt de waarde van de persoon  alleen in zijn lichaam ? Beperkt het zich tot zijn voorkomen ? Wat is echter de menselijke persoon ?

“De intellectuele bekwaamheden van de mens zijn onuitputtelijk, het is een genade van God”

Onze Kerk leert ons, zoals het wordt uitgedrukt door onze Vaderen, dat de mens bestaat uit een lichaam, een geest en een ziel. Er bestaat geen twijfel aan dat God de geest geschapen heeft, deze menselijke geest waarvan de bekwaamheden beperkt zijn. De wetenschappers van vandaag bevestigen dat zij enkel een gering deel van de hersenen van de mens gebruiken in dienst van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang. De intellectuele bekwaamheden van de mens zijn dus onuitputtelijk. Dit is wonderbaar. Het is een genade van God.

Maar in de ogen van een christen is de mens niet alleen een geest. Hij is ook niet alleen een lichaam. De mens is ook een ziel. Stel u een mens voor, geleerd, houder van verscheidene universitaire diploma’s, een echte specialist, maar die in zijn eigen leven niet slaagt. Indien hij geen hoop heeft, zal hij ongelukkig zijn, ondanks zijn werk, zijn geld, zijn studies en diploma’s. Het is u misschien niet mogelijk om dit op dit moment te vatten, maar met de tijd zal je begrijpen….

Hij die veel  reist in de wereld, ontmoet veel  rijke en geleerde mensen ( ikzelf heb veel gereisd, voornamelijk in het Westen), maar als we eens de gelegenheid hebben om bij hen op bezoek te gaan, merken wij dikwijls dat zij ongelukkig zijn. Zij komen alleen thuis. Sommigen zijn gehuwd, anderen, en het is dikwijls het geval, zijn het niet. Er zijn er die  buitenechtelijk samenwonen, anderen leven alleen. Zij komen thuis en wat doen zij ? Zij kijken naar de televisie, of zij gaan naar een herberg om een biertje te drinken of hun voorkeursdrankje (op onze dagen in Libanon, zijn het de narquilés -waterpijpen met tabak-die in de mode zijn), maar in hun innerlijk geweten zijn deze mensen triestig. Waarom ? Omdat zij alleen zijn. Een menselijk wezen is slechts gelukkig in het bijzijn  van een ander menselijke wezen, in de communio met anderen. Indien hij geen familie heeft die hij liefheeft en die hem liefhebben, dan zal hij droevig blijven. Wij komen hier op het domein van de spiritualiteit.

De innerlijke vrede  verwerven om de “eenheid van het menselijk wezen” te bereiken.

Indien de mens het lichaam  – ziel en geest niet verenigt, dan zal hij verdeeld blijven. Ik denk dat gij genoeg ervaring hebt om dit zeer delicaat probleem te begrijpen. Voor de Kerk is de mens één. Indien hij slecht
s een deel van zijn zijn ontwikkelt zal hij een verdeeld persoon blijven. In het jargon van de moderne geneeskunde, zal hij getroffen worden door schizofrenie, door een desintegratie van zijn persoonlijkheid. Hij zal geen  volmaakt persoon zijn. Schizofrenie,  desintegratie van de persoonlijkheid is een psychische ziekte die het meest verspreid is in de wereld van vandaag. Waarom ? Omdat wij niet alle aspecten van de menselijke persoon ontwikkelen.

Indien de mens zijn lichaam tot in het extreme toe ontwikkeld, zonder zijn  ziel te ontwikkelen, dan blijft hij verdeeld (zelfs al ontwikkelt hij zijn geest) en dus onevenwichtig. Hij bezit geen “innerlijk evenwicht”. Een persoon, man of vrouw, die de innerlijke vrede niet bezit kan niets vruchtbaars of productiefs verwezenlijken. Zijn arbeid zal altijd gedeeltelijk zijn, onafgewerkt. Door een tekort aan deze eenheid van het menselijk zijn,en  buiten dit “evenwicht van de menselijke persoon” kan de mens er niet in slagen vruchten te dragen.

Ik zal nu komen tot een onderwerp, dat, geloof ik u in het bijzonder aangaat. Vanaf het moment dat wij de eenheid van de menselijke persoon zijn gaan behandelen, besef dat de mens die  niet alle aspecten van zijn persoonlijkheid ontwikkeld, hij niet alleen een gedeelde , verloren , verwarde mens is, maar ook een leugenaar, dus kunstmatig. Hij is een leugenaar, want hij beleeft een  tweedeling tussen het zijn en het zich voordoen. Hij bevestigt iets en leeft anders. Dit is juist de schizofrenie van de persoon, wat één van de gevaarlijkste kenmerken is en het meest negatieve van de mens van vandaag. Ik spreek van de  leugen. Wie kan mij zeggen wat de tegengestelde deugd is van de leugen ? Wie onder u weet het ? Het is zeker de zekerheid die eruit bestaat “consequent te zijn met uzelf” Daaruit bestaat de eenheid. Het is  de moeilijkste en de meest belangrijke zaak die er is.

Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om u een raad te geven. Het is mogelijk dat wij mekaar nog zullen terugzien, zoals het ook mogelijk is dat wij mekaar niet meer zullen terugzien. Ik raad u dus aan geen leugenaars te worden. Wees niet kunstmatig. Gij zijt jong, in de bloei van uw leven. Gij zijt moedig, ondernemend, ambitieus. Wat gij ook zult doen, overal waar je ook zal komen, wees oprecht. Tracht oprecht te zijn. Lieg nooit. Zeg onverschrokken uw mening, zelfs als men niet naar u luistert. Dit is van groot belang. Gij zijt jong, en in de grond van zijn hart verlangt iedere mens altijd naar de waarheid, en dit ondanks alle slechte ervaringen, de kleine misstappen en de bekoringen. Hij verzucht naar wat levend en zeker is. En dit is niet vreemd aan het Evangelie.

“De waarheid zal u vrijmaken”

Wij lezen in het Evangelie : ” Gij zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrij maken”. Op onze dagen heeft de jeugd geen andere verzuchtingen dan de vrijheid. Welnu, de vrijheid kan niet kunstmatig zijn. Zij realiseert zich als men de waarheid kent en als men  eerlijk is tegenover zichzelf. Zo wordt men een vrij mens. Wat is vrij-zijn ? Het is geen slaaf meer zijn, geen gevangene meer. Ons lichaam moet ons niet herleiden tot slavernij. Zo moet men ook geen slaaf zijn van een politiek leider, alhoewel dit soms de gewoonlijke gedraging is – verontschuldig mij om u eraan de herinneren – bij de Libanezen levend in Libanon. God alleen kan ons uitnodigen om onze vrijheid te beperken. Anders zijn wij geen ware christenen, maar alleen christenen van naam. Gij die in de bloei van uw leven zijt, brengt de uitdaging die wij de titel hebben gegeven ” de uitdagingen van de eeuw” opnieuw tot bloei, deze eeuw die zo dikwijls leugenachtig is. De christen moet zijn aandacht gericht houden op deze uitnodiging. Hij moet alles onderzoeken : elk woord dat hij hoort, elk beeld dat hij ziet, elk televisieprogramma dat hem wordt aangeboden en slechts dit onthouden waarvan hij overtuigd is, al de rest moet hij verwerpen.

Sta mij toe een voorbeeld te geven uit het Evangelie. De Heer Jezus werd voor Pontius Pilatus gebracht om veroordeeld te worden. Hij vroeg Hem : Waarom ben je daar ? Gij hebt de hemel verlaten om u te incarneren, om hier te komen, en nu ben je aan het lijden. Waarom ? En de Heer antwoordde hem : “ik ben gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid”. Gij weet goed dat deze man, Pontius Pilatus, een romeins gouverneur was, en dikwijls verstaan de gouverneurs, ook die van vandaag, niet veel van goddelijke of spirituele dingen, zij hebben niet de tijd om er zich in te interesseren . Als gevolg van deze vraag antwoordt de Heer : “ik ben gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid”. Pilatus vroeg Hem : “Wat is de waarheid”? Iedereen kan bevestigen dat hij gelijk heeft, dat hij aan de zijde staat van de waarheid. Maar uiteindelijk, waar is de waarheid ? Wat antwoordt gij op zulke vraag ? Wie kan mij een antwoord geven ? Wat was het antwoord van de Heer toen Pilatus hem de vraag stelde : “Wat is de waarheid, toon mij waar de waarheid zich bevindt ” ? Wie onder u kan hierop antwoorden ? Heeft er iemand een antwoord ?  (stilte) Gij doet juist hetzelfde als wat Jezus deed : Hij heeft niet geantwoord…..

De christen moet het geloof, de hoop en de liefde hebben

Heeft Jezus in een andere passage van het Evangelie niet gezegd : “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven ? Werkelijk, Hij is de Waarheid. Omdat de titel van onze uiteenzetting is “De Christen tegenover de uitdagingen van onze eeuw”, moeten wij bevestigen dat de christenen één enkele toevlucht hebben, één enkele schuilplaats, één enkel model. Wat is dit model dat wij moeten volgen ? Zeker, het is Jezus Christus. Wanneer wij de Heer zullen kennen, zijn leven op aarde, dan wordt Hijzelf onze toevlucht. Hij zal ons leren hoe wij ons moeten gedragen. Waarom blijven wij dus wezenloos ? Heeft Hij in het Evangelie niet gezegd : “Gij zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrij maken ?” De ware vrijheid is verbonden met het geloof en de hoop. Hij die geen geloof heeft heeft  geen principes in zijn leven, hij is niets. Men moet geen grote dingen doen Hij gedraagt zich als een schaap dat volgt.. die altijd volgt, zonder werkelijk te weten wat hij volgt. Wat volgt hij ? de mode ? een beweging wat dan ook ? Ik weet het niet. Een christen moet een mens zijn van principes Hij moet geloof hebben. Hij moet hoop hebben. De christen wanhoopt niet. Wij die het geloof hebben, wij wanhopen niet. Maar de christen moet ook liefde hebben.

Ik ga besluiten met te spreken over de liefde. De apostel Paulus schrijft dat er tussen het geloof, de hoop en de liefde “de liefde de grooste is” Zij geeft een zin  en doel aan ons leven, deze van de waarachtige liefde. De liefde houdt ons de dag van vandaag allen bezig, in het bijzonder de jongeren.  Gij gaat experimenteren, en de wereld van vandaag geeft veel bekoringen. Ik hoop dat gij de liefde zult kennen, de ware liefde en niet een valse liefde. Geen liefde die één, twee dagen duurt en die gevolgd wordt met bitterheid en scheiding. Pas op. Pas goed op. Als gij van iemand houdt, houd ervan met een waarachtige liefde, niet een uiterlijke, niet een liefde die kortstondig is. Een liefde zonder offer, zonder respect voor de ander, heeft geen enkele zin. Het wordt passie. Passie duurt niet lang. Zij wordt gevolgd door bitterheid en droefheid, maar ook door wanhoop en zij leidt soms tot  zelfmoord , wat geen genade van God is. Het komt veel voor zowel in Libanon als elders. Wij willen geen liefde van dit genre. Wij keuren
het af. Wij willen een waarachtige liefde, zoals ik ze beschreven heb, een liefde ondersteund  door hoop en geloof.

Ik dank u.

Uit : SOP 347 – April 2010

Vertaling : Kris Biesbroeck

De orthodoxe kerk in Oost Europa in de 20e eeuw

De orthodoxe kerk in Oost Europa in de 20e eeuw

Door metropoliet KALLISTOS  Ware

 

Kallistos

 

Wij orthodoxen denken dat de orthodoxie de Kerk is van de heilige Traditie, de bewaarster “van het geloof die ons is overgeleverd aan de heiligen eenmaal voor allen”(Judas 3), “die niets wegneemt en niets toevoegt” zoals de Vaders van het 7e oecumenisch concilie in 787 het formuleerden. Maar terzelfdertijd erkennen wij dat deze onveranderde Traditie moet geassocieerd worden met persoonlijke ervaringen en dat wij ze moeten her-denken en her-beleven in elke nieuwe generatie. Een groot russisch theoloog van de 20e eeuw, Vladimir Lossky (1903-1958) heeft geschreven :” Het enige moment waarop de Traditie levendig en creatief is, is door de vereniging van de menselijke vrijheid met de genade van de Heilige Geest”. Lossky voegt eraan toe dat de Traditie ” de kritische geest van de Kerk” voorstelt”…(…)

De schok van de Revoluties

Voor de christenen van Oost-Europa was de 20e eeuw een vertroebeld tijdperk, met grote uitdagingen maar ook met nieuwe hoopvolle perspectieven. De geschiedenis van de orthodoxie gedurende de 100 laatste jaren was gekenmerkt door drie voorname gebeurtenissen.

Vooreerst, het begin van de eeuw was gekenmerkt door twee beslissende gebeurtenissen : in Rusland, de bolchevistische revolutie van 1917; en in Klein Azië  de nederlaag van het griekse leger in 1922, die gevolgd werd in 1923 door de uitwisseling van volkeren tussen Griekenland en Turkije, wat we vandaag de “ethnische zuivering” noemen. Als gevolg hiervan ging de Kerk in Rusland, de kerk met de meeste aanhangers en de meest invloedrijke,  gebukt onder de dominatie van het militante atheïsme, en gedurende de 70 jaren die volgden ging zij gebukt onder vervolgingen, nu eens rechtstreeks en gewelddadig gedurende de jaren 1920 en 1930, vervolgens opnieuw bij het begin van de jaren 1960, en dan weer indirect en vernederend in de periode die volgde op de tweede Wereldoorlog. De vestiging van het communisme in Rusland veroorzaakte een talrijke emigratie naar het Westen, wat op haar beurt bijdroeg tot een constructieve uitwisseling tussen de orthodoxe en westerse christenen.

Wat betreft het onheil van 1922-1923 in Klein Azië, het ontnam het oecumenisch patriarchaat de grote meerderheid van haar gelovigen. Sedert het tweede oecumenisch concilie van Constantinopel, in 381, werd de stad Constantinopel, ook het nieuwe Rome genaamd,, het voornaamste kerkelijk centrum van de oosterse christenheid; en gedurende de byzantijnse en ottomaanse periodes, oefende dit patriarchaat haar jurisdictie uit over territoria die uitgestrekt en weinig bevolkt waren. Maar het aantal van haar gelovigen verminderde enorm, vooreerst omwille van de stichting van nationale kerken in de 19e eeuw in Griekenland, Servië, Bulgarije en Roemenië; vervolgens omwille van de uitwisseling van volkeren in 1923, die de uitwijzing inhield uit Turkije van alle orthodoxe christenen, uitgezonderd in de regio van Constantinopel.  Vanaf 1923, en meer in het bijzonder  vanaf de anti-griekse oproer van 1955, waren de christenen die in Constantinopel waren gebleven het slachtoffer van uitzonderlijke druk van de kant van de turkse autoriteiten en vandaag de dag leven zij in een droevige staat van isolement. Ondanks deze verliezen, blijft het patriarchaat canonisch de primus inter pares in de schoot van de orthodoxe kerk, en dit op wereldvlak.

Het communistisch juk

De tweede beslissende gebeurtens  die de orthodoxie van de 20e eeuw kenmerkt, was de expansie van het communisme van de Sovjet unie in de richting van Europese landen in het Oosten, en dit vanaf 1945 en in de jaren die daarop volgden. Zo kwamen de orthodoxe Kerken van Servië, Roemenië, Bulgarije, Polen, Albanië en Tchechoslowakije  onder het atheïstisch regime te staan, en ongeveer 85 % van de totaliteit van orthodoxe christenen leefde onder het communistisch regime. Ondanks alle hindernissen die zij op hun weg tegenkwamen, ondanks alle tussenkomsten van de Staat, waren de vervolgingen – uitgezonderd in Albanië – minder hevig dan het was in Rusland gedurende de jaren 1920 en 1930. In het Rusland van na de oorlog, onder Stalin,  was het doel van de communisten in de andere landen van Oost Europas, meer te controleren veeleer dan te vernietigen (uitgezonderd Albanië).

De derde  beslissende gebeurtenis die voor de Orthodoxe Kerk meer bemoedigend was, was de plotselinge val van het Communisme in 1988-1989. Als gevolg hiervan profiteren alle orthodoxe kerken, uitgezonderd het oecumenisch patriarchaat te Istanbul in Turkije, van een steun van de Staat, of te minste van een positieve neutraliteit.

Een contrastrijke situatie

De positie van het Oecumensich patriarchaat in Turkije blijft delicaat , om niet te zeggen onzeker. Het aantal van de grieks orthodoxen bedraagt er minder dan 5000. De laatste veertig jaar heeft men dikwijls gedacht dat de turkse regering het patriarchaat  definitief zou verwijderen . Men heeft zelfs gesuggereerd dat, omwille van de ondergane beperkingen, de patriarch er beter zou aan doen om het turkse grondgebied op eigen beweging te verlaten. Vergeten wij niet dat het patriarchaat een belangrijk aantal gelovigen heeft die zich buiten Turkije bevinden : niet alleen in Griekenland, in het noorden van het land, in wat wij noemen “de nieuwe territoria” die op administratief niveau ingelijfd zijn in de Kerk van Griekenland, in Kreta en de Dodecanesos, de Berg Athos, maar ook in de grote griekse diaspora in gans de wereld. Maar de huidige oecumenische patriarch Bartholomeüs I heeft duidelijk doen verstaan dat hij zich persoonlijk betrokken voelt bij de gelovigen in Turkije zelf, en hij heeft nooit de intentie gehad om Turkije uit eigen beweging te verlaten. Ondanks de vele moeilijkheden die hij tegenkomt, is hij op vele domeinen actief : voor de eenheid van de christenen, voor de dialoog met de Islam en voor een christelijk getuigenis van de ecologie. Hij is voorstander van het toetreden van Turkije tot de europese Gemeenschap, en op dit punt verschilt hij van mening met vele orthodoxen in Griekenland.

In Griekenland en op een minder uitdrukkelijke manier op Cyprus, waar de kerken teruggaan op de apostolische tijd, zijn dezer twee landen de enige waar de orthodoxe Kerk officieel “gevestigd” is, terwijl in verschillende oud communistische landen, vooral in Rusland en Roemenië, de orthodoxe Kerk er niet ver van weg is om “de facto” in deze positie te verkeren.

In Griekenland en Cyprus is de meerderheid van de bevolking orthodox gedoopt. Voor de meerderheid van de grieken is het nog altijd evident om te denken dat Griek zijn, orthodox zijn betekent. Nochtans kan men het feit niet ontkennen dat met de groei van de urbanisatie en de materiële welvaart, en in het geval van Griekenland in het bijzonder, haar intrede in de Europese Gemeenschap in 1981, heeft de Kerk niet meer dezelfde invloed als in het verleden. Sedert de jaren 1950, hebben de mensen de gewoonte ver
loren om naar de kerk te gaan, en op onze dagen is het waarschijnlijk dat het aantal mensen dat regelmatig praktiseert niet boven de 10 % . Nochtans is de Kerk onder de bezielende leiding van aartsbisschop Christodoulos bewonderenswaardig actief is geweest op het vlak van de sociale en filantropische werken, en men kan veronderstellen dat dit ook zal gebeuren onder zijn opvolger Hiëronimos, verkozen in 2008.

De uitdaging van de secularisatie.

Wat moet er gezegd worden van de orthodoxe Kerken in de vroegere communistische landen, en in het bijzonder in Rusland en de Ukraïne, die bekeerd werd tot het christendom in de 4e eeuw, in servië en Bulgarije die bekeerd zijn door byzantijnse missionarissen in de tweede helft van de 9e eeuw, en in Roemenië waarvan de christelijke wortels teruggaan tot de bezetting van Dacie door de Romeinen in de tweede en derde eeuw ? In al deze landen, als gevolg van de val van het communisme, heeft men een indrukwekkende restauratie gezien van de uiterlijke kerkelijke structuren. Dit is in het bijzonder het geval in de oude Sovjet-unie. In Rusland en in Ukraïne waren er in 1987,6800 parochies;  in 2007 telde men er reeds 27.300. De groei van het aantal monasteria voor mannen en vrouwen is nog indrukwekkender : 19 in 1987, en 716 in 2007. Gedurende dezelfde periode is het aantal theologische scholen gegaan van 3 naar 70. Nochtans, ondanks deze bemerkingswaardige uitbreiding, moet men zeggen dat het aantal regelmatige kerkgangers niet meer zijn dan 5 tot 10 % op de gewone zondagen; maar de mensen komen talrijker op de grote feestdagen.

In gans oost Europa, in Griekenland zowel als in Cyprus als in de oud communistische landen, moet de orthodoxe Kerk  uitzien op dezelfde uitdaging : op welk punt zullen de orthodoxen erin slagen om te weerstaan aan het proces van secularisatie die reeds heeft geleid tot een diepe achteruitgang van de religieuze praktijk in west Europa ? Gedurende de 70 jaren van een atheïstische regering, en de ontgoocheling van enorme verliezen, blijft een belangrijke minderheid trouw aan de Kerk in Rusland. Haar moed en haar  uithoudingsvermogen tijdens de vervolgingen zijn zeer indrukwekkend en zijn een van de grote triomfen van het christendom gedurende de 2000 jaar van haar bestaan. Nochtans, men kan niet verhinderen om zich af te vragen of de bekoringen van het seculier materialisme op lange termijn niet meer vernietigend zullen zijn dan de rechtstreekse vervolgingen ? De ervaring van de 30 komende jaren zal op dit punt cruciaal zijn.

Het gebrek aan samenwerking en eenheid onder de orthodoxen

Eén van de belangrijke problemen die de orthodoxie heeft gekend in de 20e eeuw, en die zich ook in de 21e eeuw zullen stellen, is deze van het tekort aan eenheid en van interorthodoxe samenwerking, niet op het niveau van de leer en de liturgische celebraties, domeinen waar er geen grote meningsverschillen bestaan, maar op het domein van de kerkelijke administratie en de jurisdicties. Wij orthodoxen, delen allen hetzelfde geloof, onze liturgische celebraties zijn dezelfde en , in principe, wij zijn allen in een sacramentele communio met elkaar. Maar in de praktijk is het uitdrukken van onze interne en spirituele eenheid droevig gebrekkig. Wanneer er interkerkelijke conflicten losbarsten, heeft mens dikwijls eeuwen nodig om ze op te lossen. Het lijkt erop dat wij geen klare en werkbare methoden hebben om onze misverstanden op te lossen.

Tot diep in  de 20e eeuw heeft het gebrek aan interorthodoxe samenwerking vele orthodoxe leiders in de war gebracht, en men heeft middelen gezocht om op een meer effectieve wijze onze kerkelijke eenheid te manifesteren. Nochtans zijn er tot nog toe weinig zaken geregeld op het praktische vlak. Bij het begin van de 20e eeuw, in 1902, heeft de toenmalige patriarch van Constantinopel Joachim III een ambitieuze en visionaire encycliek gezonden aan alle orthodoxe Kerken, om doen inzien dat er  toenaderings consultaties moeten georganiseerd worden  tussen orthodoxen. De Russische Kerk legt het accent in het bijzonder op het belang om”speciale vergaderingen voor alle orthodoxe van gans de wereld” te organiseren. In 1923 probeerde de patriarch van Constantinopel Mélétios IV Métaxakis om zo een vergadering bijeen te roepen door het organiseren van een panorthodoxe conferentie te Istanbul.  Ongelukkiglijk hebben alleen enkele Kerken afgevaardigden gezonden, en de beslissingen die er genomen werden, in het bijzionder wat het betreft  de aanneming van de nieuwe kalender, veroorzaakten nieuwe en ernstige scheidingen.

In 1930 was er een nieuwe poging voor een “speciale vergadering”, wanneer een interorthodox “voorbereidend Comité” bijeen kwam op de berg Athos, met de intentie een “pre-synode” te organiseren en vervolgens een “groot en heilig concilie”, dat het 8e oecumenisch concilie zou zijn. Maar de tweede wereldoorlog barstte uit. Vervolgens in 1948, ter gelegenheid van de 500e verjaardag van de autocephalie van de Russische Kerk , werd een “conferentie van de leiders en vertegenwoordigers van de autocephale kerken” gehouden te Moscou. Wanneer dit project voor een conferentie werd aangekondigd, suggereerden de woordvoerders van de Russische Kerk dat deze de weg kunnen voorbereiden voor een oecumenisch concilie. Maar het patriarchaat van Constantinopel protesteerde, zeggende dat zij de enige is die het canonisch recht heeft om een panorthodox concilie bijeen te roepen. Als gevolg hiervan werd de bijeenkomst in plaats van ” concilie”, eenvoudigweg “bijeenkomst”genoemd wat een ernstig onderscheid is in de orthodoxe ecclesiologie ! Alhoewel er vele brandende vraagstukken werden behandeld werd de conferentie van Moscou van 1948, helaas, gekenmerkte door de overheersende mentaliteit van de koude oorlog.

“Onze eenheid in de unieke Kerk van Christus is waardevoller van het patriotisme”

In 1961, hernam de oecumenische patriarch Athenagoras het idee van “een groot en heilig concilie” door een panorthodoxe Conferentie te organiseren te Rodos, waaraan de belangrijkste orthodoxe Kerken deelnamen. Deze conferentie werd gevolgd door andere panorthodoxe ontmoetingen te Rhodos in 1963 en 1964, vervolgens door een reeks conferenties in het orthodox centrum van Chambésy en vervolgens te Genève. Men sprak er over technische kwesties zoals bijvoorbeeld de regels voor het vasten en de kalender, maar men discussieerde  er ook over het meer fundamenteel probleem van de Kerkelijke organisatie van de orthodoxe Kerk in het Westen. De conferenties van Chambésy van 1990 en 1993 drongen aan op het feit dat in een land waar orthodoxe jurisdicties samen leefden, de betreffende  Kerken conferenties of bisschoppelijke comités moesten vormen om mekaar regelmatig te ontmoeten. Dit werd in enkele landen van de wereld gerealiseerd. Alhoewel men zich had uitgesproken voor de communicatie onder orthodoxen, hebben de conferenties van Rodos en Chambésy toch niet geleid tot een “groot en heilig concilie”, en ongelukkiglijk werden deze conferenties geschorst gedurende de jaren. De geïnspireerde dromen van de patriarchen Joachim en Athenagoras werden zoniet vergeten dan wel stilletjesaan vergetelheid gebracht.

De mislukking van deze inspanningen in het vooruitzicht van een naderbijkomen van een orthodoxe samenwerking is zeker te wijten aan de nationalistische geest die de bovenhand had in bijna alle orthodoxe
Kerken. Té dikwijls zagen de orthodoxen zich vooreerst als Grieken, Russen, Serven, enz.., en zij zagen zichzelf op de tweede plaats in hun hoedanigheid van leden van de enige en zelfde orthdoxe Kerk. Het patriotisme, de liefde voor hun vaderland en de ethnische tradities zijn kostbare kwaliteiten die ons christelijk leven kan verrijken. Zoals Alexander Solsjenitsyn het heeft geaffirmeerd tijdens zijn toespraak voor de Nobelprijs in 1970. “De naties zijn de rijkdom van de mensheid, hun collectieve persoonlijkheid; de minsten onder hen dragen hun eigen kleuren en bevatten een aspect van het plan van God”. Onze eenheid in de enige Kerk van Christus is onvergelijkbaar kostbaarder dan het patriotisme. In de orthodoxe ervaring van het verleden en het heden, is de waarachtige orde van de prioriteiten ongelukkiglijk verduiserd. Wij moeten onze nationale loyaliteit “dopen” om te komen tot de metanoia of het berouw, in de literaire betekenis van het woord : “verandering van geest”. In het symbolum van het geloof bevestigen wij orthodoxen : “ik geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk”, maar hoe gaat het er in de praktijk aan toe ? Wij hebben de vermaning van de heilige Philaret, metropoliet van Moscou(1782-1867) vergeten, namelijk de het Credo slechts toebehoort aan hen die het beleeft.

De overgang van een Staatskerk naar een “vrije” Kerk.

Sedert de bekering van keizer Constantijn in 313 en tot aan de 20e eeuw heeft de orthodoxie op een dominerende wijze bestaan in de situatie als staatskerk. Op paradoxale wijze is dit blijven voortbestaan na de val van het byzantijnse Rijk. De orthodoxen onder islamitische heerschappij bestonden als een soort “Staat binnen de Staat”, bestuurd door de kerkelijke overheid op het burgerlijk en religieus terrein. Nochtans, in de loop van de honderd laatste jaren is dit bondgenootschap op abrupte wijze opgeheven of tenminste verzwakt in de schoot van de orthodoxe Kerken die onder het communisme leefden. En zelfs al is dit sedert de val van het communisme gedeeltelijk hersteld is zoals in Rusland en Roemenië, dan is het toch in beperkte mate. Terzelfdertijd is in een land als Griekenland, de verbinding tussen Kerk en Staat aan het wankelen gebracht door de groeiende secularisatie. Dit betekent dat bijna overal ter wereld de bisschoppen niet meer kunnen afhangen van de regering zoals vroeger; en de priester van de parochie kan niet meer hopen dat de schoolmeester en de politieagent het werk doen in hun plaats.

Dit einde van de lange alliantie tussen Kerk en Staat betekent dat de orthodoxe Kerk meer en meer steunt op datgene wat nooit heeft opgehouden zijn bron te zijn : de heilige eucharistie tijdens de celebratie van de heilige Liturgie, door de communie aan het Lichaam en Bloed van Christus. Op onvermijdelijke wijze zal de overgang van een Staatskerk naar een “vrije” Kerk, die de Kerk ondergaat in een multiculturele en seculiere maatschappij, pijnlijk zijn en het houdt ook in dat men veel materiële middelen zal verliezen alsook vele offers zal vragen. Maar op lange termijn zal dit verlies bewijzen dat het geen verlies is, maar een winst. Indien in de 20e eeuw en bij het begin van de 21e eeuw de Kerk beroofd is van veel van haar materiële en tijdelijke invloed, indien zij op een kenotische wijze meer en meer afhangt van het “enig noodzakelijke” (Luc.10,42), de heilige eucharistie, dan zal dit zeker niet als straf beschouwd worden, maar als een zegen. Dit betekent dat de Kerk werkelijk zichzelf wordt.

De 20e eeuw is zeker een tijd geweest van beproeving voor de orthodoxe christenen van Klein-Azië, in de Sovjet Unie of in andere plaatsen van Oost Europa gedurende de communistische periode. Nochtans, ondanks de”vreselijke beproeving” waardoor de orthodoxie is gegaan in de 20e eeuw, kan de orthodoxie er werkelijk prat op gaan sterker te zijn in het jaar 2000 dan in het jaar 1900 (…)

Uit : SOP 347 – April 2010-05-01

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

Het beeld en de gelijkenis van God in de mens

Het beeld en de gelijkenis van God in de mens

(Ascetisch essai van de heilige bisschop Ignace Briantchaninov)

ignatius_Brianchaninov_the_Bishop 30e april
 

“Laten wij de mens maken naar Ons Beeld en Onze gelijkenis!” Dit is de mysterieuze raad die de heilige Drie-eenheid, onze God doet weerklinken in en met Zichzelf door de schepping van de mens. Aldus is de mens het beeld en de gelijkenis van God ! aldus is God, in zijn grootheid, onbereikbaar en staat hij boven elk beeld. Het is weergegeven in de mens, helder en met luister. Weerspiegelt de zon zich niet in een nederige druppel water ?

De menselijke natuur is naar het beeld van de goddelijke natuur. Dat wat de mens anders maakt dan een dier, dat wat hem gelijk maakt aan de engelen, is zijn geest. De eigenschappen van de menselijke geest, wanneer hij nog in zijn staat van zuiverheid en onschuld verkeerde, zijn volgens de gelijkenis met God. God heeft vanuit zijn almachtige Rechtschapenheid deze gelijkenis geboetseerd in de mens. Hij staat boven elke gelijkenis en elke vergelijking !

Wat is de mens ? Een volmaakt wezen, vervuld met alle waardigheid en alle schoonheid. De Almachtige heeft ter zijner intentie van de zichtbare natuur, welke hij totaal bestemd had om hem te dienen, een buitengewone omgeving gemaakt. Wanneer hij alle andere wezens vanuit het niet tot het bestaan heeft gebracht, heeft Hij zich tevreden gesteld met een almachtige orde; maar wanneer hij het grote werk van de schepping van de wereld door de schepping van de meest verfijnde en de meest vervulde van alle schepselen heeft volbracht, dan heeft hij deze act doen voorafgaan met een raad…..

De imposante materie die vóór de mens geschapen is, met haar oneindige diversiteit, is niets anders (wij durven dit bevestigen want het is de waarheid) dan een voorbereidende schepping. Een aardse koning is bezorgd om een zaal te vinden om er zijn portret in op te stellen. Op dezelfde wijze is het bij de Koning der koningen. Hij heeft de zichtbare natuur en al haar schoonheid, schitterend en bewonderenswaardig,voorbereid om er Zijn Beeld in te plaatsen, ultieme oorzaak van alles wat er is voorafgegaan. Anderzijds, na de schepping van de wereld heeft God datgene wat Hij had gemaakt bewonderd en zag dat het goed was (Gen 1,25). Maar na de schepping van de mens, nadat hij opnieuw datgene wat Hij had geschapen bewonderde, vond Hij Zijn schepping  beëindigd, volmaakt, volledig, Hij zag alles wat Hij geschapen had en zie het was zeer goed (Gen.1,31).

Mens, begrijp dus je waardigheid ! Bekijk de grasvelden en de landerijen, de grote rivieren, de immense zeeën , de hoge bergen, de prachtige bomen, alle dieren van de aarde en alle die zich verplaatsen in de wateren, de maan, de zon en de hemel : dit alles is voor u, tot uw dienst ! En als extra, buiten de wereld die wij zien, is er ook een onzichtbare wereld voor onze ogen, onvergelijkbaar hoger dan de zichtbare wereld : en deze onzichtbare wereld is ook geschapen voor de mens !

Hoe heeft God Zijn beeltenis geëerd !… En welk edele bestemming heeft hij ervoor voorzien ? De zichtbare wereld is niets anders dan de wachtkamer van een onvergelijkbaar uitgestrekt en mooi verblijf. Het beeld van God verblijft in deze wachtkamer om bekleed te worden met de definitieve kleuren, om zo veel mogelijk te gelijken op haar al heilig en volmaakt Origineel : Zij zou kunnen, door de schoonheid en de fijnheid van deze gelijkenis , doordringen in het paleis waar het Originele zich onuitsprekelijk laat kennen, en die  Zijn Oneindigheid onuitsprekelijk  beperkt om toegankelijk te zijn voor Zijn redelijke schepselen en wel-beminden.

Het beeld van God-Drie-eenheid is de trinitaire mens. Men vindt in de ziel van deze laatste drie krachten, die deze ziel kenmerken.

Onze gedachten en onze spirituele waarnemingen tonen ons met alle zekerheid het bestaan van het verstand, of het intellect , dat volstrekt onzichtbaar en onbegrijpelijk is. Het past hierbij te verduidelijken dat de Heilige Schrift en de Geschriften van de Vaders, het woord geest dikwijls als de ziel in het algemeen aanduidt, en dikwijls één van de machten  van de ziel, het intellect of de machten van het woord. Maar algemeen gesproken, geven de Vaders aan de ziel deze drie bijzondere machten : het intellect (of de rede), de gedachte ( of het woord), en de geest. De geest is de bron en de oorsprong van de gedachte, zoals de spirituele waarneming. De geest duidt de bekwaamheid aan om het spirituele waar te nemen (Bij sommige auteurs kan men het woord geest door het woord intellect vervangen; wij gebruiken het ook om de geschapen geesten aan te duiden).

Van nature is onze ziel het beeld van God. En zelfs na de zondeval blijft de ziel het beeld van God ! Zelfs als men in de vlammen van de hel zijn geworpen blijft de ziel het beeld van God ! Zo is de leer van de heilige Vaders. De Heilige Kerk zingt in haar heilige hymnen : “Ik ben het beeld van Uw glorie, zelfs al draag ik de tekenen van de zonde”.

Ons intellect is naar het beeld van de Vader, onze gedachte (wij noemen gewoonlijk gedachte, elk woord dat niet is uitgesproken) naar het beeld van de Zoon, onze geest naar het beeld van de Heilige Geest. Op dezelfde wijze als in de Drie-eenheid, zijn de Drie Personen samengesteld zonder verwarring noch verdeling, een enig Goddelijk Zijn., in de trinitaire mens vormen deze drie “personen” één enkel zijnde, zonder verwarring nog verdeling in drie zijnden.

Ons intellect doet ontstaan en geeft onophoudelijk geboorte aan de gedachte. Eénmaal geboren, houdt de gedachte niet op om opnieuw geboren te worden, en terzelfdertijd is zij reeds geboren, verborgen in het intellect. Het intellect kan niet bestaan zonder de gedachte, en de gedachte zonder het intellect. Het begin van het ene is noodzakelijk het begin van de andere. Het bestaan van het ene is noodzakelijk het bestaan van het andere.

Op dezelfde wijze, komt de geest voort uit het intellect en draagt bij aan de gedachte. Elke gedachte heeft zijn geest, het bestaan van het eerste is noodzakelijk vergezeld van het bestaan van het tweede. Het bestaan van het ene en het andere tonen ons het bestaan van het intellect.

Wat is de geest van de mens ? het is de verzameling van gevoelens uit het hart die toebehoren aan de redelijke en sterfelijke ziel, en die niet bestaat in de ziel van een dier.

Het hart van de mens verschilt van het hart van de dieren door zijn geest. Het dier heeft waarnemingen die uit het bloed en de zenuwen komen, maar hij heeft geen spirituele waarneming. Deze daad van het goddelijk beeld is het erfdeel dat exclusief voor de mens is. De kracht van de mens is dus in zijn geest.

Ons intellect, onze gedachte en onze geest, omwille van de gelijktijdigheid van hun afkomst en hun wederzijdse relaties, zijn naar het beeld van de Vader
, de Zoon en de Heilige Geest, de mede-eeuwige Drie Personen, zonder begin, gelijk in eer en van dezelfde natuur. Diegene die Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien, kondigt de Zoon aan, Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij (Joh.14,9-10). Men kan spreken in dezelfde termen van het menselijk intellect en zijn gedachte.  Het intellect, onzichtbaar uit zichzelf, openbaart zich door de gedachte; diegene die kennis genomen heeft van de gedachte, heeft kennis genomen van het intellect die deze gedachte heeft voortgebracht.

De Heer heeft de Heilige Geest genoemd : heilige macht vanuit de hoge, Geest van Waarheid (Luc 14,49; Joh.14,17). De waarheid is de Zoon, de geest van de mens heeft ook de eigenschappen van deze Macht : hij is de geest van de gedachte van de mens,  zij is waar of vals. Deze geest verschijnt in elke geheime beweging van het hart, in elke wijze van denken, in elke daad van de mens,het is  de geest die de mens heeft geleid in zijn actie.

De barmhartige Heer heeft elke mens getooid naar Zijn Beeld en Zijn gelijkenis. Bestaan naar het beeld van God is de natuur zelf van elke ziel. Maar de gelijkenis is het bezit van de ziel. Van nature is de Schepper eeuwig, wijs, goed, onvergankelijk, heilig, vreemd aan elke passie en elke zonde, aan elke idee en waarneming van de zonde. De mens, van zijn kant, werd ook geschapen naar het beeld van God.

Een handig schilder schets eerst de vormen en de trekken van het gezicht waarvan hij een portret wil maken. Vervolgens geeft hij aan het gezicht en aan de klederen de kleur van het origineel, en zo voltrekt zich de gelijkenis : het beeld werd zo in alle dingen begiftigd met de gelijkheid met God. Indien dit niet het geval was, dan zou het resultaat onvolledig zijn, God onwaardig, en God zou zijn objectief hebben gemankeerd.

Maar helaas, driemaal helaas ! Ween hemelen, en gij zon, de sterren , de aarde en alle aardse schepselen ! Ween, ganse natuur ! Heilige engelen, weent ! snikt met bitterheid en wees ontroostbaar ! Trek de rouwklederen aan ! Het onheil is vervuld, het enige onheil dat de verdienste heeft om onheil te worden genoemd : het beeld van God is gevallen ! Geëerd  door de vrije wil en verleidt door de gevallen engel, heeft de mens gecommuniceerd met de gedachten van duistere geesten en met de vader van de leugen en alle kwaad. Deze communicatie wordt gemanisfesteerd door een act : de scheiding met de goddelijke wil. En Ecclesiasticus zegt met juistheid dat datgene wat krom en gebogen is niet meer recht kan gemaakt worden , datgene wat ontbreekt kan er niet meer bij gerekend worden (Prediker.1,15).

De ontregeling van het beeld en de gelijkenis kan gemakkelijk  geobserveerd worden in elk van ons. De schoonheid van de gelijkheid, die bestaat uit het verbond van alle deugden, werd besmet door de talrijke passies en de slechte adem. De trekken van het beeld zijn hun eerste regelmaat verloren : hun wederzijds akkoord. De gedachte en de geest strijden met elkaar, zij houden op om het intellect te gehoorzamen, zij richten er zich tegen op. Hijzelf verblijft in een blijvende vertwijfeling, in een vreselijke duisternis die God in hem verduisterd, alsook de weg die naar God leidt, de heilige en onfeilbare weg.

Deze ontregeling van het beeld en de gelijkenis wordt vergezeld van een verschrikkelijk lijden. Het volstaat voor de mens om zich lang genoeg te concentreren op zichzelf in de eenzaamheid om zich ervan te overtuigen dat dit lijden permanent is, hoewel het kan afnemen of opgewekt worden, het kan verdrukt worden of niet.

O mens ! Uw verstrooiing en uw plezier verraden het lijden die in u broedt ! Gij zoekt om het te doen verdrinken in de kelk van het luidruchtige lachen en van de vermakelijkheden zonder einde. Ongelukkig ! Vanaf het moment dat je één minuut van waakzaamheid vertoond, wordt gij opnieuw overwonnen door dit lijden die gij trachtte te overwinnen. Maar weet dat de ontspanning het voedt en versterkt. Na te hebben uitgerust in de schaduw van het tekort aan waakzaamheid , bloeit het lijden weer op met een grotere kracht, als een getuige die in de mens woont, de getuige van zijn val.

Het lichaam van de mens is ook gekenmerkt door het zegel van de val. Vanaf de geboorte kent hij  vijandigheid. Hij vecht tegen alles wat hem omringt en tegen de ziel zelf die in hem leeft. Alle elementen vallen hem aan. Op het einde van het leven, uitgeput door innerlijke en uiterlijke strijd, gegrepen door ziekte, en geknecht door de ouderdom, valt hij onder de valsheid van de dood en wordt tot stof herleid, alhoewel hij als onsterfelijk is geschapen.

Maar opnieuw manifesteert zich de grootheid van de mens als beeld van God ! Ze manifesteert zich in de val zelf doorheen het instrument die het onttrekt aan deze val : God heeft Zijn Beeld op Zich genomen, op één van Zijn goddelijke Personen ! God is mens geworden om Zijn beeld aan de val te onttrekken, het opnieuw in ere te herstellen in zijn oorspronkelijke glorie, en meer nog, het te verheffen naar een onvergelijkbare hoogte die de zijne was tijdens de schepping!

De Heer is rechtvaardig in Zijn barmhartigheid. Door de Verlossing te verzekeren, heeft Hij Zijn beeld geëerd meer nog dan Hij het deed tijdens de schepping, want de mens had zelf zijn val niet beraamd : het is de gevallen engel die heeft teweeggebracht uit afgunst, en bedrogen door het kwade onder het masker van het goede.

Elke Persoon van de Heilige Drie-eenheid heeft deelgenomen aan het werk van de incarnatie, elk volgens zijn  eigenschap. De Vader blijft degene die voortbrengt, de Zoon wordt geboren, de Heilige Geest bekleedt de mensheid. Door Hem treedt de Heilige Drie-eenheid in communio met ons intellect en onze geest.

De Zoon en het Woord van God is geïncarneerd. Dus is onze gedachte verbeterd, gezuiverd door de Waarheid. Onze geest is bekwaam geworden om te communiceren met de heilige Geest. Deze geest, die de eeuwige dood heeft gedood, is levendig geworden door de Heilige Geest, en ons intellect heeft toegang gekregen tot de kennis en het zien  van de Vader.

De trinitaire mens is genezen door de God-Drie-eenheid. Door het Woord is de gedachte genezen, zij is verwezen naar de wereld van de leugen en de valstrik naar die van de waarheid. Door de Heilige Geest is de geest geanimeerd, hij is overgegaan  van de vleselijke gewaarwordingen  van de ziel naar de spirituele waarnemingen. De Vader verschijnt aan het intellect en onze geest wordt geest van God : wij hebben de gedachte van Christus (1 Kor.2,16) zegt de Apostel.

Voor de komst van de Heilige Geest, vraagt de mens die dood is door de Geest : Heer, toon ons de Vader !(Joh14,8). Na het ontvangen van de Heilige Geest en de kinderlijke adoptie, zal de mens, geanimeerd door de nieuwe geest en gekeerd naar God en zijn heil, zich tot de Vader richten onder de actie van de Heilige Geest zoals tot iemand die wij kennen, en hij zal hem zeggen : Abba, Vader ! (Rom.8,15)

Het gevallen beeld wordt hersteld in  het Heilig Doopsel. De mens, wordt door het water en de geest geboren tot een nieuw leven. Vanaf het doopsel, zal de Geest, die zich verwijderd had van de mens door de zondeval, deelnemen aan zijn aards leven. Door het berouw geneest hij d
e wonden die de zonde  heeft geopend na zijn Doopsel, en brengt alzo het heil toegankelijk tot de laatste adem.

De schoonheid van de gelijkheid is hersteld door de Geest; zij is ontwikkeld en vervolmaakt door de  vervulling van de evangelische geboden. Het model en de volheid van deze schoonheid is niets anders dan de God-Mens, onze Heer Jezus Christus. “Wees mijn navolgers zoals ik het ben in Christus” (1 Kor.2,1), zegt de apostel. Door deze woorden  roept hij de gelovigen op om de gelijkenis in zichzelf te vestigen en te vervolmaken. Hij toont ons aan wat voor de nieuw geschapen en vernieuwde mens door de verlossing Zijn Heilig Model is voor de volmaaktheid : “Bekleedt u met de Heer Jezus Christus” (Rom.13,14).

De Heilige Drie-eenheid, onze God, door de verlossing van de mens, Zijn beeld, offert ons zo een mogelijkheid om te slagen in de vervolmaking en de gelijkenis, dat deze gelijkenis gaat tot aan de transformatie in eenheid met het Originele, een vereniging van het arme schepsel met zijn totaal volmaakte Schepper.

Hoe bewonderingswaardig en wonderlijk is het beeld van God ! God schittert en handelt door dit beeld ! De schaduw van de Apostel Petrus genas ! Hij die hem verloochend had stierf alsof hij God zelf had belogen !  Het linnen zelfs van de Apostel Paulus vervulden de tekenen ! Het gebeente van de profeet Eliséus stond op uit de dood waarvan de de resten van de Pneumatophore  reeds lang in het graf lagen, en dit door de eenvoudige onoplettendheid van de   grafbewakers !

De uiteindelijke gelijkenis, de vereniging met God, wordt bereikt en bevestigd door het onderhouden van de evangelische geboden. ” Blijf in Mijn en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, maar alleen als zij blijft aan de wijnstok, zo gij evenmin, als gij niet blijft in Mij. Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Wie in Mij blijft, zoals ik in hem, die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt gij niets” (Joh.15,4-5). 

De gelukzalige vereniging wordt verleend, wanneer een gezuiverd geweten door de verwijdering van elke zonde en door de geboden van Christus, de christen communiceert aan het heilige lichaam en aan het bloed van Christus, en dus aan Zijn goddelijkheid die ermee gepaard gaat. “Hij die mijn vlees eet en mijn Bloed drinkt blijft in Mij en ik in hem”Joh.6,56)

Redelijk Beeld van God ! Onderzoekt tot welke glorie en welke eer gij zijt geroepen en bestemd door God ! De onbegrijpelijke wijsheid van de Schepper heeft u toegestaan te beschikken over uw eigen wil : is het mogelijk dat gij niet waardig wilt blijven om Beeld van God te zijn, wilt gij de gelijkenis vernielen en kapotmaken, zoekt gij om te gelijken op de duivel en u te verlagen tot de waardigheid van de beesten ?

God heeft niet tevergeefs zijn goederen uitgestort. Hij heeft niet tevergeefs de wonderlijke schepping verricht, Hij heeft niet onnodig de schepping van Zijn beeld geëerd door een voorafgaandelijke voorwaarde, Hij heeft  niet onbewust  dit beeld vrijgekocht na de val door Zichzelf te offeren ! Hij zal geen rekenschap vragen voor dit alles. Hij zal oordelen hoe zijn weldaden werden gebruikt, hoe Zijn Incarnatie is gewaardeerd, en hiermee het vergoten Bloed voor onze verlossing.

Ellende voor de schepselen die de weldaden van God zullen hebben versmaad, hun Schepper en Redder ! Het eeuwig vuur, een onblusbare vuurgloed     zonder bodem, aangestoken sinds lang, en bereid voor de duivel en zijn engelen en die wacht op de bedorven ,nutteloos geworden beelden. Daar zullen zij eeuwig branden, zonder te verteren.

Broeders  , zolang wij op deze aarde zullen rondwandelen, zolang wij in deze zichtbare wereld zijn, wachtkamer voor de eeuwigheid, laten wij ons inspannen om de  gegraveerde lijnen van het beeld door God in onze ziel te herstellen ! Laten wij aan de nuances en de kleuren van de gelijkheid schoonheid, levendigheid en frisheid geven ! En God, na de vreselijke beproevingen, zal ons waardig achten om in Zijn eeuwig paleis binnen te gaan, in Zijn eeuwige dag, in het feest en de eeuwige triomf !. 

Herneem de moed, mensen van weinig geloof ! Doe inspanningen, luiaards !  Deze mens die aan ons gelijk geworden is door zijn passies, die in zijn blindheid eertijds   de kerk vervolgde, die vooral de tegenstander en de vijand van God was, en die  zoveel deed om na zijn bekering in hem het beeld te herstellen. Deze mens vervolmaakt zo goed de gelijkheid zodat hij kan zeggen over zichzelf : “Niet meer ik ben het die leef, het is Christus die leeft in mij” (Gal.2,20).

Dat niemand twijfele aan de echtheid van deze stem ! Deze stem is zo vol van de Heilige Waarheid, de Heilige Geest werkt er zodanig mee samen, dat de doden verrezen, de demonen de mensen verlieten  die zij deden lijden en deed hun fantasieën zwijgen. De vijanden van het Licht verloren het licht van hun ogen, de heidenen verwierpen hun idolen, zij erkenden God als de ware God, en zij aanbaden Hem !  

Amen.

Vertaling : Kris Biesbroeck                                                                          

 

.